Fysionomie, auteur onbekend, 1351.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

(61)NOTA, nota. Meester ypocras hiet sinen discipulen dat si hen souden wachten (62) iegen die gene die hebben naturelike bleecheit. want si siin gereet ter quaetheit enten sonden. Ende sonderlinge vore die gene die verminct siin in enech let. want si siin nidech in allen dingen. ende quaet sprekende achter die gene die wel haer vrient wanen sijn. Ende oec sonderlinge vore die vleyen ende smeken

∂ Nu wijst ypocras den mensce te bekenne bi vele tekenen. ende ierst biden hare ende seit aldus. So wies haer slecht ende lanc es. bediet van quader onthoudenissen. ende van cranken herssenen. Ende dicke haer an den top ende achter dunne. bediet sotheit ende gusheit. Dic haer ende haren alse borstelen. b. simpelheit ende onachtsamheit alre dinge. Vele haers ane die borst hebbende .b. ondadech ende luttel ontsiende te doene .1. quade bedarve. ende starc van leden. ende minnende die onsuverheit. Swart haer .b. minne te wiven. ende in allen dingen gerechtech.

∂ Rode varwe. es .1. teken van dulheiden. ende van gramscapen ende van scalcheiden ende van verradenissen. Die tusscen roet ende swart siin sonder bleecheit wel blosende .b. paysibel

∂ Die grote ogen heeft pullende uutwert ende van leleker gedane hi es nidech. onscamel. ende ongehorsam Ogen die te maten siin. no te groet no te cleine binnen wit alse wolken met enen cleinen ommeringe ende swart. bediet goede verstannisse ende hoefsch ende getrouwe. Die den scedel van den ogen wijt heeft. ende .1. lanc ansichte .b. malicioes ende quaet. Die dogen gelijc den ezel heeft. hi es sot ende hard van naturen (63) Dien die ogen hart siin met ere scarper zie roerende .b. dief. ongetrouwe ende loes. Die rode berrende ogen heeft .b. quaetmoedech ende luxurieus. Die dogen root heeft ende swartte plecken daer in .b. smekende roemachtech ende quaet van hertten

∂ Witte wintbrauwen ende dicke van hare .b. onbequemelecheit van spraken Wintbrauwen die siin in die middewert opwert streckende .b. nidecheit. gierechheit ende vergetelheit. Wintbrauwen te maten dunne ende slecht .b. hoefscheit getrouwecheit. ende goede verstennisse

 

 

Scerpe naze voren .b. lichte gram wesen. Lange nazen over den mont hangende .b. scalcheit. hoverde ende stoutheit. Camuse neze .b. subtile malicie. druustecheit in gramscapen ende haestecheit van sinne. Die de nezegate lanc heeft ende niet wijt. hi es goet van sinne ende van verstennissen. Die den neze breet heeft. hijs logenachtech ende vele clappende ∂ Die dat ansichte mager heeft ende bleec .b. cregel. overmoedech. ende gerne vechtende ende minnere der valscheit. ende onsuverheit van lichamen. Die dansichte ront heeft niet te mager no niet te vet .b. vroetheit. waerachtech. ende minnende. ende hem selven wel verstaende. hoefsch ende wel gemaniert. Die vette lieren heeft. hi es sot ende van ruder naturen. Die danschijn herde cleine heeft .b. smekere ende quaet. Die danschijn lelijc heeft. hine mach nemmermeer wesen wel gemaniert noch van goeden seden. Die danschijn lanc heeft .b. scamel. blode ende haestech

∂ Die den (64) mont groet ende wijt heeft .b. vechtere stout. ende bedriegere. Die de lippen groet heeft .b. sot ende in allen dingen trage.

∂ Die de oren groet of lanc heeft .b. dul ende onverstendech. maer dat hi ontfaet dat hout hi wel

∂ Die de oren herde cleine heeft .b. dief ende luxurieus

∂ Die de stemme groet of lude clijsterende heeft .b. clappende. vechtere. ende wel geredent Die de stemme no te claer no te donker en heeft .b. vroet. waerachtech ende gerne gerechtech. Die haestech es in sinen worden eist dat hi heeft cleine stemme .b. dul. onnutte ende onscamel. Clijstrende stemme .b. nidecheit ende niement wel betrouwende. ende ydel van sinne. ende van sconen gelate. ende quaet peinsende. Die de stemme heeft claer sonder clijstren .b. sot ende in vele dingen onscamel ende roekeloes

∂ Die sine hande roert alse hi sprect .b. nidech. bedriechlijc ende achter sprekende. Ende die niet en roert hande als hi sprect noch oec ander lede hi es volmaect in verstennissen. ende wel gedisponeert ende van goeden vasten rade.

∂ Die den hals heeft lanc ende smal .b. sot. vergetel. blode. ende vervaert. Die den hals crom heeft .b. behendech ende van vele sins. Maer hi es .1. deel crigel Die den hals cort heeft .b. malicieus bedriegere ende quaet. Die den hals cort ende dicke heeft .b. sot ende cranc van herssenen. van sterker borst. ende groet eetere. ende hi mach wel pinen

∂ Die den buuc groet heeft van naturen .b. dul ende onbehendech ende oec luxurieus. Die den buuc te maten heeft .b. verstendech ende van gansen rade

∂ Die nauwe es tusscen sine .2. mammen .b. van edelre naturen te sine ende hoefsch in al siin doen. Wijtheit van borsten bediet edelheit ende stoutheit ende (65)goede verstannisse ende wijsheit. Die hoge borst heeft .b. starc ende getrouwe ende milde van sinen goede

∂ Dien die scouderen breet opheffende siin. bediet fel. vrec. wantrouwel

∂ Die de arme heeft reckende toten knien. bediet stout ende milde ende edel van sinne. Sijn die arme dicke ende stijf ende cort. dat bediet. piinlec ende onwetende

∂ Die de palmen lanc heeft .b. wel gedisponeert tote vele consten ende van goeden hantgedade ende vroet in allen sinen werken

Vingere die cort siin .b. sotheit ende zere minnende gerechtecheit

∂ Die cleine voeten heeft .b. hartheit ende starcheit van naturen

∂ Die de been groet heeft. bediet stout ende starc van lichamen ende van naturen

∂ Die de knien ront ende vet heeft. hi es cranc in dogeden ende moru van complexien.

∂ Die den ganc wijt ende snel heeft .b. geluckech in al siin doen. Ende wies ganc trage es ende cort of nauwe. hi es bedruftech twivelec ende onmachtech in allen stucken ende geerne van quaden wille ∂ Die donker swart es of eerdachtech. bediet heldende ten gebreken ende ter luxurien sonderlinge

[61]NOTA. Meester Hippocrates zegt tegen zijn discipelen dat ze zich zouden wachten [62] voor diegene die een natuurlijke bleekheid hebben want ze zijn gereed voor kwaadheid en zonden. En vooral voor diegene die in enig lid verminkt zijn want ze zijn nijdig in alle dingen en spreken kwaad achter diegene die menen dat ze hun vriend zijn. En ook vooral voor die vleien en smeken.

Nu wijst Hippocrates de mens te herkennen aan vele tekens en als eerste bij het haar en zegt aldus; Zo wiens haar recht en lang is betekent van slecht te onthouden en van zwakke hersens. En dik haar aan de top en achter dun betekent zotheid en gekheid. Dik haar en haren als borstels betekent gebrek aan ontwikkeling en onachtzaamheid in alle dingen. Die veel haar aan de borst hebben betekent niet daadkrachtig en weinig ontziend in het doen om een kwade behoefte en sterk van leden en bemint de onzuiverheid. Zwart haar betekent minne tot vrouwen en in alle dingen gerechtigheid.

Rode kleur is een teken van dolheid en van gramschap en van schalksheid en van verraad. Die tussen rood en zwart zijn zonder bleekheid en goed blozen betekent vreedzaam.

Die grote ogen heeft die uitpuilen en van lelijke gedaante, hij is nijdig, schaamteloos en ongehoorzaam. Ogen die de maat hebben en niet te groot en niet te klein en van binnen wit als wolken met een kleine pupil en zwart betekent goed verstand en hoofs en getrouw. Die de schedel van de ogen wijd heeft en een lang aangezicht betekent gemeenheid en kwaad. Die de ogen heeft gelijk een ezel is zot en hard van naturen. [63] Die de ogen hard zijn met een scherp zicht bewegen betekent een dief, ontrouw en vals. Die rode brandende ogen heeft betekent kwaadaardig en onkuis. Die de ogen rood heeft en zwarte plekken er in betekent smekend roemzucht en kwaad van hart.

Witte wenkbrauwen en dik van haar betekent onbekwaamheid van spreken. Wenkbrauwen die zich in het midden naar boven strekken betekent nijdigheid, gierigheid en vergeetachtigheid. Wenkbrauwen die in de maat dun en recht zijn betekenen hoofsheid, trouwheid en goed verstand.

Scherpe neus voor betekent dat die gauw gram is. Lange neuzen die over de mond hangen betekenen schalksheid, hovaardigheid en dapperheid. Platte neuzen betekenen subtiele boosheid, onstuimigheid in gramschap en haastigheid van geest. Die het neusgat lang heeft en niet wijd is goed van geest en van verstand. Die de neus breed heeft is leugenachtig en kletst veel.

Die het aanzicht mager en bleek heeft betekent koppig, overmoedig en vecht graag en bemint de valsheid en onzuiverheid van lichaam. Die het aanzicht rond heeft, niet te mager en niet te vet, betekent kennis, waarachtig en minnend en die zichzelf goed begrijpt, hoofs en goed gemanierd. Die vette wangen heeft is zot en van ruwe natuur. Die het aanschijn zeer klein heeft betekent een smeker (mooiprater) en kwaad. Die het aanschijn lelijk heeft mag nimmermeer goed gemanierd zijn of van goede zeden. Die het aanschijn lang heeft betekent beschaamd, bang en haastig.

Die de [64] mond groot en wijd heeft betekent een dappere vechter en bedrieger. Die de lippen groot heeft betekent zot en in alle dingen traag.

Die de oren groot of lang heeft betekent dol en onverstandig, maar dat hij ontvangt dat behoudt hij goed.

Die de oren zeer klein heeft betekent een dief en onkuis.

Die de stem groot of luid klinkend heeft betekent een kletser, vechter en goed bespraakt. Die de stem niet helder en niet te zwaar heeft betekent kennis, waarachtig en graag rechtvaardigheid. Die haastig is in zijn woorden en als hij een zachte stem heeft betekent dol, onnut en schaamteloos. Klinkende stem betekent nijdigheid en niemand vertrouwt en leeg van geest en van mooi gelaat en slecht denkt. Die de stem helder heeft zonder schelheid betekent zot en in vele dingen onbeschaamd en roekeloos.

De zijn handen beweegt als hij spreekt betekent nijdig, bedrieglijk en dat hij achter de rug spreekt. En die zijn handen niet beweegt als hij spreekt is ook in de andere leden niet volmaakt in verstand en in een goede toestand en van goede vaste raad.

Die de hals lang en smal heeft betekent zot, vergeetachtigheid, bang en bevreesd. Die de hals krom heeft betekent behendig en van vele geesten. Maar hij is voor een deel koppig. Die de hals kort heeft betekent kwaadachtig, bedrieger en kwaad. Die de hals kort en dik heeft betekent zot en zwak van hersens, van sterke borst en een grote eter en hij kan goed werken.

Die de buik van naturen groot heeft betekent dol en onhandig en ook onkuis. Die de buik in de maat heeft betekent verstandig en van gezonde raad.

Die nauw is tussen zijn 2 borsten betekent van edele naturen te zijn en hoofs in al zijn doen. Wijdheid van borsten betekent edelheid en dapperheid en [65] goed verstand en wijsheid. Die een hoge borst heeft betekent sterk en trouw en mild van zijn goed.

Die de schouders breed opheffend heeft betekent fel, vrek en wantrouwend.

Die de arme heeft die tot de knieŽn strekken betekent dapperheid en mild en edel van geest. Zijn die arme dik en stijf en kort dat betekent pijnlijk en onwetend.

Die de handpalmen lang heeft betekent goed gedisponeerd tot vele kunsten en een goede handswerkman en verstandig in al zijn werken.

Vingers die kort zijn betekent zotheid en zeer beminnend de gerechtigheid.

Die kleine voeten heeft betekent hardheid en sterkte van naturen.

Die de benen groot heeft betekent dapperheid en sterk van lichaam en van natuur.

Die de knieŽn rond en vet heeft, hij is zwak in deugden en murw van samengesteldheid.

Die de gang wijd en snel heeft betekent gelukkig in al zijn doen. En wiens gang traag is en kort of nauw, hij is behoeftich, twijfelachtig en onmachtig in alle stukken en graag van kwade wil.

Die donker zwart is of aardachtig betekent dat hij overhelt naar gebreken en vooral tot onkuisheid.

 

 

TEKST †††††††††† Fysionomie (proza)

Auteur: ††††††† Onbekend

Aard: ††††††††† Proza

BRON †††††††††††† Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15624-41

Datum: †††††† 1351

Omvang: ††† 930 woorden

Opm.: †††††††† Handschrift van 148 bladen, 2 of 3 kolommen per bladzijde, 50 tot 53 regels per kolom. De tekst bevindt zich op fol. 48r-49r; het hs. bevat verder o.a. nog de Natuurkunde van het geheelal (fol. 1-6r), de Leringhe van orinen (fol. 22r-28r), het Liber Magistri Avicenne (fol. 28v-45v), Van de vier elementen en complexiŽn (fol. 46r-47v), de Medicina van Jan Yperman (fol. 54r-73r), uittreksels uit Jacob van Maerlants Heimelijcheit der heimelijcheden en Der naturen bloeme (fol. 75v-77r), Der mannen ende vrouwen heimelijcheit (fol. 77v85r), een tekst over handwaarzeggerij (zie Chiromantie (proza) (fol. 85r-88v), de Herbarijs (fol. 91r-107r) en Jan Ypermans Cyrurgie (fol. 108r-147v).

EDITIE †††††††††† L. J. Vandewiele (ed.): 'Een Middelnederlands traktaat over fysiognomiek'. In: Scientiarum Historia 6 (1964), 49-65 (61-65).

Status: †††††††† Diplomatisch

MNW-nr: ††† 56.32 (andere editie)

Opm.: †††††††† De editie biedt deze tekst samen met en onmiddellijk na een traktaatje over de vier complexiŽn bij de mens, zonder daarbij de regelnummering opnieuw te laten beginnen; deze eerste tekst wordt hier, in tegenstelling met de ed.-Vandewiele, niet vooraf gegeven, men zie daarvoor Van de vier elementen en complexiŽn. De regelnummering van de editie werd hier achterwege gelaten.

BRONNEN †† Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15624-41

Uit Cd-rom Middelnederlands. N. Koomen.

 

Zie verder: http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl en : http://www.volkoomen.nl/