Boec van coninc Artur.

Boek van Koning Arthur. Lodewijk van Veltheim, 1300-1350.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de index.

 

52|1ra| Om dien maras dier om ginc.

Dus lagensi daer lange na die dinc,

53 entie coningin Eleine, die ter stede

binnen was, ende haer suster mede

5hadden groten anxt dat si

verraden mochten werden yegeren (?) bi,

oft gevaen, ende weende sere

dicwile daer om haren here,

dat elc so lange marret mede.

10Graciaen troeste sere ter stede

ende seide si souden, sonder waen,

goet soccors hebben saen;

dus troesti die vrouwe fijn,

ende hi had enen sone, hiet Banijn,

15ende sijn peter was die coninc Ban,

ende hi was i scone ioncman,

ende hi was Leonses maech mede;

ende doe Leonse wiste die waerheide

dattie casteel belegen was,

20ontboet hi Antianne na das,

den drossate, dat hine come pplien nu;

ende hi quam tot hem secgic u.

Doe hiet hine al hemelijc varen

tote Biroske int foreest, twaren,

25met sinen ende onbeit ons daer naer

optie fonteine ende segt daer

nieman van al uwen lieden,

werwaert gi sult henen riden.

Doen seide die drossate saen

30dat dit wel soude sijn gedaen;

doe vor hi henen hemelijc daer

ende Leonse van Banniin daer naer,

sinen neue, ende senden nu

tote Pharine, dat secgic u,

35 54 om dat hi quame toter stat

daer si geviseert hadden vor dat

int foreest, daer hi wel wiste,

ende dat hi emmer niet en miste,

hine vor hemelic ende daer,

40ende Leonse vor nu daer naer

int foreest, daer die borre stoet,

daer die drossate beide, des sijt vroet,

dese stat hadden Merlijn vorwaer

gewijst dat si beiden souden daer;

45dus beide oec Leonse ende Antran

tot dat Pharijn quam ende sijn man;

dus lagen si daer alle alsoe

tot smaendages na sent Jans dach toe;

doe Merlijn wiste dat si vergadert waren

50ende dat si ontbeiden na soccors, twaren,

dat hi hen geloefde te bringen daer,

doe ginc hi ane Waler daer naer

ende seide dat hi dierste bataelge leide

ende met hen name daer gereide

55drie neuwe ridders entie XL mede,

1rb?| die van Carmelide quamen ter stede

ende nemt soe vele dan

dat gi hebt Xm man,

ende doet Ulfijn voren v baniere;

 60ende her Waler dede alsoe sciere

alsem Merlijn heft geheten,

ende trac met sinen, als wijt weten,

over ene side; daer na dede Merlijn

den coninc Ban den andren sijn,

65die Waler volgen souden naer

met Xm riddren, wet vor waer;

55 doe riep Merlijn den coninc Bohorde

ende hiet hem dat hi nu vorde

die derde betalie, ende nemt met u

70die CCC ridders, die gi bracht nu

vt sconinc Anias lande, ende nemt daer mede

tote Xm oec nu ter stede

van den ridders die quamen van Carmiliede.

Doe hiet Merlijn vort tien tide

75den coninc Artur: here, gi sult

die virde batalie leiden met gewelt,

ende met u selen siin nu ten stonden

die heren vander Tavelronden.

Doe riep die coninc Artur ter stede

80her Uile (?) ende Nasciene mede,

ende hiet sijn liede hen doen gereden

ende si dadent doen sonder beiden;

doe nam Merlijn den drake

ende gaven Keyen na die sake,

85ende seide dat hinen vorde daer naer,

want het es v recht vor waer;

ende wacht v wel, dat radic nv,

dat ridderscap niet werde genedert bi v;

ende wetti wat gi selt doen ter stede

90alse gi onder die viande comt daer mede,

So voret teken altoes in v hant.

Dat salic wel doen, seide Keye te hant.

Merlijn hiet den iij coningen doe

ende Waler (?), datsi dapperlijc alsoe

95te Trebes werd voren gereit,

want hijs in vier sinnen beleit,

ende elc prinse die der leget an

heuet onder hem XXm man,

56 ende elke bataelge vanden onsen mede

100sal enen vanden haren anstriden ter stede.

Hoe, seide die coninc Artur, Meerlijn,

hebben si meer liede dan hier sijn?

Jase, here, de helecht secgic v;

maer wi selen een scoen soccors hebben, secgic v,

105wel van XXm man,

die ons selen comen an,

die licgen int bosch van Brioskes.

Hoe selen si weten welc tijt dat es?

seide Artur; here, seide Merlijn doe,

110ic salse halen tide genoch daer toe;

|1rc?| ende Bliobleris sal vore varen nu,

want hi weet die pade wel, secgic v,

ende recht alst daget suldi varen

daer gi enen horen hort, daer volget naren,

115ende gi sult sien enen groten brant

in die locht; daerna volget thant,

want dan sal v soccors sijn gereet,

dat ic v senden sal, God weet;

 blift te Gode! ic vare nu daer.

120Dus sciet Merlijn van hen daer naer

ende quam daer Leonse was gelegen

ende sinen gesellen, ende sprac daer iegen

ende seide: wat licgdi hier onder v?

gine comt nember so vollic nv

125te Trebes die coninc Artur ne sal

daer wesen met sinen volke al.

Alse dit Leonse verstoet, vor waer

dede hi hem grote feeste daer

ende vraechden om beide die coningen doe;

130hi seide: gi selt se sien ende daer toe

57 met groter macht die si bringen;

maer vast gereit v; ende na dien dingen

gereiden si hen ende maecten daer

vier batalien; deerste daer naer

135leide Anthiones met VIm man

ende Graciaen VIm oec daer an,

ende Pharijn hadder VIm mede,

ende Leonse VIm oec ter stede.

Hier met quamen si te Trebes werd,

140ende al die wile dat si quamen in die verd

salic v vort secgen van Artur

ende vanden ij coningen haer aventure.

Om het moeras die er om ging.

Dus lagen ze daar lang na dat ding,

en de koningin Eleine, die ter plaatse

binnen was, en haar zuster mede

5 hadden groten angst dat zij

verraden mochten werden ergens bij,

of gevangen, en weende zeer

vaak daar om hun heer,

dat elk zo lang wachtte mede.

10 Graciaen troostte ze zeer ter plaatse

en zei ze zouden, zonder waan,

goede hulp hebben gelijk;

dus troostte hij die vrouwen fijn,

en hij had een zoon, heet Banijn,

15 en zijn peter was koning Ban,

en hij was een schone jonge man,

en hij was Leonse verwant mede;

en toen Leonse wist de waarheid

dat het kasteel belegerd was,

20 ontbood hij Antianne na dat,

de drost, dat hij komt gegaan nu;

en hij kwam tot hem zeg ik u.

Toen zei hem al heimelijk te varen

tot Biroske in het bos, te waren,

25 met de zijnen en wacht op ons daarnaar

op de fontein en zeg het daar

niemand van al uw lieden,

waarheen ge zal heen rijden.

Toen zei de drost gelijk

30 dat dit goed zou zijn gedaan;

toen voer hij heen heimelijk daar

en Leonse van Banniin daarnaar,

zijn neef, en zond nu

tot Pharien, dat zeg ik u,

35 54 omdat hij kwam tot de plaats

daar ze versierd hadden voor dat

in het bos, daar hij wel wiste,

en dat hij immer niet miste,

hij voer heimelijk en daar,

40 en Leonse voer nu daarnaar

in het bos, daar die bron stond,

daar de drost wachtte, dus wees bekend,

deze plaats had Merlijn voorwaar

gewezen dat ze wachten zouden daar;

45 dus wachtte ook Leonse en Antran

totdat Pharien kwam en zijn man;

dus lagen ze daar alle alzo

tot maandag na Sint Jans dag toe;

toen Merlijn wist dat ze verzameld waren

50e en dat ze wachten op succes, te waren,

dat hij hen beloofde te brengen daar,

toen ging hij aan Waler daarnaar

en zei dat hij het eerste bataljon leidde

en met hen nam daar gereed

55 drie nieuwe ridders en de 40 mede,

die van Carmelide kwamen ter stede

en neem zoveel dan

zodat ge hebt 10 000 man,

en laat Ulfijn voeren uw banier;

60 en heer Waler deed alzo snel

als hem Merlijn heeft gezegd,

en trok met de zijnen, zoals wij het weten,

over een zijde; daar na liet Merlijn

de koning Ban de andere zijn,

65 die Waler volgen zou na

met 10 000 ridders, weet voor waar;

55 toen riep Merlijn koning Bohort

en zei hem dat hij nu voerde

het derde bataljon, en neemt met u

70 die 300 ridders, die ge bracht nu

uit koning Anias land, en neem daarmee

tot 10 000 nu ter plaatse

van de ridders die kwamen van Carmeloet.

Toen zei Merlijn voort te die tijde

75 koning Arthur: heer, ge zal

dat vierde bataljon leiden met geweld,

en met u zullen zijn nu ten stonden

de heren van de Tafelronden.

Toen riep koning Arthur ter plaatse

80 heer Uile (?) en Nascien mede,

en zei zijn lieden hen te laten bereiden

en ze deden het toen zonder wachten;

toen nam Merlijn de draak

en gaf het Keye na die zaak,

85 en zei dat hij het voerde daarnaar,

want het is uw recht voor waar;

en wacht u wel, dat raad ik nu,

dat ridderschap niet wordt vernederd bij u;

en weet ge wat ge zal doen ter plaatse

90 als ge onder de vijanden komt daarmee,

Zo voer het teken altijd in uw hand.

Dat zal ik wel doen, zei Keye gelijk.

Merlijn zei de 3 koningen toen

en Waler (?), dat ze dapper alzo

95 te Trebes waart voeren gereed,

want hij ze in vier zinnen belegt,

en elke prins die er ligt aan

heeft onder hem 20 000 man,

56 en elk bataljon van de onze mede

100 zal een van die van hen aanstrijden ter plaatse.

Hoe, zei koning Arthur, Merlijn,

hebben ze meer lieden dan hier zijn?

Ja ze, heer, de helft zeg ik u;

maar we zullen een mooie hulp hebben, zeg ik u,

105 wel van 20 000 man,

die ons zullen komen aan,

die liggen in het bos van Brioskes.

Hoe zullen ze weten welke tijd dat is?

zei Arthur; heer, zei Merlijn toen,

110 ik zal ze halen op tijd genoeg daar toe;

en Bliobleris zal voor varen nu,

want hij weet de paden goed, zeg ik u,

en recht als het daagt zal ge varen

daar ge een horen hoort, daar volg na,

115 en ge zal zien een grote brand

in de lucht; daarna volg je gelijk,

want dan zal uw hulp zijn gereed,

dat ik u zenden zal, God weet;

 blijf tot God! ik vaar nu daar.

120 Dus scheidde Merlijn van hen daarnaar

en kwam daar Leonse was gelegen

en zijn gezellen, en sprak daar tegen

en zei: wat ligt ge hier onder u?

ge komt nimmer zo volledig nu

125 te Trebes die koning Arthur zal

daar wezen met zijn volk al.

Toen dit Leonse verstond, voor waar

deed hij hem grote feesten daar

en vroeg hem om beide koningen toen;

130 hij zei: ge zal ze zien en daartoe

57 met grote macht die ze brengen;

maar vast bereid u; en na die dingen

bereiden ze hen en maakten daar

vier bataljons; de eerste daarnaar

135 leidde Anthiones met 6 000 man

en Graciaen 6 000 ook daarna,

en Pharijn had er 6 000 mede,

en Leonse 6 000 ook ter plaatse.

Hiermee kwamen ze te Trebes waart,

140 en al de tijd dat ze kwamen in de vaart

zal ik u voort zeggen van Arthur

en van de 2 koningen hun avontuur.

 

 

Hort hier tusschen den coninc Ban den strijt ende tusschen Claudase, dies droech nijt.

145Daventure seget doe Merlijn was

vanden coninc Artur gesceden na das,

dat Artur porde doe daer naer,

ende Bliobleris vore voren daer,

want hi de passe conste sonder vrage;

150dien nacht voren se toten dage;

daer quamense op I scoen plein gereet

daer ene riviere neven leet,

die de Louure hiet, ende si waren daer

den here nu comen alsoe naer

155men had te v malen mogen nu

wel overscieten, dat secgic u;

doen deildense, om dat se wilden sien

dat teken daer hen af seide vor dien

Merlijn, dat was vanden brande mede

160die inden locht soude vliegen ter stede,

ende vanden horne diese souden horen;

ende binnen desen quam daer te voren

58 een spiere diese heeft versien,

ende ginc int ander here secgen mettien;

165ende doe dit die ander vernamen

1va?| wapenden si hen ende trocken tsamen

te velde ende battelgeerden hen daer.

Ende Ponces Antones trac daer naer

ane dinde van enen bosch ter stede,

170ende daer na quam die hertoge mede

van Aelmaengen; daerna quam Rodoen,

ende Claudas van Deserte quam doen

ende lach met sinen lieden neven [...]

ende [..] die wile [.............]

175dat si dus wert voren, quam Merlijn,

die hier algader af wiste den siin,

ende hi blies den horen doe

ende dede den brant vliegen daertoe.

Doe Artur den horen horde [....]

180ende den brant [sach?] vliegen daer naer

sloegen si alle ten here werd,

ende her Walijn vergaderde metter verd;

Antrolles de hertoge, secgic u,

entie coninc Ban vergaderde nu

185anden coninc Claudas ter stede,

entie coninc Bohor vergaderde mede

an Pontes Antonijs nu ter stat,

entie coninc Artur vergaderde na dat

[...............]

190[...............]

[...............]

die met sulken nide reden beden

dat si beide storten daer neder;

maer si waren beide volliic op weder

195 59 ende togen haer swerd ende sloegen daer

deen opten andren slage swaer;

ende alse hi Wallijn te voet sach

Sagremor sloech hi al dat hi mach;

daer [...] enen Ulfijn oec mede,

200die sine baniere vorde ter stede,

ende bander side quamen daer oec toe

om den hertoge te bescudden doe.

Dus vergaderde deen den andren daer;

doe werd mennich spere te broken daer naer

205ende ut gesteken mennich man,

die meer op en stont vort an;

daer werd die striit groet ende starc mede

doch werden hermonteert ter stede

die hertoge ende Sagremor beide;

210maer het was groeten leide.

Daer dadent wel die XIJ, twaren,

die neuwe ridderen gemaect waren;

maer sint dat middach leet, vorwaer,

sone was daer niemen die een haer

215Wallijn iet geliken const mede,

want hi sloech doet daer ter stede

ma[...] wat vor hen quam,

[...] sijn neve, als ict vernam,

[.......] in dese twee

220dadent herde wel ende noch mee;

1vb?| Gal[....] ende Gaheries

dadent sowel dat m[....] des

over die beste hilt [..] daer nu

naest Wallijn, dat secgic u,

225ende Garies enen Egrawein,

ende alle die daer waren int plein

60 dadent wel ende condechlike

[...............]

was [.........] waere,

230die de felste was van alden here,

ende daer aldus vergaderden, dan

sloech hi metten swerde den coninc Ban

opten helm, datter tfier ut vloech.

ende dat hi opt gereide boech;

235doe rechti hem op alse de erre was,

ende sloech Claudas opt hoeft na das

enen slach, maert swerd scamselde (sic) neder

ende sloech den orsse alsoe weder

den hals af ende het viel doe,

240ende Claudas met [.....] alsoe

op [.......] comen daer

gaf hi hem iij slage daer naer

dat hine had bina weder nu

ter eerden doen tumelen, secgic v.

245[...............]

[...............]

maer het was van sulker cracht ende gewelt

dat hi daer nochtan onthelt;

doe warp hi den scilt opt hoeft daer naer

250ende quam te coninc Banne werd daer

ende began op hem te slane nu;

maer h'liede in besiden, secgic v,

quamenre toe; doe werd daer naer

die coninc Claudas hermonteert, vorwaer,

255want hi hadde noch alse vele liede

alse de coninc Ban dede tien tide,

ende sine liede hadden met mogen staen

en had die coninc Ban selve gedaen,

61 diese aldus hilt durende daer

260toten middage, weet vor waer;

ende bander side street die coninc Bohort

jegen Pontes Antonijs vort,

die een groet spere had in die hant,

ende quam opten coninc Bohor gerant

265ende stac sijn speer op hem ontwee;

entie coninc Bohor die hem gevee (sic)

wat si staken dorden scilt

ende dore den arm met gewilt

ende nichelden hem an die side doe

270ende stac hem daer in ene wonde daer toe,

ende hi viel van den orsse neder daer

ende lach in ontmacht oec daer naer,

dat men niet conde geweten daer bi

weder hi doet ofte levende sij.

275Ende doen sine liede dit sagen daer

1vc?| hadden si anxt ende groten vaer

om dat hare here doet ware,

ende reden alle daer werd daer nare,

om hem te bescudden aldaer nv;

280ende coninc liede quamenre iegen, secgic v,

met starken speren; daer werd ter tijt

een groet ende een starc strijt

[...............]

[...............]

285vander wonden ende scaenden (sic) sere

ende reden opten coninc met enen here

ende sloegen opten helm alsoe

dat hi op siin gereide boech doe,

ende die coninc Bohor sloegen weder

290dorden helm ene wonde, dat hi daer neder

62 tumelen moeste ende overreden daer

eerne die romenie (sic) conden naer

hermonteren; doe beval hi saen

den sinen dat si hem in staden staen;

295doe reet hi in de meeste porsse

daer werd mennich vanden orsse

gevelt; doe werd die coninc Bohord

achter gedreven alsoe vord

enen bogescote wel van daer;

300dus duerde die striit alsoe daer waer,

[.........] uer,

ende al dese wile vacht die coninc Artur

jegen Randone van Gaules;

entie coninc Artur, sijt seker des,

305entie ridderen vander Tavelronde

liepen hem seer optien stonden

ende dadense achter in dere wijs

tote op Pontes here Antonijs,

ende Keye volchde wel metten drake

310die hem Merlijn gaf vor dese sake,

dien groet vier uter kelen scoet;

dies noit ne sagen seiden bloet,

het soude domsdach wesen sciere,

ende ververden hen sere vanden viere;

315ende sonder twivel ane den drake

lach betekenesse van groter sake,

want tfier dat hem vter kelen scoet

dat betekende martilie groet

van lieden doet te slane met,

320ins coninc Arturs tiden, dat wet;

ende dat sijn stert gewrongen was

betekent groet verraetnesse na das

63 dat in sijns selfs liede was mede;

doe si iegen hen keerden ter stede

325ende met Mordiette waren algader,

daer hi oem af was ende vader

|2rc| Met [..............]

Wt ere crebben ghers, seggic u,

ende omdat den onghecroenden leeu ter stede

330dochte dat beter weyde, waermede

ten ghecroenden leeuwe waert

[....] ep hi hem op metter vaert

|2va| [........] hem daer

met Arture wal' vore waer

335ende die XL ghesellen mede

ende die XVIIJ nuwe ridders ter stede

ende die vander Tafelronden

en casteel [..]

 

Hoor hier tussen koning Ban de strijd en tussen Claudas die droeg nijd.

 

145 Het avontuur zegt toen Merlijn was

van koning Arthur gescheiden na dat,

dat Arthur ging toen daarnaar,

en Bliobleris voer voren daar,

want hij de passen kon zonder vragen;

150 die nacht voeren ze tot de dag;

daar kwamen ze op I schoon plein gereed

daar een rivier nevens lag,

die de Loire heet, en ze waren daar

dat leger nu gekomen alzo na

155 men had te u maal mogen nu

wel overschieten, dat zeg ik u;

doen verdeelden ze hen, om dat ze wilden zien

dat teken daar hen van zei voor die

Merlijn, dat was van de brand mede

160 die in de lucht zou vliegen ter plaatse,

en van de horen die ze zouden horen;

en binnen deze kwam daar te voren

58 een spion die ze heeft gezien,

en ging in het ander leger zeggen meteen;

165 en toen dit de andere vernamen

wapenden ze hen en trokken tezamen

te velde en maakten bataljons daar.

En Ponces Antonys trok daarnaar

aan het einde van een bos ter plaatse,

170 en daarna kwam de hertog mede

van Duitsland; daarna kwam Rodoen,

en Claudas van Deserte kwam toen

en lag met zijn lieden nevens [...]

en [..] de tijd [.............]

175 dat ze derwaarts voeren, kwam Merlijn,

die hier allemaal van wist het zijne,

en hij blies de horen toen

en liet de brand vliegen daartoe.

Toen Arthur de horen hoorde [....]

180 en de brand zag vliegen daarnaar

sloegen ze alle te leger waart,

en heer Walijn verzamelde met een vaart;

Antrolles de hertog, zeg ik u,

en koning Ban verzamelde nu

185 aan koning Claudas ter plaatse,

en koning Bohort verzamelde mede

aan Pontes Antonys nu ter plaatse,

en koning Arthur verzamelde na dat

[...............]

190[...............]

[...............]

die met zo’n nijd reden beiden

zodat de beide storten daar neer;

maar ze waren beide volledig op weer

195 59 en togen hun zwaard en sloegen daar

de ene op de andere slagen zwaar;

en toen hij Wallijn te voet zag

Sagrimor sloeg hij al dat hij mag;

daar [...] een Ulfijn ook mede,

200 die zijn banier voerde ter plaatse,

en aan de andere zijde kwamen daar ook toe

om de hertog te behoeden toen.

Dus verzamelde de een op de andere daar;

toen werd menige speer gebroken daarnaar

205 en afgestoken menige man,

die niet meer opstond voortaan;

daar werd de strijd groot en sterk mede

toch werden hergegroepeerd ter plaatse

de hertog en Sagrimor beide;

210 maar het was groot lijden.

Daar deden het goed die 12, te waren,

die nieuwe ridders gemaakt waren;

maar sinds dat de middag leed, voorwaar,

zo was daar niemand die iets

215Wallijn iets vergelijken kon mede,

want hij sloeg dood daar ter plaatse

ma[...] wat voor hen kwam,

[...] zijn neef, zoals ik het vernam,

[.......] in deze twee

220 deden het erg goed en nog mee;

Gal[....] en Guheries

deden het zo goed dat m[....] dis

voor de beste hield [..] daar nu

naast Wallijn, dat zeg ik u,

225 en Garies en Acgravein,

en alle die daar waren in het plein

60 deden het goed en kundig

[...............] was [.........] ware,

230 die de felste was van al de heren,

en daar aldus verzamelden, dan

sloeg hij met het zwaard koning Ban

op de helm, zodat er het vuur uit vloog.

en dat hij op het zadel boog;

235 toen richtte hij hem op als een die geergerd was,

en sloeg Claudas op het hoofd na dat

een slag, maar het zwaard schampte neer

en sloeg het paard alzo weer

de hals af en het viel toe,

240 en Claudas mee [.....] alzo

op [.......] komen daar

gaf hij hem 3 slagen daarnaar

zodat hij hem had bijna weer nu

ter aarde laten tuimelen, zeg ik u.

245[...............] [...............]

maar het was van zo’n kracht en geweld

dat hij daar nochtans ophield;

toen wierp hij het schild op het hoofd daarnaar

250 en kwam te koning Ban waart daar

en begon op hem te slaan nu;

maar zijn lieden bezijden, zeg ik u,

kwamen er toe; toen werd daarnaar

koning Claudas hergegroepeerd, voorwaar,

255 want hij had nog alzo veel lieden

als koning Ban had te die tijd,

en zijn lieden hadden mee mogen staan

had koning Ban zelf gedaan,

61 die ze aldus hield duren daar

260 tot de middag, weet voor waar;

en aan de andere zijde streed koning Bohort

tegen Pontes Antonijs voort,

die een grote speer had in de hand,

en kwam op koning Bohort gerent

265 en stak zijn speer op hem in twee;

en koning Bohort die hem geeft

wat ze stak hem door het schild

en door de arm met geweld

en nagelde hem aan de zijde toen

270 en stak hem daarin een wond daartoe,

en hij viel van het paard neer daar

en lag in onmacht ook daarnaar,

zodat men niet kon weten daarbij

weder hij dood of levend zij.

275 En toen zijn lieden dit zagen daar

hadden ze angst en groot gevaar

omdat hun heer dood was,

en reden alle derwaarts daarnaar,

om hem te behoeden aldaar nu;

280 en konings lieden kwamen er tegen, zeg ik u,

met sterke speren; daar werd ter tijd

een grote en een sterke strijd

[...............] [...............]

285 van de wonden schaamden zeer

en reden op de koning met een leger

en sloegen hem op de helm alzo

zodat hij op zijn zadel boog toen,

en koning Bohort sloeg hem weer

290 door de helm een wond, zodat hij daar neer

62 tuimelen moest en overreden daar

eer de Romeinen konden daarna

hergroeperen; toen beval hij gelijk

de zijne dat ze hem bijstaan;

295 toen reed hij in de grootste groep

daar werd menigeen van het paard

geveld; toe werd koning Bohort

achter gedreven alzo voort

een boogschot wel van daar;

300 dus duurde de strijd alzo derwaarts,

[.........] uur,

en al deze tijd vocht koning Arthur

tegen Randone van Gaule;

en koning Arthur, zij het zeker dus,

305 en de ridders van de tafelronde

liepen op hem zeer te die stonden

en deden ze achter in die wijs

tot op Pontes heer Antonys,

en Keye volgde goed met de draak

310 die hem Merlijn gaf voor deze zaak,

die groot vuur uit de keel schoot;

die het nooit zagen zeiden bloot,

het zou doemsdag wezen snel,

en verschrokken hen zeer van het vuur;

315 en zonder twijfel aan de draak

lag betekenis van grote zaak,

want het vuur dat hem uit de keel schoot

dat betekende martelen groot

van lieden dood te slaan mee,

320 in koning Arthurs tijden, dat weet;

en dat zijn staart gewrongen was

betekent groot verraad na dat

63 dat in zijn eigen lieden was mede;

toen ze tegen hen keerden ter plaatse

325 en met Mordret waren allemaal,

daar hij oom van was en vader

Met [..............]

Uit een kribbe gaat, zeg ik u,

en omdat de ongekroonde leeuw ter plaatse

330 dacht dat beter weide, waarmee

de gekroonde leeuw waart

[....] liep hij hem op met een vaart

|2va| [........] hem daar

met Arthur wel voor waar

335 en de 40 gezellen mede

en de 18 nieuwe ridders ter plaatse

en die van de tafelronden

een kasteel [..]

 

TEKST Merlijn-continuatie, Boec van coninc Artur

Auteur: Lodewijk van Velthem

Aard: Rijm

BRON Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Ltk. 1107 (fragm.)

Datum: 1350-1400

Omvang: 338 verzen

Opm.: Een blad (fol. 1) en een snipper met daarop slechts enkele regels van kol. rc en va van het volgende blad (fol. 2). Per bladzijde 3 kolommen en per kolom 55 regels. Fol. 1 correspondeert met de regels 25.275-598 en fol. 2 met de regels 26.070-75 en 26.124-130 in de uitgave van Van Vloten uit 1880.

EDITIE K.F. Stallaert: 'De Merlijn van Jacob van Maerlant'. In: Nederlandsch Museum 1880, I, 51-63 (52-63).

Status: Kritisch

MNW-nr: 904 (ander handschrift)

BRONNEN Van in totaal drie handschriften zijn er fragmenten overgeleverd:

- Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Ltk. 1107 (fragm.)

- Maastricht, Rijksarchief in Limburg, 167 III 10 (fragm.)

- Münster, Nordrhein-Westfälisches Staatsarchiv, Depositum Landsberg-Velen (fragm.)

De volledige tekst is overgeleverd in een Middelnederduitse 'Umschreibung' in het hs. Burgsteinfurt, Fürst zu Bentheimsche Schlossbibliothek, B 37, fol. 62v-229r (editie (hertaling naar het Middelnederlands): J. van Vloten (ed.): Jacob van Maerlant: Merlijn. Naar het enig bekende Steinforter handschrift uitgegeven. Leiden, 1880, vs. 1039936218).

RELATIE Historie van den wonderlicken Merlijn

 

25579 67|1ra| [Ende daden se achter], in dese wijs

25580[Tote op Pontes ende Antonijs;]

[Ende Keye volgede wel met]ten drake,

[Die hem Merlijn gaf vor] dese sake,

[Dien groet vier uter k]elen scoet;

Die[s noit ne sagen s]eiden bloet,

25585He[t soude domesdach we]sen sciere,

E[nde vervaerden hem sere] van den viere;

En[de sonder twiv]el an den drake

Lac[h beteken]esse van groter sake,

Wan[t tfier da]t hem uter kelen scoet;

25590[D]at [martelie] bet[eke]nt groet

Van [lieden doet] te slane met

In [sconinx Arturs] tiden, dat wet;

Ende, [dat sijn] stert gewrongen was,

Be[tekent grote verr]aetnesse das,

25595Die [in sijnselves] lie[de] was mede;

Do[e si jegen hem keerd]en ter stede

Ende [met Mordrette] alg[ader,]

Daer [hi oem af wa]s ende v[ader,]

[Want hine wan] ane [sijnre suster met,]

25600Des [coninx Lottes wijf was,] dat wet.

[Hierna suldi wel ver]staen di[e dinc]

Ho[e die strijt tuscen hen verginc.]

Nu [hoert hoe Randoen achter tiede]

 To[te op Pontes ende] Antonijs liede,

25605Daer[ne die coninc Artur] opjagede doe,

Die [den coninc Bohort hilden] alsoe

Cor[t, dat hi] wel hadde te [done]

Hulp[e, ende doe sach datgone]

Pon[tes, dat si quamen gevloen,]

25610Voer [hi daerjegen, ende riep doen]

Sijn [teken, ende sloech in daernaer;]

68 Daer [wart die strijt groet ende swaer,]

Doe [die vier batalien vergadert waren,]

W[ant Walewein dreef oec daernaren]

25615F[rolles, den hertoge, op Claud]as,

D[ie jegen den coninc Ban in stride] was,

[Die nu tonder was; dus wart daer]

Die strijt sterc ende swaer.

|1rb| Daer dede Walewein wonder groet;

25620Enne sa[c]h noit man dies genoet.

Doe [ge]viel dat Walewein na das

Verg[a]derde an den coninc Claudas,

D[ie daer st]reet yegen den coninc Ban

[Met Cm] man yegen .xv. man,

25625Daer [die] coninc se[r]e tachter af was.

W[alewein verh]ief sijn swert na das,

Ende waende op thovet hebben geslegen

Claudas, diere den scilt hilt yegen,

Dien Walewein sloech al ontwee,

25630Ende die slach ginc v[or]waert mee

Ende [ca]mpelde nederwaert alsoe,

Ende sl[oe]ch den perde den hals af doe,

Ende si vielen beide daer,

Ende Walewein reet voerwa[e]rt daernaer,

25635Want hi ne kinde Claudas twint.

Hi gemoette Miseresse na tgint

[E]nde sloech hem daer af sijn hovet;

[D]ese was vrome, dies gelovet,

Ende was van Claudas mesniden.

25640Walewein toech voert tenselven tiden

Ende clovede Antorilasse alsoe

Sijn hovet toten tanden toe;

Dus sloech hire .xx. doet;

Daer sine slage waren so groet

25645Datter niemen ontbeiden dorste.

D[oe dit die coninc] Ban sach vorwaer

69 [Dat Walewein, die] so jonc was,

[So groet won]der dede, dancte hi na das

[Gode, ende seide t]e Walewein doe

25650["Bi] Gode, here, ghi strijt hier soe,

"Dat ghi tswert wel verdient hebt nu,

"Dat die coninc Artur hevet gegeven u;

"Ende oec en [mochte] hi [gen]en betere[n] ter stede

"Sine liede hebben bevolen mede

25655"Dan ghi s[ij]t, ende ic bidde u heden den dach

"Dat ic u [gesel] sijn mach."

["Here, ic doe dat gerne," seide hi,]

[Ende danc] hebt dat ghijt soeket an[e mi,]

|1va| "Maer ic moet varen sueken minen neven

5660["Ende mine brueder, waer si sijn bleven,]

"Ende, alse ic se hebbe vonden, so sal ic [tot u]

"Wederkeren." Doe seide hem nu

Die coninc, dat hi hem soude

Gerne wreken also houde

25665Over Claudas, "dien ghi [voe]rwaer

"Te hand ter neder sloecht [aldaer,]

"Ende, waer hi doet, so ware saen

"Mijn orloge hebben gedaen."

Doe seide Walewein: ["Wiseten mi"]

25670Die coninc seide: ["Sieten hierbi]

"Met [genen wapenen, die ghi siet hier,]

"Gebl[oemet van silver, ende daernaer]

"Den scilt, [in midden gedeelt terstede]

"Van sel[ver ende van kelen bede,]

25675"Den lee[u rampant van sable met."]

Doe seide [Walewein: "Vaste ende niet en let,]

"Varen [wi an hem, ende proeven wi]

"Onse cracht." [Doe seide daernaer]

Die coninc Ban: ["Ic en gere niet meer,]

25680"Want hi he[vet mi gescadet seer."]

Doe sloeg[en si hare orse daerwaert,]

Ende die [coninc Claudas reet metter vaert]

70 Jegen hem; [doe wart ter tijt]

Groet ende [vreeselic die strijt.]

25685Walewein ende die coninc Ban

D[eden daer vlien Claudas man,]

Ende, doe Claudas [dit sach aldaer,]

Vloe hi in de meeste [perse daer,]

Want hi ontsach [dese twee nu,]

25690Diene daer yagen, seg ic u;

Hi wiste wel hervoren sine [daer]

Dat hi doet [ware] voerwaer.

Dus vloe hi o[nde]r [sine liede alsoe,]

Ende si volgeden hem [emmer toe]

25695Ende en w[ou]den niet laten [ga]en

Enne en had[de] ene avent[ure gedaen,]

D[ie si vonden onder hem ter stede;]

Want doe si yageden Claud[a]s mede,

|1vb| Vant Walewein .ij. si[re broeder daer]

25700Ligghende [...........]

 [37 verzen zijn onleesbaar]

25738Ende binnen dien quam al dat gemoet.

 [956 verzen ontbreken = 6 bladen]

26694 |2ra| Daer menich bi es doet bleven mede

[...............]

26733Int wout, alse een wilde man.

26734 |2rb| [Bi naturen,] die hi ontfinc an hen,

[...............]

26773"Ende quite laten gaen van u.

26774 |2va| "Ic sal uwen droem ontbind[en da]n"

[Doe ge]lovedi th[em voer alle sine man.]

[Doe seide die wildeman: "Here, bi trouwen,]

["Ghi laget hiervor bi uwer] vrouwen

["Ende u droemde dat ghi saghet daer]

[Ene soch met borstelen daernaer]

26780["Ende hadde op dat hovet enen goudenen rinc",]

[Ende seide alsovoert al die dinc]

1 [Gelijc ghi hebt] ghehoert hiervoren.

Doe hijt geseit hadde dore ende dore

Seide hi: "Her keyser, wat dunct u?

26785"Heb ic mi yet mesgrepen nu?"

"Neen ghi, een word niet", seide hi doen,

"Here", seiden doe die baroen,

"Sint hi dit so wel he[vet gese]it,

"Sal hi wel seggen die [waer]heit,

26790"W[at] die droem bedieden [can."]

"Seker," seide doe de wild[eman,]

"Ic salt u so ont[binden nadien]

"Dat ghijt met[ten ogen sult sien."]

"Nu segt dan", seide de keyser [doe]

26795"Gerne, here, nu h[oert hiertoe:]

"Die soch, die ghi saget ten begin[ne,]

"Dat es u wijf, de keyserin[ne,]

"Ende die borstelen bedieden ter s[tede]

"Haer lange sloyende cleder me[de,]

26800"Ende den hoet, dien si hadde op [thov]et,

"Bediet hare crone, dies ge[lov]et;

"Ende, waert u wille, ic swege [h]ierm[et."]

Die keyser seide: "Quitet u [..]et

"Ende uwe sekerhede." Doe seide [h]i vort

26805"Die .xij. wolve, here, nu hort,

"Die ghi ute uwer cameren s[a]get comen,

"Sijn dese .xij. jonfrouwen, heb i[c] vernomen,

"Die mijn vrouwe ont[hout h]ier nu;

"Maer en sijn gene jonfrouwen, [seg ic u;]

26810Het sijn alle man; [nu doet se dan]

"Ontcle[den, so weetti die waerheit daeran;]

["Ende, wetet wel, als ghi hier niet en sijt,]

"So liggen [se] bi haer talre tijt.

|2vb| "Nu hebdi uwen droem gehoert."

26815D[ie] keyser en conde gespreken .i. w[oert,]

So was hi tebaren[t]eert om das,

Dat hem sijn wijf so ongetrouwe was.

72 Doe sprac de coninc te Grisandelise

"Ontcleedt mi dese in alre wise;

26820"Ic wil dat mine baroene sien."

Ende die drossate deedt mettien;

Ende, alsi ontcleedt sijn daernaren,

Sach men dat alle manne waren;

Des wonderde hen allen sere daer.

26825Doe vragede de keyser daernaer

Gemeinlec elken baroene

Wat hem daermede stoet te doene,

Ende si berieden hen lange na dat.

Int lest droegen se overeen ter stat

26830Dat men se bernen soude openbaren,

Omdat si haren here ongetrouwe ware;

Bi desen hen sijs verdient wel.

Daerna en dede de keyser niet el

Dan hi hiet tfier maken gaen

26835In midden de plaetse; men deet saen,

Ende hi dede de keyserinne daernaer

Haer hande binden, ende werpen daer

Int vier, en al andere mede,

Ende deed se verbernen daer terstede

26840In midden thof, na die sake.

Aldus nam de keyser wrake

Over sijn wijf ende over dandere met.

Doe wart die niemare groet, dat wet,

Overal int lant van desen dingen;

26845Daer prisede menich sunderlingen

Den wilden man, ende seiden aldare

Dat hi een goet waersagere ware.

Daerna bat hem de keyser vri

Dat hi hem seggen wilde, waerbi

26850Dat hi loech so sere [g]ereet

[D]oe hi voer die ab[die leet,]

[Ende voer die capelle, daer hi oec loech,]

Daer de knape sinen here sloech.

25579 67 En deden ze achter, in deze wijs

25580 Tot op Pontes en Antonys;]

En Keye volgde goed met de draak,

Die hem Merlijn gaf voor deze zaak,

Die groot vuur uit de keel schoot;

Die het nooit zagen zeiden bloot,

25585 Het zou doemsdag wezen snel,

En verschrokken hen zeer van het vuur;

En zonder twijfel aan de draak

Lag betekenis van grote zaken,

Wan het vuur dat hem uit de keel schoot;

25590 [Dat martelen betekent groot

Van lieden dood te slaan mee

In koning Arthurs tijden, dat weet;

En, dat zijn staart gewrongen was,

Betekent groot verraad dus,

25595 Die in zijn eigen lieden was mede;

Toen ze tegen hem keerden ter plaatse

En met Mordret allemaal,

Daar hij oom van was en vader,

Want hij hem won aan zijn zuster mee,

25600 Koning Loth’s vrouw was,] dat weet.

Hierna zal ge wel verstaan dat ding

Hoe de strijd tussen hen verging.

Nu hoor hoe Randoen achter reed

Tot op Pontes en Antonys lieden,

25605 Daar koning Arthur ze opjaagde toen,

Die koning Bohort hielden alzo

Kort, dat hij het wel had te doen

Hulp, en toe zag datgene

Pontes, dat ze kwamen gevlogen,

 

 

 

 

 

25610 Voer hij daartegen, en riep toen

Zijn teken, en sloeg in daarnaar;

68 Daar werd de strijd groot en zwaar,

Toe de vier bataljons verzameld waren,

Want Walewein dreef ook daarnaar

25615 Frolles, de hertog, op Claudas,

Die tegen koning Ban in strijd was,

Die nu te onder was; dus werd daar

De strijd sterk en zwaar.

|Daar deed Walewein wonder groot;

25620 En zag nooit man diens gelijke.

Toen gebeurde dat Walewein na dat

Verzamelde aan koning Claudas,

Die daar streed tegen koning Ban

Met 100 000 man tegen 15 man,

25625 Daar de koning zeer ten achter van was.

Walewein verhief zijn zwaard na dat,

En waande op het hoofd te hebben geslagen

Claudas, die het schild hield tegen,

Die Walewein sloeg al in twee,

25630 En die slag ging voorwaart meer

En schampte neerwaarts alzo,

En sloeg het paard de hals af toe,

En ze vielen beide daar,

En Walewein reed voorwaarts daarnaar,

25635 Want hij kende Claudas niets.

Hij ontmoette Miseresse na ginds

En sloeg hem daar af zijn hoofd;

Deze was dapper, dus geloof het,

En was van Claudas manschappen.

25640 Walewein toog voort terzelfder tijden

En kloofde Antorilasse alzo

Zijn hoofd tot de tanden toe;

Dus sloeg hij er 20 dood;

Daar zijn slagen waren zo groot

25645 Zodat er niemand wachten durfde.

Toen dit koning Ban zag voorwaar

69 Dat Walewein, die zo jong was,

Zo’n groot wonder deed, dankte hij na dat

God, en zei tot Walewein toen

25650 "Bij God, heer, ge strijd hier zo,

"Dat ge het zwaard wel verdiend hebt nu,

"Dat koning Arthur heeft gegeven u;

"En ook mocht hij geen betere ter plaatse

"Zijn lieden hebben aanbevolen mede

25655 "Dan ge bent, en ik bid u heden de dag

"Dat ik uw gezel zijn mag."

"Heer, ik doe dat graag," zei hij,

En dank heb dat ge het zoekt aan mij,

"Maar ik moet varen te zoeken mijn neven

5660 "En mijn broeder, waar ze zijn gebleven,

"En, als ik ze heb gevonden, zo zal ik tot u

"Weerkeren." Toen zei hem nu

Die koning, dat hij hem zou

Graag wreken alzo te houden

25665 Voor Claudas, "die ge voorwaar

"Gelijk te neer sloeg aldaar,

"En, was hij dood, zo was gelijk

"Mijn oorlog zijn gedaan."

Toen zei Walewein: "Wijs hem mij"

25670 De koning zei: "Zie hem hierbij

"Met die wapens, die ge ziet hier,

"Gebloemd van zilver, en daarnaar

"Dat schild, in het midden gedeeld ter plaatse

"Van zilver en van kelen beide,

25675 "De leeuw klimmend van sabel mee."

Toen zei Walewein: "Vast en niet let,

"Varen we aan hem, en beproeven wij

"Onze kracht." Toen zei daarnaar

Koning Ban: "Ik ga er niet meer,

25680 "Want hij heeft me beschadigd zeer."

Toen sloegen ze hun paarden derwaarts,

En koning Claudas reed met een vaart

70 Tegen hem; toen werd ter tijd

Groot en vreselijk de strijd.

25685 Walewein en koning Ban

Lieten daar vlieden Claudas man,

En, toen Claudas dit zag aldaar,

Vloog hij in de grootste druk daar,

Want hij ontzag deze twee nu,

25690 Die hem daar jagen, zeg ik u;

Hij wist wel voeren ze tot hem daar

Dat hij dood was voorwaar.

Dus vloog hij onder zijn lieden alzo,

En ze volgden hem immer toe

25695 En wilden hem niet laten gaan

Had een avontuur niet gedaan,

Die ze vonden onder hem ter plaatse;

Want toen ze jaagden Claudas mede,

Vond Walewein 2 van zijn broeders daar

25700 Liggende [...........]

 [37 verzen zijn onleesbaar]

25738 En binnen die kwam al dat gemoed.

 [956 verzen ontbreken = 6 bladen]

26694 |2ra| Daar menig bij is dood gebleven mede

[...............]

26733 In het woud, als een wilde man.

26734 |2rb| [Bij naturen,] die hij ontving aan hen,

[...............]

26773"En kwijt laten gaan van u.

26774 "Ik zal uw droom oplossen dan"

Toen beloofde hij tot hem voor al zijn man.

Toen zei de wildeman: "Heer, bij trouw,

"Ge lag hiervoor bij uw vrouw

"En u droomde dat ge zag daar

Een zeug met borstels daarnaar

26780 "En had op dat hoofd een gouden ring",

En zei alzo voort al dat ding

Gelijk ge hebt gehoord hiervoor.

Toen hij het gezegd had door en geheel

Zei hij: "Heer keizer, wat lijkt u?

26785 "Heb ik me iets misgrepen nu?"

"Neen gij, een woord niet", zei hij toen,

"Heer", zeiden toen de baronnen,

"Sinds hij dit zo goed heeft gezegd,

"Zal hij wel zeggen de waarheid,

26790" Wat die droom betekenen kan."

"Zeker," zei toen de wildeman,

"Ik zal het u zo oplossen nadien

"Zodat gij het met de ogen zal zien."

"Nu zeg het dan", zei de keizer toen

26795 "Graag, heer, nu hoort hiertoe:

"Die zeug, die ge zag ten begin,

"Dat is uw vrouw, de keizerin,

"En de borstels betekenen ter plaatse

"Haar lange slepende klederen mede,

26800 "En de hoed, die ze had op het hoofd,

"Betekent haar kroon, dus geloof het;

"En, was het uw wil, ik zweeg hiermee."

De keizer zei: "Kwijt u [..]et

"En uw zekerheden." Toen zei hij voort

26805 "Die 12 wolven, heer, nu hoort,

"Die ge uit uw kamer zag komen,

"Zijn deze 12 jonkvrouwen, heb ik vernomen,

"Die mijn vrouw houdt hier nu;

"Maar het zijn geen jonkvrouwen, zeg ik u;

26810 Het zijn alle mannen; nu laat ze dan

"Ontkleden, zo weet ge de waarheid daaraan;

"En, weet wel, als ge hier niet bent,

"Zo liggen ze bij haar te alle tijd.

|"Nu heb je uw droom gehoord."

26815 De keizer kon spreken 1 woord,

Zo was hij beschaamd om dat,

Dat hem zijn vrouw zo ontrouw was.

72 Toen de sprak koning tot Grisandoles

"Ontkleedt me deze in alle wijze;

26820 "Ik wil dat mijn baronnen het zien."

En de drost deed het meteen;

En, toen ze ontkleed zijn daarnaar,

Zag men dat het alle mannen waren;

Dus verwonderde hen alle zeer daar.

26825 Toen vroeg de keizer daarnaar

Algemeen aan elke baron

Wat hem daarmee stond te doen,

En ze beraden hen lang na dat.

Tenslotte kwamen ze overeen ter plaatse

26830 Dat men ze branden zou openbaar,

Omdat ze hun heer ontrouw waren;

Bij dezen henben ze het verdiend wel.

Daarna deed de keizer niets anders

Dan hij zei het vuur maken gaan

26835 In midden van de plaats; men deed het gelijk,

En hij liet de keizerin daarnaar

Haar handen binden, en werpen daar

In het vuur, en al de andere mede,

En liet ze verbranden daar ter plaatse

26840 In de midden van het hof, na die zaak.

Aldus nam de keizer wraak

Over zijn vrouw en over de andere mee.

Toen werd dat nieuws groot, dat weet,

Overal in het land van deze dingen;

26845 Daar prees menig bijzonderling

De wilde man, en zeiden aldaar

Dat hij een goede waarzegger was.

Daarna bad hem de keizer vrij

Dat hij hem zeggen wilde, waarbij

26850 Dat hij lachte zo zeer gereed

Toen hij voor die abdij reed,

En voor die kapel, daar hij ook lachte,

Daar de knaap zijn heer sloeg.

 

Merlijn-continuatie, Boec van coninc Artur

Auteur: Lodewijk van Velthem

Aard: Rijm

BRON Maastricht, Rijksarchief in Limburg, 167 III 10 (fragm.)

Datum: 1350-1400

Omvang: 320 verzen

Opm.: Restanten van een dubbelblad, dat boven- en onderaan, zonder tekstverlies, besnoeid werd. Oorspronkelijk telden de beide bladen in totaal 320 verzen (per bladzijde 2 kolommen van 40 regels; dus geen 360 verzen zoals in Kienhorst (1988), 141, vermeld staat), maar doordat het perkament sterk gehavend is, is ongeveer de helft onleesbaar. Te oordelen naar de inhoud gaat het hier, van binnen uit gerekend, om het vierde bifolium van een katern. Fol. 1 correspondeert met de regels 25579-738 en fol. 2 met de regels 26694-853 in de uitgave van Van Vloten uit 1880.

EDITIE N. de Pauw: Middelnederlandsche gedichten en fragmenten. Dl. 2. Gent, 1903, 66-72 (67-72).

Status: Kritisch

MNW-nr: 914.B.IV, 904 (ander handschrift)

Opm.: De editie Van Vloten is door De Pauw gebruikt bij het aanvullen van de gehavende regels. In navolging van De Pauw is hier de regelnummering van Van Vloten aangehouden. De Pauw heeft een aantal regels verkeerd genummerd: Van Vloten 25604 is De Pauw 25605 (vanaf 25610 weer de juiste nummering); Van Vloten 26694 is De Pauw 26693; Van Vloten 26773-26774 is De Pauw 2677426775 (vanaf 26780 weer de juiste telling). Genoemde fouten zijn hier hersteld.

BRONNEN Van in totaal drie handschriften zijn er fragmenten overgeleverd:

- Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Ltk. 1107 (fragm.)

- Maastricht, Rijksarchief in Limburg, 167 III 10 (fragm.)

- Münster, Nordrhein-Westfälisches Staatsarchiv, Depositum Landsberg-Velen (fragm.)

De volledige tekst is overgeleverd in een Middelnederduitse 'Umschreibung' in het hs. Burgsteinfurt, Fürst zu Bentheimsche Schlossbibliothek, B 37, fol. 62v-229r (editie (hertaling naar het Middelnederlands): J. van Vloten (ed.): Jacob van Maerlant: Merlijn. Naar het enig bekende Steinforter handschrift uitgegeven. Leiden, 1880, vs. 1039936218).

RELATIE Historie van den wonderlicken Merlijn

 

 

51|1ra| So wetic wel dan ouer waer

Dat gi nembermeer heer daernaer

13025V lant ne hilt vort met geninde

Gine sout altoes orloge vinden

Alse lange alsi leefden nv

Her coninc artur dat segic v

Ende dadent oec die van der tauelronde

13030Die coninc soude onlange stonden

Jegen die gygante hem verweren

Daer ombe so radic v gi heren

Dat gi daer vaert onder v

Alse soudire hem dienen nv

13035Een jaer oft twe omtrent

Tot dat gi met hem sijt bekent

Ende gine sult oec niet lange na desen

Daer dinen gine sult daer wesen

Van hem bat ende weerder met

13040Dan ieman in sijn lant dat wet

Ende ic weet wel dat hi den coninc arture

Bidden sal dat hi ter vre

Sire dochter neme tenen wiue daer

Ende als hi se gecroent heft vorwaer

13045Selent die gygante weten saen

Ende dan en selense sonder waen

Niet langer dorren bliuen dan

Noch in ere haluer dachvaert an

¶ Doe antwerde merline de coninc ban

13050Ende seide oft wi dus voren van dan

Wat soude van onsen lande gescien

Dat wi noch qualike hebben versien

Ende wi hebben harde felle geburen

Die ons op lopen tallen vren

13055Ende onse lant woesten ende branden

Oec heft de coninc artur nv te handen

Menigen viant om hem geseten

Die dit scire souden weten

Dat wi vten lande waren

13060 52 Oec dochte mi grote doerhede twaren

Vore wi ander lant bescudden nv

Ende donse in auenturen lieten segic v

¶ Here here seide merlijn doe

Gi segt harde wale nv toe

13065Maer het doet goet achterwart gaen

Om vorder te springene sonder waen

Ende wet dat wel jegen .i. penninc

Dan gi hier verliesen sult her coninc

Gi sulter .ij. hondert winnen daer

13070Ende ic segt v al openbaer

Gine sulter hier verliesen borch no stene

No stat no dorp no veste ne gene

Ende gi sult winnen .i. conincrike

Dat bescermen sal ewelike

13075Dit lant ende verweren al

Alse lange alse artur leuen sal

Doe seide echt de coninc ban

Merlijn gi sijt vroeder daeran

|1rb| Dan wi alle sijn wetic wel

13080Ende als gijt ons raet sone es niet el

Hier toe te doen dan wi ons saen

Gereiden ende die dinc ane vaen

Nu besiet wanneer dat wi

Willen porren doe seide hi

13085Te half vasten sonder beiden

Ende daer binnen seldi v bereiden

Maer eer gi daerwart vart wet wel

Suldi hebben .i. batalie fel

Jegen die baroene segic v

13090Die hem gederen al dat si mogen nv

Ende met alder macht di si mogen

Vercrigen sellense v orlogen

Ende gi sult ontbiden wet vorwaer

Die gi hebben moget verre ende naer

13095Ende heimelijc suldi logiren dan

Jn dat foreest van bedigan

Ende ontsiet v niet want si

Selen meer scaden hebben dan gi

53 ¶ Merlijn seide doe de coninc ban

13100Ende oftic ende mijn broeder dan

Om hulpe senden souden si

Jet te tide comen doe seidi

Ja se here ende wie machse dan

Halen seide doe de coninc ban

13105Jc sal die boetscap doen seide merlijn

Ende oec salic eer comen sijn

Dan een ander dat segic v

Ende oec est te doene nv

Want die strijt sal sijn gewesse

13110Te sente marien lichtmisse

Jnde plaetse van bedegan

Ende vwen lieden wet vortan

Staet te riden dach ende n[ac]ht

Oec wet wel dat ic hebbe geacht

13115Dat ic margen nauont sal wesen

Te gannes doe si horden van desen

Dat merlijn seide daer ter stede

Hen wonderes sere ende logen mede

Si helsden merline ende daden hem daer

13120Grote feeste wet vor waer

¶ Dus nam merlijn orlof segic v

Ende seide hine hadde wat lettere nv

Ontbiet ridderen ende seriante here

Alse vele als gi moget nembermere

13125Ende so gi heimelijcs moget met

Ende gi selt doen voren ongelet

Spise ende vitaelge genoech daeran

Jn dat dal van bedegan

Ende alse die vitaelge es comen daer

13130So doetse deilen wel naer

Alden volke want ic segt v

Daer sals wel te doene sijn nv

Geft hem te .xv. dagen spise

Goet gesouten vleesch van prise

13135 54|1rc| Doet hem dit geuen sonder meer daeran

Ende doet hem keyen deilen dan

Ende bretelle ende griflette

Ende vlfine ende lucamme sonder lette

Dit doet so gi heimelijcst cont

13140Doen eyschedi tfingerlijn ter stont

Dat hi hadde an sine hant

Dat ict mach tonen in v lant

Leoncen van parnen vwen vrient

Ende pharine die v oec dient

13145Tenen litteken dat si na dat

Mi selen gelouen oec te bat

Alsict hem tonen sal aldaer

Si worden te barenteert daernaer

Doe si dit horden ende hen wonderets sere

13150Want si waenden dat nieman mere

Dit ne hadde geweten segic v

Dan si .ij. entie gene nv

Die hi daer noemde leonce ende pharijn

Dit dochten dmeeste wonder sijn

13155¶ Doe seide die coninc artur en sijt niet

Tontrasten van al dat gi hem doen siet

Want al dat men penst god weet

Weet hi op dat men wilt gereet

Do seide de .ij. coninge nv

13160So laetten dan gewerden met v

Sint dat hi so vroet nv es

Ende ons donct oec wel die waerhede des

Dat hi v bouen al die werelt mint

Gi seles te bat hebben dat gijt kint

13165So sere dat gijs noch menich werf

Gewaer sult werden als v bederf

Doe gaf hem die coninc van tfingerlijn

55 Ende doe sciet van hem merlijn

Ende al dat hi hem dus dede verstaen

13170Van haerre heimelijchede heeft hi gedaen

Ende dat hi daermet beiagen wille

Hare beider vrienscap lude ende stille

¶ Doe voer merlijn te blasijs wart

Te sinen meester ende seidem ter vart

13175Alle die dinge groet ende clene

Die onder hem gesciet sijn gemene

Daer na teldi hem hoe hi sal varen

Ene boetscap doen sonder sparen

Jn cleine bertangen ende toendem daer

13180Dat vingerlijn ende seide daernaer

Dat sijn littekijn soude wesen

Doe screeft blasijs al na desen

Gelijc dat hem merlijn seide

Doen sciet merlijn sonder beide

13185Van blasise vroe ende blide

Ende des ander dages te primtide

Was hi te gannes in de stat

Ende seide leonces ende pharijn dat

Hen de coninge ontboden nv

13190Al dat ic hier sal seggen v

1va| Dat gijs mi selt gelouen mede

Hi toendem tfingerlijn daer ter stede

Ende doen si sagen tfingerlijn

Geloefden si al der talen fijn

13195Die hi hem seide clein ende groet

Gelijc dat men hem ontboet

Doen si dit horden ontboden si

Alle die liede so dat si daer bi

Vergaderden .xv. dusent man daernaer

13200Ende wel gewapent wet vorwaer

Dese quamen alle te benewijc

Viij. dage vore kerst dage sekerlijc

Ende leonce ende pharijn mede

Setten doe hoede in elke stede

13205Ende in de borge die hem goet dochten

Daer si tlant met verweren mochten

Ende hieraf een lambegijs

56 Die stout was ende hadde groten prijs

Desen settense in de fortreetse met

13210Van gannes om dat hijt bet

Ende stoutelike hoeden soude daer

Dan een ander hem bat daernaer

Pharijn sijn oem dat hijt nv

Wel hoede. gerne oem dat segic v

13215Jc saelt so hoeden oft god welt

Dat gire gene scade of hebben selt

¶ Ende inde fortreetse van benewijc

Settense graciane des gelijc

Den here vanden hogen mure

13220Ende beualent hem ter vre

Hi was vrome ende getrouwe met

Ende opten casteel van trebet

Daden se graciaens sone hier

Die geheten was banier

13225Hi was coninc bans petrijn

Ende beide die coninge fijn

Waren in den casteel sijt seker das

Om dat hi van den lande de vaste was

Ende ins coninc bohortes casteel so es

13230Geset te hoedene placides

Leonces neue de getrouwe was

Ende sere vrome sijt seker das

Ende dese casteel heet mouleer

Aldus besetten si dat lant eer

13235Eer si sceden wilden van daer

Alst wel beset was daernaer

Doe voren si henen nacht ende dach

Wat dat elc geriden mach

Want die mane scone sceen

13240¶ Ende merlijn voer voren al in een

Die dat here leide vorwaer

Van den quaden passagen daer

57 Toter zee daer si doe op quamen

Daer si alle sceepten te samen

13245¶ Ende de coninc artur bander side

Gereidem sere de wile te stride

|1vb| Gelijc dat hem merlijn beual

So dedi sine sticken al

Hi ontboet alle degene nv

13250Die hi verbidden mochte segic v

Daer quamer harde vele ter stede

Ende meer dan hi waende mede

Die van logres quamen daer

Om die grote gichten vorwaer

13255Die hem de coninc hadde gegeuen

Selke quamen hem oec beneuen

Om den coninc te kennen ende oec mede

Om sine doget de hi dede

Daer si dicke af hebben gehort

13260Ende alsi alle waren comen vort

So waren daer wel .x. dusent man

Wel tors ende wapine an

Ende voet liede en wildi gene

Ende dat karijn al gemene

13265Daer men de spise op voerde also

Dedi met nachte al varen doe

Om dat hem merlijn hadde geraden

Dat hijt heimelijc soude begaden

Tote opten plein van be[de]gan

13270Ende als daer comen waren sine man

Jnt foreest daert heimelijc was

Sloegen si haer tenten daerin na das

Ende dit plein was de heimelijcste stat

Die men iewerinc wiste vor dat

13275Ende alsi gelogiert nv daer waren

En conste nieman geweten twaren

Waer si waren geuaren nv

Ende bander side dat segic v

So dede die coninc artur ene dinc

13280 58 Die hem doe riet ban die coninc

D[.]e merlijn sere prijsde daernaer

Want hi wiste vele openbaer

Van orlogene dies riet hi

Den coninc artur dat hi daerbi

13285Op alle straten van sinen lande

Wardeine soude setten menigerhande

Waer datter iemen doer lede

Dat menne vaen soude ter stede

Ende senden den coninc nadien

13290Dit was om dat men niet soude spien

Waerwart dat si henen waren

Oec dedi verbidden daernaren

Dat nieman en soude in sijn lant

Riden niegeren si v becant

13295Vor dat onser vrouwen dach leden si

Dat men kerssen draget ende daerbi

Diet dade conde ment geweten nv

Men souden ontliuen segic v

¶ Dus hilt hem dat volc stille daer

13300Ende hen wonderde sere daernaer

Wat dit dieden mochten doe

Dattie coninc mochte gebieden soe

|1vc| Ende hier bi was sine chiuaetsie

So wel verholen in sijn[...] p[ar]tie

13305Dat nieman conste geweten twaren

Waerwart dat si geuaren waren

Sonder die gene die waren nv

Vans conincs rade dat segic v

Nu swiget de boec van desen

13310Ende sal van den .vi. coningen lesen

Die waren gesconfiert te karlioen

Dat si met pinen daer ontfloen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe nu .X. coninge ende .i hertoge

arture willen bestriden .vi.

 

59 DJe boec seit ons nv twaren

Dat dese coninge erre waren

13315Om dat se gesconfiert waren doen

Van karlion dat si ontfloen

Daer si al haer hernasch verloren

Des hadden si groten toren

Datse nembermere worden blide

13320Sine haddent gewroken nu ten tide

Opten coninc arture ende oec mede

Op sinen touerere. de ons dat dede

Aldus sciedense van karlion nv

Gewont ende serich segic v

13325Som mostense op .i. leitire

Licgen daer mense op hene droech scire

Om dat si waren so gewont

Si voeren cleine dachvart tier stont

So lange dat si quamen daernaer

13330Jn haer lant daer daechden si vorwaer

So lange dat si genesen ware[n]

Ten inde van der maent daernare[n]

Hadden s[i een] groet parlement

Tusche[n dat lant] van gorre omt[rent]

13335Ende tlant van scotlant mede

Ende tparlement inde daer ter stede

So dat elc daer ontbiden soude

Sine mage ende sine vriende also [houde]

Als hi se vercrige[n] moge dat wet

13340Ende de hi hebben moge oec met

Ende alse wi alle vergadert sijn ter u[re]

Sele wi varen opten coninc arture

Ende selen hem nemen tlant

Oft wi sellent verbernen te hant

13345Ofte wi selen daer vte verjagen

60 Ondancs allen sinen magen

Doe namen si dach dat si wouden

Dat haer liede vergaderen souden

Jnde prayerie wete dan

13350Onder dien casteel van bedigan

¶ Doe sciet onder hem dat parlement

Ende elc ontboet sinen vrient omtrent

Ende alle de hi hebben conde

Daer quam de hertoge eschans ter stonde

13355Van cambenijc wel thernasch

Met .vi. dusent mans rasch

Ende wel tors ende [elc mede]

|2ra| Ende nu groenheiden al bespreet

Ende die erde doet verbaren.

 

Zo weet ik wel dan voor waar

Dat ge nimmermeer heer daarnaar

13025 Van land hield voort met dat doel

Ge zou altijd oorlog vinden

Alzo lang als ge leefden nu

Heer koning Arthur dat zeg ik u

Deden het ook niet die van der tafelronde

13030 De koning zou korte stonden

Tegen de gigant zich verweren

Daarom zo raad ik u gij heren

Dat ge daar vaart onder u

Als zou ge hem dienen nu

13035 Een jaar of twee omtrent

Totdat ge met hem bent bekend

En ge zal ook niet lang na deze

Daar dienen ge zal daar wezen

Van hem beter en waardiger mee

13040 Dan iemand in zijn land dat weet

En ik weet wel dat hij koning Arthur

Bidden zal dat hij ter ure

Zijn dochter neemt tot een vrouw daar

En als hij haar gekroond heeft voorwaar

13045 Zullen die giganten het weten gelijk

En dan zullen ze zonder waan

Niet langer durven te blijven dan

Noch in een halve dagvaart aan

Toen antwoordde Merlijn koning Ban

13050 En zei als we dus voeren vandaan

Wat zou van onze landen geschieden

Dat we nog kwalijk hebben voorzien

En we hebben erg felle buren

Die ons op lopen te alle uren

13055 En ons land verwoesten en branden

Ook heeft koning Arthur nu gelijk

Menige vijand om hem gezeten

Die dit snel zouden weten

Dat we uit het land waren

13060 52 Ook dacht ik grote domheden te waren

Voor we ander land behoeden nu

En de onze in avonturen lieten zeg ik u

Heer, heer zei Merlijn toen

Ge zegt erg wel nu toe

13065 Maar het doet goed achteruit te gaan

Om verder te springen zonder waan

En weet dat wel tegen 1 penning

Dat ge hier verliezen zal heer koning

Ge zal er 2 honderd winnen daar

13070 En ik zeg het u al openbaar

Ge zal hier verliezen burcht nog stenen

Nog stad nog dorp nog vesting geen

En ge zal winnen 1 koninkrijk

Dat beschermen zal eeuwig

13075 Dit land en verweren al

Alzo lang als Arthur leven zal

Toen zei echt koning Ban

Merlijn ge bent verstandiger daaraan

|Dan we alle zijn, weet ik wel

13080 En als gij het ons aanraadt zo is niet anders

Hier toe te doen dan we ons gelijk

Bereiden en dat ding aanvangen

Nu beziet, wanneer dat wij

Willen gaan, toen zei hij

13085 Te half vasten zonder wachten

En daarbinnen zal ge u bereiden

Maar eer ge derwaarts vaart, weet wel

Zal ge hebben 1 bataljon fel

Tegen de baronnen zeg ik u

13090 Die hem verzamelen al dat ze mogen nu

En met alle macht die ze mogen

Krijgen zullen ze u beoorlogen

En ge zal ontbieden, weet voorwaar

Die ge hebben mag ver en nabij

13095 En heimelijk zal ge logeren dan

In dat bos van Bredigan

En ontzie u niet want zij

Zullen meer schade hebben dan gij

53 Merlijn, zei toen koning Ban

13100 En als ik en mijn broeder dan

Om hulp zenden zouden zij

Op tijd komen, toen zei hij

Ja, ze heer, en wie mag ze dan

Halen, zei toen koning Ban

13105 Ik zal die boodschap doen, zei Merlijn

En ook zal ik er eerder gekomen zijn

Dan een ander, dat zeg ik u

En ook is het te doen nu

Want de strijd zal zijn gewis

13110 Te Sint Maria Lichtmis

In de plaats van Bredigan

En uw lieden, weet voortaan

Staat te rijden dag en nacht

Ook weet wel dat ik heb geacht

13115 Dat ik morgen avond zal wezen

Te Gannes, toen ze hoorden van deze

Dat Merlijn zei daar ter plaatse

Hen verwonderde het zeer en lachten mede

Ze omhelsden Merlijn en deden hem daar

13120 Grote feesten, weet voor waar

Dus nam Merlijn verlof, zeg ik u

En zei, hij had niets wat hem lette nu

Ontbiedt ridders en bedienden heer

Alzo veel als ge mag nimmermeer

13125 En zo ge heimelijks mag mee

En ge zal laten voeren zonder letten

Spijs en levensmiddelen genoeg daaraan

In dat dal van Bredigan

En als die levensmiddelen zijn gekomen daar

13130 Zo laat ze verdelen goed daar

Het hele volk, want ik zeg het u

Daar zal het wel te doen zijn nu

Geef hen te 15 dagen spijs

Goed gezouten vlees van prijs

13135 54 Laat hen dit geven zonder meer daaraan

En laat het Keye verdelen dan

En Bretel en Griflet

En Ulfijn en Lucas, zonder letten

Dit doe je zo je heimelijks kan

13140 Toen eiste hij de ring terstond

Dat hij had aan zijn hand

Dat ik het mag vertonen in uw land

Leonse van Parne uw vriend

En Pharijn die u ook dient

13145 Tot een teken, zodat ze na dat

Me zullen geloven ook beter

Als ik het hem tonen zal aldaar

Ze worden beschaamd daarnaar

Toen ze dit hoorden en hen verwonderde het zeer

13150 Want ze waanden dat niemand meer

Dit had geweten, zeg ik u

Dan zij 2, en diegene nu

Die hij daar noemde, Leonse en Pharijn

Dit dachten de meesten een wonder te zijn

13155 Toen zei koning Arthur, wees niet

Te ontrust van al dat ge hem doen ziet

Want al dat men peinst, God weet

Weet hij op dat men het wil gereed

Toen zeiden de 2 koningen nu

13160 Zo laat het dan geworden met u

Sinds dat hij zo verstandig nu is

En ons lijkt ook wel de waarheden dit

Dat hij u boven al de wereld mint

Ge zal het beter hebben dat gij hem kent

13165 Zo zeer dat gij nog menig maal

Gewaar zal worden als u het nodig is

Toen gaf hem de koning de ring

55 En toen scheidde van hen Merlijn

En alles dat hij hem dus liet verstaan

13170 Van hun heimelijkheden heeft hij gedaan

En dat hij daarmee bejagen wil

Hun beider vriendschap luid en stil

Toen voer Merlijn te Blasys waart

Tot zijn meester en zei hem ter vaart

13175 Alle dingen, groot en klein

Die onder hem gebeurd zijn algemeen

Daarna vertelde hij hem hoe hij zal varen

Een boodschap doen zonder sparen

In klein Brittannië en toonde hem daar

13180 Die ring en zei daarnaar

Dat het zijn teken zou wezen

Toen beschreef Blasys het al na deze

Gelijk dat hem Merlijn zei

Toen scheidde Merlijn zonder wachten

13185 Van Blasys vrolijk en blijde

En de volgende dag te priemtijd

Was hij te Gannes in de stad

En zei Leonce en Pharijn dat

Hen de koning ontbood nu

13190 Alles dat ik hier zal zeggen u

1va|  Zodat gij het me zal geloven mede

Hij toonde hen de ring daar ter plaatse

En toen ze zagen de ring

Geloofden ze de hele taal fijn

13195Die hij hen zei klein en groot

Gelijk dat men hen ontbood

Toen ze dit hoorden ontboden zij

Alle lieden zodat ze daarbij

Verzamelden 15 duizend man daarnaar

13200 En goed gewapend, weet voor waar

Deze kwamen alle te Benewic

8 dagen voor Kerst dag zekerlijk

En Leonse en Pharijn mede

Zetten toen behoeders in elke plaats

13205 En in de burchten die hen goed dachten

Daar ze het land mee verweren mochten

En hiervan een was Lambegijs

56 Die dapper was en had grote prijs

Dezen zetten ze in het fort mee

13210 Van Gannes omdat hij het beter

En dapperder behoeden zou daar

Dan een ander, hem bad daarnaar

Pharijn zijn oom dat hij het nu

Goed behoedde, die oom, dat zeg ik u

13215 Ik zal het zo hoeden als God het wil

Dat ge er geen schade van hebben zal

En in het fort van Benewic

Zetten ze Graciaen desgelijks

De heer van de hoge muur

13220 En beval het hem aan ter uren

Hij was dapper en trouw mee

En op het kasteel van Trebet

Deden ze Graciaens zoon hier

Die geheten was Banier

13225 Hij was koning Bans peetkind

En beide die koningen fijn

Waren in het kasteel, zij het zeker dat

Omdat hij van de lande de vaste was

En in koning Bohorts kasteel zo is

13230 Gezet te behoeden Placides

Leonse’s neef die trouw was

En zeer dapper, zij het zeker dat

En dit kasteel heet Mouleer

Aldus bezetten ze dat land eerder

13235 Eer ze scheiden wilden van daar

Toen het goed bezet was daarnaar

Toen voeren ze heen nacht en dag

Wat dat elk rijden mag

Want de maan schoon scheen

13240 En Merlijn voer voor al geheel

Die dat leger leidde voorwaar

Van de kwade passages daar

57 Tot de zee daar ze toen op kwamen

Daar ze alle inscheepten tezamen

13245 En koning Arthur aan de andere zijde

Bereide hem zeer die tijd ter strijd

Gelijk dat hem Merlijn beval

Zo deed hij zijn stukken al

Hij ontbood al diegene nu

13250 Die hij gebieden mocht zeg ik u

Daar kwamen er erg veel ter plaatse

En meer dan hij waande mede

Die van Londen kwamen daar

Om die grote giften voorwaar

13255 Die hen de koning had gegeven

Sommige kwamen hem ook benevens

Om de koning te kennen en ook mede

Om zijn deugd die hij deed

Daar ze vaak van hebben gehoord

13260 En toen ze alle waren gekomen voort

Zo waren daar wel 10 duizend man

Goed te paard en wapens aan

En voetlieden wilde hij geen

En de wagens algemeen

13265 Daar men de spijzen op vervoerde alzo

Deed hij ‘s nachts al varen toen

Omdat hem Merlijn had aangeraden

Dat hij het heimelijk zou begaan

Tot op het plein van Bredigan

13270 En toen  daar gekomen waren zijn man

In het bos daar het heimelijk was

Sloegen ze hun tenten daarin na dat

En dit plein was de heimelijkste plaats

Die men ergens wist voor dat

13275 En toen ze gelogeerd nu daar waren

Kon niemand weten, te waren

Waar ze waren gevaren nu

En aan de andere zijde, dat zeg ik u

Zo deed koning Arthur een ding

13280 58 Die hem toen aanried Ban de koning

Dat Merlijn zeer prees daarnaar

Want hij wiste veel openbaar

Van oorlogen, dus raadde aan hij

Koning Arthur, dat hij daarbij

13285 Op alle straten van zijn landen

Wachters zou zetten vele

Waar dat er iemand door reed

Dat men hem vangen zou ter platse

En zenden de koning nadien

13290 Dit was omdat men niet zou spieden

Waarheen dat ze heen waren

Ook liet hij verbieden daarnaar

Dat niemand zou in zijn land

Rijden nergens, zij u bekend

13295 Voordat Onze Vrouwen dag geleden is

Dat men kaarsen draagt, en daarbij

Die het deden kon men het weten nu

Men zou ze ontlijven, zeg ik u

Dus hield hem dat volk stil daar

13300 En hen verwonderde zeer daarnaar

Wat dit betekenen mocht toen

Dat de koning mocht gebieden zo

|En hierbij was zijn koets

Zo goed verholen in zijn[...] partij

13305 Zodat niemand het kon weten, te waren

Waarheen dat ze gevaren waren

Uitgezonderd diegene die waren nu

Van konings raad, dat zeg ik u

Nu zwijgt het boek van dezen

13310 En zal van de 6 koningen lezen

Die waren geschoffeerd te Carmeloet

Zodat ze met pijnen daar ontvloden

 

Hoe nu 10 koningen en 1 hertog Arthur willen bestrijden .vi.

 

59 Dat boek zegt ons nu, te waren

Dat deze koningen boos waren

13315 Omdat ze geschoffeerd waren toen

Van Carmeloet zodat ze ontkwamen

Daar ze alle hun harnas verloren

Dus hadden ze grote toorn

Zodat ze nimmermeer worden blijde

13320 Ze hadden het gewroken nu ten tijde

Op koning Arthur en ook mede

Op zijn toveraar, die ons dat deed

Aldus scheiden ze van Carmeloet nu

Gewond en bezeerd, zeg ik u

13325 Sommige moesten zich op 1 draagbaar

Liggen, daar men ze op heen droeg snel

Omdat ze waren zo gewond

Ze voeren kleine dagvaart te die stond

Zo lang zodat ze kwamen daarnaar

13330 In hun land, daar bleven ze, zij voorwaar

Zo lang zodat ze genezen waren

Ten einde van de maand daarnaar

Hadden ze een groot gesprek

Tussen dat land van Gorre omtrent

13335 En het land van Schotland mede

En het gesprek eindigde daar ter plaatse

Zodat elk daar ontbieden zou

Zijn verwanten en zijn vrienden, alzo te houden

Als ze krijgen mogen, dat weet

13340 En die hij hebben mag ook mee

En als ze alle verzameld zijn ter ure

Zullen we varen op koning Arthur

En zullen hem nemen het land

Of we zullen het verbranden gelijk

13345 Of we zullen hem daar uit jagen

60 Ondanks al zijn verwanten

Toen namen ze de dag dat ze wouden

Dat hun lieden verzamelen zouden

In de vlakte, weet dan

13350 Onder dat kasteel van Bredigan

Toen scheidde onder hem dat gesprek

En elk ontbood zijn vrienden omtrent

En alle de hij hebben kon

Daar kwam de hertog Eschans ter stonde

13355 Van Cambenic goed te harnas

Met 6 duizend mans ras

En goed te paard en elk mede

|En nu groenheid geheel gesp