Tristan en Isolde.




Door Nico Koomen.




My lords, if you would hear a high tale of love and of death, here is that of Tristan and Queen Iseult; how to their full joy, but to their sorrow also, they loved each other, and how at last they died of that love together upon one day; she by him and he by her.

Long ago, when Mark was King over Cornwall, Rivalen, King of Lyonesse, heard that Mark’s enemies waged war on him; so he crossed the sea to bring him aid; and so faithfully did he serve him with counsel and sword that Mark gave him his sister Blanchefleur, whom King Rivalen loved most marvellously.

He wedded her in Tintagel Minster, but hardly was she wed when the news came to him that his old enemy Duke Morgan had fallen on Lyonesse and was wasting town and field. Then Rivalen manned his ships in haste, and took Blanchefleur with him to his far land; but she was with child. He landed below his castle of KanoĎl and gave the Queen in ward to his Marshal Rohalt, and after that set off to wage his war.

Blanchefleur waited for him continually, but he did not come home, till she learnt upon a day that Duke Morgan had killed him in foul ambush. She did not weep: she made no cry or lamentation, but her limbs failed her and grew weak, and her soul was filled with a strong desire to be rid of the flesh, and though Rohalt tried to soothe her she would not hear. Three days she awaited re-union with her lord, and on the fourth she brought forth a son; and taking him in her arms she said:

“Little son, I have longed a while to see you, and now I see you the fairest thing ever a woman bore. In sadness came I hither, in sadness did I bring forth, and in sadness has your first feast day gone. And as by sadness you came into the world, your name shall be called Tristan; that is the child of sadness.”

After she had said these words she kissed him, and immediately when she had kissed him she died.

Rohalt, the keeper of faith, took the child, but already Duke Morgan’s men besieged the Castle of KanoĎl all round about. There is a wise saying: “Fool-hardy was never hardy,” and he was compelled to yield to Duke Morgan at his mercy: but for fear that Morgan might slay Rivalen’s heir the Marshal hid him among his own sons.

When seven years were passed and the time had come to take the child from the women, Rohalt put Tristan under a good master, the Squire Gorvenal, and Gorvenal taught him in a few years the arts that go with barony. He taught him the use of lance and sword and ’scutcheon and bow, and how to cast stone quoits and to leap wide dykes also: and he taught him to hate every lie and felony and to keep his given word; and he taught him the various kinds of song and harp-playing, and the hunter’s craft; and when the child rode among the young squires you would have said that he and his horse and his armour were all one thing. To see him so noble and so proud, broad in the shoulders, loyal, strong and right, all men glorified Rohalt in such a son. But Rohalt remembering Rivalen and Blanchefleur (of whose youth and grace all this was a resurrection) loved him indeed as a son, but in his heart revered him as his lord.

Now all his joy was snatched from him on a day when certain merchants of Norway, having lured Tristan to their ship, bore him off as a rich prize, though Tristan fought hard, as a young wolf struggles, caught in a gin. But it is a truth well proved, and every sailor knows it, that the sea will hardly bear a felon ship, and gives no aid to rapine. The sea rose and cast a dark storm round the ship and drove it eight days and eight nights at random, till the mariners caught through the mist a coast of awful cliffs and sea-ward rocks whereon the sea would have ground their hull to pieces: then they did penance, knowing that the anger of the sea came of the lad, whom they had stolen in an evil hour, and they vowed his deliverance and got ready a boat to put him, if it might be, ashore: then the wind, and sea fell and the sky shone, and as the Norway ship grew small in the offing, a quiet tide cast Tristan and the boat upon a beach of sand.

Painfully he climbed the cliff and saw, beyond, a lonely rolling heath and a forest stretching out and endless. And he wept, remembering Gorvenal, his father, and the land of Lyonesse. Then the distant cry of a hunt, with horse and hound, came suddenly and lifted his heart, and a tall stag broke cover at the forest edge. The pack and the hunt streamed after it with a tumult of cries and winding horns, but just as the hounds were racing clustered at the haunch, the quarry turned to bay at a stones throw from Tristan; a huntsman gave him the thrust, while all around the hunt had gathered and was winding the kill. But Tristan, seeing by the gesture of the huntsman that he made to cut the neck of the stag, cried out:  “My lord, what would you do? Is it fitting to cut up so noble a beast like any farm-yard hog? Is that the custom of this country?”

And the huntsman answered: “Fair friend, what startles you? Why yes, first I take off the head of a stag, and then I cut it into four quarters and we carry it on our saddle bows to King Mark, our lord: So do we, and so since the days of the first huntsmen have done the Cornish men. If, however, you know of some nobler custom, teach it us: take this knife and we will learn it willingly.”

Then Tristan kneeled and skinned the stag before he cut it up, and quartered it all in order leaving the crow-bone all whole, as is meet, and putting aside at the end the head, the haunch, the tongue and the great heart’s vein; and the huntsmen and the kennel hinds stood over him with delight, and the Master Huntsman said: “Friend, these are good ways. In what land learnt you them? Tell us your country and your name.”


Mijne heren, als u een mooi verhaal over liefde en dood wilt horen, hier is dat van Tristan en koningin Isolde; hoe ze vol vreugde, maar ook leed kunnen zijn, ze houden van elkaar en hoe ze tenslotte sterven vanwege die liefde op 1 dag; zij bij hem en hij bij haar.

Lang geleden toen Mark koning was over Cornwall hoorde Rivalen, koning van Lyon, dat Marks vijanden oorlog tegen hem voerden; zo stak hij de zee over om hem te helpen; en zo trouw diende hij hem met raad en het zwaard zodat Mark hem zijn zuster Blanchefleur gaf die koning Rivalen wonderbaarlijk lief had.

Hij trouwde haar in Tintagel Minster, maar nauwelijks was hij getrouwd toen hem het nieuws kwam dat zijn oude vijand de hertog Morgan ingevallen was te Lyon en vernielde stad en veld. Toen bemande Rivalen in haast zijn schepen en nam Blanchefleur mee naar zijn verre land; maar zij was zwanger. Hij landde onder zijn kasteel Kanoel en gaf de koningin in bewaring aan zijn maarschalk Rohal en vertrok daarna om zijn oorlog te voeren.

Blanchefleur wachtte voortdurend op hem, maar hij kwam niet thuis, totdat ze op een dag hoorde dat hertog Morgan hem gedood had in een vuile hinderlaag. Ze huilde niet: ze maakte geen geschreeuw of weeklagen, maar haar ledematen faalden en ze werd zwak en haar ziel was vervuld van een sterk verlangen om van het vlees af te komen ofschoon Rohalt haar probeerde te kalmeren, maar ze wilde het niet horen. Drie dagen wachtte zij op hereniging met haar heer en op de vierde bracht zij haar zoon voort; en nam hem in haar armen en zei: “Mijn zoon, ik heb ernaar verlangd om je te zien en nu zie ik het lieflijkste ding dat ooit een vrouw droeg. In droefheid bracht ik je voort en in droefheid zijn je eerste dagen gegaan en omdat je in droefheid in de wereld kwam zo zal je naam Tristan zijn; dat is een kind van droefheid.

Nadat ze die woorden gezegd had kuste ze hem en onmiddellijk nadat ze hem had gekust stierf ze.

Rohalt, de behoeder van het geloof, nam het kind, maar hertog Morgan belegerde het kasteel KanoĎl geheel. Er is een wijs gezegd; “gekken hardheid is nooit hardheid en hij was gedwongen om hertog Morgen aan zijn genade op te geven; maar vanwege de angst dat Morgan Rivalen’ s leger mocht slaan verborg de maarschalk hem onder zijn eigen zoons.

Toen er zeven jaar voorbij waren en de tijd gekomen was om het kind bij de vrouwen weg te halen zette Rohalt Tristan bij een goede meester, de schildknaap Gorvenal en die leerde hem in een paar jaar de kunst die met een baron gaan. Hij leerde hem het gebruik van de lans en zwaard en het wapenschild met de boog: en hoe te maken werpstenen en wijde dijken te laten springen alzo: en hij leerde hem om elke leugen en zware misdaad te haten en zijn gegeven woord te houden; en hij leerde hem verschillende liedjes en het spelen op de harp en het jagers ambacht; en toen het kind tussen de jonge schildknapen reed zou je zeggen dat hij en zijn paard en zijn uitrusting 1 ding was. Om hem zo nobel en trots te zien, breed in de schouders, loyaal, sterk en rechtvaardig zodat alle mannen Rohalt verheerlijkten met zo’n zoon. Maar Rohalt herinnerde Rivalen en Blanchefleur  (waarvan zijn hele jeugd en sierlijkheid een gelijkenis was) en hield van hem als een zoon, maar in zijn  hart vereerde hij hem als zijn heer.

Nu werd op een dag al zijn vreugde weggenomen toen zekere kooplui van Noorwegen Tristan in hun schip lokten en als een rijke prijs zagen, hoewel Tristan zeer hard vocht zoals een jonge wolf vecht in een net. Maar het is een beproefde waarheid en elke zeeman weet het dat de zee nauwelijks een misdadig schip draagt en geeft geen hulp aan rovers. De zee rees en er kwam een zware storm rondom het schip en het dreef willekeurig acht dagen en nachten totdat de zeelui door de mist een kust van afschuwelijke kliffen en naar de zee uitstekende rotsen zagen waarop de zee hun romp in stukken geslagen zou hebben; toen deden ze boetedoening wetende dat de kwade zee van de jongen kwam die ze hadden gestolen in een kwaad uur en ze beloofden zijn bevrijding en maakten een boot klaar om hem er in te zetten, als het kon, aan wal; toen viel de zee en de wind en de hemel werd mooi en toen het Noorse schip in een kleine opening kwam wierp een rustige tijding Tristan en de boot op een zandbank. Pijnlijk klom hij op een klif en zag om op eenzame golvende heide en een bos dat zich eindeloos uitstrekte. En hij huilde en herinnerde zich Gorvenal, zijn vader en het land van Lyon. Toen kwam plotseling van ver een gehuil van een jacht met paard en honden dat zijn hart verheugde  en een groot hert  brak door de bedekking van de bosrand. Het peloton en de jacht kwamen er achterna met een tumult van geschreeuw en draaiende horens, maar net toen de honden samenkwamen bij de jacht, draaide de steenhoop bij de baai naar de stenen die door Tristan gegooid waren; een jager gaf hem de stoot, terwijl alles rond de jacht was verzameld en gedraaid om te doden. Maar Tristan, die het gebaar van de jager zag dat hij een snee in de nek van het hert maakte, riep uit: “Mijn heer, wat doe je? Is het passend om zo’ n nobel beest te snijden als een boeren varken? Is dat het gebruik van dit land?”

En de jager antwoorde: “ Eerlijke vriend, waarvan schrik je? Waarom ja, eerst neem ik het hoofd van het hert en dan snij ik het in vier delen  en we brengen het op onze zadels naar koning Mark, onze heer: Zo doen we en sinds de dagen van de eerste jagers hebben de mannen van Cornwall het zo gedaan. Als je echter een edeler gebruik weet, leer het ons; neem dit mes en we zullen het graag leren.”

Toen knielde Tristan en vilde het hert voordat hij het opensneed en verdeelde alles en liet het kraaienbeen  (ruggenmerg?) heel, zoals het is, en deed het opzij bij het eind van het hoofd, de bout, de tong en de grote hartader; en de jager en de herderskennel stonden met verrukking bij hem en de meester jager zei: “Vriend, dit zijn goede manieren. In welk land heb je dat geleerd? Vertel ons uw land en uw naam.’



“Good lord, my name is Tristan, and I learnt these ways in my country of Lyonesse.”

“Tristan,” said the Master Huntsman, “God reward the father that brought you up so nobly; doubtless he is a baron, rich and strong.”

Now Tristan knew both speech and silence, and he answered: “No, lord; my father is a burgess. I left his home unbeknownst upon a ship that trafficked to a far place, for I wished to learn how men lived in foreign lands. But if you will accept me of the hunt I will follow you gladly and teach you other crafts of venery.”

“Fair Tristan, I marvel there should be a land where a burgess’s son can know what a knight’s son knows not elsewhere, but come with us since you will it; and welcome: we will bring you to King Mark, our lord.”

Tristan completed his task; to the dogs he gave the heart, the head, offal and ears; and he taught the hunt how the skinning and the ordering should be done. Then he thrust the pieces upon pikes and gave them to this huntsman and to that to carry, to one the snout to another the haunch to another the flank to another the chine; and he taught them how to ride by twos in rank, according to the dignity of the pieces each might bear.

So they took the road and spoke together, till they came on a great castle and round it fields and orchards, and living waters and fish ponds and plough lands, and many ships were in its haven, for that castle stood above the sea. It was well fenced against all assault or engines of war, and its keep, which the giants had built long ago, was compact of great stones, like a chess board of vert and azure.

And when Tristan asked its name:  “Good liege,” they said, “we call it Tintagel.”

And Tristan cried: “Tintagel! Blessed be thou of God, and blessed be they that dwell within thee.” (Therein, my lords, therein had Rivalen taken Blanchefleur to wife, though their son knew it not.)

When they came before the keep the horns brought the barons to the gates and King Mark himself. And when the Master Huntsman had told him all the story, and King Mark had marvelled at the good order of the cavalcade, and the cutting of the stag, and the high art of venery in all, yet most he wondered at the stranger boy, and still gazed at him, troubled and wondering whence came his tenderness, and his heart would answer him nothing; but, my lords, it was blood that spoke, and the love he had long since borne his sister Blanchefleur.

That evening, when the boards were cleared, a singer out of Wales, a master, came forward among the barons in Hall and sang a harper’s song, and as this harper touched the strings of his harp, Tristan who sat at the King’s feet, spoke thus to him: “Oh master, that is the first of songs! The Bretons of old wove it once to chant the loves of GraĎlent. And the melody is rare and rare are the words: master, your voice is subtle: harp us that well.”

But when the Welshman had sung, he answered: “Boy, what do you know of the craft of music? If the burgesses of Lyonesse teach their sons harp—play also, and rotes and viols too, rise, and take this harp and show your skill.”

Then Tristan took the harp and sang so well that the barons softened as they heard, and King Mark marvelled at the harper from Lyonesse whither so long ago Rivalen had taken Blanchefleur away.

When the song ended, the King was silent a long space, but he said at last: “Son, blessed be the master that taught thee, and blessed be thou of God: for God loves good singers. Their voices and the voice of the harp enter the souls of men and wake dear memories and cause them to forget many a mourning and many a sin. For our joy did you come to this roof, stay near us a long time, friend.”

And Tristan answered: “Very willingly will I serve you, sire, as your harper, your huntsman and your liege.”

So did he, and for three years a mutual love grew up in their hearts. By day Tristan followed King Mark at pleas and in saddle; by night he slept in the royal room with the councillors and the peers, and if the King was sad he would harp to him to soothe his care. The barons also cherished him, and (as you shall learn) Dinas of Lidan, the seneschal, beyond all others. And more tenderly than the barons and than Dinas the King loved him. But Tristan could not forget, or Rohalt his father, or his master Gorvenal, or the land of Lyonesse.

My lords, a teller that would please, should not stretch his tale too long, and truly this tale is so various and so high that it needs no straining. Then let me shortly tell how Rohalt himself, after long wandering by sea and land, came into Cornwall, and found Tristan, and showing the King the carbuncle that once was Blanchefleur’s, said:

“King Mark, here is your nephew Tristan, son of your sister Blanchefleur and of King Rivalen. Duke Morgan holds his land most wrongfully; it is time such land came back to its lord.”

And Tristan (in a word) when his uncle had armed him knight, crossed the sea, and was hailed of his father’s vassals, and killed Rivalen’s slayer and was re-seized of his land.

Then remembering how King Mark could no longer live in joy without him, he summoned his council and his barons and said this: “Lords of the Lyonesse, I have retaken this place and I have avenged King Rivalen by the help of God and of you. But two men Rohalt and King Mark of Cornwall nourished me, an orphan, and a wandering boy. So should I call them also fathers. Now a free man has two things thoroughly his own, his body and his land. To Rohalt then, here, I will release my land. Do you hold it, father, and your son shall hold it after you. But my body I give up to King Mark. I will leave this country, dear though it be, and in Cornwall I will serve King Mark as my lord. Such is my judgment, but you, my lords of Lyonesse, are my lieges, and owe me counsel; if then, some one of you will counsel me another thing let him rise and speak.”

But all the barons praised him, though they wept; and taking with him Gorvenal only, Tristan set sail for King Mark’s land.


“Goede heer, mijn naam is Tristan en ik leerde het op deze manier in mijn land Lyon’.

“Tristan, zei het hoofd van de jagers, God beloont de vader die je zo nobel opbracht; zonder twijfel is hij een baron, rijk en sterk.

Nu wist Tristan beide spraak en zwijgzaamheid en hij antwoorde: “Nee, heer; mijn vader is een burger. Ik verliet zijn huis zonder het te weten op een schip dat handelde in verre plaatsen want ik wenste te weten hoe men in vreemde landen leeft. Maar als je mij van de jacht wil aanvaarden zal ik je graag volgen en je andere kunstnijverheid leren”.

“Eerlijke Tristan, ik verwonder me dat er een land moet zijn waar de zoon van een burger kan weten wat de zoon van een ridder elders niet weet, maar ga met ons mee als je wil; en welkom; we zullen je naar koning Mark brengen, onze heer.

Tristan voltooide zijn taak; de honden gaf hij het hart, het hoofd, afval en oren; en hij leerde de jagers hoe te villen en de ordening hoe het gedaan moest worden. Toen stak hij de stukken op wapenstokken en gaf het aan de jagers om dat te dragen, de ene de snuit en een andere de heup en een andere de flanken en een andere de ruggengraad; en hij leerde hen hoe te rijden met twee in een rij, naar de waardigheid van de stukken die elk zou kunnen dragen.

Zo gingen ze de weg en spraken tezamen tot ze bij een groot kasteel kwamen waar rond omheen velden en fruittuinen en stromend water en visvijvers en geploegd land en vele schepen waren er in de haven want het kasteel stond boven de zee. Het was goed omheind tegen alle aanvallen of oorlogsmachines en het houdt, die de reuzen al lang geleden hadden gebouwd, compacte grote stenen als een groen en azuren schaakbord.

Toen Tristan zijn naam vroeg:  Goede leenheer’, zeiden ze, ‘we noemen het Tintagel’.

En Tristan riep: ‘Tintagel!. Gezegend ben je van God en gezegd zijn zij die erin wonen.’(daarin, mijne heren, daarin had Rivalen Blanchefleur tot vrouw genomen hoewel hun zoon het niet wist)

Toen ze ervoor kwamen bliezen ze de horens en dat bracht de baronnen naar de poorten en ook koning Mark. En toen het hoofd van de jagers hem het hele verhaal had gezegd en koning Mark zich verwonderd had over de goede orde van de stoet en het snijden van het hert en de hoge kunst van de jacht in alles, toch verwonderde hij zich het meeste over de vreemde jongen en staarde verbaasd naar hem en vroeg zich af waar zijn tederheid vandaan kwam en zijn hart zou het hem nergens in beantwoorden; maar, mijne heren, het was het bloed dat sprak en de liefde die hij al lang met zijn zuster Blanchefleur had gedragen.

Die avond toen de planken schoon waren kwam een meester zanger uit Wales naar voren tussen de baronnen in de hal en zong een harp lied en toen deze harpist de snaren van zijn harp raakte sprak Tristan, die aan de voeten van de koning zat, tot hem: Oh, meester, dit is de eerste van liedjes! De Bretons van weleer weefden het eens om de liefdes van GraĎlent te zingen. En de melodie is zeldzaam en zeldzaam zijn de woorden: meester uw stem is subtiel: harp ons dat goed.”

Maar toen de man uit Wales dat had gezongen antwoorde hij: “Jongen, wat weet je van het ambacht van muziek? Als de inwoners van Lyon hun zonen ook harpspel leren en rotten en violen ook, sta op en neem de harp en laat je kunsten zien.”

Toen nam Tristan de harp en zong zo goed dat het de baronnen verzachtten toen ze het hoorden en koning Mark verwonderde zich over de harpist van Lyon waarheen Rivalen zo lang geleden Blanchefleur had mee genomen.

Toen het lied geĎindigd was, was de koning een lange tijd stil, tenslotte zei hij: Zoon, gezegend de meester die het je leerde en gezegend ben je van God: want God houdt van goede zangers. Hun stemmen en het geluid van de harp drongen door tot de zielen van de mannen en maakte de herinnering wakker en zorgde ervoor dat ze veel leed en bij vele de zonden vergaten. Voor onze vreugde ben je onder dit dak gekomen, blijf nog lang bij ons in de buurt, vriend.”

Tristan antwoorde: “ Ik ben bereid om u te dienen, Sire, als uw harpist, uw jager en uw leenheer.”

En zo deed hij en een wederzijdse liefde groeide in hun hart. Overdag volgde Tristan koning Mark bij pleidooien en in het zadel; ’s nachts sliep hij in de koninklijke kamer met de raadsleden en dergelijke en als de koning bedroefd was harpte hij om zijn zorgen te verzachten. De baronnen koesterden hem ook, en (zoals je zal leren) de ouderling, Dinas van Lidan, boven allen. En meer teder dan de baronnen en dat Dinas hield de koning van hem. Maar Tristan kon Rohalt, zijn vader, niet vergeten of zijn meester Gorvenal en het land van Lyon.

Mijne heren, een verteller die dit zou plezieren moet zijn verhaal niet te lang maken en werkelijk is dit verhaal zo divers en zo hoog dat het geen inspanning vereist. Laat me dan kort vertellen Rolant zelf, na een lange wandeling  over zee en land in Cornwall kwam en Tristan vond en de koning de karbonkel liet zien die eens van Blanchefleur was en zei: “ Koning Mark, hier is je neef Tristan, de zoon van je zuster Blanchefleur en koning Rivalen. De hertog Morgan houdt zijn land ten onrechte; het is tijd dat dit land terugkomt bij zijn heer.”

En (kortom) toen zijn oom Tristan had bewapend, de zee was overgestoken en door de vazallen van zijn vader was begroet en de moordenaar van Rivalen had gedood werd hij opnieuw in zijn land gezet.

Toen herinnerde hij zich hoe koning Mark zonder hem niet meer in vreugde kon leven riep hij zijn raad en baronnen bijeen en zei dit:” Heren van Lyon, ik heb deze plek heroverd met de hulp van God en u. Maar twee mannen, Rohalt en koning Mark, voedden me, een wees en een zwervende jongen. Daarom zou ik ze alle twee vader noemen. Nu heeft een vrije man twee dingen van zichzelf, zijn lichaam en zijn land. Vanwege Rohalt hier zal ik mijn land vrij geven. Hou je het, vader, je zoon zal het na u houden. Maar mijn lichaam geef ik op aan koning Mark. Ik zal dit land verlaten, hoewel het moeilijk voor me is en in Cornwall zal ik koning Mark dienen als mijn heer. Dat is mijn oordeel, maar u, mijn heren van Lyon zijn mijn leenheren en zijn me raad verschuldigd; als dan iemand van u me een ander ding zal adviseren, laat hem dan opstaan en spreken.”

Maar alle baronnen loofden hem, hoewel ze weenden; en namen met hen alleen Gorvenal en Tristan vertrok naar konings Mark land.





When Tristan came back to that land, King Mark and all his Barony were mourning; for the King of Ireland had manned a fleet to ravage Cornwall, should King Mark refuse, as he had refused these fifteen years, to pay a tribute his fathers had paid. Now that year this King had sent to Tintagel, to carry his summons, a giant knight; the Morholt, whose sister he had wed, and whom no man had yet been able to overcome: so King Mark had summoned all the barons of his land to Council, by letters sealed.

On the day assigned, when the barons were gathered in hall, and when the King had taken his throne, the Morholt said these things: “King Mark, hear for the last time the summons of the King of Ireland, my lord. He arraigns you to pay at last that which you have owed so long, and because you have refused it too long already he bids you give over to me this day three hundred youths and three hundred maidens drawn by lot from among the Cornish folk. But if so be that any would prove by trial of combat that the King of Ireland receives this tribute without right, I will take up his wager. Which among you, my Cornish lords, will fight to redeem this land?”

The barons glanced at each other but all were silent.

Then Tristan knelt at the feet of King Mark and said: “Lord King, by your leave I will do battle.”

And in vain would King Mark have turned him from his purpose, thinking, how could even valour save so young a knight? But he threw down his gage to the Morholt, and the Morholt took up the gage.

On the appointed day he had himself clad for a great feat of arms in a hauberk and in a steel helm, and he entered a boat and drew to the islet of St. Samson’s, where the knights were to fight each to each alone. Now the Morholt had hoisted to his mast a sail of rich purple, and coming fast to land, he moored his boat on the shore. But Tristan pushed off his own boat adrift with his feet, and said: “One of us only will go hence alive. One boat will serve.”

And each rousing the other to the fray they passed into the isle.

No man saw the sharp combat; but thrice the salt sea-breeze had wafted or seemed to waft a cry of fury to the land, when at last towards the hour of noon the purple sail showed far off; the Irish boat appeared from the island shore, and there rose a clamour of “the Morholt!” When suddenly, as the boat grew larger on the sight and topped a wave, they saw that Tristan stood on the prow holding a sword in his hand. He leapt ashore, and as the mothers kissed the steel upon his feet he cried to the Morholt’s men: “My lords of Ireland, the Morholt fought well. See here, my sword is broken and a splinter of it stands fast in his head. Take you that steel, my lords; it is the tribute of Cornwall.”

Then he went up to Tintagel and as he went the people he had freed waved green boughs, and rich cloths were hung at the windows. But when Tristan reached the castle with joy, songs and joy-bells sounding about him, he drooped in the arms of King Mark, for the blood ran from his wounds.

The Morholt’s men, they landed in Ireland quite cast down. For when ever he came back into Whitehaven the Morholt had been wont to take joy in the sight of his clan upon the shore, of the Queen his sister, and of his niece Iseult the Fair. Tenderly had they cherished him of old, and had he taken some wound, they healed him, for they were skilled in balms and potions. But now their magic was vain, for he lay dead and the splinter of the foreign brand yet stood in his skull till Iseult plucked it out and shut it in a chest.

From that day Iseult the Fair knew and hated the name of Tristan of Lyonesse.

But over in Tintagel Tristan languished, for there trickled a poisonous blood from his wound. The doctors found that the Morholt had thrust into him a poisoned barb, and as their potions and their theriac could never heal him they left him in God’s hands. So hateful a stench came from his wound that all his dearest friends fled him, all save King Mark, Gorvenal and Dinas of Lidan. They always could stay near his couch because their love overcame their abhorrence. At last Tristan had himself carried into a boat apart on the shore; and lying facing the sea he awaited death, for he thought: “I must die; but it is good to see the sun and my heart is still high. I would like to try the sea that brings all chances. … I would have the sea bear me far off alone, to what land no matter, so that it heal me of my wound.”

He begged so long that King Mark accepted his desire. He bore him into a boat with neither sail nor oar, and Tristan wished that his harp only should be placed beside him: for sails he could not lift, nor oar ply, nor sword wield; and as a seaman on some long voyage casts to the sea a beloved companion dead, so Gorvenal pushed out to sea that boat where his dear son lay; and the sea drew him away.

For seven days and seven nights the sea so drew him; at times to charm his grief, he harped; and when at last the sea brought him near a shore where fishermen had left their port that night to fish far out, they heard as they rowed a sweet and strong and living tune that ran above the sea, and feathering their oars they listened immovable.

In the first whiteness of the dawn they saw the boat at large: she went at random and nothing seemed to live in her except the voice of the harp. But as they neared, the air grew weaker and died; and when they hailed her Tristan’s hands had fallen lifeless on the strings though they still trembled. The fishermen took him in and bore him back to port, to their lady who was merciful and perhaps would heal him.

It was that same port of Whitehaven where the Morholt lay, and their lady was Iseult the Fair.

She alone, being skilled in philtres, could save Tristan, but she alone wished him dead. When Tristan knew himself again (for her art restored him) he knew himself to be in the land of peril. But he was yet strong to hold his own and found good crafty words. He told a tale of how he was a seer that had taken passage on a merchant ship and sailed to Spain to learn the art of reading all the stars,—of how pirates had boarded the ship and of how, though wounded, he had fled into that boat. He was believed, nor did any of the Morholt’s men know his face again, so hardly had the poison used it. But when, after forty days, Iseult of the Golden Hair had all but healed him, when already his limbs had recovered and the grace of youth returned, he knew that he must escape, and he fled and after many dangers he came again before Mark the King.

Morholt uit Ierland.


Toen Tristan terug kwam in dat land treurde koning Mark en al zijn mannen; want de koning van Ierland had een vloot bemand om Cornwall te verwoesten, zou koning Mark weigeren zoals hij al vijftien jaar had geweigerd om tribuut te betalen dat zijn vaders hadden betaald. Nu dit jaar had de koning naar Tintagel om zijn eis te herhalen een grote reus gezonden, Morholt, met wiens zuster hij getrouwd was en die nog niemand had kunnen overwinnen: dus had koning Mark alle baronnen van zijn land voor raad gedagvaard met gezegelde brieven.

Op de toegewezen dag toen de baronnen in de hal bijeen kwamen en de koning zijn troon had ingenomen zei Morholt deze dingen; “Koning Mark, hoor voor de laatste keer de dagvaarding van de koning van Ierland, mijn  heer. Hij vermaant u om eindelijk te betalen wat u al zo lang verschuldigd bent en omdat u het al lang hebt geweigerd zegt hij via mij dat u me vandaag driehonderd jongeren en drie honderd maagden overhandigt die door loting uit het volk van Cornwall worden getrokken. Maar is het alzo dat iemand door recht van strijd bewijzen wil dat de koning van Ierland dit eerbetoon zonder recht ontvangt dan zal ik dat recht op me nemen. Wie van jullie, mijne heren uit Cornwall, zal vechten om dit land te verlossen?

De baronnen wierpen een blik op elkaar, maar allen waren stil. Toen knielde Tristan aan de voeten van koning Mark en zei: “Heer koning, met uw toestemming zal ik de strijd aangaan.”

En tevergeefs wilde koning Mark hem van zijn voornemen afbrengen en dacht hoe kan zo’ n jonge ridder hem redden? Maar hij gooide zijn handschoen naar Morholt en Morholt nam de handschoen op.

Op de afgesproken dag kleedde hij zichzelf voor dit wapenfeit in een maliĎnkolder en stalen helm en ging naar een boot en vertrok naar het eilandje Sint Samson waar de ridders elkaar moesten bevechten. Nu had Morholt een zeil van rijk purper aan zijn mast gehesen en kwam snel aan land en meerde zijn boot aan de kust af. Maar Tristan duwde zijn eigen boot met zijn voeten op drift en zei: “Een van ons zal hier alleen maar levend weggaan. Een boot zal dienen.”

En elk joeg de ander op tot de strijd toen ze het eiland binnen gingen.

Niemand zag de scherpe strijd; maar driemaal waaide de zoute zeewind en toen leek er een kreet van furie naar het land te zweven, toen slotte rond 1 uur zich het purperen zeil ver liet zien; de Ierse boot verscheen aan de kust van het eiland en er steeg een geroep op van “Morholt!”. Toen plotseling, toen de boot groter werd en er een golf sloeg, zagen ze dat Tristan op de boeg stond met een zwaard in zijn hand. Hij sprong aan land en terwijl de moeders het staal op zijn voeten kusten riep hij de mannen van Morholt toe: “Mijn heren van Ierland, Morholt vocht goed. Zie hier, mijn zwaard is gebroken en een splinter ervan staat vast in zijn hoofd. Neem dat staal, mijne heren, het is de tribuut van Cornwall.”

Toen ging hij naar Tintagel en toen hij ging wuifden de mensen met groene takken en rijke kleren waren aan de vensters gehangen. Maar toen Tristan met vreugde het kasteel bereikte klonken liederen en vreugde klokken hem tegemoet, hij zakte in de armen van koning Mark want het bloed stroomde uit zijn wonden.

De mannen van Morholt landden in Ierland behoorlijk terneergeslagen. Want als hij ooit in Whitehaven terugkwam had Morholt vreugde genoten in de ogen van zijn stam aan de kust, van de zuster van de koningin en van zijn nicht Isolde de mooie.

Teder hadden ze hem vroeger gekoesterd en als hij gewond was genazen ze hem want ze waren bekwaam in balsems en drankjes. Maar nu was hun magie ijdel want hij was dood en de splinter van het vreemde teken stond nog in zijn schedel totdat Isolde het er uit plukte en het in een kist opsloot.

Vanaf die dag haatte Isolde de mooie de naam van Tristan van Lyon.

Maar in Tintagel kwijnde Tristan weg, want er druppelde giftig bloed uit zijn wond. De artsen ontdekten dat Morholt een giftig weerhaak er in had gestoken en omdat hun drankjes en teriakel hem nooit konden genezen lieten ze hem in Gods handen. Er kwam zo’ n hatelijke stank uit zijn wond dat al zijn dierbaarste vrienden van hem vluchtten, allen behalve koning Mark, Gorvenal en Dinas van Lidan. Zij konden altijd in de buurt van zijn bank blijven omdat hun liefde die van de stank overwon. Tenslotte wist Tristan zichzelf in een boot aan de kust te brengen om bij de zee de dood af te wachten want hij dacht: “Ik moet sterven; maar het is goed om te zon te zien en mijn hart is nog steeds goed. Ik zou graag de zee proberen die alle kansen brengt…. Ik zou willen dat de zee me alleen ver droeg, naar welk land dan ook zodat het me genas van mijn wond.’

Hij smeekte zo lang zodat koning Mark zijn verlangen accepteerde. Hij droeg hem in een boot zonder zeil en zonder roeispanen en Tristan wenste dat alleen zijn harp naast hem zou worden geplaatst: om te zeilen kon hij niet tillen, nog roeien, nog een zwaard hanteren; en als een zeeman op zo’ n lange reis een geliefde dode gezel werpt zo duwde Gorvenal de boot waar zijn dierbare zoon in lag naar de zee en de zee trok hem weg.

Zeven dagen en zeven nachten trok de zee hem; soms om zijn verdriet te betoveren harpte hij en toen de zee hem eindelijk naar een kust bracht waar vissers die nacht hun haven hadden verlaten om ver te vissen hoorden ze toen ze roeiden hoe een lieflijk en levendig deuntje dat uitsteeg boven de zee en bewoog in hun oren en ze luisterden onbeweeglijk.

Met het dagen van de dageraad zagen ze tenslotte de boot; ze ging willekeurig en er scheen niets in te leven, uitgezonderd het geluid van de harp. Maar toen ze dichterbij kwamen werd de lucht dunner en stierf; en toen ze het naderde waren Tristan handen levenloos geworden aan de snaren, hoewel ze nog steeds beefden.

Het was dezelfde haven van Whitehaven waar Morholt lag en hun dame was Isolde de mooie.

Zij alleen die bekwaam was in dranken kan Tristan redden, maar alleen zij wenste hem dood. Toen Tristan zichzelf weer kende (want haar kunst herstelde hem) wist hij wel dat hij in een gevaarlijk land was. Maar hij was nog niet sterk genoeg om zijn mannetje te staan en vond goede sluwe woorden. Hij vertelde een verhaal over hoe hij een ziener was op een kopvaardijschip en naar Spanje reisde om de kunst van het lezen van alle sterren te leren en hoe piraten aan boord van het schip waren gekomen en hoe hij, ofschoon gewond, ontsnapt was in een boot. Hij werd geloofd en ook de mannen van Morholt herkende zijn gezicht niet meer, zo zeer had het gif bewerkt. Maar toen na veertig dagen Isolde met het gouden haar hem geheel geheeld had, toen zijn ledematen geheel hersteld waren en de gratie van de jeugd terug gekeerd was toen wist hij dat hij moest ontsnappen en hij vluchtte en na vele gevaren kwam hij weer voor koning Mark.






My lords, there were in the court of King Mark four barons the basest of men, who hated Tristan with a hard hate, for his greatness and for the tender love the King bore him. And well I know their names: Andret, Guenelon, Gondoēne and Denoalen. They knew that the King had intent to grow old childless and to leave his land to Tristan; and their envy swelled and by lies they angered the chief men of Cornwall against Tristan. They said: “There have been too many marvels in this man’s life. It was marvel enough that he beat the Morholt, but by what sorcery did he try the sea alone at the point of death, or which of us, my lords, could voyage without mast or sail? They say that warlocks can. It was sure a warlock feat, and that is a warlock harp of his pours poison daily into the King’s heart. See how he has bent that heart by power and chain of sorcery! He will be king yet, my lords, and you will hold your lands of a wizard.”

They brought over the greater part of the barons and these pressed King Mark to take to wife some king’s daughter who should give him an heir, or else they threatened to return each man into his keep and wage him war. But the King turned against them and swore in his heart that so long as his dear nephew lived no king’s daughter should come to his bed. Then in his turn did Tristan (in his shame to be thought to serve for hire) threaten that if the King did not yield to his barons, he would himself go over sea serve some great king. At this, King Mark made a term with his barons and gave them forty days to hear his decision.

On the appointed day he waited alone in his chamber and sadly mused: “Where shall I find a king’s daughter so fair and yet so distant that I may feign to wish her my wife?”

Just then by his window that looked upon the sea two building swallows came in quarrelling together. Then, startled, they flew out, but had let fall from their beaks a woman’s hair, long and fine, and shining like a beam of light.

King Mark took it, and called his barons and Tristan and said: “To please you, lords, I will take a wife; but you must seek her whom I have chosen.”

“Fair lord, we wish it all,” they said, “and who may she be?”

“Why,” said he, “she whose hair this is; nor will I take another.”

“And whence, lord King, comes this Hair of Gold; who brought it and from what land?”

“It comes, my lords, from the Lady with the Hair of Gold, the swallows brought it me. They know from what country it came.” Then the barons saw themselves mocked and cheated, and they turned with sneers to Tristan, for they thought him to have counselled the trick. But Tristan, when he had looked on the Hair of Gold, remembered Iseult the Fair and smiled and said this: “King Mark, can you not see that the doubts of these lords shame me? You have designed in vain. I will go seek the Lady with the Hair of Gold. The search is perilous: never the less, my uncle, I would once more put my body and my life into peril for you; and that your barons may know I love you loyally, I take this oath, to die on the adventure or to bring back to this castle of Tintagel the Queen with that fair hair.”

He fitted out a great ship and loaded it with corn and wine, with honey and all manner of good things; he manned it with Gorvenal and a hundred young knights of high birth, chosen among the bravest, and he clothed them in coats of home-spun and in hair cloth so that they seemed merchants only: but under the deck he hid rich cloth of gold and scarlet as for a great king’s messengers.

When the ship had taken the sea the helmsman asked him: “Lord, to what land shall I steer?” “Sir,” said he, “steer for Ireland, straight for Whitehaven harbour.”

At first Tristan made believe to the men of Whitehaven that his friends were merchants of England come peacefully to barter; but as these strange merchants passed the day in the useless games of draughts and chess, and seemed to know dice better than the bargain price of corn, Tristan feared discovery and knew not how to pursue his quest.

Now it chanced once upon the break of day that he heard a cry so terrible that one would have called it a demon’s cry; nor had he ever heard a brute bellow in such wise, so awful and strange it seemed. He called a woman who passed by the harbour, and said: “Tell me, lady, whence comes that voice I have heard, and hide me nothing.”

“My lord,” said she, “I will tell you truly. It is the roar of a dragon the most terrible and dauntless upon earth. Daily it leaves its den and stands at one of the gates of the city: Nor can any come out or go in till a maiden has been given up to it; and when it has her in its claws it devours her.”

“Lady,” said Tristan, “make no mock of me, but tell me straight: Can a man born of woman kill this thing?”

“Fair sir, and gentle,” she said, “I cannot say; but this is sure: Twenty knights and tried have run the venture, because the King of Ireland has published it that he will give his daughter, Iseult the Fair, to whomsoever shall kill the beast; but it has devoured them all.”

Tristan left the woman and returning to his ship armed himself in secret, and it was a fine sight to see so noble a charger and so good a knight come out from such a merchant-hull: but the haven was empty of folk, for the dawn had barely broken and none saw him as he rode to the gate. And hardly had he passed it, when he met suddenly five men at full gallop flying towards the town. Tristan seized one by his hair, as he passed, and dragged him over his mount’s crupper and held him fast: “God save you, my lord,” said he, “and whence does the dragon come?” And when the other had shown him by what road, he let him go.

As the monster neared, he showed the head of a bear and red eyes like coals of fire and hairy tufted ears; lion’s claws, a serpent’s tail, and a griffin’s body.

Tristan charged his horse at him so strongly that, though the beast’s mane stood with fright yet he drove at the dragon: his lance struck its scales and shivered. Then Tristan drew his sword and struck at the dragon’s head, but he did not so much as cut the hide. The beast felt the blow: with its claws he dragged at the shield and broke it from the arm; then, his breast unshielded, Tristan used the sword again and struck so strongly that the air rang all round about: but in vain, for he could not wound and meanwhile the dragon vomited from his nostrils two streams of loath-some flames, and Tristan’s helm blackened like a cinder and his horse stumbled and fell down and died; but Tristan standing on his feet thrust his sword right into the beast’s jaws, and split its heart in two.



Mijne heren, er waren in de hof van koning Mark vier baronnen, de meest laagste van de mannen die Tristan haatten met een grote haat vanwege zijn grootheid en de tedere liefde die de koning hem droeg en goed weet ik hun namen: Andret, Guenelon, Gondoēne en Denoalen. Ze wisten dan de koning van plan was om oud kinderloos te worden en zijn land aan Tristan te laten; en hun afgunst zwol en door leugens maakten ze de opperhoofden van Cornwall kwaad tegenover Tristan. Ze zeiden: “ Er zijn te veel wonderen in het leven van deze man geweest. Het is wonderlijk genoeg dat hij Morholt versloeg, maar met welke toverij probeerde hij alleen op de zee op het punt van de dood, of wie van ons, mijne heren, kan zonder mast of zeil reizen? Ze zeggen dat duivels dat kunnen.  Het was zeker duivels vet en dat is een duivelse harp dat dagelijks vergif in het hart van de koning giet. Ziet hoe hij dat hart heeft gebogen door de kracht en ketting van toverij! Hij zal nog koning zijn mijne heren en u zal een land van een tovenaar houden.

Ze brachten het grootste deel van de baronnen ertoe zodat die koning Mark dwongen om een of andere koningsdochter tot vrouw te nemen die hem een erfgenaam zou schenken of anders dreigden ze dat elke man terug zou keren tot zijn goed en met hem oorlog te voeren. Maar de koning keerde zich tegen hen en zwoer in zijn hart dat zo lang als zijn dierbare neef leefde er geen konings dochter in zijn bed zou komen. Op zijn beurt dreigde Tristan (in zijn schande om te dienen voor huur) dat als de koning niet aan de baronnen toegaf dat hij over zee zou gaan om een andere grote koning te dienen. Hierop maakte koning Mark een termijn met zijn baronnen en gaf hen veertig dagen om zijn beslissing te horen. Op de afgesproken dag wachtte hij alleen in zijn kamer en peinsde treurig: “Waar zal ik zo’ n mooie en toch zo ver een koningsdochter vinden die ik kan veinzen om mijn vrouw te wezen?”

Net toen hij bij dat raam naar de zee keek kwamen er twee huiszwaluwen met elkaar ruzie maken. Toen schrokken ze en vlogen weg maar lieten uit hun bek een vrouwen haar vallen, lang en fijn en glanzend als een lichtstraal. Koning Mark nam het en riep zijn baronnen en Tristan en zei: “Om u te behagen heren, ik zal een vrouw nemen; maar je moet haar zoeken die ik heb gekozen.” ”Lieve heer, dat wensen we allemaal, “ zeiden ze, “ en wie kan ze zijn?” ”wel”, zei hij, “zij van wie dit haar is, ik zal ook geen andere nemen.”

“En vanwaar, heer koning, komt dit gouden haar; wie heeft het gebracht en uit welk land?”

“Het komt, mijne heren, van de dame met het gouden haar, de zwaluw bracht het me. Zij weten van welk land het komt.” Toen zagen de baronnen zich bespot en bedrogen en ze keken met een spotlach naar Tristan want ze dachten dat hij de truc geadviseerd had. Maar toen Tristan naar het gouden haar had gekeken herinnerde hij zich Isolde de mooie en lachte en zei: “Koning Mark, kan u niet de twijfels van deze heren zien die me beschamen? Je hebt tevergeefs gezocht. Ik zal de dame met het gouden haar gaan zoeken. De zoektocht is gevaarlijk; niettemin zal ik, mijn oom, mijn lichaam en mijn leven opnieuw voor u in gevaar brengen; en dat uw baronnen weten dat ik u loyaal lief heb neem ik deze eed, of te sterven tijdens het avontuur of om terug te komen naar dit kasteel Tintagel en de koningin met het mooie haar terug te brengen.

Hij rustte een groot schip uit en laadde het met koren en wijn, met honing en allerlei goede dingen; hij bemande het met Governal en honderd jonge ridders van hoge geboorte en gekozen uit de dapperste en hij kleedde hem in thuis gesponnen jassen en in haren kleed zodat ze geheel op kooplui leken: maar onder het dek verstopte hij rijke gouden kleden en scharlaken als van een boodschapper van een grote koning.

Toen het schip op zee kwam vroeg een roerganger hem: “Heer, naar welk land zal ik sturen?” “Mijnheer,” zei hij. “stuur naar Ierland, recht door naar de haven van Whitehaven.

Aanvankelijk liet Tristan de mensen van Whitehaven geloven dat zijn vrienden kooplui uit Engeland waren die vreedzaam kwamen om te ruilen; maar toen deze vreemde handelaren de dag doorbrachten met nutteloze spelletjes als schaak en dobbelen en de stukken beter te lekken kennen dan de spotprijs van koren was Tristan bang voor ontdekking en wist niet hoe hij zijn zoektocht voort moest zetten.

Nu gebeurde het bij het aanbreken van de dag dat hij zo’ n verschrikkelijke kreet hoorde dat men het een duivelskreet zou noemen: hij had ook nooit zo’ n bruut gebulder gehoord, zo verschrikkelijk en vreemd dat het leek. Hij riep een vrouw die langs de haven liep en zei: “Vertel me, dame, van waar komt die stem die ik heb gehoord en verberg me niets.” “Mijn heer, “ zei ze, “ik zal het u echt vertellen. Het is het gebrul van een draak, de meest verschrikkelijke en onverschrokken op aarde. Dagelijks verlaat het zijn hol en staat aan een van de poorten van de stad; niemand kan er in komen of uitgaan aan geen stadspoort totdat er een maagd aan gegeven is en wanneer het haar in zijn klauwen heeft dan verslindt het haar.’

“Dame”, zei Tristan, “maak geen spot met mij, maar vertel me echt: kan een man uit een vrouw geboren dit ding doden?”

“Aardige en zachtaardige heer”, zei ze; ik weet het niet; maar dit is zeker: Twintig ridders hebben het op zich genomen en beproefd omdat de koning van Ierland publiceerde dat hij zijn dochter, Isolde de mooie, geven zal aan wie het beest zal doden; maar het heeft hen allen verslonden.”

Tristan verliet de vrouw en bij zijn terugkomst in het schip wapende hij zich in het geheim en het was een mooi gezicht zo’ n nobele strijder en zo’n goede ridder uit zo’ n handelschip te zien komen; maar de haven was leeg van mensen want de dageraad was nauwelijks aangebroken en niemand zag hem toen hij naar de poort reed. En nauwelijks was hij er langs gekomen toen hij plotseling vijf mannen ontmoette die in volle galop naar de stad vlogen. Tristan greep er een bij de haren toen hij voorbij ging en sleepte hem over de staart van zijn paard en hield hem vast: “God red u, mijn heer,” zei hij: en waar komt de draak vandaan?” En toen de ander hem getoond op welke weg liet hij hem gaan.

Toen het monster naderde zag hij een berenhoofd en rode ogen als kolen van een vuur en harige bossige oren; leeuwenklauwen, de staart van een slang en het lichaam van een griffioen.

Tristan draaide zijn paard zo hard op hem, hoewel de manen van het beest van schrik stonden en toch naar het beest reed; zijn lans sloeg op de schubben en trilde. Toen trok Tristan zijn zwaard en sloeg op het hoofd van de draak, maar dat deed niet zoveel als de huid wat te snijden. Het beest voelde de slag: met zijn klauwen sloeg hij naar het schild en brak het van de arm; dan is zijn borst niet beschermd en Tristan gebruikte weer zijn zwaard en sloeg zo sterk zodat de lucht overal rond vloog: maar tevergeefs, want hij kon het niet verwonden en ondertussen braakte de draak uit zijn neusgaten twee stromen van walgelijke vlammen en Tristan ’s helm werd zwart zoals een sintel en zijn paard struikelde en viel neer en stierf: maar Tristan stond op zijn voeten en  stootte zijn zwaard recht in de kaken van het beest en spleet zijn hart in tweeĎn.



Then he cut out the tongue and put it into his hose, but as the poison came against his flesh the hero fainted and fell in the high grass that bordered the marsh around.

Now the man he had stopped in flight was the Seneschal of Ireland and he desired Iseult the Fair: and though he was a coward, he had dared so far as to return with his companions secretly, and he found the dragon dead; so he cut off its head and bore it to the King, and claimed the great reward.

The King could credit his prowess but hardly, yet wished justice done and summoned his vassals to court, so that there, before the Barony assembled, the seneschal should furnish proof of his victory won.

When Iseult the Fair heard that she was to be given to this coward first she laughed long, and then she wailed. But on the morrow, doubting some trick, she took with her Perinis her squire and Brangien her maid, and all three rode unbeknownst towards the dragon’s lair: and Iseult saw such a trail on the road as made her wonder—for the hoofs that made it had never been shod in her land. Then she came on the dragon, headless, and a dead horse beside him: nor was the horse harnessed in the fashion of Ireland. Some foreign man had slain the beast, but they knew not whether he still lived or no.

They sought him long, Iseult and Perinis and Brangien together, till at last Brangien saw the helm glittering in the marshy grass: and Tristan still breathed. Perinis put him on his horse and bore him secretly to the women’s rooms. There Iseult told her mother the tale and left the hero with her, and as the Queen unharnessed him, the dragon’s tongue fell from his boot of steel. Then, the Queen of Ireland revived him by the virtue of an herb and said: “Stranger, I know you for the true slayer of the dragon: but our seneschal, a felon, cut off its head and claims my daughter Iseult for his wage; will you be ready two days hence to give him the lie in battle?”

“Queen,” said he, “the time is short, but you, I think, can cure me in two days. Upon the dragon I conquered Iseult, and on the seneschal perhaps I shall reconquer her.”

Then the Queen brewed him strong brews, and on the morrow Iseult the Fair got him ready a bath and anointed him with a balm her mother had conjured, and as he looked at her he thought, “So I have found the Queen of the Hair of Gold,” and he smiled as he thought it. But Iseult, noting it, thought, “Why does he smile, or what have I neglected of the things due to a guest? He smiles to think I have for— gotten to burnish his armour.”

She went and drew the sword from its rich sheath, but when she saw the splinter gone and the gap in the edge she thought of the Morholt’s head. She balanced a moment in doubt, then she went to where she kept the steel she had found in the skull and she put it to the sword, and it fitted so that the join was hardly seen.

She ran to where Tristan lay wounded, and with the sword above him she cried:  “You are that Tristan of the Lyonesse, who killed the Morholt, my mother’s brother, and now you shall die in your turn.” Tristan strained to ward the blow, but he was too weak; his wit, however, stood firm in spite of evil and he said: “So be it, let me die: but to save yourself long memories, listen awhile. King’s daughter, my life is not only in your power but is yours of right. My life is yours because you have twice returned it me. Once, long ago: for I was the wounded harper whom you healed of the poison of the Morholt’s shaft. Nor repent the healing: were not these wounds had in fair fight? Did I kill the Morholt by treason? Had he not defied me and was I not held to the defence of my body? And now this second time also you have saved me. It was for you I fought the beast.

“But let us leave these things. I would but show you how my life is your own. Then if you kill me of right for the glory of it, you may ponder for long years, praising yourself that you killed a wounded guest who had wagered his life in your gaining.”

Iseult replied: “I hear strange words. Why should he that killed the Morholt seek me also, his niece? Doubtless because the Morholt came for a tribute of maidens from Cornwall, so you came to boast returning that you had brought back the maiden who was nearest to him, to Cornwall, a slave.”

“King’s daughter,” said Tristan, “No. … One day two swallows flew, and flew to Tintagel and bore one hair out of all your hairs of gold, and I thought they brought me good will and peace, so I came to find you over-seas. See here, amid the threads of gold upon my coat your hair is sown: the threads are tarnished, but your bright hair still shines.”

Iseult put down the sword and taking up the Coat of Arms she saw upon it the Hair of Gold and was silent a long space, till she kissed him on the lips to prove peace, and she put rich garments over him.

On the day of the barons’ assembly, Tristan sent Perinis privily to his ship to summon his companions that they should come to court adorned as befitted the envoys of a great king.

One by one the hundred knights passed into the hall where all the barons of Ireland stood, they entered in silence and sat all in rank together: on their scarlet and purple the gems gleamed.

When the King had taken his throne, the seneschal arose to prove by witness and by arms that he had slain the dragon and that so Iseult was won. Then Iseult bowed to her father and said: “King, I have here a man who challenges your seneschal for lies and felony. Promise that you will pardon this man all his past deeds, who stands to prove that he and none other slew the dragon, and grant him forgiveness and your peace.”

The King said, “I grant it.” But Iseult said, “Father, first give me the kiss of peace and forgiveness, as a sign that you will give him the same.”

Then she found Tristan and led him before the Barony. And as he came the hundred knights rose all together, and crossed their arms upon their breasts and bowed, so the Irish knew that he was their lord.

But among the Irish many knew him again and cried, “Tristan of Lyonesse that slew the Morholt!” They drew their swords and clamoured for death. But Iseult cried: “King, kiss this man upon the lips as your oath was,” and the King kissed him, and the clamour fell.

Then Tristan showed the dragon’s tongue and offered the seneschal battle, but the seneschal looked at his face and dared not.

Then Tristan said: “My lords, you have said it, and it is truth: I killed the Morholt. But I crossed the sea to offer you a good blood-fine, to ransom that deed and get me quit of it.

“I put my body in peril of death and rid you of the beast and have so conquered Iseult the Fair, and having conquered her I will bear her away on my ship.

“But that these lands of Cornwall and Ireland may know no more hatred, but love only, learn that King Mark, my lord, will marry her. Here stand a hundred knights of high name, who all will swear with an oath upon the relics of the holy saints, that King Mark sends you by their embassy offer of peace and of brotherhood and goodwill; and that he would by your courtesy hold Iseult as his honoured wife, and that he would have all the men of Cornwall serve her as their Queen.”

When the lords of Ireland heard this they acclaimed it, and the King also was content.

Then, since that treaty and alliance was to be made, the King her father took Iseult by the hand and asked of Tristan that he should take an oath; to wit that he would lead her loyally to his lord, and Tristan took that oath and swore it before the knights and the Barony of Ireland assembled. Then the King put Iseult’s right hand into Tristan’s right hand, and Tristan held it for a space in token of seizin for the King of Cornwall. So, for the love of King Mark, did Tristan conquer the Queen of the Hair of Gold.

Toen sneed hij de tong eruit en deed het in zijn laars, maar toen het gif aan zijn vlees kwam viel de held flauw en viel in het hoge gras dat rond het moeras stond.

Nu de man die hij tijdens zijn vlucht had tegen gehouden was de gouverneur van Ierland en hij wenste Isolde de mooie; en ofschoon hij een lafaard was durfde hij het toch aan in het geheim met zijn metgezellen terug te keren en vond de dode draak; zo sneed hij zijn hoofd af en droeg het naar de koning en claimde de grote beloning.

De koning kon zijn bekwaamheid maar nauwelijks erkennen, maar wenste eerst gerechtigheid te doen en daagde zijn vazallen bij het hof zodat daar voordat de baronnen bijeen kwamen de gouverneur het bewijs van zijn gewonnen overwinning moest leveren.

Toen Isolde de mooie hoorde dat ze aan een lafaard was gegeven lachte ze eerst lang en dan jammerde ze. Maar de volgende dag twijfelde ze aan een of andere truc en nam ze met haar mee Perinis, haar schildknaap, en Brangien, haar meid, en alle drie reden zonder het medeweten naar het drakenhol; en Isolde zag zo’ n spoor op de weg waardoor ze zich afvroeg-want de hoeven die het gemaakt hadden waren nooit in haar land gemaakt. Toen kwam ze bij de draak, zonder hoofd, met een dood paard naast hem; het paard was niet geharnast op de manier van Ierland. Een buitenlandse man had het beest gedood, maar ze wisten niet of hij nog leefde of niet.

Ze zochten hem lang, Isolde en Perinis en Brangien tezamen totdat tenslotte Brangien de helm zag glinsteren in het moerasachtige gras; en Tristan ademde nog steeds. Perinis zette hem op zijn paard en droeg hem heimelijk naar de vrouwen kamers.

Daar vertelde Isolde haar moeder het verhaal en liet de held bij haar en toen de koningin hem het harnas afdeed viel de tong van de draak uit de stalen laars. Toen herstelde de koningin van Ierland hem door de kracht van een kruid en zei: “Vreemdeling, ik ken jou voor de echte doder van de draak; maar onze gouverneur, een misdadiger, sneed zijn hoofd af en claimt mijn dochter Isolde als loon; zal je in twee dagen klaar zij om hem de leugen in de strijd te geven?”

“Koningin,” zei hij, “ de tijd is kort maar u, denk ik, kan me in twee dagen genezen. Op de draak veroverde ik Isolde en op de maarschalk zal ik haar misschien heroveren.’ Toen brouwde de koningin voor hem een sterk brouwsel en op de morgen gaf Isolde de mooie hem een bad en zalfde hem met een balsem die haar moeder had samen gesteld en toen hij naar haar keek dacht hij: Dus ik heb de vrouw met het gouden haar gevonden” en hij glimlachte toen hij het dacht. Maar Isolde die het opmerkte dacht: “Waarom glimlacht hij of wat heb ik verwaarloosd van de dingen die men een gast aan te bieden heeft? Hij lacht omdat hij denkt dat ik vergeten heb zijn wapenuitrusting te polijsten.’

Ze ging en trok het zwaard uit de rijke schede, maar toen ze zag dat de splinter verdwenen was en de opening aan de rand dacht ze aan het hoofd van Morholt. Ze balanceerde een moment in twijfel, toen ging ze naar de plaats waar ze de staal had bewaard die ze in de schedel gevonden had en legde het op het zwaard en het paste zo goed dat de verbinding nauwelijks te zien was.

Ze rende naar de plek waar Tristan gewond lag en met het zwaard boven hem riep ze: Jij bent die Tristan van Lyon die Morholt doodde, de broer van mijn moeder en nu zal je op jouw beurt sterven.’ Tristan spande zich in om de slag op te vangen, maar hij was te zwak; zijn verstand standvastig ondanks het gevaar en hij zei: ‘Laat maar, ik zal sterven, maar om lange herinneringen te besparen luister eens. Konings dochter, mij leven is niet alleen in jouw macht, maar is ook van jou. Mijn leven is van jou omdat je het me twee keer hebt terug gegeven. Eens, lang geleden: want ik was de gewonde harpist die je hebt genezen van het gif van de schacht van Morholt. Nog berouw van de genezing; waren deze wonden niet in een eerlijk gevecht: Heb ik Morholt gedood door verraad? Had hij me niet getart en was ik niet gehouden om mijn lichaam te verdedigen? En nu de tweede keer heb je me ook gered. Het was voor jou, ik vocht tegen het beest.

“Maar laten we deze dingen achter laten. Ik wilde je alleen maar laten zien dat mijn leven van jou is. Als je me dan van rechtswege doodt voor de glorie er van kan je lang nadenken en je zelf prijzen dat je een gewonde gast gedood hebt die zijn leven had ingezet voor jouw winst.

Isolde antwoorde: “Ik hoor vreemde woorden. Waarom zou hij die Morholt doodde mij alzo zoeken, zijn nicht? Zonder twijfel omdat Morholt kwam voor de tribuut van maagden uit Cornwall, zo kwam u om zich beroemen dat u de maagd terug bracht die het dichts bij hem was naar Cornwall als een slaaf.”

“Konings dochter” zei Tristan “Nee… op een dag vlogen twee zwaluwen en vlogen naar Tintagel en droegen een haar uit je gouden haren en ik dacht dat ze me goed en vrede brachten zo kwam ik over zee om je te vinden. Zie hier, te midden van de gouddraden op mijn schild op de jas is jouw haar gezaaid; de draden zijn bezoedeld, maar jouw heldere haar schijnt nog steeds.’

Isolde legde het zwaard neer en nam de schild van de jas en zag er op het Gouden Haar en was een lange tijd stil, totdat ze hem op de lippen kuste om vrede te bewijzen en ze legde rijke kleren op hem.

Op de dag van de vergadering van de baronnen stuurde Tristan Perinis heimelijk naar zijn schip om zijn metgezellen op te roepen dat ze naar de rechtbank moesten komen en gekleed zoals bij de gezanten van een grote koning.

Een voor een gingen de honderd ridders de hal binnen waar alle baronnen van Ierland stonden, ze gingen zwijgend naar binnen en zaten allemaal in rijen tezamen, op hun scharlaken en paars blonken de edelstenen.

Toen de koning op zijn troon zat stond de gouverneur op om met getuigen en met wapens te bewijzen dat hij de draak gedood had en dat zo Isolde gewonnen was. Toen boog Isolde zich naar haar vader en zei: “Koning, ik heb hier een man die uw gouverneur uitdaagt vanwege leugens en misdrijven. Beloof dat je deze man al zijn vroegere daden vergeven zal, die staat om te bewijzen dat hij en geen ander de draak verslagen heeft en dat je hem vergiffenis en je vrede schenkt.”

De koning zei: “Ik vergun het.” Maar Isolde zei: “Vader geef me eerst de kus van vrede en vergeving als een teken dat u hem hetzelfde zal geven.’

Toen vond ze Tristan en leidde hem voor de baronnen. En toen hij kwam stonden de honderd ridders allemaal op en strekten hun armen op hun borst en bogen zodat de Ieren wisten dat hij hun heer was.

Maar onder de Ieren kenden veel hem en riepen: “Tristan van Lyon die Morholt sloeg.” Ze trokken hun zwaarden en schreeuwden om dood. Maar Isolde riep: “Koning, kus deze man op de lippen zoals uw eed was,’ en de koning kuste hem en het geroep hield op.

Toen toonde Tristan de drakentong en bood de gouverneur een strijd, maar de gouverneur keek naar zijn gezicht en durfde niet.

Toen zei Tristan: “Mijne heren u hebt gezegd en het is waar: Ik doodde Morholt. Maar ik stak de zee over om u een bloed boete te doen om die daad te vergen en ermee op te houden. “Ik zette mijn lichaam in gevaar van de dood en hebt u van het beest bevrijd en zo Isolde de mooie veroverd en wil haar meenemen op mijn schip. “Maar dat deze landen, Cornwall en Ierland, geen haat meer kennen maar alleen liefde, leer dat koning Mark, mijn heer, met haar zal trouwen. Hier staan honderd ridders van hoge naam en die allen zullen met een eed zweren op de relikwieĎn van de heilige heiligen dat koning Mark u zendt met het aanbod van hun ambassade van vrede en van broederschap en goede wil: en dat hij door uw beleefdheid Isolde als zijn geĎerde vrouw zal houden en dat hij wil dat alle manen van Cornwall haar als hun koningin zullen dienen.”

Toen de heren van Ierland dit hoorden juichten zij het toe en de koning was ook tevreden.

Toen dat verdrag en de alliantie was gesloten nam haar vader de koning Isolde bij de hand en vroeg Tristan dat hij een eed zou afleggen; te getuigen dat hij haar loyaal naar zijn heer zou brengen en Tristan deed de eed en zwoer het voor de ridders en de verzamelde baronnen van Ierland. Toen plaatste de koning de rechterhand van Isolde in Tristan zijn rechterhand en Tristan hield het voor een plaats als teken van inbeslagneming voor de koning van Cornwall. Dus, uit liefde voor koning Mark, veroverde Tristan de koningin met het haar van goud.





When the day of Iseult’s livery to the Lords of Cornwall drew near, her mother gathered herbs and flowers and roots and steeped them in wine, and brewed a potion of might, and having done so, said apart to Brangien:

“Child, it is yours to go with Iseult to King Mark’s country, for you love her with a faithful love. Take then this pitcher and remember well my words. Hide it so that no eye shall see nor no lip go near it: but when the wedding night has come and that moment in which the wedded are left alone, pour this essenced wine into a cup and offer it to King Mark and to Iseult his queen. Oh! Take all care, my child, that they alone shall taste this brew. For this is its power: they who drink of it together love each other with their every single sense and with their every thought, forever, in life and in death.”

And Brangien promised the Queen that she would do her bidding.

On the bark that bore her to Tintagel Iseult the Fair was weeping as she remembered her own land, and mourning swelled her heart, and she said, “Who am I that I should leave you to follow unknown men, my mother and my land? Accursed be the sea that bears me, for rather would I lie dead on the earth where I was born than live out there, beyond. …

One day when the wind had fallen and the sails hung slack Tristan dropped anchor by an Island and the hundred knights of Cornwall and the sailors, weary of the sea, landed all. Iseult alone remained aboard and a little serving maid, when Tristan came near the Queen to calm her sorrow. The sun was hot above them and they were athirst and, as they called, the little maid looked about for drink for them and found that pitcher which the mother of Iseult had given into Brangien’s keeping. And when she came on it, the child cried, “I have found you wine!” Now she had found not wine — but Passion and Joy most sharp, and Anguish without end, and Death.

The Queen drank deep of that draught and gave it to Tristan and he drank also long and emptied it all.

Brangien came in upon them; she saw them gazing at each other in silence as though ravished and apart; she saw before them the pitcher standing there; she snatched it up and cast it into the shuddering sea and cried aloud: “Cursed be the day I was born and cursed the day that first I trod this deck. Iseult, my friend, and Tristan, you, you have drunk death together.”

And once more the bark ran free for Tintagel. But it seemed to Tristan as though an ardent briar, sharp-thorned but with flower most sweet smelling, drave roots into his blood and laced the lovely body of Iseult all round about it and bound it to his own and to his every thought and desire. And he thought, “Felons, that charged me with coveting King Mark’s land, I have come lower by far, for it is not his land I covet. Fair uncle, who loved me orphaned ere ever you knew in me the blood of your sister Blanchefleur, you that wept as you bore me to that boat alone, why did you not drive out the boy that was to betray you? Ah! What thought was that! Iseult is yours and I am but your vassal; Iseult is yours and I am your son; Iseult is yours and may not love me.”

But Iseult loved him, though she would have hated. She could not hate, for a tenderness more sharp than hatred tore her. And Brangien watched them in anguish, suffering more cruelly because she alone knew the depth of evil done.

Two days she watched them, seeing them refuse all food or comfort and seeking each other as blind men seek, wretched apart and together more wretched still, for then they trembled each for the first avowal.

On the third day, as Tristan neared the tent on deck where Iseult sat, she saw him coming and she said to him, very humbly, “Come in, my lord.”

“Queen,” said Tristan, “why do you call me lord? Am I not your liege and vassal, to revere and serve and cherish you as my lady and Queen?”

But Iseult answered, “No, you know that you are my lord and my master, and I your slave. Ah, why did I not sharpen those wounds of the wounded singer, or let die that dragon-slayer in the grasses of the marsh? But then I did not know what now I know!”

“And what is it that you know, Iseult?”

She laid her arm upon Tristan’s shoulder, the light of her eyes was drowned and her lips trembled.

“The love of you,” she said. Whereat he put his lips to hers.

But as they thus tasted their first joy, Brangien, that watched them, stretched her arms and cried at their feet in tears: “Stay and return if still you can … But oh! that path has no returning. For already Love and his strength drag you on and now henceforth forever never shall you know joy without pain again. The wine possesses you, the draught your mother gave me, the draught the King alone should have drunk with you: but that old Enemy has tricked us, all us three; friend Tristan, Iseult my friend, for that bad ward I kept take here my body and my life, for through me and in that cup you have drunk not love alone, but love and death together.”

The lovers held each other; life and desire trembled through their youth, and Tristan said, “Well then, come Death.”

And as evening fell, upon the bark that heeled and ran to King Mark’s land, they gave themselves up utterly to love.



Toen de dag van Isolde’ s afscheid naar de heren van Cornwall naderde verzamelde haar moeder kruiden, bloemen en wortels en stak ze in wijn en brouwde een krachtig drankje en nadat ze dit had gedaan zei ze apart tegen Brangien: “Kind, het is aan jou om met Isolde naar het land van koning Mark te gaan want je houdt van haar met een trouwe liefde. Neem dan deze kruik en herinner goed mijn woorden. Verstop het zodat geen oog het zal zien of geen er in de buurt komt; maar wanneer de huwelijksnacht is aangebroken en het moment waarin de getrouwden met rust gelaten zijn doe dan deze kruidenwijn in een beker en biedt het aan koning Mark en zijn koningin Isolde. Oh! Wees voorzichtig mijn kind dat alleen zij dit brouwsel zullen proeven. Want dit is zijn kracht; zij die er van drinken houden voor altijd van elkaar met hun eigen gevoel en met hun eigen gedachte in het leven en in de dood.

En Brangien beloofde de koningin dat ze haar bidden zou doen.

Op de boot die haar naar Tintagel droeg huilde Isolde de mooie toen ze zich haar land herinnerde en rouw zwol in haar hart en ze zei: “Wie ben ik dat ik je zou moeten verlaten om onbekende mannen te volgen, mijn moeder en mijn land? Vervloekt is de zee die mij draagt want ik zou liever dood liggen op de aarde waar ik ben geboren dan daar buiten leven……

Op een dag toen de wind was gevallen en de zeilen slap hingen liet Tristan het anker vallen bij een eiland en de honderd ridders van Cornwall en de zeilers, moe van de zee, landden allemaal. Isolde bleef alleen aan boord met een kleine dienstmeid toen Tristan bij de koningin kwam om haar verdriet te verzachten. De zon was heet boven hen en ze waren dorstig en toen ze riepen keek de kleine dienstmeid rond om drank en vond de kruid die de moeder van Isolde aan Brangien had gegeven. En toen ze er aan kwam riep het kind, “Ik heb je wijn gevonden!” Nu had ze geen wijn gevonden- maar passie en vreugde op zijn scherpst en angst zonder einde en dood.

De koningin nam er een grote slok van en gaf het aan Tristan en die dronk ook lang en leegde het helemaal.

Brangien kwam op hen af; ze zag ze in stilte naar elkaar kijken alsof ze uitgeput en uit elkaar waren; ze zag voor hen de kruik staan; ze griste het op en gooide het in de bevende zeer en schreeuwde luid: “ Vervloekt de dag dat ik geboren ben en vervloekt de dag dat ik voor het eerst dit dek betrad. Isolde, mijn vriendin, en jij Tristan jullie hebben samen de dood gedronken.”

En nogmaals liep het schip vrij naar Tintagel. Maar het leek voor Tristan alsof een vurige scherpe egelantier, een scherpe doornige roos, maar met een bloem die het meeste geurde die zijn wortels in zijn bloed trok en het liefelijke lijf van Isolde er omheen bond en bond het aan de zijne en aan elke zijn gedachte en verlangen. En hij dacht: “Felons die me de begeerte van het land van koning Mark oplegde, ik ben van ver gekomen want het is niet zijn land dat ik begeer. Lieflijke oom, die van mij hield als wees voordat je wist dat in mij het bloed van je zuster Blanchefleur stroomde je weende terwijl je me alleen naar die boot droeg, waarom heb je die jongen niet verdreven die je zou verraden? Ah! Welke gedachte was dat! Isolde is van jou en ik ben maar een vazal; Isolde is van jou en ik ben je zoon; Isolde is van jou en mag niet van me houden.”

Maar Isolde hield van hem, hoewel ze hem gehaat zou hebben. Ze kon niet haten want een tederheid die scherper was dan haat verscheurde haar. En Brangien keek hen angstig aan en leed veel meer omdat zij alleen die de diepte van het kwaad kende.

Twee dagen hield ze hen in de gaten en zag dat ze alle voedsel of troost weigerden en elkaar opzochten zoals blinde mannen zoeken, armzalig apart en samen nog ellendiger want dan beefde elk voor de eerste bekentenis.

Op de derde dag toen Tristan de tent op het dek naderde waar Isolde zat zag ze hem aankomen en zei tot hem heel nederig: “Kom binnen mijn heer.”

”Koningin: zei Tristan, “ waarom noemt u me heer? Ben ik niet uw leenheer en vazal om je te vereren en te dienen en koesteren als mijn dame en koningin?”

Maar Isolde antwoordde: Neen, u weet dat u mijn heer en meester bent en ik uw slaaf. Ah, waarom heb ik de wonden van de gewonde zanger niet verscherpt of die drakendoder in het gras van het moeras laten sterven? Maar toen wist ik niet wat ik nu wel weet.”

Ze legde haar arm op Tristan schouder, het licht van haar ogen verdonkerde en haar lippen trilden.

“De liefde van jou, “ zei ze. Waarop hij zijn lippen legde. Maar toen ze aldus hun eerste vreugde proefden strekte Brangien, die hen bekeek, haar armen uit en huilde tranen aan hun voeten: “Blijf en ga terug als je nog kan……. Maar oh! Dat pad heeft geen terugkeer. Want al zijn liefde en kracht trekken je voort en nu zal je voor altijd nooit meer vreugde zonder pijn kennen. De wijn bezit je,  de drank die je moeder me gaf, de drank die de koning alleen met jou zou drinken; maar die oude vijand heeft ons bedrogen, ons alle drie; vriend Tristan, mijn vriend, Isolde mijn vriendin, want vanwege dat slechte bewaren heb ik mijn lichaam en leven gehouden want door mij heb je in die beker niet alleen liefde gedronken, maar liefde en dood samen.”

De geliefden hielden elkaar; leven en begeerte trilden door hun jeugd heen en Tristan zei:” Wel dan, kom dood.”

En toen de avond viel op het schip dat zich afhield en snelde naar het land van koning Mark gaven ze zichzelf helemaal aan de liefde over.






As King Mark came down to greet Iseult upon the shore, Tristan took her hand and led her to the King and the King took seizin of her, taking her hand. He led her in great pomp to his castle of Tintagel, and as she came in hall amid the vassals her beauty shone so that the walls were lit as they are lit at dawn. Then King Mark blessed those swallows which, by happy courtesy, had brought the Hair of Gold, and Tristan also he blessed, and the hundred knights who, on that adventurous bark, had gone to find him joy of heart and of eyes; yet to him also that ship was to bring sting, torment and mourning.

And on the eighteenth day, having called his Barony together he took Iseult to wife. But on the wedding night, to save her friend, Brangien took her place in the darkness, for her remorse demanded even this from her; nor was the trick discovered.

Then Iseult lived as a queen, but lived in sadness. She had King Mark’s tenderness and the barons’ honour; the people also loved her; she passed her days amid the frescoes on the walls and floors all strewn with flowers; good jewels had she and purple cloth and tapestry of Hungary and Thessaly too, and songs of harpers, and curtains upon which were worked leopards and eagles and popinjays and all the beasts of sea and field. And her love too she had, love high and splendid, for as is the custom among great lords, Tristan could ever be near her. At his leisure and his dalliance, night and day: for he slept in the King’s chamber as great lords do, among the lieges and the councillors. Yet still she feared; for though her love were secret and Tristan unsuspected (for who suspects a son?) Brangien knew. And Brangien seemed in the Queen’s mind like a witness spying; for Brangien alone knew what manner of life she led, and held her at mercy so. And the Queen thought Ah, if some day she should weary of serving as a slave the bed where once she passed for Queen … If Tristan should die from her betrayal! So fear maddened the Queen, but not in truth the fear of Brangien who was loyal; her own heart bred the fear.

Not Brangien who was faithful, not Brangien, but themselves had these lovers to fear, for hearts so stricken will lose their vigilance. Love pressed them hard, as thirst presses the dying stag to the stream; love dropped upon them from high heaven, as a hawk slipped after long hunger falls right upon the bird. And love will not be hidden. Brangien indeed by her prudence saved them well, nor ever were the Queen and her lover unguarded. But in every hour and place every man could see Love terrible, that rode them, and could see in these lovers their every sense overflowing like new wine working in the vat.

The four felons at court who had hated Tristan of old for his prowess, watched the Queen; they had guessed that great love, and they burnt with envy and hatred and now a kind of evil joy. They planned to give news of their watching to the King, to see his tenderness turned to fury, Tristan thrust out or slain, and the Queen in torment; for though they feared Tristan their hatred mastered their fear; and, on a day, the four barons called King Mark to parley, and Andret said: “Fair King, your heart will be troubled and we four also mourn; yet are we bound to tell you what we know. You have placed your trust in Tristan and Tristan would shame you. In vain we warned you. For the love of one man you have mocked ties of blood and all your Barony. Learn then that Tristan loves the Queen; it is truth proved and many a word is passing on it now.”

The royal King shrank and answered: “Coward! What thought was that? Indeed I have placed my trust in Tristan. And rightly, for on the day when the Morholt offered combat to you all, you hung your heads and were dumb, and you trembled before him; but Tristan dared him for the honour of this land, and took mortal wounds. Therefore do you hate him, and therefore do I cherish him beyond thee, Andret, and beyond any other; but what then have you seen or heard or known?”

“Naught, lord, save what your eyes could see or your ears hear. Look you and listen, Sire, if there is yet time.”

And they left him to taste the poison.

Then King Mark watched the Queen and Tristan; but Brangien noting it warned them both and the King watched in vain, so that, soon wearying of an ignoble task, but knowing (alas!) that he could not kill his uneasy thought, he sent for Tristan and said: “Tristan, leave this castle; and having left it, remain apart and do not think to return to it, and do not repass its moat or boundaries. Felons have charged you with an awful treason, but ask me nothing; I could not speak their words without shame to us both, and for your part seek you no word to appease. I have not believed them … had I done so … But their evil words have troubled all my soul and only by your absence can my disquiet be soothed. Go, doubtless I will soon recall you. Go, my son, you are still dear to me.

When the felons heard the news they said among themselves, “He is gone, the wizard; he is driven out. Surely he will cross the sea on far adventures to carry his traitor service to some distant King.”

But Tristan had not strength to depart altogether; and when he had crossed the moats and boundaries of the Castle he knew he could go no further. He stayed in Tintagel town and lodged with Gorvenal in a burgess’ house, and languished oh! more wounded than when in that past day the shaft of the Morholt had tainted his body.

In the close towers Iseult the Fair drooped also, but more wretched still. For it was hers all day long to feign laughter and all night long to conquer fever and despair. And all night as she lay by King Mark’s side, fever still kept her waking, and she stared at darkness. She longed to fly to Tristan and she dreamt dreams of running to the gates and of finding there sharp scythes, traps of the felons, that cut her tender knees; and she dreamt of weakness and falling, and that her wounds had left her blood upon the ground. Now these lovers would have died, but Brangien succoured them. At peril of her life she found the house where Tristan lay. There Gorvenal opened to her very gladly, knowing what salvation she could bring.

So she found Tristan, and to save the lovers she taught him a device, nor was ever known a more subtle ruse of love.

Behind the castle of Tintagel was an orchard fenced around and wide and all closed in with stout and pointed stakes and numberless trees were there and fruit on them, birds and clusters of sweet grapes. And furthest from the castle, by the stakes of the pallisade, was a tall pine-tree, straight and with heavy branches spreading from its trunk. At its root a living spring welled calm into a marble round, then ran between two borders winding, throughout the orchard and so, on, till it flowed at last within the castle and through the women’s rooms.




Toen koning Mark kwam om Isolde aan de kust te begroeten nam Tristan haar hand en leidde haar naar de koning en de koning nam haar waar en nam haar hand. Hij leidde haar met grote pracht naar zijn kasteel Tintagel en toen zij in de hal te midden van de vazallen kwam scheen haar schoonheid zodat de muren verlicht werden zoals ze verlicht werden met de zonsopgang. Toen zegende koning Mark de zwaluwen die met hoffelijke beleefdheid het gouden haar hadden gebracht en ook Tristan zegende hij en de honderd ridders die op het avontuurlijke schip waren gegaan om voor hem vreugde van het hart en ogen te vinden, ook tot hem zou dat schip alzo steken brengen, pijniging en rouw.

En op de achttiende dag nadat hij zijn baronnen had samengeroepen nam hij Isolde tot vrouw. Maar op de huwelijksnacht, om haar vriendin te redden, nam Brangien haar plaats in de duisternis in want haar berouw eiste zelfs dit van haar en de truc werd niet ontdekt.

Toen leefde Isolde als een koningin, maar ze leefde in droefheid. Ze had de tederheid van koning Mark en de eer van de baronnen de mensen hielden ook van haar; ze bracht haar dagen door te midden van de fresco’ s op de muren en vloeren die bezaaid waren met bloemen; goede juwelen had ze en paarse stoffen en wandtapijten uit Hongarije en ThessaliĎ, liederen van harpen en gordijnen waarop arenden, luipaarden en papegaaien en alle beesten van het veld en de zee waren verwerkt. En haar liefde had zij ook, hoge en prachtige liefde want zoals de gewoonte bij de grote heren is zou Tristan nooit bij haar in de buurt kunnen zijn. Op zijn gemak en zijn rust, dag en nacht; want hij sliep in de kamer van de koning zoals grote heren doen, tussen de leenheren en raadsheren. Toch was ze nog steeds bang, want hoewel hun liefde geheim was en Tristan niet verdacht werd (want wie verdenkt een zoon?) wist Brangien het. En Brangien leek in de gedachten van de koningin als een getuige die spioneerde; want alleen Brangien wist wat manier van leven ze leidde en hield haar zo ter harte. En de koningin dacht ah, als ze op een dag zou willen dienen als een slaaf op het bed waar ze eens als koningin diende….als Tristan sterven zou voor haar verraad! Dus vreesde de koningin die gekte, maar niet de angst voor Brangien die loyaal was; haar eigen hart broedde het gevaar.

Niet Brangien die trouw was, niet Brangien,  maar zij zelf had deze liefde te vrezen want harten die zo getroffen worden zullen hun waakzaamheid verliezen. De liefde drukte ze hard omdat de dorst het stervende hert in de beek duwt; de liefde viel op hen vanuit de hoge hemel zoals een havik na lange honger op de vogel duikt. En liefde wil niet verborgen blijven.

Brangien redden hen goed door haar voorzichtigheid, maar nooit waren de koningin en haar geliefde zonder bewaking. Maar op elk uur en elke plaats kon iedereen die verschrikkelijke liefde zien die hen bereed en in deze geliefden kon men zien hoe hun gevoel overvloeide zoals nieuwe wijn die in het vat werkt.

De vier misdadigers aan het hof die Tristan al vanouds hadden gehaat vanwege zijn bekwaamheid keken naar de koningin: ze hadden die grote liefde geraden en brandden van afgunst en haat en nu van een soort kwaadaardige vreugde. Ze waren van plan het nieuws van hun waakzaamheid over te brengen bij de koning om te zien hoe zijn tederheid in woede zou veranderen en Tristan afstoten of doden en de koningin in kwelling; en ofschoon ze bang waren voor Tristan, hun gehate meester vreesden, en op een dag riepen de vier baronnen koning Mark tot een conferentie en Andret zei: “Liefelijke koning, je hart zal in verwarring raken en ook wij vier treuren; toch zijn we gebonden om je te vertellen wat we weten. Je hebt je vertrouwen in Tristan gesteld en Tristan zou je beschamen. Tevergeefs hebben we je gewaarschuwd. Vanwege de liefde voor een man heb je bloed laten storten en al je baronnen bespot. Leer dan dat Tristan van de koningin houdt; het is waarheidsgetrouw en veel wordt er nu van gezegd.”

De koninklijke koning kromp ineen en antwoorde: “Lafaard! Wat voor gedachte is dit? Inderdaad ik heb mijn vertrouwen in Tristan gesteld. En terecht, want op de dag dat Morholt u allen een gevecht aanbood draaide u uw hoofd om en was stom en jullie beefden voor hem; maar Tristan daagde hem uit vanwege de eer van dit land en nam sterfelijke wonden. Daarom haat je hem en daarom koester ik hem meer dan u, Andret, en meer dan wie dan ook; maar wat heb je dan gezien, gehoord en gekend?”

“Niets, heer, behalve wat uw ogen konden zien of uw oren horen. Kijk en luister Sire, als er nog tijd is.’ En ze lieten hem achter om van het gif te proeven.

Toen lette koning Mark op de koningin en Tristan; maar Brangien merkte het op zodat ze hen allebei waarschuwde en de koning tevergeefs keek zodat hij weldra van zijn onedele taak uitgeput was maar wist (helaas!) dat hij zijn ongemakkelijke gedachte niet doden kon en liet Tristan komen en zei: “Tristan, verlaat dit kasteel en als je het verlaten hebt blijf weg en denk er niet aan terug te komen en ga niet voorbij zijn gracht of grenzen. Misdadigers hebben je een vreselijk hoogverraad opgelegd, maar vraag me niets; ik kan hun woorden niet uitspreken zonder ons beide te beschamen en van jouw kant zoek ik geen woorden om te sussen. Ik heb ze niet geloofd…als ik dat al gedaan had…Maar hun kwade woorden hebben mijn hele ziel in de war gebracht en alleen door jouw afwezigheid kan mijn onrust gekalmeerd worden. Ga, ik zal je ongetwijfeld snel terughalen. Ga, mijn zoon, je bent me nog steeds dierbaar.

Toen de misdadigers het nieuws hoorden zeiden ze onder elkaar; Hij is verdwenen, de tovenaar; hij is verdreven. Zeker zal hij de zee oversteken op verre avonturen om zijn verradersdienst naar een verre koning te brengen.”

Maar Tristan had niet de kracht om helemaal te vertrekken; toen hij de slotgracht en de grenzen van het kasteel overgetrokken was wist hij dat hij niet verder kon gaan. Hij bleef in het stadje Tintagel en overnachtte bij Gorvenal in een burger huis en kwijnde weg, oh! Meer gewond dan toen in die laatste dagen toen de schacht van Morholt zijn lichaam had aangetast.

In de nabije toren treurde Isolde de mooie ook, maar nog ellendiger. Want ze moest de hele dag doen alsof ze lachte en alle nachten om koorts en wanhoop te overwinnen. En de hele nacht, terwijl ze naast koning Mark lag, hield de koorts haar steeds wakker en staarde ze in de duisternis. Ze verlangde ernaar om naar Tristan te vliegen en droomde dromen om naar de poorten te rennen en daar hun scherpe zeisen te vinden, de vallen van de misdadigers die haar zachte knieĎn doorsneden; en ze droomde van zwakte en vallen en dat haar wonden haar bloed op de grond achterlieten. Nu zouden deze minnaars gestorven zijn, maar Brangien heeft ze geholpen. Op gevaar van haar leven vond ze het huis waar Tristan lag. Governal ontving haar zeer blij  want die wist dat ze redding kon brengen.

Zo vond ze Tristan en om de geliefden te redden leerde ze hem een hulpmiddel, nooit was er ooit een meer subtiele list van liefde bekend.

Achter het kasteel Tintagel was een omheinde boomgaard die breed was en alles ingesloten met stevige en puntige staken en er stonden talloze bomen met vruchten, vogels en trossen zoete druiven. En het verst verwijderd van het kasteel was bij de staken van de palissade een hoge pijnboom, recht en met zware takken die zich uit de stam verspreidden. Aan zijn wortels welde een levendige bron kalm in marmer rond en draaide tussen twee borders, door de boomgaard en zo verder totdat het tenslotte in het kasteel stroomde en door de vrouwenkamers.



And every evening, by Brangien’s counsel, Tristan cut him twigs and bark, leapt the sharp stakes and, having come beneath the pine, threw them into the clear spring; they floated light as foam down the stream to the women’s rooms; and Iseult watched for their coming, and on those evenings she would wander out into the orchard and find her friend. Lithe and in fear would she come, watching at every step for what might lurk in the trees observing, foes or the felons whom she knew, till she spied Tristan; and the night and the branches of the pine protected them.

And so she said one night: “Oh, Tristan, I have heard that the castle is faĎry and that twice a year it vanishes away. So is it vanished now and this is that enchanted orchard of which the harpers sing.” And as she said it, the sentinels bugled dawn.

Iseult had refound her joy. Mark’s thought of ill-ease grew faint; but the felons felt or knew which way lay truth, and they guessed that Tristan had met the Queen. Till at last Duke Andret (whom God shame) said to his peers:

“My lords, let us take counsel of Frocin the Dwarf; for he knows the seven arts, and magic and every kind of charm. He will teach us if he will the wiles of Iseult the Fair.”

The little evil man drew signs for them and characters of sorcery; he cast the fortunes of the hour and then at last he said: “Sirs, high good lords, this night shall you seize them both.”

Then they led the little wizard to the King, and he said: “Sire, bid your huntsmen leash the hounds and saddle the horses, proclaim a seven days’ hunt in the forest and seven nights abroad therein, and hang me high if you do not hear this night what converse Tristan holds.”

So did the King unwillingly; and at fall of night he left the hunt taking the dwarf in pillion, and entered the orchard, and the dwarf took him to the tall pine-tree, saying: “Fair King, climb into these branches and take with you your arrows and your bow, for you may need them; and bide you still.”

That night the moon shone clear. Hid in the branches the King saw his nephew leap the pallisades and throw his bark and twigs into the stream. But Tristan had bent over the round well to throw them and so doing had seen the image of the King. He could not stop the branches as they floated away, and there, yonder, in the women’s rooms, Iseult was watching and would come.

She came, and Tristan watched her motionless. Above him in the tree he heard the click of the arrow when it fits the string.

She came, but with more prudence than her wont, thinking, “What has passed, that Tristan does not come to meet me? He has seen some foe.”

Suddenly, by the clear moonshine, she also saw the King’s shadow in the fount. She showed the wit of women well, she did not lift her eyes.

“Lord God,” she said, low down, grant I may be the first to speak.”

“Tristan,” she said, “what have you dared to do, calling me hither at such an hour? Often have you called me —to beseech, you said. And Queen though I am, I know you won me that title—and I have come. What would you?”

“Queen, I would have you pray the King for me.”

She was in tears and trembling, but Tristan praised God the Lord who had shown his friend her peril.

“Queen,” he went on, “often and in vain have I summoned you; never would you come. Take pity; the King hates me and I know not why. Perhaps you know the cause and can charm his anger. For whom can he trust if not you, chaste Queen and courteous, Iseult?”

“Truly, Lord Tristan, you do not know he doubts us both. And I, to add to my shame, must acquaint you of it. Ah! but God knows if I lie, never went cut my love to any man but he that first received me. And would you have me, at such a time, implore your pardon of the King? Why, did he know of my passage here to-night he would cast my ashes to the wind. My body trembles and I am afraid. I go, for I have waited too long.”

In the branches the King smiled and had pity.

And as Iseult fled: “Queen,” said Tristan, “in the Lord’s name help me, for charity.”

“Friend,” she replied, “God aid you! The King wrongs you but the Lord God will be by you in whatever land you go.”

So she went back to the women’s rooms and told it to Brangien, who cried: “Iseult, God has worked a miracle for you, for He is compassionate and will not hurt the innocent in heart.”

And when he had left the orchard, the King said smiling: “Fair nephew, that ride you planned is over now.”

But in an open glade apart, Frocin, the Dwarf, read in the clear stars that the King now meant his death; he blackened with shame and fear and fled into Wales.

En elke avond, door de raad van Brangien, sneed Tristan takjes en bast af, sprong over de scherpe staken en kwam onder de den en gooide ze in de heldere bron; ze dreven licht als schuim in de stroom naar de vrouwenkamers; en Isolde keek naar hun komst en op die avond liep ze naar de boomgaard en vond haar vriend. Verlegen en in angst wilde ze komen en lette op elke stap voor wat er verborgen kon zijn in de observatie van de bomen, vijanden of misdadigers die ze kende totdat ze Tristan zag; en de nacht en de takken van de den beschermden hen.

En zo zei ze op een avond: “Oh Tristan, ik heb gehoord dat het kasteel betoverd is en twee keer per jaar verdwijnt. Zo is het nu verdwenen en dit is de betoverde boomgaard waarvan de harpisten zingen. “ En terwijl ze het zei bliezen de schildwachten het ochtendgloren.

Isolde had haar vreugde hervonden. Mark’ s gedachte van ongemak werd vager; maar de misdadigers voelden of wisten waar de waarheid lag en ze vermoedden dat Tristan de koningin ontmoet had. Totdat eindelijk de hertog Andret zei (waarvan God zich schaamt) tot zijn collega’ s.” Mijne heren laat ons raad vragen bij Frocin de dwerg; want hij kent zeven kunsten en magie en alle soorten betovering. Hij zal ons leren, als hij wil, de kunsten van Isolde de mooie.’

De kleine slechte man tekende voor hen tekens van toverij; hij gooide het fortuin van het uur en tenslotte zei hij: “Heren, hoge goede heren, deze nacht zal u ze allebei grijpen.‘’

Toen leidden ze de kleine tovenaar naar de koning en hij zei: “Sire vraag uw jagers de honden aan de riemen te binden en zadel de paarden, roep een jacht van zeven dagen en zeven nachten in het bos en zeven nachten in het buitenland en hang me hoog als je deze nacht niet hoort welk gesprek Tristan houdt.

Dat deed de koning niet graag; en bij het vallen van de nacht verliet hij de jacht, nam de duivelse dwerg en ging de boomgaard in en de dwerg nam hem mee naar de hoge pijnboom en zei: Eerwaardige koning, klim in deze takken en neem uw pijlen en boog want u hebt ze misschien nodig en wacht rustig.

Die nacht scheen de maan helder. Verborgen in de takken zag de koning dat zijn neef op de palissaden sprong en schors en takjes in de beek gooide. Maar Tristan had zich goed gebogen om ze te gooien en had het beeld van de koning gezien. Hij kon de takken niet stoppen toen ze weg dreven en daarginds, in de vrouwenkamer, keek Isolde die wachtte wat er zou komen.

Ze kwam en Tristan wachtte haar bewegingloos op. Boven hem in de boom  hoorde hij de klik van de pijl als het in de snaar wordt gestoken.

Ze kwam maar met meer voorzichtigheid dan haar gewoonte was en dacht: “Wat is er gebeurd dat Tristan niet bij mij komt? Hij heeft hij een vijand gezien.”

Plotseling zag ze door de heldere maneschijn de schaduw van de koning in de bron. Ze toonde goed de humor van de vrouwen en tilde haar ogen niet op. “Heer God”, zei ze diep van binnen geef ik toe dat ik de eerste ben om te spreken.”

“Tristan”, zei ze, “wat heb je durven te doen om me op dit uur hier te roepen? Vaak heb je me geroepen-om te smeken zeg je. En koningin, hoewel ik dat ben en ik weet dat jij me die titel hebt gegeven- en ik ben gekomen. Wat wil je?”

“Koningin ik wil dat u de koning voor me bidt”.

Ze was in tranen en trilde, maar Tristan prees God de Heer die zijn vriend het gevaar had getoond.

“Koningin,” ging hij verder, “vaak en tevergeefs heb ik u geroepen; nooit wilde u komen. Heb medelijden; de koning haat me en ik weet niet waarom. Misschien ken je de oorzaak en kan je zijn woede kalmeren. Want wie kan hij vertrouwen zoals jij kuise en hoffelijke koningin Isolde?”

“Echt waar, heer Tristan, u weet niet dat hij aan ons beiden twijfelt. En ik, om aan mijn schaamte toe te voegen moet u ervan op de hoogte brengen. Ah! Maar God weet of ik lieg, ik heb nooit mijn liefde aan iemand gegeven, maar aan hem die me eerst ontving. En wil u dat ik op zo’ n moment uw gratie van de koning smeek? Welnu, wist hij van mijn passage hier in de nacht hij zou mijn as in de wind werpen. Mijn lichaam trilt en ik ben bang. Ik ga want ik heb hier te lang gewacht.”

In de takken glimlachte de koning en had medelijden.

En terwijl Isolde vluchtte: “Koningin,” zei Tristan, “help me in de naam van de Heer, voor de naastenliefde.”

“Vriend” antwoordde ze,” God helpt je! De koning doet je onrecht, maar de Heer God zal met je zijn in welk land dat je gaat.”

Dus ging ze terug naar de vrouwenkamers en vertelde het Brangien, die riep: “Isolde, God heeft een wonder voor je bewerkt want hij is medelevend en zal de onschuldigen niet in hun hart kwetsen.

En toen hij de boomgaard had verlaten zei de koning glimlachend: Lieve neef, de rit die je gepland hebt is nu voorbij.”

Maar in een open plek in het bos las Focin, de dwerg, in de heldere sterren dat de koning nu zijn dood bedoelde; hij werd zwart van schaamte en angst en vluchtte naar Wales.





King Mark made peace with Tristan. Tristan returned to the castle as of old. Tristan slept in the King’s chamber with his peers. He could come or go, the King thought no more of it.

Mark had pardoned the felons, and as the seneschal, Dinas of Lidan, found the dwarf wandering in a forest abandoned, he brought him home, and the King had pity and pardoned even him.

But his goodness did but feed the ire of the barons, who swore this oath: If the King kept Tristan in the land they would withdraw to their strongholds as for war, and they called the King to parley.

“Lord,” said they, “Drive you Tristan forth. He loves the Queen as all who choose can see, but as for us we will bear it no longer.”

And the King sighed, looking down in silence.

“ King,” they went on, “we will not bear it, for we know now that this is known to you and that yet you will not move. Parley you, and take counsel. As for us if you will not exile this man, your nephew, and drive him forth out of your land forever, we will withdraw within our Bailiwicks and take our neighbours also from your court: for we cannot endure his presence longer in this place. Such is your balance: choose.”

“My lords,” said he, “once I hearkened to the evil words you spoke of Tristan, yet was I wrong in the end. But you are my lieges and I would not lose the service of my men. Counsel me therefore, I charge you, you that owe me counsel. You know me for a man neither proud nor overstepping.”

“Lord,” said they, “call then Frocin hither. You mistrust him for that orchard night. Still, was it not he that read in the stars of the Queen’s coming there and to the very pine-tree too? He is very wise, take counsel of him.”

And he came, did that hunchback of Hell: the felons greeted him and he planned this evil.

“Sire,” said he, “let your nephew ride hard to-morrow at dawn with a brief drawn up on parchment and well sealed with a seal: bid him ride to King Arthur at Carduel. Sire, he sleeps with the peers in your chamber; go you out when the first sleep falls on men, and if he love Iseult so madly, why, then I swear by God and by the laws of Rome, he will try to speak with her before he rides. But if he do so unknown to you or to me, then slay me. As for the trap, let me lay it, but do you say nothing of his ride to him until the time for sleep.”

And when King Mark had agreed, this dwarf did a vile thing. He bought of a baker four farthings’ worth of flour, and hid it in the turn of his coat. That night, when the King had supped and the men-at-arms lay down to sleep in hall, Tristan came to the King as custom was, and the King said: “Fair nephew, do my will: ride to-morrow night to King Arthur at Carduel, and give him this brief, with my greeting, that he may open it: and stay you with him but one day.”

And when Tristan said: “I will take it on the morrow;”

The King added: “Aye, and before day dawn.”

But, as the peers slept all round the King their lord, that night, a mad thought took Tristan that, before he rode, he knew not for how long, before dawn he would say a last word to the Queen. And there was a spear length in the darkness between them. Now the dwarf slept with the rest in the King’s chamber, and when he thought that all slept he rose and scattered the flour silently in the spear length that lay between Tristan and the Queen; but Tristan watched and saw him, and said to himself: “It is to mark my footsteps, but there shall be no marks to show.”

At midnight, when all was dark in the room, no candle nor any lamp glimmering, the King went out silently by the door and with him the dwarf. Then Tristan rose in the darkness and judged the spear length and leapt the space between, for his farewell. But that day in the hunt a boar had wounded him in the leg, and in this effort the wound bled. He did not feel it or see it in the darkness, but the blood dripped upon the couches and the flour strewn between; and outside in the moonlight the dwarf read the heavens and knew what had been done and he cried:

“Enter, my King, and if you do not hold them, hang me high.”

Then the King and the dwarf and the four felons ran in with lights and noise, and though Tristan had regained his place there was the blood for witness, and though Iseult feigned sleep, and Perinis too, who lay at Tristan’s feet, yet there was the blood for witness. And the King looked in silence at the blood where it lay upon the bed and the boards and trampled into the flour.

And the four barons held Tristan down upon his bed and mocked the Queen also, promising her full justice; and they bared and showed the wound whence the blood flowed.

Then the King said: “Tristan, now nothing longer holds. To-morrow you shall die.”

And Tristan answered: “Have mercy, Lord, in the name of God that suffered the Cross!”

But the felons called on the King to take vengeance, saying:

“Do justice, King: take vengeance.”

And Tristan went on, “Have mercy, not on me—for why should I stand at dying?—Truly, but for you, I would have sold my honour high to cowards who, under your peace, have put hands on my body—but in homage to you I have yielded and you may do with me what you will. But, lord, remember the Queen!”

And as he knelt at the King’s feet he still complained: “Remember the Queen; for if any man of your household make so bold as to maintain the lie that I loved her unlawfully I will stand up armed to him in a ring. Sire, in the name of God the Lord, have mercy on her.”

Then the barons bound him with ropes, and the Queen also. But had Tristan known that trial by combat was to be denied him, certainly he would not have suffered it.

For he trusted in God and knew no man dared draw sword against him in the lists. And truly he did well to trust in God, for though the felons mocked him when he said he had loved loyally, yet I call you to witness, my lords who read this, and who know of the philtre drunk upon the high seas, and who, understand whether his love were disloyalty indeed. For men see this and that outward thing, but God alone the heart, and in the heart alone is crime and the sole final judge is God. Therefore did He lay down the law that a man accused might uphold his cause by battle, and God himself fights for the innocent in such a combat.

Therefore did Tristan claim justice and the right of battle and therefore was he careful to fail in nothing of the homage he owed King Mark, his lord.

But had he known what was coming, he would have killed the felons.



Koning Mark maakte vrede met Tristan. Tristan keerde als vanouds terug naar het kasteel. Tristan sliep in de kamer van de koning met zijn collega’ s. Hij kon komen of gaan, de koning dacht er niet meer aan.

Mark had de misdadigers gratie verleend en toen de ouderling, Dinas van Lidan, de dwerg vond die in een verlaten bos rondwandelde bracht hij hem naar huis en de koning had medelijden en vergaf het hem.

Maar zijn goedheid voedde slechts de woede van de baronnen die deze eed zwoeren: als de koning Tristan in het land zou houden dan zouden ze zich terugtrekken in hun bolwerken als voor oorlog en ze riepen de koning voor een onderhandeling.

“Heer, “ zeiden ze, “jaag Tristan weg. Hij houdt van de koningin zoals allen die het willen kunnen zien, maar wat ons betreft zullen we het niet langer verdragen.”

En de koning zuchtte en keek in stilte neer.

“Koning, “ gingen ze verder, “wij zullen het niet verdragen want wij weten nu dat dit bekend is en dat het u niet zal bewegen. Jij Parley neem advies. Wat ons betreft als u deze man, uw neef, niet zal verbannen en hem voor eeuwig uit dit land zal verdrijven zullen wij ons terugtrekken in onze meierij en nemen onze buren ook van uw hof; want wij kunnen zijn aanwezigheid niet langer in deze plaats verdragen. Dat is uw balans: kies.”

“Mijne heren, “ zei hij, “ toen ik eens naar uw kwade woorden luister die u over Tristan sprak had ik het uiteindelijk toch bij het verkeerde eind. Maar u bent mijn leenmannen en ik wil de dienst van mijn mannen niet verliezen. Raad me daarom aan, ik daag u uit die mij raad verschuldigd bent. Je kent me als een man die niet trots is of overloopt”.

“Heer,” zeiden ze, “roep dan Focin hierheen. Je wantrouwt hem vanwege die nacht in de boomgaard. Maar was hij het niet die in de sterren las van de koningin die daar kwam en ook naar de pijnboom? Hij is erg wijs, neem van hem raad.”

En hij kwam, die gebochelde van de hel: de misdadigers begroetten hem en hij plande dit kwaad.

“Sire, “ zei hij, “ laat uw neef morgenochtend snel rijden met een briefje van perkamentpapier en goed verzegeld met een zegel: bid hem naar koning Arthur te rijden te Carduel. Sire, hij slaapt met zijn collega’s in uw kamer, ga er uit als de eerste slaap op de mannen valt en als hij zo gek is van Isolde, wel, da zweer ik bij God en bij de wetten van Rome dat hij met haar zal proberen te praten voordat hij gaat. Maar als hij dit voor hem zo onbekend is u als voor u en mij, doodt me dan. Wat betreft de valstrik, laat het me leggen, maar zeg niets over zijn rit totdat het tijd is om te slapen.”

En toen koning Mark het ermee eens was deed deze dwerg iets gruwelijks. Hij kocht bij een bakker voor vier penningen meel en verstopte die in de omslag van zijn jas. Die nacht, toen de koning had gesoupeerd en de strijders in de hal lagen te slapen kwam Tristan bij de koning zoals het gebruikelijk was en de koning zie: “Lieve neef, doe mijn wil; rij morgennacht naar koning Arthur in Carduel en geef hem deze brief met mijn groeten dat hij het mag openen; en je blijft bij hem maar een dag: en toen zei Tristan:  “ik zal het morgen doen;” en de koning voegde eraan toe: Ja, en voor de dageraad.”

Maar toen de gezellen overal om hun heer sliepen kwam die nacht Tristan een waanzinnige gedachte op voordat hij ging en hij wist niet voor hoe lang, maar voor de dageraad wilde hij een laatste woord tot de koningin zeggen. En daar was een speer lengte in de duisternis tussen hen. Nu sliep de dwerg met de rest in de konings kamer en toen hij dacht dat iedereen sliep stond hij op en strooide het meel stil tussen de speer lengte die tussen Tristan en de koningin lag; maar Tristan keek toe en zag hem en zei bij zichzelf: “Het is om mijn voetstappen te markeren, maar er zullen geen sporen te zien zijn.”

Om middernacht, toen alles donker was in de kamer en er geen kaars of lampje glinsterde ging de koning stilletjes naar de deur en met hem de dwerg. Toen stond Tristan in de duisternis op en beoordeelde de speerlengte en sprong in die ruimte tussen hen voor zijn afscheid.  Maar die dag had een everzwijn hem tijdens de jacht in het been gewond en hierbij bloedde de wond. Hij voelde het niet of zag het niet in de duisternis, maar het bloed druppelde op de banken en het meel verspreidde zich ertussen; buiten in het maanlicht las de dwerg de hemel en wist wat er gebeurde en hij riep: “Kom binnen, mijn koning, en als je ze niet vasthoudt, hang me dan hoog op.”

Toen liepen de koning en de dwerg met de vier misdadigers naar binnen met licht en lawaai en hoewel Tristan zijn plaats had herwonnen was er het bloed om te getuigen en hoewel Isolde slaap veinsde en zo ook Perinis, die aan Tristan’ s voeten lag, toch was het bloed er om te getuigen. En de koning keek in stilte naar het bloed waar het op het bed en de planken lag en vertrapt in het meel.

En de vier baronnen hielden Tristan op zijn bed en bespotten ook de koningin en beloofden haar volledige gerechtigheid; en ze ontblootten en toonden de wond waaruit het bloed stroomde.

Toen zei de koning: “Tristan, nu houdt niets meer stand. Morgen zal u sterven.”

En Tristan antwoordde” “Heb genade, heer, in de naam van God die op het kruis heeft geleden.

Maar de misdadigers riepen de koning op om wraak te nemen en zeiden: “Doe recht koning; neem wraak.”

En Tristan ging verder; “Heb medelijden, niet voor mij, want waarom zou ik sterven”. Precies, maar voor jou zou ik mijn eer hoog hebben verkocht aan de lafaards die onder uw vrede mijn handen hebben gebonden, maar ter eren van u heb ik toegegeven en u mag met me doen wat u wil. Maar heer, denk aan de koningin!”

En terwijl hij aan de voeten van de koning knielde beklaagde hij zich nog steeds; “Denk aan de koningin; want als iemand van uw huishouden zo brutaal is om de leugen te handhaven dat ik haar onwettig lief had sta ik in de ring tegen hem op. Sire, in de naam van God de Heer, heb medelijden met haar.”

Toen bonden de baronnen hem en de koningin met touwen. Maar toen Tristan wist dat de beproeving van een gevecht hem zou worden ontzegd zou hij zeker niet hebben geleden. Want hij vertrouwde op God en wist dat geen mens het zwaard durfde te trekken in list. En waarlijk deed hij er goed aan om op God te vertrouwen want, hoewel de misdadiger hem bespotten toen hij zei dat hij zich loyaal had gehouden, toch roep ik u op om te getuigen, mijne heren die dit lezen en allen die van de liefdesdrank weten die op de volle zee gedronken werd en die begrijpen of zijn liefde inderdaad ontrouw was. Want men ziet dit en het uiterlijke, maar God alleen het hart en in alleen in het hart is misdaad en de enige uiteindelijke rechter is God.

Daarom stelde Hij een wet op dat een beschuldigde man verdedigd zou worden en God zelf vecht voor de onschuldigen in zo’ n gevecht.

Daarom claimde Tristan gerechtigheid en het recht van een strijd en daarom was hij voorzichtig om nergens in te falen van de hulde die hij aan koning Mark, zijn heer, verschuldigd was.

Maar als hij wist wat er zou komen zou hij de misdadigers hebben gedood.





Dark was the night, and the news ran that Tristan and the Queen were held and that the King would kill them; and wealthy burgess, or common man, they wept and ran to the palace.

And the murmurs and the cries ran through the city, but such was the King’s anger in his castle above that not the strongest nor the proudest baron dared move him.

Night ended and the day drew near. Mark, before dawn, rode out to the place where he held pleas and judgment. He ordered a ditch to be dug in the earth and knotty vine-shoots and thorns to be laid therein.

At the hour of Prime he had a ban cried through his land to gather the men of Cornwall; they came with a great noise and the King spoke them thus: “My lords, I have made here a faggot of thorns for Tristan and the Queen; for they have fallen.”

But they cried all, with tears:

“A sentence, lord, a sentence; an indictment and pleas; for killing without trial is shame and crime.”

But Mark answered in his anger: “Neither respite, nor delay, nor pleas, nor sentence. By God that made the world, if any dare petition me, he shall burn first!”

He ordered the fire to be lit, and Tristan to be called.

The flames rose, and all were silent before the flames, and the King waited.

The servants ran to the room where watch was kept on the two lovers; and they dragged Tristan out by his hands though he wept for his honour; but as they dragged him off in such a shame, the Queen still called to him: “Friend, if I die that you may live, that will be great joy.”

Now, hear how full of pity is God and how He heard the lament and the prayers of the common folk, that day.

For as Tristan and his guards went down from the town to where the faggot burned, near the road upon a rock was a chantry, it stood at a cliff’s edge steep and sheer, and it turned to the sea-breeze; in the apse of it were windows glazed. Then Tristan said to those with him: “My lords, let me enter this chantry, to pray for a moment the mercy of God whom I have offended; my death is near. There is but one door to the place, my lords, and each of you has his sword drawn. So, you may well see that, when my prayer to God is done, I must come past you again: when I have prayed God, my lords, for the last time.

And one of the guards said: “Why, let him go in.”

So they let him enter to pray. But he, once in, dashed through and leapt the altar rail and the altar too and forced a window of the apse, and leapt again over the cliff’s edge. So might he die, but not of that shameful death before the people.

Now learn, my lords, how generous was God to him that day. The wind took Tristan’s cloak and he fell upon a smooth rock at the cliff’s foot, which to this day the men of Cornwall call “Tristan’s leap.”

His guards still waited for him at the chantry door, but vainly, for God was now his guard. And he ran, and the fine sand crunched under his feet, and far off he saw the faggot burning, and the smoke and the crackling flames; and fled.

Sword girt and bridle loose, Gorvenal had fled the city, lest the King burn him in his master’s place: and he found Tristan on the shore.



Donker was de nacht en het nieuws liep dat Tristan en de koningin vast gehouden werden en dat de koning hen zou doden en de rijke burgers en de gewone man huilden en renden naar het paleis.

En het gemompel en geschreeuw liep door de stad, maar dat was boven de woede van de koning in zijn kasteel zodat de sterkste nog de meest trotste baron hem durfde te bewegen.

De nacht eindigde en de dag naderde. Mark reed voor het aanbreken van de dag daar de plaats waar hij pleidooien en recht hield. Hij beval om een greppel in de aarde te laten graven en er knoestige wijnstokken en dorens daarin te leggen.

Met priemtijd had hij door het land een ban uitgeroepen om de mannen van Cornwall te verzamelen; zij kwamen met veel lawaai en de koning sprak tot hen aldus: “Mijne heren, ik heb hier een brandstapel van dorens voor Tristan en de koningin; want ze zijn gevallen.”

Maar zij allen huilden met tranen: “Een proces heer, een proces; een aanklacht en pleidooi, want doden zonder proces is een schande en misdaad.”

Maar Mark antwoordde in zijn woede: “Geen respijt nog uitstel; nog pleidooien, nog proces. Bij God die de wereld heeft gemaakt en als iemand me durft te smeken zal hij als eerste branden!”.

Hij haf het bevel om het vuur aan te steken en Tristan te roepen. De vlammen stegen op en iedereen zweeg vanwege de vlammen en de koning wachtte.

De bedienden renden naar de kamer waar wacht werd gehouden op de twee geliefden; en ze sleepten Tristan er met zijn handen uit en hij huilde vanwege zijn eer, maar toen ze hem zo schaamteloos weg sleepten riep de koningin hem nog steeds toe: “Vriend, als ik sterf zodat jij mag leven zal dat een grote vreugde zijn.”

Nu hoor hoe vol medelijden God is en hoe Hij de klaagzang en de gebeden van het gewone volk die dag heeft gehoord.

Want toen Tristan en zijn bewakers van de stad gingen waar de brandstapel brandde, vlak bij de weg was op een rots een kapel en die stond steil aan een rand van een klif en draaide naar de zeewind; in de apsis waren geglazuurde ramen. Toen zei Tristan tegen diegenen die met hem waren: “Mijne heren, laat mij deze kapel betreden om een moment te bidden voor de genade van God die ik heb beledigd, mijn dood is nabij. Er is maar een deur naar de plaats, mijne heren, en ieder van u heeft zijn zwaard getrokken. Dus kan je goed zien als ik mijn gebed heb gedaan dat ik weer langs u moet komen; als ik God, mijne heren voor de laatste keer heb gebeden.

En een van de bewakers zei: Waarom niet, laat hem naar binnen gaan.”

Dus lieten ze hem binnen om te bidden. Maar hij stormde er helemaal doorheen en sprong over het altaar hek en het altaar en opende een raam in de apsis en sprong over de rand van de klif. Zo zou hij kunnen sterven, maar niet van de schandelijke dood voor het volk.

Nu, leer mijne heren, hoe genereus God die dag voor hem was. De wind nam Tristan’ s mantel en hij viel op een gladde rots aan de voet van de klif die tot aan de dag van vandaag door de mensen van Cornwall nog Tristan’ s sprong genoemd wordt.

Zijn bewakers wachtten nog steeds op hem bij de kapel deur, maar tevergeefs, want God was nu zijn bewaker. En hij rende en het fijne zand kreakte onder zijn voeten en ver weg zag de brandstapel branden en de rook en de knetterende vlammen en vluchtte.

Zwaard, gordel en losse breidel, Gorvenal was de stad uit gevlucht want anders zou de koning hem in de plaats van zijn meester verbranden; en hij vond Tristan aan de kust.



“Master,” said Tristan, “God has saved me, but oh! master, to what end? For without Iseult I may not and I will not live, and I rather had died of my fall. They will burn her for me, then I too will die for her.”

“Lord,” said Gorvenal, “take no counsel of anger. See here this thicket with a ditch dug round about it. Let us hide therein where the track passes near, and comers by it will tell us news; and, boy, if they burn Iseult, I swear by God, the Son of Mary, never to sleep under a roof again until she be avenged.”

There was a poor man of the common folk that had seen Tristan’s fall, and had seen him stumble and rise after, and he crept to Tintagel and to Iseult where she was bound, and said: “Queen, weep no more. Your friend has fled safely.”

“Then I thank God,” said she, “and whether they bind or loose me, and whether they kill or spare me, I care but little now.” And though blood came at the cord-knots, so tightly had the traitors bound her, yet still she said, smiling: “Did I weep for that when God has loosed my friend I should be little worth.”

When the news came to the King that Tristan had leapt that leap and was lost he paled with anger, and bade his men bring forth Iseult.

They dragged her from the room, and she came before the crowd, held by her delicate hands, from which blood dropped, and the crowd called: “Have pity on her—the loyal Queen and honoured! Surely they that gave her up brought mourning on us all—our curses on them!”

But the King’s men dragged her to the thorn faggot as it blazed. She stood up before the flame, and the crowd cried its anger, and cursed the traitors and the King. None could see her without pity, unless he had a felon’s heart: she was so tightly bound. The tears ran down her face and fell upon her grey gown where ran a little thread of gold, and a thread of gold was twined into her hair.

Just then there had come up a hundred lepers of the King’s, deformed and broken, white horribly, and limping on their crutches. And they drew near the flame, and being evil, loved the sight. And their chief Ivan, the ugliest of them all, cried to the King in a quavering voice: “O King, you would burn this woman in that flame, and it is sound justice, but too swift, for very soon the fire will fall, and her ashes will very soon be scattered by the high wind and her agony be done. Throw her rather to your lepers where she may drag out a life for ever asking death.”

And the King answered: “Yes; let her live that life, for it is better justice and more terrible. I can love those that gave me such a thought.”

And the lepers answered: “Throw her among us, and make her one of us. Never shall lady have known a worse end. And look,” they said, “at our rags and our abominations. She has had pleasure in rich stuffs and furs, jewels and walls of marble, honour, good wines and joy, but when she sees your lepers always, King, and only them for ever, their couches and their huts, then indeed she will know the wrong she has done, and bitterly desire even that great flame of thorns.”

And as the King heard them, he stood a long time without moving; then he ran to the Queen and seized her by the hand, and she cried:

“Burn me! rather burn me!”

But the King gave her up, and Ivan took her, and the hundred lepers pressed around, and to hear her cries all the crowd rose in pity. But Ivan had an evil gladness, and as he went he dragged her out of the borough bounds, with his hideous company.

Now they took that road where Tristan lay in hiding, and Gorvenal said to him: “Son, here is your friend. Will you do naught?”

Then Tristan mounted the horse and spurred it out of the bush, and cried: “Ivan, you have been at the Queen’s side a moment, and too long. Now leave her if you would live.”

But Ivan threw his cloak away and shouted: “Your clubs, comrades, and your staves! Crutches in the air—for a fight is on!”

Then it was fine to see the lepers throwing their capes aside, and stirring their sick legs, and brandishing their crutches, some threatening: groaning all; but to strike them Tristan was too noble. There are singers who sing that Tristan killed Ivan, but it is a lie. Too much a knight was he to kill such things. Gorvenal indeed, snatching up an oak sapling, crashed it on Ivan’s head till his blood ran down to his misshapen feet. Then Tristan took the Queen.

Henceforth near him she felt no further evil. He cut the cords that bound her arms so straightly, and he left the plain so that they plunged into the wood of Morois; and there in the thick wood Tristan was as sure as in a castle keep.

And as the sun fell they halted all three at the foot of a little hill: fear had wearied the Queen, and she leant her head upon his body and slept.

But in the morning, Gorvenal stole from a wood man his bow and two good arrows plumed and barbed, and gave them to Tristan, the great archer, and he shot him a fawn and killed it. Then Gorvenal gathered dry twigs, struck flint, and lit a great fire to cook the venison. And Tristan cut him branches and made a hut and garnished it with leaves. And Iseult slept upon the thick leaves there.

So, in the depths of the wild wood began for the lovers that savage life which yet they loved very soon.

“Meester”, zei Tristan, “God heeft me gered, maar oh! Meester, met welk doel? Want zonder Isolde kan ik het niet  en kan ik niet leven en was liever gestorven bij mijn val. Ze zullen haar voor mij verbranden en dan zal ik ook voor haar sterven.’

“Heer,” zie Gorvenal; neem geen raad van woede. Zie hier dit struikgewas met een greppel erom heen gegraven. Laten we ons daarin verbergen waar de baan voorbij gaat en voorbijgangers zullen ons het nieuws vertellen; en, jongen, als ze Isolde verbranden dan zweer ik bij God, de Zoon van Maria, nooit meer onder een dak te slapen totdat ze gewroken is.’

Er was een arme man van het gewone volk die de val van Tristan had gezien en hem had zien struikelen en opstaan en hij sloop naar Tintagel en naar Isolde waar ze was gebonden en zei: Koningin, huil niet meer. Je vriend is veilig gevlucht.”

“Dan dank ik God,” zei ze, “en of ze me binden of verliezen en of ze me doden of sparen, ik geef er nu maar weinig om.” En hoewel er bloed kwam aan de knopen, zo strak hadden de verraders haar gebonden, maar toch zei ze glimlachend: “Heb ik daarvoor gehuild toen God mijn vriend heeft bevrijd, dan zou ik weinig waarde hebben.”

Toen het nieuws kwam bij de koning dat Tristan die sprong had gesprongen en verdwenen was werd hij bleek van woede en vroeg zijn mannen Isolde te brengen.

Ze sleepten haar uit de kamer en ze kwam voor de menigte, vastgehouden bij haar tere handen waaruit bloed viel en de menigte riep: “ Heb medelijden met haar, de loyale en geĎerde koningin! Zeker zij die haar opbrachten brachten rouw over ons allemaal, onze vloek over hen!”

Maar de mannen van de koning sleepten haar naar de doornige brandstapel toen het oplaaide. Ze stond op voor de vlammen en de menigte huilde van woede en vervloekte de verraders en de koning. Niemand kon haar zien zonder medelijden, tenzij hij die het hart van een misdadiger had; ze was zo strak gebonden. De tranen rolden van haar gezicht en vielen op haar grijze jurk waar een kleine draad van goud liep en die gouden draad was in haar haar tezamen gebonden.

Op dat moment waren er een honderd melaatsen  bij de koning gekomen, misvormd en gebroken, vreselijk wit en mank op hun krukken. Toen ze de vlammen naderden en omdat ze slecht waren hadden ze het lief om te zien. En hun hoofd, Ivan, de lelijkste van allen riep met bevende stem tot de koning: “O koning u wil deze vrouw branden in de vlammen en het is gerechtigheid, maar te snel want zeer binnenkort zal het vuur vallen en haar as zal zeer snel verstrooid worden door de hoge wind en haar pijn is gedaan. Gooi haar liever bij de melaatsen waar ze een leven lang kan slepen omdat ze ooit de dood heeft gevraagd.”

En de koning antwoordde: “Ja, laat haar dat leven leiden want het is een betere gerechtigheid en nog erger. Ik kan mensen liefhebben die me zo’ n gedachte hebben gegeven.

En de melaatsen antwoordden: “Gooi haar onder ons en maak haar een van ons. Nooit zal een dame een slechter einde gekend hebben. En kijk, “ zeiden ze, “naar onze vodden en gruwelen. Ze heeft plezier gehad en rijke spullen, bont, juwelen en marmeren muren, eer, goede wijn en vreugde, maar wanneer ze altijd uw melaatsen ziet, koning, en zij alleen en voor altijd, hun banken en hutten dan zal ze inderdaad het onrecht weten dat ze gedaan heeft en bitter verlangen naar die grote vlam van dorens.”

En toen de koning hen hoorde stond hij lang stil zonder te bewegen; toen ging hij naar de koningin en greep haar bij de hand en zij riep: Verbrand me! Verbrand me liever!”

Maar de koning gaf haar op en Ivan nam haar mee en de honderd melaatsen dromden rondom haar en haar huilen bewoog de menigte van medelijden. Maar Ivan had een kwade blijdschap en toen hij wegging sleepte hij haar uit het stadsdeel met zijn afschuwelijke gezelschap.

Nu namen ze de weg waar Tristan verborgen lag en Gorvenal zei tegen hem: “Zoon, hier is je vriendin. Zal je niets doen?”

Toen steeg Tristan op het paard en spoorde het uit de bosjes en riep: “Ivan je bent een tijdje te lang aan de kant van de koningin geweest. Laat haar als je wil leven.”

Maar Ivan gooide zijn jas weg en schreeuwde: “Je knotsen, kameraden en je staven! Krukken in de lucht voor een gevecht.

Toen was het goed om te zien hoe de melaatsen hun kappen opzij gooiden en hun zieke benen bewogen en zwaaiden met hun krukken, sommigen dreigden; ze kreunden allen; maar om hem te slaan was Tristan te nobel. Er zijn zangers die zingend dat Tristan Ivan gedood heeft, maar dat is een leugen. Hij was teveel ridder om zulke dingen te doen. Inderdaad nam Governal een jonge eikenboom en verpletterde die op het hoofd van Ivan totdat zijn bloed stroomde op zijn misvormde voeten. Toen nam Tristan de koningin. Vanaf nu voelde ze bij hem verder geen kwaad meer. Hij sneed de koorden door die haar armen zo sterk bonden en hij verliet de vlakte zodat ze in het bos van Morois kwamen en daar in dat dikke bos was Tristan zo zeker als in een kasteel.

En toen de zon viel stopten ze alle drie aan de voet van een kleine heuvel; de angst had de koningin vermoeid en ze boog haar hoofd op zijn lichaam en sliep.

Maar ’s morgens stal Gorvenal van een man van het bos zijn boog en twee goede gepluimde en gehaakte pijlen en gaf ze aan Tristan, de grote boogschutter, en die schoot een reekalf en doodde het. Toen verzamelde Gorvenal droge twijgen en sloeg met vuurstenen en maakte een groot vuur om het hertenvlees te koken. En Tristan sneed takken en maakte een hut en versierde het met bladeren. En Isolde sliep daar op de dikke bladeren.

En zo in de diepte van het woud begon voor de geliefden dat wilde leven dat ze toch zeer snel lief hadden.







They wandered in the depths of the wild wood, restless and in haste like beasts that are hunted, nor did they often dare to return by night to the shelter of yesterday. They ate but the flesh of wild animals. Their faces sank and grew white, their clothes ragged; for the briars tore them. They loved each other and they did not know that they suffered.

One day, as they were wandering in these high woods that had never yet been felled or ordered, they came upon the hermitage of Ogrin.

The old man limped in the sunlight under a light growth of maples near his chapel: he leant upon his crutch, and cried: “Lord Tristan, hear the great oath which the Cornish men have sworn. The King has published a ban in every parish: Whosoever may seize you shall receive a hundred marks of gold for his guerdon, and all the barons have sworn to give you up alive or dead. Do penance, Tristan! God pardons the sinner who turns to repentance.”

“And of what should I repent, Ogrin, my lord? Or of what crime? You that sit in judgment upon us here, do you know what cup it was we drank upon the high sea? That good, great draught inebriates us both. I would rather beg my life long and live of roots and herbs with Iseult than, lacking her, be king of a wide kingdom.”

“God aid you, Lord Tristan; for you have lost both this world and the next. A man that is traitor to his lord is worthy to be torn by horses and burnt upon the faggot, and wherever his ashes fall no grass shall grow and all tillage is waste, and the trees and the green things die. Lord Tristan, give back the Queen to the man who espoused her lawfully according to the laws of Rome.”

“He gave her to his lepers. From these lepers I myself conquered her with my own hand; and henceforth she is altogether mine. She cannot pass from me nor I from her.”

Ogrin sat down; but at his feet Iseult, her head upon the knees of that man of God, wept silently. The hermit told her and re-told her the words of his holy book, but still while she wept she shook her head, and refused the faith he offered.

“Ah me,” said Ogrin then, “what comfort can one give the dead? Do penance, Tristan, for a man who lives in sin without repenting is a man quite dead.”

“Oh no,” said Tristan, “I live and I do no penance. We will go back into the high wood which comforts and wards us all round about. Come with me, Iseult, my friend.”

Iseult rose up; they held each other’s hands. They passed into the high grass and the underwood: the trees hid them with their branches. They disappeared beyond the leaves.

The summer passed and the winter came: the two lovers lived, all hidden in the hollow of a rock, and on the frozen earth the cold crisped their couch with dead leaves. In the strength of their love neither one nor the other felt these mortal things. But when the open skies had come back with the springtime, they built a hut of green branches under the great trees. Tristan had known, ever since his childhood, that art by which a man may sing the song of birds in the woods, and at his fancy, he would call as call the thrush, the blackbird and the nightingale, and all winged things; and sometimes in reply very many birds would come on to the branches of his hut and sing their song full-throated in the new light.

The lovers had ceased to wander through the forest, for none of the barons ran the risk of their pursuit knowing well that Tristan would have hanged them to the branches of a tree. One day, however, one of the four traitors, Guenelon, whom God blast! drawn by the heat of the hunt, dared enter the Morois. And that morning, on the forest edge in a ravine, Gorvenal, having unsaddled his horse, had let him graze on the new grass, while far off in their hut Tristan held the Queen, and they slept. Then suddenly Gorvenal heard the cry of the pack; the hounds pursued a deer, which fell into that ravine. And far on the heath the hunter showed — and Gorvenal knew him for the man whom his master hated above all. Alone, with bloody spurs, and striking his horse’s mane, he galloped on; but Gorvenal watched him from ambush: he came fast, he would return more slowly. He passed and Gorvenal leapt from his ambush and seized the rein and, suddenly, remembering all the wrong that man had done, hewed him to death and carried off his head in his hands. And when the hunters found the body, as they followed, they thought Tristan came after and they fled in fear of death, and thereafter no man hunted in that wood. And far off, in the hut upon their couch of leaves, slept Tristan and the Queen.

There came Gorvenal, noiseless, the dead man’s head in his hands that he might lift his master’s heart at his awakening. He hung it by its hair outside the hut, and the leaves garlanded it about. Tristan woke and saw it, half hidden in the leaves, and staring at him as he gazed, and he became afraid. But Gorvenal said: “Fear not, he is dead. I killed him with this sword.”

Then Tristan was glad, and henceforward from that day no one dared enter the wild wood, for terror guarded it and the lovers were lords of it all: and then it was that Tristan fashioned his bow “Failnaught” which struck home always, man or beast, whatever it aimed at.




Ze dwaalden in de diepte van het wilde woud, rusteloos en in haast zoals beesten opgejaagd worden, nog durfden ze ’s nachts terug te keren naar de beschutting van gisteren. Ze aten maar vlees van wilde dieren. Hij gezichten zonken en werden bleek, hun kleren haveloos; want de doornstruiken scheurde hen. Ze hielden van elkaar en ze wisten dat ze niet leden. Op een dag toen ze in de hoge bossen dwaalden die nog nooit geveld of geordend waren kwamen ze bij de kluis van Ogrin.

De oude man hinkte in de zonneschijn onder een lichte groei van esdoorns bij zijn kapel: hij leunde op zijn kruk en riep: “Heer Tristan, hoor de grote eed die de mannen van Cornwall hebben gezworen. De koning heeft in elke parochie een verbod uitgevaardigd; iedereen  die je kan vangen zal honderd mark als beloning ontvangen en alle baronnen hebben gezworen dat ze u dood of levend geven. Doe boete Tristan! God vergeeft de zondaar die zich bekeert.”

“ En waarover moet ik berouw hebben, Ogrin, mijn heer? Of van welke misdaad? U die hier een oordeel over ons geeft, weet u wat voor een beker het was die we op de hoge zee dronken? Die goede sterke drank bedwelmt ons allebei. Ik zou liever mijn leven lang smeken en leven met wortels en kruiden met Isolde dan zonder haar koning van een groot koninkrijk te zijn.”

“God helpt u, heer Tristan; want je hebt zowel deze wereld als de volgende verloren. Een man die een verrader is van zijn heer is het waard om door paarden verscheurd te worden en verbrand op de brandstapel en waar zijn as valt zal geen gras groeien en alle bebouwing is afval en de bomen en groene dingen sterven. Heer Tristan geef de koningin terug aan de  man die haar wettig omhelsde volgens de wetten van Rome.’

“Hij gaf haar aan melaatsen en van deze melaatsen heb ik haar zelf met mijn eigen hand gewonnen; en voortaan is zij helemaal de mijne. Zij kan niet van mij en ik niet van haar scheiden.”

Ogrin ging zitten; maar aan zijn voeten Isolde, haar hoofd op de knieĎn van de man Gods en huilde stilletjes. De kluizenaar vertelde haar en vertelde haar opnieuw de woorden van zijn heilige boek, maar terwijl ze huilde schudde ze haar hoofd en weigerde het geloof dat hij haar bood.

“Ah mij”, zei Ogrin, “ welke troost kan iemand de doden geven? Doe boete Tristan, want een man die in zonden leeft zonder berouw te hebben is een man die volkomen dood is.”

“Oh nee,” zei Tristan, “Ik leef en doe geen boete. We zullen teruggaan naar het hoge woud dat ons troost en beschermt alom. Kom met mij, Isolde, mijn vriendin.”

Isolde stond op; ze hielden elkaars hand vast. Ze liepen in het hoge gras en het lage struikgewas; de bomen verborgen hen met hun takken. Ze verdwenen achter de bladeren.

De zomer ging voorbij en de winter kwam; de twee geliefden leefden geheel verborgen in de holte van een rots en op de bevroren aarde kroop de koude in hun bed met dode bladeren. In de kracht van hun liefde voelde nog de een nog de ander deze sterfelijke dingen. Maar toen de open hemel met de lente terug was gekomen bouwden ze een hut van groene takken onder de grote bomen. Tristan kon al sinds zijn jeugd de kunst waarmee een man het lied van de vogels in het bos zingt, en in zijn verbeelding kon hij ze roepen zoals de lijster, de merel en de nachtegaal en alle gevleugelde dingen; en soms beantwoordden heel veel vogels hem op de takken van zijn hut en zongen veelstemmig hun lied in het nieuwe licht.

De geliefden waren gestopt om door het bos te dwalen want geen van de baronnen nam het risico van hun achtervolging omdat ze wel wisten dat Tristan hen aan de takken van de bomen zou hangen. Op een dag echter was een van de vier verraders, Guenelon, (dat God die verstoot!)  aangetrokken door de hitte van de jacht die Morois durfde binnen te gaan. En die ochtend aan de bosrand in een ravijn had Gorvenal, nadat zijn paard was los geraakt hem op een nieuw grasveld laten grazen terwijl ver weg in hun hut Tristan de koningin vast hield en zij sliepen. Plotseling hoorde Gorvenal de roep van het peloton; de honden achtervolgden een hert dat in die ravijn viel. En ver over de heide toonde zich de jager en Governal herkende hem als de man die zijn meester vooral haatte, alleen galoppeerde hij voort met bloedige sporen en met het slaan van de manen van zijn paard galoppeerde hij voort; maar Gorvernal zag hem vanuit een hinderlaag; hij kwam snel en hij zou langzamer terugkomen. Hij passeerde en Governal sprong uit zijn hinderlaag en greep de teugel en herinnerde zich plotseling al het verkeerde dat de man had gedaan en hieuw hem dood en droeg het hoofd in zijn handen. En toen de jagers terwijl ze volgden, het lichaam vonden dachten ze dat Tristan er aan kwam en ze vlogen in doodsgevaar en daarna jaagt er niemand meer in dat bos. En ver weg, in de hut op hun bed van bladeren sliepen Tristan en de koningin.

Daar kwam geruisloos Governal met het hoofd van de overledene in zijn handen zodat hij zijn meester hart zou verheugen bij zijn ontwaken. Hij hing het op bij zij haar buiten de hut en de bladeren omhulden het. Tristan werd wakker en zag het half verborgen in de bladeren en het  staarde hem aan terwijl hij staarde en hij werd bang. Maar Gorvenal zei; “Vrees niet, hij is dood. Ik heb hem met dit zwaard gedood.’

Toen was Tristan blij en vanaf die dag durfde niemand het wilde bos in te gaan want terreur bewaakte het en de minnaars waren heren over alles: en toen was het dat Tristan zijn boog “Failnaught” noemde die altijd raakte, man of beest of waar het ook op gericht was.



My lords, upon a summer day, when mowing is, a little after Whitsuntide, as the birds sang dawn Tristan left his hut and girt his sword on him, and took his bow “Failnaught” and went off to hunt in the wood; but before evening, great evil was to fall on him, for no lovers ever loved so much or paid their love so dear.

When Tristan came back, broken by the heat, the Queen said “Friend, where have you been?”

“Hunting a hart,” he said, “that wearied me. I would lie down and sleep.”

So she lay down, and he, and between them Tristan put his naked sword, and on the Queen’s finger was that ring of gold with emeralds set therein, which Mark had given her on her bridal day; but her hand was so wasted that the ring hardly held. And no wind blew, and no leaves stirred, but through a crevice in the branches a sunbeam fell upon the face of Iseult and it shone white like ice. Now a woodman found in the wood a place where the leaves were crushed, where the lovers had halted and slept, and he followed their track and found the hut, and saw them sleeping and fled off, fearing the terrible awakening of that lord. He fled to Tintagel, and going up the stairs of the palace, found the King as he held his pleas in hall amid the vassals assembled.

“Friend,” said the King, “what came you hither to seek in haste and breathless, like a huntsman that has followed the dogs afoot? Have you some wrong to right, or has any man driven you?”

But the woodman took him aside and said low down: “I have seen the Queen and Tristan, and I feared and fled.”

“Where saw you them?”

“In a hut in Morois, they slept side by side. Come swiftly and take your vengeance.”

“Go,” said the King, “and await me at the forest edge where the red cross stands, and tell no man what you have seen. You shall have gold and silver at your will.”

The King had saddled his horse and girt his sword and left the city alone, and as he rode alone he minded him of the night when he had seen Tristan under the great pine-tree, and Iseult with her clear face, and he thought: “If I find them I will avenge this awful wrong.”

At the foot of the red cross he came to the woodman and said: “Go first, and lead me straight and quickly.”

The dark shade of the great trees wrapt them round, and as the King followed the spy he felt his sword, and trusted it for the great blows it had struck of old; and surely had Tristan wakened, one of the two had stayed there dead. Then the woodman said: “King, we are near.”

He held the stirrup, and tied the rein to a green apple-tree, and saw in a sunlit glade the hut with its flowers and leaves. Then the King cast his cloak with its fine buckle of gold and drew his sword from its sheath and said again in his heart that they or he should die. And he signed to the woodman to be gone.

He came alone into the hut, sword bare, and watched them as they lay: but he saw that they were apart, and he wondered because between them was the naked blade.

Then he said to himself: “My God, I may not kill them. For all the time they have lived together in this wood, these two lovers, yet is the sword here between them, and throughout Christendom men know that sign. Therefore I will not slay, for that would be treason and wrong, but I will do so that when they wake they may know that I found them here, asleep, and spared them and that God had pity on them both.”

And still the sunbeam fell upon the white face of Iseult, and the King took his ermined gloves and put them up against the crevice whence it shone.

Then in her sleep a vision came to Iseult. She seemed to be in a great wood and two lions near her fought for her, and she gave a cry and woke, and the gloves fell upon her breast; and at the cry Tristan woke, and made to seize his sword, and saw by the golden hilt that it was the King’s. And the Queen saw on her finger the King’s ring, and she cried:

“O, my lord, the King has found us here!”

And Tristan said: “He has taken my sword; he was alone, but he will return, and will burn us before the people. Let us fly.”

So by great marches with Gorvenal alone they fled towards Wales.

Mijne heren, op een zomerse dag wanneer men maait en wat na Pinksteren toen de vogels het ochtendgloren zongen verliet Tristan zijn hut en gordde zijn zwaard om en nam zijn boog “Failnaught” en ging op jacht in het bos; maar groot kwaad zou op hen vallen want geen geliefden hadden ooit zoveel lief of betaalden hun liefde zo duur.

Toen Tristan terug kwam en gebroken door de hitte zei de koningin: “Vriend, waar ben je geweest?”

“Jagen op een hert”, zei hij, “dat maakte me moe. Ik zal gaan liggen en slapen.”

Dus hij ging liggen en hij zette tussen hen in zijn naakte zwaard en aan de vinger van de koningin was die ring van goud met smaragden erin gezet die Mark haar op de huwelijksdag had gegeven; maar haar hand was zo dun geworden dat ze de ring nauwelijks hield. En geen wind blies en geen bladeren bewogen, maar door een spleet in de takken viel een zonnestraal op het gezicht van Isolde en ze scheen wit als ijs. Nu vond een houthakker in het bos een plaats waar de bladeren samen gedrukt en waar de geliefden gestopt waren en geslapen en hij volgde hun spoor en vond de hut en zag hen slapen en vluchtte weg uit vrees voor het vreselijke ontwaken van die heer. Hij vluchtte naar Tintagel en ging de trappen van het paleis op en vond de koning toen die zijn pleidooien hield in de hal te midden van de verzamelde vazallen.

“Vriend”, zei de koning, “wat kwam u hier halen om zo haastig en buiten adem te zoeken zoals een jager die de honden heeft gevolgd? Heb je iets verkeerd of goed of heeft iemand je gedreven?”

Maar de houthakker nam hem terzijde en zei diep: “Ik heb de koningin en Tristan gezien en ik was bang en vluchtte.”

“Waar heb je ze gezien?”

“In een hut in Morois sliepen ze naast elkaar. Kom snel en neem wraak.”

“Ga,” zei de koning, “en wacht op me aan de bosrand waar het rode kruis staat en vertel niemand wat je hebt gezien. Je zal goud en zilver naar je wil hebben.

De koning had zijn paard opgezadeld en zijn zwaard omgegespt en verliet de stad alleen en terwijl hij alleen reed herinnerde hij zich die nacht toen hij Tristan onder de grote pijnboom zag en Isolde met haar heldere gezicht en hij dacht: “Als ik ze vindt zal ik deze vreselijke fout wreken.”

Aan de voet van het rode kruis kwam hij bij de houthakker en zie: “Ga voor en leidt me recht en snel.”

De donkere schaduw van de grote bomen wikkelden zich om hem en terwijl de koning de spion volgde voelde hij zijn zwaard en vertrouwde op de grote slagen die hij vanouds gedaan had; en zeker was Tristan wakker geworden was een van de twee daar dood gebleven. Toen zei de houthakker; “Koning, we zijn in de buurt.’

Hij hield de stijgbeugels vast en bond de teugel aan een groene appelboom en zag op een zonovergoten plek de hut met zijn bloemen en bladeren. Tien wierp de koning zijn mantel met zijn mooie gesp van goud weg en trok zijn zwaard uit de schede en zei opnieuw in zijn hart dat zij of hij moesten sterven. En hij seinde naar de houthakker dat hij weg kon gaan.

Hij kwam alleen in de hut met bloot zwaard en keen hen aan terwijl ze lagen: maar hij zag dat ze uit elkaar waren en hij vroeg zich af waarom  er tussen hen dat naakte zwaard was.

Toen zei hij bij zichzelf: “Mijn God, ik mag ze niet doden. De hele tijd dat ze samen in het woud hebben geleefd, deze twee geliefden, is toch het zwaard tussen hen en vanwege het christendom kennen de mannen dat teken. Daarom zal ik ze niet doden, want dat zou verraad en verkeerd zijn, maar ik zal het wel doen wanneer ze wakker worden zodat ze mogen weten dat ik ze hier heb slapend heb aangetroffen en gespaard en dat God medelijden met hen beiden heeft.’

En nog viel de zonnestraal op het witte gezicht van Isolde en de koning nam zijn hermelijnen handschoenen en legde die op de spleet waaruit het scheen.

Toen kwam er in haar slaap een visioen bij Isolde. Ze scheen in een groot woud te zijn en er vochten bij haar twee leeuwen om haar en ze gaf een schreeuw en werd wakker en de handschoenen vielen op haar borst; en bij dat geschreeuw werd Tristan wakker en wilde zijn zwaard pakken en zag aan het gouden gevest dat het van de koning was. En toen de koningin aan haar vinger de ring zag van de koning en ze riep: “O, mijn heer, de koning heeft ons hier gevonden.”

En Tristan zei; “Hij heeft mijn zwaard genomen; hij is alleen, maar hij zal terug keren en zal ons verbranden voor al het volk. Laten we vluchten.”

Zo met grote marsen vluchtten ze met Governal naar Wales.





After three days it happened that Tristan, in following a wounded deer far out into the wood, was caught by night-fall, and took to thinking thus under the dark wood alone: “It was not fear that moved the King … he had my sword and I slept … and had he wished to slay, why did he leave me his own blade? … O, my father, my father, I know you now. There was pardon in your heart, and tenderness and pity … yet how was that, for who could forgive in this matter without shame? … It was not pardon it was understanding; the faggot and the chantry leap and the leper ambush have shown him God upon our side. Also I think he remembered the boy who long ago harped at his feet, and my land of Lyonesse which I left for him; the Morholt’s spear and blood shed in his honour. He remembered how I made no avowal, but claimed a trial at arms, and the high nature of his heart has made him understand what men around him cannot; never can he know of the spell, yet he doubts and hopes and knows I have told no lie, and would have me prove my cause. O, but to win at arms by God’s aid for him, and to enter his peace and to put on mail for him again … but then he must take her back, and I must yield her … it would have been much better had he killed me in my sleep. For till now I was hunted and I could hate and forget; he had thrown Iseult to the lepers, she was no more his, but mine; and now by his compassion he has wakened my heart and regained the Queen. For Queen she was at his side, but in this wood she lives a slave, and I waste her youth; and for rooms all hung with silk she has this savage place, and a hut for her splendid walls, and I am the cause that she treads this ugly road. So now I cry to God the Lord, who is King of the world, and beg Him to give me strength to yield back Iseult to King Mark; for she is indeed his wife, wed according to the laws of Rome before all the Barony of his land.”

And as he thought thus, he leant upon his bow, and all through the night considered his sorrow.

Within the hollow of thorns that was their resting-place Iseult the Fair awaited Tristan’s return. The golden ring that King Mark had slipped there glistened on her finger in the moonlight, and she thought: “He that put on this ring is not the man who threw me to his lepers in his wrath; he is rather that compassionate lord who, from the day I touched his shore, received me and protected. And he loved Tristan once, but I came, and see what I have done! He should have lived in the King’s palace; he should have ridden through King’s and baron’s fees, finding adventure; but through me he has forgotten his knighthood, and is hunted and exiled from the court, leading a random life. …”

Just then she heard the feet of Tristan coming over the dead leaves and twigs. She came to meet him, as was her wont, to relieve him of his arms, and she took from him his bow, “Failnaught,” and his arrows, and she unbuckled his sword-straps. And, “Friend,” said he, “it is the King’s sword. It should have slain, but it spared us.”

Iseult took the sword, and kissed the hilt of gold, and Tristan saw her weeping.

“Friend,” said he, “if I could make my peace with the King; if he would allow me to sustain in arms that neither by act nor word have I loved you with a wrongful love, any knight from the Marshes of Ely right away to Dureaume that would gainsay me, would find me armed in the ring. Then if the King would keep you and drive me out I would cross to the Lowlands or to Brittany with Gorvenal alone. But wherever I went and always, Queen, I should be yours; nor would I have spoken thus, Iseult, but for the wretchedness you bear so long for my sake in this desert land.”

“Tristan,” she said, “there is the hermit Ogrin. Let us return to him, and cry mercy to the King of Heaven.”

They wakened Gorvenal; Iseult mounted the steed, and Tristan led it by the bridle, and all night long they went for the last time through the woods of their love, and they did not speak a word. By morning they came to the Hermitage, where Ogrin read at the threshold, and seeing them, called them tenderly: “Friends,” he cried, “see how Love drives you still to further wretchedness. Will you not do penance at last for your madness?”

“Lord Ogrin,” said Tristan, “hear us. Help us to offer peace to the King, and I will yield him the Queen, and will myself go far away into Brittany or the Lowlands, and if some day the King suffer me, I will return and serve as I should.”

And at the hermit’s feet Iseult said in her turn: “Nor will I live longer so, for though I will not say one word of penance for my love, which is there and remains forever, yet from now on I will be separate from him.”

Then the hermit wept and praised God and cried: “High King, I praise Thy Name, for that Thou hast let me live so long as to give aid to these!”

And he gave them wise counsel, and took ink, and wrote a little writ offering the King what Tristan said.

That night Tristan took the road. Once more he saw the marble well and the tall pine-tree, and he came beneath the window where the King slept, and called him gently, and Mark awoke and whispered: “Who are you that call me in the night at such an hour?”

“Lord, I am Tristan: I bring you a writ, and lay it here.”

Then the King cried: “Nephew! nephew! for God’s sake wait awhile,” but Tristan had fled and joined his squire, and mounted rapidly. Gorvenal said to him: “O, Tristan, you are mad to have come. Fly hard with me by the nearest road.”

So they came back to the Hermitage, and there they found Ogrin at prayer, but Iseult weeping silently.

Ogrin de heremiet.


Het gebeurde na drie dagen dat Tristan bij het volgen van een gewond hert ver in het bos gevangen werd door het vallen van de nacht en begon aldus te denken zo alleen in het donkere woud; “Het was geen angst dat de koning bewoog…hij had mijn zwaard en ik sliep… en had hij me willen doden waarom liet hij zijn eigen zwaard achter?..... O, mijn vader, mijn vader, ik ken je nu. Er was gratie in je hart en tederheid en medelijden…maar hoe was dat, want wie zou er in deze kwestie zonder schaamte kunnen vergeven?.... het was geen excuses het was begrip; de brandstapel en de kapel sprong en de hinderlaag van de melaatsen hebben hem God aan onze zijde getoond. Ook denk ik dat hij zich de jongen herinnerde die lang geleden harpte aan zijn voeten en mijn land Lyon die ik vanwege hem verlaten heb; de speer van Morholt en het bloed in zijn eer gezet.

Hij herinnerde zich hoe ik geen belijdenis aflegde, maar beproef het met wapens en de hoge aard van zijn hart heeft hem laten begrijpen wat mensen om hem heen niet kunnen; nooit kan hij van de betovering weten, maar hij twijfelt en hoopt en weet dat ik geen leugen heb verteld en hoopt dat ik mijn zaak beproef. O, maar om wapens met Gods hulp voor hem te winnen en om zijn vrede en om hem opnieuw post te sturen…. Maar dan moet hij haar terugnemen en ik moet haar opgeven…het zou veel beter geweest zijn als hij me in mijn slaap had gedood. Want tot nu toe word ik opgejaagd en kan ik het haten niet vergeten; hij heeft Isolde naar de melaatsen gegooid, zij was niet meer de zijne, maar de mijne; en nu heeft hij door zijn medeleven mijn hart gewekt en de koningin heroverd. Want koningin was ze aan zijn zijde, maar in dit bos leeft ze als een slaaf en ik verspil haar jeugd; en voor kamers die allemaal vol zijde hingen heeft ze deze woeste plaats en een hut voor haar prachtige muren en ik ben de oorzaak dat ze deze lelijke weg betreedt. Dus nu  roep ik tot God de Heer die de koning van de wereld is en smeek Hem om mij kracht te geven om Isolde terug te geven aan koning Mark; want ze is inderdaad zijn vrouw, getrouwd volgens de wetten van Rome voor alle baronnen van zijn land.”

En terwijl hij zo dacht leunde hij op zij boog en overwoog de hele nacht zijn verdriet.

In de holte van dorens waar hun rustplaats was wachtte Isolde de mooie op de terugkeer van Tristan. De gouden ring die koning Mark daar had gelaten glinsterde aan haar vinger en ze dacht: “ Hij die deze ring gooide is niet de man die me in zijn woede naar de melaatsen gooide; hij is eerder die meelevende heer die me vanaf de dag dat ik zijn kust kwam ontving en beschermde. En hij hield ooit van Tristan, maar ik kwam en zie wat heb ik gedaan! Hij had in het paleis van de koning moeten leven en een avontuur gevonden hebben; maar door mij is hij zijn ridderschap vergeten en is opgejaagd en verbannen van het hof en leidt een willekeurig leven…”

Op dat moment hoorde ze de voeten van Tristan over de dode bladeren en takken komen. Ze kwam hem zoals gewoonlijk tegemoet om hem van zijn wapens te bevrijden en ze nam de boog “Failnaught” van hem af en zijn pijlen en ze maakte zijn zwaardriem los. “Vriend”, zei ze, “het is het zwaard van de koning. Het had moeten slaan, maar het spaarde ons”.

Isolde nam het zwaard en kuste het gouden gevest en Tristan zag haar huilen.

“Vriendin”, zei hij, “als ik vrede kon sluiten met de koning; en als hij me wilde toestaan om jou in mijn armen te houden en dat ik niet met daad of woord van jou gehouden heb met onrechtmatige liefde en zou een ridder uit de moerassen van Ely me tegenspreken die zal me gewapend in de ring vinden. Als de koning je dan zou houden en mij zou verdrijven dan zal ik alleen met Gorvenal naar de Lage Landen en Bretagne gaan. Maar waar ik ook zou gaan en altijd, koningin, ik zal de jouwe zijn; nog zou ik zo hebben gesproken, Isolde, maar vanwege de ellende die je zo lang hebt verduurd om mijnentwil in dit woestijn land.

“Tristan,” zei ze, ‘ daar is de heremiet Ogrin. Laten we naar hem terugkeren en genade smeken bij de Koningin van de hemel”.

Ze hebben  Gorveal wakker gemaakt: Isolde nam het ros en Tristan leidde het bij de breidel en de hele nacht gingen ze voor de laatste keer door de bossen van hun liefde en ze spraken geen woord. Tegen de ochtend kwamen ze bij de hermitage waar Ogrin op de drempel las en hen zag en ze teder noemde: “Vrienden,” riep hij, zie hoe de liefde je tot steeds verdere ellende drijft. Wil u eindelijk boete doen voor uw gekte?”

“Heer Ogrin”, zei Tristan, “luister naar ons. Help ons om vrede te bieden bij de koning en ik zal hem de koningin bezorgen en zal zelf ver weg gaan naar Bretagne of de Lage landen en als de koning me op een zekere dag zal lijden zal ik terug keren en dienen zoals ik zou moeten doen”.

Een aan de voeten van de kluizenaar zei Isolde op haar beurt: “Ik zal ook niet langer leven, want hoewel ik geen woord van boetedoening zal zeggen voor mijn liefde, die er is en voor altijd blijft, zal ik van nu af gescheiden van hem zijn.”

Toen huilde de kluizenaar en loofde God en riep: “Hoge koning, ik prijs uw naam dat gij mij zo lang hebt laten leven om dezen te helpen!”

En hij gaf hen wijze raad en nam inkt en schreef een kort woord aan de koning, wat Tristan zei.

Die nacht nam Tristan de weg. Nogmaals zag hij de marmeren put en de hoge pijnboom en hij kwam onder het raam waar de koning sliep en noemde hem zachtjes en Mark werd wakker en fluisterde: “Wie bent u die mij op zo’ n uur in de nacht roept?”

“Heer, ik ben Tristan; ik breng u een geschrift en leg het hier”.

Toen riep de koning: “Neef! Neef! In Godsnaam wacht even,” maar Tristan was gevlucht en sloot zich aan bij zijn schildknaap en ging snel op weg. Gorvenal zei tegen hem: “O, Tristan je bent gek dat je ging. Vlieg snel met me naar de dichtbij zijnde weg”.

Dus kwamen ze terug naar de hermitage en daar vonden ze Ogrin in gebed, maar Isolde huilde stilletjes.





Mark had awakened his chaplain and had given him the writ to read; the chaplain broke the seal, saluted in Tristan’s name, and then, when he had cunningly made out the written words, told him what Tristan offered; and Mark heard without saying a word, but his heart was glad, for he still loved the Queen.

He summoned by name the choicest of his baronage, and when they were all assembled they were silent and the King spoke: “My lords, here is a writ, just sent me. I am your King, and you my lieges. Hear what is offered me, and then counsel me, for you owe me counsel.”

The chaplain rose, unfolded the writ, and said, upstanding “My lords, it is Tristan that first sends love and homage to the King and all his Barony, and he adds, ‘O King, when I slew the dragon and conquered the King of Ireland’s daughter it was to me they gave her. I was to ward her at will and I yielded her to you. Yet hardly had you wed her when felons made you accept their lies, and in your anger, fair uncle, my lord, you would have had us burnt without trial. But God took compassion on us; we prayed him and he saved the Queen, as justice was: and me also—though I leapt from a high rock, I was saved by the power of God. And since then what have I done blameworthy? The Queen was thrown to the lepers; I came to her succour and bore her away. Could I have done less for a woman, who all but died innocent through me? I fled through the woods. Nor could I have come down into the vale and yielded her, for there was a ban to take us dead or alive. But now, as then, I am ready, my lord, to sustain in arms against all comers that never had the Queen for me, nor I for her a love dishonourable to you. Publish the lists, and if I cannot prove my right in arms, burn me before your men. But if I conquer and you take back Iseult, no baron of yours will serve you as will I; and if you will not have me, I will offer myself to the King of Galloway, or to him of the Lowlands, and you will hear of me never again. Take counsel, King, for if you will make no terms I will take back Iseult to Ireland, and she shall be Queen in her own land.’”

When the barons of Cornwall heard how Tristan offered battle, they said to the King: “Sire, take back the Queen. They were madmen that belied her to you. But as for Tristan, let him go and war it in Galloway, or in the Lowlands. Bid him bring back Iseult on such a day and that soon.

Then the King called thrice clearly: “Will any man rise in accusation against Tristan?”

And as none replied, he said to his chaplain:

“Write me a writ in haste. You have heard what you shall write. Iseult has suffered enough in her youth. And let the writ be hung upon the arm of the red cross before evening. Write speedily.”

Towards midnight Tristan crossed the Heath of Sand, and found the writ, and bore it sealed to Ogrin; and the hermit read the letter; “How Mark consented by the counsel of his barons to take back Iseult, but not to keep Tristan for his liege. Rather let him cross the sea, when, on the third day hence, at the Ford of Chances, he had given back the Queen into King Mark’s hands.” Then Tristan said to the Queen: “O, my God! I must lose you, friend! But it must be, since I can thus spare you what you suffer for my sake. But when we part for ever I will give you a pledge of mine to keep, and from whatever unknown land I reach I will send some messenger, and he will bring back word of you, and at your call I will come from far away.”

Iseult said, sighing: “Tristan, leave me your dog, Toothold, and every time I see him I will remember you, and will be less sad. And, friend, I have here a ring of green jasper. Take it for the love of me, and put it on your finger; then if anyone come saying he is from you, I will not trust him at all till he show me this ring, but once I have seen it, there is no power or royal ban that can prevent me from doing what you bid—wisdom or folly.”

“Friend,” he said, “here give I you Toothold.”

“Friend,” she replied, “take you this ring in reward.”

And they kissed each other on the lips.

Now Ogrin, having left the lovers in the Hermitage, hobbled upon his crutch to the place called The Mount, and he bought ermine there and fur and cloth of silk and purple and scarlet, and a palfrey harnessed in gold that went softly, and the folk laughed to see him spending upon these the small moneys he had amassed so long; but the old man put the rich stuffs upon the palfrey and came back to Iseult.



Mark had zijn kapelaan wakker gemaakt en hem het bevel gegeven om het te lezen; de aalmoezenier verbrak de zegel, begroette in de naam van Tristan en toen hij de listig geschreven woorden had verstaan vertelde hij Tristan’ s aanbod; en Mark hoorde het aan zonder een woord te zeggen, maar zijn hart was blij want hij hield nog steeds van de koningin.

Hij riep de beste van zijn baronnen bij naam bijeen en toen ze allen bijeen waren zwegen ze en de koning sprak: “Mijne heren, hier is een geschrift die me net is gestuurd. Ik ben je koning en jullie mijn leenheren. Hoor wat me aangeboden is en raad me dan aan, want jullie zijn me raad verschuldigd.” De kapelaan kwam omhoog en opende het geschrift en zei opstaande; “Mijne heren, het is Tristan die eerst liefde en eerbetoon aan de koning en al zijn baronnen zendt en hij voegt er aan toe: “O koning, toen ik de draak doodde en de koning overwon van de dochter van Ierland was het dat ze haar aan mij gaven. Ik moest beloven haar te bewaken en ik gaf haar aan jou. Toch was je nauwelijks getrouwd toen je de leugens geloofde van misdadigers en in je kwaadheid, lieve oom, zou je ons zonder proces hebben verbrand. Maar nu, mijn heer, ben ik zoals toen ik gereed om tegen iedereen op te komen die de koningin voor mij nooit hadden nog voor haar liefde die u oneervol is. Publiceer de lijsten en als ik mijn recht niet in strijd kan bewijzen verbrand me dan voor je mannen. Maar als ik overwin en u Isolde terugneemt zal geen baron u dienen zoals ik; en als u mij niet wil hebben zal ik mezelf aanbieden aan de koning van Galloway of aan die van de Lowlands en u zal nooit meer van mij horen. Neem raad, koning, want als u geen voorwaarden oplegt neem ik Isolde mee naar Ierland en zij zal in haar eigen land koningin zijn.”

Toen de baronnen van Cornwall hoorden hoe Tristan de strijd aanbood zeiden ze tegen de koning. “Sire, neem de koningin terug. Het waren gekken die tegen je logen. Maar wat Tristan betreft, laat hem gaan oorlogen in Galloway of in de Lowlands. Bid dat hij Isolde op een dag terug brengt en dat gauw.

Toen riep de koning driemaal duidelijk: “Zal een man opstaan en Tristan beschuldigen?”

Toen niemand antwoordde zei hij tegen zijn kapelaan. “Schrijf alsjeblieft in haast. Je hebt gehoord wat je moet schrijven. Isolde heeft in haar jeugd genoeg geleden. En hang het geschrift op het arm van het rode kruis voor de avond. Schrijf snel.”

Tegen middernacht stak Tristan de heide van Sand over en vond het geschrift en bracht het verzegeld naar Ogrin; en de kluizenaar las de brief: “Hoe Mark instemde met de raad van zijn baronnen om Isolde terug te nemen, maar Tristan niet als zijn leenheer te nemen. Laat hem liever de zee oversteken als hij nu na de derde dag bij de voorde van Chances de koningin  terug geeft in koning Mark handen.” Toen zei Tristan tot de koningin: “O, mijn God! Vriendin, ik moet je verliezen. Maar het moet zo zijn want ik kan je zo sparen want je lijdt vanwege mij. Maar wanneer we voor altijd scheiden zal ik u een belofte van mij geven om te houden en van welk onbekend land ik ben ik zal een boodschapper sturen en hij zal het woord van u terug brengen en op uw verzoek zal ik van ver tot u komen.”

Isolde zei zuchtend: “Tristan, laat me je hond Toothold en elke keer dat ik hem zie zal ik je herinneren en zal minder bedroefd zijn. En vriend, ik heb hier een ring van groene jaspis. Neem die voor mijn liefde en doe het aan je vinger; dan als iemand  komt zeggen dat hij van jou komt zal ik hem helemaal niet vertrouwen totdat hij me deze ring laat zien en als ik het eenmaal gezien heb dan is er geen macht of koninklijke ban die voorkomen kan wat je bidt, wijsheid of dwaasheid.”

“Vriendin’, zei hij, ik geef je hier Toothold.’

“Vriend,” antwoordde ze, neem mijn ring als beloning.”

En ze kusten elkaar op de lippen.

Nu, nadat Ogrin de geliefden in de hermitage had achtergelaten strompelde hij met zijn krukken naar de plaats die Mount genoemd wordt en hij kocht daar hermelijn en bont en stof van zijde, purper en scharlaken en een rijpaard geharnast in goud dat zacht ging en de mensen lachten om te zien hoe hij die kleine som die hij zo lang had gespaard hiervan betaalde; maar de oude man legde de rijke spullen op het rijpaard en kwam terug naar Isolde.



And “Queen,” said he, “take these gifts of mine that you may seem the finer on the day when you come to the Ford.”

Meanwhile the King had had cried through Cornwall the news that on the third day he would make his peace with the Queen at the Ford, and knights and ladies came in a crowd to the gathering, for all loved the Queen and would see her, save the three felons that yet survived.

On the day chosen for the meeting, the field shone far with the rich tents of the barons, and suddenly Tristan and Iseult came out at the forest’s edge, and caught sight of King Mark far off among his Barony: “Friend,” said Tristan, “there is the King, your lord—his knights and his men; they are coming towards us, and very soon we may not speak to each other again. By the God of Power I conjure you, if ever I send you a word, do you my bidding.”

“Friend,” said Iseult, “on the day that I see the ring, nor tower, nor wall, nor stronghold will let me from doing the will of my friend.”

“Why then,” he said, “Iseult, may God reward you.”

Their horses went abreast and he drew her towards him with his arm.

“Friend,” said Iseult, “hear my last prayer: you will leave this land, but wait some days; hide till you know how the King may treat me, whether in wrath or kindness, for I am afraid. Friend, Orri the woodman will entertain you hidden. Go you by night to the abandoned cellar that you know and I will send Perinis there to say if anyone misuse me.”

“Friend, none would dare. I will stay hidden with Orri, and if any misuse you let him fear me as the Enemy himself.”

Now the two troops were near and they saluted, and the King rode a bow-shot before his men and with him Dinas of Lidan; and when the barons had come up, Tristan, holding Iseult’s palfrey by the bridle, bowed to the King and said: “O King, I yield you here Iseult the Fair, and I summon you, before the men of your land, that I may defend myself in your court, for I have had no judgment. Let me have trial at arms, and if I am conquered, burn me, but if I conquer, keep me by you, or, if you will not, I will be off to some far country.”

But no one took up Tristan’s wager, and the King, taking Iseult’s palfrey by the bridle, gave it to Dinas, and went apart to take counsel.

Dinas, in his joy, gave all honour and courtesy to the Queen, but when the felons saw her so fair and honoured as of old, they were stirred and rode to the King, and said: “King, hear our counsel. That the Queen was slandered we admit, but if she and Tristan re-enter your court together, rumour will revive again. Rather let Tristan go apart awhile. Doubtless some day you may recall him.”

And so Mark did, and ordered Tristan by his barons to go off without delay.

Then Tristan came near the Queen for his farewell, and as they looked at one another the Queen in shame of that assembly blushed, but the King pitied her, and spoke his nephew thus for the first time: “You cannot leave in these rags; take then from my treasury gold and silver and white fur and grey, as much as you will.”

“King,” said Tristan, “neither a penny nor a link of mail. I will go as I can, and serve with high heart the mighty King in the Lowlands.”

And he turned rein and went down towards the sea, but Iseult followed him with her eyes, and so long as he could yet be seen a long way off she did not turn.

Now at the news of the peace, men, women, and children, great and small, ran out of the town in a crowd to meet Iseult, and while they mourned Tristan’s exile they rejoiced at the Queen’s return.

And to the noise of bells, and over pavings strewn with branches, the King and his counts and princes made her escort, and the gates of the palace were thrown open that rich and poor might enter and eat and drink at will.

And Mark freed a hundred of his slaves, and armed a score of squires that day with hauberk and with sword.

But Tristan that night hid with Orri, as the Queen had counselled him.

“Koningin”, zei hij, “neem deze geschenken van mij mee, dan lijk je misschien mooier op de dag dat je naar de voorde gaat.”

Ondertussen had de koning door Cornwall het nieuws laten uitroepen dat hij op de derde dag vrede zou nemen met de koningin bij de voorde en de ridders en dames kwamen in menigte naar de samenkomst, want iedereen hield van de koningin en wilden haar zien, behalve de drie misdadigers die nog leefden.

Op de dag die voor de samenkomt was gekozen straalde het veld ver weg van de rijke tenten van de baronnen en plotseling kwam Tristan en Isolde uit de rand van het bos en zagen koning Mark ver weg tussen zijn baronnen; “Vriendin; “zei Tristan, “daar is de koning, uw heer, zijn ridders en zijn mannen; ze komen naar ons toe en binnenkort kunnen we niet meer met elkaar spreken. Bij de machtige God ik betover je en als ik je ooit een woord stuur die mijn bidden.”

“Vriend,” zei Isolde, “op de dag dat ik je ring zie houdt geen toren, nog muur, nog vesting zal me tegenhouden om de wil van mijn vriend te doen.”

“Waarom dan,” zei hij, Isolde mag God je belonen.”

Hun paarden gingen op gelijke hoogte en hij trok haar met zijn arm naar zich toe.

“Vriend”, zei Isolde “hoor mijn laatste gebed; u zal dit land verlaten, maar wacht een paar dagen, verberg je totdat je weet hoe de koning me behandelt of dat nu in toorn of vriendelijkheid is want ik ben bang. Vriend, Orri de houthakker, zal je zeker verbergen. Ga ’s nachts naar de verlaten kelder die je kent en ik zal Perinis daarheen sturen om te zeggen of iemand me misbruikt.

“Vriendin, niemand zou het durven. Ik zal bij Orri verborgen blijven en als je misbruikt wordt laat hem mij vrezen als de vijand zelf.”

Nu waren de twee troepen nabij en de koning reed een boogschot voor zijn mannen en met hem Dina van Lidan; en toen de baronnen waren gekomen boog Tristan voor de koning en hield Isolde’ s rijpaard bij de breidel en zei: “O koning, ik breng u hier Isolde de mooie en ik vermaan u voor de mannen van uw land dat ik me kan verdedigen in uw rechtszaal want ik heb geen recht gehad. Laat me het recht van strijd hebben en als ik overwonnen ben verbrand me dan, maar als ik overwin hou me bij je en als je dat niet wil zal ik naar een of ander ver land vertrekken.

Maar niemand nam de weddenschap van Tristan aan en de koning nam Isolde’s rijpaard bij de breidel en gaf het aan Dinas en ging apart om raad te vragen.

Dinas gaf in zijn vreugde alle eer en hoffelijkheid aan de koningin, maar toen de misdadigers haar zo eerlijk en geĎerd zagen als vanouds werden ze bewogen en reden nar de koning en zeiden: “Koning, luister naar onze raad. Dat de koningin werd belasterd geven we toe, maar als zij en Tristan samen in je hof komen zal het gerucht weer opleven. Laat Tristan liever een tijdje weg gaan. Zonder twijfel zal je hem ooit herinneren.

En dat deed Mark ook en bevat Tristan om onverwijld van zijn baronnen te gaan.

Toen kwam Tristan bij de koningin voor zijn afscheid en terwijl ze naar elkaar keken bloosde de koningin van schaamte die van vergadering, maar de koning had medelijden met haar en sprak zijn neef aldus voor de eerste keer aan: ‘Je kan niet in deze vodden achterblijven; neem uit mijn schatkist goud en zilver, wit en grijs bont zoveel als je wil”.

“Koning, “zei Tristan, geen cent, geen bericht of post. Ik ga als ik kan en ga met grote moed de machtige koning in de Lage Landen dienen.”

En hij draaide zich om en liep naar de zee, maar Isolde volgde hem met haar ogen en zolang hij nog in de verte te zien was draaide ze zich niet om.

Nu liepen de mannen, vrouwen en grote en kleine kinderen bij het nieuws van de vrede de stad uit in een menigte om Isolde te ontmoeten en terwijl ze treurden vanwege Tristan’ s ballingschap verheugden ze zich over de terugkeer van de koningin.

En met het geluid van klokken en over paden bestrooid met twijgen maakte de koning en zijn graven en prinsen haar een escorte en de poorten van het paleis werden open gedaan zodat rijken en armen naar binnen mochten komen en eten en drinken.

En Mark bevrijdde honderd van zijn slaven en bewapende die dag een aantal schildknapen met maliĎnkolder en zwaard.

Maar Tristan verborg zich die avond bij Orri, zoals de koningin hem had aangeraden.





Denoalen, Andret, and Gondoin held themselves safe; Tristan was far over sea, far away in service of a distant king, and they beyond his power. Therefore, during a hunt one day, as the King rode apart in a glade where the pack would pass, and hearkening to the hounds, they all three rode towards him, and said: “O King, we have somewhat to say. Once you condemned the Queen without judgment, and that was wrong; now you acquit her without judgment, and that is wrong. She is not quit by trial, and the barons of your land blame you both. Counsel her, then, to claim the ordeal in God’s judgment, for since she is innocent, she may swear on the relics of the saints and hot iron will not hurt her. For so custom runs, and in this easy way are doubts dissolved.”

But Mark answered: “God strike you, my Cornish lords, how you hunt my shame! For you have I exiled my nephew, and now what would you now? Would you have me drive the Queen to Ireland too? What novel plaints have you to plead? Did not Tristan offer you battle in this matter? He offered battle to clear the Queen forever: he offered and you heard him all. Where then were your lances and your shields?”

“Sire,” they said, “we have counselled you loyal counsel as lieges and to your honour; henceforward we hold our peace. Put aside your anger and give us your safe-guard.”

But Mark stood up in the stirrup and cried: “Out of my land, and out of my peace, all of you! Tristan I exiled for you, and now go you in turn, out of my land!”

But they answered: “Sire, it is well. Our keeps are strong and fenced, and stand on rocks not easy for men to climb.”

And they rode off without a salutation.

But the King (not tarrying for huntsman or for hound but straight away) spurred his horse to Tintagel; and as he sprang up the stairs the Queen heard the jangle of his spurs upon the stones.

She rose to meet him and took his sword as she was wont, and bowed before him, as it was also her wont to do; but Mark raised her, holding her hands; and when Iseult looked up she saw his noble face in just that wrath she had seen before the faggot fire.

She thought that Tristan was found, and her heart grew cold, and without a word she fell at the King’s feet.

He took her in his arms and kissed her gently till she could speak again, and then he said: “Friend, friend, what evil tries you?”

“Sire, I am afraid, for I have seen your anger.

“Yes, I was angered at the hunt.”

“My lord, should one take so deeply the mischances of a game?”

Mark smiled and said: “No, friend; no chance of hunting vexed me, but those three felons whom you know; and I have driven them forth from my land.”

“Sire, what did they say, or dare to say of me?”

“What matter? I have driven them forth.”

“Sire, all living have this right: to say the word they have conceived. And I would ask a question, but from whom shall I learn save from you? I am alone in a foreign land, and have no one else to defend me.”

“They would have it that you should quit yourself by solemn oath and by the ordeal of iron, saying ‘that God was a true judge, and that as the Queen was innocent, she herself should seek such judgment as would clear her for ever.’ This was their clamour and their demand incessantly. But let us leave it. I tell you, I have driven them forth.”

Iseult trembled, but looking straight at the King, she said:

“Sire, call them back; I will clear myself by oath. But I bargain this: that on the appointed day you call King Arthur and Lord Gawain, Girflet, Kay the Seneschal, and a hundred of his knights to ride to the Sandy Heath where your land marches with his, and a river flows between; for I will not swear before your barons alone, lest they should demand some new thing, and lest there should be no end to my trials. But if my warrantors, King Arthur and his knights, be there, the barons will not dare dispute the judgment.”

But as the heralds rode to Carduel, Iseult sent to Tristan secretly her squire Perinis: and he ran through the underwood, avoiding paths, till he found the hut of Orri, the woodman, where Tristan for many days had awaited news. Perinis told him all: the ordeal, the place, and the time, and added: “My lord, the Queen would have you on that day and place come dressed as a pilgrim, so that none may know you—unarmed, so that none may challenge —to the Sandy Heath. She must cross the river to the place appointed. Beyond it, where Arthur and his hundred knights will stand, be you also; for my lady fears the judgment, but she trusts in God.”

Then Tristan answered: “Go back, friend Perinis, return you to the Queen, and say that I will do her bidding.”

And you must know that as Perinis went back to Tintagel he caught sight of that same woodman who had betrayed the lovers before, and the woodman, as he found him, had just dug a pitfall for wolves and for wild boars, and covered it with leafy branches to hide it, and as Perinis came near the woodman fled, but Perinis drove him, and caught him, and broke his staff and his head together, and pushed his body into the pitfall with his feet.

On the appointed day King Mark and Iseult, and the barons of Cornwall, stood by the river; and the knights of Arthur and all their host were arrayed beyond.



Denoalen, Andret en Gondoin hielden zichzelf veilig; Tristan was ver over zee en ver weg in dienst van een verre koning en zij waren buiten zijn macht. Daarom reden ze tijdens een jacht op een dag terwijl de koning apart op een open plek reed waar het peloton zou passeren en naar de jachthonden luisterde en alle drie reden naar hem toe en zeiden: “O koning, we hebben wat te zeggen. Eens veroordeelde je de koningin onder berechting en dat was verkeerd; nu bevrijd je haar zonder berechting en dat is verkeerd. Ze is niet vrij vanwege een proces en de baronnen van uw land geven u beiden de schuld. Raad haar aan dan om de beproeving in Gods oordeel te claimen want als ze onschuldig kan ze zweren op de relikwieĎn van de heiligen zal heet ijzer haar geen pijn doen. Voor zulke gewone gebruiken en op een gemakkelijke manier zijn de twijfels opgelost.”

Maar Mark antwoordde: “God slaat u mijn mannen van Cornwall, hoe jaagt u op mijn schande! Want jullie hebben mijn neef verbannen en wat wil je nu doen? Wil je dat ik ook met de koningin naar Ierland ga? Over welke nieuwe klachten moeten jullie smeken? Heeft Tristan jullie in deze kwestie geen strijd aangeboden? Hij bood de strijd aan om de koningin voor altijd te verschonen; hij bood aan en jullie hoorden het allemaal. Waar waren toen je lansen en schilden?”

“Sire,” zeiden ze, “ we hebben u loyale raad gegeven als leenheren en tot uw eer; vanaf nu houden we onze vrede. Zet je woede opzij en geef ons je bewaker.”

Maar Mark stond in de stijgbeugels en riep: “Uit mijn land en uit mijn vrede, jullie allemaal! Tristan heb ik verbannen en nu gaan jullie op jullie beurt uit mijn land!”

Maar ze antwoordden: “Sire, het is goed. Onze voorraden zijn sterk en omheind en staan op stenen die voor manen niet gemakkelijk te beklimmen zijn.”

En ze reden weg zonder een afscheid.

Maar de koning spoorde zijn paar aan naar Tintagel, niet op jacht naar jager of hond, maar meteen en terwijl hij de trap opsprong hoorde de koningin het geraas van zijn sporen op de stenen.

Zij stond op om hem te ontmoeten en nam zijn zwaard zoals ze gewoon was en boog voor hem zoals het ook haar gewoonte was om te doen; maar Mark hief haar op en hield haar handen vast; en toen Isolde opkeek zag ze in zijn nobele gezicht precies dezelfde woede die ze voor het vuur van de brandstapel had gezien.

Ze dacht dat Tristan gevonden was en haar hart werd koud en zonder een woord viel ze aan de voeten van de koning.

Hij nam haar in zijn armen en kuste haar zacht tot ze weer kon spreken en toen zei hij: “Vriendin, vriendin, wat kwaad drijft je?”

“Sire, ik ben bang want ik heb uw kwaadheid gezien”.

“Ja, ik ben kwaad geworden tijdens de jacht.”

“Mijn heer, zou men de mishandeling van en spel zo serieus moeten nemen?”

Mark glimlachte en zei: Nee vriendin; geen kans om te jagen verstoort me, maar die drie misdadigers die je kent; en ik heb hen uit mijn land verdreven.”

“Sire, wat zeiden ze of durfden ze over mij te zeggen?”

“Wat maakt het uit? Ik heb ze verdreven.”

“Sire, alle levenden hebben dit recht: om het woord te zeggen dat ze hebben bedacht. En ik zou een vraag stellen, maar van wie zal ik het leren, uitgezonderd van u? Ik ben alleen in een vreemd land en heb niemand anders om me te verdedigen.”

“Ze zouden willen dat je jezelf vrij schold met een plechtige eed en met de beproeving van ijzer en zeiden dat God een echte rechter is en als de koningin onschuldig is zal zij zelf een oordeel zou moeten vragen dat haar voor altijd zou zuiveren. Dat was hun geschreeuw en hun eis onophoudelijk. Maar laten we het vergeten. Ik zeg je, ik heb ze verdreven.”

Isolde trilde, maar toen ze recht naar de koning keek zei ze: “Sire, roep ze terug. Ik zal mezelf zuiveren bij eed. Maar ik eis dit: dat u op de afgesproken dag koning Arthur en heer Gawain, Girflet, Kay de gouverneur en honderd van zijn ridders naar Sandy Heath rijdt waar uw land het zijne raakt en een rivier tussen beide stroomt want ik zal het niet alleen voor uw baronnen zweren zodat zij niets nieuws eisen en er geen einde aan mijn beproevingen komt. Maar als mijn waarborg, koning Arthur en zijn ridders, daar zijn durven de baronnen het oordeel niet te betwisten.”

Maar toen de herauten nar Carduel reden stuurde Isolde haar schildknaap Perinis in het geheim naar Tristan en hij rende door het kreupelhout en vermeed de paden totdat hij de hut van Orri de hout hakker vond waar Tristan vele dagen op nieuws gewacht had.

Perinis vertelde hem alles; de beproeving, de plaats en de tijd en voegde eraan toe: “Mijn heer, de koningin wil dat u op die dag als een pelgrim gekleed gaat zodat niemand u mag herkennen en ongewapend naar de zand heide zodat niemand u mag uitdagen.

En Tristan antwoordde: “Ga terug vriend Perinis, ga terug naar de koningin en zeg dat ik haar bidden zal doen.”

En je moet weten dat toen Perinis terugging naar Tintagel dat hij diezelfde houthakker zag die de geliefden eerder had verraden en toen de houthakker hem vond had hij net een kuil gegraven voor wolven en wilde zwijnen en bedekt met bebladerde takken om het te verbergen en toen Perinis dichterbij kwam vluchtte de houthakker, maar Perinis reed naar hem toe en ving hem op en brak zijn staf en hoofd tezamen en duwde zijn lichaam met de voeten in de val.

Op de afgesproken dag stond koning Mark met Isolde en de baronnen van Cornwall aan de rivier; de ridders van Arthur en al hun gasten waren er achter gerangschikt.



And just before them, sitting on the shore, was a poor pilgrim, wrapped in cloak and hood, who held his wooden platter and begged alms.

Now as the Cornish boats came to the shoal of the further bank, Iseult said to the knights:

“My lords, how shall I land without befouling my clothes in the river-mud? Fetch me a ferryman.”

And one of the knights hailed the pilgrim, and said:

“Friend, truss your coat, and try the water; carry you the Queen to shore, unless you fear the burden.”

But as he took the Queen in his arms she whispered to him:  “Friend.”

And then she whispered to him, lower still “Stumble you upon the sand.”

And as he touched shore, he stumbled, holding the Queen in his arms; and the squires and boatmen with their oars and boat-hooks drove the poor pilgrim away.

But the Queen said: “Let him be; some great travail and journey has weakened him.”

And she threw to the pilgrim a little clasp of gold.

Before the tent of King Arthur was spread a rich Nicean cloth upon the grass, and the holy relics were set on it, taken out of their covers and their shrines.

And round the holy relics on the sward stood a guard more than a king’s guard, for Lord Gawain, Girflet, and Kay the Seneschal kept ward over them.

The Queen having prayed God, took off the jewels from her neck and hands, and gave them to the beggars around; she took off her purple mantle, and her overdress, and her shoes with their precious stones, and gave them also to the poor that loved her.

She kept upon her only the sleeveless tunic, and then with arms and feet quite bare she came between the two kings, and all around the barons watched her in silence, and some wept, for near the holy relics was a brazier burning.

And trembling a little she stretched her right hand towards the bones and said: “Kings of Logres and of Cornwall; my lords Gawain, and Kay, and Girflet, and all of you that are my warrantors, by these holy things and all the holy things of earth, I swear that no man has held me in his arms saving King Mark, my lord, and that poor pilgrim. King Mark, will that oath stand?” “Yes, Queen,” he said, “and God see to it.

“Amen,” said Iseult, and then she went near the brazier, pale and stumbling, and all were silent. The iron was red, but she thrust her bare arms among the coals and seized it, and bearing it took nine steps.

Then, as she cast it from her, she stretched her arms out in a cross, with the palms of her hands wide open, and all men saw them fresh and clean and cold. Seeing that great sight the kings and the barons and the people stood for a moment silent, then they stirred together and they praised God loudly all around.

 En vlak voor hen zat op de oever een arme pelgrim, gehuld in mantel en capuchon die zijn houten schotel vast hield en om aalmoezen smeekte.

Toen de boten van Cornwall naar de ondiepte van de verdere oever kwamen zei Isolde tegen de ridders: “Mijne heren, hoe zal ik er in gaan zonder mijn kleren in de riviermodder te bevuilen. Breng me een veerman.”

En een van de ridders begroette de pelgrim en zei: “Vriend, bundel je jas en probeer het water en draag de koningin naar de kust, tenzij je de last vreest.”

Maar toen hij de koningin in zijn armen nam fluisterde ze tegen hem: “Vriend.”

En toen fluisterde ze nog lager tegen hem: struikel in het zand.”

En toen hij de kust bereikte struikelde hij en hield de koningin in zijn armen; en de schildknapen en schippers met hun roeiriemen leidden de arme pelgrim weg.

Maar de koningin zei: “Laat hem maar, een grote reis en arbeid hebben hem verzwakt.”

En ze wierp de pelgrim een klein gouden plaatje toe.

Voor de tent van koning Arthur was een rijke doek uit Nice op het gras gespreid en de heilige relikwieĎn werden er op gezet en uit hun dekens en heiligdommen gehaald.

En rondom de heilige relikwieĎn op de grasvlakte stond er meer dan een bewaker van de koning, want heer Gawain, Girflet en Kaye de gouverneur bewaakten het.

De koningin bad tot God, trok de juwelen van haar nek en deelde ze rondom uit aan de bedelaars; ze deed haar paarse mantel en over jurk af en haar schoenen met kostbare stenen en gaf ze ook aan de armen die van haar  hielden. Ze hield alleen haar mouwloze tuniek aan en toen met de armen en voeten bloot kwam ze tussen de twee koningen en de baronnen rondom volgende haar in stilte en sommigen weenden, want in de buurt van de heilige relikwieĎn brandde een vuurpot.

En een beetje trillend strekte ze haar rechterhand uit naar de beenderen en zei: “Koningen van Logres en van Cornwall; mijn heren Gawain en Kay, Girlet en jullie allemaal die mijn garanten zijn, door deze heilige dingen en alle heilige dingen van de aarde, ik zweer dat niemand mij in zijn armen heeft gehouden uitgezonderd Mark, mijn heer, en die arme pelgrim. Koning Mark, zal die eed staan? “Ja, koningin,” zei hij, “en God ziet het ook.”

“Amen”, zei Isolde, en toen liep ze naar de vuurpot, bleek en strompelend en iedereen zweeg. Het ijzer was rood, maar ze stak haar blote armen tussen de kolen en greep het, het dragen ervan duurde negen stappen.

Toen ze het vaan haar gooide strekte ze de armen uit in een kruis, met de palmen van haar handen wijd open, en alle mannen zagen ze fris, schoon en koud. Toen ze die grote aanblik zagen bleven de koningen en de mensen een moment stil, toen bewogen ze tezamen en loofden God luid rondom.






When Tristan had come back to Orri’s hut, and had loosened his heavy pilgrim’s cape, he saw clearly in his heart that it was time to keep his oath to King Mark and to fly the land.

Three days yet he tarried, because he could not drag himself away from that earth, but on the fourth day he thanked the woodman, and said to Gorvenal: “Master, the hour is come.”

And he went into Wales, into the land of the great Duke Gilain, who was young, powerful, and frank in spirit, and welcomed him nobly as a God-sent guest.

And he did everything to give him honour and joy; but he found that neither adventure, nor feast could soothe what Tristan suffered.

One day, as he sat by the young Duke’s side, his spirit weighed upon him, so that not knowing it he groaned, and the Duke, to soothe him, ordered into his private room a fairy thing, which pleased his eyes when he was sad and relieved his own heart; it was a dog, and the varlets brought it in to him, and they put it upon a table there. Now this dog was a fairy dog, and came from the Duke of Avalon; for a fairy had given it him as a love-gift, and no one can well describe its kind or beauty. And it bore at its neck, hung to a little chain of gold, a little bell; and that tinkled so gaily, and so clear and so soft, that as Tristan heard it, he was soothed, and his anguish melted away, and he forgot all that he had suffered for the Queen; for such was the virtue of the bell and such its property: that whosoever heard it, he lost all pain. And as Tristan stroked the little fairy thing, the dog that took away his sorrow, he saw how delicate it was and fine, and how it had soft hair like samite, and he thought how good a gift it would make for the Queen. But he dared not ask for it right out since he knew that the Duke loved this dog beyond everything in the world, and would yield it to no prayers, nor to wealth, nor to wile; so one day Tristan having made a plan in his mind said this: “Lord, what would you give to the man who could rid your land of the hairy giant Urgan, that levies such a toll?”

“Truly, the victor might choose what he would, but none will dare.”

Then said Tristan: “Those are strange words, for good comes to no land save by risk and daring, and not for all the gold of Milan would I renounce my desire to find him in his wood and bring him down.”

Then Tristan went out to find Urgan in his lair, and they fought hard and long, till courage conquered strength, and Tristan, having cut off the giant’s hand, bore it back to the Duke.

And “Sire,” said he, “since I may choose a reward according to your word, give me the little fairy dog. It was for that I conquered Urgan, and your promise stands.”

“Friend,” said the Duke, “take it, then, but in taking it you take away also all my joy.”

Then Tristan took the little fairy dog and gave it in ward to a Welsh harper, who was cunning and who bore it to Cornwall till he came to Tintagel, and having come there put it secretly into Brangien’s hands, and the Queen was so pleased that she gave ten marks of gold to the harper, but she put it about that the Queen of Ireland, her mother, had sent the beast. And she had a goldsmith work a little kennel for him, all jewelled, and incrusted with gold and enamel inlaid; and wherever she went she carried the dog with her in memory of her friend, and as she watched it sadness and anguish and regrets melted out of her heart.

At first she did not guess the marvel, but thought her consolation was because the gift was Tristan’s, till one day she found that it was fairy, and that it was the little bell that charmed her soul; then she thought: “What have I to do with comfort since he is sorrowing? He could have kept it too and have forgotten his sorrow; but with high courtesy he sent it to me to give me his joy and to take up his pain again. Friend, while you suffer, so long will I suffer also.”

And she took the magic bell and shook it just a little, and then by the open window she threw it into the sea.




Toen Tristan naar de hut van Orri terug was gekomen en de zware pelgrims kap had losgemaakt zag hij duidelijk in zijn hart dat het tijd was om zijn eed aan koning Mark te houden en het land te verlaten.

Drie dagen vertoefde hij nog omdat hij zich niet van die aarde kon wegslepen, maar op de vierde dag bedankte hij de houthakker en zei tegen Gorvenal: “Meester, het uur is gekomen.”

En hij ging naar Wales, naar het land van de groothertog Gilain, die jong, krachtig en oprecht van geest was die hem edel verwelkomde als een door God gezonden gast.

En hij deed alles om hem eer en vreugde te geven; maar hij ontdekte dat nog avontuur, nog feest het leed van Tristan zou kunnen verminderen.

Op een dag, toen hij aan de zijde van de jonge hertog zat, woog zijn geest op hem zodat hij zijn kreunen niet kende en de hertog, om hem te kalmeren, bestelde uit zijn privé kamer een sprookjesachtig ding dat zijn ogen behaagde toen hij bedroefd was en zijn hart ermee opluchtte; het was een hond, en de sterken brachten het naar hem en ze legden het daar op een tafel. Nu was deze hond een sprookjeshond en kwam van de hertog van Avalon; want een fee had het hem gegeven als liefdesgeschenk en niemand kan zijn soort of schoonheid beschrijven. En het droeg in zijn nek, opgehangen aan een gouden kettinkje, een klein belletje en dat tingelde zo vrolijk en zo helder en zo zacht dat toen Tristan dat hoorde hij gesust was en zijn angst wegsmolt en hij vergat alles wat hij voor de koningin geleden had; want dat was de deugd van de bel en zijn kracht; dat wie het hoorde dat hij alle pijn verloor. En terwijl Tristan het kleine feeĎn stuk streelde, de hond die zijn verdriet weg nam, zag hij hoe delicaat het was en fijn en hoe zacht haar het had als satijn en hij dacht hoe goed geschenk het voor de koningin zou zijn. Maar hij durfde er niet om te vragen omdat hij wist dat de hertog deze hond liefhad boven alles in de wereld en zou het niet geven om welk bidden dan ook, nog voor weelde, nog geen list; dus op een dag zei Tristan met een plan in zijn gedachten dit: “Heer, wat zou u geven aan een man die uw land zou kunnen bevrijden van de harige reus Urgan die zo’ n tol eist?”

“Echt, de overwinnaar kan kiezen wat hij wil, maar niemand zal het durven.”

Toen zei Tristan: “Dat zijn vreemde woorden, want het goede komt niet naar het land behalve door risico en durf en voor alle goud van Milaan zal ik niet van afzien van mijn verlangen om hem in zijn bos te vinden en hem naar beneden te halen.”

Toen ging Tristan op weg om Urgan in zijn hol te vinden en ze vochten hard en lang totdat moed de kracht overwon en Tristan die de hand van de reus had afgesneden bracht het terug naar de hertog.

“Sire” zei hij, “aangezien ik een beloning mag kiezen, volgens uw woord, geef mij de kleine sprookjeshond. Het was daarvoor dat ik Urgan overwon en je belofte staat.”

“Vriend,” zei de hertog, “neem het maar, maar door het te nemen haal je ook al mijn vreugde weg.”

Toen nam Tristan de sprookjeshond en gaf het aan een sluwe harpist uit Wales en het naar Cornwall bracht totdat hij te Tintagel kwam en het daar in het geheim in Brangien’s handen deed en de koningin was zo verheugd dat ze tien gouden marken aan de harpist gaf, maar ze dacht dat haar moeder, de koningin van Ierland, het beest had gezonden. En ze liet een goudsmid een klein hokje voor hem maken en waar ze ook ging ze droeg de hond met haar mee ter nagedachtenis aan haar vriend en terwijl ze toekeek verdween droefheid, angst en spijt uit haar hart.

In het begin raadde ze het wonder niet en dacht dat het haar troost was omdat het de gift van Tristan was totdat ze op een dag ontdekte dat het een fee was en dat het de kleine klok was die haar ziel betoverde; toen dacht ze: “Wat moet ik doen met troost omdat hij treurt? Hij had het ook kunnen bewaren en zijn verdriet ermee vergeten; maar met grote hoffelijkheid stuurde hij het naar mij om mij zijn vreugde te geven en zijn pijn weer op te nemen. Vriend, zo lang je lijdt zal ik ook lijden.”

En ze nam de magische bel en schudde het een beetje en toen gooide ze bij het open raam in de zee.





Apart the lovers could neither live nor die, for it was life and death together; and Tristan fled his sorrow through seas and islands and many lands.

He fled his sorrow still by seas and islands, till at last he came back to his land of Lyonesse, and there Rohalt, the keeper of faith, welcomed him with happy tears and called him son. But he could not live in the peace of his own land, and he turned again and rode through kingdoms and through baronies, seeking adventure. From the Lyonesse to the Lowlands, from the Lowlands on to the Germanies; through the Germanies and into Spain. And many lords he served, and many deeds did, but for two years no news came to him out of Cornwall, nor friend, nor messenger. Then he thought that Iseult had forgotten.

Now it happened one day that, riding with Gorvenal alone, he came into the land of Brittany. They rode through a wasted plain of ruined walls and empty hamlets and burnt fields everywhere, and the earth deserted of men; and Tristan thought: “I am weary, and my deeds profit me nothing; my lady is far off and I shall never see her again. Or why for two years has she made no sign, or why has she sent no messenger to find me as I wandered? But in Tintagel Mark honours her and she gives him joy, and that little fairy bell has done a thorough work; for little she remembers or cares for the joys and the mourning of old, little for me, as I wander in this desert place. I, too, will forget.” On the third day, at the hour of noon, Tristan and Gorvenal came near a hill where an old chantry stood and close by a hermitage also; and Tristan asked what wasted land that was, and the hermit answered: “Lord, it is Breton land which Duke Hod holds, and once it was rich in pasture and ploughland, but Count Riol of Nantes has wasted it. For you must know that this Count Riol was the Duke’s vassal. And the Duke has a daughter, fair among all King’s daughters, and Count Riol would have taken her to wife; but her father refused her to a vassal, and Count Riol would have carried her away by force. Many men have died in that quarrel.”

And Tristan asked: “Can the Duke wage his war?”

And the hermit answered: “Hardly, my lord; yet his last keep of Carhaix holds out still, for the walls are strong, and strong is the heart of the Duke’s son Kaherdin, a very good knight and bold; but the enemy surrounds them on every side and starves them. Very hardly do they hold their castle.”

Then Tristan asked: “How far is this keep of Carhaix?”

“Sir,” said the hermit, “it is but two miles further on this way.”

Then Tristan and Gorvenal lay down, for it was evening.

In the morning, when they had slept, and when the hermit had chanted, and had shared his black bread with them, Tristan thanked him and rode hard to Carhaix. And as he halted beneath the fast high walls, he saw a little company of men behind the battlements, and he asked if the Duke were there with his son Kaherdin. Now Hod was among them; and when he cried “yes,” Tristan called up to him and said: “I am that Tristan, King of Lyonesse, and Mark of Cornwall is my uncle. I have heard that your vassals do you a wrong, and I have come to offer you my arms.

“Alas, lord Tristan, go you your way alone and God reward you, for here within we have no more food; no wheat, or meat, or any stores but only lentils and a little oats remaining.”

But Tristan said “For two years I dwelt in a forest, eating nothing save roots and herbs; yet I found it a good life, so open you the door.”

They welcomed him with honour, and Kaherdin showed him the wall and the dungeon keep with all their devices, and from the battlements he showed the plain where far away gleamed the tents of Duke Riol. And when they were down in the castle again he said to Tristan: “Friend, let us go to the hall where my mother and sister sit.”

So, holding each other’s hands, they came into the women’s room, where the mother and the daughter sat together weaving gold upon English cloth and singing a weaving song. They sang of Doette the fair who sits alone beneath the white-thorn, and round about her blows the wind. She waits for Doon, her friend, but he tarries long and does not come. This was the song they sang. And Tristan bowed to them, and they to him. Then Kaherdin, showing the work his mother did, said: “See, friend Tristan, what a work-woman is here, and how marvellously she adorns stoles and chasubles for the poor minsters, and how my sister’s hands run thread of gold upon this cloth. Of right, good sister, are you called, ‘Iseult of the White Hands.’”

But Tristan, hearing her name, smiled and looked at her more gently.

And on the morrow, Tristan, Kaherdin, and twelve young knights left the castle and rode to a pinewood near the enemy’s tents. And sprang from ambush and captured a waggon of Count Riol’s food; and from that day, by escapade and ruse they would carry tents and convoys and kill off men, nor ever come back without some booty; so that Tristan and Kaherdin began to be brothers in arms, and kept faith and tenderness, as history tells. And as they came back from these rides, talking chivalry together, often did Kaherdin praise to his comrade his sister, Iseult of the White Hands, for her simplicity and beauty.

One day, as the dawn broke, a sentinel ran from the tower through the halls crying: “Lords, you have slept too long; rise, for an assault is on.”

And knights and burgesses armed, and ran to the walls, and saw helmets shining on the plain, and pennons streaming crimson, like flames, and all the host of Riol in its array. Then the Duke and Kaherdin deployed their horsemen before the gates, and from a bow-length off they stooped, and spurred and charged, and they put their lances down together and the arrows fell on them like April rain.



Apart konden de geliefden niet leven nog sterven want het was leven en dood tezamen; en Tristan ontvluchtte zijn verdriet via zeeĎn en eilanden en veel landen.

Hij ontvluchtte zijn verdriet nog steeds over zeeĎn en eilanden totdat hij tenslotte naar het land van Lyon terugkeerde en daar verwelkomde hem Rohalt, de bewaarder van het geloof, met blijde tranen en noemde hem zoon. Maar hij kon niet in zijn eigen land in vrede leven en keerde om en reed door koninkrijken en baronie op zoek naar avontuur. Van Lyon naar de Lage landen en van de Lage Landen naar GermaniĎ; door GermaniĎ naar Spanje. En vele heren diende hij en vele daden deed hij, maar gedurende twee jaar kwam er geen nieuws uit Cornwall naar hem, nog vriend, nog boodschapper. Toen dacht hij dat Isolde hem vergeten was. Nu gebeurde het op een dag dat hij alleen met Gorvenal reed en het land van Bretagne binnen kwamen. Ze reden door een verlaten vlakte van verwoeste muren en lege gehuchten en overal verbrande velden en de aarde verlaten van mensen; en Tristan dacht: “Ik ben moe  en mijn daden maken niets uit; mijn dame is ver weg en ik zal haar nooit meer zien. Of waarom heeft ze gedurende twee jaar geen bericht gegeven of waarom heeft ze geen boodschapper gestuurd om mij te vinden terwijl ik rondzwierf? Maar in Tintagel eert Mark haar en zij geeft hem vreugde en de kleine sprookjesbel heeft zijn werk goed gedaan; weinig herinnert ze zich of is bezorgd om de vreugde vanouds en weinig om mij terwijl ik ronddool in deze woestijn. Ik moet het ook vergeten. Op de derde dag met het middaguur kwamen Tristan en Gorvenal in de buurt van een heuvel waar ook een oude kapel stond en dichtbij een hermitage en Tristan vroeg wat voor verwoest land dat was en de kluizenaar antwoordde: “Heer, het is Bretons land dat hertog Hod bezit en eens was het rijk in weiland en land, maar graaf Riol van Nantes heeft het verwoest. Want je moet weten dat deze graaf Riol een vazal van de hertog was. En de hertog heeft een dochter, de mooiste onder alle konings dochters, en graaf Riol zou haar tot vrouw hebben genomen maar haar vader weigerde haar aan een vazal en graaf Riol zou haar met met geweld hebben genomen. Vele mannen zijn in die ruzie gestorven.”

En Tristan vroeg: “Kan de hertog zijn oorlog voeren?”

En de kluizenaar antwoordde: “Nauwelijks, mijn heer, toch houdt zijn laatste verdediging Carhaix het uit want de wanden zijn sterk en krachtig is het hart van de zoon van de hertog, Kaherdin, een zeer goede en trotse ridder; maar de vijand omringt hen van alle kanten en hongert hen uit. Ze kunnen nauwelijks hun kasteel behouden.

Toen vroeg Tristan: “Hoe ver is dit huis van Cairhaix?

“Mijn heer, “ zei de kluizenaar, “het is slechts twee mijlen ver op deze manier.”

Toen gingen Tristan en Gorvenal liggen want het was avond.

’s Morgens toen ze geslapen hadden en de kluizenaar gezongen en zijn zwarte brood met hen gedeeld had bedankte Tristan hem en reed snel naar Carhaix. En toen hij stil hield onder de vaste hoge muren zag hij een kleine groep mannen achter de kantelen en hij vroeg of de hertog daar was met zijn zoon Kaherdin. Nu was Hod een van hen; en toen hij “Ja,” riep en Tristan riep terug en zei: “Ik ben Tristan, koning van Lyon en Mark van Cornwall is mijn oom. Ik heb gehoord dat je vazallen je verkeerd doen en ik ben gekomen om je mijn wapens aan te bieden.”

“Ach heer Tristan, ga je weg alleen en God beloont u, want hier hebben wij geen eten meer; geen tarwe of vlees en geen winkels, maar alleen linzen en een beetje haver.”

Maar Tristan zei; “Twee jaar woonde ik in een bos en at niets behalve wortels en kruiden; toch vond ik het een goed leven, dus open je deur.”

Ze verwelkomden hem met eer en Kaherdin toonde hem de muur en de kerker met al hun verdediging en vanaf de kantelen toonde hij de vlakte waar ver weg de tenten van hertog Riol glansden. En toen ze weer in het kasteel waren zei hij tegen Tristan: “Vriend laten we naar de hal gaan waar mijn moeder en mijn zusje zitten.”

Dus elkaars hand vast houdend kwamen ze de vrouwenkamer binnen waar de moeder en de dochter bij elkaar zaten om goud te weven op Engelse stof en zongen een weeflied. Ze zongen van Doette de mooie die alleen onder de meidoorn zit en rond haar blaast de wind. Ze wacht op Doon, haar vriend, maar hij vertoeft lang en komt niet. Dit was het lied dat ze zongen. En Tristan boog voor hen en zij voor hem. Toen zei Kaherdin die het werk van zijn moeder liet zien: Zie, vriend Tristan, wat een werkvrouw is hier en hoe wonderbaarlijk ze stola’s en kazuifels versiert voor arme minnaars en hoe de handen van mijn zuster op dit punt een gouddraad in de kleding slaat. Hierdoor, goede zuster ben je Isolde met de witte handen genoemd.

Maar Tristan die haar naam hoorde glimlachte en keek haar voorzichtig aan.

En de volgende dg verlieten Tristan, Kaherdin en twaalf jonge ridders het kasteel en reden naar een pijnbomenbos bij de tenten van de vijand. En ze sprongen uit een hinderlaag en veroverden een voedselwagen van graaf Riol; en vanaf die dag zouden ze met hun troep en list hun  tenten en konvooien meevoeren en mannen doden en kwamen nooit terug zonder enige buit; zodat Tristan en Kaherdin strijdmakkers begonnen te worden en hielden vertrouwen en tederheid zoals de geschiedenis vertelt. En toen ze van deze ritten terug kwamen bleven ze samen ridderlijk praten en prees Kaherdin zijn kameraad vaak zijn zuster, Isolde met de witte handen, vanwege haar eenvoud en schoonheid.

Op een dag toen de dag aanbrak rende een schildwacht van de toren door de gangen en riep: “Heren, u hebt te lang geslapen; sta op want een aanval is begonnen.”

En ridders en burgers werden gewapend en renden naar de muren en zagen helmen op de vlakte verschijnen, en de wimpels die rood stroomden als vlammen en het hele leger van Riol volgde. Toen zette de hertog en Kaherdin hun ruiters voor de poorten en met een boog lengte stopten ze en spoorden  aan en vielen aan en ze zetten hun lansen op de grond en de pijlen vielen op hen als een regen in april.



Now Tristan had armed himself among the last of those the sentinel had roused, and he laced his shoes of steel, and put on his mail, and his spurs of gold, his hauberk, and his helm over the gorget, and he mounted and spurred, with shield on breast, crying: “Carhaix!”

And as he came, he saw Duke Riol charging, rein free, at Kaherdin, but Tristan came in between. So they met, Tristan and Duke Riol. And at the shock, Tristan’s lance shivered, but Riol’s lance struck Tristan’s horse just where the breast-piece runs, and laid it on the field.

But Tristan, standing, drew his sword, his burnished sword, and said: “Coward! Here is death ready for the man that strikes the horse before the rider.”

But Riol answered: “I think you have lied, my lord!”

And he charged him.

And as he passed, Tristan let fall his sword so heavily upon his helm that he carried away the crest and the nasal, but the sword slipped on the mailed shoulder, and glanced on the horse, and killed it, so that of force Duke Riol must slip the stirrup and leap and feel the ground. Then Riol too was on his feet, and they both fought hard in their broken mail, their ’scutcheons torn and their helmets loosened and lashing with their dented swords, till Tristan struck Riol just where the helmet buckles, and it yielded and the blow was struck so hard that the baron fell on hands and knees; but when he had risen again, Tristan struck him down once more with a blow that split the helm, and it split the headpiece too, and touched the skull; then Riol cried mercy and begged his life, and Tristan took his sword.

So he promised to enter Duke HoĎl’s keep and to swear homage again, and to restore what he had wasted; and by his order the battle ceased, and his host went off discomfited.

Now when the victors were returned Kaherdin said to his father: “Sire, keep you Tristan. There is no better knight, and your land has need of such courage.”

So when the Duke had taken counsel with his barons, he said to Tristan “Friend, I owe you my land, but I shall be quit with you if you will take my daughter, Iseult of the White Hands, who comes of kings and of queens, and of dukes before them in blood.”

And Tristan answered: “I will take her, Sire.”

So the day was fixed, and the Duke came with his friends and Tristan with his, and before all, at the gate of the minster, Tristan wed Iseult of the White Hands, according to the Church’s law.

But that same night, as Tristan’s valets undressed him, it happened that in drawing his arm from the sleeve they drew off and let fall from his finger the ring of green jasper, the ring of Iseult the Fair. It sounded on the stones, and Tristan looked and saw it. Then his heart awoke and he knew that he had done wrong. For he remembered the day when Iseult the Fair had given him the ring. It was in that forest where, for his sake, she had led the hard life with him, and that night he saw again the hut in the wood of Morois, and he was bitter with himself that ever he had accused her of treason; for now it was he that had betrayed, and he was bitter with himself also in pity for this new wife and her simplicity and beauty. See how these two Iseults had met him in an evil hour, and to both had he broken faith!

Now Iseult of the White Hands said to him, hearing him sigh: “Dear lord, have I hurt you in anything? Will you not speak me a single word?”

But Tristan answered: “Friend, do not be angry with me; for once in another land I fought a foul dragon and was near to death, and I thought of the Mother of God, and I made a vow to Her that, should I ever wed, I would spend the first holy nights of my wedding in prayer and in silence.”

“Why,” said Iseult, “that was a good vow.”

And Tristan watched through the night.

Nu had Tristan zich bewapend tussen de laatste die de schildwacht had gewekt en trok zijn stalen schoenen aan en zijn gouden sporen, zijn maliĎnkolder en zijn helm over zijn overkleed en hij reed en spoorde het aan en met het schild op de borst schreeuwde hij”; Carhaix.”

En terwijl hij aankwam zag hij hertog Riol teugelvrij aanvallen naar Kaherdin, maar Tristan kwam ertussen. Zo ontmoetten ze elkaar, Tristan en hertog Riol. En bij die schok trilde de lans van Tristan, maar Riol’ s lans trof Tristan’ s paard precies waar het borststuk liep en viel op het veld.

Maar Tristan trok staande zijn zwaard, zijn gepolijste zwaard en zei: “Lafaard! Hier is de dood gereed voor de man die het paard voor de ruiter slaat.”

Maar Riol antwoordde: “Ik denk dat je liegt, mijn heer!” en hij viel hem aan.

En terwijl hij Tristan passeerde liet Tristan zijn zwaard zo zwaar op zijn helm vallen dat het de kruin en de neus opzij zette, maar het zwaard gleed over de maliĎn schouder en viel op het paard en doodde het zodat hertog Riol uit de stijgbeugel moest stijgen en op de grond sprong. Toen stond Riol ook op zijn voeten en beiden vochten hard in hun gebroken maliĎn, hun gescheurde wapenschilden en verloren beiden hun helmen en sloegen met hun gedeukte zwaarden totdat Tristan Riol precies sloeg waar de helmgesp was en het gaf mee en de slag was zo hard dat de baron op handen en knieĎn viel, toen hij weer opstond sloeg Tristan hem nogmaals neer met een slag die de helm spleet en spleet het hoofddeel ook en raakte de schedel; toen riep Riol genade en smeekte om zijn leven en Tristan nam zijn zwaard.

Zo beloofde hij om naar hertog HoĎl te gaan hem en opnieuw hulde te brengen en te herstellen wat hij vernield had; en bij zijn bevel stopte de strijd en zijn gast ging ontevreden weg.

Toen de overwinnaars terug kwamen zei Kaherdin tegen zijn vader: “Sire, hou Tristan. Er is een geen betere ridder en je land heeft zo’ n moedige nodig.”

Toen de hertog met zijn baronnen overlegd had zei hij tegen Tristan: “Vriend, ik ben je mijn land schuldig maar ik zal er van bevrijd zijn als je mijn dochter Isolde met de witte handen neemt die van koningen en koningin komt en van hertogen voor hen in bloed.”

En Tristan zei: “Ik zal haar nemen, Sire.”

Dus werd de dag gesteld en de hertog kwam met zijn vrienden en Tristan met de zijne en voor allen bij de poort van de munster trouwde Tristan met Isolde met de witte handen naar de wet van de kerk.

Maar diezelfde nacht toen de bediende van Tristan hem uitkleedden gebeurde het dat hij zijn arm uit de mouw trok en de ring met de groene jaspis viel af, de ring van Isolde de mooie. Het klonk op de stenen en Tristan keek en zag het. Toen werd zijn hart wakker en hij wist dat hij verkeerd had gedaan. Want hij herinnerde zich de dag waarop toen Isolde de mooie hem de ring had gegeven. Het was in het woud waar ze vanwege zijn zaak een hard leven had geleid en die avond zag hij de hut in het bos van Morois en hij was bitter van zichzelf dat hij haar ooit beschuldigd had van verraad; want nu was hij het die haar had verraden en wat verbitterd van zichzelf en had ook medelijden met zijn nieuwe vrouw met haar eenvoud en schoonheid. Zie hoe deze twee Isolde’ s hem in een slecht uur hadden ontmoet en aan beiden had hij de belofte gebroken!

Nu zei Isolde met de witte handen tegen hem terwijl ze hem hoorde zuchten: “Lieve heer, heb ik je ergens pijn gedaan? Wil je me geen enkel woord zeggen?”

Maar Tristan antwoordde; ”Vriendin, wees niet kwaad op mij; want eens in een ander land vocht ik tegen een vuile draak en was bijna dood en ik dacht aan de moeder van God en ik beloofde haar als ik ooit zou trouwen ik de eerste nachten van mijn bruiloft in gebed en stilte zou doorbrengen.”

“Wel,” zei Isolde, “dat was een goede belofte.”

En Tristan waakte de hele nacht.





Within her room at Tintagel, Iseult the Fair sighed for the sake of Tristan, and named him, her desire, of whom for two years she had had no word, whether he lived or no.

Within her room at Tintagel Iseult the Fair sat singing a song she had made. She sang of Guron taken and killed for his love, and how by guile the Count gave Guron’s heart to her to eat, and of her woe. The Queen sang softly, catching the harp’s tone; her hands were cunning and her song good; she sang low down and softly.

Then came in Kariado, a rich count from a far-off island, that had fared to Tintagel to offer the Queen his service, and had spoken of love to her, though she disdained his folly. He found Iseult as she sang, and laughed to her: “Lady, how sad a song! as sad as the Osprey’s; do they not say he sings for death? and your song means that to me; I die for you.”

And Iseult said: “So let it be and may it mean so; for never come you here but to stir in me anger or mourning. Ever were you the screech owl or the Osprey that boded ill when you spoke of Tristan; what news bear you now?”

And Kariado answered: “You are angered, I know not why, but who heeds your words? Let the Osprey bode me death; here is the evil news the screech owl brings. Lady Iseult, Tristan, your friend is lost to you. He has wed in a far land. So seek you other where, for he mocks your love. He has wed in great pomp Iseult of the White Hands, the King of Brittany’s daughter.’’

And Kariado went off in anger, but Iseult bowed her head and broke into tears.

Now far from Iseult, Tristan languished, till on a day he must needs see her again. Far from her, death came surely; and he had rather die at once than day by day. And he desired some death, but that the Queen might know it was in finding her; then would death come easily.

So he left Carhaix secretly, telling no man, neither his kindred nor even Kaherdin, his brother in arms. He went in rags afoot (for no one marks the beggar on the high road) till he came to the shore of the sea.

He found in a haven a great ship ready, the sail was up and the anchor-chain short at the bow.

“God save you, my lords,” he said, “and send you a good journey. To what land sail you now?”

“To Tintagel,” they said.

Then he cried out: “Oh, my lords! take me with you thither!”

And he went aboard, and a fair wind filled the sail, and she ran five days and nights for Cornwall, till, on the sixth day, they dropped anchor in Tintagel Haven. The castle stood above, fenced all around. There was but the one armed gate, and two knights watched it night and day. So Tristan went ashore and sat upon the beach, and a man told him that Mark was there and had just held his court.

“But where,” said he, “is Iseult, the Queen, and her fair maid, Brangien?”

“In Tintagel too,” said the other, “and I saw them lately; the Queen sad, as she always is.”

At the hearing of the name, Tristan suffered, and he thought that neither by guile nor courage could he see that friend, for Mark would kill him.

And he thought, “Let him kill me and let me die for her, since every day I die. But you, Iseult, even if you knew me here, would you not drive me out?” And he thought, “I will try guile. I will seem mad, but with a madness that shall be great wisdom. And many shall think me a fool that have less wit than I.”

Just then a fisherman passed in a rough cloak and cape, and Tristan seeing him, took him aside, and said: “Friend, will you not change clothes?”

And as the fisherman found it a very good bargain, he said in answer: “Yes, friend, gladly.”

And he changed and ran off at once for fear of losing his gain. Then Tristan shaved his wonderful hair; he shaved it close to his head and left a cross all bald, and he rubbed his face with magic herbs distilled in his own country, and it changed in colour and skin so that none could know him, and he made him a club from a young tree torn from a hedge-row and hung it to his neck, and went bare-foot towards the castle.

The porter made sure that he had to do with a fool and said: “Good morrow, fool, where have you been this long while?”

And he answered: “At the Abbot of St. Michael’s wedding, and he wed an abbess, large and veiled. And from the Alps to Mount St. Michael how they came, the priests and abbots, monks and regulars, all dancing on the green with croziers and with staves under the high trees’ shade. But I left them all to come hither, for I serve at the King’s board to-day.”

Then the porter said: “Come in, lord fool; the Hairy Urgan’s son, I know, and like your father.”

And when he was within the courts the serving men ran after him and cried: “The fool! the fool!”

But he made play with them though they cast stones and struck him as they laughed, and in the midst of laughter and their cries, as the rout followed him, he came to that hall where, at the Queen’s side, King Mark sat under his canopy.

And as he neared the door with his club at his neck, the King said: “Here is a merry fellow, let him in.”

And they brought him in, his club at his neck. And the King said: “Friend, well come; what seek you here?”

“Iseult,” said he, “whom I love so well; I bring my sister with me, Brunehild, the beautiful. Come, take her, you are weary of the Queen. Take you my sister and give me here Iseult, and I will hold her and serve you for her love.”

The King said laughing: “Fool, if I gave you the Queen, where would you take her, pray?”

“Oh! very high,” he said, “between the clouds and heaven, into a fair chamber glazed. The beams of the sun shine through it, yet the winds do not trouble it at all. There would I bear the Queen into that crystal chamber of mine all compact of roses and the morning.”



In haar kamer te Tintagel zuchtte Isolde de mooie vanwege de zaak van Tristan en noemde hem, haar begeerte van wie ze al twee jaar geen woord had gehoord of hij nog leefde of niet.

In haar kamer te Tintagel zat Isolde de mooie en zong een lied dat ze had gemaakt. Ze zong van Guron die vanwege zijn liefde meegenomen werd en gedood en hoe de graaf Guorn’ s hart aan haar gaf om te eten en van haar pijn. De koningin zong zachtjes en ving de toon van de harp op; haar handen waren listig en haar zang goed; ze zong laag en zachtjes.

Toen kwam Kariado binnen, een rijke graaf van een afgelegen eiland die naar Tintagel was gegaan om de koningin zijn diensten aan te bieden en had gesproken over liefde voor haar, hoewel ze zijn dwaasheid verachtte. Hij vond Isolde terwijl ze zong en lachte tegen haar: “Dame, wat een treurig liedje! Zo zielig als de visarend; zeggen ze niet dat die zingt voor zijn dood? En jouw liedje betekent dat voor mij: ik sterf voor jou.”

En Isolde zei: “Laat het zo zijn en laat het zo bedoeld zijn; want je komt hier nooit, maar alleen om me woede of rouw te geven. Ooit was  je de krijsende uil of de visarend die ziek was toen je over Tristan sprak; wat voor nieuws breng je nu?”

En Karaido antwoordde: “Je bent boos en ik weet niet waarom, maar wie let op uw woorden? Laat de visarend me de dood beloven; hier is het slechte nieuws dat de krijsende uil brengt. Lady Isolde, Tristan je vriend, is verloren voor jou. Hij is in een ver land getrouwd. Dus zoek ergens anders want hij spot met je liefde. Hij is met grote pracht met Isolde met de witte handen gehuwd, de dochter van de koning van Bretagne.

En Kariado ging kwaad weg, maar Isolde boog haar hoofd en barstte in tranen uit.

Ver weg van Isolde kwijnde Tristan weg totdat hij het op een dag nodig had om haar weer te zien. Ver van haar kwam de dood zeker en hij stierf liever onmiddellijk dan dag na dag. En hij verlangde naar een of andere dood maar dat de koningin het mocht weten en dat hij haar vond dan zou de dood gemakkelijk komen.

Dus verliet hij in het geheim Carhaix en vertelde het niemand, nog zijn familie, nog Kaherdin, zijn strijdmakker. Hij ging in vodden te voet (want niemand let op een bedelaar op de hoofdweg) totdat hij aan de kust van de zee kwam.

Hij vond in de haven een groot schip gereed, het zeil was op en de ankerketting was kort voor de boeg.

“God bewaart u, mijne heren, “ zei hij’ en geeft u een goede reis. Naar welk land zeilt u nu?”

“Naar Tintagel”, zeiden ze.

Toen schreeuwde hij het uit: “Oh, mijne heren! Breng me daarheen!”

En hij ging aan boord en een goede wind vulde het zeil en het liep in vijf dagen en nachten naar Cornwall totdat ze op de zesde dag voor anker gingen in de haven van Tintagel. Het kasteel stond erboven, rondom omheind. Er was maar een gewapende poort die door twee ridders dag en nacht bewaakt werden. Dus ging Tristan aan land en ging op het strand zitten en een man daar die vertelde hem dat Mark daar was en net zijn hof hield.

“Maar waar,” zei hij, ‘Is Isolde de koningin en haar lieve maagd Brangien?”

“Ook in Tintagel, “ zei de andere, “en ik zag haar laatst; de koning verdrietig, zoals altijd”.

Bij het horen van de naam leed Tristan en hij dacht dat hij nog door bedrog nog door moed zijn vriendin kon zien, want Mark zou hem doden.

En hij dacht: “Laat hem mij doden en laat ik voor haar sterven want  elke dag sterf ik. Maar jij, Isolde zelfs als je me hier herkende zou je me dan niet wegjagen?” En hij dacht: “ Ikz al het proberen. Ik zal een gekke man zijn, maar met mijn gekte zal dat grote wijsheid zijn. En velen zullen van me denken dat een dwaas minder verstand heeft dan ik.”

Op dat moment passeerde een visser in een ruwe mantel en kap en Tristan zag hem en nam hem apart en zei: “Vriend, wil je niet van kleding ruilen?”

En toen de visser het een goed koopje vond zei hij als antwoord: “Ja vriend graag.”

En hij ruilde en rende meteen weg uit angst zijn winst te verliezen. Toen schoor Tristan zijn mooie haar, hij schoor zich dicht bij het hoofd en liet een kaal kruis achter en wreef zijn gezicht met magische kruiden die in zijn eigen land gedistilleerd waren en het veranderde de huid van kleur zodat niemand hem kon herkennen en hij maakte een knots van een jonge boom die uit een haag werd gescheurd en hing het aan zijn nek en ging op blote voeten naar het kasteel.

De portier wist zeker dat hij met een gek te maken had en hij zei:  Goede morgen, gek, waar ben je zolang geweest?”

En hij antwoordde; “Bij het huwelijk van de abt van St. Michel toen hij trouwde met de abdis, groot en gesluierd. En van de Alpen naar Sint Michael hoe ze kwamen, de priesters en abten, monniken en stamgasten, allemaal dansend op het groen met hun kruisen en met staven onder de schaduw van de hoge bomen. Maar ik heb ze allemaal achter gelaten om hier te komen want ik dien hier vandaag aan de tafel van de koning.”

Toen zei de portier: “Kom binnen gekke heer; harige Urgan’ s zoon, ik weet het net zoals je vader.”

En toen hij binnen de hof was renden de dienstknechten achter hem aan en riepen: “De gek! De gek!”

Mar hij speelde met hen, hoewel ze stenen gooiden en hem sloegen terwijl ze lachten en midden in het lachen en hun geschreeuw toen de groep hem volgde kwam hij in de hal waar aan de zijde van de koningin Mark zat onder zijn luifel.

En terwijl hij de deur naderde met zijn knots in zijn nek zei de koning: “Hier is een vrolijke kerel, laat hem binnen.”

En ze brachten hem naar binnen, zijn knots in zijn nek. En de koning zei: “Vriend, welkom; wat zoek je hier?”

“Isolde”, zei hij, die ik zo lief heb; ik breng mijn zuster Brunehild de mooie mee. Kom, neem haar, je bent moe van de koningin. Neem mijn zus en geef me Isolde en ik zal haar vast houden en dienen voor haar liefde.”

De koning zei lachend: “Gek, als ik je de koningin gaf waar zou je haar naar toe brengen, bidden?”.

“Oh, heel hoog, “ zei hij, “tussen de wolken en de hemel in een mooie glazen kamer. De stralen van de zon schijnen er doorheen, maar de wind hindert het helemaal niet. Daar zou ik de koningin in mijn kristallen kamer dragen, allemaal compact van rozen en de ochtend.”



The King and his barons laughed and said: “Here is a good fool at no loss for words.”

But the fool as he sat at their feet gazed at Iseult most fixedly.

“Friend,” said King Mark, “what warrant have you that the Queen would heed so foul a fool as you?”

“O! Sire,” he answered gravely, “many deeds have I done for her, and my madness is from her alone.”

“What is your name?” they said, and laughed.

“Tristan,” said he, “that loved the Queen so well, and still till death will love her.”

But at the name the Queen angered and weakened together, and said: “Get hence for an evil fool!”

But the fool, marking her anger, went on: “Queen Iseult, do you mind the day, when, poisoned by the Morholt’s spear, I took my harp to sea and fell upon your shore? Your mother healed me with strange drugs. Have you no memory, Queen?”

But Iseult answered: “Out, fool, out! Your folly and you have passed the bounds!”

But the fool, still playing, pushed the barons out, crying: “Out! madmen, out! Leave me to counsel with Iseult, since I come here for the love of her!”

And as the King laughed, Iseult blushed and said: “King, drive me forth this fool!”

But the fool still laughed and cried: “Queen, do you mind you of the dragon I slew in your land? I hid its tongue in my hose, and, burnt of its venom, I fell by the roadside. Ah! what a knight was I then, and it was you that succoured me.”

Iseult replied: “Silence! You wrong all knighthood by your words, for you are a fool from birth. Cursed be the seamen that brought you hither; rather should they have cast you into the sea!”

“Queen Iseult,” he still said on, “do you mind you of your haste when you would have slain me with my own sword? And of the Hair of Gold? And of how I stood up to the seneschal?”

“Silence!” she said, “you drunkard. You were drunk last night, and so you dreamt these dreams.”

“Drunk, and still so am I,” said he, “but of such a draught that never can the influence fade. Queen Iseult, do you mind you of that hot and open day on the high seas? We thirsted and we drank together from the same cup, and since that day have I been drunk with an awful wine.”

When the Queen heard these words which she alone could understand, she rose and would have gone.

But the King held her by her ermine cloak, and she sat down again.

And as the King had his fill of the fool he called for his falcons and went to hunt; and Iseult said to him: “Sire, I am weak and sad; let me be go rest in my room; I am tired of these follies.”

And she went to her room in thought and sat upon her bed and mourned, calling herself a slave and saying: “Why was I born? Brangien, dear sister, life is so hard to me that death were better! There is a fool without, shaven criss-cross, and come in an evil hour, and he is warlock, for he knows in every part myself and my whole life; he knows what you and I and Tristan only know.”

Then Brangien said: “It may be Tristan.”

But—“No,” said the Queen, “for he was the first of knights, but this fool is foul and made awry. Curse me his hour and the ship that brought him hither.”

“My lady!” said Brangien, “soothe you. You curse over much these days. May be he comes from Tristan?”

“I cannot tell. I know him not. But go find him, friend, and see if you know him.”

So Brangien went to the hall where the fool still sat alone. Tristan knew her and let fall his club and said: “Brangien, dear Brangien, before God! have pity on me!”

“Foul fool,” she answered, “what devil taught you my name?”

“Lady,” he said, “I have known it long. By my head, that once was fair, if I am mad the blame is yours, for it was yours to watch over the wine we drank on the high seas. The cup was of silver and I held it to Iseult and she drank. Do you remember, lady?”

“No,” she said, and as she trembled and left he called out: “Pity me!”

He followed and saw Iseult. He stretched out his arms, but in her shame, sweating agony she drew back, and Tristan angered and said: “I have lived too long, for I have seen the day that Iseult will nothing of me. Iseult, how hard love dies! Iseult, a welling water that floods and runs large is a mighty thing; on the day that it fails it is nothing; so love that turns.”

But she said “Brother, I look at you and doubt and tremble, and I know you not for Tristan.”

“Queen Iseult, I am Tristan indeed that do love you; mind you for the last time of the dwarf, and of the flower, and of the blood I shed in my leap. Oh! and of that ring I took in kisses and in tears on the day we parted. I have kept that jasper ring and asked it counsel.”

Then Iseult knew Tristan for what he was, and she said: “Heart, you should have broken of sorrow not to have known the man who has suffered so much for you. Pardon, my master and my friend.”

And her eyes darkened and she fell; but when the light returned she was held by him who kissed her eyes and her face.

So passed they three full days. But, on the third, two maids that watched them told the traitor Andret, and he put spies well-armed before the women’s rooms. And when Tristan would enter they cried: “Back, fool!”

But he brandished his club laughing, and said: “What! May I not kiss the Queen who loves me and awaits me now?”

And they feared him for a mad fool, and he passed in through the door.

Then, being with the Queen for the last time, he held her in his arms and said: “Friend, I must fly, for they are wondering. I must fly, and perhaps shall never see you more. My death is near, and far from you my death will come of desire.”

“Oh friend,” she said, “fold your arms round me close and strain me so that our hearts may break and our souls go free at last. Take me to that happy place of which you told me long ago. The fields whence none return, but where great singers sing their songs for ever. Take me now.”

“I will take you to the Happy Palace of the living, Queen! The time is near. We have drunk all joy and sorrow. The time is near. When it is finished, if I call you, will you come, my friend?”

“Friend,” said she, “call me and you know that I shall come.”

“Friend,” said he, “God send you His reward.”

As he went out the spies would have held him; but he laughed aloud, and flourished his club, and cried: “Peace, gentlemen, I go and will not stay. My lady sends me to prepare that shining house I vowed her, of crystal, and of rose shot through with morning.” And as they cursed and drave him, the fool went leaping on his way.

De koning en zijn baronnen lachten en zeiden: “Hier is een goede gek die geen woord verliest.”

Maar de gek die aan zijn voeten zat keek Isolde meest strak aan.

“Vriend, “ zei koning Mark,” wat voor recht hebt u dat de koningin zoveel aandacht zou hebben voor een gek als u?”

“O, Sire,’ antwoordde hij ernstig, “ veel daden heb ik voor haar gedaan en mijn waanzin is van haar alleen.”

“Hoe heet je?” zeiden ze en lachten.

“Tristan, “ zei hij, ‘ die zoveel hield van de koningin en nog steeds en tot de dood van haar zal houden.”

Maar bij die naam werd de koningin boos en ze verzwakte gelijk en zei: “ga weg duivelse gek!”

Maar de gek die haar woede merkte ging verder: “Koningin Isolde, herinner je de dag toen Morholt’ s speer me vergiftige en ik de harp op zee nam en op uw kust kwam? Uw moeder heelde me met vreemde medicijnen. Herinnert het u zich niet, koningin?”

Maar Isolde antwoordde. “Er uit, gek uit! Jouw dwaasheid en jij hebt de grenzen overschreden!”

Maar de gek die nog steeds aan het spelen was duwde de baronnen naar buiten en riep: “Weg! Gekken! Laat me mij bij Isolde gaan want ik kom hier uit liefde voor haar!”

En terwijl de koning lachte bloosde Isolde en zei: Koning drijf deze gek weg!”

Maar de gek lachte nog steeds en riep; “Koningin herinnert u nog de draak die ik in uw land sloeg? Ik verborg zijn tong in mijn laars en verbrandde vanwege het venijn en viel ik bij de weg, Ah! Wat een ridder was ik toen en u hebt me geholpen.”

Isolde antwoordde: Stil! Je hebt alle ridderschap verkeerd gedaan met je woorden want je bent een gek vanaf je geboorte. Vervloekt zijn de zeelieden die u hierheen hebben gebracht; beter zouden ze u in de zee hebben gegooid.”

“Koningin Isolde, “ zei hij verder, “herinner me van uw haast toen u me gedood zou hebben met mijn eigen zwaard”. En het gouden haar? En hoe ik opstond tegen de gouverneur?”

“Stilte!” zei ze, jij dronkaard. Je was gisteravond dronken en daarom droom je deze dromen.”

“Dronken, en dat ben ik nog steeds”, zei hij, “maar van zo’ n drank zodat de invloed nooit kan vervagen. Koningin Isolde herinnert u die warme en open dag op volle zee?  We hadden dorst en we dronken tezamen uit dezelfde kop en sinds die dag ben ik dronken van een vreselijke wijn.

Toen de koningin deze woorden hoorde die zij alleen kon begrijpen stond ze op en zou verdwenen zijn.

Maar de koning hield haar bij de hermelijnen mantel en ze ging weer zitten.

En terwijl de koning aardigheid in de gek had riep hij zijn valken en ging op jacht; en Isolde zei tegen hem: “Sire, ik ben zwak en bedroefd; laat me gaan rusten in mijn kamer; ik ben deze dwaasheid beu.”

E ze ging in gedachten naar haar  kamer en ging op haar bed zitten en treurde en noemde zichzelf een slavin en zei: “Waarom werd ik geboren? Brangien, lieve zuster, het leven is zo moeilijk voor mij zodat de dood beter was! Er is een buiten een dwaas kriskras geschoren en komt in een slecht uur en hij is een duivelskunstenaar want hij kent elk deel in mijzelf en mijn hele leven, hij weet wat jij en ik en Tristan alleen weten”.

Toen zei Brangien: “Het kan Tristan zijn.”

Maar, “neen,’ zei de koningin, “ want hij was de beste van de ridders en deze gek is fout en afschrikwekkend gemaakt. Vervloek mij zijn uur en het schip dat hem hierheen heeft gebracht!”

“Mijn dame”, zei Brangien,” kalmeer je. Je vloekt tegenwoordig veel. Misschien komt hij van Tristan?”

“Ik weet het niet. Ik ken hem niet. Maar ga hem zoeken, vriendin en kijk of je hem kent.”

Dus ging Brangien naar de hal waar de gek nog steeds alleen zat. Tristan herkende haar en liet zijn knots vallen en zei: “Brangien, lieve Brangien, vanwege God, heb medelijden met mij!”

“Dwaze gek,” zei ze, ‘ welke duivel heeft je mijn naam geleerd?”

“Dame,” zei hij, “ik heb het lang geweten. Bij mijn hoofd dat eens lieflijk was en dat ik boos ben dat is uw schuld want het was aan u om over de wijn te waken die we op volle zee dronken. De beker was van zilver en ik gaf het aan Isolde en ze dronk het. Weet je het nog dame?”

“Neen, “ zei ze, en beefde en terwijl ze weg ging riep hij: heb medelijden met mij!”

Hij volgde en zag Isolde. Hij strekte zijn armen uit maar in haar schaamte trok ze zich zwetend terug en Tristan werd kwaad en zei: “Ik heb te lang geleefd want ik heb de dag gezien dat Isolde niets van me wil. Isolde, hoe snel sterft de liefde! Isolde, een stromend water dat stroomt en sterk loopt is een machtig ding: op de dag dat het faalt is het niets; dus de liefde verandert.”

Maar ze zei; “Broeder, ik keek naar u en twijfelde en trilde en ik ken u niet als Tristan.”

“Koningin Isolde, ik ben inderdaad Tristan die wel van je houdt; herinner je voor de laatste keer de dwerg en van de bloed dat ik in mijn sprong vergoot. Oh! En van de die ring die ik in kussen en tranen nam op de dag dat we scheidden. Ik heb de ring van jaspis gehouden en heb het om raad gevraagd.”

Toen herkende Isolde Tristan voor wie hij was en ze zei: “Hart, je had verdriet moeten hebben voor de man die voor jou zoveel geleden heeft. Pardon mijn meester en mijn vriend.”

En haar ogen werden zwart en zij viel; maar toen het licht  terug keerde werd ze door hem vast gehouden die haar ogen en gezicht kuste.

Zo vergingen hen drie volle dagen. Maar op de derde vertelden het twee dienstmeisjes die naar hen hadden gekeken het aan de verrader Andret en hij stelde goed bewapende spionnen voor de vrouwenkamer. En toen Tristan binnen kwam riepen ze: “Achteruit gek!” maar hij zwaaide lachend met zijn knots en zei; “Wat! Mag ik de koningin die van me houdt niet kussen en me nu verwacht?” en ze vreesden hem als een dwaze gek en hij ging door de deur naar binnen.

Toen hij voor de laatste keer bij de koningin was hield hij haar in zijn armen en zei: “Vriendin, ik moet gaan want ze vragen zich iets af. Ik moet gaan en zal je misschien nooit meer zien. Mijn dood is nabij en ver van jou zal mijn dood uit begeerte komen.”

“Oh vriend; “zie zei. Vouw je armen dicht om me heen en omhels me zodat onze harten breken en onze zielen eindelijk vrij komen. Breng me naar die gelukkige plaats waarvan je me lang geleden hebt verteld. De velden waar niemand van terug keert, maar waar geweldige zangers hun liedjes voor altijd zingen. Neem me nu mee.”

“Ik zal je meenemen naar het gelukkige paleis van de levenden, koningin!. De tijd is nabij. We hebben alle vreugde en verdriet gedronken. De tijd is nabij. Als het zover is en als ik je roep wil je dan komen mijn vriendin?”

“Vriend,” zei ze, “roep me en je weet dat ik zal komen.”

Toen hij wegging wilden de spionnen hem vast houden; maar hij lachte hardop en zwaaide met zijn knots en riep: “Vrede heren, ik ga en zal niet blijven. Mijn dame stuurt me om dat stralende huis voor te bereiden dat ik haar heb beloofd, van kristal en van rozen die door de morgen schieten.” En terwijl ze hem vervloekten en hem dreven liep de gek zijn weg.





When he was come back to Brittany, to Carhaix, it happened that Tristan, riding to the aid of Kaherdin his brother in arms, fell into ambush and was wounded by a poisoned spear; and many doctors came, but none could cure him of the ill. And Tristan weakened and paled, and his bones showed.

Then he knew that his life was going, and that he must die, and he had a desire to see once more Iseult the Fair, but he could not seek her, for the sea would have killed him in his weakness, and how could Iseult come to him? And sad, and suffering the poison, he awaited death.

He called Kaherdin secretly to tell him his pain, for they loved each other with a loyal love; and as he would have no one in the room save Kaherdin, nor even in the neighbouring rooms, Iseult of the White Hands began to wonder. She was afraid and wished to hear, and she came back and listened at the wall by Tristan’s bed; and as she listened one of her maids kept watch for her.

Now, within, Tristan had gathered up his strength, and had half risen, leaning against the wall, and Kaherdin wept beside him. They wept their good comradeship, broken so soon, and their friendship: then Tristan told Kaherdin of his love for that other Iseult, and of the sorrow of his life.

“Fair friend and gentle,” said Tristan, “I am in a foreign land where I have neither friend nor cousin, save you; and you alone in this place have given me comfort. My life is going, and I wish to see once more Iseult the Fair. Ah, did I but know of a messenger who would go to her! For now I know that she will come to me. Kaherdin, my brother in arms, I beg it of your friendship; try this thing for me, and if you carry my word, I will become your liege, and I will cherish you beyond all other men.”

And as Kaherdin saw Tristan broken down, his heart reproached him and he said: “Fair comrade, do not weep; I will do what you desire, even if it were risk of death I would do it for you. Nor no distress nor anguish will let me from doing it according to my power. Give me the word you send, and I will make ready.”

And Tristan answered: “Thank you, friend; this is my prayer: take this ring, it is a sign between her and me; and when you come to her land pass yourself at court for a merchant, and show her silk and stuffs, but make so that she sees the ring, for then she will find some ruse by which to speak to you in secret. Then tell her that my heart salutes her; tell her that she alone can bring me comfort; tell her that if she does not come I shall die. Tell her to remember our past time, and our great sorrows, and all the joy there was in our loyal and tender love. And tell her to remember that draught we drank together on the high seas. For we drank our death together. Tell her to remember the oath I swore to serve a single love, for I have kept that oath.”

But behind the wall, Iseult of the White Hands heard all these things; and Tristan continued: “Hasten, my friend, and come back quickly, or you will not see me again. Take forty days for your term, but come back with Iseult the Fair. And tell your sister nothing, or tell her that you seek some doctor. Take my fine ship, and two sails with you, one white, one black. And as you return, if you bring Iseult, hoist the white sail; but if you bring her not, the black. Now I have nothing more to say, but God guide you and bring you back safe.”

With the first fair wind Kaherdin took the open, weighed anchor and hoisted sail, and ran with a light air and broke the seas. They bore rich merchandise with them, dyed silks of rare colours, enamel of Touraine and wines of Poitou, for by this ruse Kaherdin thought to reach Iseult. Eight days and nights they ran full sail to Cornwall.

Now a woman’s wrath is a fearful thing, and all men fear it, for according to her love, so will her vengeance be; and their love and their hate come quickly, but their hate lives longer than their love; and they will make play with love, but not with hate. So Iseult of the White Hands, who had heard every word, and who had so loved Tristan, waited her vengeance upon what she loved most in the world. But she hid it all; and when the doors were open again she came to Tristan’s bed and served him with food as a lover should, and spoke him gently and kissed him on the lips, and asked him if Kaherdin would soon return with one to cure him … but all day long she thought upon her vengeance.

And Kaherdin sailed and sailed till he dropped anchor in the haven of Tintagel. He landed and took with him a cloth of rare dye and a cup well chiselled and worked, and made a present of them to King Mark, and courteously begged of him his peace and safeguard that he might traffick in his land; and the King gave him his peace before all the men of his palace.

Then Kaherdin offered the Queen a buckle of fine gold; and “Queen,” said he, “the gold is good.”

Then taking from his finger Tristan’s ring, he put it side by side with the jewel and said: “See, O Queen, the gold of the buckle is the finer gold; yet that ring also has its worth.”

When Iseult saw what ring that was, her heart trembled and her colour changed, and fearing what might next be said she drew Kaherdin apart near a window, as if to see and bargain the better; and Kaherdin said to her, low down: “Lady, Tristan is wounded of a poisoned spear and is about to die. He sends you word that you alone can bring him comfort, and recalls to you the great sorrows that you bore together. Keep you the ring—it is yours.”

But Iseult answered, weakening: “Friend, I will follow you; get ready your ship to-morrow at dawn.”

And on the morrow at dawn they raised anchor, stepped mast, and hoisted sail, and happily the barque left land.

But at Carhaix Tristan lay and longed for Iseult’s coming. Nothing now filled him any more, and if he lived it was only as awaiting her; and day by day he sent watchers to the shore to see if some ship came, and to learn the colour of her sail. There was no other thing left in his heart.



Toen hij terugkeerde naar Bretagne, naar Carhaix, gebeurde het dat Tristan die naar Kaherdin, zijn strijdmakker, ging om hem te helpen in een hinderlaag viel en gewond werd door een giftige speer en er kwamen vele dokters maar niemand kon hem van die ziekte genezen. En Tristan verzwakte en verbleekte en liet zijn beenderen zien.

Toen hij wist dat zijn leven voorbij was en dat hij moest sterven had hij de wens om nog een keer Isolde de mooie te zien, maar hij kon haar niet zoeken want de zee zou hem in zijn zwakte gedood hebben en hoe kon Isolde naar hem komen? En verdrietig en lijdend aan het gif wachtte hij de dood af.

Hij riep in het geheim Kaherdin om hem zijn pijn te vertellen want ze hielden van elkaar met een loyale liefde; en omdat hij niemand in de kamer wilde behalve Kaherdin en zelfs niet in de aangrenzende kamer begon Isolde met de witte handen zich te verwonderen. Ze was bang en wilde het horen en ze kwam terug en luisterde bij de muur bij Tristan’ s bed; en terwijl ze luisterde lette een van de dienstmeisjes op.

Nu had Tristan daarin zijn krachten verzameld en was half opgestaan en leunde tegen de muur en Kaherdin weende naast hem. Ze huilden vanwege hun goede kameraadschap die zo snel zou worden verbroken en hun vriendschap; toen vertelde Tristan aan Kaherdin zijn liefde voor die andere Isolde en het verdriet van zijn leven.” Lieve en aardige vriend, “ zei Tristan, “ik ben in een vreemd land waar ik geen vriend of neef heb, behalve u; en u alleen hebt me op deze plaats troost gegeven. Mijn leven gaat en ik wil nog een keer Isolde de mooie zien. Ah, wist ik maar een boodschapper die naar haar toe zou gaan! Want ik weet dat ze naar me zou komen. Kaherdin, mijn strijdmakker, ik smeek het u vanwege vriendschap, probeer dit ding voor mij en als u mijn woord brengt zal ik uw leenheer zijn en ik zal u koesteren boven alle mannen.”

En toen Kaherdin zag dat Tristan instortte verweet zijn hart hem en hij zei: “Lieve kameraad, huil niet; Ik zal doen wat je verlangt zelfs als het risico mijn dood zal zijn zou ik het voor je doen. Nog door leed of door angst zal ik het doen naar mijn macht. Zeg me de woorden die u zendt en ik zal me klaar maken.”

En Tristan antwoordde; “Dank je, vriend; dit is mijn gebed; neem deze ring, het is een teken tussen haar en mij; en wanneer je in haar land komt geef je jezelf uit voor een koopman en laat je haar zijde en zo zien, maar zorg ervoor dat ze de ring ziet want dan zal ze een list vinden waarmee ze je in het geheim kan spreken. Vertel haar dat mijn hart haar groet; vertel haar dat alleen zij mij troost kan schenken en zag haar dat als ze niet komt ik zal sterven. Vertel haar dat ze onze vroegere tijd herinnert en ons grote verdriet en alle vreugde die er was in onze loyale en tedere liefde. En vertel haar dat ze de drank herinnert die we samen dronken op de volle zee. Want we dronken onze dood tezamen. Zeg haar dat ze zich de eed moet herinneren die ik gezworen heb om een enkele liefde te dienen want ik heb die eed gehouden.”

Maar achter de muur hoorde Isolde met de witte handen al deze dingen; en Tristan vervolgde: “Haast je, mijn vriend, en kom snel terug want anders zie je me niet meer. Neem veertig dagen als termijn maar kom terug met Isolde de mooie. En vertel je zus niets of zeg haar dat je een dokter zoekt. Neem mijn mooie schip met twee zeilen mee, een witte en een zwarte. En als je terugkeert en Isolde meeneemt hijs je het witte zeil; maar als je haar niet meeneemt het zwarte. Nu heb ik niets meer te zeggen maar God leid je en brengt je veilig terug.”

Met de eerste goede wind nam Kaherdin het zware anker en hees het zeil en ging met een lichte bries en brak de zeeĎn. Ze droegen rijke koopwaar met zich mee, geverfde zijde van zeldzame kleuren, glazuur van Touraine en wijn van Poitou want met deze list dacht Kaherdin Isolde te bereiken. Acht dagen en nachten voeren ze met volle zeilen naar Cornwall.

Nu is de woede van een vrouw een gevaarlijke zaak en alle mannen vrezen het want volgens haar liefde zal ook haar wraak zijn; en hun liefde en haat komen snel, maar hun haat leeft langer dan hun liefde en ze zullen spelen met liefde maar niet met haat. Dus Isolde met de witte handen die elk woord had gehoord en die zoveel van Tristan had gehouden wachtte op wraak op wie ze in de wereld het meeste lief had. Maar ze verborg het helemaal en toen de deuren weer open waren kwam ze naar Tristan’ s bed en bediende hem met eten zoals geliefden zouden doen en sprak hem zachtjes toe en kuste hem op de lippen en vroeg hem of Kaherdin gauw zou terug komen met een om hem te genezen…maar de hele dag dacht ze aan wraak.

En Kaherdin zeilde en voer totdat hij voor anker ging in de haven van Tintagel. Hij landde en nam de doek van zeldzame kleuren en een beker mee die goed bewerkt en geslepen was en maakte daarvan een geschenk voor koning Mark en smeekte hem hoffelijk om zijn vrede en waarborg zodat hij in zijn land handel drijven mocht en de koning schonk hem vrede voor alle mannen van zijn paleis.

Toen bood Kaherdin de koningin een gesp van fijn goud aan en zei: “Koningin, het goud  is goed.”

Toen nam hij de ring van Tristan van zijn vinger en deed het naast het juweel en zei: Zie, o koningin het goud van de gesp is van fijner goud, maar die ring heeft ook zijn waarde.”

Toen Isolde zag welke ring dat was beefde haar hart en veranderde haar kleur en uit angst wat er vervolgens zou worden gezegd trok ze Kaherdin naar een raam alsof ze het beter wilde zien en onderhandelen en Kaherdin zei zachtjes tegen haar: “Dame, Tristan is gewond aan een giftige speer en staat op het punt om te sterven. Hij stuurt je een bericht dat alleen u hem troost kan brengen en herinnert u de grote zorgen die jullie bij elkaar hebben gehad. Hou de ring, het is van u.”

Maar Isolde antwoordde en verzwakte: “Vriend, ik zal je volgen, maak je schip morgen gereed bij het aanbreken van de dag.”

En de volgende dag bij het aanbreken van de dag hieven ze het anker, trokken de mast en het zeil op en gelukkig verliet het schip het land.

Maar bij Carhaix lag Tristan en verlangde naar de komst van Isolde. Niets vervulde hem meer en zolang hij leefde was het alleen maar in het wachten op haar en dag in dag uit stuurde hij wachters naar de kust om te zien of er een schip kwam en om de kleur van het zeil te weten. Er was niets meer in zijn hart over.



He had himself carried to the cliff of the Penmarks, where it overlooks the sea, and all the daylight long he gazed far off over the water.

Hear now a tale most sad and pitiful to all who love. Already was Iseult near; already the cliff of the Penmarks showed far away, and the ship ran heartily, when a storm wind rose on a sudden and grew, and struck the sail, and turned the ship all round about, and the sailors bore away and sore against their will they ran before the wind. The wind raged and big seas ran, and the air grew thick with darkness, and the ocean itself turned dark, and the rain drove in gusts. The yard snapped, and the sheet; they struck their sail, and ran with wind and water. In an evil hour they had forgotten to haul their pinnace aboard; it leapt in their wake, and a great sea broke it away.

Then Iseult cried out: “God does not will that I should live to see him, my love, once—even one time more. God wills my drowning in this sea. O, Tristan, had I spoken to you but once again, it is little I should have cared for a death come afterwards. But now, my love, I cannot come to you; for God so wills it, and that is the core of my grief.”

And thus the Queen complained so long as the storm endured; but after five days it died down. Kaherdin hoisted the sail, the white sail, right up to the very masthead with great joy; the white sail, that Tristan might know its colour from afar: and already Kaherdin saw Britanny far off like a cloud. Hardly were these things seen and done when a calm came, and the sea lay even and untroubled. The sail bellied no longer, and the sailors held the ship now up, now down, the tide, beating backwards and forwards in vain. They saw the shore afar off, but the storm had carried their boat away and they could not land. On the third night Iseult dreamt this dream: that she held in her lap a boar’s head which befouled her skirts with blood; then she knew that she would never see her lover again alive.

Tristan was now too weak to keep his watch from the cliff of the Penmarks, and for many long days, within walls, far from the shore, he had mourned for Iseult because she did not come. Dolorous and alone, he mourned and sighed in restlessness: he was near death from desire.

At last the wind freshened and the white sail showed. Then it was that Iseult of the White Hands took her vengeance.

She came to where Tristan lay, and she said: “Friend, Kaherdin is here. I have seen his ship upon the sea. She comes up hardly—yet I know her; may he bring that which shall heal thee, friend.”

And Tristan trembled and said: “Beautiful friend, you are sure that the ship is his indeed? Then tell me what is the manner of the sail?”

“I saw it plain and well. They have shaken it out and hoisted it very high, for they have little wind. For its colour, why, it is black.”

And Tristan turned him to the wall, and said: “I cannot keep this life of mine any longer.” He said three times: “Iseult, my friend.” And in saying it the fourth time, he died.

Then throughout the house, the knights and the comrades of Tristan wept out loud, and they took him from his bed and laid him on a rich cloth, and they covered his body with a shroud. But at sea the wind had risen; it struck the sail fair and full and drove the ship to shore, and Iseult the Fair set foot upon the land. She heard loud mourning in the streets, and the tolling of bells in the minsters and the chapel towers; she asked the people the meaning of the knell and of their tears. An old man said to her:  “Lady, we suffer a great grief. Tristan, that was so loyal and so right, is dead. He was open to the poor; he ministered to the suffering. It is the chief evil that has ever fallen on this land.”

But Iseult, hearing them, could not answer them a word. She went up to the palace, following the way, and her cloak was random and wild. The Bretons marvelled as she went; nor had they ever seen woman of such a beauty, and they said: “Who is she, or whence does she come?”

Near Tristan, Iseult of the White Hands crouched, maddened at the evil she had done, and calling and lamenting over the dead man. The other Iseult came in and said to her: “Lady, rise and let me come by him; I have more right to mourn him than have you—believe me. I loved him more.”

And when she had turned to the east and prayed God, she moved the body a little and lay down by the dead man, beside her friend. She kissed his mouth and his face, and clasped him closely; and so gave up her soul, and died beside him of grief for her lover.

When King Mark heard of the death of these lovers, he crossed the sea and came into Brittany; and he had two coffins hewn, for Tristan and Iseult, one of chalcedony for Iseult, and one of beryl for Tristan. And he took their beloved bodies away with him upon his ship to Tintagel, and by a chantry to the left and right of the apse he had their tombs built round. But in one night there sprang from the tomb of Tristan a green and leafy briar, strong in its branches and in the scent of its flowers. It climbed the chantry and fell to root again by Iseult’s tomb. Thrice did the peasants cut it down, but thrice it grew again as flowered and as strong. They told the marvel to King Mark, and he forbade them to cut the briar any more.

The good singers of old time, Beroul and Thomas of Built, Gilbert and Gottfried told this tale for lovers and none other, and, by my pen, they beg you for your prayers. They greet those who are cast down, and those in heart, those troubled and those filled with desire. May all herein find strength against inconstancy and despite and loss and pain and all the bitterness of loving.



Hij liet zich naar de kliffen van Penmark dragen waar hij over de zee keek ende hele dag lang staarde hij ver weg over het water.

Hoor nu een verhaal dat met meeste trieste en medelijden wekkend is voor iedereen die van hem houdt. Al reeds was Isolde nabij; alreeds de kliffen zich ver weg toonden en het schip ging snel toen er plotseling een stormwind opstak en groeide en het zeil trof en het schip rond draaide en de zeelieden borgen het op en pijnlijk tegen hun wil voer het voor de wind. De wind woedde en de grote zee liep leeg en de lucht werd dik vanwege de duisternis en de oceaan zelf werd donker en de regen sloeg met vlagen. De boot kraakte en het laken, ze haalden het zeil neer en voeren met wind en water. In een slecht uur hadden ze vergeten hun sloep aan boord te halen, het sprong in hun kielzog en de sterke zee brak het.

Toen riep Isolde uit: “God wil niet dat ik leven zou om Tristan te zien, mijn liefde eenmaal zelfs geen een keer meer. God wil me verdrinken in de zee, O, Tristan, had ik je nog maar een keer gesproken, de kans is klein dat ik voor de dood had moeten zorgen die daarna komt. Maar nu, mijn liefste, kan ik niet naar je komen; want God wil het en dat is de kern van mijn verdriet.”
En aldus klaagde de koningin zolang de storm doorging; maar na vijf dagen stierf het weg. Kaherdin hees het zeil, het witte zeil, op de mast tot met grote vreugde; het witte zeil zodat Tristan misschien van ver de kleur zou herkennen; en al reeds zag Kaherdin Bretagne ver weg als een wolk. Nauwelijks waren deze dingen gezien en gedaan toen er een kalmte ontstond en de zee lag stil en onbezorgd. Het zeil zwol niet langer en de zeelui hielden het schip nu omhoog, nu naar beneden door het getij dat hen tevergeefs heen en weer slingerde. Ze zagen de kust van verre, maar de storm had hun boot meegenomen en ze konden niet landen. Op de derde nacht droomde Isolde deze droom; dat ze in haar schoot een zwijnskop vast hield die haar rokken bevuilde met bloed; toen wist ze dat ze haar geliefde nooit meer levend zou zien.

Tristan was nu te zwak om vanaf de kliffen van Penmark wacht te houden en gedurende vele dagen binnen de muren ver van de kust had hij om Isolde getreurd omdat ze niet kwam. Dol en alleen treurde en zichtte hij in rusteloosheid; hij was bijna dood van verlangen.

Tenslotte verfriste de wind en het witte zeil werd zichtbaar. Toen was het dat Isolde met de witte handen haar wraak nam.

Ze kwam naar de plaats waar Tristan lag en ze zei: “Vriend, Kaherdin is hier. Ik heb zijn schip op zee gezien. Ze komt nauwelijks omhoog, maar toch kerkende ik het, mag het brengen wat u zal genezen, vriend.”

En Tristan trilde en zei: Lieve vriendin, weet u zeker dat het inderdaad zijn schip is?” Vertel me dan welke kleur het zeil heeft?

“Ik zag het duidelijk en goed. Ze hebben het zeer hoog gehesen want ze hebben weinig wind. En zijn kleur, wel, het is zwart.”

En Tristan draaide zich om nar de muur en zei: “Ik kan dit leven van mij niet langer houden.” Hij zie drie keer: “Isolde, mijn vriendin. En toen hij het voor de vierde keer zei stierf hij.

Toen huilden overal in het huis de ridders en kameraden van Tristan hardop en ze haalden hem uit zijn bed en legden hem op een rijke doek en bedekten zijn lichaam met en lijkwade. Maar op de zee was de wind opgestoken, het trof het zeil goed en vol end reef het schip naar de kust en Isolde de mooie zette voet op het land. Ze hoorde luide rouw in de straten en het luiden van klokken in de munsters en kapeltoren; ze vroeg de mensen de betekenis van de doodsklok en hun tranen. Een oude man zei: “Dame, we lijden veel verdriet. Tristan die zo loyaal en zo eerlijk is dood. Hij stond open voor de armen; hij diende de lijdende. Het is het ergste kwaad dat ooit op dit land is gevallen,

Maar Isolde die het hoorde kon hem geen antwoord geven. Ze ging naar het paleis en volgde de weg en haar mantel was willekeurig en wild. Die van Bretagne verwonderden zich zoals ze ging; ze hadden nog nooit een vrouw van zo’ n schoonheid gezien en ze zeiden: “Wie is zij of van waar komt zij?”

Bij Tristan hurkte Isolde met de witte handen, gek van het kwaad dat ze gedaan had en riep en klaagde over de dode man. De andere Isolde kwam binnen en zei tegen haar: “Dame sta op en laat me bij hem komen; Ik heb meer recht om te rouwen dan u hebt, geloof me, Ik hield meer van hem.” 

En toen ze zich naar het oosten had gekeerd en God had gebeden verplaatste ze het lichaam een beetje en ging naast de dode man liggen, naast haar vriend. Ze kuste zijn mond en zijn gezicht en omhelsde hem stevig; en zo gaf ze op haar ziel en stierf naast hem vanwege het verdriet van haar geliefde.

Toen koning Mark hoorde van de dood van deze geliefden stak hij de zee over en kam in Bretagne; hij had twee dooskisten uitgehouwen voor Tristan en Isolde, een van chalcedoon voor Isolde en een van beril voor Tristan. En hij nam hun geliefde lichamen met zich mee op zijn schip naar Tintagel en bij de kapel links en rechts van de apsis liet hij rondom hun graven bouwen. Maar in een nacht ontsprong er uit het graf van Tristan een groene en bebladerde wilde roos, sterk in zijn twijgen en in de geur van zijn bloemen. Het klom via de kapel en wortelde weer bij Isolde’ s graf. Driemaal hebben boeren het omgehakt en driemaal groeide het weer en bloeide het en was sterk.

Ze vertelden het wonder aan koning Mark en hij verbood hem om de wilde roos meer om te hakken.

De goede zangers van weleer, Beroul en Tomas van Built, Gilbert en Gottfried vertelden dit verhaal voor geliefden en voor niemand anders en met mijn pen smeken ze je om gebeden. Ze begroeten diegenen die zijn neer gestoken en die in hun hart in problemen zijn en die van verlangen vervuld zijn. Moge allen hierin de kracht vinden tegen onstandvastigheid en ondanks alle verlies, pijn en bitterheid lief te hebben.




Zie verder: en: