Jacob van Maerlant, 1300-1359: Roman van Torec.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen

Klik hier voor de index.

 

157 LVII.

 

Roman van Torec.

 

Van den [coninc] ende vander [joncfrouwen] metten [cyrkel].

 

Die aventure doet ons cont,

Dat in deser selver stont

Een coninc was, ende hiet Briant,

23130Ende was coninc int rode eylant;

Ende hi voer jagen op enen tijt

In enen wout, was herde wijt.

Een ever doe vor hem daer leet,

Daer hi sinen liden na ontreet

23135Soe verre in genen groten woude,

Dat hi quam, alst wesen soude,

Daer hi vant sittende op enen boem

Ene scone maget, dier hi nam goem,

Want si was so overscone;

23140Ende op haer hoeft stont ene crone,

Dat was een die beste hoetbant

Diemen in die werelt vant.

Doen Briade derre joncfrouwen

Soe overscone vant int scouwen

23145Werd hi ontsteken van harre minne

Ende sprac: "Joncfrouwe, live vrindinne,

Woudi, ic hulpe u ave gerne."

"Here, mine staets u niet te werne

Indien dat gijt wilt getemen

23150Dat gi mi te wive wilt nemen."

Briade seide: "Jayc en trouwen."

Op dese sake quam neder die joncfrouwe,

Die soe overscone was.

Doe gingen si sitten in dat gras,

23155Ende die coninc vragede doe hare

Hoe si dus es comen dare?

Si seide: "Here, al nu ter stat

Heeft mi min vader hier gesat,

Om dat hi wilde dat mi name

23160Die gene die hier irstwerf quame,

Ende hi desen cyrkel van goude

Ane mi dan behuwen soude;

Ende wine oec hevet, nembermere

Sone gebrect hem goet noch ere.

23165Ende ic hete selve Mariole."

Die coninc werd doe soe in dole,

Dat hi hare ter stede boet saen

Dat hise te wive wilde ontfaen.

Dits ene dinc daer vele an leget,

23170Ende daer Merlijn af hevet geseget,

Ende daer die vander tavelronden

Hebben alsoe langen stonden

Haer lijf daer ombe geaventurt,

Ende soe menech leet besuert,

23175Ende noch nie mochten gewinnen.

Si sprac doe: "Here, wildijt kinnen,

Al dat gi wilt doe ic gaerne:

Met u benic gereet te vaerne,

Condi mi nu seker gedoen,

23180Dat mi niet neme die rode lyoen;

Want min vader daer af te secgen plach,

Dat daer af soude comen groet hantgeslach."

"Joncfrouwe, vaerdi met mi, nu siet,

Gine doerft u daer af ontsien niet,

23185Dat u daer af gesciet meer leet."

158 "Soe varic met u, here, gereet."

Ende binnen desen selven stonden

Quamen die jagers metten honden,

Ende hadden enen ever gevaen.

23190Doe dede die coninc den heren verstaen

Dat hi die joncfrouwe nemen woude,

So wat datter af comen soude.

Dus nam hise daer ter selver stat

Ende voretse tsire borch na dat,

23195Ende namse tenen wive vortan:

Dan liet hi om riddere no om man.

Nu hort vort van deser dinge.

Drie gesustere waren nu sonderlinge,

Die ne hadden vader no moder,

23200Ende oec en haddense genen broder.

Si hadden viftech castele

Allene onder hen te dele;

Ende die twee hadden amise,

Maer dat was in goder wise:

23205Dat doe amise hiten sonderlinge,

Dat waren getrouwe vrilinge.

Die derde hadde geen lief vercoren.

Die twee amise, alswijt horen,

Hiten Bruant ende Briade.

23210Dene joncfrouwe bat op genade

Haren amijs, op gerechte minne,

Dat hi den cyrkel haer gewinne:

Daer ombe mach hi in allen tijt

Haer vrinscap hebben ende haer delijt.

23215Ende Bruant vander Montangen

Wachte so lange derre calangen,

Dattie coninc thus nine was,

Ende quam al gewapent na das

In die zale gereden binnen,

23220Ende sach hebben opt hoeft der

coninginnen

Den cyrkel, daer si sat tere stat.

Hi namen hare ende kerde nadat

Uter zalen. Doe merkede si saen

Enen roeden lybart, sonder waen,

23225An sinen scilt. Doe riep si sere:

"Hulpe, acharme. nu es mine ere

Embermer vortane gedaen."

Doe quamen daer hare liede saen

Ende volhden hem daer na, twaren;

23230Maer hi was hen allen ontvaren

Ende reet te sinen lieve thant,

Ende gaf haer daer den hoetbant.

Dies was si doe so overblide,

Dat si riep ten selven tide:

23235"Ay Bruant, live amijs,

Nu benic dine in alre wijs:

Ic wille u trouwen tenen man."

"So willic u sustere ontbiden dan

Ende deilen die castele vort,

23240Sonder enege scalke wort."

Hi ontboet die sustere, di scire quamen.

Ende doe si vergadert waren tsamen

So deildi die viftech castele aldaer

In tween delen, wet vorwaer,

23245Ende die cyerkel was terde deel.

Doen hiet hi kisen al geheel

Der outster suster oec na dat,

Die den cyrkel coes ter stat,

Dies Bruans amie drove was doe,

23250Maer het meeste ember wesen alsoe.

Doe troude elc sijn lief aldaer.

Grote feeste was daer vorwaer.

Ende die metten cyrkele werd sere rike,

Want men niet vant des gelike.

23255Nu latic bliven hieraf di tale,

Ic salre hierna af spreken wale,

Maer ic moet u secgen ere

Van hare di bleef in groten sere.

157 LVII.

 

Roman van Torec.

 

Van de koning en van de jonkvrouw met de cirkel.

 

Het avontuur maakt ons bekend,

Dat er in deze zelfde stonde

Een koning was, en heet Briant,

23130 En was koning in het rode eiland;

En hij ging jagen op een tijd

In een woud, was erg wijd.

Een ever toen voor hem daar ging,

Daar hij zijn lieden na ontreed

23135 Zo ver in dat grote woud,

Zodat hij kwam, zoals het wezen zou,

Daar hij vond zitten op een boom

Een schone maagd, die hij nam op,

Want ze was zo over schoon;

23140 En op haar hoofd stond een kroon,

Dat was een van de beste hoofdband

Die men in de wereld vond.

Toen Briant die jonkvrouw

Zo over schoon vond in het aanschouwen

23145 Werd hij ontstoken van haar minne

En sprak: "Jonkvrouw, lieve vriendin,

Wilde, ik hielp u graag."

"Heer, me staat u niets te verweren

Indien dat gij het wilt betamen

23150 Dat ge mij tot vrouw wil nemen."

Briant zei: "Ja ik in trouwen."

Om deze zaak kwam neer de jonkvrouw,

Die zo over schoon was.

Toen gingen ze zitten in dat gras,

23155 En de koning vroeg toen haar

Hoe ze dus is gekomen daar?

Ze zei: "Heer, al nu ter plaatse

Heeft me mijn vader hier gezet,

Omdat hij wilde dat me nam

23160 Diegene die hier de eerste keer kwam,

En hij deze cirkel van goud

Aan me dan behouden zou;

En wie hem ook heeft, nimmermeer

Zo ontbreekt hem goed nog eer.

23165 En ik heet zelf Mariole."

De koning werd toen zo verdoold,

Dat hij haar ter plaatse bood gelijk

Dat hij haar tot vrouw wilde ontvangen.

Dit is een ding daar veel aan ligt,

23170 En daar Merlijn van heeft gezegd,

En daar die van de tafelronden

Hebben alzo lange stonden

Hun lijf daarom geavontuurd,

En zo menig leed bezuurd,

23175 En nog niet mochten winnen.

Ze sprak toen: "Heer, wil gij het kennen,

Alles dat ge wilt doe ik graag:

Met u ben ik gereed te varen,

Kon ge me nu verzekering doen,

23180 Dat me niet neemt die rode leeuw;

Want mijn vader daarvan te zeggen plag,

Dat daarvan zou komen grote handgeklap."

"Jonkvrouw, vaar ge met mij, nu ziet,

Ge durft u daarvan te ontzien niet,

23185 Dat u daarvan gebeurd meer leed."

158 "Zo vaar ik met u, heer, gereed."

En binnen deze zelfde stonden

Kwamen de jagers met de honden,

En hadden een ever gevangen.

23190 Toen liet de koning de heren verstaan

Dat hij die jonkvrouw nemen wou,

Zo wat er van komen zou.

Dus nam hij haar terzelfder plaats

En voerde haar in zijn burcht na dat,

23195 En nam haar tot een vrouw voortaan:

Dat liet hij om ridders nog om man.

Nu hoort voort van deze dingen.

Drie gezusters waren nu bijzonder,

Die niet hadden vader nog moeder,

23200 En ook hadden ze geen broeder.

Ze hadden vijftig kastelen

Alleen onder hen te verdelen;

En twee hadden geliefden,

Maar dat was op goede wijze:

23205 Dat toen geliefden heten bijzonder,

Dat waren trouwe minnaars.

De derde had geen lief gekozen.

De twee geliefden, zoals wij het horen,

Heten Briant en Briade.

23210 De ene jonkvrouw bad op genade

Haar geliefde, op echte minne,

Dat hij de cirkel voor haar wint:

Daarom mag hij in alle tijd

Haar vriendschap hebben en haar vreugde.

23215 En Briant van de Montange

Wachtte zo lang de gelegenheid,

Dat de koning thuis niet was,

En kwam al gewapend na dat

In de zaal gereden binnen,

23220 En zag hebben op het hoofd der koningin

De cirkel, daar ze zat ter plaatse.

Hij nam het haar en keerde nadat

Uit de zaal. Toen merkten ze gelijk

Een rode leeuw, zonder waan,

23225 Aan zijn schild. Toen riep ze zeer:

"Help, ach arme, nu is mijn eer

Immer voortaan gedaan."

Toen kwamen daar haar lieden gelijk

En volgden hem daar na, te waren;

23230 Maar hij was hen allen ontkomen

En reed tot zijn lieve gelijk,

En gaf haar daar de hoofdband.

Dus was ze toen zo over blijde,

Zodat ze riep terzelfder tijde:

23235 "Ay Briant, lieve geliefde,

Nu ben ik de uwe in alle wijs:

Ik wil u trouwen tot een man."

"Zo wil ik uw zusters ontbieden dan

En verdelen de kastelen voort,

23240 Zonder enige schalkse woord."

Hij ontbood de zusters, die snel kwamen.

En toen ze verzameld waren tezamen

Zo verdeelde hij de vijftig kastelen aldaar

In twee delen, weet voorwaar,

23245 En die cirkel was het derde deel.

Toen zei hij te kiezen al geheel

De oudste zuster ook na dat,

Die de cirkel koos ter plaatse,

Dus Brians geliefde droevig was toen,

23250 Maar het moest immer wezen alzo.

Toen trouwde elk zijn lief aldaar.

Groot feest was daar voorwaar.

En die met de cirkel werd zeer rijk,

Want men niet vind diergelijks.

23255 Nu laat ik blijven hiervan de taal,

Ik zal er hierna van spreken wel,

Maar ik moet u zeggen eerst

Van haar die bleef in grote zeer.

 

LVIII.

 

Van Torecs moder, ende hoe hi riddere werd.

 

Die aventure seget na desen,

23260Dattie coninginne meer wilde wesen,

In geselscap, sijt seker das,

Waer dat enege bliscap was.

Ende haer goet minderde daer naer,

Ende haer man starf int jaer.

23265Ende si oec daerna genas

Van ere dochter, sijt seker das;

Ende die deetsi in ene tonne beslaen,

Ende cledere ende gout, sonder waen,

Ende enen brief, daer in sal staen

23270Hoe al haer saken sijn vergaen,

Hoe si opten boem vonden was,

Ende hose die coninc troude nadas,

Ende hoe di cyrkel werd genomen,

Daer si in onsalecheiden bi es comen,

23275Ende dat hare Bruant vander

Montangen

Heeft gedaen al dese calangen.

Dit was metter dochter gedaen

In een tonne, ende geworpen saen

In die zee, ende litense varen

23280Daerse God wilde bewaren.

Doe quam die tonne gevaren scire

Int lant vander Baser rivire,

Daer Ydor in coninc doe was.

Daer was si opgehaelt nadas,

23285Ende vorden coninc bracht daer saen,

Dise scire op dede slaen.

Daer vant men in een meissekijn,

Dat scoenste dat in die werelt mach sijn,

Ende gout ende selver ende cleder dire,

23290Ende enen brief, dien lasmen scire,

Daer in gescreven stont algader

Wat gesciet was moder ende vader,

Ende dat tkint niet kersten ware gedaen:

Dit dede die brief al verstaen.

23295Die coninc deet doen kersten

daernaer,

Ende deet Tristoise heten vorwaer,

Om met rouwen was gedragen.

Hi deet doen voesteren in dien dagen.

Doen tkint tsinen dagen quam

23300Entie coninc so overscone vernam

Wildise nemen tenen wive.

Wat holpt dat icker vele af scrive?

Want alle die gene die hem bestaen

En haddens hem niet doen ave gaen.

23305Hi namsse te wive ende dreef feeste

groet:

Die brullocht was sonder genoet

Gedreven viertien nacht al uut,

Ende Ydor wan an sine bruut

Een knapelijn, hebbic verstaen.

23310Ende ter selver tijt oec, sonder waen,

Doen die vrouwe daer af genas,

Ende si sach dat een kneplijn was,

Loech si sere daer ter steden;

Ende des hadde grote wonderlijcheden

23315Den genen dise lachgen sagen;

Want si noit in haren dagen

Ne loech dan nu ter stont.

Dit dedemen daer den coninc cont,

Dies blide was doe hijt heeft vernomen,

23320Ende seide: "Hier sal ons goet af comen;

Ende wet oec wel ende seker sijt,

Dat si vortmeer in al haren tijt

Maer twewerf noch lachgen sal."

Men dede den kinde sine behoefte al

23325Ende droecht daer ten kerstenhede,

Ende es Torec geheten mede,

Want sijn oudervader hiet alsoe.

Men gaf hem ene voestere doe,

Die tkint wel achterwaren can.

23330Het wies sere ende werd vrome dan.

159 Daerna dede hem Ydor leren

Alrehande spel met groten heren;

Want en was en gene dinc

Daer hi sinen sin toe hinc,

23335Hine leret bat dan enech man;

Ende oec was hi di melste daer an

Diemen enegen wiste tien tiden;

Ende oec conde hi bat riden

Dan ieman diemen vinden conde;

23340Ende oec en was nieman ter stonde

Soe starc alse Torec, sijt seker das.

Ja, doe hi twintech jaer out was

Quam hi toten vader gegaen

Ende wilde riddere sijn gedaen,

23345Dattie vader gerne dede.

Ende oec in sire eren mede

So maecti hondert ridders daer,

Die Torec alle gichte daer naer.

Doe si riddere waren gedaen

23350Stacmen tere quinteinen saen,

Daer Torec op heeft gesteken

Dat sijn spere moeste breken.

Doen staken di andere alle naer;

Ende alsi hadden gesteken daer

23355Doe reet Torec daerop weder

Ende reet die quinteine ter neder,

Die starc was ende groet.

Dies dreef die vader bliscap groet.

Daer was doe grote feeste gedaen

23360Van etene, van drinkene, sonder waen.

Ende doen dit al leden was

So nam Tristouse Torec na das

In haer camere in heimelijcheden,

Ende toende hem den brief ter steden

23365Die met hare daer was gesint.

Ende tirst dat hi die sake bekint

Ward hem dat herte swaer,

Ende seide: "Moder, wet over waer,

Dat ic dit noch sal wreken."

23370Mettien ginc hi den vader spreken

Ende bat orlof hem daer naren:

Hi wilde om aventuren varen.

Die vader seide: "Dan mach niet sijn."

"Om die werelt te wesene mijn,

23375Here, sone blevic nu hier niet.

En hulpt niet wat gi mi biet;

Mine mochte nieman verbidden des.

Ende sijt oec seker ende gewes,

Ic sal den tcirkel noch gecrigen,

23380Oft ic salre om sijn in hondert wigen,

Die verloes mijn oudermoder.

Ic salre af noch wesen vroder

Eeric nembermer wederkere."

Doen loech echt sijn moder sere,

23385Nochtan dat weende inden hove

Menech man van groten love.

Ende si weende daerna ter stat:

Doe so vrachdemen hare nadat,

Waeromme si nu weent ende tirst was vroe?

23390Tristoise sprac: "Het staet alsoe,

Mijn herte es vroe; maer alsic sie

Mijn kint wech varen jambert mie.

Hi sal met sire vromecheden

Mire moder wreken ende mi mede:

23395Dat sceden maect mi tongemake;

Ende ic lachge om die wrake."

Nu latic hier van Ydor bliven

Ende sal van Torec vort scriven.

 

LVIII.

 

Van Torecs moeder en hoe hij ridder werd.

 

Het avontuur zegt na deze,

23260 Dat de koningin meer wilde wezen,

In gezelschap, zij het zeker dat,

Waar dat enige blijdschap was.

En haar goed verminderde daarnaar,

En haar man stierf in dat jaar.

23265 En zij ook daarna baarde

Een dochter, zij het zeker dat;

En die liet ze in een ton slaan,

En klederen en goud, zonder waan,

En een brief, daarin zal staan

23270 Hoe al haar zaken zijn vergaan,

Hoe ze op de boom gevonden was,

En hoe ze die koning trouwde na dat,

En hoe de cirkel werd genomen,

Daar ze in onzaligheid bij is gekomen,

23275 En dat haar Briant van de Montagne

Heeft gedaan al deze gelegenheden.

Dit was met de dochter gedaan

In een ton, en geworpen gelijk

In de zee, en liet het varen

23280 Daar God haar wilde bewaren.

Toen kwam die ton gevaren snel

In het land van de Baser rivier,

Daar Ydor in koning toen was.

Daar werd ze opgehaald na dat,

23285 En voer de koning gebracht daar gelijk,

Die het snel open liet slaan.

Daar vond men in een meisje,

Dat schoonste dat er in de wereld mag zijn,

En goud en zilver en klederen duur,

23290 En een brief, die las men snel,

Daarin geschreven stond allemaal

Wat gebeurd was moeder en vader,

En dat het kind niet christelijk was gedaan:

Dit liet de brief geheel verstaan.

23295 De koning liet haar toen christenen daarnaar,

En liet haar Tristoise heten voorwaar,

Omdat ze met rouw was gedragen.

Hij liet het toen opvoeden in die dagen.

Toen het kind tot zijn dagen kwam

23300 En de koning haar zo over schoon vernam

Wilde hij haar nemen tot vrouw.

Wat helpt het dat ik er veel van schrijf?

Want al diegene die hem bestaan

Hadden hem haar er niet doen afgaan.

23305 Hij nam haar tot vrouw en dreef feesten groot:

De bruiloft was zonder genodigden

Gedreven veertien nachten al uit,

En Ydor won aan zijn bruid

Een knaapje, heb ik verstaan.

23310 En terzelfder tijd ook, zonder waan,

Toen de vrouw daarvan genas,

En ze zag dat het een knaapje was,

Lachte ze zeer daar ter plaatse;

En dus hadden grote wonderlijkheid

23315 Diegenen die haar lachen zagen;

Want ze nooit in haar dagen

Lachte dan nu terstond.

Dit deed men daar de koning kond,

Die blijde was toen hij het heeft vernomen,

23320 En zei: "Hier zal ons goed van komen;

En weet ook wel en zeker bent,

Dat ze voort meer in al haar tijd

Maar twee maal nog lachen zal."

Men deed het kind zijn behoefte al

23325 En droeg het daar te christenheden,

En is Torec genoemd mede,

Want zijn grootvader heette alzo.

Men gaf hem een voedster toen,

Die het kind wel bewaren kan.

23330 Het groeide zeer en werd dapper dan.

159 Daarna liet hem Ydor leren

Allerhande spel met grote heren;

Want er was geen ding

Daar hij zijn zin toe hing,

23335 Hij leerde beter dan enige man;

En ook was hij de mildste daar aan

Die men ergens wist te die tijden;

En ook kon hij beter rijden

Dan iemand die men vinden kon;

23340 En ook was er niemand ter stonde

Zo sterk zoals Torec, zij het zeker dat.

Ja, toen hij twintig jaar oud was

Kwam hij tot de vader gegaan

En wilde ridder zijn gedaan,

23345 Dat de vader graag deed.

En ook in zijn eer mede

Zo maakte hij honderd ridders daar,

Die Torec alle begiftigde daar naar.

Toen ze ridder waren gedaan

23350 Stak men te eren een doel gelijk,

Daar Torec op heeft gestoken

Zodat zijn speer moest breken.

Toen staken de andere alle daarnaar;

En toen ze hadden gestoken daar

23355 Toen reed Torec daarop weer

En reed dat doel ter neer,

Die sterk was en groot.

Dus dreef de vader blijdschap groot.

Daar was toen grote feesten gedaan

23360 Van eten, van drinken, zonder waan.

En doen dit alles geleden was

Zo nam Tristoise Torec na dat

In haar kamer in vetrouwelijkheid,

En toonde hem de brief ter plaatse

23365 Die met haar daar was gezonden.

En ten eerste dat hij die zaak bekent

Werd hem dat hart zwaar,

En zei: "Moeder, weet voor waar,

Dat ik dit nog zal wreken."

23370 Meteen ging hij de vader spreken

En bad verlof hem daarnaar:

Hij wilde om avonturen varen.

De vader zei: "Dat mag niet zijn."

"Om de wereld te wezen mijn,

23375 Heer, zo blijf ik nu hier niet.

Het helpt niet wat ge me gebied;

Mij mag niemand verbieden dit.

En zij het ook zeker en gewis,

Ik zal de cirkel nog krijgen,

23380 Of ik zal er om zijn in honderd wegen,

Die verloor mijn grootmoeder.

Ik zal er van nog wezen bekend

Eer ik nimmermeer weerkeer."

Toen lachte echt zijn moeder zeer,

23385 Nochtans dat weende in het hof

Menig man van grote lof.

En ze weende daarna ter plaatse:

Toen zo vroeg men haar na dat,

Waarom ze nu weent en eerst was vrolijk?

23390 Tristoise sprak: "Het staat alzo,

Mijn hart is vrolijk; maar als ik zie

Mijn kind weg varen jammert me.

Hij zal met zijn dapperheden

Mijn moeder wreken en mij mede:

23395 Dat scheiden maakt me te ongemak;

En ik lach om de wraak."

Nu laat ik hier van Ydor blijven

En zal van Torec voort schrijven.

 

 

LIX.

 

Hoe Torec den casteel Fellon vrietde.

 

Ons doet verstaen die aventure,

23400Dat Torec nu ter selver ure

Allene voer al sonder gevarde,

Met Morele sinen parde,

Dat beter was dan ene stat.

Die beste wapine, wetet dat,

23405Diemen hadde vinden mogen,

Dedi an, ende reet wech in hogen,

So hi haestelijcst conde meest;

Ende quam gereden in een foreest,

Daer hi horde ene joncfrouwe

23410Ropen ende driven groten rouwe,

Die seven rovers hadden gevaen

Ende wilden bi hare licgen saen.

Ende Torec reet derward gereet,

Ende heeft die vijf so bereet,

23415Dat si nemmeer gedoen ne connen;

Ende die twee die sijn ontronnen.

Des was blide die joncfrouwe sere

Ende bat Torecke harde sere

Dat hise met hem voren woude

23420Tot dat si ware in haer behoude.

Dus reden si soe dat si quamen

Uten woude, daer si vernamen

Een cleine husekijn staen:

Daer reet Torec ende vrachde saen

23425Oftmen igeren herberge vonde?

Doen seide hem een daer ter stonde:

"Neent, in tien milen nigeren naer,

Sonder casteel Fellon, vorwaer,

Dat die felste casteel oec es

23430Vander werelt, sijt seker des;

Ende daer sijn twaelf ridderen binnen,

Die felste diemen mochte kinnen;

Ende dan ieman comt daer voren,

Dien doen si vernoy ende toren,

23435Want daer comt een ridder uut

Ende bestrijttene over luut;

Ende al mach hi dien verwinnen

So comter noch een ut van binnen:

Daerna die derde, die vierde mede,

23440Al tote twaelf, wet, gerede.

Ende mochtse een al verwinnen ginder,

So worden sine man vader ende kinder,

Ende souden den casteel van hem ontfaen

Ende breken die quade seden saen."

23445Torecke des wel behaget,

Ende reet vaste derward metter maget,

Ende quam daer wel ter vespertijt.

Hi sach die borch starc ende wijt:

Ter porten reet di degen cone

23450Ende riep lude na dien doene:

"Ontoe die porte." "Wat sals mee?"

"Geherberget willewi sijn wi twee."

Die ander seide: "Gi ende u amie

Drieft daer u brullocht, dat radic die."

23455Torec sprac tot genen knecht:

"Ic ben hier comen om gevecht.

Loep ende sege dat daer binnen."

Diegene deet sinen here bekinnen,

Die doe ut sinde sinen soene,

23460Die vrome riddere was ende coene.

Ende doen di gene Torec sach

Reet hi op hem al dat hi mach;

Ende Torec reet op hem weder

Ende stakene vanden perde neder,

23465Ende reet ten orsse ende hevet gevaen,

Ende geeft den riddere weder saen.

Die gene reet in die borch weder.

Doen quam een ander riddere neder,

Dien stac hi af oec alsoe:

23470Den derden ende den vierden daer

toe,

Ende den viften enten sesten gerede,

Ende also toten elfsten mede;

Ende den twaelfsten stac hi doet.

Doe quam di vader ut dor noet,

23475Ende dien stac hi ende sijn gereide

160 Vanden paerde alle beide.

Doe spranc Torec saen daer neder

Ende [lei]de hem sijn gereide weder,

Dies hem die here wiste groten danc.

23480Daer werd hi sijn man eer iet lanc,

Ende alle sine kinder mede.

Men dede hem ere groet ter stede,

Want die vader hadde gesworen,

Ende sine kinder, daer te voren,

23485Wat ridderen datse alle afstake,

Dat si souden na die sake

Alle gader werden sine man,

Ende hare costume breken dan.

Daer omme werdense sine man daer saen,

23490Ende hebben den casteel van hem ontfaen.

Men dede daer Torec wel te gemake.

Doe vrachde die waerd na die sake,

Hoe hi hiete, ende wanen hi ware?

"Ic hete Torec," seidi daernare,

23495"Ydors sone vander Baser rivire;

Ende min moder, dit secgic u scire,

Die heet Tristouse, alsmen seget,

Die te lachene niet en pleget."

Doen was die here blide das,

23500Dat hi van hem verwonnen was.

Van hen latic bliven die wort

Ende sal u secgen van Torec vort.

LIX.

 

Hoe Torec het kasteel Fellon bevrijdde.

 

Ons laat verstaan het avontuur,

23400 Dat Torec nu terzelfder uur

Alleen voer zonder gevaar,

Met Morele zijn paard,

Dat beter was dan een stad.

De beste wapens, weet dat,

23405 Die men had vinden mogen,

Deed hij aan, en reed weg in hogen,

Zo hij het snelst kon meest;

En kwam gereden in een bos,

Daar hij hoorde een jonkvrouw

23410 Roepen en drijven grote rouw,

Die zeven rovers hadden gevangen

En wilden bij haar liggen gelijk.

En Torec reed derwaarts gereed,

En heeft er vijf zo bereden,

23415 Zodat ze het nimmermeer doen konden;

En twee die zijn ontgaan.

Dus was blijde die jonkvrouw zeer

En bad Torec erg zeer

Dat hij haar met hem voeren wou

23420 Totdat ze was in haar behoud.

Dus reden ze zo dat ze kwamen

Uit het woud, daar ze vernamen

Een klein huisje staan:

Daar reed Torec en vroeg gelijk

23425 Of men ergens herberg vond?

Toen zei hem een daar ter stonde:

"Neen, in tien mijlen nergens daarnaar,

Uitgezonderd kasteel Fellon, voorwaar,

Dat het felste kasteel ook is

23430 Van de wereld, zij het zeker dit;

En daar zijn twaalf ridders binnen,

De felste die men mocht kennen;

En als iemand komt daarvoor,

Die doen ze vermoeienis en toorn,

23435 Want daar komt een ridder uit

En bestrijdt hem overluid;

En al mag hij die overwinnen

Zo komt er noch een uit van binnen:

Daarna de derde, de vierde mede,

23440 Al tot twaalf, weet, gereed.

En mocht hij ze alle overwinnen ginder,

Zo worden ze zijn man vader en kinderen,

En zouden het kasteel van hem ontvangen

En breken die kwade zeden gelijk."

23445 Torec het dus wel behaagt,

En reed vast derwaarts met de maagd,

En kwam daar wel te vespertijd.

Hij zag de burcht sterk en wijd:

Ter poorten reed diegene koen

23450 En riep luid na dat doen:

"Open de poort." "Wat zal er mee?"

"Geherbergd willen we zijn wij twee."

De ander zei: "Gij en uw geliefde

Drijft daar uw bruiloft, dat raad ik u."

23455 Torec sprak tot die knecht:

"Ik ben hier gekomen om gevecht.

Loop en zeg het daar binnen."

Diegene liet zijn heer bekennen,

Die toen uit zond zijn zoon,

23460 Die en dappere ridder was en koen.

En toen diegene Torec zag

Reed hij op hem al dat hij mag;

En Torec reed op hem weer

En stak hem van het paard neer,

23465 En reed te paard en heeft het gevangen,

En geeft het de ridder weer gelijk.

Diegene reed in de burcht weer.

Toen kwam een andere ridder neer,

Die stak hij af ook alzo:

23470 De derde en de vierde daartoe,

En de vijfde en de zesde gereed,

En alzo tot de elfde mede;

En de twaalfde stak hij dood.

Toen kwam de vader uit door nood,

23475 En die stak hij en zijn zadel

160 Van het paard alle beide.

Toen sprong Torec gelijk daar neer

En herlegde zijn zadel weer,

Dus hem de heren wisten grote dank.

23480 Daar werd hij hun man aanstonds,

En alle zijn kinderen mede.

Men deed hem grote eer ter plaatse,

Want de vader had gezworen,

En zijn kinderen, daar te voren,

23485 Welke ridder die hen alle afstak,

Dat ze zouden na die zaak

Alle tezamen worden zijn man,

En hun gebruiken breken dan.

Daarom werden ze zijn man daar gelijk,

23490 En hebben het kasteel van hem ontvangen.

Men deed daar Torec wel te gemak.

Toen vroeg hij de waard na die zaak,

Hoe hij heette, en waarvan hij waar?

"Ik heet Torec," zei hij daarnaar,

23495 "Ydors zoon van de Baser rivier;

En mijn moeder, dit zeg ik u snel,

Die heet Tristoise, zoals men zegt,

Die te lachen niet pleegt."

Toen was die heer blijde om dat,

23500 Dat hij van hem overwonnen was.

Van hen laat ik blijven het woord

En zal u zeggen van Torec voort.

 

 

LX.

 

Hoe Torec Melione verwan, ende hoe hi seide w[aer die] cierkel was.

 

Daventure doet u cont

Dat Torec sander dages opstont

23505Ende nam orlof an hen allen daer,

Ende reet om aventure daernaer,

Ende quam in een wout gereden:

Daer gemoette hi ter steden

Enen riddere sward ende groet,

23510Die hem daer sijn spere boet;

Ende Torec boet hem weder tsine.

Si quamen tegadere met selker pine,

Dat si beide bina met allen

Waren daer ter eerden gevallen;

23515Ende Torec kerde doe omme sijn

paert

Ende waende noch josteren ter vart,

Maer hi hadde dengenen verloren:

Des hadde hem wonder als te voren,

Dat hi hem dus ontfaren was.

23520"Dit was een alf oft sathanas,"

Sprac hi, "di mi dus es ontgaen."

Ic late hier af di tale staen:

Men saelt hierna wel secgen u

Waeromme hi daer also quam nu.

23525Maer Torec, die des erre was,

Reet doe vort al sinen pas,

Ende quam gereden omtrent middach

Daer hi ene scone joncfrouwe sach;

Ende een riddere lach in haren scoet,

23530Gewapent, die starc sceen ende groet,

Ende sliep vaste met goeder moeten.

Torec sprac haer an met groten

Ende vrachde hare wie di ridder es?

"In segs u niet, sijt seker des.

23535Vaert uwer straten, dat radic u,

Eer hi u te doet slaet nu."

Torec seide: "Ic soude gerne weten

Hoe die riddere ware geheten."

"In segs u niet, al sonder wanc."

23540Mettien die riddere daer met

ontspranc

Ende seide: "Her dorpere, bi mire wet,

Dat gi hier dus hebt gelet

Ende ut minen slape hebt nu brocht,

Dat werd u herde dire vercocht."

23545Mettien die riddere opstont

Ende bant sinen helm ter stont,

Ende nam sinen scilt ende sijn spere,

Ende sat op sijn ors ter were,

Ende es op Torecke comen daer,

23550Ende stac sijn spere ontwe daer naer.

Ende Torec stac op hem daer weder,

So dat hi viel ter eerden neder,

So dat hi ne horde none sach.

Doe Torec sach dat hi dus lach

23555Ginc hi van sinen perde daernaer.

Doe was die ander becomen daer

Ende quam Torecke jegen gegaen.

Doe gingen si daer met swerden slaen

Deen den anderen herde onsoeten.

23560Van den hoefde toten voten

Waren si bebloet aldaer

Vanden wonden, wet vorwaer.

Die riddere weerde hem harde wel;

Maer tachters werd hem de strijt te fel,

23565Want Torec slogene metten swerde

Opt hoeft, dat hi viel ter eerde

Oft hi doet hadde gewesen.

Doe quam sine amie te desen

Ende riep: "Ay mi, riddere van prise,

23570Hebt genade van minen amise."

Torec seide: "Ic geve[n] hier u,

Op dat hi selve willet nu."

Die riddere was blide ende dancten sere,

Ende seide doe: "Wel lieve here,

23575Laet mi weten wie gi sijt;

Want noit riddere vor desen tijt

Mi gemeestren nine conde."

Torec seide ter selver stonde:

"Ic ben," seit hi, "Torec geheten,

23580Ende min vader, wildijt weten,

Heet Ydor van Baser rivire."

"Ic was wel sot," seidi doe scire,

"Dat ic mi jegen u vermat.

Nu biddic u, here, nu ter stat,

23585Dat gi met mi vart tramere.

Ic sal u secgen ende wisen, here,

Den tsirkel dien gi soeket nu,

Ende wine oec heeft dat secgic u."

Torec seide doe: "Lieve here,

23590Wiset mi daer, des biddic u sere."

Die riddere sprac: "Bi Gode, dat si.

Bruant, dine nam, woent hier bi;

Maer sijn casteel es so vast,

Dat hi om niemanne geeft een bast;

23595Ende oec weet hi wel te secgen van

u,

Ende dat gi den cirkel soket nu.

Ende om dat heeft hi twee lione

Ende twee resen te sinen done,

Die sine porte nauwe wachten,

23600Beide bi dage ende bi nachten.

Nieman mochte die porte winnen

Met gere cracht, dat hire quam binnen;

Ende al mochti oec daer binnen comen,

Bruant soude hem jegen comen,

23605Ende souden oec bestaen gereet,

Want hi es vresselijc, starc ende wreet.

Dus en mochts een niet ontgaen,

Hine moeste daer doet bliven saen."

Torec sprac: "God, diet al mach geven,

23610Die late mi noch so lange leven,

Dat ic hem moet lonen di overdaden

Die hi hier vore dede an Briaden."

Doe vrachde Torec na sinen name.

"Here, Melions, eest u bequame:

23615De orgelious soe heetmen mi."

Ende binnen deser tale quamen si

Te Melions castele saen,

Daer si wel waren ontfaen.

Si aten, si dronken ende waren blide,

23620Ende gingen slapen saen betide,

161 Om dat si wilden, sonder waen,

Des anderen dages vroech opstaen.

Doen Torec dages geware werd,

Stont hi op ende oec sijn werd,

23625Ende wapenden hen beide wale.

Torec nam enen boge ende strale,

Want hi wale scieten conste,

Op aventure wat hi begonste.

Die waerd voer met hem udewaerd

23630Ende leidene optie rechte vaerd;

Nochtan castijtdine daer af sere,

Maer dan bescoet min no mere.

Ende doe hi ene mile hadde gevaren

Keerde di werd weder, twaren,

23635Ende bevalle[n] Gode daer naer.

Doe reet Torec allene daer

Soe verre, dat hi gereden quam

Daer hi Bruans montange vernam,

Daer sijn starke casteel op stont.

23640Daer ward saen Torecke cont

Vor die porte die starke resen.

Ende Torec die set in mettesen

Ende scoet den enen dor di herte,

Dat hi doet viel vander smerte.

23645Dit sach die ander ende quam hem

naer;

Enen anderen quareel scoet hi daer,

Ende scoet den genen in die oge,

Dat hi strimelde van dien vloge;

Ende sloech Morele, sijn ors, met sporen,

23650Ende stakene in die borst voren

Met sinen spere, dat hi ter stat

Doet viel. Ende saen na dat

Quamen twe leuwe op hem alse houden

Als oft sine thans verbiten souden.

23655Hi stac den enen int begin

Metten spere ter kelen in,

Dat hi doet viel ter stede.

Doe spranc di ander op hem ter stede

Ende trac na hem doe sinen scilt;

23660Ende Torec sijn swaerd verhilt

Ende sloech den leu af sine twee vote,

Dat hi achterwaerd viel onsote.

Do ginc Torec van sinen wrene

Ende slogen daer te stucken clene.

23665Doe sat hi weder op sijn paert

Ende reet vaste ter zalen waerd.

Daer vant hi Bruande bi enen scake,

Die doe sere was tongemake

Doen hi Torecke sach aldaer.

23670Hi versprakene sere daernaer

Ende dreichdene doe ende seide

Hi souden doen rumen sijn gereide.

Torec seide: "En dreiget niet,

Maer wapent u, ende comt ende siet

23675Oft gi op mi iet winnen moget.

Dat docht mi van u ene merre doget

Dan gi mi dreiget ende nine doet."

Doe sprac Bruant: "Her riddere goet,

Ic bidde u sere, waerd u bequame,

23680Dat gi mi segt uwen name."

"Ic hete Torec," seidi doe saen,

"Ende soeke den cirkel, sonder waen,

Dien gi mire oudermoder naemt,

Ende mire moder te hebbene betaemt."

23685Bruant sprac, die riddere fier:

"So comdi daer omme vechten hier?

Des seldi wel sijn gescaed;

Maer het es te sere verspaed,

Want hets avont embertoe.

23690Maer herberget hier tot margen vroe:

Ic sal u ende uwen perde nu

Gnoech doen hebben, dat secgic u;

Ende laet ons beginnen margen vroech

Te vechtene, so hebwi dages gnoech."

23695Torec sprac: "Gi segt hoveschede:

Ic later mi oec genogen mede."

Dus bleef hi daer om dese sake,

Daer hi wel was te gemake.

Des ander dages es opgestaen

23700Ende Bruant mede, ende sijn gegaen

Hen doen wapenen metter vart,

Ende sijn geseten op haer part.

Ende Bruant verboet al sinen gesinde

Dats hem nieman onderwinde.

23705Oec soe wilt hi tesen male

Dattie strijt si in die zale.

Dus es daer die strijt genomen:

Ende elc es daer op anderen comen

Metten speren ende metten orssen

23710Soe sere, dat si in dire porssen

Beide ter eerden moesten vallen,

Want die perde sockerden met allen;

Ende oec so quetste hem sere Bruant.

Ende Torec trac sijn swaerd te hant

23715Ende es te Bruande gegaen,

Ende Bruant es oec op gestaen.

Daer ginc deen den anderen toe:

Bruant sloech op Torecke soe,

Dat hem sijn swaerd daer ontfel.

23720Torec, die dapper was ende snel,

Gegreep dat swaerd in di hant

Ende gaeft Bruande weder thant,

Ende seide: "Nu nemt u swaerd

Om dat gi tnacht waerd min waerd."

23725Dies was Bruant herde blide;

Ende gingen van irst vechten tien tide.

Dus vochten si tot na noene,

Ende Bruant, die riddere coene,

Gaf Torecke doe ene grote wonde

23730Met sinen swaerde, dat gevenijnt es.

Torec vererde hem sere des,

Ende Bruande enen slach doe gaf,

Dat hem die rechte hant viel af,

Ende horten neder, sonder waen,

23735Ende trac hem den helm af daerna

saen.

Doe bat Bruant daer genaden

Ende seide: "Torec, gi moget u scaden;

Eest dat mi dat leven nemt

Soe werd u leven hier gehent,

23740Want gevenijnt sijn u wonden

Van minen swerde; ende nu ter stonden

Sone leeft in die werelt man

Diese u oec genesen can,

Ic ne waerd, dit secgic u.

23745Ende wildi mi laten leven nu,

Ic sal u wonden wel genesen

Ende den cirkel wisen na desen;

Ende oec so willic werden u man

Ende u dinen vorwerd an,

23750Want ic hebt nu dire becocht

Die ondaet, die ic hebbe gewrocht;

Want mi es afgeslagen de hant,

Daer ic den cirkel mede prant."

Torec seide: "Ic late u leven,

23755Wildi mi des gode sekerheit geven."

"Jaic, ende werde thans u man."

Daer custe deen den anderen dan,

Ende worden gevriende daer ter stat.

Men ontwapense beide na dat.

23760Doen seide Bruant Torecke al

Vanden cirkele groet ende smal,

Ende hoe dattene sine swegerinne heeft,

Die scoenste die in die werelt leeft;

"Ende een riddere, een groet here,

23765Die minde dese joncfrouwe so sere,

Dat hi hare gaf na sine doet

.Lx. castele starc ende groet,

Entie lande dire toebehoren.

Ende dese joncfrouwe heeft oec gesworen,

23770Dat si man ne nemet nembermeer,

162 Hine hebbe afgesteken eer

Alle die vander tafelronden:

Dien wilt si nemen in corten stonden,

Ende geven hem den cirkel mede,

23775Ende alle die borge oec ter stede.

Ende an hare leget oec u lijf,

Want ens in die werelt wijf

Die bat an gevenijnde wonden can."

Torec sprac: "Here, bi sinte Jan,

23780In neme oec nembermer negene

Ander wijf dan hare allene.

Bruant, berecht mi, des biddic u,

Waer ic dese moge vinden nu."

Bruant seide: "Here, nu hort,

23785Gi seletse vinden ten Castele Fort,

Daer woent si binnen, wet vor waer."

"Soe willic nu dan varen daer,"

Sprac Torec, "ende besien ter uren

Wat mi daer nu mach geburen."

23790Doe gaf hem Bruant wapine dire,

Ende dedene geleiden derward scire

Seven ridders, al toter stont

Dat Torecke was die wech cont.

Doen dedise alle keren daer.

23795Do quam hi gereden saen daernaer

Ane een wout; daer hoerde hi

Enen riddere maken groet gecri.

Doe reet hi derward saen ter stede,

Ende vant den riddere in groter droefhede.

23800Doe vrachden Torec wat hem ware?

Hi seide: "Ic ben betoverd sware:

Hier sal een riddere comen saen,

Die min hovet af sal slaen,

Dat donct mi; ende over waer,

23805Ic hebbe di pine daeraf so swaer

Als oft ment mi afsloge gereet.

Ende dat lidic alle dage, Godweet,

Driewerf oft vire. "Doe vrachde saen

Torec: "Wat hebdi hem mesdaen?"

23810"Here, hi teech mi sijn wijf an."

"Ende sidijs sculdech?" sprac Torec dan.

"Bi ridderscape, nenic, here."

Ende binnen desen selven kere

Quam die riddere gereden al daer

23815Ende wilde den anderen slaen daer naer;

Ende Torec die voer daer jegen.

Doe seide die gene: "Wies wildi plegen?

Lust u te vechtene jegen mi?"

Torec seide doe: "Riddere, dat gi

23820Desen riddere nu hier wilt slaen,

Die u niet en heeft mesdaen,

Daer af soudic gerne maken di soene."

"Her vasseel, wat hebdijs te doene?

Wildi dit hier nu berechten,

23825Lustets u, gi moget vechten."

"Jaet," sprac Torec; "ic wille hier

Bescermen alse een riddere fier."

Doe sloech die gene te Torecward,

Ende Torec op hem weder ter vard:

23830Metten speren si beide staken

Dat si daer te sticken braken.

Doe trocken si die swaerde saen

Ende gingen grote slage slaen.

Daerna geraectene Torec so wel,

23835Dat hi vanden perde vel;

Ende Torec ginc af ende viel op hem daer,

Ende trac hem den helm af daernaer,

Ende wildem thovet afslaen.

Doe bat hi genade herde saen.

23840Torec seide: "In ontfa u niet,

Gine nemt desen riddere sijn verdriet,

Dien gi betoverd dus hebt nu."

Doen swoer hijt hem, dat secgic u.

Doe namen Torec op aldaer,

23845Ende hi genas den riddere daernaer,

Ende Torec deetse versonen beide.

Doe wilde elc Torecke gereide

Met hem voren daer ter stat.

Torec bepensdem doe nadat,

23850Dat hem daer beter ware

Dat hi metten gene vare

Dien hi bescud heeft daer ter stont,

Dan daer hi jegen vacht ende heft gewont.

Dus nam hi orlof anden genen

23855Ende voer metten anderen henen.

Doe vrachde Torec hoe hi hite

Dien hi daer vant in verdriete?

"Ic hete vanden Briele Claes.

Live here," sprac hi na das,

23860"Hoe es u name, dat segt mi nu."

"Ic hete Torec, dat secgic u."

Die ander seide: "Torec, Godweet,

Gi sijt die beste die ic weet."

Ende recht met deser tale

23865Quamen si gereden vor sine zale,

Daer mense wel ontfinc ter stat.

Doe men geten hadde na dat

Gincmen slapen saen daernaer.

Des ander dages vroech, vor waer,

23870So es Torec opgestaen

Ende heeft sine wapine angedaen

Om wech te ridene daer ter stede;

Ende sijn werd gereide hem mede

Om te varne met hem gereet:

23875Dat was Torecke herde leet,

Doch voer hi met hem ene mile,

Ende geleiden daer ter selver wile.

Doe dedene Torec keren weder.

Nu lecgic van hem di tale neder

23880Ende sal van Torecke scriven vort,

Des gi noch niet en hebt gehort.

LX.

 

Hoe Torec Melions overwon en hoe hij zei waar de cirkel was.

 

Het avontuur doet u kond

Dat Torec de volgende dag opstond

23505 En nam verlof aan hen allen daar,

En reed om avonturen daarnaar,

En kwam in een woud gereden:

Daar ontmoette hij ter plaatse

Een ridder zwart en groot,

23510 Die hem daar zijn speer bood;

En Torec bood hem weer de zijne.

Ze kwamen tezamen met zulke pijn,

Dat ze beide bijna geheel

Waren daar ter aarde gevallen;

23515 En Torec keerde toen om zijn paard

En waande nog te spelen ter vaart,

Maar hij had diegene verloren:

Dus had hij zich verwonderd zoals tevoren,

Dat hij hem aldus ontkomen was.

23520 "Dit was een elf of satan,"

Sprak hij, "die me dus is ontgaan."

Ik laat hiervan de taal staan:

Men zal het hierna wel zeggen u

Waarom hij daar alzo kwam nu.

23525 Maar Torec, die dus boos was,

Reed toen voort al zijn pas,

En kwam gereden omtrent middag

Daar hij een schone jonkvrouw zag;

En een ridder lag in haar schoot,

23530 Gewapend, die sterk scheen en groot,

En sliep vaste met goede moed.

Torec sprak haar aan met groeten

En vroeg haar wie die ridder is?

"Ik zeg het u niet, zij het zeker dit.

23535 Vaart uw straten, dat raad ik u,

Eer hij u te dood slaat nu."

Torec zei: "Ik zou het graag weten

Hoe die ridder was geheten."

"Ik zeg het u niet, al zonder dwang."

23540 Meteen de ridder daarmee opsprong

En zei: "Heer dorper, bij mijn weet,

Dat ge hier dus hebt gelet

En uit mijn slaap hebt nu gebracht,

Dat word u erg duur verkocht."

23545 Meteen de ridder opstond

En bond zijn helm terstond,

En nam zijn schild en zijn speer,

En zat op zijn paard te verweer,

En is op Torec gekomen daar,

23550 En stak zijn speer stuk daarnaar.

En Torec stak op hem daar weer,

Zodat hij viel ter aarde neer,

Zodat hij niets hoorde of zag.

Toen Torec zag dat hij dus lag

23555 Ging hij van zijn paard daarnaar.

Toen was de andere bijgekomen daar

En kwam Torec tegen gegaan.

Toen gingen ze daar met zwaarden slaan

De ene de andere erg hard.

23560 Van het hoofd tot de voeten

Waren ze bebloed aldaar

Van de wonden, weet voorwaar.

De ridder verweerde hem erg goed

Maar tenslotte werd hem de strijd te fel,

23565 Want Torec sloeg hem met het zwaard

Op het hoofd, zodat hij viel ter aarde

Alsof hij dood was geweest.

Toen kwam zijn geliefde tot deze

En riep: "Ay mij, ridder van prijs,

23570 Hebt genade van mijn geliefde."

Torec zei: "Ik geef hem hier u,

Opdat hij het zelf wil nu."

De ridder was blijde en bedankte hem zeer,

En zei toen: "Wel lieve heer,

23575 Laat me weten wie ge bent;

Want nooit ridder voor deze tijd

Me overmeesteren niet kon."

Torec zei terzelfder stonde:

"Ik ben," zei hij, "Torec geheten,

23580 En mijn vader, wilde gij het weten,

Heet Ydor van Baser rivier."

"Ik was wel zot," zei hij toen snel,

"Dat ik me tegen u vermat.

Nu bid ik u, heer, nu ter plaatse,

23585 Dat ge met me vaart daar meer.

Ik zal u zeggen en wijzen, heer,

De cirkel die ge zoekt nu,

En wie hem ook heeft dat zeg ik u."

Torec zei toen: "Lieve heer,

23590 Wijs het me daar, dus bid ik u zeer."

De ridder sprak: "Bij God, dat zij.

Briant, die naam, woont hierbij;

Maar zijn kasteel is zo vast,

Dat hij om niemand geeft een bast;

23595 En ook weet hij wel te zeggen van u,

En dat ge de cirkel zoekt nu.

En omdat heeft hij twee leeuwen

En twee reuzen tot zijn doen,

Die zijn poort nauw bewaken,

23600 Beide bij dag en bij nacht.

Niemand mag die poort overwinnen

Met geen kracht, zodat hij er kwam binnen;

En al mocht u ook daar binnen komen,

Briant zou hem tegen komen,

23605 En zou hem ook bestaan gereed,

Want hij is vreselijk, sterk en wreed.

Dus mag er niet een ontgaan,

Hij moest daar dood blijven gelijk."

Torec sprak: "God, die het al mag geven,

23610 Die laat me nog zo lang leven,

Dat ik hem moet belonen die overdaad

Die hij hiervoor deed aan Briaden."

Toen vroeg Torec naar zijn naam.

"Heer, Melions, is het u bekwaam:

23615 De hooghartige zo noemt men mij."

En binnen deze taal kwamen zij

Te Melions kasteel gelijk,

Daar ze goed waren ontvangen.

Ze aten, ze dronken en waren blijde,

23620 En gingen slapen gelijk op tijd,

161 Omdat ze wilden, zonder waan,

De volgende dag vroeg opstaan.

Toen Torec de dag gewaar werd,

Stond hij op en ook zijn waard,

23625 En wapenden hen beide goed.

Torec nam een boog en straal,

Want hij wel schieten kon,

Op avonturen wat hij begon.

De waard voer met hem uitwaart

23630 En leidde hem op de rechte vaart;

Nochtans kastijdde hem daarvan zeer,

Maar dan behoedde hij min of meer.

En toen hij een mijl had gevaren

Keerde hij weer, te waren,

23635 En beval hem God daarnaar.

Toen reed Torec alleen daar

Zo ver, zodat hij gereden kwam

Daar hij Bruans Montange vernam,

Daar zijn sterke kasteel op stond.

23640 Daar werd gelijk Torec bekend

Voor de poort die sterke reuzen.

En Torec die zet in met deze

En schoot de ene door het hart,

Zodat hij dood viel van de smart.

23645 Dit zag de ander en kwam hem na;

Een andere pijl schoot hij daar,

En schoot diegene in het oog,

Zodat hij struikelde van die vlucht;

En sloeg Morele, zijn paard, met sporen,

23650 En stak hem in de borst van voren

Met zijn speer, zodat hij ter plaatse

Dood viel. En gelijk na dat

Kwamen twee leeuwen op hem alzo te houden

Alsof ze hem gelijk verbijten zouden.

23655 Hij stak de ene in het begin

Met de speer ter keel in,

Zodat hij dood viel ter plaatse.

Toen sprong de ander op hem ter plaatse

En trok naar hem toen zijn schild;

23660 En Torec zijn zwaard ophield

En sloeg de leeuw af zijn twee voeten,

Zodat hij achteruit viel hard.

Toen ging Torec van zijn zadel

En sloeg hem daar te stukken klein.

23665 Toen zat hij weer op zijn paard

En reed vast ter zalen waart.

Daar vond hij Briant bij een schaak,

Die toen zeer was te ongemak

Toen hij Torec zag aldaar.

23670 Hij schold hem zeer daarnaar

En dreigde toen en zei

Hij zou hem laten ruimen zijn zadel.

Torec zei: "Dreig niet,

Maar wapent u, en kom en ziet

23675 Of ge op mij iets winnen mag.

Dat lijkt me van u meer deugd

Dan ge me dreigt en niet doet."

Toen sprak Briant: "Heer ridder goed,

Ik bid u zeer, was het u bekwaam,

23680 Dat ge me zegt uw naam."

"Ik heet Torec," zei hij toen gelijk,

"En zoek de cirkel, zonder waan,

Die ge mijn grootmoeder nam,

En mijn moeder te hebben betaamt."

23685 Briant sprak, die ridder fier:

"Zo kom je daarom vechten hier?

Dus zal ge wel zijn beschadigd;

Maar het is te zeer verlaat,

Want het is avond immer toe.

23690 Maar herberg hier tot morgen vroeg:

Ik zal u en uw paard nu

Genoeg laten hebben, dat zeg ik u;

En laat ons beginnen morgen vroeg

Te vechten, zo hebben we dag genoeg."

23695 Torec sprak: "Ge zegt hoffelijkheden:

Ik laat me er ook vergenoegen mede."

Dus bleef hij daar om deze zaak,

Daar hij wel was te gemak.

De volgende dag is opgestaan

23700 En Briant mede, en zijn gegaan

Hen laten wapenen met een vaart,

En zijn gezeten op hun paarden.

En Briant verbood al zijn gezanten

Dat hem niemand onderneemt.

23705 Ook zo wil hij het te deze maal

Dat de strijd is in de zaal.

Dus is daar de strijd genomen:

En elk is daar op de andere gekomen

Met de speren en met de paarden

23710 Zo zeer, zodat ze in die porren

Beide ter aarde moesten vallen,

Want die paarden stoten tezamen geheel;

En ook zo kwetste hem zeer Briant.

En Torec trok zijn zwaard gelijk

23715 En is te Briant gegaan,

En Briant is ook opgestaan.

Daar ging de een op de andere toe:

Briant sloeg op Torec zo,

Dat hem zijn zwaard daar ontviel.

23720 Torec, die dapper was en snel,

Greep dat zwaard in de hand

En gaf het Briant weer gelijk,

En zei: "Nu neem uw zwaard

Omdat ge vannacht was mijn waard."

23725 Dus was Briant erg blijde;

En gingen van eerst vechten te die tijde.

Dus vochten ze tot na noen,

En Briant, de ridder koen,

Gaf Torec toen een grote wond

23730 Met zijn zwaard, dat vergiftig is.

Torec verweerde hem zeer dit,

En Briant een slag toen gaf,

Zodat hem de rechterhand viel af,

En stortte neer, zonder waan,

23735 En trok hem de helm af daarna gelijk.

Toen bad Briant daar om genade

En zei: "Torec, ge mag u schamen;

Is het dat ge me dat leven neemt

Dan wordt uw leven hier geindigd,

23740 Want vergiftigd zijn uw wonden

Van mijn zwaard; en nu ter stonden

Zo leeft in de wereld geen man

Die ze u ook genezen kan,

Ik was het, dit zeg ik u.

23745 En wilde ge me laten leven nu,

Ik zal uw wonden wel genezen

En de cirkel wijzen na deze;

En ook zo wil ik worden uw man

En u dienen voorwaarts aan,

23750 Want ik heb het nu duur bekocht

De slechte daad, die ik heb gewrocht;

Want me is afgeslagen de hand,

Daar ik de cirkel mee trok."

Torec zei: "Ik laat u leven,

23755 Wil ge me goede zekerheid geven."

"Ja ik, en wordt thans uw man."

Daar kuste de een de andere dan,

En worden vrienden daar ter plaatse.

Men ontwapende ze beide na dat.

23760 Toen zei Briant Torec al

Van de cirkel groot en smal,

En hoe dat het zijn schoonzuster heeft,

De schoonste die er in de wereld leeft;

"En een ridder, een groot heer,

23765 Die beminde deze jonkvrouw zo zeer,

Dat hij haar gaf na zijn dood

40 kastelen sterk en groot,

En de landen die er toebehoren.

En deze jonkvrouw heeft ook gezworen,

23770 Dat ze man neemt nimmermeer,

162 Hij heeft afgestoken eerder

Alle die van de tafelronden:

Die wil ze nemen in korte stonden,

En geven hem de cirkel mede,

23775 En alle burchten ook ter plaatse.

En aan haar ligt ook uw lijf,

Want er is in de wereld geen wijf

Die beter aan giftige wonden kan."

Torec sprak: "Heer, bij Sint Jan,

23780 Ik neem ook nimmermeer geen

Ander wijf dan haar alleen.

Briant, bericht me, dus bid ik u,

Waar ik deze mag vinden nu."

Briant zei: "Heer, nu hoort,

23785 Ge zal haar vinden te kasteel Fort,

Daar woont ze binnen, weet voor waar."

"Zo wil ik nu dan varen daar,"

Sprak Torec, "en bezien ter uren

Wat me daar nu mag gebeuren."

23790 Toen gaf hem Briant wapens duur,

En liet hem begeleiden derwaarts snel

Zeven ridders, al tot de stond

Zodat Torec de weg was bekend

Toen liet hij ze alle keren daar.

23795 Toen kwam hij gereden gelijk daarnaar

Aan een woud; daar hoorde hij

Een ridder maken groet gekrijs.

Toen reed hij derwaarts gelijk ter plaatse,

En vond de ridder in grote droefheden.

23800 Toen vroeg Torec wat hem was?

Hij zei: "Ik ben betoverd zwaar:

Hier zal een ridder komen gelijk,

Die mijn hoofd af zal slaan,

Dat lijkt me; en voor waar,

23805 Ik heb de pijn daarvan zo zwaar

Alsof men het me afsloeg gereed.

En dat lijd ik alle dagen, God weet,

Driemaal of vier. "Toen vroeg gelijk

Torec: "Wat heb je hem misdaan?"

23810 "Heer, hij rekent mij zijn vrouw aan."

"En ben je schuldig?" sprak Torec dan.

"Bij ridderschap, neen ik, heer."

En binnen deze zelfde keer

Kwam die ridder gereden al daar

23815 En wilde de andere slaan daar neer;

En Torec die voer daar tegen.

Toen zei diegene: "Wat wil ge plegen?

Lust u te vechten tegen mij?"

Torec zei toen: "Ridder, dat gij

23820 Deze ridder nu hier wil slaan,

Die u niets heeft misdaan,

Daarvan zou ik graag maken de verzoening."

"Heer vazal, wat heb je er mee te doen?

Wil ge dit hier nu berechten,

23825 Lust het u, ge mag vechten."

"Ja het," sprak Torec; "ik wil hier

Beschermen als een ridder fier."

Toen sloeg diegene tot Torec waart,

En Torec op hem weer ter vaart:

23830 Met de speren ze beide staken

Zodat ze daar te stukken braken.

Toen trokken ze de zwaarden samen

En gingen grote slagen slaan.

Daarna raakte Torec hem zo goed,

23835 Zodat hij van het paard viel;

En Torec ging er af en viel op hem daar,

En trok hem de helm af daarnaar,

En wilde hem het hoofd afslaan.

Toen bad hij genade aanstonds.

23840 Torec zei: "In ontvang u niet,

Ge beneemt deze ridder zijn verdriet,

Die ge betoverd dus hebt nu."

Toen zwoer hij het hem, dat zeg ik u.

Toen nam Torec hem op aldaar,

23845 En hij genas de ridder daarnaar,

En Torec liet ze verzoenen beide.

Toen wilde elk Torec geleiden

Met hem voeren daar ter plaatse.

Torec bepeinsde hem toen nadat,

23850 Dat hem daar beter was

Dat hij met diegene vaart

Die hij behoed heeft daar terstond,

Dan daar hij tegen vocht en heeft gewond.

Dus nam hij verlof aan diegenen

23855 En voer met de andere henen.

Toen vroeg Torec hoe hij heette

Die hij daar vond in verdriet?

"Ik heet van de Briele Claes.

Lieve heer," sprak hij na dat,

23860 "Hoe is uw naam, dat zeg me nu."

"Ik heet Torec, dat zeg ik u."

De andere zei: "Torec, God weet,

Gij bent de beste die ik weet."

En recht met deze taal

23865 Kwamen ze gereden voor zijn zaal,

Daar men ze goed ontving ter plaatse.

Toen men gegeten had na dat

Ging men slapen gelijk daarnaar.

De volgende dag vroeg, voor waar,

23870 Zo is Torec opgestaan

En heeft zijn wapens aangedaan

Om weg te rijden daar ter plaatse;

En zijn waard reed hem mede

Om te varen met hem gereed:

23875 Dat was Torec erg leed,

Toch voer hij met hem een mijl,

En begeleidde daar terzelfder wijl.

Toen liet Torec hem keren weer.

Nu leg ik van hem de taal neer

23880 En zal van Torec schrijven voort,

Dat ge nog niet hebt gehoord.

 

 

LXI.

 

Hoe Torec verloeste die joncfrouwe van Montesclare.

 

Nu gewaget die aventure

Dat Torec quam te deser ure

Gereden an een scone dal,

23885Dat was beslegen met tenten al.

Daer sach hi en borch staen,

Starc ende scone ende welgedaen.

Doe reet hi vaste derward.

Alsi daer quam beetti ter vard.

23890Hi sach daer enen riddere staen

Vor sine tente; dien vrachdi saen

Wat orlogen dat daer ware?

Die riddere die seide hem daernare

Dat twee graven waren en trouwen,

23895Ende orlogeden daer om ere joncfrouwen:

"Die scoenste eest daermen af seget,

Ende in genen casteel verwoest si leget."

Doe sciet Torec van hem twaren

Ende es te genen castele gevaren,

23900Ende roept ende clopt menechfout.

Hi seit hi wilt dinen om tsout.

Doe sprak een knape udeward daer

Ende seide: "Her riddere , wet vor waer,

Wi sijn so arm hier binnen nu,

23905Wine wisten hier wat geven u."

Doe sprac Torec: "Gaet ende vraget,

Ic dine om niet, oft hare behaget

Doe ginc hi tsire joncfrouwen saen

Ende dede hare dese dinc verstaen.

23910Doe deetsi den riddere laten in,

Dies blide was in sinen sin.

Hi dede sijn paert op daer saen

Ende ontwapende hem, ende quam

gegaen

Vor die joncfrouwe in die zale,

23915Dier hi behagede harde wale.

163 Si dedem enen mantel geven houde,

Dat hi niet vervrisen soude.

Doe sprac Torec, die riddere fier:

"Joncfrouwe, ic ben onthouden hier:

23920Nu biddic u, dat gi ter ure

Mi doet tonen nu die mure."

Doe sprac Mabilie die joncfrouwe saen:

"Ic wilse u selve tonen gaen."

Torec besachse herde wale:

23925Si behageden hem wel tesen male,

Ende seide: "Dese borch es vast:

Wine dorven ontsien genen gast.

Maer joncfrouwe, ic segt u twaren,

Dat wi margen vroech utvaren

23930Dat dochte mi wesen harde goet."

"Herde," seitsi, "dat ware jegen spoet;

Onse liede sijn gelovech ende mat,

Sine varen niet, ic weet wel dat."

"Joncfrouwe, laet mi des gebaren,

23935Ic salse wel ute doen varen."

Dus quamen si weder in di zale.

Doe sprac Torec dese tale:

"Gi heren, waerd nu hier u gevoech,

Ic sage gerne dat wi mergen vroech

23940Uttrecken ende iet daer winnen,

Dan wi van hongere sterven hier binnen;

Ende hets oec ene grote onnere

Dat wi ne doen ne gene were

Ende wi hier stille licgen nu."

23945Hi sprac so vele, dat secgic u,

Dat sijs hem scaemden alle doe,

Ende geloefden des ander dages vroe

Ut te varne wel gereet.

Des ander dages stont op, Godweet,

23950Torec, ende die andere mede.

Hi reet vore: si volgeden gerede,

Ende slogen vaste ten tintenwaerd;

Ende eer mens int here geware ward

Hadden sijs vele verslagen daer.

23955Selc vloe al naect dor den vaer,

Want daer menech in slape lach.

Doen dit de grave anesach

Ginc hi vlien dore die noet,

Ende hondert ridders in sijn conroet

23960Die ontvloen daer in een wout.

Doe crierde Torec menecfout

Datmen name spise ende goet,

Ende ment ter borchwaerd voren doet.

Doen dit di joncfrouwe hevet verstaen

23965Sende si knapen derward saen,

Die de borch vaste spisen

Gnoech van alretiren wisen.

Ende doe si hier over onledech waren

Quam die grave hemelijc gevaren

23970Met hondert ridders op Torec saen,

Die hier vore waren ontgaen.

Dese quamen weder striden.

Torec troeste die sine tien tiden

Dat si hen vromelijc weren souden.

23975Torec deetse alle verbouden,

Want hi stac den here ter stont

Met sinen spere, dat si u cont,

Dore den lichame, wetet dat,

Dat hi doet viel ter stat.

23980Ende doen dat di grave sach

Vloe hi echt al dat hi mach.

Doe keerde Torec ende de sine

Ter borchwaerd al stillekine,

Daer hem grote ere was gedaen.

23985Die joncfrouwe quam te hem gegaen

Ende ontwapendene selve ter stede,

Ende seide: "Gi sijt blome," mede,

"Van allen ridders die leven nu.

Al min herte settic an u."

23990Si vohldens alle di waren daer,

Ende seide: "Joncfrouwe, gi segt waer;

Want al dat daer gedaen nu es

Heeft hi gedaen, sijt seker des."

Soe vele men daer van hem sprac,

23995Dat hare doe een splinter stac

Van reinre minnen in haer herte,

Des sint hadde grote smerte;

Want di splinter ontstac haer soe,

Dat sijs in langen niet ward vro.

24000Vander minnen latic nu bliven,

Ende sal u vanden grave scriven,

Die harde was nu tongemake.

Hi viseerde ene valsce sake,

Hoemen die borch mochte winnen

24005Ende den riddere dire es binnen.

Hi ontboet algader sine man

Ende sprac hen in deser maniren an:

"Gi heren," sprac hi, "hoe soet gaet,

Ic hebbe gevisert enen raet

24010Hoe wi die borch mogen winnen:

Wie selen ons deilen in drien tinnen.

Hi sal licgen die ene scare

In gene delle: die andere daer nare

Sal in geen wout licgen saen.

24015Die derde sal vor di porte gaen

Ende groet geruchte maken daer.

Dan selen si ut comen daer naer;

Ende die riddere in alre wijs

Sal varen ut te bejagene prijs.

24020Ende alsi daer willen bestaen

So selen si achterwaerd trecken saen,

Ende bringense dan op ons geleet."

Dese raet docht hen goet, Godweet.

Des ander dages werd dit gedaen.

24025Dene scare es ten porten gegaen

Ende maecte daer een groet geclop.

Ende ripen vaste: "Geeft u op."

Ende alse Torec verhorde dat,

Ende sine gesellen alle ter stat,

24030Wapenden si ende trocken ut.

Ginder werd een groet geluut.

Ende die andere trocken achterwaerd

Tot haren scaren metter vart.

Doe werd daer die strijt groet;

24035Daer bleef menech riddere doet.

Torec sloger twintech daer,

Dat si meer op stonden daernaer.

Hi dorbrac scare al.

Ginder werd doe groet gescal.

24040Ende alse die grave dit vernam.

Ic secgu dat hi derwaerd quam

Om de sine te bescuddene nu.

Ende Torec gemoettene, secgic u,

Ende die grave op Torec stac

24045Dat sijn spere te sticken brac;

Ende Torec stakene weder saen

Ene grote wonde, hebbic verstaen.

Doe gingen si houwen metten swerde;

Maer Torec slogen ter eerde

24050Met enen slage die hi hem gaf ,

Dat hi daer in onmachte lach.

Ende alse Torec dit verstoet

Beetti daer doe saen te voet

Ende vinc den grave, ende gaven daer

24055Sinen gesellen, ende hiet hen daernaer

Dat sine der joncfrouwen, sonder waen,

Van sinent halven voren saen.

Dus voren si en wech den grave,

Ende Torec bescuddese wel daer ave

24060Van sgraven lieden, wetet dat.

Ende doen si vernamen daer ter stat

Dat haer here daer was gevaen

Worden si alle sere ontaen,

Ende die strijt sciet altemale.

24065Doe keerde Torec saen ter zale,

164 Daer hem si hondert daden ere

Ende hitene alle willecome sere.

Ende die joncfrouwe als ende als

Namen vrindelijc omden hals

24070Ende hitene willecome wesen,

Ende custene menechwaerf na desen.

Doe vrachde der joncfrouwen saen

Wat lone hi soude nu ontfaen?

"Gi hebt den grave in uwer gewout:

24075Ic hebbe u gedient sonder sout."

"Here," seit si, "al dat gi wilt

Dat gevic u in uwer gewilt."

Ende na dese dinc ginc si daer nare

In ene camere ende riep te hare

24080Harre vorster ridders een deel,

Ende ontecte hen daerna al geel

Hoe si Torecke minde sere,

Ende dat si nemen wilde den here.

Haer ridders castieden daer ave nu met

24085Ende seiden: "Joncfrouwe, bi mire wet,

Gi sprect dompelike hier an;

Gine wet niet wie hi es di man

Anders dan hi seget hier nu."

Die joncfrouwe seide: "En roke u:

24090Wat gi mi raet ic sal dit doen."

Doe keerde si weder toten baroen

Ende seide si soude hem lonen saen

Sijn sout met haer selven, sonder waen;

Want sine te manne nemen woude.

24095Doe seide Torec also houde:

"Joncfrouwe, gi biet mi gnoech van desen;

Maer en mach nu niet dus wesen.

Ic ben hier een vremt seriant,

Ende in hebbe hier borge no lant;

24100Ende oec so minnic elre nu,

Dat ic niet wille laten dor u.

Maer blijft te Gode, ic moet varen

Ende moet mi andersins genaren."

Die sprac doe joncfrouwe Torec an:

24105"En werdi dan meer min man?"

"Nenic," sprac hi, "bi mire trouwe."

Doe dedene vaen die joncfrouwe,

Soe wat haer manne daer toe secgen:

Si dedene in enen steen daer lecgen.

24110Nochtan so was daer menech here

Diet haer lachterde harde sere,

Maer sine wouts daer laten niet.

Dus bleef Torec in swaer verdriet

Om dat hi niet wilde sijn haer vrient.

24115Des en heeft niet verdient.

Die grave dien si hadde gevaen

Hi maecte sinen pais daer saen,

Ende swoer der joncfrouwen vort an

Embermer te dienne dan,

24120Ende in staden te stane daernaer,

Doe scietden si alle also van daer,

Ende Torec bleef aldaer gevaen,

Die grote smerte hadde , sonder waen,

Vander wonden die hem Bruant sloech,

24125Want dat venijn hem sere woech.

Dus latic Torecke daer nu bliven

Ende sal u van Melions scriven

Den orgelyois, ende den neve sijn.

Die getrouwe waren ende fijn.

LXI.

 

Hoe Torec verloste de jonkvrouw van Montesclare.

 

Nu gewaagt het avontuur

Dat Torec kwam te dit uur

Gereden aan een schoon dal,

23885 Dat was beslagen met tenten al.

Daar zag hij een burcht staan,

Sterk en mooi en welgedaan.

Toen reed hij vast derwaarts.

Toen hij daar kwam teeg hij af ter vaart.

23890 Hij zag daar een ridder staan

Voor zijn tent; die vroeg hij gelijk

Welke oorlog dat daar was?

De ridder die zei het hem daarnaar

Dat twee graven waren in vertrouwen,

23895 En oorloogden daar om een jonkvrouw:

"De schoonste is het daar men van zegt,

En in dat kasteel verwoest ze ligt."

Toen scheidde Torec van hem te waren

En is tot dat kasteel gevaren,

23900 En riep en klopte menigvuldig.

Hij zei hij wil dienen om het zout. (geld in zout gegeven)

Toen sprak een knaap naar buiten daar

En zei: "Heer ridder, weet voor waar,

We zijn zo arm hier binnen nu,

23905 We wisten hier niet wat te geven u."

Toen sprak Torec: "Ga en vraag,

Ik dien om niet, of het haar behaagt

Toen ging hij tot zijn jonkvrouw gelijk

En liet haar dit ding verstaan.

23910 Toen liet ze de ridder laten in,

Die blijde was in zijn zin.

Hij deed zijn paard op daar gelijk

En ontwapende hem, en kwam gegaan

Voor de jonkvrouw in de zaal,

23915 Die hij behaagde erg goed.

163 Ze liet hem enen mantel geven houden,

Zodat hij niet bevriezen zou.

Toen sprak Torec, die ridder fier:

"Jonkvrouw, ik ben opgehouden hier:

23920 Nu bid ik u, dat ge ter ure

Me laat tonen nu die muur."

Toen sprak Mabilie de jonkvrouw gelijk:

"Ik wil ze u zelf tonen gaan."

Torec bezag het erg goed:

23925 Ze behaagde hem wel te deze maal,

En zei: "Deze burcht is vast:

We durven te ontzien geen gast.

Maar jonkvrouw, ik zeg het u te waren,

Dat we morgen vroeg uitvaren

23930 Dat lijkt me te wezen erg goed."

"Heer," zei ze, "dat was tegenspoed;

Onze lieden zijn betrouwbaar en moe,

Ze varen niet, ik weet wel dat."

"Jonkvrouw, laat me dus gebeuren,

23935 Ik zal ze wel uit laten varen."

Dus kwamen ze weer in de zaal.

Toen sprak Torec deze taal:

"Gij heren, was het nu hier uw gevoeg,

Ik zag graag dat we morgen vroeg

23940 Uittrekken en iets daar winnen,

Dan we van honger sterven hier binnen;

En het is ook een grote oneer

Dat we doen geen verweer

En we hier stil liggen nu."

23945 Hij sprak zo veel, dat zeg ik u,

Dat ze hen schaamden alle toen,

En beloofden de volgende dag vroeg

Uit te varen goed gereed.

De volgende dag stond op, God weet,

23950 Torec, en de andere mede.

Hij reed voor: ze volgden gereed,

En sloegen vast ten tenten waart;

En eer men ze in het leger gewaar werd

Hadden zij er vele verslagen daar.

23955 Sommigen vlogen geheel naakt door de vaart,

Want daar menigeen in slaap lag.

Toen dit de graaf aanzag

Ging hij vlieden door die nood,

En honderd ridders in zijn konvooi

23960 Die ontvlogen daar in een woud.

Toen riep Torec menigvuldig

Dat men nam spijzen en goed,

En men het ter burcht waart voeren doet.

Toen dit de jonkvrouw heeft verstaan

23965 Zond ze knapen derwaarts gelijk,

Die de burcht vaste spijzen

Genoeg van alle dure wijzen.

En toen ze hier mee onledig waren

Kwam de graaf heimelijk gevaren

23970 Met honderd ridders op Torec gelijk,

Die hiervoor waren ontgaan.

Deze kwamen weer strijden.

Torec troostte de zijne te die tijden

Dat ze hen dapper verweren zouden.

23975 Torec liet ze alle verkloeken,

Want hij stak de heer terstond

Met zijn speer, dat zij u bekend,

Door het lichaam, weet dat,

Zodat hij dood viel ter plaatse.

23980 En toen dat de graaf zag

Vloog hij echt alles dat hij mag.

Toen keerde Torec en de zijne

Te burcht waart geheel stilletjes,

Daar hem grote eer werd gedaan.

23985 De jonkvrouw kwam tot hem gegaan

En ontwapende hem zelf ter plaatse,

En zei: "Gij bent een bloem," mede,

"Van alle ridders die leven nu.

Al mijn hart zet ik aan u."

23990 Ze volgden alle die waren daar,

En zeiden: "Jonkvrouw, ge zegt waar;

Want al dat daar gedaan nu is

Heeft hij gedaan, zij het zeker dit."

Zoveel men daar van hem sprak,

23995 Dat haar toen een splinter stak

Van reine minne in haar hart,

Dus sinds had ze grote smart;

Want de splinter ontstak haar zo,

Dat zij in lange niet werd vrolijk.

24000 Van de minnen laat ik nu blijven,

En zal u van de graaf schrijven,

Die erg was nu te ongemak.

Hij versierde een valse zaak,

Hoe men die burcht mocht winnen

24005 En de ridder die er is binnen.

Hij ontbood al zijn man

En sprak hen in deze manieren aan:

"Gij heren," sprak hij, "hoe zo het gaat,

Ik heb versierd een raad

24010 Hoe we de burcht mogen winnen:

We zullen ons verdelen in drie tinnen.

Hij zal leggen de ene schaar

In dat dal: de andere daarnaar

Zal in dat woud liggen gelijk.

24015 De derde zal voor de poort gaan

En groot gerucht maken daar.

Dan zullen ze er uit komen daarnaar;

En die ridder in alle wijs

Zal uitvaren te bejagen prijs.

24020 En als ze daar willen bestaan

Zo zullen ze achteruit trekken gelijk,

En brengen ze dan op ons geleidt."

Deze raad dacht hen goed, God weet.

De volgende dag werd dit gedaan.

24025 De ene schaar is ten poort gegaan

En maakte daar een groet geklop.

En riepen vast: "Geef u op."

En toen Torec hoorde dat,

En zijn gezellen alle ter plaatse,

24030 Wapenden ze en trokken uit.

Ginder werd een groot geluid.

En de anderen trokken achteruit

Tot hun scharen met een vaart.

Toen werd daar de strijd groot;

24035 Daar bleef menige ridder dood.

Torec sloeg er twintig daar,

Zodat ze niet meer op stonden daarnaar.

Hij doorbrak de schaar al.

Ginder werd toen groet geschal.

24040 En toen de graaf dit vernam.

Ik zeg u dat hij derwaarts kwam

Om de zijne te behoeden nu.

En Torec ontmoette hem, zeg ik u,

En de graaf op Torec stak

24045 Zodat zijn speer te stukken brak;

En Torec stak hem weer gelijk

Een grote wonde, heb ik verstaan.

Toen gingen ze houwen met de zwaarden;

Maar Torec sloeg hem ter aarde

24050 Met een slag die hij hem gaf ,

Zodat hij daar in onmacht lag.

En toen Torec dit verstond

Steeg hij daar toen af gelijk te voet

En ving de graaf, en gaf hem daar

24055 Zijn gezellen, en zei hen daarnaar

Dat ze hem de jonkvrouw, zonder waan,

Vanwege hem voeren gelijk.

Dus voeren ze weg de graaf,

En Torec behoedde hen wel daar van

24060 Van de graven lieden, weet dat.

En toen ze vernamen daar ter plaatse

Dat hun heer daar was gevangen

Worden ze alle zeer ontdaan,

En de strijd scheidde helemaal.

24065 Toen keerde Torec gelijk ter zaal,

164 Daar hem zij honderd deden eer

En zeiden hem alle welkom zeer.

En de jonkvrouw toen geheel

Nam hem vriendelijk om de hals

24070 En zei hem welkom te wezen,

En kuste hem menig maal na deze.

Toen vroeg hij de jonkvrouw samen

Welk loon hij zou nu ontvangen?

"Ge hebt de graaf in uw geweld:

24075 Ik heb u gediend zonder zout."

"Heer," zei ze, "alles dat ge wilt

Dat geef ik u in uw geweld."

En na dit ding ging ze daarnaar

In een kamer en riep tot haar

24080 Haar bos ridders een deel,

En zei hen daarna al geheel

Hoe ze Torec beminde zeer,

En dat ze nemen wilde de heer.

Haar ridders verwonderden daarvan nu mee

24085 En zeiden: "Jonkvrouw, bij mijn weet,

Ge spreekt dom hier van;

Ge weet niet wie hij is die man

Anders dan hij zegt hier nu."

De jonkvrouw zei: "Kan het schelen u:

24090 Wat ge me raad ik zal dit doen."

Toen keerde ze weer tot de baron

En zei ze zou het hem lonen gelijk

Zijn zout met haar zelf, zonder waan;

Want ze hem tot man nemen wou.

24095 Toen zei Torec alzo te houden:

"Jonkvrouw, ge biedt me genoeg van deze;

Maar het mag nu niet aldus wezen.

Ik ben hier een vreemde bediende,

En ik heb hier burchten of land;

24100 En ook zo bemin ik elders nu,

Dat ik niet wil laten door u.

Maar blijf tot God, ik moet varen

En moet me anderszins generen."

Dus sprak toen de jonkvrouw Torec aan:

24105 "En wordt ge dan niet meer mijn man?"

"Neen ik," sprak hij, "bij mijn trouw."

Toen liet hem vangen de jonkvrouw,

Zo wat haar mannen daartoe zeggen:

Ze liet hem in een gevangenis daar leggen.

24110 Nochtans zo was daar menige heer

Die het haar uitlachte erg zeer,

Maar ze wou het daar laten niet.

Dus bleef Torec in zwaar verdriet

Omdat hij niet wilde zijn haar vriend.

24115 Dat heeft hij niet verdient.

De graaf die ze had gevangen

Hij maakte zijn vrede daar gelijk,

En zwoer de jonkvrouw voortaan

Immermeer te dienen dan,

24120 En bijstaan daarnaar,

Toen scheidden ze alle alzo vandaar,

En Torec bleef aldaar gevangen,

Die grote smart had, zonder waan,

Van de wonden die hem Briant sloeg,

24125 Want dat venijn hem zeer woog.

Dus laat ik Torec daar nu blijven

En zal u van Melions schrijven

De Orgelyois, en de neef zijn.

Die trouw waren en fijn.

 

 

LXII.

 

Hoe Melions vacht jegen Raguelle, ende hoe si gesellen worden.

 

24130Die aventure gewaget hier,

Dat Melions, die ridder fier,

Daer ic hier vore af dede gewach,

Ende daer Torec enen nach lach,

Sine vriendinne was nu doet:

24135Dies haddi droefheit herde groet.

Nu haddi met hem enen jongelinc,

Sijns broder sone, dien naginc

Dat hi dreef dus groten rouwe

Alle dage aldus om ene joncfrouwe.

24140Op enen tijt sprac hi hem an

Ende seide: "Gi plaget te sine een man

Van vromen sticken, van groter daet;

Dat gi u om een wijf dus verslaet

Dat donct mi sotheit alte groet.

24145Laet varen van hare nu di doet,

Ende laet ons aventuren bewinden:

Gi sult lichte ene andere vinden,

Die alsegoet alse dese sal wesen."

Soe lange bat hi den oem van desen,

24150Dat hi voer om aventuren,

Ende sijn neve met hem ter uren;

Ende quam gereden doen na das

Daer een tornoy beropen was.

Daer dede hi hem mettien van binnen,

24155Want hem dochte in allen sinnen

Dat sijt hadden vele te quaet.

Hi voer in, so hoe dat gaet,

Ende sijn neve volhdem naer,

Die hem wel diende aldaer.

24160Dit heeft een riddere daer vernomen,

Ende es op Melionse daer comen,

Ende stakene met spere daer,

Dat te sticken brac vorwaer.

Ende Melions die staken weder

24165Dat hi ter eerden viel daer neder,

So dat hi sere gequetst was.

Ende Helijn, sijn neve, quam na das,

Ende gegreep dors ter stat.

Doe quam een ander riddere na dat

24170Ende sloech Melionse met enen

swerde

Op thoeft dat hem niet sere en deerde.

Doe reet hi den genen ane

Ende begonde vresselike te slane,

Soe dattie gene gedogen ne conde

24175Ende wilde vlien. Do sloech ter

stonde

Melions den genen metten swaerde

Dat hi tumelde vanden paerde;

Ende sijn neve was echter daer,

Ende nam op dat ors daer naer.

24180Om dit vercoverden die van binnen.

Daer werd gestreden in allen sinnen

Vresselike ende harde sere,

Ende Melions hadde daer al die ere

Van dien tornoie in beiden siden.

24185Hi wan ses orsse ten selven tiden:

Dier gaf hi vire wech daer saen

Maten ridders, hebbic verstaen,

Die ten tornoye wel daden daer;

Ende twee vordire met hem, vorwaer.

24190Na desen tornoy quam hi te hant

Gereden in dat woeste eylant,

Daer Morligant in coninc was.

Hi hadde ene dochter, sijt seker das,

Die scoenste diemen nie gesach.

24195Nu was een riddere, di menegen dach

Die joncfrouwe hadde sere gemint;

Maer sine achte op hem niet en twint,

Ende oec en wils die vader niet

Gedogen dat hi daer wandele iet.

24200Om dit werd erre Raguel,

Want hi was starc ende sere fel,

Ende hi hadde ene borch daer bi,

Sere starc, soe dat hi

Niemanne ontsach op genen tijt;

24205Ende hi begonste te houden strijt

Opten coninc ende sine man,

Int leste dat hire so vele verwan,

Dat hi dlant al woeste maecte.

Ende Melions, die nu geraecte

24210Teens papen huus bi desen castele,

165 Die hem daer af seide vele,

Melions vrachde den pape saen

Hoe dat lant ware so gedaen?

Die pape was een goet man

24215Ende welgeboren oec daer an,

Ende dede goede ridders ere.

Hi seide doe: "Ic segt u, here.

Hier woent een rike [coninc] nu,

Ende heeft ene dochter, dat secgic u,

24220Die scoenste die sach nie man;

Ende een riddere die leide haer an

Minne, dat si hadde onwaert;

Ende die riddere es sere vermaert,

Ende een der bester diemen weet,

24225Ende heeft dit lant aldus bereet

Om dat hise den coninc wilt dwingen ave.

Ende hier nes hertoge no grave,

Noch ieman oec al hier omtrent,

Die hem des iet onderwint;

24230Want en dar nieman angaen

Dat hi eenwijch dar bestaen

Te vechtene jegen Raguel:

Hi es soe stac ende soe fel,

Ende om dit brinct hi dlant in werre."

24235Melions sprac: "Woent hi iet verre?"

Die pape seide doe: "Neen hi,

Hi woent hier wel twee milen bi."

Melions sprac: "Bi Gode, here,

In slape achter tnacht nembermere,

24240In sal derward varen dan

Vechten jegen den vresseliken man,

Dien nieman nu en dar bestaen."

"Ay lieve here," seide doe saen

Die pape, "wat gaets u nu ane

24245Aldusdane grote dinc te bestane?"

"Ic sect u, here, nu ter uren,

Ic ben utcomen om aventuren,

Ende ic vinde ene grote, donctmi, an u,

Ende die ic oec sal aneverden nu."

24250Die pape sach dat moeste wesen.

Si gingen slapen saen na desen,

Ende des margens herde vroe

Es Melions opgestaen alsoe,

Ende sijn neve met, Helijn,

24255Die node achter bleven soude sijn;

Maer Melions bat sere den neve

Dat hi metten pape bleve.

Hi seide hine daets in gere manire.

Melions wapende hem harde scire

24260Ende seide ten neve daer al bloet:

"Sich, al soudic daer bliven doet,

Gi moet mi geloven, dat secgic u,

Dat gi mi niet selt helpen nu,

Oft gine moget met mi niet varen."

24265Doe swoert hem die neve daernaren.

Nu hebben si orlof genomen

Ane den pape, ende sijn comen

Tote daer woende Raguel.

Ende Melions en dede niet el

24270Dan hi ter porten vaste reet toe.

Daer vant hi enen horen hangende doe,

Dien hi blies daer harde saen.

Hine sach daer niemanne riden no gaen:

Doe keerdi omme daer ter steden.

24275Eer hi iet verre was gereden

Quam Raguel gereden hem naer

Ende wildene van achter steken daer.

Dit heeft Helijn daer verstaen,

Ende riep te sinen ome saen:

24280"Keert u, oem, oft gi sijt doet."

Doe kerdem Melions dor die noet,

Ende sach dat Raguel op hem quam;

Ende Melions sinen spere nam

Ende quam op hem met groter cracht;

24285Ende malijc brac daer sinen scacht,

Ende quamen metten orsse tgemoete

So vresselijc ende so onsoete,

Dat si beiden vielen ter eerden.

Si sprongen op ende vingen ten swerden,

24290Daer si mede gingen slaen.

Helijn was daer bi gestaen,

Ende bat daer vrindelijc onsen here

Over sinen oem, starke ende sere,

Dat hine moeste bescermen daer

24295Van Raguels slagen, di scenen swaer.

Si vochten vans smargens toter none,

Recht oft waren twee lyone,

Dat men niet en conde bekinnen

Welc den anderen soude verwinnen.

24300Si waren harre slage milde:

Si dorslogen helme ende scilde:

So daden si den halsberch mede,

Dat si bloetden te meneger stede.

Si vochten so lange onder hen beden,

24305Dat si van moetheiden moesten

sceden,

Ende gingen sitten beide alsoe,

Tot dat si gerest waren doe.

Ende alsi haren adem hadden genomen

Sijn weder te gadere comen,

24310Ende gingen echt houwen ende slaen,

Alsi te voren hadden gedaen.

Dus vochten si so lange stonde,

Dat donker werd vanden avonde.

Doe quam Helijn vort tier tijt

24315Ende seide: "Gi heren, bi Gode, gi sijt

Mode gevochten; ende ic can niet

Geweten wi tvordeel heeft. Nu siet

Dat wi desen strijt hier sceden,

Ende blieft even goet onder u beden;

24320Dat donct mi die beste raet.

Gi wet wel, oem, hoe dat staet:

Het es nacht, ende wi moten nu

Twee milen riden, dat secgic u,

Eer wi tonser herbergen comen."

24325Alse Raguel dit heeft vernomen

Was hi derre word sere blide,

Want hi dochte hem sere tien tide,

Ende seide: "Bi mire trouwen, here,

Dese gevet tfonnesse min no mere.

24330Wildijt laten ane hem staen,

Ic sculde di batalge quite saen;

Ende werdewi gesellen onder ons."

Doe sprac daertoe Melions:

"Wildijt met trouwen geloven nu,

24335Ic saelt oec versekeren u."

Doe gelovet elc anderen daer naer

Met trouwen, ende worden gesellen daer.

Ende Raguel voretse met hem saen,

Daer si wel waren ontfaen.

24340Hi maecte bliscap ende spel,

Ende ontfinc Melions so wel;

Van datmen drinken mochte ende eten

Dies en was daer niet vergeten.

Dus bleef Melions ende Raguel

24345Te gadere ende hadden groet spel.

Nu latic van hen hier die tale:

Ic salre noch toe comen wale.

LXII.

 

Hoe Melions vocht tegen Raguelle en hoe ze gezellen worden.

 

24130 Het avontuur gewaagt hier,

Dat Melions, die ridder fier,

Daar ik hiervoor van deed gewag,

En daar Torec een nacht lag,

Zijn vriendin was nu dood:

24135 Dus had hij droefheid erg groot.

Nu had hij bij hem een jongeling,

Zijn broeders zoon, die naging

Dat hij dreef dus grote rouw

Alle dagen aldus om een jonkvrouw.

24140 Op een tijd sprak hij hem aan

En zei: "Ge pleegt te zijn een man

Van dappere stukken, van grote daad;

Dat ge u om een vrouw dus verslaat

Dat lijkt me zotheid al te groot.

24145 Laat varen van haar nu de dood,

En laat ons avonturen ondervinden:

Ge zal licht een andere vinden,

Die alzo goed als deze zal wezen."

Zo lang bad hij de oom van deze,

24150 Zodat hij voer om avonturen,

En zijn neef met hem ter uren;

En kwamen gereden toen na dat

Daar een toernooi beroepen was.

Daar deed hij zich bij die van binnen,

24155 Want hij dacht in alle zinnen

Dat zij het hadden veel te kwaad.

Hij voer er in, zo hoe dat gaat,

En zijn neef volgde hem daarnaar,

Die hem goed diende aldaar.

24160 Dit heeft een ridder daar vernomen,

En is op Melions daar gekomen,

En stak hem met een speer daar,

Zodat die te stukken brak voorwaar.

En Melions die stak hem weer

24165 Zodat hij ter aarde viel daar neer,

Zodat hij zeer gekwetst was.

En Helijn, zijn neef, kwam na dat,

En greep het paard ter plaatse.

Toen kwam een andere ridder na dat

24170 En sloeg Melions met een zwaard

Op het hoofd dat hem niet zeer deerde.

Toen reed hij diegene aan

En begon hem vreselijk te slaan,

Zodat diegene gedogen niet kon

24175 En wilde vlieden. Toen sloeg hij ter stonde

Melions diegenen met het zwaard

Zodat hij tuimelde van het paard;

En zijn neef was echter daar,

En nam op dat paard daarnaar.

24180 Om dit herstelden die van binnen.

Daar werd gestreden in alle zinnen

Vreselijk en erg zeer,

En Melions had daar al de eer

Van dat toernooi aan beide zijden.

24185 Hij won zes paarden terzelfder tijden:

Van die gaf hij er vier weg daar gelijk

Maten ridders, heb ik verstaan,

Die het toernooi goed deden daar;

En twee voerde hij met hem, voorwaar.

24190 Na dit toernooi kwam hij gelijk

Gereden in dat woeste eiland,

Daar Morligant in koning was.

Hij had een dochter, zij het zeker dat,

De schoonste die men ergens zag.

24195 Nu was er een ridder, die menige dag

Die jonkvrouw had zeer bemind;

Maar ze achtte op hem niets,

En ook wilde de vader niet

Gedogen dat hij daar wandelde iets.

24200 Om dit werd boos Raguel,

Want hij was sterk en zeer fel,

En hij had een burcht daarbij,

Zeer sterk, zodat hij

Niemand ontzag op geen tijd;

24205 En hij begon te houden strijd

Op de koning en zijn man,

Tenslotte hij er zoveel overwon,

Dat hij het land geheel woest maakte.

En Melions, die nu raakte

24210 Te een papen huis bij dit kasteel,

165 Die hem daarvan zei veel,

Melions vroeg de paap gelijk

Hoe dat land was zo gedaan?

De paap was een goede man

24215 En welgeboren ook daaraan,

En deed goede ridders eer.

Hij zei toen: "Ik zeg het u, heer.

Hier woont een rijke koning nu,

En heeft een dochter, dat zeg ik u,

24220 De schoonste die zag niemand;

En een ridder die legde haar aan

Minne, dat ze had onwaard;

En die ridder is zeer vermaard,

En een der beste die men weet,

24225 En heeft dit land aldus bereid

Omdat hij de koning wil dwingen van.

En hier is geen hertog of graaf,

Nog iemand ook al hier omtrent,

Die hem dus iets onderwint;

24230 Want daar durft niemand aan te gaan

Dat hij een strijd daar zal bestaan

Te vechten tegen Raguel:

Hij is zo sterk en zo fel,

En om dit brengt hij het land in verwarring."

24235 Melions sprak: "Woont hij iets ver?"

De paap zei toen: "Neen hij,

Hij woont hier wel twee mijlen nabij."

Melions sprak: "Bij God, heer,

Ik slaap vannacht nimmermeer,

24240 Ik zal derwaarts varen dan

Vechten tegen de vreselijke man,

Die niemand nu durft te bestaan."

"Ay lieve heer," zei toen gelijk

De paap, "wat gaat u nu aan

24245 Al dusdanig groot ding te bestaan?"

"Ik zeg het u, heer, nu ter uren,

Ik ben uit gekomen om avonturen,

En ik vind een grote, lijkt mij, aan u,

En die ik ook zal aanvaarden nu."

24250 De paap zag dat het moest wezen.

Ze gingen slapen samen na dezen,

En s morgens erg vroeg

Is Melions opgestaan alzo,

En zijn neef met, Helijn,

24255 Die node achter gebleven zou zijn;

Maar Melions bad zeer de neef

Dat hij met de paap bleef.

Hij zei hij deed het op geen manier.

Melions wapende zich erg snel

24260 En zei tot de neef daar al bloot:

"Zeg, al zou ik daar blijven dood,

Ge moet me beloven, dat zeg ik u,

Dat ge me niet zal helpen nu,

Of ge mag niet met me varen."

24265 Toen zwoer het hem de neef daarnaar.

Nu hebben ze verlof genomen

Aan de paap, en zijn gekomen

Tot daar woonde Raguel.

En Melions deed niets anders

24270 Dan hij ter poort vast reed toe.

Daar vond hij een horen hangen toe,

Die hij blies daar erg gauw.

Hij zag daar niemand rijden of gaan:

Toen keerde hij om daar ter plaatse.

24275 Eer hij iets ver was gereden

Kwam Raguel gereden hem na

En wilde hem van achteren steken daar.

Dit heeft Helijn daar verstaan,

En riep tot zijn oom gelijk:

24280 "Keert u, oom, of ge bent dood."

Toen keerde Melions zich door die nood,

En zag dat Raguel op hem kwam;

En Melions zijn speer nam

En kwam op hem met grote kracht;

24285 En manlijk brak daar zijn schacht,

En kwamen met de paarden tegemoet

Zo vreselijk en zo hard,

Zodat ze beiden vielen ter aarde.

Ze sprongen op en vingen de zwaarden,

24290 Daar ze mee gingen slaan.

Helijn was daarbij gestaan,

En bad daar vriendelijk Onze Heer

Voor zijn oom, sterk en zeer,

Dat hij hem moest beschermen daar

24295 Van Raguels slagen, die schenen zwaar.

Zei vochten van s morgens tot de noen,

Recht of het waren twee leeuwen,

Zodat men niet kon bekennen

Welk de andere zou overwinnen.

24300 Ze waren hun slagen mild:

Ze doorsloegen helm en schild:

Zo deden ze de harnas mede,

Zodat ze bloedden op menige plaats.

Ze vochten zo lang onder hen beiden,

24305 Zodat ze van vermoeidheid moesten scheiden,

En gingen zitten beide alzo,

Totdat ze gerust waren toen.

En toen ze hun adem hadden hernomen

Zijn ze weer tezamen gekomen,

24310 En gingen echt houwen en slaan,

Zoals ze tevoren hadden gedaan.

Dus vochten ze zo lange stonde,

Zodat het donker werd van de avond.

Toen kwam Helijn voort te die tijd

24315 En zei: "Gij heren, bij God, gij bent

Moe gevochten; en ik kan niet

Weten wie het voordeel heeft. Nu zie

Dat we deze strijd hier scheiden,

En blijf even goed onder uw beiden;

24320 Dat lijkt me de beste raad.

Ge weet wel, oom, hoe dat staat:

Het is nacht, en we moeten nu

Twee mijlen rijden, dat zeg ik u,

Eer we tot onze herberg komen."

24325 Toen Raguel dit heeft vernomen

Was hij van dat woord zeer blijde,

Want hij bedacht hem zeer te die tijde,

En zei: "Bij mijn trouw, heer,

Deze geeft het vonnis min of meer.

24330 Wil gij het laten aan hem staan,

Ik scheld u de aanval kwijt gelijk;

En worden we gezellen onder ons."

Toen sprak daartoe Melions:

"Wil gij het met trouw beloven nu,

2433 5Ik zal het ook verzekeren u."

Toen beloofde elk de andere daarnaar

Met trouw, en worden gezellen daar.

En Raguel voerde ze met hem gelijk,

Daar ze goed waren ontvangen.

24340 Hij maakte blijdschap en spel,

En ontving Melions zo goed;

Van dat men drinken mocht en eten

Dus was daar niets vergeten.

Dus bleef Melions en Raguel

24345 Tezamen en hadden groot spel.

Nu laat ik van hen hier de taal:

Ik zal er nog toe komen wel.

 

 

LXIII.

 

Hoe Torec jegen den vogaet vacht, ende daerna jegen Druande.

 

Daventure doet ons cont,

Dat Torec nu te deser stont

24350Tongemake was so sere,

Dat hi welna was uten kere.

"Ay minne," sprac hi, "es dit u raet

Gi, daer die werelt al bi staet,

Gi, die alle hovescheit wiset,

24355Gi, die al die werelt priset,

166 Dat gi joncfrouwen dit brinct ane,

Die altoes dragen uwen vane,

Te doene aldus gedane daet?

Ay minne, gi sout reinen raet

24360Altoes uwen lieden geven,

Die u dienen al haer leven,

Es dit u raet, scone Mabilie,

Dat gi mi doet sulke mertilie?

Maer nochtan alsic bepense mi,

24365Sone wetic wies die sculde si

Soe der minnen so oec uwe:

In weet wien ic te rechte verduwe.

Waerbi maget dan comen mede

Dat dese joncfrouwe aldus mesdede

24370Jegen mi, en dade hare minne,

Die si onwetende hevet inne;

Ic wane dat si haer ginc te naer:

Ic vergeeft hare, al eest mi swaer."

Dit hoerde die joncfrouwe doe,

24375Dat hise daer onsculdechde alsoe

Jegen redene ende jegen minne;

Ende pensde doe in haren sinne

Dat lachter ware dat sine hilde.

Doe liet si ut den riddere milde,

24380Ende bat hem vergeffenesse daer.

Doe vertelde si hem daernaer

Hoe dit orloge quam haer toe:

"Torec, live, ic segt u alsoe:

Ic hadde voracht in minnen moet

24385Te nemene enen ridder goet,

Ja, den besten diemen wiste.

Aldus quamic in desen twiste

Dat mi dese heren belagen.

Si eischten mi an mine magen:

24390In namer gene, seidic doe,

Sine dwonger mi met crachte toe;

Ende dit dedic om dat ic woude

Datmen mi belicgen soude.

Doen sindic saen in Arturs hof,

24395Dien al die werelt gevet lof,

Ende ontboet daer al over waer,

Dattie joncfrouwe van Montesclaer

Beseten ware in haer lant,

(Also es mine borch genant).

24400Dit dedic te dien stonden

Omdat ic waende vander tafelronden

Hebben gehad enen den besten

Om te bescuddene mine vesten,

Ende dan dien te manne genomen,

24405Ende nu so sidi hier comen

Ende hebt mi bescud ter stat,

Daeromme haddic u gerne gehat;

Maer gi ander minne draget."

"Joncfrouwe, wat hulpet vele gesaget?

24410Uwen orlof. Ic moet varen."

Doe wapendi hem al sonder sparen

Ende es op sijn ors geseten.

Ende binnen dien, dat suldi weten,

Quam een dwerch aldaer gevaren,

24415Ende nam die joncfrouwe sonder

sparen

Ende settese vor hem op sijn part,

Ende reetere mede te woude ward;

Ende si riep hulpe al dat si can,

Ende seide doe: "Torec, edel man,

24420Bescud mi van desen duvel nu."

Torec seide: "Joncfrouwe, ic segt wel u,

Dat ics niet wel ne dar angaen;

Want bescuddic u, sonder waen,

Ic soude nu duchten dat gi dan

24425Mi sout doen vaen uwe man.

Vard Godevolen. ic vare oec en wege;

Ic moet mi proven in anderen zege."

Dus voretse daer en wech di dwerch

Verre henen in enen berch.

24430Hierna salict u bedieden al

Van den dwerge groet ende smal;

Ic moet nu van Torecke scriven.

Hi liet die joncfrouwe haren rouwe driven

Ende voer en wech al dat hi can,

24435Ende quam gereden in enen dan

Ane een wout, daer hi vernam

Waer een riddere op hem quam,

Die altemale doe was roet,

Ende gaf hem enen steke so groet,

24440Dat Torec welna met allen

Van sinen perde was gevallen.

Ende Torec staken oec daernaer

Dattie gene canseleerde daer.

Ende Torec kerde doe omme sijn paert,

24445Ende hine wiste waerward

Dat hi hem ontvaren was.

"Deus." sprac hi, eest alfs gedwas

Dat ic hier ontmotende si?

Aldus quam veerenc een jegen mi,

24450Dien ic oec aldus verloes;

Ic waent een alf es altoes."

Dus reet hi vort ende vant

Enen groten starken tyrant,

Die daer hout roetde int dal.

24455Alse Torec te hemwaerd riden sal

Doe riep die gene: "In duvels ere,

Moetti op min lant riden, here?"

"Torec seide: "Wat scaet u dat?"

"Het scaet mi so, dat gi Godsat

24460Moet hebben dat gijt daet heden."

Torec seide: "Bi mire waerheden,

Waer nu alse lettel gi soudet ontgelden."

Die ander seide: "Laet staen u scelden,

Ende comt hier oft gi so cone sijt."

24465Hi warp sine hoyke ut ter tijt,

Daer een halsberch onder was.

Op sinen esel sat hi na das,

Ende nam een spere in die hant,

Ende bant sinen helm te hant,

24470Ende reet saen te Torecke waerd,

Ende stakene daer doe enen scard,

Want hi stac den halsberch dore.

Ende Torec geraecten oec ter ure

Dat ontwe brac sijn spere;

24475Maer en dede hem gene dere.

Die esel was dapper ende snel

Ende droech sinen here harde wel.

Die dorpere trac doe sijn swaerd,

Daer hi Torecke sere mede deert,

24480Want al dat sloech ginc dore nu;

Ende Torecs swaerd, dat secgic u,

En scaedde hem en twint niet.

Ende alse Torec dat gesiet

Loept hi anden dorpere saen

24485Ende heeftene in sinen arme bevaen,

Ende warpene onder heme aldaer,

Ende dede hem den helm af daer naer.

Doe werd die gene sere vervard

Ende gaf hem op daer ter vard.

24490Doe vrachdem Torec wie hi ware?

"Een vogaet," seidi daer nare.

"Ende twi geneerdi u dus hier?"

"Here, ic was een riddere fier,

Ende diende wilen in Arturs hof,

24495Daer ic in hadde groten lof;

Ende om dat ic sinen drossate

Keyen (dattene God verwate.)

Daer met enen knive stac,

Omdat hi mi lachternie toesprac,

24500Hieromme ben ic slans verdreven,

Ende moet aldus generen min leven.

Ende diegene die wandelen opter straten

Die rovic oec te minen baten,

Want vor min speryser ende min swaerd

24505Sone es gene dinc beward,

167 No geen dinc diet wederstoet,

Sonder min halsberch, di es so goet."

Doe vergaf hem Torec gereit

Algader dat hi hadde messeit.

24510Des avons lach hi metten vogaet

In ene loetse die daer bi staet,

Daer hine wel dede te gemake.

Des margens vroech alse ward ontwake

Torec, so es hi wech gevaren,

24515Ende quam gereden saen daer naeren

Daer hi ene joncfrouwe gemoet,

Die hi vrindelike groet,

Ende vrachde hare na der aventuren gewat,

Die hem saen doe wiesde dat,

24520Doe reet hi daerwaerd herde sere,

Ende quam gereden tenen kere

Op tgewat van aventuren;

Ende daer vant hi ter selver uren

Enen riddere sward ende groet,

24525Die hem daer sijn spere boet.

Ende alse dat Torec heft vernomen

Es hi op genen riddere comen,

Ende die swarte op hem weder,

Datse beide bina ter neder

24530Waren gevallen daer ter stat.

Doe trocken si die swaerde nadat.

Doen dreef Torec den swerten saen

In dat gewat, al sonder waen.

Des scamde hem die ander sere,

24535Ende sloech Torecke do so sere,

Dat hem int water ontvel sijn swaerd.

Doe scoet hi te Torecke waerd

Ende namene in die middelt daer,

Ende gingen beide trecken daernaer

24540So lange dat dorsse storten bede,

Dat Torecke doe verginc te lede,

Want hi onder sijn ors vel.

Doe ne dede die swerte niet el

Maer ginc hem binden vote ende hande

24545Met enen harden starken bande

Eer Torec conde comen ter were.

Doe seide di swerte: "Dese dere

Hebdi om die joncfrouwe nu

Van Montesclare, dat secgic u."

24550Doe leidi Torec op dat lant

Ende voer thuus om een swaerd thant.

Binnen dat hi dus gebonden lach

Quam die joncfrouwe die hi sach

Des selves dages inden woude;

24555Ende haer ontfarmes menechfoude:

Ende Torec scaemden herde sere.

Die joncfrouwe vrachde doe den here

Hoe hi hiete? "Ic hete Torec.

Al licgic ni in desen strec,

24560Mijn vader es Ydor die coninc."

"Ic kinne u gnoech met deser dinc,

Want gi sijt Torec, daermen af seget

Menege grote ende scone doget.

Al waest min vader die u bant,

24565Ic sal u ontbinden altehant."

Si ontbantene ende dede daernaer

Sijn swaerd int water hem langen daer.

Doe nam si orlof binnen desen:

Sine dorste daer niet langer wesen

24570Om haers vader wille, Godweet,

Die nu weder es comen gereet,

Ende vant Torecke op sijn paert.

Doe sprac hi daer te Torecwaerd,

Doen hine vant te stride gereet,

24575Sprac hi: "Hets te spade, Godweet.

Wildi tavont met mi riden

Ic sal u herbergen nu te tiden;

Ende margen vroech alst dach si

Selewi striden ic ende gi."

24580Torec seide: "Ic love dit wale."

Dus voren si beide te sire sale.

Daer was hi harde wel ontfaen.

Ende naden etene ginc men saen

Slapen. Ende doe die dach ontspranc

24585Stont Torec op eer iet lanc,

Ende quam te sinen werd doe saen.

"Here, wi souden vechten gaen."

"Nu rijt ten gewade," sprac die waerd,

"Ic sal u volgen metter vaerd."

24590Ende alse Torec es ten gewade comen

Heeft hi den swerten comende vernomenf

Ende elc sette in sijn spere daer naer,

Ende quamen gereden te gadere daer

Met enen gemote vreselijc groet.

24595Haer speren braken inder noet.

Doe vingen si beiden ten swerde,

Daer manlijc anderen sere met deerde.

Dus vochten si in desen doene

Dat lange was over none.

24600Doen gaf Torec enen slach

Den swerten dat hi ter eerden lach.

Doen bant hine daer, dat wetic wel,

Ende seide: "Ic sal u tselve spel

Deilen dat gi mi daet ter stat

24605Gisteren op dit selve gewat."

Doen bat die swerte genade saen;

Ende Torec wildem thoeft afslaen.

Doe quam sijn dochter die joncfrouwe

Ende bat Torecke op gerechte trowe 9

24610Dat hine haer gave daer ter stat.

Torec gavene hare doe sijs bat;

Maer Torec hadden gewont so onsochte,

Dat hi niet lange leven mochte.

Nu was blide sere Torec

24615Dat hi was leden desen strec.

Hi reet en wech al dat hi conde;

Ende rechte bider avonstonde

Quam hi gereden in snelre wise

Ane Druants casteel te Roetsebise.

24620Ter porten reet Torec ende riep:

Mettien een gersoen inwaerd liep

Ende seit Druande sinen here

Dat daer een riddere clopte sere.

"Ganc, latene in," seide Druant.

24625Die knape litene in te hant,

Ende Torec beette ende ginc in di sale.

Daer hi ontfaen was herde wale.

Doe quam ene joncfrouwe ende seide:

"Her Druant, bi mire kerstenheide,

4630Nu pleget des wel: en sijt niet gram,

Dits dierste riddere die u toe quam

Sint dat gi vort van Roetsebise."

"Gerne, vrouwe; mine spise

Gevic hem blidelike sonder fel."

24635Nu verstaet hier Torec wel

Dat dit vander Roetsebisen was

Druant, ende was blide das.

Gnoech was nu ten etene daer.

Doe vrachde Druant saen daer naer

24640Sinen gast hoe hi hiete saen.

"Torec hetic, sonder waen,

Ende Ydor vander Baserrivire

Es min vader." Doe seide sciere

Druant: "Torec, sidi dan dit

24645Die hier neven mi nu sit.

En waerdi niet min gast entrowen

Dat soude u scire nu berouwen;

Maer trameer gevic u vrede,

Ende margen metter vroechden mede

24650Motewi vechten ic ende gi."

Torec seide: "Bi Gode, dat si."

Naden etene gingen daer slapen

Beide heren ende knapen.

Des ander dages es op gestaen

24655Torec ende wapende hem saen;

168 Ende Druant oec banderside

Gereide daer oec saen te stride.

Doe sprac Druant: "Torec, nu segt

Wat scoude dat gi mi oplegt

24660Daer gi strijt nu ombe begaert."

"Ic segt u, here, om dat gi waerd

Daermen den cyrkel sette te dele

Jegen die .xxv. castele,

Ende u deen helecht daer quam an:

24665Hier ombe willic vechten dan."

Druant sprac: "Het welt menech vechten

Daer hi hem qualijc can berechten."

Torec seide: "Alle vrede si uut,

Sonder scelden ende geluut."

24670Dus sijn si beide comen tsamen

Alse twee ridders van hoger namen.

Die speren braken sticken daer,

Si trocken beide die swaerde daernaer

Ende gingen houwen ende slaen

24675Vanden scilden menech spaen.

Druant sloech Torec, des gelovet,

Dor helm, dor coifie, int hovet

En wonde toten bene wale.

Doe sprac Druant dese tale:

24680"Torec, dit dedic dor uwe houde.

Nu hebdi den cyrkel van goude

Een deel metten roden gemanc.

Die dulheit soect vintse onlanc."

Torec sprac: "Druant, dese gichte

24685Salic u lonen nu machlichte."

Hi gaf hem daer nu enen slach

Dat hi op sijn artsoen lach.

Den anderen slogen noch di here,

Ende den derden oec soe sere,

24690Dat hine wonde so sere int hoeft,

Dat hi neder viel verdoeft.

Ende Torec ginc vanden perde daer

Ende trac hem den helm af daer naer

Ende seide: "Ic hebbe u wel den slach

24695Vergouden, dies gi mi daet gewach.

Nu moetti sterven ember hier."

"Ay neen, Torec, edel ridder fier,

Hebt mins genade ter stont:

Gi hebt mi herde sere gewont."

24700Ic doe," sprac Torec na desen,

"Wildi mi ene wonde doen genesen

Uwen wive, die mi Briande

Sloech met enen gevenijnden brande."

Doe riep Druant sijn wijf saen,

24705Ende dede haer dese dinc verstaen.

Si seide: "In does in gere wijs,

Want hi na mire suster mesprijs

Staet nu, dat wetti wel."

Druant seide: "So ware wel fel

24710Die minne tuscen mi ende u,

Wildi mi laten doden nu

Alhier ter stede; soe hebdi

Uwer suster liver dan gi doet mi.

Maer geneest desen riddere saen

24715Ende laet mi der doet ontgaen."

"Twi biddi mi dat icken genese?

Ja, ende es min viant dese,

Hoe soudicken dan genesen nu?"

"Vrouwe, so stervic nu dor u;

24720Ende dit[s] ene jamberlike sonde,

Dat gi om te genesene ene wonde

Uwen man nu laet verstoren.

Ic wane gi hebt den sin verloren."

Doen seitsi dat sijt doen soude,

24725Ende gaefs haer trouwe also houde

Torecke doe, die saen ter stede

Druande gaf daer pays ende vrede.

Hi werd sijn man in corter stont:

Deen custe den ander anden mont.

24730Ende die vrouwe ginc na desen

Die wonden van hen beiden genesen.

In drie weken genas sise vorwaer;

Ende hierenbinnen ondervrachdi daer

Omden cijrkel ende omdi fine

24735Daer hi int herte om dogede pine,

Want hi minnetse so oversere,

Dats vergeten en can die here.

Nu latic Torecke ginder bliven,

Daer menne geneest; ende sal u scriven

24740Van Melionse, daer ict af liet,

Ende van Raguel, daer ic vore af sciet,

Ende oec mede vanden dwerge

Die de joncfrouwe voerde inden berge.

LXIII.

 

Hoe Torec tegen de voogd vocht, en daarna tegen Druande.

 

Het avontuur doet ons kond,

Dat Torec nu te deze stond

24350 Te ongemak was zo zeer,

Zodat hij bijna was uitzinnig.

"Ay minne," sprak hij, "is dit uw raad

Gij, daar de wereld geheel bij staat,

Gij, die alle hoffelijkheid wijst,

24355 Gij, die de hele wereld prijst,

166 Dat ge jonkvrouwen dit brengt aan,

Die altijd dragen uw vaan,

Te doen aldus danige daad?

Ay minne, ge zou reine raad

24360 Altijd uw lieden geven,

Die u dienen al hun leven,

Is dit uw raad, schone Mabilie,

Dat ge me doet zulke smarten?

Maar nochtans zoals ik bepeins mij,

24365 Zo weet ik wie de schuldige zij

Zo de minne zo ook de uwe:

Ik weet wie ik te recht verduw.

Waarbij men mag dan komen mede

Dat deze jonkvrouw aldus misdeed

24370 Tegen mij, deed niet haar minne,

Die ze onwetende heeft in;

Ik meen dat ze haar ging te na:

Ik vergeef het haar, al is het me zwaar."

Dit hoorde de jonkvrouw toen,

24375 Dat hij haar daar verontschuldigde alzo

Tegen reden en tegen min;

En peinsde toen in haar zin

Dat het lachen was dat ze hem hield.

Toen liet ze uit de ridder mild,

24380 En bad hem vergiffenis daar.

Toen vertelde ze hem daarnaar

Hoe die oorlog kwam haar toe:

"Torec, lieve, ik zeg het u alzo:

Ik had vooraf in minnen moed

24385 Te nemen een ridder goed,

Ja, de beste die men wist.

Aldus kwam ik in deze twist

Dat me deze heren belagen.

Ze eisten me van mijn verwanten:

24390 In nam er geen, zei ik toen,

Ze dwongen me met kracht er toe;

En dit deed ik omdat ik wou

Dat men mij belegeren zou.

Toen zond ik gelijk in Arthurs hof,

24395 Die de hele wereld geeft lof,

En ontbood daar al voor waar,

Dat de jonkvrouw van Montesclare

Bezet was in haar land,

(Alzo is mijn burcht genoemd).

24400 Dit deed ik te die stonden

Omdat ik waande van de tafelronden

Hebben gehad een van de besten

Om te behoeden mijn vesting,

En dan die te man genomen,

24405 En nu zo bent gij hier gekomen

En hebt me behoed ter plaatse,

Daarom had ik u graag gehad;

Maar ge een andere minne draagt."

"Jonkvrouw, wat helpt het veel gezegd?

24410 Uw verlof. Ik moet varen."

Toen wapende ze hem al zonder sparen

En is op zijn paard gezeten.

En binnen die, dat zal ge weten,

Kwam een dwerg aldaar gevaren,

24415 En nam die jonkvrouw zonder sparen

En zette haar voor hem op zijn paard,

En reed er mee te woud waart;

En ze riep help al dat ze kan,

En zei toen: "Torec, edele man,

24420 Behoed me van deze duivel nu."

Torec zei: "Jonkvrouw, ik zeg het wel u,

Dat ik hem niet goed daar aanga;

Want behoedde ik u, zonder waan,

Ik zoude nu duchten dat ge dan

24425 Me zou laten vangen uw man.

Vaar God aanbevolen, ik vaar ook weg;

Ik moet me beproeven in andere zege."

Dus voorde ze daar weg de dwerg

Ver heen in een berg.

24430 Hierna zal ik het u aanduiden al

Van de dwerg groot en smal;

Ik moet nu van Torec schrijven.

Hij liet de jonkvrouw haar rouw drijven

En voer weg al dat hij kan,

24435 En kwam gereden in een vlakte

Aan een woud, daar hij vernam

Waar een ridder op hem kwam,

Die helemaal toen was rood,

En gaf hem een steek zo groot,

24440 Dat Torec bijna geheel

Van zijn paard was gevallen.

En Torec stak hem ook daarnaar

Zodat diegene kantelde daar.

En Torec keerde toen om zijn paard,

24445 En hij wist niet waarheen

Dat hij hem ontkomen was.

"Deus," sprak hij, is het elf gedaas

Dat ik hier ontmoette zij?

Aldus kwam varen een tegen mij,

24450 Die ik ook aldus verloor;

Ik waan het een elf is altijd."

Dus reed hij voort en vond

Een grote sterke tiran,

Die daar hout rooide in het dal.

24455 Toen Torec tot hem waart rijden zal

Toen riep diegene: "In duivels eer,

Moet ge op mijn land rijden, heer?"

"Torec zei: "Wat schaad u dat?"

"Het schaadt me zo, dat ge Goddank

24460 Moet hebben dat gij het deed heden."

Torec zei: "Bij mijn waarheden,

Waar het nu alzo weinig dat gij het zou ontgelden."

De ander zei: "Laat staan uw schelden,

En kom hier als ge zo koen bent."

24465 Hij wierp zijn jas uit ter tijd,

Daar een harnas onder was.

Op zijn ezel zat hij na dat,

En nam een speer in de hand,

En bond zijn helm gelijk,

24470 En reed gelijk tot Torec waart,

En stak hem daar toen een scheur,

Want hij stak de harnas door.

En Torec raakte ook ter ure

Zodat stuk brak zijn speer;

24475 Maar het deed hem geen deer.

De ezel was dapper en snel

En droeg zijn heer erg goed.

Die dorper trok toen zijn zwaard,

Daar hij Torec zeer mee deert,

24480 Want die hele slag ging door nu;

En Torecs zwaard, dat zeg ik u,

En schaadde hem niets.

En toen Torec dat zag

Loopt hij de dorper aan gelijk

24485 En heeft hem in zijn armen bevangen,

En wierp hem onder hem aldaar,

En deed hem de helm af daarnaar.

Toen werd diegene zeer bang

En gaf hem op daar ter vaart.

24490 Toen vroeg Torec wie hij was?

"Een landloper," zei hij daarnaar.

"En waarom geneerde u dus hier?"

"Heer, ik was een ridder fier,

En diende wijlen in Arthurs hof,

24495 Daar ik in had grote lof;

En omdat ik zijn drost

Keye (dat hem God verweet.)

Daar met een mes stak,

Omdat hij mij lachend toesprak,

24500 Hierom ben ik uit het land verdreven,

En moet aldus generen mijn leven.

En diegene die wandelen op de straten

Die beroof ik ook tot mijn baten,

Want voor mijn speerijzer en mijn zwaard