DAT BEDROCH DER VROUWEN, 1530, Jan van Doesborch.

 

Nederlandse tekst van Nico Koomen.

Uit; http://cf.hum.uva.nl/dsp/scriptamanent/bml/Bedroch_der_vrouwen/Bedroch_der_vrouwen.pdf

 

DAT BEDROCH DER VROUWEN

Tot een onderwijs ende exempel van allen mannen, jonck ende out, omdat si sullen weten: hoe bruesch, hoe valsch, hoe bedriechlijck dat die vrouwen zijn.

Dat bedrog der Vrouwen.

Tot een onderwijs en voorbeeld van alle mannen jong en oud omdat ze zullen weten hoe kwaad, hoe vals, hoe bedrieglijk dat die vrouwen zijn.

 

[Bedacht, samengesteld en geredigeerd door Jan van Doesborch, boekverkoper, drukker, uitgever en vertaler te Antwerpen, vermoedelijk tussen 1528 en 1531, en vermoedelijk praktisch ongewijzigd herdrukt door zijn compagnon Jan Berntszoon te Utrecht, vermoedelijk in het jaar 1532]

Kritische editie bezorgd door dr. Willem Kuiper

Leerstoelgroep Historische Nederlandse Letterkunde UvA Amsterdam 2009.

Ik wil niets afdoen aan het prachtige werk dat de heer Kuiper gedaan heeft.  Maar voor de gewone lezer is het slecht te lezen en daarom wil ik het met zijn aantekeningen in gewoon Nederlands zetten. Hopelijk wordt zijn werk zo meer gewaardeerd.

Nico Koomen.

Uit: http://cf.hum.uva.nl/dsp/scriptamanent/bml/Bedroch_der_vrouwen/Bedroch_der_vrouwen.pdf

 

 

Van der vrouwen bedroch

’t Is een out seggen: so wat bedroch die vrouwen niet en connen volbringen met cracht oft abelheyt oft met woorden, dat practiseren si te doen met schreyen ende tranen, want die vrouwen weenen als si willen. 1

O ghi mannen ende jonghe gesellen, leert nu met dit weten dat bedroch der vrouwen, om u te wachten daervoor!

O ghi vrouwen ende maechden, hier moechdi leeren loosheyt ende bedroch hanteren...

Van het vrouwen bedrog.

Het is een oud gezegd; welk bedrog de vrouwen niet kunnen volbrengen met kracht of slimheid of met woorden dat praktiseren ze te doen met schreien en tranen want de vrouwen wenen als ze willen.

O, gij mannen en jonge gezellen leer nu door dit te weten dat bedrog der vrouwe nom u daarvoor te wachten!

O, gij vrouwen en maagden hier mag u leren sluwheid en bedrog te hanteren…..

 

 

 

Prologe

Augustinus seyt van den vrouwen: ‚ Wanneer dat men spreect van sonden ende van den ghebreken der vrouwen, so wert Maria die moeder Gods uutghenomen ende uutgescheyden.

Sabellicus seyt van den vrouwen: ‚ Dat Aurelius 2 wert ghevraecht, waerom dat hi niet en wilde woonen met zijn suster, daerop hi seyt: «’t En zijn niet al mijn susteren, die by mijn suster zijn ende converseren...» 3 ‚ Want voorwaer, ’t is quaet vrouwen te aensien. ’t Is noch quader vrouwen aen te spreken. Ende ’t is alder quaetste vrouwen te handelen ende aen te tasten.

Jheronymus seyt van den vrouwen, scrivende tot Occeanum 4: ‚ Die vrou is die duere ende inganck des Duyvels, den wech der boosheyt, ende een schadelijck geslacht denghenen die met vrouwen inwoonen, want die begeerlicheyt der vrouwen maect weeck ende sacht, ende temmet die yseren herten.

Ende in der waerheit gelooves mi: die man en mach niet met gansser herten woonen met den Here, die dickwil gaet omtrent den vrouwen, want daer en is niet periculoser voor een man dan die vrouwen, ende niet sorchliker dan die man voor die vrouwen.

Proloog.

Augustinus zegt van de vrouwen; “’ Wanneer dat men van zonden spreekt en van de gebreken van de vrouwen zo wordt Maria de moeder van God uitgezonderd en er van gescheiden’.

Sabellicus zegt van de vrouwen: “ Toen Aurelius werd gevraagd waarom dat hij niet met zijn zuster wilde wonen daarop zei hij; het zijn niet allemaal mijn zusters die bij mijn zuster zijn en converseren....’

Want voorwaar het is kwaad om vrouwen aan te zien. Het is nog kwader om vrouwen aan te spreken. En het is het aller kwaadste vrouwen te handelen en aan te tasten.

HiĎronymus zegt van vrouwen en schrijft naar Occeanus: ‘ De vrouw is de deur en de ingang van de duivels, de weg van de boosheid en een schadelijk geslacht diegene met vrouwen tezamen wonen want de begeerlijkheid van de vrouwen maakt week en zacht en temt de ijzeren harten’.

En in de waarheid, geloof mij; de man mag niet met ganse hart wonen met de heer die vaak omtrent de vrouwen gaat want er is niets gevaarlijker voor een man dan de vrouwen en niets zorglijker dan die man voor die vrouwen.

 

1. Bron onbekend, maar mogelijk iets als: Sententiae patrum et antiquorum auctoritatum ad usum praedicatorum, alphabetice dispositae – zie de beschrijving van Hermann Hauke van het handschrift Clm 3710: Theologische Sammelhandschrift Papier IX + 435 Bll. 21 x 15 Süddeutschland 1463 / 1478 uit München, Bayerische Staatsbibliothek, Katalog der Handschriften aus dem Dominikanerkloster und Domstift in Augsburg.

2. Berntsz. [1532]: Eurelius 3. Deze uitspraak is van Augustinus: Legitur quod beatus Augustinus nec cum sorore habitare consenserit, dicens: «Que cum sorore mea sunt, sorores mee non sunt.» Docti ergo uiri cautela, magna nobis debet esse instructio. [Legenda aurea, ed. Maggioni (1998), deel II, p. 859]. In de Middelnederlandse vertaling (Hs. KB Brussel 15140, fol.272ra: Gregorius seit in sine letteren tote Innocencie, den provoost van Afrike, van sinte Augustijns boecken aldus: ‘Dat ghi woudt dat wi u sonden dExposicie van Job, dies sijn wi blide om uwen wille. Maer wildi vet werden met weeldegher spisen, so leest sinte Augustijns uwes lantmans werc ende rekent onse callen niet jeghen dmerch van sinen wercke.’ Hi seit oec inden Registere aldus: ‘Men leest dat Augustinus met sijnre suster niet en wilde woenen, ende hi seide: «Die met mijnre suster sijn en sijn mine sustere niet.» Ons sal grote leeringhe sijn de behoetheit des gheleerts mans.’ 4. Van HiĎronymus bleven vele brieven bewaard, waaronder aan ene Oceanus: Selected letters of St. Jerome. With an English translation by F.A. Wright. Cambridge MA etc. 1933. Loeb Classical Library nr. 262.

 

 

 

Paulus seyt van den vrouwen: ‚ Sidy ghebonden met een huysvrouwe, begeert niet te scheyden noch ontbonden te zijn. Maer en sidy niet gehouwet noch gebonden, en soect gheen huysvrouwe. 1

Chrysostomus seyt van den vrouwen: 2 ‚ Ick meyne, dat in der werelt en is gheen lichamelijck beest te gelijcken by der quader vrouwen. Want wat isser wreeder ende vervaerlicker onder die beesten met vier voeten dan die leewe? Wat isser eysseliker onder die serpenten dan die drake? Nochtans en mach men die niet ghelijcken teghen een quaet wijf, want die leeuwe ende drake zijn al veel minder in quaetheyden ende boosheyden: ‚ Want die leeuwen hebben hem ontsien, die bi den rechtvaerdigen DaniĎl in die cuyle ofte put waren, maer dat quade wijf Jesabel heeft haer niet ontsien te dooden den goeden prince Naboth. ‚ Die walvisch heeft in sinen buyck bewaert den prophete Jonam, maer die valsche Dalida heeft afgeschoren dat hayr van Sampson, ende heeft hem ghelevert in der vianden handen.

Die draken ende die ghehoornde slanghen hebben ghelaten haer felheyt, ende hebben ontsien den heylighen Johannen Baptistam in der woestinen, maer die onsuyvere 1 vrouwe Herodias heeft hem doen onthoofden.

O aldermeeste quaet, o alderscherpste gheschut des Duyvels!

Door u comen oorloghen ende strijden. Door u verliesen die wijsen haer wijsheyt. Door u zijn die sancten ghedoot. Door u zijn die steden verbrant. Door u is dat leven verloren. Door u is die doot ghecomen. Door u zijn die rijcken arm geworden. Door u zijn die starcken onmachtich gheworden. Door u zijn die warachtighe luegenachtich worden. Door u zijn die cuysche onsuyver worden. Door u zijn die ootmoedighe hovaerdich worden. Door u zijn die penitenten onghehoorsaem worden, ende ghecomen in den haet ende toorn Gods.

Dit is dat oude wijf, dat oude quaet, dat Adam geworpen heeft uuten Paradijse der Wellusticheyt. Dese heeft dat menschelijcke gheslachte versoncken in der Hellen!

2. Chrysostomus seyt noch: ‚ Een schoon vrouwe is een graf dat wit is ghemaect, ’t en ware dat se sober, suyver, reyn ende schamel is. Ende sonder dese duechden is die vrouwe een nedervallinghe, ende een ghemaect fenijn voor die onwijsen.

Paulus zegt van de vrouwen:  ‘Zij die gebonden zijn met een huisvrouw begeren niet te scheiden nog ontbonden te zijn. Maar bent u niet gehuwd of gebonden zoek dan geen huisvrouw’.

Chrysostomus zegt van de vrouwen: ‘Ik meen dat er in de wereld geen lichamelijk beest te vergelijken is bij de kwade vrouwen. Want wat is er wreder en gevaarlijker onder die beesten met vier voeten dan de leeuw? Wat is er ijselijker onder de serpenten dan de draak? Nochtans mag men die niet vergelijken tegen een kwaad wijf, want de leeuw en draak zijn geheel veel minder in kwaadheden en boosheden.  Want de leeuwen hebben zich ontzien die bij de rechtvaardige DaniĎl in de kuil of put waren, maar dat kwade wijf Jezabel heeft zich niet ontzien te doden de goede prins Naboth. De walvis heeft in zijn buik bewaard de profeet Jonas, maar die valse Delila heeft dat haar van Samson afgeschoren en heeft hem geleverd in de handen van de vijanden.

Die draken en de gehoornde slangen hebben gelaten hun felheid en hebben ontzien de heilige Johannes de Doper in de woestijn, maar die onzuivere vrouw van Herodes heeft hem laten onthoofden’.

O aller grootste kwaad, o aller scherpste geschut van de duivels!

Door u komen oorlogen en strijd. Door u verliezen die wijzen hun wijsheid. Door u zijn de heiligen gedood. Door u zijn die steden verbrand. Door u is dat leven verloren. Door u is de dood gekomen. Door u zijn die rijken arm geworden. Door u zijn die sterken onmachtig geworden. Door u zijn die waarachtige leugenachtig worden. Door u zijn de kuisen onkuis geworden. Door u zijn die ootmoedige hovaardig geworden. Door u zijn de boetelingen ongehoorzaam geworden en gekomen in de haat en toorn van God.

Dit is dat oude wijf, dat oude kwaad dat Adam geworpen heeft uit het Paradijs der wellust. Deze heeft dat menselijke geslacht verzonken in de hel!

Chrysostomus zegt nog: ‘Een mooie vrouw is een graf dat wit is gemaakt, tenzij dat ze sober, zuiver, rein en schamel is. En zonder deze deugden is de vrouw een neervallen en een gemaakt venijn voor de domme.

 

 

1. http://vulgate.org/nt/epistle/1corinthians_7.htm 2. Vgl. Bijbel van 1360, Ecclesiasticus XXV: [...] Alrehande plaghe is droefheit der herten ende alle malicie is swijfs quaetheit, ende hi sal sien alle wonde ende niet wonde der herten ende alle scalcheit ende niet scalcheit swijfs, ende alle heymelecheit ende niet heymelecheit der gheenre die haten, ende alle wrake ende niet wrake der viande. Negheen hoeft is scalckere dan der slanghen hoeft ende negheen gramscap en is boven swijfs gramscap. Het sal meer ghenoegen te wonenne met enen libaerde ende met enen drake, dan te wonenne met enen scalcken wive. Eens wijfs scalcheit verwandelt hare aensichte ende si sal verblenden hare aensichte als een bere ende si toeget als enen sac in midden haren naesten. Haer man versuchte ende hoerende soe versuchte si alluttelken. Cort is alle quaetheit boven swijfs quaetheit, der sondaren lot sal op hare vallen. Ghelijc dat een sanderich opganc is in eens outs mans voete, alsoe is een clappende wijf enen rusteliken man. En aensich niet in eens wijfs scoenheit ende en begere gheen wijf in hare scoenheit. Eens wijfs gramscap ende onwerdicheit is groete scande. Heeft een wijf de vorder hant, soe is si haren man contrarie. Een oetmoedich herte ende een serich aensichte ende een doot wonde is een scalc wijf. Crancke hande ende onmechtighe knien is een wijf, die haren man niet en prijst. Dbeghinsel der sonden wert vanden wive, ende bi hare sterven wi alle. En gheef dinen watere neghenen uutganc, noch cleynen, noch enen quaden wive ghenade ute te gane. En wandelt si niet te dijnre hant, soe salse di scenden in dijnre vianden aenscouwenne. Snijtse af van dinen vleessche, datse di altoes niet en mesbruke.

2. Bertnsz. [1532]: ousuyuere.

 

 

 

=Secundus, Ambrosius, Theophrastus, Salomon, Plautus, Ovidius.

 

Die philosophe Secundus: ‚ Een schoon vrouwe is een schoon huys getimmert op een schijthuys, ’t en ware dat se verchiert is met duechden. Dan is’t een costelick gulden vadt, daerin dat rustet dat geloove, die hope ende die liefde.

Ambrosius seyt: ‚ Sampson die starcke verworchde ende verwan den leeuwe, ende zijn liefde en conde hi niet verwinnen. ‚ Hi brack die banden ende poorten, maer hi en brack niet in stucken die banden zijnder begeerlicheyt. ‚ Hi heeft vernielt ende verbrant dat coorn ende wijngaerden zijnder vianden, maer niet een voncxken viers der liefden. ‚ Van die vrouwe heeft hi verloren zijn cracht en starckheyt.

Theophrasius: vraecht [men] 1 oft een wijs man sal trouwen een huysvrouwe, ende daerop hy seyt: ‚ Is een vrouwe schoon, van goeden zeeden ende manieren. Is se van goeden eerbaren ouders. Is se gesont ende rijck, soo mach se een wijs man trouwen.

Maer verhaelt terstont: ‚ Luttel sulcker vrouwen vint men in die bruyloften, maer wel dieghene die alle nacht kijven ende clagen, seggende:

«Dees gaet proper ende wel gecleet, ende ic ga als een arm slave.» «Waerom saechdi op ons ghebuerwijf?» «Wat hebdy te spreken met die maecht

‚ Een vrouwe trect uut haer schaemte als si uut trect haer cleederen. Jheronymus:

‚ ’t Is swaer te voeden ende te houden een arm wijf, ende ’t is grote pijn wel te houden ende te verdragen een rijck wijf. ‚ Want ’t en baet gheen wachten tot een oneerbaer vrouwe. Een eerbaer en behoort men niet te wachten, want dat geloove ende betrouwen is een wachter der suyverheyt.

‚ Ende in der waerheyt: die vrouwe sal men voor eerbaer ende cuysch houden, die cause, oorsake, tijt en stonde hadde om te sondigen, ende si en wilde niet. ‚ Ende een schoon vrouwe wert lichtelijck van veel lieden lief gehadt ende begheert, maer een leelijcke vrouwe en wert niet lichtelijck begheert.

‚ Ende men can zeer qualick bewaren ende wachten dat veel lieden lief hebben, ende ’t is quaet om hebben ende gebruycken dat niemant en begheert. Nochtans is’t minder armoede te hebben een leelic wijf, dan een schoon wijf te bewaren.

Mar[c]incli[n]e: ‚ Die liever is eyghen oft knecht dan vrij, die neme een wijf.

Cato seyt: ‚ Mocht die werelt zijn sonder vrouwen, wi souden wanderen ende onse conversacie hebben metten goden.

Augustinus: ‚ Die met vrouwen wil in woonen ende meent zijn reynicheyt te houden, die doet dobbel sonden teghen God. Die een is: dat hy hemselven stelt in groot perikel. Ten anderen: si thoonen ander lieden een quaet exempel, daer si in geschandalizeert worden.

Die wijse man Salomon seyt: ‚ Wandelt verre van dat huys der vrouwen, want haer huys is die wech der Hellen ‚ Ende wilt haer niet gheven die macht uwer zielen, opdat se niet by u en come, ende dat ghi niet beschaemt en wort. 2

Ende Ecclesiasticus seyt: ‚ Wilt in gheender manieren sitten by een vreemde vrouwe, noch en ligghet niet by haer op haer bedde, opdat u herte niet en valle oft declinere tot haer. 3

‚ En wilt niet mercken noch achten dat bedroch, noch die schoone ende soete woorden der vrouwen, want die lippekens van die hoeren zijn zoet als honich, maer dat laetste daeraf is bitter als alsem. 4

Idem: ‚ En laet u hert niet aftrecken tot der vrouwen wegen, opdat ghi niet bedrogen en wert in haer conversaciĎn, want si hebben der veel gewont, ende die aldermachtichste ende starcste zijn van hem lieden gedoot.

In die ProverbiĎn van Salomon: ‚ Een vreemde vrouwe is eenen diepen put, ende daer die Heere op vergramt is, die valt in den put. ‚ Ic heb ghevonden wat bitters dan die doot: dat is die vrouwe, welcke is dat stricke der jagers, ende haer handen zijn banden der gevanghen, ende die God behaghet, vliet van haer, ende dat een sonder is wert van haer gevangen.

Seneca: ‚ Oft die vrouwe haet eenen, of si bemint eenen. Dat derde en is daer niet.

Plautus: ‚ Wat is argher dan een vrouwe, wat is stouter, ende onvervaerder dan een vrouwe? Noch man te paerde, noch ruyter oft man te voete en heeft noyt sulcke stoutheyt gehadt!

Dieselve seyt noch: ‚ Die vrouwen hebben over hem veel schandelijcker manieren, mer huyden des daghes is dit van allen dat meeste: Als hemlieden een man zeer wel behaghet, so doen si haer alderbeste om den man te behaghen ende sinen ooghen lieflick om aensien.

Ovidius seyt:  Dat die vrouwen niet doen noch volbringen en connen met conste, met practike, met chierheyt noch met minlijcken amoreusen woordekens, so leeren si schreyen, ende als si wat begheeren dan schreyen si.

Propertius seyt: ‚ Die schoone vrouwen zijn ghemeynlick tot lichtvaerdicheyt gheēnclineert, ende zijn met lichtherticheyt bevanghen, ende dickwil daermede becommert.

D’actor: Ghi goede duechdelike ende eerbaer herten, vrouwen, joncfrouwen ende maechden, wilt my verontschuldighen dat ic hier schrijve van die boosheyt, lichtvaerdicheyt ende bedroch der vrouwen, want ghi van dien verscheyden ende uutgenomen zijt, want boven alder werelt schat is een goede, eerbaer, meetsamighe vrouwe.

Die filosoof Secundus:  ‘Een mooie vrouwe is een mooi huis getimmerd op een schijthuis, tenzij dat ze versierd is met deugden. Dan is het een kostbaar gouden vat waarin het geloof, de hoop en liefde rust’.

Ambrosius zegt: ‘Samson die sterke wurgde overwon de leeuw en zijn liefde kon hij niet winnen. Hij brak de banden en poorten, maar hij brak de banden van zijn begeerte niet in stukken. Hij heeft vernield en verbrand dat koren en wijngaarden van zijn vijanden,  maar niet een vonkje liefdesvuur. Van die vrouw heeft hij verloren zijn kracht en sterkte’.

Theophrastus: vraagt men  of een wijze man een huisvrouw zal trouwen en daarop zegt hij: ‘Is een vrouw mooi, van goede zeden en manieren. Is ze van goede eerbare ouders. Is ze gezond en rijk, dan mag ze een wijze man trouwen’.

Maar verhaalt terstond: ‘Weinig van zulke vrouwen vindt men in de bruiloften, maar wel diegene die alle nachten kijven en klagen en zeggen: «Die gaat netjes en goed gekleed en ik ga als een arme slaaf.» «Waarom keek je naar de buurvrouw?» «Wat heb je te spreken met die maagd?»

Een vrouw trekt uit haar schaamte als ze haar kleren uittrekt.

HiĎronymus: ‘ Het is zwaar te voeden en te houden een arme vrouw en het is grote pijn goed te houden en te verdragen een rijke vrouw. Want een oneerbare vrouw baat het geen wachten. Een eerbare behoort niet te wachten, want dat geloof en vertrouwen is een wachter der zuiverheid.

En in de waarheid: die vrouw zal men voor eerbaar en kuis houden die aanleiding, oorzaak, tijd en stond had om te zondigen en ze wilde niet. En een mooie vrouw wordt licht van veel lieden lief gehad en begeert, maar een lelijke vrouw wordt niet licht begeerd.

En men kan zeer slecht bewaren en wachten dat veel lieden lief hebben en het is kwaad om te hebben en gebruiken dat niemand begeert. Nochtans is het minder armoede te hebben van een lelijke vrouw dan een mooie vrouw te bewaren’.

Merk: ‘Die liever eigen of een knecht is dan vrij, die neemt een vrouw’.

Cato zegt: ‘Mocht de wereld zijn zonder vrouwen, we zouden wandelen en onze conversatie hebben met de goden’.

Augustinus: ‘Die met vrouwen wil samen wonen en meent zijn reinheid te behouden die doet dubbele zonden tegen God. De ene is dat hij zichzelf in grote problemen brengt. Ten anderen: ze tonen andere lieden een slecht voorbeeld waarin ze geschandaliseerd worden’.

Die wijze man Salomon zegt: ‘Wandel ver van dat huis der vrouwen want hun huis is de weg de hel. Er zal haar niet geven de macht van uw ziel zodat ze niet bij u komt en dat ge niet beschaamd wordt.’

En Ecclesiasticus zegt: ‘Wil in geen manieren zitten bij een vreemde vrouw, noch lig niet bij haar op haar bed zodat uw hart niet valt of val op haar.

En wil niet merken nog achten dat bedrog, nog die mooie en zoete woorden der vrouwen want die lipjes van die hoeren zijn zoet als honing, maar dat laatste daarvan is bitter als alsem.

Idem: ‘Laat uw hart niet gaan tot de vrouwen wegen zodat ge niet bedrogen wordt in hun conversaties want ze hebben er veel gewond en de allermachtigste en sterkste zijn van hen gedood’.

In de Spreuken van Salomon: ‘Een vreemde vrouw is een diepe put en daar de Heer op vergramd is die valt in die put.  Ik heb gevonden wat bitterder is dan de dood, dat is die vrouw welke is de strik van de jagers en haar handen zijn banden van de gevangene en die God behaagt vliedt van haar en dat een zondaar het waard is van haar gevangen te worden’.

Seneca: ‘ Of de vrouw haat er een of ze bemint er een. Een derde is er niet’.

Plautus: ‘Wat is erger dan een vrouw, wat is dapperder en meer onverschrokken dan een vrouw? Nog een man te paard, nog ruiter of man te voet heeft ooit zulke dapperheid gehad!’

Diezelfde zegt nog: ‘De vrouwen hebben over zich veel schandelijke manieren, maar heden des dag is dit van allen de grootste: Als hen een man zeer goed behaagt zo doen ze hun allerbest om de man te behagen en in zijn ogen lieflijk om aan te zien’.

Ovidius zegt: ‘Dat die vrouwen niet doen nog volbrengen kunnen met kunst, met praktijk, met sierlijkheid nog minnelijke amoureuze woordjes zo leren ze schreien en als ze wat begeren dan schreien ze‘.

Propertius zegt: ‘Die mooie vrouwen zijn gewoonlijk tot lichtvaardigheid geneigd en zijn met lichthartigheid bevangen en dikwijls daarmee bekommerd’.

De acteur:  ‘Gij goede deugdelijke en eerbare harten, vrouwen, jonkvrouwen en maagden, wil me verontschuldigen dat ik hier schrijf van die boosheid, lichtvaardigheid en bedrog der vrouwen want ge bent van die verschillend en uitgezonderd, want boven de hele wereldse schat is een goede, eerbaar, vriendelijke vrouw.

 

 

1. Ontbreekt in Berntsz. [1532]

2. Vgl. Bijbel van 1360, Ecclesiasticus, cap. 9: “En gheef den wive niet macht van dijnre zielen, dat si niet en come in dine macht ende dattu bescaempt werds.” 3. Vgl. Bijbel van 1360, Ecclesiasticus, cap. 9: “Met negheenen vreemden wive en sitte al bedalle, noch en ligge met haer op een bedde, ende en stride met haer niet inden wijn, dat masschien dijn herte te haer wert niet gheheldt en werde ende dat du met dinen bloede vals in verliese.”

4. Vgl. Bijbel van 1360, Proverbia, cap. 5: “En verstant niet ter bedriechenissen vanden wive, want eens lichts wijfs lippen sijn een drupende rote ende hare strote is bleckendere dan olye, met hare achterste sijn bitter als alsene ende hare tonge is scerp als een swert in beiden siden snidende.”

 

 

 

[1] 1  Hoe onse eerste moeder Eva bedrooch den alderwijsten man Adam, onsen eersten vader.

Wanneer die Schepper alder dingen geschapen ende ghemaect hadde van niet hemelen ende aerde, ende al dat op der aerden is, so maecte Hy op den sesten dach der werelt onsen aldereersten vader Adam in den campe by Damasco 2 van der aerden, ende hi storte in hem dat leven, ende maecte hem heere ende besitter alder geschapen dingen op der aerden. Ende hi hadde die kennisse ende weetenheyt van allen dinghen, haer propriĎteyten ende waer alle dinck goet toe is, ende hi ghaf elcken dingen sinen name.

Doe nam hem die Heere van der plaetsen daer hy ghemaect was, ende stelde hem in dat Paradijs der Wellusticheyt, dat hi dat besitten soude.

Ende die Heere sandt in Adam den slaep, ende nam een ribbe van Adam, ende maecte daeraf een vrouwe. Ende als Adam ontwaecte, so vant hi die vrouwe by hem, ende seyde: «Dit gebeente is uut mijnen beenen, ende dit vleesch is van mijnen vleesche.»

Ende God die Heere seyde tot hem beyden: «Eet van allen vruchten des Paradijs, mer en tast niet aen den boom die daer staet in’t middel van den Paradijse!»

Hoe dat serpent Eva bedrooch, ende si voort Adam.

Als dit verbot die Heere hadde ghedaen, so practiseerde dat oude serpent, die Duyvel, hoe hy hem mochte ongehoorsaem maken. So kende hi die starcheyt des mans, so dachte hi die vrouwe te bedrieghen, want si van brooscher natueren is, ende crancker om wederstaen.

So vant hi die vrouwe alleen omtrent den boom. Doen seyde dat serpent tot Eva: «Waerom heeft u die Heere verboden te eten van die vruchte der wetenheit goets ende quaets?»

Doe seyde Eva: «Wi souden by aventueren sterven...»

Dat serpent seyde: «Neen so niet, in gheender manieren, maer ghi sult worden ghelijck goden: wetende goet ende quaet. Daerom neemt die vruchte ende etet daer af.»

Ende si sach dat den appel schoon was in’t aensien, ende si nam den appel ende adt daeraf, ende ghaf hem voort haren man Adam, die daer ooc af adt, als een die niet en wilde vertoornen zijn wijf – die nochtans die wijste man was die oyt opter aerden quam, sonder alleen die Sone Gods.

Ende als si van den appel gheten hadden, so werden haerder beyder oogen open ghedaen, ende si saghen dat si naect waren. Aldus is die alderwijste ende schoonste man ter werelt bedroghen by zijn wijf.

Maer oft Eva te wijten is dat Adam bedroghen was, dat staet in die wijsheyt ende voorsienicheyt des almoghenden Gods, want Adam sach in den spieghel der Heyligher Drievoldicheyt dattet ghesloten was van der eewicheyt in die consistorie der Heyligher Drievuldicheyt, dat die Sone Gods eens sterven soude om des menschen wille. Ende die doot van den Sone Gods moste hebben een oorsake, waeromme Hy sterven soude.

Nota:

Omdat dat Aertsche Paradijs, dat Paradijs der Wellusticheyt, gerekent is voor die edelste plaetse der werelt, ende omdat die vrouwe in die plaetste gheschapen ende ghemaect is, ende die man in den campe van Damasco, so willen die sommighe vrouwen hieruut argueeren, dat si beter zijn dan die mannen, ende willen zijn der mannen meester, so dat dickwil noch veel ghebuert nu ter tijdt in der werelt. Maer si en allegieren niet die woorden die God totter vrouwen sprack nadat ’t ghebot ghebroken was, ende seyde: «Ghy sult baren u kinderen met pijn ende wee, ende ghi sult zijn onder die macht van uwen man, ende hy sal heerschappie hebben over u ende u meester zijn.» 3 Dies moet die man der vrouwen besorghen haer nootdrufte, ende dat se behoeflijck is, want God heeft den mannen gheboden te wercken, als Hy seyde: «In sweet dijns aensichts suldy eten u broot,» 4 daer lacen nu veel lieden zijn die dat ghebot niet en onderhouden ... Die man sal oock bekennen die ordinancie Godts, ende hoe dat Godt almachtich die vrouwe ghemaect heeft uuten middel van den man, ende niet van den hoofde, beteykenende dat si niet die meester en sal zijn van den man. Ende heeft se oock niet gemaect van den voeten, dat se die man oock niet gheheel verstoten noch verachten en sal, maer heeft se gemaect uuten midden, totten behulp van den man. Ende dat man ende wijf in den houwelijcken staet sullen so eendrachtelijck leven, ende van eenen wille zijn, ende sullen twee zielen ende één lichaem zijn, d’welck so God wil ordineren tot onser zielen salicheyt. Amen!

Hoe onze eerste moeder Eva bedroog de aller wijste man Adam, onze eerste vader.

Toen de Schepper alle dingen geschapen en gemaakt had en van niets hemel en aarde en alles dat op de aarde is zo maakte Hij op de zesde dag der wereld onze aller eerste vader Adam in het kamp bij Damascus van aarde en hij stortte in hem het leven en maakte hem heer en bezitter van alle geschapen dingen op de aarde. En hij had de kennis en wetenschap van alle dingen, haar  eigenschappen en waar alle dingen goed toe zijn en hij gaf elk ding zijn naam.

Toen nam hem de Heer van de plaats daar hij gemaakt was en stelde hem in dat Paradijs der wellust dat hij dat bezitten zou.

En de Heer zond in Adam de slaap en nam een rib van Adam en maakte daarvan een vrouw. En toen Adam ontwaakte zo vond hij die vrouw bij hem en zei: «Dit gebeente is uit mijn benen en dit vlees is van mijn vlees.»

En God de Heer zei tot hen beiden: «Eet van alle vruchten van het Paradijs, maar tast niet aan de boom die daar staat in het midden van het Paradijs!»

Hoe dat serpent Eva bedroog en zij verder Adam.

Toen dit gebod die de Heer had gedaan zo prakkiseerde dat oude serpent, de duivel, hoe hij hen ongehoorzaam mocht maken. Zo kende hij de sterkte van de man en zo dacht hij om de vrouw te bedriegen omdat ze van brozer naturen is en zwakker om te weerstaan.

Zo vond hij de vrouw alleen omtrent de boom. Toen zei dat serpent tot Eva: «Waarom heeft u de Heer verboden te eten van die vrucht der kennis van goed en kwaad?»

Toen zei Eva: «We zouden bij avonturen sterven...»

Dat serpent zei: «Neen, zo niet, in geen manieren, maar ge zal worden gelijk god en weten goed en kwaad. Daarom neem die vrucht en eet er van.»

En ze zag dat de appel mooi was om te zien en ze nam de appel en at er van en gaf hem voort haar man Adam die daar ook van at, als een die zijn vrouw niet wil vertoornen, die nochtans de wijste man was die ooit op de aarde kwam, uitgezonderd alleen de Zoon van God.

En toen ze van de appel gegeten hadden zo werden hun beide ogen open gedaan en ze zagen dat ze naakt waren. Aldus is die aller wijste en mooiste man ter wereld bedrogen door zijn vrouw.

Maar of het Eva te verwijten is dat Adam bedrogen was, dat staat in die wijsheid en voorzienigheid der almogende God, want Adam zag in de spiegel der Heilige Drievuldigheid dat het besloten was in de eeuwigheid in de consistorie (kamer) van de Heilige Drievuldigheid dat de Zoon van God eens sterven zou om des mensen wil. En de dood van de Zoon van God moest een oorzaak hebben waarom Hij zou sterven.

Nota:

Omdat het aardse Paradijs, het Paradijs der wellust, gerekend wordt als de edelste plaats der wereld omdat de vrouw in die plaatst geschapen en gemaakt is en de man in het kamp van Damascus zo willen sommige vrouwen hieruit argumenteren dat ze beter zijn dan de mannen en willen de meester der mannen zijn zoals vaak noch veel gebeurt nu ter tijd in de wereld. Maar ze beroepen zich niet op de woorden die God tot de vrouw sprak nadat het gebod gebroken was en zei: «Gij zal uw kinderen baren met pijn en weeĎn en ge zal  onder de macht van uw man zijn en hij zal heerschappij hebben over u en uw meester zijn.»  Dus moet die man de vrouw haar behoeften bezorgen en dat ze behoeftig is want God heeft de mannen geboden te werken als Hij zegt: «In het zweet van uw aanzicht zal u eten uw brood,»  daar lachen nu veel lieden om die dat gebod niet onderhouden ... De man zal ook bekennen het bevel van God en hoe dat God almachtig de vrouw gemaakt heeft uit het middelst van de man en niet van het hoofd wat betekent dat ze niet die meester zal zijn van de man. En heeft haar ook niet  van de voeten gemaakt zodat de man haar ook niet geheel verstoten of verachten zal maar heeft haar gemaakt uit het midden tot hulp van de man. En dat man en vouw in de huwelijkse staat zo eendrachtig zullen leven en van een wil zijn en zullen twee zielen en één lichaam zijn wat zo God wil bevelen tot onze ziel en zaligheid. Amen!

 

 

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische bijbelboek Genesis, hoofdstukken 1-3, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd. De tekst verraadt (indirecte) kennis van de Historia scholastica van Pierre le Mangeur (gest. 1179) alias Petrus Comestor, wiens interpreterende navertelling van de bijbelse geschiedenis gedurende de Middeleeuwen haast nóg belangrijker was dan de Bijbel (Vulgaat) zelf.

2. Spiegel historiael I1,, 8, 31-32: Daer Damas nu staet uten pleine, Droughene God int paradijs reine,

3. Historiebijbel, Genesis, capittel 2: [...] Doe seide God totten wive: «In rouwen ende in weten sel gi u vruchten voirtbrengen ende gi selt wesen onder die macht des mans, ende hi sel u beheren.»

4. Historiebijbel, Genesis, capittel 2: [...] Ende in dat sweet uwes aensichts sel gi broet eten.

 

[2] 1 Een niew bedroch van een vrouwe uut Henegouwe in onsen tijden geschiet.

Een rijck machtich man woonende tot Valencheyn in die stadt, ende hi was ontfangere van dat lant van Henegouwe, ende woonde in die stadt voorseyt in een schoon huys, d’welcke huys hadde veel uutghanghen, comende tot diversche straten besloten. So was daer een poortken dat uutquam in een achterstrate, daer teghenover een goet bloet woonde, die een zeer schoon wijf hadde. Ende die ontfangher ghinck dickwil door dat poortken uut, om dat amoreus gesichte van der minlijcker vrouwen, sodat hi met haer liefde bevanghen wert, ende maecte sulcke kennisse met haer, dat si hem in’t laetste consenteerde, sodat hem niet en gebrack dan tijt en stonde. So noode hi den man met zijn wijf dickwil ten eten, ende wert des ontfanghers grote vrient, ende hi hadde desen goeden bloet al tot sinen wille. 2

So gheviel’t op een tijt dat die man moste zijn op zijn casteel, drie mijlen van Valencheyn, so track hi derwaerts, bevelende zijn wijf dat huys te bewaren, dies dat wijf verblijt was, seggende dat den ontfanger, die zeer blijde was. Ende tegen den avont wert dat achterpoortken onstloten, daer si heymelick door quam bi den ontfangher, daer si zeer minlick ontfangen wert, ende si ginck met hem in zijn huys om beter kennisse met hem te maken, daer alle dinck bereet stont van als, ende planteyt van wijn. Ende si hebben den avont overbracht met goet chier te maken, ende met menich vriendelick cusken te geven ende te ontfanghen. 3

In desen chier so quam haer man van die reyse, ende quam voorby des ontfanghers duere, ende sach datter veel lichts in die camer was, ende omdat hi daer ten huyse een goet vrient was, so clopte hy stoutelick aen.

So vraechde die ontfanger wie daer was, ende die goede man seyde: «Het is [u] 2 vrient.» 4

Dit hoorende zijn huysvrouwe verstont ende kende wel die stemme van haren goeden man, so wert die vrouwe zeer verbaest ende vervaert,  dat se nauwelic en conde gespreken, ende si en wist niet wat si maken soude.

Een nieuw bedrog van een vrouw uit Henegouwen in onze tijden geschiedt.

Een rijk en machtig man woonde te Valenciennes in de stad en hij was ontvanger van dat land van Henegouwen en woonde in de voor vermelde stad in een mooi huis en dat huis had veel uitgangen die op diverse straten uitliepen. Zo was daar een poortje dat uitkwam in een achterstraat waar tegenover goedzak woonde, die een zeer mooie vrouw had. En die ontvanger ging vaak door dat poortje uit omdat amoureuze gezicht van die beminnelijke vrouw zodat hij met haar liefde bevangen werd en maakte zulke kennis met haar dat ze het hem tenslotte bevestigde zodat hem niets ontbrak dan tijd en plaats. Zo nodigde hij de man met zijn vrouw vaak te eten uit en werd de ontvangers grote vriend en hij had deze goedzak geheel tot zijn wil.

Zo gebeurde het op een tijd dat die man naar zijn kasteel moest drie mijl van Valenciennes en zo trok hij daar naar toe en beval zijn vrouw het huis te bewaren, dus die vrouw was zeer blij en zei dat de ontvanger die zeer blij was. En tegen de avond werd dat achterpoortje geopend waar ze heimelijk door kwam bij de ontvanger daar ze zeer minnelijk ontvangen werd en ze ging met hem in zijn huis om beter kennis met hem te maken waar alle dingen bereid stonden van alles en plenty wijn. En ze hebben de avond doorgebracht met goede sier te maken ende met menige vriendelijke kusjes te geven en te ontvangen.

In deze sier zo kwam haar man terug van de reis en kwam voorbij de ontvangers deur en zag dat er veel licht in de kamer was en omdat hij daar thuis een goede vriend was zo klopte hij dapper aan.

Zo vroeg de ontvanger wie daar was en de goede man zei: «Het is uw vriend.»

Dit hoorde zijn huisvrouw en herkende wel de stem van haar goede man en zo werd die vrouw zeer verbaasd en bang zodat ze nauwelijks kon spreken en ze wist niet wat ze zou doen.

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 1. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La premiere nouuelle

En la ville de VALENCIENNEZ eut nagueres vng notable bourgois en son temps receueur de HENAULT/ lequel entre les aultres fut renomme de large et discrete prudence. Et entre ses louables vertuz celle de liberalite ne fut pas Ia maindre: car par icelle vint en la grace des princes seigneurs et autres gens de tous estaz: En ceste eureuse felicite FORTUNE le maintint et soustint iusques en la fin de ses iours. Deuant et apres ce que mort leust destachie de la chayne qui a mariaige laccouploit/ le bon bourgois cause de ceste hystoire nestoit pas si mal logie en la dicte ville que vng bien grant maistre ne sen tint pour content et honnoure dauoir vng tel logis. Et entre les desirez et louez edifices sa maison descouuroit sur plusieurs rues/ et la [B1rb] auoit vne petite poterne vis a vis pres de la/ en laquelle demouroit vng bon compaignon qui tresbelle femme et gente auoit et encores en milleur point. Et comme il est de coustume les yeulx delle archiers du cueur descoicherent tant de fleches en la personne dudit bourgois que sans prochain remede son cas nestoit pas maindre que mortel. Pour laquelle chose seurement obuier trouua par plusieurs et subtiles facons que le compaignon mary de ladicte gouge fut son amy trespriue et familier. et tant que peu de disners/ de souppers/ de bancquetz de bains destuues/ et autres passetemps en son hostel et ailleurs ne feissent iamais sans sa compaignie. Et a ceste occasion se tenoit ledit compaignon bien fier et encores autant eureux. Quant nostre bourgois plus subtil que vng regnart eust gaignie la grace du compaignon bien peu se soussia de paruenir a lamour de sa femme/ et en peu de iours tant et si tresbien laboura que la vaillant femme fut contente douyr et entendre son cas pour y baillier renrede conuenable/ ne restoit plus que temps et lieu et fut a ce menee quelle luy promist/ tantost que son mary iroit quelque part dehors pour seiourner vne nuyt elle incontinent len auertiroit.

3. A chief de pechie ce desire iour fut assigne et dit le compaignon a sa femme quil sen alloit a vng chasteau loingtain de VALENCIENNES enuiron troys lieues et la charga bien de soy tenir a lostel et garder la mai[B1va]son pource que ses affaires ne pouoient souffrir que celle nuyt il retournast. Celle en fut bien ioyeuse sans en faire semblant ne maniere en paroles ne autrement. Jl ne le fault ia demander/ car il nauoit pas encores chemine vne lieue dassez quant le bourgois sceust ceste aduenture de pieca desiree. Jl fist tantost tirer les bains/ chauffer les estuues/ faire pastez/ tartes/ ypocras/ et le surplus des biens de dieu si largement que lappareil sembloit vng droit desroy. Quant vint sur le soir la poterne fut desserree/ et celle qui pour la nuyt y deuoit le guet saillit dedans/ et dieu scait quelle fut doulcement receue/ ie men passe en brief et espoire plus/ quilz firent plusieurs deuises daulcunes choses quilz nauoient pas en ceste eureuse iournee a leur premiere voulente. Apres ce que en la chambre furent descenduz tantost se bouterent au bain/ deuant lequel beau souper fut en haste couuert et serui. Et dieu scet quon y beut dautant largement et souuent. Des vins et viandes parler nen seroit que reditte/ et pour faire le conte brief faulte ny auoit que du trop. En ce tresgracieux estat se passa la plus part de ceste doulce et courte nuyt/ baisiers donnez/ baisiers renduz/ tant et si longuement que chascun ne desiroit que le lit. 4. Ontbreekt? in Berntsz. [1532] 3. Tandiz que ceste grant chere se faisoit vecy bon mary ia retourne de son voyaige non querant ceste sa bonne aduenture qui heurte bien fort a luys de sa chambre/ et pour la compaignie qui y estoit [B1vb] lentree de prinsault luy fut refusee iusques a ce quil nommast son parain.

 

 

 

1Hoe die ontfanger zijn lief vertroostede.

Als die ontfangher sach dat die vrouwe soo vervaert was, so seyde hi: «Lief, coemt bi mi terstont te bedde. Ic sal u wel decken, dat u niemant sien en sal.» Dus laghen si arm in arme, ende metten rugge ter duere waert.

Ende die goede man wert in ghelaten, ende quam in die camer, daer hi die tafel vant wel bereyt van spijse ende dranck, ende sach den ontfanger met een amoreusken te bedde, dies die goede man wat twijfelde, ende seyde totten ontfanger: «Wat hoeren hebdy daer by u?» Ende met dien wert die goede man ter tafelen gheset, daer hi adt ende dranck, ende hi maecte goet chiere. 2

Mer die goede man, hebbende wat suspicie, stont op van der tafelen, ende quam voor des ontfangers bedde ende seyde: «Ick moet dees bruyt eens sien eer ick scheyde,» ende hi hief die decken op, daer zijn eerbaer wijf onder lach, maer die ontfangher belette dat.

Dit siende die goede bloet wilde die decken ende slaeplaken opheffen met gewelde, waeromme die ontfangher, zijn vrient, half gram wert, dies si een compact tesamen maecten, dat hy hem die bruyt thoonen soude van achter haren rugge, haer lenden ende haer beenen, die zeer schoon ende wit waren, datwelck so geschiede. 3

Als hij se dus van achter sach, seyde hi dat hi noyt schoonder wijf en sach van achter, ende swoer dat hi noyt en sach achtercasteel so gelijck zijns wijfs naers: «Ende wiste ic oock niet dat si eerbaer ware, ende dat si nu te huys is, ic soude segghen dat zij’t selve ware!» Ende met dien wert se wederom toegedect.

Ende si verspraken hem, ende seyden: «Wat soudi sulcke dinghen segghen over u wijf, ende haer sulcken oneere toegheven?!» 4 Ende ten laetsten is hi vandaer gescheyden, ende heeft den ontfangher goeden nacht gheseyt met zijnder concubinen, ende hi badt zeer dat men hem wilde laten te huys gaen door dat achterpoortken, maer si seyden dat die sluetel verloren was. Dus most hi eenen groten wech omme gaen, ende des ontfangers knechten leyden hem te huys waert, ende hielden hem so langhe clappende als si mochten. Ende die goede vrouwe schoot aen haren kuers, ende haren tabbaert op haren arm, wert door dat achterpoortken ghelaten, ende was so terstont in haer huys, daer si haren man verwachtede, die van buyten quam. 5

Ende als hi quam voor zijn huys, so sach hi noch licht in zijn huys, ende clopte daer aen. Ende zijn wijf ghinck met eenen bessem ende vaechde dat huys, ende si vraechde: «Wie is daer?»

Hi seyde: «Ic ben’t, u man.» Si seide: «’t Is mijn man niet. Mijn man en is in der stadt niet.» Doe clopte hi weder aen ende seyde: 6 «Ic ben’t 7 nochtans.» «Wat?» sey se, «gaet van mijnder duere! Ic kenne mijns mans stemme wel. ’t En is oock mijns mans gewoonte niet dus late te comen cloppen.» Ten derden seyde hi so vele, dat si hem kende, want hi wert heel gram, ende sloech op die duere oft hij se in stucken hadde willen slaen. Ende si liet hem ten laetsten in, ende si sette haer handen in haer zijde, ende seyde: «Ghi snode rabbaut, dit hebdi dus opgheset te doen om my te proeven. Ghi zijt niet waerdich te hebben so eerbaren vrouwe!» 8

Die goede man, siende dat hi onghelijck hadde, sprack vriendelijck ende seyde: «Weest tevreden, lieve wijf, want ic moste van noots weghen wederkeeren, want ic had vergeten den principalen brief, daer ic om uut gereyst was.»

Mer dat wijf en wilde niet tevreden zijn, maer si seyde, dat hi quam uuter tavernen ende bourdele, ende si vermaledide die ure dat si hem oyt troude.

Die arme bloet, als hi sach dat zijn wijf so gram was, daer hi die oorsake af was, quam bi zijn wijf metten bloten hoofde, ende seyde: «Mijn alderghetrouste wijf, ick bidde u: heb ic u yet misseyt ofte misdaen, vergeve’t mi. Ic come van een plaetse, daer mi goet chier gedaen is. Daer meynde ick dat ic u gesien hadde, 9 daer 10 ick sonder sake op u quaet vermoeden hadde. ’t Is mi bitterlijcken leet. Ic bidde u: vergeve’t mi doch!» 11

Ten laetsten was si wat tevreden, maer si seyde: «Ghi oneerlick catijf! Ghi coemt van uwen hoeren. Hebdi daer wat gesien mit valschen oogen? Wildy mi daermede betijĎn, u goede vrouwe?!»

«Neen ic! Lacen lief, segt doch daeraf niet meer. Ic bidde u: vergeve’t mi. ’t En sal niet meer geschieden so lange als ick sal leven.» 12

Na dit is die vrouwe dickwil gecomen door dat achterpoortken mit minder sorghen ende anxt, sonder weeten van den goeden bloet haren man, die daer noyt meer af en wiste achter dien dach, soo men mi seyde. 13

Aenhoort nu ghy goede mannen, hoe men dickwils wert bedroghen!

Hoe die ontvanger zijn lief vertrooste.

Toen de ontvanger zag dat die vrouw zo bang was zo zei hij: «Lief, kom bij mij terstond in het bed. Ik zal u goed bedekken zodat niemand u zal zien.» Dus lagen ze arm in arm en met de rug naar de deur gekeerd.

En die goede man werd ingelaten en kwam in de kamer daar hij die tafel vond goed bereid met spijs en drank en zag de ontvanger met een amoureuze te bed, dus twijfelde die goede man wat en zei tot de ontvanger: «Welke hoer heb je daar bij u?» En met die werd die goede man ter tafel gezet daar hij at en dronk en hij maakte goede sier.

Maar die goede man, die wat achterdocht had, stond op van de tafel en kwam voor het bed van de ontvanger en zei: «Ik moet deze bruid eens zien eer ik schei,» en hij hief de deken op daar zijn eerbare vrouw onder lag, maar de ontvanger belette dat.

Dit zag die goedzak en wilde de deken en het slaaplaken met geweld opheffen waarom de ontvanger, zijn vriend, half vergramd werd zodat ze tezamen een verdrag sloten dat hij hem de bruid tonen zou van de achterkant van haar rug, haar lenden en haar benen die zeer mooi en wit waren, en dat gebeurde zo.

Toen hij haar dus van achteren zag zei hij dat hij nooit een mooiere vrouw van achteren zag en zwoer dat hij nooit een achterwerk zag zo gelijk als zijn vrouw: «Wist ik ook niet dat ze eerbaar was en dat ze nu in het huis is zou ik zeggen dat zij het was!» En daarmee werd ze wederom toegedekt.

En hij sprak af met hem en zei: «Waarom zou u zulke dingen zeggen over uw vrouw en haar zo’n oneer geven?»  En tenslotte is hij vandaar weg gegaan en heeft de ontvanger goede nacht gezegd met zijn concubine en hij bad zeer dat men hem naar huis wilde laten gaan door dat achterpoortje, maar ze zeiden dat de sleutel verloren was. Dus moest hij een grote weg omgaan en de ontvanger zijn knechten leiden hem naar het huis toe en hielden hem zo lang pratende als ze konden. En die goede vrouw schoot aan haar kleed en haar tabbaard op haar arm en werd door dat achterpoortje gelaten en was zo terstond in haar huis daar ze haar man opwachte die van buiten kwam.

En toen hij voor zijn huis kwam zo zag hij nog licht in zijn huis en klopte er aan. En zijn vrouw ging met een bezem en veegde het huis en ze vroeg: «Wie is daar?»

Hij zei: «Ik ben het, uw man.» Ze zei: «Het is mijn man niet. Mijn man is niet in de stad.» Toen klopte hij weer aan en zei:  «Ik ben het nochtans.» «Wat?» zei ze, «ga van mijn deur! Ik ken mijn mans stem goed. En het is ook mijn mans gewoonte niet zo laat te komen kloppen.» Ten derden zei hij zo veel zodat ze hem herkende want hij werd geheel gram en sloeg op de deur of hij die in stukken had willen slaan. En ze liet hem tenslotte binnen en ze zette haar handen in haar zijde en zei: «Gij snode rabauw, dit heb je dus opgezet om mij te beproeven. Ge bent het niet waard om zo’ n eerbare vrouw te hebben!»

Die goede man zag dat hij ongelijk had sprak vriendelijk en zei: «Wees tevreden lieve vrouw, want ik moest vanwege nood terug keren want ik had de voornaamste brief vergeten waarom ik vertrokken was.»

Maar die vrouw wilde niet tevreden zijn, maar ze zei dat hij uit de kroeg kwam en bordeel en ze vermaledijde het uur dat ze hem ooit trouwde.

Die arme bloed, toen hij zag dat zijn vrouw zo gram was waar hij de oorzaak van was kwam bij zijn vrouw met ontbloot hoofd en zei: «Mijn aller trouwste vrouw, ik bid u: heb ik u iets gemist of misdaan, vergeef het mij. Ik kom van een plaats waar me goede sier is gedaan. Daar meende ik u gezien te hebben waar ik zonder reden op een u een kwaad vermoeden had. Het doet met bitter leed. Ik bid u: vergeef het me toch!»

Tenslotte was ze wat tevreden, maar ze zei: «Gij oneerlijke ellendeling! Ge komt van uw hoer. Heb je daar wat gezien met valse ogen? Wil ge me daarmee aanklagen, uw goede vrouw?!»

«Neen ik! Laat het lief, zeg toch daarvan niet meer. Ik bid u: vergeef het me. En het zal niet meer geschieden zo lang als ik zal leven.»

Na dit is die vrouw vaak gekomen door dat achterpoortje met minder zorgen en angst zonder het weten van de goedzak haar man die daar nooit meer van wist na die dag zo men mij zei.

Aanhoort nu gij goede mannen, hoe men dikwijls wordt bedrogen!

 

 

 

1. Adonc il se nomma hault et cler et tresbien lentendirent et cogneurent sa bonne femme et le bourgois. La gouge fut tant fort effrayee a la voix de son mary que a peu que son loyal cueur ne failloit/ et ne sauoit ia plus sa contenance se le bon bourgois et ses gens ne leussent reconfortee.

2. Maiz le bon bourgois tant asseure/ et de son fait tresaduise la fist bien en haste couchier/ et au plus pres delle se bouta et luy charga quelle se ionignist pres de luy et caichast le visaige quon nen peult rien apperceuoir/ et cela fait au plus brief que on peult sans soy trop haster il commanda ouurir la porte/ et le bon compaignon sault dedens la chambre pensant en soy que aucun mistere y auoit quant deuant luys lauoient retenu si longhement. Et quant il vit la table tant chargee de vins et de grans viandes/ ensemble le beau bain tresbien pare/ et le bourgois ou tresbeau lit encourtine auec sa seconde personne/ dieu scait sil parla hault et blasonna les armes de son bon voisin. Lors lappella ribault loudier/ apres putier/ apres yurongne/ et tant bien le baptiza que tous ceulx de la chambre et luy auecques sen rioient bien fort Mais sa femme a ceste heure nauoit pas ce loisir tant estoient ses leures empeschees de soy ioindre pres de son amy nouuel. Ha ha dist il maistre houlier vous mauez bien celee ceste bonne chiere.

3. Mais par ma foy si ie nay [B2ra] este a la grant feste si fault il bien que len me monstre lespousee. Et a ce coup tenant la chandelle en sa main se tira pres du lit/ et ia se vouloit auancier de haulcier la couuerture/ soubz laquelle faisoit grant penitence et silence sa tresparfaicte et bonne femme/ quant le bourgois et ses gens len garderent/ dont le compaignon ne sen contentoit pas trop et a force maulgre chascun tousiours auoit la main au lit mais il ne fut pas maistre pour lors ne creu de faire son vouloir/ et pour cause. Sur quoy vng appointement tresgracieux et bien nouueau fut fait de quoy assez se contenta qui fut tel.

4. Le bon bourgois fut content que on luy montrast a descouuert le derriere de sa femme les rains et les cuisses qui blanches et grosses estoient et le surplus bel et honeste sans riens descouurir ne veoir le visaige. Le bon compaignon tousiours la chandelle en sa main fut assez longuement sans dire mot. Et quant il parla ce fut en louant beaucoup la tresgrande beaulte de ceste femme/ et afferma par vng bien grant serment que iamais nauoit veu chose si bien ressembler au cul de sa femme/ et sil ne feust bien seur quelle fust a son hostel a ceste heure il diroit que ce seroit elle. mais elle fut tantost recouuerte/ et adonc se tira arriere assez pensif Et dieu scait se on luy disoit bien/ puis lung puis lautre que cestoit de lui mal congneu/ et a sa femme pou donneur porte/ et que cestoit bien aultre chose/ que cy apres as[B2rb]sez il pourroit veoir. Pour reffaire les yeulx abusez de ce poure martir le bourgois commanda quon le feist seoir a la table/ ou il reprint nouuelle ymaginacion par boire et mengier largement du soupper de ceulx qui entretant au lit se deuisoient a son grant preiudice.

5. Puis leure vint de partir et donna la bonne nuyt au bourgois et a sa compaignie/ et pria moult quon le boutast hors de leans par la poterne/ pour plus tost trouuer sa maison. Mais le bourgois lui respondit quil ne scauroit a ceste heure trouuer la clef/ pensoit aussi que la serreure feust tant enrouillie quon ne la pourroit ouurir/ pource que nulle fois ou peu souuent souuroit. Jl fut au fort contraint de saillir par la porte de deuant et daller le grant tour a sa maison. Tandiz que les gens au bourgois le conduisoient vers la porte tenant le hoc en leaue par deuises/ et la bonne femme fut incontinent mise sur piez et en peu de heure habillee et lacee sa cotte simple son corset en son bras et venue a la poterne/ puis ne fist que vng sault en sa maison ou elle attendoit son mary qui le long tour venoit tresaduisee de son fait et des manieres quelle auoit a tenir/

6. Berntsz. [1532]: seyde[t] 7. Berntsz. [1532]: ben

8. vecy nostre homme voyant encores la lumiere en sa maison heurte assez rudement. et sa bonne femme qui mesnagoit par leans/ en sa main tenant vng ramon demande ce quelle bien scait. qui esse la. et il respond/ cest vostre mary. Mon mary dit elle/ mon mary nest ce pas/ il [B2va] nest pas en la ville/ et il herte de rechief et dit/ ouurez ouurez ie suis vostre nary. Je congnois bien mon mary dit elle ce nest pas sa coustume de soy encloire si tart quant il seroit en la ville/ alez ailleurs vous nestes pas bien ariue/ ce nest point ceans quon doit heurter a ceste heure. Et il heurte pour la tierce fois et lappella par son nom/ vne fois/ deux fois. Adonc fist elle aucunement semblant de le congnoistre/ en demandant dont il venoit a ceste heure/ et pour response ne bailloit autre chose que ouurez ouurez. Ouurez dit elle encores ny estes vous pas meschant houllier. Par la force saincte MARIE iaymeroye mieulx vous veoir noyer que ceans vous bouter. Alez coucher en mal repoz dont vous venez/ et lors bon mary de soy courroucer/ et fiert tant quil peut de son pie contre la porte et semble quil doyue tout abatre/ et menassa sa bonne femme de la tant batre que cest raige/ dont elle nagueres grant paour. Mais au fort pour apaiser la noise/ et a son aise mieulx dire sa pensee elle ouurit luys/ et a lentree quil fist dieu scait quil fut seruy dune chiere bien rechignee/ et dung agu et enflambe visaige. Et quant la langue delle eut pouoir fut le cueur chargie tresfort dyre et de courroux/ par semblant les parolles quelle descocha ne furent pas mains trenchantes que rasoirs de GUINGANT bien affillez/ et entre aultres choses fort luy reprouchoit quil auoit par malice conclut ceste faincte alee pour lesprouuer/ et que cestoit fait [B2vb] dung lasche et recreu couraige/ indigne destre alye a si preude femme comme elle.

9. Berntsz. [1532]: haddt 10. Lees?: daerom

11. Le bon compaignon ia soit ce que fust fort courroucie et mal meu par auant/ toutesfois pource quil veoit son tort a loeil et le rebours de sa pensee/ refraint son ire/ et le courroux quen son cueur auoit conceu quant a sa porte tant heurtoit/ fut tout a coup en courtois parler conuerty. Car il dist pour soy excuser et pour sa femme contenter/ quil estoit retourne de son chemin pource quil auoit oublye la lectre principale qui touchoit plus le fait de son voyaige Sans faire semblant de le croire elle recommence sa LEGENDE DOREE luy mettant sus quil venoit de la tauerne/ et de lieux deshonnestes et dissoluz/ et quil se gouuernoit mal en homme de bien/ mauldisant leure que oncques elle eut son accointance et sa tresmauldicte aliance. Le poure desole cognoissant son cas/ voyant sa bonne femme trop plus quil ne voulsist troublee/ helas et a sa cause ne scauoit que dire. Si se prent a penser/ et a chief de pensee ou meditation se tire pres delle/ ployant ses genoulz tout en bas sur la terre/ et dit les beaulx motz quilz sensuiuent. Ma chiere compaigne et tresloyale espouse/ ie vous prie ostez vostre cueur de tous ces courroux que auez vers may conceuz/ et me pardonnez au surplus ce que vous puis auoir meffait. Je congnois mon cas et viens nagueres dune place ou len faisoit bonne chiere. Si vous ose bien dire que congnoistre vous y cuiday [B3ra] dont iestoie tresdesplaisant. Et pource que a tort et sans cause ie le confesse/ vous ay suspeconnee destre aultre que bonne dont me repens amerement Je vous supplie et de rechief que tous aultres passez courroux et cestuy cy oubliez/ vostre grace me soit donner/ et me pardonnez ma folie.

12. Le mautalant de nostre bonne gouge/ voiante son mary en bon ploy et a son droit ne se monstra meshuy si aspre ne si venimeuse. Comme dit elle villain putier se vous venez de voz tresdeshonnestes lieux et infames/ est il dit pourtant que vous deuez oser penser/ ne en quelque facon croire que vostre bonne preude femme les daignast regarder Nennil par dieu. Helas ce scay ie bien ma mye nen parlons plus pour dieu dist le bon homme. Et de plus belle vers elle sencline faisant la requeste ia pieca que trop dicte. Elle ia soit ce que encores marrye et pres que enraigee de ceste suspection/ voyant la parfonde contrition du bon homme cessa son parler/ et petit a petit son trouble cueur se remist a nature et luy pardonna/ combien que a grant regret. apres cent mille sermons et autant de promesses que celuy qui tant lauoit greuee.

13. Et par ce point a mains de crainte et de regret/ elle passa maintesfois de puis poterne sans que lambusche fust iamais descouuerte/ a celui a qui plus touchoit. Et ce souffise quant a la premiere histoire.

 

 

 

[3] 1 Hoe die patriarck Loth bedrogen was by zijn twee dochteren.

Als Loth ghescheyden was uut Sodoma met zijn wijf ende met zijn twee dochteren, so had hem die engel verboden: so wat dat si hoorden, dat si niet omsien en souden. Welc gebot Loths wijf brac, ende si bleef daer staende, verandert in een beelde van eenen soutsteen.

Doe ginck Loth in een cleyn stadt, Segor geheeten, die door dat verbidden van Loth een wijle tijts bleef staende, so lange als Loth daer in was. Maer Loth siende dat si haer leelijcke sonden niet laten en wilden, so en dorste hi daer niet langer in blijven ende hi vloot vandaer, ende terstont verginc ooc die stadt. 2

Ende Loth was in een speluncke van eenen berge daer omtrent met zijn dochteren, ende si hadden bi hem spijse ende dranck. Aldus daer zijnde seyde die outste dochter tot haer suster: «Ons vader is out, ende daer en is gheen man bleven in der aerden, de tot ons ingaen sal na die maniere der werelt. Coemt, laet ons onsen vader droncken maken metten wijn, ende laet ons bi hem slapen, opdat wi mogen houden dat zaet van onsen vader.»

Ende des t’savonts gaven si haren vader wijn te drincken, ende die outste dochter is gaen slapen bi haren vader Loth, maer Loth en wiste van zijnder dochter niet, oft wanneer si op stont. Des anderen avonts maecten si weder haren vader droncken, ende die joncxste dochter ginck bi hem slapen, maer Loth en wiste niet wanneer hi bi haer was, noch wanneer si van hem op stont. Ende beyde die dochteren werden bevrucht van haren vader. Ende die oudste dochter baerde eenen sone geheeten Moab, ende hi was die vader van den Moabiten, ende die joncxste baerde eenen sone geheeten Ammon, dat is gheseyt: die sone mijns volcx, ende was die vader der Ammoniten. Ende aldus was Loth bedroghen van zijn dochteren bi den wijn.

Mer met recht en is’t gheen bedroch, mer het was door liefde van generaciĎn ende vermeerderinge der werelt, want si meynden datter in der werelt gheen volck meer en was, ende dat al die werelt hinck aen hemlieden, so si anders niet en wisten. Dus en maecten si haren vader niet droncken door bedroch der vleescheliker lust te blussen, gelijc nu.

Menich man die een schoon wijf heeft drinct den wijn bi cooplieden, abten, papen, moniken, ende si doen den man goet chier, ende maken hem droncken, sodat hi in slape valt. Dan gaen si hem vermeyen metter vrouwen in Venus’ prieel.

Also en deden Loths dochteren niet, mer si deden’t al uut goeder meyningen.

Hoe die patriarch Lot bedrogen was door zijn twee dochters.

Toen Lot vertrokken was uit Sodom met zijn vrouw en met zijn twee dochters zo had hem de engel verboden zo wat ze hoorden dat ze niet omzien zouden. Welk gebod Lot’ s vrouw brak en ze bleef daar staan en was veranderd in een beeld van zoutsteen.

Toen ging Lot naar een kleine stad, Segor geheten, die door het bidden van Lot een tijdje bleef staan zo lang als Lot daarin was. Mar toen Lot zag dat ze hun lelijke zonden niet wilden laten zo durfde hij daar niet langer te blijven en hij vertrok vandaar en terstond verging ook die stad.

En Lot was in een spelonk van een berg daar omtrent met zijn dochters en ze hadden bij zich spijs en drank. Aldus toen ze daar waren zei de oudste dochter tot haar zuster: «Onze vader is oud en daar is geen man gebleven in de aarde die tot ons ingaan zal naar de manier der wereld. Kom, laat onze vader dronken maken met de wijn en laat ons bij hem slapen zodat wij mogen houden dat zaad van onze vader.»

En ’ s avonds gaven ze hun vader wijn te drinken en de oudste dochter is gaan slapen bij haar vader Lot, maar Lot wist niets van zijn dochter of wanneer ze opstond. De volgende avond maakten ze weer hun vader dronken en de jongste dochter ging bij hem slapen, maar Lot wist niet wanneer hij bij haar was, noch wanneer ze van hem opstond. En beide dochters werden bevrucht van hun vader. En de oudste dochter baarde een zoon geheten Moab en hij was de vader van de Moabiten en de jongste baarde een zoon geheten Ammon, dat betekent: de zoon van mijn volk en was de vader der Ammoniten. En aldus was Lot bedrogen van zijn dochters door de wijn.

Maar met recht is het geen bedrog, maar het was door liefde van generaties ende vermeerdering der wereld want ze meenden dat er in de wereld geen volk meer was en dat de hele wereld van hen afhing zo ze niet anders wisten. Dus maakten ze hun vader niet dronken door bedrog om de vleselijke lust te blussen zoals nu.

Menige man die een mooie vrouw heeft drinkt de wijn bij kooplieden, abten, papen, monniken en ze doen de man goede sier en maken hem dronken zodat hij in slaap valt. Dan gaan zei zich vermeien met de vrouwen in Venus prieel. Alzo deden Lot’ s dochters niet, maar ze deden het geheel uit goede mening.

 

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische Bijbelboek Genesis, hoofdstuk 19, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd. 2. Reis van Jan van Mandeville: Ende men seyt ooc, dat daer verdroncken ende versoncken die v steden, dats te wetene sodoma gomorra adame selomi ende segor biden wille gods mids sonden ieghen nature ende stomme zonden die in hem regneerden, mer segor ouermids die bede van loth wart langhe verdraghen ende gherespijt, want si was onder enen berch gheleghen.

 

 

[4] 1 Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden in Engelant.

Daer was te London in Engelant een procureur van den parlemente, die een oudt man was, ende had een schoon edel joncfrouwe tot sinen wijve, welcke procureur hadde onder zijn ander dienaers eenen blijden schoonen jongenman, die zijn principael clerck ende scrijver was.

Dese clerck, door die daghelicxsche presencie van zijns meesters wijf, so wert hi op haer verlieft, ende sprac so dicwil ende so minlick met haer, dat hi haer ooc ’t herte ontstack met dat vier zijnder minnen, ende si beminde hem boven alle mannen, ende si consenteerde hem in al zijn begheeren, ende si gebruycten dat spel van minnen secretelijc so dicwil als si wilden. 2 Op een tijt spraken si tesamen, hoe si haer liefde best mochten gebruycken, sonder anxt ende sorge der nijders tonghen ende weten van haren man, die wat jalours wert, so vant hi eenen losen raet. Ende altijt was hi so gedienstich sinen meester als hi was zijnder vrouwen. Ende als die clerck nu sach dat hi wel stont in die gracie van sinen meester, so wilde hi verblinden die jaloursche ooghen van sinen meester.

2 So quam hi op eenen tijt bi hem, zeer bitterlijck weenende, dat den meester zeer verwonderde, ende seyde: «Lieve sone, segge’t mi wat u lettet. Ick sal u helpen al dat ick mach.» 3

Doen seyde die clerck: «God dancke u, meester. Dat en hebbe ick niet verdient. Maer die sake is so schandelijck, dat ic’t u niet en darre seggen noch openbaren.» 4

«Wel,» seyde die meester, «segghe’t mi vrij sonder sorghe. Ick sal u sake so wel secreet houden als ghi selve.» 5

Doe seyde die clerck: «Lieve meester, elck man meynt, ende ghi bi avontuere selve oock, dat ick een man ben, ghelijck ander mannen, om met vrouwen solacelijck te leven in Venus’ prieel. Maer lacen, ick en ben gheen man...» Ende hi hadde zijn schamelheyt bedect met een wit schapenvliesken, ende hi had zijn schamelheyt opghestrect tot sinen navel waert, so veel als hi conde. Ende hi liete’t doe sinen meester sien, die daer niet en sach dan een schoon slechte plaetse ende cen platte stede, ende het scheen dat hi niet met allen en hadde. Ende doen seyde die clerck: «Lieve meester, dit mijn secreet en weet niemant dan ghi alleen. Wille’t doch secreet bi u laten blijven, want wisten’t ander lieden, al die werelt soude met mi gecken. Ende voort so bid ic u door den getrouwen dienst dien ic u gedaen heb: wilt mi doch helpen in een clooster ofte abdie, daer ic mijn broot mochte hebben ende God dienen, want ick en diene in die werelt niet,» ende met dien wert hi wederom zeer weenende, ende so verblinde hi die siende oogen van sinen meester. 6

Ende omdat hi een trouwe dienaer was, so ontriet hem die meester in een clooster te gaen, ende seyde: Hi soude hemselven wel besorgen, ende dat hi by hem blijven soude. Ende die meester sprac so veel dat die clerck hem geloofde noch wat jaren met hem te wonen, dies die meester zeer verblijt was, want hi zeer wel scriven, dichten ende ordineeren conde zijn brieven ende zijn ander scriftueren. Ende oock omdat hi hem nu wel betroude, omdat hi hem zijn secreten ooc geopenbaert had, aldus en wilde zijn meester ooc zijn herte ende meyninge voor sinen dienaer niet verborgen houden, ende seyde tot hem: «Ick heb medelijden met u van datghene dat u God toe gesonden heeft, ende ooc en sal ic daerom met u gecken noch spotten, want God weet wel hoe dattet best is. Maer één dinck sal ic u te kennen geven, want ghi moecht mi wel goeden dienst doen. Want ic heb een schoon jonck wijf, die wat lichthertich is ende vrolijc van gheeste, ende so ghi wel siet, ic ben een oudt man, gecomen op mijn dagen, d’welc mocht lichtelic een oorsake zijn dat sommige andere jonge mannen mochten se aensoecken in oneere. Ende hierom geve ic se u te bewaren, ende ic bidde u: Wilt doch so tot haer sien, dat ic gheen oorsake en crijge van jalousien ende quaet vermoeden.» 7

Doe prijsde die clerck zijn vrouwe zeer, ende seyde dat se daertoe te eerbaer ende te goet was. Ende hi geloofde sinen meester, dat hi se wel bewaren soude, ende hem waerschouwen in allen suspecten saken, gelijck een goet dienaer schuldich is van doen. 8

Aldus is die meester blijde geweest van desen bewaerdere, ende liet alle sorgen varen, ende ginck daer hi te doen had, bevelende zijn huys ende wijf sinen clerck. Ende die clerck ginck terstont bi zijn vrouwe die hem bevolen was, ende vertrack haer hoe zijn meester bedrogen was. Ende dat hi tevoren plach te doen met vreesen, dat dede hi nu met vrijer herten. Ende als die meester uut reysde, so liet hi altijt den clerck by huys om zijn wijf te bewaren. Ende als die vrouwe reedt bevaert oft tot kermissen oft tot jaermercten, so had hi altijt liever dat die clerck bi haer was dan eenich van sinen dienstmaechden. Aldus had dese clerck goede aventure, want zijn meester en wiste’t noyt. Ende wie hem daeraf sprack, hi liet se al clappen, ende dachte altijt: “Ick weet wel bat,” maer zijn goede vrouwe wiste’t noch veel beter... Aldus bleef die man deerlick bedroghen. 9

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden in Engeland.

Daar was te London in Engeland een procureur van het parlement die een oude man was en een mooie edele jonkvrouw als zijn vrouw had. Die procureur had onder zijn andere dienaars een blijde mooie jongeman die zijn belangrijkste klerk en schrijver was.

Deze klerk die door de dagelijkse aanwezigheid van zijn meesters vrouw verliefd op haar werd en sprak zo vaak en minnelijk met haar zodat hij ook bij haar het hart ontstak met het vuur van zijn minnen en ze beminde hem boven alle mannen en ze bevestigde hem in al zijn begeren en ze gebruikten dat geheime spel van minnen zo dikwijls als ze wilden.

Op een tijd spraken ze tezamen hoe ze hun liefde het beste mochten gebruiken zonder angst en zorgen en nijdigaards tongen en het weten van haar man die wat jaloers werd, zo vond hij een verlossende raad. En altijd was hij zo gedienstig zijn meester als hij was zijn vrouw. En toen de klerk zag dat hij goed stond in de gunst van zijn meester zo wilde hij de jaloerse ogen van zijn meester verblinden.

Zo kwam hij op zekere tijd bij hem en weende zeer bitter wat de meester zeer verwonderde en zei: «Lieve zoon, zeg mij wat u mankeert. Ik zal u helpen in alles dat ik kan.»

Toen zei de klerk: «God dankt u, meester. Dat heb ik niet verdiend. Maar de zaak is zo schandalig dat ik het u niet durf te zeggen nog openbaren.»

«Wel,» zei de meester, «zeg het me vrij zonder zorgen. Ik zal uw zaak wel zo geheim houden als gij zelf.»

Toen zei de klerk: «Lieve meester, elke man meent en gij bij avonturen zelf ook dat ik een man ben gelijk andere mannen om met vrouwen troostelijk te leven in Venus prieel. Maar eilaas, ik ben geen man...» En hij had zijn schaamstreek bedekt met een wit schapenvliesje en hij had zijn schaamstreek opgetrokken naar zijn navel toe, zo ver als hij kon. En hij liet het toen zijn meester zien die daar niets anders zag dan een mooie rechte plaats en een platte plaats en het scheen dat hij geheel niets had. En toen zei de klerk: «Lieve meester, dit mijn geheim weet niemand dan gij alleen. Wil toch het geheim bij u laten blijven, want weten andere lieden het zou de hele wereld met me gekscheren. En voort zo bid ik u door de trouwe dienst die ik u gedaan heb wil me toch helpen in een klooster of abdij daar ik mijn brood mag hebben en God dienen, want ik dien niet in de wereld» en met dat begon hij weer zeer te huilen en zo verblinde hij de ziende ogen van zijn meester.

En omdat hij een trouwe dienaar was zo ontraadde hem de meester in een klooster te gaan en zei: Hij zou er wel voor zorgen en dat hij bij hem blijven zou. En de meester sprak zo veel zodat de klerk hem beloofde noch wat jaren met hem te wonen, dus die meester was zeer blij want hij kon zeer goed schrijven, dichten en ordenen kon zijn brieven en zijn ander schriften. En ook omdat hij hem nu wel vertrouwde omdat hij hem zijn geheimen ook geopenbaard had. Aldus wilde zijn meester ook zijn hart en mening voor zijn dienaar niet verborgen houden en zei tot hem: «Ik heb medelijden met u van hetgeen dat God u toegezonden heeft en ook zal ik daarom met u gekscheren noch spotten want God weet wel hoe dat het beste is. Maar één ding zal ik u te kennen geven want ge mag me wel een goede dienst doen. Want ik heb een mooie jonge vrouw die wat lichthartig is en vrolijk van geest en zo je wel ziet, ik ben een oude man en gekomen op mijn dagen, wat gemakkelijk een oorzaak is dat sommige andere jonge mannen haar mochten aanzoeken in oneer. En hierom geef ik u haar te bewaren en ik bid u: Wil toch zo op haar letten dat ik geen oorzaak krijg van jaloezie en kwaad.»

Toen prees hij de klerk zeer aan bij zijn vrouw en zei dat ze daartoe te eerbaar en te goed was. En hij beloofde zijn meester dat hij zeer goed op haar passen zou en hem waarschuwen in alle verdachte zaken gelijk een goede dienaar behoort is te doen.

Aldus is de meester blijde geweest van deze bewaarder en liet alle zorgen varen en ging wat hij te doen had en beval zijn huis en vrouw aan zijn klerk. En de klerk ging terstond naar zijn vrouw die hem bevolen was en vertelde haar hoe zijn meester bedrogen was. En dat hij tevoren plag te doen met vrees dat deed hij nu met vrij hart. En als de meester weg ging zo liet hij altijd de klerk in het huis om zijn vrouw te bewaren. En als de vrouw een bedevaart maakte of naar kermis of jaarmarkten zo had hij altijd liever dat de klerk bij haar was dan enige van zijn dienstmaagden. Aldus had deze klerk goede avonturen want zijn meester wist het nooit. En wie hem daarvan sprak, hij liet ze alle praten en dacht altijd: “Ik weet wel beter,” maar zijn goede vrouw wist het noch veel beter... Aldus bleef die man deerlijk bedrogen.

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 13. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. La .xiii. nouuelle par monseigneur LAMANT de BRUCELLES.

[D2va] A LONDRES en ANGLETERRE auoit nagueres vng procureur du parlement qui entre les aultres de ses seruiteurs auoit vng clerc habille et diligent et bien escripuant qui tresbeau filz estoit et que on ne doit pas oblier pour vng homme de son aage il nestoit point de plus soubtil. Ce gentil clerc et vigoureux fut tantost picque de sa maistresse qui tresbelle gente et gracieuse estoit/ et si tresbien lui vint que aincois quil luy osast oncques dire son cas le dieu damours lauoit a ce menee quil estoit le seul homme ou monde qui plus luy plaisoit. Aduint quil se trouua en place ramonnee et de fait toute crainte mise arriere a sa dicte maistresse son tresgracieux et doulx mal racomta laquelle pour la grant courtoisie que dieu en elle nauoit pas oubliee desia ainsi attaincte comme dessus est dit ne le fist gueres languir. car apres plusieurs excusacions et remonstrances quen brief luy toucha que elle eust a autre plus aigrement et plus longuement demeneez. elle fut contente quil sceust quil lui plaisoit bien. Lautre qui entendoit son LATIN plus ioyeux que iamais ik nauoit este saduisa de batre le fer tantdis quil estoit chault et si tresfort sa besoigne poursuyuit quen peu de temps ioyst de ses amours. lamour de la maistresse au clerc et du clerc a elle estoit et fut long temps si tresardant que iamais gens ne furent plus enprins/ car en effect le plus souuent en perdoient le boire et le mengier. Et nestoit pas en la [D2vb] puissance de MALE BOUCHE/ de DANGIER ne dautres telles mauldictes gens de leur bailler ne donner destourbier. A ce tresioyeux estat et plaisant passe temps se passerent plusieurs iours qui gueres aux amans ne durerent qui tant donnez lung a lautre sestoient qua peu ilz eussent quitte a dieu leur part de paradis pour viure au monde leur terme en ceste facon.

2. Et comme vng iour aduint que ensemble estoient et des treshaulx biens quamours leur souffrit prendre se deuisoient entre eulx en eulx pourmenant par vne sale comment ceste leur ioye non pareille continuer seurement pourroient sans que lembuche de leur dangereuse entreprinse fust descouuerte au mary delle qui du renc des ialoux se tiroit trespres et du hault bout. Penses que plus dung aduis leur vint au deuant que ie passe sans plus au long le descripre. La finale conclusion et derreniere resolution que le bon clerc print fut de tresbien conduire et a sa seure fin mener son entreprinse a quoy point ne faillit/ vecy comment. Vous deuez scauoir que laccointance et alliance que le clerc eust a sa maistresse laquelle diligemment seruoit et luy complaisoit/ qui aussi nestoit pas moins diligent de seruir et complaire a son maistre et tout pour tousiours mieulx son fait couurir et adueugler les ialoux yeulx qui pas tant ne se doubtoient que on lui en forgeoit bien la matiere.

3. Vng certain iour apres nostre bon clerc voiant son maistre asscs content de [D3ra] luy/ entreprint de parler et tout seul treshumblement doulcement et en grande reuerence a luy et luy dist quil auoit en son cueur vng secret que voulentiers lui declarast sil osast. et ne vous fault celler que tout ainsi comme plusieurs femmes ont larmes a commandement quelles espandent/ au moins aussi souuent quelles vueillent. Si eust a ce cop nostre bon clerc qua grosses larmes en parlant des yeulx luy descendoient en tresgrant abondance/ et nest homme quil ne cuidast quelles ne feussent de contricion/ de pitie/ ou de tresbonne intencion. Le pouure maistre abuse oiant son clerc ne fut pas vng peu esbahy ne esmerueille/ mais cuidoit bien quil y eust autre chose que ce que apres il sceust. Si dit et que vous fault il mon filz et que aues vous a plorer maintenant.

4. Helas sire et iay bien cause plus que nul aultre de me douloir/ mais helas mon cas est tant estrange/ et non pas moins piteux/ ne moins sur tous requis destre cele/ que nonobstant que iaye eu vouloir de le vous dire/ si men reboute crainte quant iay au long a mon maleur pense.

5. Ne plores plus mon filz respond le maistre/ et si me dictes quil vous fault et ie vous asseure sen moy est possible de vous aydier. ie my emploieray voulentiers comme ie doy.

6. Mon maistre dit le regnart clerc ie vous mercy: mais quant iay bien tout regarde ie ne pense pas que ma langue eust la puissance de descouurir la tresgrant infortune que iay si lon[D3rb]guement portee. Ostes moy ces propos et toutes ces doleances respond le maistre. ie suis celluy a qui riens ne deues celer. Je vueil scauoir que vous aues auancez vous et le me dictes. Le clerc saichant le tour de son baston sen fist beaucoup prier et a tresgrant crainte par semblant et a tresgrant abondance de larmes et a voulente se laisse ferrer et dit quil lui dira mais quil luy vueille promettre que par luy iamais personne nen scaura nouuelle. car il iymeroit autant ou plus chier mourir que son maleureux cas fut congneu. Ceste promesse par le maistre accordee/ le clerc mort et descoulore comme vng homme iugie a pendre si va dire son cas. Mon tresbon maistre il est vray que ia soit ce que plusieurs gens et vous aussi pourroient penser que ie fusse homme naturel comme vng autre ayant puissance dauoir compaignie auec femme et de faire lignie vous oseray bien dire et monstrer que point ie ne suis tel/ dont helas trop ie me deul/ et a ses paroles trop asseurement tira son membre a perche et luy fist monstre de la peau ou les coullons se logent lesquelz il auoit par industrie fait monter en hault vers son petit ventre et si bien les auoit cachies quil sembloit quil nen eust nulz. Or luy va dire Mon maistre vous voies bien mon infortune dont ie vous prie de rechief que elle soit cellee. Et oultre plus treshumblement vous requier pour tous les seruices que iamais vous feis qui ne sont [D3va] pas telz que ien eusse eu la voulunte se dieu meust donne le pouoir que me faiciez auoir mon pain en quelque monastere deuot ou ie puisse le surplus de mon temps ou seruice de dieu passer Car au monde ne puis de riens seruir.

7. Le abuse et deceu maistre remonstra a son clerc Iasprete de religion/ le peu de merite qui luy en viendroit quant il se veult rendre comme par desplaisir de son infortune et foison dautres raisons luy amena trop longues a compter tendans a fin de loster de son propos. scauoir vous fault aussi que pour riens ne leust voulu abandonner/ tant pour son bien escripre et diligence que pour la fiance que doresenauant a luy adioustera. Que vous diray ie plus. tant luy remonstra que ce clerc au fort pour vne espace en son estat et en son seruice demourer luy promext. Et comme bien ouuert luy auoit son secret le clerc/ aussi le maistre le sien luy voulut deceler/ et dit mon filz de vostre infortune ne suis ie point ioyeux/ mais au fort dieu qui fait fout pour le mieulx et scet ce qui nous duyt et vault mieulx/ vous me pourrez doresenauant tresbien seruir et a mon pouoir vous le meriteray. iay ieune femme asses legiere et volaige et suis ainsi comme vous veez desia ancien et sur aage/ qui aucunement peut estre occasion a pluseurs de la requerre de deshonneur et a elle aussi selle estoit autre que bonne me bailler matiere de ialousie et plusieurs aul[D3vb]tres choses. Je la vous baille et donne en garde et si vous en prie que a ce tenes la main que ie naye cause den 8lle trouuer nulle matiere de ialousie.

2. Par grande deliberacion fit le clerc sa response: et quant il parla dieu scet si loaa bien sa tresbelle et bonne maistresse disant que sur tous autres il lauoit belle et bonne/ et quil sen deuoit tenir seur. Neantmoins quen ce seruice et dautres il est celuy qui si veult de tout son cueur emploier/ et ne la laissera pour rien quil luy puisse aduenir quil ne le aduertisse de tout ce que loial seruiteur doit faire a son maistre.

9. Le maistre lye et ioyeux de la nouuelle garde de sa femme/ laisse lostel et en la ville a ses afaires va entendre/ et le bon clerc incontinent sault a sa garde et le plus longuement que luy et sa dame bien oserent nespargnerent pas les membres qui en terre pourriront/ et ne firent iamais plus grant feste depuis que lauenture fut aduenue de la facon subtile et que son mary abuseroient. Asses et longue espace durant le ioly passetemps de ceulx qui tant bien sentraymoient. Et se aucunesfois le bon mary alloit dehors il nauoit garde de demmener son clerc plus tost [e]ust emprunte vng seruite[u]r a ses voisins que lautre neust garde lostel. et se la dame auoit congie daler en aucun pelerinage plustost alast sans chamberiere que sans le tresgracieux clerc/ et faictes vostre compte iamais clerc venter ne se peut dauoir eu [D4ra] meilleur aduenture/ qui point ne vint a congnoissance/ voire au mains que ie sache a celuy qui bien sen fust desespere sil en eust sceu le demaine.

 

 

 

 

[5] 1 Van die vrouwe Jahel die den groten capiteyn Sisara bedrooch,

Die capiteyn Sysara hadde grote macht van volc van wapenen, ende was een swaer viant tegen die van IsraĎl. Hi hadde ooc in zijn battalie negenhondert wagens, die aen beyde zijden beset waren met scharpe seysenen, gelijck daer men ’t coren mede mayet, daer hy groten moort mede dede onder dat volck van IsraĎl.

Ende als hi nu die kinder van IsraĎl ghequelt hadde .XX. jaren met oorloghen, so quam op eenen dach die prophetesse Deelbora tot Barach, den capiteyn van IsraĎl, ende seyde: «Staet op, dit is den dach in denwelcken die Heere sal leveren Sysaram in uwen handen.» Ende si ende Barach gingen in dat gheberchte met thien duysent mannen.

Dit verhoorde Sysara, dattet volck van IsraĎl op hem quam, ende hi wert vervaert ende spranck van sinen wagen, ende hy vloot wech te voete.

Dus vliĎnde quam hem in’t gemoete die vrouwe Jahel, ende seyde: «Heere, coemt bi my in mijn huys.» Ende hi ginck met haer.

Doe seyde hi: «Ic sterve van dorst.» Ende Jahel ghaf melck te drincken.

Ende Sysara was zeer vermoeyt, sodat hi viel in slape. Ende Jahel nam eenen grooten naghel, ende sette dien op die slape van sinen hoofde, ende sloech den nagel dweers door zijn hooft, ende si doode hem.

Siet den capiteyn, die al die macht van IsraĎl niet verwinnen en conde, hoe hi verwonnen is door dat bedroch van eender vrouwen!

Van de vrouw Jahel die de grote kapitein Sisara bedroog.

Die kapitein Sysara had grote macht van volk van wapens en was een zware vijand van die van IsraĎl. Hij had ook in zijn bataljon negenhonderd wagens die aan beide zijden bezet waren met scherpe zeisen gelijk daar men het koren mee maait waarmee hij grote moord deed onder dat volk van IsraĎl.

En toen hij nu de kinderen van IsraĎl 20 jaar met oorlogen gekweld had zo kwam op een dag die profetes Deelbora tot Barach, de kapitein van IsraĎl, en zei: «Sta op, dit is de dag waarin de Heer Sysaram in uw handen zal leveren.» En zij en Barach gingen in dat gebergte met tien duizend mannen.

Dit hoorde Sysara dat het volk van IsraĎl naar hem toe kwam en hij werd bang en sprong van zijn wagen en snelde weg te voet.

Aldus vliedende kwam hij in het gezicht de vrouw Jahel en die zei: «Heer, kom bij mij in huis.» En hij ging met haar.

Toen zei hij: «Ik sterf van de dorst.» En Jahel gaf melk te drinken.

En Sysara was zeer vermoeid zodat hij in slaap viel. En Jahel nam een grote nagel en zette die op de slaap van zijn hoofd en sloeg de nagel dwars door zijn hoofd en ze doodde hem.

Zie die kapitein die alle macht van IsraĎl niet overwinnen kon, hoe hij overwonnen is door dat bedrog van een vrouw!

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische Bijbelboek Rechters, hoofdstuk 4, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd.

 

 

 

[6] 1 Een bedroch geschiet in Artoys binnen corten tijden.

In dat graefschap van Artoys was een machtich man, die te wijve hadde een edel schoone vrouwe, die zeer lieflijc tesamen leefden. Dese man ende ridder had in eenen strijt verloren een ooghe. 2

Ende want zijn overheere, die hertoge van Bourgongen, grave van Artoys etcetera, hadde pays met allen heeren in kerstenrijck, ende omdat dese ridder voorseyt was een devoot man, so dachte hi zijn leven so niet te leyden in weelden ende altijt goet chier te maken, denckende dattet niet en was den wech der salicheyt. So sette hi op te reysen in Pruyssen, om te helpen beschermen dat kersten geloove metten Pruysschen heeren. So nam hi oorlof aen den hertoghe ende aen zijn edelen ende aen zijn goede vrouwe, ende hi is so wech gereyst met properen state na zijn macht, totdat hi in Pruyssen quam, daer hi eerlijc ontfangen wert, daer hi grote feyten van wapenen dede op die ongeloovigen, sodat sinen name verre ende wijdt bekent wert. 3

So gevielt ter wijlen dat dese ridder uuten lande was, en omdat zijn wijf die schone joncfrouwe alleen sliep, so quam op een tijt bi haer een jonck edel man vrijen om bi te slapen, ende hi begheerde te wesen die stadthouder van haren man, denwelcken si na veel versoeckens consenteerde. 2

Als hi een deel jaren uut gheweest was, so nam hi oorlof aen die heeren van Pruyssen ende is wech gereyst met groten verlangen na huys, om te rusten in die armkens sonder mouwen van zijnder schoonder vrouwen. 3

So gevielt op den laetsten nacht dat hi sliep vier mijlen van zijn casteel daer hi woonde, dies hi al den nacht hadde so groten verlangen na zijn goede huysvrouwe, die nu met eenen anderen was in den arbeyt, sodat hi des morghens die eerste op was ende te paerde, ende reedt alleen met haeste ende groter begeerte na zijn casteel om zijn vrouwe noch te vinden op haer bedde, ende opdat hi hem bi haer wat verwermen mochte, die op zijn coemste zeer weynich dachte. 4

Ende hi had so zeer gereden, dat hi voor dage quam voor zijn casteel, daer hi dat nederhof open vant, daer hi zijn peert liet staen, ende quam so geleerst ende ghespoort voor die camer, daer zijn vrouwe lach ende roseerde met eenen anderen man, ende die heere stiet met zijn swaert op die camerduere, daer die vrouwe ende die stathouder zeer af verwondert waren, wie dat dat wesen mochte, ende die vrouwe vraechde: «Wie is daer?» 6

Mijn heere seyde: «Ic ben’t. Slaept ghi noch? Doet op die duere!» 7

Die vrouwe, wel kennende die stemme, was zeer verscrict ende seyde haren lief dat hi hem terstont cleede, so hi ooc dede. Ende die vrouwe beyde wat langhe, sodat hy weder clopte ende seyde: «Doet op! Ic ben hier, u man. Doet op geringe!» 3

Doe seide die vrouwe: «Och lacen, mijn man is verre van hier. God laet hem met lieve weder t’huyswaert comen.» 8

Doen seyde die heere: «Bi mijnder ridderschap, vrouwe, ick ben’t! 9 En kendi mi niet?» 10

Die vrouwe seyde: «Als mijn man sal comen, hi sal’t mi wel laten weten tevoren mit sinen dienare, opdat ic hem mach tegencomen, ende hem willecomen heeten mach met sinen maghen ende naeste vrienden, ende so mach ick hem eerlijcken ontfangen, so dat wel behoort voor een here.» 11

Doe seyde die man: «Wat is dit? Sal ic hier lange staen? Wildi uwen man niet kennen!?» ende noemde se met haren name. 12

Ende als haer boelken gecleet was, so hiet se hem comen staen bi haer achter die duere. Doe seyde die vrouwe: «Lacen lieve man, sidij’t?, so vergheve’t mi.» 13

Die heere seyde: «Ick ben’t, voorwaer!» 14

Doe seyde die vrouwe: «Ic come u inlaten, had ic een kersse ontsteken. Ende in der waerheyt als ghi aen die duere clopte, hadd’ick alte goeden droom voor u.»

«Wat was dat?» seyde die heere.

Si antwoorde: «Mijn heere, mi droomde dat ghi te huys gecomen waert, ende dat ghi met mi spraect, ende dat ghi so claer saecht met u blinde ooge als met u ander ooge.»

«Och,» sprac mijn heere, «of ’t so ware!» 4 Doen seyde die vrouwe: «Ic geloove 15 nochtans dattet so is.» «Wat!» seyde mijn heere, «sidy al sot?» 6 «En ghelooft ghi mi niet?» die vrouwe seyde, «late’t mi doch besoecken. Dat is recht die sinnelicheyt mijnder herten.» Ende met dien so dede die vrouwe die duere open, houdende een barnende kersse in haer hant. Ende die goede heere liet hem zijn oogen stoppen met haerder hant, ende metter ander hant hielt se die kersse voor zijn blinde ooge, ende seyde: «Heere, segt mi die waerheyt. Sie di ooc met u ooge oft niet?» 16 «Neen ic,» seyde mijn heere, «by mijn ridderscap.»

Ende met dien ginck die boel achter hem ter dueren uut, dattet die heere niet gewaer en wert. 17

Ende doe seide die vrouwe: «Nu sie ic wel dat droom bedroch is, mer gelooft si God dat ghi hier zijt,» ende doen nam se hem in haren armen, ende si custen hem menichwerf aen sinen mont. Ende mijn heere vertelde haer, hoe dat hi zijn volck had achtergelaten, «ende ic was lange voren wech gereden om u noch te vinden in u bedde.» 18

Doe seyde die vrouwe: «Voorwaer, noch sidi een goet man!» 4 Doe ginc mijn here in die baetstove ende wiesch hem, ende quam doe bi mijn vrouwe te bedde, ende daer verhaelde hi dat d’ander versuymt had door die coemste van mijnen heere, denwelcken mijn vrouwe verlost had uut dat grote perikel met cloecke subtijlheyt, daer hi der vrouwen namaels dicwil af gedanct heeft. 19

Aldus is mijn heere van zijnder vrouwen bedrogen geweest, 20 die hi voortaen hielt voor een goede ende eerbaer ende eersame vrouwe, maer mijn heere en wistet noyt, so secreet bleef dat verborgen. Ende hadde mijn here by huys gebleven, die vrouwe en waer bi aventueren in dat misval niet gecomen, want van haer noyt gehoort en was dan duecht ende eerbaerheyt.

Nu neemt exempel bi dit, want ’t is een gemeen seggen: Verre van huys, na bi zijnder schaden.

Een bedrog geschiedt in Artois niet lang geleden.

In het graafschap van Artois was een machtig man die als vrouw had een edele mooie vrouw die zeer lieflijk tezamen leefden. Deze man en ridder had in een strijd een oog verloren.

Zijn overste heer, de hertog van Bourgogne, graaf van Artois et cetera, had vrede met alle heren in het Christelijke rijk en omdat deze ridder voor vermeld een devoot man was zo dacht hij zijn leven niet zo te leiden in weelde en altijd goede sier te maken en dacht dat dit niet de weg van de zaligheid was. Zo zette hij  een reis naar Pruisen op om het Christelijke geloof te helpen te beschermen met de Pruisische heren. Zo nam hij verlof aan de hertog en aan zijn edelen en aan zijn goede vrouw en hij is vertrokken met een nette staat naar zijn macht totdat hij in Pruisen kwam daar hij eerlijk ontvangen werd waar hij grote feiten van wapens deed op de ongelovigen zodat zijn naam ver ende wijd bekend werd.

Zo  gebeurde het soms dat deze ridder uit het land was en omdat zijn vrouw, die mooie jonkvrouw, alleen sliep zo kwam op een tijd bij haar een jonge edelman vrijen om bij haar te slapen en hij begeerde te wezen de stadhouder van haar man, wat ze na veel verzoeken bevestigde.

Toen hij een deel jaren weg geweest was zo nam hij verlof aan de heren van Pruisen en is vertrokken met groot verlangen naar huis om te rusten in die armpjes zonder mouwen van zijn mooie vrouw.

Zo gebeurde het op de laatste nacht dat hij sliep vier mijl van zijn kasteel daar hij woonde en dus had hij de hele nacht zo’ n groot verlangen naar zijn goede huisvrouw, die nu met een ander aan het werk was, zodat hij ’s morgens de eerste op was en te paard en reed alleen met haast en grotere begeerte naar zijn kasteel om zijn vrouw nog te vinden op haar bed en zodat hij zich bij haar wat verwarmen mocht, die aan zijn komst zeer weinig dacht.

En hij had zo zeer gereden dat hij voor de dag aankwam voor zijn kasteel daar hij de neder hof geopend vond waar hij zijn paard liet staan en kwam zo gelaarsd en gespoord voor de kamer waar zijn vrouw lag en in de rozentuin met een andere man en die heer stiet met zijn zwaard op de kamerdeur waar die vrouw en de stadhouder zeer van verwonderd waren wie dat dit wezen mocht en de vrouw vroege: «Wie is daar»

Mijnheer zei: «Ik ben het. Slaap je nog? Doe open die deur!»

De vrouw die de stem herkende was zeer verschrikt en zei tegen haar lief dat hij zich terstond aankleedde wat hij ook deed. En de vrouw wachtte wat lang zodat hij weer klopte en zei: «Doe open! Ik ben hier, uw man. Doe wat open!»

Toen zei de vrouw: «Och eilaas, mijn man is ver van hier. God laat hem met liefde weer naar huis komen.»

Toen zei die heer: «Bij mijn ridderschap, vrouw, ik ben het!  Herken je me niet?»

De vrouw zei: «Als mijn man zal komen zal hij het me wel van tevoren laten weten via zijn  dienaar zodat ik hem tegemoet kan komen en hem welkom heten met zijn verwanten en naaste vrienden en zo mag ik hem goed ontvangen zo dat wel behoort voor een heer.»

Toen zei die man: «Wat is dit? Zal ik hier lang staan? Wil u uw man niet kennen!?» en noemde haar met haar naam.

En toen haar vrijer gekleed was zo zei ze hem dat hij komt te staan bij haar achter de deur. Toen zei de vrouw: «Eilaas lieve man, ben jij het?, zo vergeef het me.»

De heer zei: «Ik ben het, voorwaar!»

Toen zei de vrouw: «Ik kom om u binnen te laten had ik een kaars ontstoken. En in de waarheid toen ge aan die deur klopte had ik een al te goede droom over u.»

«Wat was dat?» zei de heer.

Ze antwoorde: «Mijnheer, ik droomde dat ge thuis gekomen was en dat ge met me sprak en dat ge zo helder zag met uw blinde oog als met uw andere oog.»

«Och,» sprak mijnheer, «als het zo was!»  Toen zei de vrouw: «Ik geloof nochtans dat het zo is.» «Wat!» zei mijnheer, ben ge al zot?» «En geloof je me niet?» de vrouw zei, «laat het met toch onderzoeken. Dat is recht die zinnelijkheid van mijn hart.» En met die zo deed de vrouw de deur open en hielde een brandende kaars in haar hand. En die goede heer liet hem zijn ogen dicht stoppen met haar hand en met de andere hand hield ze de kaars voor zijn blinde oog en zei: «Heer, zeg me de waarheid. Ziet u ook met uw oog of niet?»

«Neen ik,» zei mijnheer, «bij mijn ridderschap.»

En met die ging de vrijer achter hem de deur uit zodat de heer het niet gewaar werd.

En toen zei de vrouw: «Nu zie ik wel dat dromen bedrog zijn maar geloofd is God dat ge hier bent,» en toen nam ze hem in haar armen en ze kuste hem vaak aan zijn mond. En mijnheer vertelde haar hoe dat hij zijn volk had achtergelaten «en ik was lang tevoren weg gereden om u nog te vinden in uw bed.»

Toen zei de vrouw: «Voorwaar, nog ben je een goede man!»  Toen ging mijnheer in de badstoof en waste zich en kwam toen bij mevrouw te bed en daar haalde hij in wat de ander verzuimd had door de komst van mijnheer die mevrouw verlost had uit die grote moeilijkheid met dappere fijnzinnigheid waarvoor hij de vrouw later vaak bedankt heeft.

Aldus is mijnheer van zijn vrouw bedrogen geweest die hij voortaan hield voor een goede en eerbare ende eerzame vrouw, maar mijnheer wist het nooit, zo geheim bleef dat verborgen. En was mijnheer bij huis gebleven was die vrouw bij avonturen niet in die misval gekomen want van haar was nooit iets gehoord en was de deugd en eerbaarheid.

Nu neem dit voorbeeld aan dit want het is een gewoon zeggen: Ver van huis, nabij zijn er schaden.

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 16. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La .xvi. nouullee par monseigneur le duc.

En la conte dARTOIS nagueres viuoit vng gentil cheualier riche et puissant lye par mariage auec vne tresbelle dame et de hault lieu. Ces deux ensemble par longue espace passerent plusieurs iours paisiblement et doulcement 3. Et pour ce que alors le trespuissant duc de BOURGOIGNE conte dARTOIS et leur seigneur estoit en paix auec tous les grans princes chrestiens. le cheualier qui tresdeuot estoit/ delibera faire a dieu sacrifice du corps quil luy auoit preste bel et puissant/ assouuy de taille destre autant et plus que personne de sa contree. excepte que perdu auoit vng oeil en vng assault. Et pour faire son obligacion en esleu et de luy desire. Apres les congiez a ma dame sa femme prins et de plusieurs ses parens/ sen va deuers les bons seigneurs de PRUSSE vrais defensseur de la tressaincte foy chrestienne [D7va] Tant fist et diligenta quen PRUSSE apres plusieurs aduentures que ie passe sain et sauf se trouua. Ou il fut asses et largement de grans proesses en armes dont le grant bruit de sa vaillance fut tantost espandu en plusieurs marchies/ tant a la relacion de ceulx qui veu lauoient en leurs pays retournez que par lettres que les demeurez escripuoient a plusieurs qui tres grant gre leur en scauoient.

2. Or ne fault pas celer que ma dame qui estoit demeuree ne fut pas si rigoreuse qua la priere dung gentil escuier qui damours Ia requist elle ne fut tantost contente quil fust lieutenant de monseigneur qui aux SARRAZINS se combatoit. Tantdis que monseigneur ieusne et fait penitence ma dame fait bonne chiere auec lescuier/ le plus des fois monseigneur se disne et souppe de biscuit et de la belle fontaine/ et ma dame a de tous les biens de dieu si treslargement que trop. monseigneur au mieulx se couche en la paillade/ et ma dame en vng tresbeau lit auec lescuier se repose. Pour abregier tantdis que monseigneur aux SARRAZINS fait guerre/ lescuier a ma dame se combat. Et si tresbien si porte/ que se monseigneur iamais ne retournoit elle sen passeroit tresbien/ et a peu de regret/ voire quil ne face aultrement quil a commence.

3. Monseigneur voiant la dieu mercy que leffort des SARRAZINS nestoit point si aspre que par cy deuant a este/ sentant aussi que asses longue espace a laisse son hostel et sa tresbon[D7vb]ne femme qui moult la desire et regrete comme par plusieurs de ses lettres elle luy a fait sauoir: dispose son partement et auec le peu de gens quil auoit se mect en chemin/ et si bien se exploita a layde du grant desir quil a de soy trouuer en sa maison et es bras de ma dame quen pou de iours si trouua.

4. Celluy a qui ceste haste plus touche que a nul de ses gens est tousiours des premiers descouchies et premier prest et le deuant au chemin/ et de fait sa trop grande diligence le fait bien souuent cheuauchier seul deuant ses gens aucune fois vng quart de lieue ou plus. Aduint vng iour que monseigneur estant au giste enuiron a six lieues de sa maison ou il doit trouuer ma dame/ se leua bien matin et monta a cheual que bien luy semble que son cheual le rendra a sa maison auant que ma dame soit descouchee qui riens de sa venue ne scait. ainsi comme il le proposa il aduint/ et comme il estoit en ce plaisant chemin dist a ses gens venes tout a vostre aise et ne vous chaille ia de moy suyr. ie men iray tout mon beau train pour trouuer ma femme au let. ses gens tous horlez et trauaillez et leurs chevaulx aussi ne contredirent pas a monseigneur/ mais sen viennent tout a leur aise apres luy sans eulx trauaillier aucunement/ mais pourtant si doubtoient il de mondit seigneur lequel sen aloit ainsi de nuyt tout seul et auoit si grant haste.

7. Cil sen va et fait tant quil est en brief en la basse court de son hostel [D8ra] descendu ou il trouua vng varlet qui le desmonsta de son cheual. Tout ainsi et h[ ]use et esperonne quant il fut descendu sen va tout sans rencontrer personne/ car encores matin estoit deuers sa chambre ou ma dame encores dormoit/ ou espoir faisoit/ ce qui tant a fait monseigneur trauailler. Creez que luys nestoit pas ouuert a cause du lieutenant qui tout ebahy fut et ma dame aussi quant monseigneur heurta de son baston vng treslourt coup. Qui esse la ce dit ma dame/

7. cest moy ce dit monseigneur. Ouures ouures. 3. Ma dame qui tantost a congneu monseigneur a son parler ne fut pas des plus asseurees.

Neantmoins fait habillier incontinent son escuier qui met peine de saduancier le plus quil peult pensant comment il pourra eschapper sans dangier. Ma dame qui faint destre encores toute endormie et non recongnoistre monseigneur apres Ie second heurt quil fait a luys/ demande encores qui esse la. Cest vostre mary dame. Ouures bien tost/ ouures.

8. Mon mari dist elle helas il est bien loing de cy dieu le ramaine a ioie et brief. 9. Berntsz. [1532]: [k]ent

10. Par ma foy dame ie suis vostre mary/ et ne me congnoisses vous au parler/ si tost que ie vous ouy respondre ie congneuz bien que cesties vous.

11. Quant il viendra ie le scauray beaucoup deuant pour le recepuoir ainsi comme ie doy et aussi pour mander messeigneurs ses parens et amis pour le festoier et conuoier a sa bienvenue. Alles alles et me laissez dormir.

12. Saint iehan ie vous en garderay [D8rb] bien ce dit monseigneur. il fault que vous ouures luys/ et ne voules vous congnoistre vostre mary. Alors lappelle par son nom/ 2. et elle qui voit que son amy est ia tout prest le fait mettre derriere luys/ et puis va dire a monseigneur estes vous ce Paur dieu pardonnes moy/ et estes vous en bon point.

13. Oy dieu mercy ce dit monseigneur. 14. Or loue en soit dieu ce dit ma dame. Je vien incontinant vers vous et vous mettray

dedans mais que ie soye vng peu habillee et que iaye de la chandelle. Tout a vostre aise ce dit monseigneur En verite ce dit ma dame tout a ce coup que vous aues heurte monseigneur iestoye bien empeschee dung songe qui est de vous. Et quel est il mamye. par ma foy monseigneur il me sembloit a bon escient que vous esties reuenu et que vous parlies a moy et si voies tout aussi cler dung oeil comme de lautre. Pleust ores a dieu ce dit monseigneur.

15. Berntsz. [1532]: geloone 6. Nostre dame ce dit ma dame ie croy que aussi faictes vous. Par ma foy dit monseigneur

vous estes bien beste/ et comment ce porroit il faire. Je tiens moy dit elle quil est ainsi. Jl nen est riens non dit monseigneur/ estes vous bien si fole de le penser.

16. Dea monseigneur dit elle ne me creez iamais sil nest ainsi et pour la paix de mon cueur ie vous requier que nous lesprouuons. Et a ce coup elle ouura luys tenant la chandelle ardant en sa main/ et monseigneur qui est content de ceste esprouue et si accorde par les parolles de sa femme. Et ainsi le pouure homme endure bien bien que [D8va] ma dame luy bouchast son bon oeil dune main/ et de lautre elle tenoit la 17 deuant loeil de monseigneur/ qui creue estoit/ et puis luy demanda Monseigneur ne veez vous pas bien par vostre foy.

17. par mon serment non ce dit monseigneur/ et entretant que ces deuises se faisoient le lieutenant de mondit seigneur sault de la chambre sans quil fut apparceu de luy 3. Or attendes monseigneur se dit elle/ et maintenant vous me voies bien ne faictes pas/ par dieu mamye nennil respond monseigneur Comment vous verroy ie vous aues bouchie mon dextre oeil/ et lautre est creue passe plus de dix ans. Alors dit elle or voy ie bien que cestoit songe voyrement qui ce rapport me fist/ mais quoi que soit dieu soit loue et gracie que vous estes cy. Ainsi soit il ce dit monseigneur Et a tant sentracolerent et baiserent par plusieurs fois et firent grant feste et noublia pas monseigneur a conter comment il auoit laisse ses gens derriere/ et que pour la trouuer au lit il auoit fait telle diligence.

18. Et vraiement dist ma dame encores estes vous bon mary/ 19. et a tant vindrent femmes et seruiteurs qui bienvngnerent monseigneur et le

deshouserent/ et de tous points deshabillerent/ et ce fait se bouta ou lit auec ma dame qui Ie reprend du demourant de lescuier qui sen va son chemin lye et ioyeux destre ainsi eschape. 20. Comme vous aues ouy fut le cheualier trompe/ et nay point sceu combien que plusieurs gens depuis le sceurent quil en fut iamias aduerty

 

 

 

[7] 1 Van dat bedroch dat Holophernem verwan.

Die prince Holophernes beleyde die stadt van BethuliĎn met hondert duysent ende .XX. duysent voetvolcx, ende .XXIJ. duysent paerdevolcx, so starckelijc dat in die stadt niet te drincken en was, ende mosten dat bloet van beesten drincken.

Dit siende die weduwe Judith had ontfermen over dat volck, ende si badt ootmoedelijck den Heere om gracie, om verlossinge, om victorie van haren viant. Daerna ginc se in haer camer ende chierde haer mit haer beste cleederen zeer rijckelijc. Oock was se schoon in haren persone, ende God vermeerderde daertoe haer schoonheyt.

Ende si nam met haer een dienstmaecht, ende ghinck doen tot der poorten van der stadt, daer die heeren stonden, ende si seyde tot hemlieden: «Bidt den Heere om gracie voor mi, dat Hi in mi wille volbringen mijn opstel.»

Ende si ghinck uuter stadt, daer si gegrepen wert ende gebracht voor Holophernem, dien si seyde: «Heere, ic come mijn leven te setten in dijn handen, ende dat ic dat behouden mach bi uwer graciĎn, want die stadt moet cortelick comen in uwen handen.» Ende si vercreech gracie bi hem, ende wat se begeerde dat had se van hem.

Doe badt se dat se mocht ’s avonts ende ’s morgens gaen in’t geberchte, bidden haren God voor hem.

So dede hi gebieden door alle zijn heyr: so waer die vrouwe Judith wilde gaen, dat se los ende vrij soude gaen, sonder yemant haer te aenvaerden.

Ende opten vierden dach so maecte Holophernes een blijde maeltijt sinen heren, ende seyde sinen camerlinc Vaago: «Segt der Hebreeuscher vrouwe, dat se by my in come.»

Als hi ooc dede, ende hi seyde tot Judith: «O edel vrouwe, wilt u niet vreesen in te gaen bi mijnen heere Holophernem, ende hi begeert op u dat ghi bi hem vrolic wilt zijn, ende drincken den wijn met hem.»

Doe seyde Judith: «Wie ben ic, dat ic weygeren soude minen here? Al dat minen here believet ende hem goet dunct, dat sal ic doen. Ende al dat hem belieft, dat sal groot zijn voor mi alle mijn leven lanc!»

Doe stont Judith op, ende maecte haer chierlic toe, ende is doe ingegaen tot Holophernem, ende si stont voor hem. Doe wert dat herte van Holophernes beruert, ende hi wert bernende in haer begeerte, ende hi dachte des nachts bi haer te slapen, ende hi was vrolijck, ende dranck meer wijns dan hi van al zijn dagen gedaen hadde, ende hi viel in slape op zijn bedde.

Ende Judith was bi hem alleen in zijn slaepcamer, ende haer dienstmaecht stont buyten ende wachte die duere. Ende ten hoofde van den bedde hinck zijn swaert, ende si track dat uuter scheyden, ende nam hem metten hayre, ende hief op dat hooft, ende sloech’t hem af, ende si stac’t in eenen leeren sack, ende gaf’t haerder dienstmaecht, ende brochten’t so in der stadt van BethuliĎn.

Ende als men vernam in’t heyr dat haer prince Holophernes doot was, so liepen si al wech, ende die stadt wert verlost uut allen haren last.

Och siet doch hoe die grote ende machtighe prince die niet te verwinnen was met heyrcracht, hoe hy verwonnen is door minlijcke woorden ende bedroch van eender vrouwen, dat menich duysent mannen ontgelden mosten, ende haer leven daerom laten.

Wie sal hem nu mogen wachten van dat bedroch der vrouwen, hi en moste heel haer geselscap schouwen.

Van dat bedrog dat Holophernes overwon.

Die prins Holophernes belegerde de stad van Bethulia met honderdduizend en twintig duizend voetvolk en twee en twintig duizend paardenvolk en zo sterk dat er in de stad niets te drinken was en die moesten het bloed van de beesten drinken.

Dit zag de weduwe Judith en had erbarmen over dat volk en ze bad ootmoedig de Heer om gratie, om verlossing, om victorie over haar vijand. Daarna ging ze naar haar kamer en sierde zich zeer rijk met haar beste kleren. Ook was ze mooi in haar persoon en God vermeerderde daartoe haar schoonheid.

En ze nam met zich een dienstmaagd en ging toen tot de poort van de stad waar de heren stonden en ze zei tot hen: «Bidt de Heer om gratie voor mij dat Hij in mij wil volbrengen mijn plan.»

En ze ging uit de stad waar ze gegrepen werd en gebracht voor Holophernes waartegen ze zei: «Heer, ik kom mijn leven te zetten in uw handen en dat ik dat behouden mag bij uw gratie want de stad zal gauw in uw handen komen.» En ze verkreeg gratie van hem en wat ze begeerde dat had ze van hem.

Toen bad ze dat ze’s avonds en ’s morgens mocht gaan in het gebergte om te bidden haar God voor hem.

Zo liet hij gebieden in zijn hele leger: zo waar die vrouw Judith wil gaan dat ze los en vrij zou gaan zonder iemand haar tegen te houden.

En op de vierde dag zo maakte Holophernes een blijde maaltijd voor zijn heren en zei zijn kamerling Vaago: «Zeg de Hebreeuwse vrouw dat ze bij me komt.»

Wat hij ook deed en hij zei tegen Judith: «O edele vrouw, bent u niet bang om binnen te gaan bij mijnheer Holophernes en hij begeert dat u bij hem vrolijk bent en de wijn met hem drinkt.»

Toen zei Judith: «Wie ben ik dat ik weigeren zou aan mijnheer? Alles wat mijn lieve mijnheer belieft en hem goed dunkt dat zal ik doen. En alles dat hem belieft dat zal groot zijn voor mij al mijn leven lang!»

Toen stond Judith op en maakte zich sierlijk en is toen binnen gegaan tot Holophernes en ze stond voor hem. Toen werd dat hart van Holophernes beroerd en hij werd brandend in haar begeerte en hij dacht ’s nachts bij haar te slapen en hij was vrolijk en dronk meer wijn dat hij van zijn leven ooit gedaan had en hij viel in slaap op zijn bed.

En Judith was bij hem alleen in zijn slaapkamer en haar dienstmaagd stond buiten en bewaakte de deur. En aan het hoofd van het bed hing zijn zwaard en ze trok het uit de schede en nam hem bij het haar en hief het hoofd op en sloeg het af en ze stak het in een leren zak en gaf het haar dienstmaagd en brachten het zo in de stad Bethulia.

En toen men in het leger vernam dat hun prins Holophernes dood was zo liepen ze allen weg en de stad werd verlost uit al haar last.

Och zie toch hoe die grote ende machtige prins die niet te overwinnen was met legerkracht, hoe hij overwonnen is door minnelijke woorden en bedrog van een vrouw dat menig duizend mannen ontgelden moesten en hun leven daarom laten.

Wie zal zich nu mogen wachten van dat bedrog der vrouwen, hij moet heel haar gezelschap schuwen.

 

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische bijbelboek Judit, hoofdstukken 7-15, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd.

 

[8] 1 Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden in Vranckrijck.

In Vranckrijck was een edel prince ende van groter macht, die zeer beminde een schoon edel joncfrouwe die gehouwet was, welcke joncfrouwe hem niet min en beminden, waerom dat die edel prince zijn lief dicwil claechde zijn groot lijden dat hi om haren wil had, des si hem weder trooste dat beste dat si conde, hem seggende: «Ic ben altijt tot uwen wille bereyt, mer ic en can u niet te wille zijn door belet van mijnen man. Ghi weet ooc wel dat ic mijnen man moet onderhouden ende te wille blijven.» 2 «Ay lacen,» seyde die edel man, «mach men gheen middel vinden om mijn groot lijden te corten, so en weet ic niet wat maken.» 3

Doen seyde die joncfrouwe met begeerlijcker minnender herten tot haren lief: «Coemt te nacht cloppen aen mijn duere tot een of twee uren. Ic sal die maniere vinden om van mijnen man te werden ontslagen, ’t en ware dat die fortune mi dat belette.» 4

Dit horende die edel man wert heel vertroost ende verblijt, ende is van haer gescheyden, ende verwachte die ure die hem gestelt was. 5

Ende des nachts sittende dese edel joncfrouwe in swaer gepeys, so jonde haer Fortune dat haer man selfs ghaf die oorsake, dat haer gepeys wert verandert in vruechden, want haer man sach daer ligghen een male, daer zijns wijfs cleederen in waren. Ende omdat zijn wijf sadt in gepeys, so vraechde hi wat die male in die camer dede: Waerom dat men se niet en brachte in haer behoorlijcke plaetse? 6

«Wel lief,» sprac se, «weest niet gram. Onse camerjoncfrouwe sal se uut doen. Daer zijn noch van mijne clederen in.» 7

Doe seyde die man: «Mi dunct dat die male veel te cleyn is om u cleederen in te doen sonder croocken, want si groot ende lanck zijn.» 8

Die joncfrouwe seyde: «Die male is groot genoech» 9

Die heere seyde: «’t En dunct mi niet.» 10

«Wel,» seyde die joncfrouwe, «believet u, ic sal tegen u wedden om een dozijn ghefrontste hemden tegen een satijnen keurs, dat wi u in die male steken, so ghi zijt, hoe cleyne dat die male is.»11

Die man seyde: «Ick wedde, ghi en doet.» 12

Doen seyde die dienstjoncfrouwe: «Wi sullen’t sien, wie’t winnen sal.» 13

Doen track hi die cleederen uuter malen. Doe namen hem die dienstjoncfrouwen, ende deden wel dat hi in die male quam tot sinen gemake, ende si loegen al die daer waren. Ende al spelende ende gheckende so bonden se hem in die male, ende droegen se in een cleyn vertreckcamerken verre van zijnder cameren, ende si riepen al: «Wi hebben’t gewonnen!» 14

Ende wat hi riep oft creet, hi moste dien nacht daer blijven. 15 Niet lange na die wijle dat die man in die male stack, so quam der joncfrouwen lief al heymelic bi haer, daer hi zeer vriendelick ontfangen wert, ende seyde hem hoe dat die aventuere gecomen was, ende dattet al wel ghecomen is, daerom suldy hier bi mi blijven, ende bewaren mijns mans stede desen nacht. al wel ghecomen is: «Daerom suldy hier bi mi blijven, ende bewaren mijns mans stede desen nacht.» 16

Dus zijn die twee geliefkens te bedde ghegaen, ende malcanderen minlick omvangen, ende dickwils suetelijck gecust, ende hebben neerstelic Venus’ acker gebouwen, daer si om versaemt waren. Ende des morgens, als ons joncfrouwe van haer lief gescheyden was, so ghinck se in die vertreckcamer, daer haer man luyde riep: «Laet mi doch uut! Mi dunct, ic ben u bespottinghe worden!» 17

Doe seyde die joncfrouwe: «Lacen, lieve man! Sidi noch hier? Dat en wiste ic niet, want gisternavont gebode ic mijn camenieren dat se u ontbinden souden. Ende een van den camenieren seyde dat ghi ontbonden waert, ende dat ghi haestelijc ghehaelt waert om sonderlinge saken, ende dat ghy niet tot huys comen sout. Ende corts daerna ginck ic slapen, ende ic meynde dattet so was.» 18

«Nu laet mi uut,» seyde die man, «ic heb hier lange genoech geweest.» 19

Ende mijn joncfouwe ontsloot die male, ende die man crop’er uut – hi was half 23 cruepel gelegen – ende doen nam se hem in haren armen, ende custe hem minnelijc, hem zeer biddende dat hi op haer niet gram wesen en wilde. 20

Doen seyde die goede man: «Ick weet wel dattet u schult niet en is, mer die camenieren sullen’t noch becopen!» 21

Mer hi beclaechde meest dat hi begect ende bespot was, ende daertoe had hi verloren den satijnen keurs... Ende hi en sal dit mmermeer weten, ’t en ware dat hem dit ter hant quame om te lesen. Daerom dat God dat behoeden wille. Amen! 24

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden in Frankrijk.

In Frankrijk was er een edele prins en van grote macht die zeer beminde een mooie edele jonkvrouw die gehuwd was, welke jonkvrouw hem niet minder beminde waarom dat die edele prins zijn lief dikwijls zijn groot lijden beklaagde die hij vanwege haar had, dus zij troostte hem het beste dat ze kon en zei hem: «Ik ben altijd tot uw wil bereid, maar ik kan u niet ter wille zijn door belet van mijn man. Ge weet ook wel dat ik mijn man moet onderhouden en ter wille blijven.»

«Ay eilaas,» zei die edele man, «mag men geen middel vinden om mijn grote lijden te korten, zo weet ik niet wat te doen.»

Toen zei die jonkvrouw met begeerlijk minnend hart tot haar lief: «Kom ’s nachts kloppen aan mijn deur rond een of twee uur. Ik zal de manier vinden om van mijn man te worden ontslagen, tenzij Fortuna dat me belet.»

Dit hoorde de edele man en werd geheel vertroost en verblijd en is van haar gescheiden en wachtte de uren die hem gesteld waren af.

En ’s nachts zit deze edele jonkvrouw in zwaar gepeins want zo gunde Fortuna haar dat haar man zelf de oorzaak gaf zodat haar gepeins in vreugde werd veranderd want haar man zag daar liggen een buidel waarin zijn vrouws kleren in waren. En omdat zijn vrouw is gepeins zat zo vroeg hij wat die buidel in die kamer deed: Waarom dat men het niet in een behoorlijke plaats bracht?

«Wel lief,» sprak ze, «wees niet gram. Onze kamerjonkvrouw zal ze weg brengen. Daar zijn noch van mijn kleren in.»

Toen zei de man: «Ik denk dat die buidel veel te klein om uw kleren in te doen zonder te kreuken want die zijn groot en lang.» De jonkvrouw zei: «Die buidel is groot genoeg»

De heer zei: «Het lijkt me niet.»

«Wel,» zei de jonkvrouw, «belieft het u, ik zal tegen u wedden om een dozijn gefronste hemden tegen een satijnen keurslijf dat we u in die buidel steken zoals je bent en hoe klein die buidel is.»

De man zei: «Ik wed, ge doet.»

Toen zei de dienstjonkvrouw: «We zullen zien wie het winnen zal.»

Toen trok hij de kleren uit de buidel. Toen namen hem de dienstjonkvrouwen en deden het goed zodat hij gemakkelijk in de buidel kwam en ze lachten alle die daar waren. En al spelende en gekscherende zo bonden ze hem in de buidel en droegen hem in klein vertrekje en ver van zijn kamer en ze riepen alle: «Wij hebben het gewonnen!»

En wat hij riep of krijste, hij moest die nacht daar blijven. Niet lang na die tijd dat de man in de buidel stak zo kwam het liefje van de jonkvrouw al heimelijk bij haar waar hij zeer vriendelijk ontvangen werd en ze zei hem hoe dat het avontuur gekomen en dat alles goed gekomen is en daarom zal je hier bij mij blijven en bewaren mijn mans plaats deze nacht.

Dus zijn die twee geliefden te bed gegaan en elkaar minnelijk omvangen en dikwijls zoetjes gekust en hebben vlijtig de Venus akker bebouwd waar ze om verzameld waren. En ’s morgens toen onze jonkvrouw van haar lief gescheiden was zo ging ze in het vertrekje waar haar man luid riep: «Laat me er toch uit! Me dunkt, ik ben uw bespotting geworden!»

Toen zei de jonkvrouw: «Eilaas, lieve man! Ben je nog hier? Dat wist ik niet, want gisteravond gebood ik mijn kamenier dat ze u zou losmaken. En een van de kameniers zei dat ge los was en dat ge haastig gehaald werd om bijzondere zaken en dat ge niet thuis zou komen. En kort daarna ging ik slapen en ik meende dat het zo was.»

«Nu laat me er uit,» zei de man, «ik ben hier lang genoeg geweest.»

En mijn jonkvrouw opende de buidel en de man kroop er uit, hij had half kreupel gelegen, en toen nam ze hem in haar armen en kuste hem minnelijk en bad hem zeer dat hij op haar niet gram zou wezen.

Toen zei die goede man: «Ik weet wel dat het uw schuld niet is, maar die kamenieren zullen het nog bekopen!»

Maar hij beklaagde het meeste dat hij voor gek stond en bespot was en daartoe had hij verloren de satijnen keurslijf... En hij zal dit mimermeer weten, tenzij dat hem dit te hand komt om te lezen. Daarom dat God dat behoeden wil. Amen!

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 27. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La .xxvii. nouuelle/ par monseigneur de beauuoir.

[G4ra] Ce nest pas chose peu accoustumee especialement en ce royaulme que les belles dames et damoiselles se trouuent voulentiers et souuent en la compagnie des gentilz compaignons. Et a locasion des bons et ioyeulx passe temps quelles ont auec eulx/ les gracieuses et doulces requestes quilz leurs font ne sont pas si difficiles a impetrer. A ce propos na pas long temps que vng tresgentil seigneur que on peut mettre ou reng et du couste des princes dont ie laisse le nom en la plume se trouua tant en grace dune tresbelle damoiselle qui mariee estoit dont le bruit delle nestoit pas si peu congneu que le plus grant maistre de ce royaulme ne se tenist pour treseureux den estre retenu seruiteur/ Iaquelle luy voulut de fait monstrer le bien quelle luy vouloit/ mais ce ne fut pas a sa premiere voulente tant lempeschoient les anciens aduersaires et ennemis damours/ et par [especial] plus luy nuysoit son bon maritenant le lieu en ce cas du tresmauldit dangier: car se ce ne fut il son gentil seruiteurs neust pas encores a lui tollir ce que bonnement et par honneur donner ne luy pouoit. Et penses que ce seruiteur nestoit pas moiennement mal content de ceste longue attente/ car lacheuement de sa gente chasse luy estoit plus grant eur et trop plus desire que nul aultre bien quelconque que aduenir iamais luy pouoit. Et a ceste cause tant continua son pourchas que sa dame lui dit. ie ne suis pas mains desplaisante que vous par ma foy que ie ne vous puis faire au[G4rb]tre chiere/ mais vous scavez tant que mon mary soit ceans force est que il soit entretenu

3. Helas dit il et nest il moyen qui se puisse trouuer dabreger mon dur et cruel martyre.

4. Elle qui comme dessus est dit nestoit pas en maindre desir de soy trouuer a part auec son seruiteur que luy mesme si luy dit/ venez anuyt a telle heure heurter a ma chambre ie vous feray mettre dedans et trouueray facon destre deliuree de mon mary se fortune ne destourne mon entreprinse.

5. Le seruiteur ne ouyt iamais chose qui mieulx lui pleust. et apres les remercimens gracieux et deuz en ce cas dont il estoit bon maistre et ouurier se part delle attendant et desirant son heure assignee 6. Or deuez vous sauoir que enuiron vne bonne heure/ ou plus ou mains deuant leure assignee dessusdicte nostre gentille damoiselle auec ses femmes et son mary qui va derriere pour ceste heure estoit en sa chambre retraicte puis le souper et nestoit pas croies son engin oyseux/ mais labouroit a toute force pour fournir la promesse a son seruiteur/ maintenant pensoit dung puis maintenant dung autre/ mais rien ne luy venoit a son entendement qui peust eslongier ce mauldit mary/ et toutesfois approchoit fort leure tresdesiree. Comme elle estoit en ce parfont penser fortune lui fut si tresamye que mesmes son mary donna le tresdoulx auertissement de sa dure chance et mal auenture conuertie en la personne de son aduersaire/ cest assauoir du seruiteur dessusdit en ioye non pareille de deduit soulas et liesse. regardant par la chambre [G4va] Tant regarda quil apparceut dauenture au piedz de la couchete vng bahu qui estoit a sa femme. Et affin de la faire parler et loster de son penser demanda de quoy seruoit ce bahu en la chambre/ et a quel propos on ne le portoit en la garde robe/ ou en quelque autre lieu sans en faire leans parement. 7. Jl ny a point de peril monseigneur ce dit ma damoiselle/ a me ne vient icy que nous. aussi ie luy ay fait laissier tout a propos pource que encores sont aucunes de mes robes dedans/ mais nen soies ia mal content mon amy/ ces femmes losteront tantost. 8. Mal content dit il nennil par ma foy/ ie layme autant icy que ailleurs puis quil vous plaist/ mais il me semble bien petit pour y mettre voz robes bien a laise sans les froissier/ attendu les grandes et longues traynees quon fait au iour duy. 9. Par ma foy monseigneur dit elle il est asses grant.

10. iI ne le me peut sembler dit il vraiement/ et le regardes bien 11. Or ca monseigneur dit elle voules vous faire vng gaige a moy. Ouy vraiement dit il. Quel sera il. Je gaigeray sil vous plaist pour 12 demye douzaine de bien fines chemises encontre le satin dune cotesimple que nous vous bouterons bien dedans tout ainsi que vous estes. 13. Par ma foy dit il ie gaige que non. 14. et ie gaige que si. Or auant ce dirent les femmes nous verrons qui le gaignera. a lesprouuer le scaura on dit monseigneur.

15. Et lors sauance et fist tirer du bahu lesrobes qui estoient dedens et quant il fut vuide ma damoiselle et ses femmes a quelque meschief que ce fust [G4vb] firent tant que monseigneur fut dedans tout a son aise/ et a cest coup fut grande la noise et autant ioyeuse/ et ma damoiselle ala dire/ or monseigneur vous aues perdu la gaigeure/ vous le congnoisses bien faictes pas. ma foy oy dit il cest raison. et en disant ces parolles le bahu fut ferme et tout iouant/ riant et esbatant prindrent toutes ensemble et homme et bahu et lemporterent en vne petite garde robe asses loing de la chambre/

16. et il il crie et se demaine faisant grant bruit et grant noise. mais cest pour neant/ car il fut la laisse toute la belle nuit. pense: dorme: face du mieulx quil peut/ car il est ordonne par ma damoiselle et son estroit conseil quil nen partiroit meshuyt pource quil a tant empesche le lieu.

17. Pour retourner a la matiere de nostre propos encommance nous laisserons nostre homme et nostre bahu/ et dirons de ma damoiselle qui attendoit son seruiteur auec ses femmes qui estoient telles et si bonnes et si secretes que riens ne leur estoit cele de ses affaires/ lesquelles scauoient bien que le bien ayme seruiteur se a luy ne tenoit tiendroit la nuyt le lieu de celuy qui au bahu fait sa penitence. Ne demoura gueres que le bon seruiteur sans faire effroy ne bruit vint heurter a la porte/ et au heurter quil fist on le congneut tantost/ et la estoit celle qui le bouta dedans. il fut receu ioyeusement et lyement/ et entretenu doulcement de ma damoiselle et de sa compaignie/ et ne se donna garde quil se trouua tout seul auecques sa dame qui lui compta bien au long [G5ra] la bonne fortune que dieu leur a donnee/ cest assauoir comment elle fist la gaigeure a son mary dentrer ou bahu/ comment il y entra/ et comme elle et ses femmes lont porte en vne garde robe. Comment ce dit le seruiteur ie ne cuydoie point quil fust ceans. par ma foy ie pensoie moy que vous eussies trouue aucune facon de lenuoyer ou faire aler dehors et que ieusse icy tenu meshuyt son lieu. Vous nen yres pas pourtant dit elle/ il na garde de yssir dont il est/ et si a beau crier/ il nest ame de nulz sens qui le puist ouyr/ et croies quil demourra meshuyt par moy. Se vous le voulez desprisonner ie men rapporte a vous. nostre dame dit il sil nen sailloit tant que ie Ien fisse oster il auroit bel attendre. Or faisons donc bonne chiere dit elle et ny pensons plus.

18. Pour abregier chascun se despoilla et se coucherent les deux amans dedans le beau lit ensemble bras a bras et firent ce pour quoy ilz estoient assembles que mieulx vault estre pense des lisans questre note de lescripuant. Quant vint au point du iour le gentil seruiteur se partit de la dame le plus secretement quil peut et vint a son logis dormir comme iespoire ou desiuner/ car de tous deux auoit besoing Ma damoiselle qui nestoit pas mains subtille que saige et bonne/ quant il fut heure se leua et dist a ses femmes. Jl seroit desormais heure de oster nostre prisonnier/ ie vois veoir quil dira et sil se vouldra mettre a finance. Mettez tout sur nous dirent elles/ nous lappaiserons bien. croies que si feray ie dit elle. et a ces [G5rb] motz se seigne et sen va/ et comme non pensant a ce quelle faisoit tout daguet et a propos entra dedans la garderobe ou son mary encores estoit dedans le bahu clos. Et quant il ouyt il commenca a faire grant noise et crier a la volee quesse cy me laira on cy dedans.

19. et sa bonne femme qui loyt ainsi demener respondit effreement/ et comme craintiuement faisant ignorante.Hemy qui esse la que iay ouy crier. Cest moy de par dieu cest moy dist le mary. Cest vous dit elle et dont venes vous a ceste heure. Dont ie viens dit il et vous le scauez bien ma damoiselle il ne fault ia quon le vous dye/ mais vous faictes de moy au fort ie feray quelque iour de vous. et sil eust endure ou ose il se fut voulentiers courrouce et eust dit villennie a sa bonne femme. et elle qui le congnoissoit luy coupa la parolle et dit/ monseigneur pour dieu ie vous crie mercy. par mon serment ie vous asseure que ie ne vous cuydoie pas icy a ceste heure/ et croies que ie ne vous y eusse pas quis/ et ne me scay assez esmerueillier dont vous venes a y estre encore/ car ie chargey hier au soir a ces femmes quelles vous missent dehors tandis que ie disoie mes heures/ et elles me dirent que si feroient elles/ et de fait lune me vint dire que vous esties dehors et desia alle en la ville et que ne reuiendries meshuit/ et a ceste cause ie me couchay asses tost apres sans vous attendre 20. Saint iehan dit il vous voies que cest. or vous aduances de moy tirer dicy/ car ie suis tant las que ie ne puis plus. Cela [G5va] feroye bien monseigneur dit elle mais ce ne sera pas deuant que vous nayes promis de moy paier de la gaigeure que auez perdue/ et pardonnes moy toutesfois car autrement ne le puis faire. et aduances vous de par dieu/ ie le paieray vraiement. et ainsi vous le promettes/ ouy par foy 21. Berntsz. [1532]: galf 4. Et ce proces fine ma damoiselle defferma le bahu et monseigneur yssit dehors lasse/ froisse/ et trauaille/ et elle le prent a bras et baise et accolle tant doulcement que on ne pourroit plus/ en lui priant pour dieu quil ne soit point mal content. 22. Adonc Ie poure coquart dit que non estoit il puis quelle nen scauoit rien/ mais il punira trop bien ses femmes sil y scait aduenir

23. Par ma foy monseigneur dit elle/ elles sen sont oires bien vengees de vous ie ne doubte point que vous ne leur aies fait quelque chose. Non ay certes que ie saiche mais croies que le tour quelles mont ioue leur sera chier vendu. JI neut pas fine ce propos que toutes ses femmes entrerent dedans qui si tresfort rioient et de si grant cueur quelles ne sceurent mot dire grant piece apres. Et monseigneur qui deuoit faire nierueilles quant il les vit rire en ce point ne se peust tenir de les contrefaire/ et ma damoiselle pour lui faire compaignie ne si faignit point. La veisses vous vne merueilleuse risee et dung coste et dautre/ mais celuy qui en auoit le mains cause ne sen pouoit rauoir. Apres certaine piece ce passe temps cessa et dit monseigneur. Ma damoiselles ie vous mercye [G5vb] beaucoup de la courtoisie que maues anuyt fait. a vostre commandement monseigneur respondit lune. Encores nestes vous pas quitte/ vous nous auez fait et faictes touriours tant de peine et de meschief que nous vous auons garde ceste pensee/ et nauons autre regret que plus ny auez este et se neussions sceu de vray quil neust pas bien pleu a ma damoiselle encores y fussies vous et prenez en gre Esse cela dit il. or bien bien/ vous verrez comment il vous en prendra/ et par ma foy ie suis bien gouuerne quant auec tout se mal que iay eu on ne me fait que farser et encores qui pis est il me fault payer la cotesimple de satin/ Et vraiement ie ne puis a mains que dauoir les chemises de la gaigeure en recompensacion de la peine quon ma faicte. Jl ny a par dieu que raison dirent les damoiselles/ nous voulons a ceste heure estre pour vous monseigneur/ et vous les aures/ naura pas ma damoiselle/ et a quel propos dit elle. il a perdu la gaigeure. dea nous scauons trop bien cela/ il ne les peut auoir de droit aussi ne les demande il pas a ceste intencion/ mais il les a bien desseruies en autre maniere. A cela ne tiendra il pas dit elle. ie feray voulentiers finance de la toille pour lamour de vous mes damoiselles qui tant bien procurez pour luy/ et vous prendres bien la peine de les coutre/ ouy vraiement ma damoiselle. Comme celluy qui ne fait que escourre la teste au matin quant il se lieue quil ne soit prest: ainsi [G6ra] estoit monseigneur/ car il ne luy faillit que vne secousse de verges a nettoyer sa robe et ses chausses quil ne fut prest. et ainsi a la messe sen va et ma damoiselle et ses femmes le suyuent quilz faisoient de luy ie vous asseure grans risees. Et croyez que la messe ne se passa pas sans foyson de ris soudains/ quant il leur souuient du giste que monseigneur a fait au bahu lequel ne le scet encores qui fut celle nuyt enregistre ou liure qui na point de nom et se nest que dauenture/ ceste hystoire vienne entre ses mains iamais nen aura se dieu plaist congnoissance ce que pour rien ie ne vouldroie. si prye aux lisans qui le cognoissent que bien se gardent de luy monstrer.

 

 

 

[9] 1 Een out bedroch: hoe die prince Naboth doot geslagen wert door die vrouwe Jesabel.

Die coninck Achab, coninck van Israel, wonende in SyriĎn, had te wijve die felle vrouwe Jesabel, die de heylige propheten vervolchde daer si mochte. Ende dese coninc Achab had bi hem in zijn hof een groot prince, Naboth geheeten, die eenen schoonen wijngaert had bi des conincs huys, die de coninc zeer begeerde, ende hi seyde tot Naboth: «Laet mi doch hebben uwen wijngaert! Ic sal u daervoor geven gelts genoech of eenen anderen wijngaert.»

Ende Naboth en wilde sinen wijngaert niet quijt zijn, waerom dat Achab te bedde ginc liggen, ende hi keerde zijn aensicht in die wandt, ende en wilde noch eten noch drincken.

Dit siende zijn wijf Jesabel vtaechde wat hem lette. Doe seyde hi: «Mijn vassael Naboth heeft my geweygert sinen wijngaert te vercopen.» Doe dede Jesabel den prince Naboth met stenen doot werpen. Doen quam Jesabel weder totten coninc seggende: «Staet op ende eet ende drinct, ende neemt den wijngaert na u, want Naboth is doot.»

Doe dit Achab hoorde, stont hi op ende besadt den wijngaert.

Aenmerct hoe door dit wijf die prince Naboth zijn leven most laten, maer dat bloet wert gewroken op hemselven, want Helyas 1 seyde hem: «Daer dat bloet van Naboth die honden hebben gelect, daer sullen si u bloet oock lecken. Ende die honden sullen eten dat lichaem van Jesabel,» so dat naemaels geschiede, want si wert in een cleyn straetken met steenen doot geworpen, daer si bleef doot liggen, so lange dat Helyas’ woort vervult was.

O felheyt der vrouwe, neemt exempel! God is een rechtvaerdich oordeler, want Hy seyt in’t Evangelie: «Met wat maten dat ghi uutmetet, daer sal u weder mede in gemeten worden,» 2 gelijck deser felder Jesabel gebuerde, so voorseyt is.

Daerom ghi vroukens, laet staen u bedroch, so en suldy niet bedrogen worden, want die Heere heeft dat gheseyt, die niet lieghen en mach!

Een oud bedrog: hoe de prins Naboth dood geslagen werd door de vrouw Jesabel.

De koning Achab, koning van IsraĎl, woonde in SyriĎ en had als vrouw die felle vrouw Jesabel die de heilige profeten vervolgde waar ze kon. En deze koning Achab had bij hem in zijn hof een grote prins, Naboth geheten, die een mooie wijngaard had bij het huis van de koning die de koning zeer begeerde en hij zei tegen Naboth: «Laat me toch hebben uw wijngaard! Ik zal u daarvoor geven genoeg geld of een andere wijngaard.»

En Naboth wilde zijn wijngaard niet kwijt waarom dat Achab te bed ging liggen en hij draaide zijn gezicht naar de wand en wilde noch eten noch drinken.

Dit zag zijn vrouw Jesabel en vroeg hem wat hem lette. Toen zei hij: «Mijn vazal Naboth heeft me geweigerd zijn wijngaard te verkopen.» Toen liet Jesabel prins Naboth met stenen dood werpen. Toen kwam Jesabel weer tot de koning en zei: «Sta op en eet en drinkt en neemt de wijngaard naar u want Naboth is dood.»

Toen Achab dit hoorde stond hij op en bezat de wijngaard.

Merk op hoe door dit wijf die prins Naboth zijn leven moest laten, maar dat bloed werd gewroken op haar zelf want Elijah zei hem: «Waar dat bloed van Naboth de honden hebben gelikt daar zullen ze ook uw bloed likken. En de honden zullen eten dat lichaam van Jesabel,» zo dat later geschiedde, want ze werd in een klein straatje met stenen dood geworpen waar ze zo lang dood bleef liggen totdat Elijah ‘s woord vervuld was.

O felheid der vrouw, neem een voorbeeld! God is een rechtvaardige oordelaar want Hij zegt in het Evangelie: «Met welke maten dat ge uitmeet daar zal u weer mee in gemeten worden,» gelijk deze felle Jesabel gebeurde zo gezegd is.

Daarom gij vrouwtjes, laat staan uw bedrog dan zal ge niet bedrogen worden want de Heer heeft dat gezegd die niet liegen kan!

 

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische bijbelboek 1 Koningen, hoofdstuk 21, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd.

1. http://en.wikipedia.org/wiki/Elijah 2. Matteüs 7: 2. In de Nieuwe Bijbelvertaling: «[...] met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.»

 

[10] 1Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden.

Daer was een gehouwede vrouwe die van lichter aert was, 2 ende maecte van haer herte een gasthuys, wanttet en coste niet veel arbeyts om in haer gracie te comen die haer aensochte van amoreusheyt. So goethertich was si. 3

So geviel’t op een tijt dat si twee jonge gesellen dach leyde op eenen dach, dat die een van den anderen niet en wiste, elck op zijn ure: die een te acht uren, den anderen te negen uren. 4

Des anderen daechs te vijf uren stont die man van deser goeder vrouwen op ende cleede hem, ende doen wecte hi zijn wijf ende vraechde haer oft se niet op en wilde staen. 5

Doe seyde si: «Ghi weet wel dat ic half sieck ben, ende dat ic van alder nacht niet geslapen en heb. Ick en can noch niet opstaen.» 6

So liet se die man liggen, ende hi ginck uut wercken in die stadt, ende in dien tijt en was zijn wijf ooc niet ledich, want so geringe als die clock acht sloech, so quam die één gesel, die se bescheyden had des daechs te voren, ende hi clopte aen die duere, ende hi wert terstont ingelaten, ende hi ontcleede hem terstont, ende is bi haer onder gegaen, ende die twee lagen lange bi malcanderen om tijts verdrijf, datter een ander quam cloppen. 7

Doe seyde die vrouwe: «Ey lacen, daer is mijn man.» 8

Doe seyde die geselle: «Waer sal ic mi mogen berghen, daer mi u man niet en vinde, want het soude ons beyden ons leven costen?!» 3

Die vrouwe seyde: «Neemt u cleederen ende climt op dat solderken, ende hout u stille totdat mijn man wech is.» 9

Ende die geselle dede also hem die vrouwe den raet gaf, ende hy bleef daer sitten op dat solderken, d’welck out ende vol gateren was. 10

Doe spranck die vrouwe lustelijck van den bedde, wel wetende dattet haer man niet en was, ende liet den anderen in, dien si te negen uren had heeten comen, ende hi ontcleede hem terstont, ende ginck bi mijn joncfrouwe te bedden, ende daer hi Venus’ acker bouwede, dat den anderen, die op’t solderken, niet zeer lief en was als hij’t aensach. Want hy wel mercte dattet haer man niet en was, so en wiste hi niet wel oft hi swijgen oft spreken wilde, maer hi nam paciĎncie ende sweech. 10

Ende die leste geselle lach so lange dat haer man quam cloppen. Ende die vrouwe hoorde terstont dattet haer man was, so wiste si niet waer se hem bergen soude, so dede si hem liggen tusschen dat bedde ende der mueren, zeer benauwet, ende werp die cleederen ende die decken over hem. 11

Als die man in’t huys quam, so dochte hem dat hi wat geruchts van buyten gehoort had, ende doen hi sach dat bedde so om ghewroet, niet ofter een siecke bruyt gelegen had, maer het lach gelijck oft men daer ghevochten had, ende om eens culschamp 12 geslagen was, ende het geleeck bet een bedde van een bruyt dan van een siecke vrouwe. 13

Doe seyde die man: «O ghi amachtige hoere! Waer is die boeve 14 die bi u hier gelegen heeft? Ic segge: dat ic hem mach vinden, het sal hem qualijc vergaen!» Ende met dien greep hi die deecken ende cleederen. Doen seyde hi: «Hoe properlijc is’t hier gescict. Het schijnt oft hier twee gelegen hebben.»

Doe seyde die vrouwe: «Sidy alree droncken, dat ghi aldus op mi gebeert, ende heet my hoer, ende ghi weet doch wel dat icx niet en ben?! Mer lacen, ic ben veel te ghetrou tot sulcken cockijn ende rabbaut, ende my is leedt dat ic dus lange so getrou geweest ben, ende en hebt in mi gheen oneerbaer dingen gevonden.» 15

Dese arme man en wiste wat segghen als hi dit wijf dus hoorde spreken. So sweech die goede bloet ende seyde: «Mi en lust niet te kijven. Dieghene die hier boven is, die sal’t noch eens al betalen,» ende hi meynde God den Heere. 16

Mer die op’t solderken sadt, die dachte dat hi hém meynde, ende dat hy hém dreychde. Doe seyde die geselle: «Hoe so vrient? ’t Is genoech dat ic die helfte betalen sal. Die bezijden die bedtstede leyt, die moet wel die ander helfte betalen, want hi is so wel sculdich als ic!» 17

Doe was die man zeer verwondert, ende hi meynde dat God tot hem had gesproken. Ende die bezijden die bedtstede lach en wiste wat dincken, want hi en wiste van den anderen niet, maer hi vercloecte hem ende stont op, ende die ander quam van den solder neder. Ende als si malcanderen sagen, so zijn si tesamen vandaer gegaen, ende gheen van beyden en betaelden haren leger noch bedde huere, dies die man zeer verstoort was. Maer si maecte den man wijs dattet één was een doctor in medecijnen, die haer water besien had, ende d’ander was een chyreurgijn, die haer bloet soude laten, ende die aderen [sonde vrinen], 1 ende so stelde si hem tevreden. 2

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden.

Daar was een gehuwde vrouw die van lichte aard was en maakte van haar hart een gasthuis want het koste niet veel moeite om in haar gratie te komen diegene haar bezocht om amoureuze zaken. Zo goedhartig was ze.

Zo gebeurde het op een keer dat ze twee jonge gezellen neer legde op een dag en dat de ene het van de andere niet wist, elk op zijn uur: de ene om acht uur en de andere om negen uur.

De volgende dag om vijf uur stond de man van deze vrouw op en kleedde zich aan en toen wekte hij zijn vrouw en vroeg of ze niet op wilde staan.

Toen zei ze: «Ge weet wel dat ik half ziek ben en dat ik de hele nacht niet geslapen heb. Ik kan nog niet opstaan.»

Zo liet de man haar liggen en hij ging eruit om te werken in de stad en in die tijd was zijn vrouw ook niet ledig want zo gauw als de klok acht uur sloeg zo kwam de ene gezel die ze daags tevoren bescheid gegeven had en hij klopte aan de deur en werd terstond binnen gelaten en hij ontkleedde zich terstond en is bij haar onder gegaan en die twee lagen lang bij elkaar om tijd verdrijf totdat een andere kwam kloppen.

Toen zei de vrouw: «Eilaas, daar is mijn man.»

Toen zie die gezel: «Waar zal ik me mogen verbergen zodat uw man me niet vindt want het zou ons beiden het leven kosten?!»

Die vrouw zei: «Neem uw kleren en klim op dat zoldertje en houdt u stil totdat mijn man weg is.»

En die gezel deed alzo hem de vrouw de raad gaf en hij bleef daar zitten op dat zoldertjes wat oud en vol gaten was.

Toen sprong die vrouw lustig van het bed wel wetende dat het haar man niet was en liet de andere in die ze te negen uren had gezegd te komen en hij ontkleedde zich terstond en ging bij mijn jonkvrouw te bed en daar hij de Venus akker bebouwde dat de anderen, die op het zoldertje, niet zeer lief  was toen hij dat zag. Want hij merkte wel dat het haar man niet was en zo wist hij niet goed of hij zwijgen of spreken wilde, maar hij nam geduld en zweeg.

En de laatste gezel lag zo lang zodat haar man kwam kloppen. En de vrouw hoorde terstond dat het haar man was en zo wist ze niet waar ze hem verbergen zou, zo liet ze hem liggen tussen het bed en de muur, zeer benauwd en wierp de kleren en de dekens  over hem.

Toen die man in het huis kwam zo dacht hij wat gerucht van buiten gehoord te hebben en toen hij zag dat het bed zo omgewoeld, niet of er een zieke bruid in gelegen had, maar het lag gelijk of men daar gevochten had en om een slagveld geslagen had en het leek beter een bed van een bruid dan van een zieke vrouw.

Toen zei de man: «O gij aamborstige hoer! Waar is de boef  die bi jou hier gelegen heeft? Ik zeg dat als ik hem mag vinden, het zal hem slecht vergaan!» En met die greep hij de deken en kleren. Toen zei hij: «Hoe netjes is het hier geschikt. Het schijnt of er hier twee gelegen hebben.»

Toen zei de vrouw: «Ben je nu al dronken dat je al op mij wijst en me hoer noemt en je weet toch dat ik dat niet ben?! Maar eilaas, ik ben veel te trouw tot zo’n leegloper en rabauw en het is me leed dat ik zo lang trouw ben geweest en hebt in mij geen oneerbare dingen gevonden.»

Deze arme man wist niet wat te zeggen toen hij zijn vrouw zo hoorde spreken. Zo zweeg die goedzak en zei: «Me lust niet te kijven. Diegene die hier boven is die zal het nog eens alles betalen,» ende hij bedoelde God de Heer.

Maar die op het zoldertje zat die dacht dat hij hem bedoelde en dat hij hem dreigde. Toen zei die gezel: «Hoezo vriend? Het is genoeg als ik de helft betalen zal. Die naast de bedstede ligt die moet wel die ander helft betalen want hij is net zo goed schuldig als ik!»

Toen  was die man zeer verwonderd en hij meende dat God tot hem had gesproken. En die naast de bedstede lag wist niet wat te denken want hij wist van de andere niet maar hij vertoonde zich en stond op en die andere kwam van de zolder beneden. En toen ze elkaar zagen zo zijn ze tezamen er vandoor gegaan en geen van beiden betaalden hun leger nog bedhuur, dus de man was zeer verstoord. Maar ze maakten de man wijs dat de ene doctor in de medicijnen was en haar water bekeken had en de ander was chirurg die haar bloed zou laten uit de aderen en zo stelden ze hem tevreden.

 

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 24. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. Deze nouvelle doet sterk denken aan de Middelnederlandse boerde Heile van Beersele. 3. ¶ La xxxiiii nouuelle racomptee par monseigneur de la roche

[I3rb] Iay congneu en mon temps vne notable femme et digne de memoire/ car les vertuz ne doiuent estre celles ne estainctes/ mais en commune audiance publiquement blansonees. Vous ourrez sil vous plaist en ceste nouuelle la chose de quoy ientens parler/ cest dacroistre sa treseureuse renommee. Ceste vaillant preudefemme mariee a vng tout oultre noz amis auoit plusieurs seruiteurs en amours pourchassans et desirans sa grace qui nestoit pas trop difficile de conquerre tant estoit doulce et piteable/ celle qui la pouoit et vouloit departir largemement par tout ou bon et mieulx lui sembloit.

4. Aduint vng iour que les deux vindrent vers elle comme ilz auoient de coustume non saichas lung de lautre demandans lieu de cuire et leur tour daudiance. Elle qui pour deux ne pour troys neust ia recule ne [I3va] desmarchie leur bailla iour et heure de se rendre vers elle comme a lendemain lung a huyt heures du matin et lautre a neuf ensuyuant/ chargant a chascun par expres et bien acertes quil ne faille pas a son heure assignee. ilz promirent sur leur foy et sur leur honneur silz nont mortel exsoine quilz se rendront au lieu et terme limite. 5. Quant vient a lendemain enuiron cinq heures du matin le mary de ceste vaillante femme se lieue et se habille et se met en point/ et puis la huche et appelle pour se leuer/ 6. mais il ne lui fut accorde/ ains reffuse tout plainement. Ma foy dit elle il mest prins vng tel mal de teste que ie ne me sauroie tenir en piez/ si ne me pourroye encores leuer pour mourir tant suis et foible et trauaillee/ et que vous le sachiez ie ne dormy annuyt/ si vous prie que me laissiez icy et iespoire que quant ie seray seulle ie prendray quelque peu de repos.

 7. Lautre combien quil se doubtast nosa contredire ne repliquer/ mais sen ala comme il auoit de coustume besongnier en la ville. Tantdiz sa femme ne fut pas oyseuse a lostel/ car huyt heures ne furent pas si tost sonnees que vecy bon compaignon du iour de deuant en ce point assigne qui vient heurter a lostel/ et elle le bouta dedans/ il eut tantost despouillie sa robe longue et le surplus de ses habillemens et puis vint faire compaignie a ma damoiselle affin quelle ne sespouentast/ et furent eulx deux [I3vb] tant et si longuement bras a bras quilz ouyrent assez rudement heurter a luys.

8. Ha dit elle par ma foy vecy mon mary/ auancez vous prenez vostre robe. 3. Vostre mary dit il et le cognoissez vous a heurter. Ouy dit elle ie scay bien que cest il/

abbregez vous quil ne vous treuue icy. Jl fault bien se cest il quil me voye/ ie ne me sauroye ou sauluer. Quil vous voye dit elle/ non fera se dieu plaist/ car vous seriez mort et moy aussi/ 4. il est trop merueilleux/ montez en hault en ce petit grenier et vous tenez tout quoy sans mouuoir quil ne vous oye.

9. Lautre monta comme elle lui dit en ce petit grenier qui estoit dancien edifice/ tout desplanche/ deslate/ et pertuise en plusieurs lieux/

10. et ma damoiselle le sentant la dessus fait vng sault iusques a luys tresbien saichant que ce nestoit pas son mary/ et mist dedens celui qui auoit a neuf heures promis deuers elle se rendre. ilz vindrent en la chambre ou pas ne furent longuement debout/ mais tout de plat sentre accolerent et embrasserent en la rnesme ou semblable facon que celui du grenier auoit fait/ lequel par vng pertuis veoit a loeil la compaignie dont il nestoit pas trop content et fist grant proces en son couraige assauoir se bon estoit quil parlast/ ou se mieulx lui valoit se taire/ il conclud toutefois tenir silence et nul mot dire iusques a ce quil verra trop mieulx son heure et son point/ et pensez quil auoit belle pacience.11. Tant attendit tant [I4ra] regarda sa dame auec le suruenu que bon mary vint a lostel pour sauoir de lestat et sante de sa tresbonne femme/ ce quil estoit tresbien tenu de faire. elle louit tantost/ si neust autre loisir que de faire subit leuer sa compaignie/ et elle ne le sauoit ou sauuer pource que ou grenier ne leust iamais enuoye/ et elle le fit bouter en la ruelle du lit et puis le couurit de ses robes/ et lui dit. ie ne vous sauroye ou mieulx logier prenez en pacience. 3. Niet in MNW of WNT –vermoedelijk te begrijpen als een woordgrap: billenslagveld. 12. Elle neut pas acheue son dire que son mary entra dedens qui aucunement si lui sembloit auoir noise entreouye/ si trouua le lit tout desfroissie et despoillie la couuerture mal honnye et destrange biays/ et sembloit mieulx le lit dune espousee que la couche dune femme malade. 13. Berntsz. [1532]: bocue 14. La doubte quil auoit au parauant auec lapparence de present lui fit sa femme appeller par son nom/ et lui dit. paillarde meschante que vous estes ie nen pensoye pas mains huy matin quant vous contrefistes la malade. ou est vostre houlier/ ie voue a dieu se ie le treuue quil aura mal fine et vous aussi. Et lors mist la main a la couuerture et dit/ vecy bel appareil il semble que les pourceaux y aient couchie.

15. Et quauez vous ce dit elle meschant yurongne fault il que ie compare le trop de vin que vostre gorge a entonne/ est ce la belle salutacion que vous me faictes de mappeller paillarde/ ie vueil bien que vous sachiez que ie ne suis pas telle/ mais suis leale et trop bonne pour vng tel paillart [I4rb] que vous estes/ et nay autre regret si non de quoy ie vous ay este si bonne/ car vous ne le valez pas/ et ne scay qui me tient que ie ne me lieue et vous esgratine le visaige par telle facon qua tousiours mes ayez memoire de mauoir ainsi villennee. Et qui me demanderoit comment elle osoit en ce point respondre et a son mary parler/ ie y treuue deux raisons. La premiere si est quelle auoit bon droit en sa querelle/ et lautre quelle se sentoit la plus forte en la place/ et fait assez a penser se la chose fust venue iusques aux horions celui du grenier et lautre leussent seruie et secourue.

16. Le poure mary ne scauoit que dire qui ouyoit le deable sa femme ainsi tonner/ et pource quil veoit que hault parler et fort tenser nauoit pas lors son lieu. il print le proces tout en dieu qui est iuste et droiturier. Et a chief de sa meditacion entre autres parolles il dit/ vous vous excusez beaucoup de ce dont ie scay tout le vray. au fort il ne men chault pas tant quon pourroit bien dire/ ie nen quiers iamais faire noise celui de la hault paiera tout et par celui denhault il entendoit dieu/

18. mais le galant qui estoit ou grenier qui oyoit ces parolles cuidoit a bon escient que lautre leust dit pour lui et quil fust menacie de porter la paste au four pour le meffait dautruy. Si respondit tout en hault. Comment sire il suffit bien que ien paye la moitie/ celui qui est en la ruelle du lit peut bien payer lautre moitie/ car certainement ie croy quil [I4va] y est autant tenu que moy

1. [onduidelijk wat betreft de exacte betekenis] 2. Qui fut bien esbahy ce fut laultre/ car il cuidoit que dieu parlast a luy et celuy de la ruelle ne sauoit que penser car il ne sauoit rien de laultre. il se leua toutesfois et lautre se descendit qui le congneut si se partirent ensemble et laisserent la compaignie bien troublee et mal contente dont il ne leur chaloit guerez et a bonne cause

 

 

[11] 1 Een bedroch in ouden tijden geschiet van Vergilius.

Vergilius was een zeer wijs ende expert man, ende was een meester van veel diversche consten, die hem die Duyvel geleert hadde, so men seyt, ende was ooc een wijs man in den rade, sodat die keyser vercoos hem te zijn een van sinen raetsheeren.

Dese Vergilius dede wonder metter nigromanciĎn: Hi maecte eenen boomgaert daer alle manieren van bomen in waren, van allen fruyte ende vruchten, ende als’t in den tijt was, so vant men daer altijt rijpe vruchten, schoon bloemen ende zaet. Ende daer waren in alle manieren van voghelen, die nacht ende dach songhen. Ende desen boomgaert en was anders niet besloten dan metter lucht, ende daer en conde nyemant van buyten in comen.

Noch hadde hi te Romen 2 gemaect een beelde hooch in die lucht, dat niet vallen en mochte. Ende die van Romen en mochten niet open doen noch duere noch vensteren, men sach altijt dat beelde. Ende wie dat beelde aensach, die en hadde op dien dach gheen genuechte om vleeschelijcke ghenuechte te hanteren, d’welck die vrouwen van Romen claechden Vergilius’ wijf, die ten laetsten dat beelde neder wierp, ende doen deden die vrouwen weder haren wille.

Dese Vergilius hadde ooc gemaect in’t midden van Romen tot profijt van den gemeynen volc een glasen lampe, die des nachts al Romen door lichte, soodat daer gheen so cleynen straetken en was, ’t en wasser also licht oft daer twee toortsen gebrant hadden, ende so men seyt, dat stont wel drie hondert jaren.

Ende niet verre daeraf had hi gemaect eenen coperen man met eenen hantboghe, mickende met sinen pijl op die lampe. So geviel’t op een tijt dat die dochteren van Romen ginghen spelen op eenen avont, ende daer quam een van den maechden, die sloech met haren vinger op die peese van den boghe, ende die pijl vlooch also los, ende schoot die lampe in stucken, dat groot jammer was.

Ende op een ander tijt dede Vergilius uutgaen al dat vier dat binnen Romen was, ende niemant en conde vier gecrijgen dan aen eender vrouwen naers, die hem bedrogen hadde, noch men conde gheen ontsteken die een van den anderen, maer elck huys moste zijn vier halen op die marct aen der vrouwen naers.

Dese Vergilius, al was hi wijs ende van allen consten meester, nochtans wert hi ooc bi vrouwen bedrogen. Op een tijt was hi verlieft op een schoon jonckfrouwe van edelen geslachte, so dede hi so veel dattet haer te weeten quam. So dachte si hoe se hem bedriegen soude, so seyde si: «Het is zeer sorchlijc sulcke dingen te beginnen, want een mensche coemt wel lichtelijc aen die liefde ende in Venus’ strick, maer hi en can daer so lichtelijc niet af comen. Maer lieve Vergili, 3 om u te believen ende uwen wille te doen, so coemt t’avont aen mijn huys. Als elck slapen is, so sal ic een mande neder laten met een coorde, ende daer suldy in sitten, ende sal ic u optrecken tot in mijn camer.»

Daeraf dat Vergilius zeer blijde was, ende seyde dat hi so doen soude. Ende als’t nu avont was, so quam Virgilius aen deser joncfrouwen huys, dat aen die marct stont midden in Romen, ende si liet die mande neder ter aerden, ende Vergilius sadt daerin, ende si dede hem optrecken tot aen dat middel van den huyse. Ende als hi op elf voeten na bi haer vensteren was, so maecte si die coorde vast, ende liet hem doen hangen, ende seyde: «Nu sal men sien u boevrye: hoe dat ghi bi mi hebt willen slapen.» Ende daer bleef hi hangen tot des anderen daechs in bespottinge van allen menschen, d’welck hi namaels op haer wraeck, ende aldus wert hy deerlic bedrogen.

So dede Vergilius op een ander tijt tot profijt van den Romeynen, om dat si mochten hebben cort recht sonder lange te dingen, so maecte hi eenen metalen leeuwe by nigromanciĎn: so wie zijn hant stack in die keele van den leeuwe, ende swoer dat zijn sake recht was ende goet, ende zijn eedt was valsch, die verloos zijn hant. Ende wie dat swoer eenen goeden eedt, die trac zijn hant wederom uut sonder sorghen ende perikel.

So gevielt op een tijt dat Virgilius zijn vrouwe betijde met eenen anderen edelen man, dat si versaecte ende seyde dattet gelogen was, ende si wilde haer recht nemen aen den leewe, ende als dit dus stont, ende den dach bescheyden was te recht te comen, so dede die vrouwe soo veel dat die edel man, haer boel, hem cleede in sots cleederen, ende

hi quam mede daer die leeuwe was, daer die vrouwe haer hant stack in die keele van den leeuwe, ende swoer dat se metten man daer si mede beclaget was, niet meer te doen en hadde dan met dien sot die daer stonde, ende so trac die vrouwe haer hant gesont wederom uut. Nochtans wist Vergilius dat se met den man te doen had, daer si mede beteghen was. Doen wert Vergilius gram, ende destrueerde den leeuwe, dat daernae gheen justicie noch recht gedaen en wert bi den leeuwe.

Siet hoe die meester Vergilius, die zeer wijs ende constich was in allen dingen, door die vrouwe bedrogen wert.

Een bedrog in ouden tijden geschiedt van Virgilius.

Virgilius was een zeer wijs en ervaren man en was een meester van veel diverse kunsten die hem de duivel geleerd had, zo men zegt, en was ook een wijs man in de raad zodat de keizer hem koos als een van zijn raadsheren.

Deze Virgilius deed wonder met de zwarte kunst. Hij maakte een boomgaard waar alle soorten van bomen in waren, van alle fruit en vruchten en als het tijd was zo vond men daar altijd rijpe vruchten, mooie bloemen en zaad. En daar waren ook alle soorten vogels die nacht en dag zongen. En deze boomgaard was niet anders besloten dan met de lucht en daar kon niemand van buiten in komen.

Nog had hij te Rome een beeld hoog in de lucht gemaakt die niet vallen kon. En die van Rome konden geen deur of vensters open doen, men zag altijd dat beeld. En wie dat beeld bekeek die had op die dag geen genoegen om vleselijke genoegens te hanteren wat de vrouwen van Rome beklaagden bij Vergilius vrouw die tenslotte het beeld neer wierp en toen deden de vrouwen weer hun wil.

Deze Virgilius had ook gemaakt in het midden van Rome tot profijt van het gewone volk een glazen lamp die ‘s nachts geheel Rome verlichtte zodat er geen klein straatje was of het was er licht alsof er twee toortsen brandden en zo men zegt het stond er wel drie honderd jaar.

En niet ver daarvan had hij gemaakt een koperen man met een handboog die met zijn pijl op die lamp mikte. Zo gebeurde het op een tijd dat de dochters van Rome gingen spelen op een avond en daar kwam een van die maagden en die sloeg met haar vinger op de pees van de boog en die pijl vloog alzo weg en schoot de lamp in stukken wat zeer spijtig was.

En op een andere tijd liet Virgilius al dat vuur dat binnen Rome was uitgaan en niemand kon vuur krijgen dan bij de buurvrouw die hem bedrogen had, nog kon men er geen ontsteken aan een van de andere, maar elk huis moest zijn vuur halen op de markt bij die buurvrouw.

Deze Virgilius, al was hij wijs en van alle kunsten meester, nochtans werd hij ook door vrouwen bedrogen. Op een tijd was hij verliefd op een mooie jonkvrouw van edel geslacht en zo deed hij zoveel dat ze het te weten kwam. Zo bedacht ze hoe ze hem bedriegen kon en zo zei ze: «Het is zeer zorgelijk zulke dingen te beginnen want een mens komt wel licht aan de liefde en in Venus strikken, maar hij kan daar niet zo gemakkelijk van af komen. Maar lieve Virgilius om u te believen en uw wil te doen zo kom vanavond bij mij thuis. Als iedereen slaapt zo zal ik een mand laten zakken met een koord en daar zal je in zitten en ik zal u optrekken tot in mijn kamer.»

Waarvan Virgilius zeer blijde was en zei dat hij het zo zou doen. En toen het nu avond was zo kwam Virgilius bij het huis van deze jonkvrouw dat aan de markt midden van Rome stond en ze liet de mand neer ter aarde en Virgilius zat daarin en ze liet hem optrekken tot aan het midden van dat huis. En toen hij op elf voeten bij haar venster was zo maakte ze het koord vast en liet hem toen hangen en zei: «Nu zal men uw boevenstreken zien, hoe dat ge bij mij hebt willen slapen.» En daar bleef hij hangen tot de volgende dag in bespotting van alle mensen wat hij later op haar wraakte en aldus werd hij deerlijk bedrogen.

Zo liet Virgilius op een andere tijd tot profijt van de Romeinen, zodat ze een kort recht zonder lange dingen mochten hebben, zo maakte hij een metalen leeuw door zwarte kunst en zo wie zijn hand in de keel van de leeuw stak en zwoer dat zijn zaak recht en goed was, maar was zijn eed vals dan verloor hij zijn hand. En wie een goede eed zwoer die trok zijn hand er weer uit zonder zorgen en problemen.

Zo gebeurde het op een keer dat Virgilius zijn vrouw de tijd liet verlopen met een andere edele man zodat ze verzaakte en zei dat het gelogen was en ze wilde haar recht nemen aan de leeuw en toen dit dus stond en de dag aanbrak om bij het recht te komen zo deed die vrouwe zoveel dat die edele man, haar vrijer, zich kleedde in zot kleren en hij kwam ook daar die leeuw was waar de vrouw haar hand in de keel stak en zwoer dat ze met de man waarmee ze aangeklaagd was niets meer van doen had dan met die zot die daar stond en zo trok die vrouw haar hand er weer gezond uit. Nochtans wist Virgilius dat ze met de man te doen had waarmee ze aangeklaagd was. Toen werd Virgilius gram en vernielde de leeuw zodat daarna geen justitie nog recht gedaan werd door de leeuw.

Zie hoe die meester Virgilius, die zeer wijs en kunstig was in alle dingen door de vrouw bedrogen werd.

 

 

 

1. Vermoedelijk genomen uit Virgilius. Van zijn leven, doot ende vanden wonderlijcken wercken die hi dede by nigromancien ende by dat behulpe des duvels, een Middelnederlandse vertaling/bewerking van een mogelijk Franse, niet bewaard gebleven brontekst gedrukt door Jan van Doesborch omstreeks 1515 te Antwerpen.

2. http://en.wikipedia.org/wiki/History_of_Rome

3. Onduidelijk is of ‘Vergili’ als vocatief bedoeld is of dat de -us abbreviatuur ontbreekt.

 

 

[12] 1 Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden.

In’t conincrijck van Vranckrijck was die schoonste man ende prince van geheel Vranckrijck in zijnder tijt, daer ick af spreken sal. Dese prince hadde zijn herte ghestelt in minne van een schoon joncfrouwe, d’welcke was die schoonste joncfrouwe van state, die de coninginne by haer hadde, ende si was so schoon ende duechdelijc, dat se by der coninginne sliep. Ende dese schoone prince sprack dicwils met deser schoonder staet joncfrouwe, ende dede haer open zijn herte, ende sprac so lieflijc met haer, dat se oock met zijnder liefden bevangen wert, ende si consentreerden tijt en stont, ende si en wisten niet hoe si bi malcanderen comen souden. 2

Ende op een tijt so quam si bi den prince ende seyde: «Ghi weet wel dat ic slape bi der coninginnen, ende daerdoor 3 geschiet mi grote eere, dat ick die niet verlaten en can, oft ick moste mi heel onteeren, d’welck dat groot ongeluck ware – vare van mi! Nochtans soude ic u wel willen behagen ende te wille zijn, al dat ghi op my begeeren moghet, mochten wij’t secretelijc maken. Nochtans sal ick u bewijsen dat ic u 2 in mijn herte heb, ende uwer minnen te believen, behoudelijc dat ic sonder te begeven haer, daer ic alle eere ende waerdicheyt af hebbe. 3 Mer ic sal u seggen wat ic doen sal: Die coninginne heeft een hondeken, so ghi wel weet, d’welck si zeer lief heeft, ende het moet altoos slapen in haer camer. Ende ic sal’t te nacht buyten sluyten, ende ick sal die bereycamer ontsluyten. 4 Ende als u dunct dat die coninginne te bedde is, dan coemt secretelijck in die camer, ende sluyt die camer toe, ende daer suldi dat hondeken vinden dat u wel kent. Ende dan suldi dat hondeken nemen metten ooren, ende doen dat wel luyde jancken ende crijten. 5 Ende als’t die coninghinne sal hooren, dan sal si ’t geluyt wel kennen, ende si sal mi terstont op doen staen om dat hondeken in te laten, ende dan sal ick sekerlijc bi u comen. Mer en faelgiert ghi doch niet, of ic en sal nemmermeer met u spreken!» 6

Doe sprack hi: «O mijn zeer beminde, graciose, ghetrouwe lief, ick dancke u so hoochlijc als ic can. Denct vrij dat ic niet faelgeren en sal.» Ende hi heeft sinen tijt verbeyt, ende is gecomen alsoo’t voorseyt was. 7

Ende dat hondeken meynde te gaen in der coninginnen camer soo’t gewoonlijc was te doen, maer omdat die duere gesloten was, so ginc’t in die vertreckcamer die daernaest stont. 8

Ende die coninginne is te bedde gegaen ende die camerjoncfrouwe bi haer. Ende die schoone prince is secretelijc ghecomen in die vertreckcamer, ende heeft dat hondeken gesocht op handen ende op voeten, ende heeft dat in’t leste gevonden, ende hi heve’t luyde doen crijten. Ende die coninginne dat horende dattet hondeken wilde in wesen, so seyde die coninginne totter camerjoncfrouwe: «Daer hoor ic mijn hondeken. Staet doch op ende late’t in.» 9

«Gheerne mijn vrouwe, dat sal ic doen,» ende si quam ter dueren waert in haer hemdeken, ende die prince quam haer te ghemoete. 10

Als hi se sach so gracioos ende so schoon gedaen, so was hi so verblijt, dat hi verloos zijn cracht ende ghevoelen, ende ’t en was in zijnder macht niet om eens te smedene op Venus’ ambeelt, mer hi omhelde se ende custe se zeer vriendelijc, ende hi taste die ronde borstkens, ende al datter amoruesheyt toebehoert, 11 sonder dat spel van Venus. 12

So most die joncfrouwe 12 wederkeeren sonder troost. Nochtans had se die prince noch geerne ghehouden, mer si en dorste niet langher blijven, ende dus sloot die joncfrouwe die duere toe. 13

Ende die coninghinne vraechde of si dat hondeken had inghelaten, dies si seyde dat zij’s niet en conde vinden. Die coninginne seyde: ’t Is goet. Gaet slapen.» 14

Die prince zeer beschaemt zijnde greep weder moet ende seyde: «Quame mijn lief noch eens so schoone als si gheweest hadde, ic soude haer beter een man thonen te zijn,» ende hy greep dat hondeken metter ooren ende dede’t zeer crijten, dat ’t die coninginne hoorde, so dat se haer camerjoncfrouwe dede opstaen. 15

Ende noch eens ten derden. mer die arme prince en had die cracht niet om een speerken te breken, d’welck si begeerde met vierighe appetijte, verwachtende al dat haer overcomen mocht. 16

Als si nu sach datter niet af vallen en wilde so ginc se wech ende hi volchde se. Doen seyde die joncfrouwe om hem te betalen, ende der coninghinne te vernoegen: «Wech, wech, ontijdige ape so ghi zijt. Ghi en sult’er desen nacht niet in huys wesen, ghy vuyl leelijcke beeste!» Ende met dien so sloot si die duere. 17

Ende die coninginne vraechde tegen wie dat si sprac. 18

«’t Is tegen desen anderen hont, die mi so veel pijnen heeft aengedaen om te soecken. Hi hadde hem gestelt onder een bancke, ende als ic hem hadde vonden, so en wilde hi niet opstaen, al wat ic hem dede... Ick hadde hem gheerne in gehadt, maer hi en heeft zijn hooft niet op willen heffen. Dus heb ic hem buyten ghelaten ende sloot hem die duere voor zijn hooft in een spijte.» 19

Die coninginne seyde: «Dochter, dat is wel gedaen.» 20 Aldus heeft die edel amoreus dy bloeme bedroghen. 21 Ick gheloove daerna als hy wilde ende macht had, dat haren wille dan uuter stadt was.... 22

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden.

In het koninkrijk van Frankrijk was de mooiste man en prins van geheel Frankrijk in zijn tijd waarvan ik zal spreken. Deze prins had zijn hart gesteld in de minne van een mooie jonkvrouw die de mooiste jonkvrouw van de staat was en die de koningin bij haar had en ze was zo mooi en deugdelijk zodat ze bij de koningin sliep. En deze mooie prins sprak vaak met deze  mooie jonkvrouw en deed zijn hart open bij haar en sprak zo lieflijk met haar zodat ze ook met zijn liefde bevangen werd en ze bevestigden tijd en plaats maar ze wisten niet hoe ze bij elkaar zouden komen.

En op een tijd zo kwam ze bij de prins en zei: «Ge weet wel dat ik slaap bij de koningin en daardoor geschiedt me grote eer dat ik die niet verlaten kan of ik moet me geheel onteren wat een groot ongeluk is – vaar van mij! Nochtans zou ik u wel willen behagen en te wille zijn alles dat gij op mij begeren mag, mochten wij het geheim maken. Nochtans zal ik u bewijzen dat ik u in mijn hart heb en uw minnen te believen en behouden dat ik zonder te begeven haar daar ik alle eer en waardigheid van heb. Maar ik zal u zeggen wat ik doen zal: De koningin heeft een hondje zo je wel weet die ze zeer lief heeft en het moet altijd slapen in haar kamer. En ik zal het ‘s nachts buiten sluiten en ik zal de werkkamer openen. En als u denkt dat de koningin te bed is kom dan geheim in die kamer en doe de deur dicht en daar zal u het hondje vinden dat u wel kent. En dan zal u het hondje nemen bij de oren en laat dat goed luid janken en krijsen. En als de koningin dat zal horen dan zal ze het geluid wel kennen en ze zal me terstond laten opstaan om dat hondje binnen te laten en dan zal ik zeker bij u komen. Maar faal toch niet anders zal ik nimmermeer met u spreken!»

Toen sprak hij: «O mijn zeer beminde, gracieuze, getrouwe lief, ik dank u zo hoog als ik kan. Denk vrij dat ik niet zal falen» En hij heeft zijn tijd afgewacht en is gekomen zoals gezegd is.

En dat hondje meende in de koningen kamer te gaan zo het gewoonlijk was te doen, maar omdat de deur gesloten was zo ging het in de werkkamer die daarnaast stond.

En de koningin is naar bed gegaan en de kamerjonkvrouw bij haar. En die mooie prins is in het geheim gekomen in de werkkamer en heeft dat hondje gezocht op handen en op voeten en heeft dat tenslotte gevonden en hij heeft het luid laten krijsen. En toen de koningin hoorde dat het hondje binnen wilde komen zo zei de koningin tot de kamerjonkvrouw: «Daar hoor ik mijn hondje. Sta toch op en laat het er in.»

«Graag, mijn vrouwe, dat zal ik doen,» en ze kwam uit de deur in haar hemdje en de prins kwam haar tegemoet.

Toen hij haar zo gracieus en zo mooi gedaan zag zo was hij zo verblijd dat hij zijn kracht en gevoel verloor en had niets in zijn macht niet om eens te smeden op Venus aambeeld, maar hij omhelsde en kuste haar zeer vriendelijk en hij betaste de ronde borstjes en alles dat tot de amoureusheid behoort zonder dat spel van Venus.

Zo moest die jonkvrouw terug keren zonder troost. Nochtans had ze die prins toch graag gehouden, maar ze durfde niet langer te blijven en dus sloot de jonkvrouw de deur dicht.

En de koning vroeg of ze dat hondje had binnen gelaten en dus zei ze dat ze hem niet kon vinden. De koningin zei: Het is goed, ga slapen.»

De prins zeer beschaamd greep weer moed en zei: «Kwam mijn lief nog eens zo mooi als ze geweest is, ik zou haar een betere man tonen te zijn,» en hij greep dat hondje bij de oren en liet het zeer krijsen zodat de koningin het hoorde zodat ze haar kamerjonkvrouw liet opstaan.

En noch eens de derde maal, maar die arme prins had de kracht niet meer om een speertje te breken wat ze met vurige appetijt begeerde en verwachtte alles wat haar overkomen mocht.

Toen ze zag dat er niets van wilde afvallen zo ging ze weg en hij volgde haar. Toen zei de jonkvrouw om hem te betalen en de koningin te vergenoegen: «Weg, weg, ontijdige aap zo je bent. Ge zal deze nacht niet in huis wezen, gij vuile lelijk beest!» En met die zo sloot ze de deur.

En de koningin vroeg tegen wie ze sprak.

«Het is tegen die andere hond die me zoveel pijn heeft gedaan om te zoeken. Hij had zich gesteld onder een bank en toen ik hem had gevonden zo wilde hij niet opstaan alles wat ik hem deed... Ik had hem graag in me gehad, maar hij heeft zijn hoofd niet op willen heffen. Dus heb ik hem buiten gelaten en sloot hem de deur voor zijn hoofd in spijt.»

De koningin zei: «Dochter, dat is goed gedaan.» Aldus heeft die edele amoureuze de bloem bedrogen. Ik geloof dat daarna toen hij wilde en macht had dat haar wil de stad uit was....

 

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 28. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La .xxviii. nouuelle/ par messire MICHAULT DE CHAUGY.

Se au temps du tresrenomme et eloquent BOCCACE laduenture dont ie [G6rb] vueil fournir ma nouuelle fut aduenue et a son audience et congnoissance paruenue ie ne dobute point quil ne leust adioustee et mise ou reng des nobles hommes mal fortunez/ Car ie ne pense pas que noble homme iamais pour vng coup eust gueres fortune plus dure a porter que le bon seigneur que dieu pardoint/ dont ie vous compteray lauenture. et se sa male fortune nest digne destre oudit liure de BOCACE ien fais iuge tous ceulx qui lorront racompter. Le bon seigneur dont ie vous parle en son temps vng des beaulx princes de ce royaulme/ garny et adressie de tout ce quon scauroit louer et priser vng noble homme/ et entre aultres ses proprietez il estoit tel destine quentre les dames iamais homme ne le passa de gracieusete. Or luy aduint que au temps que ceste renommee et destinee florissoit et quil nestoit bruit que de luy/ AMOURS qui seme ses vertus ou mieulx luy plaist et bon luy semble fist aliance a vne belle fille ieune gente/ gracieuse/ et en bon point en sa facon/ ayant bruit autant et plus que nulle de son temps tant par sa grant et non pareille beaute/ comme par ses tresbelles meurs et vertus/ et qui pas ne nuysoit au ieu tant estoit en la grace de la royne du pays quelle estoit son demy lit les nuys que ladicte royne point ne couchoit auec le roy. Ces amours que ie vous dis furent si auant conduictes quil ne restoit que temps et lieu pour dire et faire chascun a sa partie. la chose au monde que plus lui pourroit plaire. ilz ne furent pas peu de iours pour [G6va] aduiser lieu et place conuenable a ce faire/ 3. Berntsz. [1532]: daer dor

2. Ontbreekt in Berntsz. [1532] 3. mais en la fin celle qui ne desiroit pas mains le bien de son seruiteur que la saluacion de

son ame saduisa dung bon tour dont tantost lauertit disant ce qui sensuit Mon tresloyal amy vous scaues comment ie couche auec la royne et que nullement ne mest possible se ie ne vouloie tout gaster dabandonner cest honneur et auancement dont la plus femme de bien de ce royaulme se tiendroit pour bien eureuse et honnoree/ combien que par ma foy ie vous vouldroie complaire et faire vostre plaisir et daussi bon cueur comme a elle/ et quil soyt vray ie le vous monstreray de fait sans abandonner toutesfois celle qui me fait et peut faire tout le bien et lhonneur du monde/ ie ne pense pas aussi que vous voulsissiez que aultrement ie fisse. Non par ma foy mamye respondit le bon seigneur/ mais toutesfois ie vous prie quen seruant vostre maistresse/ vostre leal seruiteur ne soit point arriere du bien que faire luy pouez qui ne luy est pas maindre chose de[n] vostre grace et amour paruenir/ que gaigner le surplus du monde. 4. Vecy que ie vous feray monseigneur dit elle/ la royne a vne leuriere comme vous scauez dont elle est beaucoup assotee et la fait couchier en sa chambre/ ie trouueray facon anuyt de lenclorre hors de la chambre sans quelle en saiche rien. Et quant chacun sera retrait ie feray vng sault iusques en la chambre de parement et deffermeray luys et le laisseray entre ouuert. 5. Et quant vous penserez que la royne pour[G6vb]ra estre au lit vous viendres tout secretement et entrerez en Iadicte chambre et fermerez luys/ vous y trouuerez la leuriere qui vous cognoist assez/ si se laisserra bien approuchier de vous/ vous la prendres par les oreilles et la feres bien hault crier. 6. Et quant la royne lorra elle la congnoistra tantost. Je ne me doubte point quelle ne me face leuer incontinent pour la mettre dedans/ et en ce point viendray ie vers vous et ne failles point se iamais vous voules parler a moy.

7. Ha ma treschiere et loiale amye dit monseigneur ie vous mercye tant que ie puis/ penses que ie ny fauldray pas. Et a tant se part et sen va et sa dame aussi chascun pensant et desirant dacheuer ce qui est propose. 2. Quen vauldroit le long compte/ la leuriere se cuida rendre quant il fut heure en la chambre de sa maistresse comme elle auoit accoustume/ mais celle qui lauoit condamnnee dehors la fit retraire en la chambre au plus pres/

8. et la royne se coucha sans ce quelle sen donnast garde/ et assez tost apres luy vint faire compaignie la bonne damoyse[l]le qui nattendoit que leure douyr crier la leuuriere et la semonce de bataille. ne demoura gueres que le gentil seigneur se mist sur Ies rens et tant fit quil se trouua en la chambre ou la leuriere se dormoit iI la quist tant au pie que a la main quil la trouua/ et puis la prinst par les oreilles et la fist hault crier deux ou trois fois et la royne qui loyoit congneut tantost que cestoit sa leuriere et pensoit quelle vouloit estre dedans. Si appella sa damoiselle et [G7ra] luy dist/ mamye vela ma leuriere qui se plaint la hors/ leuez vous si la mettez dedans.

9. Voulentiers ma dame dit la damoiselle. Et ia soit quelle attendit la bataille dont elle mesmes auoit leure et le uour assigne/ si ne sarma elle que de sa chemise/ et en ce point sen vint a luys et louurit ou tantost luy vint a lencontre celuy qui lattendoit. 5. Berntsz. [1532]: toebehorrt

10. Jl fut tant ooyeux et tant surprins quant il vit sa dame si belle et en si bon point quil perdit force/ sens et aduis/ et ne fut en sa puissance adoncques tirer sa dague pour esprouuer selle pourroit prendre sur ses cuyrasses. trop bien de baiser/ daccoler/ de manier le tetin et du surplus il faisoit assez diligence: mais du parfait nichil.

12. Berntsz. [1532]: prince 13. Si fut force a la gente damoiselle quelle retournast sans luy laisser ce quauoir ne pouoit

se par force darmes ne le conqueroit/ et ainsi quelle voulut partir il la cuidoit retenir par force et par doulces parolles/ mais elle nosoit demourer/ si luy ferma luys au visaige 14. et sen reuint par deuers la royne qui lui demanda selle auoit mis sa leuriere dedans/ et elle dit que non: car oncques puis ne lauoit sceu trouuer et si auoit beaucoup regarde. Or bien dist la royne couchez vous/ tousiours laura on bien.

15. Le poure amoureulx estoit a celle heure bien mal content qui se veoit ainsi deshonnorer et aneantir. et si cuidoit au par auant et bien tant en sa force se fioit quen mains dheure quil nauoit este auec sa dame/ il en eust bien combatu telles trois et venu au dessus delles et a son honneur. au fort [G7rb] il reprint couraige et dist bien en soymesmes sil est iamais si eureux que de trouuer sa dame en si belle/ elle ne partira pas comme elle a fait lautre fois/ et ainsi anime et esguillonne de honte et de desir il reprent la leuriere par les oreilles/ et la tira si rudement tout courrouce quil estoit/ quil la fist crier beaucoup plus hault quelle nauoit deuant. Si hucha arriere a ce cry la royne sa damoiselle qui reuint ouurir luys comme deuant/ mais elle sen retourna deuers sa maistresse sans conquester ne plus ne mains quelle fit a lautre fois.

16. Or reuint la tierce fois que ce poure gentil homme faisoit tout son pouoir de besoigner comme il auoit le desir. mais au deable de lomme sil peust oncques trouuer maniere de fournir vne poure lance a celle qui ne demandoit aultre chose et qui lattendoit tout de pie quoy

17. Et quant elle vit quelle nauroit pas son panier percie et quil nestoit pas en lautre mettre seulement sa lance en son arrest quelque aduantaige quelle luy fist. tantost congneut quelle auoit a la iouste failly dont elle tint beaucoup mains de compte du iousteur. elle ne voulut nosa la plus demourer pour conquest quelle y fist. si voulut rentrer en Ia chambre et son amy la retiroit a force et disoit/ helas mamye demeures encores vng peu ie vous en prie. Je ne puis dit elle laissez moy aler/ ie nay que trop demoure pour chose que iaye prouffite/ et a tant se tourne vers la chambre et lautre la suyuoit qui la cuidoit retenir. Et quant elle vit [G7va] ce/ pour le bien payer et la royne contenter elle ala dire tout en hault. Passez passez orde caigne que vous estes/ par dieu vous ny entreres meshuy meschante beste que vous estes. et en ce disant ferma luys

18. et la royne qui louyt demanda/ a qui parlez vous mamie. 19. Cest a ce paillart chien ma dame qui ma fait tant de peine de le querir/ il sestoit boute soubz vng bang la dedans et cachie tout de plat le museau sur la terre/ si ne le scauoye trouuer. et quant ie lay eu trouue il ne sest oncques daingne leuer pour quelque chose que ie luy aye fait/ ie leusse tresvoulentiers boute dedens mais il na oncques daigne leuer la teste si lay laisse la dehors et a son visage tout par despit ay ferme luys. 20. Cest tresbien fait mamye dist la royne/ couchez vous si dormirons. 21. Ainsi que vous aues ouy fut mal fortune ce gentil seigneur/ 22. Et pour ce quil ne peust quant sa dame voulut/ ie tien moy quant il eust bien depuis la puissance a commandement/ le vouloir de sa dame fut hors de ville.

 

[13] 1 Een bedroch geschiet in ouden tijden hoe Sampson bedroghen wert.

Sampson zijnde een starck jongelinc quam in Thamnata, 2 daer hi sach een van den dochteren der Philisteen, die hy begheerde te hebben tot eender huysvrouwe. Ende als hi quam bi den wijngaert van der stadt, so quam hem tegengelopen een jonge leew, dien hi doode. Op een corte tijt daernae, als hi van zijn vader ende moeder quam, so quam hi weder ter plaetsen daer hi den leeuwe ghedoot hadde, so vant hi in den mont van den leew een swarm byĎn.

Ende als zijn bruylecht zijn soude, so quamen daer dertich jongen tot zijnder feesten. Ende Sampson seyde: «Ic sal u geven een raetsel. Ende is’t dat ghij’t mi segt in seven dagen van mijnder feesten, ic sal u gheven dertich zijden mantels ende so veel rocken. Ende en solueert ghi mijn raetsel niet, so sult ghilieden mi so veel geven.» Doen seyden die jongen: «Segt ons u raetsel. Sampson seyde: «Van den etende is spijse uutgegaen, ende van den starcke is soeticheyt ghecomen.» Ende si en conden dat raetsel niet gesolveren.

Doe quamen si totter bruyt ende seyden: «Bidt uwen man dat hi u bediede dat raetsel. En doedijs niet, wi sullen u ende dijns vaders huys in brande steken.»

Doen quam die bruyt tot Sampson al weenende: «Segt doch mi dat bescheet van den raetsel, oft ic segge dat ghi mi niet lief en hebt.»

Sampson seyde: «Ic en heb’s vader noch moeder willen te kennen geven. Hoe sal ic’t u dan seggen?» Ende die bruyt weende al die seven dagen lanck van haerder feesten.

Ende op den seuensten dach so quelde si Sampson so zeer, dat hij’t haer seyde, ende si seyde’t voort den jongers, die tot Sampson seyden: «Wat is soeter dan honich ende wat is starcker dan die leew?»

Doen seyde Sampson: «En hadde ghedaen mijn verse calf, 3 ghi en sout mijn raetsel niet gesolveert hebben.

Siet hoe Samson bi dat weenen van der vrouwen bedrogen was.

Ende daer na quam Sampson om bi zijn huysurouwe te gaen, so hi plach, dat hem die vader verboot, ende seyde: «Ic meynde ghi hadt se willen doden. Daerom heb ic haer eenen anderen man gegeven.»

Doe wert Sampson toornich, ende dede groote schade den PhilisteĎn. Dit siende die PhilisteĎn dat dit 3 die schult was Sampsons vrouwe, so verbranden si haer ende haren vader in zijn huys.

Hier na beminde hi zeer een vrouwe woonende in dat dal van Soreth, geheeten Dalida. Ende die oppersten ende princen der PhilisteĎn quamen tot Dalida ende seyden: «Wilt doch Sampson bedriegen, ende hem vragen waerin dat die starckheyt van Sampson is, opdat wij hem mogen verwinnen? En is’t dat ghi dat doet, so sullen wi u elck geven .M.C. silveren penningen.»

Ende Dalida socht die oorsake om hem te bedriegen, ende Sampson dede hem driemael binden door die bede van Dalida met driederley banden, maer altoos brack hi die banden, ende versloech zijn vianden tot drie reysen toe.

Als dit Dalida al gesien heeft, so quam si bi Sampson met smeeckende, soete woorden, ende seyde: «O Sampson, ghi segt dat ghy my lief hebt, ende u herte en meynt mi niet. Ghi hebt mi gelogen drie reysen, ende ghi en hebt mi niet willen seggen waer u starckheyt in gelegen is.» Ende si quelde Sampson veel daghen totter doot toe.

Ten laetsten seyde Sampson die waerheyt aldus: «Ware mijn hooft geschoren dan soude al mijn cracht vergaen.»

Doe ontboot si weder die PhilisteĎn, ende si dede Sampson slapen in haren schoot, ende si riep tot haer eenen barbier, ende schoor hem af zijn hayren van sinen hoofde, ende doen stiet si hem van haer, ende zijn macht ginc van hem.

Doen riep Dalida: «Sampson, Sampson, die PhilisteĎn zijn op u!»

Doen stont hi op uut sinen slape, ende hi wert terstont gevangen, ende zijn oogen werden hem uutghesteken, ende door die cause bleef hi doot.

Siet toe ghi mannen, jonck ende out, hoe die starcke Sampson bedrogen was van die valsce vrouwe Dalida! Wie sal nu geloven den soeten woorden ende dat 4 deerlijc weenen van den valschen vrouwen? Elck sie wel toe, ende bidde God om gratie.

Een bedrog geschiedt in oude tijden hoe Samson bedrogen werd.

Samson die een sterke jongeling was kwam in Thamnata en daar zag hij een dochter van de Filistijnen die hij tot een huisvrouw begeerde te hebben. En toen hij bij de wijngaard van de stad kwam zo kwam hem tegemoet lopen een jonge leeuw die hij doodde. Een korte tijd daarna toen hij van zijn vader en moeder kwam zo kwam hij weer op de plaats waar hij die leeuw gedood had en zo vond hij in de mond van de leeuw een zwerm bijen.

En toen zijn bruiloft zou zijn zo kwamen daar dertig jongens tot zijn feest. En Samson zei: «Ik zal u geven een raadsel. En is het dat ge me het zegt in de zeven dagen van mijn feest dan zal ik u geven dertig zijden mantels en zoveel rokken. En lost ge mijn raadsel niet op dan zullen jullie mij zoveel geven.» Toen zeiden die jongens: «Zeg ons uw raadsel. Samson zei: «Van de etende is spijs uitgegaan en van de sterke is zoetheid gekomen.» En ze konden het raadsel niet oplossen.

Toen kwamen ze tot de bruid en zeiden: «Bid uw man dat hij u het raadsel uitlegt. En doe je het niet dan zullen we u en uw vaders huis in brand steken.»

Toen kwam de bruid bij Samson al wenend: «Zeg me toch de oplossing van dat raadsel of ik zeg dat ge me niet lief hebt.»

Samson zei: «Ik heb het vader nog moeder te kennen willen geven. Waarom zal ik het u dan zeggen?» En de bruid weende alle zeven dagen lang van haar feest.

En op de zevende dag kwelde ze Samson zo zeer zodat hij het haar zei en ze zei het voort tot de jongens die tegen Samson zeiden: «Wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan de leeuw?»

Toen zei Samson: «Had mijn jonge koe het niet gedaan dan zou ge mijn raadsel niet opgelost hebben.

Ziet hoe Samson bij dat wenen van de vrouw bedrogen was.

En daarna kwam Samson om bij zijn huisvrouw te gaan zo hij plag wat hem de vader verbood en zei: «Ik meen dat ge haar had willen doden. Daarom heb ik haar een andere man gegeven.»

Toen werd Samson vertoornd en deed de Filistijnen grote schade. Dit zagen de Filistijnen dat dit de schuld was van Samson’ s vrouw en zo verbrandde ze haar en haar vader in zijn huis.

Hierna beminde hij zeer een vrouw die woonde in dat dal van Soreth en geheten Dalida. En de oppersten en prinsen der Filistijnen kwamen tot Dalida en zeiden: «Wil toch Samson bedriegen en hem vragen waarin de sterkte van Samson is zodat wij hem mogen overwinnen? En is het dat gij het doet zo zullen we u elk geven 1500 zilveren penningen.»

En Dalida zocht de oorzaak om hem te bedriegen en Samson liet hem driemaal binden door de bede van Dalida met drievormige banden, maar altijd brak hij die banden en versloeg zijn vijanden tot drie maal toe.

Toen Dalida dit alles zag zo kwam ze bij Samson met smekende, lieve woorden en zei: «O Samson, ge zegt dat ge me lief hebt en uw hart meent het niet. Ge hebt me drie maal belogen en ge hebt me niet willen zeggen waar uw sterkte in gelegen is.» En ze kwelde Samson vele dagen tot de dood toe.

Tenslotte zei Samson de waarheid aldus: «Was mijn hoofd geschoren dan zou al mijn kracht vergaan.»

Toen ontbood ze weer de Filistijnen en ze liet Samson slapen in haar schoot en ze riep tot zich een barbier en schoor hem af zijn haren van zijn hoofd en toen stiet ze hem van zich en zijn macht ging van hem.

Toen riep Dalida: «Samson, Samson, die Filistijnen komen er aan!»

Toen stond hij op uit zijn slaap en hij werd terstond gevangen en zijn ogen werden hem uitgestoken en door die oorzaak bleef hij dood.

Zie toe gij mannen, jong en oud, hoe die sterke Samson bedrogen was van die valse vrouw Dalida! Wie zal nu geloven de lieve woorden en dat deerlijk wenen van de valse vrouwen? Elk ziet goed toe en bid God om gratie.

 

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische bijbelboek Rechters, 13-16, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd. 2. http://de.wikipedia.org/wiki/Timna_%28Israel%29 3. Herkomst van deze beeldspraak (nog) onduidelijk. Vergelijk de Vulgaat: Judicum 14: 18: et illi dixerunt ei die septimo ante solis occubitum quid dulcius melle et quid leone fortius qui ait ad eos si non arassetis in vitula mea non invenissetis propositionem meam

3. Berntsz. [1532]: die

4. Ontbreekt in Berntsz. [1532].

 

 

[14] 1 Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden.

Een edel man zeer vroom ter wapenen was op een schoon jonge joncfrouwe zeer verlieft, ende hi sprac so lange met haer, dat si hem consenteerde in alle dat hy begheeren mochte. Ende als hi een wijle tijts zijn liefde volbracht hadde, so vertrack hi nae SpaengiĎn met sinen heere ter oorloghen. 2

Ende ter wijlen dat hi uut was, so huwede zijn joncfrouwe met eenen ouden ridder, die metten anderen zeer wel bekent was. Maer dese oude ridder en wiste niet dat die ander zijns wijfs boelscap was, maer in’t laetste was’t hem kennelijck, daer hi niet wel af tevreden en was. 3

Dus ghevielt dat deser joncfrouwen boelschap weder te lande quam, ende is gecomen op eenen avont bi avontuere op dat casteel daer zijn boelken woonde. Ende die oude ridder dede hem goet chiere aen, want hi was tevoren met hem bekent geweest, mer het was wel half tegen zijn herte. 4

Ende als die oude ridder ghinck alle dingen beschicken om sinen gast te toenen, so sprac die ander met zijn joncfrouwe, zijn oude boelken, begeerende eens die oude vrientscap te hebben die hem tevoren gebuert was, eer si gehuwet was. 5

Doe dede se haer onschult ende seyde dattet niet mogelijck en was plaetse, tijt ende stonde te vinden. 6

Doe seyde die gast: «O mijn weerde lief, is’t dat ghi wilt, ghi moecht mi wel een vrientschap doen. Ende wat sal u man daeraf weten als hi te bedde ende in slape is, dat ghi mi quaemt besoecken in mijn camer, ofte daer’t u goet dunct? Ende believe’t u, ic wil wel bi u comen.» 7

Doe seyde si: «’t En mach so niet zijn, mijn man is zeer geringe ontwackert. Ic soude te groten anxt ende sorge hebben. Ende hi en werdet nemmermeer wacker, hi en tast na mi. Ende als hi my dan miste, peyst watter te doen soude zijn!» 8

Doe vraechde hi: «Wat doet hi meer?» 9

«Niet,» seyde si, «dan hi keert hem weder omme, want als hi ter maent eens coemt, dat is veel... Wat sal ic mi veel tegen u veysen? Quam’t, ic naem’t, mochte’t mi gebueren.» 10

Doe seyde hi: «Ic bid u, mijn lief mondeken, make’t doch, dat ic desen nacht bi u mach slapen!» 11

Doe seyde si: «Ic weet raet! Ic hebbe een dienstjoncfrouwe, die ic mijn heymelicheyt wel betrouwen derre. Met die sal ic raet houden.» 12

Ende si riep haer terstont, ende seyde: «Mijn grote care, ghi moet mi helpen in mijn dinghen, want ick u meest betrouwe mijn heymelicheyt.» 13

Doe seyde die dienstjoncfrouwe: «Wat u belieft mijn vrouwe, dat sal ic geerne doen.» 14

Doe seyde haer vrouwe: «Desen ridder beminne ic boven alle mannen, ende mi waer leet dat hi van hier soude scheyden, ende dat ic hem niet alleen soude mogen spreken. Ende ’t en is niet mogelijc dat hi mi spreken mach alleen, ’t en ware dat ghi mijn plaetse bewaerde bi mijnen man in mijn bedde, want ’t is zijn gewoonte: als hi wacker wort dan tast hi na mi, ende dan gaet hi weder liggen slapen. Maer wat ghi doet, ghi en moecht niet een woort spreken, ende lijden al dat hi u doen mach! Want ick weet certeyn, ’t sal sonder anxt ende sorge zijn.» 15

Doe seyde die dienstjoncfrouwe: «Tot uwen believen sal ic dat al doen.» 16

Na den eten gingen si al wanderen, ende si seyde hare lief dat haer dienstjoncfrouwe des nachts haer stede soude bewaren bi haren man, dies die ridder zeer blijde was. 17

Ende als si t’savonts haren slaepdranck gedroncken hadden, so ghinck elck te bedde, ende die ridder ginck in zijn camer daer hi slapen soude, die cierlijck bereyt was, ende daer was dat tresoor beset met suyckerconfijten ende ander speciĎn ende goeden wijn. 18

Ende mijn heere ende zijn vrouwe hebben hem beyden ontcleet ende die heere is te bedden gegaen, ende die vrouwe dede uut dat licht, ende die dienstjoncfrouwe die heymelijc verborgen stont bi dat bedde is bi hem gaen ligghen, ende mijn vrouwe ginck terstont tot hem die haer verwachtende was. 19

Nu omtrent drie uren voor den dage so keerde mijn heere hem om ende hi taste na zijn wijf ende meende dat si bi hem lach. So leyde hi zijn hant op haer borsten ende hi taste dat si hart ende ront waren, so kende hi terstont dattet zijn wijf niet en was, want haer borstken so ront noch hart niet en waren. 20

Doen nam hij se in zijn armen ende gaf haer een cusken met zijn toebehoren, al werde’t hem wat suer, wanttet een maechdeken was. Ende dat arme meysken en dorste niet een woort spreken om haerder vrouwen eere te bewaren. 21

Als dit geschiet was, so began hi te roepen totten ghenen die bi zijn wijf lach, ende seyde: «Hou hou, heer ridder! Van waer sidy? Spreect my eens aen!» 22

Die ander dit hoorende was zeer verwondert, ende mijn vrouwe al heel verbaest, maer si swegen al stille. 23

Doe riep mijn heer weder: «Hou, mijn gast! Waer sidi? Spreect tegen mi!» 24

Doe seyde die ander: «Wat belieft u, mijn heer?» 25

Doe seide mijn heere: «Altoos sal ick u desen wissel doen als ghi wilt!» 26

Die ander seyde: «Wat wissel heere?» 27

«Voor een oneerbaer, onghetrouwe, gepasseert wijf een schone jonghe maecht! Aldus hebdi mi gedaen, daer ic u af dancke.» 28

Sijn gast met zijnder vrouwe en wisten wat seggen. Ende dat arme maechdeken was geheel verslagen, so wel om die eere van haerder vrouwen als om die eere ende maechdom, die si so schandelijc verloren hadde, ende heeft zeer bitterlijc geweent, ende is so vandaer gescheyden. 29

Ende die vreemde ridder is ooc vandaer gegaen sonder sinen weert te dancken oft adyeu te segghen, ende heeft die vrouwe gelaten in groten druck ende anxt, maer die vreemde ridder en quam daer noyt weder. 30

Maer hoe die vrouwe voer met haren man, daer en hadde ic noch gheen tijdinge af. Aldus en can ic hier niet meer af ghescriven. 31

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden.

Een edel man zeer dapper te wapen was op een mooie jonge jonkvrouw zeer verliefd en hij sprak zo lang met haar dat ze hem bevestigde in alles dat hij begeren mocht. En toen hij een tijdje lang zijn liefde volbracht had zo vertrok hij naar Spanje met zijn heer ter oorlog.

En terwijl dat hij weg was zo huwde zijn jonkvrouw met een oude ridder die met de andere zeer goed bekend was. Maar deze oude ridder wist niet dat die ander zijn vrouw vrijer was, maar tenslotte was het hem duidelijk waarvan hij niet zeer tevreden van was.

Dus gebeurde het dat deze jonkvrouw geliefde weer in het land kwam en is bij avonturen op een avond in dat kasteel gekomen daar zijn vrijster woonde. En de oude ridder deed hem goede sier aan want hij was tevoren met hem bekend geweest, maar het was wel half tegen zijn hart.

En toen die oude ridder alle dingen ging beschikken om zijn gast te tonen zo sprak die ander met zijn jonkvrouw, zijn oude vrijster, en begeerde eens die oude vriendschap te hebben die hem tevoren gebeurd was eer ze gehuwd was.

Toen deed ze haar onschuld en zei dat het niet mogelijk was om plaats, tijd en stond te vinden.

Toen zei de gast: «O mijn waarde lief, is het dat ge wil, ge mag me wel een vriendschap doen. En wat zal uw man daarvan weten als hij te bed en in slaap is dat ge me kwam bezoeken in mijn kamer of daar het u goed dunkt? En belieft het u, ik wil wel bij u komen.»

Toen zei ze: «Het mag niet zo zijn, mijn man is zeer gauw ontwaakt. Ik zou de grote angst en zorgen hebben. En hij wordt nimmermeer wakker of hij tast naar mij. En als hij me dan mist denk na wat er te doen zou zijn!»

Toen vroeg hij: «Wat doet hij meer?»

«Niets,» zei ze, «dan draait hij weer om want als hij eens in de maand komt is dat veel... Wat zal ik veel tegen u veinzen? Kwam het, ik nam het, mocht het me gebeuren.»

Toen zei hij: «Ik bid u, mijn lief mondje, maak het toch dat ik deze nacht bij u mag slapen!»

Toen zei ze: «Ik weet raad! Ik heb een dienstjonkvrouw die ik mijn heimelijkheid wel vertrouwen durf. Met die zal ik raad houden.»

En ze riep haar terstond en zei: «Mijn grote zorg, ge moet me helpen in mijn dingen want u vertrouw ik het meeste mijn heimelijkheid.»

Toen zei die dienstjonkvrouw: «Wat u belieft mijn vrouwe, dat zal ik graag doen.»

Toen zei haar vrouw: «Deze ridder bemin ik boven alle mannen en het is me leed dat hij van hier zou scheiden en dat ik hem niet alleen zou mogen spreken. En het is niet mogelijk dat hij me spreken mag alleen, tenzij dat ge mijn plaats bewaarde bij mijn man in mijn bed want het is zijn gewoonte als hij wakker wordt dan tast hij naar mij en dan gaat hij weer liggen slapen. Maar wat ge doet, ge mag geen woord spreken en lijden alles dat hij u doen mag! Want ik weet zeker, het zal zonder angst en zorgen zijn.»

Toen zei de dienstjonkvrouw: «Tot uw believen zal ik dat al doen.»

Na het eten gingen ze alle wandelen en ze zei haar lief dat haar dienstjonkvrouw die nacht haar plaats zou bewaren bij haar man, dus de ridder zeer blijde was.

En toen ze ’s avonds hun slaapdrank gedronken hadden zo gingen elk te bed en die ridder ging in zijn kamer daar hij slapen zou die sierlijk bereid was en daar was ht buffet bezet met suiker gekonfijt en andere specerijen en goede wijn.

En mijnheer en zijn vrouw hebben zich beiden ontkleed en de heer is te bed gegaan en de vrouw deed het licht uit en de dienstjonkvrouw die heimelijk verborgen stond bij dat bed is bij hem gaan liggen en mevrouw ging terstond tot hem die haar opwachtte.

Nu omtrent drie uren voor de dag zo keerde mijnheer zich om en hij taste naar zijn vrouw en meende dat ze bij hem lag. Zo legde hij zijn hand op haar borsten en hij taste dat ze hard en rond waren en zo herkende hij terstond dat het zijn vrouw niet was want haar borstjes waren niet zo rond of hard.

Toen nam hij haar in zijn armen en gaf haar een kusje met zijn toebehoren, al werd het hem wat zuur want het was een maagdje. En dat arme meisje durfde geen woord te spreken om haar vrouw eer te bewaren.

Toen dit geschied was zo begon hij te roepen tot diegene die bij zijn vrouw lag en zei: «Hou hou, heer ridder! Waar ben je? Spreek me eens aan!»

Die ander die dit hoorde was zeer verwonderd en mevrouw al geheel verbaasd, maar ze zwegen geheel stil.

Toen riep mijnheer weer: «Hou, mijn gast! Waar bent u? Spreek tegen mij!»

Toen zei die ander: «Wat belieft u, mijn heer?»

Toen zei mijnheer: «Altijd zal ik deze wissel doen als gij wil!»

Die ander zei: «Welke wissel heer?»

«Voor een oneerbaar, ontrouw, gepasseerd wijf een mooie jonge maagd! Aldus heb je met mij gedaan waarvan ik u dank.»

Zijn gast met zijn vrouw wisten niet wat te zeggen. En dat arme maagdje was geheel verslagen, zo wel om die eer van haar vrouw als om de eer en maagdelijkheid die ze zo schandelijk verloren had en heeft zeer bitter geweend en is zo vandaar gescheiden.

En die vreemde ridder is ook vandaar gegaan zonder zijn waard te bedanken of adieu te zeggen en heeft die vrouw gelaten in grote druk en angst, maar die vreemde ridder kwam daar nooit meer.

Maar hoe het die vrouw verging met haar man, daar heb ik nog geen vermelding van. Aldus kan ik hier niet meer van schrijven.

 

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 35. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La xxxv. nouuelle par monseigneur de villiers

Ung gentil homme de ce royaulme tresvertueux et de grande renommee grant voiagier et aux armes trespreux deuint amoureux dune tresbelle damoiselle et en brief temps fut si bien en sa grace que rien ne luy fut escondit de ce quil osa demander Aduint ne scay combien apres ceste alliance que ce bon che[I4vb]ualier pour mieulx valoir et honneur acquerre se partit de ses marches tresbien en point et acompaignie portant entreprinse darmez du congie de son maistre et sen ala es ESPAIGNES et en diuers lieux ou il se conduisit tellement que a son retour il fut receu a grant triumphe.

3. Pendant ce temps sa dame fut mariee a vng ancien cheualier qui gracieux et sachant homme estoit qui tont son temps auoit hante la court et estoit au vray dire le registre dhonneur et nestoit pas vng petit dommaige quil nestoit mieulx allie combien toutesfois que encores nestoit pas descouuerte lembusche de son infortune si auant ne si commune comme elle fut depuis ainsi comme vous orres

4. Car ce bon cheualier auentureux dessusdit retourna dacomplir ses armes. et comme il passoit par le pays il arriua dauenture a vng soir au chateau ou sa dame demouroit et dieu scait la bonne chiere que mon seigneur son mary et elle luy feirent/ car il y auoit de pieca grant acointance et amitie entre eulx

5. Mais vous debues sauoir que tandis que le seigneur de leans pensoit et sefforcoit de faire finance de pluseurs chosez pour festoyer son hoste lhoste se deuisoit auec sa dame qui fut et sefforcoit de trouuer maniere de la festoier comme il auoit fait auant que monseigneur fust son mary.

6. Elle qui ne demandoit aultre chose ne se excusoit en rien si non du lieu/ mais il nest pas possible dist elle de le pouoir trouuer 7. Ha dit le bon cheualier ma chiere dame par ma [I5ra] foy si vous le voules bien il nest maniere quon ne treuue/ et que saura vostre mary quant il sera couchie et endormy si vous me venez veoir iusques en ma chambre/ ou se mieulx vous plaist et bon vous semble ie viendray bien vers vous.

8. Jl ne se peut ainsi faire ce dit elle car le dangier y est trop grant car monseigneur est de legier somme/ et iamais ne sesueille quil ne taste apres moy. et sil ne me trouuoit point pensez que ce seroit. 9. Et quant il sest en ce point trouue que vous fait il.

10. Autre chose dit elle il se vire dung et reuire dautre. Ma foy dit il cest vng tresmauuais mesnagier il vous est bien venu que ie suis venu pour vous secourir et lui aider et parfaire ce qui nest pas bien en sa puissance dacheuer. Si maist dieu dit elle quant il besoingne vne fois le mois cest au mieulx venir/ il ne fault ia que ien face la petite bouche/ croyez que ie prendroye bien mieulx. 11. Ce nest pas merueille dit il/ mais regardez comment nous ferons/ car cest force que ie couche auec vous

12. Jl nest tour ne maniere que ie voye dit elle comment il se puisse faire/ et comment dit il naues vous ceans femme en quoy vous ousissiez fier de lui desceler vostre cas. Jen ay par dieu vne dit elle en qui iay bien tant de fiance que de lui dire la chose en ce monde que plus vouldroye estre celee sans auoir suspicion ne doubte que iamais par elle fut descouuerte. Que nous fault il donc plus dit il regardez vous et elle du surplus.

13. La [I5rb] bonne dame qui vous auoit la chose a cueur appella ceste damoiselle et lui dit Mamie cest force annuit que tu me serues et que tu me aydes a acheuer vne des choses en ce monde qui plus au cueur me touche. 14. Ma dame dit la damoiselle ie suis preste et contente comme ie doy de vous seruir et obeyr et tout ce quil me sera possible/ commandez ie suis celle qui acompliray vostre commandement

16. Et ie te mercye mamie dit la dame et soyes seure que tu ny perdras rien. Vecy le cas/ ce cheualier qui ceans est cest lomme ou monde que iayme le plus et ne vouldroye pour rien quil se partist de moy sans aucunement auoir parle a lui. Or ne me peut il bonnement dire ce quil a sur le cueur si non entre nous deux et a part et ie ne my puis trouuer se tu ne vais tenir ma place deuers monseigneur/ il a de coustume comme tu scais de soy virer par nuyt vers moy et me taste vng peu et puis me laisse et se rendort. Je suis contente de faire vostre plaisir ma dame/ il nest rien qua vostre commandement ie ne fisse. Or bien mamie dit elle tu te coucheras comme ie fais assez loin de monseigneur/ et garde bien 1quelque chose quil face que tu ne dye vng seul mot et quelque chose quil vouldra faire seuffre tout/

16. a vostre plaisir ma dame et ie le feray.

17. leure de soupper vint et nest ia mestier de vous compter du seruice/ seulement vous souffise que on y fist tresbonne chiere/ et il y auoit bien dequoy. Apres soupper la compaignie [I5va] sen ala a lesbat/ le cheualier estrange tenant ma dame par le bras/ et aucuns autres gentilz hommes tenans le surplus des damoiselles de leans/ et le seigneur de lostel venoit derriere et enqueroit des voyaiges de son hoste a vng ancien gentil homme qui auoit conduit le fait de sa despence en son voyaige. Ma dame noublya pas de dire a son amy que vne telle de ses femmes tiendra annuyt sa place et quelle viendra vers lui.

18. Jl fut tresioyeux et largement len mercya desirant que leure fust venue/ ilz se mirent au retour et vindrent en la chambre de parement ou monseigneur donna la bonne nuyt a son hoste et ma dame aussi. Et le cheualier estrange sen vint en sa chambre qui estoit belle a bon escient bien mise a point et estoit le beau buffet garny despices de confitures et de bon vin de plusieurs facons. JI se fit tantost desabillier et beut vne fois/ puis fait boire ses gens et les enuoya couchier/

19. et demoura tout seul attendant sa dame laquelle estoit auec son mary qui tous deux se despoulloient et se mettoyent en point pour entrer ou lit. La damoiselle qui estoit en la ruelle du lit/ tantost que monseigneur fut couchie se vient mettre en la place de sa mestresse/ et elle qui autre part auoit le cueur ne fist que vng sault iusques a la chambre de celui qui lattendoit de pie quoy.

20. Or est chascun logie monseigneur auec sa chamberiere/ et son hoste auec ma dame. et fait assez a penser quilz ne passerent pas [I5vb] toute la nuyt a dormir. Monseigneur comme il auoit de coustume enuiron vne heure deuant iour se resueilla/ et vers sa chamberiere cuidant estre sa femme se vira/ et au taster quil fist heurta sa main a son tetin quil sentit si tresdur et poingnant et tantost congneut que ce nestoit pas celui de sa femme/ car il nestoit point si bien trousse. Ha dit il en soy mesmes ie voy bien que cest/ et ien bailleray vng autre.

21. Jl se vire vers celle belle fille et a quelque meschief que ce fut il rompit vne lance/ mais elle le laissa faire sans oncques dire vng seul mot ne demy. 22. Quant il eut fait il commence a appeller tant quil peut cellui qui couchoit auec sa femme. Hau monseigneur de tel lieu ou estez vous parlez a moy.

23. Lautre qui se ouyt appeller fut beaucoup esbay/ et la dame fut toute esperdue. 24. Et bon mary recommence a rehuchier/ hau monseigneur mon hoste parlez a m2oy/ 25. et lautre sauantura de respondre et dit. Que vous plaist il monseigneur. 26. Je vous feray tousiours ce change quant vous vouldrez. 7. Quel change dit il. 28. Dune vieille ia toute passee deshonneste et desloyale/ a vne belle et bonne et fresche ieune fille/ ainsi mauez vous party la vostre mercy. 29. La compaignie ne sceut que respondre/ mesmes la poure chamberiere estoit tant surprinse que selle fus a la mort condemnee/ tant pour le deshonneur et desplaisir de sa maistresse comme pour le sien mesmes quelle auoit meschamment perdu.

30. Le cheualier [I6ra] estrange se partit de sa dame au plus toust quil sceust sans mercier son hoste et sans dire a dieu/ et oncques puis ne si trouua/ car il ne scait encores comme elle se conduit depuis auec son mary. 31. Ainsi plus auant ne vous en puis dire

 

 

 

[15] 1 Een oudt bedroch geschiet in ouden tijden.

Dese Hercules, 2 die groote justicieer, vroom in feyten van wapenen, was die bastaert van coninck Jupiter 3 ende van der coninghinnen Alcumena. Als hi noch in der wieghen lach, so worchde ende doode hy twee groote serpenten die hem dooden wilden, die zijn stiefmoeder Juno 4 daer hadde ghebracht.

Dese Hercules hadde verwonnen eenen grooten ruese, gheheeten Philotes, 5 die namaels Hercules’ dienaer wert.

Ende door die informacie van Juno zijn stiefmoeder, die wel ghewilt hadde dat hi doot geweest ware, so track hi in dat bosch van Neemi, 6 daer hi drie leeuwen verwan met wonderlijcker cracht.

Dese Hercules track in die stadt van Molosen, 7 ende haelde weder die schone Proserpina, 8 Orpheus’ 9 wijf, die de coninc Pluto 10 ontschaect had. Ende hi vocht tegen den portier Cerberus, die een groot ruese was, ende Hercules verwan hem, ende bant hem handen ende voeten. Ende hi versloech vier hondert borgers van Molosen, 11 die hem Proserpinam weder nemen wilden. 12

Dese Hercules verwan dat grote monster van Leerne, 13 dat boven een man was ende onder een serpent, 13 welck monster niemant passeren en mochte, hi en passeerde met driehondert mannen starck, d’welck monster adt ende leefde van menschen vleesch.

Ende hi verwan den coninc Cacus, 14 d’welc was een wreet tyran ende verdructe al dat volc van den lande, ende hi hadde ghestolen Hercules’ ossen op een nacht in ItaliĎn, ende Cacus had se metten stertten achterwaerts geleit tot in die speluncke daer hi woonde, opdat men die voetstappen van den ossen niet vinden en soude, want die voetstappen leyden altijt van der speluncken daer hi woonde.

Hi verwan dat grote monster der zee 15voor Troyen, 16 dat men alle dagen most geven voor zijn eten een mensche ende een schaep, ende dat duerde so lange dattet lot viel op des conincs dochter, die hy verloste, ende versloech dat grote monster, ende verloste die stadt van Troyen. Ende hi was een goet justicieer, want waer hi hoorde dat een heere oft prince was, dat een tyran ende een verdrucker des volcx was, daerwaerts track hy altijt ende aventuerde daervoor zijn leven, ende vervolchden se totter doot toe.

O lacen, heeft dat gedaen een heydens man, die niet en hadde hope des levens door liefde van justicieer, hoe veel te meer souden ons kersten princen voor die justicie vechten ende die verheffen, die doch kennen den groten loon dien hem daervoor belooft is van den heere!

Op een tijt wilde Hercules trecken na zijn eygen lant van Yconien 17met zijn vrouwe Megera 18 ende met haer dienstjoncfrouwe. So quam hi in’t lant TessaliĎn, 19 daer hi over een water moste schepen. Ende dat veerschip was so cleyn, dat si altesamen niet overvaren en mochten. So bleef Hercules dat hi niet te schepe en ginck, ende die veerman voer wech met Dianyra ende haer dienstjoncfrouwen, ende die veerman sach op Dianyra. Ende als hi te lande quam, so nam die veerman Hercules’ wijf ende wilde met haer wech lopen. Dit siende, Hercules nam sinen boge ende schoot Nessum 20 den veerman van over dat water met eenen pijl in zijn zijde, so dat hi wel ghevoelde dat hi sterven moste. So seyde hi tot Dianyra: «Ghi zijt so schoonen wijf, ende hebt doch compassie op mi, want u man Hercules is niet ghetrouwe, ende hi heeft ander liefde dan op u. Hier hout, daer in dat busken is een substancie: als ghi daermede zijn hemden bestrijct, ende als hy dat aen zijn lijf heeft, dan sal hem die vreemde liefde vergaen.»

Op een tijt versloech Hercules den coninc Pricus, 21 die veel dochteren hadde, daer een onder was boven die anderen die schoonste, daer hi af bemutst ende verlieft was, ende die geheeten was Jole, 22 ende hi seyde tot haer: «Jole, neemt mi totuv als vrient, want het moet doch zijn. Ende die goden hebben mi dese aventuere gegeven.»

Als dit Jole hoorde dat se hem vrientscap soude moeten doen die haren vader verslagen had, so viel Jole in onmacht van groten druck. Ende Hercules dede Jole bewaren met .XIJ. mannen, dat si hem niet ontgaen en soude. Ende Hercules begeerde dat si zijn wijf wilde zijn, dat si ten laetsten consenteerde, ende Hercules sliep bi haer. Ende hi hanteerde zijn minne so lange met haer, dat hy zijn wijf Dianyra vergat.

Dit verhoorende Dianyra screef hem eenen brief, 23 hem vermanende die grote liefde die si t’samen gehanteert hadden, ende oft die so verloren ende vergeten soude zijn? Ende dat dieghene dien al die werelt ontsach, dat hem die liet verwinnen van een vreemde vrouwe!

Als Hercules dit gelesen had, so was hi qualijc tevreden dat niemant bi hem en dorste comen, noch ooc die schoone Jole. Dus om te vergeten die fantasie, ende hoe hi best mocht vergeten die scone Jole, so reysde hi totten berch Othea 24 pelgrimagie, om den god Appollo sacrificie te doen.

In den wech moete hem Licas, 25 die camerlinck van Dianyra, daertoe dat Hercules seyde: Als hi zijn bedevaert soude hebben ghedaen, dan soude hi comen bi Dianyra. Ende als Dianyra dat wiste, so nam si een van Hercules’ hemden dat bestreken was met dat fenijn dat haer Nessus had gegeven, ende sandt hem dat om aen te doen, ende si meende dat hem die vreemde liefde daermede soude doen vergaen hebben, so haer Nessus wijs gemaect had.

Ende Hercules had gemaect een groot vier, daer hi sacrificie mede dede aen god Appollo met een herte, dat hi gevangen had in sinen loop. Ende Licas ghaf hem dat hemde, ende omdat hi zeer besweet was van den vangen des herts, so nam hi dat hemde van Licas, ende hi dede’t aen. Ende als dat hemde werm wert, so cleefde’t so vast aen zijn lijf, ende hi gecreech so groten pijn, dat hi niet en wiste wat maken. Ende hy meende dat hemde weder uut te trecken, maer hi en conde, maer hi trac’t met groten stucken van zijn lijf, met velle ende vleesche, sodat men zijn darmen sach. So als Hercules sach ende gevoelde dat hi sterven moste, so seyde Hercules tot Philotes: «Segget Jole ende allen den vrienden in overvloedicheyt der tranen die deerlijcke doot van Hercules.» Doe weende Jole so bitterlijc, dat haer herte sloot ende sterf van rouwe.

Als Dianyra hoorde den doot van Hercules, hoe hi gestorven was door dat hemde dat si hem ghesonden had, so nam si een messe ende dode haerselven in groter bitterheyt.

Also is die vroome Hercules so deerlijck bedroghen, nochtans sonder wetenheyt der vrouwen, al was’t dattet der vrouwen schult was.

Een oud bedrog geschiedt in oude tijden.

Deze Hercules die grote rechter, dapper in feiten van wapens was de bastaard van koning Jupiter en van de koningin Alcumena. Toen hij nog in de wieg lag zo verwurgde en doodde hij twee grote serpenten die hem doden wilden, die zijn stiefmoeder Juno daar had gebracht.

Deze Hercules had overwonnen een grote reus, geheten Philotes, die later Hercules dienaar werd.

En door de informatie van Juno zijn stiefmoeder die wel gewild had dat hij dood geweest was zo trok hij in dat bos van Neemi daar hij drie leeuwen overwon met wonderlijke kracht.

Deze Hercules trok in de stad van Molosen en haalde weer die mooie Proserpina,  Orpheus vrouw die koning Pluto geschaakt had. En hij vocht tegen de portier Cerberus die een grote reus was en Hercules overwon hem en bond hem handen en voeten. En hij versloeg vier honderd burgers van Molosen die hem Proserpina weer afnemen wilden.

Deze Hercules overwon dat grote monster van Leerne,  dat boven een man was en onder een serpent, welk monster niemand passeren mocht al passeerde hij met driehonderd mannen sterk welk monster at en leefde van mensen vlees.

En hij overwon de koning Cacus, die een wrede tiran was en zijn volk onderdrukte en onderdrukte al het volk van dat land en hij had gestolen Hercules ossen op een nacht in ItaliĎ en Cacus had ze met de staarten achterom geleid in de spelonk waar hij woonde zodat men die voetstappen van den ossen niet vinden zouden, want die voetstappen leiden altijd af van de spelonk daar hij woonde.

Hij overwon dat grote monster der zee voor Troje dat men alle dagen voor zijn eten een mens en een schaap moest geven en dat duurde zo lang dat het lot viel op de konings dochter, die hij verloste en versloeg dat grote monster en verloste de stad van Troje. En hij was een goede rechter want waar hij hoorde dat een heer of prins was die een tiran en een verdrukker van het volk was trok hij derwaarts altijd en avontuurde daarvoor zijn leven en vervolgde ze tot de dood toe.

O eilaas, heeft dat gedaan een heidense man die niet de hoop had van het leven door liefde van gerechtigheid, hoe veel te meer zouden onze Christelijke prinsen voor dat recht vechten en die verheffen die toch kennen het grote loon die hen daarvoor beloofd is van de Heer!

Op een tijd wilde Hercules trekken naar zijn eigen land van Yrcanie met zijn vrouw Megera en met haar dienstjonkrouw. Zo kwam hij in het land ThessaliĎ daar hij over een water moest varen. En dat veerschip was zo klein zodat ze alle tezamen niet overvaren mochten. Zo bleef Hercules dat hij niet te scheep ging en de veerman voer weg met Dianyra en haar dienstjonkvrouwen en de veerman keek naar Dianyra. En toen hij te land kwam zo nam die veerman Hercules wijf en wilde met haar weg lopen. Dit zag Hercules en nam zijn boog en schoot Nessum  de veerman van over dat water met een pijl in zijn zijde zodat hij wel voelde dat hij sterven moest. Ze zei hij tot Dianyra: «Ge bent zo’n mooie vrouw heb toch medelijden met mij want uw man Hercules is niet trouw en hij heeft andere liefde dan op u. Hier houdt, daar in dat busje is een substantie, als ge daarmee zijn hemden bestrijkt en als hij dat aan zijn lijf heeft dan zal hem die vreemde liefde vergaan.»

Op een tijd versloeg Hercules de koning Pricus die veel dochters had waar er een onder was boven de anderen die mooiste waarvan hij van belust en verliefd op was en die geheten was Jole en hij zei tot haar: «Jole, neem me tot u als vriend, want het moet toch zo zijn. En de goden hebben me dit avontuur gegeven.»

Toen Jole dit hoorde dat ze hem vriendschap zou moeten doen die haar vader verslagen had zo viel Jole in onmacht van de grote druk. En Hercules liet Jole bewaren met 12 mannen zodat ze hem niet ontgaan zou. En Hercules begeerde dat ze zijn vrouw wilde zijn wat ze tenslotte bevestigde en Hercules sliep bij haar. En hij hanteerde zijn minne zo lang met haar zodat hij zijn vrouw Dianyra vergat.

Dit hoorde Dianyra en schreef hem een brief en vermaande hem die grote liefde die ze tezamen gehanteerd hadden en of die zo verloren en vergeten zou zijn? En dat diegene die de hele wereld ontzag dat die zich liet overwinnen van een vreemde vrouw!

Toen Hercules dit gelezen had zo was hij zo slecht tevreden zodat niemand bij hem durfde te komen, nog ook de mooie Jole. Dus om te vergeten die fantasie en hoe hij het beste mocht vergeten die mooie Jole zo reisde hij naar de berg Othea om pelgrimage te doen en om de god Apollo sacrificie te doen.

In de weg ontmoet hem Licas, de kamerling van Dianyra,  die tegen Hercules zei: Als hij zijn bedevaart zou hebben gedaan dan zou hij komen bi Dianyra. En toen Dianyra dat wist zo nam ze een van Hercules hemden dat bestreken was met dat venijn dat Nessus haar had gegeven en zond dat hem om aan te doen en ze meende dat hem die vreemde liefde daarmee zou laten vergaan, zo Nessus haar wijs gemaakt had.

En Hercules had gemaakt een groot vuur daar hij sacrificie mee deed aan god Apollo met een hert dat hij gevangen had in zijn loop. En Licas gaf hem dat hemd en omdat hij zeer bezweet was van het vangen van het hert zo nam hij dat hemd van Licas en hij deed het aan. En toen dat hemd warm werd zo kleefde het zo vast aan zijn lijf en hij kreeg zo’n grote pijn dat hij niet wist wat te doen. En hij meende dat hemd weer uit te trekken, maar dat kon hij niet, maar hij trok het met grote stukken van zijn lijf, met vel en vlees zodat men zijn darmen zag. Zoals Hercules zag en voelde dat hij sterven moest en zo zei Hercules tot Philotes: «Zeg het Jole en alle vrienden in overvloed de tranen en de deerlijke dood van Hercules.» Toen weende Jole zo bitter dat haar hart sloot en stierf van rouw.

Toen Dianyra de dood van Hercules hoorde en  hoe hij gestorven was door dat hemd dat ze hem gezonden had, zo nam ze een mes en doodde zichzelf in grote bitterheid.

Alzo is die dappere Hercules zo deerlijk bedrogen, nochtans zonder het weten van de vrouwen, al was het dat het de vrouwen schuld was.

 

 

1. Genomen uit Die historie van den stercken Hercules, vertaald [?] en gedrukt door Jan van Doesborch in 1521, een vertaling van L’histoire du fort Hercules van Raoul Lefevre. 2. http://en.wikipedia.org/wiki/Hercules 3. http://en.wikipedia.org/wiki/Jupiter_%28mythology%29

4. http://en.wikipedia.org/wiki/Juno_%28mythology%29 5. Lett. vriendschap – (de naam van) deze reus is geen verzinsel van de samensteller van

Dat Bedroch der Vrouwen, maar een ontlening aan een bestaand verhaal – vrijwel zeker is er sprake van contaminatie met Philoctetes: http://en.wikipedia.org/wiki/Philoctetes 6. http://en.wikipedia.org/wiki/Nemean_Lion 7. http://www.dbnl.org/tekst/roov002jjma01_01/roov002jjma01_01_0022.htm

8. http://en.wikipedia.org/wiki/Proserpina 9. http://en.wikipedia.org/wiki/Orpheus 10. http://en.wikipedia.org/wiki/Pluto_%28god%29 11. Stad in Thessalia? – vrijwel zeker geen fout van de samensteller van Dat Bedroch der Vrouwen, maar een ontlening aan een destijds bestaand verhaal. 12. De exacte herkomst van dit verhaal is onduidelijk, maar vrijwel zeker is het geen verzinsel van de samensteller van Dat Bedroch der Vrouwen, vgl. Historia scolastica: Incidentia: In diebus Aod, Cyrene civitas condita est in Libya, et Triptolemus longa navi veniens Eleusim, frumenta ibi distribuit. Proserpinam rapuit rex Molossorum Orchus, cujus ingens canis Cerberus Pirithoum devoravit, qui cum Theseo ad raptum Proserpinae venerat. Sed et Theseum devorasset, nisi Hercules superveniens eum liberasset. [...]

13. http://cf.hum.uva.nl/dsp/scriptamanent/Google_Earth/Lerna.kmz 14. http://en.wikipedia.org/wiki/Lernaean_Hydra 15. http://en.wikipedia.org/wiki/Cacus – dit verhaal zal teruggaan op boek VIII van Vergilius’ Aeneas 4. Minotaurus? 16. Dit verhaal wordt aangestipt in de Ilias – de bewuste koning is Laomedon 17. http://en.wikipedia.org/wiki/Konya – herkomst (nog) onduidelijk, omdat de ‘officiĎle’ biografieĎn Herakles geboren laten worden in Thebe in Boeotia. Iconia is bekend als stad waar de apostel Paulus geweest is: http://vulgate.org/nt/gospel/acts_18.htm 18. http://en.wikipedia.org/wiki/Megara_%28mythology%29 19. http://en.wikipedia.org/wiki/Thessalia

20. http://en.wikipedia.org/wiki/Nessus_%28mythology%29 21. http://en.wikipedia.org/wiki/Eurytus#The_king – koning Pricus komt voor in een boek van de Franse auteur Guillaume Fillastre jr. (gest. 1473): http://de.wikipedia.org/wiki/Guillaume_Fillastre_der_Jüngere De KB Den Haag bezit hiervan een handschrift: Histoires Troyennes, 78 D 48, een rijk verlucht handschrift met 62 miniaturen vervaardigd in de Zuidelijke Nederlanden omstreeks 1450-1475: http://collecties.meermanno.nl/handschriften/showmanu?id=1198&page=1&page_size=22. http://en.wikipedia.org/wiki/Iole 23. http://en.wikipedia.org/wiki/Heroides

24. http://en.wikipedia.org/wiki/Mount_Oeta 25. http://en.wikipedia.org/wiki/Lichas – in de officiĎle Hercules-biografie is Lichas een dienaar van Hercules.

 

 

 

[16] 1 Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden binnen der stadt van Tours.

In die stadt van Tours 2 was een machtich coopman, die op eenen vrijdach genoot had den pastoor ende ander goede vrienden op eenen groten vissche, gheheeten eenen val, 3 die hem coste .XXIIJ. stuvers, sonder die ander visschen als carpers, braessemen ende snoecken. 4

Dees coopmans wijf hadde lief eenen monick, dien sandt si den val met een coppelersse, die al haer heymelicheyt wel wiste, ende dede hem seggen hoe dat si snachts soude bi hem comen ende bi hem blijven, ende helpen hem den val eten. 5

Doen was die monick zeer blijde, ende seyde: «Isser goeden wijn te crijgen om gelt, ic sal hem ons besorgen, ende wi sullen dan den val daermet begieten.» 6

Dit oude wijf heeft der vrouwen die bootscap gedaen. Ende die coopman is ontrent .XIJ. uren met sinen gasten t’huys gecomen, om te eten van den val. Ende hi heeft se in die kueckene geleyt om desen schonen val te sien, ende hi seyde tot zijn wijf: «Laet den gasten sien den val.» 7

«Wat val?» seyde dat wijf. 8

«Die val,» seyde hi, «die ic u gesonden hebbe metten anderen visschen.» 9

Die vrouwe seyde: «Ic en hebbe gheenen val gesien... Ic peyse dat u droomt. Hier is eenen groten carper, twee snoecken, vier braessemen met noch ander riviervisschen, maer ick en heb gheenen val gesien.» 10

«Bey! Wat meyndi dat ic droncken ben?» 11

Doen seyde die pastoor ende die ander gasten: «Ic en gheloove niet dattet waer is, want ghi zijt veel te vuyl ende te vreck.» 12

Die vrouwe seyde: «Ick denc’t, ghi goede mannen, dat hi met u gect, want ic en heb van desen jare gheenen val gesien. Ick peyse dat hem ghedroomt heeft van eenen val.» 13

Die goede man seyde: «Ic gelovet u. ’t Sal u een costelijc val zijn!» Ende die weert nam eenen stock ende wilde zijn wijf slaen, maer die gasten leyden hem uut met fortse, ende si deden dat beste om hem tevreden te stellen, ende si gingen goet chier maken mitten pastoor. 14

Ende des coopmans wijf ontboot haer gebuerinne, een jonge weduwe, ende si dede se met haer eten. Ende als si bi haer quam, so seyde die vrouwe: «O lieue gebuere, wilt mi doch eenen dienst doen? Ic sal’t u wel lonen.» 15

Die weduwe seyde: «Wat believet u?» 16

Die vrouwe seyde: «Mijn man is so heet op zijn werck, dattet wonder is. Ende hi heeft mi desen voorleden nacht so gequelt, dat icx te nacht niet en soude connen ghelijden. Daerom bid ic u vriendelijc: wilt doch te nacht mijn plaetse bewaren,» dat haer die weduwe consenteerde. 17

Ende na den eten voorsach hem in’t heymelijc die coopman van veel roeden, die hi leyde aen dat voeteneynde van den bedde, om zijn wijf daermede te castijen, ende des nachts daermede te slaen. 18

Want si kende haers mans meyninge wel – ende hi en quam des avonts niet thuys eten, maer hi bleef so langhe uut, dat hi meynde dat zijn wijf naect te bedde was – maer si dede haer gebuerinne ontcleeden ende te bedde gaen, ende badt haer: als haer man in quame, dat si doch niet spreken en soude als hi t’huys quame. Ende si dede al dat vier uut dat in ’t huys was. Als dit gedaen was, so bevalse haer ghebuerinne dat se terstont na huys gaen soude als haer man op ware, d’welck haer gebuerinne haer so gheloofde te doen. 19

Ende doen ginck die goede vrouwe nae den Grauwen Broeders 20Clooster om te helpen eten den goeden val metten monick, so si hem ontboden had ende haren aflaet te halen, so si plach te doen. Ende maecte daer zeer goet chyer ende dranc den wijn metten monick. 21

Ende des nachts quam die coopman tot huys, ende meende een kersse te ontsteken, mer hi en vant gheen vier. Dit siende so ginck hi al stillekens te bedde, ende sliep tot dattet bina dach was. Doen stont hi heymelic op ende nam de roeden, ende sloech die decken op ende sloech die arme gebuerinne, dat haer dat bloet van allen zijden af liep, ende dat die laken heel bebloet waren. Maer die arme gebuerinne en dorste een woort niet spreken. 22

Ten laetsten liet hi se liggen, ende ginc ten huys uut. Ende die arme weduwe stont op ende ginck t’huys al weenende ende clagende haer misval, ende vloecte die vrouwe haer gebuere. 22

Corts hierna quam die vrouwe tot huys van den monic, ende si quam in haer camer, ende sach die al bestroyt metten roeden, ende sach de laken al bebloet, so sach si dat haer gebuerinne te lijden gehadt hadde. Ende terstont maecte si die camer scoon ende haer bedde, ende spreyde schoon laken daerop, ende ginck daerin liggen totdat haer man t’huys quam. 23

Ende als hi in die camer quam, so vant hi zijn wijf liggen slapen, ende doe seyde hi: «Ha joncfrouwe, wildi noch niet op staen?» 24

«Bey,» seyde si, «is’t dach? Ick en heb u niet hooren opstaen. Ic lach ende 25 droomde. Dat heeft mi so lange op dat bedde gehouden.» 26

«Ic gelove dat u droomde van den val, want ic dede u hudenmorgen wel vermaen daeraf!» 27

Doe seyde die vrouwe: «Mi en gedenct noch van u, noch van den val.» 28 Doen sprac hi: «Is’t u al vergeten?! 29 «Hoe dat,» seyde dat wijf, wie soude dromen onthouden? 30

«Is dat droom,» sprac die man, «een hant vol roeden op u lijf in stucken gheslagen? Ic weet wel dat die slaeplaken daeraf getuych geven!» 31

Doe seyde die vrouwe: «Ic en weet niet wat ghi meent... Ic weet wel dat ghi mi eens vriendelijc custen hudenmorgen, ende liet mi doe liggen slapen. 32

Doe seyde die man: «Dat soude wat wonders zijn. Laet mi doch die slaeplaken sien!»

Doe thoonde si haer slaeplaken wit, ende haer lijf heel ende gans. 33

Als die man die slaeplaken sach, doe en wiste hi wat seggen, ende na veel fanteserens, 34 so seyde die man: «By der waerheit lief, ic meynde dat ic u hudenmorgen zeer wel geslagen had totten bloede, mer ic sie wel dattet so niet en is. Ick en weet wat seggen...» 35

Doe seyde zijn wijf: «Stelt dat uut u hooft, want ghi en hebt my niet geraect, so ghi wel sien moecht, mer ’t is u gedroomt, gelijc u gisteren droomde van den valle.» 36

Doe seyde die man: «Nu kenne ic dat ghi die waerheyt segt. Daerom bid ic u om Gods wille: vergevet mi, want ic weet nu wel dat ic gisteren ongelijck had van den valle. Ende aldermeest schame ic mi dat ic u so schandelijc toesprac voor die goede mannen ende voor onsen pastoor. Dat bid ic u: vergevet mi!» 37

Dat wijf seyde: «Ic vergeef’t u geern, mer en weest niet so haestich op een ander tijt.» 38

Doe seyde die man: «Och lief, ’t En sal nemmermeer meer gheschien.» 39

Ende wat hy voortaen sach oft hoorde, dat liet hy hem duncken dattet al droom was. Ende aldus was die goede man van zijn lose vrouwe bedroghen, meynende dattet al droom was van den valle. 40

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden binnen de stad van Tours.

In die stad van Tours was een machtig koopman die op een vrijdag de pastoor en ander goede vrienden uitgenodigd had op een grote vis, geheten een meerval die hem  23 stuivers kostte zonder die andere vissen als karpers, brasem en snoeken.

De koopman zijn vrouw hield van een monnik en die zond ze de meerval met een koppelaarster die al haar heimelijkheid wel wist en liet hem zeggen hoe dat ze ’s nachts bij hem zou komen en  bij hem blijven en helpen de meerval te eten.

Toen was die monnik zeer blijde en zei: «Is er goede wijn te krijgen voor geld, ik zal het ons bezorgen en we zullen dan de meerval daarmee begieten.»

Dit oude wijf heeft de boodschap van de vrouw gedaan. En de koopman is omtrent 12 uur met zijn gasten thuis gekomen om  van de meerval te eten. Hij heeft die in de keuken gelegd om die mooie meerval te zien en hij zei tegen zijn vrouw: «Laat de gasten de meerval zien.»

«Welke meerval?» zie die vrouw.

«Die meerval,» zei hij, «die ik u gezonden heb met de andere vissen.»

De vrouw zei: «Ik heb geen meerval gezien... Ik denk dat u droomt. Hier is een grote karper, twee snoeken, vier brasems met noch ander riviervissen, maar ik heb geen meerval gezien.»

«Bey! Wat, meent u dat ik dronken ben?»

Toen zei de pastoor en de andere gasten: «Ik geloof niet dat het waar is want ge bent veel te vuil en te vrekkig.»

Die vrouw zei: «Ik denk het, gij goede mannen, dat hij met u gekscheert want ik heb dit jaar geen meerval gezien. Ik denk dat hij van een meerval gedroomd heeft.»

De goede man zei: «Ik geloof u. Het zal een kostbare meerval val zijn!» En de waard nam een stok en wilde zijn vrouw slaan, maar de gasten leiden hem uit met kracht en deden hun best om hem tevreden te stellen en ze gingen goede sier maken met de pastoor.

En de koopman zijn vrouw ontbood haar buurvrouw, een jonge weduwe, en ze liet die met haar eten. En toen ze bij haar kwam zo zei de vrouw: «O lieve buur, wil me toch een dienst doen? Ik zal het u goed belonen.»

De weduwe zei: «Wat belieft u?»

De vrouwe zei: «Mijn man is zo heet op zijn werk dat het een wonder is. En hij heeft me deze vorige nacht zo gekweld dat ik de nacht niet zou kunnen lijden. Daarom bid ik u vriendelijk, wil toch deze nacht mijn plaats bewaren,» dat haar de weduwe bevestigde.

En na het eten voorzag zich de koopman heimelijk van veel roeden die hij aan het voeteneind van het bed legde om zijn vrouw daarmee te kastijden en ‘s nachts daarmee te slaan.

Want ze kende haar mans mening goed – en hij kwam ‘s avonds niet thuis te eten, maar hij bleef zo lang weg totdat hij meende dat zijn vrouw naakt te bed lag – maar ze liet haar buurvrouw zich ontkleden en te bed gaan en bad haar: als haar man binnen kwam dat ze toch niet spreken zou als hij thuis kwam. En ze deed al het vuur uit dat er in het huis was. Toen dit gedaan was zo beval ze haar buurvrouw dat ze terstond naar huis zou gaan als haar man op was, wat haar buurvrouw beloofde te doen.

En toen ging de goede vrouw naar de grauwe broeders klooster (Franciscaan) om te helpen eten de goede meerval met de monnik zo ze hem ontboden had en haar aflaat te halen zo ze plag te doen. En maakte daar zeer goede sier en dronk de wijn met de monnik.

En ‘s nachts kwam de koopman thuis en meende een kaars te ontsteken, maar hij vond geen vuur. Dit ziende zo ging hij geheel stilletjes te bed en sliep totdat het bijna dag was. Toen stond hij heimelijk op en nam de roeden en sloeg de deken op en sloeg die arme buurvrouw zodat haar bloed er van alle zijden afliep en dat de lakens geheel bebloed waren. Maar die arme buurvrouw durfde geen woord te spreken.

Tenslotte liet hij haar liggen en ging het huis uit. En de arme weduwe stond op en ging al wenend het huis uit en beklaagde haar misval en vervloekte die vrouw haar buurvrouw.

Kort hierna kwam de vrouw thuis van de monnik en ze kwam in haar kamer en zag die geheel bestrooid met de roeden en zag het laken geheel bebloed en zo zag ze dat haar buurvrouw te lijden gehad had. En terstond maakte ze de kamer schoon en haar bed en spreidde er schone lakens op en ging daarin liggen totdat haar man thuis kwam.

En toen hij in de kamer kwam zo vond hij zijn vrouw liggen te slapen en toen zei hij: «Ha jonkvrouw, wil ge nog niet opstaan?»

«Bey,» zei ze, «is het dag? Ik heb u niet horen opstaan. Ik lag en  droomde. Dat heeft me zo lang op dat bed gehouden.»

«Ik geloof dat u droomde van de meerval want ik deed u heden morgen wel vermaan daarvan!»

Toen zei de vrouw: «Ik bedenk me nog van u, nog van de meerval.»

Toen sprak hij: «Bent u het al vergeten?! «Hoe dat,» zei de vrouw, wie zou dromen onthouden?

«Is dat een droom,» sprak de man, «een hand vol roeden op uw lijf in stukken geslagen? Ik weet wel dat die slaaplakens daarvan getuigenis geven!»

Toen zei de vrouw: «Ik weet niet wat ge bedoelt... Ik weet wel dat ge me eens vriendelijk kuste vanmorgen en liet me toen liggen slapen.

Toen zei de man: «Dat zou wat wonderlijks zijn. Laat me toch de slaaplaken zien!»

Toen toonde ze haar witte slaaplaken en haar lijf heel en gans.

Toen de man het slaaplaken zag toen wist hij niet wat te zeggen en na veel fantaseren zo zei de man: «Bij de waarheid lief, ik meende dat ik u heden morgen zeer goed geslagen heb tot bloedens toe, maar ik zie wel dat het niet zo is. Ik weet niet wat te zeggen...»

Toen zei zijn vrouw: «Zet dat uit uw hoofd want ge hebt mij niet geraakt zo je wel zien kan, maar u hebt het gedroomd gelijk u gisteren droomde van de meerval.»

Toen zei de man: «Nu erken ik dat ge de waarheid zegt. Daarom bid ik u om Gods wille: vergeef het mij want ik weet nu wel dat ik gisteren ongelijk had van de meerval. En allermeest schaam ik me dat ik u zo schandelijk toesprak voor die goede mannen en voor onze pastoor. Dat bid ik u: vergeef het mij!»

Die vrouw zei: «Ik vergeef het u graag, maar wees niet zo haastig op een ander tijd.»

Toen zei de man: «Och lief, het zal nimmermeer geschieden.»

En wat hij voortaan zag of hoorde dat liet hij zich denken dat het allemaal een droom was. En aldus was die goede man van zijn slimme vrouw bedrogen en meende dat alles een droom was van de meerval.

 

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 38. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. http://en.wikipedia.org/wiki/Tours 3. http://nl.wikipedia.org/wiki/Europese_meerval

4. ¶ La .xxxviii. nouuelle par monseigneur de lan

NA gueres que vng marchant de TOURS por festoier son cure et autres gens de bien acheta vne grosse et belle lemproye/ si lenuoya a son hostel et charga tresbien a sa femme de la mettre a point ainsi quelle sauoit bien faire/ et faictes dit il que le disner soit prest a douze heures/ car ie ameneray nostre cure et aucuns autres quil lui nomma Tout sera prest dit elle amenez qui vous vouldrez.

5. Elle mist a point vng grant [I8vb] tas de beau poisson/ et quant vint a la lamproye elle la souhaita aux CORDELIERS a son amy/ et dit en soymesmes. ha frere BERNARD que nestez vous icy/ par ma foy vous nen partiries iamais tant que eussiez taste de la lamproye/ ou se mieulx vous plaisoit vous lemporteries en vostre chambre et ie ne fauldroye pas de vous y faire compaignie. A tresgrant regret mettoit ceste bonne femme la main a ceste lamproye voire pour son mary/ et ne faisoit que penser comment son CORDELIER la pourroit auoir. Tant pensa et aduisa quelle conclud de lui enuoyer par vne vieille qui sauoit de son secret/ ce quelle fist et lui manda quelle viendra annuyt soupper et couchier auec lui.

6. Quant maistre CORDELIER vit celle belle lamproye et entendit la venue de sa dame pensez quil fut ioyeux et bien aise/ et dit a la vieille que sil peut finer de bon vin que la lamproye ne sera pas fraudee du droit quelle a puis quon la mengeue.

7. La vieille retourna de son messaige et dit sa charge. Enuiron douze heures vecy nostre marchant venir/ le cure et plusieurs autres bons compaignons pour deuourer ceste lamproye qui estoit bien hors de leur commandement Quant ilz furent en lostel du marchant il les mena trestouz en la cuisine pour veoir ceste grosse lamproye dont il les vouloit festoier et appella sa femme et lui dit/ monstrez nous nostre lamproye ie vueil sauoir a ses gens si ien eu bon marchie.

8. Quelle lamproye dit elle. 9. La [K1ra] lamproye que ie vous fis baillier pour nostre disner auec cest autre poisson.

10. Je nay point veu de lamproye dit elle/ ie cuide moy que vous songiez/ vecy vne carpe deux brochetz et ie ne scay quel autre poisson/ mais ie ne vy au iour duy lamproye. 11. Comment dit il et pensez vous que ie soye yure. 12. Ma foy ouy dirent lors le cure et les autres/ vous nen pensiez pas au iour duy mains/ vous estes vng peu trop chiche pour acheter lamproye maintenant.

13. Par dieu dit la femme il se farce de vous/ ou il a songe dune lamproye/ car seurement ie ne vys de cest an lamproye. 14. et bon mary de soy courroucer qui dit/ vous aues menty paillarde vous lauez mengee ou caichee quelque part/ ie vous promez que oncques si chiere lamproye ne fut pour vous. Puis se vira vers le cure et les autres et iuroit la mort bieu et vng cent de sermens quil auoit baillee a sa femme vne lamproye qui lui auoit couste vng franc et eulx pour encores plus le tourmenter et faire enraigier faisoyent semblant de le non croire/ et tenoient termes comme silz fussent malcontens/ et disoient. nous estions priez de disner ches vng tel/ et si auons tout laissie pour venir icy cuidans mengier de la lamproye/ mais a ce que nous voyons elle ne nous fera ia mal/ Loste qui enraigoit tout vif print vng baston et marchoit vers sa femme pour la trop bie[n] frotter se les autres ne leussent retenu qui lemmenerent a force hors de son hostel et misdrent peine [K1rb] de le rapaiser le mieulx quilz sceurent quant ilz le virent ainsi trouble. Puis quilz eurent failly a la lamproye le cure mist la table et firent la meilleure chiere quilz sceurent. 15. La bonne damoiselle a la lamproye manda lune de ses voisines qui veufue estoit/ mais belle femme et en bon point estoit elle/ et la fist disner auec elle. Et quant elle vit son point elle dit. Ma bonne voisine il seroit bien en vous de me faire vng singulier plaisir/ et se tant vous vouliez faire pour moy il vous seroit tellement desserui que vous en deueriez estre contente.

16. Et que vous plaist il que ie face dit laultre. 17. Je vous diray dit elle/ mon mary est si tresardant de ses besongnes que cest vne grant

merueille/ et de fait la nuyt passee il ma tellement retournee que par ma foy ie ne louseroye bonnement annuyt attendre/ si vous prie que vous voulez tenir ma place/ et se iamais puis rien faire pour vous. vous me trouuerez preste de corps et de biens La bonne voisine pour lui faire plaisir et seruice fut con 18. Or deues vous sauoir que nostre marchant a la lamproye quand vint puis le disner il fist tresgrosse et grande garnison de bonnes verges quil apporta secretement en sa maison. et au piez de son lit il les caicha pensant que sa femme annuyt en sera trop bien seruie.

19. JI ne sceut faire si secretement que sa femme ne sen donnast tresbien gar[K1va]de qui ne sen pensa pas mains. congnoissant assez par experience la cruaulte de son mary lequel ne souppa pas a lostel mais tarda tant dehors quil pensa bien quil la trouuera nue et couchee/ mais il faillit a son entreprinse/ car quant vint sur le soir et tart elle fist despouillier sa voisine et couchier en sa place en lui chargeant expressement quelle ne respondist mot a son mary quant il viendra/ mais contreface la muette et la malade/ et si fist encores plus/ car elle estaignit le feu de leans tant en la cuisine comme en la chambre/ et ce fait a sa voisine chargea que tantost que son mary sera leue le matin quelle sen voise en sa maison. Elle lui promist que si feroit elle.

20. Een Grauwe Brueder – monachus cinereus – is een Franciscaan, en werd zo genoemd omdat zij een grijze/askleurige pij droegen. De naam is blijven voortleven in de bonensoort ‘grauwe erwten’ die in de volksmond ook capucijners genoemd worden naar hun capuccio (capuchon), die onderdeel uitmaakte van hun ‘habijt’. In de Franse brontekst is sprake van Cordelier, een Franse benaming voor de Franciscanen.

21. La voisine en ce point logee et couchee la vaillante femme sen va aux CORDELIERS pour mengier la lamproye et gaingner les pardons comme assez auoit de coustume. 22.Tantdiz quelle se festoyra leans nous dirons du marchant qui apres soupper sen vint en son hostel esprins de yre et de mautalent a cause de la lamproye/ et pour executer ce quen son par dedens auoit conclud il vint saisir ses verges et en sa main les tiet cherchant par tout de la chandelle dont il ne sceut oncques recouurer/ mesmes en la cheminee faillit a feu trouuer. Quant il vit ce il se coucha sans dire mot et dormit iusques sur le iour quil se leua et sabilla et print ses verges et batit la lieutenante de sa femme en telle maniere que a peu quil ne la caruenca en lui ramen[K1vb]teuant la lamproye/ et la mist en tel point quelle saingnoit de tous coustez/ mesmes les draps du lit estoient tant sanglans quil sembloit que vng beuf y fust acore/ mais la poure martire nosoit pas dire vng mot ne monstrer Ie visaige.

23. Ses verges lui faillirent et fut lasse/ si sen ala hors de son hostel/ et la poure femme qui sattendoit destre festoiee de lamoureux ieu et gracieux passetemps sen ala tost apres en sa maison plaindre son mal et son martire/ non pas sans menasser et bien maudire sa voisine. 24. Tandiz que le mary estoit dehors reuint des CORDELIERS sa bonne femme qui trouua sa chambre de verges toute ionchee son lit derompu et froissie/ et les draps tous ensanglantez/ si congneut bien tantost que sa voisine auoit eu affaire de son corps comme elle pensoit bien/ et sans tarder ne faire arrest refist son lit et dautres beaux draps et frez le rempara et sa chambre nettoya. Apres vers sa voisine sen ala quelle trouua en piteux point/ et ne fault pas dire quelle ne trouuast bien a qui parler. Au plus tost quelle peut en son hostel sen retourna et de tous poins se deshabilla/ et ou beau lit quelle auoit tresbien mis a point se coucha et dormit tresbien iusques a ce que son mary retourna de la ville comme c5angie de son courroux pource quil sen estoit vengie et vint a sa femme quil trouua ou lit faisant la dormeueille.

24. Et quesse cy ma damoiselle dit il nest il pas temps de leuer. 26. Berntsz. [1532]: en

26. Hemy dit elle et est il iour/ par mon [K2ra] serment ie ne vous ay pas ouy leuer/ iestoye entree en vng songe qui ma tenue ainsi longuement. 27. Je croy dit il que vous songiez de la lamproye/ ne faisiez pas/ ce ne seroit pas trop grant merueille/ car ie la vous ay bien ramenteue a ce matin.

28. Par dieu dit elle il ne me souuenoit de vous ne de vostre lamproye. 29. Comment dit il lauez vous si tost oublie. 30. Oublie dit elle vng songe ne me arreste rien.

31. Et a ce songe dit il de ceste poignie de verges que iay vsee sur vous na pas deux heures. 32. Berntsz. [1532]: slagen

33. Sur moy dit elle Voire vraiement sur vous dit il/ ie scay bien quil y pert largement/ et aux draps de nostre lit auecques. Par ma foy beaux amys dit elle ie ne scay que vous auez fait ou songie/ mais quant a moy il me souuient tresbien que au iour duy au matin vous me fistes de tresbon appetit le ieu damours. autre chose ne scay ie/ aussi bien pouez vous auoir songie de mauoir fait autre chose comme vous fistes hyer de mauoir baillie la lamproye. Ce seroit vne estrange chose dit il / monstrez vng peu que ie vous voye. Elle osta et si reuersa la couuerture et toute nue se monstra sans taiche ne blesseure quelconques/ 34. Berntsz. [1532]: fanteseeens

35. vit aussi les draps beaux et blans sans soullieure ne taiche/ si fut plus esbahy que on ne vous sauroit dire et se print a muser et largement penser/ et en ce point longuement se tint/ mais toutefois assez bonne piece apres il dit. Par mon serment mamie ie vous cuidoye a ce matin auoir tresfort batue iusques [k2rb] au sang/ mais maintenant ie voy bien quil nen est rien/ si ne scay quil mest aduenu.

36. Dea dit elle ostez vous hors de ceste ymaginacion de baterie/ car vous ne me touchastes oncques vous le pouez presentement veoir et apperceuoir/ faictes vostre compte que vous lauez songe comme vous fistes hier de la lamproye. 37. Je congnois dit il lors que vous dictes vray/ si vous requiers quil me soit pardonne/ car ie scay bien que ieuz hyer tort de vous dire villennie deuant les estrangiers que ie amenay ceans.

38. Jl vous est legierement pardonne dit elle/ mais toutesfois aduisez bien que vous ne soyez plus si legier ne si hastif en voz affaires comme vous aues de coustume. 39. Non seray ie dit il mamie. 40. Ainsi quauez ouy fut le marchant par sa femme trompe cuidant auoir songie dauoir achete la lamproye et fait le surplus fait ou compte dessus escript en racompte.

 

 

 

17] 1 Een oudt bedroch geschiet in ouden tijden.

Als David gereyst is den wech van alder werelt, so wert Salomon, zijn sone, coninc gestelt over IsraĎl in zijns vaders stede. Ende hi trouwede aen Pharao, den coninc van Egipten, ende nam zijn dochter, ende bracht se in de stadt van David.

Op een tijt offerde Salomon tot Gibeon .M. offerhanden die men brande. Ende doe openbaerde hem die Here des nachts in sinen droome, ende seyde: «Bidt, wat ic u gheven sal!»

Doe seyde Salomon: «Ic ben noch een cleyn knechtken. Ick en weet noch mijnen wtganck noch mijnen inganck. Dus geeft 2 uwe knecht een ghehoorsaem herte, dat hi u volck oordelen mach, ende verstaen wat goet ende wat quaet is.»

Doe sprac die Here: «Want ghi niet gebeden en hebt om lanck leven noch om rijcdom, noch om uwer vianden zielen, maer om verstant, oordeelen te hooren, so heb ick u gegeven na uwen woorden. Ende heb u een verstandich herte gegheven, also dat dijns ghelijcken voor u niet gheweest en is ende na u niet opstaen en sal. Ende daertoe heb ic u ooc gegeven dat ghi niet gebeden en hebt, te weeten rijckdom ende eere, dat uus gelijcken gheen onder die coningen en is tot uwer tijt.»

Ende Salomon timmerde wel .XX. jaren over dat Huys des Heeren ende dat huys des conincs ende daer had hi toe .LXX.M die de last droegen, ende .LXXX.M die daer metsten, ende .IIJ.M ende .IIJ. hondert regierders die dat volck regierden ende die aen dat werck arbeyden. Ende die coninc Salomon wert groter in rijcdom ende in wijsheyt dan alle coninghen opter aerden. Ende alle die werelt begeerde Salomon te sien om zijn wijsheyt te hooren, die hem God gegeven hadde, ende elck bracht hem jaerlijcx giften, gulden ende silveren juwelen, cleederen, harnasch, welrieckende cruyden, peerden, muylen.

Maer Salomon beminde veel buytenlantsche vrouwen, als die dochter van Pharao, van den Moabiten, van den Amoniten, van den Edomiten, dat die Heere IsraĎl verboden had: «En gaet niet tot hem/ ende en laet se tot u niet comen! Si sullen sekerlijc u herten neyghen tot haren goden.»

Aen desen ginck Salomon met liefden. Ende hy had sevenhondert wijven tot vrouwen, ende drie hondert concubinen. Ende zijn wijven neychden zijn herte tot vreemde goden, also dat zijn herte niet heel en was metten Heere sinen God, als dat herte zijns vaders David.

Also wandelde Salomon na Ahamroth, den god van Zydon, Milcon, den god der Amoniten, ende hi timmerde een huys Chamos, den god der Moabiten, opten berch die voor Jerusalem leyt, ende Moloch, den god der Amoniten. Also dede Salomon allen sinen buytenlantschen wijven die haren goden wieroock offerden. Ende daerom wert God op hem vergramt, ende deylde zijn rijck.

Siet hoe die alderwijste Salomon van den vrouwen bedrogen is, ende hoe zijn herte afgekeert is van den Heere. Ay lacen! Wie sal doch nu wederstaen dat bedroch, dat smeecken ende die tranen der vrouwen, die dagelicx bi vrouwen is ende in haer presencie. Dit voorseyt vindi claerlic in’t eerste Boeck der Coningen, in’t .XI. capittel in die Bibel.

17]  Een oud bedrog geschiedt in oude tijden.

Toen David de reis had gedaan van de hele wereld zo werd Salomon, zijn zoon, koning gesteld over IsraĎl in zijn vaders plaats. En hij beloofde trouw aan Farao, de koning van Egypte en nam zijn dochter en bracht haar in de stad van David.

Op een tijd offerde Salomon te Gibeon 1000 offerhanden die men verbrandde. En toen openbaarde hem de Heer ‘s nachts in zijn droom en zei: «Bid, wat ik u geven zal!»

Toen zei Salomon: «Ik ben nog een klein jongetje. Ik weet nog mijn uitgang nog mijn ingang. Dus geef uw knecht een gehoorzaam hart zodat hij uw volk oordelen mag en verstaan wat goed en wat kwaad is.»

Toen sprak de Heer: «Want ge hebt niet gebeden om lang leven nog om rijkdom, nog om uw vijanden zielen, maar om verstand, oordelen te horen, zo heb ik u gegeven naar uw woorden. En heb u een verstandig hart gegeven alzo dat uw gelijken voor u er niet geweest zijn en na u niet opstaan zal. En daartoe heb ik u ook gegeven wat ge niet gebeden hebt, te weten, rijkdom en eer zodat van uw gelijke er geen is onder de koningen tot uw tijd.»

En Salomon timmerde wel 20 jaar over dat Huis des Heren en dat huis van de koning en daartoe had hij toen 70 000 die de last droegen en 80 000 die daar metselden en 30000 en 300 regeerders die dat volk regeerden en die aan dat werk werkten. En koning Salomon werd groter in rijkdom en in wijsheid dan alle koningen op de aarde. En de hele wereld begeerde Salomon te zien om zijn wijsheid te horen die hem God gegeven had en elk bracht hem jaarlijks giften, gouden en zilveren juwelen, kleren, harnas, welriekende kruiden, paarden en muilezels.

Maar Salomon beminde veel buitenlandse vrouwen als de dochter van Farao, van de Moabiten, van de Amoniten, van de Edomiten wat de Heer van IsraĎl verboden had: «En ga niet tot hen en laat ze niet tot u komen! Ze zullen zeker uw hart neigen tot hun goden.»

Aan deze ging Salomon met liefde. En hij had zevenhonderd wijven tot vrouwen en drie honderd concubines. En zijn wijven neigden zijn hart tot vreemde goden alzo dat zijn hart niet geheel was met de Heer zijn God zoals dat hart van zijn vader David.

Alzo wandelde Salomon naar Ahamroth, de god van Zydon, Milcon, de god der Amoniten en hij timmerde een huis voor Chamos, de god der Moabiten, op de berg die voor Jerusalem ligt en Moloch, de god der Amoniten. Alzo deed Salomon al zijn buitenlandse wijven die hun goden wierook offerden. En daarom werd God op hem vergramd en verdeelde zijn rijk.

Zie hoe de aller wijste Salomon van de vrouwen bedrogen is en hoe zijn hart afgekeerd is van de Heer. Eilaas! Wie zal toch nu weerstaan dat bedrog, dat smeken en de tranen der vrouwen die dagelijks bij vrouwen is en in haar aanwezigheid. Dit voor vermelde vind je duidelijk in het eerste Boek der Koningen in het 11de kapittel in de Bijbel.

 

 

1. Genomen uit het Oudtestamentische bijbelboek 1 Koningen, de hoofdstukken 3, 5 en 11, maar zeer vrij gecompileerd en geredigeerd. De spelling ‘Gibeon’ dateert van ná de middeleeuwse Bijbelvertalingen. 2. Berntsz. [1532]: geeft

 

 

[18] 1 Een nieu bedroch geschiet in onsen tijden te Danswick in Pruyssen.

Op een tijt gebuerde’t in die vermaerde coopstat van Danswick dat twee jonge cooplieden ginghen t’samen wanderen voor Artus’ Hof op die marcte aldaer, ende hemlieden quam in’t gemoete een schoon lustighe jonghe vrouwe met een maecht oft jonckwijf achter haer, comende van der kercken. Dies die een coopgeselle aensiende die vrouwe sprack tot sinen geselle met onberaden sinnen: «Bi gans darmen! Daer gaet een schoon vrouwe voorby. Ic wilde dat ick’er eenen nacht by mocht slapen. Daer gave ic om .L. gouden gulden.»

Dit horende die maecht seyde: «Hoort doch vrouwe, die geselle die ons daer voorby gaet, seyt tegen sinen gheselle: hi wilde’t hem wel .L. gouden gulden laten costen mocht hi eenen nacht bi u slapen.»

Die vrouwe sach omme ende bemercte dattet een lustich frayaert was, seyde haerder maecht: «Vertooft wat totdat hi van sinen geselle gescheyden is, ende vraghet hem: is’t dattet hem belieft, so segt hem dat hi t’avont t’onsent come;» nochtans was haer man in der stadt.

Die maecht dede so haer vrouwe dat beval, ende si quam totten jongen coopman als hy van sinen geselle gescheyden was, ende seyde: «Lieve geselle, soudy noch willen blijven bij u woorden die ghi seyt, als u die schoone vrouwe voorby quam?»

«Wel,» seyde die jonge coopman, «noch blijve ic by mijn woorden, mach mi die vrouwe gebueren.»

Doe seyde die maecht: «Is’t dattet u belieft, so suldy t’avont comen tot haren huyse als die clocke is seven geslagen. Het is daer een maniere dat veel cooplieden te Danswijck al te seven uren haer avontmael gedaen hebben, ende dan gaen si op Artus’ Hof drincken een Jupen 2 bierken, ende dan doen si dickwil haer comenscap, dattet somtijts late valt in der nacht eer si t’huys comen.»

Dus ginck oock deser jonger vrouwen man op Artus Hof nae den eten te seven uren. Doen quam die jonghe coopman in t’huys bi der vrouwen, die hem boven leyde op een schoone camer, daer si een schoon bedde bereyt hadde na den aert, daer si malcanderen zeer minlijc omhelsden met menich cusken, malcanderen gevende den godspenninck van der comenschap. Corts daarnae so ghaf haer die gheselle die .L. gouden gulden, daer si eenen gulden af sonden om wijn, ende dede daeraf dat ander gelt weder brengen, dat si doen al behielt ende bewaerde. Ende si droncken van den wijn ende brochten malcanderen een lieflijck droncxken, so dat Venus’ kinderkens toebehoort. Ende gingen doe te samen slapen, daer si hem leyde in haer vier armkens, seer begeerlijc lesende die bloemkens der natueren in den soeten rosegaert.

Binnen desen tijden lach die maghet in een vinster, wachtende die coemste van haren meester, so haer vrouwe haer dat bevolen hadde, want si van der comenschap wel wist.

Als nu die clocke elf sloech in der nacht, so quam die meester, dat die maecht geringhe vernam, die terstont haer vrouwe riep, die doen van boven quam, ende liep op haer bedde in haer neercamer, ende als die man die camer quam, so lach die vrouwe ende 2 roncte recht oft si hart geslapen hadde. Ende haer man ontcleede hem, ende hi quam bi zijn vrouwe te bedde, die doen uut haren slape ontspranc, so hi meende, des si seyde: «Ay lacen man, dat ghi mi daer so haestelijc wect. Ic sliep so wel ende soetelijc.»

«Ja,» seyde die man, «ic most oock emmers te bedde comen.»

Niet lange daerna haer verlangde weder boven te zijn om weder te vernieuwen, so vant si eenen losen vont om haren man te bedriegen, ende si seyde: «Lieve man, ic en weet wat ic sal maken. Ic hebbe so groten vake dat ic niet en weet wat maken, ende ick hebbe die rommelinghe in mijnen buyck, sodat ic moet gaen op dat priuaet, ende ick sorghe dat ick op dat privaet ontslaep sal worden.»

Doen stontse op van haren man ende sette voor dat bedde een becken ende eenen stock daerin, ende seyde: «Och lieve man, oft ick in slape worde op dat privaet, so doet so wel ende slaet op dat becken, dat ic doch mach wacker worden,» ende die man seyde dat hi so doen soude.

Ende doen ginc die vrouwe wederom boven daer se blijdelijc ontfangen wert met groten verlanghen. Ende die man was redelijck ghedroncken, sodat hi in slape viel tot ’s morgens te vier uren. Doen ontspranck hi uuten slape, ende hi taste al om dat bedde, maer hi en vant zijn wijf niet, dies hi vervaert wert ende spranck van den bedde, ende hi sloech op dat becken, sodat zijn wijf wijf terstont quam gelopen

claghende ende seyde: «Ay lacen lieve man, hoe jammerlic ben ic vercout. Ic heb al den nacht sitten slapen op dat privaet. Ic sorghe dat ick’er noch een siecte af mocht crijghen van dese grote coude!» Ende si ginck doe bi haren man te bedde, daer si by lach tot vijf uren toe. Ende doe stont die man op om misse te hooren ende ander dingen te doen, dat hi te doen hadde.

Ende als die man uuten huyse was, terstont ginck die bruyt weder boven by haren nieuwen lief, daer si doen bleef slapen tot dat die clock acht sloech. Doen stonden si so op ende mosten so scheyden van malcanderen, secretelijc sonder yemants weten behalven die maecht.

So gebeurde’t dat dese jonge coopman wilde rijden na huys tot zijn stadt van Lijps 3 in Sassen, 4  ende hy was te paerde op sinen wech daerwaerts. Op dien selven dach reedt deser vrouwen man voorseyt uut Danswick nae die stadt van Lubeck. 5 Als dese man een wijle rijts gereden hadde, so sach hi van verre voor hem eenen voor rijden. Dit siende begeerde hi geselschap te hebben, so reedt hy so starckelijc aen, totdat hi den jongen coopman achterhaelde, sodat si een wijle tijts tesamen reden, sodat die man seyde tot den jongen coopman: «Segt ons doch wat van uwer aventueren ende cort ons den wech.»

Die jongelinck seyde: «Mi en is gheen avontuer gebuert, daerom en can ic gheen vertellen.»

Doe seyde die coopman: «Dat gheeft mi wonder, want in onse stadt van Danswijck gebuert den jonghen cooplieden veel vreemde aventueren, want die cooplieden zijn ghemeynlijc oude mannen, ende hebben jonghe wellustighe vrouwen, die meer wercs hebben in haren winckel dan die mannen wel bestieren connen, sodat si somtijts van u ende uus gelijcken wel een broot leenen.»

Doe seyde die jonghe coopman: «Ja, by gans hauerstro! My is daer oock een vreemde aventuere gebuert van eens coopmans wijf,» ende hi vertelde hem alle de manieren hoe dattet geschiet was van der vrouwen, van der maecht ende van den becken, alsoo’t voorseyt is.

Dit hoorende die goede man en was niet wel tevreden, ende dacht: «Al dit is miselven gebuert!» maer hi loech daermede, ende hielt hem beter dan hem was te moede. Ende als si noch daer een luttel tijts ghereden hadden, so hielt die coopman stil met sinen paerde, ende seyde: «Ay lacen! ’t Is qualijc met mi. Ic soude reysen tot Lubeck om gelt, ende ic heb vergeten mijn principael obligaciĎn, daer ic mede soude manen. Aldus moet ic wederom na huys. Ic bidde u: «Hebdi niet sonderlinge te versuymen, hout mi doch geselschap wederom. Ic sal u costen betalen voor u ende voor u paert, ende sal u goet chier maken.»

Wel seyde die jonghelinck: «Om u vrientschap te doen, sal ick doen dat u belieft.»

Ende so zijn si t’samen wederom gereden, ende quam van achter in des coopmans paertstal, sodat die jongelinck dat huys niet en bekende van der vrouwen, ende gingen so t’samen tot voor in’t huys, daer mijn joncfrouwe sadt, die hi wert kennende, sodat hi verscrict wert, ende seyde tot hemselven: «Ay lacen! Wat heb ic gedaen? ’t Is nu al qualijc ghemaect. Hadde ic doch mijn tanden voor mijn tonge gehouden! Mer wat wil ic doen: ’t Is geseyt. Het moet geseyt blijven....»

Als si nu bi der vrouwen waren, so seyde die man: «Vrouwe, neemt ghelt ende gaet ter marct ende haelt ons wat goeder spijsen. Ic bringe hier met mi een goet vrient. Dien wil ic t’avont goet chyer doen.»

Maer God weet dat die vrouwe met dien vrient niet wel tevreden en was in sulcker manieren, mer niettemin die vrouwe moste doen dat beveel van haren man. Alst avont was, so wert die spijse bereyt, ende so ginc die weert met sinen gaste ter tafelen, daer si wel ende eerlijc gedient werden. Mer die vrouwe ginck alomme ende en quam niet bi die tafel eten, dies die man gram wert ende hiet’s haer comen sitten by hemlieden, dat se ten laetsten dede mit beschaemder herten. Die weert maecte sinen gast al die chyere die hi mochte, ende hi schencte hem planteit van wijn.

Als nu die maeltijt gedaen was ende die spijse wech gedragen, so hiete hi sinen knecht ende zijn een joncwijf oft maecht uuter cameren gaen, ende die ander maecht – ie vanden spele wiste – bleef in die camer, ende doe dede hi die camer duere sluyten, ende seyde: «Luyde roepen is hier gheen eere, want die zijn nase afbijdt, die schendet zijn aensicht. So is’t nu met mi, want schende ick mijn wijf, so schende ick miselven.» Doe seyde hi tot zijn wijf: «O vrouwe mijn, ghi zijt mi te costel voor mijn bruyt te zijn, als ghi op eenen nacht moecht winnen .L. gouden gulden. Ic soude haestelijc al mijn goet verfomfelt hebben...»

Die vrouwe seyde: «Dat en is niet waer.»

Doe wert die man gram/ ende seyde: «Haelt mi hier dat gelt. God heeft mi ghenoech verleent. Ick en wil sulck ghelt in mijn huys niet.»

Doe haelde die vrouwe dat gelt met verstoorden sinnen ende leyde’t voor haren man op die tafel, die daer telde .XLIX. gouden gulden, vragende den jongelinck: «Is dit u ghelt?»

«Neen,» seyde die jongelinck, «het was eens mijn ghelt.» «So steect dat in u burse,» seyde die weert, dat die jonghelinck dede. Doe hielt die weert noch silveren gelt van den gouden gulden die daer gewisselt was om den wijn te halen. Doe seyde die weert: «Den arbeyt moet nochtans betaelt zijn. Wat sullen wi die bruyt geven voor haren arbeyt?»

Doe seyde die jongelinck: «Heer weert dat stelle ic al in u goetduncken.»

Doe seyde die weert: «So schicke ic haer toe een paer pantoffelen ende een paer zeemen schoen, ende die coppelersse die de wacht gehouden heeft een paer pantoffelen, ende den speelman die op de bruyloft ende op dat becken gespeelt heeft twee potten wijns, ende die weert gaf elcken zijn ghelt dat si ontfanghen mosten, maer die weert ghaf dat speelghelt te voren, ende daer droncken si wijn om ’t ghelt, ende datter overschoot van den silveren gelde, dat ghaf hi ooc den jonghelinck ende seyde: «Maect desen avont goet chiere, ende reyst morghen daer’t u belieft. Ende ic bid u: en coemt hier niet weder. Ende is u wat goets geschiet, weest huesch in uwen mont, want dat daer gheschiet is, moet blijven geschiet.»

Ende die jongelinck is ’s morgens wech ghereyst, blijde zijnde van der avontuere.

Siet wat die vrouwen connen brouwen! O ghi mannen ende jonge gesellen die daer gaen in die groote oorden, wacht u voor sulcke valsche vrouwen! Maer lacen! Wie sal hem connen wachten, 6 want als die Scrifture seyt, so vint men luttel vrome vrouwen, want daer staet gescreven: Mulierem fortem quis inueniet; procul hinc . [id est]. dat is: Wie sal vinden een starcke vrome vrouwe verre van hier oft aen dat eynde der werlt? Dus elck die hem wachten wil, die schouwe dat aensien der vrouwen ende dat bi wesen, die conversacie ende dat geselscap.

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden te Gdansk in Polen.

Op een tijd gebeurde het in de vermaarde koopstad Gdansk dat twee jonge kooplieden tezamen gingen wandelen voor Artus Hof op de markt aldaar en hen kwam tegemoet een mooie lustige jonge vrouw met een maagd of jong meisje achter haar en kwamen van de kerk. Dus die koopgezel zag die vrouw en sprak tot zijn gezel met onberaden zin: «Bij gans erbarmen! Daar gaat een mooie vrouw voorbij. Ik wilde dat ik er een nacht bij mocht slapen. Daar gaf ik 50 gouden guldens voor.»

Dit hoorde de maagd en zei: «Hoor toch vrouw, die gezel die ons daar voorbij gaat zegt tegen zijn gezel dat hij het wel 50 gouden gulden wil laten kosten mocht hij een nacht bij u slapen.»

De vrouw keek om en bemerkte dat hij een lustige fraaie was en zei tegen haar maagd: «Wacht tot hij van zijn gezel gescheiden is en vraag het hem en is het dat het hem belieft zeg hem dan dat hij vanavond bij ons komt;» nochtans was haar man in de stad.

De maagd deed zo haar vrouwe dat beval en ze kwam tot de jonge koopman toen hij van zijn gezel gescheiden was en zei: «Lieve gezel, zou ge nog willen blijven bij uw woorden die gezegd hebt toen die mooie vrouw voorbij kwam?»

«Wel,» zei die jonge koopman, «noch blijf ik bij mijn woorden, mag me die vrouw gebeuren.»

Toen zei de maagd: «Is het dat het u belieft dan zal ge vanavond komen bij haar huis  als de klok zeven heeft geslagen. Het is daar het gebruik dat veel kooplieden te Gdansk om zeven uur hun avondmaal gedaan hebben en dan gaan ze naar Artus Hof en drinken een jopen biertje en dan doen ze vaak hun koopmanschap doen zodat het soms erg laat in de nacht wordt eer ze thuis komen.»

Dus ging ook deze jonge vrouw haar man naar Artus Hof na het eten te zeven uur. Toen kwam die jonge koopman in het huis bij de vrouwen die hem boven naar een mooie kamer leidde waar ze een schoon bed bereid had naar de aard en waar ze elkaar zeer minnelijk omhelsden met menig kusje en gaven elkaar de godspenning van de koopmanschap. Kort daarna zo gaf de gezel die 50 gouden gulden waar ze een gulden afzonderde vanwege de wijn en liet dat andere geld weer brengen dat ze toen geheel behield en bewaarde. En ze dronken van de wijn en brachten elkaar lieflijke drankjes zo dat tot Venus kindertjes behoort. Toen gingen ze samen slapen waar ze hem legde in haar vier armpjes en las zeer begeerlijk de bloempjes der natuur in de zoeten rozentuin.

Binnen deze tijden lag de maagd in een venster en wachtte op de komst van haar meester zo haar vrouw dat bevolen had want ze wist van die koop af.

Toen nu de klok elf sloeg in de nacht zo kwam de meester wat de maagd net vernam die terstond haar vrouw riep die toen van boven kwam en liep naar haar bed in de beneden kamer en toen de man in de kamer kwam zo lag de vrouw en snurkte net alsof ze hard geslapen had. En haar man ontkleedde zich en hij kwam bij zijn vrouw te bed die toen uit haar slaap ontsprong, zo hij meende, en zei: «Eilaas man, dat ge me zo haastig wekt. Ik sliep zo goed en zachtjes.»

«Ja,» zei de man, «ik moest ook te bed komen.»

Niet lang daarna toen ze haar verlangen weer te boven was en die weer te vernieuwen zo vond ze een slimme vondst om haar man te bedriegen en ze zei: «Lieve man, ik weet wat ik zal maken. Ik heb zo’ n grote slaap dat ik niet weet wat te maken en ik heb de rommeling in mijn buik zodat ik moet gaan op de privaat en ik ben bezorgd dat ik op de privaat wakker zal worden.»

Toen stond ze op van haar man en zette voor dat bed een bekken en een stok daarin en zei: «Och lieve man, als ik in slaap val op de privaat wees zo goed en sla op die bekken zodat ik wakker wordt,» en de man zei dat hij dat doen zou.

En toen ging die vrouw wederom boven waar ze blij ontvangen werd met groot verlangen. En de man was redelijk dronken zodat hij in slaap viel tot ’s morgens te vier uur. Toen werd hij wakker en hij taste al om dat bed, maar hij  vond zijn vrouw niet, dus werd hij bang  en sprong uit het bed en hij sloeg op de bekken zodat zijn vrouw terstond klagend kwam aangelopen en zei: «Eilaas lieve man, hoe jammer ik ben verkouden. Ik heb de hele nacht zitten slapen op de privaat. Ik bezorg me dat ik er nog een ziekte van krijg van deze grote koude!» En ze ging toen bij haar man te bed waar ze bij lag tot vijf uur toe. En toen stond de man op om de mis te horen en andere dingen te doen wat hij te doen had.

En toen de man uit het huis was ging de bruid terstond weer naar boven bij haar nieuwe lief waar ze toen bleef slapen totdat de klok acht sloeg. Toen stonden ze op en moesten zo van elkaar scheiden, geheim en zonder iemands weten behalve die maagd.

Zo gebeurde het tot deze jonge koopman naar huis wilde rijden te Leipzig in Saxen en hij was op zijn paard daarheen. Op dezelfde dag reed de man van deze voor vermelde vrouw uit Gdansk naar de stad Lübeck. Toen deze man een tijdje had gereden zo zag hij van ver voor hem er een rijden. Dit ziende begeerde hij gezelschap te hebben en zo reed hij zo hard door totdat hij de jonge koopman inhaalde zodat ze een tijdje tezamen reden zodat de man tot de jonge koopman zei: «Zeg ons toch wat van uw avonturen en verkort ons de weg.»

De jongeling zei: «Me is geen avontuur verteld en daarom kan ik er geen vertellen.»

Toen zei de koopman: «Dat verwondert me want in onze stad Gdansk overkomt de jonge kooplieden veel vreemde avonturen want de kooplieden zijn gewoonlijk oude mannen en hebben jonge wellustige vrouwen die veel meer werk hebben in hun winkel dan die mannen wel bestieren kunnen zodat ze soms van u en uw gelijken wel een brood lenen.»

Toen ze de jonge koopman: «Ja, bij gans haverstro! Me is daar ook een vreemd avontuur gebeurd van een koopman vrouw,» en hij vertelde hem alle manieren hoe dat het geschied was van de vrouw, van de maagd en van de bekken, alzo het gezegd is.

Dit hoorde de goede man en was niet goed tevreden en dacht: «Al dit is me zelf gebeurd!» maar hij lachte daarmee en hield zich beter dan hem was te moede. En toen ze daar nog wat gereden hadden toen hield de koopman stil met zijn paard en zei: «Eilaas! Het is slecht met mij. Ik zou naar Lübeck reizen om geld en ik heb vergeten mijn voornaamste obligaties waar ik mee zou vermanen. Aldus moet ik wederom naar huis. Ik bid u: «Verzuim toch vooral niet en hou me toch weer gezelschap. Ik zal uw kosten betalen voor u en voor uw paard en zal u een goede sier maken.»

Wel, zei de jongeling: «Om uw vriendschap te doen zal ik doen dat u belieft.»

En zo zijn ze tezamen terug gereden en kwamen van achter in de koopman zijn paardenstal zodat de jongeling dat huis van de vrouw niet herkende en gingen zo tezamen tot voor in het huis daar mijn jonkvrouw zat die hij herkende zodat hij verschrikte en zei tegen zichzelf: «Eilaas! Wat heb ik gedaan? Het is nu kwalijk gemaakt. Had ik toch mijn tanden voor mijn tong gehouden! Maar wat wil ik doen: Het is gezegd. Het moet gezegd blijven....»

Toen ze nu bij de vrouw waren zo zei de man: «Vrouw, neem geld en ga naar de markt en haal ons wat goede spijs. Ik breng hier met mij een goede vriend. Die wil ik vanavond goede sier doen.»

Maar God weet dat die vrouw met die vriend niet goed tevreden was op zo’n manier, maar niettemin de vrouw moest het bevel van haar man doen. Toen het nu avond was zo werd de spijs bereid en zo ging de waard met zijn gast ter tafel waar ze goed en eerlijk bediend werden. Maar de vrouw ging alom en kwam niet bij de tafel eten, dus werd de man gram en zei haar er bij te komen zitten wat ze tenslotte deed met een beschaamd hart. De waard maakte zijn gast alle sier die hij kon en hij schonk hem plenty wijn.

Toen nu de maaltijd gedaan was en de spijs weg gedragen zo zei hij zijn knecht en zijn jonge vrouw of maagd uit de kamer te gaan en de andere maagd – die van het spel wist – bleef in de kamer en toen liet hij de kamerdeur sluiten en zei: «Luid roepen is hier geen eer, want die zijn neus afbijt die schendt zijn aanzicht. Zo is het nu met mij, want schond ik mijn vrouw, zo schend ik mezelf.»  Toen zei hij tot zijn vrouw: «O vrouw van mij, ge bent met te kostbaar om mijn bruid te zijn als ge op een nacht 50 gouden guldens mocht winnen. Ik zou gauw al mijn goed verfrommeld hebben...»

De vrouw zei: «Dat is niet waar.»

Toen werd de man gram en zei: «Haal me hier dat geld. God heeft me genoeg verleend. Ik wil zulk geld niet in mijn huis.»

Toen haalde de vrouw dat geld met verstoorde zinnen en legde het voor haar man op de tafel die daar telde 49 gouden gulden en vroeg de jongeling: «Is dit uw geld?»

«Neen,» zei de jongeling, «het was eens mijn geld.» «Zo steek het in uw beurs,» zei de waard wat die jongeling deed. Toen hield de waard nog zilver geld van de gouden gulden die daar gewisseld was om de wijn te halen. Toen zei de waard: «De arbeid moet nochtans betaald zijn. Wat zullen we de bruid geven voor haar arbeid?»

Toen zei de jongeling: «Heer waard, dat stel ik alles in uw goeddunken.»

Toen zei de waard: «Zo schik ik haar toe een paar pantoffels en een paar zemen schoen en de koppelaarster die de wacht gehouden heeft een paar pantoffels en de speelman die op de bruiloft en op de bekken gespeeld heeft twee potten wijn  en de waard gaf elk zijn geld dat ze ontvangen moesten, maar de waard gaf dat speelgeld tevoren en daar dronken ze wijn om het geld en dat er overschoot van het zilver geld, dat gaf hij ook de jongeling en zei: «Maak deze avond goede sier en reis morgen daar het u belieft. En ik bid u: kom hier niet weer. Er is u wat goeds geschied, wees echt in uw mond, want dat daar geschied is moet blijven geschiedt.»

En de jongeling is ’s morgens weg gegaan en was blij van het avontuur.

Zie wat die vrouwen kunnen brouwen! O gij mannen en jonge gezellen die daar gaan in die grote oorden, wacht u voor zulke valse vrouwen! Maar eilaas! Wie zal zich kunnen wachten,  want zoals de Schrift zegt, zo vindt men weinig vrome vrouwen, want daar staat geschreven: Mulierem fortem quis inueniet; procul hinc . [id est]. Dat is: Wie zal vinden een sterke vrome vrouwe ver van hier of aan het einde der wereld. Dus elk die zich wachten wil die schuwt dat aanzien der vrouwen en dat erbij te wezen, de conversatie en het gezelschap.

 

 

1. (Nog) Geen brontekst bekend. 2. W.N.T. s.v. JOPENBIER: Noordduitse bierspecialiteit.

3. http://de.wikipedia.org/wiki/Leipzig 4. http://de.wikipedia.org/wiki/Geschichte_Sachsens 5. http://en.wikipedia.org/wiki/L%C3%BCbeck

6. Berntsz. [1532]: machten

 

 

 

[19] 1 Een bedroch van ouden tijden.

Die dienaers ende knechten van Herodes 2 zijn uutgesonden ende hebben Johannem 3 gegrepen ende in den kercker geset gevangen om Herodias, 4 zijns broeders Philippus’ 5 wijf. Ende Johannes strafte hem ende seyde: «’t Is niet behoorlijc noch recht dat ghi uus broeders wijf hebt.»

Ende Herodias leyde hem lagen ende wilde hem doden, maer si en conde’s niet by brengen. Ende Herodes ontsach Johannem, want hi wel wiste dattet een recht ende een heylich man was, ende nam hem waer, ende hy was hem gehoorsaem in veel saken, ende hy hoorde hem gheerne. Ende het gheviel op sinen jaersdach dat hi een groot avontmael gaf den oversten ende den hooftlieden ende principaelsten van GalileĎn. 6 Doe quam daer in die dochter van Herodias ende si danste, d’welc den coninc herodes ende hem allen die aender tafelen saten zeer wel behaechden.

Doe sprac coninc Herodes totter dochter: «Bidt van mi wat ghi wilt, ende ic sal’t u gheven.» Ende hi swoer eenen eedt seggende: «Wat ghi sult bidden wil ick u gheven tot die helft mijns conincrijcs.»

Doe seyde die moeder: «Bidt dat hooft van Johannes den Dooper.»

Ende doe ginc se ter stont totten coninc met haest, ende badt ende sprac: «Ic wil dat ghi my geeft nu terstont dat hooft op een schotel Johannis des Dopers.»

Die coninc was bedroeft ende om des eets wille, ende om dergheender die aen die tafel saten en wilde hi haer niet vergeefs laten bidden. Ende terstont sandt die coninck den hangman in den kercker, ende liet zijn hooft daer brengen op een schotel, ende gaf’t der dochter, ende die dochter gaf’t voort haerder moeder.

Siet hoe die heylige man Johannes zijn hooft ende leven most verliesen door die valsce vrouwe Herodias. Siet wat quaet, wat wonder can maken een wijf.

Een bedrog van oude tijden.

Die dienaars en knechten van Herodes zijn uitgezonden en hebben Johannes gegrepen en in de kerker gevangen gezet vanwege Herodias, zijn broer Philippus vrouw. En Johannes strafte hem en zei: «Het is niet behoorlijk nog recht dat ge uw broeders vrouw hebt.»

En Herodias legde hem luren en wilde hem doden, maar ze konden het niet doen. En Herodes ontzag Johannes want hij wist goed dat het een recht en een heilige man was en nam hem waar en hij was hem gehoorzaam in veel zaken en hij hoorde hem graag. En het gebeurde op zijn verjaardag dat hij een groot avondmaal gaf aan de oversten en de hoofdlieden en belangrijkste van Galilea. Toen kwam daar de dochter van Herodias binnen en ze danste wat koning Herodes en hen allen die aan de tafel zaten zeer goed behaagden.

Toen sprak koning Herodes tot de dochter: «Bidt van mij wat ge wil en ik zal het u geven.» En hij zwoer een eed en zei: «Wat ge zal bidden wil ik u geven tot de helft van mijn koninkrijk.»

Toen zei de moeder: «Bidt dat hoofd van Johannes de Doper.»

En toen ging ze terstond met haast naar de koning en bad en sprak: «Ik wil dat ge me nu terstond dat hoofd op een schotel van Johannes de Doper geeft.»

De koning was bedroefd en vanwege de eed en om diegene die aan tafel zaten wilde hij haar niet tevergeefs laten bidden. En terstond zond de koning de beul in de kerker en liet het hoofd daar brengen op een schotel en gaf het de dochter en de dochter gaf het voort haar moeder.

Zie hoe die heilige man Johannes zijn hoofd en leven moest verliezen door die valse vrouwe Herodias. Zie welk kwaad en welk wonder een vrouw kan maken.

 

 

1. Genomen uit het Evangelie van Marcus, hoofdstuk 6. 2. http://en.wikipedia.org/wiki/Herod_Antipas 3. http://en.wikipedia.org/wiki/John_the_Baptist 4. http://en.wikipedia.org/wiki/Herodias

5. http://en.wikipedia.org/wiki/Herod_Philip_I 6. http://en.wikipedia.org/wiki/Galilee

 

 

 

[20] 1 Een nieu bedroch, geschiet in onsen tijden, van een jalours man, die zijn wijf qualijck betroude.

Een groot geleert man was in ItaliĎn, die een schoon jonge bloeme had tot eenen wive. Dese meester had meest gelesen die practiken der vrouwen, daer si haer mannen mede plegen te bedriegen. Hierom 2 betroude hi ooc qualic zijn wijf, ende hi meende hem so te bewaren van sulc bedroch, op aventueren oft zijn wijf quaet garen wilde spinnen, so veel vrouwen haren mans gedaen hadden. 3

In dese jaloursheyt bleef dese man wel drie oft vier jaren, sodat zijn wijf mochte nemmermeer zijn uut zijn presencie: si en moste altijt bi hem zijn, sonder alleen als si ter kercken ginck om misse te hooren, ende terstont wederom t’huys. Ende als si ter kercken ginck, so had se altijt bi haer een oude serpente – op zijn Italiaens – die se bewaerde. 4

So geviel’t op een tijt dat een jonck wellustich man hoorde van dit regiment, ende hoe dat dese schoone vrouwe van haren man gequelt was met dese vermaledijde jalousie. So geviel’t op een tijd dat dese jonge man quam in’t gemoete van deser schoonder, gracelijcker ende lieflijcker joncfrouwen, ende sprac haer aen secretelijc, tot haer seggende sinen goeden wille, ende haer beclagende met swaren versuchten, dat si sulcken Saturnijn ende jaloursen man getrout had. Ende hi seyde haer, hoe hi boven alle vrouwen der werlt haer meest beminde, ende wat hi om haerder liefden wille wel soude willen doen, ende seyde haer: «Omdat ic hier niet met u langer spreken en mach, is’t dattet u soude believen, ic soude u scriven wat ic om uwen wille wel soude willen doen, wist ic dat mijnen cleynen dienst comende uut een goet willich herte en soude niet wesen versmaet noch verworpen van u met onwaerdicheyt, ende dat ic niet en mocht vergeefs arbeyden noch mijn hant slaen op een ydel plaetse.» 5

Dese woorden des jongelincs aenhoorde die joncfrouwe die schoone fiere ende welgemaecte met goeder herten ende groter begeerten. Maer omdat haer die oude quene so na bi stont, so en gaf se den jongelinc, 6 haren hartbreker ende lief, gheen sonderlinge goede response noch eenige minlijcke antwoorde, mer si was tevreden ende begeerde met goeder herten sinen brief te sien ende te overlesen. 7

Doe nam die jonghelinck oorlof met blijden sinnen welgemoet, ende die schoone amoreuse gaf hem een minlijck adyeu. 8

Maer dat oude wijf die achter haer ginck vraechde wat die jonge man van haer wilde hebben. 9

Doe seyde die joncfrouwe: «Hi bracht mi tijdinghe van mijnder moeder daer ic zeer af verblijt ben, want si is noch gesont ende in goeden puncten welvarende.» Ende doen zijn si tot huys gegaen. 10

Ende des anderen daechs als die joncfrouwe ter kercken ginck, so quam haer in’t ghemoete haer lief ende vrijer, die eenen minlijcken amoreusen brief had gescreven, dien hi haer heymelic in haer hant ghaf, dattet die oude quene niet en wiste. 11

Ende doen si alleen was, dede si den brief open, ende las hoe swaerlijc dat hi met haerder minnen bevangen was, ende dat hi die doot soude besueren, mocht hem gheen gracie van haer gebueren, ende badt vriendelijc dat se dat wilde secreet laten blijven, ende dat zijn liefde in haer mocht groyen met een compasselijc herte vertroost. 12

Als die joncfrouwe dit gelesen had, so creech se compassie op hem met onstekender minnen, ende si had wel willen met hem secretelijc spreken, omdat zijn liefte niet ongeloont en soude blijven, maer si wert so nauwe gewacht, dattet niet mogelijc en was om haer te spreken, want se niet eenen voet en mochte gaen uut haer huys dan als si ter kercken ginc, ende dan wert se so zeer nauwe bewaert van een oude tandelose beffe als noyt vrouwe gewacht was. 13

Dese jongelinck vercleede hem des anderen dages in anderen habiten, ende quam der joncfrouwen tegen, die hem zeer wel bekende. Ende si ginck hem so naer, dat se hem eenen brief in zijn hant stack dien si gescreven hadde, dien hi met groter begeerten las, daer hy in vant gheheel consent ende volmaecte gratie tot hem waert, sodat hem niet en gebrac dan tijt ende 14 stonde, ende hi was zeer verblijt van den confoortelijcken troost van haer. 15

Doe ghinck hi tot een zijn goede vriendinne die tusschen wegen woonde, daer dese jonckfrouwe dagelijcx voorbi ter kercke ginck, ende seyde haer al den last zijnder liefden, haer biddende dat se hem behulpich wilde zijn in sinen saken om wel weder op haer te verdienen, ende si beloofden hem te helpen met al haer vermogen, dies hi haer zeer dancte ende seyde: «Sidi dan tevreden dat se met my mach spreken hier in u huys?» 16

«Wel,» seyde die vrouwe, «spreect met haer so lange als ghi wilt, believe’t haer in mijn huys te comen.» 17

Doe was die jongelinc zeer verblijt ende screef zijn lief eenen brief houdende aldus: «O mijn schoon gracious lief, mijnder herten comfoort, troost mijnder sinnen, mijn leven, mijn vruecht, mijn verblijdinge, die mijn herte so starckelic gevangen hebt metten strick uwer liefden, want ghi zijt boven alle vrouwen die graciooste, amoreuste, die volmaectste, daer die natuere niet aen vergeten heeft. U believe te weten hoe dat ic, u ootmoedige dienaer, heb een secrete vriendinne die u wel kent, ende ooc wel weet wat vuylder vileyn dat ghi hebt tot eenen man, ende dese woont tusscen wegen daer ghy ter kercken gaet, ende met uwen oorlof sal ic daer zijn op die voorcamer, ontleet dat mi niemant kennen sal, ende ic sal bi mi hebben eenen ketel waters gemengt met asscen, dien sal ic onversiens op u ghieten als ghi voorbi gaet. Ende als ghi dus begoten zijt, so suldi u qualic houden ende gaen in dat huys om u schoon te maken, ende dan suldi u bewaertster seynden t’huys om ander cleeder ende palleersel, ende binnen deser tijt sallen wij t’samen spreken van onser liefden.» 18

Die joncfrouwe screef hem weder dat se in allen dingen tevreden was so hi gescreven had. Dus is des anderen daechs gebuert als si ter kercken ginc, dat se so zeer begoten wert met dat asschewater dat haer timplet, haer doecken, haren tabbaert ende al haer cleederen half verdorven waren. Doe was die joncfrouwe gram ende verstoort, ende si ginc al bescaemt in’t huys, so si haer geliet. 19

Ende haer bewaertster nam een mes, ende scraepte haren tabbaert so si best mocht. 20

Doe seyde die joncfrouwe: «Neen neen, mijn care! ’t Is al vergeefs dat wi doen. Men can’s metter haest niet schoon maken. Daer en is gheenen anderen raet dan loopt t’huys ende haelt mi eenen anderen tabbaert, timplet ende doeck, ende haest u hier weder, dat wi ons misse niet en versuymen.» 21

Dus is die oude quene gegaen om ander cleederen, ende terstont ginc die joncfrouwe boven op de camer bi haer soete lief, daer se minlijc ontfangen was met minlike cuskens, zeer amoreuslijck malcanderen omhelsende, daer lief by lief zeer lieflijc van haer liefde langen tijt spraken.

Ende als die bewaertster tot huys quam sonder haer joncfrouwe, so vraechde haer meester: «Waer hebdi mijn wijf gelaten?!» 22 Doe seyde die oude quene: «Lieve meester, wi hebben een groot ongeval gehadt.» Ende si vertelde hem alle dinc so dat geschiet was, «ende aldus come ick om eenen anderen tabbaert ende ander palleersel, want mijn joncfrou schaemde haer te gaen so mismaect op ter straten.» 23

Doe seyde haer meester: «Is’t oock waer?» Doe seyde die bewaertster: «’t Is so meester als ic u segge.» Doe seyde die meester: «Gaet, gaet tot u joncfrouwe. Ic sie wel watter

is. Ic heb veel trecxkens, loosheden ende bedrochs van vrouwen gelesen, onthouden ende gescreven, maer dit trecxken en heb ic noyt gehoort noch ghelesen.» 24

Waerom hi viel in sware melancoliĎn, ende leefde daernae zeer corten tijt, omdat hi so lange tevergheefs gestudeert hadde, ende dat hi so looffelijck bedrogen was. 25

Dies ghelijcs is ooc gheschiet tot London in EngeLant, int corte zuytwerck by die abdie van Sint Salvators, van eenen Lombaert ende eens coopmans wijf.

Een nieuw bedrog geschiedt in onze tijden van een jaloers man die zijn vrouw nauwelijks vertrouwde.

Een groot geleerd man was er in ItaliĎ die een mooie jonge bloem had tot een vrouw. Deze meester had meest gelezen de praktijken der vrouwen waarmee ze hun mannen plegen te bedriegen. Hierom vertrouwde hij ook slecht zijn vrouw en hij meende hem zo te bewaren van zulk bedrog, op avonturen of zijn wijf kwaad garen wilde spinnen zoals zoveel vrouwen hun mannen gedaan hadden.

In deze jaloersheid bleef deze man wel drie of vier jaren zodat zijn vrouw nimmermeer uit mocht zonder zijn toestemming. Ze moest altijd bij hem zijn, uitgezonderd alleen als ze naar de kerk ging om de mis te horen en terstond weer naar huis. En toen ze naar de kerk ging zo had ze altijd bij zich een oud serpent – op zijn Italiaans – die haar bewaarde.

Zo gebeurde het op een keer dat een jong en wellustige man hoorde van dit regiment en hoe dat deze mooie vrouw van haar man gekweld werd met deze vermaledijde jalousie. Zo gebeurde het op een keer dat deze jonge man in het zicht kwam van deze schone, gracieuze en lieflijke jonkvrouw en sprak haar in het geheim aan en zei tot haar zijn goede wil en beklaagde haar met zwaar te zuchten dat ze zo’ n sater en jaloerse man getrouwd had. En hij zei tegen haar hoe hij haar boven alle vrouwen van de wereld het meest beminde en wat hij om haar liefde wel zou willen doen en zei haar: «Omdat ik hier niet met u langer spreken mag, is het dat het u zou believen, ik zou u schrijven wat ik om uw wil wel zou willen doen wist ik dat mijn kleine dienst komt uit een goed willend hart en dat het niet versmaad nog verworpen van u met onwaardigheid zou worden en dat ik niet tevergeefs mag werken nog mijn hand op een lege plaats mag slaan.»

Deze woorden van de jongeling hoorde de jonkvrouw die mooie, die fiere en wel gemaakte met goed hart en grote begeerte aan. Maar omdat haar die oude kwee zo nabij stond zo gaf ze de jongeling, haar hartenbreker en lief, geen bijzondere goede respons nog enig minnelijk antwoord, maar ze was tevreden en begeerde met goede hart zijn brief te zien en te overlezen.

Toen nam de jongeling verlof met blijde zin en welgemoed en de mooie amoureuze gaf hem een minnelijk adieu.

Maar dat oude wijf die achter haar ging vroeg wat die jonge man van haar wilde hebben.

Ton zei de jonkvrouw: «Hij bracht me tijding van mijn moeder waarvan ik zeer blij ben want ze is nog gezond en in goede staat welvarend.» En toen zijn ze naar huis gegaan.

En de volgende dag toen die jonkvrouw naar de kerk ging zo kwam ze haar lief en vrijer tegen die een beminnelijke amoureuze brief had geschreven die hij haar heimelijk in de hand gaf zodat die oude kwee het niet wist.

En toen ze alleen was deed ze de brief open en las hoe zwaar dat hij met haar minnen bevangen was en dat hij de dood zou bezuren mocht hem geen gratie van haar beuren en bad vriendelijk dat ze dat wilde geheim laten blijven en dat zijn liefde in haar mocht groeien met een medelijdend hart vertroost.

Toen de jonkvrouw dit gelezen had ze kreeg ze medelijden met een op hem ontstekende minne en ze had hem wel in het geheim willen spreken zodat zijn liefde niet onbeloond zou blijven, maar er werd zo goed op haar gelet zodat het niet mogelijk was om haar te spreken want ze mocht geen stap uit huis zetten dan als ze naar de kerk ging en ze werd zo nauwkeurig bewaakt van die oude tandeloze teef zoals nog nooit een vrouw bewaakt was.

Deze jongeling verkleedde zich de volgende dag in een andere habijt en kwam de jonkvrouw tegen die hem zeer goed herkende. En ze ging zo dicht naar hem toe zodat ze hem een brief in de hand stak die ze geschreven had die hij met grote begeerte las waarin hij een overeenstemming en volmaakte gratie tot hem waart zodat het hem niet ontbrak dan tijd en stonde en hij was zeer blij van de bemoedigende troost van haar.

Toen ging hij tot een van zijn goede vriendinnen die onderweg woonde daar deze jonkvrouw dagelijks voorbij naar de kerk ging en zei haar alle last van zijn liefde en bad haar dat ze hem behulpzaam wilde zijn in zijn zaken om wel weer op haar te verdienen en ze beloofde hem te helpen met al haar vermogen, dus hij dankte haar zeer en zei: «Bent ge dan tevreden dat ze met me mag spreken hier in uw huis?»

«Wel,» zei die vrouw, «spreek met haar zo lang als ge wil, belieft het haar in mijn huis te komen.»

Toen was de jongeling zeer blij en schreef zijn lief een brief die aldus bevatte: «O mijn mooie gracieuze lief, mijn hart comfort, troost van mijn zinnen, mijn leven, mijn vreugde, mijn blijdschap die mijn hart zo sterk gevangen heeft met de strik van uw liefde, want ge bent boven alle vrouwen die gracieuste, amoureuste, de volmaaktste daar de natuur niets aan vergeten heeft. U belieft te weten hoe dat ik, uw ootmoedige dienaar,  een geheime vriendin heb die u goed kent en ook wel weet welke vuile schurk dat ge tot een man hebt en die woont onderweg waar gij naar de kerk gaat en met uw verlof zal ik daar zijn in de voorkamer verkleed zodat niemand me herkennen zal en ik zal bij me hebben een ketel water met as gemengd en zal die onvoorzien op u gieten als u voorbij gaat. En als u aldus begoten bent dan zal u zich moeilijk houden en in dat huis gaan om u schoon te maken en dan zal ik uw bewaarster naar huis zenden om andere kleren en opmaak en in die tijd zullen we samen spreken van onze liefde.

De jonkvrouw schreef hem weer dat ze in alle dingen tevreden was zo hij geschreven had. Dus is het de volgende dag gebeurd toen ze naar de kerk ging dat ze zo zeer begoten werd met dat aswater dat haar muts, haar doeken, haar tabbaard en al haar kleren half bedorven waren. Toen was de jonkvrouw gram en verstoord en ze ging geheel beschaamd in het huis, zo ze zich gedroeg. En haar bewaarster nam een mes en schrabde haar tabbaard af zo ze het beste kon.

Toen zei de jonkvrouw: «Neen nee, mijn zorg! Het is allemaal vergeefs wat we doen. Men kan het in de gauwigheid niet schoon maken. Daar is geen andere raad dan dat u loopt naar thuis en haal me een andere tabbaard, muts en doek en kom gauw terug zodat we onze mis niet verzuimen.»

Dus is die oude kwee gegaan om andere kleren en terstond ging die jonkvrouw boven op de kamer bij haar zoete lief waar ze minnelijk ontvangen werd met minnelijke kusjes en ze omhelsden elkaar zeer amoureus en daarbij lief bij lief zeer lieflijk van hun liefde lange tijd spraken.

En toen de bewaarster thuis kwam zonder haar jonkvrouw zo vroeg haar meester: «Waar heb je mijn vrouw gelaten?!»  Toen zei die oude kwee: «Lieve meester, we hebben een groot ongeval gehad.» En ze vertelde hem alle dingen zo dat geschied was, «en aldus kom ik om een andere tabbaard en andere tooisel, want mijn jonkvrouw schaamt zich om zo mismaakt op de straat te gaan.»

Toen ze de meester: «Is het ook waar?» Toen zei de bewaarster: «het is zoals ik het zeg meester.» Toen zei de meester: «Ga, ga tot uw jonkvrouw. Ik zie wel wat er is. Ik heb veel trekjes, slimmigheden en bedrog van vrouwen gelezen, onthouden en geschreven, maar dit trekje heb ik nooit gehoord nog gelezen.»

Waarom hij in zware melancholie verviel en leefde daarna een zeer korte tijd omdat hij zo lang tevergeefs gestudeerd had en dat hij zo loffelijk bedrogen was.

Iets dergelijks is ook geschied te London in Engeland in de korte zuidwerk van de abdij van Sint Salvator van een uit Lombardije en een vrouw van een koopman.

 

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 37. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. Berntsz. [1532]: hiet om 3. ¶ La .xxxvii. nouuelle par monseigneur DE LA ROCHE

TAndis que les autres penseront et a leur memoire remeneront aucuns cas aduenuz et perpetrez abilles [I7ra] et suffisans destre adioustez a listoire presente/ ie vous compteray en briefz termes en quelle facon fut deceu le plus ialeux de ce royaume pour son temps. Je croy assez quil na pas este seul entaiche de ce mal/ mais toutefois pource quil le fut oultre lenseigne ie ne me sauroye passer sans faire sauoir le gracieux tour quon lui fist. Ce bon ialeux que ie vous compte estoit tresgrant hystorien et auoit veu et beaucoup leu et releu de diuerses hystoires/ mais en la fin la principale a quoy tendoit son excercice et toute son estude estoit de sauoir et congnoistre les facons et manieres comment femmes peuent deceuoir leurs mariz/ car la dieu mercy les hystoires anciennes comme MATHEOLET JUUENAL LES QUINZE IOYES DE MARIAIGE et autres plusieurs dont ie ne scay le compte font mencion de diuerses tromperies/ cautelles/ abusions/ et decepcions en cest estat aduenues. Nostre ialoux les auoit tousiours en ses mains/ et nen estoit pas mains assote que vng fol de sa marote/ toutiours lisoit/ tousiours estudioit/ et diceulx liures fist vng petit extrait pour lui/ ou quel estoyent descriptes comprinses et notees plusieurs manieres de tromperies au pourchaz et entreprinses de femmes et es personnes de leurs mariz executees/ et ce fist il tendant a fin destre mieulx premuni sur sa garde de sa femme selle lui en baill[er]oit point de telles comme celles qui en son liuret estoient croniquees et registrees. 4. Quil ne gar[I7rb]dast sa femme daussi pres que vng ialoux YTALIEN si faisoit/ et si nestoit pas bien asseur tant estoit fort feru du maudit mal de ialousie/ et en cest estat et aise delectable fut ce bon homme troys ou quatre ans auec sa femme/ laquelle pour passetemps nauoit autre loisir destre hors de sa presence infernale si non alant et retournant a la messe en la compaignie dune vieille serpente qui delle auoit charge.

5. Vng gentil compaignon ouyant la renommee de ce gouuernement vint rencontrer vng iour ceste bonne damoiselle qui belle gracieuse et amoureuse a bon escient estoit/ et lui dit le plus gracieusement que oncques sceust le bon vouloir quil auoit de lui faire seruice plaingnant et souspirant pour lamour delle sa mauldicte fortune destre aliee au plus ialoux que terre soustiene. et disant au surplus quelle estoit la seule en vie pour qui plus vouldroit faire/ et pource que ie ne vous puis pas icy dire combien ie suis a vous et plusieurs autres choses dont iespoire que vous ne serez que contente. Sil vous piaist ie les mettray par escript et demain ie les vous bailleray vous suppliant que mon petit seruice partant de bon vouloir et entier ne soit pas reffuse. 6. Berntsz. [1532]: iongeline 7. Elle lescouta voulentiers/ mais pour la presence du dangier qui trop pres estoit gueres ne respondit toutefois elle fut contente de veoir ses lettres quant elles vendront. 8. Lamoureux print conge assez ioyeux et a bonne cause/ et la damoiselle comme elle estoit doulce et [I7va] gracieuse le congie lui dona/ 9. mais la vieille qui la suiuoit ne faillit pas a demander quel parlement auoit este entre elle et celui qui sen va.

10. Jl ma dit elle apporte nouuelle de ma mere dont ie suis bien ioyeuse/ car elle est en bon point. La vieille nenquist plus auant Si vindrent a lostel. 11. A lendemain lautre garny dunes lettres dieu scait comment dittees vint rencontrer sa dame et tant subitement et subtilement lui bailla ces lettres que oncques le guet de la vieille serpente nen eut la congnoissance.

12. Ces lettres furent ouuertes par celle qui voulentiers les vit quant elle fut a part/ le contenu en gros estoit comment il estoit esprins de lamour delle/ et que iamais vng seul iour de bien nauroit se temps et loisir prestez ne lui sont pour plus auant len aduertir/ requerant en conclusion quelle lui vueille de sa grace iour et lieu conuenable assigner pour ce faire. 13. Elle fist vne lettres par lesquelles tresgracieusement sexcusoit de vouloir entretenir en amours autre que celui auquel elle doit et foy et loyaute. Neantmains pource quil est tant fort esprins damours a cause delle quelle ne vouldroit pour rien quil nen fust guerdonne elle seroit trescontente douyr ce quil veult dire se nullement pouoit ou scauoit/ mais certes nenny tant pres la tient son mary quil ne la laisse dung pas si non a leure de la messe quelle vient a leglise gardee et plus que gardee par la plus pute vieille qui iamais autruy destour[I7vb]ba.

14. Berntsz. [1532]: en 15. Ce gentil compaignon tout autrement habille et en point que le iour passe vint rencontrer sa dame qui tresbien le congneut/ et au passer quil fist assez pres delle receut de sa main sa lettre desusdicte. Sil auoit fain de veoir le contenu ce nestoit pas merueilles/ iI se trouua en vng destour ou tout a son aise et beau loisir vit et congneut lestat de sa besongne qui lui sembloit estre en bon train/ si regarda quil ne lui fault que lieu pour venir au dessus et a chef de sa bonne entreprinse/ pour laquelle acheuer il ne finoit nuyt ne iour dauiser et penser comment il la pourroit conduire

16. Si saduisa dung bon tour qui ne fait pas a oublier/ car il sen vint a vne sienne bonne amye qui demeuroit entre leglise ou sa dame aloit a la messe et lostel delle/ et lui compta sans riens celer le fait de ses amours en priant tresaffectueusement quelle a ce besoing le voulsist aider et secourir Ce que ie pourray faire pour vous ne pensez pas que ie ne my employe de tresbon cueur. Je vous mercye dit il/ et seriez vous contente quelle venist ceans parler a moy.

17. Ma foy dit elle il me plaist bien.

18. Or bien dit il sil est en moy de vous faire autant de seruice pensez que iauray congnoissance de la courtoisie. JI ne fut oncques si aise ne iamais ne cessa tant quil eut rescript et baille ses lettres a sa dame qui contenoient quil [au]oit tant fait a vne telle quelle estoit sa tresgrande amie/ femme de bien/ loyale et secrete/ et qui [I8ra] vous ayme et congnoist bien quelle nous baillera sa maison pour deuiser/ et vecy que iay aduise/ ie seray demain en Ia chambre denhault qui deuscoure sur la rue/ et si auray aupres de moy vng grant seau deaue et de cendres entremesle dont ie vous affubleray tout a coup que vous passerez/ et si seray en habit si descongneu que vostre vieille ne ame du monde naura de moy congnoissance. Quant vous serez en ce point atournee vous ferez bien lesbaye et vous sauluerez en ceste maison/ et par vostre dangier manderez querir en vostre hostel vne autre robe/ et tandiz quelle sera en chemin nous parlerons ensemble. 19. Pour abregier ces lettres furent escriptes et baillees/ et la response fut rendue par elle quelle estoit contente. Or fut venu ce iour et la damoiselle affublee par son seruiteur dung seau deaue et de cendre/ voire par telle facon que son queuurechief sa robbe et le surplus de ses habillemens furent tous gastez et perciez/ et dieu scait quelle fist bien lesbaye et de la malcontente/ et comme elle estoit ainsi atournee elle se bouta en lostel ignorant dy auoir congnoissance Tantost quelle vit la dame elle se plaingnit de son meschief/ et nest pas a vous dire le deul quelle menoit de ceste aduenture/ maintenant plaint sa robe/ maintenant son queuurechief/ et laultrefois son tixu/ brief qui loyoit il sembloit que le monde fust fine[.] 20. Et DANGIER sa meschine qui enraigeoit dengaigne auoit en sa main vng cousteau dont elle net[I8rb]toyoit sa robbe le mieulx quelle sauoit 21. Nenny nenny mamie dit elle vous perdez vostre peine ce nes pas chose a nettoier si en haste/ vous ny sauriez faire chose maintenant qui vaulsist rien/ il fault que iaye vne autre robbe et vng autre queuurechief/ iI ny a point dautre remede/ alez a lostel et les me apportez et vous auancez de retourner que nous ne perdons la messe auec tout nostre mal

22. La vieille voyant la chose estre necessaire nosa desdire sa maistresse/ si print et robbe et queuurechief soubz son manteau et a lostel senva/ elle neut pas si tost tourne les talons que sa maistresse ne fut guydee en la chambre ou son seruiteur estoit qui volentiers la vit en cotte simple et en cheueux/ et tandiz quilz se deuiseront nous retournerons a parIer de la vieille qui reuint a lostel ou elle trouua son maistre qui nattendit pas quelle parlast mais demanda incontinent/ et quauez vous fait de ma femme/ et ou est elle.

23. Je lay laissee dit elle ches vne telle et en tel lieu. Et a quel propos dit il/ lors elle lui monstra robe et queuurechief et lui compta laduenture de la tyne deaue et des cendres [dis]ant quelle vient querir dautres habillemens/ car en ce point sa maistresse nosoit partir dont elle estoit.

24. Esse cela dit il/ nostre dame ce tour nestoit pas en mon liure/ alez alez ie voy bien que cest. Jl eust vouluntiers dit quil estoit coux/ et croyez que si estoit il a ceste heure/ et ne len sceust oncques garder liure ne brief ou plusieurs [I8va] fins tours estoient registrez/ 25. et fait assez a penser quil retint si bien ce derrenier que oncques puis de sa memoire ne partit/ et ne lui fut nul besoing a ceste cause de Iescripre tant en eut fresche souuenance le peu des bons iours quil vesquit

 

 

[21] 1 Een bedroch van ouden tijden.

Die vroome ende starcke man Hercules was verlieft ende verwonnen in al zijn crachten door amoreusheit van een jonghe maecht, die schoone Jole, des conincs dochter van EcholiĎn, dien die vroomste der werelt niet verwinnen en conde, ende is gebracht tot schandelijcke ende wijflicke wercken.

Dese coninc, die vader van Jole, hadde Herculem zijn dochter Jole belooft te geven tot eenen wijve, d’welc hi hem namaels weygherde, dies Hercules zeer vertoornt was, ende quam strijden tegen den coninc, dien hy versloech, ende nam dat lant in met zijn dochter Jole, dien hi zeer beminde.

Maer Jole die meer dacht op die doot van haren vader dan op die liefde van Hercules, heeft haer herte bedect met geveysder liefden ende lose smekinghen ende flatteriĎn, ende met gemaecte manieren so heeft se Herculem ghetrocken tot so groter liefden, dat se hem al dede doen dat haer beliefde. Sy heeft hem wech doen werpen den yseren stock daer hi die vreemde monstren ende dieren mede bedwonghen had. Si dede hem af leggen dat leeuwenvelle, ende dede hem cleeden met zijden ende saechten cleederen. Si dede hem dragen eenen popelieren crans op zijn hooft, gulden ringen aen zijn handen, zijn grof hayr kemmen ende verchieren, ende op zijn hooft setten een crone ende ander chyragiĎn gelijc die maechden ende vrouwen droegen/ si dede hem salven sinen rouwen baert met costelike Cypres olie.

Dese Jole was wel voorsien met bedroch ende overdacht dattet eerliken was sulcken groven, starcken man te bedrieghen met oncuysheyt ende lichtvaerdicheyt dan te dooden metten swaerts des fenijns, om so te wreken den doot van haren vader.

Noch ter schande van den vromen Hercules so dede se Herculem begeven tot sachte ende vroulike dingen: dat hi ooc ginc sitten onder die vroukens vertellen raetselen ende aventuerkens als die kinderen, ende dat hi sadt en span cleyn garen van den spinrocken als ander vrouwen.

Aenmerct hoe dat die starcke vrome Hercules is gecomen door dat bedroch van Jole tot vroulijcke ende bespottelike wercken, die so manlijc plach te zijn in alle sinen feyten!

Nu aensiet wat quaet, wat wonder, wat sotheit can een valsch wijf maken ende bi brengen!

Ja dat onmogelijck schijnt, dat can een valsche vrouwe doen voortcomen...

Een bedrog van oude tijden.

Die dappere en sterke man Hercules was verliefd en overwonnen in al zijn krachten door amoureusheid van een jonge maagd, die mooie Jole, dochter van de koning van EcholiĎ, die die dapperste der wereld niet overwinnen kon en is gebracht tot schandelijke en vrouwelijke werken.

Deze koning, die vader van Jole, had Hercules zijn dochter Jole beloofd te geven tot vrouw wat hij later weigerder, dus was Hercules zeer vertoornd en kwam strijden tegen de koning die hij versloeg en nam dat land in met zijn dochter Jole, die hij zeer beminde.

Maar Jole die meer dacht aan die dood van haar vader dan op de liefde van Hercules heeft haar hart bedekt met geveinsde liefde ende losse smekingen en versiersels en met gemaakte manieren en zo heeft ze Hercules getrokken tot zo’n grote liefde dat ze hem alles liet doen wat haar beliefde. Ze heeft hem weg laten werpen de ijzeren stok waarmee hij die vreemde monsters en dieren mee bedwongen had. Ze liet hem afleggen dat leeuwenvel en liet hem kleden met zijde en zachte kleren. Ze liet hem een populieren krans op zijn hoofd dragen, gouden ringen aan zijn handen, zijn grof haar kammen en versieren en op zijn hoofd zetten een kroon en andere sieraden gelijk de maagden en vrouwen droegen. Ze liet hem zijn ruwe baard zalven met kostbare cipres olie.

Deze Jole was goed voorzien met bedrog en bedacht dat het eerlijk was om zo’n grove, sterke man te bedriegen met onkuisheid en lichtvaardigheid dan te doden met het zwaard des venijn om zo de dood van haar vader te wreken.

Noch te schande van de dappere Hercules zo liet ze Hercules begeven tot zachte ende vrouwelijke dingen zodat hij ook onder de vrouwtjes ging zitten en vertelde van raadsels en avontuurtjes zoals de kinderen en dat hij zat en spon klein garen op de spinrok zoals andere vrouwen.

Merk op hoe dat die sterke dappere Hercules is gekomen door dat bedrog van Jole tot vrouwelijke en bespottelijke werken die zo mannelijk plag te zijn in al zijn feiten!

Nu zie dat kwaad aan, welk wonder, welke zotheid kan een valse vrouw maken en bij brengen!

Ja, dat onmogelijk schijnt, dat kan een valse vrouw laten voortkomen...

 

 

1. Bron: Die historie van den stercken Hercules, een vertaling/bewerking van Raoul Lefevre’s Histoire du fort Hercules, gedrukt door Jan van Doesborch, Antwerpen 1521.

 

 

[22] 1 Een bedroch van onsen tijden.

In’t graefscap van Henegou was een rijck coopman die een schoon eerbaer wijf had, welcke coopman meestdeel van huys was om zijn comenscap, d’welc niet goet is voor jonge vrouwen, want die vrouwen zijn druesch ende wanckelbaer, bisonder als si selden sien dat si beminnen, dan verkeeren ooc haestelic haer sinnen. So dattet ooc gheviel met des coopmans wijf, want dat lange afwesen van haren man dede elders haer herteken in liefden besteden tot eenen jongelinc, daer se langen tijt mede boelierde. 2

So had dese coopman eenen neve woonende tegen zijn duere over, die dicwil des avonts, als die coopman uuter stadt was, sach eenen anderen comen in des coopmans huys, ende ’s morgens wederom uutgaen. Als dese neve dit so dicwil 3 gesien had, so seyde hij’t ten laetsten den coopman, wat regiment dat zijn wijf hielt als hi van huys was om profijt, ende als hi reysde in coude ende regen, hoe zijn wijf dan met eenen anderen lach ende rosierde in haer bedde. 4

Dit horende die coopman en was niet wel tevreden. so maecte hi reetscap ende dede zijn paert sadelen, ende hi veysde hem verre van huys te reysen, ende soude in langen niet wedercomen, ende hi beval zijnder huysvrouwe dat se haer huys ende al haer dinghen wel wilde beschicken ende sorge dragen. 5

Doen is die coopman ’s morgens uut gereyst, ende quam ’s avonts bi den donckeren wederom in die stadt, ende bestelde zijn paert in een herberge, ende hi quam tot sinen neve in huys om die waerheyt te weten, ende om te wachten den vrijer, dien zijn huysvrouwe die bootschap gedaen had dat haer man was uut 6 gereyst. 7

Als nu die clocke was .IX. geslaghen, so quam die jongelinc gewandert voor des coopmans duere, siende oft nyemant aen die duere en quam. Ende so ginc die jongelinc wanderen wech en weder, drie oft vier werf voorby des coopmans duere. Dit siende de coopman die daerop wachte, verstoute hem ende ginc uut zijns neven huys, ende quam bi den jongelinc, ende seyde: «Mijn joncfrouwe seyt, dat ghy met mi sout gaen achter in die schuere. Daer suldy wat vertoeven in die coye, op avontuere oft ons meester noch in quame.» 8

Ende so nam hi den jongelinc, ende leyde hem heymelijc in die schuere, ende sloot hem in die coye, dat hi niet uutcomen en mocht. Ende doe ginc hi achter uut ende quam weder in zijns neven huys, ende seyde: «Die muys is in die valle! Wat sullen wi nu best doen?» 9

Doe seyde des neven wijf: «Gaet ende haelt haer vrienden, so mogen si sien wat vromer wijf dat ghi hebt.» 10

Ende doe ginc die coopman ende haelde zijns wijfs vader ende moeder, ende haer twee broederen, ende twee van haren susteren, ende hi dede se al comen in zijns neven huys, ende hi vertelde hemlieden wat valscher hoere dat hi had getrout, ende hoe hy den vrijer bewaert ende ghesloten had in die coye van zijnder schueren, daer hi niet uut en mochte, ende hi badt den vrienden dat si hem den valschen boeve wilden helpen dootslaen, dat si hem allen beloofden te doen die daer waren vergadert present. 11

Binnen desen tijden als die coopman 12 ginck haer vrienden vergaderen, so is die joncfrouwe voor ende achter gegaen om te sien na haer lief. Aldus ghaende quam si by der coyen, niet wetende dat haer lief daer was.

Als hi hoorde dat daer yemant omtrent was, so verstoute hi hem ende seyde: «Wie is daer?»

Die joncfrouwe verschiet zijnde antwoorde: «Ic ben’t lief. Hoe coemdy hier?»

Die jongelinck seyde: «U knecht leyde mi hierin, ende seyde dat ghi geseyt hadt dat ic hier binnen blijven soude, op aventuere oft u man quame.» 13

«Ay lacen,» seyde die joncfrouwe, «dat en is niet so. Lacen God, ic sorge dattet mijn man is geweest.» 14

Doe seyde die jonghelinc: «Laet mi terstont uut, ofte ic breke die coye in stucken.» 15

Doe seyde die joncfrou: «O goet lief, en doet doch dat niet, want dan ware al mijn eere verloren.» Ende si en conde hem niet uut laten, want si en had den sluetel niet. 16

Dus is si haestelic gelopen in huys ende vant eenen bondel ouder sluetelen, daer si eenen vant die de coye ontslote, ende si liet haer lief uut. Ende si had staen eenen ezel in die schuere, dien stelde si in die coye, om beter haer eere te bewaren, ende doe sloot se die coye wederom toe. Ende met een cusken zijn si gescheyden, ende die joncfrou ginc in huys, ende haer lief ginc terstont vandaer, ende slapen. 17

Ende als die vrienden al vergadert waren in des neven huys, so namen si barnende tortsen ende noch ander licht, ende quamen so met helbaerden ende messen cloppen voor des coopmans duere, daer si terstont ingelaten werden van der joncfrou, die zeer verwondert was ende seide: «O mijn vrienden, wat beduyt dat ghi alle dus late bi nachte hier coemt?» 18

Doe nam die coopman een vuyst, ende sloech se dat haer nase ende mont bloede, seggende: «Ghi hoere, ghi sult dat wel weten!» 19

Ende si gingen al geliker hant in die schuere voor die coye, ende stonden daer met helbaerden ende messen al getrocken om den jongen vrijer doot te slaen. 20

Doe seyde die coopman tot zijn wijf: «Ontsluyt die coye.» 21

Die joncfrou: «Ic en heb noyt den sluetel gehadt. Die sluetel heeft altoos bi u sluetelen geweest.» 22

Doe haelde hi die sluetelen ende dede die coye open. Ende als die ezel al dat licht sach, so riep hi zeer vreselijc, sodat si al verschrict waren, ende sagen dattet een ezel was die daer stont, dies die vrienden zeer verstoort waren ende seyden: «Ghi zijt een vuyl rabbaut ende een vrouwenschender ende een valsch luegenachtich verrader!» Ende had hij’t niet ontlopen, haer twee susteren hadden hem doot geslagen. 24

Dit siende die coopman was heel beschaemt, ende hi en wiste wat hi soude seggen, maer sochte grote genade ende ootmoet, ende si leefden van doe voortaen in peys ende vrede, ende die beclappaert wert altijt gehaet. 25

Dus al weet ofte siet yemant wat, swijge’t stille, ende laet Gods water over Gods lant gaen, so en hebdi gheenen ondanck!

Een bedrog van onze tijden.

In het graafschap van Henegouwen was een rijke koopman die een mooi eerbaar wijf had welke koopman meestal van huis was om zijn koopmanschap, wat niet goed is voor jonge vrouwen want die vrouwen zijn driest en wankelbaar en vooral als ze zien dat ze zelden beminnen dan veranderen ze ook gauw hun zinnen. Zodat dit ook gebeurde met de vrouw van de koopman want die lange afwezigheid van haar man liet elders haar hartje in liefde besteden tot een jongeling waar ze een lange tijd mee vrijde of boelde.

Zo had deze koopman een neef die woonde tegenover zijn deur die vaak ’s avonds als de koopman uit de stad was een andere zag komen in het huis van de koopman en ’s morgens wederom uitgaan. Toen deze neef dit zo vaak gezien had zei hij het tenslotte tegen de koopman welk regiment dat zijn vrouw hield als hij van huis was om profijt en als hij reisde in koude en regen, hoe zijn vrouw dan met een andere lag en roste (in rozen lag) in haar bed.

Dit hoorde de koopman en was niet erg tevreden. Zo maakte hij gereedschap en liet zijn paard zadelen en hij veinsde dat hij ver van huis zou reizen en zou lange tijd niet weer komen en hij beval zijn huisvrouw dat ze haar huis en al haar dingen goed wilde beschikken en er zorg voor dragen.

Toen is de koopman ’s morgens vertrokken en kwam ’s avonds in het donker weer in de stad en zette zijn paard bij de herberg en kwam bij zijn neef in huis om de waarheid te weten en om de vrijer op te wachten die zijn huisvrouw de boodschap gedaan had dat haar man vertrokken was.

Toen nu de klok 9 had geslagen zo kwam de jongeling aangewandeld voor de deur van de koopman om te zien of er niemand aan de deur kwam. En zo ging de jongeling wandelend weg en weer tot drie of vier keer toe voorbij de deur van de koopman. Dit zag de koopman die daarop wachtte en verstoutte zich en ging uit het huis van de neef en kwam bij de jongeling en zei: «Mijn jonkvrouw zegt dat ge met me zou gaan achter in de schuur. Daar zal je wat vertoeven in die kooi op avonturen of onze meester toch nog komt.»

En zo nam hij de jongeling en leidde hem heimelijk in de schuur en sloot hem op in de kooi zodat hij er niet uitkomen kon. En toen ging hij achter er weer uit en kwam weer in het huis van de neef en zei: «De muis is in die val! Wat zullen we nu het beste doen?»

Toen zei de vrouw van de neef: «Ga en haal haar vrienden, zo mogen ze zien wat voor een dappere vrouw je hebt.»

En toen ging de koopman en haalde zijn vrouw haar vader en moeder en haar twee broers en twee van haar zusters en hij liet ze allemaal komen in het huis van zijn neef en hij vertelde hen hoe valse hoer dat hij getrouwd had en hoe hij de vrijer bewaard en opgesloten had in de kooi van zijn schuur waar hij niet uit kon en hij bad de vrienden dat ze hem de valse boef wilden helpen doodslaan wat ze hem allen beloofden te doen die daar verzameld waren.

Binnen deze tijd toen de koopman ging om de vrienden te verzamelen zo is de jonkvrouw voor en achter gegaan om naar haar lief om te zien. Aldus gaande kwam ze bij de kooi en wist niet dat haar lief daar was.

Toen hij hoorde dat iemand daar omtrent was zo verstoutte hij zich en zei: «Wie is daar?»

De jonkvrouw verschiet van zijn antwoord: «Ik ben het lief. Hoe kom je hier?»

De jongeling zei: «Uw knecht leidde me hierin en zei dat gij gezegd had dat ik hier binnen blijven zou, op avonturen of uw man kwam.»

«Eilaas,» zei de jonkvrouw, «dat is niet zo. Helaas God, ik bezorg me dat het mijn man is geweest.»

Toen zei de jongeling: «Laat me terstond er uit of ik breek die kooi in stukken.»

Toen zei de jonkvrouw: «O goede lief, doe dat toch niet, want dan was al mijn eer verloren.» En ze kon hem er niet uitlaten want ze had de sleutel niet.

Dus is ze haastig naar huis gelopen en vond een bos oude sleutels waarvan ze er een vond om de kooi te openen en ze liet haar lief er uit. En ze had een ezel staan in de schuur en die stelde ze in de kooi om beter haar eer te bewaren en toen sloot ze de kooi weer dicht. En met een kusje zijn ze gescheiden en de jonkvrouw ging in huis en haar lief ging terstond vandaar en slapen.

En toen de vrienden allen vergaderd waren en in het huis van de neef zo namen ze brandende toortsen en nog ander licht en kwamen zo met hellebaarden en messen kloppen op de deur van de koopman waar ze terstond binnen gelaten werden door de jonkvrouw die zeer verwonderd was en zei: «O mijn vrienden, wat betekent het dat ge hier alle bij nacht komt?»

Toen nam de koopman een vuist en sloeg zo dat haar neus en mond bloedde en zei: «Gij hoer, ge zal dat wel weten!»

En ze gingen alle gelijk in de schuur voor de kooi en stonden daar met hellebaarden en messen al getrokken om de jonge vrijer dood te slaan.

Toen zei de koopman tot zijn vrouw: «Open de kooi.»

De jonkvrouw: «Ik heb nooit de sleutel gehad. Die sleutel is altijd bij uw sleutels geweest.»

Toen haalde hij de sleutels en deed de kooi open. En toen die ezel al dat licht zag zo riep hij zeer vreselijk zodat ze allen verschrikt waren en zagen dat het een ezel was die daar stond, dus de vrienden zeer verstoord waren en zeiden: «Ge bent een vuile rabauw en een vrouwenschender en een valse leugenachtige verrader!» En had hij het niet ontlopen, haar twee zusters hadden hem dood geslagen.

Dit ziende was de koopman heel beschaamd en hij wist niet wat hij zou zeggen, maar zocht grote genade en ootmoed en ze leefden van toen voortaan in peis ende vrede en die klapper werd altijd gehaat.

Dus al weet of ziet iemand wat, zwijg stil en laat Gods water over Gods akkers gaan zo heb je geen ondank!

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 61. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La .lxi. nouuelle par PONCELET.

Ung iour aduint que en vne bonne ville de HAYNAULT auoit vng bon marchant marie a vne vaillant femme lequel tressouuent aloit en marchandise qui estoit par aduenture occasion a sa femme daymer autre que lui en laquelle chose elle continua et perseuera moult longuement. 3. Berntsz. [1532]: [ori]wel 4. Neantmains en la parfin lembusche fut descouuerte par vng sien voisin qui parent estoit audit marchant et demouroit a lopposite de lostel dudit marchant/ et de sa maison il vit et apperceut souuentesfois vng [gentil] galant [N7ra] heurter et entrer de nuyt et saillir hors de lostel dudit marchant/

5. laquelle chose venue a la cognoissance de celui a qui le dommaige se faisoit par laduertissement du vin fut moult desplaisant/ et en remerciant son parent et voisin dist que briefuement il y pourueoiroit et quil se bouteroit du soir en sa maison affin quil veist mieulx qui iroit et viendroit en son hostel. Et semblablement faignit daler dehors/ et dist a sa femme et a ses gens quil ne sauoit quant il retourneroit/ 6. Ontbreekt in Berntsz. [1532] 7. et lui party au plus matin ne demoura que iusques a la vespree quil bouta son cheual quelque part et vint couuertement ches son cousin/ et la regarda par vne petite treille attendant se il verroit ce que gueres ne lui plairoit. 8. Et tant attendit que enuiron neuf heures en la nuyt le galant a qui la damoiselle auoit fait sauoir que soy mary estoit dehors passa vng tour ou deux par deuant lostel de la belle et regarda a luys pour veoir sil y pourroit entrer/ mais encores le trouua il ferme. Si pensa bien quil nestoit pas heure pour les doubtes. Et ainsi quil varioit la entour le bon marchant qui pensa bien que cestoit son homme descendit et vint a luo et lui dist. Mon amy nostre damoiselle vous a bien perceu/ et pource quil est encores temps assez et quelle a doubte que nostre maistre ne retourne elle ma requis que ie vous mette dedens sil vous plaist. 9. Le compaignon cuidant que [ce fust l]e varlet sauentura den[N7rb]trer leans auec lui/ et tout doulcement luys fut ouuert et le mena tout derriere en vne chambre en laquelle auoit vne moult grant huche laquelle il defferma et le fist entrer dedens affin que se le marchant reuenoit quil ne le trouuast pas/ et que sa maistresse le viendroit assez tost mettre hors et parler a lui/ et tout ce souffrit le gentil galant pour le mieulx et aussi pource quil pensoit que lautre dist verite. Et incontinent se partit le marchast le plus celeement quil peut et sen ala a son cousin et a sa femme et leur dist. Je vous prometz que le rat est prins mais il nous fault aduiser quil en est de faire. 10. Et lors son cousin et par espicial la femme qui naymoit point lautre furent bien ioyeulx de la venue/ et dirent quil seroit bon que len le montrast aux parens de la femme affm quilz veissent son gouuernement. 11. Et a ceste conclusion prinse le marchant ala a lostel du pere et de la mere de sa femme et leur dist quilz sen venissent hastiuement a son logis. Tantost saillirent sus/ et tandis quilz sappointoient pour leur en aler ches leur fille il ala pareillement querir deux des freres et deux des seurs delle et leur dist comme il auoit fait au pere et a la mere. Et puis quant il les eut tous assemblez il les mena en la maison de son cousin et illecques leur compta tout au long la chose ainsi quelle estoit et leur compta pareillement la prinse du rat. 12. Berntsz. [1532]: coogman 13. Or conuient il sauoir comment le gentil [N7va] galant pendant ce temps se gouuerna en celle huche de laquelle il fut gaillardement deliure attendu laduenture/ car la damoiselle qui se donnoit garde souuent se son amy viendroit point aloit deuant et derriere pour veoir selle en auroit point quelque nouuelle/ et ne tarda mie grant piece que le gentil compaignon qui ouyoit bien que len passoit assez pres du lieu ou il estoit et si le laissoit on la/ il print a heurter du poing a ceste huche tant que la damoiselle louyt qui en fut moult espantee et neantmains elle demanda qui cestoit/ et le compaignon lui respondit. Helas tresdoulce amye ce suis ie qui me meurs de chault et de doubte de ce que my auez fait bouter et si ny alez ne venez. Qui fut alors bien esmerueillee ce fut elle. Ha vierge marie et pensez vous mon amy que ie vous y aye fait mettre Par ma foy dist il ie ne scay/ au mains est venu vostre varlet a moy et ma dit que lui auiez requis quil me mist en lostel et que ie entrasse en ceste huche affin que vostre mary ne my trouuast se dauenture il retournoit pour ceste nuyt. 14. Ha dist elle sur ma vie que ce a este mon mary. A ce coup suis ie vne femme perdue et est tout nostre fait descouuert.

15. Sauez vous dist il comment il va il conuient que me mettez dehors/ ou ie rompray tout/ car ie nen puis plus endurer. 16. Par ma foy dist la damoiselle ie nen ay point la clef/ et se vous le rompez ie seray deffaicte/ et di[N7vb]ra mon mary que ie lauray fait pour vous sauluer

17. Finablement la damoiselle chercha tant quelle trouua de vieilles clefz entre lesquelles y en eut vne qui deliura le poure prisonnier. Et quant il fut hors il troussa sa dame et lui monstra le courroux quil auoit sus elle/ laquelle le print paciamment/ et a tant sen voulut partir le gentil amoureux/ mais la damoiselle le print et acola et lui dist que sil sen aloit ainsi elle estoit aussi bien deshonnouree que sil eust rompu la huche. Et quest il doncques de faire dist le galant Si nous ne mettons dist elle quelque chose dedens et que mon mary le treuue ie ne me pourroye excuser que ie ne vous aye mis dehors. Et quelle chose y mettrons nous dist le galant affin que ie me parte/ car il est heure. Nous auons dist elle en cest estable vng asne que nous y mettrons si vous me voulez aidier. Ouy par ma foy dist il. Adonc fut ceste asne gettee dedens la huche et puis la refermerent. Lors le galant print congie dung doulx baisier et se partit en ce point par vne issue de derriere/ et la damoiselle sen ala prestement couchier.

18. Et apres ne demoura pas longuement que le mary qui tandiz que ces choses se faisoient assembla ses gens et les amena tous ches son cousin comme dit est ou il leur compta tout lestat de ce quon lui auoit dit/ et aussi comment il auoit prins le galant a ses barres. Et doncques a celle fin dist il que vous ne dissiez point que ie [N8ra] vueille a vostre fille imposer blasme sans cause/ ie vous monstreray a loeil et au doy le ribault qui cest deshonneur nous a fait/ et prie que auant quil saille hors quil soit tue. Adonc chascun dist que [an]ssi seroit il/ et aussi dist le marchant ie vous rendray vostre fille pour telle quelle est Et de la se partirent les autres auecques lui qui estoyent moult dolans des nouuelles/ et auoient torches et flambeaux pour mieulx cherchier par tout et que riens ne leur peust eschapper/ ilz heurterent a luys si rudement que la damoiselle y vint premier que nulz de leans et leur ouurit lhuys.

19. Et quant ilz furent entrez elle salua son mary/ son pere/ et sa mere/ et les autres/ monstrant quelle estoit bien esmerueillee quelle chose les 20menoit la et a telle heure/ et a ces motz son mary haulse et lui donne vne belle buffe et dist/ tu le sauras tantost faulse telle et quelle que tu es. 21. Ha regardez que vous dictes amenez vous pource mon pere et ma mere icy. Ouy dist la mere faulse garce que tues/ on te monstrera ton loudier prestement. Et lors ses seurs vont dire. Et par dieu vous nestes pas venue du lieu pour vous gouuerner ainsi. Mes seurs dit elle par tous les saintz de ROMME ie nay riens fait que vne femme de bien ne doyue et puisse faire/ ne ie ne doubte point quon doiue le contraire monstrer sus moy. 22. Tu as menty dist son mary ie le te monstreray incontinent et sera le [ribau]lt tue en ta presence. sus [N8rb] tost ouurez ceste huche. 23. Moy dit elle/ et en verite ie croy que vous reuez ou que vous estes hors du sens/ car vous sauez bien que ie nen portay oncques la clef/ mais pend auec les vostres dez le temps que vous y mettiez voz besongnes. Et pourtant se vous la voulez ouurir ouurez la/ mais ie prie a dieu que aussi vraiement que oncques ie neuz compaignie auec celui qui est la dedens enclos quil men deliure a ioye et a honneur/ et que la mauuaise enuie que len a sur moy puisse icy estre aueree et demonstree et aussi sera elle comme bien ay bon espoir.

24. Tu as menty dist son mary ie le te monstreray incontinent et sera le [ribau]lt tue en ta presence. sus [N8rb] tost ouurez ceste huche. Moy dit elle/ et en verite ie croy que vous reuez ou que vous estes hors du sens/ car vous sauez bien que ie nen portay oncques la clef/ mais pend auec les vostres dez le temps que vous y mettiez voz besongnes. Et pourtant se vous la voulez ouurir ouurez la/ mais ie prie a dieu que aussi vraiement que oncques ie neuz compaignie auec celui qui est la dedens enclos quil men deliure a ioye et a honneur/ et que la mauuaise enuie que len a sur moy puisse icy estre aueree et demonstree et aussi sera elle comme bien ay bon espoir. Je croy dist le mary qui la veoit a genoulx pleurant et gemissant quelle scait bien faire la chate mouillee/ et qui la vouldroit croire elle sauroit bien abuser les gens/ et ne doubtez ie me suis pieca perceu de la traynee. Or sus ie voys ouurir la huche si vous prie mes seigneurs que chascun mette la main a ce ribault quil ne nous eschappe/ car il est fort et roide. Nayez paour dirent ilz tous ensemble nous en saurons bien faire. Adonc tirerent leurs espees et prindrent leurs mailletz pour assommer le poure amoureux/ et lui dirent. Or te confesse car iamais nauras prestre de plus pres. La mere et les seurs qui ne vouloient point veoir celle occision se tirerent dune part Et aussi tost quil eut ouuert la huche et que ceste asne vit la lumiere si tresgrande elle commenca a hyngner si hydeusement quil ny eut si hardi leans quil [N8va] ne perdist sens et maniere Et quant ilz virent que cestoit vng asne et quil les auoit ainsi adusez ilz se voulurent prendre au marchant/ et lui dirent autant de honte comme saint PIERRE eut oncques donneur/ et mesmes les femmes lui vouloient courir sus/ et de fait sil ne sen fust fuy les freres de la damoiselle leussent la tue pour le grant blasme et deshonneur quil leur auoit fait et vouloit faire.

25. Et finablement en eut tant a faire quil conuint que la paix et traictie en fussent refaiz par les notables de la ville. et en furent les accuseurs tousiours en indignacion du marchant. Et dit le compte que a la paix faire il y eut grant difficulte et plusieurs protestacions des amis a la damoiselle/ et dautre part de bien estroictes promesses du marchant qui depuis bien et gracieusement se gouuerna/ et ne fut oncques homme milleur a femme quil fut toute sa vie/ et ainsi vserent leur vie ensemble

 

 

[23] 1 Een nieu bedroch van onsen tijden.

Tot Caleys in der stadt was op een tijt een grote dachvaert van groten heeren, so uut Vrancrijc, so uut Engelant, om te tracteren van dat rantsoen des hertogen van OrliĎns, die in Engelant gevangen was. Ende de cardinael van Wincestre was daer comen van der Engelscher weghen, met groten state van heeren ende ridderen, onder denwelcken twee jonge edelmannen waren, omtrent .XXVIJ. jaren out zijnde. D’een was des cardinaels voorsnijder, ende was geheten Jan Stotton. D’ander hiet Thomas Branxton, ende was des cardinaels schencker ende proever. Ende dese twee waren gelijc broeders, ende waren altijt alleens gecleet. 2 Ende om dat die dachvaert was duerende wel twee maenden, so waren dese twee edelingen gelogeert in die beste herberge van Caleys, tot een geheeten Ritsaert Feri, die een schoon Hollants vrouken had tot eenen wijve, die wat loos ende dobbel was, mer haers ghelijcken en was niet om die gasten te 3 tracteren. 4

Dese weerdinne was een schoon herteken, daer Jan Stotton zijn oogen op geslagen had met onmanierlijcker liefden, dies hi dicwils met haer sprac van amoreusheyt. Ende hi verstoute hem ten laetsten ende hi begheerde met haer eens te mogen spaceren in Venus’ rosegaert. Waeraf si haer zeer verwonderde ende seyde: «Wat meyndi? Soude ic so mijn eere overgeven, ende so van alle man onteert te worden? Ende vernaemt dan mijn man, dan soude’t mi costen mijn leven, ende wesen in perikel van mijnen lijve. Daerom en wil ic u niet consenteren om alder werelt goet.»5

Doe seyde Jan Stotton: «Mijn schoon weerdinneken, daer en dorfdi niet voor sorgen. Alle dingen sullen wel secreet blijven. Ic soude liever sterven den doot, dan ghi bi mi onteert soudet zijn.» 6

Ten laetsten Jan voorseyt seyde haer so veel schoonder ende minlijcker woorden, sodat se hem ten laetsten consenteerde ende seyde: «Mijn man sal waken op den donderdach den halven nacht: den voormiddernacht van .IX. uren tot .XIJ. uren. Daerom, wildi met mi wat secretelijc spreken, coemt dan in mijn camer. Daer suldi mi alleen vinden, maer laet mi niet vergeefs na u wachten! Dat begere ick op u.» 7

Doe seyde Jan: «Schoon bloeme, en twijfelt niet. Ic sal den tijt wel waernemen,» ende hi ginck wech, zeer verblijt van der goeder avontueren ende minlijcke antwoorde zijnder schoonder weerdinnen. 8

Daerna quam Thomas Branxton ooc dicwil spreken met zijn weerdinneken, niet wetende van sinen gheselle Jan Stotton, maer na veel minlijcke woorden die Thomas metter weerdinnen hadde, so dinghede hi van den lijve, dat si hem weygherde, seggende dat si bi hem gescandalizeert ende onteeert soude zijn. 9

«Neen, «seyde Thomas, «mijn lieve weerdinne, daervoren en derfdy niet sorgen. Mach mi anders u liefde gebueren, ’t sal wel secretelijc blijven. Ick soude liever mijn lijf ende mijn leven verliesen, dan ghi bi mi onteert soudet zijn.» 10

Niettemin Thomas sprack so lange metter weerdinne, dat se hem consenteerde in’t laetste, ende seyde: «Mijn man sal op den donderdach ’s nachts waken den halven nacht, te weten van .XIJ. uren tot ’s morgens als die clocke luyt. Wildi met mi spreken, dan coemt in mijn camer. Daer suldi mi alleen vinden.» Ende Thomas was blijde van zijn goede avontuere ende minlijc antwoort van zijnder weerdinne. 11

Als die man nu ter waken was gegaen, so quam Jan Stotton in der weerdinnen camer, daer hij se alleen vant, dien hi lieflijck omhelsde ende custe. Ende si gingen doe te bedde, daer si t’samen speelden dat lieflijc spel der natueren. Daer wert gedobbelt op Venus’ outaer. Daer liepen die canssen al dues aes. 12

Ende dese Jan Stotton had aen zijn hant eenen gouden rinck met eenen dyamant van .XXX. nobelen, welcken rinck hi verloos van zijnder hant in’t tocken, in’t spelen metter weerdinne, sodat hij’s selve niet en wist, dat hi den rinc quijt was. 13

Als’t nu omtrent .XIJ. uren was, so seyde die weerdinne: «’t Is beste dat ghy opstaet eer mijn man coemt.» 14

Doe stont Jan voorseyt op van zijn weerdinne met een minlijc cussen, ende is na zijn camer ghegaen om slapen, daer hem gemoete Thomas Branxton, ende elck meende dattet die weert was. Ende Thomas ginck in der weerdinnen camer, daer hi bi haer te bedde quam, ende si ontfinck hem zeer minlijc, ende si bouden daer Venus’ acker met vieriger begeerten. 15

Ende in’t spelen ende worstelen so vant Thomas den rinc in’t bedde, dien hi secretelijc aen zijn hant stack. Ende als de dachclock luyde, so stont Thomas op, ende ginck slapen op zijn camer. 16

Doe quam haer man van der wake ende had grote coude, ende zijn wijf stont op ende maecte hem goet vier, ende dede hem wel warmen, ende dede hem doe gaen slapen op zijn bedde. 17

Des morgens als die Enghelschen hadden misse gehoort, so gingen si ontbijten. In’t ontbijten saten Jan Stotton ende Thomas Branxton tegen malcanderen over aen der tafelen, ende Jan sach dat Thomas had eenen rinck met eenen dyamant aen zijn hant, sodat Jan twijfelde dattet sinen rinck was, dien hi verloren had. 18

So badt Jan sinen geselle Thomas om den rinck te besien. Als Jan den rinc besach, so seyde hi dat den rinck zijn was, ende Thomas wilde den rinck weder hebben seggende: «Den rinck is mi eyghen,» waerom dat se beyde gram werden. 19

So wasser een coopman, die nam die sake op tusscen hembeyden, ende so bleven si beyde in die uutsprake van den coopman, ende daer souden si mede te vreden zijn. 20

Doe seyde die coopman: «Wi sullen al t’samen uuten huyse gaen ende wat man ons eerst sal gemoeten, dien sullen wi die sake vertellen, ende wat die daeraf seyt, daer sal men bi blijven.» 21

So gevielt dat d’eerste man de hem moetede, was haer weert Ritsaert Fery, dien si die sake openbaerden, daer hi op seyde: «Omdat elck seyt den rinck zijn te wesen, ende omdat ic niemant en soude vergrammen, so houde ic den rinck voor my,» dies Jan ende Thomas niet wel tevreden en waren, maer si mosten omdattet so geaccordeert was. 22

Doe seyde Thomas: «Ic bid u allen, laet ons doch gaen ter maeltijt. Ic wil ons ’t gelach schencken, ende ghi sult horen hoe ic aen den rinck comen ben.» 23

Als si geten hadden ende goet chiere gemaect, so seyde Thomas: «Ic had veel ende breet ende so dicwil met ons weerdinne van amoreusheyt gesproken, dat se mi ten lesten in minnen consenteerde om bi haer te slapen op den selven nacht als haer man was op die wake, ende in’t bijwesen van haer, so vant ic den rinck in’t bedde.» 24

Als dit Jan Stotton hoorde, so was hi zeer verwondert, ende seyde: «Datselfde is mi ooc ghebeurt ter selver nacht,» ende hi vertelde’t daer also voorseyt is. «Hierom gelove ic, dat ic den rinck verloren heb daer hem Thomas gevonden heeft...» Mer het ginc Jan Stotton meer ter herten, die den dyamant verloren had, want hi had hem veel gelts gecost. 25

Doe seyde Thomas: «Lieve Jan, ghi en hebt u niet te beclagen, als heeft ons weert den rinc voor hem gehouden, want zijn wijf heeft daer genoech voor gedaen, ende oock omdat ghi den maechdom hadt van dier nacht, ende ic heb geweest u paye, achter u gaende.» 26

Ende die sprake versachte Jan Stotton wat zijn verlies, ende verdroech’t te lichter. Ende dit horende dat ander gheselscap wert zeer lachende, ende daer wert den peys gemaect tusscen hembeyden, ende bleven t’samen voortaen so goede vrienden als voren. 27

Een nieuw bedrog van onze tijden.

Te Calais in de stad was op een tijd een grote dagvaart van grote heren zo uit Frankrijk, zo uit Engeland om te trakteren van het rantsoen van de hertog van Orléans die in Engeland gevangen was. En de kardinaal van Winchester was daar gekomen vanwege de Engelsen met grote staat van heren en ridders waaronder twee jonge edelmannen waren die omtrent 27 jaren oud waren. De ene was de voorsnijder van de kardinaal en was geheten Jan Stotton. De andere heette Thomas Branxton en was de schenker en proever van de kardinaal. En deze twee waren gelijk broeders en waren altijd gelijk gekleed. En omdat de dagvaart wel twee maanden duurde zo waren deze twee edelingen gelogeerd in de beste herberg van Calais tot een die geheten was Ritsaert Feri die een mooi Hollands vrouwtje had tot vrouw die wat spits en dubbel was en maar haar gelijke was er niet om de gasten te trakteren.

Deze waardin was een mooi hartje waar Jan Stotton zijn ogen op geslagen had met ongemanierde liefde, dus hij sprak vaak met haar van amoureusheid. En hij verstoutte zich tenslotte en hij begeerde met haar eens te mogen wandelen in Venus rozentuin. Waarvan ze zich zeer verwonderde en zei: «Wat bedoel je? Zou ik zo mijn eer overgeven en zo van alle man onteerd te worden? En vernam mijn man het dan zou het mijn leven kosten en in gevaar van mijn lijf zijn. Daarom wil ik u niets bevestigen om alle wereldse goederen.»

Toen zei Jan Stotton: «Mijn mooie waardin, daar hoef je niet voor te zorgen. Alle dingen zullen goed geheim blijven. Ik zou liever de dood sterven dan dat gij bij mij onteerd zou worden.»

Tenslotte zei de voor vermelde Jan haar zoveel mooie en minnelijke woorden zodat ze hem tenslotte bevestigde en zei: «Mijn man zal waken op de donderdag de halve nacht, de voormiddernacht van 9 uur tot 12 uur. Daarom, wil ge met mij wat geheims bespreken kom dan in mijn kamer. Daar zal je me alleen vinden, maar laat me niet tevergeefs op u wachten! Dat begeer ik van u.»

Toen zei Jan: «Mooie bloem, twijfel niet. Ik zal de tijd goed waarnemen,» en hij ging weg, zeer verblijd van de goede avonturen en minnelijke antwoord van zijn mooie waardin.

Daarna kwam Thomas Branxton ook vaak spreken met zijn waardinnetje en wist niets van zijn gezel Jan Stotton, maar na veel minnelijke woorden die Thomas met de waardin had zo dong hij naar het lijf dat ze hem weigerde en zei dat ze bij hem geschandaliseerd en onteerd zou zijn.

«Neen, «zei Thomas, «mijn lieve waardin, daarvoor hoef je niet bang te zijn. Mag me anders uw liefde gebeuren, het zal wel geheim blijven. Ik zou lever mijn lijf en leven verliezen dan dat gij bij mij onteerd zou zijn.»

Niettemin Thomas sprak zolang met de waardin dat ze hem tenslotte bevestigde en zei: «Mijn man zal op de donderdag ’s nachts waken de halve nacht, te weten van 12 uur tot ’s morgens als de klok luidt. Wil ge met me spreken kom dan in mijn kamer. Daar zal je me alleen vinden.» En Thomas was blijde van zijn goede avontuur en minnelijke antwoord van zijn waardin.

Toen de man nu ter waken was gegaan zo kwam Jan Stotton in de kamer van de waardin waar hij haar alleen vond die hij lieflijk omhelsde en kuste. En ze gingen toen te bed daar ze tezamen speelden dat lieflijke spel der natuur. Daar werd gedobbeld op Venus altaar. Daar liepen de kansen aldus anders.

En deze Jan Stotton had aan zijn hand een gouden ring met een diamant van 30 nobelen, welke ring hij verloor van zijn hand in het trekken, in het spelen met de waardin zodat hij het zelf niet wist dat hij de ring kwijt was.

Toen het nu omtrent 12 uur was zo zei de waardin: «Het is het beste dat je opstaat eer mijn man komt.»

Toen stond de voor vermelde Jan op van de waardin met een minnelijk kussen en is naar zijn kamer gegaan om te slapen waar hij Thomas Branxton ontmoette en elk dacht dat het de waard was. En Thomas ging de waardin kamer binnen waar hij te bed kwam en ze ontving hem zeer minnelijk en ze bebouwden daar de Venus akker met vurige begeerte.

En in het spelen en worstelen zo vond Thomas de ring in het bed die hij in het geheim aan zijn hand stak. En toen de dagklok luidde zo stond Thomas op en ging slapen op zijn kamer.

Toen kwam haar man van het waken en had grote koude en zijn vrouw stond op en maakte hem een goed vuur en liet hem goed warmen en toen gaan slapen op zijn bed.

‘ s Morgens toen de Engelsen de mis hadden gehoord zo gingen ze ontbijten. In het ontbijten zaten Jan Stotton en Thomas Branxton tegenover elkaar aan de tafel en Jan zag dat Thomas een ring met een diamant aan zijn hand had zodat Jan twijfelde dat het zijn ring was die hij verloren had.

Zo bad Jan zijn gezel Thomas om de ring te bezien. Toen Jan de ring bezag zo zei hij dat het zijn ring was en Thomas wilde de ring weer hebben en zei: «De ring is van mij,» waarom dat ze beide gram werden.

Zo was er een koopman en die nam de zaak op tussen hen beide en zo bleven ze bij de uitspraak van de koopman en daar zouden ze mee tevreden zijn.

Toen zei de koopman: «We zullen alle tezamen uit het huis gaan en welke man die we het eerste ontmoeten die zullen we de zaak vertellen en wat die daarvan zegt daar zal men bij blijven.»

Zo gebeurde het dat de eerste man die ze ontmoetten hun waard Ritsaert Fery was die ze de zaak openbaarden waarop hij zei: «Omdat elk zegt dat het zijn ring is en zodat ik niemand zou vergrammen zo hou ik de ring zelf,» dus Jan en Thomas niet goed tevreden waren, maar ze moesten omdat het overeen gekomen was.

Toen zei Thomas: «Ik bid u allen, laat ons toch gaan ter maaltijd. Ik wil ons het gelach schenken en ge zal horen hoe ik aan de ring gekomen ben.»

Toen ze gegeten hadden en goede sier gemaakt zo zei Thomas: «Ik had veel en breed en zo vaak met onze waardin van amoureusheid gesproken zodat ze me tenslotte in haar minne bevestigde om bij haar te slapen op dezelfde nacht als haar man waken moest en toen ik bij haar was zo vond ik de ring in het bed.»

Toen dit Jan Stotton hoorde zo was hij zeer verwonderd en zei: «Datzelfde is mij ook gebeurd in dezelfde nacht,» en hij vertelde het daar alzo gezegd is. «Hierom geloof ik dat ik de ring verloren heb daar hem Thomas gevonden heeft...» Maar het ging Jan Stotton meer ter hart die de diamant verloren had, want hij had hem veel geld gekost.

Toen zei Thomas: «Lieve Jan, ge hebt u niet te beklagen, al heeft de waard de ring voor zich gehouden want zijn vrouw heeft daar genoeg voor gedaan en ook omdat je de maagdom had van die nacht en ben ik uw page weest en ging achter u.» En die taal verzachtte Jan Stotton wat zijn verlies en verdroeg het lichter. En dit hoorde het andere gezelschap en begon zeer te lachen en daar werd vrede gemaakt tussen hen beide en bleven voortaan tezamen zulke goede vrienden als te voren.

 

 

1. Les cent nouvelles nouvelles, nr. 62. De tekst in de voetnoten is die van de druk van Anthoine Vérard, Parijs 1486. 2. ¶ La .lxii. nouuelle par monseigneur de COMMESURAM

[N8vb] Enuiron le mois de iuilet a lors que certaine conuencion et assemblee se tenoit entre la ville de CALAIZ et GRANELINGHES assez pres du CHASTEL DOYE a laquelle assemblee estoient plusieurs princes et grans seigneurs tant de la partie de FRANCE comme dANGLETERRE pour aduiser et traictier de la rencon de monseigneur dORLEANS estant lors prisonnier du roy dANGLETERRE/ entre lesquelz de la dicte partie dANGLETERRE estoit le cardinal de VISCESTRE qui a la dicte conuencion estoit venu en grant et noble estat tant de cheualiers escuiers que dautres gens deglise/ et entre les autres nobles hommes auoit vng qui se nommoit IEHAN STOTON escuier trenchant et THOMAS BRAMPTON eschanson dudit cardinal/ lesquels JEHAN et THOMAS BRAMPTON se entraymoient autant que pourroient faire deux freres germains ensemble/ car de vestures habillemens et har[O1ra]nois estoient tousiours dune facon au plus pres quilz pouoient/ et la plus part du temps ne faisoient que vng lit et vne chambre/ et oncques nauoit on veu que entre eulx deux y eust quelque courroux noise ou mal talent.

3. Berntsz. [1532]: cracteren 4. Et quant ledit cardinal fut arriue audit lieu de CALAIZ on bailla pour le logis desditz nobles hommes lostel de RICHART FURY qui est le plus grant hostel de ladicte ville de CALAIZ/ et ont de coustume les grans seigneurs quant ilz arriuent audit lieu passans et repassans dy logier. Ledit RICHART estoit marie et estoit sa femme de la nacion du pais de HOLLANDE qui estoit belle et gracieuse et bien lui aduenoit a receuoir gens

5. Et durant ladicte conuencion a laquelle on fut bien lespace de deux mois iceulx IEHAN STOTTON et THOMAS BRAMPTON qui estoient si comme en laage de .xxvi. a .xxviii. ans ayans leur couleur de cramoisi viue et en point de faire armes par nuyt et par iour/ durant lequel temps nonobstant les priualitez et amitiez qui estoient entre ces deux seconds et compaignons darmes ledit IEHAN STOTTON au desceu dudit THOMAS trouua maniere dauoir entree et faire le gracieux enuers leurdicte hostesse et y continuoit souuent en deuises et semblables gracieusetez que on a acoustume de faire en la queste damours/

et en la fin senhardit de demander a sadicte hostesse la courtoisie/ cest assauoir quil peust estre son amy et elle sa dame par amours/ a quoy comme fai-[O1rb]gnant destre esbahye de telle requeste lui respondit tout froidement que lui ne autre elle ne hayoit ne ne vouldroit hayr et quelle aymoit chascun par bien et par honneur- mais il pouoit sembler a Ia maniere de sadicte requeste quelle ne pourroit icelle acomplir que ce ne fust grandement a son deshonneur et scandale et mesmement de sa vie/ et que pour chose du monde a ce ne vouldroit consentir.

6. Adonc ledit IEHAN replica disant quelle lui pouoit tresbien accorder/ car il estoit celui qui lui vouloit garder son honneur iusques a la mort/ et aymeroit mieulx estre pery et en lautre siecle tourmente que par sa coulpe elle eust honte/ et quelle ne doubtast en riens que de sa part son honneur ne fust garde lui suppliant de rechief que sa requeste lui voulsist accorder et a tousiours mais se reputeroit son seruiteur et loyal amy. Et a ce elle respondit faisant maniere de trembler disant que de bonne foy il lui faisoit mouuoir le sang du corps de crainte et de peur quelle auoit de lui accorder sa requeste Lors il sapproucha delle et lui requist vng baisier dont les dames et damoiselles dudit pais dANGLETERRE sont assez liberales de laccorder/ et en baisant lui pria doulcement quelle ne fust paoureuse/ et que de ce qui seroit entre eulx deux iamais nouuelle nen seroit a personne viuant.

7. Lors elle lui dist. Je voy bien que ie ne puis de vous eschapper que ne face ce que vous voulez/ et puis quil fault [O1va] que je face quelque chose pour vous/ sauf toutesuoies tousiours mon honneur. Vous saues lordonnance qui est faicte de par les seigneurs estans en ceste ville de CALAIZ comment il conuient que chascun chief dostel face vne fois la sepmaine en personne le guet par nuyt sus la muraille de ladicte ville. Et pource que les seigneurs et nobles hommes de lostel de monseigneur le cardinal vostre maistre sont ceans logiez mon mary a tant fait par le moyen daucuns ses amis enuers mondit seigneur le cardinal quil ne fera que demy guet/ et entens quil le doit faire ieudi prouchain depuis la cloche du guet au soir iusques a mynuyt/ et pource tandis que mondit mary sera au guet se vous me voulez dire aucunes choses ie les ourray tresuoulentiers/ et me trouuerez en ma chambre auecques ma chamberiere/ laquelle estoit en grat vouloir de conduire et acomplir les voulentez et plaisirs de sa maistresse.

8. Ledit IEHAN STOTTON fut de ceste response moult ioyeux/ et en remerciant sadicte hostesse lui dist que point ny auroit de faulte que audit iour il ne venist comme elle lui auoit dit. 9. Or se faisoient ces deuises le lundi precedent apres disner/ mais il ne fait pas a oublier de dire comment ledit THOMAS BRAMPTON auoit ou desceu de sondit compaignon IEHAN STOTTON fait pareille diligence et requeste a leur hostesse laquelle ne lui auoit oncques voulu quelconques chose accorder/ fors lui baillier [O1vb] vne fois espoir et lautre doubte en lui disant et remonstrant que il pensoit trop peu a lonneur delle/ car se elle faisoit ce quil requeroit elle sauoit de vray que son mary RICHART FINEY et ses parens et amis lui osteroient la vie du corps.

10. Et a ce respondit ledit THOMAS. Ma tresdoulce damoiselle et hostesse pensez que ie suis noble homme ne pour chose qui me peust aduenir ne vouldroie faire chose qui tournast a vostre deshonneur ne blasme/ car ce ne seroit point vse de noblesse/ mais croyez fermement que vostre honneur vouldroie garder comme le mien/ et si aymeroye mieulx a mourir quil en fust nouuelle/ et nay amy ne personne en ce monde tant soit mon priue a qui ie voulsisse en nulle maniere descouurir nostre fait.

11. La bonne dame voyant la singuliere affection et desir dudit THOMAS lui dist le mercredi ensuiuant que ledit IEHAN auoit eu la gracieuse responce cy dessus de leurdicte hostesse que puis quelle le veoit en si grant voulente de lui faire seruice en tout bien et en tout honneur qnelle nestoit point si ingrate quelle ne le voulsist bien recongnoistre. Et lors lui ala dire comment il conuenoit que son mary lendemain au soir alast au guet comme les autres chefz dostel de la ville en entretenant lordonnance qui sur ce estoit faicte de par la seigneurie estant en la ville/ mais la dieu mercy son mary auoit eu de bons amis autour de monseigneur le cardi[O2ra]nal/ car ilz auoient tant fait enuers lui quil ne feroit que demy guet/ cest assauoir depuis mynuyt iusques au matin seulement/ et que en ce pendant sil vouloit venir parler a elle elle ourroit voulentiers ses doulces deuises/ mais pour dieu quil y venist si secretement quelle nen peust auoir blasme. Et ledit THOMAS lui sceut bien respondre que ainsi desiroit il de faire Et a tant se partit en prenant congie.

12. Et le landemain qui fut ledit iour de ieudy au vespre apres ce que la cloche du guet fut sonnee le deuant dit IEHAN STOTTON noublia pas a aler a leure que sadicte hostesse lui auoit mise/ et ainsi il vint vers la chambre dicelle et y entra et la trouua toute seule/ laquelle le receut et lui fist tresbonne chiere/ car la table y estoit mise. Adonc ledit IEHAN requist que auecques elle il peust coucher pour eulx ensemble mieulx deuiser/ ce quelle ne lui voulut de primeface accorder disant quelle pourroit auoir charge se on le trouuoit auecques elle/ mais il requist tant et par si bonne maniere quelle si accorda/ et le soupper fait qui semble estre audit IEHAN moult long se coucha auec sa dicte hostesse/ et apres sesbatirent ensemble nu a nu.

13. Et auant quil entrast en ladicte chambre il auoit boute en lung de ses doiz vng aneau dor garny dung beau gros dyamant qui bien pouoit valoir la somme de .xxx. nobles et comme ilz se delectoient ensemble ledit aneau lui cheut de son doy dedens le [O2rb] lit sans ce quil sen apperceust.

14. Et quant ilz eurent illec ainsi este ensemble iusques apres la .xi. heure de la nuyt ladicte damoiselle lui pria moult doulcement que en gre voulsist prendre le plaisir quelle lui auoit peu faire/ et que a tant il fust content de soy habillier et partir de ladicte chambre affin quil ny fust trouue de son mary quelle attendoit si tost que la mynuyt seroit venue/ et quil lui voulsist garder son honneur comme il lui auoit promis.

15. Lors ledit STOTTON ayant doubte que ledit mary ne retournast incontinent se leua et se habilla et partit de celle chambre ainsi que douze heures estoient sonnees sans auoir souuenance de sondit dyamant quil auoit laisse oudit lit. Et en yssant hors de ladicte chambre et au plus pres dicelle ledit IEHAN stotton encontra son compaignon THOMAS BRAMPTON cuidant que ce fust son hoste RICHART. Et pareillement ledit THOMAS qui venoit a leure que sadicte hostesse lui auoit mise/ cuida semblablement que ledit IEHAN STOTTON fust ledit RICHART/ et attendit vng peu pour veoir quel chemin il tiendroit/ et puis senala entrer en la chambre de ladicte hostesse quil trouua comme entreouuerte/ laquelle tint maniere comme toute esperdue et effroyee en demandant audit THOMAS en maniere de grant doubte et paour se il auoit point encontre son mary qui se partoit dillec pour aler au guet. Adonc ledit THOMAS lui dist que trop bien auoit il encon[O2va]tre vng homme/ mais il ne scauoit qui il estoit ou son mary ou autre/ et quil auoit vng peu attendu pour veoir quel chemin il tiendroit Et quant elle eut ce ouy elle print hardiesse de le baiser en lui disant quil fut le bien venu. Et assez tost apres sans demander qui la perdu ne gaignie ledit THOMAS trousse la damoiselle sur le lit en faisant cela. Et puis apres quant elle vit que cestoit a certes se despouillierent et entrerent tous deux ou lit/ car ilz firent armez en sacrifiant au dieu damours et rompirent plusieurs lances/

16. mais en faisant lesdictes armes il aduint audit THOMAS vne aduenture/ car il sentit destoubz sa cuisse le dyamant que ledit IEHAN y auoit laissie/ et comme non fol et non esbahy le print et le mist en lung de ses doiz/ et quant ilz eurent este ensemble iusques a lendemain du matin que la cloche du guet estoit prochaine de sonner a la requeste de ladicte damoiselle il se leua/ et en partant sentre accolerent ensemble dung baisier amoureux.

17. Ne demoura gueres apres que ledit RICHART retourna du guet ou il auoit este toute la nuyt en son hostel fort refroidy et chargie du fardeau de sommeil qui trouua sa femme qui se leuoit/ laquelle lui fist faire du feu. Et quant il se fut chaufe il sen ala couchier et reposer/ car il estoit trauaillie de la nuyt. Et fait a croire que aussi estoit sa femme/ car pour la doubte quelle auoit eu du trauail de son ma[O2vb]ry elle auoit bien peu dormy toute la nuyt. 18. Enuiron deux iours apres toutes ces choses faictes comme les ANGLOIS ont de coustume apres ce quilz ont ouy la messe de aler desiusner en la tauerne au milleur vin/ ledit IEHAN et THOMAS se trouuerent en vne compaignie dautres gentilz hommes et marchans/ si alerent desiusner ensemble/ et se assirent ledit IEHAN STOTTON et THOMAS BRAMPTON lung deuant lautre/ et en mengeant ledit IEHAN regarda sus les mains dudit THOMAS qui auoit en lung de ses dois ledit dyamant Et quant il leut longuement aduise et regarde ledit dyamant il lui sembloit vraiement que cestoit celui quil auoit perdu ne sauoit en quel lieu ne quant. 19. Et adonc ledit IEHAN STOTTON pria audit THOMAS quil lui voulsist monstrer ledit dyamant/ le quel lui bailla voulentiers. Et quant il leut en sa main il recongneut bien que cestoit le sien/ et demanda audit THOMAS dont il lui venoit et que vraiement il estoit sien Aquoy ledit THOMAS respondit au contraire que non estoit/ mais que a lui appartenoit. et ledit STOTTON maintenoit que depuis peu de temps lauoit perdu et que sil lauoit trouue en leur chambre ou ilz couchoient quil ne faisoit point bien de le retenir attendu lamour et fraternite qui tousiours auoit este entre eulz deux/ tellement que plusieurs autres paroles sen esmeurent et fort se courroucerent ensemble lung contre lautre/ tou[O3ra]tesuoies ledit THOMAS BRAMPTON vouloit tousiours auoir ledit dyamant/ mais il nen peut oncques finer. Et quant les autres gentilz hommes et marchans virent ladicte noise chascun semploya a lappaisement dicelle pour trouuer quelque maniere de les accorder/ mais riens ny vault/ car celui qui perdu auoit ledit dyamant ne le voulut laisser partir de ses mains/ et celui qui lauoit trouue le vouloit rauoir/ et le tenoit a belle aduenture de lauoir trouue et auoir iouy de lamour de sa dame/ et ainsi estoit la chose difficile a appointer.

20. Finablement lung desditz marchans voyant que au demene de la matiere on ny profitoit en riens si dist quil lui sembloit quil auoit aduise vng autre expedient appointement dont lesditz IEHAN et THOMAS deuroient estre contens/ mais il nen diroit mot se lesdictes parties ne se soubmettoient en peine de dix nobles de tenir ce quil en diroit/ dont chascun de ceulx qui estoient en ladicte compaignie respondirent que tresbien auoit dit ledit marchant et inciterent ledit IEHAN et THOMAS de faire ladicte submission/ et tant en furent requis et par telle maniere quilz se y accorderent.

21. Adonc ledit marchant ordonna que ledit dyamant seroit mis en ses mains puis que tous ceulx qui de ladicte difference auoient parle et requis de lappaiser nen auoient peu estre creuz il ordonna que apres ce quilz seroient partiz de lostel ou ilz estoient au premier hom[O3rb]me de quelque estat ou condicion quil fust quilz trouueroient a lyssue dudit hostel compteroient toute la maniere du ladicte difference et noise estant entre lesditz IEHAN STOTTON et THOMAS BRAMPTON et tout ce quil en diroit ou ordonneroit en seroit tenu ferme et estable par lesdictes deux 22.

3. Ne demoura gueres que dudit hostel se partit toute la belle compaignie/ et le premier homme quilz encontrerent au dehors dudit hostel se fut ledit RICHART hoste desdictes deux parties/ auquel par ledit marchant fut narre et racompte toute la maniere de ladicte difference. Adonc ledit RICHART apres ce quil eut tout ouy et quil eut demande a ceulx qui illecques estoient presens se ainsi en estoit ale/ et que lesdictes parties ne sestoient en nulle maniere voulu laisser appointer ne appaisier par tant de notables personnes dist par sentence diffinitiue que ledit dyamant lui demoureroit comme sien/ et que lune ne lautre partie ne lauroit Et quant ledit THOMAS BRAMPTON vit quil auoit perdu lauenture de la treuue dudit dyamant fut bien desplaisant. Et fait a croire que autant estoit ledit IEHAN STOTTON qui lauoit perdu.

23. Et lors requist ledit THOMAS a tous ceulx qui estoient en la compaignie reserue leurdit hoste quilz voulsissent retourner en lostel ou ilz auoient desiune et quil leur donneroit a disner afin quilz fussent aduertiz de la maniere et comment ledit dyamant estoit venu en ses [O3va] mains. lesquelz dung accort lui accorderent volentiers.

24. Et en attendant le disner qui sappareilloit il leur compta lentree et la maniere des deuises quil auoit eues auec sadicte hostesse/ et comment et a quelle heure elle lui auoit mis heure pour soy trouuer auecques elle tandiz que son mary seroit au guet et le lieu ou le dyamant auoit este trouue. 25. Lors ledit IEHAN STOTTON ouyant ce en fut moult esbahy soy donnant de ce grat merueilles/ et en soy seignant dist que tout le semblable lui estoit auenu en celle propre nuyt ainsi que cy deuant est declaire/ et quil tenoit et creoit fermement auoir laisse cheoir son dyamant ou ledit THOMAS lauoit trouue/ et quil lui deueroit faire plus mal de lauoir perdu quil ne faisoit audit THOMAS lequel ny perdoit aucune chose/ car il lui auoit chier couste. 26. Ledit THOMAS respondit en ceste maniere et dist que vraiement il ne le deuoit point plaindre se leur dit hoste la lauoit iugie estre sien attendu que leurdicte hostesse en auoit eu beaucoup a souffrir et aussi pource quil auoit eu le pucellaige de la nuytee/ et ledit THOMAS auoit este son paige en alant apres lui. 27. Et ces dictes choses contenterent assez bien ledit IEHAN STOTTON de la perte de sondit dyamant pource que autre chose nen pouuoit auoir/ et le porta plus pacientement et plus legierement que sil neust point sceu la verite de la matiere. Et de ceste aduenture tous ceulx qui estoient [O3vb] presens commencerent a rire et a mener grant ioye. Adoncques se misrent a table et disureent/ mais vous pouez penser que ce ne fut pas sans boire dautant/ et apres quilz eurent disne ilz se departirent et chascun sen ala ou bon lui sembla. Et ainsi fut tout le mal talent pardonne et la paix faicte entre les parties cest assauoir entre ledit iehan stotton et ledit thomas brampton/ et furent bons amis ensemble

 

 

Dus elck vrouwe ende amoreus secreet herteken, wacht v voor den Engelsman, want hi swijget so lange totdat hi by die lieden coemt. Ende aldus hebben si haer schoon weerdinne deerlic beschaemt. Al had se haren man bedrogen, si wert nochtans selve meest bedrogen.

Conclusie:

Ic soude veel meer bedrochs van den vrouwen gescreven hebben, want daer wasser noch ontallike veel in die penne, omdattet den leser niet en soude verdrieten ende dat die vrouwen niet en souden vergrammen Het is mi ooc selve tegen mijn herte, want der vrouwen wesen is so soet, so minlijc, so lieflijc om aensien. Sonder vrouwen en is geen volmaecte vruecht. Daer geen vrouwe is, daer is gheen gemac. Ooc dattet meest is, so men gescreven vint, dat aensicht van der schoonder vrouwen verstarct dat herte des mans.

Hierom alle goede hertekens en sullen hem hier niet aen stoten, want ic stelle hier van de ontrouwe, lichtvaerdige vrouwen, die niet en soecken dan goet chiere ende wellust des vleeschs, d’welc is den wech der Hellen, daer ons die minlike barmhertige Jhesus af beware. Amen!

Dus elke vrouw en amoureus geheim hartje wacht u voor de Engelsman, want hij zwijgt zo lang totdat hij bij de lieden komt. En aldus hebben ze hun mooie waardin deerlijk beschaamd. Al had ze haar man bedrogen, ze werd nochtans zelf het meest bedrogen.

Conclusie:

Ik zou veel meer bedrog van de vrouwen geschreven hebben want er zijn er nog ontelbaar meer in de pen maar omdat het de lezer niet zou verdrieten en dat het de vrouwen niet zouden vergrammen Het is me zelf ook tegen mijn hart want de vrouwen wezen is zo zoet, zo minnelijk, zo lieflijk om te zien. Zonder vrouwen is er geen volmaakte vreugde. Waar geen vrouw is, daar is geen gemak. Ook en dat het meeste is, zo men geschreven vindt, dat aanzicht van de mooie vrouwen versterkt dat hart van de mannen.

Hierom zullen alle goede hartjes zich hieraan niet stoten, want ik stel hier van de ontrouwe, lichtvaardige vrouwen die niets anders zoeken dan goede sier en wellust van het vlees wat de weg van de hel is waar ons de beminnelijke barmhartige Jezus van bewaart. Amen!

 

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/