Jacob van Maerlant. Rijmbijbel,  ca. 1271.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de index.

Uit; http://www.dbnl.org/tekst/maer002mgys01_01/

Afbeeldingen uit: https://www.researchgate.net/publication/259458194_Maerlants_Rijmbijbel_in_Museum_Meermanno_De_kracht_van_woorden_de_pracht_van_beelden

Er zijn geen hoofdstukken, dus verdeel ik ze in tabellen die dezelfde grootte hebben als twee bladzijden bij Maerlant, recht en links, 212 stuks.

 

 

 

[Rijmbijbel]

[fol.1r]

 

3. Vader soene helech gheest 

Enich god sonder beghin 

Ghef mj hulpe ende wlleest 

Ende gratie in mjnen sijn

5 Dat hic vinde ghe word 

Scone ende rime goed 

Daer hic bi moghe bringhen vord 

dat leget in minen moet 

Marie moeder der genaden

10 Moeder der ontfarmecheit 

Ghi hebt den meneghen beraden 

Ghetroest van sire serecheit 

helpt mi vrouwe met vre bede 

dat hic ghewinne den eleghen gheest

15 die mi cracht ende moghentede 

verleユeユne. dat mach mi helpen meest 

So bem ic danne onuervaert 

vraie rjme te bringhene vord 

van ere gesten die ic begard

20 hebbe. te ontbindene jn dietsche word 

Scolastica willic ontbinden 

Jn dietsche word vten latine 

Vrouwe nu moeti hu bewinden 

troest te sine in mjne pine.

25 Nv merct die hier an sult leユeユsen 

wat nutscepe dat hier an sal wesen 

hier ne vint men no fauele no borde 

No ghene truffe no faloerde 

Maer vraie rime ende ware woerd

30 hoe dat die tiit es comen voerd 

Sint dat die werelt erst begonde 

al tote dien dat quam die stonde 

dat ihesus xpristus te hemele clam 

die onse mensceit ane nam

35 hier vindic rime dachcortinghe 

ende daer toe ware leeringhe 

der noten gheliict dese ystorie 

dat meerct wel in huwe memorie 

die buten bitter heft die slume

40 die scale so art dat mense cume 

Metten tanden mach ghewinnen 

Maer al die soeteit die es binnen 

die bittereit van deser geste 

dats dat die vroetste ende die meeste

45 van lancheit dit ghegronden cume

dits de bittereit van der slume 

die artheit die leghet an die scale 

dats dat niemen al te male 

Mach verstaen wat die wort dieden

50 die soeteit der af dats dat den lieden 

die recht verstaen ende recht minnen 

Ende wareit ende goet bekinnen 

dat hem die woert so soete smaken 

omme dat sii sin van waren saken

55 dat sise gherne horen leesen 

Want daer ne mach ghen verlies an weesen 

Hoert hier oe god die weerelt stichte 

den troen metten sterren verlichte 

die lucht metten voeghelen vercierde

60 die vissche int water visierde 

die erde vercierde metten dieren 

Ende met cruden van manieren 

ende oe hi tachterst maecte den mensche 

doe hi hem alle die wensche

65 adde ghemaect die hem bedursten 

Maer nu suldi sonder vursten 

Gode met mi bidden mede 

dat hi mi dor dese warede 

die hic dichte van siere weet

70 vergheue dat hic mi besmet 

hebbe in luegheliken saken 

die mi die lichteit dede maken 

vander herten ende van den sinne 

Ende die weerelike dinghe

[fol.1v] 75 Ende hi die nideghe verdue 

die altoes versch siin ende nue 

Ende talre stont daer toe gherust 

dat hem te begripene lust 

Min ghedichte ende mine word

80 Ghi nideghe merct ende hord 

Ghi ne sult mi niet ghedeeren connen 

al te spade hebdis begonnen 

hets dompeit dat ghi vertert 

hu nijt dinct mi dat niemene deert

85 dan hu seluen in huen siin 

Ghi hebt die meer suareit der in 

Ghi siit te magher ende te bleker 

tui si di voer den oghen smeker

ende bachten valsch alse uerrader

90 Met judase moet ghiis alle gader 

hebt hu den nijt hic wille dichten 

ende mi der mede verlichten 

dor min segghen dor min castien 

Sone suldiis niet vertien

95 dies wille ghaen an min beghin 

Nu god verclare minen siin 

Merct hic wille ghis seker siit 

dits beghin van alre tiit 

God die maecte int beghin

100 Den hemel ende oec mede der in 

Alle die inghelike nature 

Desen hemel heet die scrifture 

Empireus in rechter name 

daer die inghele hare beghin in namen

105 ende hi maecte die erde mede 

Wi verstaen al hier ter stede 

daer die lettere die erde noemnt 

dat met hare materien compt 

al dat bi der erden leuet

110 ende al die dinc die soe vte gheuet 

Ende weder in hare kert 

dies weest oec wijs ende gheleert 

die materie van allen dieren 

van allen cruden van manieren

115 van boemen. van adams vlesche mede 

brochte soe voer hare daer ter stede 

Maer niet ne maketse god noch toe 

hier namaels maect hise ende hoert hoe 

die viere elemente. water. vier.

120 Erde. lucht. die waren hier 

Ghemaect al daer men die erde noemnt 

nu merct oe die redene compt 

Werelt ende tiit siin euen out 

dus sprect die wareit onse behout

125 van nieute maecte god int beghin 

den emel ende die jnghele der in 

Ende die andre elemente mede 

die erde was van hare scoenede 

Nochtoe deelloes na der nature

130 dies heetse jdel die scrifture 

Ende met deemstereden bedect 

die scrifture die vertrect 

dat die eleghe gheest ons heren

dats gods wille dus salment keeren

135 die wart up water ghedraghen 

dies woerds mach ons wel behaghen 

daer wart betekent ende bediet 

dat doepsel dat men nu pliet. 

DOe maecte god met sinen worde

140 dat lecht alse hict bescriuen hoerde 

dwoerd gods dats die soene 

die ons verloeste dats die goene 

die vlesch in marien ontfinc 

dat lecht her die sonne up ghinc

145 was een suerc claer ende scone 

Gheliic der dagheraet anden trone 

der sonnen onghelic van lechte 

al dus bescriuen ons gods knechte 

doe sach got dat lecht was goet

150 Ende versciet daer metter spoet 

dat lecht van der deemsterhede 

al hier verstaen wi teser stede 

dat lucifer ende sine scare 

versceden worden openbare

155 Omme hare ouerdeghe sonden

[Rijmbijbel]

[fol.1r]

 

3 Vader, Zoon, Heilige Geest 

Enige God zonder begin 

Geef mij hulp en bijstand

En gratie in mijn zin

5 Dat ik vinden mag woorden 

Mooi en rijmen goed 

Daar ik bij mag brengen voort 

dat ligt in mijn gemoed 

Maria moeder der genaden

10 Moeder der ontferming 

Gij hebt menigeen beraden 

Getroost van zijn zeren 

help me vrouwe met uw gebeden 

dat ik win de Heilige Geest

15 die me kracht en mogendheid

verleent dat mag me helpen meest 

Zo ben ik dan onvervaard

Fraaie rijmen te brengen voort

van een geest die ik begeer

20 heb te verklaren in Dietse woord 

Scolastica wil ik verklaren

In Dietse woord uit het Latijn 

Vrouwe nu moet u zich onderwinden 

troost te zijn in mijn pijn.

25 Nu merk die hieraan zal lezen 

wat nuttigheid hieraan zal wezen 

hier nee vindt men nog fabels nog grappen

Nog geen verzinsels nog gezwets

Maar fraaie rijmen en ware woorden

30 hoe dat de tijd is gekomen voort 

Sinds dat de wereld eerst begon 

al tot die dat kwam die stonde 

dat Jezus Christus ten hemel klom 

die onze mensheid aannam

35 hier vind ik rijmen tijdverdrijf 

en daartoe ware lering 

de noot lijkt op deze historie 

dat merk wel in uw memorie 

die buiten bitter heeft de huid

40 de schaal zo hard zodat men ze nauwelijks 

Met de tanden mag gewinnen 

Maar al de zoetheid die is binnen 

de bitterheid van dit verhaal

dat is dat de verstandigste en de grootste

45 van tijden dit doorgronden nauwelijks

dit is de bitterheid van de huid

de hardheid die ligt aan de schaal

dat is dat niemand helemaal 

Mag verstaan wat die woorden betekenen

50 de zoetheid daarvan dat is dat de lieden 

die het recht verstaan en recht beminnen 

En waarheid en goed bekennen 

dat hem die woorden zo zoet smaken 

omdat ze zijn van ware zaken

55 dat ze die graag horen en lezen 

Want daar nee mag geen verlies aan wezen 

Hoort hier hoe God die wereld stichtte 

de troon met de sterren verlichte 

de lucht met de vogels versierde

60 de vissen in het water versierde 

de aarde versierde met de dieren 

En met kruiden van manieren 

En ook hoe hij het laatste maakte de mens 

Toen hij hem al de wensen

65 had gemaakt die hem behoeven 

Maar nu zal ge zonder uitstel

God met mij bidden mede 

dat hij me door deze waarheid

die ik dichte van zijn weten

70 vergeef dat ik me besmet 

heb in leugenachtige zaken 

die me de lichtheid deed maken 

van het hart en van de zin 

En de wereldse dingen

75 En hij de nijdige verdoet

die altijd fris zijn en nieuw 

En te alle stond daartoe uitgerust

dat hen te begrijpen lust 

Mijn gedichten en mijn woorden

80 Gij nijdigaard merk en hoor 

Gij nee, zal me niet deren kunnen 

al te laat ben je begonnen 

het is domheid dat ge verteert 

uw nijd lijkt me dat het niemand deert

85 dan u zelf in uw zin 

Gij hebt die meer zuurheid daarin 

Gij bent te mager en te bleker 

Toen ze u voor de ogen smeken

en brachten vals als verrader

90 Met Judas moet ge alle tezamen 

hebben uw de nijd, ik wil dichten 

en me daarmede verlichten 

door mijn zeggen, door mijn kastijden 

Zo zal ge het niet verlaten

95 dus wil ik gaan aan mijn begin 

Nu God verheldert mijn zin 

Merk ik wil ge zeker bent 

Dit is begin van alle tijd 

God die maakte in het begin

100 De hemel en ook mede daarin 

Al die engelachtige naturen 

Deze hemel heet de schrift 

Empireum in rechte naam 

Daar de engelen hun begin in namen

105 en hij maakte de aarde mede 

Wij verstaan al hier ter plaatse

daar de letter de aarde noemt 

dat met haar materies komt 

alles dat bij de aarde leeft

110 en al die dingen die ze uitgeeft

En weer in zich keert 

dus was het ook wijs en geleerd 

de materie van alle dieren 

van alle kruiden van manieren

115 van bomen, van Adams vlees mede 

bracht ze voor haar daar ter plaatse

Maar niet nee maakte ze God nog toen 

hier later maakt hij ze en hoor hoe 

de vier elementen, water, vuur.

120 Aarde, lucht, die waren hier 

Gemaakt al daar men de aarde noemt 

nu merk hoe de reden komt 

Wereld en tijd zijn even oud

aldus spreekt de waarheid ons behoudt

125 van niets maakte God in het begin 

de hemel en de engelen daarin 

En die andere elementen mede 

De aarde was van haar schoonheid 

Nog toe geheel zonder naar de natuur

130 dus heet ze leeg de schrift 

En met duisterheid bedekt 

de schrift die verhaalt

dat de Heilige Geest onze Heer

dat is Gods wil dus zal men het keren

135 die werd op water gedragen 

dat woord mag ons wel behagen 

daar werd betekent en aangeduid 

dat doopsel dat men nu pleegt. 

Toen maakte God met zijn woorden

140 dat licht zoals ik het beschrijven hoorde 

het woord Gods dat is de verzoening 

die ons verloste dat is diegene 

die vlees in Maria ontving 

dat licht van haar de zon opging

145 was een zwerk helder en mooi 

Gelijk de dageraad aan de troon 

de zon ongelijk van licht 

aldus beschrijven ons Gods knechten 

toen zag God dat het licht was goed

150 En scheidde daar met een spoed 

dat licht van de duisterheid 

al hier verstaan we te deze plaatse

dat Lucifer en zijn schaar 

gescheiden worden openbaar

155 Om hun overdadige zonden

 

 

[fol.2r] van den jnghelen die wlstonden 

diere staende bleuen heet die boec dlecht 

Ende diere vielen na al recht 

Moghen wel heeten demsterede

160 daer noemde god dus leユeユst men mede 

dat lecht bi namen ende hiet dach 

die tiit daer deemsterede ane lach 

hiet onse here nacht bi namen 

Ende dit was alse wi vernamen

165 Een sondach ende dalreste dach 

die ter weerelt oint ghelach 

Des ander daghes dus eist bekent 

Maecte god dat firmament 

Jnt water ter middewarde recht

170 van watere so maecte hi echt 

hart ende vast gheliic kerstale 

Claer ghescepen alse dei scale 

Die sterren dit es bekent 

Die staen in dit firmament

175 firmament hetet bi namen. 

Omme da hem vaste hout te samen

Ende het die watre alsoe hout 

Die bouen hem siin met ghewoud 

dat sii niet ne commen neユeユder

180 wat sii da<er> doen antwordic weeder 

dat ne weet niemene dan god ons here 

Sonder dat sulc in sine leere 

Seghet dat die dau danen coemt 

dit firmament heuet hi ghenoemt

185 Spreket die boec hemel bi namen 

Omme dat beaect al te samen 

Ende verhemelt die weerelt al 

Water. vier. berch ende dal. 

DEn derdendaghe leese wi van gode

190 dat hi met sinen ghebode 

dwater uersaemde in een couent 

dat es onder tfirmament 

dat hare die droecheit openbaerde 

die droecheit noemde god doe harde

195 Ende des waters versaminghen 

daer sii alle te samene ghinghen 

dat hiet hi bi namen zee 

Ende daer naer so maecte hi mee 

God besach dat het was goet

200 Ende hi seide metter spoet 

hic wille di gheuen cruut 

Ende hare groeneit comme vt. 

daer af comen moeghe saet 

Ende datter gheboemte up staet

205 dat appelle draghe na siere maniere 

Ende vrucht oec meneghertiere 

al dat hi seide was wl daen 

Want siin wille moeste wlgaen 

DEen vierdendaghe macte der ane

210 Onse here sonne ende mane 

Ende die sterren die hi ghesent 

Ende gheseet heft int firmament 

verre beneden sterren staen 

Sonne ende mane sonder waen

215 Ende alle die planeユeユten mede 

derde heft de nederste stede 

van al den sterren. ende als hic wane 

Ende alse men leesende vint de mane

es de minste van den sterren

220 die ons lichten noch van verren 

die vroede liede segghen al bloet 

die sonne achtwaruen alse groet 

alse die erde es al gheheel 

Ende die mane es meerre een deel

225 dan die erde dus eist bescreuen 

Mane ende sterren siin ghegheuen 

dat sii dien naect maken clare 

want hi anders te leeliic ware 

Ende omme dat die nachts in watere pinen

230 Ende die oec wandelen in wostinen 

daer bi souden ghetroest weesen 

Ende alre meest oec alse wi leesen 

van libien int groete sant 

daer een clene wint alte hant

235 die weghe verwait soe dat se man 

altoes neghen bekennen can

[fol.2v] Ne daden die sterren men ne vonde 

Niemene diere gheghaen in conde 

Noch men ne vonde nemmermee

240 Niemene die voere in de zee 

Oec leesmen dat men voghele vint 

die vander sonnen niet en tuint 

Die clareit ghedoghen connen 

Nachts moetsi vlieghen ende ronnen

245 Ende hem bi den sterren voeden 

dat suldi mede wel ghevroeden

dat niet alleene dor die sconeede 

Noch allene dort leecht mede 

Sonne. sterre. ende mane.

250 Sijn gheseet. maer om te verstane 

Scone weder ende quaet der bi 

Ende om dat die minste des vroet sii 

dat si sceden dach ende nacht 

Weke ende maent ende dees jaers cracht

255 lentin. somer. heerfst. ende winter. 

die van dompeiden ghenen splinter 

Stekende heeft in sinen siin 

die magher vele leeren in 

versta wi so merken conne

260 dat ghemaect was die sonne 

Jnt oesten tilike te haren up ganghe

des auons der na. dan was niet langhe 

doe soe was ten onderen gane 

Maecte god risende de mane

265 Ende soe was wl van haren lechte 

dus proeuent mesters al bi rechte 

DEs .v. daghes versierde god ons here 

wende lucht. met groeter ere 

Der lucht gaf hi dat vlieghen conde

270 Ende dat suemmende ghinc ten gronde 

vissche en voghele dat es waer 

Maecte hi beede van watre daer 

God maecte alle dinc die roet 

Clene ende groet diet water voet

275 Ende wat so gaet oec ende vlieghet 

bedi mesdoet hi ende lieghet 

die seghet dat sij iet maken conden 

die quade gheeste dane sonden 

doe seinde hise ende benedide

280 Om dat hi wilde dat siin wille diide 

DEn sesten daghe versierde god 

De erde ende hiet na siin ghebod 

dat soe beesten brochte voerd 

hi wiste wel merct ende hoert

285 dat de mensche vallen soude 

maer doer sine dueghet so woude 

hi den mensche beesten gheuen 

Omme te verlichtene dat suare leeuen 

beesten merct dit wordelike saen

290 het si om dat sii ons bi staen 

Nv vraegt men of die goedertiere 

God. maecte die felle diere 

Ende de gheueninde voer adaems sonden 

die redene hebbic al vonden

295 dat alle diere sonder waen 

Ghemaect waren onderdan 

den mensche te sine emmermeere 

adde hi gheoert na onsen here 

Maer na de mesdaet alst wel sciint

300 word sii fel ende gheueniint 

Ende staende na siine scade 

Oec mede om siine mesdade 

Segghen ons die eleghe lude 

dat die boeme ende die crude

305 die nu wassen vruchte loes 

dat elc siine cracht verloes

van der mesdaet van adame 

Sonne ende mane van groeter scame 

Sterren ende diere steene

310 Ne behilden nemmeer alleene 

van hare cracht dan zeeuende deel 

te voeren adden sii se al gheel.

van de engelen die volstonden 

die er staan bleven heet dat boek het licht 

En die er vielen naar al recht 

Mogen wel heten duisterheid

160 daar noemde God, aldus leest men mede 

dat licht bij namen en heet het dag 

de tijd daar duisterheid aan lag 

heet onze Heer nacht bij namen 

En dit was zoals we vernamen

165 Een zondag en de allereerste dag 

die ter wereld ooit lag 

De andere dag aldus is het bekend 

Maakte God dat firmament 

In het water ter midden waart recht

170 van water zo maakte hij echt 

hard en vast gelijk kristal 

Helder geschapen als een eierschaal 

De sterren dit is bekend 

Die staan in dit firmament

175 firmament heet het bij naam. 

Omdat het vast houdt tezamen

En het dat water alzo houdt

Die boven hen zijn met geweld

dat ze niet nee komen neer

180 wat ze er doen antwoord ik weer 

dat nee weet niemand dan God onze Heer 

Uitgezonderd dat sommige in zijn leer

Zeggen dat de dauw er vandaan komt 

dit firmament heeft hij genoemd

185 Spreekt dat boek hemel bij namen 

Omdat het bedekt al tezamen 

En verhemelte de wereld al 

Water, vuur, berg en dal. 

De derde dag lezen we van God

190 dat hij met zijn gebod 

het water verzamelde in een convent 

dat is onder het firmament 

dat zich de droogte openbaarde 

die droogte noemde God toen aarde

195 En de water verzameling 

daar ze alle tezamen gingen 

dat heet hij bij namen zee 

En daarna zo maakte hij meer 

God zag dat het was goed

200 En hij zei met een spoed 

ik wil u geven kruid 

En hun groenheid komt uit. 

Waarvan komen mag zaad 

En dat er geboomte op staat

205 dat appels draagt naar zijn manier 

En vrucht ook menigerhande 

al dat hij zei was goed gedaan 

Want zijn wil moest volgaan 

De vierde dag maakte daaraan

210 Onze Heer zon en maan 

En de sterren die hij gezonden 

En gezet heeft in het firmament 

ver beneden sterren staan 

Zon en maan zonder waan

215 En al die planeten mede 

de aarde heeft de laagste plaats

van al de sterren en zo ik waan 

En zoals men lezende vindt de maan

is de kleinste van de sterren

220 die ons lichten nog van verre 

die verstandige lieden zeggen al bloot 

de zon acht maal alzo groot 

als de aarde is al geheel 

En de maan is maar een deel

225 van de aarde, aldus is het beschreven 

Maan en sterren zijn gegeven 

dat ze die nacht maken helder 

want die anders te lelijk was 

En omdat die ヤ s nachts in water werken

230 En die ook wandelen in woestijnen 

daarbij zouden getroost wezen 

En allermeest ook, zoals we lezen 

van Libi in het grote zand

daar een klein wind gelijk

235 de weg wegwaait zodat ze de man 

altijd nee geen bekennen kan

Nee, deden die sterren men niet vond 

Niemand die er gaan kon 

Nog men nee vond nimmermeer

240 Niemand die voer in de zee 

Ook leest men dat men vogels vindt

die van de zon niet iets 

Die helderheid gedogen kunnen 

ヤs Nachts moeten ze vliegen en rennen

245 En hen bij den sterren voeden 

dat zal ge mede wel bevroeden

dat niet alleen door die schoonheid 

Nog alleen door het licht mede 

Zon, sterren en maan.

250 Zijn gezegd, maar om te verstaan 

Mooi weer en kwaad daarbij

En omdat de minste dus bekend is 

dat ze scheiden dag en nacht 

Week en maand en de jaar kracht

255 lente, zomer, herfst en winter. 

die van domheid geen splinter 

Steken heeft in zijn zin 

die mag er veel leren in 

versta we zo merken kunnen

260 dat gemaakt was de zon 

In het oosten tijdig in haar opgang

De avond daarna, dat was niet lang 

Toen ze was ten onder gegaan 

Maakte God rijzende de maan

265 En ze was wel van haar licht 

aldus beproeven het meesters al bij recht 

De 5de dag versierde God onze Heer 

wendende lucht met grote eer 

De lucht gaf hij dat vliegen kon

270 En dat zwemmende ging te gronde 

vissen en vogels dat is waar 

Maakte hij beide van water daar 

God maakte alle ding die goed 

Klein en groot die het water voedt

275 En wat zo gaat ook en vliegt 

daarom misdoet hij en liegt 

die zegt dat zij iets maken konden 

de kwade geest dan zonden 

toen zegende hij ze en benedijde

280 Omdat hij wilde dat zijn wil gedijde 

De zesde dag versierde God

De aarde en zei naar zijn gebod 

dat ze beesten bracht voort 

hij wist wel, merk en hoor

285 dat de mens vallen zou 

maar door zijn deugd zo wou 

hij de mens beesten geven 

Om te verlichten dat zware leven 

beesten merk dit woordje gelijk

290 hetzij omdat ze ons bijstaan 

Nu vraagt men of die goedertieren 

God maakte die felle dieren 

En de venijnige voor Adams zonden 

die reden heb ik al gevonden

295 dat alle dieren zonder waan 

Gemaakt waren onderdanig 

de mens te zijn immermeer 

had hij gehoord naar onze Heer

Maar na de misdaad, zoals het wel schijnt

300 worden ze fel en venijnig 

En staan naar zijn schade 

Ook mede om zijn misdaden

Zeggen ons de heilige lieden 

dat de bomen en de kruiden

305 die nu groeien vruchteloos

dat elk zijn kracht verloor

van de misdaad van Adam 

Zon en maan van grote schaamte 

Sterren en dure stenen

310 Nee, behielden nimmer alleen 

van hun kracht dan het zevende deel 

tevoren hadden ze die al geheel.

 

 

[fol3r] DOe sprac god make wi den man 

Nu merct ende verstaet hier an

315 tote wien seide hi maken wie 

der persone so siin drie 

de drieuoudecheit spreect ghemeene 

dits den mensche ene here niet cleene 

dattene god makede met voerrade

320 al maecti met siire ghenade 

al de andre creaturen 

hine sprac niet van hare naturen 

alse hi tote des menschen dede 

Nochtan was hi ghemaket mede

325 Na der zielen des gods ghebelde 

dit was den mensche groete welde 

Na den lichame wildit horen 

heft hiis vele te voren 

want hi es van meester werden

330 den besten staet dat oeft ter erden 

Ende den mensche te hemele waert 

Jn drien saken openbaert 

God des menschen weerdechede 

dat hi niet alleene mede

335 Ghemaect was omme hertsche welde 

Maer na der zielen gods ghebelde 

Dander es als ic erst seide 

datter god sinen raet toe leide 

Ende seide maken wi den man

340 de derde waerdecheit der an 

dats dat hi ghemaect was alse here 

van allen dieren met groeter ere 

dat sine voeden na den sonden 

Ende cleden souden tallen stonden

345 Ende helpen sinen arbeit draghen 

vor de mesdaet hoer ic ghewaghen 

Gaf god den mensche ende den dieren 

vruucht tetene van manieren 

want derde brochte niet dan goet

350 Mensche marc of du bes vroet 

du heues verloren in den meesten 

dine herscap in den besten 

an draken ende an liebarde 

an tigren ende an luparde

355 dit was groete waerdechede 

an die mintste hef stu mede 

Ghewelt verloren om diin lieghen 

dats an messien ende an vlieghen 

an die middelste hefstu ghewout

360 om dat tu marken sout 

dattu here altoes wars bleuen 

der beesten atstu niet begheuen 

tgebod dat di god gheboet 

dus vielstu in groeter noet

365 God benedide den man 

ende seide deese woert der an 

wasset ende wert menech vout 

dit woert dat men ghescreuen hout 

Gaet jeghen die buggheren die spraken

370 valschelike in haren traken 

dat huwelic te gherestonde 

Ne mach weesen sonder sonde 

die daet waent hem weert suaer pardoen 

God en hiet noint sonde doen

375 God sach al dat hi adde ghemaect 

al waest goet ende wel gheraect 

Uulmaect es nu hemel ende erde 

Ende al hare sierheit met groeter werde 

Des .vi. daghes verwldi mede

380 al werc daer hi neerenst toe dede 

Ende ruste up den .vij. dach 

Niet dat hem eneghe pine verwach 

Maer dat hi siin maken liet 

Jn sulken ne market niet

385 hine maect noch alle daghe 

vele dincs dins ghene saghe 

Maer hine maecte niet hier na 

Sine materie die ne was daer 

Ghemaect of hare ghelike

390 an adame was sekerlike 

die materie van alden lieden 

dit willic an siin vlesch bedieden

van sinen vlessche esset al 

dat es ende was ende commen sal

395 Ende mensche voerme heuet ontfaen 

van der zielen suldi verstaen 

dat daer ghene ziele af cam 

Maer wie so vlesch van hem nam

[fol.3v] God gaf hem ziele ghelic adame

400 de zeuende dach die heet die name 

daer god up ruste saterdach 

Ende in ebreus eist alse ict sach 

heetent die iueden sabaet 

dats ruste gods daert al ane staet

405 [ende hi benedidene dats waer] 

Sint vierdemenne menech jaer 

Duus alse ghiit hier hebt vernomen 

So eist ons van Moysesse comen 

dat got maecte hemel ende erde

410 Ende al dat boerde thare werde 

al benediide hiit ende seinde 

dit was eer dat noint reinde 

want eene fontejne van groeten prijse 

die quam uten paradyse

415 gaf natheit in groeter tiit 

al omme ende omme der weerelt 

tparadys bediet marien 

de fonteine ihesus den vrien 

die al met duegeden maket nat

420 hier naer sal hict verclaren bat 

wat riiuieren der ute quamen 

Ende oe dat sii heeten bi namen 

hoert van adame dat besceet 

God maectene alse hier voren steet

425 van der herden van den lime 

Na den vlesche eist dat ic riime 

Ende die ziele maecti van niete 

weet weel dat hi achter liete 

de wareit die niet gheloueden dies

430 de lettre spreect dat hi in blies 

hem den leuenliken gheest 

dat bediet recht alre meest 

dat hi die ziele sende in vat 

plato dolde in deeser stat

435 die edelste clerc van ogher name 

die seide dat ten lachame 

die inghele maecten ende god den gheest 

dat segghen sulke hebbe ic ghevreest 

dat de ziele ware meede

440 ghemaect vander goddeliichede 

ware dat waer sone mochte dan 

Niet ghene sonde doen de man 

Niechtemeer dan onse here 

Noch oec steruen nemmermeere

445 DE man was ghemaect vander moude 

dat merct. recht in manliker oude 

wlcommen in crachte in wlre jueghet 

wl maect van leeden jn sulker dueghet 

wilde hi tghebot gods niet begheuen

450 dat hi mochte eweelike leuen 

verbrake hiit oec doer eneghe noet 

Dat hire omme smaken soude de doet 

Duus was hem wl wille ghegheuen 

Weder hi steruen wilde ofte leeuen

455 God die milde es ende wiis 

die maecte dat paradys 

ten derden daghe doe hi vt 

Comen dede bome ende cruut 

al daer die weerelt es an beghin

460 dat es ten oesten no meer no min 

al daer heuet hiit gheseet 

het bescriuet die heleghe weet 

dat et es die scoenste stede 

die es onder den emel mede

465 beede bi berghen ende bi landen 

vte onser wanderinghen ghestanden 

Jof so gheuest metter zee 

dat man ne ghewonne nemmermee 

Noch ne gheen came in de stede

470 Met neghere bendechede 

het was toter manen oech 

Bedi bleeft vander loeuien droech 

Jnt paradys sette onse here god 

alt hout want het was siin ghebod

Toen sprak God maken we de man 

Nu merk en versta hieraan

315 tot wie zei hij te maken wie 

de personen zo zijn drie創 

de Drievuldigheid spreekt algemeen  (1)

dit is de mens, een heer niet klein 

dat hem God maakte met voorberaad

320 al maakte hij met zijn genade 

al de andere creaturen 

hij sprak niet van hun naturen 

zoals hij tot de mens deed 

Nochtans was hij gemaakt mede

325 Naar de ziel van Gods beeld 

dit was de mens grote weelde 

Naar het lichaam wilde ge het horen 

heeft hij veel te voren 

want hij is van grootste waarden

330 de beesten staat dat hoofd ter aarde 

En de mens te hemel waart 

In drie zaken openbaart 

God de mensen waardigheid

dat hij niet alleen mede

335 Gemaakt was om de aardse weelde 

Maar naar de ziel Gods beeld 

De andere is zoals ik eerst zei 

Dat er God zijn raad toe legde 

En zei maken we de man

340 de derde waardigheid daaraan 

dat is dat hij gemaakt was als heer 

van alle dieren met grote eer 

dat ze hem voeden na de zonde 

En kleden zouden te alle stonden

345 En helpen zijn arbeid dragen 

voor de misdaad hoor ik gewagen 

Gaf God de mens en de dieren 

vrucht te eten van manieren 

want de aarde bracht niets dan goeds

350 Mens merk als u bent verstandig 

u hebt verloren in de meeste

uw heerschappij in de beesten 

aan draken en aan leeuwen 

aan tijgers en aan luipaarden

355 dit was grote waardigheid

aan de minste heeft u mede 

Geweld verloren om uw liegen 

Dat is aan muggen en aan vliegen 

van de middelste hebt u geweld

360 omdat u merken zou 

dat u heer altijd was gebleven 

de beesten had u begeven 

het gebod dat u God gebood 

dus viel u in grote nood

365 God zegende de man 

en zei dit woord daaraan

groei en wordt menigvuldig

dit woord dat men geschreven houdt 

Ga tegen die ketters die spreken

370 vals in hun streken 

dat huwelijk te gene stonde 

Nee, mag wezen zonder zonde 

die daad waant hen waard zwaar pardon 

God zei nooit zonde te doen

375 God zag al dat hij had gemaakt 

al was het goed en goed geraakt 

Volmaakt is nu hemel en aarde 

En al haar sierlijkheid met grote waarde

De 6de dag vervulde mede

380 al werk daar hij vlijt toe deed 

En ruste op de 7de dag 

Niet dat hem enige pijn verwachte 

Maar dat hij zijn maken liet 

In zulke nee merk niet

385 hij maakt nog alle dagen 

vele dingen en dat is geen sage 

Maar hij maakte niet hierna 

Zijn materie die nee was daar 

Gemaakt of haar gelijke

390 aan Adam was zeker

de materie van al de lieden 

dit wil ik aan zijn vlees beduiden

van zijn vlees is het al 

dat is en was en komen zal

395 En mens vorm heeft ontvangen 

van de ziel zal ge verstaan 

dat daar geen ziel van kwam 

Maar wie zo vlees van hem nam

God gaf hem ziel gelijk Adam

400 de zevende dag die heeft de naam 

daar God op rustte zaterdag 

En in Hebreeuws is het zoals ik het zag

Heten het de Joden sabbat 

Dat is rust God daar het al aan staat

405 [en hij zegende dat is waar] 

Sinds vierde men het menig jaar 

Dus zoals ge hier hebt vernomen 

Zo is het ons van Mozes gekomen 

dat God maakte hemel en aarde

410 En al dat behoorde tot haar waarde 

al benedijde hij het en zegende 

dit was eer dat nooit regende 

want een fontijn van grote prijs 

die kwam uit het paradijs

415 gaf natheid in grote tijd 

alom en om de wereld 

het paradijs betekent Maria 

de fontein Jezus de vrije 

die al met deugden maakte nat

420 hierna zal ik het verklaren beter

wat rivieren daaruit kwamen 

En ook ze heten bij namen 

hoort van Adam dat bescheidt

God maakte hem zoals hier voren staat

425 van de aarde van de leem 

Naar het vlees is het dat ik rijm 

En de ziel maakte hij van niets 

weet wel dat hij achter liet 

de waarheid die niet geloofden dit

430 de letter spreekt dat hij in blies 

hem de levende geest 

dat betekent recht allermeest 

dat hij de ziel zond in het vat 

Plato doolde in deze plaats

435 de edelste klerk van hoge naam 

die zei dat het lichaam 

de engelen maakten en God de geest 

dat zeggen sommige heb ik gevreesd 

dat de ziel was mede

440 gemaakt van de Goddelijkheid 

was dat waar zo mocht dan 

Nee, geen zonde doen de man 

Niet meer dan onze Heer 

Nog ook sterven nimmermeer

445 De man was gemaakt van de modder 

dat merk recht in mannelijke ouderdom 

volkomen in kracht in hun jeugd 

volmaakt van leden in zulke deugd 

wilde hij het gebod God niet begeven

450 dat hij mocht eeuwig leven 

verbrak hij het ook door enige nood

Dat hij er om smaken zou de dood 

Dus was hem wel wil gegeven 

Weder hij sterven wilde of leven

455 God die mild is en wijs 

die maakte dat paradijs 

te derde dag toen hij uit 

Komen deed bomen en kruid 

al daar de wereld is aan het begin

460 dat is ten oosten nog meer of min 

aldaar heeft hij het gezet

het beschrijft de heilige wet 

dat het is de schoonste plaats 

die is onder de hemel mede

465 beide bij bergen en bij landen 

uit onze veranderen bevinden

Of ze geeft het met de zee 

dat man nee gewint nimmermeer 

Nog nee geen kwam in de plaats

470 Met nee geen handigheid 

het was tot de maan hoog

Daarom bleef het van de zondvloed droog 

In het paradijs zette onze Heer God

Al het hout want het was zijn gebod

(1) In het Hebreeuws staat 25: ヤen de Goden zagen dat het goed wasユ. Een probleem met 1 God. Daarom wordt hier de Drievuldigheid gemaakt. Dat was met Mariaユs maagdelijkheid nogal een strijd vroeger van verschillende theologische groeperingen en vooral Arianen die er maar 1 God in zagen. Die werden ketters genoemd wat tienduizenden mensen het leven heeft gekost. Nu staat er alleen; ヤGod zag dat het goed wasユ. Is dan ook de Drievuldigheid verdwenen?

[fol.4r] 475 dat scone was ende smaken soechte 

omme dat den man ghenoeghen mochte 

bede de smake ende dat up sien 

jn die middewarde van dien 

sette hi des leeuens hout

480dat heuet die cracht ende die ghewout 

die de vruucht et soe mach hem gheuen 

ghesonde ende langhe leeuen 

Oec segghen sulke boeke meer 

dat hi mach leuen emmermeer

485 bedi sette hi oec der binnen 

den boem die goet ende quaet leert kinnen 

dat heuet bedi de name ontfaen 

Om dat doe adaem adde mesdaen 

daer an dat hi maecte tquade

490 ende van den goeden vel in scade 

de fontejne daer ic er af liet 

die dor dat paradys al vliet 

Gaf al den boemen saeps ghenoech 

[ende al der plaetchen int gheuoech]

495 die deelt haer daer in vieren riuieren 

de namen salic u visieren 

fisons. ende ganges eet die eene 

die lopet endi duere alleene 

men vint gout in hare sant

500 tdbeste dat es in enech lant 

Gion of nilus comnt ghelopen 

dor dat lant van ethyopen 

al dus eet dandre riuiere 

tygris de derde. eufrates. dits viere

505 dicken vallen sie in de erde 

dat si lopen hare verde 

Ende springhen vte eere andre stad 

die boeke bescriuen ons dat 

God droech den mensche van der erde

510 dat hine adde ghemaect werde 

jnt paradys om dat hi woude 

dat hi der in werken soude 

Niet der in pinen dor de noet 

Maer ghenoechte hebben groet

515 Ende dattene god soude wachten mede 

Ende zee. man die eleghe plaatse 

Gods ghebot hem wildit weeten 

van alre vruucht soe soutu eeten 

Sonder die es an den boem