Johan van Beverwijck, Schat der Ongezondheid.

Geneeskunst van de zieken, 1663.

Klik hier voor Johan van Beverwijck; Schat der Gezondheid.

Klik hier voor Johan van Beverwijck; Heelkunst.

 

Beschrijving: image001

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEN LESER

 

Tekstvak:  zoo, gelijck eertijdts een Wijse by Plato wel geseydt heeft, de gene, die yet schrijft, en die van sijn schriften oordeelt, beyde den Menschelicken aerdt deelachtigh zijn, en dat den selfden door verscheyde en vreemde sinnen gedreven werdt: zoo en is ’t niet vreemt, dat men siet yemandts werck verscheydelijck by verscheydene opnemen. Waerom de Poëet wel schrijft, dat de Boecken ontfangen werden, na het verstandt van den Leser. Seer boertigh seyde een ander Griecx wijs-gerige Bion, dat de gene, die aen een yder wel smaken wilde, van noden hadde, om in soete Bastaert-wijn, of soete Pastey te veranderen. Maer dat en soude evenwel noch niet genoegh zijn, dewijl men bevindt, dat selfs Honich en Suycker in een vervuylde Maech in Gal veranderen. Alzoo ick oock wel konde dencken, dat het Schrijven van de Sieckten in onse Tale, sommige niet wel en soude aenstaen, als of de Konste daer door te gemeen gemaeckt, en als ontheylight werde, gelijck Hippocrates oock verbiedt de selvige niet voort te leeren, als de gene, die in den Eedt zijn: zoo heb ick niet konnen nalaten U.L gunstige leser, met weynige woorden mijn ooghmerck, en voornemen van dit Werck voor te dragen, sonder evenwel noodigh te achten, daer over groote onschult te doen. De oude Cato, gelijck Plutarchus in sijn leven verhaelt, belachte eertijdts sekeren Pastumius Albinus, die sich self ontschuldighden, en verlof versocht, om dat hy, zijnde een Romeyn, seker Historie in de Grieckse Sprake geschreven hadde;seggende, dat men hem sulcks wel mocht toestaen, indien hy door den grooten Raedt daer toe ware aengesport geweest. Alsoo ick oock desen last wel lichtelick door niemandts last aengenomen hebbe: zoo sal genoegh zijn, alleen te zeggen, dat dese beschrijvinge van de Genees-konste niet en strijdt tegens den Eedt van onsen oudtsten, en grootsten Genees-meester. Want al is ’t dat ’t sijnen tijt de manier was, dese Konste niet onder den man te brengen, maer als een kostelijcke, en vorderlijcke erffenisse sijn eygen kinderen na te laten; gelijck de Chaldeers, als Diodorus Siculus in sijn tweede Boeck getuyght, eertijdts oock deden ten insichte van hare wetenschap, om toekomende dingen uyt de sterren te voorseggen: soo heeft even-wel Hippocrates zelve de Leer-stucken en Ondervindingen van sijn Konste, in de Griecksche, dat is, sijn moederlijcke Tale beschreven, en na hem Aretaeus, Galenus, Russus, Ephesius, Oribasius, Paul Aegineta, Aëtius, Alex. Trallianus (2) Acturius, Nic. Myrepsus. En in de Latijnse op de selfde wijse, Corn. Celsus, Plinius, Scrib. Largus, Marcellus Empiricus, Caelius Aurelianus, als oock de Arabiers Avicenna, Mesue, Rhazes, Avenzoar, Haly, Haliabbas, Isaac, Serapion, Averoë. Welck voorschrift van de oude, oock by de nieuwe Schrijvers onder alle volckeren nagevolght is : waer door wy mede in onse Tale verscheyde Boecken van alderhande Sieckten, en gebreken, zoo opgepropt met veel verscheyde, doch niet wel onderscheyde Genees-middelen, dat den leser daer gantsch in verwerret. Het welck ick schouwende, hebbe (om niet meermael gelijck anders op veel plaetsen, na de Sieckten die uyt gelijcke oorsaeck spruyten, zoude noodigh zijn geweest, de selfde Genees-middelen overhoop te halen) die na haer krachten, en bysondere eygenschap, die sy hebben, met de Deelen onses Lichaems, verdeelt, en bysonderlick beschreven, in ’t Eerste Deel; en in ’t Tweede, hoe sy tot de Sieckten te pas komen, op het eerste aengewesen. Welcken wech, gelijck hy den kortsten, en bequaemsten is, oock hoort gekeurt, en opgenomen te werden. Mijn meninge en is even-wel niet, om de gene, die buyten de Konste zijn, groote Konstenaers te maken, als sulcks door soo geringh werck niet doenlijck zijnde. Laet men yemandt al het Timmer-gereedtschap voor-leggen, hy en sal daerom niet terstont een Timmerman wesen, hoewel hy daer beneffens veel Huysen heeft sien bouwen, even-soo gaet het met andere Ambachten en Konsten. De Wijsgerige Plato schrijft seer wel, in sijn Boeck, genaemt Phaedrus, dat men die man wel voor dwaes mach houden, de welcke wat uyt een Genees-boeck gehoort, ofte eenige Genesinge gesien hebbende, en evenwel niet van de Konste verstaende, meent als vry een Genees-meester geworden te wesen. Sodanige zijn sommige Barbiers, Apotekers, en meestendeel eenige neus-wijse Vrouwen, die dickwils al meerder derven aennemen, als een ervaren Genees-meester selve, tot groote schade van de Siecken; soo dat de Koninghlijcke Genees-meester Laur. Ioubert (wiens woorden wy hier achter sullen stellen) seer wel besluyt, dat de gene, die wat van de Genees-konste weten, dickwils ondienstiger by de Siecken zijn, als die gantsch niet gesien, en anders geen lesse geleert hebben dan van gehoorsaemheyt, te weten, om wel na te komen al ’t gene van den Genees-meester belast is. Maer wat my belanght; ick hebbe hier in mijn Vaderlijcke Stadt bevonden, dat de verstandigste Juffrouwen het minste daer van niet en wilden over haer nemen. Onder andere een wel van de voornaemste, die, als zijnde Dochter, en Suster van Princen-Genees-meesters, en met soodanige oock te Venetien en te Padua dickwils gesprooken hebbende, en daer toe selfs een kloeck, en leersaem verstandt brengende, al seer diep in de kennisse van de Genees-konste gekomen was, my, als gevraeght zijnde na yet, dat ick seyde hare Ed. selve uyt haer eygen wetenschap wel, sonder bekommeringh, hadde mogen (3) in ’t werck stellen, voor antwoort gaf: Dewijl ick van de Konste wat versta, soo weet ick oock wat gevaer het loopt sonder volkomen kennisse eenige Genees-middelen in te geven. Diergelijcke wedervaert my oock dagelijcks onder de verstandighste Heel-meesters, en Apotekers. Soo dat ick niet sien en kan, ofte soodanige mogen wel van de Sieckten en hare Genees-middelen lesen, en somtijdts daer van yet de Genees-meesters voor-slaen: en voor andere, die doch wijs willen wesen, is oock beter, dat sy wat goets volgen, en dat met eenige wetenschap doen, als datse na de Sieckten slaende, gelijckerwijs een blinde na ’t ey, en de Genees-middelen sonder oordeel, en onderscheyt gebruycken. Altijt en is voor niemandt ondienstigh te weten, wat Spijse, en Dranck gebesicht, en wat vorder Maniere van leven in elcke Sieckte behoort aengestelt te werden; waer op alhier insonderheyt gelet is. Hier zijn tusschen beyde gevoeght eenige geschiedenisse uyt oude, en nieuwe Historien, soo om U E. tusschen beyden wat te doen verscheppen, als insonderheyt om de stoffe meerder licht te geven. Ick en hebbe in dit kleyn Werck alle de Sieckten (hoewel tot alle de Genees-middelen aengewesen zijn) niet konnen beschrijven, maer sal de selve vervolgen in een bysonder stuck, sommige oock wijtloopiger, gelijck ick van ’t Graveel gedaen hebbe, in ’t bysonder verhandelen. En voor eerst de Blauw-schuyt, in de welcke ick, gelijck mijn meninge en voorstel is, sal beginnen te beweeren, en te bewijsen, dat elck landt van den goedertieren Godt genoegh versien is met al ’t gene, dat d’Inwoonders tot het leven dient, en waer in sy konnen rapen een Schat voor haer Gesontheydt, en tegens haer Ongesontheyt, sonder eens van doen te hebben de vergesochte verdroogde, en verouderde Droogen, van ver-gelegen Landen, die alleen by d’Oude beschreven zijn. Dan wy sullen noch voor laten gaen de Schat der Gesontheyt, voor de laetste reys oversien, en op ontallijcke plaetse vermeerdert: den welcken by U E. meermalen voor soeten Most gunstelick aengenomen zijnde, nu wel lichtelick voor klaren Deelwijn sal mogen verstrecken. Vaert wel. In Dordrecht, den XXV May, M. D. C. XLII.

 

JOH. VAN BEVERWIJCK.

AAN DE LEZER.

 

‘Zoals eertijds een wijze bij Plato wel gezegd heeft diegene die iets schrijft en die zijn schriften beoordeelt dat ze beiden de menselijke aard deelachtig zijn en dat die door verschillende en vreemde geesten gedreven worden en zo is het niet vreemd dat men ziet dat iemands werk verschillend bij verschillende opgenomen worden. Waarom de poëet wel schrijft dat de boeken ontvangen worden naar het verstand van de lezer. Zeer boertig zei een andere Griekse wijsgerige Bion dat diegene die voor iedereen goed smaken wilde nodig was om in zoete bastaardwijn of zoete pastei te veranderen. Maar dat zou evenwel noch niet genoeg zijn omdat men vindt dat zelfs honing en suiker in een vervuilde maag in gal veranderen. Alzo ik ook wel kon bedenken dat het beschrijven van de ziekten in onze taal sommige niet goed zou aanstaan alsof de kunst daardoor te algemeen gemaakt en als ontheiligd wordt zoals Hippocrates ook verbiedt die niet voort te leren dan aan diegene die de eed afgelegd hebben heb ik niet kunnen nalaten uw edele gunstige lezer met weinige woorden mijn doel en voornemen van dit werk voor te dragen zonder evenwel het nodig te achten daarover zeer onschuldig te doen. De oude Cato, zoals Plutarchus in zijn leven verhaalt, lachte eertijds een zekere Pastumius Albinus uit die zichzelf verontschuldigde en verlof verzocht omdat hij, zijnde een Romein, een zekere historie in de Griekse spraak geschreven had en zei dat men hem zulks wel mocht toestaan omdat hij door de grote raad daartoe aangespoord geweest was. Alzo ik ook deze last wel gemakkelijk en op niemands last aangenomen heb zal het genoeg zijn om alleen te zeggen dat deze beschrijvingen van de geneeskunst niet strijdig is tegen de eed van onze oudste en grootste geneesmeester. Want al is het dat het in zijn tijd de manier was om deze kunst niet onder de man te brengen maar als een kostelijke en bevorderlijke erfenis aan zijn eigen kinderen na te laten net zoals de Chaldeeërs, zoals Diodorus Siculus in zijn tweede boek getuigt, eertijds ook deden ten opzichte van hun wetenschap om toekomende dingen uit de sterren te voorspellen zo heeft evenwel Hippocrates zelf de leerstukken en ondervindingen van zijn kunst in de Griekse, dat is zijn moedertaal, beschreven en na hem Aretaeus, Galenus, Russus, Ephesius, Oribasius, Paulus Aegineta, Aëtius, Alexander Trallianus (2) Acturius, Nicolaus Myrepsus. En in de Latijnse op dezelfde wijze, Cornelius Celsus, Plinius, Scribonius Largus, Marcellus Empiricus, Caelius Aurelianus, als ook de Arabieren Avicenna, Mesue, Rhazes, Avenzoar, Haly, Haliabbas, Isaac, Serapio en Averroë. Welk voorschrift van de oude en ook bij de nieuwe schrijvers onder alle volkeren opgevolgd is waardoor wij mede in onze taal verschillende boeken van allerhande ziekten en gebreken hebben die zo opgepropt zijn met veel verschillende, doch niet goed onderscheiden geneesmiddelen dat de lezer daar gans in verwart. Wat ik schuw en heb (om niet meerdere keren zoals anders op veel plaatsen naar de ziekten die uit gelijke oorzaak spruiten het nodig geweest zou zijn om dezelfde geneesmiddelen overhoop te halen) die naar hun krachten en bijzondere eigenschap die ze hebben met de delen van ons lichaam verdeeld en apart beschreven worden in het eerste deel en in het tweede hoe ze tot de ziekten van pas komen in het begin aangewezen. Welke weg, zoals hij de kortste en beste is, ook hoort gekeurd en opgenomen te worden. Mijn bedoeling is evenwel niet om van diegene die buiten de kunst zijn grote kunstenaars te maken omdat zoiets door zo’n gering werk niet te doen is. Laat men iemand al het timmergereedschap voorleggen, dan zal hij daarom niet terstond een timmerman wezen alhoewel hij daarnaast veel huizen heeft zien bouwen, net zo gaat het met andere ambachten en kunsten. De wijsgerige Plato schrijft zeer goed in zijn boek die Phaedrus heet dat men die man wel voor dwaas mag houden die wat uit een geneesboek gehoord of enige genezingen gezien heeft en evenwel niets van de kunst verstaat en meent al een behoorlijk geneesmeester geworden te zijn. Zodanige zijn sommige barbiers, apothekers en meestal enige neuswijze vrouwen die dikwijls al meer durven aannemen dan een ervaren geneesmeester zelf tot grote schade van de zieken zodat de koninklijke geneesmeester Laurent Joubert (wiens woorden wij hier achter zullen stellen) zeer goed besluit dat diegene die wat van de geneeskunst weten dikwijls ondienstiger bij de zieken zijn dan die gans niets gezien en geen andere lessen geleerd hebben dan van gehoorzaamheid, te weten om goed na te komen al hetgeen hen door de geneesmeester belast is. Maar wat mij aangaat, ik heb hierin mijn vaderlijke stad bevonden dat de verstandigste juffrouwen het minste daarvan niet op zich wilden nemen. Onder andere wel een van de voornaamste die een dochter en zuster van prinsen en geneesmeesters is en met zodanige ook te Venetië en te Padua dikwijls gesproken en daartoe zelf een kloek en leerzaam verstand inbrengt en al zeer diep in de kennis van de geneeskunst gekomen is me toen ik naar iets gevraagd werd en dat ik haar zei dat haar weledele zelf uit haar eigen wetenschap wel, zonder zorgen, in het werk had (3) mogen stellen voor antwoord gaf, ‘omdat ik van de kunst wat versta, zo weet ik ook welk gevaar het loopt zonder volkomen kennis enige geneesmiddelen in te geven’. Iets dergelijks ervaar ik ook dagelijks onder de verstandigste heelmeesters en apothekers. Zodat ik niet zien kan of zulke mogen wel van de ziekten en hun geneesmiddelen lezen en soms daarvan iets aan de geneesmeesters voorstellen en voor andere die toch wijs willen wezen is het ook beter dat ze wat goeds volgen en dat met enige wetenschap doen dan dat ze naar de ziekte slaan zoals een blinde naar het ei en de geneesmiddelen zonder oordeel en onderscheid gebruiken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Altijd is het voor niemand ondienstig om te weten welke spijs en drank gebruikt en wat verdere manier van leven in elke ziekte behoort opgesteld te worden waarvan alhier vooral op gelet is. Hier zijn tussendoor enige geschiedenissen uit oude en nieuwe historiën gevoegd en zo om u weledele ondertussen wat te laten vertreden en vooral om de stof meer licht te geven. Ik heb in dit kleine werk alle ziekten (hoewel bij allen de geneesmiddelen aangewezen worden) niet kunnen beschrijven, maar zal die vervolgen in een apart stuk, sommige ook uitvoeriger zoals ik van de nierstenen heb gedaan in het apart behandelen. En als eerste de scheurbuik waarin ik, zoals mijn mening en voorstel is, zal beginnen te beweren en te bewijzen dat elk land door de goedertieren God genoeg voorzien is met al hetgeen dat de inwoners tot het leven dient en waarin ze een schat voor hun gezondheid en tegen hun ongezondheid kunnen rapen zonder eens van doen te hebben met de vergezochte verdroogde en verouderde drogen van ver gelegen landen die alleen bij de ouden beschreven zijn. Dan zullen we noch voor laten gaan de ‘Schat der Gezondheid’ die voor de laatste maal overzien is en op ontelbare plaatsen vermeerderd die bij u weledele meermalen voor zoete most gunstig aangenomen is en nu wel gemakkelijk voor zoete koek zal mogen verstrekken. Vaart wel. Te Dordrecht, de 25ste mei 1642.

 

 

 

 

 JOH. VAN BEVERWIJCK.

 

HET EERSTE BOEK VAN DE ZIEKTEN. In het algemeen.

 

 (1) HET EERSTE BOECK VAN DE SIECKTEN In ’t gemeen.

Het eerste Capittel.

 

1. Gelegentheyt der Genees-konste.

2. Naem-reden van Genees-konste, ende Schat der Ongesontheyt.

3 Beginsel uyt d’Ervarentheyt.

4 Daer na wel te recht mede gebouwt op de Reden.

5 Hoe de Ervarentheyt moet bestiert worden. (1)

Tekstvak:  ndien de Nature het voor-treffelick, ende noyt-genoegh te verwonderen gebouw des Menschelicken Lichaems, hadde konnen onderhouden, gelijck het geschapen is: daer en zoude nimmermeer noodigh gheweest hebben, een Genees-konste te vinden, ende aen te houden. Maer ghelijck alle andere dingen, die de Wereldt in sijnen omvang begrijpt, soo heeft oock de Mensch sijnen sekeren onderganck, ende wert van verscheyde oirsaken gestadigh besprongen, om hem daer aen, indien hy niet wel toe en siet, onbehulpelick te helpen. Derhalven is den Mensche, van den goedertieren Godt, met een redelicke Ziele begaeft zijnde, genootsaeckt geweest, door sijn verstandt, ende vernuft, een Konste op te speuren, waer door hy sijn tegenwoordige gesontheyt mocht bewaren, ende die, by ongeluck, ofte versuym verloren hebbende, wederom bekomende. Soo dat de Genees-konste in dese twee dingen alleen bestaet, te weten, om de tegenwoordighe gesontheyt te beschermen, ende de verloore te herstellen.

(2) Ende hoe-wel het woort Geneesen allen staet op ’t gene dat nu alreede sieck is, waer aen de Konste oock haer beginsel, ende naem van heeft: soo is nochtans den selven oock gebleven over al ’t gene, dat daer na by het eerste gekomen is, ende alles met den vorigen naem van Medicine, dat is Genees-konste genoemt. Sulcx siet men oock, onder andere, in de Geometrye, dat is, de Konste van Landt-meten, de welcken dien naem bekomen heeft, om dat sy in Egypten de landt-palen, door de jarige overvloeying van de riviere Nijl, vermengt ende vernietigt, herstelden met sekere af-metinge der landen. Welcke Konste op die tijt noch rouw zijnde, al is’t datse daer na met veel deftighe aenwijsingen en diepsinnige ondervindingen verrijckt is, soo heeftse niet-te-min haren eersten naem behouden. Hoe ende door wat middelen de gesontheyt te bewaren is, heb ick in den Schat der gesontheyt aengewesen: ende alsoo den selfden niet ongunstigh van den Leser is ontfangen, soo heb ick my laten bewegen, om het ander deel der Genees-konste, dat is, de eygen geseyde Genees-konste, te weten, van het genesen der qualen, die het menschelick lichaem van de gesontheyt berooven, mede in ’t licht te geven. Ende sulcx onder den naem van den SCHAT DER ONGESONTHEYT.

Eenen Titel, die wel lichtelick by sommighe soude mogen vremt op-ghenomen werden. Want daer al de Schatten seer wel in de Wereldt begeert zijn: soo en isser niemandt die de Ongesontheydt voor eenen schat rekent, selver oock de gene, die met geen minder moeyten, als de Gierigaerts haer schatten, den selfden, door hare maniere van leven, soecken te verkrijgen. Ick soude my wel konnen verdedigen met de wijse van spreken der Griecken, ende Latinisten, dat ick houdende eenen naem in beyde de deelen der genees-konste, mede het woordt Schat gebruyckt te hebbe van een quade sake (soo is by Plautus, te lesen, Thesaurus mali, ende Thesaurus stupri, een Schat van quaet, ende een Schat van hoererye, ende selfs by den Apostel, Rom. 2.v.5 een Schat des toorns:) maer ick meene, gelijck de Gesontheyt selve, volgens ons waarachtigh Spreeck-woordt, eenen verborgen Schat is, dat oock een Schat is de Konste, soo om de selve, wanneer sy teghenwoordigh is, te bewaren, als wanneer sy verloren is, te her-stellen. Dan dit is genoegh van den naem. Wy komen nu tot de sake selfs.

(3) Dese Genees-konste heeft haer beginsel (2) ende aenvangh ghenomen, van de Ervarentheyt, ende aen de Ervarentheydt is oirsaeck gegeven door den daghelickschen Noodt. Want het gingh in de oude tijden soo slecht toe, dat men de Siecken op de straet droegh, ende aen den voorby-gaenden man raet vraeghde. Hier uyt zijn eerst eenighe Genees-meesters ontstaen, die de Konste alleen bouwden op de dagelicksche Ondervindinge: niet anders als gelijck de Smits het Yser na haer konste weten te smeden, sonder den aert van ’t selve eens te ondersoecken. Dese oirdeelden, dat de reden van de dingen ondienstigh was, dewijlse ofte het selfde moeste leeren, van de Ervarentheyt, ofte wat anders; ende by-aldiense ’t selvige aen-wees, datse dan onnoodigh was, by-aldiense wat anders in tegen-deel mede bracht, datse dan valsch was, als de welcke van de sekere meestersse der saken, te weten de bevindinge, af-weeck.

(4) Maer wanneer de vernufte, ende weet-gierige Menschen, de bevindinghe sochten te verstercken door hare Oirsaken, alsoo de selvighe niet gheweten zijnde, de uyt-komst bedrieghlick valt, soo hebben sy genegentheyt genomen, om die te ondersoecken. Onder dese is wel de voornaemste gheweest den grooten Hippocrates, uyt het geslacht van Esculapius, ende Hercules; wiens schriften noch op desen tijdt, na meerder als twee duysent ende hondert Jaer (want hy leefde ten tijde van den Koningh Darius Longimanus, een sone, ghelijck gelooft werdt, van Hester, getrouwt met den Koning Assuerus) by ons noch in wesen zijnde. Dese leere begon wat te verflauwen ten tijde van de eerste Keysers; tot dat sy wederom haer hooft heeft op-gesteecken onder de Keysers M. Aurelius, ende Commodus sijnen Soon, als wanneer dien voor-treffelicken, ende neerstigen Genees-meester Galenus, de verouderde ende verdonckerde Boecken van Hippocrates, die hy by na voor eenen Godt houdt, wederom door den luyster van sijn geleerde uyt-legginge, in ’t heldere licht bracht, ende de selvige Reden-gevende leere, door sijn uytmuytende schriften, groote kracht, ende vast steunsel gaf. Ende ghelijck door het korte leven der Menschen, niet alles en kan geweten, noch ondervonden werden: soo zijn noch na de tijden van de wel-gehemelte Hippocrates, ende Galenus, dien, als d’eerste ende hooghste eere toe-behoort, andere gekomen, die in haer voetstappen tredende dese Leeringe noch verder uyt-ghestreckt, ende met nieuwe Leeringen, ende Ondervindingen meerder versterckt hebben. Welckers voor-schrift wy volgende, sullen niet by-brengen, als ’t gene op Redenen, ende Ervarentheyt gebouwt is. Want wy en moeten niet steunen op de enckele en naeckte Ervarentheydt, dewijl de selve, wanneer sy met de Reden niet verknocht en is, vol ghevaers steeckt: om datter vele dingen gehouden werden te geschieden door de kracht der Natueren in ’t menschelicke lichaem, die nochtans door gewelt van de Sieckten uytgeperst werden. Hier komt noch by, dat geene Sieckte in een yegelijck even-eens en is, ende datter geen soorte van ghenees-middel en is, de welcke in een yeder de selvighe kracht heeft. Men moet oock niet op de Reden, ende het oirdeel alleen blijven staen: alsoo dickwils bevonden werdt, dat het gene na de Reden schijnt vast te gaen, door de Bevindinge omgestooten werdt. Hierom schrijft den geleerden Jode Philo, in sijn Griecx Boeck van de Landt-bouwinge, seer wel, dat de onvruchtbare boomen, gelijck zijn de leeringen, die alleen bestaen in overdencken ende inbeeldingen, onder welcke hy stelt de leedige Genees-konste, die haer niet en begeeft om de genesinghe der Siecken selfs by der handt te nemen, alsoo het gene men by zijn selven overleyt heeft, niet en siet, door de bevindinge, ende dagelickschen Ervarentheyt, altijt bevestigen.

(5) Hier uyt blijckt dan, dat de Reden, ende Ervarentheyt te samen moeten gaen, ende dat sy beyden de vastigheydt in de Genees-konste stellen. Doch indien ’t gheviele, dat de Reden schene te strijden tegens de Ervarentheyt, alsdan most de Ervarentheyt meest wegen. Want dat men siet ende bevindt, staet meerder te ghelooven, als ’t gene by ons door waerschijnelicke Reden soude mogen in-ghebeelt werden. Dese Ervarentheyt geschiet in ’t Menschelicke Lichaem, door Genees-middelen; daerom de gelegentheyt van beyde hier te beschrijven. Dan en is de Evarentheyt niet te rekenen uyt het gene nu, ende dan eens ghesien werdt: maer uyt ghestadigh ende langhdurige Oeffeninge in alderhande Lichamen, ende Sieckten, ende daer op neerstighe ende wackere Aen-merckingen. Ende alsoo seyt, met den wijs-gerige Aristoteles, de Poëet Manilius, dat, door menighvuldigh ghebruyck, het exempel den wegh banende, de Ervarentheydt de Konsten ghebaert heeft.

Per varios, usus artem Experrientia fecit, Exemplo monstrante viam.

Nu dewijl het Bysondere niet bequamelick ondersocht, nochte wel verstaen en kan werden, sonder voorgaende kennisse van het Algemeene: soo sullen wy, voor al eer wy komen tot elcke Sieckten in ’t bysonder, eerst uytleggen den Aert, ende gelegentheyt van de Sieckten in ’t gemeen.

 (1) HET EERSTE BOEK VAN DE ZIEKTEN In het algemeen.

Het eerste Kapittel.

 

1. gesteldheid van de geneeskunst.

2. Naamreden van geneeskunst en schat der ongezondheid.

3 Beginsel uit ervaring.

4 Daarna wel te recht mede gebouwd op de reden.

5 Hoe de ervaring bestuurd moet worden.

(1) Indien de natuur het voortreffelijke en nooit genoeg te verwonderen gebouw van het menselijke lichaam had kunnen onderhouden zoals het geschapen is zou het nimmermeer nodig geweest zijn een geneeskunst uit te vinden en aan te houden. Maar zoals alle andere dingen die de wereld in zijn omvang begrijpt zo heeft ook de mens zijn zekere ondergang en wordt door verschillende oorzaken steeds besprongen om hem daaraan, als hij niet goed op let, te herinneren. Derhalve is de mens door de goedertieren God met een redelijke ziel begaafd en genoodzaakt geweest door zijn verstand en vernuft een kunst op te sporen waardoor hij zijn tegenwoordige gezondheid kan bewaren als hij die bij een ongeluk of verzuim verloren heeft wederom terug krijgt. Zodat de geneeskunst in deze twee dingen alleen bestaat, te weten om de tegenwoordige gezondheid te beschermen en de verlorene te herstellen.

 

 

 

 

 

 

(2) En hoewel het woord genezen alleen staat op hetgeen dat nu alreeds ziek is, waaraan de kunst ook haar begin en naam van heeft, zo is nochtans die ook gebleven over al hetgeen dat daarna bij het eerste gekomen is en alles met de vorige naam van medicijnen, dat is geneeskunst, genoemd. Zulks ziet men ook onder andere in de geometrie, dat is de kunst van landmeten, die zijn naam gekregen heeft omdat in Egypte de landpalen door het jaarlijkse overvloeien van de rivier Nijl vermengd en vernietigd werd herstelden met zekere afmetingen van de landen. Welke kunst op die tijd noch ruw was, al is het dat ze daarna met veel deftige aanwijzingen en diepzinnige ondervindingen verrijkt is, zo heeft ze niettemin haar eerste naam behouden. Hoe en door welke middelen de gezondheid te bewaren is heb ik in de ‘Schat der Gezondheid’ aangewezen en omdat die niet ongunstig door de lezer ontvangen is zo heb ik me laten bewegen om het andere deel van de geneeskunst, wat de eigenlijke geneeskunst is, te weten van het genezen van de kwalen die het menselijk lichaam van de gezondheid beroven mede in het licht te geven. En zulks onder de naam van de ‘SCHAT DER ONGEZONDHEID’.

Een titel die door sommigen wel gemakkelijk als vreemd opgenomen zou worden. Want waar alle schatten in de wereld zeer veel begeerd zijn is er niemand die de ongezondheid voor een schat rekent en zelfs ook niet door diegene die met geen minder moeite dan de gierigaards hun schatten door hun manier van leven proberen te verkrijgen. Ik zou me wel kunnen verdedigen met de manier van spreken van de Grieken en Latinisten dat ik een naam houdt in beide delen van de geneeskunst die mede het woord schat gebruikt hebben van een kwade zaak (zo is bij Plautus te lezen, ‘Thesaurus mali’ en ‘Thesaurus stupri, een ‘schat van kwaad’ en een ‘schat van hoererij’, en zelfs bij de Apostel in ‘Romeinen. 2.vers 5’ een ‘schat des toorn’) maar ik bedoel zoals de gezondheid zelf volgens ons waarachtig spreekwoord een verborgen Schat is en dat ook de kunst een schat is omdat zoals ze nu is te bewaren dan wanneer ze verloren is te herstellen. Dan dit is genoeg van de naam. We komen nu tot de zaak zelf.

 

 

 

(3) Deze geneeskunst heeft haar begin (2) en aanvang genomen door de ervaring en aan de ervaring is oorzaak gegeven door de dagelijkse nood. Want het ging in de oude tijden er zo slecht aan toe dat men de zieken op de straat droeg en aan de voorbijgaande man raad vroeg. Hieruit zijn eerst enige geneesmeesters ontstaan die de kunst alleen bouwden op de dagelijkse ondervindingen, net zo als de smeden het ijzer naar hun kunst weten te smeden zonder de aard ervan eens te onderzoeken. Die oordeelden dat de reden van de dingen ondienstig was omdat of ze het moesten leren van de ervaring of van wat anders en als die het zelf aanwees dat ze dan onnodig waren en als het wat anders dat het in tegendeel mee bracht dat het dan vals was dan hetgeen van de zekere meesters in deze zaken, te weten de ondervinding, afweek.

 

 

 

(4) Maar toen de vernuftige en weetgierige mensen de onderving probeerden te versterken door haar oorzaken te zoeken en omdat men die niet wist de uitkomst bedrieglijk uitviel hebben ze gelegenheid genomen om die te onderzoeken. Onder die is wel de voornaamste geweest de grote Hippocrates uit het geslacht van Aesculapius en Hercules wiens geschriften noch op deze tijd, na meer dan twee duizend en honderd jaar (want hij leefde ten tijde van de koning Darius Longimanus, (Artaxerxes) een zoon als geloofd werd van Hester die getrouwd was de koning Assuerus (Ahasuerus) bij ons noch aanwezig zijn. Deze leer begon wat te verflauwen ten tijde van de eerste keizers totdat ze wederom haar hoofd opstak onder de keizers Marcus Aurelius en Commodus, zijn zoon, toen die voortreffelijke en naarstige geneesmeester Galenus de verouderde en verdonkerde boeken van Hippocrates, die hij bijna voor een God hield, wederom door de luister van zijn geleerde uitleggingen in het heldere licht bracht en die reden gevende leer door zijn uitmuntende schriften grote kracht een vaste steun gaf. En omdat door het korte leven van de mensen niet alles geweten, noch ondervonden kan worden zo zijn noch na de tijden van de wel vermelde Hippocrates en Galenus, die de eerste en hoogste eer toebehoort, andere gekomen die in hun voetstappen traden en deze leer noch verder uitgestrekt en met nieuwe leringen en ondervindingen meer versterkt hebben.

 

 

 

Wiens voorschrift we volgen en zullen niets anders bijbrengen dan hetgeen op redenen en ervaring gebouwd is. Want we moeten niet steunen op de enkele en naakte ervaring omdat die, wanneer ze met de reden niet verknocht is, vol gevaar steekt omdat er vele dingen gehouden worden te gebeuren door de kracht van de natuur in het menselijke lichaam die nochtans door het geweld van de ziekten uitgeperst worden. Hierbij komt noch dat geen ziekte in iedereen gelijk is en dat er geen soort van geneesmiddel is die in iedereen dezelfde kracht heeft. Men moet ook niet op de reden en het oordeel alleen blijven staan omdat dikwijls ondervonden wordt dat hetgeen naar de reden schijnt vast te staan door de ondervinding omgestoten wordt. Hierom schrijft de geleerden Jood Philo van Alexandrië in zijn Grieks boek van de landbouw zeer goed dat de onvruchtbare bomen net als de leringen zijn die alleen bestaan in overdenken en inbeeldingen waaronder hij de lege geneeskunst stelt die zich niet begeeft om de genezing van de zieken zelf bij de hand te nemen omdat hetgeen men bij zichzelf overlegd heeft niet zal zien die door de ondervinding en dagelijkse ervaring altijd bevestigd wordt.

 

 

 

(5) Hieruit blijkt dan dat de reden en ervaring tezamen moeten gaan en dat ze beiden de vastigheid in de geneeskunst stellen. Doch indien het gebeurt dat de reden lijkt te strijden tegen de ervaring dan moet de ervaring het zwaarste wegen. Want wat men ziet en ondervindt is meer te geloven dan hetgeen bij ons door waarschijnlijke reden ingebeeld zou mogen zijn. Deze ervaring gebeurt in het menselijke lichaam door geneesmiddelen, daarom is de gelegenheid om hiervan beide te beschrijven. Dan is de ervaring niet te rekenen uit hetgeen nu en dan eens gezien wordt, maar uit steeds en langdurige oefeningen in allerhande lichamen en ziekten en daarop vlijtige en wakkere aanmerkingen te maken. En alzo zegt, met de wijsgerige Aristoteles, de poëet Manilius dat door menigvuldig gebruik het voorbeeld de weg gebaand en de ervaring de kunst gebaard heeft.

 

 

 

‘Per varios, usus artem Experrientia fecit. Exemplo monstrante viam’.

Nu omdat het bijzondere niet goed onderzocht, noch goed begrepen kan worden zonder de voorgaande kennis van het algemene zullen we voor we tot elke ziekte in het bijzonder komen eerst de aard en gesteldheid van de ziekten in het algemeen uitleggen.

 

Beschrijving van de ziekten.

 

Het II. Capittel.

 

1. Beschrijvinge van de Sieckte.

2. Haer Vergelijckinge tegen de Gesontheyt.

 

(1) Sieckte is een ghestaltenisse tegens de Nature in het Menschelicke Lichaem, sijne Werckingen belettende. (3)

Met het woordt Gestaltenisse hebben wy willen uyt-beelden het Grieksche Diathesis, ofte Latijnsch Dispositio, Constitutio, ofte diergelijcke. Is tegen de Nature, als de welcke de selve ghestadigh bestrijdt, ende de overhandt krijgende, de Doodt aen-brengt. Wy hebben noch geseyt in ’t Menschelicke Lichaem, als zijnde het subject van onse Genees-konste, ende niet Ossen, ofte Paerden, die sy laet aen een andere, genoemt Ars veterinaria. Daerom en hadde onsen Operateur geen ongelijck, als hy my onlangs klaeghde, over de laetdunckentheyt van seker Paerde-lubber, die sijn E. begroet hadde met den naem van Confrater. Waer op vragende of hy mede een Operateur was, kreegh tot antwoort, Ja: maer dat ’t gene sijn E was in de Menschen, hy was in de Beesten. Ick besluyte, dat sy de Werckingen des Lichaems belet, ’t welck haer recht-strijdigh stelt tegens de Gesontheyt.

(2) Want ghelijck de Gesontheyt is een gestaltenisse volgens de Nature, door haer selven alle werckingen der deelen, ende leeden uytvoerende: alsoo is in tegen-deel de Sieckte, een ghestaltenisse in ons lichaem tegens de Nature, eerst, ende door haer selven de werckinghe belettende, ofte verhinderende. Hierom is wel geseyt van Cicero, in sijn Boeck van de Vrientschap, dat in andere dingen, die begeert werden, elck bequaem ende meest ghelegen valt voor yet bysonders: maer de Gesontheyt, om buyten pijn te leven, ende de werckingen des Lichaems wel uyt te konnen voeren. Ende als daer yet aen komt te haperen, dan isser Sieckte.

De weynighe woorden nu verhaelt, beschrijven kort-bondigh, ende volkomentlick den Aert, ende nature der Sieckte: waerom wy oock gantsch onnoodigh achten hier naeukeurigh te toetsen het verschillende gevoelen der Genees-meesters, of wel de Sieckte Substantie, ofte Wesen is, of Relatie, als tegen de Gesontheyt staende, of liever Qualitas, dat is, Hoedanigheyt. Derhalven zullen wy alleen, ende kortelick vervolgens aenwijsen der Sieckten Verscheydenheyt, Tijden, Oirsaken, Ken-teyckenen, ende Voor-teyckenen.

Het II Kapittel.

 

1. Beschrijving van de ziekten.

2. Haar vergelijkingen tegen de gezondheid.

 

 

(1) ‘Ziekte is een vorm die tegen de natuur in het menselijke lichaam is en zijn werkingen belet’. [3]

Met het woord vorm hebben wij het Griekse Diathesis of Latijnse Dispositio, Constitutie of dergelijke willen uitbeelden. Het is tegen de natuur die het zelf steeds bestrijdt en als het de overhand krijgt de dood aanbrengt. Wij hebben noch gezegd in het menselijke lichaam dat het subject van onze geneeskunst is en niet ossen of paarden die ze overlaat aan een andere die Ars veterinaria genoemd wordt. Daarom had onze operateur geen ongelijk toen hij bij mij onlangs klaagde over de laatdunkendheid van een zeker paardencastreerder die zijn weledele begroet had met de naam van ambtsbroeder. Waarop hij vroeg of hij ook een operateur was en kreeg tot antwoord, ‘ja’ maar dat hetgeen zijn weledele in de mensen was dat hij dat was in de beesten. Ik besluit dat zij de werkingen van het lichaam beletten wat hun net tegenovergesteld stelt tegen de gezondheid.

 

(2) Want net zoals de gezondheid een vorm is volgens de natuur die door haarzelf alle werkingen van de delen en de leden uitvoert, alzo is in tegendeel de ziekte een vorm in ons lichaam tegen de natuur die eerst door haarzelf de werking belet of verhindert. Hierom is goed gezegd door Cicero in zijn boek van de vriendschap dat in andere dingen die begeerd worden elk nuttig en het meeste gelegen valt voor iets bijzonders, maar de gezondheid om buiten pijn te leven en de werkingen van het lichaam goed uit te kunnen voeren. En als daar iets aan komt te haperen, dan is er ziekte.

De weinige woorden die nu verhaald zijn beschrijven kort bondig en volkomen de aard en natuur van de ziekte waarom we het ook gans onnodig achten hier nauwkeurig de verschillende meningen van de geneesmeesters te toetsen of de ziekte substantie of wezen is of relatie die tegen de gezondheid staat of liever qualitas, dat is hoedanigheid. Derhalve zullen wij alleen en kort vervolgens de ziekten aanwijzen, verschillen, tijden, oorzaken, kentekens en voortekens.

 

Verschillen in ziekten zijn er in drie vormen.

 

Het III. Capittel.

 

1. Verscheydenheyt der Sieckten driedeley;

2. Sommige in Enckele, ende gelijckformige Deelen,

3. Andere in te Samen-gevoeghde, ende Werckende,

4. Eenige Gemeen in beyde.

 

(1) Dewijl alle Sieckten haer leger-plaets hebben in de Deelen onses Lichaems, soo moet haer voorname Verscheydenheyt genomen werden uyt de verscheydenheyt der Deelen. Die de gematigheyt ofte het Wesen van enckele Deelen beschadigen, noemen wy Enckele, ghelijck t’ Samen-ghestelde Sieckten, die t’Samen-gestelde deelen ontstellen. Ende alsoo beyde ghemeen is uyt haer ghevoeghde stucxkens te bestaen: soo maeckt haer scheydingh het derde onderscheyt, ende werden soodanighe Sieckten de naem gegeven van Gemeene.

(2) Enckele Sieckten zijn, wanneer in Enckele, ende Gelijck-formige deelen, voor eerst de Gematigheyt van de vier Elementen, die tot werckinge van nooden is, ende de Gesontheyt maeckt, komt te veranderen in Ongematigheyt, waer door eene Hoedanigheydt de andere drie; ofte twee de vordere overtreffen. Daer uyt volght een Enckele ongematigheyt, als een Hoedanigheyt uytsteeckt, de welcke vierderley is, Heete, Koude, Vochtighe, ende Drooge: ofte Gemengde, als twee uytmuyten, die oock volgens vierderhande mengeling vierderhande is, Heete ende Vochtige, Heete ende Drooge, Koude ende Vochtige, Koude ende Drooge. Dan alsoo het Menschelicke Lichaem niet alleen een enckel mengsel is, maer oock een levend, ende gezielt lichaem, hebbende natuurlicke wermte, levende geesten, oirspronckelicke vochtigheyt, ende een bysondere gedaente, daer van het gezielt wert, ende waer uyt Edele hoedanigheden spruyten, die in de vermengingh van de vier Elementen niet te vinden en zijn, ende sonder welcke de ghestaltenis van de Enckele deelen niet en kan bestaen; derhalven beschadight zijnde, noch een andere soorte van enckele Sieckten veroirsaken, die wy noemen van Verborgene Hoedanigheyt, ofte geheel Wesen, gelijck Pest, Venijnige beten, ende diergelijcke.

(3) De Werckende deelen hebben een bequame t’samen-voeginge, ende verscheyden maecksel na de verscheydenheyt van haer werckingen; ende sulcks in Gedaente, Getal, Groote, ende Plaetsche, waer uyt dan rijsen vier soorten van Sieckten der Werckende deelen.

Voor eerst zijn Sieckten in Gedaenten, wanneer de natuurlicke Figure, ofte ghedaente van eenigh Deel verkeert staet, gelijck kromme Beenen; wanschapenis, gelijck een Hooft dat geheel ront ofte al te langh is. Wanneer ’t gene nauw moet wesen, te seer uytgeset wert, ghelijck den Oogh-appel, gereckte Aderen, ende Slagh-aderen; ofte de ruymte benauwt wert, ghelijck in Squinantie, ende alderhande Verstoppinge. Als noch wanneer yet, dat van Naturen rouwachtigh is, gelijck Maegh, Dermen, ende Lijf-moeder, om vaster te houden, gladt ende glibberigh werden, ofte dat de Stroot-pijp rouwer gemaeckt zijnde, Heesigheyt aen-brengt.

Ten tweeden, komen de Sieckten in Getal, te weten, alsser eenigh Deel te veel, ofte te kort is, gelijck de seste Vinger, den derden ofte vierden Bal; dat yemandt sonder Arm, Been, Handt, gheboren werdt, ofte daer na verliest (4) De derde soorte maken de Sieckten in Groote, wanneer eenigh Deel boven ofte onder de natuerlicke mate te groot ofte te kleyn is, als een Water-hooft, een over-groote Neus, een Tonge so groot, datse de Mondt niet en kan bedecken; ghelijck die oock in sommige te kort komt.

Ten vierden schieten Leden uyt hare Plaetsche, gelijck in Ontledinge, uytstekende Tanden, ende Scheursel.

(4) Het derde Onderscheyt van de Sieckten bestaet in het scheyden van het gene geheel was; ende alsoo sulcx in de gemelte Deelen eenparigh aengaet, soo werden sy gemeene genoemt, en zijn Wonden, ende Breucken.

Het III Kapittel.

 

1. Verschillen in ziekten zijn er in drie vormen.

2. Sommige zijn in enkele en gelijkvormige delen.

3. Andere in tezamen gevoegde en werkende.

4 Enige algemeen in beide.

 

 

 

(1) Terwijl alle ziekten hun legerplaats in de delen van ons lichaam hebben moeten hun voornaamste verschillen genomen worden uit de verschillen van de delen. Die de gematigdheid of het wezen van enkele delen beschadigen noemen we enkele net zoals de tezamen gestelde ziekten die tezamen gestelde delen ontstellen. En omdat het bij beiden gewoon is dat ze uit samengevoegde stukjes bestaan maakt hun scheiding het derde verschil en worden zodanige ziekten de naam gegeven van algemene.

(2) Enkele ziekten zijn wanneer in enkele en gelijkvormige delen en als eerste de gesteldheid van de vier elementen die voor de werking nodig zijn en de gezondheid maakt komt te veranderen in ongesteldheid waardoor een hoedanigheid de andere drie of twee verdere overtreffen. Daaruit volgt een enkele ongesteldheid als een hoedanigheid uitsteekt die viervormig is, heet, koud, vochtig en droog, of gemengde als er twee uitmunten die ook vervolgens in vier soorten vermenging viervormig zijn, heet en vochtig, heet en droog, koud en vochtig, koud en droog. Dan omdat het menselijke lichaam niet alleen een enkelvoudig mengsel is, maar ook een levend en bezield lichaam die natuurlijke warmte, levende geesten, oorspronkelijke vochtigheid en een bijzondere gedaante heeft waardoor het bezield wordt en waaruit edele hoedanigheden spruiten die in de vermenging van de vier elementen niet te vinden zijn en zonder die de gestalte van de enkele delen niet kan bestaan en als die derhalve beschadigd worden noch een andere soort van enkele ziekten veroorzaken die we verborgene hoedanigheid of geheel wezen noemen als pest, venijnige beten en dergelijke.

 

 

 

(3) De werkende delen hebben een bekwame tezamen voeging. En verschillen van vorm naar de verschillen van hun werkingen en zulks in vorm, getal, grootte en plaats, waaruit dan rijzen vier soorten van ziekten van de werkende delen.

Als eerste zijn er ziekten in vormen wanneer de natuurlijke figuur of gedaante van enig deel verkeerd staat zoals kromme benen of wanschapen is zoals een hoofd dat geheel rond of al te lang is. Wanneer hetgeen nauw moet zijn en te zeer uitgezet wordt zoals de oogappel, gerekte aderen en slagaderen of de ruimte benauwd wordt zoals in keelblaren en allerhande verstoppingen. Als ook noch wanneer iets dat van naturen ruwachtig is zoals maag, darmen en baarmoeder om vaster te houden glad en glibberig worden of dat de strottenpijp ruwer gemaakt wordt heesheid aanbrengt.

Ten tweede komen de ziekten in getal, te weten als er enig deel te veel of te kort is zoals een zesde vinger, de derde of vierde bal, dat iemand zonder arm, been of hand geboren wordt of daarna verliest ( 4) De derde soort maken de ziektes in grootte wanneer enig deel boven of onder de natuurlijke maat te groot of te klein is als een waterhoofd, een overgrote neus, een tong zo groot dat ze de mond niet kan bedekken zoals die ook in sommige te kort komt.

Ten vierde schieten leden uit hun plaatsen zoals in ontledingen, uitstekende tanden en verscheuringen, breuken.

 

 

(4) Het derde onderscheid van de ziektes bestaat in het scheiden van hetgeen heel was en omdat zoiets in de vermelde delen hetzelfde gaat worden ze algemene genoemd en dat zijn wonden en breuken.

 

Tijden van de ziekte.

 

 Het IV. Capittel.

 

1. Tijden der Sieckte,

2. Tweederley;

3. Algemeene vier-tijdigh,

4. Beginsel, ofte Aenvang,

5. Opgang, ofte Vermeerdering,

6. Op ’t Hooghste te zijn,

7. Af te gaen,

8. Bysondere Tijden, mede vierderhande.

 

(1) De Tijden der Sieckten maken mede haer Verscheydenheyt. Ende gelijck een Vyer, dat even aengeleyt is, in ’t eerste smoockt, daer na sijn vlamme allengskens op-steeckt, tot dat het geheel aen brandt raeckt, ende dan wederom metter tijdt vergaet, tot dat het ten laetsten gantsch uyt-gebluscht werdt: even-eens gaet het met de Sieckten, welckers stoffe in ’t begin als smoockt, daer na door-breeckt, ende dan op ’t hooghste ontsteeckt, ende in ’t laetste wederom af-gaet, ende soo allengskens verdwijnt.

(2) Dese Tijden zijn tweederhande: sommige Al-gemeen, sommige Bysonder. Al-gemeene werden geseyt ten aensien van de geheele Sieckte, ende zijn de gene, de welcke in haer den geheelen loop der Sieckte besluyten. Bysondere tijden hebben haer begrip in een bysondere verheffinge.

(3) De Al-gemeene tijden werden by onsen leermeester Galenus, ende sijn Na-volgers, gestelt vierderley te wesen.

(4) Het Beginsel is den eersten tijdt, wanneer de Sieckte eerst aenvanght, ende haer stoffe noch rauw is.

(5) Opgang werdt genoemt, als de Sieckte toe-neemt, de Toevallen beswaren, ende de Teyckenen van teren, ofte koken haer beginnen te openbaren in Sieckten, daer men van op staet; ofte als haer Teyckenen vertoonen strijdigh tegens het teren, die dan doodelick zijn; in welck geval oock de vier Tijden niet nootsakelick uytgebracht en werden.

(6) De Sieckte is op ’t Hooghst, wanneer de selve in den hevighsten strijdt staet tegens de Nature, ende dan vertoonen haer oock alle Toe-vallen op het quaetste. Op welcke Tijdt de overwinninge aen een van beyden zijde nootwendigh moet vallen, ende ofte de nature, ofte de Sieckte de overhandt behouden. In ‘t eerste geval vertoonen haer Teyckenen, dat de stoffe gekoockt ende gerijpt is, waer op dan de Gesontheyt volght: in ’t ander zijn tegenstrijdende Teyckenen, ende die verdervinge aenwijsen.

(7) Als in den gemelten strijdt de Nature de sterckste blijft, ende de Sieckte overwonnen heeft, dan verminderen terstondt al de quade Toe-vallen, ende de Sieckte wert geseyt Af te gaen, op die maniere allengskens met de Gesontheydt verwisselende.

(8) Dese vier Tijden en nemen niet alleen plaets in den vollen loop der Sieckten: maer oock in haer bysondere aen-vallen. Soo bestaet het Begin van Af-gaende Koortschen, in ’t huyveren, ofte beven ende in een in-getrocken, ofte kleynen Pols. Ende als de selve hem begint uyt te steken, volgende de Hitte, die haer over het geheele Lichaem verspreyt, dat is het op-gaen. Wanneer de Hitte noch toe-neemt, ende dien-volgende de Pols stercker slaet, ende het Hert benauder werdt, dan is de Koortsche op ’t Hooghste. Ten laetsen, de Hitte merckelick af-nemende, komt de Koortsche aen ’t Af-gaen, de Pols gaet natuerlicker, ende de overige Stoffe werdt door onsienlicken damp, ofte sweeten uyt-gedreven.

Het IV Kapittel.

 

1. Tijden van de ziekte,

2. Twee vormen;

3. Algemene vier tijden,

4. Begin of aanvang,

5. Opgang of vermeerdering,

6. Op het hoogste,

7. Af te gaan,

8. Bijzondere tijden die ook in vieren zijn.

 

(1) De tijden van de ziekten maken mede hun verschillen. En net zoals een vuur dat net aangelegd is die in het begin rookt en daarna zijn vlammen geleidelijk aan opsteekt totdat het geheel aan de brand raakt en dan wederom mettertijd vergaat totdat het tenslotte gans uitgeblust wordt net zo gaat het met de ziekte wiens stof in het begin als rook en daarna doorbreekt en dan op het hoogste ontsteekt en in tenslotte wederom afgaat en zo geleidelijk aan verdwijnt.

 

(2) Deze tijden zijn er in twee vormen, sommige algemeen en sommige bijzonder. Algemene worden gezegd ten aanzien van de gehele ziekte en zijn diegene die in hen de gehele loop van de ziekte hebben. Bijzondere tijden hebben hun begrip in een bijzondere verheffing.

(3) De algemene tijden worden door onze leermeester Galenus en zijn navolgers in vier vormen gesteld.

(4) Het begin is de eerste tijd wanneer de ziekte net aanvangt en haar stof noch rauw is.

(5) Opgang wordt genoemd als de ziekte toeneemt, de symptomen verergeren en de tekenen van verteren of koken zich beginnen te openbaren in ziekte en waarvan men opstaat of als er tekens vertonen die strijdig zijn tegen het verteren die dan dodelijk zijn, in welk geval ook de vier tijden niet noodzakelijk uitgebracht worden.

 

 

(6) De ziekte is op het hoogst wanneer die in de hevigste strijd staat tegen de natuur en dan vertonen zich ook alle symptomen op het ergste. Op die tijd moet de overwinning aan een van beiden zijden noodwendig vallen en of de natuur of de ziekte houdt de overhand. In het eerste geval vertonen zich tekens dat de stof gekookt en gerijpt is waarop dan de gezondheid volgt, in het andere zijn tegen strijdende tekenen die verderf aanwijzen.

 

 

(7) Als in de vermelde strijd de natuur de sterkste blijft en de ziekte overwonnen heeft dan verminderen terstond alle kwade symptomen en van de ziekte wordt gezegd dat die af gaat en op die manier verwisselt het geleidelijk aan met de gezondheid.

(8) Deze vier tijden hebben niet alleen plaats in de volle loop van de ziekte, maar ook in haar bijzondere aanvallen. Zo bestaat het begin van afgaande koortsen in het huiveren of beven en in een ingetrokken of kleine pols. En als die zich begint uit te steken volgt de hitte die zich over het gehele lichaam verspreidt, dat is het opgaan. Wanneer de hitte noch toeneemt en dientengevolge de pols sterker slaat en het hart benauwder wordt dan is de koorts op het hoogste. Tenslotte als de hitte opmerkelijk afneemt komt de koorts aan het afgaan, de pols gaat natuurlijker en de overige stof wordt door onzichtbare damp of zweten uitgedreven.

 

 

 Oorzaken van de ziekten zijn tweevormig.

 

Het V. Capittel.

 

1. Oirsaken der Sieckten tweederley;

2. Uytwendige,

3. Inwendige,

4. Nootsakelickheyt der kennisse.

 

(1) De Oirsaken der Sieckten zijn ofte uytwendigh, ofte inwendigh.

(2) De Uytwendige bestaen meest in de ses Niet-natuurlicke dingen in de Voor-reden van den Schat der Gesontheyt, Cap. 8. verhandelt, te weten, Lucht, Spijse, Dranck, &c. ende dat is ’t gene Diogenianus seyde by Plutarchus in ‘t 8. van sijn Tafel-redenen 9. dat de selfde dingen, die ons doen leven, oock de Sieckten aen-brengen.

(3) Van de Inwendige, zijn sommighe ons door de beginselen ende stoffe van ons maecksel aen-gekomen, het welck de oorsaeck is van Erf-sieckten, (5) als onder andere, Gicht, Graveel, Tering, Vallende Sieckte. Soo dat het een groot geluck is, gesonde Ouders gehadt te hebben, ende wel geboren te zijn. Derhalven soude het Menschelicke gheslacht groote dienst geschieden, indien alleen, gelijck de groote Plutarchus wel vermaent, in sijn Boeck van de Opvoedingh der Kinderen, gesonde ende welvarende Luyden haer tot den Houwelicken-staet begaven. Want, indien een Bouman, die sijn landt sal gaen bezaeyen, suyver en hart Koren daer toe neemt, ende voos zaet, niet als licht ende quaet gewas voort en komt, hoe veel te meerder behoort men daer op te letten in het telen der Kinderen. Andere Inwendige oirsaken door Sieckten in ons Lichaem groeyen, uyt het Bloedt, Slijmerigheyt, Gal, ende swart Bloedt, als sy van haer Natuurlicke gematigheyt af wijcken, ofte datter eenigh Deel in ’t Lichaem komt te veranderen, verstoppen, ofte verderven. Hier uyt blijckt wel geseyt te wesen van den meer-gemelten Plutarchus (in sijn Boeck, om niet te leven volgens Epicurus) dat het Lichaem niet alleen van buyten, gelijck een Zee door ongestuymigh onweder en helt: maer dat het meerder geroert, ende ontstelt werdt, door ’t gene het selver van binnen voedt, ende opgeeft; ende dat yemandt meerder reden heeft, om te hopen op goet ende stil weder midden in den Winter, als dat sijn Vleysch een stant-vastighe ghesontheyt sal behouden. Want al stondt Esculapius selve (die de Heydenen plachten te vieren voor eenen Godt, ende vinder der Genees-konste) gestadigh by yemandt van sijn geboorte af, ende alles wat door ongesontheyt van buyten aen konde komen, af-keerde; soo soude evenwel het Lichaem van binnen veranderen, door den strijdt, die daer valt tusschen de beginselen onses levens, ende de natuurlicke ende in-geboren Wermte; de welcke ons wel, soo langh wy leven, voedt, beschermt, ende onderhoudt; maer nochtans metter tijdt verandert, ende verteert, sommighe vroeger, sommighe later, na dat elck den tijdt sijnes levens gestelt is, welckers palen, de Genees-meesters gelooven, dat van weynighe bereyckt werden. Dan hier over is onder anderen een treffelicken uyt-spraeck gedaen by den Wel-edele, ende noyt genoegh gepresen Juffrouw, Juffr. Anna Maria van Schurman, in sekeren Brief aen my geschreven, ende in Latijn, ende Nederlandts gedruckt, te sien in ’t Aenhangsel van de Heel-konst, onder de Brieven No 3.

(4) Wat vorder de Oirsake der Sieckten belangt, daer is soo veel aen gelegen dat de Genees-meesters (gelijck Cicero schrijft in ’t boeck van ’t Noot-lot) meenen, wanneer maer de Oirsaeck der Sieckte gevonden werdt, dat dan oock de Genees-middel gevonden is. Want wat soude, schrijft de Griecksche History-schrijver Polybius, in ’t derde boeck, een Genees-meester by een Siecken uyt-rechten, die niet en verstondt de Oirsaken der Sieckte? Dewijl soodanigh een nimmermeer den rechten wegh van ghenesinghe en sal ingaen. Derhalven, seyt hy, en moet op geen dingen meerder acht genomen werden, als op de Oirsaken van al ’t gene, dat gebeurt. Maer alsoo sulcks niet licht en valt, ende een yegelijcks werck niet en is, soo mogen wy met den Poët Virgilius wel seggen,

Foelix; qui potuit rerum cognoscere causas.

Het V Kapittel.

 

1. Oorzaken van de ziekten zijn tweevormig;

2. Uitwendige,

3. Inwendige,

4. Noodzakelijkheid van de kennis.

 

(1) De oorzaken van de ziekten zijn of uitwendig of inwendig.

(2) De uitwendige bestaan meestal in de zes niet natuurlijke dingen die in de voorreden van de ‘Schat der Gezondheid’ in het 8ste kapittel behandeld zijn, te weten lucht, spijs, drank, &c. en dat is hetgeen Diogenianus bij Plutarchus in de 8ste van zijn tafelredenen, 9. zei dat dezelfde dingen die ons laten leven ook de ziekten brengen.

(3) Van de inwendige zijn er sommige die ons door het begin en stof van ons maaksel aangekomen wat de oorzaak is van erfelijke ziektes (5) zoals onder andere, jicht, nierstenen, tering en vallende ziekte. Zodat het een groot geluk is om gezonde ouders te hebben en goed geboren te zijn. Derhalve zou het menselijke geslacht een grote dienst gedaan worden indien alleen, zoals de grote Plutarchus wel vermaant in zijn boek van de opvoeding van de kinderen, gezonde en welvarende lieden zich tot de huwelijkse staat begaven. Want als een tuinder die zijn land zal gaan bezaaien er zuiver en hard koren voor neemt en dat uit voos zaad niets anders dan licht en slecht gewas voortkomt, hoeveel meer behoort men daar op te letten in het telen van de kinderen. Andere inwendige oorzaken die door ziekten in ons lichaam groeien komen uit het bloed, slijmerigheid, gal en zwart bloed als ze van hun natuurlijke gesteldheid afwijken of dat er enig deel in het lichaam komt te veranderen, verstoppen of te bederven. Hieruit blijkt dat het wel goed gezegd is door de meer vermelde Plutarchus (in zijn boek om niet volgens Epicurus te leven) dat het lichaam niet alleen van buiten, net zoals een zee door onstuimig onweer helt, maar dat het meer geroerd en ontsteld wordt door hetgeen het zelf van binnen voedt en opgeeft en dat iemand meer reden heeft om te hopen op goed en stil weer midden in de winter dan dat zijn vlees een standvastige gezondheid zal behouden. Want al stond Aesculapius zelf (die de heidenen plachten te vieren voor een God en vinder van de geneeskunst) constant bij iemand van zijn geboorte aan af en alles wat er door ongezondheid dat van buiten aan kon komen afkeerde zou evenwel het lichaam van binnen veranderen door de strijdt die er valt tussen de beginselen van ons leven en de natuurlijke en ingeboren warmte die ons wel zolang we leven voedt beschermt en onderhoudt, maar nochtans mettertijd verandert en verteert, bij sommige vroeger en bij sommige later naar dat bij elk de tijd van zijn leven gesteld is en waarvan de geneesmeesters geloven dat zijn perken door weinigen bereikt worden. Dan hierover is onder andere een voortreffelijke uitspraak gedaan door de weledele en nooit genoeg geprezen juffrouw, juffrouw Anna Maria van Schurman in een zekere brief die ze aan mij geschreven heeft en in Latijn en Nederlands gedrukt is en te zien in het aanhangsel van de heelkunst onder de brieven No 3.

 

(4) Wat verder de oorzaak van de ziekten aangaat, er is zoveel aan gelegen dat de geneesmeesters (zoals Cicero schrijft in het boek van het noodlot) menen dat wanneer maar de oorzaak van de ziekte gevonden wordt dat dan ook het geneesmiddel gevonden is. Want wat zou, schrijft de Griekse historieschrijver Polybius in het derde boek, een geneesmeester bij een zieke uitrichten die niets begreep van de oorzaken van de ziekte? Omdat ze een nimmermeer de rechte weg van genezing zal ingaan. Derhalve, zegt hij, moet op geen ding meer gelet worden dan op de oorzaken van al hetgeen dat er gebeurt. Maar omdat zulks niet gemakkelijk is en het niet iedereen zijn werk is mogen we met de poëet Virgilius wel zeggen,

‘Foelix; qui potuit rerum cognoscere causas.’

 

 

 Tekens van de ziektes.

 

Het VI. Capittel.

1. Teyckenen der Sieckten.

2. Toe-vallen.

3, Teyckenen tweederley.

4. Ken-teyckenen,

5. Eygene,

6. By-sittende.

 

(1) Dewijl de Oirsaken der Sieckten dickwils verborgen zijn, soo werden de selvige af-genomen door de uytwendige Teyckenen, ende Toe-vallen.

(2) De Toe-vallen werden gemeenlick met den Grieckschen naem genoemt, Symptomata, ende zijn mede teyckenen der Sieckten. Alsoo beteyckenen geele Ogen, ende de selvige verwe over ’t geheele lichaem, een geele sucht, als een toeval ofte gevolgh van die Sieckte; het welck, alsoo het sichtbaer is, een teycken geeft van de inwendige ende verborgen sieckte, daer het van daen komt. Soo seyt Plutarchus, 5. van de Meeningen der Wijsen 29. dat het gene wy sien, ons klaerlick voor ooghen stelt’t gene in duyster is. Ende alsoo konnen oock sommighe dinghen Teyckenen wesen, hoe-wel geen Toe-vallen.

(3) De Teyckenen zijn tweederley; sommighe wijsen aen de teghenwoordige gelegentheyt, die wy Ken-teyckenen sullen noemen, andere de toekomende, die wy met den naem van Voor-teyckenen bekleeden.

(4) Een Ken-teycken openbaert, ende geeft te kennen het gene verborgen is. In welcke gelegentheyt oock uyt de Oirsaken, die voorgegaen zijn, ofte noch tegenwoordigh by-blijven, Ken-teyckenen der Sieckten getrocken werden.

(5) Dan de Eygene teyckenen (Pathognomonica by de Griecken genoemt) volgen het wesen, ende de eygenschap der Sieckte, ende hangen aen de selve nootsakelick vast, soo dat hy van ’t beginsel daer by zijn, ende daer van niet gescheyden en konnen werden, derhalven oock soodanigen Sieckten nootwendigh te kennen geven. Want alsoo de Sieckte seer selden door een eenigh ende eygen Teycken werdt (p 6) aengewesen: soo neemt men gemeenlick de Eygene, uyt vele teyckenen by malkanderen ghevoeght; de welcke bysonder genomen zijnde, sulcken Sieckte gantsch niet en beteyckenen. Wy sullen hier toe, in plaetse van vele, alleen by-brengen het vermaerde voor-beeldt van ’t Pleuris. Noch Korten-adem, noch Hoest, noch gestadige Koortsche, noch stekende Zijde-pijn, noch een harde Pols, en konnen by haer selven, ende gescheyden, geen Pleuris uyt-beelden; gelijck sy volkomentlijck doen, wanneer sy haer te samen allegader ghelijckelick vertoonen.

(6) Behalven dese Eygene teyckenen, staen noch aen te mercken andere, die wy na den Grieckschen naem By-sittende moghen heeten; de welcke de Sieckte niet altijdt en volgen, ende derhalven oock hare eygenschap niet aen en wijsen; maer even-wel haer by de andere voegende klaerder licht by-brengen, ofte bysonder onderscheyt te kennen geven. Soodanighe zijn in ‘t voor-gemelte Pleuris, dat de Sieckte beter kan leggen op de verkeerde zijde, als op de gesonde, ende dat de pijn op-rijst tot boven na den stroot, ofte tot beneden in den onder-buyck sackt.

Het VI Kapittel.

1. Tekens van de ziektes.

2. Symptomen.

3, Tekenen in twee vormen.

4. Kentekens,

5. Eigen,

6. Bijzittende.

 

(1) Terwijl de oorzaken van de ziektes dikwijls verborgen zijn worden die herkend door de uitwendige tekenen en symptomen.

(2) Symptomen worden gewoonlijk met de Griekse naam Symptomata genoemd en zijn mede tekens van de ziektes. Alzo betekenen gele ogen en dezelfde kleur over het gehele lichaam een geelzucht als een symptoom of gevolg van die ziekte wat, omdat het zichtbaar is, een teken geeft van de inwendige en verborgen ziekte waar het vandaan komt. Zo zegt Plutarchus in het 5de van de meningen der wijzen 29, dat hetgeen wij zien ons duidelijk voor ogen staat wat in het duister is. En alzo kunnen ook sommige dingen tekens wezen, hoewel geen symptomen.

 

 

(3) Tekens zijn er in twee vormen, sommige wijzen de tegenwoordige gesteldheid aan die we kentekens zullen noemen en de andere de toekomende die we met de naam van voortekens bekleden.

(4) Een kenteken openbaart en geeft te kennen hetgeen verborgen is. In welke gesteldheid ook uit de oorzaken die voorbij gegaan zijn of noch tegenwoordig bijblijven de herkenningstekens van de ziektes getrokken worden.

(5) Dan de eigen tekens (Pathognomonica bij de Grieken genoemd) volgen het wezen en de eigenschap van de ziekte en hangen aan die noodzakelijk vast zodat het van het begin af aan daarbij is en daarvan niet gescheiden kan worden en geeft derhalve ook zodanige ziekten te kennen. Want omdat de ziekte zeer zelden door een enig en eigen teken wordt (6) aangewezen neemt men gewoonlijk het eigene die uit vele tekens bij elkaar gevoegd zijn en als die apart genomen worden dat het zo’n ziekte in het geheel niet betekent. We zullen hiertoe, in plaatse van velen, alleen het vermaarde voorbeeld van pleuris bijbrengen. Noch korte adem, noch hoest, noch steeds koorts, noch stekende zijde pijn, noch een harde pols kunnen door hen en apart geen pleuris aanduiden zoals ze volkomen doen wanneer ze zich tezamen allen gelijk vertonen.

 

 

 

 

 

(6) Behalve deze eigen tekens staat noch een andere aan te merken die we naar de Griekse naam bijzittende mogen noemen die de ziekte niet altijd volgt en derhalve ook haar eigenschap niet aanwijst, maar als ze zich evenwel bij de andere voegt duidelijker licht geeft of bijzonder onderscheid te kennen geeft. Zodanige zijn in het voor vermelde pleuris dat de zieke beter op de verkeerde zijde kan liggen dan op de gezonde en dat de pijn oprijst tot boven naar de strot of tot beneden in de onderbuik zakt.

 

Voorzienigheid is noodzakelijk in het algemeen.

 

Het VII. Capittel.

1. Voorsienigheyts nootsakelickheyt in ’t gemeen,

2. Bysonderlick in de Genees-konste.

3. Voor-teyckenen,

4, Haer Onderscheyt,

5. Bysondere krachten.

 

(1) Het en is niet genoegh, dat men uyt de tegenwoordighe Teyckenen de Sieckte wel kendt: maer is oock hoogh-noodigh, om de selve niet te mis-handelen, haer Uyt-komste te voorsien

Istuc est sapera, non quod ante pedes modo est Videre: sed illa etiam, quae futura sunt, Prospicere, gelijck Terentius wel seyt Adelphis. Maer die niet verder en siet, als (gelijck men seyt) sijn Neus langh en is, schiet meest te kort. De yet begint sonder insicht van ’t eynde, ende wat tusschen beyde soude konnen vallen, valt gemeenlick tusschen twee stoelen in de assche. Soo schrijft de Ridder Partua, in ‘t 5 Boeck van sijn Italiaensche Historie van Venetien, dat als de Romen, door sijn sloffigheyt, ende quade toesicht in-genomen, ende jammerlick geplondert werde, de Paus Clemens de VII. toonde met een seer aen-merckens waerdigh voor-beeldt, dat in gelegentheden, die ’t grootste ghevaer onderworpen zijn, wijse raedt is, alle mogelicke dingen te over-leggen, ende gelijck als of sy stonden om te gebeuren, ende voor haer te soecken, soo veel mogelick is, tijdelick behulp-middel. Derhalven seyde eertijdts (by Ammina. Marcell in ‘t 16. boeck van sijn Historie) de Keyser Iulianus, dat in de swaerste saken de tijdelicke toesicht dickwils versien heeft, ende den staet van wanckele dingen, goeden raet wel opgenoomen zijnde, door Goddelicke middelen veeltijts herstelt is. De Voorsienigheyt schijnt voorwaer wat Goddelicx te wesen, ghelijck de Indianen wel toonden aen Columbus, als hy haer den aenstaenden Eclipsis voorseyde. Laërtius schrijft van den wijsgeer Democritus, dat als hy wat voor-seydt hadde, dat (ghelijck Dionysius Halicarnussus schrijft in ‘t 8 van sijn Griecksche Historie 28.) de Goden aen niemandt van de sterffelicke Menschen ghegeven hebben een sekere wetenschap van het toe-komende, ende dat sulcx voor-weten by Isocrates, in sijn gespreck tegen een Neus-wijse, gehouden werdt het Menschelicke verstandt soo verre te boven te gaen dat de hoogh-wijse Poëet Homerus, selve de Goden in sijn Verssen stelt, raetslagende met malkanderen over ’t gene gebeuren sal, als of ’t selve voor haer onseker, ofte verborgen was: soo kan even-wel een vernuft, ende recht-sinnigh Genees-meester uyt het gene, ’t welck de Sieckte te voren vertoont, heeft, ende noch tegenwoordigh voor-geeft, met goede redenen af-nemen, wat daer op volgen sal. Alsoo schrijft Polybius in sijn 6. Boeck van sijn Historie, niet swaer te zijn, dat door overleggen van ’t gene gebeurt is, geoirdeelt werdt van ’t gene noch gebeuren sal, te weten, als het met de saeck soo gelegen is, gelijck Cicero seyt in ‘t 6. Boeck van sijn Brieven, dat haer uytkomste voorsien kan werden.

(2) Om voorsichtigh te genesen, moet een Genees-meester de Voorsienigheyt ten hooghsten in achtinghe nemen. Want voor-seggende het gene den Siecken daer na over-komt, is hy vry van na-praet, als den aert van de Sieckte wel verstaen hebbende. Behalven dat hy oock de goede Genees-middelen, die andere geholpen hebben, niet te vergeefs en verspilt. Waer by noch komt, dat de Sieckte grooter vertrouwen stelt op den Genees-meester, die hy siet, niet alleen het tegenwoordige te begrijpen, maer oock het toe-komende te voor-seggen, gelijck Hippocrates wel aen-merckt in ’t beginsel van de Voor-teckenen.

(3) Het Voor-weten, dat een Genees-meester van nooden heeft, bestaet voornamelick in drie dingen: te weten wat Uyt-komste de Sieckte sal hebben, op wat Tijt, ende op wat Maniere. Hier sullen wy sulcx maer in ’t gemeen aen-roeren, houdende het bysondere in de beschrijvinge van de bysondere Sieckten.

(4) Het Onderscheyt der Voor-teyckenen is (7) driederhande. Sommighe boodtschappen van Rauwigheydt, ofte wel Teren, Andere van Op-komen ofte Sterven, Eenighe van scheyden, Critica ghenoemt.

De Voor-teyckenen van Rauwigheyt, ofte wel koken van de Vochtigheden, bestaen in ’t Water, Aftreck, ende Fluymen.

De Voor-teyckenen van Doodt, ofte Leven zijn in ’t ghene met het Water, ende den Kamer-gangh gelost werdt; als mede Sweeten, Langen, ofte Korten-adem halen, de Sieckte licht, ofte beswaerlick te verdragen, een even ofte on-even Pols, geen, ofte veel veranderingh in ’t Aenghesicht, dat men in ‘t Bedde leyt na gewoonte, ofte over hoop.

Voor-teyckenen, Critica gheheeten, komen met een schielicke veranderingh, ende ontsteltenis. Ende van de selve zijn sommige als Oirsaeck, ende Teycken, gelijck Braken, Kamer-gangh, veel Water, bloeden uyt den Neus, Sweeten, Geswellen achter de Ooren, Sinckingen van d’eene plaets op d’ander. Sommige zijn alleen Teyckenen, als Rasernye, Waken, diepen Slaep, Hooft-pijn, Ongherustheyt, schemerende, ende tranende Oogen, ruysende Ooren, bevende Onder-lip, sterck Schudden, root Aengesicht, ende Oogen, Treckingh in den Buyck, Walging, Brandt, ende grooten Dorst.

(5) Dese Teyckenen en zijn niet van eenderhande kracht. Die mede brengen dat de Vochtigheden wel gekoockt zijn, vallen altijt goet, op wat tijt datse haer oock vertoonen: maer de Critica zijn altemet quaet. Want sy en moeten haer niet openbaren, dan als de Sieckte op ’t Hooghste is; ende in ’t begin, ofte toe-nemen komende, en seggen sy niet goets, nochte en brengen eenige verlichting aen de Sieckte.

Het VII Kapittel.

1. Voorzienigheid is noodzakelijk in het algemeen,

2. Vooral in de geneeskunst.

3. Voortekens,

4, Hun verschillen,

5. Bijzondere krachten.

 

(1) Het is niet genoeg dat men uit de tegenwoordige tekens de ziekte wel herkent, maar is ook hoognodig om die niet verkeerd te begrijpen en hun uitkomst te voorspellen;

‘Istuc est sapera, non quod ante pedes modo est Videre: sed illa etiam, quae futura sunt, Prospicere’ zoals Terentius wel zegt in ‘Adelphis’. Maar die niet verder kijkt dan (zoals men zegt) zijn neus lang is schiet meestal te kort. Die iets begint zonder inzicht van het einde en wat er tussen beide zou kunnen gebeuren valt gewoonlijk tussen twee stoelen in de as. Zo schrijft ridder Partua in het 5de boek van zijn Italiaanse historie van Venetië dat toen Rome door zijn nalatigheid en slecht toezicht ingenomen en jammerlijk geplunderd werd Paus Clemens VII met een zeer opmerkenswaardig voorbeeld aantoonde dat in gelegenheden die aan het grootste gevaar onderworpen zijn het wijze raad is om alle mogelijke dingen te overleggen net alsof ze stonden te gebeuren en voor hen zoveel als mogelijk is een tijdig hulpmiddel te zoeken. Derhalve zei eertijds (bij Ammina. Marcell in het 16de boek van zijn historie) keizer Julianus dat in de zwaarste zaken het tijdelijke toezicht vaak voorzien heeft en als in een staat van wankele dingen goede raad goed opgenomen wordt en door Goddelijke middelen vaak hersteld is. De voorzienigheid schijnt voorwaar wat Goddelijks te wezen zoals de Indianen wel aantoonden toen Columbus hun de aanstaande eclips voorspelde. Laërtius schrijft van de wijsgeer Democritus dat toen hij wat voorspeld had dat (zoals Dionysius van Halicarnussus schrijft in het 8ste van zijn Griekse historie 28) de Goden aan niemand van de sterfelijke mensen een zekere wetenschap van het toekomende gegeven hebben en dat zulks voorspellen door Isocrates in zijn gesprek tegen een neuswijze gehouden werd om het menselijke verstand zoverre te boven te gaan dat de hoog wijze poëet Homerus zelf de Goden in zijn verzen voorstelt dat ze met elkaar beraadslagen over hetgeen gebeuren zal alsof dat voor hun onzeker of verborgen was, zo kan evenwel een vernuftig en rechtzinnige geneesmeester uit hetgeen wat de ziekte tevoren vertoont heeft en noch tegenwoordig voorgeeft met goede redenen vernemen wat daarop volgen zal. Alzo schrijft Polybius in zijn 6de boek van zijn historie dat het niet moeilijk is dat door overleggen van hetgeen gebeurd is geoordeeld wordt van hetgeen noch gebeuren zal, te weten zoals het met de zaak zo gesteld is, zoals Cicero zegt in het 6de boek van zijn brieven, dat die uitkomst voorspeld kan worden.

 

 

 

 

(2) Om voorzichtig te genezen moet een geneesmeester de voorzienigheid ten hoogste in achting nemen. Want als hij voorspelt wat de zieke daarna overkomt is hij vrij van praatjes omdat hij de aard van de ziekte goed begrepen heeft. Behalve dat hij ook de goede geneesmiddelen, die andere geholpen hebben, niet tevergeefs verspilt. Waarbij noch komt dat de zieke groter vertrouwen stelt op de geneesmeester die hij ziet en niet alleen het tegenwoordige begrijpt maar ook het toekomende kan voorspellen zoals Hippocrates goed opmerkt in het begin van de voortekenen.

 

(3) Het voorweten dat een geneesmeester nodig heeft bestaat voornamelijk in drie dingen, te weten welke uitkomst de zieke zal hebben, op welke tijd en op welke manier. Hiervan zullen we maar het algemene aanroeren en houden het apart in de beschrijving van de aparte ziekten.

(4) Het verschil tussen der voortekens is (7) drievormig. Sommige boodschappen van ruwheid of goed verteren, andere van opkomen of sterven, enige van scheiden wat Critica genoemd wordt.

De voortekens van ruwheid of goed koken van de vochtigheden bestaan in het water, aftrek en fluimen.

De voortekens van dood of leven zijn in hetgeen met het water en de kamergang gelost wordt als mede zweten, lang of kort adem halen, de ziekte licht of moeilijk te verdragen is, een even of oneven pols, geen of veel verandering in het aangezicht en dat men in het bed naar gewoonte of overhoop ligt.

Voortekens die critica genoemd worden komen met een plotselinge verandering en ontsteltenis. En daarvan zijn sommige een oorzaak en teken zoals braken, kamergang, veel water, bloeden uit de neus, zweten, zwellen achter de oren, zinkingen van de ene plaats op de andere. Sommige zijn alleen tekens als razernij, waken, diepe slaap, hoofdpijn, ongerustheid, schemerende en tranende ogen, ruisende oren, bevende onderlip, sterk schudden, rood aangezicht en ogen, trekking in de buik, walging, brand en grote dorst.

 

 

(5) Deze tekens zijn niet van een soort kracht. Die mee brengen dat de vochtigheden goed gekookt zijn vallen altijd goed op welke tijd dat ze zich ook vertonen, maar de Critica zijn meestal kwaad. Want zijn moeten zich niet openbaren dan als de zieke op het hoogste is en als ze in het begin of aan het toenemen komen zeggen ze niets goeds, noch brengen enige verlichting aan de zieke.

 

 Tekens uit de pols en het water.

 

Het VIII. Capittel.

 

1. Teyckenen uyt den Pols, ende ’t Water.

2. Beschrijvinge van den Pols.

3. Sijn Verscheydenheyt, ende Oirsaken.

 

(1) Om de Sieckten te beteyckenen, en hebben de Pols, ende het Water geen kleyne kracht. Want de Pols wijst aen de ghelegentheydt van het Herte, ende de Slagh-aderen, en dien-volgende van de sterckte onses Lichaems. Het Water vertoont hoe dat de Lever, ende Aderen ghestelt zijn, ende met eenen oock de hoedanigheydt van ’t Bloedt, ende d’ander Vochtigheden daer in zijnde, als oock van de Sieckten uyt de selvighe spruytende: maer wat duysterder van de krachten. Een quaden Pols geeft altijdt arger teycken, als quaet Water: ende gesont Water is sekerder, als eenen gesonden Pols.

(2) De Pols is een beweginghe, ofte kloppingh (het welck in ’t Latijn Pulsus beteyckent) van de Slagh-aderen, die uyt het Herte spruyten, van ’t welcke sy daer mede het Bloedt door ’t geheele Lichaem speuten, bestaende in opheffen, ende neder-stijgen. Ende al-hoe-wel de Slagh-aderen, het gheheele Lichaem over kloppen, soo is men even-wel ghewoon geen anderen Pols te voelen, als die voor aen den arm staet, om dat die gereeder leyt, ende oock blooter, als tegen het vel aen staende.

(3) Om den Pols wel te verstaen, soo moet men eerst, ende voor-al wel letten, op de gene die gematight is, als zijnde de wet, ende de maet van alle d’andere. Want dese werden, na vergelijckinge van den selven, geseyt Groot ofte Kleyn, Ras ofte Langsaem, Hart ofte Saght, Sterck ofte Flauw, Gelijck ofte Ongelijck. De gematighde Pols en werdt niet gevonden, als in de alderbeste naturen, ende in al-sulcke gestaltenisse des Lichaems, de welcke midden tusschen de uytstekende hoedanigheden gematight is. Maer in Ongematighde naturen, al is ’t datse ghesont zijn, soo verschillen de Polsen daer van. Want die Heet van Naturen zijn, hebben een Rassen, Grooten, ende Sterck-achtigen Pols: in tegen-deel, die Kout zijn. De Magere eenen Langsamen, Stercken ende Grooten: dewijl dat de Ader geen belet en heeft, om haer wel op te geven. In Mans, ende Jongelingen is hy Grooter ende Stercker, als in Vrouwen, in Oude luyden slap, ende Traegh, in Kinderen tusschen beyden. Soo verandert hy oock na de Getijden des Jaers, na de Landen, na de Oeffeninge des Lichaems, als oock na de beweginge des Gemoets. Een stercke Pols beteyckent in de gesonde een lang leven, in Siecken, dat sy wel sullen op-komen. Een slappe is een bode van slapheyt der krachten, alsoo geworden, ofte door langhdurigheyt der sieckten, ofte datse door eenige andere oirsaken vervlogen zijn, als vasten, waken, pijn, ongerustheydt, loop, ofte diergelijck. Een rasse Pols beteyckent Hitte, ofte gebreck van levende Geesten: een groote, dat de Krachten niet swack en zijn; een stercke, dat de selfde sterck ende kloeck zijn. Een kleyne Pols geeft te kennen, ghebreck van natuurlicke Wermte, ende een groote verkouwinge. Nu dat een Pols niet wel, ofte volkomen uyt en slaet, sulcx en gheschiet niet uyt nootsakelickheyt, ofte en betoont geen eygenschap van sieckte: maer alleen eenig beletsel, dat ontrent de slag-ader valt, te weten, wanneerse van de omliggende vliesen, vet, ofte vleysch verdruckt werdt. Soo hebben Vette luyden een Korten, ende Kleynen: Magere een Langen, ende grooten; Vier-schotige een gematigden Pols. Een sachten Pols betoont een sachte slagh-ader, ende dat het Lichaem vol slijmerachtige Vochtigheyt is, ghelijck in Water-sucht, ende slapende sieckten. Een Harde Pols, indien hy niet en komt uyt Flauwigheyt (8), noch uyt Vreese, noch uyt schaemte, beteyckent altijt een Harde slagh-ader: die alsoo wert, ofte door Drooghte, ofte door Benauwinge, ofte door Spanninghe. De Drooghte heeft haren oirspronck uyt onmatigh gebruyck van heeten dranck, uyt brandende ende verdroogende Koortschen, uyt de vierden-daeghsche Koortsch, ende swaermoedigheyt. De Benauwinge komt somtijdts van kouw, ’t zy door de Lucht ofte kouwen dranck, somtijdts oock van quade Vruchten, die veel dick glas-slijm in ’t Lichaem doen groeyen. De Spanninge geschiet door ontstekingh, ofte door een hardigheyt in de Lever ofte Milt. Maer in wat soort dat hy gelijck slaet, dan gaet hy vast, ende seker, waer op men hem mach vertrouwen; dan ongelijck gaende, valt hy ontrouw. Derhalven is een goede Pols, die gelijck gaet, de sekerste, ende beste: een quade ende ghelijcke, de archste; ende arger als een die Quaet, ende Ongelijck is. Wat Pols nu in elcke Sieckte is, sullen wy hier na op sijn plaetse uyt-leggen.

Het VIII Kapittel.

 

1. Tekens uit de pols en het water.

2. Beschrijving van de pols.

3. Zijn verschillen en oorzaken.

 

 

(1) Om de ziekte te herkennen hebben de pols en het water een behoorlijke kracht. Want de pols wijst de gesteldheid van het hart en de slagaderen aan en dientengevolge van de sterkte van ons lichaam. Het water vertoont hoe de lever en aderen gesteld zijn en meteen ook de hoedanigheid van het bloed en de andere vochtigheden die daarin zijn en ook van de ziektes die er uit spruiten, maar wat onzekerder van krachten. Een slechte pols geeft altijd ergere tekens aan dan slecht water en gezond water is zekerder dan een gezonde pols.

 

(2) De pols is een beweging of klopping (wat in het Latijn pulsus betekent) van de slagaderen die uit het hart spruiten vanwaar ze daarmee het bloed door het gehele lichaam spuiten en bestaat in opheffen en neergaan. En alhoewel de slagaderen het gehele lichaam door kloppen is men evenwel gewoon geen andere pols te voelen dan die vooraan de arm staat om dat die klaar ligt en ook bloter is omdat die tegen het vel aanstaat.

 

(3) Om de pols goed te begrijpen moet men eerst en vooral goed op diegene letten die gematigd is omdat die de wet en de maat van alle anderen is. Want die worden na vergelijking ermee groot of klein, snel of langzaam, hard of zacht, sterk of flauw, gelijk of ongelijk te zijn. De gematigde pols wordt niet gevonden dan in de allerbeste naturen en zulke vormen van lichaam hebben die midden tussen de uitstekende hoedanigheden gesteld is. Maar in ongestelde naturen, al is het dat ze gezond zijn, verschillen de polsen daar van. Want die heet van naturen zijn hebben een snelle, grote en sterkachtige pols, in tegendeel die koud zijn. De magere een langzame, sterke en grote terwijl dat de ader geen beletsel heeft om zich goed op te geven. In manen en jongelingen is hij groter en sterker dan in vrouwen, in oude lieden slap en traag, in kinderen tussen beiden. Zo verandert hij ook naar de tijden van het jaar en naar de landen, naar de oefeningen van het lichaam als ook naar de bewegingen van het gemoed. Een sterke pols betekent in de gezonde een lang leven, in zieken dat ze wel zullen opkomen. Een slappe is een bode van slapte van krachten die zo geworden zijn of door langdurigheid van de ziekten of dat ze door enige andere oorzaken vervlogen zijn als vasten, waken, pijn, ongerustheid, loop of dergelijke. Een snelle pols betekent hitte of gebrek van levende geesten, een grote dat de krachten niet zwak zijn, een sterke dat diegene sterk en kloek zijn. Een kleine pols geeft een gebrek van natuurlijke warmte te kennen en een grote koude. Nu dat een pols niet goed of volkomen uit slaat, zulks gebeurt niet uit noodzaak of toont geen eigenschap van ziekte, maar alleen enig beletsel dat omtrent de slagader valt, te weten wanneer ze door de omliggende vliezen die vet of vlezig zijn verdrukt wordt. Zo hebben vette lieden een korte en kleine, magere een lange en grote, vierkante een gematigde pols. Een zachte pols toont een zachte slagader en dat het lichaam vol slijmachtige vochtigheid is zoals in waterzucht en slapende ziektes. Een harde pols, indien hij niet uit flauwte komt (8), noch uit vrees, noch uit schaamte betekent altijd een harde slagader die zo wordt of door droogte of door benauwdheid of door spanning. De droogte heeft haar oorsprong uit onmatig gebruik van hete drank, uit brandende en verdrogende koortsen, uit de vierde daagse malariakoorts en zwaarmoedigheid. De benauwdheid komt soms van koude, hetzij door de lucht of koude drank, soms ook van kwade vruchten die veel dik glasachtig slijm in het lichaam laten groeien. De spanning gebeurt door ontsteking of door een hardheid in de lever of milt. Maar in welke vorm dat hij gelijk slaat, daar gaat hij vast en zeker waarop men zich mag vertrouwen, dan als hij ongelijk gaat valt hij ontrouw. Derhalve is een goede pols die gelijk gaat de zekerste en beste, een kwade en gelijke de ergste en erger dan een die kwaad en ongelijk is. Welke pols er nu in elke ziekte is zullen we hierna op zijn plaats uitleggen.

 

Water, stof en oorsprong.

 

 

Het IX. Capittel.

 

1. Waters Stoffe, ende Oirspronck.

2. Sijn Ken-teyckenen.

3. In ’t Besien waer te nemen.

4. Beschrijvinge van Gesont Water.

5, Onderscheyt in Veelte,

6. Verwe,

7. Wesen, ofte Gestaltenisse,

8. Vermenginge.

9. Misbruyck in ’t Water te besien, ende daer van eenige kluchtige Geschiedenissen,

10. Dat het geen Tecycken en geeft van Man, ofte Vrouw,

11. Noch van Swanger gaen.

 

(1) Dewijl de Vuyligheyt van ons Lichaem, gelijck als een af-schietsel is van beschadighde deelen, ofte quade vochtigheden, soo brenght het mede haer gelegentheyt, ende heeft de voornaemste plaets onder de Kenteyckenen. Maer het Water alleen schiet van ’t geheele Lichaem, en kan derhalven een algemeen teycken geven. Want het Water en is niet anders, als de Wey van het Bloedt door de Nieren ghescheyden, ende af-gheleeckt. Gelijck in Melck, alsse stremmelt, soo werdt oock in ’t Bloedt de Wey van het dicke en grove af-gesondert: de welcke onder het Bloedt vermenght was, om dat het door de kleyne Aderkens tot het uyterste van ’t Lichaem soude konnen loopen. Dese Wey heeft haren oirspronck van den Dranck, ofte ander Nat, waer mede vaster spijse vermengt werdt, ende sonder het welcke het Lichaem nauw’licx eenigh voordeel uyt de Spijse en soude trecken. Hierom is den Dranck alle Dieren seer bequaem ende noodigh, sommigen, ghelijck de Vogelen, die geen water en maken, schaersser, anderen, als Menschen, ende Vier-voetighe dieren, meerder. Door het koken van de Maegh werdt de geheele vochtigheyt met de Kost vermenght, ende alle de spijse werdt verdunt, ende met de vochtigheyt gebracht tot een gelijks ende eenparigh wesen, het welck wy Chylus, ofte Gijl noemen. Desen door den Dermen loopende, werdt uyt-gesogen door de Aderen van het Dermscheyl (ghelijck tot noch toe gemeent is) ofte door de Melck-aderen (onlanghs gevonden, ende by ons oock in levende ontledinge der Beesten ondervonden) die het fijnste, en nutste uyt-suygen, ende voeren na de Lever. Als hier dan van gijl Bloedt gemaeckt is, gelijck de Gal na het Gal-blaesjen, het swart, ende grof Bloedt na de Milt, alsoo werdt oock het Water (’t eygen uytschot van de Lever, gelijck de Kamer-gangh is van Maegh ende Dermen) sijn werck, dat geseyt is, gedaen hebbende, ende ’t gene nu onnut, ende overigh is, uyt het bultige deel des Levers gedreven, door de Suygh-slagh-aderen tot in de Nieren, ende van daer door de Water-pesen in de Blaes. Doch even-wel niet al: want haer noch een deel met het bloet door het Lichaem verspreyt, het welck ’t ampt van door-voeren volbracht hebbende, ofte door het sweet uyt-dampt, ofte wederom den eygen wegh keerende, door de Nieren ende Blaes ghelost werdt. Soo dat het Water niet alleen uyt de Lever, maer oock uyt de groote ende kleyne Aderen, ende ’t gantsche Lichaem voort-komt, het welck een yegelick volkomen gewaer kan werden, wanneer hy in drie a vier dagen niet ofte weynigh en drinckt.

(2) Dit Water, als het met gheen onmatighen dranck, ofte met yet anders vermenght en is, soo geeft het klaerlick te kennen de gelegentheyt van ’t Bloedt, ende d’andere Vochtigheden, die in de Lever, ende Aderen zijn. Want het Water, soo lange het met de selvighe vermenght was, trock na hem hare hoedanigheden, ende nu daer van als af-gesneden zijnde, vertoont hare ghestaltenis. Derhalven indien het Ingewant, ofte de Aderen, ofte het Hooft, ofte de Longen, ofte eenigh ander Deel des Lichaems met Sieckte beladen is, om dat de selvighe haer gestaltenisse mede deelen aen de vochtigheden die sy by haer hebben, soo sal oock het Water, ’t welck met het Bloedt, ende d’ander Vochtigheden door het Lichaem gevloeyt heeft, daer van deelachtigh wesen, ende gemaeckt zijnde, eygen teycken geven van haer ghelegentheyt. Maer het vertoont oock insonderheyt, hoe de plaetschen, daer het door-loopt, te weten, Nieren ende Blaes gestelt zijn. Want al is ‘t, dat het daer niet langhe in en (9) blijft, soo treckt het nochtans met hem de vuyligheyt die in de selvige souden mogen wesen. Soo dat het meestendeel kan aenwijsen de gelegentheyt van alle de plaetsen, daer het aen geweest is.

(3) Het Water, daer men uyt oordeelen sal, moet gemaeckt wesen in den na-nacht, na den eersten slaep, ende als de spijse wel verteert is, ende besien in een klaer glas, ende ter plaetse daer het licht niet al te helder en flickert, ofte al te duyster en is.

(4) Gelijck van de Pols geseyt is, soo moet men oock voor-eerst kennen het beste Water, als zijnde een wet ende regel van d’andere. Soodanigh Water is middelmatigh van wesen, niet dun gelijck gemeen water, noch dick ende grof, ghelijck van paerden, ende diergelijcke beesten: klaer, ende niet beroert: van verwe geel, van veelte met den dranck over een komende, ofte wat weyniger, dewijl daer wat van den dranck in ’t lichaem verteert wordt. Het gene hier in besinckt, is wit, effen, ende eenparigh, wat scherp opwaerts drijvende. Soodanigh Water en beteyckent niet alleen dat de Nature alles wel verteert maer oock dat het Lichaem sijn volkomen gesontheyt heeft. Het gene hier afwijckt, beduyt het Lichaem qualick gestelt te zijn. Waer toe wel gelet moet werden op de Veelte, Verwe, Wesen ofte Gestaltenis, Klaerheyt, ende ’t gene daer in drijft, ofte besinckt.

(5) Wanneer het Water matelick veel gemaeckt werdt, sulcx beteyckent dat het bloedt matelick veel Wey heeft, het welck een teycken is dat de nature wel vaert, ende alles bequamelick uyt-voert. Maer veel, ende overvloedigh Water komt somtijts, door veel drincken, ofte water-drijvende Genees-middelen, ofte door kracht van kouw, ende diergelijcke, ofte oock door eenige sieckte, gelijck Diabete, Water-sucht, ende alsser veel rauwigheyt ontrent het ingewant vergadert, ofte de vochtigheyt des Lichaems tot water versmelt. Weynigh water, indien het geen oirsaeck en heeft van weynigh drincken, ofte wrangen ende onklaren dranck, ofte drooghe kost, ofte veel sweeten, ofte veel ter stoel te gaen, ofte dat het op grooten arbeyt volght, betoont Sieckte, ende die in de wegen, daer het water door-loopt. Waer van ’t sijner plaetse breeder sal gehandelt werden.

(6) Onder de Verwen van ’t Water, komen meest in achtinge Wit, Bleyck, Geel, Root, Groen, ende Swart. Dese veranderingh geschiet uyt tweederley oirsaken; datter Hitte in ’t Ingewant, ende ’t gheheele Lichaem is, ofte dat haer eenige andere Vochtigheyt onder ’t Water vermengt. Want Arbeyt, Vasten, Hitte, Koortsch, ende al ’t gene dat het Lichaem kan verhitten, doen het Water van gelijcken verwen, ende soo veel te hooger, hoe sy krachtiger zijn, ende ’t Water, dat langen tijdt in ’t Lichaem blijft, ende langh na den eten ghemaeckt werdt, is altijt hooger van verwe, als ’t gene te voren gelost is. Wanneer oock de Gal haer in de Aderen met de Wey vermengt, ghelijck in de Geele-sucht, dan valt het Water Hoogh-geel, soo dat het selfs oock waer het aen komt, de geligheyt mede deelt. Maer van een gematight, ende wel-varend Mensche, ende die in ’t best van sijn leven is, komt geelachtigh Water, daer in de verwe van een Citroen niet ongelijck. Wit water, ende dat met eenen dun ende klaer is, ende recht waterigh, indien het niet en komt van veel dunnen dranck, betoont datter groote verstoptheyt is in de Nieren, ofte Dermen-scheyl, ende Lever, ofte dat de verterende kracht in de Maegh ende Lever door te groote kouw seer beschadight is. Het gebeurt ook in brandende Koortschen, dat de Gal in de Herssenen op-ghestegen zijnde, Water gemaeckt werdt, ons gemeen water gelijck, waer uyt de Genees-meesters een teycken van Rasernye trecken. Wit ende dick Water, beduydt, datter overvloet van slijm is. Ende als sulcks langh ghelost werdt, is een voorbode van koude Sieckten. Water dat maer Bleyckachtigh en is, geeft teycken van minder rauwigheyt, ende dat de inwendige wermte niet soo veel van de natuurlicke af en wijckt. Groen Water komt door vermenginghe van groene Gal: ghelijck Swart, door Swarte; dan dat beteyckent oock somtijdts een volkomen uyt-blussinge van den Natuurlicke wermte.

(7) Van wegen het wesen, ende de ghestaltenis van ’t Water, werdt driederhande onderscheyt gemaeckt, Dun, Dick, ende Middelbaer. Dun Water, indien het niet en komt van overvloedigen dranck, beduydt verstoppinghe in de Nieren, ofte Water-pesen, gelijck men siet als in de selvige een Steentjen vast sit, dat het dunste van ’t water alleen kan af-loopen. Het volght oock wel op de slappigheyt van de verterende kracht: want de natuurlicke wermte is somtijdts soo weynigh, dat sy den dranck laet loopen, ghelijck hy in-ghenomen is. Middelbaer water in dunte, ende dickte, betoont wackere wermte, goede teringh in Maegh, Lever, ende Aderen. Maer ’t gene Dick is, indien het niet en geschiet door al te wijde wegen, is een teycken van Rauwigheyt, ende dat de Natuurlicke wermte door veel rauwe, ende ongekoockte vochtigheden overvallen werdt.

Klaer, ende helder is ’t water, als men daer lichtelick door sien kan: in tegendeel is het Duyster, ofte Troubel water. Klaer Water betuyght een goede Verteringh, dat de Natuurlicke wermte, ende Vochtigheden in goeden stant zijn, waer door het oock besoncken is. Duyster ende onklaer water komt veeltijdts door ghebreck in de Nieren, ofte Blaes, het zy dat in de selvige eenige overtolligheyt is van grove Vochtigheydt, die het water met hem sleept, ofte datter yet versweert. Sonder die gebreken [10] beduyt Onklaer Water, overvloet van dicke vochtigheyt in de Aderen, die de natuurlicke wermte niet wel en kan verteren. Nu dat Onklaer ende Dick (daer terstont af geseyt is) verschillen, gelijck oock Dun, ende klaer, blijckt daer uyt, dat wit van Ey, Olye, gesmolten Glas, ende bruyne Wijn, als Wijn Tint, wel recht dick zijn, ende evenwel niet troubel, maer gansch klaer. Ende dat oock witte, ende dunnen Wijn, ja oock selver Brande-wijn, wel somtijdts kan onklaer wesen.

(8) Wanneer op het Water, sonder gheroert te zijn, veel Schuym drijft, sulcks beteyckent datter veel winden in ’t Lichaem malen, dat Maegh, ende Dermen gespannen zijn, datter Colijck voor handen is, ende sulcks door onmatigh gebruyck van Vruchten, Erwteten, Boonen, ende diergelijcke, ofte door swackheyt van de Natuurlicke wermte. Indien dat Schuym met grooten Bellen langh blijft staen, geeft teycken van dicke, ende slijmerige Vochtigheden, ende daer uyt groeyen de Verstoppingen: maer indien de Bellen lichtelick breken, ende verdwijnen, sulcks betoont, datter dunne winden, ende dunnen Vochtigheden zijn. Alsser Vettigheyt, ghelijck Spinne-web, op het Water drijft, dat is een teycken van Teringe. Dan sulcks kan oock wel gebeuren, wanneer yemandt Olye gedroncken heeft. Van het vordere sullen wy seggen in de Teyckenen van elcke Sieckte.

Het IX Kapittel.

 

1. Water, stof en oorsprong.

2. Zijn kentekens.

3. In het bekijken waar te nemen.

4. Beschrijvingen van gezond water.

5, Verschil in hoeveelheid,

6. Kleur,

7. Wezen of vorm,

8. Vermenging.

9. Misbruik in het water kijken en daarvan enige kluchtige geschiedenissen,

10. Dat het geen teken geeft van man of vrouw,

11. Noch van zwanger gaan.

 

 

(1) Terwijl de vuiligheid van ons lichaam, net zoals het een afscheiding is van beschadigde delen of kwade vochtigheden brengt het mee haar gesteldheid en heeft de voornaamste plaats onder de kentekens. Maar het water alleen schiet van het gehele lichaam en kan derhalve een algemeen teken geven. Want het water is niets anders dan de wei van het bloed dat door de nieren gescheiden wordt en aflekt. Net als in melk als ze stremt wordt ook in het bloed de wei van het dikke en grove afgezonderd wat onder het bloed vermengd was omdat het door de kleine adertjes tot het uiterste van het lichaam zou kunnen lopen. Deze wei heeft haar oorsprong van de drank of ander nat waarmee vaste spijzen vermengd worden en zonder dat zou het lichaam nauwelijks enig voordeel uit de spijzen trekken. Hierom is drank voor alle dieren zeer nuttig en nodig, sommigen als de vogels die geen water afmaken is het schaarser, bij anderen als mensen en viervoetige dieren meer. Door het koken van de maag wordt de gehele vochtigheid met de kost vermengd en alle spijzen worden verdund en met de vochtigheid gebracht tot een gelijk en eenvormig wezen wat wij Chylus of gijl noemen. Die loopt door de darmen en wordt uitgezogen door de aderen van het darmscheil (zoals tot noch toe gemeend is) of door de melkaderen (onlangs gevonden en bij ons ook in levende ontleding van de beesten ondervonden) die het fijnste en nuttigste uitzuigen en het voeren naar de lever. Als hier van gijl bloed gemaakt wordt zoals de gal naar het galblaasje, het zwarte en grove bloed naar de milt en zo wordt ook het water (het eigen uitschot van de lever zoals de kamergang is van maag en darmen) zijn werk wat gezegd is, gedaan heeft en hetgeen nu onnuttig en over is uit het bultige deel van de lever gedreven door de zuigslagaderen tot in de nieren en vandaar door de waterpezen in de blaas. Doch evenwel niet alles want omdat er noch een deel met het bloed door het lichaam verspreid wordt en wat het ambt van doorvoeren volbracht heeft of door het zweet uitdampt of wederom de eigen weg terugkeert en door de nieren en blaas geloosd wordt. Zodat het water niet alleen uit de lever, maar ook uit de grote en kleine aderen en het ganse lichaam voortkomt wat iedereen volkomen gewaar kan worden wanneer hij in drie a vier dagen niet of weinig drinkt.

 

 

 

 

 

 

 

(2) Dit water als het niet met onmatige drank of iets anders vermengd is geeft het duidelijk de gesteldheid van het bloed en andere vochtigheden te kennen die in de lever en aderen zijn. Want zolang het water met die vermengd was trok het naar zich hun hoedanigheden en nu dat het van afgesneden is vertoont het haar vorm. Derhalve indien het ingewand of de aderen of het hoofd of de longen of enig ander deel van het lichaam dat met ziekte beladen is omdat die haar vorm mede delen aan de vochtigheden die ze bij zich hebben zal ook het water wat met het bloed en de andere vochtigheden door het lichaam gevloeid is daarvan deelachtig en gemaakt wezen en zijn eigen teken geven van hun gesteldheid. Maar het vertoont ook vooral hoe de plaatsen, waar het doorloopt, gesteld zijn, te weten nieren en blaas. Want al is het dat het daar niet lang in ( 9) blijft trekt het nochtans de vuiligheid met zich mee die daarin zou mogen wezen. Zodat het meeste deel de gesteldheid aan kan wijzen van alle plaatsen waar het in geweest is.

 

 

 

 

(3) Het water waar men uit oordelen zal moet gemaakt wezen in de nanacht, na de eerste slaap en als de spijs goed verteerd is en in een helder glas en ter plaatse bekeken worden waar het licht niet al te helder flikkert of al te duister is.

(4) Net zoals van de pols gezegd is moet men ook eerst het beste water kennen omdat dit een wet en regel is van de andere. Zodanig water is middelmatig van wezen, niet dun zoals gewoon water, noch dik en grof zoals van paarden en dergelijke beesten, helder en niet geroert, van kleur geel en van hoeveelheid komt het met de drank overeen of wat minder omdat van de drank in het lichaam verteerd wordt. Hetgeen hier in bezinkt is wit, effen en eenvormig dat wat scherp omhoog drijft. Zodanig water betekent niet alleen dat de natuur alles goed verteert, maar ook dat het lichaam zijn volkomen gezondheid heeft. Hetgeen hiervan afwijkt betekent dat het lichaam er niet best aan toe is. Waartoe goed gelet moet worden op de hoeveelheid, kleur, wezen of vorm, helderheid en hetgeen daar in drijft of bezinkt.

 

(5) Wanneer het water matig veel gemaakt wordt betekent zulks dat het bloed matig veel wei heeft wat een teken is dat de natuur goed gaat en alles goed uitvoert. Maar veel en overvloedig water komt soms door veel drinken of waterdrijvende geneesmiddelen of door kracht van koude en dergelijke of ook door enige ziekte als diabetes, waterzucht en als er veel rauwheid ontrent het ingewand verzameld wordt of de vochtigheid van het lichaam tot water versmelt. Weinig water, indien het geen oorzaak heeft van weinig drinken of wrange en niet zuivere drank of droge kost of veel zweten of veel naar toilet gaan of dat het op zware arbeid volgt toont ziekte aan en dat in die wegen waar het water doorloopt. Waarvan het op zijn plaats uitvoerig behandeld zal worden.

 

 

(6) Onder de kleuren van het water komen het meest in achting wit, bleek, geel, rood, groen en zwart. Deze verandering gebeurt uit twee oorzaken, dat er hitte in het ingewand en het gehele lichaam is of dat er enige andere vochtigheid zich onder het water vermengt. Want arbeid, vasten, hitte, koorts en al hetgeen dat het lichaam kan verhitten geven water van dezelfde kleur en zoveel hoger hoe krachtiger ze zijn, het water dat lange tijd in het lichaam blijft en lang na het eten gemaakt wordt is altijd hoger van kleur dan hetgeen tevoren gelost is. Wanneer ook de gal zich in de aderen met de wei vermengt, zoals in geelzucht, dan valt het water hoog geel zodat het zelfs ook waar het aan komt de geligheid meedeelt. Maar van een gematigd en goed gaand mens en die in het beste van zijn leven is komt geelachtig water dat in kleur op die van een citroen wat lijkt. Wit water en dat meteen dun en helder is en echt waterig, indien het niet komt van veel dunne drank toont het aan dat er grote verstopping is in de nieren of darmscheil en lever of dat de verterende kracht in de maag en lever door te grote koude zeer beschadigd is. Het gebeurt ook in brandende koortsen dat de gal die in de hersens opgestegen is water maakt dat op ons gewone water lijkt waaruit de geneesmeesters een teken van razernij trekken. Wit en dik water betekent dat er overvloed van slijm is. En als zulks lang gelost wordt is dat een voorbode van koude ziekten. Water dat maar bleekachtig is geeft een teken van minder rauwheid en dat de inwendige warmte niet zoveel van de natuurlijke afwijkt. Groen water komt door vermenging van groene gal net als zwart door zwarte, dan dat betekent ook soms een volkomen uitblussing van de natuurlijke warmte.

 

 

 

 

(7) Vanwege het wezen en de vorm van het water worden drie verschillen gemaakt, dun, dik en middelbaar. Dun water, indien het niet komt van overvloedige drank, betekent verstopping in de nieren of waterpezen zoals men ziet als daarin een steentje vast zit dat het dunste van het water alleen kan aflopen. Het volgt ook wel op de slapte van de verterende kracht want de natuurlijke warmte is soms zo weinig dat ze de drank laat lopen gelijk het ingenomen is. Middelbaar water in dunte en dikte laat wakkere warmte zien en een goede vertering in maag, lever en aderen. Maar hetgeen dik is, indien het niet gebeurt door al te wijde wegen, is een teken van rauwheid en dat de natuurlijke warmte door veel rauwe en ongekookte vochtigheden overvallen wordt.

Zuiver en helder is het water als men daar gemakkelijk door zien kan, in tegendeel is het duister of troebele water. Helder water betuigt een goede vertering en dat de natuurlijke warmte en vochtigheden in goede stand zijn waardoor het ook bezonken is. Duister en onzuiver water komt vaak door gebrek in de nieren of blaas, hetzij dat in die enige overtolligheid is van grove vochtigheid die het water met zich meesleept of dat er iets te zweren komt. Zonder die gebreken (10) betekent onzuiver water overvloed van dikke vochtigheid in de aderen die de natuurlijke warmte niet goed kan verteren. Nu dat onzuiver en dik (waar terstond van verteld wordt) verschillen zoals ook dun en helder blijkt daaruit dat het wit van ei, olie, gesmolten glas en bruine wijn, als wijntint, wel echt dik zijn en evenwel niet troebel, maar geheel helder. En dat ook witte en dunne wijn, ja ook zelfs brandewijn soms onzuiver kan wezen.

 

 

 

 

 

(8) Wanneer op het water, zonder dat het geroerd is, veel schuim drijft betekent zoiets dat er veel winden in het lichaam malen en dat maag en darmen gespannen zijn, dat er zijdepijn op komst is en zulks door onmatig gebruik van vruchten, erwten, bonen en diergelijke of door zwakte van de natuurlijke warmte. Als dat schuim met grote bellen lang blijft staan geeft dat een teken van dikke en slijmerige vochtigheden en daaruit groeien de verstoppingen, maar als de bellen gemakkelijk breken en verdwijnen dat zoiets aangeeft dat er dunne winden en dunne vochtigheden zijn. Als er vettigheid, net als een spinnenweb op het water drijft, is dat een teken van tering. Dan zoiets kan ook wel gebeuren wanneer iemand olie gedronken heeft. Van het verdere zullen we zeggen in de tekens van elke ziekte.

 

 

 

 

 (9) Maer al is ‘t, dat het Water al vry veel, ghelijck nu ten deele is aengewesen, kan vertoonen, soo is ’t even-wel een groot misbruyk al langh by de treffelickste Genees-meester wel te recht mis-presen, maer even-wel noch niet gerecht, dat dat men met het Water loopt na den Genees-meesters, om volkomentlick onderrecht te zijn van de gelegentheyt der gene, die Sieck leyt, ofte eenigh ghebreck onder de leden heeft. Ja sommighe onvoorsichtige Siecken (seyt onsen grooten Erasmus in sijn uyt-legginge der Spreeck-woorden) verwachten van de Genees-meesters, dat sy, het Water eens besiende, sullen konnen raden, oft van een Man, ofte van een Vrou is, ende van wat Ouderdom; van wat Aert de Sieckte is, waer, ende van waer die gekomen is, wat dat de Sieckten ghevoelen, ende by-na wat sy in den slaep gedroomt hebben. My selve is voor-ghekomen, dat een Backers Vrouw pijn in de Tanden hebbende, wilde dat ick sulcks uyt haer Water soude sien. Die ick voor antwoordt gaf, dat het water niet en konde beduyden, als van ’t gene het gerocht hadde, ende als sy op een ander tijdt daer van bescheyt wilde weten, dat sy dan eerst haer Tanden daer mede spoelen soude. Waer uyt dit voordeel oock te trecken is, dat het witte Tanden maeckt, ghelijck de Poët Catullus seyt, in sijn 40. Dicht, daer hy eenen sekeren Bloet belacht, die met sijn witte Tanden te veel pronckte:

Egnatius, quòd candidos habet dentes, Renidit usquaque, seu ad rei ventum est Subsellium, cum orator excitat sletum, Renidet ille: seu pii ad rogum fili, Lugetur, orba cùm slet unicum mater, Renidet ille: quidquid est, ubinque est, Quodcumque agit, renidet, hunc habet morbum, Neque elegenatem, ut arbitror, neque urbanum. Quare monendus is mihi, bone Egnati, Si urbanus effes, aut Sabinus, aut Tiburs, Aut pocus Umber, aut obesus Etruscus, Aut Lanuinus ater, atque dentatus, Aut Transpadanus, ut meos quoque attingam, Aut quilibet, qui puriter lavit dentes, Tamen renidere usquequaque te nollem. Nam Risu inepto res ineptior nulla est. Nunc Celtiber in Celtberia terra Quod quisque minxit, hoc sibi solet mans Dentem, atque russam defricare gingivam: Ut quò iste vester expolitior dens est, Hoc te amplius bibisse praedicet lotii.

Een seker Boerin bracht haer Mans Water hier in de Stadt by een Doctor, ende als hy ’t sijne gheseyt hadde, soo dede sy daer by, dat het hem op-quam in de Keel, ende vraeghden, of het niet wel opstijgingh van de Moer soude wesen? Ende als den anderen hem niet konde onthouden van lacchen, soo seyde sy, Hoe na en hebben de Mans geen Moer? Neen, antwoorden hy. Maer hem quelt de Opstijgingh van de Vaer. Ick mochte wel dencken, seyde de Boerin; want het komt hem even-eens in de Keel op, ghelijck het mijn plach te doen. Daer mede ginckse wel ghetroost na huys, ende de Doctor kreegh groote neringh in dat Dorp van de gene, die met d’opstijgingh van de Vaer gequelt waren. Want al die voor ’t Hert, ofte in de Keel het minste maer schorten, werden al datelick verklaert, de Opstijginghe te hebben. Een ander Boerin quam met haer Mans Water in den Hage, ende versocht alleen van den Genees-meester te weten, of hy van de Sieckten sterven soude. Want, seyde sy, wat behoef ick verlore kosten te doen, is hy veegh, soo en sullen hem geen drancken helpen; is hy niet veegh, soo sal hy wel sonder drancken ghenesen. Ick gheloof dat den goeden Heere al dapper verset stondt, omdat Boerinnen haper-werck te ontwarren. Beter wisten haer te redden drie andere, waer van ick de kluchtige geschiedenisse sal verhalen. Seker Huys-man bracht midden in den winter Water by de Genees-meester, hy vragende of het van sijn vrouw was; De Boer seyde, Ja; maer siet eens, ofte ghy daer uyt niet wat anders en merckt. Den Doctor, alsoo het Water van goede verwe was, kreegh achterdencken van (11) eenighe uytwendige Pijn, ende gaf die ook tot antwoordt, Braef, riep den Boer, dat is wel gheraden: dan waer van komt de Pijn, die sy voelt in haer zijde, daer het blauw is? De Genees-meester hoorende van de blauwigheyt, konde lichtelick af-nemen, sulcks door vallen, ofte stooten gheschiet te zijn: daerom vraeghden hy, ofte de Vrouw niet ghevallen hadde? Den Boer hier over verwondert staende, Meester, seyde hy, soo ghy my kondt seggen, waer van dat sy ghevallen is, ick sal u houden voor den alderbesten. De Genees-meester de plompigheyt van den Huys-man bemerckende, ende over-leggende de ghelegentheyt van de wooningen, gaf voor antwoort, dat sy van de Trappen ghevallen was. By get, seyde den Boer, indien ghy uyt het water kondt weten, van hoe veel Trappen sy ghevallen is, ick sal alleman seggen, dat ghy een hups Man bent. Hier en konde de Genees-meester hem nauwlicx van lacchen houden, even-wel wetende, dat de Boeren Solders niet seer hoogh en zijn, antwoorde, ontrent van twaelf Trappen. Waer op den Huys-man seyde, Siet het water te degen; want daer moet meerder zijn. De Genees-meester neder siende, bedacht wat anders: daer na een statigh gelaet toonende, seyde, De wegh is door de Vorst gheheel gladt, en hebt ghy niet onderweegh ghevallen, ende wat water gestort? Den Boer, gelijck het een slechte Loer was, diende den Genees-meester voor een Propheet aen, bekennende dat hy ghevallen hadden, ende datter wat ghestort was. Daer op seyde doen de Genees-meester met een groote stemmigheyt, Fijn Man, op die plaets, daer ghy gevallen hebt, moet ghy de andere Trappen soecken, want ick en hebse hier in dit glas niet. Den Boer seer verwondert zijnde over de gheleertheyt, ende ervarentheyt van den Genees-meester, gingh soo na huys, ende vertelden zijn karen met groot ghenoegen, hoe wijsselijck den Doctor hem geantwoordt hadde.

Iason van Praet, vermaert Genees-meester van den Marck-graef van der Veere, verhaelt hoe dat twee Vrouwen by hem Water ghebracht hebbende, ende hy daerop seyde, dat het Lichaem door eenige arbeyt vermoeyt was, ende de sweet-gaetjens van de huyt daer van geopent zijnde, de Kouw na ’t Herte ghetrocken was, daer op volgende verstoppinge, brandt, ende benauwtheyt op de borst. Waer op de eene vraeghde, Heer, dunckt U dat het een Mans, ofte een Vrouwen water is? Hy raden juyst na de verwe, dat het van een Man was. Waer op sy terstondt verder gingh, Is ’t eenen Bruydegom, ende die haer Trouwen sal? Daer op bleef hy wat staen kijcken, door soo vremde vraghe ontstelt zijnde. Het welck sy merckende, Ick versta wel, seyde sy, dat ghy weet den selfden Bruydegom te wesen; dewijl ghy seght, dat hy vermoeyt is van arbeydt, ende een kouw gevat heeft. Het welck hem ghebeurt is, met te veel danssen op het Voor-spel, waer hy besweet zijnde, schielick in de koelte gegaen is.

Hier te Lande was een ander Genees-meester, vermaert van goede kennisse te hebben in ’t Water te besien: by hem wilde een Boerin het Water van haren Man brenghen, dan gingh onderweegh aen tot haer Landt-vrouw. Dese wijs-neus Trip, de welcke aen-nemende die ghelegentheyt, om den Genees-meester te bedriegen, versocht de Boerin, dat sy haer het Water soude geven, om ’t selfde te laten besien. Den Doctor haer siende, ende wel wetende, dat het door-trapt wijf was, ghekomen (gelijck veeltijts geschiet) om hem maer uyt te hooren, was op sijn hoede. Derhalven als het Water uyt het kanneken (’t welck ghestopt was met kruyt, dat maer op eene plaets en wies) ghegoten werde, seyde hy, Dit Water van geen Edel-man, noch borger, maer van een boer, ende het en komt uyt dese Stadt niet, maer is van buyten door soodanigen poort in-gebracht. Het wijf, sulcks gehoort hebbende, stont geheel verstelt, ende verhaelde doen van selfs alle de gelegentheyt van des Huys-mans Sieckte, ende sy en konde haer niet ghenoegh verwonderen, meenden dat hy alles uyt het Water gesien hadde. Een ander Genees-meester, seyde het Water, dat hem gebracht was, van een Snijder te wesen; waer over gemeent werde, dat hy sulcks niet door konste, maer door het in-geven van eenigen geest geoirdeelt hadde. Dan het bedrogh bestondt hier in, dat het kanneken ghestopt was met snipperingen van verscheyde verwen, gelijck de Snijders gemeenlick haer Kussens maken. Dus bevindt men de waerheyt van ’t Spreeck-woort, Dat de Werelt wil bedrogen zijn.

Sekere dienst-maeght bracht haer Vrouwen Water na den Doctor, ende als sy by ghevalle het selve ghestort hadde, niet wetende wat sy doen soude, soo hielse haer kanneken onder een Koe, die daer juyst stondt en pisten, ende bracht dat water in plaetse van ’t ander. Hy seyde daer op, dat de Siecken te veel gras ende kruyden at. Dit was een gheluckigh raetsel; ende door meeder gauwigheyt, als reden beleyt. Want Hippocrates selve staet toe 4. Aphor. 70. Dat ons Water kan de gelijckenisse hebben van Peerden, ende Ossen, ende dat sulcx pijn in ’t Hooft beduydet. Ende al is ‘t, dat sommige hebben willen beschrijven de Teyckenen, waer door het Water van andere vochtigheyt konde onderscheyden werden, soo zijn de selvige allegader los ende bedriegelijck. Ende daer en is niet lichter, als een Doctor, hoe voorsichtigh hy oock soude mogen wesen, met eenigh nat, ofte ander water te bedriegen. Ende al is ’t dat de Genees-meesters dickwils hier na gheluckelick slaen, ende dat sy door eenige omstandigheyt ofte losse ondervraginge, de sake op het hooft treffen; ende dat het dien-volgende na haren sin wel uyt-valt, (ghelijck oock die by Boccacia, de welcke (12) door eenige Boeven, daer toe op-gerockent zijnde, uyt het Water oirdeelde, dat de Man met Kindt was) soo gaet het mede somtijts wel tegen haer sin, ende werden dan van de gene, die sy yet verkeert oirdeel gegeven hebben, achter den rugh uyt-gelacchen, ende bespot. Daer toe komen sommighe even met bier, ofte eenigh ander nat, ende krijghen even-wel al eenigh bescheyt. By seker Genees-meester werde een bedeckt glas ghebracht met Spaensche wijn, om te besien: hy den selfven aen-siende voor root water; seyde, dat de Lever heel ontsteken was, ende dat grooten brandt door het gantsche lichaem verspreyde. De Schalck, die daer op uyt was, het glas weder aen-nemende, gaf tot antwoord, sulcx wel te ghelooven waer te wesen, wanneer hy het soude in-gedroncken hebben, ghelijck hy op staende voet dede. De gierigheyt van sommighe Siecken die niet geern voor haer eygen gesontheyt eenige kosten doen, als oock de slordige karigheydt van sommige Genees-meesters, die menen datter geen Koren van de Molen behoort ghewesen te werden, zijn oirsaeck, dat dese ketterye soo langh in swangh gaet. Als ick uyt Italien in Brabandt af-komende, te Leuven begroete den vermaerden Thomas Fienus, aldaer Professor in de Medicine, ende hier van, onder andere, reden viel, was verwondert dat hy my seyde, sulcx aen te houden, om groot profijt, dat hy daer van trock, ende dat men door onder-vragen, ende konstigh raden, ten naesten by tot de waerheyt konde geraken. Alsoo mede de ghemelde Doctor Crellius, voor eenige Jaren Medicijn alhier te Dordrecht, die grooten loop van water te besien hadde, daer over gevraeght zijnde, Wat hy daer uyt sagh? gaf voor antwoordt, Ten minsten een, ofte twee Schellingen. Dan werde oock somtijdts wel deghelick bedrogen. Beter heeft my, als ick eerst t’huys komende, de Konste soude gaen oeffenen, wel gheraden mijn weerde Meester Doctor Everard van Vorst, seer geleert Professor te Leyden, dat ick die quade ghewoonte allengskens soude af-schaffen. Hier toe heeft mede den Edelen, ende seer ervaren Genees-meester, Mr. Pieter van Foreest, in een boecxken in Latijn gheschreven van het onseker oirdeel der Wateren ende ’t selve is door Doctor Nollens in Nederlandts over-geset, uyt-gegeven.

Ick en kan even-wel niet ondienstigh vinden, alhier te wederleggen tweederley misbruyck, dat aldermeest by ’t gemeene volck in swangh gaet, ende daer de Doctoren dapper mede ghequelt werden. Die met het water komen, willen van de selve ghemeenlick weten, of het van een Man, of van een Vrouwe is. Dit wetense behendigh (ghelijck sy meenen) aen te leggen, seggende het water te brengen van een Persoon, ende haer wel wachtende voor het woordt Hy ofte Sy. Daer beneffens zijnse oock veel uyt, om te weten, ofte een nieuw-ghetrouwde Vrouw (ghelijck soodanighe ghemeenlick na Kinderen verlangen om geen verloren werck te doen) swanger is. Ende sulcks en ghebeurt niet weynigh van jonghe Dochters, die bevreest zijn, dat haer de Kermis, die sy met vreught ghehouden hebben, wel sonder vreught mochte vergaen, ende met schande uyt-bersten. Maer ick sal klaer bewijsen dat uyt het water niet ghesien en kan werden, of het van een Man, of van een Vrouw is; noch of een Vrouw swaer gaet.

(10) Wat het eerste belanght: Al maeckt een Jongelingh ander water als een Oudt Man, een Man anders als een Vrouw, soo bestaet soodanigh onderscheyt alleen in de Verwe, ende het wesen: de welcke, alsoo sy mede van verscheyden andere oirsaken konnen veranderen, soo en kan het eygentlick niet vertoonen, ofte het van een Man, of van een Vrouw is: want een Vrouw van heet ofte galachtige gematigheyt, sal na oeffeninge van haer Lichaem, ende ghebruyck van heete Spijs hooger gheverwt water maken, als een Man van koude ghematigheyt. Insgelijck een Vrouwe, die de Koortsche heeft, ofte met een andere Sieckte ghequelt is, sal sonder twijffel na den aert van de Sieckte ander water maken. Die dan alderhande Water besiet, hoe sal hy konnen onderscheyden of het van een Man, of van een Vrouw komt, als hy de gematigheyt niet weet van de gene, die het ghemaeckt heeft. Derhalven wanneer een ghesont, ende gematight Man met soodanighen Vrouw, een die werm van aert is met een werme, een sieck Man met een siecke Vrouw vergeleken werden, ende datter niet van buyten toe en valt, ’t welck het Water verandert, soo soude misschien het Water van een Vrouw eenighsins onderscheyden mogen werden van Mans water, maer anders niet; dewijl van waer het Water by een Genees-meester gebracht werdt, dickwils onbekent is. Ende aldus is te verstaen ’t geene sommige Genees-meesters schrijven van het onderscheyt in ’t Vrouwen, ofte Mans water. Want omdat de Mans ghehouden werden wermer te zijn, ende dat sy meestendeel oeffeninge doen, soo maken sy dunder, ende geverwder Water, ende in ’t welcke weynigh besinckt. Maer de Vrouwen om dat sy kouder van naturen zijn, ende haer Lichaem weynigh oeffenen, soo maken sy bleyck Water, het welcke veel besinckt. Dan kan uyt oirsaken nu verhaelt, veranderen: derhalven dat hier in niets seker en is, ende sulcx uyt het Water te oirdeelen, is een groote licht veerdigheyt, ende streckt meesten-tijdt om het gemeen volck te bedriegen.

(11) Van wegen de Swangerheyt en staet niet minder te twijffelen, ende in dit ongestadigh weder moet een Genees-meester dickwils tegen sijn danck aen ’t roer staen. Maer onsen eersten, ende oppersten Meester Hippocrates, die alle teyckenen (13) van swaer gaen wel neerstigh ondersocht, ende beschreven heeft, en maeckt nergens eenigh ghewagh van de Wateren. Daer-en-boven en wert het Water niet verandert, door de swangerheyt selve, maer alleen door het op-houden van de stonden, die men moet bekennen, dat de Wateren konnen veranderen, door dien het Bloedt, ende de vuyligheyt haren loop wederom nemen in de Aderen. Maer die veranderingh van Water kan oock in de Maeghden uyt op-stoppinghe van haer stonden ondervonden werden, ja oock in alderhande Sieckten uyt soodanige op-houdinghe veroirsaeckt, als mede in verstoppinge van ’t ander Ingewant. Soo dat het Water hier niet eygens, of bysonders en kan uyt-wijsen. Wy sien dat de Waters somtijts ongeverwt zijn (gelijck in de verstoppinge dickwils geschiet) somtijdts hoogh geverwet, somtijts de gesonde gelijck (als de swangere Vrouwe selver gesont is, somtijdts dun, somtijdts dicker, ghelijck oock in andere ghelegentheydt gemaeckt werden. Ende wanneer de Vrouwe qualick te pas is, dan werdt het Water door de kracht van de Sieckte soo verandert, dat alle de teyckenen van Swangerheyt, indien daer eenige waren, souden te niet gaen. Waer uyt volkomentlick blijckt, hoe los dat het gaet, de selvighe uyt het Water te willen oirdeelen. Avenzoar, een treffelick Arabisch Genees-meester schrijft, dat hy in sijn eygen huys-vrou bedroghen is gheweest, daer hy nochtans behalven ’t Water, noch andere Teyckenen konde waer nemen. Ende een seer gheleert Italiaensche Genees-meester Saxonia verhaelt, dat doen sijn Moeder van hem groot gingh, hy van de Genees-meesters geoirdeelt werde voor een Mola, ofte klomp Vleysch, ende dat sijn Moeder, niet tegenstaende sy met vele drancken ghequelt werden, even-wel de Vrucht tot sijner tijdt behiel. Dan de sterckte van de Lijf-moeder, en de Vrucht is altijdt soo groot niet, dat sy die onvoorsichtige Middelen kan weder-staen. Daer van hebbe ick een Exempel gesien, dat wel verdient alhier, tot waerschouwinghe van andere, ghestelt te werden. Een jonghe, en anders ghesonde Vrouw kreegh, na dat sy eenige maenden geen veranderinge gehadt en hadde, seer groot jeucksel onder aen haer lichaem; waer over sy eerst dede versoecken Doctor Foreest, daer na oock My; maer alsoo sy uyt onverdult, ende verbolgen sinnen enckel begeerden, dat wy haer stonden souden doen komen, als wel wetende, ghelijck sy seyde, niet bevrucht te zijn, ende wy anders oirdeelende, daer toe niet en wilden verstaen, soo liet sy halen den voor-gemelten Doctor Crellius, die hem verwondert hiel over onse onwetentheyt, ende stofte ghenoegh te konnen sien uyt het Water, ende te onderscheyden of yemandt een Knechtjen, ofte een Meysjen, als oock, een ofte meerder Kinderen droegh: ende versekerde haer, dat sy gantsch niet swanger en was. Hier door de Vrouwe in haer versoeck, ende begeren ghevolght ende versterckt zijnde, nam door sijnen raet de sterckste af-drijvende drancken in, die ick oyt ghesien hebbe. Maer wat uytkomste? De Vrouwe konde door haer stercke Nature de stercke kracht van de drancken uyt-staen, dan verloste daer na van een seer tenger Kindeken, vol waters, soo dat het gheheele Lichaem soo klaer was, dat men met de Kaersse daer dwers door by-na sien konde, waerop na weynigh dagen de doodt volghde. Dit was de vrucht van de vermetele kennisse der Wateren. My dunckt dat hier op niet qualijck te pas en sullen komen de woorden, met de welcke Hippocrates sijn Wet begint: De Medicine, seyt hy, is de treffelickste van alle Konsten. Maer wert, om de onwetentheyt van de gene, die haer oeffenen, ende ’t verkeert oirdeel der gener, die soodanige gebruycken, veel achter andere Konsten ghestelt. Ick meene dat de oirsaeck van desen mis-slagh is, datter in de Steden voor de Medicine alleen anders geen boete ghestelt en is, als van schande, ende on-eer. Maer die raeckt weynigh de gene, die schijnen uyt de selve gemaeckt te zijn. Want dese gelijcken de Commedianten, ende gelijck die het wesen, ende ’t kleedt wel hebben van de Persoon, die sy spelen, maer even-wel die Persoon niet en zijn: even alsoo zijnder oock vele Doctoren met den naem, maer seer weynige met de daet. En voorwaer hoe menig isser, die in dese sware ende wichtige Konste so plotseling valt, gelijck (volgens het Spreeck-woort) een Koe in een weteringh: daer wel hoog-noodig is, dat de gene die wat goets sal uyt-rechten, van jonghs op, by de beste meesters daer in met alle neerstigheyt ende goet verstant opgetrocken wert. Het gene niet en was by den genen, die ick nu genoemt hebbe: ende daerom alleen genoemt, op dat lichtelick anders achter-dencken op yemandt anders mochte vallen. Hier uyt is nu lichtelick af te nemen, hoe schadelick dat het is, te veel op de Wateren te vertrouwen, ende hem tegens goet oirdeel daer in te laten bedriegen. Derhalven is best dat men het Water by den Siecken besiet, als een teycken onder andere: maer dat het niet gehouden en werdt, als alleen genoegh zijnde, om van alles een volkomen tecyken te geven.

Noch minder dat het kan aen-wijsen, ofte een Vrouwe, ghelijck wy nu verhaelt hebben, Bevrucht is, ick laet staen, dat men soude konnen uyt het Water sien, ofte een Knechtjen, ofte een Meysjen gedragen werden, als Doctor Crellius voor gaf. Een ander Genees-meester (van Broer Cornelius geslachte) sulcks wel verstaende, ende niet konnende van seker Vrouw, die daer enckel bescheyt af begeerde, ontslagen te zijn, seyde dat hy ’t selfde uyt het Water niet en konde weten, maer indien sy daer van wilde versekert zijn, dat hy haer (niet eens denckende, dat sy daer toe soude komen) moeder-naeckt most zien. De begeerte van de Vrouwe was soo groot, dat sy ’t selve toe-stondt. De Genees-meester daer (14) over seer verbaest staende, en wist niet waer hy met sijn milde toe-segginge soude blijven, ende was niet minder bedut, als eertijdts Paris voor de drie naeckte Godinnen; seyde even-wel verwondert te zijn, in die vremdigheyt: want als hy haer van achteren besagh, dat hem docht, dat sy een Knechtjen droegh, maer siende van voren, dat het teycken hem dan vertoonde van een Meysjen. Dit viel noch na de Konst uyt. Want sy verloste daer na van een soon, ende een Dochter.

 (9) Maar al is het dat het water al behoorlijk veel, zoals nu ten dele is aangetoond, kan vertonen is het evenwel een groot misbruik dat al lang bij de voortreffelijkste geneesmeester wel te recht misprezen wordt, maar steeds nog in gebruik dat men met het water naar de geneesmeesters loopt om volkomen onderricht te zijn van de aard van diegene die ziek ligt of enig gebrek onder de leden heeft. Ja, sommige onvoorzichtige zieken (zegt onze grote Erasmus in zijn uitlegging van de spreekwoorden) verwachten van de geneesmeesters dat ze als ze maar even het water bekijken dat ze daar uit kunnen raden of het van een man of van een vrouw is en van welke leeftijd, wat de aard van de ziekte, waar en vanwaar die gekomen is, wat de zieken voelen en bijna wat ze in de slaap gedroomd hebben. Het is mezelf voorgekomen dat een bakkersvrouw, die pijn in de tanden had, wilde dat ik zulks uit haar water zou zien. Die ik voor antwoordt gaf dat het water niet anders kan betekenen dan van hetgeen het geraakt had en als ze op een andere keer daarvan bescheid wilde weten dat ze dan eerst haar tanden daarmee zou spoelen. Waaruit dit voordeel ook te trekken is dat het witte tanden maakt zoals de poët Catullus zegt in zijn 40ste gedicht waar hij een zekere Bloed uitlacht die met zijn witte tanden te veel pronkte:

‘Egnatius, quòd candidos habet dentes. Renidit usquaque, seu ad rei ventum est. Subsellium, cum orator excitat sletum. Renidet ille: seu pii ad rogum fili. Lugetur, orba cùm slet unicum mater. Renidet ille: quidquid est, ubinque est. Quodcumque agit, renidet, hunc habet morbum. Neque elegenatem, ut arbitror, neque urbanum. Quare monendus is mihi, bone Egnati. Si urbanus effes, aut Sabinus, aut Tiburs. Aut pocus Umber, aut obesus Etruscus. Aut Lanuinus ater, atque dentatus. Aut Transpadanus, ut meos quoque attingam. Aut quilibet, qui puriter lavit dentes. Tamen renidere usquequaque te nollem. Nam Risu inepto res ineptior nulla est. Nunc Celtiber in Celtberia terra. Quod quisque minxit, hoc sibi solet mans. Dentem, atque russam defricare gingivam: Ut quò iste vester expolitior dens est. Hoc te amplius bibisse praedicet lotii’.

Een zekere boerin bracht het water van haar man hier in de stad bij een dokter en toen hij het zijne gezegd had deed zij daarbij dat het bij hem in de keel opkwam en vroeg of het geen opstijging van de moeder zou kunnen wezen? En toen de ander zich niet kon inhouden van lachen, zei zij, ‘hebben de mannen geen moeder?’ ‘Neen’, antwoordde hij. Maar hem kwelde de opstijging van de vader. ‘Ik dacht het wel’, zei de boerin, ‘want het komt hem eveneens in de keel op net als het bij mij gebeurt’. Daarmede ging ze wel getroost naar huis en de dokter kreeg veel werk in dat dorp van diegene die met de opstijging van de vader gekweld waren. Want van allen die voor het hart of in de keel maar het minste mankeren wordt er al dadelijk verklaard dat ze de opstijging hebben. Een ander boerin kwam met het water van haar man in Den Haag en wilde alleen van de geneesmeester weten of hij van de ziekte sterven zou. ‘Want’, zei ze, ‘waarom zou ik verloren kosten maken, is hij er slecht aan toe dan zullen geen dranken hem helpen, is hij niet vaag dan zal hij wel zonder dranken genezen’. Ik geloof dat de goede heer al dapper versteld stond omdat boerinnen haperwerk te ontwarren. Beter wisten zich te redden drie anderen waarvan ik de kluchtige geschiedenis zal verhalen. Een zekere huisman bracht midden in de winter water bij de geneesmeester en die vroeg of het of het van zijn vrouw was. De boer zei ja, maar zie eens of ge daar niet wat anders aan merkt. De dokter, omdat het water van goede kleur was, kreeg argwaan van (11) enige uitwendige pijn en gaf dat ook tot antwoord.

 

 

 

 

‘Braaf’, riep de boer, ‘dat is goed geraden, maar waar vandaan komt de pijn die ze voelt in haar zijde waar het blauw is?’ De geneesmeester hoorde van de blauwheid en kon daaruit gemakkelijk afleiden dat zoiets door vallen of stoten gebeurd was en vroeg daarom of de vrouw niet gevallen was? De boer stond hierover zeer verwondert en zei, ‘meester, als ge me kan zeggen waarvan ze gevallen is zal ik u houden voor de allerbeste’. De geneesmeester die de plompheid van de huisman bemerkte en de gesteldheid van de woningen overlegde gaf voor antwoord dat ze van de trappen gevallen was. ‘Bij god’, zei de boer, ‘als ge uit het water kan weten van hoeveel trappen ze gevallen is zal ik alleman zeggen dat ge een hups man bent’. Hier kon de geneesmeester zich nauwelijks van het lachen inhouden, evenwel wist hij dat de boerenzolders niet zeer hoog zijn en antwoordde ontrent twaalf trappen. Waarop de huisman zei, ‘bekijk het water noch eens goed, want er moeten er meer zijn’. De geneesmeester keek naar beneden en bedacht wat anders, trok daarna een statig gelaat en zei, ‘de weg is door de vorst geheel glad en bent ge onderweg niet gevallen en hebt wat water gestort? De boer, omdat het een slechte loper was zag de geneesmeester voor een profeet aan en bekende dat hij gevallen was en dat er wat gestort was. Daarop zei toen de geneesmeester met een grote stemmigheid, ‘fijn man, op die plaats waar ge gevallen bent moet ge de andere trappen zoeken want ik heb ze hier niet in dit glas’. De boer was zeer verwonderd over de geleerdheid en ervaring van de geneesmeester en ging zo naar huis en vertelde zijn gelijken met groot genoegen hoe wijs de dokter hem geantwoord had.

 

 

 

 

Jason van Praet, vermaard geneesmeester van de markgraaf van der Veere, verhaalt hoe twee vrouwen bij hem water gebracht hadden en dat hij daarvan zei dat het lichaam door enige arbeid vermoeid was en de zweetgaatjes van de huid daardoor geopend waren en de koude naar het hart getrokken was, daar op volgt verstopping, brand en benauwdheid op de borst. Waarop de ene vroeg, ‘heer denkt u dat het mannen- of vrouwenwater is? Hij raadde juist naar de kleur dat het van een man was. Waarop ze terstond verder gingen, ‘is het een bruidegom en die haar trouwen zal?’ Daarop bleef hij wat staan kijken door zo ‘n vreemde vraag ontsteld te zijn. Wat ze merkten, ‘ik begrijp wel’ zei ze, ‘dat ge weet dat het dezelfde bruidegom is die ge zegt dat hij vermoeid is van arbeid en een kou gevat heeft. Wat hem gebeurd is met te veel dansen op het voorspel waardoor hij bezweet is en plotseling in de koelte gegaan is’.

 

 

Hier te lande was een andere geneesmeester die vermaard was van de goede kennis die hij had in het water kijken en bij hem wilde een boerin het water van haar man brengen, dan ging ze onderweg naar haar landvrouw. Die wijsneus Trip, die elke gelegenheid te waar nam om de geneesmeester te bedriegen, verzocht de boerin dat ze zelf het water zou geven om die te laten bekijken. De dokter zag haar en wist wel dat het een doortrapt wijf was en gekomen (zoals vaak gebeurt) om hem maar uit te horen en was op zijn hoede. Derhalve toen het water uit het kannetje (wat dicht gestopt was met een kruid dat maar op een plaats groeide) gegoten werd zei hij, ‘dit water is van geen edelman, noch borger, maar van een boer en het komt niet uit deze stad, maar is van buiten door zodanige poort ingebracht’. Het wijf dat dit hoorde stond geheel versteld en verhaalde toen vanzelf de gesteldheid van ziekte van de huisman en ze kon zich niet genoeg verwonderen en meende dat hij alles uit het water gezien had. Een ander geneesmeester zei van het water dat hem gebracht was van een snijder te zijn waarvan gemeend werd dat hij zulks niet door kunst, maar door het inzicht van enige geest beoordeeld had. Dan het bedrog bestond hierin dat het kannetje gestopt was met snippers van verschillende kleuren zoals de snijders gewoon zijn om er hun kussens van te maken. Dus bevindt men de waarheid van het spreekwoord dat de wereld bedrogen wil zijn.

Zekere dienstmaagd bracht haar vrouwenwater naar de dokter en toen ze met vallen het kwijt raakte en niet wist wat ze zou doen hield ze haar kannetje onder een koe die daar juist stond en piste en bracht dat water in plaats van het andere. Hij zei daarop dat de zieke te veel gras en kruiden at. Dit was een gelukkig raadsel en door meer gauwigheid dan reden overlegd. Want Hippocrates zelf staat toe in 4 Aphor. 70 dat ons water op die van paarden en ossen kan lijken en dat zulks pijn in het hoofd betekent.

 

 

 

En al is het dat sommige de tekens hebben willen beschrijven waardoor het water van andere vochtigheid onderscheiden kan worden zijn die allen loos en bedrieglijk. En er is niets gemakkelijker dan om een dokter, hoe voorzichtig hij ook zou mogen wezen, met enig nat of ander water te bedriegen. En al is het dat de geneesmeesters dikwijls hierna op goed geluk slaan en dat ze door enige omstandigheid of losse ondervraging de zaak op het hoofd treffen en dat het dientengevolge naar hun zin goed