Historie van den grale. Jacob van Maerlant, ca. 1261.

Met Merlijn, de graal en ridderavonturen.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

 

Klik hier voor de samenvatting van de  Heilige Graal.

Klik hier voor de samenvatting van koning Arthur.

Klik hier voor de samenvatting van de avonturen van de ridders.

Klik hier voor de index.

( ) zijn opmerkingen te zien in het algemene deel.

 

1 Alle de gene die dese tale

Horen willen van den Grale,

Wanen dat hi eersten quam,

Als ick in den Walsche vernam

5 So zal ickt dichten in dietsche woert;

Ick en zalt niet laten doer hoer voert

Die benyden mijn gedichte;

Want doch alle quade wichte

Toter doghet dragen altoes nijt.

10 Hier omme so wil ick in aller tijt

Dat doen dat si my benyden

Dus sullen si vele te min verblyden

Alse si van my dan horen tale.

Dese historie van den Grale

15 Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,

Den Heer van Vorne, wael met rechte;

Want hoge liede met hoger historie

Menechfouden zoecken hoer glorie

Ende korten daer mede hoer tijt.

20 Ick wille dat gy des zeker zijt,

Dat ick die historie vele valsch

Gevonden hebbe in dat Walsch,

Daer si van Gode, Onsen Here, sprack

Datten dat volck van Rome wrack;

25 Daer ombe merket dese zake:

Een dichte van Onses Heren wrake

Leset men, dat is wyde becant,

Ende makede een pape in Vlaenderlant;

Dat seghet dat boeck in sijn beginne;

30 Maer ick wane in mynen sinne,

Dat [een] pape dat niet en dichte,

Want men mochte gescriven lichte

Hoe vollick dat gelogen zij;

Ende dat sal ick iu proven waer by

35 In der historie die koemt hier naer.

Ende nu biddick, dat is waer,

Jacob, die coster van Maerlant,

Dien gy te voren hebbet becant

In des konincx Alexanders Jeesten,

40 Dat gy biddet, dat hi volleesten

Moete dat hi hevet begonnen,

Ende hi den ghenen moete onnen

In des ere hi dit began,

Dat hi moete werden alsulck een man,

45 Dat des al dat volck ende Onse Heer

Moete hebben loff ende eer,

Ende wy met hem moeten komen

In die eere die men genomen

Noch gescriven niet en mach,

50 Daer 't sonder nacht es altoes dach.

[1] Al diegene die deze taal

Horen willen van de Graal,

Waarvan dat hij eerst kwam,

Zoals ik in Waals vernam

5 Zo zal ik het dichten in Dietse woord;

Ik zal het niet laten door hen verder

Die benijden mijn gedicht;

Want toch alle kwade wichten

Tot de deugd altijd dragen nijd.

10 Hierom zo wil ik in alle tijd

Dat doen zodat ze me benijden

Dus zullen ze veel minder verblijden

Als ze van mij dan horen taal.

Deze historie van de Graal

15 Dichtte ik ter eer van Heer Alabrecht,

De Heer van Voorne, wel met recht;

Want hoge lieden met hoge historie

Vaak zoeken hun glorie

En korten daarmee hun tijd.

20 Ik wil zodat ge dus zeker bent,

Dat ik in de historie vaak vals

Gevonden heb in het Waals,

Daar het van God, Onze Heer, sprak

Dat het dat volk van Rome wraakte;

25 Daarom bemerk deze zaak:

Een gedicht van Onze Heren wraak

Leest men, dat is wijd bekend,

Maakte een paap in Vlaanderen land;

Dat zegt het dat boek in zijn begin;

30 Maar ik meen in mijn geest,

Dat een paap dat niet dicht,

Want men kon schrijven licht

Hoe volledig dat het gelogen zij;

En dat zal ik u bewijzen waarmee

35 In de historie die komt hierna.

En nu bid ik, dat is waar,

Jacob, de koster van Maarland,

Die ge te voren hebt gekend

In de koning Alexanders verhalen,

40 Dat ge bidt dat hij geheel eindigt

Met dat hij heeft begonnen,

En hij diegene moet gunnen

In diens eer hij dit begon,

Dat hij moet worden zo’ n man,

45 Dat dus al dat volk en Onze Heer

Moet hebben lof en eer,

En wij met hem moeten komen

In de eer die men noemen

Nog niet schrijven mag,

50 Daar het zonder nacht altijd is dag.


 

Waer ombe Onse Here wart geboren.

 

Beyde vrouwen ende man

Die horen zin zetten daeran,

Dat zi die waerheit willen weten,

Ende proeven, dat God die propheten

55 Hier in eertrike vorsende,

Die vorseiden met genende

Onses Heren komst in eertrike.

In dien tyden sekerlike,

Daer wy nu hier af tellen,

60 So voer dat volck al toter Hellen,

Alle propheten ende patriarchen;

Hieran moghen wy alle mercken

Dat die Duvele alle twaren

Waenden hebben wael gevaren.

65 Dat zi die menschen hadden bedrogen;

2 Maer die goede mochten hem verhogen,

Want zi Onses Heren komst ontbeiden.

Onse Here ontfarmede hoer droefheiden

Ende quam in dit arme ellende;

70 An Marien die nye man en kende

Ontfinck hi menschelike gedane;

Grote minne leide hi daer ane:

Omme te verlosene den sondaer

So nam hi an hem vleesch an haer

75 Sine dochter wart zijn moeder;

Aldus wart hi onse broeder.

Dat was recht, want dat ierste wijf

Makede den mensche keytijf;

Hier ombe moste by den wive

80 Die mensche weder werden te live;

Verstaet wael, dat God hevet gesent

Tot ons zijn enege kint;

Dat hebbewy dicke wael vereest.

Maria, by den heilghen gheest

85 Ontfincken met heilicheden;

Aldus rastede binnen horen leden

Allegader die Drievoudicheit,

Dat is eene volmaeckte Godheit.

Aldus wart geboren van Marien

90 Die Godes sone, des moetwy lien;

Sonder smette ende sonder zonde

Wart hi mensche, als hi wael konde;

Dat was herde grote oetmoet,

Dat hi storten woude zijn bloet

95 Ombe dat hantgewerck zijns vader,

So wart die Drivoudicheit alle gader.

Hi makede Adame den jersten man,

Die by des Duvels rade began,

Dat hi die eerste sonde dede

100 Ende by Even rade oeck mede.

Ende doe si sonde hadden gedaen,

Quam hem een lust van vleesche saen,

Ende worden, van groten goede,

Geworpen in die armoede,

105 In dit arme krancke leven,

Daer groet geslachte af is gebleven;

Ende wat van hem wart geboren

Voer toter Hellen ende wart verloren;

Toter tijt, dat Godes sone quam,

110 Ende hi zijn hantgewercke annam

Ute Lucifers quader gewelt.

Als ons dat Ewangelium telt,

Wart hi te Betlehem geboren,

Dat Effrata hiet daer te voren,

115 Van Marien zijnre moeder;

Hier af es die historie te vroeder

Die wt den Ewangelien spreket;

Hier ombe es 't dat hiet gebreket.

Onse Here wanderde achter lande twaren,

120 Ende was te zinen dertich iaren

Gedopet hier in eertrike

In der Jordane geweldelike

Van Sinte Johanne Baptisten;

Aldus wart Onse Here een cristen.

125 Dat alle die hem doepen deden

In die ere der Drivoudicheden,

Ende hem dan hoeden wouden van zonden,

Dat zi den Duvelen waren ontfonden -

130 Dese macht gaf God den clerken

Die meester zijn der heiliger kerken.

Aldus dwoech hi Adames sonden,

Ende dus verloes te dien stonden

Lucifer al zijn gewelt,

135 Daer hi den mensche mede helt,

En waer of hi zonde dade;

Ende God, die altoes Zijne genade

Toten mensche keert tot allen stonden,

Want hi gheerne valt in sonden,

140 So hevet Hi een ander dope geset,

Opdat hi in sonden niet ne let,

Maer hi ga te biechten ghereet,

Ende doe dat hem zijn priester heet;

Dus mach hi in desen eertrike

145 Gewinnen wael dat Hemelrike.

Oeck is dat kont hem sonder waen,

Die die Ewangelien nu verstaen,

Doe Jhesus Crist ginck achter lande,

Dat die van Rome ginck in hande

150 Altemale die werelt ront;

Hier ombe zo was ter selver stont

Der Joden lant in hoer gewelt;

Daer woende een die dat gerechte helt

Te Jherusalem, ende hiet Pilaet,

155 Ende eest alset in den Walsche staet,

So hadde hi in ziner meisenien

Enen ridder, daer wy af lien

Ju zullen herde vele hier na,

3 Ende heet Josep van Aromathia.

160 Maer dat hi zijn ridder iet was

En zegge ick niet dat ick nye las

In ander historien dan in dese;

Die waerste die ick daeraf lese

Seghet, dat Pilatus was heidijn,

165 Ende oeck alle die ridder zijn,

Die doe waren van ziner meisenieden

Waren onbesnedene liede.

Joseph was Jode ende herde rike,

Hi zach Jhesum sekerlike

170 Doen menege tekene goet;

Des minde hi hem in zinen moet,

Maer hi en dorste dat niet openbaren

Vor den anderen Joden t'waren.

Onse Here hadde viande vele,

175 Ende luttel die hem jonden wele,

Want ziner jongeren daer af een

Hatede hem, alset wael sceen;

Maer Jhesus wiste dat wael te voren,

Wat doet dat hi zoude becoren,

180 Alse God, dien alle dinck was kont,

Dat was oeck vorgeseght lange stont;

Ende Judas was ziner jongeren een,

Onses Heren drossate, alset wael sceen,

Ende plach te dragene dat men hem gaf.

185 Sinte Johan hi screef daer aff,

Dat dese zake waer was al,

Ende hi des den jongeren vele stal;

Maer dat Walsch zeghet, ende niet Latijn,

Dat die tiende daer af was zijn

190 Van allen, dat men gaf onsen Heer;

Daer af quam hem grote onneer,

Alse iu dat boeck wael zeggen sal,

Dat hierna nu volget al.

Waarom Onze Heer werd geboren.

 

Beide, vrouwen en mannen

Die hun geest zetten daaraan,

Dat ze de waarheid willen weten,

En beproeven dat God de profeten

55 Hier in het aardrijk voor zond,

Die voorzeiden met dat doel

Onze Heren komst in het aardrijk.

In die tijden zekerlijk,

Waar we nu van vertellen,

60 Zo voer dat volk alle tot de hel,

Alle profeten en patriarchen;

Hiervan mogen we allen merken

Dat de duivel alle te waren

Waande te hebben goed gevaren.

65 Dat ze de mensen hadden bedrogen;

[2] Maar de goede mochten zich verhogen,

Want ze op Onze Heer komst wachten.

Onze Heer ontfermde hun droefheid

En kwam in deze arme ellende;

70 Aan Maria die geen man bekende

Ontving hij menselijke gedaante;

Grote minne legde hij daaraan:

Om te verlossen de zondaar

Zo nam hij het vlees aan van haar

75 Zijn dochter werd zijn moeder;

Aldus werd hij onze broeder.

Dat was recht, want dat eerste wijf

Maakte de mens ellendig;

Hierom moest via een wijf

80 Die mens weer worden tot lijf;

Begrijp het goed, dat God heeft gezonden

Tot ons zijn enige kind;

Dat hebben we vaak vernomen.

Maria, door de Heilige Geest

85 Ontving hem met heiligheid;

Aldus rustte binnen haar leden

Alle tezamen de Drievuldigheid,

Dat is een volmaakte Godheid.

Aldus werd geboren van Maria

90 De zoon van God, dus moeten we belijden; Zonder smet en zonder zonde

Werd hij mens, zoals hij wel kon;

Dat was zeer grote ootmoed,

Dat hij storten wou zijn bloed

95 Vanwege dat handwerk van zijn vader, Zo werd de Drievoudigheid al tezamen. Hij maakte Adam, de eerste man, Die bij des duivels raad begon,

Zodat hij de eerste zonde deed

100 En bij Eva ‘s raad ook mee.

En toen ze zonde hadden gedaan,

Kwam hem een lust van vlees gelijk,

En worden van het grote goed,

Geworpen in de armoede,

105 In dit arme zwakke leven,

Daar groot geslacht van is gebleven;

En wat van hen werd geboren

Voer tot de hel en werd verloren;

Tot de tijd, dat Gods Zoon kwam,

110 En hij zijn handwerk aannam

Uit Lucifers kwade geweld.

Zoals ons dat Evangelie vertelt,

Werd hij te Betlehem geboren,

Dat Effrata heette daar te voren,

115 Van Maria zijn moeder;

Hiervan is die historie bekender

Die uit het Evangelie spreekt;

Hierom is 't dat het hier ontbreekt.

Onze Heer wandelde in achter land, te waren

120 En werd met zijn dertig jaren

Gedoopt hier in aardrijk

In de Jordaan geweldig

Van Sint Johannes de Doper;

Aldus werd Onze Heer een christen.

125 Dat alle die hem dopen deden

In de eer van de Drievuldigheid,

En hem dan hoeden wilden van zonden,

Zodat ze de niet van de duivel worden gevonden

130 Deze macht gaf God de klerken

Die meester zijn van de heilige kerk.

Aldus waste hij Adams zonden,

En dus verloor te die stonden

Lucifer al zijn geweld,

135 Daar hij de mens mee hield,

Tenzij dat hij zonde deed;

En God, die altijd Zijn genade

Tot de mens keert te alle stonden,

Want hij valt graag in zonden,

140 Zo heeft Hij een andere doop gezet, Als hij niet op zonden let,

Maar hij gaat te biechten gereed,

En doet dat hem zijn priester zegt;

Dus mag hij in dit aardrijk

145 Winnen wel dat hemelrijk.

Ook is dat bekend zonder waan,

Die het Evangelie nu verstaan,

Toen Jezus Christus ging in achter land,

Dat die van Rome ging in handen

150 Helemaal de wereld rond;

Hierom zo was terzelfder stond

Het Joden land in hun geweld;

Daar woonde er een die dat gerecht hield Te Jeruzalem en heet Pilatus,

155 En is het zoals het in het Waals staat,

Dan had hij in zijn manschappen

Een ridder waar we van bekennen

U zal er veel van horen hierna,

[3] En heet Joseph van Arimathea.

160 Maar dat hij zijn ridder iets was

Zeg ik niet dat ik het niet las

In andere historiën dan in deze;

De waarste die ik daarvan lees

Zegt, dat Pilatus was heiden,

165 En ook al de ridders van hem,

Die toen waren van zijn manschappen

Waren onbesneden lieden.

Joseph was Jood en erg rijk,

Hij zag Jezus zekerlijk

170 Doen menige tekens goed;

Dus minde hij hem in zijn gemoed,

Maar hij durfde dat niet te openbaren

Voor de andere Joden te waren.

Onze Heer had vijanden veel,

175 En weinig die hem gunden wel,

Want zijn jongeren daarvan een

Haatte hem, zoals het wel scheen;

Maar Jezus wist dat wel van tevoren,

Welke dood hij zou verkiezen,

180 Als God, die alle dingen was bekend,

Dat was ook voorzegd lange stond;

En Judas was van zijn jongeren een,

Onze Heers drost, zoals het wel scheen,

En plag te dragen dat men hem gaf.

185 Sint Johannes hij schreef daar af,

Dat deze zaak waar was al,

En hij van de jongeren veel stal;

Maar dat Waalse zegt het en niet Latijn,

Dat de tiende daarvan was van hem

190 Van alles, dat men gaf Onze Heer;

Daarvan kwam hem grote oneer,

Zoals u dat boek wel zeggen zal,

Dat hierna nu volgt al.

 

 

Hoe Judas Jhesum verkochte.

 

Thomaes zeghet waer by dat was,

195 Dat die verrader Judas

Sinen Here omme dertich penninge gaf;

Die Ewangeliste zeghet hier af;

Doe Jhesus' Cristus zat ende at

Ende Sancta Maria wiste dat,

200 Die was geheten Magdalene,

Si kochte diere zalve rene

Ende storte ze op Onses Heren hovet.

Judaes toernde daerombe, des gelovet,

Ende woude hebben zinen tiende,

205 Daer hi die Helle an verdiende.

Hi seide, alse Sancte Johan bescrivet:

"Hoe eest, dat men dese cost nu drivet?

Waer ombe is dese salve verloren?

Hadde mense verkocht te voren,

210 Ende hadde daermede dertich penninge genomen,

o waert den armen te hulpe komen".

Dit sprack hi, seide sancte Johan,

Niet dat hi sinen zin leide daeran,

Dat hi die armen iet hadde lief,

215 Maer omdat hi was een dief,

Ende hi die alemosen droech,

Daer hi te stelene af plach genoech.

Thomaes zeghet, dat hi was gram,

Dat men hem zinen tiende nam,

220 Die doe dertich penninge was waert;

Hier omme verkochte hi daer ter vaert

Sinen schepper ende zinen here

Om dertich penninge te siner onneren.

Darombe zeghet dat Walsche van der Wrake

225 Eene zeer logentlike zake,

Dat die penninge zonderlingen

Waren van goudenen ringen.

Die redene zi es al gelogen,

Ende die des gelovet, hi es bedrogen.

230 Hier latick oeck van den Walsche bliven,

Dat ick niet en wil bescriven

Judaes' gedinge, die hem verkochte,

Denselven Here, die hem gewrochte,

Wanten docht my niet waer;

235 Maer dat zegge ick wael openbaer,

Hi was verkocht opten Goensdach;

Des andren dages, die daerna gelach,

Des avendes was hi spade gegaen.

In Romans zach ick oeck staen,

240 Dat God met zinen jongeren sat,

Opten witten Donredach, ende at,

Te Symons hues, die lazarus was;

Maer dat es logene ende gedwas:

Symon woende in Bethania.

245 Oeck scrivet ons dat Walsch hierna,

Dat hi aldaer wart gevaen;

Want die 't dichte, hi haddet verstaen

Ende meende wael geweten dat,

Dat Symon woende in der stat.

4 250 Symon was, dat mogewy lesen,

Van syner laserheit genesen,

Lange eer Onse Here was gevaen;

Maer ick late die historie staen

Van den Romanse, ende telle iu voert

255 Der waren Ewangelien woert.

Eens witten donredages sat

Onse Here tener tafelen ende at,

Te sinen jongeren sprack hi met staden:

"Juwer een sal my verraden".

260 Doe waren si droevich, ende elck riep zeer:

"Bin ick dat? bin ick dat, lieve Heer?"

Doe sprack Judaes: "bin ick dat, rabbi?"

"Dat seghestu!" antworde hi.

Daer leerde hi mede den apostelen sine,

265 Van water, van brode, ende van wine

Synen lichaem maken ende zijn bloet,

Ende seyde: "zo wanneer gy dit doet,

So zult gy ember mijns gedinken".

Doe hi hem hadde gegeven drinken

270 Sijn bloet, ende doe si hadden gegeten,

Doe gingen zi ten berge tOliveten,

In enen wael schonen hof fijn,

Daer hi met den jongeren zijn

Dicke wile wanderde ende was.

275 Hoe wel wiste dat Judas;

Hi quam aldaer met ener schaer.

Die jongeren worden zeer in vaer,

Want Judas daer, ter zelver stont,

Jhesum cussede an zinen mont;

280 Dus verriet hi den Here zijn,

Dat cussen was dat littekijn;

Te dier stede wart, sonder waen,

Onse Here al te hant gevaen

Van den Joden lasterlike,

285 Ende si leiden hem dorperlike;

Dat was so spade, dat zi te samen

Met vackelen ende lanternen quamen,

Ende leiden hem in dat gedinge,

Daer die Joden saten tot eenen ringe,

290 Die alle rieden an synen hals;

Daer was menege logene valsch.

Des morgens brachten sine Pilaten,

Ende clageden over hem wtermaten.

Pylatus zeyde: "gy nemeten bet,

295 Ende ordelten na uwer wet".

"Neen, wy en mogen nieman doet slaen",

Spraken si. "So laet icken gaen",

Sprack Pilatus, "willick dan?"

"Neen, laetstu gaen desen man,

300 So en bistu des Keysers vrint niet wael,

Want hi seyde dese tael,

Dat hi der Joden koninck waer;

Dus wederseyde hi openbaer

305 Tiberius, sines zelves Heer".

Dit woert ontsach Pilatus zeer;

Al wasset hem leet, hi moeste nochtan

Jhesum, den onsculdegen man,

Doen gheselen, ende crucen mede,

310 Toten berge Calvarien ter stede.

Hoe Judas Jezus verkocht.

 

Thomas zegt het waarbij dat het was,

195 Dat de verrader Judas

Zijn Heer om dertig penningen gaf;

De Evangelist zegt hiervan;

Toen Jezus Christus zat en at

En Sint Maria wist dat,

200 Die was geheten Magdalena,

Ze kocht dure zalf rein

En stortte op Onze Heren hoofd.

Judas vertoornde daarom, dus geloof het, En wou hebben zijn tiende,

205 Daar hij de hel aan verdiende.

Hij zei, zoals Sint Johannes beschrijft:

"Hoe is het, dat men deze kost nu drijft?

Waarom is deze zalf verloren?

Had men ze verkocht tevoren,

210 En had daarmee dertig penningen genomen,

O, was het de armen te hulp gekomen".

Dit sprak hij, zei Sint Johannes,

Niet dat hij zijn zin legde daaraan,

Dat hij de armen iets had lief,

215 Maar omdat hij was een dief,

En hij de aalmoezen droeg,

Daar hij van plag te stelen genoeg.

Thomas zegt het, dat hij was gram,

Dat men hem zijn tienden nam,

220 Die toen dertig penningen was waard;

Hierom verkocht hij daar ter vaart

Zijn schepper en zijn heer

Om dertig penningen tot zijn oneer.

Daarom zegt dat Waalse van de Wraak

225 Een zeer leugenachtige zaak,

Dat die penningen bijzonderling

Waren van gouden ringen.

Die reden is alles gelogen,

En die het gelooft, hij is bedrogen.

230 Hier laat ik het ook van het Waals blijven,

Dat ik niet wil beschrijven

Judas gedingen die hem verkochten,

Dezelfde Heer, die zich wreekte,

Want dat leek me niet waar;

235 Maar dat zeg ik wel openbaar,

Hij was verkocht op de woensdag;

De volgende dag die daarna lag,

‘s Avonds was hij laat gegaan.

In Romeinen zag ik ook staan,

240 Dat God met zijn jongeren zat,

Op Witte Donderdag, en at,

Te Simons huis, die melaats was;

Maar dat is leugen en dwaas:

Simon woonde in Bethania.

245 Ook schrijft ons dat Waals hierna,

Dat hij aldaar werd gevangen;

Want die het dichtte, hij had dat verstaan En meende wel te weten dat,

Dat Simon woonde in die stad.

[4] 250 Simon was, dat mogen we lezen,

Van zijn melaatsheid genezen,

Lang eer Onze Heer was gevangen;

Maar ik laat die historie staan

Van de Romeinen, en vertel u voort

255 Het ware Evangelie woord.

Eens op Witte Donderdag zat

Onze Heer te ene tafel en at,

Tot zijn jongeren sprak hij met stade:

"Een van u zal mij verraden".

260 Toen waren ze droevig, en elk riep zeer:

"Ben ik dat? ben ik dat, lieve Heer?"

Toen sprak Judas: "ben ik dat, rabbi?"

"Dat zegt u!" antwoordde hij.

Daar leerde hij mede de apostelen van hem,

 265 Van water, van brood, en van wijn

Zijn lichaam maken en zijn bloed,

En zei: "zo wanneer gij dit doet,

Dan zal ge me immer gedenken".

Toen hij hen had gegeven te drinken

270 Zijn bloed, en toen ze hadden gegeten,

Toen gingen ze naar de Olijfberg,

In een wel mooie hof fijn,

Daar hij met de jongeren van hem

Vaak wel wandelde en was.

275 Hoe goed wist dat Judas;

Hij kwam aldaar met een schaar.

De jongeren worden zeer in gevaar,

Want Judas daar, terzelfder stond,

Jezus kuste aan zijn mond;

280 Dus veraadde hij de Heer van hem,

Dat kussen was dat teken;

Te die plaats waart, zonder waan,

Onze Heer direct gevangen

Van de Joden lasterlijk,

285 En ze leiden hem burgerlijk;

Dat was zo laat, zodat ze tezamen

Met fakkels en lantarens kwamen,

En leiden hem in dat geding,

Daar de Joden zaten in een ring,

290 Die allen aanraadden om zijn hals;

Daar was menige leugen vals.

‘s Morgens brachten zij hem bij Pilatus,

En klaagden over hem uitermate.

Pilatus zei: "gij neemt hem beter,

295 En beoordeel hem naar uw wet".

"Neen, wij mogen niemand dood slaan",

Spraken ze. "Dan laat ik hem gaan",

Sprak Pilatus, "wil ik hem dan?"

"Neen, laat u gaan deze man,

300 Dan bent u de keizers vriend niet goed,

Want hij zei deze taal,

Dat hij de Joden koning waar;

Dus weersprak hij openbaar

305 Tiberius, zijn eigen heer".

Dit woord ontzag Pilatus zeer;

Al was het hem leed, hij moest nochtans

Jezus, de onschuldige man,

Laten geselen, en kruisigen mede,

310 Tot de berg Calvarië ter plaatse.

 

 

Hoe God gecrucet wart, ende hoe die Helle tebrack.

 

Nu waren fel ende quaet die Joden

Ende onreine valsche roden:

Sine verrieden mede onsen Here,

Bydien meenden zi metten kere

315 Van synen dode onsculdech wesen.

Dor al dat wi van hem lesen,

Dat Pilatus was wael leet,

Riepenzi daer tegen gereet,

Beide meerre ende minder:

320 "Sijn bloet moete op onse kinder

Ende op ons allen gewroken zijn!"

Te dien tiden liet die zonne horen scijn,

Ende wert donker alse die nacht,

Ende die aerde bevede met groter kracht,

325 Ende die doden die verresen,

Die steene scheurden; ende binnen desen

Sprack een ridder die daer stont:

"Dit wert alder werelt kont,

"Dat dit die Godes Zone es".

330 Die Jode dien zere duchte des,

Die hiet Joseph van Aramathia;

Hi ginck tot Pilate daerna,

Want hi was ryke ende milde

Ende hadde onder hem tien schilde.

335 Hi was een jonger van Jhesu Criste,

Al wast dat des die Joden en wisten,

Hi hopede, datten God dancken soude,

Ende bat Pilatuse also houde,

5 Dat hi hem den doden gaf.

340 Pilatus daer oeck zeghet af

Dat Romans, dat hi hem gaf

Eenen nap, daer ick iu af

Hierna zal tellen wonder groet;

Dat was daer, vor sine doet,

345 Jhesus die eerste misse in sanck;

Dien gaf Pilatus daer ombe danck

Een Jode, diene aldaer gewan,

Daer Jhesus, die onnosel man,

Met zinen lieven jongeren sat,

350 Ten lesten etene, ende met hem at,

Eer hi te syner passien ginck.

Joseph was blide van desen dinck;

Hi quam, ende Nycodemus mede,

Daer Jhesus hinck terselver stede;

355 Si dadenen van den cruce zachte.

Een diere cleet, dat Joseph brachte,

Spreiden si vor hem aldaer,

Dat seghe ick iu al openbaer,

Daer men Jhesum sachte in want;

360 Een steenen graf hadden si te hant,

Dat Joseph hadde doen maken,

Daer groeven zi en, dit zijn waer zaken,

Jhesus, in een hof daerby.

Maer dat Romans seghet mi,

365 Dat Joseph nam Onses Heren bloet,

Dat wt synen wonden vloet,

Ende dat hi dat in dien nap dede,

Ende hieldet met groter werdichede.

Die Joden quamen toten rechter doe,

370 Ende zeiden: "Here, hoert ons toe:

Dese mare sprack dese drogenare,

Doe hi levede al openbare,

Dat hi soude sonder saghe

Verrijsen in den derden daghe;

375 Hier ombe doet hoeden zijn graf".

Pilatus zeide: "nu doet daeraf

Al dat iu dunket wesen goet".

Mettien hebben si dat graf behoet

Alombe met gewapenden lieden,

380 Nochtan mochtet hem luttel dieden.

Ende God voer hierna ter Hellen,

Daer hi verloste sine gesellen,

Die hem lieflick hadden gedient,

Adame ende ander sine vrient

385 Hi stont op an den derden dach,

So datten nymant en sach

Van den genen diene wachten;

Die Ingele quamen daer met crachten,

Ende diene hoeden worden in vaer;

390 Ende doe dat dach was openbaer,

Liepen si alle enwech mettien,

Ende zeiden wat si hadden gesien.

Doe die Joden dat vernamen

Waren si droevich; te samene zi quamen

395 Ende sochten te hant nuwen raet.

Nu hert wat in den Walsche staet;

Daer staet gescreven, dat zi zeiden,

Dat zise wouden vangen beide,

Joseph ende Nicodemus;

400 Ofte ieman vragede: "waer es Jhesus?"

So zouden zi antworden dan:

Gevet ons die selve man,

Diene leiden in dat graf.

Wy zeggen iu noch daer af,

405 Zi woudent doen aldaer met liste,

Dat men daer nemmer af en wiste; diep.

Maer Nicodemus hi ontliep,

Ende Joseph moeste in den kerker

Dat zeght dat Romans, dat hi daer ynne lagh,

410 Tot an denselven dach

Datten Vaspasianus wt dede;

Maer dat es altemale logene mede:

So zoude hi daerinne xlij iaer

Hebben gelegen, dat is waer;

415 Oeck zeghet dat Romans hier af,

Dat hi hem in den kerker gaf

Sinen nap, dien hi te voren

Ene stonde hadde verloren,

Ende leerde hem daer heimelike woert,

420 Die hi niet en woude brengen voert.

Dat Walsch scrivet, na mynen wane,

So zijn die woert daer noch ane,

Daer dat heilege sacrament an leghet,

Dat men in der stille zeghet;

425 Van den nappe mochtet waer wesen

Ende van den woerden; nu moetwy lesen

Van den personen die waerheit al,

Daer ick iu niet an liegen en sal,

Hoe gram dat joedsche volck doe was,

430 Beide Annas ende Cayfas,

6 Doe Joseph Jhesum hadde begraven,

Rikelike met diere haven,

Zi vingenen, zeghet die ware lesse,

Ende leiden hem in gevancknesse.

435 Daer lach hi tot in Paeschedach nachte,

Dat Gd opstont met zijnre crachte;

Doe quam hi aldaer Joseph lach

Ende tallereerst dat hi hem sach,

Meende hi dattet Elias waer;

440 Maer Jhesus dede al openbaer

Josepe daer die waerheit verstaen,

Dat hi dat was, al zonder waen,

Dien hi van den cruce dede;

Hi voerdene danen, dat es waerhede,

445 Wt den kerker beslotener dueren;

En wondert iu niet der aventueren,

Want God mach doen al dat Hi wille;

Hi voerdene wt den kerker stille

Al tote Aramathia;

450 Ende doe die Joden quamen daerna,

Ende zi hem doe niet en vonden,

Twivelden zi tenzelven stonden.

Doe quamen die wachters openbaer,

Ende zeiden, dat Jhesus verresen waer;

455 Die Joden zeiden: "gy zulten ons geven

So waer dat hi iu es ontbleven,

Of zo wat gy daermede hebbet gedaen".

Die wachters antworden saen:

"Gevet ons Josepe, dien gy vinget,

460 Wy geven in Jhesum, dien gy hinget;

Maer gy ne kondet en niet gewachten,

Hi ontginck iu by Godes krachten;

Wy en kondent Jhesum verbieden niet,

Hi stont op al sonder verdriet,

465 Als hi woude, van dode te live".

Doe antworden die kaytive:

"Segget dat hi iu was verstolen

Van sinen jongeren, so blivet verholen;

Wy zullen iu geven groten scat".

470 Si namen 't ghelt ende loveden dat;

Nochtan zeiden si dat openbaer

Pilatus, dat Jhesus verresen waer.

Was een Keyser, die hiet Tiberius,

475 Die daer die Keiser [was] van beginne;

Es dat als ick 't bescreven kinne,

So lach die Keiser ende qual,

Ende die fisiciene daden al

Daertoe, dat hem gehelpen mochte;

480 Nochtan hielten dat oevel onsochte,

Ende die fisike en halp hem niet.

Doe was daer een, die hem riet,

Dat hi zoude al te hant

Senden in der Joden lant

485 Ombe Jhesum van Nazarene,

Die alle oevele gemene

Met zinen woerden kan genesen,

Entie menschen gesont doet wesen

Sonder ienege arcedie;

490 Ende Tiberius, die Keiser vrie

Belovede wael al te hant das.

Eenen, die hem heimelic was,

Riep hi tot hem al te hant,

Daer hi hem van verren was bekant;

495 Diegene ginck tot hem aldaer,

Hi sendene in der Joden lant vorwaer

Ombe Jhesum, onsen scepper fijn;

Die bode gereide hem mettien

Ende voer doe tot in Syrien

500 Ombe Jhesum den vrien,

Dat hi quame van Jherusalem.

Pilatus was blide met hem,

Ende makede met hem grote gome.

Doe zeide die bode van Rome,

505 Waerombe hi daer komen waer.

Pilatus wart zere in vaer,

Ende zeide: "Jhesus, die es doet".

Des hadde den bode wonder groet,

Ende groten rouwe daerombe dreef,

510 Doe hi vereeste hoe dat hi doet bleef,

Ende datten Pilatus verdede;

Met groter overmoedichede

Leide hi op hem al den moert,

Dat hi zonder des Keysers woert,

515 Ende zonder recht der Senaet,

Hadde gedaen dese overdaet;

Want zulck een man mochte vele vromen

An dat keyserike van Romen.

Pilatus zeghet, ende hevet gesworen,

520 Dat hi des gerne hadde ontboren,

Maer dat die Joden met horen tongen

Op hem verriepen ende daertoe dwongen.

Dus claerde hi hem van den moert,

Ende gaf dat op die Joden voert.

7 525 Indien vertelde men daer den bode

Vele tekene groet van Gode,

Ende men zeide hem, zonder waen,

Doe sprack die bode: "men mach wel zien

530 Dat dit ne was geen visicien,

Maer hi was een geweldich God,

Die over den doet hadde gebot".

Den Joden teech hi daer al bloet,

Dat zi Gode hadden gedoet,

535 Ende zi en mochten hem niet ontsculden,

Ende hi zwoer, by der roemscher hulden,

Dat zi haer goet zouden verliesen

Ende quaden doet alle kiesen.

Die Joden waren [zere] in vaer,

540 Want zi hem kenden openbaer

Schuldech zere van der sonde;

Zi namen verste ene stonde,

Want zi hem beraden wouden,

Hoe zi hem ontsculden zouden.

545 Kinder, dit was ember waer,

Dat die Joden hadden vaer,

Hoe zi hem ontsculden mochten.

Hier binnen des boden vriende zochten,

Of zi van Jhesus iet mochten vinden

550 Onder degene die hem minden.

Doe vernamen zy van ener vrouwen,

Die onsen Here was getrouwe,

Want hi hadde dat wijf genesen

Van der bloetsucht, daer wy af lesen

555 Dat zi xviij iaer ane qual;

Si hadde een beelde, dat zi al

Gewonden te zamen hadde in een cleet.

Dat leet, nadat men weet,

Van gedane na onsen Here;

560 Daer ombe pijnde die bode zere,

Eer hi dat van der vrouwen gewan.

Hierenbinnen hebben die joedsche man

Hen beraden in haer gedochte,

Ende zeiden, dat niet wesen en mochte,

565 Dat men mochte doden Gode.

Dus latewy dat bliven van den bode

Ende van den Joden al den pleit;

Te lanc te tellen hier ter stede.

570 Die bode voer enwech, ende voerde mede

Ende brachte te Rome dat beelde.

Want eerst dat hi dat beelde sach,

575 Vloe van hem al zijn ongmack;

Doe liet hi halen al den Senaet,

Ende hiet hem, dat zi hoer toeverlaet

Alle souden zetten an dien God;

Maer zi ontseiden zijn gebot.

580 Des dade hi ze doden ende versenden

In verren landen ende in ellenden;

Nochtan en was hi kersten niet

Want die eerste kerstene keiser hiet

Philippus, ende dat was oeck daernaer

585 Over herde menech jaer.

Ombe dese dinck quam eerst die nijt

Op die Joden van langer tijt

Dat stont, eer God gewroken wart.

Nu lieget vele van deser vaert

590 Dat Dietsch van Onses Heren Wrake;

Want dat seghet, in ware sake,

Dat Titus diegene was,

Die by den beelde daer genas,

Ende dat Vaspasianus waer

595 Van Aquitanigen die koninck maer,

Ende dat Herodes, zonder waen,

Die die kinder doet dede slaen,

Leefde doe die roemsche Heren

Die Joden begonden onteren,

600 Ende hi hemselven oeck versloech,

Ende Archelaus crone droech,

Doe men wan die heilege stat;

Maer dat gelogen es al dat,

Wil ick proeven hier vorwaer:

605 Na des Heren geboerte myn dan drie jaer

Leefde Herodes diene woude verslaen;

Achte jaer oeck mede, zonder waen,

Ofte min droech Archelaus krone,

Na zinen vader te lone,

610 Ende hi starf oeck in ellenden;

Dus mach ment in Josephus vinden.

Oeck en es dat Romans

In die redene niet wel gans,

Dat zeghet, dat Vaspasiaen

615 Van lazerscepe hadde ontfaen

By den beelde zine gesonde,

Ende hi daerna in korter stonde

Onsen Here wrack algader,

Ende dat Titus was zijn vader.

8 620 Hierne sal ik iu proeven ter stede,

Dat dit algader gelogen es mede.

Hoe God gekruisigd werd en hoe de hel brak.

 

Nu waren fel en kwaad de Joden

En onreine valse groepen:

Ze verrieden mede Onze Heer,

Omdat ze meenden met een keer

315 Van zijn dood onschuldig te wezen.

Door alles dat we van hem lezen,

Dat het Pilatus wel was leed,

Riepen ze daartegen gereed,

Beide meer en minder:

320 "Zijn bloed moet op onze kinderen

En op ons allen gewroken zijn!"

In die tijden liet die zon haar schijn,

En het werd donker zoals de nacht,

En de aarde beefde met grote kracht,

325 En de doden die verrezen,

De stenen scheurden; en binnen deze

Sprak een ridder die daar stond:

"Dit wordt de hele wereld bekend,

"Dat dit Gods Zoon is".

330 De Jood die zeer vreesde ditdis,

Die heet Joseph van Aramathia;

Hij ging tot Pilatus daarna,

Want hij was rijk en mild

En had onder hem tien schilden.

335 Hij was een jongere van Jezus Christus,

Al was het dat dit de Joden wisten,

Hij hoopte, dat God hem bedanken zou,

En bad Pilatus alzo te houden,

(5] Dat hij hem de doden gaf.

340 Pilatus daar ook zegt van

De Romeinen, dat hij hem gaf

Een nap, daar ik u van

Hierna zal vertellen een wonder groot;

Dat was daar, voor zijn dood,

345 Jezus die eerste mis in zong;

Die gaf Pilatus daarom dank

Een Jood, die hem aldaar won,

Daar Jezus, die onschuldige man,

Met zijn lieve jongeren zat,

350 Tenslotte eet, en met hen at,

Eer hij tot zijn lijden ging.

Joseph was blij met dit ding;

Hij kwam, en Nicodemus mede,

Daar Jezus hing terzelfder stede;

355 Ze deden hem van het kruis zacht.

Een duur kleed, dat Joseph bracht,

Spreiden ze voor hem aldaar,

Dat zeg ik u al openbaar,

Daar men Jezus zacht in wond;

360 Een stenen graf hadden ze gelijk,

Dat Joseph had laten maken,

Daar begroeven ze hem, dit zijn ware zaken,

Jezus, in een hof daarbij.

Maar de Romeinen zegt mij,

365 Dat Joseph nam Onze Heren bloed,

Dat uit zijn wonden vloeit,

En dat hij dat in die nap deed,

En hield het met grote waardigheid.

De Joden kwamen tot de rechter toen,

370 En zeiden: "Heer, hoor ons toe:

Dit bericht sprak deze bedrieger,

Toen hij leefde al openbaar,

Dat hij zou zonder sage

Verrijzen in de derde dag;

375 Hierom laat u behoeden zijn graf".

Pilatus zei: "nu doe daarvan

Alles dat u denkt te wezen goed".

Meteen hebben ze dat graf behoed

Alom met gewapende lieden,

380 Nochtans mocht het hen weinig beduiden. En God voer hierna ter hel,

Daar hij verloste zijn gezellen,

Die hem lieflijk hadden gediend,

Adam en anderen zijn vrienden

385 Hij stond op de derde dag,

Zodat niemand het zag

Van diegene die hem bewaakten;

De engelen kwamen daar met krachten,

En die hem behoeden worden in gevaar;

390 En toen het dag was openbaar,

Liepen ze alle weg meteen,

En zeiden wat ze hadden gezien.

Toen de Joden dat vernamen

Waren ze droevig; tezamen ze kwamen

395 En zochten gelijk nieuwe raad.

Nu hoor wat in het Waals staat;

Daar staat geschreven, dat ze zeiden,

Dat ze hen wilden vangen beide,

Joseph en Nicodemus;

400 Als iemand vroeg: "waar is Jezus?"

Zo zouden ze antwoorden dan:

Geef ons diezelfde man,

Die hem legde in dat graf.

Wij zeggen u noch daarvan,

405 Ze wilden het doen aldaar met list,

Zodat men daar nimmer van wist; diep

Maar Nicodemus hij ontkwam,

En Joseph moest in de kerker

Dat zeggen Romeinen, dat hij daarin lag,

 

 

410 Tot aan dezelfde dag

Dat Vespasianus hem er uit deed;

Maar dat is allemaal leugen mede:

Dan zou hij daarin zijn 42 jaar

Hebben gelegen, dat is waar;

415 Ook zegt Romeinen hier van,

Dat hij hem in de kerker gaf

Zijn nap, die hij tevoren

Een tijdje had verloren,

En leerde hem daar heimelijke woorden,

420 Die hij niet wou brengen voort.

Dat Waals schrijft, naar mijn mening,

Zo zijn die woorden daar nog aan,

Daar dat heilige sacrament aan ligt,

Dat men in stilte zegt;

425 Van de nap mocht het waar wezen

En van de woorden; nu moeten we lezen

 

Van de personen de waarheid al,

Daar ik u niets van liegen zal,

Hoe gram dat Joodse volk toen was,

430 Beide Annas en Cayfas,

(6] Toen Joseph Jezus had begraven,

Rijkelijk met dure gaven,

Ze vingen hem, zegt de ware les,

En legden hem in gevangenis.

435 Daar lag hij tot in Paasdag nacht,

 

Dat God opstond met zijn kracht;

Toen kwam hij aldaar Joseph lag

En ten allereerste dat hij hem zag,

Meende hij dat het Elias was;

440 Maar Jezus liet al openbaar

Joseph daar de waarheid verstaan,

Dat hij dat was, al zonder waan,

Die hij van het kruis deed;

Hij voer er vandaan, dat is waarheid,

445 Uit de kerker besloten deuren;

En verwondert u niet de avonturen,

Want God mag doen al dat Hij wil;

Hij voerde hem uit de kerker stil

Al tot Aramathia;

450 En toen die Joden kwamen daarna,

En ze hem toen niet vonden,

Twijfelden ze dezelfde stonde.

Toen kwamen die wachters openbaar,

En zeiden, dat Jezus verrezen waar;

455 De Joden zeiden: "ge zal hem ons geven

Zo waar dat hij u is ontsnapt,

Of zo wat ge daarmee hebt gedaan".

Die wachters antwoorden gelijk:

"Geef ons Joseph, die gij ving,

460 Wij geven u Jezus, die gij hing;

Maar ge kan het niet verwachten,

Hij ontging u bij Gods krachten;

Wij konden het Jezus verbieden niet,

Hij stond op al zonder verdriet,

465 Zoals hij wilde, van dood tot leven".

Toen antwoorden die ellendigen:

"Zeg het dat hij u was gestolen

Van zijn jongeren, zo blijft het verborgen;

Wij zullen u geven een grote schat".

470 Ze namen 't geld en beloofden dat;

Nochtans zeiden dat openbaar

Pilatus, dat Jezus verrezen was.

Er was een keizer, die heet Tiberius,

475 Die daar de keizer was van het begin;

Is dat zoals ik 't beschreven ken,

Zo lag die keizer aan een kwaal,

En de geneesheren deden al

Daartoe, dat hem helpen mocht;

480 Nochtans behield hij dat euvel hard,

En de geneesheer hielp hem niet.

Toen was er een, die hem aanraadde,

Dat hij zou al gelijk

Zenden in het Joden land

485 Om Jezus van Nazarene,

Die alle euvels algemeen

Met zijn woorden kan genezen,

En de mens gezond laat wezen

Zonder enige geneesmiddel;

490 En Tiberius, de keizer vrij

Beloofde wel gelijk dat.

Een, die hem vertrouwd was,

Riep hij tot hem al gelijk,

Daar hij hem van ver was bekend;

495 Diegene ging tot hem aldaar,

Hij zond hem in het Joden land voorwaar

Om Jezus, onze schepper fijn;

Die bode bereidde zich meteen

En voer toen tot in Syrië

500 Om Jezus de vriend,

Dat hij kwam van Jeruzalem.

Pilatus was blij met hem,

En maakte hem grote eer.

Toen zei de bode van Rome,

505 Waarom hij daar gekomen waar.

Pilatus werd zeer in gevaar,

En zei: "Jezus, die is dood".

Dus had de bode verwondering groot,

En grote rouw daarom dreef,

510 Toen hij hoorde hoe dat hij dood bleef, En dat Pilatus hem verdeed

Met grote overmoedigheid

Legde hij op hem geheel deze moord,

Dat hij zonder keizers woord,

515 En zonder recht van de senaat,

Had gedaan deze overdaad;

Want zo’n man mocht veel voordeel doen

Aan dat keizerrijk van Rome.

Pilatus zegt het, en heeft gezworen,

520 Dat hij dit graag had ontbeerd

Maar dat de Joden met hun tongen

Op hem riepen en daartoe dwongen.

Dus zuiverde hij hem van de moord,

En gaf dat op de Joden voort.

[7] 525 Dan vertelde men daar de bode

Veel tekens groot van God,

En men zei hem, zonder waan,

Toen sprak de bode: "men mag wel zien

530 Dat dit was geen geneesheer,

Maar hij was een geweldige God,

Die over de dood had gebod".

De Joden rekende hij daar al bloot,

Dat ze God hadden gedood,

535 En ze mochten zich niet verontschuldigen,

En hij zwoer, bij de Roomse hulde,

Dat ze hun goed zouden verliezen

En kwade dood alle kiezen.

Die Joden waren zeer in gevaar,

540 Want ze bekenden hen openbaar

Schuldig zeer van de zonde;

Ze namen uitstel een stonde,

Want ze zich beraden wilden,

Hoe ze zich verontschuldigen zouden.

545 Kinderen, dit was immer waar,

Dat de Joden hadden gevaar,

Hoe ze zich verontschuldigen mochten.

Hierbinnen bij de boden vrienden ze zochten,

Of ze van Jezus iets mochten vinden

550 Onder diegene die hem minden.

Toen vernamen ze van een vrouw,

Die Onze Heer was trouw,

Want hij had die vrouw genezen

Van de bloedziekte, waar we van lezen

555 Daar ze 18 jaar aan leed;

Ze had een beeld, dat ze geheel

Gewonden tezamen had in een kleed.

Dat leek, naar dat men weet,

Van gedaante naar Onze Heer;

560 Daarom dacht die bode zeer,

Eer hij dat van de vrouw won.

Hierna hebben die Joodse mannen

Zich beraden in hun gedachte,

En zeiden, dat het niet wezen mocht,

565 Dat men mocht doden God.

Dus laten we dat blijven van de bode

En van de Joden het hele pleit;

Te lang te vertellen hier ter plaatse.

570 Die bode voor weg, en voerde het mede

En bracht te Rome dat beeld.

Want ten eerste dat hij dat beeld zag,

575 Vloog van hem al zijn ongemak;

Toen liet hij halen de hele senaat,

En zei hen, dat ze hun toeverlaat

Alle zouden zetten aan die God;

Maar ze ontzeiden zijn gebod.

580 Dus liet hij ze doden en zenden

In verre landen en in ellenden;

Nochtans was hij christen niet

Want de eerste christen keizer heette

Filippus, en dat was ook daarna

585 Na zeer veel jaar.

Vanwege dit ding kwam eerst de nijd

Op de Joden van lang geleden

Dat stond, eer God gewroken werd.

Nu lieg veel van deze vaart

590 Dat Dietse van Onze Heren wraak;

Want dat zegt, in ware zaak,

 

 

 

Dat Titus diegene was,

Die via het beeld daar genas,

En dat Vespasianus waar

595 Van Aquitanië de koning maar,

En dat Herodes, zonder waan,

Die de kinderen dood liet slaan,

Leefde toen de Roomse heren

Die de Joden begon te onteren,

600 En hij zichzelf ook versloeg,

En Archelaus de kroon droeg,

Toen men won de heilige plaats;

Maar dat gelogen is al dat,

Wil ik bewijzen hier voorwaar:

605 Na de Heer geboorte minder dan drie jaar

Leefde Herodes die hem wilde verslaan;

Acht jaar ook mede, zonder waan,

Of minder droeg Archelaus de kroon,

Na zijn vader te loon,

610 En hij stierf ook in ellende;

Aldus mag men het in Josephus vinden.

Ook is dat Romeinen

In die reden niet goed geheel,

Dat zegt dat Vespasianus

615 Van melaatsheid had ontvangen

Bij het beeld zijn gezondheid,

En hij daarna in korte stonde

Onze Heer wreekte allemaal,

En dat Titus was zijn vader.

[8] 620 Hierna zal ik u bewijzen ter stede,

Dat dit allemaal gelogen is mede.

 

 

Hoe God gewroken wart van Tytus ende van Vaspasianus.

 

Die aventure zeghet hier naer,

Dat leet wael xlij jaer,

Van dat gemarteret was Jhesus,

625 Aldus bescrivet Josephus,

Die was doe binnen Jherusalem,

Dat Titus lach, ende met hem

Dat roemsche heer, voer der stede,

Eer God die wrake komen dede.

630 Hi gaf den Joden tijt ende stonde,

Dat si beteren mochten hoer sonde,

Die si an Jhesum hadden gedaen;

Maer zi en wouden, zonder waen.

Hier ombe dade Onse Here wreken

635 Over hem hoer valsche treken

Ende al der heileger liede bloet.

Dat joedsche volck was al verwoet,

Want si alle versamelt waren

Op den Paeschen, zonder sparen,

640 Tot Jherusalem in der stede;

Want zi wouden, na haren sede

..........

..........

Die my verkochte ombe goet,

955 Ende hi met my ter tafelen zat;

Doe ginck hy heen zinen pat,

Ende nembermeer was hi met my.

Mine apostelen doe deden zy

Eenen anderen in sine stede.

960 Nu zalstu gedencken mede

Der tafelen, daer ick toe sat;

Dor die ere, dat ick daer op at,

So zalstu ene ander tafel zetten,

Ende roepet Broen sonder letten,

965 Dinen zwager, die een goetman es,

Ende zine kinder, des zijt gewes,

Sijn goet ende oeck ander mede

Sal hi winnen hier ter stede,

Die men goet zal bekinnen;

970 Sech hem, dat hi ga met mynnen

Daer du hem wises een rivier,

Ende vange enen visch wael scier,

Ende dat hi brenge den eersten visch;

Als hi enwech es, gerede dinen disch,

975 Ende decken ende neem dit vat,

Ende in midden der tafelen zet dat,

Ende deck dat met enen clede;

Dan so neem den visch gerede,

Ende leggen den vate by;

980 Dan roep dijn volck, waer dat sy,

Ende zech, zi zullen weten saen,

Wie van hem allen hevet mesdaen;

Dan zalstu in mynen name zitten

Alzo als ick opten witten

985 Donredage ter tafelen zat.

Neem Broen ende merke dat

Wie hem daer achter trecken zal;

Als dat volck es geseten al,

Sal daer bliven een idele stat,

990 Ende die zal bedieden dat,

Dat Judaes zine stat verloes;

Die stat zal idel bliven altoes,

Tote dat Broens zone hevet een kint,

Die die stat met rechte wint;

995 Ende alse dan Broen geseten es,

So doe dan kondich dinen volke des,

Wat manne dat hi es die gone

Die an den Vader ende an den Zone

Gelovet ende an den Heilghen Geest;

1000 Ende die dan gedaen hevet meest,

Dat ick met di met mynen monde

9 Hem geboet, hi come ter stonde

Ende zitte ende neme die gracie

Totter tafelen sonder tribulacie.

1005 Recht alse hem Onse Here hiet

Dede Joseph ende anders niet;

Hi zat ter tafelen ende Broen;

Ende alzo hiet hi den anderen doen.

Een groot deel zat daer neder,

1010 Maer vele meer keerde daer weder,

Die totter tafelen niet en quamen.

Doe zi vervullet was altezamen

Sonder die stat die idel bleef,

Daer ick iu te voren af screef,

1015 Die tusschen Broen ende Josepe lach

Die so idel bleef wel menegen dach.

Doe die liede, die daer zaten

Te Josepes tafelen ende aten,

Vernamen der groter soetecheit,

1020 Ende si worden vervullet gereit

Van al dat haer herte woude

Ende hadden al vergeten boude

Der anderen, die daer niet en zaten;

Doe sprack een van dien die daer aten

1025 Tot dengenen die daer stonden;

Hi vraechde hem of zy iet konden

Gevoelen des si hadden daer;

Si zeiden: "neen wy, niet een haer".

Peter hiet hi, die des vraechde;

1030 Hoe wel hem des woerdes behaechde,

Hi zeide doe: "nu moochdy verstaen,

Dat gy die zonde hebbet gedaen,

Daer gy Josepe ombe vraget;

Herde oevele hem dat woert behaget;

1035 Si scaemden hem ende gingen wt

Haerder een meende noch overluet

Noch wel gebeteren zijn leven;

Ende diegene es noch daer gebleven

Hi en woude nergen gaan.

1040 Doe die dienst was al gedaen,

Doe hiet Joseph daer elken bi namen,

Dat zi daer alle dage quamen

Ombe die gracie te ontfane.

Doe gingen zi allegader dane,

1045 Daer die ander liede waren.

Dus kende Joseph die sondaren

By der kracht van Onsen Heer,

Ende dit was noch min noch meer

Dan van den vate die eerste proevinge;

1050 Dit zijn doch wonderlike dinge.

Ende welke tijt dat was die getyde

Gingen zi daer in alle wel blyde,

Ende degene die daerin niet quamen

Vraechden, wat zi daer vernamen;

1055 Si zeiden: "dat en mach tongevertellen,

Noch herte gedichten noch verspellen

Onse grote blijtscap, dat es waer,

Die wile dat wi sitten daer,

Ende alse wy opstaen dueret soe

1060 Tote des anderen morgens vroe".

Si vraechden: "wanen mach dat iu komen

Die gracie, die men genomen

Noch vulprysen niet en kan?"

Peter sprack, die goede man:

1065 "Die Here gevet ons gevoech,

Die Josepe wt den kerker droech".

Si zeiden: "wat mach zijn dat vat?

Wy en zagen nie te voren dat".

Peter sprack: "dat hevet versceden

1070 Die gezelscap van ons beiden;

Want dat en laet in zijn covent

Negenen sonder ongescent;

Dat moget gy nu wel bekinnen;

Maer zegget wat gy [voeldet] van binnen

1075 Doe Joseph iu daerin sitten hiet?"

Ende zeiden si en wistens niet.

Degene zeide: "gy moget mede

Merken wel wie sonde dede

Daer wi die pine af ontfaen".

1080 Die ander zeide: "wy moeten gaen,

Ende rumen dat lant gelijck keytiven;

Maer waer latewi iu bliven?

Wat zulwy zeggen, of men ons vraget,

"Segget, dat ghy ons achterst zaget,

1085 Ende lyet mede in der genaden

Der Drivoudicheit, die ons beraden

Ende helpen zal wt alre scout

Ende in den gelove dat Joseph hout".

Die quade zeiden: "wi gaen onser strate;

1090 Wat mogewy zeggen van den vate?

Hoe zulwy dat heten waer wy gaen?"

Hi zeide: "dat vat, daer wy af ontfaen

Hebben gracie ende joye,

10 Ende dat wy leven sonder vernoye,

1095 Daer wy af eten dat soete mael,

Dat sal van genaden hieten die Grael,

Dat het dengenen so wel gereit

Die hem in sine geselscap meit.

So grote blijtscap hebbewy te dische

1100 Dat ons te moede es alse vische

Die in enen groten vloet saen

Des menschen handen zijn ontgaen".

Die quade seiden: "met rechte ende wale

Hevet dat den name van den Grale;

1105 Dus zulwi dat hieten waer wy gaen".

Ende die daer bleven, sonder waen,

Seiden Josepe dat hiete also.

Des was Joseph herde vro;

Ende welke tijt dat tercietijt was

1110 So plagen die goede das,

Dat zi dan seiden sonder hale:

"Gawy totten dienste van den Grale".

Dus was die Grael dat selve vat,

Daer God zijn leste mael wt at

1115 Vor dat hi zine pine doechde,

Daer hi ons allen mede verhoechde,

Ende hier ombe zo heet altemale

 Dit boek die Historie van den Grale.

Hoe God gewroken werd van Titus en van Vespasianus.

 

Het verhaal zegt het hierna,

Dat geleden was wel 42 jaar,

Na dat gemarteld was Jezus,

625 Aldus beschrijft Josephus,

Die was toen binnen Jeruzalem,

Daar Titus lag, en met hem

Dat Romeinse leger, voor de stad,

Eer God de wraak komen deed.

630 Hij gaf de Joden tijd en stonde,

Dat ze verbeteren mochten hun zonde,

Die ze aan Jezus hadden gedaan;

Maar ze niet wilden, zonder waan.

Hierom deed Onze Heer wreken

635 Over hem hun valse streken

En alle heilige lieden bloot.

Dat Joodse volk was geheel verwoed,

Want ze allen verzameld waren

Op Pasen, zonder sparen,

640 Te Jeruzalem in die stede;

Want ze wilden, naar hun zede

..........

..........

Die mij verkocht om goed,

955 En hij met mij ter tafel zat;

Toen ging hij heen zijn pad,

En nimmermeer was hij met mij.

Mijn apostelen en toen deden zij

Een andere in zijn plaats.

960 Nu zal u denken mede

De tafel, daar ik aan zat;

Door de eer, dat ik daarop at,

Zo zal u een andere tafel zetten,

En roep Broen zonder letten,

965 Uw zwager, die een goede man is,

En zijn kinderen, dus zij gewis,

Zijn goed en ook andere mede

Zal hij winnen hier ter stede,

Die men goed zal bekennen;

970 Zeg hem, dat hij gaat met minnen

Daar u hem wijst een rivier,

En vang een vis erg snel,

En dat hij brengt de eerste vis;

Als hij weg is, bereid uw dis,

975 En dek het en neem dit vat,

En in het midden van de tafel zet dat,

En bedek dat met een kleed;

Dan zo neem de vis gereed,

En leg het vat erbij;

980 Dan roep uw volk, waar dat is,

En zeg, ze zullen het weten samen,

Wie van hen allen heeft misdaan;

Dan zal u in mijn naam zitten

Alzo als ik op de Witte

985 Donderdag ter tafel zat.

Neem Broen en merk dat

Wie zich achteruit trekken zal;

Als dat volk gezeten is al,

Zal daar blijven een lege plaats,

990 En die zal betekenen dat,

Dat Judas zijn plaats verloor;

Die plaats zal leeg blijven altijd,

Totdat Broens zoon heeft een kind,

Die de plaats met recht wint;

995 En als dan Broen gezeten is,

Laat dan uw volk verkondig dit,

Welke man dat hij is diegene

Die aan de Vader en aan de Zoon

Gelooft en aan de Heilige Geest;

1000 En die dan gedaan heeft meest,

Dat ik met die met mijn mond

[9] Hem gebood, hij komt ter stonde

En zit en neemt de genade

Tot de tafel zonder rampen.

1005 Recht zoals hem Onze Heer zei

Deed Joseph en anders niet;

Hij zat ter tafel en Broen;

En alzo zei hij de anderen te doen.

Een groot deel zat daar neder,

1010 Maar veel meer keerden daar weer,

Die tot de tafel niet kwamen.

Toen ze gevuld was al tezamen

Uitgezonderd de plaats die leeg bleef,

Daar ik u te voren van schreef,

1015 Die tussen Broen en Joseph lag

Die zo leeg bleef wel menige dag.

Toen de lieden, die daar zaten

Te Joseph‘s tafel en aten,

Vernamen de grote lieflijkheid,

1020 En ze worden vervuld gereed

Van al dat hun hart wou

En hadden geheel vergeten onbeschroomd

De anderen die daar niet zaten;

Toen sprak een van die daar aten

1025 Tot diegenen die daar stonden;

Hij vroeg zich al of zij iets konden

Voelen dat ze hadden daar;

Ze zeiden: "neen wij niet een haar".

Petrus heette hij, die aldus vroeg;

1030 Hoe goed hem het woord behaagde,

Hij zei toen: "nu mag u verstaan,

Dat ge de zonde hebt gedaan,

Daar ge Joseph om vraagt;

Erg kwaad hen dat woord behaagt;

1035 Ze schaamden zich en gingen uit

Daar een meende noch overluid

Nog wel te verbeteren zijn leven;

En diegene is nog daar gebleven

Hij wilde nergens gaan.

1040 Toen die dienst was geheel gedaan,

Toen noemde Joseph daar elk bij de naam, Dat ze daar alle dagen kwamen

Om die genade te ontvangen.

Toen gingen ze er allen vandaan,

1045 Daar de andere lieden waren.

Zo herkende Joseph de zondaren

Met de kracht van Onze Heer,

En dit was min of meer

Dan van het vat de eerste beproeving;

1050 Dit zijn toch wonderlijke dingen.

En welke tijd dat waten de getijden

Gingen ze daarin alle wel blijde,

En diegene die daarin niet kwamen

Vroegen, wat ze daar vernamen;

1055 Ze zeiden: "dat kan men niet vertellen,

Nog erg gedichten noch voorspellen

Onze grote blijdschap, dat is waar,

De tijd dat we zitten daar,

En als we opstaan duurt het zo

1060 Tot de volgende morgen vroeg".

Ze vroegen: "waarvan mag het u komen

De genade, die men noemen

Nog en niet volprijzen kan?"

Petrus sprak, die goede man:

1065 "Die Heer geeft ons genoegen,

Die Joseph uit de kerker droeg".

Ze zeiden: "wat mag zijn dat vat?

We zagen niet te voren dat".

Petrus sprak: "dat heeft gescheiden

1070 Het gezelschap van ons beiden;

Want dat het laat in zijn convent

Nee geen zonder schande;

Dat mag ge nu wel bekennen;

Maar zeg  wat ge voelt van binnen

1075 Toen Joseph u daarin te zitten zei?”

Ze zeiden ze wisten het niet.

Diegene zei: "ge mag het mede

Merken goed wie zonde deed

Daar we de pijn van ontvangen".

1080 De ander zei: "we moeten gaan,

En ruimen dat land gelijk ellendige;

Maar waar laten we u blijven?

Wat zullen we zeggen, als men ons vraagt, "Zeg, het dat ge ons laatst zag,

1085 En belij mede in de genade

De Drievuldigheid, die ons beraden

En helpen zal uit alle schuld

En in het geloof dat Joseph houdt".

De kwade zei: "we gaan onze straat;

1090 Wat mogen we zeggen van het vat? Hoe zullen we dat noemen waar we gaan?"

Hij zei: "dat vat daar we van ontvangen

Hebben genade en vreugde,

[10] En dat we leven zonder verdriet,

1095 Daar we van eten dat zoete maal,

Dat zal van genade heten de Graal,

Dat het diegenen zo goed bereid

Die hem in zijn gezelschap ontmoet.

Zo grote blijdschap hebben we te dis

1100 Dat het ons te moede is als een vis

Die in een grote vloed gelijk

De mensen handen zijn ontgaan".

Die kwade zei: "met recht wel

Heeft dat de naam van de Graal;

1105 Dus zullen we dat zo noemen waar we gaan".

En die daar bleven, zonder waan,

Zeiden Joseph dat het heette alzo.

Dus was Joseph zeer vrolijk;

En welke tijd dat het 9 uur was

1110 Zo deden die goede dat,

Dat ze dan zeiden zonder haal

"Gaan we tot de dienst van de Graal".

Dus was de Graal datzelfde vat,

Daar God zijn laatste maal uit at

1115 Voordat hij zijn pijn gedoogde,

Daar hij ons allen mee verhoogde,

En hierom zo heet het allemaal

Dit boek de Historie van de Graal.

 

 

Van Moyses ende van der ydeler stat die tuschen Josep ende Brone was.

 

Totten tiden dat zi verschieden

1120 Die quade van den goeden lieden,

Was daer een die Moyses hiet,

Ende hi en woude altoes niet

Dat geselscap laten van den Grale.

Hi was geraket in zine tale

1125 Ende ter werelt herde vroet

Ende van buten sceen hi goet;

Hi zeide: "ic en scheide niet hen

Want ic in den wille ben

Te wesene met desen volke goet,

1130 Dat God met Sijnre genaden voet".

Hi weende ende dreef misbaer,

Alse of dat hem wel leet waer,

Ende bleef daer met Josepes lieden,

Ende die ander doe danen schieden,

1135 Welker tijt dat hi der eenen zach,

Riep hi ember: "owi, o wach!

Soete vrint, bidde vor my

Dat mi Joseph genadec zy

Dat ik die gracie hebben moete

1140 Die iu aldus zere es zoete".

Dit riep hi in dier gebaer

Oftet hem in ernste waer

So lange bat hi des den lieden

Dat zi hem daerop berieden

1145 Te biddene Josepe ombe Moyses,

So zere ontfermede hem des,

Zi namen Moyses met hem allen

Ende gingen tote Josepe vallen,

Ende genade bidden altezamen.

1150 Josepe wonderde waerombe zi quamen,

Ende zeide: "zegget, wat gy begert".

Zi zeiden: hoert, here, herwert:

Een groot deel van onsen lieden,

Die met ons van den Joden schieden,

1155 Zijn gegaen hoerre strate

Seder dat wi van dinen vate

Die gracie eerstwerf ontfingen;

Nu es hier een, in waren dingen,

Die hetet Moyses, als wy scouwen,

1160 Dien zere zine sonden rouwen;

Hi en wille ons nu niet laten,

Hi biddet ons allen wtermaten,

Dat dijn covent tot dy gae

Ende bidde, dat hi mede ontfae

1165 Die gracie, die ons gevet dijn vat;

Here, nu biddewy iu alle dat

Dit dijn wille moete wesen".

Josep antwoerde tot desen:

"Die gracie en es niet mijn;

1170 Maer die hemelsche drochtijn

Gevet ze, daer 't Hem dunket goet,

Dat es dengenen, die hoeren moet

Totten dogeden zetten altoes;

Maer es dese in dat herte loes

1175 Ende hi hem buten maket scone

So vruchte ick dat hi my hone;

Hierombe ben ick een deel gevreest,

Maer hi hoent hem zelven meest,

Es dat hi ons wil bedriegen".

1180 "Neen", zeiden zi, "kan dese man liegen

Zone gelovewy man nimmermeer,

Maer doet dat doer God, lieve Heer,

Ende laeten in der genaden wesen!"

11 Joseph sprack: "provet an desen,

1185 Of hi zulck zij als hi ons toent,

Dat hi hemselven niet en hoent;

Ick sal vor hem ende vor iu

Onsen Here bidden nu".

Syne gesellen ende Moyes

1190 Seiden: "Here, God loen iu des!"

Vor die scotele, die men heet den Grael,

Ginck Joseph allene staen,

Totter erden zeech hi neder zaen

Op ellenbogen ende op knien

1195 Ende bat onsen Here met dien,

Dat Hi hem daer makede openbaer

Ofte Moyses al zulck waer

Alse hy buten togede wale?

Doe sprack van den heilgen Grale

1200 Eene stemme ende zeide:

"Nu is komen die waerheide,

Daer ick iu af zeide hier te voren

Du zals zien die stede koren

Die tusschen Broen es ende dy:

1205 Ombe Moyses biddes du my;

Menestu, dat hi is zulck man

Als hi buten togen kan,

Gy ende uwe gesellen gaet

Ter tafelen zitten, dat is mijn raet,

1210 Wan dat is tercietijt;

Doet Moyses komen, daer gy zijt,

Ende zegget oft hi mynnet alremeest

Die gracie van den heilgen Gheest,

1215 So ga hi dan zitten zonder waen

In die idele stede beneven dy,

Daer zalstu zien wael wat hi zij".

Also alzet hem Onse Here hiet,

Dede Joseph, ende anders niet.

1220 Hi quam weder te zinen gesellen,

Ende