Avonturen. Jacob van Maerlant, 1266: Samenvatting van de avonturen van de ridders.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de index.

Klik hier voor de samenvatting van de Heilige Graal.

Klik hier voor de samenvatting van koning Arthur.

 

 

Eerst een verhaal van Merlijn die eigenlijk niet volgt in de lijn van de Britse strijd en de Graal. Het is een verhaal van een nymfomane keizerin. Mogelijk slaat het op keizer Claudius en zijn vrouw Messalina. In dit licht moet ook de slag van Arthur op de Romeinen gezien worden. Mogelijk is hij de Claudas waarvan zo vaak gesproken wordt.

Claudius is geboren in 10 v.Chr. als Tiberius Clavidius Drusus. Eén van de wapenfeiten van Claudius is de Romeinse invasie van Brittannië in 43. Julius Caesar had een eerste verkenning van het eiland uitgevoerd maar de 80 jaar erna waren er geen Romeinen meer geweest. Claudius wilde graag een verovering op zijn naam hebben en besloot het eiland, waar vandaan geregeld piraten last veroorzaakten aan de Romeinse kuststreken, te ‘pacificeren’ en in te lijven. Bij zijn leven werd het zuiden veroverd en zijn opvolgers voltooiden de verovering tot aan de Schotse hooglanden waar de Picten te sterk bleken.

Claudius had niet veel geluk met zijn opeenvolgende vier echtgenotes. Zijn eerste vrouw was Plautia Urgulanilla. Zij was zijn vrouw tussen de jaren 9 en 24. Claudius scheidde van haar wegens overspel. Alleen hun jonggestorven eerste kind word als van Claudius zelf beschouwd. Daarna was Claudius vanaf 28 getrouwd met Aelia Paetina. In 30 kregen ze samen een dochter: Claudia Antonia. In 31 was Claudius haar blijkbaar moe en scheidden ze. In 37 of 38 trouwde Claudius met Valeria Messalina. Ze kregen samen twee kinderen: Claudia Octavia in 39 en Britannicus in 41. Messalina stond al voor haar huwelijk met Claudius bekend als een ongeremde vrouw die zich zelfs prostitueerde om zoveel mogelijk mannen in haar bed te krijgen. Ook tijdens hun huwelijk zette ze haar levenswijze voort en zette ze Claudius geregeld voor schut met haar seksuele uitspattingen. Toen Claudius eens op inspectiebezoek was in Ostia, trad Messalina in Rome bij een ‘wild feest’ op als de bruid van haar minnaar, waarna ze zich lieten uitroepen als de nieuwe keizer en keizerin. Op sterk aandringen van zijn adviseurs, die Claudius vertelden dat hij als dat zo door ging steeds minder serieus genomen zou worden, liet hij haar ten slotte executeren. Claudius trouwde al gauw daarna voor de vierde keer en wel met Julia Agrippina minor, dochter van zijn broer Germanicus en Vipsania Agrippina Maior. Ze had Claudius overgehaald om haar zoon uit een vroeger huwelijk te adopteren. Deze zoon was de later zo beruchte keizer Nero. Hij werd op zijn zestiende als troonopvolger aangewezen, Claudius’ zoon Britannicus werd hiervoor gepasseerd. Uit; http://nl.wikipedia.org/wiki/Claudius_I

 

Van Merlijn en van de keizer van Rome.

Dus scheidde Merlijn  van de koningen nu en voer in het bos van Rome meteen dat groot en wild is, horen wij belijden. En te die tijden was er een keizer mee die een vrouw had, dat weet, goed geboren en ze was de weelderigste, zij het zeker das, die men wist in enig land. En ze had een dochter, zij u bekent, van de keizer haar man d die zeer mooi was.  Voortaan hield die vrouw twaalf jonkheren daar in vrouwen klederen, weet voorwaar. Die bij haar lagen te alle tijden als die keizer niet was bij haar zijden. En wanner ze dacht dat bij hem zou zijn baard groeien liet ze hen alzo houden met kalk en met arsenicum beide en in urine gekookt mee. Dit liet ze bij hen strijken aan de baard zodat ze bij hen niet zou groeien zou ter vaart. En ze liet hen lang haar houden en dat gevlochten en gevouwen gelijk dat jonkvrouwen plegen openbaar. En slepende klederen, weet voorwaar. En met hoofdklederen gewonden. Dus gingen ze met haar te dien stonden en waren lang dus met haar zodat men ze niet herkende. Daarnaar gebeurde dat een jonkvrouw te hof kwam. Een prinsen dochter, zoals ik vernam, de hertogs dochter van Duitsland mee en was Avengnable genoemd, dat weet. En Frolles had haar verdreven alzo. En ze kwam als een knaap te hof toen van alle stukken en ze was groot en lang en ze werd na das meteen bij de keizer gehouden voorwaar voor een schildknaap lang daarnaar. En ze diende hem zo goed, zeg ik u, dat hij haar maakte meester nu van zijn herberg en had haar daarnaar zo lief dat hij haar ridder maakte daar. En liet haar met de andere jonkheren daar er tweehonderd van waren. Daarna schier werd ze drost van het land na des en liet zich heten Grisandoles. Maar haar echte naam was mede Avengnable.

Nu gebeurde ter stede dat de keizer op een nacht toen een droom kwam in de slaap toe dat hij een grote zeug zag gaan in zijn paleis die zo groot werd samen dat hij niet zijn gelijke zag. En zijn borstels dacht hij daar hij lag zo lang dat ze bij haar sloegen neer. Ze had op dat hoofd, dacht hij weer, een gouden kroon en hij dacht mede dat hij dat een andere keer gezien had ter stede en haar gevoed, maar hij durfde te zeggen niet dat ze helemaal de zijne was iets. Toen zag hij dat twaalf wolven kwamen uit zijn kamer en gingen tezamen allen, de ene voor en de andere naar, bij de zeug liggen. Toen vroeg daar de keizer wat ze met de zeug zullen doen die daar de wolven zo had gedaan? Toen zei men, dat ze niet waardig waar te wandelen onder de lieden, maar dat van haar komt zal men niet eten en berechten ze als men haar ziet te verbranden en de wolven mede. Toen werden ze alle verbrand ter stede tot een hoop. Dit dacht hij daar en toen sprong op de keizer daarnaar. Maar niet wilde hij dat zeggen dat zijn vrouw in enige plaats. ‘s Morgens ging hij de mis horen. En toen hij terugkwam vond hij daarvoor in zijn paleis zijn hoogste baron. En men ging de tafels dekken doen en gingen eten en de keizer zat in een erg grote gedachten nadat. En de baronnen merkten het gereed. En het was hem allen erg leed. Maar ze zwegen dus alle stil, weet voorwaar. Nu hoort van Merlijn hiernaar die alle deze dingen van de droom wist. Hij kwam voor de stad van Rome en maakte van zichzelf daar een van de grootste herten, weet voorwaar, die men ooit zag en voorts stond aan zijn rechterbeen een witte voet en op zijn hoofd vijf takken mede erg groot. En liep in die stede te Rome of hem had gejaagd de hele wereld, dus kwam hij verschrikt. En toen de lieden hem zagen komen daar werd het een groot lawaai daarnaar. Daar liepen hem na groot en klein en jaagden hem met staven algemeen zo lang zodat hij kwam gelopen nadat daar de keizer zat en at. En toen de dienaars dat gerucht hoorden en van het hert gewaar werden liepen ze uit naar hem aldaar. Toen liep dat hert in de zaal daarnaar en sprong op de tafel, daar de keizer zat en stortte de drank en spijzen ter stat. En toen hij genoeg had geweest daar sprong hij er af en ging daarnaar voor de keizer en knielde nu en zei: “keizer, waarom denkt u? Dat is om niet, u vindt niemand die uw droom u uitleggen kan voordat het u die wilde man uitleggen zal”. Toen ging hij er vandaan. Maar men sloot alle deuren toe en de vensters mede alzo. Toen dit het hert zag, sprak hij dat woord die tot zulke dingen behoort. En de deuren en de vensters mede vlogen alle open daar ter stede zo vreselijk zodat ze alle braken. En hij sprong er uit na dit teken en vloog weer door de stad. En ze begonnen het te jagen nadat en hij liep weer uit de stad daarnaar. Toen verloren zij hem en wisten niet waar. En toen keerden de lieden weer samen. Toen dit die keizer wist, zonder waan, dat hem het hert ontlopen was, was hij dus niet blij, zij het zeker das. En liet verkondigen overal daarnaar die het hert ving, hij zou hem daar zijn dochter geven tot vrouw daaraan opdat hij was een edelman. En half zijn goed en na zijn dood zou hij het alles hebben bloot. Toen voer daar menige edele jonkheer het hert met spiesen te zoeken zeer. Maar dat was alle arbeid verloren. Het hert kwam hen nimmer te voren. Ze keerden weer sommige daarnaar. Maar wie er keerde, weet voorwaar, Grisandoles keerde niet weer. Hij ging in het bos voort en weer acht dagen.

Daarna  gebeurde dat hij bad en hij viel daarbij in zijn gebed en bad Onze Heer daar dat hij moest vinden daarnaar dat hij zocht. Toen kwam daar samen hetzelfde hert die ze zagen gaan te Rome en zei:” Avengnable, dat u jaagt dat is grote fabel. U kan niet volbrengen uw eis. Maar ga naar huis en breng varkensvlees met peper en melk en honing mee en brood en alles heet, dat weet. En breng vier gezellen met u en een knecht mede nu die deze spijs bereiden kan. En dit breng je in dit woud voortaan en zoek hierin de wildste plaats die ge vinden mag en nadat zal u uw tafel daar maken schier en uw spijs zetten bij een vuur. Daar zal de wilde man komen nadien en ge zal hem niet ontzien”. En toen liep het hert weg na des en dus verwonderde zeer Grisandoles. En zat op zijn paard aldaar en dacht om het hert daarnaar. En meende dat het een geest is omdat hij hem noemde, zij het zeker dis, met haar naam daar ze mede was christelijk gedaan lang voor das. Toen reed Grisandoles in een dorp daarbij en nam dat hem nodig zij en vier gezellen en is wedergekomen in dat bos daar hij hem heeft vernomen onder een eik in een woeste plaats. Daar bereidden ze hun spijs nadat en richtte een tafel op erg samen gelijk hem het hert liet verstaan. Toen gingen ze zich verbergen geheel daarnaar. En Merlijn, die dit wist voorwaar, kwam daar gelopen als een wilde man met een stok alom slaande dan aan de ene boom en de andere mede. Dus kwam hij tot het vuur waart daar ter stede. En de knecht die het vlees bereidt daar schrok vreselijk daarnaar. En de wilde man begon hem nu bij het vuur te krabben, zeg ik u. Daarna nam hij dat vlees gereed of hij dol was, God weet. En at het allemaal alzo. Toen nam hij de honing en warm brood daartoe en at zich daar zo vol over een zodat hij daarvan gezwollen scheen. Toen ging hij liggen bij het vuur zich warmen en ontsliep schier. En toen Grisandoles zag dat hij daar te slapen lag ging hij daar en zijn gezellen mede. En bonden hem met een keten ter stede en aan een harig zeil voorwaar. Toen ontsprong hij schier daarnaar en meende op te zijn gestaan en zijn stok te nemen samen. Maar hij kon het niet. Toen gebaarde hij daar alsof hij geheel dol waar. Toen namen ze hem en zette hem op een paard en bonden hem aan dat zadel ter vaart. En diegene zat achter hem doordas die aan hem gebonden was hield hem in de middel mede. Toen zag de wilde man daar ter stede op Grisandoles en lachte daarnaar. En Grisandoles vroeg hem heimelijk daar waarom hij lachte en om andere dingen. Maar hij zei hem niets bijzonderling. Dan hij zei: “verwisselde en hovaardige, venijnige, stinkende en bedriegster verloochen uw naam, ik zal jij niets zeggen voordat ik bij de keizer kom bij daar ge me heenvoert”. Toen zweeg hij daar en sprak geen woord daarnaar. Dus verwonderde Grisandoles zich zeer nu en voerde hem alzo, dat zeg ik u, zolang zodat ze voor een klooster kwamen daar veel arme lieden zaten tezamen die graag brood hadden genomen. Toen ze voor de poort zijn gekomen toen lachte op hen die wilde man. Toen sprak hem echter Grisandoles aan waarom hij lachte. Toen zei hij daar; “beeld gepareerd, weet voorwaar, uit uw figuur bericht ik niet u voordat we voor de keizer komen nu”. Toen zweeg Grisandoles ter steden en zijn alzo voort gereden voor een kapel daar men missen las en Grisandoles steeg af na das en zijn gezellen en gingen mis horen. Daar vonden ze een ridder en zijn knaap voren die kwamen bezien de wilde man die vast gebonden was voortaan. Dus had het hem verwonderd wat dit was. En de ridders knaap gaf toen na das zijn heer een slag daarnaar. Dus de knaap zich, weet voorwaar, schaamde toen hij het had gedaan. Maar zijn schaamte was hem gelijk vergaan ten eerste dat hij weer kwam in zijn plaats daar hij tot hem ging voordat. En de ridder deed geen ding daartoe. En de wilde man lachte zeer toen. En niet lang daarna kwam nog mede die knaap en gaf echt ter stede zijn heer een dreun en daarnaar lachte echt die wilde man voorwaar. Dus was de ridder beschaamd zeer. En de knaap minachtte het min of meer toen hij op zijn plaats weer was. Voor de derde keer kwam die knaap na das en gaf zijn heer een dreun daarnaar. Binnen dien was de mis gezongen daar en Grisandoles is uit de kerk gegaan. En de ridder vroeg hem samen met wie hij is en wie dat waar die hij gebonden had alzo daar? Hij zei, ‘hij was met de keizer nu en deze wilde man voer ik, zeg ik u, tot de keizer omdat hij hem zal een droom uitleggen al. Nu zeg me lieve heer, waarom dat u uw knaap drie slagen hier sloeg nu en dat ge daar niets toe deed”? De ridder zei: “hoe dat het gaat. Ge zal het weten”. Toen riep hij mede zijn knaap al daar ter stede en vroeg hem waarom hij hem sloeg daar? De knaap zei: “ik wilde ik waar verdronken en ik het dus niet had gedaan”. “En zal ge me nog iets graag slaan?” “Neen heer, om geen goed”. Dus had Grisandoles verwondering groot. Toen zei de ridder, hij wilde mee gaan te hof om het wonder te horen, te waren, dat die wilde man zal zeggen daar. Toen voeren ze tezamen en daarnaar vroeg Grisandoles waarom hij lachte toen die knaap zijn heer sloeg? “Zwijg”, zei hij, “beeld gepareerd, bedriegster daar menig is bij bezeerd en dood gebleven en de scheren snijder ermee die scherper is dan iets ter stede. Vraag me niet voordat wij voor de keizer komen, ik en gij”. Toen Grisandoles hoorde dit woord durfde hij hem niet te vragen voort. Dus reden ze zolang te samen zodat ze te Rome in die stad kwamen. Daar liep dat volk al uit meteen omdat ze de wilde man wilden zien.

En Grisandoles bracht hem bij de keizer daar en zei: “heer, hier geef ik u openbaar een wilde man en hou hem voort meer want hij is me zuur geworden zeer eer ik hem kreeg, dat zeg ik u”. De keizer zei, hij zou het hem belonen nu. “En de wilde man zal ik dat belonen daarbij opdat hij ook blijven wil met mij”. “Ja ik”, zei toen die wilde man. “En hoe mag ik dus geloven dan”, zei de keizer, “dat u met mij hier wil blijven?” - “Ik zeg het dij”, sprak de wilde man, “ik zal het nu bij mijn christelijkheid zweren u”. “Ja, bent u christen?” sprak de keizer samen. “Ja ik”, zei hij, “zonder waan. Maar een wilde man won mij voor das daar mijn moeder mee verdoold was in dat woud van Briokes. Daar kwam haar een wilde man aan en lag bij haar en won mij daar en daarna ging ze van hem voorwaar en kwam weer te land na das. En toen ze van mij gebleven was, liet ze me christelijk doen na dien. En toen ik groot was ging ik spieden hoe ik komen mocht in dat woud. Want mijn natuur droeg me menigvuldig naar mijn vader. Dus liep ik dan in het woud ook als een wilde man bij de natuur die ik ontving van hem. Nu heb je gehoord hoe ik christelijk ben”. De keizer zei: “ik zal los maken u wil ge me hier beloven nu dat ge me niet zal ontgaan”. En hij beloofde het de keizer bij trouw samen. Toen zei Grisandoles de keizer daar alle dingen van voor en van naar die de wilde waren gebeurd ter stede. De keizer vroeg hem om zijn dingen mede en om andere, die hij zou weten graag. Merlijn zei: “ik denk u niet te weren. Maar ontbiedt hier al uw baronnen. Me staat dus niets anders te doen en voor hen allen zal ik u maken bekent uw droom en andere dingen gelijk”. Toen ontbood de keizer zijn baronnen die er daarvan menigeen kwamen tot dat doen. En toen ze alle verzameld waren toen vroegen ze de keizer daarnaar waarom hij ze had ontboden nu? “Bij God, gij heren, ik zeg het u: ik heb gedroomd vreemde dingen en die zou me verklaren bijzonderling deze wilde man die hier staat nu. Nu wil ik het dus niet doen zonder u en wil dat ge alle hoort toe en hierom heb ik u ontboden alzo”. Toen zei die keizer tot de wilde samen: “wil ge me iets laten verstaan van mijn doen dus bid ik u”. “Ja , zei de wilde man nu, “laat de koningin komen ter stede en al haar jonkvrouwen mede”. Toen liet men ze alle komen daar. Toen zei Merlijn samen daarnaar: “heer keizer, ge moet beloven mij voor al uw baronnen hierbij dat ge me vrij wilt houden nu en weg laten gaan van u. Ik zal uw droom verklaren dan”. Toen beloofde hij het hem voor al zijn man. Toen zei de wilde man: “heer, in vertrouwen, ge lag hiervoor bij uw vrouw en u droomde dat ge zag daar een zeug met borstels daarnaar en had op dat hoofd een gouden ring”. En zei alzo voort alle ding gelijk ge hoorde hier te voren. Toen hij dat gezegd had al door en door zei hij: “heer keizer, wat denkt u, heb ik me iets misgrepen nu?” “Neen gij, een woord niet”, zei hij toen. “Heer!” zeiden toen de baronnen, sinds dat hij dit zo goed heeft gezegd zo zal hij u zeggen de waarheid wat die droom betekenen kan”. “Zekerlijk”, zei toen de wilde man, “ik zal het u zo verklaren nadien zodat gij het met de ogen zal zien”. “Nu zeg het dan”, zei de keizer toen. “Graag, heer”, zei hij, “nu hoor hier toe: die zeug, die ge zag in het beginne, dat is uw vrouw, de keizerin. En de borstels betekenen ter stede haar lange slepende klederen mede. En die ring die ze had op dat hoofd betekent uw vrouw haar kroon, dus gelooft. En was het uw wil, ik zwijg hiermede”. De keizer zei: “kwijt u ter stede tot het einde van uw zekerheden”. Toen zei hij voort. “Die twaalf wolven, heer, nu hoort, die ge uit uw kamer zag komen zijn deze twaalf jonkvrouwen, heb ik vernomen, die uw vrouw heeft hier nu. Maar ze zijn geen jonkvrouwen zeg ik u, het zijn alle mannen. Nu laat ze zich dan ontkleden, zo weet ge de waarheid daaraan. En weet wel: als gij hier niet bent zo liggen ze bij haar te alle tijd. Nu hebt u uw droom gehoord”. De keizer kon niet spreken een woord zo was hij te ontevreden om das dat zijn vrouw hem zo ontrouw was. Toen sprak de keizer te Grisandoles;  “ontkleedt me deze in alle wijzen, ik wil dat mijn baronnen het zien”. En de drost deed het meteen en toen ze ontkleed zijn daarnaar zag men dat ze alle mannen waren. Dus verwonderden alle zeer daar. Toen vroeg de keizer daarnaar algemeen aan alle baronnen wat hem daarmee stond te doen. En ze beraden zich lang omdat. Tenslotte kwamen ze overeen ter stat dat men ze verbranden zou openbaar omdat ze hun heer ontrouw waren. “Bij deze hebben ze het verdiend wel. Daarna deed de keizer niet anders dan hij zei dat vuur te maken gaan in het midden van de plaats. Men deed het gelijk. En hij liet de keizerin daarnaar haar handen binden en werpen daar in dat vuur en alle anderen mede en liet ze daar verbranden ter stede in het midden van de hof na die zaak. Aldus zo nam de keizer wraak over zijn vrouw en de anderen mee. Toen werd dat nieuws groot, dat weet, overal in dat land van deze dingen. Daar prees menige bijzonderling de wilde man en zeiden aldaar dat hij een groot waarzegger waar.

Daarna bad hem de keizer vrij dat hij hem zeggen wilde waarbij dat hij lachte zo zeer gereed toen hij voor de abdij reed en voor de kapel daar hij ook lachte daar de knaap zijn heer sloeg. En ook lachte hij toen de keizerin kwam gegaan de zaal in. “Waarom dit was, dus bid ik u, dat ge me dat verklaart nu”. Toen zei Merlijn: “van deze zaken, heer, zo zal ik u bekend maken. Dat eerste dat ik lachte, heer, dat was omdat me een vrouw ving, zij het zeker das, met haar list, met haar kracht en alle mannen daar ontvocht. En weet wel dat deze Grisandoles een van de mooiste vrouwen is van al uw landen en is nu een reine maagd, dat zeg ik u. En voor de abdij lachte ik mede omdat die grootste schat daar ter stede ligt voor de poort en daarop zaten diegene die baden om liefdadigheid. En omdat er meer onder hun voeten lag goed dan op deze dag de abdij geheel waard is. En Grisandoles, zij het gewis, die Avengnable heet met vertrouwen, naar de naam van een jonkvrouw, ze vroeg me mede waarom ik lachte. En ik antwoordde haar bedekt genoeg en liet haar verstaan ter stede hoe ze zich verwisseld had mede tot een man, want ze een vrouw was. Dus sprak ik haar heimelijk door das en alle woorden die ik haar zei zijn waar. Want naar de waarheid zijn door vrouwen bedrogen menige man en menige plaats verloren voortaan en menig land vernield. Maar ik zeg het niet omdat me deert enig ding aan haar of dat is enige kwaadheid aan haar, zij het zeker dis. En ge zelf mag het dat wel merken nu dat menigeen door vrouwen is, zeg ik u, gehoond. Maar het raakt u niet van uw vrouw, al is dit geschied. Ze had het wel verdiend en om die zaken doe op een andere vrouw geen wraak. Want de vrouwen zijn dun gezaaid dan zijn ze iets verbonden aan enige man. En immermeer alzo lang staat de wereld en ook verder gaat zal ze verergeren iets langer hoe meer. En dat zal zijn van zonden, zoals ik zei eer, die van weelderigheid komt mede. Want de vrouw heeft een zede. Al heeft ze de beste man die er is in de wereld zo meent ze door dis de kwaadste te hebben die er is mede. Dit komt al van haar brosheden die in hen is.  Maar om dit wees op de vrouwen niet verbolgen nu ter tijd. Want men zal nog genoeg vinden mee in de wereld trouw, dat weet. En al bent ge bedrogen in een nu, ge zal nog zulke vinden, zeg ik u die het wel waard zal zijn ook mede keizerin te zijn in deze stede. En wil ge hier geloven voortaan, ge zal daaraan winnen mogen dan. Een profetie zegt nu, zonder liegen, dat die grote draak zal vliegen uit Rome en zal winnen ter stede dat koninkrijk van Brittannië en vernietigen mede en trekken tot zijn heerschappij, dat weet. Ondanks de tortelduiven mee die ze onder haar vleugels gevoed heeft al. En alzo vroeg als de draak optrekken zal om te varen op dat grote Brittannië daar, zo zal hem tegenkomen daarnaar een leeuw en tegen hem vechten alzo dat daar een vuur ver komt toe. En overmoed die de leeuw aldaar gebracht heeft die de draak daarnaar dood zal steken met zijne horens. Daarbij zal de leeuw van zijn toorn bevrijd worden. Maar ik zal u niet zeggen wat dat betekent nu dat ik u gezegd heb mede. Want ik ben niet schuldig ter stede het te verklaren. Maar dat zal geschieden in uw tijden. Nu behoedt u van dien en van kwade raad want dus veel aan u zal gaan van dit spel. En voorts dat lachen dat ik deed voor de kapel was niet mede om de dreun die de knaap gaf zijn heer, maar dat was daar van dat de knaap zijn voet, zonder waan, toen hij die dreun gaf ging weer staan op een grote schat en om dat ding lette hij er niet op als hij daarop ging. Want de dreun betekent overmoedigheid. En omdat men bij grote rijkheid alle dingen vergeet en niemand kent ja om God geeft geen wind nog om zijn moeder niet te meer dan de knaap deed om zijn heer. En rijkheid maakt de lieden loos en ontrouw mede altijd. En als hem iets gebeurt per ongeluk verzweert hij God en zijn heiligen alle. En zegt dat Hij dus ondank hebben moet van dat Hij hem doet. En dit doet de overmoed in schijn omdat ze in dat goed geworteld zijn. De andere dreun daar ik om lachte ter stede betekent die rijke persoon mede die zich baadt in zijn goed ter uren en gaat schertsen op zijn buren. En hij leent geld om weder loon en wacht en wacht, dat is zijn doen, zolang zodat hij hem mag vangen. En als hij hem gevangen heeft, zonder waan, wil hij dat van hem hebben ter vaart. Dan geeft hem diegene dat hij begeert. De derde dreun, in alle manieren, betekenen die valse pleidooien die hun buren verkopen mede van nijd omdat ze in elke stede zich goed beproeven en nauwelijks van ontzien. En als de pleiters weten van dien zo zoeken ze valse dingen dan die ze hen mogen brengen aan. En gaan ze bedingen omdat zij van de hunnen willen hebben daarbij. Daarom zegt men: een kwade buur maakt zijn omgeving het leven zuur. Nu weet ge van de dreunen, te waren, waarom dat ze gegeven waren. En weet ge waarom ik lachte mede toen de keizerin kwam hier ter stede met twaalf rabauwen, zeg ik u? Dat ik toen lachte was niets anders nu dan om haar zonden en haar onwaarde mede omdat ze een goede man had ter stede en ze met twaalf rabauwen was die ze haar lichaam leverde na das. En ze meende alle tijd het aldus heeft geleverd, dus zeker zij, dat dus niemand het zou weten, luid of stil. En dit was me leed door uw wil. En om uw dochter die zeker de uwe is. En weet ook wel dat ze na dis de moeder niet afgaan zal. Nu weet ge mijn doen groot en smal en waarom dat ik het heb gedaan. Nu wil ik weg varen samen”.

De keizer zei: “blijf nog bij mij, want ik wil weten of dat waar zij van Grisandoles en van de schatten”. En de wilde man beloofde wel dat. En men liet Grisandoles ter stede voor de keizer zich nu ontkleden. Toen vond men daar ter waarheid das dat het een erg mooie vrouw was. Dus verwonderde de keizer erg zeer. Toen vroeg hij de wilde man nog meer wat hij doen mocht meteen want hij had hem zijn dochter voordien beloofd tot vrouw te geven ter stede en half zijn koninkrijk mede en na zijn dood alles, God weet, “want ik wil behouden mijn eed”. Toen zei Merlijn: “dat zal ik zeggen u opdat ge mijn raad wilt doen nu en hij zal u ook niet kwaad wezen”. De keizer zei, ja. En na deze zei Merlijn toen: “zo raad ik aan u dat ge Avegnable trouwt nu tot een vrouw, want zij het zeker dis dat ze Mathenes dochter is van de hertog van Salerno mede. En de hertog Frolles heeft ze ter stede onterfd en de vader en de zoon en de moeder. En om datgene zijn ze in Provence in een stad alle drie gevlogen om dat. Nu laat ze zoeken en laat hen na dis hun erf geven dat hen ontnomen is met onrecht. En geef de zoon dan uw dochter tot een wettige man. Want hij is dapper en mooi mede”. Toen dit de baronnen hoorden ter stede gingen ze te rade en vingen aan dat hen aanried die wilde man. De keizer vroeg toen hoe hij heet daar en waarvan het hert kwam daarnaar. “Heer, zwijg dus, dus bid ik u!” “Zal ge ons iets meer zeggen nu?” Sprak de keizer. “Ja ik, heer”, zei hij van de gekroonde leeuw vrij en van de wilde draak fier zal ik u zeggen een andere manier. Omdat u het beter herinneren zal. Dat is waar de profetieën zeggen overal dat de grote ever van Rome, die is betekent bij de draak, zij het zeker dis. Zal tegen de gekroonde leeuw komen daar in dat blijde Brittannië, weet voorwaar, boven dat gebod der tortelduiven mede met een gouden hoofd, die ter stede zal hebben geweest zijn geliefde. Maar de ever en zijn partij zal zo overmoedig willen wezen dat hij in Frankrijk zal komen na deze vechten tegen de gekroonde leeuw fijn die met al zijn beesten daar zal zijn. En daar zal een kind van de leeuw samen de ever doden, zonder waan. En daarom beveel ik u, in vertrouwen, dat ge niets doet tegen het gebod uw vrouw welke tijd dat ge haar gekroond zal hebben nu. En doe je dus niet, dat zeg ik u, dat zal u beschadigen vaak zeer. Nu geef me verlof, dus bid ik u, heer. Want ik het nu heb gezegd voorwaar”. Toen gaf hem de keizer verlof daar. En eer de wilde man weg ging schreef hij aan de deur na dit ding van de zaal in Hebreeuwse taal. “Ik maak bekend u allen wel dat de wilde man was Merlijn die zijn droom uitlegde de keizer fijn. En ook was hij het hert mede die men jaagde door die stede en tegen de keizer sprak, dat weet, en tegen Grisandoles in het bos mee”. Toen scheidde hij van daar, dat zeg ik u, en ging tot Blasys, zijn meester nu.

De keizer liet zoeken allemaal Avengnable’s moeder en vader en haar broer Patriase mede. En te Montpellier, in de stede, vond men ze en bracht ze te Rome nu. Dus was men daar blij, zeg ik u, dat hun avonturen aldus zijn vergaan. Ze werden te Rome goed ontvangen. Hun dochter deed hen feesten groot waarvan ze meenden dat ze was dood. De keizer liet hen weer hebben hun land. Ook liet hij zijn dochter nemen gelijk Patriase en hijzelf nam mede Avegnable daar ter stede. Daar was de bruiloft groot voorwaar en de vrouw verdiende daarnaar dat ze de baron lief had nu. En binnen het feest, zeg ik u, kwamen boden van Grieken gereden. Want keizer Adriaan, nu ter steden, kon niet meer rijden of gaan. En daar is een grote twist ontstaan dat hij dat liet berichten mede. Dat zeiden ze de keizer daar ter stede van Rome, want dat onder hem was. Toen namen de boden verlof na das en kwamen ter deur waart gegaan daar ze de brieven zagen staan die Merlijn had geschreven daar. Ze lazen ze toen en daarnaar keerden ze weer tot de keizer toe en zeiden hem en verklaarden toen wat die brieven zeiden daar. En dat Merlijn het was, weet voorwaar, dat hert en die wilde man die zijn droom daar uitlegde voortaan en de grootste raad is mede van koning Arthur van Brittannië ter stede. Toen gebeurde daar een groot wonder naar. Want zo gauw als ze het hem was laten verstaan zo waren die brieven geheel vergaan. Dus werd groot nieuws in dat land van het wonder dat men daar vond geschreven dat het Merlijn mocht wezen.

Merlijn in Jeruzalem.

Toen Merlijn van Arthur gescheiden was toen voer hij te Jeruzalem en lette niet tot een koning die Flualis heet die machtig en groot was mede. Maar hij was een Sarracijn (73) ter stede. En die koning had verzameld nu alle wijzen van het land, zeg ik u. En zei: “gij heren, ik heb u ter stede ontboden en ik zal het u zeggen waarom dat het zij. Ik lag op een nacht en toen leek mij dat ik de koningin had voorwaar vast in mijn armen aldaar. En toen ze in mijn armen lag dacht ik dat ik twee vliegende serpenten zag. En elk serpent had twee hoofden. En ze waren vreselijk en groot. En bij elk voer uit de keel mede een grote brand daar ter stede. En mijn hele zaal verlichte daar. En het ene serpent nam me daarnaar met zijn voeten in mijn flanken binnen en de andere nam de koningin die in mijn armen lag alzo

en voerden ons in de nok van de zaal toen. En toen ze ons gedragen hadden daar trokken ze ons de benen daarnaar en de armen uit het lichaam mede en wierpen dat neer daar ter stede, dat ene hier, het andere ginder alzo. En toen ze ons ontleed hadden toen kwamen daar acht klein serpentjes en droegen onze leden leek me, in schijn, op de tempel en trokken ze daar geheel in stukken en daarnaar lieten ons die grote serpenten toen op de zaal daarboven alzo en ontstaken daarna de zaal en verbranden ons helemaal tot as en de wind mede droeg de as in elke stede die in deze zijde van de zee was. Dit was mijn droom en doordas dat hij me vreselijk lijkt nu zo heb ik hier ontboden u en bid u of hier iemand is die me bekend kan maken dis. Was er iemand die me het uitleggen kon, ik wil hem zweren hier ter stonde dat ik hem mijn dochter wil geven en half mijn goed in mijn leven. En na mijn dood alles omtrent. En heeft hij een vrouw die mij het ontbind, hij zal heer zijn over mijn land daarbij zolang als ik leef en over mij”. Toen dit die verstandige lieden hoorden bloot de droom en de giften die hij bood hadden ze zich dus verwonderd wat dat mag wezen. De ene zei een ding van deze de andere een ander, zoals hij dacht, bij vergelijking dat wezen mocht.

Nu was Merlijn ook onder hen daar. Maar niemand zag hem, weet voorwaar. En hij sprak zo hoog deze taal dat ze het alle hoorden in de zaal. “Koning Flualis, nu hoor naar mij, ik zal uw droom goed uitleggen dij”. Toen de koning dit hoorde daarnaar zag hij alom wie dat waar die dat gezegd had en alzo wel zagen daarnaar de andere in de zaal. Maar niemand kond hem zien. Nochtans was hij onder hen. Meteen zei hij voort: “koning, hoor uw droom: de twee serpenten die vier hoofden had mede en vlammen en vuur uitwierpen ter stede, dat zijn vier christen koningen, die u dit land zullen verbranden nu. En dat ze u en uw vrouw wegdroegen mee boven in de nok, dat weet, van de zaal dat zal zijn dat ze zullen hebben al uw land dijn tot de poorten van de steden. En dat het serpent uw vier leden uittrokken en van uw vrouw mee betekent dat ge uw kwade wet zal afstaan en zal christen worden naar. En dat de acht serpenten kwamen daar en uw leden en van uw vrouw namen en op de tempel droegen tezamen dat is dat uw lieden zullen vlieden in Diana’s tempel nadien om zich te behoeden daar. En dat ze uw leden verscheuren daarnaar en van uw vrouw ook ter stede, dat zijn uw kinderen die men mede verbranden zal in Diana’s kerk samen. En dat ze u en uw vrouw lieten gaan in dat paleis betekent dat ge mede gezuiverd zal zijn in christelijkheden. En dat de serpenten verbranden de zaal betekent dat u te die maal een penning waard goed niet blijven zal van uw kwade goed, groot en smal, van dat u heeft in deze wet. En dat ge tot as verbrand was mee zal zijn dat ge gezuiverd zal wezen van al uw zonden voort na deze in het water van de christelijkheid. En dat uw as vloog mede overal in het land bezijden de zee dat zal zijn dat ge noch meer kinderen zal winnen in christelijke wet die goede ridders zullen worden mee en geëerd zullen zijn in vele plaatsen. Dit is uw droom, ik zeg u dat”. Aldus scheidde Merlijn toen vandaar. En de koning had grote verwondering daarnaar van de stem die hij had gehoord.

 

Hoe koning Arthur streed tegen een vreselijke kat.

Hier zegt dit boek toen was geleden drie dagen zei Merlijn ter steden: “heer, daar langs is het voor u te doen want daar is geen man zo koen die daar durft te wandelen om een vijand die in een berg woont in dat land”. “Hoe”, zei de koning, “is het maar een man, wat zouden we allen derwaarts dan?” “Neen, heer”, zei toen Merlijn samen, dat is een kat, een duivel, zonder waan, die zo vreselijk is te aanzien mede men zag niet dergelijks in geen stede”. “God, Heer, genade!” zei de koning, waarvan mag komen zulk ding?” “Heer”, zei Merlijn, “dus is het vier jaar ter Opstijging van Onze Heer, weet voorwaar, dat een visser te Lousanne kwam te vissen in het meer, zoals ik vernam. En wierp zijn netten in het meer voort meer en beloofde de eerste vis aan Onze Heer die hij daar zou vangen nu mede. Toen ving hij een mooie snoek ter stede die dertig schellingen mocht waard wezen. Toen zei hij: “God, u zal niet hebben deze, maar u zal hebben nu de naaste. Hij wierp zijn netten in met haasten en ving een betere dan de eerste was. Toen zei hij: nog zal God wachten na das want de derde zal ik hem geven. Echt wierp hij zijn netten daar benevens en ving een klein zwart katje. Toen zei die visser: dit mag niet zijn, dat katje zal ik behouden mee want vertrouw God ik wil dat ge weet ik heb wel te doen met katten, ik heb thuis veel muizen en ratten. Hij hield het zolang zodat ze verbeet ter stede hem en zijn vrouw en zijn kinderen mede. Toen liep ze naar een berg in het land daar waar ze noch sinds heeft gewezen daarnaar en bijt en doodt nacht en dag alles dat ze daarop ervaren mag. En ze is ijselijk en groot mede. Ge zal daar varen en vertroosten ter stede de goede lieden en helpen uit de nood”. Dit hadden de baronnen verwondering groot en zeiden het was een mirakel voorwaar van Onze Heer omdat de visser daar niet deed dat hij beloofde God. Dus voeren ze derwaarts en vonden daar land het land verwoest, ver en nabij. Want daar durfde niemand te wonen in. Toen voeren ze tot aan de berg gelijk. Daar liet de koning logeren ter stede een halve mijl na de berg mede. Ze wapenden zich en reden ter stede op de berg daar die kat was. Toen wees hem Merlijn dat hol na das en zei toen tot koning Arthur: “in dat hol is dat felle creatuur”. “Hoe zal ze er uitkomen”? zei Arthur samen. “Ze zal schier er uit komen gegaan”, zei Merlijn, “maar hoedt u daarnaar, ze zal vreselijk op u lopen daar”. “Nu ga naar achteren”, zei Arthur toen en Merlijn ging toe en lispelde zeer, zeg ik u. En die kat die dat hoorde kwam nu uit het hol geschoten na deze. Ze meende dat het een beest had gewezen. Ze had honger en voer te koning waart. En toen het de koning zag hield hij ter vaart zijn speer daartegen en meende het daarmee te doorsteken, maar ze nam dat ijzer ter stede en trok het zo zeer dat de koning bijna gevallen was dat de koning wrong die speer alzo en brak zijn speer af totdat ijzer toe. Toen wierp de koning het uit de hand en trok zijn zwaard en bedekte zich gelijk met het schild en de kat sprong daarnaar op hem en meende hem te verwurgen daar. Maar de koning beschutte zich met het schild weer zodat ze ter aarde viel toen neer. Maar ze was gelijk weer op hem gevlogen en de koning had het zwaard getrokken en sloeg van haar een stuk af in dat hoofd. Maar de hersenpan had geen nood want dat was hard zodat hij dus niet ontgaan kon wat er geschiedt. Nochtans viel ze van de slag neer. Maar ze sprong gelijk op weer en nam hem bij de schouder na die dingen zodat de klauwen door het harnas gingen en in de schouder ook daarnaar. En ze scheurde het harnas daar zodat ze wel driehonderd maliën mede uit het harnas scheurde ter stede zodat hem dat rode bloed uit zijn schouder ter stede vloeit en dat hij bijna gevallen was. En hij liep op de kat na das daar ze zat haar poten te likken mede van het bloed. Toen ze hem zag ter stede tot haar komen schoot ze op hem toe en meende hem voor te grijpen toen. Maar hij wierp haar het schild tegen. Daar heeft ze haar klauwen ingeslagen zodat ze het schild geheel doorsloeg en de koning zo tot haar droeg zodat hij bijna was daar neer. Maar de koning hield zich zo vast weer zodat ze hem niet kon wegtrekken daar. En hij nam zijn zwaard daarnaar en sloeg haar de voorste voeten er af toen en ze viel op de aarde. Toen liep hij toe die koning en liet het schild vallen samen en meende de kat echter te slaan. Maar ze schoot hem in het aanzicht daarnaar en greep hem met de achterste voeten daar en met de tanden en beet hem toen zodat hem het bloed ontsprong alzo. Toen nam hij het scherpe van zijn zwaard en meende haar aan door te steken met een vaart. En toen ze dat zwaard voelde samen liet ze zich vallen en liet gaan. Maar ze bleef met de klauwen daar in het harnas vasthouden naar. En het hoofd hing toen naar beneden waart. Toen sloeg de koning met een vaart het achterste been er af ter stede en de buik viel ter aarde mede. En krijste zo luid zodat men het van daar hoorde daar dat leger lag voorwaar dat een halve mijl was. Dus menigeen zeer verwonderde, zij het zeker das, die dat in het leger hoorden naar die meenden dat het de duivel waar. Toen begon ze te wentelen na deze en had graag in haar hol gewezen. Maar de koning liep op haar tegen toen en ze wierp zich op met kracht alzo en wilde op de koning springen. En de koning stak ze na die dingen tussen de dijen zodat het geheel doorging. Toen kwam Merlijn tot hem na dit ding en de anderen en vroegen hoe het hem stond? “Wel, want ik heb geen nood van de duivel die ik heb gedood. Ik kwam niet in meer nood, nog in meer angst mede, uitgezonderd van de gigant ter stede die ik voor Carmelide dood sloeg. Toen namen die heren zijn schild en bezagen de voeten die daarin staken

en in het harnas na die zaken en zeiden ze zagen niet dergelijks. En toen de prinsen zagen zo groot die voeten en de klauwen zo lang mee waren ze alle verschrikt, dat weet, van dat grote wonder van die. De volgende dag reed hij te Gaule waart en het schild liet hij in de vaart voeren daar de voeten in waren. En de andere voet liet hij daarnaar in een koffer leggen daar om te getuigen, gebeurde het, daarnaar. En de berg die te voren heette mede de berg van de Lousanne, hij heten liet de berg van de katten voort. En immer meer sinds na dat woord wordt hij de berg van de katten genoemd.

 

Betoverde dwerg.

En de tijd dat men hierover stond kwam een jonkvrouw op een muilezel samen en bracht met haar een dwerg, zonder waan, de allerlelijkste die niet gezien was in de hof en anders waart tot dien. Hij was kreupel en lelijk mede en de wenkbrauwen groot ter stede. En de baard zwarter dan een raaf en sloeg hem tot de borst daarvan. En het haar zwart en lang soms en de schouder hoog en krom.  De bult voor en achter ineen, de handen groot en korte been. En de jonkvrouw was jong en schoon en ze steeg af voor de zaal na dat doen en nam de dwerg in haar arm daar en zette hem van het paard daarnaar en leidde hem voor koning Arthur en begroette hem hoffelijk ter uur zoals een die goed spreken kon. De koning bedankte haar ter stonde. Toen zei de jonkvrouw: “heer, ik kom tot u vanwege dat grote nieuws die loopt van u om u te bidden een gift mede want nieuws loopt van u ter stede dat geen jonkvrouw faalt bij u gereed van dingen die ze u bidt, God weet. Want men houdt u voor de beste man van de wereld en om dit ding dan ben ik gekomen tot uw hof nu om een gift te bidden u. Nu ziet of ge het wil geven mij”. “Jonkvrouw, bid wat ge wilt”, zei hij, ge zal daar van niet falen opdat men het doen mag met eren”. “Heer, dat zal u geen oneer zijn. Ik bid u dat ge mijn edele minnaartje, deze jonkheer die ik heb bij de hand hier ridder nu maakt al gelijk. Hij is het dus wel waard in alle doen, want hij is dapper en koen. En van edel geslacht en fijn en zou al lang ridder hebben geweest had hij gewild van koning Pelles van Listenois die een goede man is. Mijn lief wil niet en heeft me gezworen dat hij nimmermeer, dat weet, ridder wordt, heer, dan van u. En daarmee bid ik dus u zeer nu dat ge hem ridder maakt voort meer”. De koning begon te lachen zeer en allen die waren in de zaal.

Toen zei Keye tot haar deze taal: “jonkvrouw, ik raad u dat ge uw minnaartje vast bij u houdt want hier zijn diegene die hem van u stelen zouden hier omdat hij mooi is en fier”. “Heer”, zei ze, “de koning is zo’n goede man hij zal me geen onrecht laten doen daaraan”. “Bij God”, zei de koning, “jonkvrouw, hier zal u geschieden geen ontrouw”. “Heer”, zei ze, “dat looft u God, Onze Heer! Nu maak mijn geliefde ridder, dus bid ik u zeer”. “Jonkvrouw, ik ben dus bereid ter steden”. Meteen kwamen daar twee knapen gereden die twee schilden brachten van sabel mee en drie luipaarden van goud daar in gezet en gekroond met lazuur en mede hing een zwaard aan de knop ter stede. En de andere knaap leidde een paard daar dat mooi was openbaar en de breidel was goud mee en dreven een wagen voor hen, dat weet, met twee koffers en kwamen te hof in. En bonden hun paarden aan een den die in de hof stond en daarnaar openden ze hun koffer en trokken uit daar een harnas wit als sneeuw want hij was zilver en nog meer zo was hij van dubbele maliën en twee bedekkingen van zilveren lijnen en een zilveren helm, geheel verguld. Ze gingen in de zaal met geweld daar koning Arthur toen zat en at.

Toe hij de jonkvrouw zag komen nadat. “Bij God”, zei koning Arthur toen “ik zal hiervan uw wil doen”. Toen nam de koning de rechter spoor en spelde hem de dwerg daarvoor en de jonkvrouw de andere, God weet. De koning wapende hem geheel op gereed en omgorde hem dat zwaard en sloeg hem mede in de hals en zei ter stede: “God moet u maken een goede man”. “Heer, zal ge daar niet meer toe doen dan?” Sprak de jonkvrouw. “Neen ik”, zei de koning. “Ach, heer!” zei ze, “bid hem een ding dat hij nu voortaan mijn ridder zij”. De koning bad het hem, toen zei hij dat hij graag zou doen zijn bede. Toen namen ze verlof beide ter stede en geheel gewapend ging toen die kleine man op zijn paard zitten en de jonkvrouw dan op haar muilezel en lieten daarnaar hun knapen tot hun land waart varen. Zij en haar lief reden weg daarnaar en kwamen rijdend, weet voorwaar, in een bos onder hen beiden.

Ons zegt het avontuur voort dat koning Arthur zeer was verstoord omdat Merlijn van hem gescheiden was en nimmermeer meende te zien na das. Dus wachtte hij zeven jaar op hem alzo of hij iets zou komen tot hem toe. Toen werd hij zo met denken overladen te die tijden dat niemand hem kon verblijden. “Dus ben ik gereed”, zei Gawein toen “en ook zweer ik u bij ridderschap toe dat ik hem een jaar en een dag zoeken zal of ik hem iets mag vinden en vernemen binnendien”. Ditzelfde zwoer Sagrimor meteen en Ywein en Guheries en Acgravein en Garies en tot vijf en twintig ridders mede.

Toen hij van het hof scheidde en hij ridder was gemaakt alzo hij en zijn geliefde kwamen toen in een woud gereden daarnaar en voeren daarin hier en daar van ‘s morgens tot de vespertijd toe. Daarna kwamen ze beide toen uit het bos daar het mooi was in een groene vlakte na das. Toen kwam er een ridder gereden daar en ze wees de dwerg ernaar. “Hij zal mij willen nemen”, zei ze toen, “en met hem weg voeren alzo”. Meteen zo riep die ridder samen: “welkom moet mijn jonkvrouw wezen! Nu heb ik gevonden dat ik voor deze lange tijd heb begeerd”. Dit was voor de dwerg onwaardig toen hij deze woorden verstond en antwoordde met rede wel behoed: “heer, bent niet te haastig nu! Al te zeer mocht ge haasten u, al drijf je dus feesten menigvuldig nog hebt ge haar niet in uw geweld” “Ik mag wel feest drijven nu want ik zal haar gelijk hebben, zeg ik u”. En toen de dwerg dit zag dat het niet anders zijn mag nam hij zijn schild en bedekte zich daar zodat men hem niet zag voorwaar en zette een speer onder de arm alzo en de benen waren hem zo kort toen dat er voor hem twee gaten door dat zadel daar gemaakt waren daar hij daarnaar dat paard door sloeg met de sporen, te waren. Toen riep hij op de ridder te die tijden: “hoed u!” en de ridder schaamde zich das omdat de dwerg zo klein was had hij onwaarde, dat hij zou tegen hem spelen en hield met geweld zijn lans opwaarts mee. Het schild hield hij daartegen met geweld. En de dwerg stak hem daar door het schild en reed op hem daarnaar met de schouders en ontmoette hem zodat hij en het paard ter aarde viel toen. En met de val brak hij, ter stede, zijn schouder en de dwerg mede overreed hem en kwetste hem zeer zodat hij lag al uit de kom. Toen riep de dwerg die jonkvrouw daar dat ze hem er af hielp daarnaar. En ze nam hem in haar armen alzo en zette hem op de aarde toen. En hij trok een zwaard en ging staan boven de ridder en trok hem af samen de helm en zei hij zou hem daar dat hoofd afslaan of hij gaf zich daarnaar overwonnen. En toen hij dit zag die daar zeer gekwetst toen lag gaf hij hem over en bad genade samen. “Zo moet ge dan varen”, sprak de kleine, ‘tot koning Arthur en zeg hem dan dat u daar zendt die kleine man die hij ridder maakte met diegene en ik u in zijn gevangenis zend”. Toen verzekerde hij hem dat in vertrouwen daar. Toen zei hij hem op te staan daarnaar en derwaarts te varen. Toen zei hij samen dat hij niet op kon staan “want ik heb de schouder verschoven nu. Maar wil ge gaan, dus bid ik u, aan de andere zijde van deze vlakte en herberg daar in mijn woning en zeg daarnaar mijn knapen dat ze me halen, zonder waan.” “Dat wil ik graag doen”, zei de kleine. Toen ging hij ter jonkvrouw mede die hem op zijn paard zette ter stede en reden tot de woning waart alzo daar ze goed ontvangen waren toen. Toen zei hen de dwerg dat hun heer in de vlakte gekwetst lag zeer en dat ze hem halen. Toen namen ze daar een draagbaar en voeren om hem naar en legden hem daarop en voerden hem mede thuis waart en ontwapenden hem zijn leden en bereiden hem zo ze het beste konden en vroegen wie hem dat deed te die stonden. Hij zei, een ridder, hij weet niet das, hij durfde van schande niet te bekennen wie het was dat hem dat een dwerg had gedaan. En daarnaar ging men slapen en sliepen na das totdat het laat op de dag was. Toen stonden ze op en de jonkvrouw samen ging en wapende de kleine als een die ze beminde erg zeer. Toen gingen ze in de kamer tot de heer en boden hem goede dag alzo en namen aan hem verlof toen en bedankte hem van zijn herberg en reden te Estragorre waart na das. En de ridder die gekwetst was dacht zijn trouw te kwijtschelden daar en liet zich vervoeren op een draagbaar te Caredol waart daar koning Arthur met groot gezelschap was ter uur. En de ridder liet zich dragen naar dat daar koning Arthur nu zat en at. En zei tot de koning daarnaar: “heer, om mijn trouw te houden nu ben ik vanwege een ridders tot u gekomen in uw genade die nu heeft mij overwonnen”. De koning vroeg, wie hij zij ‘die u hier zendt in gevangenis mede?” “Heer”, zei hij, “ik zie wel dat ik ter stede mijn grote schande moet zeggen u. Maar om mijn trouw te houden nu zal ik dat zeggen. Want ik minde, heer, een jonkvrouw uitermate zeer die zo over mooi is en een konings dochter, zij het zeker dis. En me gebeurde hiervoor dat ik kwam geheel gewapend daar ik vernam een dwerg en die jonkvrouw mede die van u kwamen ter stede. En toen ik haar komen zag met de kleine verblijde mijn hart daarom samen dat niemand meer met haar was. En ik zei en riep zeer na das dat God haar me heeft gezonden daar. En daar gebeurde mede wat ik alhier vertelde ter stede. “Bij God”, zei de koning omtrent, “hij heeft u in goede gevangenis gezonden. Maar zeg me wie hij is die kleine”.  “Bij God, heer”, zei de ridder samen, ‘hij is de zoon van koning Brangores van Estragorre die machtig is”. De koning zei: “ge zegt waar. Maar me verwondert zeer openbaar dat Onze Heer gaf zulke vrucht hem”. De ridder zei: “Onze Heer dingen zijn wonderlijk want hij was een van dat schoonste kind dat men ergens vond omtrent. En toen hij had dertien jaar gebeurde hem dit al openbaar. En hij is maar 22 jaar oud mede, nochtans schijnt hij veertig jaar ter stede’. Voortaan vroeg hem de koning hoe dat hem gebeurde? “Bij God, heer, zei hij, “omdat hij niet minnen wilde een jonkvrouw mede maakte ze hem van toornigheid aldus ter stede. Maar die dag is bepaald, heb ik vernomen, dat hij weer in zijn vorm zal komen. Nu heb ik mijn belofte gedaan aldus geef ik me u hier gevangen”. “Vriend, ik scheld het u kwijt”, zei die koning, “ga met Onze Heer!” En ze voeren tot hun land waart samen.

Hier zegt de historie van Ywein toen hij gescheiden was van Gawein kwam hij en zijn gezellen daarnaar in het uitgaan van een bos. Daar ontmoeten ze een jonkvrouw gereden op een muilezel die daar ter steden grote rouw dreef en trok haar haar met grote vlokken uit voorwaar en riep: “wat zal van mij geschieden als ik diegenen verloren zal zien die me boven alles in de wereld beminde en door mijn vriendschap met geen einde zijn grote schoonheid heeft verloren?” Toen heer Ywein dit begon te horen ontfermde hij zich dus en reed derwaarts en vroeg wat haar was ter vaart. Toen zei ze: “heb mijn genade nu edele heer en mijn geliefde, bid ik u, die vijf ridders ter dood slaan onder die berg”. Toen zei hij samen tot de jonkvrouw: “wie is uw geliefde?” “De dwerg, konings zoon Brangorys”, zei de jonkvrouw”.

Heer Ywein zei: “jonkvrouw, zwijg nu! Bij de trouw die ik ben schuldig u mag ik daar op tijd nu komen hem word dat lijf niet genomen”. Toen reed heer Ywein vast daarnaar en kwam gereden daar de kleine vreselijk streed, zonder waan, tegen twee ridders. Want hij had er drie afgeslagen van de partij zodat van hen niet te ene stonde van de aarde verheffen kon. Want de ene had hij in het verweer gestoken met een speer. En de andere in de schouder mede zodat hij hem ontleed hing ter stede. De derde had hij daar gelijk dat hoofd gekloofd tot de tanden. Toen Ywein hem zag strijden zo dapper zei hij dat het schade was zekerlijk “dat hij zo klein is want hij is koen en van goed hart, daar dus is te doen”. En heer Ywein reed derwaarts zeer. Maar eer hij daar nu kon komen bij die heer had hij de vierde geslagen ter aarde en overreden met het paard. En toen de vijfde dat zag dat hij alleen was had hij angst daarbij en wilde toen vlieden erg samen. Maar hij hield hem zo kort die kleine met slagen zodat hij hem gedood had daar had heer Ywein er niet geweest voorwaar die hem hoffelijk bad alzo dat hij hem liet gaan. En toen de dwerg dit hoorde en ziet antwoordde hij heer Ywein hoffelijk na das. De dwerg sprak: “ge schijnt zo’n goede man, ik wil graag uw bede doen nu”. Toen kwam die ridder, zeg ik u, tot heer Ywein en bedankte hem naar dat hij hem nu beschut had daar. Toen bood hij zijn zwaard aan de dwerg, zonder waan, en de anderen die daar leefden samen. Daar liet de dwerg ze alle vier varen in koning Arthurs gevangenis, te waren. En ze voeren van de kleine weg daar. En mijnheer Ywein scheidde daarnaar en zijn gezellen van de kleine en van de jonkvrouw en voeren samen weg.

En de tijd daar we dit van vertellen dat Ywein dit gebeurde en zijn gezellen kwam heer Gawein te gaan alleen in een mooi bos algemeen. En hij dacht aan Merlijn, naar dat ding zo zeer, hij wist niet wat er over hem ging. En toen hij twee mijl had gereden kwam een jonkvrouw tegen hem ter steden op een mooi telgang paard. En heer Gawein was zo in gedachte ter vaart dat hij haar vergat te groeten toen. Toen ze hem voorbij was keerde ze alzo en zei: “bij God, het is niet waar dat men van u zegt openbaar. Men zegt, heer Gawein, dat ge bent de beste ridder die er is ter tijd en de hoffelijkste ook daarmee. Bij God, dat is gelogen alle beide, maar ge bent de burgerlijkste die ik weet. Want ge mij ontmoette, God weet, alleen in het midden van een woud nu en niet zoveel te ootmoedig ge u dat ge me gegroet had mede en gesproken tegen mij ter stede. Zij het zeker, het zal u misvallen om dis dat ge niet wilde om de stad van Londen, nog om dat halve koninkrijk mede”. Heer Gawein schaamde zich zeer ter stede en antwoordde de jonkvrouw na das zoals een die zeer beschaamd was: “jonkvrouw, ik dacht aan een ding nu dat ik zoeken ga, ik bid u dat ge het me vergeef”. Ze zei toen: “ge zal dat eerst bekopen zodat ge daar veel schande en oneer van zal hebben eer ge weder zal keren. Maar ik zeg niet dat het u altijd zal duren. En dat u nu gaat te zoeken ter uren dat zal u in het koninkrijk van Londen niet vinden. Maar, zij het zeker des, in klein Brittannië zal ge daarvan horen. Nu slaat voorwaarts vast met sporen en de eerste die ge ontmoet nu op die moet ge lijken, dus oneer ik u, tot ge me weer ziet voorwaar”. En heer Gawein reed heen van daar en hij had niet gereden een mijl dat hij ontmoette dezelfde wijl de dwerg en de jonkvrouw mede daar ik hiervoor van zei, ter stede, die de vier ridders zendt tot koning Arthur. En nu was op ditzelfde uur de dag van de Triniteit. Heer Gawein begroette ze en heeft gezegd: “God geeft u beiden zalige dag!” Ze zeiden weer: “God, die het wel doen mag geeft u geluk en goede avonturen!” - En niet lange na dat uur kwam de dwerg weer na das in zijn vorm daar hij tevoren in was en van ouderdon twee en twintig jaren. Mooi en goed geleed, te waren. Zodat hij zijn wapens uit na datgene moest doen omdat ze waren te klein. En toen dit zijn lief zag was ze de blijdste die er wezen mag. Ze nam hem in de armen gelijk daar en kuste hem honderd maal daarnaar. Heer Gawein bedankten ze zeer samen die hem zalige dag ontbood daar ze blijdschap van hadden groot. Dus reden ze heen onder hen daar en heer Gawein reed ook voorwaar. Maar hij had geen drie mijlen gereden dat hem zijn mouw, daar ter steden, van zijn harnas over de handen hing. En zijn harnas na dat ding werd hem te lang drie voeten daarnaar. Zo kort en zo klein werd hij daar. Zijn ijzeren kousen waren overeen twee voeten langer dan dat been. En zijn schild sloeg hem mede tot de voeten. Toen zei hij ter stede; “dit is dat me die jonkvrouw, zei”. Hij was zo boos toen hij dat ziet zodat hij zich bijna verslagen had mede. En in deze grote ongeduldigheid reed hij zo lang zodat hij kwam uit het bos daar hij een kruis vernam daar een steen bij stond. Toen voer hij daar en steeg af en begon daarnaar zijn harnas te korten ter stede en ook zijn mouwen mede en zijn riemen van het schild mee en van zijn zwaard ook, dat weet. En bond zijn harnas zo hij het beste kon en deed het aan en zat ter stonde op zijn paard zo boos daarnaar dat hij liever dood waar dan hij leefde. Dus voer hij heen, zijn misval klaagde hij alleen. En daar hij aldus klagend reed hoorde bezijden hem, God weet, een stem zeer roepen. Toen zag hij derwaarts daar het hem dacht bij. Maar hij zag geen creatuur daar dan een rook zag hij daarnaar geheel rond, dik en hoog mede. Daarna hoorde hij nog ter stede een stem zeggen tot hem meteen: “heer Gawein, mistroost u niet van die. Dat gebeuren moet dat moet wezen”. Heer Gawein zag alom naar deze. En toen hij dit dus heeft verstaan was hij graag door de rook gegaan. Maar hij kon het niet en toen zei hij: “God, Heer! wie noemt hier mij met mijn naam nu ter stede?” “Hoe”, zei de stem, “wat is er met u mede dat u me nu wil kennen niet? Wat is u”, zei hij, “nu geschied. U plag me wel te kennen hiervoor. Aldus ga nu de hele wereld door want van de dingen die men niet hanteert daar is men volledig van afgekeerd. En de profetie is waar die men zegt want die het hof schuwt, God weet, het hof schuwt hem weer daarbij en aldus is dat nu met mij. Toen ik koning Arthur diende en u en andere zijn vrienden was ik bemind van u en andere mede. En omdat ik het hof verlaten heb, ter stede, ben ik onbekend met andere en met u. En met recht zou men nu het land me dat niet doen, zij u bekent, opdat trouw en deugd regeren’. Toen heer Gawein deze stem hoorde, verstond hij wel bij die woorden dat Merlijn het was en zei nu: “met recht zou ik wel kennen u, want menige eer, zonder waan, heb ik hiervoor van u ontvangen. Ik bid u, heer, laat me u zien”. “Dat mag”, zei hij, “niet geschieden dat ge me immer meer mag zien overeen of spreken voort man geen nadien dat ge hier weggaat van mij. Want niemand heeft macht dat hij voortaan meer hier mag komen iets, dan mijn vriendin als zij het gebied. En het is me leed dat het zo moet wezen, want ik heb geen macht van deze dat ik daar iets tegen kan doen overeen. Want in de wereld is er toren geen zo vast als daar ik besloten ben in. Nochtans zo is hij meer nog min van steen, van hout, van ijzer mede. Maar hij is bij de lucht besloten ter stede bij kracht van kunsten en meer of min zo kan daar niemand uit nog in uitgezonderd mijn lief die gezelschap houdt mij als het haar vergenoegt en het haar wil zij”. “Hoe”, zei Gawein, “lieve Merlijn! Hoe komt het dat ge aldus moet zijn? En kon ge uzelf helpen niet met geen handigheid, die ge pleegt, iets? En ge was de verstandigste dien men wist in de wereld van allerhande list!” Toen zei Merlijn: “lieve heer, ik was de zotste van de wereld, zij het zeker das. Want ik wist al dit te voren en liet me een vrouw zo vervoeren dat ik haar liever had dan mij. Want ik leerde mijn geliefde daarbij dat ik gevangen ben en me mag nimmermeer verlossen, nacht of dag geen mens die nu leeft tot mijn leven een einde heeft”. “Bij God”, zei heer Gawein ter stede, “dus ben ik rouwig en mijn oom mede die u zoeken laat, als hij dit weet zal hem dat wezen erg leed”. “Ach, mijn lieve Arthur!’ zei Merlijn nu, nimmermeer zo zie ik voort u nog hij mij. Want dat is om niet wie zich dus pijnigde voort, iemand iets. En bent ge van mij gekeerd voortaan, nimmermeer zo hoort me een man nog ook vrouw spreken algemeen uitgezonderd mijn vriendin alleen. Nu keert weer en groet me zeer koning Arthur, mijn lieve heer, en de koningin en alle baronnen en vertel mijn wezen al diegenen van het hof, ik bid u dis. en voort, heer Gawein, zo zeg ik u dat ge u niet wanhoopt nu van dat u hiervoor gebeurd is want ge zal die jonkvrouw, zij het gewis, in het bos vinden en laat het niet, ge begroet haar hoffelijk, als ge haar ziet”. Toen scheidde heer Gawein rouwig en blij. Blij was hij omdat hem te die tijde Merlijn gezegd had dat hij tot zichzelf zou komen daarbij. En rouwig was hij als te voren dat hij Merlijn dus had verloren. Dus reed hij vast te Caredol waart en kwam gereden met een vaart in het woud daar hij de jonkvrouw ontmoette hiervoor die hij niet groette. Daar zag hij bezijden twee ridders staan geheel gewapend en hielden gevangen een jonkvrouw onder hen beiden daar en lieten hen of ze haar daar verkrachten zouden. Maar ze niet hadden nu geen wil, dat zeg ik u. Maar ze liet het hen doen ter stede om heer Gawein te beproeven mede. En ze wrong haar handen menigvuldig en gebaarde of men haar verkrachten wilde. Toen heer Gawein dit zag gelijk riep hij: “ge bent dood als ge in dit land jonkvrouwen verkrachten wil dat toehoort aan koning Arthur”. Dus reed hij voort en de jonkvrouw riep toen meteen: “heer Gawein, nu zal ik wel zien of er in u is zo veel dapperheden dat ge me komt behoeden, ter stede, van deze schande”. Hij zei meteen: “bij God, jonkvrouw, u zal geschieden geen schande daar ik het beletten kan”. Dit hadden de ridders van zo’n man onwaardig en sprongen op daarnaar en bonden hun helmen, weet voorwaar. En de jonkvrouw had ze verzekerd voordien dat ze van hem niet zouden misgaan. En toen ze hun helmen hadden opgebonden zeiden ze: “onwaardige kleine”, te die stonden, “en zot wicht ge bent nu dood. Maar wat zouden we aan zo’n kloot of aan alzo onwaardige man zoals u bent benijden dan. Anders sloegen we u gelijk dood!” En toen heer Gawein dit verstond dat ze hem kleintje noemen daar en alzo spraken ook daarnaar, had hij grote rouw ter stede en antwoordde dus hen beiden mede: “Bij God, alzo onwaardig ik lijk u, ik ben hier gekomen te schande nu en tot uw grote oneer mede. Zit op uw paarden beide ter stede want dat was oneer bezocht ik u te paard en gij te voet bent nu”. Toen zeiden de andere: “ge verlaat u zeer op uw zelf dat ge ons nu meer op onze paarden wil laten zitten hier. Al ben je klein, je bent fier in uw woord”. En Gawein zei toen: ik verlaat me op God en daartoe op mijn kracht eer ge hier zal scheiden zodat ge daarna onder u beiden nimmermeer in koning Arthurs land vrouwen verkracht, zij u bekent, alzo zal ik u begaan hier!” Toen zaten op die ridders fier op hun paarden en zeiden met overmoed tot heer Gawein dat hij zich hoedt. Hij was nu dood. Toen sloegen zij met sporen tot heer Gawein daarbij en braken beide hun speren ter stede. Heer Gawein stak de ene mede zodat hij hem tuimelen deed ter aarde en overreed hem daar met zijn paard. Toen wilde hij de andere met het zwaard slaan. Toen riep die jonkvrouw: “Gawein, laat staan! Dus is genoeg doe daar niet meer toe”. “Jonkvrouw”, zei hij, “wil ge dat alzo?” “Ja ik”, zei ze. Heer Gawein zei samen: “jonkvrouw, door uw wil laat ik het staan nu meer deed u niet uw bede. Ik zou ze dood slaan of zij mij mede. Want ze hebben me zeer belachelijk gedaan en schande gezegd want ze me kleine en onwaardig noemen mede daarnaar. Nochtans zeiden ze een deel waar want ik ben de onwaardigste dat is en het gebeurde me in het woud voor dis dat is wel zes maanden geleden”. Toen begon ze te lachen ter steden die jonkvrouw en de ridders beide. Daarna ze tot heer Gawein zei: “heer Gawein, die u mocht genezen wat zou zijn loon daarvan wezen?” “Jonkvrouw, die me genas weet wel ik gaf hem mezelf helemaal en alles dat ik mocht overwinnen daartoe in deze wereld”. Ze zei toen: “ge zal daar zoveel niet om geven nu. Maar ge moet me een eed doen, zeg ik u, al zulke zoals ik u zeggen zal”. “Jonkvrouw, wat ge wilt, ik doe dat al. Zeg uw wil, ik ben gereed daarvan te doen al uw eed”. “Ge zal me zweren”, zei ze samen, bij die eed die ge hebt gedaan uw oom, koning Arthur, dat ge nimmermeer in geen uur daar een vrouw of jonkvrouw u heeft nodig begeven zal in geen doen. Ge zal haar helpen naar uw macht dat zij dag of nacht. Amen. En waar ge vrouw of jonkvrouw ontmoet dat ge ze immer de eerste keer groet als ge kan”. Toen zei Gawein samen: “jonkvrouw, dit wil ik u beloven gaan als een wettig ridder gereed”. “En aldus”, zei ze, “neem ik de eed. Maar breek je die immer na deze, ge zal weer aldus wezen”. En daarna las ze haar woord zoals tot die dingen behoort. En niet lang daarna, zonder waan, braken alle riemen samen daar zijn wapens mee waren gebonden en zijn ijzeren kousen ten stonden en hij werd zoals hij voor was. En toen hij gewaar werd das steeg hij af van het paard daarnaar en knielde voor die jonkvrouw daar en zei dat hij haar ridder waar alzo lang hij leefde daarnaar. Toen liet ze opstaan de heer en bedankte hem de hoffelijkheid zeer. En dit was de jonkvrouw, zonder waan, die hem dat misval had gedaan. En de jonkvrouw voer van daar en de twee ridders met haar daarnaar. Maar heer Gawein bleef nog toe en verlengde zijn wapens toen en herbond ze allemaal en bereidde zich geheel wel en zat daarna op zijn paard en reed alzo te Caredol waart. En kwam daar terecht dezelfde uren daar vertelt hadden hun avonturen heer Ywein, Sagrimor en hun gezellen. En vertelde hen daar wat hem gebeurd was allemaal. 

 

Tocht van Ulfijn en Bretel.

Koning Bohort en koning Ban in die tijden in koning Claudas land hadden verstoort en verbrand en vingen die ze konden nu en bedierven zo zeer, zeg ik u, dat men binnen vijftien mijlen geen huis kom vinden ter wijlen daar men in mocht schuilen mee dat tenzij in kerken, dat weet. Dus was koning Claudas zo mat en zo zeer verarmd omdat dat hij in lange tijden daarna durfde te oorlogen, zoals ik het versta, op haar geen, het is u bekend. De boden die Arthur had gezonden tot koning Ban en koning Bohort.verwonderden zich nu das dat dit land zo woest was en waarvan dit gebeurd nu was. Ze reden toen daar zo naar dat ze kwamen te Trebes dat een sterk kasteel is. Dit was dat kasteel daar alles om begon de eerste keer de oorlog tegen koning Ban. Dit kasteel was sterk en hoog mede. Eleine, de koningin ter stede was daarin op deze tijd nu die mooi en groot was, zeg ik u. De schoonste die men vond te waren en jong als van vijftien jaren en was niet lang geleden dan dat ze als vrouw nam koning Ban. En Bohort, zijn broer, weet dat had onlangs ook zijn vrouw gehad die jonger was dan Eleine en deze vrouw heet Eveine. En Ulfijn en Bretel nu kwamen te Trebes en vroegen daar tezamen naar de koning. Toen zei men hen ter steden dat hij  naar een bespreking was gereden te Bonewick daar zijn broeder is, koning Bohort, zij het zeker dis die hem ontboden heeft daar. Toen namen de boden verlof voorwaar aan Eleine de koningin. Ze scheiden van haar met goede min. Toen voeren ze weg daarnaar geheel gewapend, weet voorwaar. Want daar ze moesten varen was het niet zeker nu, te waren. Daar zijn veel rovers in, God weet, dus was daar te wandelen wreed. Omtrent wel vijftien mijlen daar ontmoeten ze dezelfde tijd zeven ridders, al zonder sparen, die van Claudas gezelschap waren en die te Deserte in de stede lagen en uit en ingingen mede. En plagen te bespieden aldaar die op de weg gingen daarnaar en namen dat ze hadden gelijk. Maar nu zo verwoest was dat land dat ze vonden te nemen niets. Want de dorpelingen zoals men daar ziet waren in de stad getogen met al het goed dat ze mogen. En toen de zeven ridders vernamen die boden die daar gereden kwamen toen zei de ene tot de ander waart: “ziet ginder twee mooie paarden die twee ridders berijden laten we ze hier aldus ons ontgaan dat was voor ons alle grote schande. Ze zijn ook niet uit deze landen want ze voeren de wapens niet die men hier te dragen pleegt”. Toen zei de ene: “dat lijkt me goede lieden, rijk en vrij, want ze hebben een goed harnas en hun paarden zijn goed en ras. Ze zijn bij een goede heer geweest”. De ander zei: “wat kan het ons schelen van deze. Gaan we tot hen en nemen daar samen hun paarden en laten ze te voet gaan”. Toen liet hij daar er een lopen uit en maakte met roepen groot geluid en zei: “gij heren, hoor! hoor! hou u geheel stil en rijdt niet voort. Bent ge nu met koning Ban ge liet hier uw leven dan. Of bent ge met koning Bohort nu. Maar bent ge met koning Claudas nu dan doen we u geen schade. Want we behoeden hier de paden en de weg en vanwege dat moet gij tol geven mijn gezellen en mij. En weet wel, ge zal betalen ter stede uw paarden en uw wapens mede en te voet dan heen gaan. Daarmee kan je het hiermee voldoen zodat we u niet doden mede of vangen alhier ter stede. Maar ge lijkt ons goede lieden te wezen dat we u rusten laten met dezen”. Toen Ulfijn diegenen roepen hoorde keerde hij zich om naar het woord en zag waar diegene tot hem reed. Toen antwoordde hij hem wel gereed: “heer, heer! wees toch rustig. Ge hebt nog tijd genoeg voor die zaken.  k weet niet wie ge bent, God weet, maar ge bent van taal wel wreed. Want hij is geen tol schuldig, zij het zeker dis. En weet wel dat ik nooit tol gaf en geef u ook niet een kaf aan geen man die ik nog zie zolang als ik heb bij mij mijn goede zwaard. Maar ik meen dat gij ons beproeven wil of wij daarbij onze wapens zullen weg doen nu en onze paarden dus geven aan u om uw dreigen en om uw taal. Ge doet niets anders, lijkt me wel. Want ik denk ge bent geen man die strijd begeert, maar nochtans zonder strijden en grote pijn zal ge niet hebben onze wapens, nog onze paarden dat zeg ik u al roep je zo vreselijk op ons nu. Ge zult de damp van uw muil in een beurs sluiten. Want mijn gezel zegt hier nu eer hij tol zal geven u was het hem liever was hij blind. En die ook zulke ridders bemint die nu tol eist van ridders vrij, verschoven zo moet worden hij. En kende ik u, ik beminde u nimmermeer. En ge hebt ook gedaan, bij Onze Heer, grote gekheid nu ter tijd. Ondank heb jij, wie ge bent, dat ge ridder bent en tol wil nemen. Dit zou geen ridder betamen”. Toen Bretel hoorde deze woorden die Ulfijn hem daar antwoordde lachte hij zeer en had spel en ook bekwam hem dat erg wel. En de ander riep: “tot uw grote leed heb je dit nu gezegd ter stede want ge zal daarom, tot uw ongenoegen, beide uw hoofden als pand laten”. Toen Ulfijn zag dat hij hem naderde, ik zeg het u dat hij hem ook maakte gereed tot strijd, zij u bekent. Hij nam zijn speer in de hand en nam het schild en bedekte daar. Hij nam dat paard met de sporen daarnaar zodat hij de speer doorstak door de rechterzijde een voet. En de ridder viel ter aarde in onmacht neer van het paard. En Ulfijn trok zijn speer daaruit en zei tot de ridder overluid: “nu hoor deze grappen goed, wil ge van tol nu iets meer anders zeg me dat dan voor ik heen rijd. En wil ge ook meer nu ten tijden tol hebben hier van mij ik zal dat graag geven dij. Of wil u me kwijtschelden nu, beraad je of rij ondersteboven u. Maar ge zwijgt zo stil nu ter tijd, ik meen ge wel betaald bent. Nu draag deze tol in Claudas’ hof, hij zal zich zeer bedanken daarvan en hij zal wezen daarom uw vriend want ge hebt hem nu goed gediend”. Na deze taal voer Ulfijn weg  naar de gezel zijn die dit spel geheel heeft gezien en geprezen in zijn hart van dien. Toen reden beide henen na das hun weg en al hun pas. En de zes ridder waren droevig omdat hun gezel lag zo plat op de aarde alzo gestoken. Ze zwoeren dat ze het alle wilden wreken. Toen sloegen er twee met sporen na uit hun gezellen, zoals ik het versta, wat hun paarden konden lopen en begonnen zeer te roepen op de anderen die verder reden en dreigden hen zeer ter steden. Toen dit de twee ridders hebben gehoord keerden ze weer hun paard voort en richten hun speer mede. En Bretel hield zijn speer ter stede al wat hoger, dat zeg ik u. En reed op de ene zo zeer nu en stak met de speer zo boven het schild op de keel toe zodat het harnas scheurde daarnaar. En de speer ging bij hem daar door de keel  aan de andere zijde. Diegene viel neer erg onblijde van het paard op de aarde gestrekt en werd erg onzacht gewekt. En Ulfijn raakte de zijne zo dat hij hem door de borst stak toen dat zijn speer aan de andere zijde met het hout uitkwam ten tijde omdat dat het ijzer zo scherp was. Toen viel hij ter aarde na das van het paard gewond ter stede en met het hoofd neerwaarts mede. Toen reed weg Ulfijn en Bretel geheel hun weg, dat weet ik wel, en lieten die ridders liggen daar. Ze gingen schimpende en zonder gevaar en haastte zich niet zeer. Nu hadden de andere schade meer en de vier gezellen die daar bleven, ik zeg het u dat ze rouw bedreven en waren boos en erg droevig. Ze zwoeren ze wilden dat wreken nu; “bleef het ongewroken, zeg ik u, we kregen dus nimmermeer eer”. Toen namen twee daar elk hun speer en reden toen tot de anderen weer wat lopen mocht hun paard en riepen van verre daar: “ge moet hier nu betalen, te waar, en ge zal het bekopen zeggen wij u dat ge onze gezellen nu gewond hebt en afgestoken. Toen Ulfijn dit hoorde begon hij snel zijn speer en keerde zich daar. En Bretel, zijn gezel, daarnaar keerde zich ook met snelle vaart wat lopen mocht zijn paard. Ze reden op de anderen alzo zodat hun schilden braken toen en dat het ijzer er doorwoedden en op het harnas weerstond. Maar ze moesten het zadel ruimen en van het paard neder tuimelen. Maar ze braken beide hun speren wel op Ulfijn en op Bretel. En de ene brak de arm ter stede en de andere de schenkel mede. Echt reden ze toen hun pas hun weg verder na das met gemak te Bonewick waart. Nu waren de ander zeer bang die daar bleven waren er maar twee nochtans zeiden ze dat ze nimmermeer blij waren, ze zouden ze wreken diegene die af waren gestoken en sommige dood en sommige gewond. Ze bereiden hen terstond en namen de speer in de hand en kwamen zeer naar hen gerend en riepen van verre zeer daar. De boden lieten hen daarnaar of ze hen niet hoorden en reden nu in een dal, dat zeg ik u, alsof ze dus niet wilden wachten. Die anderen riepen zeer en zeiden: “gij schalken kwaad en ook fel, onze gezellen worden gewroken snel. Ge laat hier dat lijf nu ten tijden, gij mag ons niet ontrijden. Bange schalken, nu draai om u!” Toen antwoordde hem Bretel nu: “al zijn we bang, nochtans zal ge ons hier beproeven eer dat gij van hier ons zal ontrijden”. Toen keerden ze hun paard beide ten tijden en reden met speren derwaarts. Bretel reed voor met sterke vaart op diegene die voor was daar. En Ulfijn reed op de andere daarnaar die van de taal lachte en was blijde die zijn gezel gezegd had ten tijde. En die ridders braken beide hun speren, daar ik nu van zei, op Ulfijn en op Bretel. Maar ze raakten hen weer zo goed zodat ze hen staken hetzelfde uur met de speren de schouders door zodat men dat ijzer zag aan de andere zijde. Ze vielen van de paarden onblij. Toen zei Bretel dit woord: “gij heren deze tol die u toe behoort hebben we u nog niet betaald. Dat is goed dat ge uw gezellen haalt en vraag of ze dus hebben hun deel. Ge hebt de uwe nu geheel en wil ge dus meer we geven dat u. We willen niet dat ge nu ons beklaagt over uw tol. We geven u de beurzen vol zodat gij ze niet kan weg brengen”. Ulfijn lachte van deze dingen zodat hij bijna gevallen was van zijn paard en na das reden ze hun weg daar. Zo reden ze zodat ze daarnaar te Bonewick kwamen ten stonden daar ze erg veel lieden vonden. Toen ze hen zeer hadden aldaar goed ontvangen toen vroegen ze daarnaar of ze de twee koningen graag spraken? Toen zeiden ze waarom “en om die zaken zijn we gekomen hier in dit land”. Toen ze dit hoorden, alzo te houden, liepen ze tot hen daarnaar en namen ze in hun armen daar en zeiden ze welkom te wezen. Ze lieten ze zitten gaan na deze op een stoel bij hen, zonder waan, en vroegen naar hun boodschap samen daar ze nu om zijn gekomen bloot ‘want het is niet zonder doel groot dat ge hierom gekomen bent”. Toen vroegen verder ter tijd de twee koningen of die Britten niet hebben nog naar hun doen enige koning tot hun wil. Want ze wisten wel, luid en stil, van het zwaard dat stak in een steen en die dat uittrok overeen dat hij hun koning zou wezen. Toen zeiden ze hen na deze van het begin alle dingen hoe dat de zes koningen zich verzetten tegen Arthur mede en dat wonder dat Merlijn deed en de grote dapperheid, zonder waan, die Arthur zelf had gedaan. Toen zeiden ze hun boodschap daarnaar dat koning Arthur openbaar om hen heeft gezonden nu: “bij Merlijns raad, zeggen we u, dat ge tot zijn hof zal komen want dat zal u zeer verblijden. Hij wil u spreken om doel groot. Nu neemt tezamen uw verwant en laat ons uw antwoord weten samen. Want ge mag niet letten, zonder waan. De tijd is kort, dat zeker is”. De koningen antwoordden toen ter tijd: “wij hebben oorlog gehad groot dat ons de koning Claudas doet. En we hebben angst, gaan we met u dat koning Claudas zou nu in ons land trekken daarna wist hij dat we hier niet waren en zou ons grote schade doen dan”. De boden zeiden: “bij Sint Johannis, Merlijn ontbied u, ontzie u niet dat u nimmermeer schade geschiedt zolang als ge in de dienst bent van koning Arthur nu ter tijd”. Toen dit de twee koningen hoorden had het hen verwonderd van de woorden dat Merlijn zou weten alle dingen die zouden geschieden bijzonderling. En op deze voorwaarden beloofden ze daar de derde dag te vertrekken naar.

Van een toernooi.

Daar was gerucht en groot geschal onder de ridders in ‘t verzamelen daar. Een jonge ridder sloeg uit daarnaar met sporen buiten de anderen nu. Griflet heet deze, zeg ik u, en was te Caredol geboren. En tegen hem kwam met snelle vaart een ridder die van Bonewick was en was geheten Ladinas en heette een dappere ridder in zijn land. Ze bekeken elkaar toen gelijk. Ze namen de speer onder de arm en lieten lopen alzo warm. En elk zou graag, zeg ik u, prijs bejagen van hen beiden. Ze kwamen daar tezamen gereden met de speren die scherp waren. De ene stak naar de andere, te waren, zodat het ijzer door de schilden braken en de harnassen doorstaken die erg vast was en goed daar dat ijzer op weerstond. Maar de speren braken stuk in zeven stukken en ook meer. En ze behoeden en kwamen tezamen met de paarden en met de lichamen zo zeer dat men dacht daarnaar dat hen de ogen vergingen daar. En de paarden stortten ter aarde nu en vielen op hen, dat zeg ik u. En lagen daar lang zonder te spreken zodat hen het hart dacht te breken. En die ze zagen zeiden alle bloot dat ze beiden waren dood. Ook zeiden allen die het zagen daar, ze zagen nooit een spel zo zwaar. Toen sloegen ze aan beiden kanten derwaarts elk de zijne te helpen ter vaart. Toen werd daaronder hen, zeg ik u, menige speer gebroken nu. Toen het toernooi zich verzamelde daar tezamen daar werd menig mooi spel gedaan en menige speer gebroken mede. Als ze stuk waren trokken ze ter stede hun zwaard en gingen daarmee houwen. Daar werd menigeen zeer geslagen. Daar was een ridder die Lucas heet, de bottelaar, die menigeen verdroot met wapens deed in het toernooi. Lucas sloeg daar man en paard. Wat hij raakte moest ter vaart de aarde zoeken, zeg ik u. Deze wrocht groot wonder nu. Hij sloeg hem af helm en schild wie er tegen hem komen wilde die moest verliezen immer iets. Sterk was dat toernooi, zoals ik vernam. Recht bij de zaal en goed bij een rivier die daar stroomt en heet Theems, zeg ik u. Daar was onder hen groot gehuil, de ene jaagde hier, de andere daar. Daar stond het toernooi lang voorwaar zodat men niet kon weten via het oog wie het beste had van het toernooi. En binnen deze zijn gekomen twee ridders en hebben genomen hun paarden en zijn opgestegen weer die daar zo lang lagen neer en zijn in het toernooi gereden. En Griflet begon nu ter steden met wapens te wreken zo veel. En Lucas, zijn neef, zodat uit het spel die van Bonewick moesten gaan want ze moesten ruimen samen de vlakte. Toen kwamen na des vierhonderd ridders van Londen helpen die van Bonewick. En aan de andere zijde kwam daar ook zekerlijk vierhonderd die alle nu tezamen de ene tegen de andere kwamen. De ene stak op de andere daar en braken hun speer en daarnaar trokken ze hun zwaarden samen en gingen er daaronder slaan. Daarom was het dat het toernooi zo lang duurde en immer meer afschuurde. Daar werd gedaan menige moed aan beide zijden sterk en goed. Daar waren jonge ridders dapper zeer die veel pijnigden om de eer. Maar boven hen allen, ik wil dat ge weet, deed Lucas het beste en Griflet. En toen de noen was geleden kwam Keye vers ingereden. Hij had niets gedaan tot nu omdat hij niet kon komen, zeg ik u. Hij kwam zelf met zes te toernooi daar goed bewapent, weet voorwaar. Schild om hals, speer in hand kwam hij in het toernooi gerend. En Keye sloeg in hun gemoed zoals een valk onder vogels doet. Elk velde er twee ter aarde daar eer de speren braken daarnaar. En toen de speren stuk waren trokken ze hun zwaarden daarnaar en gingen houwen en slaan. En hebben daar zoveel gedaan dat ze hen zeer prezen die het zagen. Daar deed het de hele dag niemand het zo goed zoals Keye deed. Wat zou ik maken groot verhaal, Keye had de prijs allemaal. Met zestien andren, zij het zeker das, deden het zo buitengewoon goed dat ze de anderen uit het dal en van de vlakte hadden verdreven daar het toernooi begon nevens. Ze deden de anderen grote steken. Ze velden daar veel van de paarden. Want acht gezellen waren uitgereden om hun helmen aldaar te vermaken. Want weet voorwaar dat ze waren geheel doorgehouwen. En toen diegene nu aanschouwden dat die van hun naar achter gingen waren ze boos van die dingen en namen sterke speren en groot en reden daarin dat konvooi daar de verzameling op zijn grootst was. En Keye de drost, zij het zeker das, hij reed voor alle anderen daar. Hij was dapper en stond goed voorwaar en een erg goede ridder mede. En in zijn gezelschap, weet voorwaar, wilde niemand komen daarnaar daar ze zochten avonturen die dus ontgaan mochten ter uren. Want ze duchten zijn tong zeer dat ze daarvan mochten hebben oneer. En de kwade zede, zonder waan, die Keye de drost had ontvangen had hij van zijn voedstermoeder nu die hem zoogde, dat zeg ik u. Want zijn vader een goed man was en zijn moeder, zij het zeker das, was een erg goede vrouw en erg hoofs en getrouw en erg mild ook mede weinig sprekende te eniger stede. Dus leek hij niet op hen sinds, maar elke gezel die hem goed kent en zijn zede wist wel hield niet van zijn taal. Want men hem vaak zeggen hoorde dat hij geen erg had in die woorden en in zijn taal was ook mede vaak grote spelfouten daar de lieden om lachten zeer. Ook zegt dat boek van hem nog meer dat hij was in wandelingen de beste een in alle dingen. Dit waren meest Keyen’s manieren. Nu is hij gekomen daar hij toernooien zou, zoals ik u zei hier voren. Hij sloeg zijn paard met de sporen en ontmoette toen Ladinas die dat erg goed deed voor das en dacht er zeer aan achter te doen die van Londen, sterk en koen. En Keye had zijn speer gericht en kwam op hem geslagen echt en stak op het schild daarnaar zodat zijn speer weerstond aldaar op het harnas die goed was zodat ter aarde viel Ladinas. En met dezelfde steek mede raakte hij daar, dezelfde plaats, Graciane van Trebes zodat hij zijn paard ruimde na des en ter aarde vallen moest van het paard bij het eerste spel. Toen trok hij zijn zwaard en riep daar Clarence zeer openbaar. Dat was koning Arthurs teken toen. En toen dit diegene zagen alzo die de eerste keer achter waren geweest zodat ze beschut waren van deze die ze meenden hebben gehad verloren keerden ze weer zonder toorn en liepen zeer op diegene ter steden die hen tevoren zo onderdeden. En deden het alzo goed toen, zonder waan, zoals ze het in die dagen hadden gedaan. Het spel dat Keye nu daar deed zag koning Ban en koning Bohort mede en koning Arthur alle tezamen. En Antor mede, Keye’s vader. Deze gaven Keye prijs groot en zeiden hij was een ridder goed en een dappere en ook koen. En toen Lucas zag van dit doen dat Keye daar zo goed deed ging hij hem helpen mede. Hij stootte zijn paard met sporen daar en reed in het toernooi daarnaar daar de strijd het allermeest was daar hij kwam rijdend in de tas en stak Bliose van Case daar zo zeer op het schild voorwaar zodat hij hem daar ter aarde stak zodat de speer stuk brak. Toen trok hij zijn zwaard ter stede daar hij wonderen mee deed. Hij sloeg daar slagen erg groot. Wie hij tegenkwam in zijn ontmoeting, hij moest litteken van hem dragen eer hij ontging zijn slagen. Die dat zagen prezen hem daar. Toen werd het toernooi erg zwaar eer men die drie kon behoeden. Ze kwamen toen met grote kudden om hen te helpen die daar lagen. Daar moesten ze menige slag verdragen eer ze hen redden konden. Toen kwam Griflet te dien stonden en zag waar Keye had gestaan. Bliobleris en met hem samen twee van zijn gezellen goed deden Keyen grote nood. Want Keye was alleen in die tijden en zij de besten van hun zijden. En Placidas nam hem met de helm daar en liet hem zeer knikken daarnaar tot op zijn paardenhals zeeg. Toen Griflet dit zag stootte hij gereed zijn paard voort en stak Blioberis en ridder van hoge prijs met de speer zodat zijn schild stuk brak of het was een vilt. Dus stak hij hem daar in die groep zodat hij viel van zijn paard en zijn speer brak ter plaatse. Hij toog zijn zwaard en sloeg daarmee Placidas op de helm alzo zodat hij op het paard boog toen. En hij sloeg en weer sloeg en deed hem zulk kwaad zodat hij van het paard viel neer. Toen verhief zich daar Keye weer en richtte zich op en zag daarnaar wie hem zo goed behoed aldaar. Toen zag hij wel dat het Griflet was. Toen dacht hij in zijn gemoed na das dat hij het hem hooglijk zou belonen dat hij hem behoedde van diegenen als hij dus plaats had en macht. Aldus is Keye uit de nood gebracht. En vanwege dit zo worden ze gezellen en wordt de een de ander alzo bekend en later erg zeer bemint en bleven gezellen al hun leven zonder nimmermeer op te geven. Toen Griflet Keye beschut had hier zag Keye voor hem de ridder fier zeer gaan die hem een groot pand had gedaan aldaar gelijk. Hij liep op hem met moed groot en sloeg hem waar hij voor hem stond met zijn zwaard op de helm aldaar zodat men zag dat vuur daarnaar uit de helm springen hoe tot in de lucht en daartoe sloeg hij van de helm mede een groot stuk daar ter stede. En had hij dat zwaard niet veranderd nu, hij had hem gedood zeg ik u of verminkt, dat weet ik wel, want die slag was groot en fel. Dat hij neer op die schouder ging en doorsneed de harnas na dat ding en de oor van het schild mede dat het zwaard weerstond gereed op dat grote been van het arm daar. En diegene viel daar voorwaar zeer bloedend ter aarde neder. Toen kwam daar gerucht voort en weder onder zijn gezellen erg groot want ze meenden dat hij dood was geweest die hem vallen zagen. Toen kwamen zijn gezellen toe jagen om hem te behoeden daarnaar. En Keye’s gezellen kwamen ook daar. Toen begon daar het toernooi groot en angstig was daar de nood diegenen die lagen onder de voet want het toernooi boven hen stond lange tijd. Dus werden ze jammerlijk vertreden daarbij en geslagen en geblameerd daar eer ze worden gered voorwaar. Ze begonnen nu te deze tijde te slaan te houwen nu meer dat dus hen allen verwonderde zeer dat zo weinig goede lieden daaraan streden op zo menige mannen. Dus werd daar verzameld dat toernooi al aan beiden zijden, groot en smal. En daar werd met wapens veel gedaan. Dus duurde het daar wel, zonder waan, tot vespertijd even sterk onder de zaal in een perk. De drie koningen die in de zaal lagen en al dat zagen wel gingen toen naar beneden, zonder sparen. En allen met hen daar waren zaten op hun paard algemeen en reden haastig tot het plein daar het toernooi was sterk en groot. Ze zagen daar dat elke hoop zich tezamen hield zo vast dat ze niet vaneen barste. En konden niet zien op dat zand welke daar had de overhand. Hierom stopten de drie koningen daar het toernooi en zeiden daarnaar dat was wel tijd en maat dat men dat tornooi laat. Toen stopte dat toernooi alzo en elk ging naar zijn herberg toe en maakte zich gemakkelijk samen.

Beloftes om avonturen te zoeken

Hier zegt voort dat avontuur te Londen daar ze te hof kwamen. Toen men gegeten had ter uur, toen sprak koning Arthur dit woord die ze allen hoorden weer en voort: “gij heren, ik dank u allen zeer ter tijd, die nu te mijn hof gekomen bent en me daarmee eer te doen. Hierom beloof ik voor al deze baronnen altijd als ik hof hou na deze dag te hoogmis en wanneer ik een kroon draag dat ik niet eerder dan zal eten. Ik zal eerst een avontuur weten waarvan dat is en ook beloof ik mede dat ik het zal laten beoordelen ter stede die de avonturen brengen daarnaar. Indien dat ze dus te maken hebben daar bij enige ridder die is in mijn hof. En om te vermeerderen daarmee mijn lof en de ridder lof van mijn hof mee. Zo wil ik dit houden, bij mijn wet, alzo lang als ik leef te die stonden”. Toen die van de tafelronden dat koning Arthur dit beloofde daar toen zeiden ze alle dat ze daarnaar hun belofte hier moesten doen toe. Daar baden ze Nascien alle toen zodat hij hiervan sprak zijn woord. Toen kwam Nascien voor de koning voort en zei zo hoog zijn taal zodat ze het alle hoorden in de zaal. “Heer, heer koning!” zei Nascien te die stonden, hier zijn de ridders van de tafelronden die ook willen doen hier een belofte dat hier nimmermeer een jonkvrouw in de hof komen zal om hulp geen. Als dat tegen een ridder alleen te doen is, daar zal een ridder varen waar dat ze hem wil leiden daarnaar en alzo veel pijnigen daarom dan dat men haar recht zal doen voortaan van het onrecht, dat haar is gedaan. Daar was grote blijdschap toen en toen heer Gawein hoorde dit ding ging hij tot zijn gezellen bijzonderling en zei, wilden ze hem volgen daar, dat hij hen aanraden wilde daarnaar. “We zouden dus allen hebben eer waar men dus van gewaagt immermeer”. Ze zeiden alle, ja ze, nu. Toen nam hij hun zekerheid, zeg ik u. En van deze waren er tachtig ter stede. Toen leidde hij deze alle mede tot voor de koningin en zei nu: “vrouwe! ik en deze ridders komen tot u en bidden u dat ge ons ontvangt als uw ridder te zijn met geweld en dat ze voort zullen zeggen in elke poort waar ze komen uw ridder te wezen”. Toen de koningin hoorde van deze zei ze Gawein grote dank mede en alle anderen en zei ter stede: “ik ontvang u allen gereed voor mijn heren en vrienden, God weet, en God moet me laten leven zolang dat ik u dus dank mag geven”. Toen zei Gawein: “nu is dat in schijn vrouw dat we uw ridder zijn. Nu willen we u doen een belofte dat niemand zal komen in uw hof die u aanzoekt om enige nood van enig onrecht dat men hem doet. Daar zal een van uw ridders dan gaan als het tegen een man te doen is waar dat ook zij. En ook zullen ze mogen nemen daarbij welke ridder ze willen voorwaar en te hebben alzo lang daarnaar als ze hem dus nodig hebben iets. En kwam hij in een maand niet dan zouden we alle gaan zoeken te varen. En dat zou duren daarnaar een jaar en een dag eer hij tot het hof weerkomen mag. En dan zal hij vertellen zijn avonturen die hem geschied zijn binnen deze uren of ze kwaad of goed zijn mede”. Toen dit de koningin verstond knielde ze voor de koning te voet en bedankte hem voor de eer daarnaar. Toen riep ze heer Gawein tot haar en zei dat ze nu wilde dat men vier klerken nemen zou en dat ze zouden zijn daartoe dat ze schrijven zouden voort meer toen alle avonturen die nadien de ridders van het hof zouden geschieden. Dat men zolang als de wereld er zal wezen de avonturen mag vinden van deze. En van die dag voort was Gawein en zijn gezellen genoemd fijn de koninginnen ridders voortaan meer. En hiervan kwam ook de eer mijnheer Gawein alle tezamen zodat men hem noemt de avonturen vader. Omdat hij de avonturen bracht toe van de belofte dat men daar deed alzo.

Daar kwam Dagenet met groter vreugde van Caredol. Hij deed daar grote feesten dat daarop zagen minste en meeste. Hij was wel half zot diegene, hij tuimelde, hij zong, hij riep algemeen met luide stem riep hij daar: “morgen moeten we zoeken voorwaar de avonturen te velde hier buiten. Laat zien wie zal nu liggen te slapen? Heer Gawein zal ge daardoor komen iets met uw ridders? neen gij, niet. Gij heren van de tafelronden, zal ge me iets durven te volgen te die stonden morgen daar ik voor zal varen? Neen gij, gij hebt het hart niet, te waren!” Aldus zo riep daar Dagenet die erg blode was, dat weet. En zonder twijfel hij wapende zich sinds  vaak en voer omtrent in het bos en hing zijn schild mede aan een boom en sloeg daar ter stede zijn schild met zijn zwaard alzo zodat hij het kloofde en de verf er afging toen. En dan kwam hij te hof met grote nood en zei, hij had een ridder of twee gedood. En had hij niet een ridder zien rijden gewapend en op hem roepen te die tijden. Hij was gevlogen in al zijn macht. Ook had hij dikwijls bewaakt toen ridders die reden en dachten zo aan enig ding dat hen geschied was. Dan voer hij al zwijgend bij hen samen en nam hen bij de breidel, zonder waan, en bracht hen hoe hij hen gevangen had toen en zei daar dan grote woorden toe. Van deze manieren was Dagenet.

Van de speer die Walewein uittrok en van de ringen en van Keye.

Het avontuur zegt hier dat Arthur de koning fier te ene Pasen hof hield. Maar geen avonturen hebben ze gevonden. Dus de koning was erg droevig. Men legde de tafel naar haar behoeven en men ging in, men ging uit om iets te vernemen overluid. De volgende dag zo is geschied dat men een schip daar heeft vernomen dat daar te lande nu is gekomen. Dat rijkste dat men ooit zag. De koning ging derwaarts al dat hij mag en al zijn ridders mede. En toen ze kwamen daar ter stede vonden ze in het schip terstond een dode ridder gewond met een erg grote schacht door zijn lichaam wel een lengte die op een wagen lag. Een gordel men aan zijn zijde zag daar een halmelnier aan hing daar men uit trok na dat ding een paar letters daar men in las hoe die ridder gedood was. En dat diegene hem zou wreken die de speer uit zou trekken. En ook had hij aan zijn hand in schijn vijf gouden ringen. Die zou een ander uittrekken gereed die zouden helpen wreken mede. En men mocht hem wreken nimmermeer dan ook met dezelfde speer. Dus trokken ze allemaal daarnaar. Maar het bleef al ongedaan. Toen kwam mijnheer Walewein gegaan met een gestadige moed, God weet, en trok die speer eruit gereed dat daar sommige benijde wel zeer. Toen bad de koning Walewein de heer: “nu trek voort aan die ringen.” Hij trok, maar met geen pijn kon hij ze daar brengen uit. Toen trokken ze allen overluid, maar het verschoof hen geen stro. Toen liet de koning ontbieden daartoe dat men de dode ridder legde voor de zaal op de wegscheiding op de wagen op avontuur of daar iemand reed te die uur die daartoe dacht overluid dat hij die ringen trok uit. En toen dit alles was gedaan ging de koning te hof waart samen. En men legde ter tafel en ging eten. En binnen dat men dus eet kwam een ridder daar gereden die de ringen uittrok ter steden en voerde het weg daar in zijn hand. Dit zag daar toen een bediende en zou het de koning zeggen gaan. Maar Keye heeft hem weerstaan en zei dat hij zweeg daar of. Binnen deze had de koning gegeten. Toen kwam die knaap en liet hem weten van de ridder die had genomen die ringen en hoe het hem benomen had Keye dat hij zweeg want hij naar de ridder reed. En eer gezegd waren die woord zo kwam een andere knaap voort en vertelde de koning al die ding hoe het met Keye verging en dat hij zeer was gewond. Toen zei de koning terzelfder stond: “Keye heeft me menige toorn gedaan.” Hij zei hem te halen erg samen en ze hem ook uitlachen deden dat die knapen graag deden.

Toen Walewein dit heeft verstaan dat de ringen zijn genomen is hij voor zijn oom gekomen en zei: “heer, nu is het tijd. Ik heb nu geen langer respijt. Ik moet de ridder wreken varen, maar hij is me nu ver ontvaren die de ringen heeft genomen. Ik weet niet waar ik aan hem zal komen. En ik mag me wreken niet zonder hem, wat geschiedt.” Dus nam hij haastig verlof en heeft geruimd konings hof zo met haast dat hij vergat zijn lans daar ter plaatse daar hij de ridder mee wreken zoude. ‘s Morgens voer hij recht voort daar heeft hij een herder verhoord die hij vroeg of hij daarbij ergens enige herberg zij? De herder zei: “neen, te waren, die ge beter mag hervaren dan de zwarte ridder hierbij die ook de kwaadste ridder zij die nu leeft, wat geschiedt, daar raad ik u te varen niet. Daar kwam ook niet geen man hij moest met schande scheiden vandaan. Hij heeft menige ridder gedood en daarvan heeft hij de hoofden al bloot gestoken op staken, dat verstaat, op een muur die daar gaat alom zijn burcht.” Toen sprak Walewein: “is dit zijn zede, dan moet ik immer varen daar”. Toen sprak mijnheer Walewein die heer: “nu leid me tot daar en ga er in niet el.” De knaap leidde hem derwaarts wel totdat Walewein het kasteel zag. Toen keerde die knaap al dat hij mag. En Walewein voer met grote kracht en vond daar op die burchtgracht de hoofden staan op die staken gelijk hem had gezegd die knaap. Hij vond de poort open daar. Hij reed daarin al zonder gevaar en kwam ter zalen gereden toe. Daar vond hij een tafel toen gericht staan met alle dingen die men te enige tafel mocht brengen van spijzen en wijn mede. Maar hij vond in geen steden man of vrouw, dat zeg ik u, die hem mochten berichten nu. Hij bond zijn paard en ging eten alzo gewapend, zal ge weten, op avontuur wat hem nakende zij. Drie knapen kwamen daar toen gegaan die hem te eten brachten samen en scheiden zonder te spreken een woord. En recht binnen dezen kwam voort die heer gereden gewapend wel en sprak als een ridder fel tot Walewein waart: “betaal, vazal, gij moet hier vergelden nu een deel de spijs die ge hebt verteerd.” Walewein zei: “bent u hier waard, zeg wat ik verteerd heb nu, ik wil het hier graag vergelden u.” De waard zei: “uw gelag, ik zeg het u wel dat is een slag die het hoofd en lichaam scheiden doet. Aldus heeft hier betaald menige ridder goed. En al was u graaf of koning ge betaalt hier met geen ander ding. En dit is het recht van het kasteel.” Walewein sprak: “heer, dit was veel. Ja en als ik me mag verweren tegen u zou me dan deren uw manschappen of uw vrienden. Zo stond het me dan erg te ontzien.” De zwarte zei: “ontzie u niet dat u nimmermeer verdriet niemand zal doen die mij aangaat.” Toen bad hem Walewein gereed: ; laat me nu eten drie brokken dan neemt u dat het u is waard tot deel van mijn hoofd.” “Bij God, dat zij. Ik geef u verlof, eet en haast dij, u heeft dat eten wel nodig.”  En binnendien Walewein die koene nam zijn helm en zijn zwaard en zijn schild en met een vaart wapende hij zich. Toen sprak samen die zwarte: “ik heb nu gedaan een zotheid dat ik u verlof gaf te eten. Ge hebt me bedrogen. Maar uw paard dat hier staat zal het bederven om deze daad.” Toen liet hij het in een kamer gereed en sloot het daarin en zei: “nu verweer u ridder, zonder wachten, of ik doorrij u nu ter ure.” Walewein sprong op een muur en zei: “dit is uw schande groot dat ge me bestaat te voet. Wou ge mij geven mijn Gringalet dan was de strijd verdeeld beter.” “Neen ik, vazal, maar hoed u of ik doorrij u nu.” Meteen heeft hij Walewein gestoken op zijn schild tegen de wand zodat zijn speer brak tot de hand zodat Walewein zich kleven dacht aan die wand. En Walewein bracht een slag met beide handen en sloeg het paard in het hoofd tot de tanden zodat het ter aarde dood viel neer. Toen liep met haast de zwarte weer in de kamer al zonder let daar hij gedaan had Gringalet en zat er op met snelle vaart en zo weer te Walewein waart en zei: “ge hebt mijn paard gedood daar ik niet van zag een nood. En nu heb ik hier de uwe bestegen. Nu kies hier volledig ter steden. Ik zal u meedelen hier een spel. Dood dit paard, ik zeg het u wel. En mag ge me overwinnen ter steden dan moet ge zonder paard heen scheiden. En spaart u het paard en blijf ik dood dan heb je weer het paard ter nood.” Walewein peinsde in zijn moed, zijn paard was hem gewonnen goed. ‘Maar mijn weerzaak is zo fel, spaar ik het paard ik weet dit wel dat ik er mijn lijf om mocht laten.” Toen sprak Walewein: “bij karikatuur, ik spaar het paard niet een oor, ik sla het dood kom je voort. Maar wil ge eer en prijs ontvangen zo ga te voet en laat ons samen verkorten hier nu deze strijd. Overwin je me, dus zeker zij, dan mag je mijn paard behouden. Dan is u de uwe wel vergolden want beter paard dan dat is zag ik niet, dus zij gewis.” De zwarte ridder trok achterwaarts en peinsde: “het is gewonnen zulk paard.” En wachtte en wilde vechten te voet. Toen kwam Walewein in zijn gemoed en de zwarte kwam hem tegen en heeft op Walewein geslagen een zo vreselijke slag daar zich Walewein van ontzien mag. Want hij sloeg het schild al door en maakte bij hem in zijn lijf een scheur zodat er uit kwam rennen bloed. En Walewein die weerstond de zwarte daar met een slag zodat hij hem een grote vlag van het harnas sloeg voor waar. En had hij zich niet ontsprongen daar, hij was daar gebleven op de plaats. Daar duurde dus die strijd sterk tot vespertijd. Walewein dacht en was in gevaar en meende dat hij de duivel ware want hij kwam niet door das daar hij zo zeer verladen was zoals hij van deze ridder was nu. En al datzelfde, dat zeg ik u, zo dacht de zwarte daar ook mede. Hij was in angst nu ter stede. Had hij met eer kunnen ontgaan hij had daar niet langer gestaan. Niet zag een man zo’n groot gevecht. Elk vocht daar op zijn krijg en in grote moed mede. Walewein gebeurde daar ter stede dat hij de zwarte gaf een slag zodat hij niets hoorde nog zag en stond duizelig al met allen gelijk alsof hij zou vallen. En toen Walewein dat zag rende hij op hem alles dat hij mag met zijn schild en stootte hem neer en sprong op zijn lichaam weer en hield hem onder hem op de aarde en stootte hem met de appel van het zwaard en ontbond de helm en de bedekking. Toen riep de zwarte ridder schier: “genade, heer, ik ben overwonnen nu. ontferm mij, dus bid ik u.” Heer Walewein zei: “ge bent wel zot dat ge genade bidt, zoals helpt me God, diegenen die ge doden wou. Nu zeg het mij wat ge doen zou bij uw trouw als ge dus zo stond tegen mij?” “Ay heer, ik dacht dat gij voor mij wreder zou nu wezen zei ik u de waarheid van dezen.” Walewein zei: “ik wil het weten nu.” “Bij God, heer, zo zou ik u het hoofd afslaan hier ter stede.” Toen zei Walewein: “ge geeft gereed uw vonnis, heer ridder, dat zeg ik u.” “Ay heer,” sprak hij, “ge zal me nu niet doden al heb ik dit gezegd. En zei ik anders, ik loog, God weet.” Walewein sprak: “bericht me samen van deze gebruiken die hier staan. Hoe kom het dat ge het hoofd slaat of hen allen die komen in uw hof?” “Ik zeg het u, heer, bij mijn trouw, dat heeft me gedaan een jonkvrouw die ik bemin zo uitermate. En ze laat haar niet zitten zat ze me weer wil beminnen iets. Ik heb haar gedaan menig verdriet en verwoest en verbrand haar land. Toen liet ze creëren gelijk een toernooi. Die dat overwinnen kon ze zou hem graag beminnen. Ten toernooi kwam ik door haar daar menige ridder was voorbarig om te winnen die jonkvrouw waardig. Derwaarts rende ik met snelle vaart en stak diegene en zijn paard zodat hij zo duizelig was zodat ik hem ving en leverde hem na das mijn knapen die hem voerden nu in mijn gevangenis, zeg ik u. Toen riep die jonkvrouw luid tot mij dat ik haar min waardig zij opdat ik alzo voort vol eindig. Mijn hart die haar zeer beminde was zo blijde daar ter stede zodat ik daarna vier spelen deed tegen sterke ridders en fier en stak ze daar af ook alle vier. In het leste was daar niemand zo koen die meer durfde bestaan te doen te toernooien tegen mij. En ik had allemaal dat gekregen van het toernooi. En binnen dezen kwam het alzo het moest wezen dat een ridder met schild, met speren kwam en had getoernooid graag. Ik reed op hem en stak hem zo zeer dat in stukken brak mijn speer. En hij stak mij zo onzacht weer door curie, door harnas, door leder zodat ik ter aarde viel ter stonde en maakte me een grote wonde zodat ik nimmer meer mocht. En hij kwam voort en raakte daar die jonkvrouwen lagen gereed. Toen wierp ze neer haar hoofdkleed en gaf het de ridder op echte minne en gaf de ridder daar te kennen dat ze zijn vriendin wilde wezen. Walewein hoorde ik noemen dezen die me van het paard maakte woest. Ay mij, dat jammerlijke spel die mij gebeurde daar voor hen allen daar ik zo belachelijk moest vallen. Dus verloor ik die welgedane, die schone, die goede waarvan ik waande tevoren van was. Dit is me zwaar. Walewein voer weg van daar en ze is gebleven minnende voort. En ook heb ik sinds gehoord dat ze hem tevoren minde al bloot omdat hij sloeg die ridders dood die haar kasteel hadden ontkracht daar Galaat hiervoor om vocht. Heer, dit zijn alle waarheiden. En hierom heb ik de nijd gedragen en hen alle het hoofd afgeslagen op avontuur als ze hier iets kwamen. Walewein en ik hem tot zijne ook nam. En om hem heb ik het al gedaan. En ik meen ook hij is nauwelijks ontgaan, ik heb hem gedood, dat zeg ik u. Ay lieve heer, ontferm me nu en ontvang me. Ik wordt uw man en wil u dienen mijn leven voortaan en overal voort in bijstand staan.” Walewein ontfermde zich en heeft hem ontvangen op een voorwaarde dat hij ter stede zijn man wordt en voorwaarts mede nimmermeer ridders slaat ter dood of hij had er recht toe. Dit verzekerde hij Walewein alzo bij trouw schier in zijn hand. Dus werd de strijd verzoend gelijk en Walewein die nam toen verlof en wilde ruimen samen die hof. En de ridder bad hem te houden dat hij met hem blijven zou. Dus voeren ze tezamen daar en kwamen gereden schier daarnaar in een woud daar ze vernamen daar jagers gereden kwamen en velden een wit hert. Toen dit heeft vernomen die zwarte ridder die met Walewein daar kwam werd hij toornig en zeer gram en reed derwaarts met haast groot en wilden ze hebben geslagen dood. Die jagers waren in groot gevaar. Maar Walewein behoedde ze daarnaar. Dus ze hem dankten erg zeer. Daarna baden ze de heer dat hij hun gast wilde wezen. Walewein antwoordde hen met dezen: “ik vaar met u. Nu blijf gezond,” sprak hij tot de zwarte ridder terstond. De zwarte zei: “vaar met Onze Heer, heb je me nodig immermeer laat het me weten, ik kom tot u.” Walewein zei: “Dank hebt nu.” Dus scheiden ze daar in dat plein.           

Ze zonden een knaap daarnaar die dapper voor reed die de jonkvrouwen zei gereed dat het witte hert is gevangen “al daar toe zag, zonder waan, de zwarte ridder. Maar weet dat we waren gebleven daar ter plaatse had niet gedaan een ridder fijn die uw gast zal vanavond zijn. Die behoedde ons, zonder waan. Vrouw, die zal ge goed ontvangen, want hij heeft het wel verdiend dat ge bent zijn goede vriend.” De jonkvrouw was blijde daar of en liet versieren al haar hof om Walewein blij te maken die gereden kwam met de knapen door de plaats die schoon was. Die jonkvrouw zond ook samen een jonkvrouw tegen hem daar die ze gehouden had menig jaar omdat ze was van Carmeloet en ze die ridders kende al bloot die tot Arthurs hof behoren nu. En meest om Walewein, dat zeg ik u, omdat ze hem zou laten kennen haar. En toen ze werd gewaar das dat het was Walewein nam ze hem in die tijden bij de hand en leidde hem bezijden en sprak: “heer, ik zeg het u bloot, liet ge uw naam, ge bent dood. Maar wil ge ik zal u raden wel. Als ge komt voort in die zaal voor mijn jonkvrouw zo zal ik voren spreken zodat ze het alle horen: “heer Keye de drost, welkom.” En als ik u aldus dan noem zo antwoord me samen ten keer: Dit mag ge doen met grote eer. En laat me voort geworden dan.” Walewein zei: “aldus vang ik het aan.” De jonkvrouw keerde weer samen en liet haar jonkvrouw verstaan dat het Keye was die daar kwam. “Dit kan ik geloven niet dat hem deze eer is geschied dat hij van de zwarte ridder nu mijn jagers verloste, dat zeg ik u.” En binnen dat ze mede staan kwam Walewein daar binnen gegaan en toen de jonkvrouw heeft vernomen die tevoren tot hem was gekomen riep ze luid en zeer met dezen: ‘heer Keye, welkom moet u wezen.” Heer Walewein sprak: “God loont het u, jonkvrouw.” Toen zei hem welkom de vrouw en ook alle andere mede. De vrouw sprak aldaar ter stede: “heer Keye, welke tijd zag ge iets heer Walewein?” “Vrouw, toen ik scheidde van Caredol toen was hij daar blijde en zonder gevaar.” Toen nam ze hem daar bij de hand en leidde hem in een kapel gelijk die beter en schoner geschreven was dan enige daar ik iets van las. In het midden van die kapel hing een horen. En in die horen stak meteen balsem, mirre en wierook en allerhande kruid dat zo goed rook dat hij dacht diergelijke dat hij was in een hemelrijk. Ze leidde hem wat voort meteen: “en alles dat ge nog hebt gezien is niets heer ridder, te waren, tegen dat ik zal hier openbaren.” Toen toonde ze hem een graf aldaar dat ze had laten maken, voorwaar. Zo duur en zo behendig dat niemand zag diergelijke. Daar was een venster gemaakt aan met zo’n list dat geen man nimmermeer het weten zou. Die deed ze open als ze wou en wie daar binnen zag al bloot liet het venster slaan ter dood want het sneed als een zwaard. Ze trok een klink daar ter vaart en dat venster schoot open wel schier zodat Walewein niet wist in welke manieren. En ze liet hem toen inwaarts zien. Daar zag hij het grootste wonder meteen. Toen sprak die vrouw stilletjes daarnaar: ‘owi, als dit Walewein nu ware die ik minne zo over zeer, hij ontging me nimmermeer.” Toen al dit was gedaan zijn ze in de kapel gaan staan en spraken van misselijke dingen. Die jonkvrouw kon zich niet bedwingen ze zei Walewein al die zaken waarom ze dit had laten maken. “Heer Keye, nu hoor al hier ter stede, dit graf en dit venster mede zijn gemaakt luid en stil om mijnheer Waleweins wil omdat ik hem hiermee doden zou. Als ik dit venster neerlaten wou als hij het daar binnen waande te bezien dan zou ik het dus neerlaten”.... Meteen sloeg ze op die klink weer en dat venster viel daar neer en sloot zo vast, dat verstaat, zodat er niet tussen mocht een draad blijven, hij moest kerven in twee. “Heer Keye, nu hoor me voorts meer en als hij dood was, dan ook weet, zo zou ik mezelf doden mee en zou ons doen dan terstond in dit graf, mond aan mond. Heer Keye, dat ik u dit maak in dat doet mij de sterke minne daar ik om van hem ben gevangen.”  Walewein zei de jonkvrouw gereed: “mint ge mij dat was me leed alzo zoals ge hem nu doet. Hij zal u schuwen, is hij verstandig. Maar ik hoop hij vinden zou genade als hij het zoeken wou.””Dus durft hij te hopen niet dat hij mij mocht ontgaan iets met het lijf. Ik zeg het al bloot, ik had hem liever bij mij al dood dan dat hij mij ontvoer weer. Want hij zou niet willen neerleggen zijn avonturen, weet ik wel. Ook heb ik hier nu te deze maal Gariet zijn broeder gevangen en laten geselen en slaan elke dag door zijn wil. Dit zegt ge hem ook luid en stil als ge hem ziet. Is hij zo dapper dat hij om zijn broeder komt en behoeden hier, als hij mag.” Toen Walewein dat verstond was hij droevig in zijn gemoed. En aan de ander zijde was hij blijde ter stonden dat hij zijn broeder had gevonden die hij lang had verloren. Toen sprak Walewein: “hier mag men horen jonkvrouw grote wonderlijkheden. Wist Walewein nu ter stede dat ge zijn broeder dit laat gedogen, hij zou u nimmermeer minnen mogen. Maar wil ge Gariet geven mij nu en weg te voeren, ik zweer het u, dat ik Walewein en hem mede binnen een maand breng gereed te vechten tegen hen drieën. De beste die ge vind tot dien en kunnen ze zich behoeden daar. Zo blijven ze kwijt dan daarnaar. En kunnen de uwe die twee overwinnen zo komen ze gevangen hier binnen.” “Neen, men mag hem me niet onthalen, Walewein komt hem zelf halen. En wil ge, ge zal hem morgen zien naar buiten leiden.” En meteen kwamen twee knapen daar toe samen: “vrouw, men mag eten gaan.” Toen ging men eten daar ter vaart daar te eten gediend werd van alle dingen, van alle spijzen zodat men het niet kon volprijzen die bijzondere gerechten daar. En na het eten openbaar kwam de jonkvrouw van Carmeloet die Walewein hiervoor door nood Keye noemde. Hij nam haar samen en is voor een venster gegaan en bad haar om raad ter stede zijn broeder te verlossen mede. De jonkvrouw sprak: “hoe zo het gaat, ik zal u geven goede raad. Morgen zal ge vroeg opstaan en zal weg varen samen tot achter gene boomgaard. En ik zal van binnen komen ter vaart en zal u in laten zonder beletten daar naast, te dat winkeltje. Daar zullen uw broeder brengen drie sterke rabauwen bijzonderling die hem geselen zullen daarnaar. Dan zal ge voorwaarts komen daar en slaat die kwaden dood en neem uw broeder dan al bloot en voert hem met u heen dan. Ik zal ook vlieden al dat ik kan vast heen te Carmeloet. Want bleef ik hier, ik was dood.” Walewein bedankte de jonkvrouw en zwoer daarbij zijn trouw. Hij zou het haar belonen goed daarnaar. Dus scheiden ze beide aldaar. En Walewein wilde nu slapen gaan dat daar schier werd gedaan. De volgende dag daarna toen stond op Walewein erg vroeg en wapende zich en vandaan scheidde aldaar hem die jonkvrouw aanraadde. En toen te winkeltje kwam de deur hij ongesloten vernam. Toen voer hij er in daarnaar en verborg zich. Toen zag hij daar schier de rabauwen gereed die zijn broeder brachten gekleed en gingen hem geselen en slaan met sterke roeden, zonder waan. Ze sloegen hem zo vreselijk dat hij riep jammerlijk te einden menig maal: “help, ach arme, ik moet sterven. Ay broeder, heer Walewein waar ben jij. Hoe weinig weet je dat men mij slaat nu dus jammerlijk zeer.” Meteen kwam Walewein die heer en sloeg de ene, dus geloof, dat hij hem tot de tanden klooft. De andere sloeg hij de arm af, de derde hij een slag gaf zodat hij neerviel op de aarde. De andere vlogen toen erg ver en liet Gariet daar. En heer Walewein nam hem daarnaar en leidde hem op zijn paard samen. “Ay lieve heer, laat ons verstaan wie ge bent,” sprak daar een knaap. “Ik ben het, Walewein, bij ridderschap, die mijn broeder met me voer.”

Toen ging deze en maakte in roer dat hele hof en ook de stad. Toen de jonkvrouw wist dat Walewein zijn broeder weg voert werd al dat land daarom verroerd. Ze zocht de jonkvrouw van Carmeloet die gevlogen was door die nood. En toen ze dus werd gewaar dat ze gevlogen was vandaar toen wist ze wel dat ze was bedrogen. Toen deed ze na das te stormen luiden in al haar land om Walewein te volgen gelijk. Ridders, knapen, poorters mede wapenden hen en volgden gereed Walewein die reed ter vaart met zijn broeder ter zwarte ridders waart en vond de poort open te waren daar hij binnen is gevaren en daarna erg vast sloot. En op de plaats kwam een konvooi van ridders hem gevolgd naar die de poort belegerden daar en begonnen daar aan te houwen en steken. Toen kwam die ridder voort gestreken van daar binnen om dat nieuws. En toen hij Walewein werd gewaar zei hem welkom te wezen. Toen vroeg hij Walewein na dezen om het gerucht van gene lieden. Toen ging het hem Walewein al aanduiden van de jonkvrouw van Galestroet en van zijn broeder ook die nood. “Heer Maurus,” zei hij, “nu sta me bij getrouw, dus bid ik u, mij en mijn broeder nu tegen de jonkvrouw van Galestroet.” “Sterven moet ik kwade dood.” Sprak Maurus, “als ik van u af zal gaan, ik zal u hierin bijstaan met al mijn volk weet dat wel.” Toen ging men aan beide zijden meteen werpen en schieten vast daarnaar. Aanvalstoren en blijden worden daar opgericht voor dat kasteel gereed. Ik zeg u dat men daar zeer streed, beide van buiten en van binnen. Maar Walewein mocht men wel herkennen aan zijn slagen die hij sloeg, ik zeg het u dat hij niemand verdroeg. En Maurus ook zijn gezel wierp menigeen daar ter dal die opgeklommen waren daar met alle machines, weet voor waar, die men nu bedenken mag werd daar gestreden op die dag al tot de nacht, weet dat wel. Nu hoor wat daar ‘s nachts geviel. Toen ze rusten waanden binnen kwamen die van buiten in alle zinnen en braken de muur een groot deel eer men het wist in het kasteel. En zijn ter gat binnen gekomen. Dit heeft mijnheer Walewein vernomen en Maurus zijn gezel mede. Deze gingen terzelfder stede voor dat gat van de muur en weerstonden ze daar zo stuur die daar binnen waren gekomen. Al zou het hen de hele wereld vromen, ze mochten niet daar weer uit. Daar werd van slagen groot geluid. Sommigen sprongen van de muur neer die nimmermeer opstonden weer van grote angst die daar was. Dus worden geschoffeerd na das die van Galestroet voor dat gat.Toen dit was gedaan daarnaar sprak Maurus mijnheer Walewein aan: “heer, wat raad ge hiertoe dan? We mogen ons verweren niet. Als gij en Gariet heen scheiden morgen vroeg en ik mede en alle onze lieden ook ter stede daar die van Galestroet liggen nu eer ze opstaan, zeg ik u, zullen we ze schofferen, weet ik wel.” Walewein sprak: “Dit raad ik wel. Nu vast, rijden we derwaarts.” Toen reden ze al zonder sparen derwaarts zonder letten na dezen. En Gariet was ook wel genezen zodat hij mee rijden mocht. Deze drie maakten het meeste gerucht in dat leger, dat er geen man zag. Daar werd geslagen menige slag eer men komen kon te verweren. Maurus, die zwarte en zijn leger en Walewein en Gariet hebben die andere zo ontzet zodat ze er wel tweehonderd dood sloegen eer ze ter verwering komen mogen. Ik zag nooit in geen strijd zoveel lieden in korte tijd dood geslagen, dat weet ik wel. Dus vochten ze tot in de nacht recht bij die burchtgracht. Toen keerden van die van Galestroet die van binnen en men sloot de poort toen ze er binnen waren. En Walewein bleef daar buiten, te waren, en zijn broeder Gariet die zeer nog vochten zonder letten. Daarna worden ze gewaar samen dat hen de anderen waren ontgaan en de poort gesloten was. Toen keerden ze om samen na das en keerden te bos waart te die tijden daar hen niemand na dorste te rijden. zee reden door dat bos mee de hele dag, dat verstaat, tot ‘s morgens in de dageraad.

Toen rusten ze wat weinig totdat scheen de zonneschijn. Toen zaten ze op en hebben gehoord een jonkvrouw daar bad voort die zeer kreet en dreef misbaar. Toen reden ze een deel beter naar en zagen waar die jonkvrouw voerden twee ridders die haar zeer misdeden en sloegen haar in het aanzicht menige slag met de hand die haar zeer raakte van de wapens die hij er aan droeg. Toen Walewein zag dit ongevoegde sprak hij: “heer ridder, deze smart, hoe mag ge dit vinden in uw hart die ge doet deze jonkvrouw?””Ay edele ridder, op echte trouw,” sprak de jonkvrouw, “verdedig mij als er enige ontferming is aan dij zo help me door alle vrouwen eer.” Heer Walewein sprak: “vriend, bij Onze Heer, ge doet onhoffelijkheid hieraan.” “Wat zeg je,” zei hij, “vuile tiran? Wat bestaat het u te berechten? Lust u hier nu te vechten ik maak het u hier ter stede zat.” “Ge zal haar hier laten,” sprak Walewein ter plaatse, al had ge het ook gezworen mee.” Toen kwam daar tot haar Gariet en sprak: “broeder, door welke zaken wil ge hier nu verwarring maken? Laat hem hebben zijn geliefde. Al doet hij haar nu dorpsheid wat bestaat u dat te wreken?” De ander begon er toe te spreken diegene die de ridders gezel was: ‘gezel, ik zou u aanraden das dat ge die jonkvrouw laat varen nu met de ridder, dat raad ik u.””Ik doe het niet, bij mijn trouw.” “Gezel, dat zal u licht berouwen.” De ander sprak: “mij een zorg.” Toe sprak ook mede Gariet: “bij God en bij mijn wet, broeder ge zal vechten zonder mij.” Walewein sprak: “Bij God, dat zij.” Dus keerden ze beide om daar om beter te steken daarnaar. Die ridder kwam op Walewein gereden en heeft hem gestoken daar ter steden door het schild een grote scheur zodat zijn speer brak te die uur. En Walewein heeft hem weer gestoken zodat zijn harnas moest breken en hij gekwetst werd zo zeer zodat hij genade bad de heer. Walewein sprak: “zo scheld dan vrij deze jonkvrouw en geef haar mij.” “Ik zal haar kwijt schelden erg graag. Mij staat er u niet te verweren. Maar zeg me hoe uw naam zij.” “Walewein,” zei hij, “noemt men mij, konings Arthurs zuster zoon.” Walewein sprak: “nu beveel ik u dat ge vaart ter jonkvrouw nu van Galestroet en zeg haar samen dat ik haar wel schier zal bestaan met konings Arthurs macht al.” Hij zei: “heer, ik zal.” Toen scheidde Walewein schier vandaar en de jonkvrouw volgde hem naar en al rijdende zo sprak zij: “heer, ik ben uw eigen vrij, want gij hebt me hier verlost van de dood en vertroost. Ik geef me op in uw genaden.” Walewein bezag haar wel met stade en zo hij er meer lette op haar zo ze hem daar beter bekwam. Want ze was schoon en zo vlug zodat men haar gelijke niet vond. En Walewein begon haar te minnen en te peinzen in zijn zin hoe hij deze krijgen mag. “Jonkvrouw,” zei hij, “op deze dag heb je me alzo overwonnen dat ik u immer goeds moet gunnen en dat ik uw min graag nam.” “Heer, als dat u is bekwaam van mij te hebben is u gereed. Ge hebt het wel verdiend, God weet. En ge zal ook vanavond met me varen. Ik zal ons erg goed bewaren. Ik heb een burcht staan hierbij.” Walewein sprak: “schone maagd vrij, uw naam zou ik graag weten.” “Heer, ik ben Ydeine geheten.” En met deze zelfde taal kwamen ze gereden te dal daar ze het kasteel zagen staan daar ze toen in voren samen. Daar vonden ze toen een schone jonkvrouw die Ydeine was getrouw en was haar grote gezellin die ze ontving met grote minne Walewein en Gariet. Men ging daar eten zonder let. Daar was ten eten goed bediend. Toen sprak Ydeine: “lieve vriend,” tot Walewein, “wat is uw raad? Ik ben uw eigen, dat verstaat. En ook mede door uw wil zo geef ik hier luid en stil uw broeder mijn nicht.” Toen sprak Gariet: “die giften, jonkvrouw, moet ge hebben dank.” Dus spraken ze wat van die zaken en daar binnen begonnen ze te spreken van minnen. Ik hoorde niet van een ridder spreken die zo zeer werd ontstoken zoals Walewein van haar minnen. Hij nam Ydeine bij de kin en kuste aan haar mondje. Ze was de schoonste die er mocht zijn. Dus zaten ze een stuk al daar. Toen gingen ze slapen samen daarnaar. Elk nam met de hand de zijne, ze deden daartegen geen pijn. Dus zijn deze twee beraden wel. Ze speelden ‘s nachts dat zoete spel dat men met vrouwen te spelen pleegt. Dus ze begeerden ontbrak hen niet..

Die ridder  voer met haast groot tot de jonkvrouw van Galestroet en liet haar van Walewein verstaan dat hij van Maurus was ontgaan en zijn broeder Gariet. Ook hoorde ik zeggen dat hij ter vaart hier zal komen, heeft hij geval, met Arthurs lieden groot en smal.” Toen zond de jonkvrouw zonder letten om haar hoogste baronnen samen en liet hen deze dingen verstaan. Toen raadden haar al die heren dat men nu te tijde beter zet in het keren dan te wachten, zij het zeker dis, want Arthur haar te machtig is. Dus keerde dat leger met een vaart. ‘s Morgens vroeg, weet voorwaar, was heer Walewein opgestaan om te hof te varen samen en Maurus bij te staan. Toen hij zijn wapens had aan bad hij Ydeine openbaar dat ze met hem te hof vaart. Hij weet niet wat hem is geschied, zonder haar mag hij niet. Haar min heeft hem gewond zeer. Ydeine sprak toen: “lieve heer, ge mag me voeren daar ge wilt.” Dus voeren ze te Caredol waart. Hij ontmoette een knaap schier die zeer kwam gereden daar. Walewein vroeg hem om nieuws. De knaap antwoordde hem ter steden: “heer, ik kom van het hof gereden daar ik groot wonder zag. Daar kwam gisteren op de dag een schone mantel, zeg ik u, daar groot gerucht van is nu. Wie dat die mantel draagt en die dan loze minne pleegt, hij verkrampt zich in alle zinnen. En die getrouw is aan de minne, hij glijdt hem tot de aarde daar. Hij verkrampte bij Jenover voor waar tot recht in het midden been. Daarna was er jonkvrouw nee gene, nog vrouw die het anders kon gevallen, die mantel verkrampte hen allen, sommige minder en sommigen meer nadien dat ze minden zeer. Maar een jonkvrouw die daar was, haar gleed hij op de aarde, zij het zeker das. En dat was Carados vriendin.” “Nu zeg me, knaap, lieve minne, bij wie was hij het allerkortste aldaar?” “Heer, Keyes geliefde, voor waar. En dus was Keye erg gram.” En Walewein reed te hof waard samen en reed zo zeer, zonder waan, zodat hij te Pinkster kwam daar hij dit wonder allemaal vernam. De koning en de koningin waren blijde in hun zin toen ze hebben de mare vernomen dat Walewein te hof is gekomen en al dat hof ook algemeen. Walewein beval die schone Ydeine de koning en de koningin dat ze haar ontvangen zouden met minnen. “Ze is mijn geliefde,” ze hij daar, “die wel eer waardig ware.” De koningin sprak: “Walewein, heer, ik zal haar doen lijf en eer.” Meteen heeft de koning gesproken: “Walewein is die ridder gewroken die ge de speer uittrok?” “Neen hij, heer, ik heb er menig land om gereden. Maar ik kwam slecht te gene steden daar ik er iets van kon weten. Ook had ik die lans vergeten daar ik hem mee wreken zou.” Dus was blijde menigvuldig Keye toen hij dit hoorde en sprak tot de koning deze woorden: “heer koning, ge zegt nu ongenoegen. Walewein heeft nu vechten genoeg aan Ydeine zijn schone vriendin. Hij zet zijn vechten aan haar minne deze winter, ze is zo fier. Alzo helpt me God, ik wilde dat ze hier eergisteren had geweest en ze de edele mantel fijn had gedragen die menigeen droeg. Ge had gezien uw ongenoegen. Ge zou daar geworden zijn onze broeder.” De koning sprak: “Keye, laat zijn uw kwade taal en zwijg van dis dat van de mantel gebeurd hier is.”

Zo kwam een ridder gereden daar en zei: “heren, heer koning fijn, dan eis ik hier mijn minne, mijn zoete lief de schone Ydeine die hier zit bij Walewein.” Hij nam haar bij de hand daarnaar. Walewein zei toen openbaar: “dit is vernedering, op mijn trouw, wil ge hebben deze schone jonkvrouw zo leid haar weg zonder schande en win haar op mij in een kamp. Dat is meer eer, dat zeg ik u.” “Heer Walewein, ik zeg het hier nu, wil ge me volgen daar ik vaar, ik vecht tegen u al openbaar. Maar hier staat het me te ontzien ter tijd want ge me hier te machtig bent.” Heer Walewein sprak toen zeer verbolgen: “nu zeg het me waar ik u mag volgen, ik volg u daar op mijn trouw.” “Zo kom tot koning Bandumagowe daar vecht ik tegen u in het plein om te winnen die schone Ydeine.” Walewein sprak: “in konings Bandemagus hof wil ik komen in 40 dagen en dit kamp dus voor dragen.” En die overwon daar op het veld, hem bleef Ydeine met geweld. En Walewein bleef droevig daar of. Nu was Keye blijde zeer en bespotte Walewein de heer met Ydeine zijn vriendin: “Walewein, ge mag haar wel beminnen want ze is zo’n goede bekent met alle ridders in menig land. Ik hoop dat ze nog is maagd daar zo menig ridder naar vraagt.” Walewein sloeg dat hoofd neer en antwoordde Keye hier op niet weer.

Het avontuur zeg na das toen Walewein dus te ongemak was dat hij ter koningin kwam en vroeg haar, zoals ik het vernam, of ze iets wist openbaar welke gedachten er in vrouwen ware? Ze antwoordde hem: “alzo help me God, heer Walewein, hij was wel zot die daarnaar spiedt of zocht. Want dat niemand weten mocht zo menigvuldig is haar gepeins”. “Ik zal het nochtans worden wijs,” sprak Walewein, “en zoeken te varen achter landen hier en daar totdat die 40 dagen komen dat ik het kamp heb genomen. En Ydeine laat ik hier nu en ik beveel haar aan bij trouw u en dat ge ook die van haar neemt waar.” De volgende dag vroeg daarnaar stond hij op en ging hem wapen en nam aan zijn vriendin verlof en aan allen die waren in de hof. En kwam gereden eer iets lang in een bos, zoals ik het las, daar het uitermate schoon in was. En toen hij een stuk had gereden hoorde hij daar met vrolijkheden blazen erg zeer ter stonde en jagen en bassen honden daar een hert hen liep voren. Toen ontmoette hij een wit hondje die zo klein scheen naar dat het nauwelijks zo groot als een rat. En heer Walewein peinsde alzo te houden dat hij er een vangen wou om te geven de koningin. Hij ving daar een ten begin en stak het in zijn boezem daar. Toen zag hij komen samen daarnaar een riddertje zo over klei. Hij dacht hem wel zo klein diegene als een kind van vijf jaren. Het kwam zo fier gevaren met allemaal verguld smeedwerk. Dat riddertje sprak: “Walewein, heer, waarom doe u onedel dus zeer dat ge mijn hondje hebt genomen? “Ay lieve heer, wordt verbolgen niet, uw hondje is hier, nu ziet, geheel onbeschadigd zo geef ik het u.” “Heer Walewein,” sprak dat riddertje nu, “wist u nu hoe grote heer dat ik boven u hier ben. U zou het verwonderen in uw zin. En ook zal ik het u hier laten zien of ik boven u iets ben.” Meteen zo blies hij Walewein aldaar in zijn aanzicht en daarnaar werd Walewein alzo klein als hij zelf was, algemeen. En hij werd daarna zo groot zodat hij was een reus genoot. “Heer Walewein,” sprak hij, wat denkt u nu, ben ik nu iets boven u?” Walewein zweeg en schaamde hem das dat hij nu zo klein was. Toen sprak de koning: Walewein, heer, ge schaamt u, lijkt mij, erg zeer. Ik zal u weer maken samen zoals ge tevoren was gedaan.” Toen blies hij op Walewein aldaar en Walewein werd geschapen daarnaar zoals hij tevoren was, God weet. Toen sprak die koning tot hem gereed: “heer Walewein, nu vaar met mij en jagen we dit hert hierbij.” Dus voeren ze tot het hert toe en eer Walewein het merken kon zo hebben het hert geveld de honden. En de knapen die daar waren namen het hert zonder sparen en voerden het vast ter koken waart. Toen sprak de koning: “Walewein wat jaagt u uit in deze landen? dat wist ik graag.” “Bij God, me staat het u niet te weren. Ik zal het u zeggen, bij mijn trouw. Ik wist graag het gepeins van vrouwen en vaar te zoeken iemand dan die me aldus berichten kan.” “Bij God, Walewein, dit is zot gezocht. Ik waan in aardrijk niemand is die het doorzocht die u aldus berichten mocht.” En recht binnen deze taal kwamen ze gereden voor de zaal daar men Walewein goed ontving. Toen gebood samen de koning dat men eten zou gaan. Toen trok men voort een tafel samen van fijn ivoor terzelfder uur door een gat van een muur dat het soms aan de andere zijde bleef. En dat ook gericht was van alle gerechten, zij het zeker das, gelijk dat men daarvoor deed. De koning en Walewein ook mede zijn gezeten ter tafel daarnaar. Walewein zag te gat waart daar. Hem verwonderde zeer wat dat mag wezen. De koning sprak tot hem met dezen: “Walewein vraag wat ge wilt nu, ik zal het hier al berichten u.” “Heer, zo zou ik graag weten wie er aan de andere zijde is gezeten.” “Walewein, ik zeg het u al zonder blijf, het is mijn getrouwde wijf. En ik zal u zeggen waarom dat zij dat ze daar eet en niet met mij. Het gebeurde hier voormaal te ene stonde dat ik jagen ging met honden. En alzo zoals ik reed ginder en hier kwam ik gereden tot mijn boswachter die had een dochter zo openbaar zodat ik haar moest minnen daar en bad haar tot mijn geliefde na das. Dus de vader blijde was en al zijn verwanten mede. Dus had ik haar een lange stede. En namaal ze me zo bekwam dat ik haar tot vrouw nam. Want me leek dat ik was machtig genoeg, zij het zeker das, en rijk ook genoeg elke man. Om deze zaken trouwde ik haar dan. En niet lang daarna leed dat ik haar getrouwd had, God weet, ze liet met haar liggen samen de kwaadste knecht, zonder waan, en de onreinste, zij het zeker das, die er in al min hof ook was. En om deze zaak, dat weet, zo is het dat ze daar aan de andere zijde eet. Maar ge ziet wel al openbaar dat ze tot mijn tafel nu zet en alles dus drinkt en eet die ik eet en drink nu. Maar nimmermeer, dat zeg ik u, komt ze uit die kamer iets, nog in mijn bed leed ze niet de dag dat ik moet leven. Maar ik zal haar alles geven dat men drinken mag en eten. Heer Walewein ik laat u nog meer weten dat ik haar deed hier voormaal genoeg van alle dingen in het gevoeg want ik mag wel wezen met vrouwen.”  Toen zei Walewein: “dit is jammer en rouw dat ze aldus die schone vrouw gehandeld heeft, geloof het mij.” Toen zei de waard: “Walewein, hierbij zo mag ge merken en bekennen dat gepeins van vrouwen minnen. Ge hebt hiermee genoeg geleerd.” “Heer waard, ik heb me vermeten dat ik ze nog meer moet weten eer ik meer keer thuis waart.” Toen sprak echt tot hem zijn waard: “Walewein, heb je in uw vertrek enige vriendin, enige geliefde die ge vertrouwt enig ding?” “Ja ik, heer, zo bijzonderling, ik heb er een, ik weet dat wel, dat ze in ernst nog in spel niet minde geen andere man.” “Heer Walewein dit is zeer vermetel. Ik laat u hiervan de waarheid weten wil ge nu doen al mijn raad.” Walewein zei: “naar dat het staat zo mag ik het beproeven aan haar, God weet, beter dan ergens daar ik het weet.” “Nu zal ge met me te Caredol varen. Ik zal ons erg goed bewaren. Ik zal ons ook na deze zaken als kleine riddertjes maken en alzo behaaglijk menigvuldig zoals ge me zag in dat woud. En als we komen in Arthurs hof zo doe immer de raad daar of dat ge u doet zeer tot haar. Ge zal wel worden dan gewaar wat ge vinden zal daaraan.”

Dus voeren ze te hof waart dan als twee riddertjes meteen. Ze waren daar erg zeer bezien omdat ze waren alzo klein en alzo behaaglijk ook algemeen. Ze waren daar erg welkom. Jenover ging die ridders bekijken en Ydeine ging met haar. Toen trok Walewein haar beter naar en sprak tot haar vriendelijk en zij weer diergelijk. Toen gebeurde het eten daar dat ze verzamelden echt daarnaar zodat ze tezamen aten. Dus was ze blijde uitermate want haar dat riddertje wel bekwam. Na het eten echt ze nam Walewein al daar bij de hand en vroeg hem daar gelijk of hij wilde spelen enig spel? Walewein zei: “ik begeer niet anders dan te spelen tegen u.” “Zo laat ons schaakspel spelen nu. Wil ge om borg of om geld?” “Dus heb ik genoeg in mijn geweld,” sprak Walewein, “ik wil het niet verhelen. Maar laat ons ergens om nu spelen.” “Ik doe het graag, wist ik wat.” “Jonkvrouw, ik zal u berichten dat: ge zal spelen hier tegen mij of ge bent mijn eigen vrij of ik ben de uwe helemaal. Wie dat wint, ik zeg het u wel, hij zal de andere hebben stil waar hij wil tot zijn wil. En wil hij ook, hij scheldt vrij. Spelen we aldus?” “Bij God, dat zij.” Dus begonnen ze dat spel en heer Walewein gebeurde het zo wel dat hij het spel won zonder pijn. “Jonkvrouw,” zei hij, “nu bent ge mijne. Nu wil ik mijn wil van u vannacht hebben, dat zeg ik u.” “Heer, dat mag geschieden nu niet.” “Jonkvrouw, beraad u goed en beziet, ik wil hier hebben dat ik won.” “Heer, bent ge zo’n koene man...Ik lig in de kamer van mijn vrouwe, durft u zichzelf wel zo te vertrouwen dat ge daarin wel durft te gaan...Ik laat de deur open staan en als mijn vrouwe slapende is zo kom tot mij.” “Zij het zeker dis,” sprak Walewein, ik zal daar komen.” Dus heeft Walewein verlof genomen en ging tot zijn gezel waart samen en wachtte naar dat slapen gaan. En toen ze alle aan het slapen waren ging hij in de kamer daarnaar. Want hij wist het pad wel, hij had er vaak gehad goed spel. Nu is hij bij Ydeine gelegen en ging van zijn spel plegen en speelde daar dat zoete spel eer het dagen begon viermaal wel. Ze dwong hem aan haar terstond en kuste hem toen aan zijn mond. “Jonkvrouw, het is tijd dat ik nu scheidde. Wou me doen hier een bede die ik nu hier aan u zocht, ik zou het u bedanken als ik mocht.” “Ja ik, heer, zo wat zo het is.” Nu had Walewein lang voor dis haar gegeven te houden mee zijn zegering, dat wel weet. Dit had ze aan haar hand daar nu. Heer Walewein sprak: “zo bid ik u deze ring, schone jonkvrouw.” “Neen heer, bij mijn trouw, dat mag ik u geven niet. Want me gebood en zei een mijn verwanten en mijn vriend die het dikwijls wel heeft verdiend dat ik hem deze ring houden zou.” “Ay jonkvrouw, dit is te houden dat ge me dit ontzegt dus samen. Nu is recht dat ze vergaat onze minne tussen ons beiden en dat we ook hiermee scheiden.” Toen ze dat hoorde nam ze gelijk die ring van haar hand en gaf het hem toen en zei: “ik wil niet dat het hierom scheidt onze minne op deze tijd. Ik bid u dat ge hier weer bent zo ge eerst mag te keren.” “Graag. Blijf met Onze Heer.” Dus is Walewein weg gevaren, hij en zijn gezel te waren. Toen vroeg hem zijn gezel samen hoe hem zijn stukken zijn vergaan? En Walewein vertelde hem al wat hem gebeurde groot en smal. Toen zei de koning zijn gezel: “nu hoor, Walewein, wat ik u vertel. Ik zal haar u nog laten beproeven beter. Ge zal weer varen ter plaatse en ge zal heer Walewein nu wezen. En rij weer binnen dezen tot de jonkvrouw en eis van haar uw zegering openbaar want ge nu samen moet vechten een kamp en u berechten.” Dus keerde heer Walewein ter vaart en reed zo zeer daar zijn paard dat het zweette tot de voeten toe. Hij kwam in de zaal gegaan alzo en vroeg naar Ydeine samen. Toen ze hem zag kwam ze gegaan en zei hem welkom te wezen. Ze nam hem in haar arm met dezen. Walewein sprak met haastigheden: “ik ben kampvast nu ter steden, geef me samen mijn ring.” “Ay lieve heer, dat mag niet zijn, ge zal het niet van me scheiden nu.” Walewein zei: “dat zeg ik u,

ik wil mijn ring hebben te waren.” “Ay heer, ik heb kwalijk gevaren, uw ring dat is verloren. Hoe ik het verloor dat zal ge horen: In deze week op een dag daar te dat venster lag toen werd ik, heer, peinzend om u dat ge zo lang draalt nu zodat ik weende en dreef misbaar en wrong mijn handen zeer daarnaar. Alzo zoals ik mijn handen wrong ontschoot me de ring tegen mijn wil. Toen zag ik waar een vis kwam en de ring gelijk nam.  En aldus heb ik gevaren.” Walewein zei: “jonkvrouw, te waren. Ik weet beter, dat zeg ik u, dan gij het me hier verteld nu. Ik ontmoette in gene woud twee riddertjes die menigvuldig dreven blijdschap en spel en zongen toen erg wel. Ik kwam daar samen in hun ontmoeting en toen ik ze daar beide zou groeten zei tot mij dat ene riddertje: “heer Walewein, zie hier uw ring tot een teken van dezen daat ik vannacht heb gewezen met Ydeine, uw jonkvrouw, viermaal bij mijn trouw.” Toen werd ik boos om dit verwijt en sloeg ze beide dood ter tijd en nam hen daar mijn ring. Nu zie daarvan goed teken”. Toen toonde hij het haar op de plaats. Toen wist ze niet te zeggen wat. Daarna keerde mijnheer Walewein te koning waart, die op dat plein. Walewein bedankte hem zeer daarnaar en reed te hof weer samen.

En Ydeine heeft zoveel gedaan aan Walewein met vriendelijkheden daar ze waren onder hen beiden zodat hij haar schold geheel kwijt en haar nimmermeer kwam te verwijten.

Nu gewaagt het avontuur dat Walewein terzelfder uur te kamp waart voer met haastigheden. En Ydeine voer ook mede alzo zoals daar beloofd ook was. De derde dag kwamen ze na das gereden in een dik woud daar een ridder geheel stil houdt. Goed gewapend en al te voet en hield een paard van prijs goed. En toen Ydeine naar hem rijden zou zag ze op hem menigvuldig met blij aanzicht vriendelijk en hij weer op haar diergelijke. Dit merkte mijnheer Walewein, God weet. Die ridder sprong op zijn paard gereed en volgde Walewein samen en ze: “heer ridder, nu laat hier gaan mijn vriendin. Wie bestaat u. haar te voeren in achter landen nu?” Walewein zei toen: “ik geef haar u niet’. Geen wint haar op mij, wat geschiedt.” De ander zei: “dat was niet goed dat we vochten, maar nu doe een ding die ik zal zeggen u. Zet haar te middelcirkel hier nu en die ze het meest mint, ga tot hem. Dit lijkt me het beste zoals ik het verneem.” “Bij God, dat is,” sprak Walewein. Dus leidde hij haar in dat plein en zei haar te gaan tot de liefste man. “Ja, Walewein,” sprak Ydeine dan, “zet ge me nu tot delen van dezen, ik zie wel ge wil me kwijt wezen. Ge bent me moede en zat. Ge kan met niet kwijt worden beter. Het schijnt wel dat ge bemint me klein.” Toen ging Ydeine samen naar gene ridder die naar haar haakt. Deze heeft ze blijde gemaakt. Hij nam haar in zijn armen toen en kuste daar Walewein zag toe en voerden daar zijn vaart. Dus Walewein zeer misbaard. “Ay mij.” sprak hij, “lieve God, hoe dol is hij en wel zot die vrouwen gelooft nimmermeer. Ay,” sprak hij, “ik vergaf u lang eer een valse daad, kwade vrouw, nu zal ik verliezen mijn trouw aan Druideine, dat zeg ik u, want ik beloofde hem nu u te brengen te kamp gereed. Dus zal ik breken mijn eed.” Dit is de klacht van Walewein. Maar die ridder en Ydeine reden weg met blijde zin. Toen sprak Ydeine: “lieve min, we moeten omkeren weer samen. Die ridder houdt mijn windhond gevangen die ik met me van huis bracht toen hij me met hem voerde met kracht. Ze blijft hem heden, bij mijn trouw.” Toen sprak die ridder tot de jonkvrouw: “wat ligt u daaraan. Laat het hem hebben.” “Bij Sint Jan, ik vaar heden niet voort met u, ik heb mijn windhond niet nu.” Dus keerden ze om in die manier en eisten van Walewein de winde schier die ze hem niet geven wilde. En toen dit diegene zag dat het anderszins niet wezen mag reed hij op Walewein ter stede en Walewein reed op hem daar mede en stak hem door het lichaam weer zodat hij gelijk dood viel neer. Dus was Ydeine’s blijdschap groot en aan Walewein ze daar schoot en zei: “heer, nu ben ik zeker en wijs dat ge met rechte bent mijn geliefde. Dat ik de ridder liet omkeren met mij om deze winde dat was bij die ik wist wel ge zou hem overwinnen nu. Dat deed u.” “Ydeine, ik zeg het hier u, ge hebt alzo hier u beproefd dat gij geen rekenschap behoeft want uw werk beproeft het wel.”  Nu was koning Bandemagus en heer Druidein, dat zeg ik u, gekomen gereden op het plein daar ze wisten Walewein die Ydeine bracht daar zonder zorgen en zonder gevaar daar het kamp om zal wezen. En recht ook mede binnen dezen kwamen ze tezamen gereden. Heer Druidein stak met haastigheden op Walewein zijn speer in twee en Walewein de zijne, min of meer, gelijk of het was een stok, God weet. Elk ving tot zijn zwaard gereed en gingen daar nemen en geven. Tenslotte zo is daar onder gebleven en gaf hem op heer Druidein. Toen zei gelijk mijnheer Walewein: “heer Druidein, zo geef ik hier u Ydeine tot een geliefde nu uw wil te doen in alle tijden.” Men zag niet man zo blijde als hij was toen door die zaken.

Maurus reed toen, zonder waan, te Arthurs hof waard, zeg ik u, om Walewein te bidden nu dat hij hem helpt en wil bijstaan. Want de jonkvrouw van Galestroet heeft gevangen de jonkvrouw van Carmeloet die Walewein verloste al bloot te Galestroet, zoals ge hebt vernomen daar hij om Gariet was gekomen. Nu wil men haar verbranden openbaar aan een staak, dat weet wel. Om deze zaak en nergens om anders. Zo voer Maurus te Carmeloet om dit Walewein te weten doen. Maar hij vind Walewein daar niet. Toen zei hij het Gariet daarnaar hoe het met de jonkvrouw vergaan zou. Men kwam haar te hulp om erger te houden. Toen ging Gariet tot koning Arthur en vertelde hem samen die avonturen. Arthur zei: “bereid u samen, ik zal u volk leveren genoeg.” Dit was wel Maurus gevoeg want hij zou graag steken op de jonkvrouw en ook wreken dat ze hem ontzegde daar te voren en ook anders de groten toorn die ze hem dik heeft gedaan. Nu heeft Gariet deze vaart bestaan met wel twintig duizend man. En Maurus reed voor mede daaraan tot zijn kasteel en verzamelde wel tienduizend man te deze maal. En toen reden ze met haast groot tot de stad van Galestroet. Daar ze hoorden zeggen te die stonden dat men de jonkvrouw had gebonden en men haar verbranden zou gelijk. Maar toen men dat nieuws hoorde in het land dat mijnheer Gariet en Maurus met grote legerkracht kwamen dus worden ze bang van trouw en lieten dat branden van de jonkvrouw en gingen beschermen hun stad. Toen werd die jonkvrouw bang voor een deel, van Galestroet, dat zeg ik u, en ontbood haar hoge lieden nu en vroeg hen wat ze mocht doen? Toen antwoordde haar de hoge baron: “jonkvrouw, onze raad is overluid dat we morgen trekken uit. We zullen ze beter schofferen in schijn eer ze goed gerust hier zijn en hun plaats hebben genomen. Dan zullen we gereden op hen komen eer zij iets te weten komen. Dus zullen ze schier zijn overwonnen.” De volgende dag gebeurde het alzo dat ze uittrokken tezamen daar ze Gariet vernamen en zijn gezel Maurus die ook waren beraden dus dat ze hun volk hadden gereed. Meteen hebben ze vernomen waar die van de stad op hen komen al in bataljons met mooi leger. Toen riep Maurus erg zeer op zijn lieden: “vast, ga aan. Laat ons pijnen te verslaan deze groep al zonder letten.” Meteen kwam voort Gariet en sprak tot zijn lieden samen: “lieve lieden, help me verslaan deze tiranne die me hier voren heeft gedaan menige toorn daar men mij gaf menige slag met grote gesels in mijn lijf. Mocht ik hebben dat kwade wijf die me gedogen deed die pijn, ik zou haar diergelijke in schijn laten gedogen, dat verstaat’. Toen ging men toe in alle zijden. En Maurus en Gariet voeren voor geheel zonder letten en sloegen zulke vreselijke slagen dat daar niemand in die dagen hun durfden op te wachten iets. Wie dat zag van hen hij vliedt. Ze maakten menige doden daar. Ze vingen er ook al openbaar 60 wel in die slag. Ik zeg u dat daar speelde ter falen die van de stad, heb ik vernomen, ze konden er met pijn weer in komen. Dus was droevig van Galestroet de jonkvrouw, dat verstaat. Ze mag wel zoeken andere raad want deze is haar kwalijk vergaan. Nu hoor wat ze heeft gedaan. Ze heeft vernomen wat Gariet heeft gezegd. Hierom is ze in zorgen meer dan ze iemand liet verstaan.

Ze ontbood haar hoge lieden samen en vroeg hen wat ze nu mag doen? Toen antwoordde haar een baron: “jonkvrouw, ik zeg het u wel nu te waren, we kunnen ons tegen hen niet verweren. Maar wilde Gariet vechten een kamp of Maurus zonder enige schande, ik raad wel dat men iemand zocht.... “ “Ik heb niemand die daartoe dacht dat hij mocht iets duren tegen hen enige nu ter uren.” “Vrouw, ge zal het wel in manieren zoals ik u nu zal versieren. Ge zal aan hen nu verzoeken dis. En als dat kamp aangenomen is dan zal ge laten gebieden gelijk overal nu hier in uw land of dat kamp iemand wil vechten en u tegen diegene berichten. Men zal hem geven tot zijn wil uw land en u, luid en stil, zijn gebod mede te doen. Ge zal vinden genoeg kampioenen die dit zullen voor u aangaan.” Al deed zij het node, dit werd gedaan.  Door Gariet en Maurus werd dat kamp aangenomen daar in 7 dagen te vechten daarnaar. En binnen deze gebieden deed de jonkvrouw van Galistroet in alle steden of daar iemand was zo koen een kamp voor haar te doen. Zij zou wezen zijn eigen vrij en haar land mede daarbij. Dit heeft Keye schier vernomen en is al heimelijk daarbinnen gekomen en bood aan al openbaar. Hij zei dat hij van Schotland ware en heet Vander Roetsen heer Bayneel. Toen hij was gekomen in het kasteel heette men hem daar zeer welkom. Men heeft hem daar goed waar genomen. Ze legden aan hem daar alle merk, want hij scheen schoon en sterk. Dus was blijde die jonkvrouw. Ook dacht zij in zijn aanschouwen een sterk ridder en goed ontloken. Wat helpt hiervan veel gesproken? En toen de 7de dag is gekomen hebben ze hun kamp genomen en zijn dus gekomen buiten te velde. Keye was erg blijde na dit. Zijn wapens waren allen wit met twee rode banden daar om hem te tekenen, weet voorwaar. Gariet zei: “Maurus, ik zeg het u, mij behoort te vechten het kamp door de kwaadheid en om de ramp die ze me hier vroeger deed. Dit moet ik wreken hier ter stede.” “Neen,” sprak Maurus, “lieve heer, laat mij vechten, dus bid ik u zeer. Want me er veel daaraan ligt. Deze kamp wordt me niet ontzegt. Dus bid ik u op echte trouw. Ik heb bemind deze jonkvrouw lange tijd, versta me wel. En nu is hier gedeeld een spel die het kamp overwint hier hij zal hebben die jonkvrouw fier en haar land tot zijn wil. En om deze zaak, luid en stil, zo staat me het kamp te vechten nu.” Toen zei Gariet: “zo hebt het u.” Dus is Maurus te ring gekomen en heeft speer en schild genomen. En Keye, die hem noemde Bayneel, is geraakt ook een deel en heeft genomen speer en schild en kwam gereden met geweld op Maurus zodat zijn speer brak. En Maurus weer Keye stak door schild, door curie, door leder zodat hij moest vallen neder. En greep daar weer zijn paard en zat er op met snelle vaart en trok zijn zwaard daar uit zo en reed op Maurus daar alzo en sloeg hem een zware slag op het hoofd die Maurus zeer trof zodat uit rende het bloed. Had niet gedaan zijn helm goed, hij had hem tot de tanden gekloofd. En Maurus kwaakte toen zijn hoofd en schaamde zich erg zweer daar. Toen hief hij zijn zwaard daarnaar en sloeg Keye op het schild die hij manlijk voor hem hield zodat hij hem kloofde in het midden in twee. Dat zwaard ging er in voort nog meer en raakte Keyen in de knie een kleine wond, zei men mij. Dus gingen ze houwen en slaan. Toen sprak Gariet tot Maurus samen: “ay mij, lieve heer Maurus, hoe lang zal ge slaan aldus? Had mij nu laten gebeuren, ik was hem lang kwijt, te waren.” Toen schaamde zich Maurus zeer das dat hij dus aangesproken was en ging Keye aan met slagen zo, hij kon het niet verdragen. Nochtans weerde zich Keye erg zeer. Toen kwam die zwarte met een keer en sloeg op Keye een slag met beide handen die zeer raakte op de helm daar bijzonder beide zodat hij ruimen moeste het zadel en ter aarde kwam gevallen zeer gewond daar voor hen allen. Deze slag was zo groot dat Keye waande te blijven dood want hij daar in onmacht lag. En toen die zwarte ridder dat zag ging hij van zijn paard samen en heeft Keye de helm afgedaan en zou hem het hoofd af hebben geslagen. Maar Keye hield de arm daartegen en riep: “Maurus, ik geef me op. Ik ben het, Keye.” Toen hield hij zich op Gariet toen hij dat hoorde en antwoordde Keye deze woorden: “heer Keye, ge wou beproeven uw kracht al heimelijk, ge was bedacht kwalijk dat ge hier dus kwam. Ay Keye, dat ge u niet schaamt dat ge tegen ons zou komen aldus verraderlijk. Dit is vernomen erg zelden dat niet geschiedde. Ge mag u schamen voor deze lieden. Zo mag ge het ook in Arthurs hof. Ik bid u, Maurus, sla hem of dat hoofd en verlaat nu de hele wereld, dus bid ik u, want het is schade dat hij leeft.” Toen Keye dit hoorde van de heer werd hij hiervan verschrikt zeer en bad genade op grote trouw door de koningin wil, zijn vrouwe Jenover die zijn nicht was. ‘Ik weet wel, ik heb zeer misdaan... Het deed me zotheid aan te gaan. Vergeef me dit, ik beloof hier nu dat ik nimmermeer misdoe tegen u.” Toen zei Maurus erg samen: “Gariet, wat lijkt u goed gedaan? Het was schande nu ter stonden want hij was gezel van de tafelronden, sloeg ik hem dood. Ik laat hem leven. Maar hij moet me ten eerst opgeven zichzelf en mede de jonkvrouw van Galestroet.” “Bij mijn trouw,” sprak Gariet, “dit wordt gedaan.” Dus gaf Keye zich daar op gevangen en ze brachten aan de andere zijde daar de jonkvrouw stond onblijde van Galestroet om deze zaak. Hierbinnen kwamen ten rade alle heren van Galestroet. Toen werd daar vertrokken al bloot al die dingen, groot en klein, die daar geschieden in het algemene. Toen zei daar mijnheer Gariet: “van al dezen, ik wil gij het weet, dat me die jonkvrouw heeft gedaan laat ik aan Maurus allemaal staan. En alles dat hij daarmee doet dat hou ik allemaal voor goed.” Maurus zei toen: “zij mint me trouw, zo wil ik hebben die jonkvrouw tot een vrouw dat wel kent. Want ik haar lang heb bemind en voor uw allen dan zo wil ik worden hier uw man en zij ook mede, dat verstaat.” Dit leek hen allen een goede raad en willen allen dat men het doet. Aldus zo kwam de bruiloft toe die daar feestelijk was gedaan. En Gariet keerde te Kardol samen en vertelde Arthur de koning hoe die strijd aldaar verging en van heer Keys kwaadheden vertelde hij daar de koning mede.

Walewein nam verlof samen aan koning Bandemagus en kwam gereden, dat zeg ik u, in een woud op een dag daar hij menige beesten zag. En toen hij lang daar had gereden kwam hij op een berg ter steden daar hij ver zien mocht. Toen zag hij daar, dat hij dacht, bezijden hem ter rechter hand de zee groot en aan de kant zag hij waar een schip stond. Toen reed hij derwaarts met een spoed. En toen hij daar kwam met dezen dacht hij datzelfde schip te wezen daar die ridder in kwam te voren die zijn lijf had verloren daar die lans voor in stak. Walewein in dat schip toen trok, hij en zijn paard, gelijk, daar hij niemand in vond. Toen hij daar in dus is getogen zo is dat schip weg gevlogen zodat hij weet niet recht waarheen. En kwam in een korte vaart gereden daarna in Schotland. Daar bleef het schip staan gelijk en Walewein ging er uit ter vaart en zat daar samen op zijn paard en reed weg alles dat hij mocht. Hij kwam gereden daar hij dacht dat een schoon kasteel stond. Derwaarts reed hij met een spoed. En toen hij daarvoor kwam zag hij samen en vernam waar een kleine kwam gereden met erg grote behaaglijkheden en hem volgde een schone jonkvrouw die aan had, bij mijn trouw, haar klederen omgekeerd al daar. Mantel, schort, rok, voorwaar, alles was omgekeerd gedaan. Walewein groette die jonkvrouw samen en ze antwoordde hem weer hoffelijk. Toen bad hij haar vriendelijk dat ze hem zegt waarom dat zij alzo reed. “Heer, vaar met mij herbergen nu, ik zal het u al daarna zeggen, groot en smal.” En mijnheer Walewein voer met haar en ze zei hem toen openbaar dat ze had voor die dag de beste geliefde die ze ooit zag. Schoon, edel en ook goed die vast stond in mijn moed. En hij heet heer Ragisel. En een ridder kwaad en fel die Gygantioen geheten is sloeg hem dood heer om dis. Zo vaar ik aldus zoals ge ziet, en anders doe ik mijn klederen niet aan want ik heb gesproken, hij zal eerst zijn gewroken op die felle Gygantioen die durft te beschadigen menige baron en menige ridder, zonder blijf, genomen heeft ook zijn lijf. En kon hem nooit man weerstaan. Zijn wapens zijn alzo gedaan, men kan er niet tegen hebben aan. Want een jonkvrouw die veel kan heeft zijn wapens zo belezen dat die niemand kan genezen. En geen wapen is zo gedaan die zijn zwaard kan ontgaan. Deze loze, deze kwade, deze felle wachtte op Ragisel mijn gezel in dat woud en stak hem dood met een schacht erg groot die hij stuk brak ter stede en liet hem dat einde steken mede in de buik. Toen kwam daar samen een jonkvrouw wel gedaan met een schip ter haven nu en sprak aldus, dat zeg ik u:

“Laat me met de doden geworden. Ik zal het laten wreken zondermeer verder.” Toen nam ze de dode man en legde hem op een wagen dan en voerde hem in dat schip, te waren, daar ze me kwam daar gevaren. En liet hem daarop liggen alzo en stak hem vijf ringen toen aan zijn hand en daarna schier stak ze in zijn halmenier een paar letters en daarin stond geschreven meer of min dan: “die de ridder trekt uit de schacht die steekt overluid in zijn buik, al zonder pijn. En die uittrekt deze ringen deze 2 zullen de ridder samen wreken dat hem is misdaan.” Toen voer het schip weg al bloot recht tot voor Carmeloet. En Walewein, zegt men voor waar, trok die schacht uit al daar. En die ringen trok uit Ydier, mijn buur, een ridder fier die Walewein opwacht nu. En vaart alle dagen, dat zeg ik u, op de zee te wachten de heer. Nu heb ik u van mijn zeer verteld de waarheid zonder sage en waarom dat ik draag mijn klederen dus omgekeerd. Dit heb ik u hier al bericht.” Toen sprak mijnheer Walewein samen: “nu zeg mij, jonkvrouw wel gedaan, Gygantion waar is hij nu?” “Heer, hij is hierbij, zeg ik u, want hij wacht de slag hier. Hij is zonder daden en erg fier. Hij heeft ook een beer, God weet, die zo fel is en zo wreed zodat het elk mens verwonderen mag. Die loopt met hem de hele dag en daartegen vecht hij gereed en houdt hem daarmee even wreed omdat hij wil, dat zeg ik u, kwam iemand tegen hem nu die hem wilde met strijd bestaan dan laat hij zijn beer gaan bij hem, recht te zijn zijden. En als men op Gygantioen zal strijden dan meent die beer wel gereed dat men daarna hem dus slaat en wordt boos. Dan laat hij hem gaan. Dan vaart hij op diegene samen.” Walewein sprak toen: “jonkvrouw fier, deze ridder, mijnheer Ydier, woont hij hier iets bij? Hij is uw vriend, dat lijkt mij.” Toen antwoordde ze al zonder letten: “zijn lief die heet Belinette en is de schoonste die men weet in geheel Schotland, ver en breed. Zo vond men geen zo schone jonkvrouw. Hij bemint haar op echte trouw en ze bemint hem weer erg zeer. En Gygantioen is haar heer en haar vader, dat zeg ik u, die dus heeft gezworen nu dat ze nimmermeer nam een man, hij zou eerst dood zijn dan en die hem ook beroofde van het lijf zou zijn dochter hebben te wijf. Dit heeft hij gezworen mee. Toen hij Ydier zag dat hieraan leed heeft hij naar zijn dood gestaan waar dat hij mag, zonder waan.” Toen heer Walewein dit verstond zei hij: “jonkvrouw, God geef u goed. Ge hebt me aan diegene gebracht die ik lang heb gezocht. Om zijn wil kwam ik hier en Gods dank heb u na lang sparen nog die wacht op Ydier iets.” “Ay heer, neen, in zulk verdriet nee zal ge niet varen nu. Ge bleef er dood, dat zeg ik u. Want niemand mag het ontslaan daar hij op slaat, noch ontgaan, nog zijn beer, dat verstaat.” Walewein zei toen: “hoe zo het gaat,

dus zal ik beproeven nu ter tijd.” Hij nam verlof zonder respijt en voer Gygantioen te zoeken na das al daar hij hem gewezen was. En binnen dat hij derwaarts reed was Ydier gereden ook gereed  zodat hij kwam daar hij die jonkvrouw vernam die om Walewein bedroefd was. Mijnheer Ydier vroeg haar na das of daar enige ridder waar? Ze zei: “ja, heer; ik ben in gevaar om hem en zeer te ongemak. En hij rijdt voor u ten dal en is Gygantioen bestrijden.”  Toen wist hij wel terzelfder tijden dat Walewein was voor waar. Toen smeet hij om en reed hem naar wat zijn paard lopen kon. En binnen dezer zelfde stonde is Walewein zo ver gekomen dat hij Gygantioen heeft vernomen daar hij voer nu te een stede zijn paard te drinken en de beer mede. En toen mijnheer Walewein hem zag riep hij al dat hij roepen mag: “keert u om, Gygantioen en laat ons een spel doen.” “Bij God, dat zij,” sprak hij daar; “ge bent me gekomen nu zo naar, ge mag me niet ontgaan.” Meteen nam hij zijn speer samen en stak Walewein zo over zeer zodat hij dacht min of meer of hem het hart zou breken. Walewein heeft hem weer gestoken zodat zijn speer te stukken brak. Maar het deed hem geen ongemak. Zo trok Walewein zijn zwaard al daar en sloeg hem daarmee, maar een haar zo deerde het hem, nog deed verdriet, nog ging in zijn wapens niet. Toen nam Gygantioen gelijk zijn zwaard daar met beide handen en sloeg Walewein op het schild. Die hij mannelijk voor hem hield zodat een groot stuk viel op de aarde. Nochtans ging door van het zwaard door helm, door bedekking, dus geloof, en maakte hem zulke wonde in het hoofd dat zijn wapens worden geheel rood. Diezelfde slag was zo groot, was hij terecht wel volkomen, hij mocht hem het lijf hebben genomen. En Walewein, die ridder koen, gaf toen weer Gygantioen gelijk daar een slag, de grootste die ooit een man zag. Maar het schaadde hem niet een hooi. Gygantioen maakte hem erg boos en zei: “wacht dat ge mij nu niet kwetst, dus bid ik u. Zie welke wonden hij me slaat.” Walewein werd toornig en heet en schaamde hem zeer om hetgeen en nam het einde van de schacht met beide handen, weet voorwaar, en sloeg Gygantioen daarnaar op het schild een slag zo groot dat niemand zag die stoot. Het schild viel ter aarde neer geheel in stukken voort en weer. Hij maakte ook een grote scheur in het harnas terzelfder uur en een wonde ook erg diep daar dat bloed zeer uit liep. Nu wist Gygantioen wel dat dit Walewein was en niemand el. Want hij had er van horen spreken dat hij Ragisel zou wreken en dat hij hem ook had gezocht. Nu hoort wie hij werd beducht. Hij nam met beiden handen zijn zwaard en stak dood zeer Waleweins paard. Toen moest Walewein, die ridder goed, wachten daar samen te voet want zijn paard viel daar dood. Toen sprak Gygantioen al bloot: “heer Walewein, nog is niet wel van u gewroken heer Ragisel die ik zelf dood sloeg. Nog moet blijven in zijn gevoeg en in zijn eer Gygantioen. Walewein, ge weet niet wat er toe te doen.” Dus voer hij heen samen van daar en heer Walewein die volgde naar al te voet. En toen hij dat zag Gygantioen, hoor wat hij plag. Hij reed al schoon omdat hij wou dat hem heer Walewein volgen zou. Dor een moeras is hij gereden en Walewein volgde hem daar ter steden. En toen Walewein door het water woedde om hem te volgen met een spoed maakte Gygantioen zijn scherts omdat hij Walewein wilde bezeren. En binnen deze zelfde stonden is Ydier gekomen en heeft gevonden Walewein dus staan te voet. Als een die geheel is verwoed kwam hij gereden al dat hij mag. En toen Gygantioen dit zag werd hij verschrokken nu veel meer. Want hij wist wel dat aan deze twee zijn dood lag, dat zeg ik u. Ydier is op hem gekomen nu en gaf hem een slag gelijk. Hij had hem gekloofd tot de tanden had niet gedaan dat wapen, te waren, die alzo betoverd waren. Toch was de slag zo groet aldaar dat hij ter aarde viel daarnaar al duizelig en in onmacht. Toen kwam die beer met grote kracht op Ydier vreselijk geschoten en sloeg hem daar met zijn poten in de zijde terzelfder tijd en maakte hem daar een scheur wijd in zijn wapens al ongemakkelijk. En was hem Ydier niet ontnikt hij had hem van het paard getogen. Meteen heeft Ydier getogen zijn zwaard, want die beer kwam op hem gapen erg gram en waande hem te hebben verslonden daar. Toen stak Ydier de beer daar naar zijn zwaard in de keel samen zo diep dat het er kwam uit gegaan te flanken. Toen viel de beer dood. Nu was bijgekomen van zijn nood Gygantioen en is opgestaan en Walewein kwam er ook toe gegaan met zijn speer terzelfder plaats. Toen sprak Gygantioen na dat: “sla me nu dood gij twee. Gij wint eer nimmermeer.” Walewein sprak: “ik beloof hier u, doe af die betoverde wapens nu en doe andere wapens aan. Ik vecht tegen u alleen dan.”

“Bij God dat zij.” sprak hij na hetgeen. Toen zond men Ydier daar te doen de boodschap. Ydier heeft de boodschap gedaan en keerde weer erg samen en bracht Gygantioen, te waren, wapens die erg goed waren. De andere wapens hij uit deed en wapende hem daarmee ter stede en zat daar op zijn paard, God weet. En Walewein was ook geheel gereed want hem was gezonden met een spoed paard en ook wapens goed vanwege de jonkvrouw geacht daar Walewein het kamp voor vocht. En Ydier gaf hem zijn goede zwaard dat menige mark was waard daar een man het had te doen. Dus zijn gekomen deze twee baronnen el op de ander en ze staken zodat hun speren te stukken braken. En ze ontmoetten ook daarnaar met de schouder elk de ander daar met kracht en met zo’n grote vaart zodat ze vielen van het paard. Dus zijn ze beide te voet gestaan en elk ging daar op de ander slaan vreselijke en grote slagen. Een lang tijd van de dag zodat men niet kon zien wie er ten achter was. En om dien werd Walewein zo boos te die stede. Toen nam hij het zwaard daar gereed met beide handen daar al bloot en maakte een wonde zo groot Gyngantioen dat hij met allen omgekeerd moest neervallen. En Walewein schoot tot hem al daar en trok hem de helm af daarnaar. Heer Walewein sprak: “eer ik u meer beschadig zo bid aan die jonkvrouw genade van haar geliefde die ge sloeg dood.” “Staat mijn leven aan haar al bloot, zo sla me dood, dus bid ik u.” Walewein sloeg hem af het hoofd dat hij de jonkvrouw gaf die blijde was, dat weet ik wel. “Nu is gewroken heer Ragisel. Sinds dat dood is Gygantioen mag ik mijn klederen recht aan doen.” En recht in deze zelfde taal zagen ze neerwaarts te dal waar men bracht zonder letten Gygantioens dochter Belinette die niet schoner mocht wezen. En men gaf haar Walewein na dezen en zeiden: “dit kind is de uwe met recht. Ze is van het hoogste geslacht dat enige binnen Schotland leeft. Zijn vader die hier zijn lijf heeft verloren liet ons allen zweren dat wij haar niet achter zouden keren. We zouden hem zijn dochter geven die hem genomen had het leven.” Walewein ontving die jonkvrouw en sprak: “gij heren, bij mijn trouw, ik zal haar doen alle hoffelijkheden”. Heer Ydier daar stond ter stede en zag toe al dit ding dat Walewein daar zijn lief ontving te wezen zijn vriendin, ter stede, en tot vrouwe te nemen mede is dat zaak dat hij wil. Hij peinsde luid en stil wat hij doen mag daarom. En met deze is hij gaan staan voor Walewein en sprak: “heer, durf ik te doen en gij