Jacob van Maerlant; historie van den grale.

 

1 Alle de gene die dese tale

Horen willen van den Grale,

Wanen dat hi eersten quam,

Als ick in den Walsche vernam

5 So zal ickt dichten in dietsche woert;

Ick en zalt niet laten doer hoer voert

Die benyden mijn gedichte;

Want doch alle quade wichte

Toter doghet dragen altoes nijt.

10 Hier omme so wil ick in aller tijt

Dat doen dat si my benyden

Dus sullen si vele te min verblyden

Alse si van my dan horen tale.

Dese historie van den Grale

15 Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,

Den Heer van Vorne, wael met rechte;

Want hoge liede met hoger historie

Menechfouden zoecken hoer glorie

Ende korten daer mede hoer tijt.

20 Ick wille dat gy des zeker zijt,

Dat ick die historie vele valsch

Gevonden hebbe in dat Walsch,

Daer si van Gode, Onsen Here, sprack

Datten dat volck van Rome wrack;

25 Daer ombe merket dese zake:

Een dichte van Onses Heren wrake

Leset men, dat is wyde becant,

Ende makede een pape in Vlaenderlant;

Dat seghet dat boeck in sijn beginne;

30 Maer ick wane in mynen sinne,

Dat [een] pape dat niet en dichte,

Want men mochte gescriven lichte

Hoe vollick dat gelogen zij;

Ende dat sal ick iu proven waer by

35 In der historie die koemt hier naer.

Ende nu biddick, dat is waer,

Jacob, die coster van Maerlant,

Dien gy te voren hebbet becant

In des konincx Alexanders Jeesten,

40 Dat gy biddet, dat hi volleesten

Moete dat hi hevet begonnen,

Ende hi den ghenen moete onnen

In des ere hi dit began,

Dat hi moete werden alsulck een man,

45 Dat des al dat volck ende Onse Heer

Moete hebben loff ende eer,

Ende wy met hem moeten komen

In die eere die men genomen

Noch gescriven niet en mach,

50 Daer 't sonder nacht es altoes dach.

(1) Al diegene die deze taal

Horen willen van de Graal,

Waarvan dat hij eerst kwam,

Zoals ik in Waals vernam

5 Zo zal ik het dichten in Dietse woord;

Ik zal het niet laten door hun verder

Die benijden mijn gedicht;

Want toch alle kwade wichten

Tot de deugd altijd dragen nijd.

10 Hierom zo wil ik in alle tijd

Dat doen zodat ze me benijden

Dus zullen ze veel minder verblijden

Als ze van mij dan horen taal.

Deze historie van de Graal

15 Dichtte ik ter ere van Heer Alabrecht,

De Heer van Voorne, wel met recht;

Want hoge lieden met hoge historie

Vaak zoeken hun glorie

En korten daarmee hun tijd.

20 Ik wil zodat ge dus zeker bent,

Dat ik de historie vaak vals

Gevonden heb in het Waals,

Daar ze van God, Onze Heer, sprak

Dat het dat volk van Rome wraakte;

25 Daarom bemerk deze zaak:

Een gedicht van Onze Heren wraak

Leest men, dat is wijd bekend,

Maakte een paap in Vlaanderen land;

Dat zegt het dat boek in zijn begin;

30 Maar ik meen in mijn geest,

Dat een paap dat niet dicht,

Want men kon schrijven licht

Hoe volledig dat het gelogen zij;

En dat zal ik u bewijzen daarbij

35 In de historie die komt hierna.

En nu bid ik, dat is waar,

Jacob, de koster van Maarland,

Die ge te voren hebt gekend

In de koning Alexanders verhalen,

40 Dat ge bidt dat hij geheel eindigt

Met dat hij heeft begonnen,

En hij diegene moet gunnen

In diens eer hij dit begon,

Dat hij moet worden als die man,

45 Dat dus al dat volk en Onze Heer

Moet hebben lof en eer,

En wij met hem moeten komen

In de eer die men noemen

Nog niet schrijven mag,

50 Daar het zonder nacht altijd is dag.

 

 

Waer ombe Onse Here wart geboren.

 

Beyde vrouwen ende man

Die horen zin zetten daeran,

Dat zi die waerheit willen weten,

Ende proeven, dat God die propheten

55 Hier in eertrike vorsende,

Die vorseiden met genende

Onses Heren komst in eertrike.

In dien tyden sekerlike,

Daer wy nu hier af tellen,

60 So voer dat volck al toter Hellen,

Alle propheten ende patriarchen;

Hieran moghen wy alle mercken

Dat die Duvele alle twaren

Waenden hebben wael gevaren.

65 Dat zi die menschen hadden bedrogen;

2 Maer die goede mochten hem verhogen,

Want zi Onses Heren komst ontbeiden.

Onse Here ontfarmede hoer droefheiden

Ende quam in dit arme ellende;

70 An Marien die nye man en kende

Ontfinck hi menschelike gedane;

Grote minne leide hi daer ane:

Omme te verlosene den sondaer

So nam hi an hem vleesch an haer

75 Sine dochter wart zijn moeder;

Aldus wart hi onse broeder.

Dat was recht, want dat ierste wijf

Makede den mensche keytijf;

Hier ombe moste by den wive

80 Die mensche weder werden te live;

Verstaet wael, dat God hevet gesent

Tot ons zijn enege kint;

Dat hebbewy dicke wael vereest.

Maria, by den heilghen gheest

85 Ontfincken met heilicheden;

Aldus rastede binnen horen leden

Allegader die Drievoudicheit,

Dat is eene volmaeckte Godheit.

Aldus wart geboren van Marien

90 Die Godes sone, des moetwy lien;

Sonder smette ende sonder zonde

Wart hi mensche, als hi wael konde;

Dat was herde grote oetmoet,

Dat hi storten woude zijn bloet

95 Ombe dat hantgewerck zijns vader,

So wart die Drivoudicheit alle gader.

Hi makede Adame den jersten man,

Die by des Duvels rade began,

Dat hi die eerste sonde dede

100 Ende by Even rade oeck mede.

Ende doe si sonde hadden gedaen,

Quam hem een lust van vleesche saen,

Ende worden, van groten goede,

Geworpen in die armoede,

105 In dit arme krancke leven,

Daer groet geslachte af is gebleven;

Ende wat van hem wart geboren

Voer toter Hellen ende wart verloren;

Toter tijt, dat Godes sone quam,

110 Ende hi zijn hantgewercke annam

Ute Lucifers quader gewelt.

Als ons dat Ewangelium telt,

Wart hi te Betlehem geboren,

Dat Effrata hiet daer te voren,

115 Van Marien zijnre moeder;

Hier af es die historie te vroeder

Die wt den Ewangelien spreket;

Hier ombe es 't dat hiet gebreket.

Onse Here wanderde achter lande twaren,

120 Ende was te zinen dertich iaren

Gedopet hier in eertrike

In der Jordane geweldelike

Van Sinte Johanne Baptisten;

Aldus wart Onse Here een cristen.

125 Dat alle die hem doepen deden

In die ere der Drivoudicheden,

Ende hem dan hoeden wouden van zonden,

Dat zi den Duvelen waren ontfonden -

130 Dese macht gaf God den clerken

Die meester zijn der heiliger kerken.

Aldus dwoech hi Adames sonden,

Ende dus verloes te dien stonden

Lucifer al zijn gewelt,

135 Daer hi den mensche mede helt,

En waer of hi zonde dade;

Ende God, die altoes Zijne genade

Toten mensche keert tot allen stonden,

Want hi gheerne valt in sonden,

140 So hevet Hi een ander dope geset,

Opdat hi in sonden niet ne let,

Maer hi ga te biechten ghereet,

Ende doe dat hem zijn priester heet;

Dus mach hi in desen eertrike

145 Gewinnen wael dat Hemelrike.

Oeck is dat kont hem sonder waen,

Die die Ewangelien nu verstaen,

Doe Jhesus Crist ginck achter lande,

Dat die van Rome ginck in hande

150 Altemale die werelt ront;

Hier ombe zo was ter selver stont

Der Joden lant in hoer gewelt;

Daer woende een die dat gerechte helt

Te Jherusalem, ende hiet Pilaet,

155 Ende eest alset in den Walsche staet,

So hadde hi in ziner meisenien

Enen ridder, daer wy af lien

Ju zullen herde vele hier na,

3 Ende heet Josep van Aromathia.

160 Maer dat hi zijn ridder iet was

En zegge ick niet dat ick nye las

In ander historien dan in dese;

Die waerste die ick daeraf lese

Seghet, dat Pilatus was heidijn,

165 Ende oeck alle die ridder zijn,

Die doe waren van ziner meisenieden

Waren onbesnedene liede.

Joseph was Jode ende herde rike,

Hi zach Jhesum sekerlike

170 Doen menege tekene goet;

Des minde hi hem in zinen moet,

Maer hi en dorste dat niet openbaren

Vor den anderen Joden t'waren.

Onse Here hadde viande vele,

175 Ende luttel die hem jonden wele,

Want ziner jongeren daer af een

Hatede hem, alset wael sceen;

Maer Jhesus wiste dat wael te voren,

Wat doet dat hi zoude becoren,

180 Alse God, dien alle dinck was kont,

Dat was oeck vorgeseght lange stont;

Ende Judas was ziner jongeren een,

Onses Heren drossate, alset wael sceen,

Ende plach te dragene dat men hem gaf.

185 Sinte Johan hi screef daer aff,

Dat dese zake waer was al,

Ende hi des den jongeren vele stal;

Maer dat Walsch zeghet, ende niet Latijn,

Dat die tiende daer af was zijn

190 Van allen, dat men gaf onsen Heer;

Daer af quam hem grote onneer,

Alse iu dat boeck wael zeggen sal,

Dat hierna nu volget al.

Waarom Onze Heer werd geboren.

 

Beide, vrouwen en man

Die hun geest zetten daaraan,

Dat ze de waarheid willen weten,

En bewijzen dat God de profeten

55 Hier in het aardrijk voor zond,

Die voorzeiden met geen einde

Onze Heren komst in het aardrijk.

In die tijden zekerlijk,

Waar we nu van vertellen,

60 Zo voer dat volk alle tot de hel,

Alle profeten en patriarchen;

Hiervan mogen we allen merken

Dat de duivel alle te waren

Waande te hebben goed gevaren.

65 Dat ze de mensen hadden bedrogen;

(2) Maar de goede mochten zich verhogen,

Want ze op Onze Heers komst wachten.

Onze Heer ontfermde hun droefheden

En kwam in deze arme ellende;

70 Aan Maria die niemand kende

Ontving hij menselijke gedaante;

Grote minne legde hij daaraan:

Om te verlossen de zondaar

Zo nam hij het vlees aan van haar

75 Zijn dochter werd zijn moeder;

Aldus werd hij onze broeder.

Dat was recht, want dat eerste wijf

Maakte de mens ellendig;

Hierom moest via een wijf

80 Die mensen weer worden tot lijf;

Begrijp het goed, dat God heeft gezonden

Tot ons zijn enige kind;

Dat hebben we vaak vernomen.

Maria, door de Heilige Geest

85 Ontving met heiligheden;

Aldus rustte binnen haar leden

Alle tezamen de Drievuldigheid,

Dat is een volmaakte Godheid.

Aldus werd geboren van Maria

90 De zoon van God, dus moeten we belijden;

Zonder smet en zonder zonde

Werd hij mens, zoals hij wel kon;

Dat was zeer grote ootmoed,

Dat hij storten wou zijn bloed

95 Vanwege dat handwerk van zijn vader,

Zo werd de Drievoudigheid al tezamen.

Hij maakte Adam, de eerste man,

Die bij des duivels raad begon,

Zodat hij de eerste zonde deed

100 En bij Eva Ďs raad ook mee.

En toen ze zonde hadden gedaan,

Kwam hem een lust van vlees samen,

En worden van groot goed,

Geworpen in de armoede,

105 In dit arme zwakke leven,

Daar groot geslacht van is gebleven;

En wat van hem werd geboren

Voer tot de hel en werd verloren;

Tot de tijd, dat Gods Zoon kwam,

110 En hij zijn handwerk aannam

Uit Lucifers kwade geweld.

Zoals ons dat Evangelie vertelt,

Werd hij te Betlehem geboren,

Dat Effrata heette daar te voren,

115 Van Maria zijn moeder;

Hiervan is die historie bekender

Die uit het Evangelie spreekt;

Hierom is 't dat iets ontbreekt.

Onze Heer wandelde in achter land, te waren

120 En werd met zijn dertig jaren

Gedoopt hier in aardrijk

In de Jordaan geweldig

Van Sint Johannes Baptist;

Aldus werd Onze Heer een christen.

125 Dat alle die hem dopen deden

In de eer van de Drievuldigheid,

En hem dan hoeden wilden van zonden,

Zodat ze de niet van de duivel worden gevonden -

130 Deze macht gaf God de klerken

Die meester zijn van de heilige kerk.

Aldus waste hij Adams zonden,

En dus verloor te die stonden

Lucifer al zijn geweld,

135 Daar hij de mens mee hield,

Tenzij dat hij zonde deed;

En God, die altijd Zijn genade

Tot de mens keert te alle stonden,

Want hij valt graag in zonden,

140 Zo heeft Hij een andere doop gezet, Als hij niet op zonden let,

Maar hij gaat te biechten gereed,

En doet dat bij hem die zijn priester heet;

Dus mag hij in dit aardrijk

145 Winnen wel dat hemelrijk.

Ook is hem dat verkondigt zonder waan,

Die het Evangelie nu verstaan,

Toen Jezus Christus ging in achter land,

Dat die van Rome ging gelijk

150 Helemaal de wereld rond;

Hierom zo was terzelfder stond

Het Joden land in hun geweld;

Daar woonde er een die dat gerecht hield

Te Jeruzalem en heet Pilatus,

155 En is het zoals het in het Waals staat,

Dan had hij in zijn manschappen

Een ridder waar we van bekennen

U zal er veel van horen hierna,

(3) En heet Joseph van Arimathia.

160 Maar dat hij zijn ridder iets was

Zeg ik niet dat ik het niet las

In andere historiŽn dan in deze;

De waarste die ik daarvan lees

Zegt, dat Pilatus was heiden,

165 En ook al de ridders zijn,

Die toen waren van zijn manschappen

Waren onbesneden lieden.

Joseph was Jood en erg rijk,

Hij zag Jezus zekerlijk

170 Doen menige tekens goed;

Dus minde hij hem in zijn gemoed,

Maar hij durfde dat niet te openbaren

Voor de andere Joden te waren.

Onze Heer had vijanden veel,

175 En weinig die hem gunden wel,

Want zijn jongeren daarvan een

Haatte hem, zoals het wel scheen;

Maar Jezus wist dat wel van tevoren,

Welke dood hij zou verkiezen,

180 Zoals God, die alle dingen was kond,

Dat was ook voorzegd lange stond;

En Judas was van zijn jongeren een,

Onze Heers drost, zoals het wel scheen,

En plag te dragen dat men hem gaf.

185 Sint Johannes hij schreef daar af,

Dat deze zaak waar was al,

En hij van de jongeren veel stal;

Maar dat Waalse zegt het, en niet Latijn,

Dat de tiende daarvan was zijn

190 Van alles, dat men gaf Onze Heer;

Daarvan kwam hem grote oneer,

Zoals u dat boek wel zeggen zal,

Dat hierna nu volgt al.

 

 

Hoe Judas Jhesum verkochte.

Thomaes zeghet waer by dat was,

195 Dat die verrader Judas

Sinen Here omme dertich penninge gaf;

Die Ewangeliste zeghet hier af;

Doe Jhesus' Cristus zat ende at

Ende Sancta Maria wiste dat,

200 Die was geheten Magdalene,

Si kochte diere zalve rene

Ende storte ze op Onses Heren hovet.

Judaes toernde daerombe, des gelovet,

Ende woude hebben zinen tiende,

205 Daer hi die Helle an verdiende.

Hi seide, alse Sancte Johan bescrivet:

"Hoe eest, dat men dese cost nu drivet?

Waer ombe is dese salve verloren?

Hadde mense verkocht te voren,

210 Ende hadde daermede dertich penninge genomen,

o waert den armen te hulpe komen".

Dit sprack hi, seide sancte Johan,

Niet dat hi sinen zin leide daeran,

Dat hi die armen iet hadde lief,

215 Maer omdat hi was een dief,

Ende hi die alemosen droech,

Daer hi te stelene af plach genoech.

Thomaes zeghet, dat hi was gram,

Dat men hem zinen tiende nam,

220 Die doe dertich penninge was waert;

Hier omme verkochte hi daer ter vaert

Sinen schepper ende zinen here

Om dertich penninge te siner onneren.

Darombe zeghet dat Walsche van der Wrake

225 Eene zeer logentlike zake,

Dat die penninge zonderlingen

Waren van goudenen ringen.

Die redene zi es al gelogen,

Ende die des gelovet, hi es bedrogen.

230 Hier latick oeck van den Walsche bliven,

Dat ick niet en wil bescriven

Judaes' gedinge, die hem verkochte,

Denselven Here, die hem gewrochte,

Wanten docht my niet waer;

235 Maer dat zegge ick wael openbaer,

Hi was verkocht opten Goensdach;

Des andren dages, die daerna gelach,

Des avendes was hi spade gegaen.

In Romans zach ick oeck staen,

240 Dat God met zinen jongeren sat,

Opten witten Donredach, ende at,

Te Symons hues, die lazarus was;

Maer dat es logene ende gedwas:

Symon woende in Bethania.

245 Oeck scrivet ons dat Walsch hierna,

Dat hi aldaer wart gevaen;

Want die 't dichte, hi haddet verstaen

Ende meende wael geweten dat,

Dat Symon woende in der stat.

4 250 Symon was, dat mogewy lesen,

Van syner laserheit genesen,

Lange eer Onse Here was gevaen;

Maer ick late die historie staen

Van den Romanse, ende telle iu voert

255 Der waren Ewangelien woert.

Eens witten donredages sat

Onse Here tener tafelen ende at,

Te sinen jongeren sprack hi met staden:

"Juwer een sal my verraden".

260 Doe waren si droevich, ende elck riep zeer:

"Bin ick dat? bin ick dat, lieve Heer?"

Doe sprack Judaes: "bin ick dat, rabbi?"

"Dat seghestu!" antworde hi.

Daer leerde hi mede den apostelen sine,

265 Van water, van brode, ende van wine

Synen lichaem maken ende zijn bloet,

Ende seyde: "zo wanneer gy dit doet,

So zult gy ember mijns gedinken".

Doe hi hem hadde gegeven drinken

270 Sijn bloet, ende doe si hadden gegeten,

Doe gingen zi ten berge tOliveten,

In enen wael schonen hof fijn,

Daer hi met den jongeren zijn

Dicke wile wanderde ende was.

275 Hoe wel wiste dat Judas;

Hi quam aldaer met ener schaer.

Die jongeren worden zeer in vaer,

Want Judas daer, ter zelver stont,

Jhesum cussede an zinen mont;

280 Dus verriet hi den Here zijn,

Dat cussen was dat littekijn;

Te dier stede wart, sonder waen,

Onse Here al te hant gevaen

Van den Joden lasterlike,

285 Ende si leiden hem dorperlike;

Dat was so spade, dat zi te samen

Met vackelen ende lanternen quamen,

Ende leiden hem in dat gedinge,

Daer die Joden saten tot eenen ringe,

290 Die alle rieden an synen hals;

Daer was menege logene valsch.

Des morgens brachten sine Pilaten,

Ende clageden over hem wtermaten.

Pylatus zeyde: "gy nemeten bet,

295 Ende ordelten na uwer wet".

"Neen, wy en mogen nieman doet slaen",

Spraken si. "So laet icken gaen",

Sprack Pilatus, "willick dan?"

"Neen, laetstu gaen desen man,

300 So en bistu des Keysers vrint niet wael,

Want hi seyde dese tael,

Dat hi der Joden koninck waer;

Dus wederseyde hi openbaer

305 Tiberius, sines zelves Heer".

Dit woert ontsach Pilatus zeer;

Al wasset hem leet, hi moeste nochtan

Jhesum, den onsculdegen man,

Doen gheselen, ende crucen mede,

310 Toten berge Calvarien ter stede.

Hoe Judas Jezus verkocht.

 

Thomas zegt het waarbij dat het was,

195 Dat de verrader Judas

Zijn Heer om dertig penningen gaf;

De Evangelist zegt het hier af;

Toen Jezus Christus zat en at

En Sint Maria wist dat,

200 Die was geheten Magdalena,

Ze kocht dure zalf rein

En stortte op Onze Heren hoofd.

Judas vertoornde daarom, dus geloof het,

En wou hebben zijn tiende,

205 Daar hij de hel aan verdiende.

Hij zei, zoals Sint Johannes beschrijft:

"Hoe is het, dat men deze kost nu drijft?

Waarom is deze zalf verloren?

Had men ze verkocht tevoren,

210 En had daarmee dertig penningen genomen,

O was de armen te hulp gekomen".

Dit sprak hij, zei Sint Johannes,

Niet dat hij zijn zin legde daaraan,

Dat hij de armen iets had lief,

215 Maar omdat hij was een dief,

En hij de aalmoezen droeg,

Daar hij van plag te stelen genoeg.

Thomas zegt het, dat hij was gram,

Dat men hem zijn tienden nam,

220 Die toen dertig penningen was waard;

Hierom verkocht hij daar ter vaart

Zijn schepper en zijn heer

Om dertig penningen tot zijn oneer.

Daarom zegt dat Waalse van de Wraak

225 Een zeer leugenachtige zaak,

Dat die penningen bijzonderling

Waren van gouden ringen.

Die reden is alles gelogen,

En die het gelooft, hij is bedrogen.

230 Hier laat ik het ook van het Waals blijven,

Dat ik niet wil beschrijven

Judas' dingen die hem verkochten,

Dezelfde Heer, die zich wreekte,

Want dat leek me niet waar;

235 Maar dat zeg ik wel openbaar,

Hij was verkocht op de woensdag;

De volgende dag die daarna lag,

Ďs Avonds was hij laat gegaan.

In Romeinen zag ik ook staan,

240 Dat God met zijn jongeren zat,

Op Witte Donderdag, en at,

Te Simons huis, die melaats was;

Maar dat is leugen en dwaas:

Simon woonde in Bethania.

245 Ook schrijft ons dat Waals hierna,

Dat hij aldaar werd gevangen;

Want die het dichtte, hij had dat verstaan

En meende wel te weten dat,

Dat Simon woonde in die stad.

(4) 250 Simon was, dat mogen we lezen,

Van zijn melaatsheid genezen,

Lang eer Onze Heer was gevangen;

Maar ik laat die historie staan

Van de Romeinen, en vertel u voort

255 Het ware Evangelie woord.

Eens op Witte Donderdag zat

Onze Heer te ene tafel en at,

Tot zijn jongeren sprak hij met stade:

"Een uwer zal mij verraden".

260 Toen waren ze droevig, en elk riep zeer:

"Ben ik dat? ben ik dat, lieve Heer?"

Toen sprak Judas: "ben ik dat, rabbi?"

"Dat zegt u!" antwoordde hij.

Daar leerde hij mede de apostelen zijn,

265 Van water, van brood, en van wijn

Zijn lichaam maken en zijn bloed,

En zei: "zo wanneer gij dit doet,

Dan zal ge me immer herdenken".

Toen hij hen had gegeven te drinken

270 Zijn bloed, en toen ze hadden gegeten,

Toen gingen ze naar de berg olijf,

In een wel schone hof fijn,

Daar hij met de jongeren zijn

Vaak wel wandelde en was.

275 Hoe goed wist dat Judas;

Hij kwam aldaar met een schaar.

De jongeren worden zeer in gevaar,

Want Judas daar, terzelfder stond,

Jezus kuste aan zijn mond;

280 Dus verried hij de Heer zijn,

Dat kussen was dat teken;

Te die plaats waart, zonder waan,

Onze Heer direct gevangen

Van de Joden lasterlijk,

285 En ze leiden hem burgerlijk;

Dat was zo laat, zodat ze tezamen

Met fakkels en lantarens kwamen,

En leiden hem in dat geding,

Daar de Joden zaten in een ring,

290 Die allen aanraadden om zijn hals;

Daar was menige leugen vals.

Ďs Morgens brachten zij hem bij Pilatus,

En klaagden over hem uitermate.

Pilatus zei: "gij neemt hem beter,

295 En beoordeel hem naar uw wet".

"Neen, wij mogen niemand dood slaan",

Spraken ze. "Dan laat ik hem gaan",

Sprak Pilatus, "wil ik dan?"

"Neen, laat u gaan deze man,

300 Dan bent u de keizers vriend niet goed,

Want hij zei deze taal,

Dat hij de Joden koning waar;

Dus weersprak hij openbaar

305 Tiberius, zijn eigen heer".

Dit woord ontzag Pilatus zeer;

Al was het hem leed, hij moest nochtans

Jezus, de onschuldige man,

Laten geselen, en kruisigen mede,

310 Tot de berg CalvariŽ ter plaatse.

 

 

Hoe God gecrucet wart, ende hoe die Helle tebrack.

 

Nu waren fel ende quaet die Joden

Ende onreine valsche roden:

Sine verrieden mede onsen Here,

Bydien meenden zi metten kere

315 Van synen dode onsculdech wesen.

Dor al dat wi van hem lesen,

Dat Pilatus was wael leet,

Riepenzi daer tegen gereet,

Beide meerre ende minder:

320 "Sijn bloet moete op onse kinder

Ende op ons allen gewroken zijn!"

Te dien tiden liet die zonne horen scijn,

Ende wert donker alse die nacht,

Ende die aerde bevede met groter kracht,

325 Ende die doden die verresen,

Die steene scheurden; ende binnen desen

Sprack een ridder die daer stont:

"Dit wert alder werelt kont,

"Dat dit die Godes Zone es".

330 Die Jode dien zere duchte des,

Die hiet Joseph van Aramathia;

Hi ginck tot Pilate daerna,

Want hi was ryke ende milde

Ende hadde onder hem tien schilde.

335 Hi was een jonger van Jhesu Criste,

Al wast dat des die Joden en wisten,

Hi hopede, datten God dancken soude,

Ende bat Pilatuse also houde,

5 Dat hi hem den doden gaf.

340 Pilatus daer oeck zeghet af