Jacob van Maerlant, Rijmbijbel,  ca. 1271.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de index.

 

Uit; http://www.dbnl.org/tekst/maer002mgys01_01/

Er zijn geen hoofdstukken, dus verdeel ik ze in tabellen die dezelfde grootte hebben als twee bladzijden bij Maerlant, recht en links, 212 stuks.

 

 

[Rijmbijbel]

[fol.1r]

 

3Vader soene helech gheest 

Enich god sonder beghin 

Ghef mj hulpe ende wlleest 

Ende gratie in mjnen sijn

5 Dat hic vinde moghe word 

Scone ende rime goed 

Daer hic bi moghe bringhen vord 

dat leget in minen moet 

Marie moeder der genaden

10 Moeder der ontfarmecheit 

Ghi hebt den meneghen beraden 

Ghetroest van sire serecheit 

helpt mi vrouwe met vre bede 

dat hic ghewinne den eleghen gheest

15 die mi cracht ende moghentede 

verle'e'ne. dat mach mi helpen meest 

So bem ic danne onuervaert 

vraie rjme te bringhene vord 

van ere gesten die ic begard

20 hebbe. te ontbindene jn dietsche word 

Scolastica willic ontbinden 

Jn dietsche word vten latine 

Vrouwe nu moeti hu bewinden 

troest te sine in mjne pine.

25 Nv merct die hier an sult le'e'sen 

wat nutscepe dat hier an sal wesen 

hier ne vint men no fauele no borde 

No ghene truffe no faloerde 

Maer vraie rime ende ware woerd

30 hoe dat die tiit es comen voerd 

Sint dat die werelt erst begonde 

al tote dien dat quam die stonde 

dat ihesus xpristus te hemele clam 

die onse mensceit ane nam

35 hier vindic rime dachcortinghe 

ende daer toe ware leeringhe 

der noten gheliict dese ystorie 

dat meerct wel in huwe memorie 

die buten bitter heft die slume

40 die scale so art dat mense cume 

Metten tanden mach ghewinnen 

Maer al die soeteit die es binnen 

die bittereit van deser geste 

dats dat die vroetste ende die meeste

45 van lancheit dit ghegronden cume

dits de bittereit van der slume 

die artheit die leghet an die scale 

dats dat niemen al te male 

Mach verstaen wat die wort dieden

50 die soeteit der af dats dat den lieden 

die recht verstaen ende recht minnen 

Ende wareit ende goet bekinnen 

dat hem die woert so soete smaken 

omme dat sii sin van waren saken

55 dat sise gherne horen leesen 

Want daer ne mach ghen verlies an weesen 

Hoert hier oe god die weerelt stichte 

den troen metten sterren verlichte 

die lucht metten voeghelen vercierde

60 die vissche int water visierde 

die erde vercierde metten dieren 

Ende met cruden van manieren 

ende oe hi tachterst maecte den mensche 

doe hi hem alle die wensche

65 adde ghemaect die hem bedursten 

Maer nu suldi sonder vursten 

Gode met mi bidden mede 

dat hi mi dor dese warede 

die hic dichte van siere weet

70 vergheue dat hic mi besmet 

hebbe in luegheliken saken 

die mi die lichteit dede maken 

vander herten ende van den sinne 

Ende die weerelike dinghe

[fol.1v] 75 Ende hi die nideghe verdue 

die altoes versch siin ende nue 

Ende talre stont daer toe gherust 

dat hem te begripene lust 

Min ghedichte ende mine word

80 Ghi nideghe merct ende hord 

Ghi ne sult mi niet ghedeeren connen 

al te spade hebdis begonnen 

hets dompeit dat ghi vertert 

hu nijt dinct mi dat niemene deert

85 dan hu seluen in huen siin 

Ghi hebt die meer suareit der in 

Ghi siit te magher ende te bleker 

tui si di voer den oghen smeker

ende bachten valsch alse uerrader

90 Met judase moet ghiis alle gader 

hebt hu den nijt hic wille dichten 

ende mi der mede verlichten 

dor min segghen dor min castien 

Sone suldiis niet vertien

95 dies wille ghaen an min beghin 

Nu god verclare minen siin 

Merct hic wille ghis seker siit 

dits beghin van alre tiit 

God die maecte int beghin

100 Den hemel ende oec mede der in 

Alle die inghelike nature 

Desen hemel heet die scrifture 

Empireus in rechter name 

daer die inghele hare beghin in namen

105 ende hi maecte die erde mede 

Wi verstaen al hier ter stede 

daer die lettere die erde noemnt 

dat met hare materien compt 

al dat bi der erden leuet

110 ende al die dinc die soe vte gheuet 

Ende weder in hare kert 

dies weest oec wijs ende gheleert 

die materie van allen dieren 

van allen cruden van manieren

115 van boemen. van adams vlesche mede 

brochte soe voer hare daer ter stede 

Maer niet ne maketse god noch toe 

hier namaels maect hise ende hoert hoe 

die viere elemente. water. vier.

120 Erde. lucht. die waren hier 

Ghemaect al daer men die erde noemnt 

nu merct oe die redene compt 

Werelt ende tiit siin euen out 

dus sprect die wareit onse behout

125 van nieute maecte god int beghin 

den emel ende die jnghele der in 

Ende die andre elemente mede 

die erde was van hare scoenede 

Nochtoe deelloes na der nature

130 dies heetse jdel die scrifture 

Ende met deemstereden bedect 

die scrifture die vertrect 

dat die eleghe gheest ons heren

dats gods wille dus salment keeren

135 die wart up water ghedraghen 

dies woerds mach ons wel behaghen 

daer wart betekent ende bediet 

dat doepsel dat men nu pliet. 

DOe maecte god met sinen worde

140 dat lecht alse hict bescriuen hoerde 

dwoerd gods dats die soene 

die ons verloeste dats die goene 

die vlesch in marien ontfinc 

dat lecht her die sonne up ghinc

145 was een suerc claer ende scone 

Gheliic der dagheraet anden trone 

der sonnen onghelic van lechte 

al dus bescriuen ons gods knechte 

doe sach got dat lecht was goet

150 Ende versciet daer metter spoet 

dat lecht van der deemsterhede 

al hier verstaen wi teser stede 

dat lucifer ende sine scare 

versceden worden openbare

155 Omme hare ouerdeghe sonden

[Rijmbijbel]

[fol.1r]

 

3 Vader, Zoon, Heilige Geest 

Enige God zonder begin 

Geef mij hulp en bijstand

En gratie in mijn zin

5 Dat ik vinden mag woorden 

Mooi en rijmen goed 

Daar ik bij mag brengen voort 

dat ligt in mijn gemoed 

Maria moeder der genaden

10 Moeder der ontferming 

Gij hebt menigeen beraden 

Getroost van zijn zeren 

help me vrouwe met uw gebeden 

dat ik win de Heilige Geest

15 die me kracht en mogendheid

verleent dat mag me helpen meest 

Zo ben ik dan onvervaard

Fraaie rijmen te brengen voort

van een geest die ik begeer

20 heb te verklaren in Dietse woord 

Scolastica wil ik verklaren

In Dietse woord uit het Latijn 

Vrouwe nu moet u zich onderwinden 

troost te zijn in mijn pijn.

25 Nu merk die hieraan zal lezen 

wat nuttigheid hieraan zal wezen 

hier nee vindt men nog fabels nog grappen

Nog geen verzinsels nog gezwets

Maar fraaie rijmen en ware woorden

30 hoe dat de tijd is gekomen voort 

Sinds dat de wereld eerst begon 

al tot die dat kwam die stonde 

dat Jezus Christus ten hemel klom 

die onze mensheid aannam

35 hier vind ik rijmen tijdverdrijf 

en daartoe ware lering 

de noot lijkt op deze historie 

dat merk wel in uw memorie 

die buiten bitter heeft de huid

40 de schaal zo hard zodat men ze nauwelijks 

Met de tanden mag gewinnen 

Maar al de zoetheid die is binnen 

de bitterheid van dit verhaal

dat is dat de verstandigste en de grootste

45 van tijden dit doorgronden nauwelijks

dit is de bitterheid van de huid

de hardheid die ligt aan de schaal

dat is dat niemand helemaal 

Mag verstaan wat die woorden betekenen

50 de zoetheid daarvan dat is dat de lieden 

die het recht verstaan en recht beminnen 

En waarheid en goed bekennen 

dat hem die woorden zo zoet smaken 

omdat ze zijn van ware zaken

55 dat ze die graag horen en lezen 

Want daar nee mag geen verlies aan wezen 

Hoort hier hoe God die wereld stichtte 

de troon met de sterren verlichte 

de lucht met de vogels versierde

60 de vissen in het water versierde 

de aarde versierde met de dieren 

En met kruiden van manieren 

En ook hoe hij het laatste maakte de mens 

Toen hij hem al de wensen

65 had gemaakt die hem behoeven 

Maar nu zal ge zonder uitstel

God met mij bidden mede 

dat hij me door deze waarheid

die ik dichte van zijn weten

70 vergeef dat ik me besmet 

heb in leugenachtige zaken 

die me de lichtheid deed maken 

van het hart en van de zin 

En de wereldse dingen

75 En hij de nijdige verdoet

die altijd fris zijn en nieuw 

En te alle stond daartoe uitgerust

dat hen te begrijpen lust 

Mijn gedichten en mijn woorden

80 Gij nijdigaard merk en hoor 

Gij nee, zal me niet deren kunnen 

al te laat ben je begonnen 

het is domheid dat ge verteert 

uw nijd lijkt me dat het niemand deert

85 dan u zelf in uw zin 

Gij hebt die meer zuurheid daarin 

Gij bent te mager en te bleker 

Toen ze u voor de ogen smeken

en brachten vals als verrader

90 Met Judas moet ge alle tezamen 

hebben uw de nijd, ik wil dichten 

en me daarmede verlichten 

door mijn zeggen, door mijn kastijden 

Zo zal ge het niet verlaten

95 dus wil ik gaan aan mijn begin 

Nu God verheldert mijn zin 

Merk ik wil ge zeker bent 

Dit is begin van alle tijd 

God die maakte in het begin

100 De hemel en ook mede daarin 

Al die engelachtige naturen 

Deze hemel heet de schrift 

Empireum in rechte naam 

Daar de engelen hun begin in namen

105 en hij maakte de aarde mede 

Wij verstaan al hier ter plaatse

daar de letter de aarde noemt 

dat met haar materies komt 

alles dat bij de aarde leeft

110 en al die dingen die ze uitgeeft

En weer in zich keert 

dus was het ook wijs en geleerd 

de materie van alle dieren 

van alle kruiden van manieren

115 van bomen, van Adams vlees mede 

bracht ze voor haar daar ter plaatse

Maar niet nee maakte ze God nog toen 

hier later maakt hij ze en hoor hoe 

de vier elementen, water, vuur.

120 Aarde, lucht, die waren hier 

Gemaakt al daar men de aarde noemt 

nu merk hoe de reden komt 

Wereld en tijd zijn even oud

aldus spreekt de waarheid ons behoudt

125 van niets maakte God in het begin 

de hemel en de engelen daarin 

En die andere elementen mede 

De aarde was van haar schoonheid 

Nog toe geheel zonder naar de natuur

130 dus heet ze leeg de schrift 

En met duisterheid bedekt 

de schrift die verhaalt

dat de Heilige Geest onze Heer

dat is Gods wil dus zal men het keren

135 die werd op water gedragen 

dat woord mag ons wel behagen 

daar werd betekent en aangeduid 

dat doopsel dat men nu pleegt. 

Toen maakte God met zijn woorden

140 dat licht zoals ik het beschrijven hoorde 

het woord Gods dat is de verzoening 

die ons verloste dat is diegene 

die vlees in Maria ontving 

dat licht van haar de zon opging

145 was een zwerk helder en mooi 

Gelijk de dageraad aan de troon 

de zon ongelijk van licht 

aldus beschrijven ons Gods knechten 

toen zag God dat het licht was goed

150 En scheidde daar met een spoed 

dat licht van de duisterheid 

al hier verstaan we te deze plaatse

dat Lucifer en zijn schaar 

gescheiden worden openbaar

155 Om hun overdadige zonden

 

 

[fol.2r] van den jnghelen die wlstonden 

diere staende bleuen heet die boec dlecht 

Ende diere vielen na al recht 

Moghen wel heeten demsterede

160 daer noemde god dus le'e'st men mede 

dat lecht bi namen ende hiet dach 

die tiit daer deemsterede ane lach 

hiet onse here nacht bi namen 

Ende dit was alse wi vernamen

165 Een sondach ende dalreste dach 

die ter weerelt oint ghelach 

Des ander daghes dus eist bekent 

Maecte god dat firmament 

Jnt water ter middewarde recht

170 van watere so maecte hi echt 

hart ende vast gheliic kerstale 

Claer ghescepen alse dei scale 

Die sterren dit es bekent 

Die staen in dit firmament

175 firmament hetet bi namen. 

Omme da hem vaste hout te samen

Ende het die watre alsoe hout 

Die bouen hem siin met ghewoud 

dat sii niet ne commen ne'e'der

180 wat sii da<er> doen antwordic weeder 

dat ne weet niemene dan god ons here 

Sonder dat sulc in sine leere 

Seghet dat die dau danen coemt 

dit firmament heuet hi ghenoemt

185 Spreket die boec hemel bi namen 

Omme dat beaect al te samen 

Ende verhemelt die weerelt al 

Water. vier. berch ende dal. 

DEn derdendaghe leese wi van gode

190 dat hi met sinen ghebode 

dwater uersaemde in een couent 

dat es onder tfirmament 

dat hare die droecheit openbaerde 

die droecheit noemde god doe harde

195 Ende des waters versaminghen 

daer sii alle te samene ghinghen 

dat hiet hi bi namen zee 

Ende daer naer so maecte hi mee 

God besach dat het was goet

200 Ende hi seide metter spoet 

hic wille di gheuen cruut 

Ende hare groeneit comme vt. 

daer af comen moeghe saet 

Ende datter gheboemte up staet

205 dat appelle draghe na siere maniere 

Ende vrucht oec meneghertiere 

al dat hi seide was wl daen 

Want siin wille moeste wlgaen 

DEen vierdendaghe macte der ane

210 Onse here sonne ende mane 

Ende die sterren die hi ghesent 

Ende gheseet heft int firmament 

verre beneden sterren staen 

Sonne ende mane sonder waen

215 Ende alle die plane'e'ten mede 

derde heft de nederste stede 

van al den sterren. ende als hic wane 

Ende alse men leesende vint de mane

es de minste van den sterren

220 die ons lichten noch van verren 

die vroede liede segghen al bloet 

die sonne achtwaruen alse groet 

alse die erde es al gheheel 

Ende die mane es meerre een deel

225 dan die erde dus eist bescreuen 

Mane ende sterren siin ghegheuen 

dat sii dien naect maken clare 

want hi anders te leeliic ware 

Ende omme dat die nachts in watere pinen

230 Ende die oec wandelen in wostinen 

daer bi souden ghetroest weesen 

Ende alre meest oec alse wi leesen 

van libien int groete sant 

daer een clene wint alte hant

235 die weghe verwait soe dat se man 

altoes neghen bekennen can

[fol.2v] Ne daden die sterren men ne vonde 

Niemene diere gheghaen in conde 

Noch men ne vonde nemmermee

240 Niemene die voere in de zee 

Oec leesmen dat men voghele vint 

die vander sonnen niet en tuint 

Die clareit ghedoghen connen 

Nachts moetsi vlieghen ende ronnen

245 Ende hem bi den sterren voeden 

dat suldi mede wel ghevroeden

dat niet alleene dor die sconeede 

Noch allene dort leecht mede 

Sonne. sterre. ende mane.

250 Sijn gheseet. maer om te verstane 

Scone weder ende quaet der bi 

Ende om dat die minste des vroet sii 

dat si sceden dach ende nacht 

Weke ende maent ende dees jaers cracht

255 lentin. somer. heerfst. ende winter. 

die van dompeiden ghenen splinter 

Stekende heeft in sinen siin 

die magher vele leeren in 

versta wi so merken conne

260 dat ghemaect was die sonne 

Jnt oesten tilike te haren up ganghe

des auons der na. dan was niet langhe 

doe soe was ten onderen gane 

Maecte god risende de mane

265 Ende soe was wl van haren lechte 

dus proeuent mesters al bi rechte 

DEs .v. daghes versierde god ons here 

wende lucht. met groeter ere 

Der lucht gaf hi dat vlieghen conde

270 Ende dat suemmende ghinc ten gronde 

vissche en voghele dat es waer 

Maecte hi beede van watre daer 

God maecte alle dinc die roet 

Clene ende groet diet water voet

275 Ende wat so gaet oec ende vlieghet 

bedi mesdoet hi ende lieghet 

die seghet dat sij iet maken conden 

die quade gheeste dane sonden 

doe seinde hise ende benedide

280 Om dat hi wilde dat siin wille diide 

DEn sesten daghe versierde god 

De erde ende hiet na siin ghebod 

dat soe beesten brochte voerd 

hi wiste wel merct ende hoert

285 dat de mensche vallen soude 

maer doer sine dueghet so woude 

hi den mensche beesten gheuen 

Omme te verlichtene dat suare leeuen 

beesten merct dit wordelike saen

290 het si om dat sii ons bi staen 

Nv vraegt men of die goedertiere 

God. maecte die felle diere 

Ende de gheueninde voer adaems sonden 

die redene hebbic al vonden

295 dat alle diere sonder waen 

Ghemaect waren onderdan 

den mensche te sine emmermeere 

adde hi gheoert na onsen here 

Maer na de mesdaet alst wel sciint

300 word sii fel ende gheueniint 

Ende staende na siine scade 

Oec mede om siine mesdade 

Segghen ons die eleghe lude 

dat die boeme ende die crude

305 die nu wassen vruchte loes 

dat elc siine cracht verloes

van der mesdaet van adame 

Sonne ende mane van groeter scame 

Sterren ende diere steene

310 Ne behilden nemmeer alleene 

van hare cracht dan zeeuende deel 

te voeren adden sii se al gheel.

van de engelen die volstonden 

die er staan bleven heet dat boek het licht 

En die er vielen naar al recht 

Mogen wel heten duisterheid

160 daar noemde God, aldus leest men mede 

dat licht bij namen en heet het dag 

de tijd daar duisterheid aan lag 

heet onze Heer nacht bij namen 

En dit was zoals we vernamen

165 Een zondag en de allereerste dag 

die ter wereld ooit lag 

De andere dag aldus is het bekend 

Maakte God dat firmament 

In het water ter midden waart recht

170 van water zo maakte hij echt 

hard en vast gelijk kristal 

Helder geschapen als een eierschaal 

De sterren dit is bekend 

Die staan in dit firmament

175 firmament heet het bij naam. 

Omdat het vast houdt tezamen

En het dat water alzo houdt

Die boven hen zijn met geweld

dat ze niet nee komen neer

180 wat ze er doen antwoord ik weer 

dat nee weet niemand dan God onze Heer 

Uitgezonderd dat sommige in zijn leer

Zeggen dat de dauw er vandaan komt 

dit firmament heeft hij genoemd

185 Spreekt dat boek hemel bij namen 

Omdat het bedekt al tezamen 

En verhemelte de wereld al 

Water, vuur, berg en dal. 

De derde dag lezen we van God

190 dat hij met zijn gebod 

het water verzamelde in een convent 

dat is onder het firmament 

dat zich de droogte openbaarde 

die droogte noemde God toen aarde

195 En de water verzameling 

daar ze alle tezamen gingen 

dat heet hij bij namen zee 

En daarna zo maakte hij meer 

God zag dat het was goed

200 En hij zei met een spoed 

ik wil u geven kruid 

En hun groenheid komt uit. 

Waarvan komen mag zaad 

En dat er geboomte op staat

205 dat appels draagt naar zijn manier 

En vrucht ook menigerhande 

al dat hij zei was goed gedaan 

Want zijn wil moest volgaan 

De vierde dag maakte daaraan

210 Onze Heer zon en maan 

En de sterren die hij gezonden 

En gezet heeft in het firmament 

ver beneden sterren staan 

Zon en maan zonder waan

215 En al die planeten mede 

de aarde heeft de laagste plaats

van al de sterren en zo ik waan 

En zoals men lezende vindt de maan

is de kleinste van de sterren

220 die ons lichten nog van verre 

die verstandige lieden zeggen al bloot 

de zon acht maal alzo groot 

als de aarde is al geheel 

En de maan is maar een deel

225 van de aarde, aldus is het beschreven 

Maan en sterren zijn gegeven 

dat ze die nacht maken helder 

want die anders te lelijk was 

En omdat die Ô s nachts in water werken

230 En die ook wandelen in woestijnen 

daarbij zouden getroost wezen 

En allermeest ook, zoals we lezen 

van Libi‘ in het grote zand

daar een klein wind gelijk

235 de weg wegwaait zodat ze de man 

altijd nee geen bekennen kan

Nee, deden die sterren men niet vond 

Niemand die er gaan kon 

Nog men nee vond nimmermeer

240 Niemand die voer in de zee 

Ook leest men dat men vogels vindt

die van de zon niet iets 

Die helderheid gedogen kunnen 

Ôs Nachts moeten ze vliegen en rennen

245 En hen bij den sterren voeden 

dat zal ge mede wel bevroeden

dat niet alleen door die schoonheid 

Nog alleen door het licht mede 

Zon, sterren en maan.

250 Zijn gezegd, maar om te verstaan 

Mooi weer en kwaad daarbij

En omdat de minste dus bekend is 

dat ze scheiden dag en nacht 

Week en maand en de jaar kracht

255 lente, zomer, herfst en winter. 

die van domheid geen splinter 

Steken heeft in zijn zin 

die mag er veel leren in 

versta we zo merken kunnen

260 dat gemaakt was de zon 

In het oosten tijdig in haar opgang

De avond daarna, dat was niet lang 

Toen ze was ten onder gegaan 

Maakte God rijzende de maan

265 En ze was wel van haar licht 

aldus beproeven het meesters al bij recht 

De 5de dag versierde God onze Heer 

wendende lucht met grote eer 

De lucht gaf hij dat vliegen kon

270 En dat zwemmende ging te gronde 

vissen en vogels dat is waar 

Maakte hij beide van water daar 

God maakte alle ding die goed 

Klein en groot die het water voedt

275 En wat zo gaat ook en vliegt 

daarom misdoet hij en liegt 

die zegt dat zij iets maken konden 

de kwade geest dan zonden 

toen zegende hij ze en benedijde

280 Omdat hij wilde dat zijn wil gedijde 

De zesde dag versierde God

De aarde en zei naar zijn gebod 

dat ze beesten bracht voort 

hij wist wel, merk en hoor

285 dat de mens vallen zou 

maar door zijn deugd zo wou 

hij de mens beesten geven 

Om te verlichten dat zware leven 

beesten merk dit woordje gelijk

290 hetzij omdat ze ons bijstaan 

Nu vraagt men of die goedertieren 

God maakte die felle dieren 

En de venijnige voor Adams zonden 

die reden heb ik al gevonden

295 dat alle dieren zonder waan 

Gemaakt waren onderdanig 

de mens te zijn immermeer 

had hij gehoord naar onze Heer

Maar na de misdaad, zoals het wel schijnt

300 worden ze fel en venijnig 

En staan naar zijn schade 

Ook mede om zijn misdaden

Zeggen ons de heilige lieden 

dat de bomen en de kruiden

305 die nu groeien vruchteloos

dat elk zijn kracht verloor

van de misdaad van Adam 

Zon en maan van grote schaamte 

Sterren en dure stenen

310 Nee, behielden nimmer alleen 

van hun kracht dan het zevende deel 

tevoren hadden ze die al geheel.

 

 

[fol3r] DOe sprac god make wi den man 

Nu merct ende verstaet hier an

315 tote wien seide hi maken wie 

der persone so siin drie 

de drieuoudecheit spreect ghemeene 

dits den mensche ene here niet cleene 

dattene god makede met voerrade

320 al maecti met siire ghenade 

al de andre creaturen 

hine sprac niet van hare naturen 

alse hi tote des menschen dede 

Nochtan was hi ghemaket mede

325 Na der zielen des gods ghebelde 

dit was den mensche groete welde 

Na den lichame wildit horen 

heft hiis vele te voren 

want hi es van meester werden

330 den besten staet dat oeft ter erden 

Ende den mensche te hemele waert 

Jn drien saken openbaert 

God des menschen weerdechede 

dat hi niet alleene mede

335 Ghemaect was omme hertsche welde 

Maer na der zielen gods ghebelde 

Dander es als ic erst seide 

datter god sinen raet toe leide 

Ende seide maken wi den man

340 de derde waerdecheit der an 

dats dat hi ghemaect was alse here 

van allen dieren met groeter ere 

dat sine voeden na den sonden 

Ende cleden souden tallen stonden

345 Ende helpen sinen arbeit draghen 

vor de mesdaet hoer ic ghewaghen 

Gaf god den mensche ende den dieren 

vruucht tetene van manieren 

want derde brochte niet dan goet

350 Mensche marc of du bes vroet 

du heues verloren in den meesten 

dine herscap in den besten 

an draken ende an liebarde 

an tigren ende an luparde

355 dit was groete waerdechede 

an die mintste hef stu mede 

Ghewelt verloren om diin lieghen 

dats an messien ende an vlieghen 

an die middelste hefstu ghewout

360 om dat tu marken sout 

dattu here altoes wars bleuen 

der beesten atstu niet begheuen 

tgebod dat di god gheboet 

dus vielstu in groeter noet

365 God benedide den man 

ende seide deese woert der an 

wasset ende wert menech vout 

dit woert dat men ghescreuen hout 

Gaet jeghen die buggheren die spraken

370 valschelike in haren traken 

dat huwelic te gherestonde 

Ne mach weesen sonder sonde 

die daet waent hem weert suaer pardoen 

God en hiet noint sonde doen

375 God sach al dat hi adde ghemaect 

al waest goet ende wel gheraect 

Uulmaect es nu hemel ende erde 

Ende al hare sierheit met groeter werde 

Des .vi. daghes verwldi mede

380 al werc daer hi neerenst toe dede 

Ende ruste up den .vij. dach 

Niet dat hem eneghe pine verwach 

Maer dat hi siin maken liet 

Jn sulken ne market niet

385 hine maect noch alle daghe 

vele dincs dins ghene saghe 

Maer hine maecte niet hier na 

Sine materie die ne was daer 

Ghemaect of hare ghelike

390 an adame was sekerlike 

die materie van alden lieden 

dit willic an siin vlesch bedieden

van sinen vlessche esset al 

dat es ende was ende commen sal

395 Ende mensche voerme heuet ontfaen 

van der zielen suldi verstaen 

dat daer ghene ziele af cam 

Maer wie so vlesch van hem nam

[fol.3v] God gaf hem ziele ghelic adame

400 de zeuende dach die heet die name 

daer god up ruste saterdach 

Ende in ebreus eist alse ict sach 

heetent die iueden sabaet 

dats ruste gods daert al ane staet

405 [ende hi benedidene dats waer] 

Sint vierdemenne menech jaer 

Duus alse ghiit hier hebt vernomen 

So eist ons van Moysesse comen 

dat got maecte hemel ende erde

410 Ende al dat boerde thare werde 

al benediide hiit ende seinde 

dit was eer dat noint reinde 

want eene fontejne van groeten prijse 

die quam uten paradyse

415 gaf natheit in groeter tiit 

al omme ende omme der weerelt 

tparadys bediet marien 

de fonteine ihesus den vrien 

die al met duegeden maket nat

420 hier naer sal hict verclaren bat 

wat riiuieren der ute quamen 

Ende oe dat sii heeten bi namen 

hoert van adame dat besceet 

God maectene alse hier voren steet

425 van der herden van den lime 

Na den vlesche eist dat ic riime 

Ende die ziele maecti van niete 

weet weel dat hi achter liete 

de wareit die niet gheloueden dies

430 de lettre spreect dat hi in blies 

hem den leuenliken gheest 

dat bediet recht alre meest 

dat hi die ziele sende in vat 

plato dolde in deeser stat

435 die edelste clerc van ogher name 

die seide dat ten lachame 

die inghele maecten ende god den gheest 

dat segghen sulke hebbe ic ghevreest 

dat de ziele ware meede

440 ghemaect vander goddeliichede 

ware dat waer sone mochte dan 

Niet ghene sonde doen de man 

Niechtemeer dan onse here 

Noch oec steruen nemmermeere

445 DE man was ghemaect vander moude 

dat merct. recht in manliker oude 

wlcommen in crachte in wlre jueghet 

wl maect van leeden jn sulker dueghet 

wilde hi tghebot gods niet begheuen

450 dat hi mochte eweelike leuen 

verbrake hiit oec doer eneghe noet 

Dat hire omme smaken soude de doet 

Duus was hem wl wille ghegheuen 

Weder hi steruen wilde ofte leeuen

455 God die milde es ende wiis 

die maecte dat paradys 

ten derden daghe doe hi vt 

Comen dede bome ende cruut 

al daer die weerelt es an beghin

460 dat es ten oesten no meer no min 

al daer heuet hiit gheseet 

het bescriuet die heleghe weet 

dat et es die scoenste stede 

die es onder den emel mede

465 beede bi berghen ende bi landen 

vte onser wanderinghen ghestanden 

Jof so gheuest metter zee 

dat man ne ghewonne nemmermee 

Noch ne gheen came in de stede

470 Met neghere bendechede 

het was toter manen oech 

Bedi bleeft vander loeuien droech 

Jnt paradys sette onse here god 

alt hout want het was siin ghebod

Toen sprak God maken we de man 

Nu merk en versta hieraan

315 tot wie zei hij te maken wie 

de personen zo zijn drie‘n 

de Drievuldigheid spreekt algemeen  (1)

dit is de mens, een heer niet klein 

dat hem God maakte met voorberaad

320 al maakte hij met zijn genade 

al de andere creaturen 

hij sprak niet van hun naturen 

zoals hij tot de mens deed 

Nochtans was hij gemaakt mede

325 Naar de ziel van Gods beeld 

dit was de mens grote weelde 

Naar het lichaam wilde ge het horen 

heeft hij veel te voren 

want hij is van grootste waarden

330 de beesten staat dat hoofd ter aarde 

En de mens te hemel waart 

In drie zaken openbaart 

God de mensen waardigheid

dat hij niet alleen mede

335 Gemaakt was om de aardse weelde 

Maar naar de ziel Gods beeld 

De andere is zoals ik eerst zei 

Dat er God zijn raad toe legde 

En zei maken we de man

340 de derde waardigheid daaraan 

dat is dat hij gemaakt was als heer 

van alle dieren met grote eer 

dat ze hem voeden na de zonde 

En kleden zouden te alle stonden

345 En helpen zijn arbeid dragen 

voor de misdaad hoor ik gewagen 

Gaf God de mens en de dieren 

vrucht te eten van manieren 

want de aarde bracht niets dan goeds

350 Mens merk als u bent verstandig 

u hebt verloren in de meeste

uw heerschappij in de beesten 

aan draken en aan leeuwen 

aan tijgers en aan luipaarden

355 dit was grote waardigheid

aan de minste heeft u mede 

Geweld verloren om uw liegen 

Dat is aan muggen en aan vliegen 

van de middelste hebt u geweld

360 omdat u merken zou 

dat u heer altijd was gebleven 

de beesten had u begeven 

het gebod dat u God gebood 

dus viel u in grote nood

365 God zegende de man 

en zei dit woord daaraan

groei en wordt menigvuldig

dit woord dat men geschreven houdt 

Ga tegen die ketters die spreken

370 vals in hun streken 

dat huwelijk te gene stonde 

Nee, mag wezen zonder zonde 

die daad waant hen waard zwaar pardon 

God zei nooit zonde te doen

375 God zag al dat hij had gemaakt 

al was het goed en goed geraakt 

Volmaakt is nu hemel en aarde 

En al haar sierlijkheid met grote waarde

De 6de dag vervulde mede

380 al werk daar hij vlijt toe deed 

En ruste op de 7de dag 

Niet dat hem enige pijn verwachte 

Maar dat hij zijn maken liet 

In zulke nee merk niet

385 hij maakt nog alle dagen 

vele dingen en dat is geen sage 

Maar hij maakte niet hierna 

Zijn materie die nee was daar 

Gemaakt of haar gelijke

390 aan Adam was zeker

de materie van al de lieden 

dit wil ik aan zijn vlees beduiden

van zijn vlees is het al 

dat is en was en komen zal

395 En mens vorm heeft ontvangen 

van de ziel zal ge verstaan 

dat daar geen ziel van kwam 

Maar wie zo vlees van hem nam

God gaf hem ziel gelijk Adam

400 de zevende dag die heeft de naam 

daar God op rustte zaterdag 

En in Hebreeuws is het zoals ik het zag

Heten het de Joden sabbat 

Dat is rust God daar het al aan staat

405 [en hij zegende dat is waar] 

Sinds vierde men het menig jaar 

Dus zoals ge hier hebt vernomen 

Zo is het ons van Mozes gekomen 

dat God maakte hemel en aarde

410 En al dat behoorde tot haar waarde 

al benedijde hij het en zegende 

dit was eer dat nooit regende 

want een fontijn van grote prijs 

die kwam uit het paradijs

415 gaf natheid in grote tijd 

alom en om de wereld 

het paradijs betekent Maria 

de fontein Jezus de vrije 

die al met deugden maakte nat

420 hierna zal ik het verklaren beter

wat rivieren daaruit kwamen 

En ook ze heten bij namen 

hoort van Adam dat bescheidt

God maakte hem zoals hier voren staat

425 van de aarde van de leem 

Naar het vlees is het dat ik rijm 

En de ziel maakte hij van niets 

weet wel dat hij achter liet 

de waarheid die niet geloofden dit

430 de letter spreekt dat hij in blies 

hem de levende geest 

dat betekent recht allermeest 

dat hij de ziel zond in het vat 

Plato doolde in deze plaats

435 de edelste klerk van hoge naam 

die zei dat het lichaam 

de engelen maakten en God de geest 

dat zeggen sommige heb ik gevreesd 

dat de ziel was mede

440 gemaakt van de Goddelijkheid 

was dat waar zo mocht dan 

Nee, geen zonde doen de man 

Niet meer dan onze Heer 

Nog ook sterven nimmermeer

445 De man was gemaakt van de modder 

dat merk recht in mannelijke ouderdom 

volkomen in kracht in hun jeugd 

volmaakt van leden in zulke deugd 

wilde hij het gebod God niet begeven

450 dat hij mocht eeuwig leven 

verbrak hij het ook door enige nood

Dat hij er om smaken zou de dood 

Dus was hem wel wil gegeven 

Weder hij sterven wilde of leven

455 God die mild is en wijs 

die maakte dat paradijs 

te derde dag toen hij uit 

Komen deed bomen en kruid 

al daar de wereld is aan het begin

460 dat is ten oosten nog meer of min 

aldaar heeft hij het gezet

het beschrijft de heilige wet 

dat het is de schoonste plaats 

die is onder de hemel mede

465 beide bij bergen en bij landen 

uit onze veranderen bevinden

Of ze geeft het met de zee 

dat man nee gewint nimmermeer 

Nog nee geen kwam in de plaats

470 Met nee geen handigheid 

het was tot de maan hoog

Daarom bleef het van de zondvloed droog 

In het paradijs zette onze Heer God

Al het hout want het was zijn gebod

(1) In het Hebreeuws staat 25: Ôen de Goden zagen dat het goed wasÕ. Een probleem met 1 God. Daarom wordt hier de Drievuldigheid gemaakt. Dat was met MariaÕs maagdelijkheid nogal een strijd vroeger van verschillende theologische groeperingen en vooral Arianen die er maar 1 God in zagen. Die werden ketters genoemd wat tienduizenden mensen het leven heeft gekost. Nu staat er alleen; ÔGod zag dat het goed wasÕ. Is dan ook de Drievuldigheid verdwenen?

 

[fol.4r] 475 dat scone was ende smaken soechte 

omme dat den man ghenoeghen mochte 

bede de smake ende dat up sien 

jn die middewarde van dien 

sette hi des leeuens hout

480dat heuet die cracht ende die ghewout 

die de vruucht et soe mach hem gheuen 

ghesonde ende langhe leeuen 

Oec segghen sulke boeke meer 

dat hi mach leuen emmermeer

485 bedi sette hi oec der binnen 

den boem die goet ende quaet leert kinnen 

dat heuet bedi de name ontfaen 

Om dat doe adaem adde mesdaen 

daer an dat hi maecte tquade

490 ende van den goeden vel in scade 

de fontejne daer ic er af liet 

die dor dat paradys al vliet 

Gaf al den boemen saeps ghenoech 

[ende al der plaetchen int gheuoech]

495 die deelt haer daer in vieren riuieren 

de namen salic u visieren 

fisons. ende ganges eet die eene 

die lopet endi duere alleene 

men vint gout in hare sant

500 tdbeste dat es in enech lant 

Gion of nilus comnt ghelopen 

dor dat lant van ethyopen 

al dus eet dandre riuiere 

tygris de derde. eufrates. dits viere

505 dicken vallen sie in de erde 

dat si lopen hare verde 

Ende springhen vte eere andre stad 

die boeke bescriuen ons dat 

God droech den mensche van der erde

510 dat hine adde ghemaect werde 

jnt paradys om dat hi woude 

dat hi der in werken soude 

Niet der in pinen dor de noet 

Maer ghenoechte hebben groet

515 Ende dattene god soude wachten mede 

Ende zee. man die eleghe plaatse 

Gods ghebot hem wildit weeten 

van alre vruucht soe soutu eeten 

Sonder die es an den boem

520 Die goets ende quaets leert neemen goem

vp wat daghe dat dur af eets 

Sprac got hic wille dat tud weets 

Dan soutu daer naer steruelic wesen 

Doe seide god te ant na deesen

525 dat de mensche weesen moet 

alleene dan nees niet goet 

make wi hem oec bedi 

hulpe die hem gheliic sii 

Ende met dien so brochte god

530 voer adame na siin ghebod 

alle voghele metten dieren 

van lichte van lande van riuieren 

Ende al dat men vint in der zee 

Omme tue saken ende nemmee

535 dat hise noumen soude daer 

Ende hi weeten soude voer waer 

dat siin gheliic na den lechame 

No der sielen daer niet ne came 

daer gaf hem doe adaem de ionghe

540 name na ebreusche tonghe 

die deerste was van allen spraken 

doe deede god na deesen saken 

Eenen slaep comen in adame 

al heuet die dinc slapens name

545 het was al onmachte van sinne 

daer wi gheloeuen dat hi jnne 

die emelsche bliscepe vernam 

want dat eersten doe hi bequam 

profetiseerde hi segghen clerke

550 van ihesus ende van der elegher kerke 

Ende voerseide der loeuien ganc 

Ende doemesdach te voeren lanc 

dat hi met brande soude comen 

dit seidi siinen kindren somen

555 jn deesen slape te deeser stede 

Nam god eene rebbe ende vlesch der meede

[fol.4v] Ende maectere af .j. wiif alleene 

vlesch van vlesche been van beene 

Ende setteese voer adame

560 dat hi hare gheuen soude name 

hi sprac dit vlesch ende dit been 

es van den minen ende al een 

virago sal mense noemen

dat luut van manne comen

565 aldus hiet soe voer de sonden 

maer daer naer in corten stonden 

doe soe de sonde adde ghedaen 

so hiet hise. eua. saen 

dat woert mach men dus bedieden

570 dat soe was moeder al der lieden 

alst kint ter weerelt comet vt 

So es des cnapelins eerste luut 

.a. ende des meiskins .e. 

dit ne faeiliert nemmermee

575 doe adaem dwijf adde ghenant 

profeterde hi alte ant 

Omme dat soe es van minen liue 

sal de man volghen siinen wiue 

moeder ende vader begheuen

580 Ende daer naer so es bescreuen 

jn eenen vlesch sulsi tue weesen 

huwelic voerseide hi na desen 

doe eua ende adaem waren ghemaect 

waren si bedegader naect

585 Ende sine scaemden hem niet 

Maerct dat men dit an kindren siet 

sine scamen hem niet eer entujnt 

Eer hare nature sonden kint 

dus waest van euen ende van adame

590 dat sii waren sonder scame 

Tien stonden ende ter seluer vren 

was van allen creaturen 

dat verstaet van allen beesten 

tserpent lustech na der geesten

595 Ende scalc oec van sinne 

wan<t> de dieuel wasser jnne 

want doe lucifer die scone 

wart gheworpen van den trone 

adde hiis niit in alre wiis

600 dat adaem was int paradiis 

Ende pensde oe hine vt dade steeken 

dade hi hem tghebod gods breken 

so moesti huut pensde hi dan 

maer dat hi ontsach den man

605 des ghinc hi eerst toten wiue 

Omme dat soe cranker was van liue

metten serpente heuet hiit bestaen 

want dat soe plach doe sonder waen 

up ende neder recht te gane

610 recht na des menschen ghedane 

beda scriuet die clerc was diere 

het was een serpents maniere 

Gheansicht alse .i. joncvrouwe 

vte hem sprac die onghetrouwe

615 alse hi nu doet wildit weeten 

vte dien die hi heuet beseeten 

Ende hi seide dat ghebot 

waer omme so gaeft v god 

dat ghi van al den houte ghemeene

620 Nut sonder van eenen alleene 

dit vraghede hi want na hare antworde 

soe visierde hi sine moerde 

soe sprac omme dat wi bi auenturen 

die doet niet ne souden besuren

625 alsoe bi auenturen seide. 

maercte hi wel hare crancheide. 

dat soe vaste niet ne ghelouede 

Ende seide ut des serpents hoeuede 

No ghine bliifter niet omme doet

630 maer hi weet wel die here groet 

so weltiit so ghire of hebt gheeten 

so suldi vroeden ende weeten 

vroescap alse of ghi god waert

475 dat mooi was en smaakte zacht 

omdat de man vergenoegen mocht 

beide de smaak en dat opzien 

In het midden van die 

zette hij het levenshout

480 dat heeft de kracht en dat geweld 

die de vrucht het zo mag hem geven 

gezondheid en lang leven 

Ook zeggen sommige boeken meer 

dat hij mag leven immermeer

485 daarom zette hij het ook daarbinnen 

de boom die goed en kwaad leert kennen 

dat heeft daarom de naam ontvangen 

Omdat toen Adam had misdaan 

Daaraan dat hij maakte het kwade

490 en van het goede viel in schade 

de fontein daar ik er van liet 

die door dat paradijs al vliedt 

Gaf al de bomen sap genoeg 

[en al de plaatsen in het gevoeg]

495 die deelt zich daar in vier rivieren 

de namen zal ik u versieren 

Fisons of Ganges heet die ene 

die loopt Indi‘ door alleen 

men vindt goud in haar zand

500 het is beste dat is in enig land 

Gion of Nijl komt gelopen 

door dat land van Ethiopi‘ 

aldus heet de andere rivier 

Tigris de derde, Eufraat, dit is vier

505 vaak vallen ze in de aarde 

dat ze lopen hun vaart

En springen uit op een andere plaats 

de boeken beschrijven ons dat 

God droeg de mens van de aarde

510 dat hij hem had gemaakt waardig

in het paradijs omdat hij wou 

dat hij daarin werken zou 

Niet daarin pijnen door de nood 

Maar genoegen hebben groot

515 En dat hem God zoude beschermen mede 

En zei, man die heilige stede 

Gods gebod hem wilde gij het weten 

van alle vrucht zo zou u eten 

Uitgezonderd die is aan de boom

520 Die goed en kwaad leert neem kennis

op wat dagen dat u er van eet 

Sprak God, ik wil dat u het weet 

Dan zou u daarna sterfelijk wezen 

Toen zei God gelijk na deze

525 dat de mens wezen moet 

alleen, dan is het niet goed 

maken we hem ook daarom 

hulp die hem gelijk is 

En met die zo bracht God

530 voor Adam na zijn gebod 

alle vogels met de dieren 

van lucht, van land, van rivieren 

En al dat men vindt in de zee 

Om die zaak en nimmermeer

535 dat hij ze benoemen zou daar

En hij weten zou voor waar 

Die zijn gelijk naar het lichaam 

Nog de ziel daar niet nee kwam 

daar gaf hem toen Adam de jonge

540 namen naar Hebreeuwse tong 

die de eerste was van alle spraken 

toen deed God na deze zaken 

Een slaap komen in Adam 

al heeft dat ding de slaap naam

545 het was alles onmacht van geest

daar wij geloven dat hij in 

die hemelse blijdschap vernam 

want het eerste toen hij bijkwam

profetiseerde hij, zeggen klerken

550 van Jezus en van de heilige kerk 

En voorzei de zondvloed gang 

En doemsdag te voren lang 

dat hij met brand zou komen 

dit zeiden zijn kinderen sommige

555 in deze slaap te deze plaats 

Nam God een rib en vlees daarmee

En maakte er van 1 wijf alleen 

vlees van vlees, been van been 

En zette haar voor Adam

560 dat hij haar geven zou naam 

hij sprak dit vlees en dit been 

is van de mijne en al een 

virago zal men haar noemen

dat luidt van man te komen

565 aldus heette ze voor de zonde 

maar daarna in korte stonden 

toen ze de zonde had gedaan 

zo heette hij haar Eva gelijk 

dat woord mag men aldus aanduiden

570 dat ze was moeder al de lieden 

als het kind ter wereld komt uit 

Zo is het knaapje eerste geluid

a en de meisjes e 

dit nee faalt nimmermeer

575 toen Adam het wijf had genaamd 

profeteerde hij gelijk

Omdat ze is van mijn lijf 

zal de man volgen zijn wijf 

moeder en vader begeven

580 En daarna zo is beschreven 

in een vlees zal ge wezen 

huwelijk voorzei hij na deze

toen Eva ende Adam waren gemaakt 

waren ze beide gelijk naakt

585 En ze schaamden zich niet 

Merk dat men dit aan kinderen ziet 

ze schamen zich niet iets 

Eer hun natuur zonden kent 

aldus was het van Eva en van Adam

590 dat ze waren zonder schaamte 

Te die stonden en terzelfder uren 

was van alle creaturen 

dat verstaat van alle beesten 

het serpent lustig naar de geest

595 En schalks ook van zin 

want de duivel was er in 

want toen Lucifer die mooi 

werd geworpen van de troon 

had hij nijd in alle wijs

600 dat Adam was in het paradijs 

En peinsde ook hij hem uit deed steken 

deed hij hem het gebod God breken 

zo moest hij er uit peinsde hij dan 

maar dat hij ontzag de man

605 dus ging hij eerst tot het wijf 

Omdat ze zwakker was van lijf

met het serpent heeft hij het bestaan

want dat het plag toen zonder waan 

op en neer en recht te gaan

610 recht naar de mensen gedaante 

Beda schrijft het die klerk was duur 

het was een serpenten manier 

met een aanzicht als 1 jonkvrouw 

uit hem sprak die ontrouwe

615 zoals hij nu doet wilde ge het weten 

uit diegene die hij heeft bezeten 

En hij zei dat gebod 

waarom zo gaf het u God

dat gij van al het hout algemeen

620 Nuttigt uitgezonderd van een alleen 

dit vroeg hij want na haar antwoord 

zo versierde hij zijn moord 

ze sprak omdat wij bij avonturen 

die dood niet nee zouden bezuren

625 zoals ze bij avonturen zei. 

Merkte hij wel haar zwakheid. 

dat ze het vast niet nee geloofde 

En zei uit het serpent hoofd 

Nog ge blijft er niet om dood

630 maar hij weet wel die heer groot 

zo welke tijd zo ge er van hebt gegeten 

zo zal ge bevroeden en weten 

kennis alsof ge God was

 

 

[fol.5r] Eua waert veruaert

635 want soe gode waende gheliken 

soe sach den scoenen boem den riken 

Ende die vrucht scoene ende sochte 

soe at dat soe sider becochte 

Ende boet adame haren man

640 die messchien merken beghan 

dat soe te ant niet ne bleef doet 

Nochtanne wisti wel al bloet 

wat quade der af soude comen 

dus eist bescreuen van hem somen

645 Ende hi at wat sore af soude ghescien 

hare oghen ontdaden mettien 

Niet dat si blent adden ghewesen 

Maer hare lust verroerde met deesen

jn die naturlike leede

650 dat soe te voeren niet ne dede 

Ende begonnen hem beden scamen 

van hare naecter mesquamen 

Doe naemsi bede gader 

met haren rade vighe blader

655 Ende gordense om hare scamelike lede 

dus decten si hare scameliichede 

daer si saten onder die rijse 

hoerden sii in den paradise 

Gode wandelen daer hi quam

660 die sprac waer bestu adam 

here seide hi doe hic adde verstaen 

dine stemme vervardic mi saen 

Ende hebbe mi ghedecht dor das 

Omme dat hic naect was

665 God sprac wie heft di dat ghewiiset 

Sonder dattu di ghespiset 

heues met dat ic di verboet 

doe sprac adaem dulheit groet 

alse of hi gode sine mesdaet

670 wilde tijen ende siin quaet 

dwijf dattu mi gaues sprac hi 

Gaeft mi ende ic aet bedi 

alse of hi meende het ware bleuen 

Ne hadstuse mi niet ghegheuen

675 doe sprac god te hare dies at 

waer omme so datstu dat 

doe teegt ieue den serpente 

maer van alden parlemente 

droech hare meeninghe van der tale

680 gode te tiene al te male 

dat adaem van der reinder herde 

was ghemaect van groeter werde 

die nie smerte ne adde ontfaen 

No oec niet ne was ondaen

685 No met ploeghen no met spaden 

No besmet met ghere ondaden 

betekende de reine marie 

die sonder eneghe dorpernie 

hare reine vlesch in reinen liue

690 Niet alse pleghen andre wiue 

jhesuse droech oec ende wan

19 Onbesmet van andren man 

Gheliker wis oec dat adam 

des .vi. daghes ter weerelt cam

695 also wart jhesus onse troest vercoren 

jn der .vi. ewen gheboren 

den serpente vraghede hi niet 

buten sinen rade eist ghesciet 

want bi des duuels rade cament al

700 doe vloecti als hic scriuen sal 

want hiis ant serpent began 

Ende leide hem drie vloeke an 

Omme dat in drien mesdede 

Eersten in die nidechede

705 ander waerf omme dat heet loech 

danderwaerf omme dat den man bedroech 

des waest al dus vermalendiit 

het adde omme smenschen oecheit niit 

bedi so seide god aldus saen

710 vp dine borst so sulstu gaen 

van loghenen sloecht god in den mont 

ende sprac du sult talre stont 

erde heeten in diin leeuen

[fol.5v] dat lut dat hem was ghegheuen

715 nam hem god al daer ter stede 

Ende gaf den monde venijn mede 

van hoenten at eenen godtsat 

jc sal sprac god al daer ter stat 

viantsceep setten sonder bliif

720 tusschen di ende dwijf 

soe sal up diin oeft treden 

ende du sult oec talre steden 

hare ende hare gheslachte laghen 

deese woerde mach men draghen

725 tote der moeder gods marien 

die den duuel met sire partien 

altoes duinghet ende jaghet 

al eist dat hi hare saghet 

Hecht alse die man doet ende pine

730 ontfaet van serpents venine 

alsoe mach smenschen nuchterne spu 

dat serpent doden segghic.  

Omme dat sii beede naket waren 

So vliet noch serpent te waren

20 735 den naecten mensche waer hi ghecleet 

so soutene veninen ghereet 

jn tuen saken so mesdede dwijf 

soe was hoeuerdech int liif 

bedi settese emmermeer god

740 te sine onder des mans ghebot 

Omme dat soe at verbodene spise 

dat becocht soe in sulker wise 

dat soe met rouwen tskints gheneest 

omme den apel daer men af leest

745 Omme dat adaem in eere wise 

alleene mesdede an de spise 

des neert hem noch met arbeide 

de man in bossche ende in der heide 

die herde was gheuloect ghenoech

750 omme dat soe die vrucht droech 

des draegse noch in onsen coerne 

bede destelle ende doerne 

Doe maecte god yeuen ende adame 

omme te deckene hare scame

755 tue rocke van beesten vellen 

dat meendire mede alse wi tellen 

dit decsel es van doeden dieren 

Ende du best steruelic van manieren 

doe sprac god nu es adaem ghemaect

760 als een van ons wiis gheraect 

dit was gheliic als in een spot 

omme dat hi wilde weesen got 

Omme dat hi vrailike weet 

quaets ende goets ondersceet

765 Nu stectene vte den paradyse 

dat hi niet ete der spise 

die es an dat lignum vite 

Ende hi dan leue emmerme 

Ende dit ne daer hu wondren niet

770 dat dit van den houte ghesciet 

want sulc eylant es onder den dach 

daer gheen mensche in steruen mach 

jnt lant van serres waest dat seghic . 

eene dinc ane boeme ende es ru

775 daer men mede langhet tliif 

Ende alexander sonder bliif 

Screef tote aristotiles 

datter vele volcs jn es 

die langhe leueden vtermaten

780 Omme dat sii van der vruucht aten 

God stakene vten paradyse 

Om dat hi soude na dorpers wise 

deerde oefenen daer hi te voeren 

Of was ghemaect nu suldi hoeren

785 van wat lande hi ghemaect was 

vten lande van damas 

daer bi waren sii hij ende sijn wijf 

bede bedoluen na hare lijf 

jn spelunca duplici

790 also noemt die bible mj 

jn dien acker sloech also wel 

Caym sinen broeder abel 

voert paradys sette onse here 

Cherubyn die den duuel keere

Eva werd bang

635 want ze God waande te gelijken 

ze zag de mooie boom, de rijke 

En de vrucht mooi en zacht 

ze at dat ze sinds bekocht 

En bood Adam haar man

640 die misschien merken begon 

dat ze gelijk niet nee bleef dood 

Nochtans wist hij wel al bloot 

wat kwaad er af zou komen 

aldus is het beschreven van hen sommige

645 En hij at wat zo er van zou geschieden 

hun ogen openden meteen 

Niet dat ze blind waren geweest 

Maar hun lust beroerde met deze

in de natuurlijke leden

650 dat ze te voren niet nee deden 

En begonnen zich beiden te schamen 

van hun naakte kwaal

Toen namen ze beide gelijk 

met hun raad vijgenbladeren

655 En omgorden ze om hun schamelijke leden 

dus bedekten ze hun schamelheid 

daar ze zaten onder de twijgen 

hoorden ze in het paradijs 

God wandelen daar hij kwam

660 die sprak, waar bent u Adam 

heer, zei hij, toen ik had verstaan 

uw stem was ik bang gelijk 

En heb me bedekt door dat 

Omdat ik naakt was

665 God sprak wie heeft u dat gewezen 

Uitgezonderd dat u gespijsd

Bent met dat ik u verbood 

toen sprak Adam dolheid groot 

alsof hij God zijn misdaad

670 wilde aantijgen en zijn kwaadheid 

het wijf dat u me gaf sprak hij 

Gaf het me en ik at het daarom

alsof hij bedoelde het was gebleven 

Nee, had u me haar niet gegeven

675 toen sprak God tot haar die het at 

waarom zo deed u dat 

toen beschuldigde Eva het serpent 

maar van al het gesprek 

droeg haar bedoeling van de taal

680 God tot die allemaal 

dat Adam van de reine aarde 

was gemaakt van grote waarde 

die niet smart nee had ontvangen 

Nog ook niet nee was onderdanig

685 Nog met ploegen nog met spaden 

Nog besmet met geen ondeugden 

betekende de reine Maria 

die zonder enige dorpsheid 

haar reine vlees in rein lijf

690 Niet zoals plegen andere wijven 

Jezus droeg ook en won

19 Onbesmet van andere man 

Gelijkerwijze ook dat Adam

De 6de dag ter wereld kwam

695 alzo werd Jezus onze troost gekozen 

in de 6de eeuw geboren 

dat serpent vroeg hij niet 

buiten zijn raad is het geschied 

want bij de duivelse raad kwam het al

700 toen vervloekte hij, zoals ik schrijven zal

want hij aan het serpent begon 

En legde hem drie vloeken aan 

Omdat het in drie‘n misdeed 

Eerst in de nijdigheid

705 andermaal omdat het loog

de andere maal omdat het de man bedroog 

dus was het aldus verdoemd

het had om mensen hoge nijd 

daarom zo zei God aldus gelijk

710 op uw borst zo zal u gaan 

van leugen sloeg het God in de mond

en sprak u zal te alle stond 

aarde eten in uw leven

dat geluid dat hem was gegeven

715 nam hem God aldaar ter plaatse 

En gaf de mond venijn mede 

van honen ter vervloeking

ik zal, sprak God aldaar ter plaatse

vijandschap zetten zonder blijf

720 tussen u en het wijf 

ze zal op uw hoofd treden 

en u zal ook te alle plaatsen 

haar en haar geslacht belegeren 

deze woorden mag men dragen

725 tot de moeder Gods Maria 

die de duivel met zijn partijen 

altijd dwingt en jaagt 

al is het dat hij haar verschrikt 

Echt als het de man doodt en pijnigt

730 ontvangt van serpent venijn 

alzo mag mensen nuchtere spuw 

dat serpent doden zeg ik u.  

Omdat ze beide naakt waren 

Zo vliedt nog serpent te waren

20 735 de naakte man was hij gekleed 

zo zou hij hem vergiftigen gereed 

in twee zaken zo misdeed  het wijf 

Ze was hovaardig in het lijf 

Daarbij zette haar immermeer God

740 te zijn onder de mans gebod 

Omdat ze at verbodene spijs 

dat bekocht ze in zulke wijze 

dat ze met rouw van het kind geneest 

om de appel daar men van leest

745 Omdat Adam in een wijze 

alleen misdeed aan de spijs 

dus geneert hij zich nog met arbeid 

de man in bossen en in de heide 

die aarde was vervloekt genoeg

750 omdat ze die vrucht droeg 

dus draagt ze nog in ons koren 

beide distels en dorens

Toen maakte God Eva en Adam 

om te bedekken hun schaamte

755 twee rokken van beesten vellen 

dat bedoelde hij er mee zoals we vertellen 

dit deksel is van dode dieren 

En u bent sterfelijk van manieren 

Toen sprak God nu is Adam gemaakt

760 als een van ons wijs geraakt 

dit was gelijk als in een spot 

omdat hij wilde wezen God 

Omdat hij fraai weet 

Kwaad en goed het onderscheid

765 Nu steekt hij hen uit het paradijs 

dat hij niet eet de spijs 

die is aan dat lignum vita  (levensboom)

En hij dan leeft immermeer 

En dit nee durft u verwonderen niet

770 dat dit van het hout geschiedt 

want zulk eiland is onder de dag 

daar geen mens in sterven mag 

in het land van Seres was het dat zeg ik. (China)

een ding aan boom en is ruw

775 daar men mee verlengde het leven 

En Alexander zonder blijf 

Schreef tot Aristoteles 

Dat er veel volk in is 

die lang leefden uitermate (1)

780 Omdat ze van de vrucht aten 

God stak hen uit het paradijs 

Omdat hij zou naar dorpse wijs 

De aarde bewerken daar hij te voren 

Van was gemaakt, nu zal ge horen

785 van wat land hij gemaakt was 

uit het land van Damascus 

daarbij waren ze, hij en zijn wijf 

beide begraven na hun leven 

in spelonk dubbel

790 alzo noemt de Bijbel het mij 

in die akker sloeg alzo wel 

Kain zijn broeder Abel 

Voor het paradijs zette onze Heer 

Cherubijn die de duivel keert

(1) In de eerste tijd leefden jagers en herders die de maan als ÔjaarÕ hielden. Toen de eerste nederzetting werd gebouwd, een keerpunt in de geschiedenis, moest men het jaar in 365 dagen verdelen zodat men zou weten wanneer te zaaien, vissen, oogsten etc. Dat is dus een ander jaar. Methusalem werd naar deze berekening 960: 12 = 80 jaar.

 

[fol.6r] 795 dat hire nemmermeer in vaert 

die adde oec .i. vierin suaert 

dat vier den wech den man bename 

datter neghen in ne came 

dat suert es kerende ghenant

800 hen es el niet dan een brant 

een vierin mur diet omme geet 

bedi eist dat ment kerende eet 

dat god dan wel doen mochte 

weltiit dat hem goet dochte

805 het was een stic wech alte samen 

doere enoch ende helyas in quamen 

Maer dat bloet dat sindent liep 

vt ons heren wonden diep 

jn siere passien deet al vt

810 dies essere meneghe saleghe brut 

van gods aluen siider in comen 

die haren loen heuet ghenomen 

Moyses die ouer liit 

cortelike adaems tiit

815 Ende der kinder die hi wan 

Maer siident was .j. helech man 

Metodius .j. martelare 

daer hi was ghevanghen suare 

jn enen karkere bat hi seere

820 dat hem verhoghen soude onse heere 

de weerelt ende hare beghin 

die eleghe ghest hi brochtem jn

dat adam met sinen wiue 

maghet met onbesmetten liue

825 vte den paradyse cam hare 

Ende hem te sinen .xv.den jare 

gheboren wart siin sone caym 

Ende calmana sin suster met him 

Ouer .xv. jaer also wel

830 wart daer naer gheboren abel 

Ende syn suster delbora 

doe adam was out der na 

.C. jaer ende .xxx. also wel 

vermoerde caym den goeden abel

835 doe bewendene adam ende yeue 

.C. jaer dor sine lieue 

doe hi was out .cc. jaer 

Ende .xxx. weet wel voer waer 

wan hi sinen <soene zeed>;

840 Nemmermeer ne noemtene de weet 

kinder ghewonnen bi sinen liue 

dan alleene dese viue 

Maer men wilt wanen ende weten 

datter vele siin vergheten

845 hoert hier der redenen ghenoech 

tui caym abelle versloech 

Caym was van herten vrec 

bedi viel hi in duuels strec 

Ende wan coeren in die ghelike

850 dat hi wilde wesen rike 

abel die hilt scaep in den sande 

doe souden sii doen hare offrande 

daer brochte caym siin dulste coeren 

abel brochte gode te voeren

855 van sinen scapen dat vetste lam 

Om dat die gifte gode bequam 

Cam tfier van gode onder sine hande 

Ende verterde sine offrande 

Maer cayme ne gheuielt niet so

860 des was hi droeue ende onvroe 

Ende ledde sinen broeder abelle 

jn dien acker als die felle 

al daer hine der omme moerde 

doe sprac god te hem dese worde

865 Caym waer es abel din broeder

Niet in dien god ne was vroeder 

te wetene waer hi was ghevaren 

Ende oec wiste hi die moert te waren 

Maer caym wilde als een quaet

870 decken sinen wle daet 

Ende seide hine wiste niet van den broeder 

bem ic sprac hi vam hem hoeder 

mettien onse here seghet 

Sin bloet dat up derde leghet

875 roept van der erden ane mj

[fol.6v] vermalendit bestu bedi 

vluchtech ende onghestade na deesen 

Soutu up der erden weesen 

Caym die in wanopen vel

880 Sprac nu weetic arde wel 

dat merre es vele mine sonde 

dat hic emmermeer ghebetren conde 

wie so mi vint sal mi verslaen 

Neen sprac god soe saelt niet gaen

885 dit sprac hi in derre maniere 

alse of hi seide dune sterfs niet sciere 

Maer so wie so cayme vermoert 

Soe verstaet men dese word 

Ende quit van der keitiuechede

890 hem beoerter dit toe mede 

Seuen vout sal hit becopen 

dat meende god die tiit sal loepen 

tote den zeuenden eer die caytiif 

Emmer verliest siin lijf

895 Want lamech galt hem sine pine 

die was die seuende na cayme 

God teekendene daer ter stede 

jnt hoeft metter jechtechede 

dat men daer bi liete te liue

900 doe vloe hi och met sinen wiue 

ten oesten waert dat wanen wj 

dit was al daer dat nu es endi 

Caym die bediet de jueden 

die wle vaelsce rueden

905 jhesus kerst was hare broeder 

Na den vlesche want siin moeder 

Marie waser af gheboren 

alse die rose wast up den doeren

om sine duegt waer si hem fel

910 also was caym abel 

Si crustene ende laetse leuende 

Ende gheliic alse caym beuende 

jnt houet was dat wi daer bi 

van doetslane liete vri

915 also siin de iueden mede 

gheteekint an hare manlichede 

dat mense leuende sal laten 

dat men sal sien dat sii verwaten 

van gode siin ende versceden

920 hen es weeder no kerstin no eedin 

hine laetse onder hem leuen 

Omme den chens die si hem gheuen 

Onder hare viande oudensii tliif 

recht alse caym die caytiif

925 Onghestadech ende onwert 

Was hi ende bloet ende veruaert 

aldus es dat juetsche diet 

Ghine wetse gheeruet niet 

Maer dolende van lande te lande

930 leuen sii onder hare viande 

jn wanopen siin met allen 

Recht alse caym gheuallen 

Cayms wiif hiet calmana 

die droech hem .j. zoene der na

935 Enoch hiet hine ende na dat 

So maecti .j. niewe stat 

die hiet hi alse siin zoene hiet 

hier mach men merken diet besiet 

dat vele liede doe waren mede

940 die hem holpen maken die stede 

al siin sii onghenoemnt bleuen

josephus die heeft bescreuen 

dat caym roefde in sine stat 

Ende leerde siinen lieden dat

945 Ende onthilt hem in sine stede 

hi was dalre eerste mede 

diet lant delde ende veste poert 

ghierecheit leerde hem die moert 

Enoc siin sone wan jrad

950 Ende jrad die wan na dat 

Eenen soene hiet manideel

de goene wan matusael 

die matusael die wan 

lamech dat was een recht quaet man

955 hi was die seuende van adam 

Ende deerste die tue wiif nam 

dus dedi oerdoem an de wet 

want god in deerste <ade> gheseet 

dat sii tue. man ende wijf

960 waren een vlesch ende .j. liif 

hine seide niet .j. man neemer tue

795 zodat hij er nimmermeer in vaart 

die had ook een vurig zwaard

dat vuur de weg de man benam 

dat er nee geen in nee komt 

dat zwaard is kerend genaamd

800 het is anders niet dan een brand 

een vurige muur die het omgaat

daarom is het dat men het kerende heet 

dat God dan wel doen mocht 

welke tijd dat hem goed dacht

805 het was een stuk weg alle tezamen 

toen er Henoch en Elias inkwamen 

Maar dat bloed dat sinds liep 

uit onze Heer wonden diep 

in zijn lijden deed het al uit

810 dus is er menige zalige bruid 

van Gods wege sinds in gekomen 

die haar loon heeft genomen 

Mozes die overgaat 

kort na Adams tijd

815 En de kinderen die hij won 

Maar sinds was er een heilige man 

Methodius een martelaar 

daar hij was gevangen zwaar 

in een kerker bad hij zeer

820 dat hem verhogen zou onze Heer 

de wereld en haar begin 

die Heilige Geest hij bracht hem in

dat Adam met zijn wijf

maagd met onbesmet lijf

825 uit het paradijs kwam hier 

En hen in zijn 15de  jaar 

geboren werd zijn zoon Kain 

En Calmana zijn zuster met hem 

Na 15 jaar alzo wel

830 werd daarna geboren Abel 

En zijn zuster Delbora 

Toen Adam was oud daarna 

100 jaar en 30 alzo wel 

vermoorde Kain de goede Abel

835 toen beweende Adam en Eva 

100 jaar door zijn liefde 

toen hij was oud 200 jaar 

En 30 weet wel voor waar 

wan hij zo men zegt;

840 Nimmermeer nee noemt hem te weten 

kinderen gewonnen bij zijn leven 

dan alleen deze vijf 

Maar men wil wanen en weten 

Dat er vele zijn vergeten (1)

845 hoort hier de redenen genoeg 

toen Kain Abel versloeg 

Kain was van hart vrekkig 

Daarom viel hij in de duivelse strik 

En won koren in die gelijkenis

850 dat hij wilde wezen rijk 

Abel die hield schapen in het zand 

Toen zouden ze doen hun offerande 

daar bracht Kain zijn dolste koren 

Abel bracht God te voren

855 van zijn schapen dat vetste lam 

Omdat die gift God bekwam 

Kwam het vuur van God onder zijn handen 

En verteerde zijn offerande 

Maar Kain nee geviel het niet zo

860 dus was hij droevig en niet blij 

En leidde zijn broeder Abel 

in die akker als de felle 

aldaar hij hem om vermoordde 

toen sprak God tot hem deze woorden

865 Kain waar is Abel uw broeder

Niet dat het God nee was bekend 

te weten waar hij was gevaren 

En ook wist hij die moord te waren 

Maar Kain wilde als een kwade

870 bedekken zijn vuile daad 

En zei hij wist niet van de broeder 

Ben ik, sprak hij, van hem hoeder 

meteen onze Heer zegt 

Zijn bloed dat op de aarde ligt

875 roept van de aarde aan mij

verdoemd bent u daarom 

vluchtend en ongestadig na deze 

Zou u op de aarde wezen 

Kain die in wanhoop viel

880 Sprak nu weet ik erg goed

dat meer is veel mijn zonde 

dat ik het nimmermeer verbeteren kan

wie zo me vindt zal me verslaan 

Neen, sprak God zo zal het niet gaan

885 dit sprak hij in die manieren 

alsof hij zei, u sterft niet snel

Maar zo wie zo Kain vermoord 

Zo verstaat men dit woord 

En kwijt van de ellendigheid

890 hem behoort dit toe mede 

Zevenvoudig zal hij het bekopen 

dat bedoelde God de tijd zal lopen 

tot de zevende eer die ellendige 

Immer verliest zijn lijf

895 Want Lamech vergold hem zijn pijn 

die was de zevende na Kain 

God tekende hem daar ter plaatse 

In het hoofd met jicht 

dat men daarbij liet het leven

900 toen vloog hij weg met zijn wijf 

ten oosten waart dat wanen wij 

dit was al daar dat nu is Indie 

Kain die betekent de Joden 

die vuile valse teven

905 Jezus Christus was hun broeder 

Naar het vlees want zijn moeder 

Maria was er van geboren 

als de roos groeit op de dorens

om zijn deugd waren ze hem fel

910 alzo was Kain Abel 

ze kruisigden hem en laat ze leven 

En gelijk als Kain bevende 

In het hoofd was dat we daarbij 

van doodslaan lieten vrij

915 alzo zijn de Joden mede 

getekend aan hun mannelijkheid 

dat men ze leven zal laten 

dat men zal zien dat ze verweten 

van God zijn en verscheiden

920  er zijn nog christenen nog heidenen 

hij laat ze onder hen leven 

Om de accijns die ze hen geven 

Onder hun vijanden houden ze het lijf 

recht als Kain die ellendige

925 Ongestadig en onwaardig 

Was hij en bloot en bang 

aldus is dat Joodse volk

Ge weet ze gerust niet 

Maar dolende van land tot land

930 leven ze onder hun vijanden 

in wanhoop zijn geheel 

Recht als Kain gevallen 

Kains wijf heet Calmana 

die droeg hem een zoon daarna

935 Henoch noemt hij hem en na dat 

Zo maakte hij een nieuwe stad 

die heet hij zoals zijn zoon heet 

hier mag men merken die het beziet 

dat vele lieden toen waren mede

940 die hem hielpen maken die plaats 

al zijn ze niet genoemd gebleven

Josephus die heeft beschreven 

dat Kain roofde in zijn stad 

En leerde zijn lieden dat

945 En onthield hen in zijn plaats 

hij was de allereerste mede 

die het land verdeelde en vestigde poort

gierigheid leerde hem die moord 

Henoch zijn zoon won Irad

950 En Irad die won na dat 

Een zoon heet Mechujael

Diegene won wan Metusael

die Metusael die won 

Lamech dat was een recht kwade man

955 hij was de zevende van Adam 

En de eerste die twee wijven nam  (2)

dus deed hij hoerendom aan de wet 

want God in het begin had gezegd 

dat ze tot man en wijf

960 waren een vlees en een lijf

hij zei niet een man neemt er twee

(1) om als mens te overleven en te vermeerderen moet je tenminste een groep van 100 man hebben.

(2) na hem zouden aller heersers er veel meer nemen waar niets kwaads van verteld wordt.

 

[fol.7r] lamech achtets no min no mee 

Oda ende cella hieten sine wiue 

Oda wan jabel binnen sinen liue

965 hi was deerste in die wostinen 

jn herden maniere leerde pinen 

hi maecte eerst herden pawelioene 

die si moghen te haren doene 

van der weide in dandre draghen

970 hi sciet die beesten ende dede jaghen 

de scaep binnen eere stede 

Ende de ghete teere andre mede 

jubal was siin broeder ghenant 

hi was die musike vant

975 Ende omme dat hi adde hoeren ghewaghen 

adame van .ij. doemesdaghen 

Eenen van watre. ende eenen van viere 

visierde hi in derre maniere 

dat musike behouden bleue

980 dat hi in .ij. colummen screue 

Sine const in .j. ardine 

Ende in eene maerberine 

Of tvier came dat die erde 

hare der naer openbaerde

985 Of duater came de maerberine 

bleue gheeel na der pine 

Cella wan tubalcaim 

eerst was gheuisiert bi him 

Smeden ende de behendechede

990 an sine hamere leestmen mede 

dat jubal vant jn haren luut 

van musiken groet den duut 

tubalcaimus suster neonia

die visierde oec der na

995 harde meneghertiere weeuen 

dus eist van deesen bescreuen 

Lamech alse scriuet josephus 

was seere vroet ende sprac aldus 

hoert mine woert bede lamechs wiif 

hic hebbe ghenomen siin lijf 

Met mire wonde eenen man 

Ende ic hebbe doet der an 

Eenen jonghelinc in mire nidechede 

van cayms moerdadechede

1005 cam seuenuoudeghe wrake 

Ende van lamechs quader sake 

sal wrake siin .vii. ende lxx vout 

dit voerseit die carel out 

alse oft ghesciet ware ende hiit saghe

1010 hi was gheuallen in de daghe 

Ende adde verloren die oghen 

Nochtanne scoet hi wel met boghen 

Een cnape leeddene daer hi ghinc 

Ende weltiit so hi hoerde dinc

1015 die scoet hi al onghesien 

Cayme hoerdi met dien 

daer hi ruschede int wout 

Ende scoetene doet me ghewout. 

Ende alst hem seide de jonghelinc

1020 sloech hi omme de selue dinc 

dien met sinen boghe doet 

hier af so cam wrake groet 

si .lxxvii. die van hem quamen 

die verdronken alte samen

1025 jn de louie der naer 

Ende sine wiif die waren hem suaer 

al duere ende tuere al siin leuen 

dus es die wrake up hem verheuen 

Adam wan dus teelt de weet

1030 eenen soene ende hietene zeet 

Ende zet die wan dus eist ghesciet 

eenen sone die eno<s> hiet 

dat was die eerste leest men mede 

die te gode maecte ghebede

1035 Ende aneriep ons heren name 

Oec so leesmen van adame

dat <hi> adde xxx sonen 

Ende xxx doctren sonder den gonen 

abelle die caym versloech

1040 dat becochte hi suaer ghenoech 

zets sone eno<s> die wan 

heenen sone ende

[fol.7v]  Ende die wan daer naer also wel 

eenen zone hiet malaleel

1045 Malaleel die wan jaret 

Ende daer naer dus eist gheset 

so wan iaret enoch 

eenen sone ende leuet noch 

Enoch wan matusale

1050 die wan lamec. lamec noe 

Gheliker wis dat van cayme 

alse ghit leest in deerre rime 

de seuende was fel ende quaet 

also was de seuende die staet

1055 jn sets gheslachte enoch de beste 

daer omme voerdene in sine veste 

God. dats in dertsche paradys 

Ende sal leuen maect men ons wiis 

Met joien tote antkerst tijden

1060 Ende jeghen hem striden 

hi dien god sal vermalendien 

Salne doet slaen ende helyen 

DOe was van adame die .x. 

die vele wardecheden verdienden

1065 deerste ewe ende jn hem 

daer ic seker aue bem 

dat soe stont tve dusentech jaer 

Ende tue ondert dat es waer 

daer toe .xl. ende .iiii.

1070 Noe wan die goedertiere 

doe hi adde .v. ondert. jaer 

drie sonen nu hoerter naer 

hare namen siin dus gheset 

Sem ende. cam. ende jafet

1075 Moyses bescriuet mede 

tui god die luuie comen dede 

hi seide het waren vele liede

jn der tiit dat dat ghesciede 

Ende die van zet waren comen

1080 die wille hi gods kinder nomen 

want si loueden wel alte samen 

Ende die van cayme quamen 

die hiet hi des menschen kinder 

want hare duegheden waren minder

1085 doe waren lieden van zeet comen 

die cayms dochter adden vernomen 

dat sii scone waren van liue 

Ende namense bedi te wiue 

Ende daer af camen gygante

1090 Onghemate grote seriante 

die onsen here niet ontsaghen 

josephus scriuet dat doe laghen 

bi den vrowen die quade gheeste 

Ende daer af quamen die meeste

1095 liede alse wi leesen hoeren 

aldus wart meerlin gheboren 

jn arturs boeke leest men dus. 

Een goet man hiet medodius 

die hem dor gode liet doet slaen

1100 lach in eenen carker gheuaen 

hi bat gode in sinen sijn 

dat hi heme dat beghin 

van erderike toghen wilde 

Ende god hordene die milde

1105 hi bescreef dat doe plaghen 

die quade liede in dien daghen 

te verkerne der naturen zeden 

want si bouen ligghen deden 

de vrouwen ende selue onder laghen

1110 hier omme wildse onse here plaghen 

Ende hiet noe maken die arke 

die goet was van ghewarke 

hare ghescelpen was aldus 

lanc was soe .ccc. cubitus

1115 Elc cubitus in geometrie 

heft .ix. voete vrie 

vijftech cubitus was soe oech 

Scriift moyses dier niet omme en loech 

xxx. cubitus was soe wijt

1120 soe voerder up wart talre tijt

so soe emmer naude ende loec 

jnt upperste so ne was soe oec 

Maer .j. cubitus wijt ende lanc 

Onder in den nedersten ganc

1125 viercante ende bouen mede 

Ghemaect met groeter behendecheden 

.v. woninghen daer men in mochte wandren 

deene woninghe bouen der andren

Lamech achtte het nog min of meer 

Ada en Silla heten zijn wijven 

Ada won Jabal binnen haar leven

965 hij was de eerste in de woestijn 

in herders manieren leerde werken

hij maakte eerst herders paviljoenen 

die ze mogen tot hun doen 

van de ene weide in de andere dragen

970 hij scheidde de beesten en deed jagen 

de schapen binnen een plaats 

En de geiten te een andere mede 

Jubal was zijn broeder genaamd

hij was die muziek vond

975 En omdat hij had horen gewagen 

Adam van 2 doemsdagen 

Een van water en een van vuur 

versierde hij in die manier 

dat muziek behouden bleef

980 dat hij in 2 kolommen schreef

Zijn kunst in 1 arduin

En in een marmeren

Als het vuur kwam dat de aarde 

Zich daarna openbaarde

985 Of dat er kwam de marmeren 

bleef geheel na die pijn 

Silla won Tubal- Kain 

eerst was versierd bij hem 

Smeden en de handigheid

990 van zijn hamer leest men mede 

dat Jubal vond in zijn geluid 

van muziek groot het plezier

Tubal-KainuÕ s zuster Naamah

die versierde ook daarna

995 erg vele manieren van weven 

aldus is het van deze beschreven 

Lamech zoals schrijft Josephus 

was zeer verstandig en sprak aldus 

hoort mijn woord beide LamechÕ s wijven 

ik heb genomen zijn lijf 

Met mij woonde een man 

En ik heb gedood daaraan 

Een jongeling in mijn nijdigheid

van Kains moorddadigheid

1005 kwam zevenvoudige wraak 

En van LamechÕ s kwade zaak 

Zal wraak zijn 7 en zevenvoudig 

dit voorzei de kerel oud 

alsof het geschied was en hij het zag

1010 hij was gevallen in de dag 

En had verloren de ogen 

Nochtans schoot hij wel met bogen 

Een knaap leidde hem daar hij ging 

En welke tijd zo hij hoorde een ding

1015 die schoot hij al ongezien 

Kain hoorde met die 

daar hij ruiste in het woud 

En schoot hem dood met geweld. 

En zoals het hem zei de jongeling

1020 sloeg hij om datzelfde ding 

die met zijn boog dood 

hiervan zo kwam wraak groot 

zij 77 die van hem kwamen 

die verdronken alle tezamen

1025 in de zondvloed daarna 

En zijn wijven die waren hem zwaar

al door en door al zijn leven

dus is de wraak op hem verheven 

Adam won dus vertelt de wet

1030 een zoon en heet Seth 

En Seth die won aldus is het geschied 

een zoon die Enos heet 

dat was de eerste leest men mede 

die tot God maakte gebeden

1035 En aanriep onze Heer naam 

Ook zo leest men van Adam

dat hij had 30 zonen 

En 30 dochters zonder diegene 

Abel die Kain versloeg

1040 dat bekocht hij zwaar genoeg

SethÕs zoon Enos die won 

Kenan zoon en

En die won daarna alzo wel 

een zoon heet Mahalalel

1045 Mahalalel die won Jered

En daarna aldus is het gezet 

zo won Jered Henoch 

een zoon en leeft nog 

Henoch won Metusalem

1050 die won Lamech. Lamech Noach 

Gelijker wijze dat van Kain 

Zoals ge het leest in de rijm 

de zevende was fel en kwaad 

alzo was de zevende die staat

1055 in SethÕ s geslacht Henoch de beste 

daarom voerde hem in zijn vesting 

God, dat is in het aardse paradijs 

En zal leven, maakt men ons wijs 

Met vreugde tot aan Christus tijden

1060 En tegen hen strijden 

hij die God zal verdoemen

Zal hen dood slaan en Elia 

Die was van Adam de 10de

die vele waardigheden verdiende

1065 de eerste eeuw en in hem 

daar ik zeker van ben 

dat ze stond twee duizend jaar 

En twee honderd dat is waar 

daartoe 40 en 4.

1070 Noach won die goedertieren 

toen hij had 500 jaar 

drie zonen, nu hoort er naar 

hun namen zijn aldus gezet 

Sem en Cham en Jafet

1075 Mozes beschrijft mede 

waarom God de zondvloed komen deed 

hij zei er waren vele lieden

in de tijd dat dat geschiede 

En die van Seth waren gekomen

1080 die wil hij Gods kinderen noemen 

want ze geloofden wel alle tezamen 

En die van Kain kwamen 

die heet hij de mensen kinderen 

want hun deugden waren minder

1085 toen waren lieden van Seth gekomen 

die KainÕ s dochters hadden vernomen 

dat ze mooi waren van lijf 

En namen ze daarom tot wijf 

En daarvan kwamen de giganten

1090 Onmatige grote bedienden 

die onze Heer niet ontzagen 

Josephus schrijft dat toen lagen 

bij de vrouwen die kwade geesten 

En daarvan kwamen de grootste

1095 lieden zoals we lezen horen 

aldus werd Merlijn geboren 

in ArthurÕ s boeken leest men dus. 

Een goede man heet Methodius 

die hem door God liet dood slaan

1100 lag in een kerker gevangen 

hij bad God in zijn zin 

dat hij hem dat begin 

van aardrijk tonen wilde 

En God verhoorde hem die milde

1105 hij beschreef dat toen plegen 

de kwade lieden in die dagen 

te veranderen de naturen zeden 

want ze boven liggen deden 

de vrouwen en zelf onder lagen

1110 hierom wilde ze onze Heer plagen 

En zei Noach maken die ark 

die goed was van werken 

hun maaksel was aldus 

lang was ze 200 cubitus

1115 Elke cubitus in geometrie 

heeft 9 voeten vrij (=dus 270cm, nu el= 69cm]

vijftig cubitus was ze hoog 

Schrijft Mozes die er niet om loog 

30 cubitus was ze wijd

1120 zo verder opwaarts te alle tijd

zo ze immer nauwer sloot 

in het opperste zo nee was ze ook 

Maar 1 cubitus wijd en lang 

Onder in de laagste gang

1125 vierkant en boven mede 

Gemaakt met grote handigheden

5 woningen waar men in mocht wandelen 

de ene woning boven de andere

 

 

[fol.8r] als ons bescriuet iosephus

1130 beneden leese wiit aldus 

was dar hare mes in vel 

dar bouen was ghemaect wel 

te houdene dat borde ter spise 

daer bouen adde noe de wise

1135 der bitender diere woenen ghemaect 

bet up .j. ander stede staet 

daer waren in de sochte beesten 

jnt upperste so staet in der gesten 

woenden die vogle ende tfolc mede

1140 tusschen tuen cameren terre stede 

tusschen den sochten creaturen 

Ende den wreden was teere duren 

een jnganc al daer ghemaect 

God die tallen tiiden waect

1145 deede van onsuueren dieren 

tue der jn van elker manieren 

van suueren dedi datter in camen 

van elken doene .ij. te samen 

Suuer heet mense die spletvoete siin

1150 Ende bi naturen edeken pliin 

dander eeten onsuuer weesen 

Noe ghinc in na deesen 

Sine .iiii sonen. ende hare .iiij. wiif 

deese achte menschen behelden dliif

1155 doe adde noe .dc. jaer 

Ende in meie waest dats waer 

des .xvii. daghes dat hire in ghinc 

God die vorweet alle dinc 

Sloet die duere toe van buten

1160 Ende die adren ontsluten 

van der erden ende water ute comen 

dat meneghe tliif heft ghenomen

Ende god ontdede die suerke mede 

Ende deet reinen sonder vrede

1165 .xl. nachte. ende .xl. daghe 

te voeren dan es ghene saghe 

sone reinet clene no groet 

darke hief up ende vloet 

hoghe in de lucht wi lesent dus

1170 dat water .xv. cubitus 

bouen allen berghen oghe ghinc 

dus verdranc al leuende dinc 

Sonder die vissche nu merket dies 

Ende al dat in der erden wies

1175 die arke daer metten lieden 

Noe in vloe die mach bedieden 

Wel met redenen marien 

dar god mede wilde vrien 

die weerelt al van luciferre

1180 die te marien hebben gherre 

Ende al te male in hare vlien 

hem mach altoes niet messchien 

Noch hier no ten langhen liue 

dus es soe darke daer die caitiue

1185 jn varen ende dat liif ontdraghen 

want soe oert elken mensche claghen 

Aldus grod dans ghene saghe 

was dwater .c!. daghe 

daer naer leesmen dat heet waende

1190 jn october in dier maende 

vp den .vii.xx.sten dach 

dat die arke daert volc in lach 

vp de berghe van armenien 

des oeric noch den boeken lien

1195 dat men der of noch vint out 

up die berghe dat seere es out 

ten eersten daghe in januare 

dat wi tbeghin noemen van den jare 

leesmen dat eerst die berghe bleken

1200 Noe ontdede oeric spreken 

Eene veinstre die an die arke stoet 

Ende liet vlieghen met der spoet 

den roec die niet weeder ne cam 

daer naer hi de duue nam

1205 Ende lietse na den roeke vlieghen

[fol.8v] sone vant waer rusten sonder lieghen 

Ende beette up die arke neder 

Na .vij. daghe sendise weder 

doe troeste soe die caitiue

1210 Met eenen telghe van eere oliue 

dat soe ter arken nauonts brochte 

doe was noe te moede sochte 

die duue bediet onser vrouwen 

udie ter arken kerde met trouwen

1215 Ende den telch van der oliuen 

brochte ghedreghen den keitiuen 

Oliue bediet pais ende vrede 

wie so in der serechede 

Ende in sonden es beuaen

1220 laet hi sine harte an hare staen 

Marie diene besuictene niet 

soe brinct te paise siin verdriet 

Ende maect hare kint te hem sochte 

recht alse de duue doliue brochte

1225 Echt naer .vij. daghe der naer 

sendise vt dat es waer 

alse hi adde ghedaen oec eer 

Maer soe ne kerde nemmeer 

Nu oert arde wel hier naer

1230 doe noe adde adde .dc. jaer 

Ende .j. der toe ten eersten daghe 

van aprile dans ghene saghe 

ondede noe dat suldi marken 

bouen dat decsel van der arken

1235 Ende sach dat de erde was ghedroeghet 

Maer hi heuet hem ghedoghet 

dat hi ute wilde niet 

Eer dat hem ons here hiet 

Maer doe hire adde in ghesiin .j. jaer

1240 vp den seluen dach der naer 

jn den meie ghinc hire vt 

want got hiet hem ouer luut 

bede hem ende al den dieren 

Ende sprac in deser manieren

1245 Wasset diet voert menechfout 

Ende werct de erde met ghewout 

DOe maecte noe .j. outaer 

jn gods eere ende betaelde daer

Ende offerdere up van suueren dieren

1250 Seuene van hare manieren 

die berrende hi daer ter stede 

daer toe dedise mede 

dat die tue dinghe al te samen 

Met soeter roke vor gode quamen

1255 doe sprac god selue tote noe 

hic ne vermalendie nemmermee 

herderike om der liede leed 

want si ten sonden siin ghereet 

Saettijd. oest. dach ende nacht

1260 des somers ende des winters cracht 

die ne sullen rusten njet 

Ende ghi menscelike diet 

wasset ende weert menechfout 

Ende vwe vreese ende hu ghewout

1265 Si bouen allen andren dieren 

jc gheue hu in derre manjeren 

Orlof alrehande vlesch te etene 

Maer dit doe hic v te weetene 

dat hic manslacht verbiede

1270 voer deese tijt segghen de liede 

dat noint mensche vlesch en at 

God gaf hem .j. teekin na dat 

dat sij hem niet veruaerden seere 

jeghen de louie nemmermeere

1275 dat siet men in den reghenboghen 

Noint ne saghene menschen oghen 

dat weet hic weel voer deese dinghen 

tue varwen heft hi sonderlinghe 

Eenen van watre eenen van viere

1280 troede dat es sine maniere 

Es ons naerre dan dat bleeke 

die dreeghet dus rike ende weke 

al es de louie vergaen 

Een vier sal comen sonder waen

1285 daer niet voeren ghestaen en mach 

dat weert de achterste doemesdach 

Doe pijnde noe ter erden waert 

Ende plante .j. wijngaert 

daer hi tacterst wiin af dranc

1290 Ende wart dronkin an sinen danc. 

Ende bleef slapende up .j. dach.

als ons beschrijf Josephus

1130 beneden lezen we het aldus 

was daar hun mest in viel 

daarboven was gemaakt wel 

te houden dat behoort ter spijs 

daarboven had Noach de wijze

1135 de bijtende dieren woning gemaakt 

hogerop een ander plaatse staat 

daar waren in de zachte beesten 

in het opperste zo staat in diegene 

woonden de vogels en het volk mede

1140 tussen twee kamers te ene plaatse 

tussen de zachte creaturen 

En de wrede was te ene deur 

een ingang aldaar gemaakt 

God die te alle tijden waakt

1145 deed van onzuivere dieren 

twee daarin van elke manier 

van zuivere deed hij dat er inkwamen 

van elke doen twee tezamen 

Zuiver heet men ze de spleetvoetig zijn

1150 En bij naturen herkauwen plegen 

de andere heten onzuiver wezen 

Noach ging in na deze 

Zijn 4 zonen en hun 4 wijven 

deze acht mensen behielden het lijf

1155 toen had Noach 600 jaar 

En in mei was het dat is waar 

de 17 dagen dat hij er in ging 

God die voorweet alle ding 

Sloot de deuren toe van buiten

1160 En die aderen ontsluiten 

van de aarde en water uit komen 

dat menigeen het lijf heeft genomen

En God opende de zwerk mede 

En deed regenen zonder vrede

1165, 40 nachten en 40 dagen 

te voren, dat is geen sage 

zo regende het klein nog groot 

de ark hief op en vlood 

hoog in de lucht, we lezen het dus

1170 dat water 15 el

boven alle bergen hoog ging 

dus verdronk alle levende ding 

Uitgezonderd de vissen, nu merk dit 

En al dat in de aarde groeide

1175 de ark daar met de lieden 

Noach in vloog die mag betekenen 

Wel met redenen Maria 

daar God mede wilde bevrijden 

de wereld al van Lucifer

1180 die tot Maria hebben verlangen

En allemaal tot haar vlieden 

hen mag altijd niets misgaan 

Nog hier nog te lange leven 

dus is het zo donker dat die ellendige

1185 in varen en dat lijf ontkomen 

want ze hoort elke mens klagen 

Aldus groot en dat is geen sage

was het water 100! dagen 

daarna leest men dat het waaide

1190 in oktober in die maand 

op de 27ste dag 

dat de ark daar het volk in lag 

op de bergen van Armeni‘ (1)

aldus hoor ik nog de boeken belijden

1195 dat men daarvan nog vindt hout 

op die berg dat zeer is oud 

te eerste dag in januari 

dat we het begin noemen van het jaar 

leest men dat eerst de bergen bleken

1200 Noach opende hoor ik spreken 

Een venster die aan de ark stond 

En liet vliegen met een spoed 

de roek die niet weer nee kwam 

daarna hij de duif nam

1205 En liet ze na de roek vliegen

ze nee vond waar te rusten zonder liegen 

En zette zich op de ark neer 

Na 7 dagen zond hij haar weer 

Toen vertroostte ze die ellendige

1210 Met een twijg van een olijf 

dat ze ter ark Õs avonds bracht 

toen was Noach te gemoed zacht 

die duif betekent onze vrouwe 

uit de ark keerde met trouw

1215 En de twijg van de olijf 

bracht gedragen de ellendige 

Olijf betekent rust en vrede 

wie zo in de zeren 

En in zonden is bevangen

1220 laat hij zijn hart aan haar staan

Maria die hem bezoekt niet 

ze brengt tot vrede zijn verdriet 

En maakt haar kind tot hem zacht 

recht als de duif de olijf bracht

1225 Echt na 7 dagen daarna 

zond hij ze uit, dat is waar 

zoals hij had gedaan ook eerder 

Maar ze nee keerde nimmer 

Nu hoort erg goed hiernaar

1230 toen Noach had 600 jaar 

En 1 daartoe te eerste dag 

van april, dat is geen sage 

opende Noach dat zal ge merken 

boven dat deksel van de ark

1235 En zag dat de aarde was gedroogd 

Maar hij heeft hem gedoogd 

dat hij er uit wilde niet 

Eer dat hem ons Heer aanraadde 

Maar toen hij er in had geweest 1 jaar

1240 op diezelfde dag daarna 

in de mei ging hij er uit

want God zei hem overluid 

beide hem en al de dieren 

En sprak in deze manieren

1245 Groei het volk menigvuldig

En bewerk de aarde met geweld

Toen maakte Noach een altaar 

In Gods eer en betaalde daar

En offerde er op van zuivere dieren

1250 Zeven van hun manieren 

die verbrandde hij daar ter plaatse 

daartoe deed hij ze mede 

dat die twee dingen al tezamen 

Met zoete rook voor God kwamen

1255 toen sprak God zelf tot Noach 

hij nee verdoemde nimmermeer 

het aardrijk om de lieden leed 

want ze tot zonden zijn gereed 

Zaaitijd, oogst, dag en nacht

1260 de zomer en de winter kracht 

die nee zullen rusten niet 

En gij menselijk volk 

Groeit en wordt menigvuldig 

En uw vrees en uw geweld

1265 Is boven alle andere dieren 

ik geef u in die manieren 

Verlof allerhande vlees te eten 

Maar dit doe ik u te weten 

dat ik manslacht verbied

1270 voor deze tijd zeggen de lieden 

dat nooit een mens vlees at 

God gaf hem  een teken na dat 

dat ze zich niet verschrikken zeer

tegen de zondvloed nimmermeer

1275 dat ziet men in de regenbogen 

Nooit nee zag het mensen ogen 

dat weet ik wel voor deze dingen 

twee kleuren heeft die bijzonder 

Een van water en een van vuur

1280 de rode dat is zijn manier

Is ons nader dan dat bleke 

die draagt dus rijk en week 

al is de zondvloed vergaan 

Een vuur zal komen zonder waan

1285 daar niets voor staan mag 

dat weert de laatste doemsdag 

Toen pijnigde Noach ter aarde waart 

En plantte  een wijngaard 

daar hij lekkerste wijn van dronk

1290 En werd dronken tegen zijn wil. 

En bleef slapen op die dag.

(1) Hoog op de bergen zodat men er bijna niet of helemaal bij kan komen. Hoe kwam Noach er dan vanaf?

 

[fol.9r] Jnt huus dar hi wonens plach. 

Naect lach hi tusschen sine been. 

Menne plach doe broeke ne gheen.

1295 Semirramis hebbic vernomen. 

Die men sal hier achter nomen. 

Was die erste broeke vant. 

Cam noe sone altehant. 

Dar die vader lach al bloet.

1300 Ende maecter omme si lachghen groet. 

Ende doet sinen broedren verstaen. 

Die camen achter wart ghegaen. 

Dat har ne gheen den vader sach. 

Ende dectene dar hi lach.

1305 Terst dat noe ontwake was. 

Ende hi die warheit wiste das. 

Dat hem sijn minste sone dede. 

Vermaledidi dar ter stede. 

Cams kint dat hiet canaan.

1310 Vp sijn gheslachte leesmen so wan. 

Tiuesche volc dat heleghe lant. 

Aldus sloechse die suare bant. 

Van den vloeke die noe gaf. 

Sem dar camen die ioden af.

1315 Was ghebenediet ende iafet. 

Dat was omme dat si daden bet. 

Cam bediet die quade ioden . 

Die vule onreine rueden. 

Cam die spotte doe hi sach.

1320 Doe sijn vader naect lach. 

Ende hi dronken lach van wine. 

Jhesus was dronker van der pine. 

Die hem die vule ioden daden. 

Ende hi hinc naect sonder ghewaden.

1325 An de cruce dor onse mesdaet. 

Daer bespotten menich quaet. 

Dar omme es tgheslachte algader. 

Vermalediet als om den vader. 

Canam sijn sone was.

1330 Also als men hier voren las. 

Alse noe hadde .dccc. iaer.

Ende .l. mede dat es waer. 

Staerf hi als ter mensceit hord. 

Josephus scriuet in sine word.

1335 Dat niemene te spotte ne kere. 

Tlanghe leuen van wilen ere. 

Het cam om har grote dueghet. 

Ende om dat ghi marken mueghet. 

Dat si vonden astronomie.

1340 Arismerike ende geometrie. 

Ende andre conste mede vonden. 

Die men niet in corten stonden. 

Vinden mach segghen si te waren. 

Hen ne si in .vij. hondert iaren.

1345 Men mach ondervinden niet eer. 

Der sterren ganc ende hare keer. 

UAn desen noes kinder cam. 

Sem. iaphet. ende cam. 

Grod gheslachte hord.

1350 Wat ic scriuen sal vort. 

Van iaphet camere .x. ende viue. 

Ende van camme .x. warf drie. 

Ende van sem ghelouets mie. 

Camer .x. ende seuene.

1355 Suenen stoud ende starc van leuene. 

Dit was .lxx. ende tve. 

Dochter ne telt men no min no me. 

Van desen volke sijn ontsponghen . 

.Lxxij. manieren van tonghen.

1360 Sems gheslachte hadde asia. 

Cam egypten ende affrica. 

Japhet frigien ende europen. 

Die tve gheslachten laten wi lopen. 

Ende tellen mest van sem.

1365 Vm dat marie cam van hem. 

Mar cam wan enen sone hiet thus . 

Van heme lesewijt al dus. 

Dat hi wan nembord den gygant. 

Die word erst rouende tlant.

1370 Ende erst here met mueghentheden. 

Hi dede vier erst anebeden. 

Mecodius die martelare.

Seghet van noe al openbare. 

Dat hie na die louie wan.

1375 Enen sone die goede man.

[fol.9v] Jonicus was hi ghenant. 

Etam gaf hi hem een lant. 

God gaf desen groten sin. 

Astronomie die nam beghin.

1380 Van desen want hise vant. 

Nembroed die cam in sijn lant. 

Die gigant wie lesent dus. 

Hi was lanc .x. cubitus. 

Hie vernam ende leide an desen.

1385 Hoe hi here soude wesen. 

Jonicus die vorseide mede. 

Dat cams kinder die moghenthede. 

Erst souden hebben alse wijt horen. 

Want belus was van hem gheboren.

1390 Dar na soude sems gheslachte. 

Die werelt duinghen met crachte. 

Dat waren percen ende meden. 

Die vele hadde moghenteden. 

Dar na die van iafet camen.

1395 Dat waren grieken alse wijt vernamen. 

Ende die romeine die hare beduanc. 

Hadden dur al die werelt lanc. 

[Alst emmer moeste ghescien. 

Noch mach ment heden daghes sien.

1400 Dat alle die ghelouen in erderike. 

Moeten sijn onderdaen den romscen rike. 

Hier na sal men horen die spraken. 

Hoe dat si onsen here wraken.] 

Nembord wart van cams gheslachte.

1405 Coning ende duancse onsachte. 

Ouer sems gheslachte word heues man. 

Ende sin ofcomende hiet iectam. 

Susen die word here ghinder. 

Ghemaect ouer iafets kinder.

1410 Men vint boeke bescreuen. 

Dat noch toe in noes leuen. 

Waren .xxiiij. dusent man. 

Ende dar toe .c. nochtan. 

Sonder wijf ende sonder kinder.

1415 Die si vele hadden ghinder. 

NA noes doed maecten die heren. 

Enen tor dar wi of leren. 

So grod so wijt dat nu terstonde. 

Niemen wel ghelouen conde.

1420 Dar scietse god oude ende ionghe. 

Ende gaf elken en tonghe. 

Hier af cam dat weetmen wale. 

Dat men vint so meneghe tale. 

Sem wan een kint hiet arfaxat.

1425 Na die louie nv merct dat. 

Arfaxat die wan sale. 

Die selue hadde namen tve. 

Lucas hetene caynan. 

Die leest men dat heber wan.

1430 Heber wan falech dar na. 

Jn sinen tiden weet ouer waer. 

Ghesciede twonder van den tonghen. 

Falech wan ragu den ionghen. 

Ragu wan sarug ghelouet das.

1435 Dat in sinen tiden coninc was. 

Belus van nembroeds gheslachte. 

Die een deel wan oec met crachte. 

Des lans van assaria. 

Na sine doet so wan dar na.

1440 Ninus sijn sone altemale. 

Van desen ninus es die tale. 

Dat hi was deerste orloghes man. 

Van desen leesmen dat hi verwan. 

Camme die noch niet was doed.

1445 Ende in brachten was here groed. 

Zoroastres hiet menne daer. 

Touerie vant hi dats waer. 

Ende de .vij. arten mede. 

Leesemen dat hi graueren dede.

1450 Jn .vij. colummen van metale. 

Ende in .vij. ardine also wale. 

Jeghen water ende brant. 

Ninus sijn suare viant. 

Verbarn sine boeke algader.

1455 Ninus was der afgode vader. 

Want doe belus doet was bleuen.

Heueti een beelde verheuen. 

Na sinen vader dat hi eerde. 

Wie so mesdaen adden ende bekerde.

1460 Den beilde ende daer toe vloe. 

Hine adde niet te scaden een stroe. 

Om dat dese dinc ghesciede. 

So hanebedent vele liede.

In het huis daar hij wonen plag. 

Naakt lag hij tussen zijn benen. 

Men plag toen broeken nee geen.

1295 Semiramis heb ik vernomen. 

Die men zal hierna noemen. 

Was die eerst broeken vond. 

Cham NoachÕs zoon gelijk. 

Daar de vader lag al bloot.

1300 En maakte er om zijn lachen groot. 

En doet zijn broeders verstaan. 

Die kwamen later gegaan. 

Dat hen nee geen de vader zag. 

En bedekte hem daar hij lag.

1305 Ten eerst dat Noach ontwaakt was. 

En hij de waarheid wist dat. 

Dat hem zijn minste zoon deed. 

Verdoemde hij hem daar ter plaatse. 

ChamÕ s kind dat heet KanaŠn.

1310 Op zijn geslacht leest men zo won. 

Het Joodse volk dat heilige land. 

Aldus sloeg ze die zware band. 

Van de vloek die Noach gaf. 

Sem daar kwamen de Joden af.

1315 Was gezegend en Jafet. 

Dat was omdat ze deden beter. 

Cham betekent die kwade Joden. 

Die vuile onreine teven. 

Cham die spotte toen hij zag.

1320 Toen zijn vader naakt lag. 

En hij dronken lag van wijn. 

Jezus was dronken van de pijn. 

Die hem de vuile Joden deden. 

En hij hing naakt zonder gewaden.

1325 Aan het kruis door onze misdaad. 

Daar bespotte hem menige kwade. 

Daarom is het geslacht allemaal. 

Verdoemd als om de vader. 

Cham zijn zoon was.

1330 Alzo als men hier voren las. 

Toen Noach had 800 jaar.

En 1 mede dat is waar. 

Stierf hij zoals ter mensheid hoort. 

Josephus schrijft in zijn woord.

1335 Dat niemand te bespotten nee keert. 

Het lange leven van wijlen eerder. 

Het kwam om hun grote deugd. 

En omdat ge merken mag. 

Dat ze vonden astronomie.

1340 Aritmetica en geometrie. 

En andere kunsten mede vonden. 

Die men niet in korte stonden. 

Vinden mag zeggen ze te waren. 

Hen nee zij in 700 jaren.

1345 Men mag ondervinden niet eerder. 

De sterren gang en hun keer. 

Van deze NoachÕ s kinderen kwam. 

Sem, Jafet en Cham. 

Groot geslacht voort.

1350 Wat ik schrijven zal voort. 

Van Jafet kwamen er 10 en vijf. 

En van Cham 10 maal drie. 

En van Sem geloof het me. 

Kwamen er 10 en zeven.

1355 Zeven dapper en sterk van leven. 

Dit was 70 en twee. 

Dochters nee vertelt men nog min of meer. 

Van deze volken zijn ontsprongen. 

72 manieren van tongen.

1360 Sems geslachte had Azi‘

Cham Egypte en Afrika. 

Japhet, Frygie en Europa. 

Die twee geslachten laten we lopen. 

En vertellen meest van Sem.

1365 Omdat Maria kwam van hem. 

Mar Cham won een zoon heet Kus. 

Van hem lezen wij het aldus. 

Dat hij won Nimrod de gigant. 

Die werd eerst berovend het land.

1370 En eerste heer met mogendheid. 

Hij deed vuur eerst aanbidden. 

Methodius die martelaar.

Zegt van Noach al openbaar. 

Dat hij na de zondvloed won.

1375 Een zoon die goede man.

Jonicus was hij genaamd. (Jonithus)

Etam gaf hij hem een land. 

God gaf deze grote zin. 

Astronomie die nam begin.

1380 Van deze want hij het vond. 

Nimrod die kwam in zijn land. 

Die gigant, we lezen het dus. 

Hij was lang 10 ellenbogen. 

Hij vernam en legde aan deze.

1385 Hoe hij heer zou wezen. 

Jonicus die voorzei mede. 

Dat ChamÕ s kinderen die mogendheid. 

Eerst zouden hebben zoals wij het horen. 

Want Belus was van hem geboren.

1390 Daarna zou SemÕ s geslacht. 

De wereld dwingen met kracht. 

Dat waren Perzen en Meden. 

Die veel hadden mogendheden. 

Daarna die van Jafet kwamen.

1395 Dat waren Grieken zoals wij het vernamen. 

En de Romeinen die hun bedwang. 

Hadden door al de wereld lang. 

[Als het immer moest geschieden. 

Nog mag men het heden dag zien.

1400 Dat alle geloven in aardrijk. 

Moeten zijn onderdanig het Romeinse rijk. 

Hierna zal men horen die spraken. 

Hoe dat ze onze Heer wraken.] 

Nimrod werd van ChamÕ s geslacht.

1405 Koning en dwong ze hard. 

Over SemÕ s geslacht wordt hoofdman. 

Een van zijn nakomelingen, heet Iechan, 

Susen die wordt heer ginder. 

Gemaakt over JafetÕ s kinderen.

1410 Men vindt boeken beschreven. 

Dat nog toe in NoachÕ s leven. 

Waren 24 000 man. 

En daartoe 100 nochtans. 

Zonder wijven en zonder kinderen.

1415 Die ze veel hadden ginder. 

Na NoachÕ s dood maakten die heren. 

Een toren daar we van leren. 

Zo groot, zo wijd dat nu terstond. 

Niemand wel geloven kan.

1420 Daar scheidde ze God oude en jonge. 

En gaf iedereen een tong. 

Hiervan kwam, dat weet men wel. 

Dat men vindt zo menige taal. 

Sem won een kind heet Arpaksad.

1425 Na de zondvloed nu merk dat. 

Arpaksad die won Selach. 

Diezelfde had namen twee. 

Lucas heet hem Canaan. 

Die leest men dat Heber won.

1430 Heber won Falech daarna. 

In zijn tijden weet men voor waar. 

Geschiedde het wonder van de tongen. 

Falech won Ragu de jonge. 

Ragu won Sarug geloof dat.

1435 Dat in zijn tijden koning was. 

Belus van NimrodÕ s geslacht. 

Die een deel won ook met kracht. 

Dat land van Assyri‘

Na zijn dood zo won daarna.

1440 Ninus zijn zoon allemaal. 

Van deze Ninus is de taal. 

Dat hij was de eerste oorlog man. 

Van deze leest men dat hij overwon. 

Cham die nog niet was dood.

1445 En in slag was heer groot. 

Zarathustra heet men hem daar. 

Toverij vond hij dat is waar. 

En de 7 kunsten mede. 

Leest men dat hij graveren deed.

1450 In 7 kolommen van metaal. 

En in 7 arduin alzo wel. 

Tegen water en brand. 

Ninus zijn zware vijand. 

Verbrandde zijn boeken allemaal.

1455 Ninus was de afgoden vader. 

Want toen Belus dood was gebleven.

Heeft hij een beeld verheven. 

Naar zijn vader dat hij eerde. 

Wie zo misdaan hadden en bekeerde.

1460 Te beeld en daartoe vloog. 

Hij had niet te schade een stro. 

Omdat dit ding geschiedde. 

Zo aanbidden het vele lieden.

 

 

[fol.10r] Die van calden dit vintmen hier.

1465 Anebeden teerste vier. 

Omme dat alle afgode verbrande. 

Houtin coprin alre hande. 

Die papen van canopen namen 

Haren belus alle te samen.

1470 Ende daden hem die crone of dor dat. 

Ende setter vp een erdin vat. 

Na eene crone maecten sijt. 

Al vulgate waest ende niet wijt. 

Ende daer was water in ghedaen.

1475 Ghestopt met wasse sonder waen. 

Ende settent in caldensen viere. 

Dat was moeste smelten sciere. 

Ende dat water vte den brand. 

Dus behelt de hogher hand.

1480 Belus afgod ende dus began. 

Die dolinghe onder die nam. 

Want die duvel spraket vt. 

Jeghen die liede ouer lud. 

SArug wan nator ende kinder maere.

1485 Ende nachor die wan tare. 

Thare wan abram der naer. 

Do hi out was .lxx. iaer. 

Ende noch .ij. zonen als ict vernam. 

Enen nachor ende enen aram.

1490 Die andre ewe nemt hier ende. 

Ende abrame als ict verkende. 

[Die hadde ghestaen weet vor waer. 

.M. cc. ende .xcij. iaer.] 

Aram die wan dus telmen mi.

1495 Loch . melcham ende saray 

Enen sone ende dochtre tve.

Do bleef hi doet dar na in calde. 

Eer thare starf sijn vader. 

Dar moghen noch die liede algader.

1500 Heden bescouwen sijn graf. 

Des was thare droeue der af. 

Ende romder omme alsemen seghet. 

Die stad dar hi begrauen leghet. 

Hurso was ghenoemt die stede.

1505 Want men hem oec cracht dardede. 

Omme tfier dat men der anebede. 

Sie wilden dat hit dade mede. 

Dies rumdi tland droeue ende gram. 

Met nachor ende met abram.

1510 Sine tve sonen hi gheboet. 

Arams dochter die was doet. 

Dat sise te wiue nemen souden. 

Het was wet doe men moest wel houden. 

Nachor nam melca ende abram.

1515 Nam saray als ict vernam. 

Abram nam lots sijns broeder kint. 

Omme hem dien hi adde ghemint. 

Ende coessene te sinen sone. 

Thare ghinc wech alse die gone.

1520 Die was een godvructich man. 

Ende wilde int land van canaan. 

Hi quam ghegaen een stic der na. 

Jnt lant van mesopotania. 

Jn eene stede hiet carram.

1525 Dar starf hi na dien dat hire cam. 

Alse hi gheleuet hadde te desen liue. 

.cc. jaer ende viue. 

DOe sprac god dus tote abram. 

Rume die stede van carram.

1530 Land ende maghe nedre ende hoghe. 

Ende com int lant daer ic di toghe. 

Abram die voer wech bedi. 

Met sinen wiue saray 

Ende loch sin neue die ghinc mede.

1535 Ende al dat hi wan in die stede. 

Van carram voerde wech die man.

Ende cam int lant van canaan. 

Hie ende sijn huwen met hem. 

Tere stede heet sichem.

1540 Jn die ewangelie so staet. 

Dat die selue cichar heet. 

Van danen cam hi ten edlen dale. 

Dat nv eene. zee. es altemale. 

Dar stonder in .v. citheide.

[fol.10v] 1545 Jn elc een coning alse men seide. 

Hier na suldis horen tale. 

Dat lant verbrande god altemale. 

Al vertoghede hem onse here. 

Ende seide ic sal dor dine here.

1550 Dijn gheslachte gheuen dit lant. 

Daer maecte hi enen outaer te hant. 

Van dane voer hi wonen el. 

Tusschen .ay. ende betel. 

Daer hi echt maecte .i. outaer.

1555 Tote damas voer hi van daer. 

Ende dar na word ongher al te hand. 

Do voer hi in egypten land. 

Tien tiden was hi rike van goude. 

Ende van besten menichuoude.

1560 Van seluer van groter meisniede. 

Hi maecte onder die egypte liede. 

Arstologie ende artrichmetike. 

Dar af hebben si sekerlike. 

Die grieke gheleerd ende ontfaen.

1565 Van danen kerdi weder saen. 

Tusschen betel ende ay 

Dar nv iherusalem es bi. 

Dar sciet hi van sinen neue loth. 

So rike hadse ghemaket god.

1570 Van besten dat sie niet ne mochten. 

Tesamen zin. hare herden vochten. 

Deen vp den andren omme weide. 

Loth voer wonen ten ghesceide. 

Jn dat lant van zodoma.

1575 Dat nv es water verre ende na. 

Abram ne sciet ute landen niet. 

Dat god sinen afcomen behiet. 

DOe dus ghesciede dese dinc.

Hadde elke stad haren coninc.

1580 Die iet dochte was van namen. 

Mare vele coninghe te samen. 

Waren enen onderdaen. 

Jn dien tiden hebbict verstaen. 

Waren beduonghen die .v. steden.

1585 Van sodonien met mueghentheden. 

Onder enen coninc alle viue. 

Ende ghauen chens van haren liue. 

Codor claomor van clamiten. 

Hadde onder hem seghen die viten.

1590 Die .v. coninghe van den .v. steden. 

Ende duancse met moghentheden. 

Si gauen hem chens .xij. iaer. 

Jnt dertiende iaer dar naer. 

Ontseiden sine hem al te male.

1595 Dies cam hi ten .xiiij. iaere. 

Met eenen here arde scone. 

[Ammirafel coninc van babilone.] 

Ende van ponten coninc arioch. 

Ende van heidinen. een coning noch.

1600 Die gheheten was tadal. 

Dese viere camen al. 

Vp sodomen met haren here. 

Maer si vonden ghinder were. 

Die coninghen van den .v. steden.

1605 Camen daer met moghentheden. 

Die coning van sodoma. 

Van gomorra van adama. 

Ende van bala der vichter stad. 

Dese v. worden mat.

1610 Ende worden ghesconfiert int dal. 

Vor die viere coninghe al. 

Al dat was in sodoma. 

Roueden si varre ende na. 

Wijf ende man ende hare kinder.

1615 Ende al die haue die si ghinder. 

Belopen mochten in den rike. 

Ende die ontfloen was cam haestelike. 

Ende seit den ebreuscen abram.

Dat men sinen neue vinc ende nam.

1620 Hi adde in siere meisniede. 

.ccc. ende .xviij. liede. 

Die dapper waren ende stoud. 

Die nam die deghen boud. 

Ende met hem sine ghebure mede.

1625 Die met rechter sekerhede. 

Hem tiere wilen horden an. 

Hi volghede al tote dan. 

Banifel coning van babilonie. 

Dats eene fonteinne daer die iordane.

Die van Chaldea dit vindt men hier.

1465 Aanbaden ten eerste vuur. 

Omdat het alle afgoden verbrandde. 

Houten en koperen allerhande. 

Die papen van Canopus namen 

Hun Belus alle tezamen.

1470 En deden hem de kroon af door dat. 

En zette het op een aarden vat. 

Naar een kroon maakten zij het. 

Al vol gaten was het en niet wijd. 

En daar was water in gedaan.

1475 Gestopt met was zonder waan. 

En zetten het in de Chaldeeuws vuur. 

De was moest smelten snel. 

En dat water deed uit de brand. 

Dus behield de hogerhand.

1480 Belus afgod en dus begon. 

De doling onder die naam. 

Want de duivel sprak het uit. 

Tegen de lieden overluid. 

Serug won Nachor een kind maar.

1485 En Nachor die won Terach. 

Terach won Abraham daarna. 

Toen hij oud was 70 jaar. 

En nog 2 zonen zoals ik het vernam. 

Een Nachor en een Aram.

1490 De andere eeuw neemt hier einde. 

En Abraham zoals ik het verkende. 

[Die had gestaan weet voor waar. 

1200 en 92 jaar.] 

Aram die won dus, vertelt men mij.

1495 Lot, Melcham en Sara 

Een zoon en dochters twee.

Toen bleef hij dood daarna in Chaldea. 

Eer daar stierf hun vader. 

Daar mogen nog de lieden allemaal.

1500 Heden aanschouwen zijn graf. 

Dus was Aram droevig er van. 

En ruimde er, zoals men zegt. 

De stad daar hij begraven ligt. 

Hur was genoemd die stede.

1505 Want men hem ook kracht daar deed. 

Om het vuur dat men er aanbad. 

Ze wilden dat hij het deed mede. 

Dus ruimde hij het land droevig en gram. 

Met Nachor en met Abraham.

1510 Zijn twee zonen hij gebood. 

AramÕ s dochter die was groot. 

Dat hij ze tot wijf nemen zou. 

Het was wet toen, men moest wel houden. 

Nachor nam Melham en Abraham.

1515 Nam Sara, zoals ik het vernam. 

Abraham nam Lot zijn broeders kind. 

Om hem die hij had gemind. 

En koos hem tot zijn zoon. 

Aram ging weg als diegene.

1520 Die was een godvruchtig man. 

En wilde in het land van KanaŠn. 

Hij kwam gegaan een stuk daarna. 

In het land van Mesopotami‘. 

In een plaats heet Haran.

1525 Daar stierf hij nadat hij er kwam. 

Toen hij geleefd had in dit leven. 

200 jaar en vijf. 

Toen sprak God aldus tot Abraham. 

Ruim die plaatse van Haran.

1530 Land en verwanten laag en hoog. 

En komt in het land dat ik u toon. 

Abraham die voer weg daarom. 

Met zijn wijf Sara 

En Lot zijn neef die ging mee.

1535 En al dat hij won in die plaatse. 

Van Haran voerde weg die man.

En kwam in het land van KanaŠn. 

Hij en zijn lieden met hem. 

Tot een plaatse heet Sichem.

1540 In het evangelie zo staat. 

Dat diezelfde Sychar heet. 

Vandaar kwam hij te edele dal. 

Dat nu een zee is helemaal. 

Daar stonden in 5 steden.

1545 In elke een koning zoals men zei. 

Hierna zal ge horen taal. 

Dat land verbrandde God helemaal. 

Alles toonde hem onze Heer. 

En zei ik zal door uw eer.

1550 Uw geslacht geven dit land. 

Daar maakte hij een altaar gelijk. 

Vandaar voer hij wonen elders. 

Tussen Ai en Bethel. 

Daar hij echt maakte een altaar.

1555 Te Damascus voer hij vandaar. 

En daarna wordt honger al gelijk. 

Toen voer hij in Egypte land. 

Te die tijden was het rijk van goud. 

En van beesten menigvuldig.

1560 Van zilver en van grote manschappen. 

Hij maakte onder de Egypte lieden. 

Astronomie en aritmetica. 

Daarvan hebben ze zeker. 

De Grieken geleerd en ontvangen.

1565 Vandaar keerde hij weer gelijk. 

Tussen Bethel en Ai

Daar nu Jeruzalem is bij. 

Daar scheidde hij van zijn neef Lot. 

Zo rijk had ze gemaakt God.

1570 Van beesten dat ze niet nee mochten. 

Tezamen zijn, hun herders vochten. 

De ene op de andere om weide. 

Lot voer wonen te scheiding. 

In dat land van Sodoma.

1575 Dat nu is water ver en nabij. 

Abraham nee scheidde uit het land niet. 

Dat God zijn nakomelingen toezei. 

Toen dus geschiedde dit ding.

Had elke stad hun koning.

1580 Die iets deugdelijk was van naam. 

Maar vele koningen tezamen. 

Waren een onderdanig. 

In die tijden heb ik verstaan. 

Waren bedwongen die 5 steden.

1585 Van Sodom met mogendheid. 

Onder een koning alle vijf. 

En gaven accijns van hun lijf. 

Chodorlahomor van Elamiten. 

Had onder hem zeggen de vita.

1590 Die 5 koningen van de 5 steden. 

En dwong ze met mogendheid. 

Ze gaven hem accijns 12 jaar. 

In het dertiende jaar daarna. 

Ontzeiden ze het hem allemaal.

1595 Dus kwam hij te 14de jaar. 

Met een leger erg mooi. 

[Amirafel koning van Babyloni‘.] 

En van Pontus koning Arjok. 

En van heidenen een koning nog.

1600 Die geheten was Tidal. 

Deze vier kwamen al. 

Op Sodoma met hun leger. 

Maar ze vonden ginder verweer. 

Die koningen van de 5 steden.

1605 Kwamen daar met mogendheid. 

De koning van Sodoma. 

Van Gomorra van Adama. 

En van Bela de vijfde stad. 

Deze 5 worden mat.

1610 En worden geschoffeerd in het dal. 

Voor de vier koningen al. 

Al dat was in Sodoma. 

Roofden ze ver en nabij. 

Wijf en man en hun kinderen.

1615 En al de have die ze ginder. 

Belopen mochten in het rijk. 

En die ontkwamen waren kwamen haastig. 

En zegt het Hebreeuws Abraham.

Dat men zijn neef ving en nam.

1620 Hij had in zijn manschappen. 

300 en 18 lieden. 

Die dapper waren en moedig. 

Die nam die degen boud. 

En met hem zijn buren mede.

1625 Die met rechte zekerheid. 

Hem te die tijden hoorden aan. 

Hij volgde al tot dan. 

Banifel koning van Babyloni‘. 

Dat is een fontein daar de Jordaan.

 

 

[fol.11r] 1630 Ersten bestaet vte te gane. 

Dar cam hi ghevaren met crachte. 

Vp die viere coninghe bi nachte. 

Sijn volc haddi in drien ghescard. 

Hi vantse slapende ende vervard.

1635 Ende dronkin ende sonder were.