Dit is dat boeck vanden pelgherym, Jacob Bellaert, 1486.

 

bron: Het boeck vanden pelgherym. Jacob Bellaert, Haarlem, 1486. (incunabel 168 E 9 van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. DBNL) http://www.dbnl.org/tekst/_boe007boec01_01/_boe007boec01_01_0001.php

 

 

Nederlandse tekst, Nico Koomen. Toch wat lastig. Normaal type ik eerst alles uit en maak aantekeningen. Dat duurt dan een half jaar maar dan zit je in het boek. Nu is de tekst klaar en moet je zo beginnen te vertalen. De deskundigen zullen zich er wel niet aan wagen want er zitten toch wat lastige woorden in, dan met subsidie en veel mensen. Toch hoop ik zo een leesbaar boek te geven, het moeilijkste is toch al gedaan, dat is het overschrijven uit het hand geschreven geschrift.

1486.

 

 

<houtsnede: de pelgrim in de open lucht; op de achtergrond huizen en torens; boven zijn hoofd in een cirkel het hemels Jeruzalem met muren en torens>

 

o[fol. 1r]

 [Het boeck vanden pelgherym]

print

 <houtsnede: pelgrim slaapt met hand onder wang op een helling links van een beekje; konijn op de linkeroever, op de rechteroever drinkende vogels en herten>

 

[1ra] Hier beghint het prologus

 

In allen pelgryms van desen lande de welcke dat hier gheen bliuen en hebben. Ghelijc dat sinte pouwels seyt. Alle t volck van deser werelt Rijc arm wijs ende onwijs zijn alle pelgryms Een visioen willic v ontdecken dat my op eenre nacht te voren quam in mynen slape al dromende Langhe tijt te voren had ic dicwile gelesen dat schone gedicht van de rose Ende ic wane wel dat het de meeste sake was die my eerst dede dromen twelcke ic v nu wil vertrecken Dus coemt bet nae alle lieden ende wilt verstaen ende horen nye [1rb]mont gha achterwaerts noch en vertrage want ghij zijt alle schuldich voert te comen ende wel te horen na dat visioen Daer bij soe heb ict in leker talen geset om dat die leeke lieden verstaen souden Want hier an mach elckerlijc leeren wat wech men sculdich is te gaen of te laten Ende dit visioen is een sake zeer noetsakelic den menschen. die haer pelgrymagie doen moeten in deser werelt

 

Hier eynt dat prologus

Hier begint de proloog.

 

Voor alle pelgrims van dit land die hier geen blijven hebben. Gelijk dat Sint Paulus zegt: Al het volk van deze wereld, rijk, arm wijs en onwijs, zijn alle pelgrims. Een visioen wil ik u openbaren dat me op een nacht al dromend te voren kwam in mijn slaap. Lange tijd te voren had ik dikwijls gelezen dat schone gedicht van de roos. En ik waan wel dat het de grootste zaak was die me eerst deed dromen wat ik nu wil vertellen. Dus kom dichter bij alle lieden en wil verstaan en horen, niemand gaat naar achteren nog vertraagt want gij moet alle voor komen en goed te horen naar dat visioen. Daarbij zo heb ik het in leken taal gezet om dat de leken lieden het verstaan zouden. Want hiervan mag elk leren welke weg men behoort te gaan of te laten. En dit visioen is een zaak die zeer noodzakelijk is voor de mensen die hun pelgrimage moeten doen in deze wereld.

 

 

Hier eindigt deze proloog.

 

<houtsnede: dezelfde als van de eerste pagina, maar nu bladgroot>

 

 [2ra] Mi droemde in minen visioen dat ic een pelgrym was de welke wt ghetoghen was om te gaen totter stat van iherusalem. want in een spigel also mi dochte die groet was had ic van varren ghesien de stadt van ierusalem De welke mi dochte van groten doene beide van buyten ende van binnen. want die wegen ende die straten waren alle ghepaueert van goude Seer hoech was tfondement gheset ende alle die metselerie was ghewrocht van leuenden stenen. ende mit eender hoger mueren al besloten Daer binnen stonden sonderlinghe vele van yemant begrepen te warden

Daer na sach ic sinte franciscus Die wel betoende dat hi der luider vrient was Want alsoe my dochte habitacien ende woninghen. Daer was alle blijschap sonder rouwe. Daer had elkerlijc meer van alle begeerten dan yemont soude konnen begeren. Maer een dinc wantroeste mi seer Dat was dat elckerlijc niet daer in en mocht comen tot sijnen begheren mits den inghanc die soe zeer nauwe ghewacht was. want cherubin was de portier Die een vyerich zwaert in sijnre hant hielt zeer snijdende aen beiden zijden Dies conste hi hem wel behelpen. want hi soe wel schermen const dat hem niemant voerbi lijden mocht sonder doot of ghewont te wesen. De prince van dier stat geboren om dat hi [2rb] menschelichede angenomen had ende doer die stadt geleden was. ontfinc hi de doot gesteken mit eenre glauie in sijn zide ende liet sijn bloet daer te tolle Nochtan en was hi daer gheen tolle schuldich Al desghelijcs so deden alle sijn ridders ende soudeniers al droncken zij wt sijnre kelcken Ende ter passagen ontfinghen zij de doot Bouen ter cartelen van der poorten daer de portier niement en verdraghet So sach ic hanghen wimpelen gheuerwet met roeden bloede Als ic al dit merckende wart ende wel sach datmen mit fortse daer in most comen op datter ghen ander inganc en waer alst en was. Want elckerlijc was versaecht als hi cherubinne sach Daer om dochte my dat hi voertmeer sijn vuerich swaert wel besteden mocht Mar recht als ic mijn ogen op wart sloech ende opwaerts sach So sach ic daer een seer groet wonder dat mi alte seer verwonderde Want daer sach ic sinte augustijn sittende hoghe ten cartelen vander muere ende hy scheen wesende een vogelaer of een azere van vogelen Mit hem so waren veel ander luyden meesters ende leraers die alle holpen dat aes maken om de voghelen te asen ende te voeden Want mitten aze ende ghesuyckerden morselen die sij hielden ende die wytworpen die de voghelen aten veel luyden worden voghelen ende daer [2va] nae vlogen zij inde stat van bouen Voert sach ic daer veel iacopinen canoniken ende augustinen ende alle ander manieren van volcke die alle plumen vergaderden ende maecten daer of grote vlercken Daer na begonnen si te vlieghen om van bouen in dese stat te vlieghen ende alsoe daer in te comen sonder yet veel te gheuen om cherubins dangier

Harde cort nae desen. alsoe ic mijn ogen omme sloech ende an dander sijde sach Soe verwonderde ic my noch veel meer dan te voren van een dinck dat ic daer sach Want bouen ten cartelen vander stede sach ic ander volck van auctoriteyt die den ghenen van haerre kennissen holpen Alsoe dat si quamen in die stat van iherusalem Alder eerst sach ic daer sinte benedictus die gherecht had neffens den muer een grote starcke ledere In welcke ledere ghestelt waren xij. trappen van oetmoedicheiden. biden welken hi sine vrienden dede harde dapperlic opclimmen om in die stat te comen weder het waren swarte monicken wit of graeu sonder ende droemde Een grote corde wel vast ghedrayt mit veel groter knopen tot veel steden hadde hi nef[2vb]fens de muer neder gelaten Bijder welker elckerlijc op clam die van siner kennissen was Niemant en mocht de handen so vet hebben noch soe besmeert op dat hij hem vast hielt aen die cnopen hi en quam zeer lichtelic op Menigen anderen sach ic oec op die muer daer of dat ic niet seker en ben wie zij bi namen waren Want sonder meer was al mij ghesicht ande sijde tegens my ouer want ic en mochtse niet ouer sien dat mi seer leet was Maer op de muer tegens mi ouer was een cleyn doerkijn seer nauwe Welck doerkijn de coninc dede wachten. ende hadde den slotel daer of ghegheuen sinte peter in wien hi sijn betrouwen gestelt had Ende seker so mocht hi oec wel want hi die nie en loech heeft ghesproken die rijcke niet te meer daer doer ne mocht lijden dan een kemeel soude mogen cruypen doer dat oghe van eender naelden. seer subtijl was daer het inghaen. want sij mosten hem al naect ontcleden die daer lijden souden Als men daer binnen quam so vantmen daer grote oueruloedicheit van alderhande clederen dus so en mochter niemont gecleet lijden of hi en hadde an des coninx leuereye. mar wie die an had leden als sij wilden. zeer wel bequam mi dese passage om tgemeen vordel datter elkerlijc had ia arm ende rijc indien sij haer oude cleder wilden of doen om 3ra1] daer binnen nyewe te hebben Dit is licht te doen want daer en is geen so rijc hy en is wel arm als hy wil Ende seker men mach wel hopelic een luttelkijn armoed lijden om so groten rijcdoem ewich weder te vercrighen

Nv hebdi opt corte ghehoert vander scoender stat ende hoe icse inden spiegel gewaer wart. Dus so wil ic daerwaert gaen ende warden pelgrim want ic sach wel in mynen droem dat elders niewer rust en was dan daer My dochte oec dat ic gro[3rb1]te bliscap gehad soude hebben had ic daer binnen gheweest ende nemmermeer en wildic weder wt gecomen hebben Terstont so wardic weder peisende dat my van node was wildic pelgrim van iherusalem warden een staf ende male Doe trad ic wt minen huyse daer ic den termijn van .ix. maenden in gheweest hadde sonder dat ic ye daer wt quam Ende began doe te soecken palster ende male Dwelc my van node was nae dien dat ick te doen hadde

Ik droomde in mijn visioen dat ik een pelgrim was die uitgetrokken was om te gaan tot de stad Jeruzalem. Want in een spiegel die zoals ik dacht groot was had ik van verre de stad Jeruzalem gezien. Die dacht ik dat het van grote doen was, beide van buiten en van binnen. Want de wegen en de straten waren alle geplaveid met goud. Zeer hoog was het fundament gezet en alle metselwerk was gewrocht van levende stenen en met hoge muren al besloten. Daar binnen stond bijzonder veel van iemand begrepen te worden.

Daarna zag ik Sint Franciscus. Die wel aantoonde dat hij de lieden vriend was want alzo dacht ik aan de woonplaatsen en woningen. Daar was alle blijdschap zonder rouw. Daar had elk meer van alle begeerten dan iemand zou kunnen begeren. Maar een ding wantroost me zeer. Dat was dat elk niet daarin mocht komen tot zijn begeren omdat de ingang zo zeer bewaakt was. Want de cherubijn was de portier die een vurig zwaard in zijn hand hield die zeer snijdend aan beide zijden was. Dus kon hij zich goed behelpen. Want hij kon zo goed schermen dat niemand hem voorbij kon gaan zonder dood of gewond te wezen. De prins van die stad is geboren omdat hij menselijkheid aangenomen heeft en door die stad geleden heeft ontving hij de dood gestoken met een lans in zijn zijde en liet zijn bloed daar als tol. Nochtans was hij daar geen tol schuldig. Al dergelijk zo deden al zijn ridders en soldaten al dronken ze uit zijn kelk. En bij de passage ontvingen ze de dood. Boven ter kantelen van de poorten daar de portier niemand verdraagt zo zag ik wimpels hangen geverfd met rood bloed. Toen ik dit begon op te merken en zag dat men daar met kracht in moest komen omdat er geen andere ingang was als er al een was. Want elk was bang als hij de cherubijn zag. Daarom dacht ik dat hij voortaan meer zijn vurig zwaard goed wel besteden mocht. Maar recht toen ik mijn ogen opwaarts sloeg en omhoog keek zo zag ik daar een zeer groot wonder dat me al te zeer verwonderde. Want daar zag ik Sint Augustinus zitten hoog op de kantelen van de muur en hij scheen een vogelaar te wezen of aas van vogels. Met hem zo waren veel andere lieden, dokters en leraren die alle hielpen dat aas te maken voor de vogels tot aas en te voeden. Want met het aas en gesuikerde stukjes die ze hielden en weg wierpen die de vogels eten worden veel lieden vogels en daarna vlogen zij in de stad van boven. Voorts zag ik daar veel Jakobijnen, Canonieke en Augustijnen en alle ander soorten van volk die alle pluimen verzamelden en maakten daarvan grote vlerken. Daarna begonnen ze te vliegen om van boven in deze stad te vliegen en alzo daarin te komen zonder iets veel te geven om het gevaar van de cherubijn.

 

 

 

Vrij kort na dit, alzo toen ik mijn ogen omdraaide en naar de andere zijde keek zo verwonderde ik me nog veel meer dan te voren van een ding dat ik daar zag. Want boven te kantelen van de stad zag ik ander volk van autoriteit die diegenen van hun kennissen hielpen alzo dat ze in die stad van Jeruzalem kwamen. Aller eerst zag ik daar Sint Benedictus die naast de muur een grote sterke ladder opgericht had. In die ladder waren 12 trappen van ootmoed gesteld waarbij hij zijn vrienden zeer liet opklimmen om in die stad te komen en of het nu waren zwarte monniken, witte of grauwe die zonder einde samen dromden. Een groot koord die goed vast gedraaid was met vele grote knopen op veel plaatsen had hij naast de muur neergelaten waarbij elk opklom die van zijn kennissen was. Niemand mocht de handen zo vet hebben nog zo besmeert zodat hij zich vast hield aan die knopen, hij kwam er zeer licht op. Menige anderen zag ik ook op die muur waarvan ik niet zeker ben wie ze van naam waren. Want zonder meer was al mijn gezicht aan de zijde tegenover me want ik mocht er niet over kijken wat me zeer leed was. Maar op de muur tegenover me was een klein en zeer nauw doorkijkje. Welk doorkijkje de koning liet bewaken en had de sleutel daarvan gegeven aan Sint Petrus in wie hij zijn vertrouwen gesteld had. En zeker zo mocht hij ook wel want hij die niet liegt heeft gesproken dat de rijke niet meer daardoor mocht gaan dan een kameel door het oog van een naald zou mogen kruipen. Zeer subtiel was daar het ingaan want ze moesten zich geheel naakt uitkleden die daardoor zouden gaan. Als men daar binnen kwam zo vond men daar grote overvloed van allerhande kleren, dus zo mocht er niemand gekleed gaan of hij had aan de konings livrei, maar wie die aan had gingen zoals ze wilden. Zeer goed bekwam me deze passage om het algemeen voordeel dat er elk had, ja, arm en rijk indien ze hun oude klederen wilden af doen om daar binnen nieuwe te hebben. Dit is gemakkelijk te doen want daar is er geen zo rijk hij is wel arm als hij wil. En zeker men mag wel hopelijk een beetje armoede lijden om zo n grote rijkdom eeuwig weer te krijgen.

Nu heb je in het kort gehoord van de mooie stad en hoe ik het in de spiegel gewaar werd. Dus zo wil ik derwaarts gaan en pelgrim worden want ik zag wel in mijn droom dat elders geen rust was dan daar. Ik dacht ook dat ik grote blijdschap gehad zou hebben was ik daar binnen geweest en nimmermeer wilde ik er weer uitgekomen zijn. Terstond zo werd ik weer peinzend wat me nodig was wilde ik pelgrim van Jeruzalem worden, een staf en bedelzak. Toen trad ik uit mijn huis daar ik de termijn van 9 maanden in geweest was zonder dat ik ooit daaruit kwam en begon toen pelgrimsstaf en bedelzak of knapzak te zoeken. Wat ik nodig had naar dat ik te doen had.

 

 

<houtsnede: links slapende pelgrim, rechts Gratie Gods en pelgrim in landschap, pelgrim draagt tas en Gratie Gods overhandigt hem staf>

 

 [3ra2] Als ic dus ghinc wenende ende souckende om te vinden een coepman die my daer an helpen mochte Onuersiens wardic siende voer mi een zeer schone vrouwe ende scheen eens coninx of groets heren dochter des ic my zeer verblijde Sij was omgort mit een groen web mit carbonckelen be[3rb2]sayt An haer borst was een hecsele daer int middel stont een starre dies ic my zeer verwonderde. Haer hooft was gecroent mit een crone al omset mit veel starren. zeeker wel had hij de macht diese haer ghegeuen had Sij was houesch alsoe my dochte want zij gruete mi eerst soetelic vra [3va] gende waer ic also ginc al wenende ende troerende Doe wort ic beschamet ouermits dat ic ongewone was teghen een so groet een vrouwe te spreken Niettemin ic ouerleide een woert van outs hoe edelre hoe oetmoedigher want oetmoedicheit is een teyken van goedertierenheit ende van een edel hart Ende die dese doget in hem niet en heeft in hem en is gheen doecht die volmaect is. Ende andtwoerde haer ende seyde alle dat my ouergegaen was ende op wege was om tot iherusalem te ghaen Maer dat ic droeue waer was doer ghebrec van palster ende male ende ic dat al wenende ghinc soukende O goede vrient andwoerde zij mi van als goede nyemare datstu soecs coemt mit my want groet geluc is dy gebeurt my ghevonden te hebben want ic v van al v gebrec voersien sal Doe en mocht ick my niet langher onthouden te vraghen haer naem ende wie zij waer. ende seyde O edele vrouwe sonder v te belgen ic bid v segt my uwen naem waen ende wie ghi zijt Vrient seyde zij ic ben des coninx dochter heer bouen allen heeren Hy heeft my hier gheset in dit lant om hem vrienden te makene niet dat hijs noet heeft Maer om dat hy seluer lieft draecht tot een yegelijc ende wilde dat malc zijnder kennisse hadde om haer selfs profijte allene want hij van als onbehoeftich is Siestu niet hoe costelic ic gecleet [3vb] bin ende verschiert mit costelicken ghesteenten carbonckelen ende ander precioese stenen ia mit veel diverscher starren Ende nye en saechdi gheen schoender want ic ben ghepareert om te verlichten de ghene die by nachte ghaen willen Ende om dat my elckerlijc vinden mach bij dage als bij nachte ende bij nachte als bij daghe om dat zij niet dolen en sullen vanden rechten wech des hoghen iherusalems Ic ben de ghene die du schuldich biste te souken alstu trecken wils in vreemden landen. Alsoe alstu my hebste in dijn gheselscappe soe en moechstu hebben ghenen beteren vriendinne dan my. Ende bij alsoe ist datstu doer vermetelheit desen wech bestaes sonder my. sonder twijffel het en sal niet mogen zijn sonder seer gehaet te zijn Ende in sorge ewelic achter te blyuen ende verloren te zijn Ende van mijnen vader den coninc bouen allen ende van allen die by hem zijn ghehaet te weesen. Sonder my en mach nyment weldoen want elcken mensche ben ic van node ende behoeft mijnder Langhe tijt waer die werelt vergaen en had icse niet gehouden staende Want wie dat my heeft hem en mach niet ghebreecken ende oec weder omme. soe wie mijnder ghebrec heeft alle doghet is hem mede ghebrekende Ic ben van alle dinghen meesterse ende van allen [4ra] eeuelen gheneester Ic verlicht de blinde ende ic geue starcheit den cranken Ic heffe op die gheuallen zijn ende die ontwegen zijn die bewege ic weder Van nyemende en wil ic my vervreemden sonder van haer die in hooft sonden staen want van hemluiden en wil ic niet weten also lange als zij in sulcker vuylheiden zijn ende daer in blyuen. Mijnen name die is gracie gods. also sulstu my roupen wanneer du mijnre van doen suls hebben want dat sal seker dicwyle wesen eer du comen suls ter stad al daer du ghaerne wesen sous want du suls vinden veel meskief ende weder spoets Dwelc du qualic suls lijden mogen sonder hulpe van my Ende al waer dat saeke datstu sonder my lijden mochtes Nochtan seg ic dy datstu nochtan in dat schone prieel van iherusalem niet en souts mogen comen sonder my Want du hebs doch ghesien hoe datter enighe in comen al naect ende de sommige van bouen in vlieghen ander comen in by engienen ende sommige by cherubinne nochtan niet sonder hulp van my ende des zijt seker want den enen doe ic zijn cleder of doen om binnen niewe an te doen ander doe ic vliegen also het my ghelieft Dwelc ghy al ghesien hebt. Dus so moechstu weten sonder enige vreese dat mijn kennisse goet is. Ende indien datse dij ghenoecht dat wil ic stappans van dij weten sonder lang vertrec [4rb] Vrouwe andwoerde ic haer om gode bid ic v genade begerende vwe kennisse ende my nymmermeer te laten want niet ter werelt thans my so van node is als vwe bystandicheyt. Ende zeer bedanc ic my van v dat ghy eerst v vernederde my an te spreken om mijn selfs profijt want ic vwer van groten node had dus doer genade leit mi daert v gelieft tot vwen ghebode

Doe nam sij my ter stont ende leyde mi teenen huyse dat haer toebehoerde als si seyde. my toeseggende daer te vinden dat my in de reyse van node wesen soude Dit huys sach ic sonderlinge ghaerne Ende int sien veruaerde ic my harde zeer want het hinc zeer hoghe inde lucht tvschen hemel ende aerde gelijc oft vanden hemel ghedaelt quame Daer waren an int aensien veel toernen costelic verchiert. Maer dat my zeer wantroeste was. datter een water voer liep daer ic doer most lijden soude ic int huys comen Daer en was brug noch schip noch planc Ende dat water was zeer diep soe ic wel daer na beuoelde Want als ic daer ouer thoeft toe in was began ic der gracien gods te vragen hoe ick soude mogen ontgaen Ende waer omme dat daer sulck passagie was ende of daer geen ander ouerghanc en waer Ende dat si my wilde seggen bij ordinancie wat profijte dat my van dien watere comen soude

Toen ik dus wenend en zoekend ging om een koopman te vinden die me daaraan helpen kon. Onvoorzien kreeg ik voor me een mooie vrouw te zien die een dochter leek van een koning of grote heer waarom ik zeer blij was. Ze was omgord met een groen web met karbonkels bezaaid. Aan haar borst was een halsketting waar in het midden een ster stond waarom ik me zeer verwonderde. Haar hoofd was gekroond met een kroon en bezet met veel sterren en zeker had hij wel macht die het haar gegeven had. Ze was hoofs zoals ik dacht want ze begroette me eerst vriendelijk en vroeg waar ik al zo wenend en treurend heen ging. Toen schaamde ik me omdat ik ongewoon was om tegen zo n grote vrouw te spreken. Niettemin overlegde ik een oud woord hoe meer edel hoe meer ootmoediger want ootmoed is een teken van goedertierenheid en van een edel hart. En die deze deugd niet in hem heeft dan is in hem geen deugd die volmaakt is. En antwoorde haar en zei alles wat me gebeurd was en op weg was om tot Jeruzalem te gaan. Maar dat ik droevig was door het gebrek van een pelgrimsstaf en bedelzak en dat ik al wenende ging zoeken, O, goede vriend, antwoorde zij, dat is voor mij goed nieuws want wat u zoekt kom met mij want een groot geluk is u overkomen dat u mij gevonden heeft want ik zal u van al wat u ontbreekt voorzien. Toen kon ik me niet langer stil houden om haar naam te vragen en wie ze was en zei: O, edele vrouwe zonder u te verbolgen ik bid u zeg me uw naam en waarvan en wie ge bent. Vriend, zei ze, ik ben een konings dochter die heer is boven alle heren. Hij heeft me hier gezet in dit land om voor hem vrienden te maken, niet dat hij het nodig heeft. Maar omdat hij zelf liefde draagt tot iedereen en wil dat elk van zijn kennissen het heeft om hun eigen profijt alleen want hij heeft het niet nodig. Ziet u niet hoe kostbaar ik gekleed ben en versierd met dure gesteente, karbonkels en andere kostbare stenen, ja, met veel diverse sterren. Nooit zag u mooiere want ik ben opgepronkt om te verlichten diegene die bij nacht willen gaan. En zodat u me zeker vinden mag bij dag als bij nacht en bij nacht als bij dag zodat ze niet zullen dolen van de rechte weg tot de hoge van Jeruzalem. Ik ben diegene die u moet zoeken als u vertrekken wil naar vreemde landen. Alzo als u mij heeft in uw gezelschap dan mag u geen betere vriendin hebben dan mij. En is het alzo dat u door vermetelheid deze weg gaat zonder mij, zonder twijfel zal het niet zo mogen zijn zonder zeer gehaat te zijn en in zorgen eeuwig achter te blijven en verloren te zijn. En van mijn vader de koning boven allen en van allen die bij hem zijn gehaat te wezen. Zonder mij mag niemand goed doen want ik ben nodig en behoeftig voor elk mens. Al lang was die wereld vergaan had ik die niet staande gehouden. Want wie mij heeft hem mag niets ontbreken en ook wederom, zo wie mij ontbreekt heeft alle deugd en hem ontbreekt niets. Ik ben van alle dingen meesteres en van alle euvels een genezer. Ik verlicht de blinde en ik geef sterkte de zwakke. Ik hef op die gevallen zijn en die stram zijn die beweeg ik weer. Van niemand wil ik me vervreemden, uitgezonderd van hen die in hoofdzonden staan want van hen wil ik niets weten alzo lang als zij in zulke vuiligheden zijn en daarin blijven. Mijn naam die is Gratie God. Alzo zal u me roepen wanneer u me nodig zal hebben want dat zal zeker vaak wezen eer u komen zal in de stad al daar u graag wezen zou, want u zal veel ongemak en tegenspoed vinden. Die u slecht zal mogen lijden zonder hulp van mij. En al is het zaak dat u zonder mij mocht gaan, nochtans zeg ik u dat u nochtans in dat schone prieel van Jeruzalem niet zou mogen komen zonder mij. Want u heeft toch gezien hoe dat er enige inkomen al naakt en de sommige van boven in vliegen en andere komen er in bij werktuigen en sommige bij cherubijn, nochtans niet zonder hulp van mij en wees dus zeker want de ene doe ik zijn kleren af om binnen nieuwe aan te doen en andere laat ik vliegen alzo het mij belieft. Wat ge al gezien hebt. Dus zo mag u zonder enige vrees weten dat mijn kennis goed is. En indien dat het u vergenoegd wil ik het gelijk van u weten zonder langer te wachten. Vrouwe, antwoorde ik haar, vanwege God bid ik u genade en begeer uw kennis en het nimmermeer te laten want niets ter wereld is me thans zo nodig als uw bijstand. En zeer bedank ik u dat gij u eerst vernederde om me aan te spreken om mijn eigen profijt want ik had u zeer nodig dus door uw genade ligt me daar het u belieft tot uw gebod.

Toen nam ze me terstond en leidde me naar een huis dat haar toebehoorde zoals ze zei en zei me toe dat ik daar zou vinden dat ik op mijn reis nodig zou hebben. Dit huis zag ik bijzonder graag. En in het zien werd ik zeer bang want het hing zeer hoog in de lucht tussen hemel en aarde gelijk of het van de hemel gedaald kwam. Daar waren in het aanzien veel torens kostbaar versierd. Maar dat me zeer wanhoopte was dat er een water voor liep daar ik door moest gaan wilde ik in het huis komen. Daar was geen brug, noch schip nog plank. En dat water was zeer diep zo ik wel daarna voelde. Want toen ik daarin tot het hoofd toe was begon ik de Gratie Gods te vragen hoe ik zou mogen ontkomen. En waarom dat daar zo n passage was en of daar geen andere doorgang was. En dat ze me wilde zeggen bij verordening welk profijt dat me van dat water zou komen.

 

 

<houtsnede over twee kolommen: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim tot aan zijn middel in het water met staf, aan de linkeroever Gratie Gods, rechts aan de overzijde van het water gebouw met pilaren en trap>

 

Doe antwoerde zy mi Fy om een luttelkijn waters sidy daer om soe veruaert du die gaen wils in iherusalem ende moets ouer lijden so groten zee als de werelt is die vol is van ongeual tempeest ende grote winden Hoe sulsti die mogen lijden alstu veruaert biste om dus luttel waters want du en zijs niet schuldich veruaert te sijn van dit water Want ic seg di dat hier meer kinderkijns lijden dan oude luyden Dit is het eerste passagie na ierusalem van allen goeden pelgrims ende geen ander Hier doer sijn enighe luden die hem dwoegen in haer selfs bloet. niet daer by wilstu dijn wech nemen tot iherusalem so en ist di niet contrari Mer alstu wel besies waen du comen biste ende thuys al vol messen is daer du ix maenden in gewoent hebs du hebs van node dy wel te dwaen Daer by [4vb] moetstu doer dit water liden want du en moges geen sekerder passage lijden Hier voermaels leet hier een coninc die den wech wel vry maecte Dat is hi die nie beulect en was wildine lijden ic sal hier doen comen mijns vaders officiael wachter van mijnder herbergen ende meester van dit pasage Die sal di dwaen in dit water ende helpen ende tonen hoe du dese grote zee lijden suls ende iherusalem ghewinnen ende min den vyanden te ontsien ende sal dij voer ende achter teikenen mit crusen ende oec opt hoeft om luttel te duchten alle ongeual ende sal dij smeeren in een campioe Nu andwoerde my pelgrim wat v daer nu of dunct Doe andtwoerde ic ende seyde O zeer goedertieren vrouwe het is mijne begheerte dat ghij uwen vrient den officiael hier doet comen

Toen antwoorde ze mij; Foei, om wat water ben je al zo verschrikt, u die wil gaan naar Jeruzalem en zo n grote zee moet overgaan zoals de wereld is die vol is van ongeval, tempeest en grote winden. Hoe zal u die mogen gaan als u al bang bent om wat water want u behoeft niet bang te zijn van dit water. Want ik zeg u dat hier meer kindertjes gaan dan oude lieden. Dit is de eerste passage naar Jeruzalem van alle goede pelgrims en geen ander. Hierdoor zijn enige lieden die zich wassen in hun eigen bloed. Daar wil u niet uw weg bij nemen tot Jeruzalem en zo is het u niet tegengesteld. Maar als u het goed beziet waarvan u gekomen bent en het huis al vol messen was waar u 9 maanden in gewoond hebt, u hebt het wel nodig goed te wassen. Daarbij moet u door dit water gaan want u mag niet door een zekerder passage gaan. Hier voormaals ging hier een koning die de weg wel vrij maakte. Dat is hij die niet bevlekt was en wilde gaan. Ik zal hier laten komen mijn vaders officile bewaker van mijn herbergen en meester van deze passage. Die zal u wassen in dit water en helpen en tonen hoe u deze grote zee gaan zal en Jeruzalem winnen en de vijanden minder te ontzien en zal u voor en achter tekenen met kruisen en ook op het hoofd om zo weinig te duchten van alle ongeval en zal u smeren tot een kampioen. Nu antwoord me pelgrim wat u daarvan nu denkt. Toen antwoorde ik en zei: O, zeer goedertieren vrouwe, het is mijn begeerte dat gij uw vriend de beambte hier laat komen.

 

 

<houtsnede over twee kolommen: links slapende pelgrim, rechts Gratie Gods, de vicarius van Mozes met horentjes en staf, en pelgrim met staf in landschap>

 

[ 5ra] Doe quam tot mi bi haer ghebode de officiael daer si my of gheseit had. Die nam my byder hant ende leide mi int voerseide water Daer in ghinc hi mi dwaen ende stack mi driewarf daer in Gracie goods en loech mi niet hi smeerde mi vore ende achter ende segende ende cruyste mi daer na leide hi mi int huys daert schoen was Daer thoende mi graci goods veel meer te mi waerts dan si eerst gedaen had ende seide dat si mi daer veel dincs tonen soude ende leren ende dat ic grote vroeschap doen soude wilde ic werken nae haeren raede ende verstaen Binnen dat si dus tegens mi sprac So sach ic menich wonder als ic v verclaren sal Maer ic salder hier nae of segghen als ic tijt ende stonde sal hebben ende vanden palster ende male want ic salder mi toe gheuen

[5rb] Inden eersten sach ic gestelt int midden van dier stede het teyken van .thau. dat mitten bloede van den witten lam geteykent was Mit dat teiken sijn geteikent goods dienaren an haer voerhoeft ende dat sach ic Ende oec een meester die vicarius scheen wesende van aaron of van moyses Want in sijn hant hielt hi een roede bouen ant eynde crom wesende ende hi had hoornen opt hoeft Ende hij had an witte linden cleeder Ic waen seeker dattet was die ghene daer ezechiel of seyt in sijn .ix. capittele want hi sette den volke int voerhoet dat teken thau daer mede hise tekende Het was een teken van ghenade want god wilde sijn volc so getekent hebben daer ic oec mede getekent wart Daer na gaf de mester den officiael salue segghende aldus Siet hier [5va1] drie heilighe manieren van saluen die ic dy gheue om alderlei manieren van luyden die pelgrim sijn of campioens werden willen Met dien tween saluen sulstuse smeren sonder meer toe te doen Ende dese derde salue sal sijn omme die ghewont ende gequest sullen sijn Ende om die ghene die in haer doot bedde sullen liggen sonder enighen troest te hebben Met deser saluen sulstuse smeren ende een ghetrou surgien sulstu hem luyden sijn ende smeren wel bedochtelic mit dier saluen als dies van node sullen sijn Daer of sijn alle wandelaers ende pelgrims van groten node die doer [5vb1] dit lant liden want si sijn altoes in oerlogen Daer bi en macht niet sijn si en moeten dicwile gequetst sijn ende ghewont Ende daer bi tot in haer eynde hebben sij noet van deser salue Dus smeertse wel sonder enighen faute ende daer bi geue ic di de salue Ende oeck ander manieren van salue om te smeren den nyewen comende onder den vicario van moyses. Ende als van de tafelen daer wi of eten daer of houdic te miwaert die costume execucie ende amministracie Dus soe sich wel scharp toe ende wacht di dastu di niet en ontghaes noch en mesdoes tegens my

Toen kwam tot me door haar gebod de beambte waarvan ze me gezegd had. Die nam me bij de hand en leidde me in het voor vermelde water. Daarin ging hij me wassen en stak me er drie keer in in de naam van de Gratie God en lachte me niet uit en hij smeerde me voor en achter en zegende en kruiste me en daarna leidde hij me in het huis daar het mooi was. Daar vertoonde Gratie God veel meer tot mij toe dan ze eerst gedaan had en zei dat ze me daar veel dingen tonen zou en leren en dat ik grote vriendschap doen zou wilde ik werken naar haar raad en verstaan. Ondertussen dat ze aldus tegen me sprak zo zag ik menig wonder als ik u verklaren zal. Maar ik zal er hierna van zeggen als ik tijd en plaats zal hebben en van de pelgrimsstaf en bedelzak want ik zal me er toe begeven.

Ten eerste zag ik gesteld in het midden van die plaats het teken van de hauw dat met het bloed van de witte lam getekend was. Met dat teken zijn getekend Gods dienaren aan hun voorhoofd en dat zag ik. En ook een meester die vicaris scheen te wezen van Aaron of van Mozes. Want in zijn hand hield hij een roede die boven aan het einde krom was en hij had horens op het hoofd. En hij had witte linnen kleren aan. Ik waan voor zeker dat het diegene was waar Ezechil van zegt in zijn 9de kapittel want hij zette het volk in het voorhoofd dat teken van de hauw waar hij ze mee tekende. Het was een teken van genade want God wilde zijn volk zo getekend hebben waar ik ook mede getekend werd. Daarna gaf de meester de beambte de zalf en zei aldus: Ziet hier drie heilige soorten van zalven die ik u geef voor allerlei soorten van lieden die pelgrim zijn of kampioenen willen worden. Met die twee zalven zal u smeren zonder er meer toe te doen. En deze derde zalf zal zijn voor die gewond en gekwetst zullen zijn. En voor diegene die in hun doodsbed zullen liggen zonder enige troost te hebben. Met deze zalven zal u smeren en een trouwe chirurg zal u voor die lieden zijn en goed bedacht smeren met die zalven als u het nodig zal hebben. Daarvan hebben alle wandelaars en pelgrims het zeer nodig die door dit land willen gaan want ze zijn altijd in oorlog. Daarbij blijft het niet, ze zullen vaak gekwetsts en gewond worden. En daarom hebben ze tot in hun einde deze zalf nodig. Dus smeer het goed en zonder enige fout en daarbij geef ik u de zalven. En ook andere soorten van zalf om de nieuw komende te smeren onder de vicaris van Mozes. En van de tafels daar we van eten daarvan hou ik voor mij het gebruik, de uitvoering en administratie. Dus let scherp op en kijk uit dat je niet ontgaat of misdoet tegen mij.

 

 

<houtsnede: links slapende pelgrim, rechts Redene in een deuropening, daarnaast de vicarius van Mozes en de pelgrim in de open lucht>

 

[5va2] Mit dat si aldus onder hem tween spraken ende ordineerden van haer smeeren Soe wart ic een siende comen wt eender toerne ende was een maecht ende ghinc tot hemluyden. [5vb2] Dese maecht als mi gracie geseyt had was genaemt. Reden Die tot hem luiden ghinc ende seide. Ghij heeren die aldus ordineert ende spreect van vwen saluen ende smeren Nu wilt verstaen [6ra] twee cleyne woerdekijns die ic v ontbinden sal Salue is een dinc die zeer soet is omme quetsuern ende wonden. ende zoetelic is si sculdich beleet ende gebreet te zijn mit zuete instrumenten. Ende zoet is hij schuldich te zijn de ghene diese leyt Want ruytheyde die en voechter niet wel toe Want een die gewont is en mach niet ghehandelt zijn mit ruyden handen want ruythede quetst somtijt meer dan de salue gehelpen can Ruyt zijn si genoemt die fel als leeuwen ende niet en willen laten onder hem ongewroken Sodanige en zijn geen goede surgijns want si willen haer gequetsten alte ruydelic de salue geuen. Ende daer bij ben ic hier neder gecomen om v te auiseren dat in v geen ruythede en zij noch felheide maer dat ghy vwen gequetsten otfermich zijt oetmoedich ende soet Al vwe zieken hadelt zoetelic ende dan sal uwe salue doghen Dicwile waerdy schuldich te peysen dat ghij gesmeert waert om oetmoedich ende ontfarmich te worden sonder yement enighe felheide te doen ende dat ghij in alle v leuen geen felhede peinsen noch doen en soudt ende dat ghi alle misdaet soudt vergheuen ende houden v an gode Want op dat die propheet niet en liecht So heeft god alle wraec tot hemwaerts ghehouden Daer bij diese hem nemen wil mocht wel gheraken tot enen quaden eynde

[6rb] Als aldus vrou reden gesproken had so heeft haer de vicarius geantwoert Ic bid v vrouwe dat ghij my segt waer om heb ic dese hoernen ant hoeft ende dese roede die scharp is ten einde Ist niet om punicie ende correxie te doen ouer de quade Ic wane dat ic bet eer schuldich ben de quade metten hoernen dan met der saluen te smeren Lieue vrient antwoerde reden Verstaet my noch een luttelkijn Ic bekenne wel datstu waer gheseyt hebs. maer noch en hebstu niet geleert die manier die du schuldich zijs te hebben om te horten ende te steken Inden eersten bistu schuldich soetelic te waerschuwen den genen die du sies dolen ende misdoen. Ende dan daer na vinstu hem ouerhorich ende niet obedient. alsdan hebstu oerlof mitten hoernen hem te horten Het behoert wel tot dijnre officien iusticie te doen ouer de quade maer eerst moestu sacht ende goedertieren zijn eer du strenge zijs of pkels Ende noch seg ic di voert en wil niemont steken bij felhede of strenghede. maer mit soete vermaninge van medelijden Want alist dattu ghehoert bist bij iusticie Nochtan bistu schuldich in dijn hart ontfermich te zijn ouer die du regierste Gedenc datstu gesmeert waers eer du waers ghehorent ende stocke of roede hads dit zijstu sculdich indachtich te zijn alstu yemont corrigieren wils. Du [6va] en zijs oec niet schuldich te vergeten van wie du houds de vicarie Dat was de ghene die gehorent scheen wesende ende niet en was Ende dat is moyses die de kinder van ysrahel leyde doer de zee mitter roeden die hem beuolen was Nu verstaet wel mijn sermoen ende weest ymmer ontfarmhartich dreyght zeer maer misdoet niet toent v streng maer zijt goedertieren. Al is v roede scarp beneden aensiet weder dat zij crom is ende nederwaerts buycht. Dat beduyt Alstu yemont corrigiers dastu dan oetmoedich ende barmhartich sous zijn Hier om is dij de roede beuolen dijn volc te regieren mit iusticie ghemenget mit barmharticheyt ende ouer dese zee te leyden de werelt.

Nv sal ic dy voertmeer seggen waer bij datstu dese hoernen ende roede draechs Hier voermael plach in dese stede te wonen die gehorende vander hellen ende had zijn woenstadt hier langhe tijt bij possessien Maer om dat gracie goods leec was die dese stad om haer woeninge gemaect had dede zij dij wapenen mit dese hoernen ende den stoc gheuen om dat daer wt vliegen soude de valsche bewoender die daer of wilde heer zijn Den welcken du soe staecs ende sloechs mit hoernen ende roede dat hy dese plaetse ruymen most Ende om datstu een goet campioen waers soe wilde gracie goods dat[6vb]stu dicwile gewapent waers mitter wapenen van victorien om dattet niet vergeten en soude bliuen ende de quade de costume te benemen daer te comen Ende om datstu souts zijn te vechten teghen die thuys van gracie gods pilgieren ende ontcleden wilden van haer goeden bij onrecht ende vyolencie Maer als daer of want ic de waerhyede weet en doedi niet wel dattu schuldich waers te doen want du selue gheefs hem luyden materi ende toens den wech om de tienden ende die subieccien te hebben. welcke saken gracie goods voer genen danc en neemt Daer bij ic seg dij het es een dwaesheyt van dijn hoernen ende stocke Dijn hoernen en zijn maer hoernen van slacken die hem bedecken om tbeuoelen van een stroe So danige hoernen en had sinte tomas niet. die den coninc den in ganc verboet van zijnen huyse om dat hi onrechtelic ende sonder reden wilde stellen in bediensticheit die altoes vrij hadden geweest Lieuer hadde hi gestoruen dan hijse had laten gaen in seruituten ende bediensticheit. Van sinte ambrosius seg ic dij oec. die zijn huys soe wel bewaerde tegen den keyser ende keyserinne dat hij daer allene heer of bleef Ghij hebt seyde hij vwe pallaysen. steden. ende renten vanden keyserijcke ende daer mede zijdy schuldich v te laten ghenoeghen ende van mijn huys en onderwint v niet want [7ra1] ghij en hebter niet an bij mijnen tijt het en sal al soe niet in subieccien zijn ic souder eer voer steruen. Siet nv dese en droegen geen hoernen om niet. Waerstu alsoe wel ghehorent ende wel verwerende de vryhede van dijnen huyse dattu ghesworen ende getruwet hebs ende daer datstu het vingerlijn an dijn hant hebs ende oec dijn roede wel ghebruyctes pharao den coninc arguerende ende hem seggende [7rb1] Als dat hij dijn volc liet gode dienen sonder seruituten ende subieccien ende dat hijse niet en disturbeerde noch belet en dede Dan. waerstu een goed moyses ende du soudts gracien goods wel dienen in haer goede rechten ende het soude haer wel behaghen telcken als zij dij gewapent wiste. Dus doet voert meer bedt soe sal dijn eer ende loene te meerder weesen

Met dat ze aldus onder hen twee spraken en ordineerden van hun smeren zo kwam ik er een te zien uit een toren en het was een maagd en ging tot hen. Deze maagd zoals me Gratie gezegd had was Reden genoemd. Die tot die lieden ging en zei: Gij heren die aldus ordineert en spreekt van uw zalven en smeren, nu wil verstaan twee kleine woordjes die ik u uitleggen zal. Zalf is een ding die zeer zacht is voor kwetsingen en wonden. En zacht is het als het met beleid en gemaakt is met zachte instrumenten. En zacht moet diegene zijn die ze legt. Want ruigheid die voegt er niet goed toe. Want een die gewond is mag niet behandeld worden met ruige handen want ruigheid kwetst soms meer dan de zalf helpen kan. Ruig zijn die genoemd die fel zijn als leeuwen en zich niet ongewroken willen laten. Zodanige zijn geen goede chirurgen want ze willen hun gekwetste altijd ruig de zalf geven. En daarbij ben ik hier neder gekomen om u te adviseren dat in het u geen ruigheid nog felheid gebruikt, maar dat ge voor uw gekwetste barmhartig, ootmoedig en zacht bent. Al u uw zieken zacht behandelt dan zal uw zalf deugen. Vaak moet ge peinzen dat u gesmeerd was om ootmoed en barmhartig te worden zonder iemand enige felheid te doen en dat gij in al uw leven geen felheden bedenkt, nog doen zou en dat gij alle misdaad zou vergeven en u houden aan God. Want zodat die profeet niet liegt zo heeft God alle wraak tot zich gehouden. Daarbij die het van hem nemen wil mag wel raken tot een kwaad einde.

Toen aldus de vrouw Reden gesproken had zo heeft haar de vicaris geantwoord: Ik bid u vrouwe dat gij me zegt waarom ik deze horens heb aan het hoofd en deze roede die scherp is op het einde. Is het niet om te straffen en corrigeren te doen over het kwade. Ik waan dat ik beter eerder de kwade met de horens dan met de zalven te smeren. Lieve vriend, antwoorde Reden: Versta me toch wat. Ik beken wel dat u waar gezegd hebt, maar nog heb u niet geleerd de manier die u moet doen om te horten en te steken. In het eerste moet u zachtjes waarschuwen diegene die u ziet dolen en misdoen. En dan daarna vind u hem onbehoorlijk en niet gehoorzaam, als dan hebt u verlof om hem met de horens te stoten. Het behoort wel tot uw taak gerecht te doen over de kwade, maar eerst moet u zacht en goedertieren zijn eer u streng bent of steekt. En nog zeg ik u voort dat u niemand wil steken vanwege felheid of strengheid, maar met zachte vermaning van medelijden. Want al is het dat u gehorend bent bij justitie, nochtans moet u in uw hart barmhartig zijn over die u regeert. Bedenk dat u gesmeerd was eer u gehorend was en een stok of roede had, dit moet u bedenken als u iemand wil corrigeren. U moet ook niet vergeten van wie u houdt, de vicaris. Dat was diegene die gehorend scheen te wezen en niet was. En dat is Mozes die de kinderen van Isral leidde door de zee met de roede die hem bevolen was. Nu versta wel mijn preek en wees immer barmhartig, dreig zeer maar misdoe niet, toon u streng maar wees goedertieren. Al is uw roede scherp beneden zie toch weer dat het krom is en naar beneden buigt. Dat betekent dat als u iemand corrigeert dat u dan ootmoedig en barmhartig zou zijn. Hierom is u de roede bevolen om uw volk te regeren met recht en met barmhartigheid gemengd en om de wereld over deze zee te leiden.

Nu zal ik u voorts meer zeggen waarbij dat u deze horens en roede draagt. Hier vroeger plag in deze stede te wonen die gehorende van de hel en had zijn woning hier lange tijd in bezit. Maar omdat Gratie God het leed was dat deze stad om haar woning gemaakt was deed zij u wapenen met deze horens en de stok geven omdat daarmee vliegen zou de valse bewoners die daarvan de wilde heer zijn. Die u zo stak en sloeg met horens en roede dat hij deze plaats ruimen moest. En omdat u een goede kampioen was zo wilde Gratie God dat u dikwijls gewapend was met de wapens van victorie zodat u het niet vergeten zou en blijven en de kwade gebruiken te benemen door daar te komen. En omdat u zou vechten tegen die het huis van de Gratie van God te plunderen en ontkleden wilden van haar goed bij onrecht en geweld. Maar daarvan weet ik de waarheid en doe ge niet goed dat u moet doen want u zelf geeft de lieden materie en toont hen de weg om de tienden en bezit te hebben welke zaken Gratie God voor geen dank aanneemt. Daarbij zeg ik u het is een dwaasheid van uw horens en stok. Uw horens zijn maar horens van slakken die zich bedekken om te voelen naar een stro. Zodanige horens had Sint Thomas niet die de koning de ingang verbood van zijn huis omdat hij hem onterecht en zonder reden wilde stellen in dienstbaarheid die altijd vrij was geweest. Liever was hij gestorven dan hij had willen gaan in slavernij en dienstbaarheid. Van Sint Ambrosius zeg ik u ook die zijn huis zo goed beschermde tegen de keizer en keizerin zodat hij daar alleen heer van bleef. Gij hebt, zei hij, uw paleizen, steden en rente van het keizerrijk en daarmee moet u zich vergenoegen en mijn huis krijgt gij niet wan gij hebt er niets aan in mijn tijd, het zal zo niet in bezit gaan, ik zou er eerder voor sterven. Ziet nu deze die droegen geen horens om niet. Was u alzo gehorend en goed verwerend de vrijheid van uw huis dat u gezworen en getrouwd hebt en daar dat u de ring aan uw hand heeft en ook uw roede goed gebruikt toen de farao met de koning argumenterende en hem zei: Als dat hij uw volk liet God dienen zonder dienstbaarheid en bezit dat hij ze niet verstoorde nog beletten deed. Dan was u een goede Mozes en u zou Gratie God wel dienen in haar goede rechten en het zou haar wel behagen telkens als zij u gewapend wist. Dus doe voortaan meer beter zo zal uw eer en loon te meerder wezen.

 

 

<houtsnede: links, van li. naar re., vrouw, man, officiael, vicarius van Mozes, Redene en pelgrim in landschap, recht de slapende pelgrim>

 

[7ra2] Als aldus vrou reden ghesermoneert had is die officiael wech gegaen ende droech mit hem de salue ende bestedese Daer na sach ic comen een wijf van westen ende een man van orienten totten officiael ende boden hem beide van stonden an de hant ende de officiael nam haer beyder hant ende leydese te gader ende seyde hem luyden aldus Onder v tween suldi een zijn [7rb2] ende elc sel den anderen houwen trouwe ende niet scheiden sonder sekere reden ende dat bij moyses Dus houdt wel dit sacrament ende ondermint v ghetrouwelic Ende beloefden zij beyde Hier mede scheyden zij ende de officiael keerde moises die noch was by vrou reden Mar aldus staende te gader Onuersien ouerquam hem daer eenen groten top van volcke die [7va1] haer parlement deden cesseren ende quamen voer moyses Ende baden hem dat hem wilde belieuen hemluyden te gunnen enighen dienst binnen sinen huyse Doe nam hij een scare die hi tot hem dede comen ende heeftse terstont [7vb1] ghescoren tot hemluyden seggende aldus. Als dat god soude zijn haer leen ende haer erue Ende dat hem dat wel ghenoeghen mochte indien si vroet waren

Toen aldus de vrouw Reden gepreekt had is die beambte weg gegaan en droeg met hem de zalf en besteedde het. Daarna zag ik komen een wijf van het westen en een man van de Orint tot de beambte en boden hem beide van stonden aan de hand en de beambte nam hun beider hand en leidde ze tezamen en zei hen aldus: Onder u twee zal ge een zijn en elk zal de andere houwen, trouwen en niet scheiden, uitgezonderd zekere reden en dat bij Mozes. Dus hou goed dit sacrament en bemin u getrouw. En dat beloofden ze beide. Hiermee scheiden zij en de beambte keerde tot Mozes die nog was bij de vrouw Reden. Maar aldus staande tezamen kwam hen onvoorzien een grote hoop volk die hun gesprek liet ophouden en kwamen voor Mozes. En baden hem dat ze wilde beloven te gunnen enige dienst binnen zijn huis. Toen nam hij een schaar die hij tot hem liet komen en heeft ze terstond geschoren en zei tot hen aldus: Alles dat van God zou zijn is hun leen en hun erfdeel. En dat hen dat wel vergenoegen mochten indien ze verstandig waren.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts van li. naar re. Redene, de vicarius die een geknielde man die de handen gevouwen heeft, het hoofdhaar scheert, de pelgrim>

 

[7va2] Als moyses dit gedaen hadde quam vrou reden tot hem ende seyde. Ghij heren zijt gemoet al ist dat ghi gescoren ende geknipt zijt opt hoeft sots gewise Dese sothede is v luden grote vroescappe waer bi ic mi voertmeer presenteer te zijn v vriendinne oec wient leet is. Dese minne en wedersegt niet want voer alle ander volc suldise hebben het en houde an vwe sothede ic sal v beste vriendinne zijn Ic ben reden Bij wien dat ghij zijt of geteykent van ander luyden Ende so lange als ghi my bij v hebt suldi mans geacht weesen Ende [7vb2] wanneer ghi sonder mi doen wilt suldi anders niet gerekent zijn dan stomme beesten ende en sult sonder my niet gheeert zijn hoe rijc ghij zijt Ende wildi iugieren argueren of filogiseren sonder my en suldi nimmermeer conclusie maken dan met schanden Nu sal ic v voert leeren hoe ghij mijn lieft wachten sult Ghij sult soberlic eeten ende drincken min dan andre. Want dronckenscap leckerheit ende gramscap sonderlinghe doen mi den mensche laten desgelijcs felhede ende vleyschelijcke minne veriagen my Dus wacht v ende ghij sult my behouden

[8ra] Noch sal ic v verclaren wat de gescoren plaetse op v hooft beduyt al ront oft waer een casteel of toerne Het schijnt wesende een besloten hof mit mueren De stede die binnen ondect is beteykent dat geheelic v hart ontdaen is tegens god de rondicheit ist slot ende is v ghehelic sluitende vander werelt sonder daer yet mede doen te hebben want ghij moeter of scheyden indien ghij mit gode deel wilt hebben mit beide en moechdi geen deel hebben Want ghij gode selue tot v deel ghecoren hebt Dus en kan ic niet sien dat ghij ter werelt enich moecht hebben want die kiesen sel moet dat een kiesen ende dat ander laten Dus al ist dat ghi gecoren hebt ghi en moecht gheen beter deel hebben dus laet v genoegen. Want en twifelt niet v deel en is dat beste Hier om ist v zeer voerdelic van vwen cruyne die v besluyt vande werelt altijt v deel hebbende Ende van dat ghy geschoren zijt bekent men v goet vee te zijn. Reden want de aerde behoert toe dat vlies van haer beesten voer haer arbeyt Somtijt mach v pastoer v wel al te nae scheren maer hij en heeft geen oerlof v te villen want hem is de schare gegeuen om te scheren ende niet het mes om v onredelic te villen

Als reden dit geseit had tot die gheschoren waren Ander die mede dienst begeerden moyses gaf [8rb] se allen gaerne Enighe maecte hij doerwaerders ende camerlincs van sinen huyse Ander maecte hij serianten om te verdriuen de vyanden binnen den huyse Ander bewees hy grote eere ende beualse predikaers te zijn vanden heylegen palaise ende te leren de wet goods Ander dede hij dienen met kaersen ter groter tafele daer hij eten soude Ander gaf hij zijn vergulden cop om van drancke hem daer mede te dienen. Sommige maecte hij draghers vande iuwelen ihesu christi daer hij de starcste mede belaste Dese wilde hij sonderlinge dat hem ende den officiael dienen souden ter tafelen ende beleyders waren

Als dit al gheordineert was als voer geseyt is elck begonste hem te stellen om zijn officie te bedienen ende de tafelen te bereien want het was tijt te ghaen eten Enighe brochten wijn gemengt mit watere also my dochte Maer eer moyses ghinc eeten so wilde hij hem quite maken ander die hem verwachten ende noch niet van diensten versien en waren om den officialen voert te dienen want het was wel van node in sulck een huys alsoe my dochte en mocht sonder onder dieneren niet weesen gheregiert

Nv sal ic v seggen hoe dat hij dede Int eerste riep hij tot hem gracien goods mit luyder stemmen al wast dat zij niet varre van hem [8va1] en was want zij sat in haer zetel ende nam waer van al dat hij dede ende ick zat neffens haer voeten dies ic seker zeer blijde was Ende als si haer hoorde roupen stont si terstont op ende ghinc tot moysen ende leyde my mit haer Als moyses gracien bij hem sach wart hij veel stouter als ghij verstaen sult int vertrecken deser materien. Inden eersten smeerde hij haer handen ende dudese te gader Daer na nam hij een scharp zwaert wel snijdende an beide zijden wel gebruneert ende vuerich keerlic ende wendelic [8vb1] wel dochtet mi wesen tselfde zwaert dat ic cherubin hebben sach ende het was zeer costelic ghefigureert Dat gaf hy hemluyden in mijn presencie mit veel slotelen die gracie hem gedaen had Ja hij gaf hem graci selue die waerdige vrou diet hem al selue halp doen seggende Siet hier gracien. neemtse ic geefse v om dat ghi v vriendin dair of sult maken Ic dit horende ward gram luyde wenende Ay my ay laes heb ic gracien verloren ende wort alle dit volc gegeuen lieuer waer ic doot dan dit te lijden

Toen Mozes dit gedaan had kwam vrouw Reden tot hem en zei: Gij heren, wees welgemoed al is het dat gij geschoren en geknipt bent op het hoofd zot vormig. Deze zotheid is uw lieden grote bekendheid waarbij ik me voortaan meer presenteer te zijn uw vriendin ook wie het leed is. Deze minne weerleg ik niet want voor alle ander volk zal ge het hebben en houden aan uw zotheid en ik zal uw beste vriendin zijn. Ik ben Reden bij wie dat gij bent of getekend van andere lieden. En zolang als ge mij bij u hebt zal ge van mensen geacht wezen. En wanneer ge zonder mij doen wil zal ge niet anders gerekend zijn dan stomme beesten en zal zonder mij niet geerd zijn hoe rijk gij bent. En wil u oordelen, argumenteren of filosoferen, zonder mij zal ge nimmermeer een conclusie maken dan met schande. Nu zal ik u voort leren hoe gij mij zal behouden. Gij zal sober eten en drinken en minder dan andere. Want dronkenschap, lekkerheid en gramschap vooral doen me de mens verlaten, desgelijks felheid en vleselijke minne verjagen mij. Dus wacht u daarvoor en gij zal mij behouden.

Nog zal ik u verklaren wat de geschoren plaats op uw hoofd betekent wat al rond is alsof het een kasteel of toren is. Het schijnt te wezen een besloten hof met muren. De plaats die binnen bloot is betekent dat uw hart geheel open is tegenover God, de rondheid is het slot en sluit u geheel af van de wereld zonder daar iets mee te doen te hebben want gij moet er van scheiden indien gij van God deel wil hebben, met beide mag ge geen deel hebben. Want ge hebt God zelf tot uw deel gekozen. Dus kan ik niet zien dat gij ter wereld enig mag hebben want die kiezen zal moet dat ene kiezen en dat andere laten. Dus al is het dat gij gekozen hebt gij mag geen beter deel hebben dus laat u vergenoegen. Want twijfelt niet, uw deel is dat beste. Hierom is het u zeer voordelig van uw kruin die u besluit van de wereld altijd uw deel te hebben. En van dat gij geschoren bent betekent men u goed vee te zijn. Reden, want de aarde behoort toe aan dat vlees van hun beesten voor hun arbeid. Soms mag uw pastor u wel al nauw te scheren, maar hij heeft geen verlof u te villen want hem is de schaar gegeven om te scheren en niet het mes om u onredelijk te villen.

Toen Reden dit gezegd had tot die geschoren waren er andere die mede die dienst begeerden. Mozes gaf ze allen gaarne. Enige maakte hij deurwaarders en kamerlingen van zijn huis. Andere maakte hij bedienden om de vijanden binnen het huis te verdrijven. Andere bewees hij grote eer en beval ze predikers te zijn van het heilige paleis en te leren de wet God. Andere liet hij dienen met kaarsen ter grote tafel daar hij eten zou. Andere gaf hij zijn vergulde kop om hem van drank daarmee te bedienen. Sommige maakte hij dragers van de juwelen Jezus Christus daar hij de sterkste mee belaste. Deze wilde hij vooral dat ze hem en de beambte dienen zouden ter tafel en belijders waren.

Toen dit alles bevolen was zoals voor gezegd is begon elk zich te stellen om zijn taak te bedienen en de tafels te bereiden want het was tijd te gaan eten. Enige brachten wijn gemengd met water, alzo ik dacht. Maar eer Mozes ging eten zo wilde hij zich kwijt maken van andere die hem verwachten en nog niet van diensten voorzien waren om de beambten verder te dienen want het was wel nodig in zo n huis zoals ik dacht kan zonder regeren niet gedineerd worden.

Nu zal ik zeggen hoe dat hij het deed. Eerst riep hij tot zich Gratie God met luide stem, al was het dat zij niet ver van hem was want zij zat in haar zetel en nam waar van al dat hij deed en ik zat naast haar voeten dus was ik zeker zeer blij. En toen ze haar hoorde roepen stond ze terstond op en ging tot Mozes en leidde mij met haar. Toen Mozes Gratie bij hem zag werd hij hij veel dapperder dan gij verstaan zal in het verdere van deze materie. In het begin smeerde hij haar handen en deed ze tezamen. Daarna nam hij een scherp zwaard dat goed sneed en aan beide zijden goed bruin en vurig keerde en wende, het dacht me te wezen hetzelfde zwaard dat ik de cherubijn hebben zag en het was zeer kostbaar bewerkt. Dat gaf hij de lieden in mijn tegenwoordigheid met veel sleutels die Gratie hem gedaan had. Ja, hij gaf het de Gratie zelf, die waardige vrouwe die het hem al zelf hielp te doen en zei: Zie hier Gratie, neem het, ik geef het u zodat gij uw vriendin daarvan zal maken. Ik hoorde dit en werd gram en weende luid. Ay, mij, ailaas, ik heb Gratie verloren en wordt aan al dit volk gegeven, liever was ik dood dan dit te lijden.

 

 

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Gratie Gods en de pelgrim in een landschap>

 

[8va2] Gracie my dus bedroeft siende riep my ende seyde O sot meendi mi alleen te hebben neen tgemeen goet is tbeste dat elx besigen mach ic ben gracie een fonteine allen gemeen niet besloten alle menschen beminne ic ende dat en is di niet hinderlic maer [8vb2] du sulster in doegden bi wassen want alle die ghene die ic beminnen sal die sal ic vwe vrienden maecken Ende de meer goede vrienden du hebs de bet behoerstu te vreden te zijn alsoe my dunct Hier om en hebts genen nijt al beminne ic ander mede

Gratie zag me aldus bedroefd en riep me en zei, O zot, meende je me alleen te hebben, neen, het algemeen goed is het beste dat elk gebruiken mag, ik ben Gratie, een fontein allen algemeen en niet afgesloten, alle mensen bemin ik en dat is u niet hinderlijk maar u zal er in deugden bij groeien want al diegene die ik beminnen zal die zal ik uw vrienden maken. En hoe meer goede vrienden u hebt hoe meer behoort u tevreden te zijn zoals ik denk. Hierom heb geen nijd al bemin ik andere mede.

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Redene op een soort preekstoel, daarnaast toehorend de vicarius met geheven zwaard, de pelgrim en achter hen nog een man en een vrouw>

 

Als gracie my dus vertroest had clam vrou reden op een schafot ende began te prediken ende seide O gij heeren wilt ouersien de duecht die moyses doer gracie v ghedaen heeft Hij heeft v ghegeuen tselue zwaert dat god voer hem ghemaect had om de sondaren te keeren wt de lande daer hij heer of is Die dit zwaert besigen wil moet weeten dat het heeft plat scarp ende poynt want den misdadigen sal men mit een van dezen drien punieren al sparende ende mit medelijden. Die poynt bediet datmen geen oerdel geuen en sal indiscretelic sonder goet ondersouc als de saec onbekent is. Want het is wel een verwaent sot die bij wanen ende vermoeden vonnisse geuen wil. Dit zwaert is qualic besteet an een die schelu ende verblint is ende al tastende daer [9rb] mede slaen wil ende tgoet van tquaet niet onderscheyden en can. Het en behoert oec niement te dragen die niet wel onderscheyden en can tusken ziecte ende gesonthede Dats te verstaen dat een rechter eerst sculdich is te weeten de circonstancien van der misdaet eer hij vonnisse daer of gheeft Bij dit zwaert is te ghelijken des menschen keele want een rechter behoert te hebben een langhe keele om wel te onderscheyden wat hij seggen wille want elc rechter moet vonnisse geuen na de reden die hij verstaen heeft Maer de reden waer om dit zwaert an beyde zijden snijt is dese. Ist dat ghij v swaert scarp hebt het is wel recht dat ghij iusticie hebt ouer de quade Ende dat ghij oerlof hebt alle misdaden te corrigeren sonder de grote sticken die de grote gehorende an hem reserueert ende behout Ende om dat v lant in tween gedeelt is soe moet v swaert an beyde zijden snijden. De een partije is des menschelijcken lichaem dat men heet de buitenste man Ende dander partie is de geest die men heet de binnenste man Dits v lant dat in tween gedeelt is Dese twee moechdi als een rechter oerdelen alst tijt is Eerst het lichaem moechdij pijne gheuen ende arbeyt om zijn misdaden mit penitencie Ende den geest mit diuerscher stucken Als ouerhoericheyt obstinacie dats niet te willen beteren zijn sonden om eenighe vermaninge diemen hem doen mach Dan moechdi keeren dat snijdende sonder yet te sparen ende moechten wonden totter doot metten slage van excommunicacie ende daer en is gheen vreselicker. want sonder remedie isset een doot wonde Ende daer bij is hij hem wel sculdich te duchten daer hij op gheleyt wordt oec moet hij hem wel bepeysen die mit sulc een zwaert gaen wille Ende ic seg v dat niemant rechtelic daer mede slaen mach het en zij dat hi hem eerst gewaerschuet ende mitten platte geslagen heeft ende in sulcker manieren doen steruen Bijden platte vanden zwaerde verstae ic goet ende getrouwe waerschuwen gerechte vermaninghe als tquade al slaende sparende ende mit woerden corrigierende mit woerden van gode daer respijt vander doot in leyt Dit [9vb] plat zijdi schuldich te gebruycken ouer vwe ondersaten als ghijse dolen siet ende misdoen want veel castijens ende versprekens doet dicwile de sonden laten Ende indien ghijse dus bekeeren moecht. het es beter dan mitten scharpe vanden zwaerde te slaene

Hier bij na ghelegentheit der zaecken moet gij gebruycken ia om wel te regieren want somtijts moetmen corrigieren feytelic somtijt mit scarp onderwijs Ende daer bij so heet dit zwaert . verlatilis . dats te seggen kerende ende wendende Dit zwaert is v gegeuen om dat ghijt altijt gereet sult hebben om te keeren ende wenden na dat recht ende reden eysschen sullen Dus machment wel mit rechte noemen cherubin vol van wetentheyt ende heiliger vroescappen want waerdi wijs als cherubin ghij mocht bij auentuer slaen mit het scarp als ghi sculdich waert te slaen mit het plat Ende int wijsen of corrigieren doen alle het contrarie dat ghij doen sout Hier bij is dit zwaert zeer vreselic in handen vanden onwetenden ende die fel van indachten zijn. want dit zwaert is v gegunt ende gegheuen vierich doer de gracie goods. Ende de reden is dese want hoe ghijt ghebruict int versprecken of oerdelen gij zijttet altijt vie ich ende vlammich te toenen van rechter minnen ende caritaten want min is tvier diet doet barnen

O Nu sal ic v seggen waer om dat ghij dit swaert hebt Also my dunct so zijdi poertiers van hemelrijc ghij hebt de sloetelen om te sluyten ende luycken sonder v te toenen wat men brengt en mach daer niement in Alle manieren van packen moetmen daer voer v ontbinden ende thonen Daer en is dinc so secreet noch heymelic het en is schuldich mit waerachtiger biechten voer v gheopenbaert ende beleden te zijn Besiet nu of ghij dit swaert wel bedochtelic an gheuaert hebt mit de sloetelen Niement en zijdi schuldich te laten lijden die zijn pack ende last niet ontbinden ende v thonen en willen Ghij sult den sondaren ondersoeken ende haeren last doen ontbinden ende wijselic dat oerdelen ende rijpelic Alsdan alle dinc doergesien de misdaden gheiugiert ende penitencie gegeuen so dat ghij verneemt berouwenisse. Dan moechdij ontdoen de poorte ende latense in gaen. Dit is de beteykenisse vanden swaerde ende de beduyenisse vande slotelen Nu besiet wel dat ghijt onderscheydelic doet als ghij schuldich zijt te doen

Als vrou reden dus gesproken hadde ende ict al gehoert had Groote wille quam my toe om te hebben dat vierighe swaert mit den slotelen om te weesen poortier vant voerscreuen passage Maer tot wat eynde dat ic daer of comen soude en had ic noch niet ouerpeynst ende [10rb] dat gebeurt dicwijle datmen dingen begint daermen wille toe heeft sonder het eynde te ouerleggen. Alsoe varinc als ic dit ouergeleyt hadde ghinc ic tot moysen hem biddende my te willen consenteren dat swaert ende slotelen om te weesen poortier van dat pallayse. Moyses mijn bede horende nam dat swaert ende stackt inde schee ende de slotelen bant hy te gader wel vast ende besegeldze al te samen ende heeftse my beyde geconsenteert ende gegheuen oetmoedelic seggende als dat ic de slotelen niet en ontbonde noch tzwaert verporde voer dat ic oerlof hadde

Als ic dat hoerde was ic wat onstelt ouermits dat hy niement my siende dit gedaen en had Veel peynsdic wat ic doen wilde of mocht mitten swaerde ende slotelen die also gebonden ende besegelt waren Menende dat hy my bedrogen had Maer gracie diet al mercte sende tot my vrou reden die my van als tbediet seide als gij noch horen sult

Urient seide reden wat peinstu Dijn gepeins is sot waer ist datstu tscholen gegaen hebs Ic sie wel du en cons niet dijn predicamentum ad aliquid want dat heeft altyt op anderen zijn gesicht dan op hem seluen ende mact zijn fondement wel op eens anders gront Al nemet van anderen en doet niement ongelijc Ende sonder ander en ist selue niet Nu hoort dan exempel [fol. 10v] Als god de werelt eerst ghemaect had soe was hy sonder meer god geheten maer als hy den mensche gemaect had was hij heer geheten in teyken dat hy knapen had sonder dat hi dies te meerder was Maer dese tijtlicke heeren zijn al van ander condicien want de meer cnapen si hebben de meer si hem verheffen. haer ondersaten dienaren ende huysgesin al zijn si hem tribuyt ende bediensticheit sculdich. Heerscapie was geboren in de subiecten ende en waeren geen subiecten De heeren dunct my deen ende dander en souden niet weesen als my geseyt is by . aliquid . dats wat te seggen want deen heeft zijn weesen ende spruyt wt den anderen Ende alst deen is soe ist dander ende deen gebreect so gebreect het dander. Nu verstaet wel dese lesse Du die in subiectien zijs besich wel datstu onderdanich ende subiect zijs den anderen ende gheen subiect onder en hebs Want dijn ouerste heeft bouen dij heersappie ende iurisdictie soe wie dat hy is maer datstu gheen ondersaten en hebs dats dat di bedriecht ende daer om ist datstu gemist hebste het swaert al naect ende ondect te draghen ende de slotelen ontbonden te hebben ende het en waer oec maer sothede Want drouge ic een messe bloot sonder schee ende niet te snijden en had men soude my voer sot houden of dat ic yemonde wilde slaen of steken Ende droech ic slotelen achter straten [10vb] ondect ende slot noch dore en hadde om te ontsluyten men mocht peysen dat ic valsche slotelen droege ende dat ic stelen wilde Ende daer by so seg ic dy Also lange alstu te sluyten noch ontsluyten en hebs Ende so lange alstu niement te corrigieren en hebs: beter ist dastu tswaert bedect inde schee hebs dan al naect ende de slotelen ghebonden dan ontbonden Tot alre tijt machmen comen ten eenen of ten anderen tontbinden ende ontdecken Aldus so gafse dy moyses opt alder versekerste als hij schuldich was van doen Om als hy stede ende tijt sal sien datstu dat swaert ende slotelen suls mogen ontdecken Dat sal zijn als hij dy sal geuen van zijn ondersaten om hem te helpen Niet anders en moechstuut doen of du en wils misdoen Altijt wtgesondert inde vre ende vrese des doots alsdan moechstu dat swaert ende slotelen wel ondecken op datter nyement bij en is diet voer dij behoert te doen want de noot die oerloft dij De ghene die dit toebehoort is die gheene die tswaert al naect heeft ende de slotelen ontbonden Dat is hij die de iurisdictie bouen hem heeft. Dus waert datstu oec ondersaten hads so waer dijn macht ad aliquid. dats te segghen tot wat Maer so mi dinct en hebster noch gheen Ende hier om en behoerdi niet gram te zijn al hebstu dat zwaert ende slotelen gebonden ende bezegelt

[11ra] Als reden my dus ghepredict hadde ende het al bereet was ende moyses wilde gaen eten ende begheerde ander spijse te hebben dan daer ghereet was niet dan alleen broet ende wijn daer hem niet mede en genoechde want hy wilde bloet ende vleysch mede om te vermeeren doude wet

Moyses om hem te helpen riep gracie tot hem die ter stont quam Daer ic alte groten wonder sach allen anderen wonderen te bouen gaende Want vanden brode soe maecte hy leuende vleysch also gracie dat ordineerde ende vanden wijn maecte hy roet bloet wel schinende te weesen int drincken van een onnoselen lamme Ende moises als die houeshede plegen wilde riep alle zijn officialen ten eten ende onderweesse in dese conste ende ghaf hemluyden zijn macht om te doen alsulcke verwandelinghe Ende daer na ghaf hy hem allen teten van die nyewe gherechten sonder enighe sorghe ende hy at selue mede mit hemluyden ende droncken van dien bloede daer ict ansach mit mijn ogen Niemant en sach of en hoerde spreken van soe ghedanen verwandelinghe

Als ic dese maeltijt dus wel besien hadde ghinck ic tot reden om van haer doer minlicste bede te weten dat bediet van dese maeltijt Maer recht als ic my om keer[11rb]de vant icse al onstelt ende droeue Ende ic seyde O lieue vrou reden wat let v ghy dunct my seer onstelt ende droeuich zijn wilt mi doch onderwijsen tbediet van dese maeltijt ende de significacie. Seker seyde zy ic en sal want ic en weter niet of mijn verstant faelgiert my ende al mijn zin. Ic ben verblint ende ic en zie niet een steke Nye en was ic so ghestelt van alle mijn daghen Want al had dese moyses ghemaect van een osse een voghel of van een eye een kalf of paert ic waer ghenouch te vreden Maer hy doet my verwonderen dat hy van broet leuende vleysch ghemaect heeft ende van wijn bloet ghemaect om te drincken teghen natuere ende ghewoente Ende seker ic salt natuere segghen als icse sie ende ic salse senden tot gracien omme te spreken mit haer want zij is diet al doet geschien ende is dicwile natueren alte zeer contrari ende doet haer dic verliesen haer oude ghwoente ende costumen. Ende als reden my dit gheseyt had soe schiet zij stappans van my ende ghinc tot haer toerne waert ende liet my daer alleen in de plaetse droue ende droeuich schiet zij oec van my

Toen Gratie me aldus getroost had klom vrouw Reden op een schavot en begon te prediken en zei: O gij heren, wil de deugd zien die Mozes door Gratie u gedaan heeft. Hij heeft u hetzelfde zwaard gegeven dat God voor hem gemaakt had om de zondaren te weren uit het land waarvan hij heer is. Die dit zwaard gebruiken wil moet weten dat het heeft een plat, scherp en een punt, want de misdadige zal men met een van deze drie straffen al sparende en met medelijden. Dat punt betekent dat men geen indiscreet oordeel geven zal zonder goed onderzoek als de zaak onbekend is. Want het is wel een verwaande zot die bij wanen en vermoeden vonnis geven wil. Dit zwaard is slecht besteed aan een die scheel en verblind is en al tastende daarmee wil slaan en het goede van het kwade niet onderscheiden kan. Het behoort ook niemand te dragen die niet goed onderscheiden kan tussen ziekte en gezondheid. Dat is te verstaan dat een rechter eerst de omstandigheid van de misdaad moet weten eer hij daarvan vonnis geeft. Bij dit zwaard is te vergelijken de mensenkeel, want een rechter behoort een lange keel te hebben om goed te onderscheiden wat hij zeggen wil want elke rechter moet vonnis geven naar de reden die hij verstaan heeft. Maar de reden waarom dit zwaard aan beide zijden snijdt is deze. Is het dat gij uw zwaard scherp hebt is het wel recht dat ge justitie hebt over de kwade. En dat gij verlof hebt alle misdaden te corrigeren, uitgezonderd de grote stukken die aan de grote behoren en aan hem gereserveerd en behoudt. En omdat uw land in tween gedeeld is zo moet uw zwaard aan beide zijden snijden. De ene partij is het menselijke lichaam dat men de buitenste man noemt. En de andere partij is de geest die men de binnenste man noemt. Dit is uw land dat in tween gedeeld is. Deze twee mag u als een rechter beoordelen als het tijd is. Eerst mag ge het lichaam pijn geven en arbeid vanwege zijn misdaden met penitentie. En de geest met diverse stukken zoals ongehoorzaamheid, halsstarrigheid, dat is niet zijn zonden te willen verbeteren om enige vermaning die men hem doen mag.

Dan mag ge keren dat snijdende zonder iets te sparen en mag tot de dood verwonden met de slagen van excommunicatie en daar is geen vreselijker want zonder remedie is het een doodswond. En daarbij moet hij duchten daar hij opgelegd wordt, ook moet hij zich goed bedenken die met zon zwaard willen omgaan. En ik zeg u dat niemand gerechtigd is daarmee te slaan hetzij dat hij hem eerst gewaarschuwd en met het platte geslagen heeft en in zo n manier laten sterven. Bij het platte van het zwaard versta ik goede en trouwe waarschuwingen en gerechte vermaningen zoals het kwade al slaande sparende en met woorden corrigerende met woorden van God daar respijt van de dood in ligt. Dit plat moet ge gebruiken over uw onderzaten als gij ze dolen ziet en misdoen want veel kastijden en bespreken doet vaak de zonden laten. En indien gij ze aldus bekeren mag, het is beter dan met het scherpe van het zwaard te slaan.

Hierbij naar gelegenheid van zaken moet gij het gebruiken, ja, om goed te regeren want soms moet men met feiten corrigeren en soms met scherp onderwijs. En daarbij zo heet dit zwaard verlatilis, dat is te zeggen; kerend en wendend. Dit zwaard is u gegeven zodat gij het altijd gereed zal hebben om te keren en te wenden naar dat recht en reden eisen zullen. Dus mag men het wel met recht noemen een cherubijn vol van wetenschap en heilige kennis want was ge wijs als een cherubijn gij mocht bij avontuur slaan met het scherp als ge moest slaan met het platte. En in het wijzen of corrigeren doe alle het tegengestelde dat gij doen zou. Hierbij is dit zwaard zeer vreselijk in handen van de onwetenden en die fel van gedachten zijn. Want dit zwaard is u gegund en gegeven vurig door de Gratie God. En de reden is deze; want hoe gij het gebruikt in het bespreken of oordelen, gij zal ge altijd u vurig en vlammend vertonen van rechte minnen en barmhartigheid want minne is het vuur dat laat branden.

O, nu zal ik u zeggen waarom dat gij dit zwaard hebt. Alzo me lijkt zo bent ge portieren van het hemelrijk en gij hebt de sleutels om te sluiten en dicht te doen en zonder u te tonen wat men brengt mag daar niemand in. Alle vormen van pakken moet men daar voor u openen en tonen. Daar is geen ding zo secreet nog geheim het moet met oprecht biechten voor u geopenbaard en beleden zijn. Beziet nu of gij dit zwaard goed bedacht aanvaard hebt met de sleutels. Niemand hoeft u te laten lijden die zijn pak en last niet openen en u tonen wil. Gij zal de zondaren onderzoeken en hun last laten openen en wijs en rijp dat beoordelen. Als dan alle ding doorgezien en de misdaden geoordeeld en penitentie gegeven is zodat gij berouw verneemt, dan mag ge de poort openen en laten ze ingaan. Dit is de betekenis van het zwaard en de betekenis van de sleutels. Nu beziet goed dat gij het goed onderzoekt doet zoals gij moet doen.

Toen vrouw Reden aldus gesproken had en ik het alles gehoord had kwam een grote wil me toe om dat vurige zwaard met de sleutels te hebben om portier te wezen van de voor beschreven passage. Maar hoe ik daar zou komen had ik nog niet bedacht en dat gebeurt vaak dat men dingen begint waar men wil toe heeft zonder het einde te overleggen. Alzo vlug als ik dit bedacht had ging ik naar Mozes om hem te bidden me dat zwaard en sleutels te willen toestemmen om portier van dat paleis te wezen. Mozes die mijn bede hoorde nam dat zwaard en stak het in de schede en de sleutels bond hij tezamen goed vast en bezegeld ze al tezamen en heeft ze me beide toegestemd en gegeven en zei ootmoedig dat ik de sleutels niet los maakte nog het zwaard gebruikte voordat ik verlof had.

Toen ik dat hoorde was ik wat ontsteld vanwege dat hij niemand dan mij zag dit gedaan had. Veel peinsde ik wat ik doen wilde of mocht met het zwaard en de sleutels die alzo gebonden en verzegeld waren en meende dat hij me bedrogen had. Maar Gratie die het al merkte zond me tot vrouw Reden die me daarvan de betekenis zei zoals gij noch horen zal.

Vriend zei; wat peinst u. Uw gepeins is zot, waar bent u naar school gegaan? Ik zie wel u kan niet uw predicamentum ad aliquid (preken om binnen te komen, te doen) want dat heeft altijd op anderen betrekking dan op zichzelf en maakt zijn fondament wel op een andere zijn grond. Alles nemen van anderen doet niemand ongelijk. En zonder andere is het zichzelf niet. Nu hoort dan een voorbeeld.

Toen God de wereld net gemaakt had zo was hij zonder meer God geheten, maar toen hij de mens gemaakt had was hij heer geheten in teken dat hij knapen had zonder dat hij dus te meerder was. Maar deze tijdelijke heren zijn al van een andere conditie want hoe meer knapen ze hebben hoe meer ze zich verheffen. Hun onderzaten, dienaren en huisgezin zijn hem alle tribuut en dienstbaarheid schuldig. Heerschappij was geboren in de onderwerpen en waren geen onderwerpen. De heren lijken me de ene en de anderen zouden er niet zijn zoals me gezegd is bij binnenkomst. Dat is te zeggen, want de een heeft zijn wezen en spruit uit de andere. En als de ene zo is dan is de ander zo en als de een wat ontbreekt zo ontbreekt het de ander. Nu versta goed deze les. U die in onderwerpen bent bezie goed dat u onderdanig en onderwerp bent en de andere geen onderwerp onder heeft. Want uw overste heeft boven u heerschappij en jurisdictie zo wie dat hij is, maar dat u geen onderzaten hebt dat is dat u bedriegt en daarom is het dat u gemist heb het zwaard al naakt en bloot te dragen en de sleutels los gemaakt te hebben en het is ook maar een zotheid. Want droeg ik een mes bloot zonder schede en niet te snijden zou men mij voor zot houden of dat ik iemand wilde slaan of steken. En droeg ik sleutels achter straten openbaar en slot nog deur had om te openen, men mocht denken dat ik valse sleutels droeg en dat ik stelen wilde. En daarbij zo zeg ik u, alzo lang al u te sluiten nog te openen heeft en zo lang als u niemand te corrigeren heeft, beter is het dat u het zwaard bedekt in de schede hebt dan al naakt en de sleutels gebonden dan ontbonden. Tot alle tijd mag men komen te ene of te andere te ontbinden en openen. Aldus zo gaf ze u Mozes op het aller zekerste zoals hij moest doen. Omdat als hij plaats en tijd zal zien dat u het zwaard en de sleutels los zal mogen maken. Dat zal zijn als hij u zal geven van zijn onderzaten om hem te helpen. Niet anders mag u doen of u wil misdoen. Altijd uitgezonderd in de vrede en vrees der dood alsdan mag u dat zwaard en sleutels openen als er niemand bij is die het voor u behoort te doen want de nood die geeft u verlof.

Diegene die dit toebehoort is diegene die het zwaard al naakt heeft en de sleutels geopend. Dat is hij die de jurisdictie boven hem heeft. Dus was het zo dat u ook onderzaten had zo was uw macht ad aliquid, dat is te zeggen tot wat. Maar zo me lijkt u hebt er nog geen. En hierom behoor je niet gram te zijn al hebt u dat zwaard en sleutels gebonden en verzegeld.

Toen Reden me aldus gepreekt had en het al bereid was en Mozes wilde gaan eten en begeerde andere spijs te hebben dan daar gereed was en niet dan alleen brood en wijn waarmee hij zich niet vergenoegde want hij wilde bloed en vlees mede om te vermeerderen de oude wet.

Om Mozes te helpen riep hij Gratie tot hem die terstond kwam. Daar zag ik een al te groot wonder die alle andere wonderen te boven ging. Want van het brood zo maakte hij levend vlees alzo Gratie dat ordineerde en van de wijn maakte hij rood bloed dat wel scheen te wezen in het drinken van een onnozel lam. En toen Mozes hoffelijkheid wilde plegen riep al zijn beambten te eten en onderwees ze in deze kunst en gaf hen zijn macht om te doen al zulke veranderingen. En daarna gaf hij hen allen te eten van die nieuwe gerechten zonder enige zorg en hij at zelf mede met hen en dronk van dat bloed daar ik het zag met mijn ogen. Niemand zag of hoorde spreken van dusdanige verandering.

Toen ik deze maaltijd dus goed gezien had ging ik naar Reden om van haar door minnelijkheid de betekenis van deze maaltijd te weten. Maar net toenik me omkeerde vond ik haar geheel ontsteld en droevig. En ik zei: O lieve vrouw Reden, wat let u, ge lijkt me zeer ontsteld en droevig te zijn, wil me toch onderwijzen in de betekenis van deze maaltijd en de significatie. Zeker, zei ze, ik zal, want ik weet er niets van of mijn verstand faalt me en al mijn geest. Ik ben verblind en ik zie geen steek. Nooit was ik zo gesteld in al mijn dagen. Want al had Mozes dit gemaakt van een os, een vogel of van een ei, kalf of paard, ik was genoeg tevreden. Maar hij laat me verwonderen dat hij van brood levend vlees gemaakt heeft en van wijn bloed gemaakt om te drinken tegen natuur en gewoonte. En zeker, ik zal het Natuur zeggen als ik haar zie en ik zal haar zenden tot Gratie om te spreken met haar want zij is die het al doet geschieden en is vaak de natuur al te zeer tegengesteld en laat haar vaak haar oude gewoonte en gebruiken verliezen. En toen Reden me dit gezegd had zo scheidde ze gelijk van mij en ging naar haar torens en liet me daar alleen in die plaats, droevig en droevig scheidde ze ook van mij.

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Nature in een deuropening, de pelgrim daarnaast in een landschap>

 

[11va] Mi seluen dus alleen vindende ende peysende op dese wonderlichede Soe sach ic comen een oude matroen wt een torre die seer droue scheen tonende een droeue gelaet bet ghestelt om te kijuen dan wat ander goets te seggen haer handen had zij onder haer zijde ghestelt ende haer oghen barnden in haer hooft Dus so peysdic dattet natuer was na dat reden my geseyt had dat zijt haer seggen soude ende si wast oeck als ick wel vernam want zij ghinc tot gracien om tegen haer te scheldene ende spracse ruydelic toe ende seyde

Urouwe ic come hier tot v om schelden ende om mijn rechte te beschermen ende vry te houden Dus so vaghe ic v waen dat v dese stoutheit coemt also te veranderen ende te wisselen mijn ordinancie ende costumen het [11vb] behoerd v mit recht wel te genoeghen mit de macht die v gegeuen is ende v niet te onderwinden dat mi beuolen is want gij zijt ende hebt beuele vanden hemel starren ende planeten alleen ghy doetse veranderen dode gheesten beleed gi als ghi wilt. het soude v leet zijn onderwonde ics my Dus en wil ics oec niet gedogen dat ghy v soudt willen onderwinden int mijnne Want tuschen ons was een pale geset dat wy tegen malcanderen niet misdoen en souden ende dat is twiel daer de maen in loept dat ons beyden verscheyt Dus int vwe moechdi doen dat gij wilt. Maect vande planeten vogelen of vischen dat en roert my niet Maer van binnen ist al in de macht van my Als vande elementen stormen ende winden te doen veranderen in wonderlicker veranderinghen

[12ra] Int vier inde lucht aerde inde zee gheen dinc en laet ic lange in een staet bliuen. Al verslijt ict ende brengt tot een eynde vrouch of spade Nyewe dinghen brenge ic voert ende de oude doe ic vergaen. De aerde bomen ende cruyden clede ic in de somer ende inden winter beroef icse weder. Daer en is egelentier rose noch bloem ter werelt ic en vercleedse al Nie en clede salomon sulcke cleder als ic doe. Al dat ic doe mit verbeyden ende ghestadicheit ende alle veranderingen die mit haesticheit geschien die haet ic. Ende hier om is mijn werc te beter. In oerconde van vrou reden Ic en slaep gheen tijt noch en ben ledich onduchtich noch moede om mijn dinc altoes wel te doen na mijn macht ende verstant mannen ende wijuen doe ic spreken vogelen vliegen beesten gaen visschen int water zwemmen ende serpenten cruypen. Ic doe wassen dat coeren het fruyt wassen op de bomen Van als ben ic vrou ende regierster Maer my dunct ghy en houdt my maer als een ioncwijf want van mijn wijn maec ghy bloet om nyewen dranc ende van broot vleysch dat ymmer naectelic tegen my is ende bouen ic die natuer bin de bequaemste ter werelt ye gheschapen Ende hier om moet ic smarte lijden in mijn harte ende gramschappe dat gij tegens my natuer ende bouen mijn recht doet ende broet in vleysch ende wijn in bloet verkeert waen comt [12rb] v dese macht dit aldus te doen ic en wils niet langher lijden ic heb te veel verdraghen Want anderwarf hebdi verwandelt mijn ordenancien ende costumen Het gedenct my noch wel vanden viere dat gij deet barnen an mijn boskelkijn sonder dat het verbarnde Het gedenct my oec wel vande twee roeden van moyses ende aaron hoe dat ghise verwandelde in een serpent den eenen ende dander deet bloyen ende vrucht draghen die dorre was. Van water maecte ghij wijn ter bruylocht van sint ian Ende noch veel ander mutacien die ghi ghedaen hebt ende wonderlicke veranderinghen Oec mede en heb ic niet vergheten vander maecht die kint droech De welcke ghi deet ontfanghen ende baren sonder mijn weten noch my daer ouer te roupen Aen al twelcke gij my zeer misdaen hebt ende tegen de loep mijnder gewoenten ic die natuer ben Dese sake ende deser ghelijck heb ic langhe ghedoecht Int welcke ic altijt my geleden heb sonder yet tegen te seggen. Ende om dat gij my pacient vindt so sidi nv weeder gecomen om noch meer nyewicheden te doen Waer om ic nv wt ghecomen ben om mit nijde tegens v te kijuen Ende en waerdi so groten vrouwe niet ic soude v ter stont ontsegghen dat gy mijn costumen also verandert ende vernyewet buyten mijn weten of sonder my yet te vraghen

[12va] Als Natuer aldus gesproken had Gracie die dit ghehoert had heeft haer soetelic verantwort in dusdanigher manieren Natuere ghy zijt alte fier die dus fierlic ende ouerdadelick teghens my spreect Ic meen dat ghy droncken zijt van vwen wijnne ende versmoert ende ghij schijnt verwoet wesende van groter gramschape die ghi hier toent Ic denc dat ghy cortelic versot ende versuft zijt Niet lange noch geleden ghi en seide dat ghy niet haestich en waert Maer nv sie ik de contrari in v want ghy spreect teghens my sonder auijs haestelic ende ouermoedelic Ende voerwaer ic seg v ic soud my scarpelic tegen v verantwerden ende versteken en waert doer mijn selfs eer ende de gramscap die ic in v sie want gramscap is men schuldich te verdraegen. want zij geen onderscheet en heeft mit dat haer verstant ende sien beroeft is

Nv segt my vrou natuere die my dus begrijpt van misdoen seggende dat ic zeer veel misdaen heb dat ic in vwen hof quam. Segt so help v got van wien houdijt ende waen commet v dat gij den wilden zwijnen gelijck zijt die inden bosch de eeckelen eten sonder weten of sien waen het hem coemt zij houden altoes thoeft in de aerde ende niet opwaert mar alleen siende op de eeckelen Alsoe en kendi my oec niet noch en waerdicht tekenen om dat ic goedertieren ben [12vb] ende niet en schelde Ondoet een luttelkijn v oghen van vwen verstande want ontdoe ghy die wel soe suldy claerlic bekennen v mestersse ende ghi zijt mijn cameriere Ende alsdan suldy soetelic spreken ende doen my manscap van al dat ghij van my te leen houdt Hier voermaels gaf ic v doer houeschede een deel vander werelt om v daer besich in te maken op dat gij niet ledich en soudt sijn ende om dat ghy mi van als goede rekeninghe soudt doen als een goedt dienaer zijn meester schuldich is te doen Ende daer bij waerdi vroet ghy en soudt niet van mi spreken noch van de paele die tuschen ons beyden is want si paelt v ende niet mi Sij sluyt v dat gij niet ouer en moecht Mar en meent niet dat icker niet ouer en mach Ic sal daer ouer ende in gaen alst my gelieft sonder v te vraghen. Ende noch meer ic macht wel al doen wildic mar neen ic want een vrou behoert een ioncwijf toe

Dvs so zijdi schuldich te weten dat gij sonder mi geen macht en hebt ende wil dat bewijsen mit v selfs woerden Ghij kent wel dat ic de zonne ende maen ende starren doe verwandelen ende dat het regement vanden hemel my alleen toebehoert. Nu segt mi dan also moet v god helpen of ic wat nyews begonne ende dat ic de zonne vanden hemel name ende icse so berchde datse binnen .C. iaren niet gesien en worde wat scoender dingen

[13ra] soude gij dan doen hoe soudt ghi dan vwe bomen vercleden alle iare wat soude ghy al generacien voertbrenghen binnen dese. hondert iaren. Aristotiles die een heyden was kende v wel ende hem maec ic mijn aduocaet in dit geschille want hy seyt ende prouft oec by redenen dat alle generacien gemaect zijn by mijnder zonnen daer ic of spreke dus had ic v die ontoghen ghy en soudt niet hebben connen gewercken ende al v macht verloren hebben Also ist oec vanden firmamente ende planeten Oec liet ict al cesseren ende stille staen ghy mocht wel gaen slapen ende rusten v ende vwe macht waer al verloren ende ter neder gheleyt ende nochtan al v heerscapie soude mi zijn ende de koer om te veranderen of te laten staen alst my geliefde Dus so en sidi niet schuldich teghens my te schelden noch qualic te spreken. Want also Ysayas seit Het is grote spijt dat de bijle haer wil rechten teghen den timmerman Ende de pot de meester wil begrijpen van zijn maecsele So waerdi dan sculdich te weeten had ghy eenige duecht in dat ghi my grote schande doet my dus arguerende ende blameert mijn wercken Ende sonder my en hebdi geen macht want ghy en zijt niet anders dan mijn instrument dat ic hier voertijts makede om my mede te behelpen. niet dat ics van node had Want altoes alst my gelieft ende als ic wille sal ic [13rb] dinghen doen die noch veel wonderlicker zijn sonder v te vraghen noch te spreken als den wijn in bloet et verkeren nede dbroet in vleisch ia swart broet so wel als wit broet indient van node waer Want anders en waer ic gheen meestersse indien ic alle dinc niet doen en mocht na mijnen wille Dus eyntelic so en waer v dit niet schuldich leet te zijn dat ic doe het welc ghy selue niet doen en moecht Gelijc Het bosch daer tvier in was dat wachte ic voer verbranden daer ghy my schuldich of waert eer te spreken dancken ende niet te schelden van de twee roeden desgelijcs Ende vande maecht die moeder was. Mede Het water dat ic in wijn verkeerde Ende dit al sonder v vrou natuer om welc gi mi sculdih zijt te eeren ende niet gram te zijn want het ioncwijf is haer sculdich te verblijden in schone wercken die haer meestersse doet. Jae sonderlinghe daer zij niet an en verliest ende het gemeene profijt te beter is Dus zijt te vreden of en zijt ic sal euen wel mijn geliefte doen dat my goet gedaen dincken sal gedaen te zijn

Als gracie ophielt van spreken Natuere andwoerde aldus Vrouwe Ic versta wel ende sie dat ic op v niet winnen en mach mit argueren Dus pacienci is my best nochtan soudic noch wel een luttel argueren dorstic Stoutelic seyde graci segt dat gij wilt ic wil horen al dat gij geseg

[13va] gen condt. En laet niet gij en verclaert wel v harte. Natuer andtwoerde. Nadien ic oerlof heb so sal ic argueren op v seggen want my deert dat gij my dus fellick argueert ende fierlic angesproken hebt Seggende dat de meestersse niet schuldich en is te zijn sonder ioncwijf ende ghij hebt my voer v ioncwijf gehouden Om twelcke ic arguere ende seg. Nadien dat ghij mijn meesterse zijt soe ben ic schuldich altijt by v te zijn als v ioncwijf ende en waert geen dinc schuldich te doen sonder my daer ouer te roupen Ende na mijn verstant behoerdic altijt by v te zijn als ouer ioncwijf iae al wat ghij deet Ende wildijt oec confirmeren bider bilen die haer niet schuldich en is te rebbelleren. of ghy segghen wildet teghens v alst tymmerwijf wesende ende ic de bijle als niet fier tegen v te zijn Bij dese reden dinckt my dat so qualic als een goet timmerman gheen goedt huys maken en mach sonder bijle Desghelijc en waerdij niet schuldich te doen sonder my of ghy en wilt my misdoen In allen tijden soud gij my bij v roupen ende mit v leyden Ende beter waert als my dinct dat ic altoes bij v waer dan dese nyewe officialen die v dus besmeken Ghij gheeft hemluyden vwe macht ende om hemlieden te gheuen soe neemdijt my Ende nochtant en const ic nye sulcke macht gecrijghen dat ic van brode [13vb] vleysch mocht maken noch van wijn bloet Nochtan heb ic my ghepijnt altijt wel te doen na mijn macht ende na mijnder vroeschapen

Seker seyde gracie ic en beclaghe my niet van vwen dienste Maer istt dat ghij natuer niet anders seggen en wilt ic sal v cort andwoerden Ende seg v aldus Al dat v deert ende dat ghij verliest is dat gij mijn woerden niet en verstaet noch en weecht te rechte. want als ic seg dat de meesterisse is altoes schuldich haer ioncwijf by haer te hebben het was wel gheseyt ende bliuer by Maer daer en windi niet an want ic en seg niet dat zij in allen steden soude by haer zijn maer in allen tijden Want soude zij in allen steden by haer zijn het soude meer zijn tot haer oneere dan eere Maer in allen tijden is sise schuldich bij haer te hebben. Ende dat is haer eer diere wel in siet om dat zij ordineren ende gebieden mach alle dat zij gedaen wil hebben Dit en verstondi niet als gij sculdich waert te verstaen ende also en verstondi niet wel de manier vande bijle Want sprekende vande bijle en meende ic my mit v niet te behelpen als de timmerman doet mit zijn bijle Maer ic namder gelijckenisse bij om te informeren vwe ruyde sinnen Dus dan so zijdy v min sculdich tegen my te voeghen ic die v gemaect heb dan de bijle tegen den timmerman of gij en zijt van quaden [14ra1] aerde om my te dienen ende eeren alst my tijt ende stonde dunct Dit en mach ic niet seggen vande bijle des timmermans want een ander heeftse gemaect ende hij en heefter maer of de bruyc waer ter noet zijn broet daer mede te winnen. Maer vwer en heb ic van ghenen node Dus en wilter v niets te seer op verwanen. want sonder bijle ia enich instrument can ic wel wercken van als heb ic de macht niement en is bij my te gelijcken Opt corte al v argumenten en dogen niet ende noch min v proncken ende belgen. Ende [14rb1] het is grote lelichede dat gij dus gaet snaterende ende callende op mijn giften. Seker ic soude wel grotelic bedwonghen zijn mocht ic niemant vergauen vanden mijnen dan v Ghij en hebt geen sake enich leet wesen hier in te hebben want hoeuescheyt altijt comende van eender zijden en is altoes niet goet noch gheduerich Laet v ghenoeghen mit de macht die gij van my hebt die niet clein en is noch gheen ander en heeft Dus en stoert v niet al versie ic an der mede het is sothede van v

Ik vond mezelf dus alleen en peinsde over deze wonderlijkheid. Zo zag ik een oude matrone uit een toren komen die zeer droevig scheen en toonde een droevig gelaat dat beter gesteld was om te kijven dan wat anders goeds te zeggen, haar handen had zij onder haar zijde gesteld en haar ogen branden in haar hoofd. Dus zo peinsde ik dat het de Natuur was naar dat Reden me gezegd had dat zij het haar zeggen zou en ze was het ook zoals ik wel vernam want zij ging tot Gratie om tegen haar te schelden en sprak haar ruig toe en zei:

Vrouwe, ik kom hier tot u om schelden en om mijn recht te beschermen en vrij te houden. Dus zo vraag ik waarvan dat u deze flinkheid komt om alzo te veranderen en te wisselen mijn verordening en gebruik, het behoort u met recht wel te vergenoegen met de macht die u gegeven is en u niet te onderwinden dat mij bevolen is want gij zijt en hebt bevelen van de hemel, sterren en planeten, alleen ge laat ze veranderen door de geesten beleid als gij wil. Het zou u leed zijn onderwond ik het me. Dus wil ik het ook niet gedogen dat gij u zou willen onderwinden in het mijne. Want tussen ons was een paal gezet dat wij tegen elkaar niets misdoen zouden en dat is het wiel daar de maan in loopt dat ons beiden scheidt. Dus in het uwe mag u doen dat gij wilt. Maak van de planeten vogels of vissen, dat scheelt me niet. Maar van binnen is al de macht van mij. Als van de elementen, stormen en winden te doen veranderen in wonderlijke veranderingen.

In het vuur, in de lucht, aarde, in de zee is er geen ding dat ik lang in een staat laat blijven. Al verslijt ik het en breng het tot een einde vroeg of laat. Nieuwe dingen breng ik voort en de oude laat ik vergaan. De aarde, bomen en kruiden bekleed ik in de zomer en in de winter beroof ik ze weer. Daar is egelantier, roos nog bloem ter wereld, ik verkleed ze alle. Niet kleedde Salomon zulke kleren zoals ik doe. Al dat ik doe met wachten en gestadigheid en alle veranderingen die met haast geschieden die haat ik. En hierom is mijn werk te beter. In verkondig van vrouw Reden. Ik verslaap geen tijd, nog ben ledig, ongewoon, nog moe om mijn ding altijd goed te doen naar mijn macht en verstand, mannen en wijven laat ik spreken, vogels vliegen, beesten gaan, vissen in het water zwemmen en serpenten kruipen. Ik laat dat koren groeien, het fruit groeien op de bomen. Ik ben als vrouw en regeerster. Maar het lijkt me dat gij me als een jong wijf houdt want van mijn wijn maakt gij bloed om nieuwe drank en van brood vlees dat immer naakt tegen mij is en bovendien ben ik de natuur en de bekwaamste ter wereld ooit geschapen. En hierom moet ik smart lijden in mijn hart en gramschap dat gij tegen mijn natuur en boven mijn recht doet en brood in vlees en wijn in bloed verandert, waarvan komt u deze macht dit aldus te doen, ik wil het niet langer lijden, ik heb te veel verdragen. Want een andere keer heb je mijn ordening en gebruiken veranderd. Ik bedenk me nog wel van het vuur dat ge liet branden aan mijn bosje zonder dat het verbrandde. Ik bedenk me ook wel van de twee roeden van Mozes en Aaron hoe dat ge ze veranderde in een serpent en de ene en de andere liet bloeien en vrucht liet dragen die dor was. Van water maakte gij wijn ter bruiloft van Sint Jan. En nog veel ander veranderingen die ge gedaan hebt en wonderlijke veranderingen. Ook mede heb ik niet vergeten van de maagd die een kind droeg. Die ge liet ontvangen en baren zonder mijn weten, nog me daarover te roepen. Waaraan gij mij zeer misdaan hebt en tegen de loop van mijn gewoonten en ik de natuur ben. Deze zaak en dergelijke heb ik lang gedoogd waarin ik altijd geleden heb zonder iets er tegen te zeggen. En omdat gij mij geduldig vindt zo ben je nu weer gekomen om nog meer nieuwigheden te doen. Waarom ik nu uitgekomen ben om met nijd tegen u te kijven. En was u niet zo n grote vrouw, ik zou u terstond ontzeggen dat ge mijn gebruiken alzo veranderd en vernieuwd heeft buiten mijn weten of zonder mij iets te vragen.

 

 

Toen Natuur aldus gesproken had en Gratie dit gehoord had heeft ze haar lieflijk geantwoord in dusdanige manier: Natuur, gij bent al te fier die dus fier en overdadig tegen mij spreekt. Ik meen dat gij dronken bent van uw wijn en versmoord en gij schijnt verwoed te wezen van grote gramschap die gij hier toont. Ik denk dat gij net zot en versuft was. Niet lang geleden en net zei ge dat ge niet haastig was. Maar nu zie ik het tegengestelde in u want gij spreekt tegen mij zonder advies haastig en overmoedig. En voorwaar ik zeg u ik zou me scherp tegen u verantwoorden en versteken was het niet door mijn eigen eer en de gramschap die ik in u zie, want gramschap moet men verdragen want die heeft geen onderscheid met haar verstand en van zien beroofd is.

Nu zeg me vrouw Natuur, die mij dus berispt van misdoen en zegt dat ik zeer veel misdaan heb dat ik in uw hof kwam. Zeg, zo helpt u God, van wie u houdt en waarvan het komt dat gij de wilde zwijnen gelijk bent die in het bos de eikels eten zonder weten of te zien waarvan het hen komt, zij houden altijd het hoofd in de aarde en niet opwaarts maar zien alleen op de eikels. Alzo kende ge mij ook niet, nog waardige tekenen omdat ik goedertieren ben en niet scheld. Open wat uw ogen van uw verstand want opent ge die goed zo zal ge duidelijk bekennen uw meesteres en gij bent mijn kamenierster. En alsdan zal ge vriendelijk spreken en me doen manschap van alles dat gij van mij te leen houdt. Hier vroeger gaf ik u door hoffelijkheid een deel van de wereld om u daar bezig in te houden zodat gij niet ledig zou zijn en omdat ge mij een goede rekening zou doen zoals een goede dienaar zijn meester moet doen. En daarbij was ge verstandig en zou ge van mij niet spreken nog van de paal die tussen ons beiden is, want die paalt u en niet mij. Ze sluit u zodat gij daar niet over mag gaan. Maar meen niet dat ik er niet over mag. Ik zal daar over en ingaan als het mij belieft zonder u te vragen. En noch meer, ik mag het wel al doen wilde ik, maar neen, ik wilde niet want aan een vrouw behoort een jonge vrouw toe.

Dus zo moet ge weten dat gij zonder mij geen macht hebt en wil dat bewijzen met uw eigen woorden. Gij kent wel dat ik de zon en maan en sterren laat veranderen en dat het regiment van de hemel mij alleen toebehoort. Nu zeg me dan alzo moet u God helpen of ik wat nieuws begonnen ben en dat ik de zon van de hemel nam en ik ze zo herbergde dat ze binnen 100 jaren niet gezien worden. Welke mooie dingen zou jij dan doen, hoe zou gij dan uw bomen verkleden alle jaren, wat zou gij al generaties voortbrengen binnen deze honderd jaren. Aristoteles, die een heiden was, kende u goed en hem maak ik mijn advocaat in dit geschil want hij zegt en beproeft het ook met redenen dat alle generaties gemaakt zijn bij mijn zon waarvan ik spreek, dus had ik u die onttrokkken zou ge niet hebben kunnen werken en al uw macht verloren hebben. Alzo is het ook van de firmamenten en planeten.

Ook al liet ik het ophouden en stil staan, gij mocht wel gaan slapen en rusten, u en uw macht was geheel verloren en neer gelegd en nochtans al uw heerschappij zou van mij zijn en de keus om te veranderen of te laten staan zoals het mij beliefde. Dus zo behoeft u tegen mij niet te schelden nog slecht te spreken. Want alzo Jesaja zegt: Het is erg jammer  dat de bijl zich wil richten tegen de timmerman. En de pot de meester wil omvatten van zijn maaksel. Zo behoort u dan te weten had ge enige deugd in u dat ge mij grote schande doet met me aldus argumenterende en blameert mijn werken. En zonder mij heb je geen macht want gij bent niets anders dan mijn instrument dat ik hier voortijds maakte om me mee te behelpen. Niet dat ik het nodig had. Want altijd als het me beliefde en als ik het wil zal ik dingen doen die noch veel wonderlijker zijn en dat zonder u te vragen nog te spreken zoals de wijn in bloed te veranderen en het brood in vlees, ja zwart brood zowel als wit brood indien het nodig was. Want anders was ik geen meesteres indien ik alle ding niet doen mocht naar mijn wil. Dus eindelijk zo behoefde u zich niet schuldig te voelen dat ik doe wat gij zelf niet doen mag. Gelijk het bos daar het vuur in was dat bewaakte ik voor verbranden waarvan ge me eerder had moeten spreken, danken en niet te schelden en van de twee roeden desgelijks. En van de maagd die moeder werd mede. Het water dat ik in wijn veranderde. En dit al zonder u vrouw Natuur waarom ge me behoort te eren en niet gram te zijn want het jonge wijf moet zich verblijden in schone werken die haar meesteres doet. Ja, vooral daar zij niet aan verliest en voor het algemene profijt te beter is. Dus wees ermee tevreden of niet, ik zal evenwel doen wat ik belief en dat me goed gedaan schijnt wezen te doen.

Toen Gratie ophield met spreken antwoorde Natuur aldus: Vrouwe, ik versta wel en zie dat ik op u niet winnen mag met argumenteren. Dus geduld is me best, nochtans zou ik noch wel wat argumenteren, durfde ik. Dapper zei Gratie; zeg wat gij wilt, ik wil horen al dat gij zeggen kan. En laat het niet, gij lucht wel op uw hart. Natuur antwoorde: Nadien ik verlof heb zo zal ik argumenteren op uw zeggen want het deert me dat gij mij aldus fel argumenteert en fier aangesproken hebt en zegt dat de meesteres niet behoeft te zijn zonder jong wijf en gij hebt mij voor uw jonge wijf gehouden. Daarom argumenteer ik en zeg nadien dat gij mijn meesteres bent zo moet ik altijd bij u zijn als uw jonge wijf en behoeft geen ding te doen zonder mij daarvoor te roepen. En naar mijn verstand behoorde ik altijd bij u te zijn als voor jong wijf, ja, al wat gij deed. En wil gij het ook bevestigen bij de bijl die zich niet behoeft te rebbelleren. Of ge zeggen wilde tegen u als timmerwijf wezend en ik de bijl als niet fier tegen u te zijn. Bij deze reden dunkt me dat het net zo kwalijk is als een goede timmerman geen goed huis maken kan zonder bijl. Desgelijks behoefde u niet te doen zonder mij of gij wil me misdoen. In alle tijden zou gij mij bij u roepen en met u leiden. En beter was het zoals ik denk dat ik altijd bij u was dan deze nieuwe beambten die u dus smeken. Gij geeft hen uw macht en om het hen te geven zo beneem je het mij. En nochtans kan ik niet zulke macht krijgen zodat ik van brood vlees mocht maken, nog van wijn bloed. Nochtans heb ik me gepijnigd altijd goed te doen naar mijn macht en naar mijn kennis.

Zeker, zei Gratie, ik beklaag me niet van uw dienst. Maar is het dat gij Natuur niet anders zeggen wil zal ik u kort antwoorden en zeg u aldus: Alles dat u deert en dat gij verliest, is het dat gij mijn woorden niet verstaat nog te recht afweegt, want als ik zeg dat de meesteres altijd haar jonge wijf bij zich moet hebben was het goed gezegd en blijf er bij. Maar daar win je het niet mee want ik zeg niet dat zij in alle plaatsen bij haar zou zijn, maar in alle tijden. Want zou zij in alle plaatsen bij haar zijn het zou meer zijn tot haar oneer dan eer. Maar in alle tijden moet ze haar bij zich hebben. En dat is haar eer die er wel in ziet omdat zij ordineren en gebieden mag alles dat zij gedaan wil hebben. Dit verstond ge niet zoals ge behoorde te verstaan en alzo verstond en niet goed de manier van de bijl. Want sprekende van de bijl meende ik niet mij met u te behelpen als de timmerman doet met zijn bijl, maar ik nam de gelijkenis er bij om uw ruige geest te informeren. Dus dan zo bent u minder schuldig te voelen, ik die u gemaakt heb heb dan de bijl tegen de timmerman of gij bent van kwade aard om mij te dienen en eren als het mij tijd en stonde dunkt. Dit mag ik niet zeggen van de bijl van de timmerman want een ander heeft die gemaakt en hij heeft er maar het gebruik van ter nood om zijn brood daarmee te winnen. Maar u heb ik niet nodig. Dus wil er u niet te zeer op verheugen, want zonder bijl, ja enig instrument kan ik wel werken al heb ik de macht, niemand is bij mij te vergelijken. In het kort, al uw argumenten deugen niet en noch minder uw pronken en verbolgen. En het is grote lelijkheid dat gij dus gaat snaterende en kallend op mijn giften. Zeker zou ik wel zeer bedwongen zijn mocht ik niemand vergeven van de mijnen dan u. Gij hebt geen zaak om hier enig leed in te hebben want hovaardigheid komt altijd van een kant en is altijd niet goed nog standvastig. Laat u vergenoegen met de macht die gij van mij hebt die niet klein is wat nog geen ander heeft. Dus stoort u niet al zie ik het er mede aan, het is zotheid van u.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Nature met gevouwen handen op haar knien voor Gratie Gods, naast Gratie Gods de pelgrim, in een landschap>

 

[14ra2] Als graci zweech viel natuer ouer haer knien otmoedelic ende seyde Vrou ic bid v genade want volmaectelic sie ic nu mijn gebrec sotheyt wast dat ic so fierlic tegens v sprac Ic ken v ouer mijn meesterse ende ben v ouer al schldih onderdaen [14rb2] te zijn Dus wilt mi dese reyse vergeuen nymmermeer en sal ic my tegens v meer wersetten noch spreeken anders dan v lief sal zijn te horen Ende gracie doer dese oetmoedicheyt ontfinc natuer weder in ghenade

Toen Gratie zweeg viel Natuur ootmoedig op haar knien en zei: Vrouwe, ik bid u genade want volmaakt zie ik nu mijn gebrek, zotheid was het dat ik zo fier tegen u sprak. Ik ken u voor mijn meesteres en moet u overal onderdanig zijn. Dus wil me deze keer vergeven, nimmermeer zal ik me tegen u meer verzetten, nog spreken anders dan uw lief zal zijn te horen. En Gratie door deze ootmoedigheid ontving Natuur weer in genade.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts van li. naar re. Penitentie met bezem tussen tanden, hamer in rechter- en roede in linkerhand, vicarius van Mozes, Caritate met testament in hand, pelgrim, in een interieur>

 

Als tparlement gedaen was ende moyses gegeten had soe deelde hij het ouerscot in aelmissen den armen pelgryms diere veel waren maer eer hij conde ant geuen comen so sach ic comen twee ghemanierde vrouwen ende gingen bequamelic staen tusschen moyses ende den pelgrymen De een hielt in haer hant een testament ghescreuen in eenen groten brief gereet ende ontwonden om te lesen. De ander twelck my zeer vreemt dochte hielt in haer een hant een hamerkijn ende in dander hant een scarpe roede cleyn van garden ende wel snijdende Ende tusschen haer tanden hielt zij een bessem dies ic my noch veel meer verwonderde Ende al stont si dus wonderlic te min en scheen zij niet wijs te zijn Dese vrou wart eerst sprekende sonder dat haer de bessem in de [14vb] mont belette Ende seyde O ghij heeren ic weet wel dat ghij niet en weet wat mijn weesen bediedt Dus soe coemt bet na ic salt v claerlic te verstaen gheuen. Ic ben de schoene luttel ghemint De goedertieren zeer geducht De gracieuse lettel begeert De vrome luttel geprijst. Penitenci is mijn naeme behoester voer de helle Alle vuylichede doe ic neder leggen Ende daer bij draech ic met mi hamer roede ende bessem Mit den hamer breec ic met berouwe dat hart vanden mensche in sonden verhart ende maecket morwe mit weenen ende suchten. Ende dit doer mijn slaen ende roepen. Ay laes wat heb ic gedaen Mit dit hamerkijn bemorwede ic peter die zijn meester lochende god almachtich. Ende castijden alsoe dat hem de traenen ouervloeyden mit [15ra] wenen Oec mede magdalena als verhart lange tijt in haer sonden Die ic nochtans mits slagen so veel tranen dede wenen dat icse al binnen dwoech ende purgeerde want si quamen mit berou wt goeder harten ende ic vergaderdse ende maecter loge of om daer mede te dwaen alle haer vuylichede Dese loge is soe starck datter gheen sonde so groet en is dier mede gedwoghen si en wordt gesuyuert ende daer om dat ic so wel can dwaen ende suyueren heeft my gracie gemaect haer cameriere ende haer principale waschster Wilt nv verstaen waer om dat ic dat hamerkijn draghe met my Het hart van den sondaer is ghelijc een pot vol vuylicheden ende stinckender slymicheit die men niet verporren en mach dat is ouermits verhartheit ende en obstinate eenwillicheyt ende hem niet beteren en willen Die sla ic middallen seer tot in cleynen sticskijns om dat wel gestroyt ende ghequist soude zijn de vuylicheit diere in was want en sloech ics niet in so cleyen stics mit groter berouwe daer mochten veel vuylicheden in blijuen al omtrent Nu verstaet wel dese lesse: ghy die rechte berouwenisse wilt hebben van vwe sonden En wilt niet meenen dat het genoech is een mensch zijn sonden te biechten int gros want also int gros te biechten en is niet anders danmen den pot geheel laet. neemt [ 15rb] dat hy geschuert waer so en waert nochtan niet genoech. Want ghij zijtse al schuldich ontween te slaen in cleynen sticskijns mit groten versuchten In claghen in weenen in ouerpeynsen dit soustu node doen dit is groot maer meerder is dat Dus menichwarf daestu dit dus menichwarf daestu dat In deser manieren dedic dit. luttel waerstu ghetempert ende luttel uoechstu di daer iegen Dit is de maniere vanden potte te brekene ende ontwe te slane Berou te doene van sijnre harthede Aldus doe ict verstaet mi wel mit minen hamerkine dat ic in mijn hant drage. sla ict al ontwee sonder yet te sparene Noch segghe ic een woert van dien potte uol van vuylicheden binnen. mids der vuylicheden so groeyt een woerm ende wast ende voedet hem daer in Dat is die woerm van consiencien die schijnt dat hi heeft yseren tande. want hi is soe vreeselic so bitende ende so cnaghende. waert datmen hem niet en doodde hi en soude niet op houden van cnagene noch bitene voer dat hi sinen meester gedoot hadde Ende daer bi draegic den hamere mit mi ende en willen niet sparen ic en willen doden sonder yet langher te beydene. dat is als die pot wel onsticts ende te niet gedaen is. also ic geseit hebbe want en ware hy niet eerst gequest nemmermeer en souder minen hamere yet toe mogen doen of genaken noch slaen noch doen [15va] steruen. Gedoget dan dat v potten wel contrijt zijn die vol vuylicheden zijn dan sal ic v wreken vanden worm ende sal hem doen steruen voer v ogen. Dit is warachtige beduydenisse van mijn hamerkijn datmen noemt contricie ende is te seggen berouwenisse

Nv sal ic v seggen van minen bessem die ic in mijn mont houde Ic heb v geseyt ende noch seg dat ic bin cameriere van gode almachtich ende seker een goede cameriere is wel behoerlic een bessem Maer een punt isser an Dat de manier van houden v verwonderen mach ende daer bij zijdijt schuldich te weten dat darwaert datmen de vuylichede wt wil doen datmen den bessem daerwaerts keert want het waer schande liet men die vuylnisse bedect leggen in enen hoec Inde heylege scrifte heb ic gesien ende gelesen tot veel steden van poorten namen. Deen hiete de poorte van den visschen Dander vanden hemel de derde vander hellen Deen is van coper dander van metale ende ander menigherley Maer onder alle ander is daer een die geheten is nemia dats poorte van de vuylichede om datmen daer vte vaget de vuylhede Ende beter ist dat de stede vuyl is dan alle het ander ramenant Nu verstaet dan Int huys daer ic ioncwijf ben ende daer gracie gods mestersse in is daer zijn ses porten daer of isser vijf daer de vuylichede in [15vb] coemt De een is van ruyken dander van tasten de derde van zien De vierde van beuoelen De vijfte van horen Doer dese poerten coemt dicwile veel vuylicheden in Maer doer de selue en machse niet weder wt ende waert dat ic minen besem daerwaert keerde ic soude verloren arbeyt doen. De seste poorte die van node is ter salichede. dat is de poerte van de vuylicheden. bijder welcker hem elckerlijck purgiert ende schoen maect het en zij dat hy wil vuyl blyuen. Dat is de mont vanden sondaer die van alle den voerscreuen poorten de beste is want die poort werpt wt die misdaden in der manieren dat zij ghedaen zijn ende seytse haren biecht vader in weeninghe ende mit berouwe. Tot deser poorten heb ic mijn bessem gekeert om al te vagen ende suyueren voersienlic Want also lange als ic gracie mijnder vrouwen dienen sal so wil ic haer huys suyuer houden sonder enighe vuylichede daer in te laten Mijnen bessem dat is mijn tonge daer ic alle vuylichede mede wech vaghe Daer en is winckel noch houcke ic en wilt al doersoeken ende wt werpen mit volcomender biechte sonder enich bedroch Dus om dat ic weet dat de wil van mijn vrou gracie sulc is steec ict al wt mit mijnder tongen ende bessem want zij en wil niet wonen in steden het en zijder schoen ende wel geuaecht Dats te seggen in een con

[16ra] ciencie die onreyn is want een reyne conciencie is haer woenstat die wel geuaecht is. Nu hebdy gehoert wat de bessem beteykent nv sal ic v seggen tbediet van mijnder roeden Ic ben meesterse vander grooter scholen ende die de kinderen castijt Ic corrier de misdadeghen zijn zij van .xx. of van .C. iaren want een quaetdoender is een kint gheseyt Als ic dan eenyghen misdadyghen weet gaerne weet ic of hy doer mijn hamerkijn gheleden is ende of hy mit mijn bessem gheuaecht is Ende als ic hem dus vinde dats gebiecht mit berou als ic geseyt heb Dan om hem wel te castien slae ic hem mit mijnder roeden ende doe hem pijn an om dat hy hem beteren sal Op een tijt soe doe ic hem dencken op zijn oude sonden seggende Aylaes wat hebstu al groter sonden gedaen Een ander tijt doe ic hem seggen. Lieue heer ic beloue v dat ic my sal beteren ende nymmermeer so stout zijn dat ic v sal vertoernen noch dat ic sonde sal doen Op den eenen tijt dus wenen op een ander tijt bidden ende versuchten Een ander tijt doe ic hem aelmis gheuen den armen somwile doe ic hem varde beuaerden gaen somwijle abstinencie doen ende vasten om van sonden te wachten Aldus houdic hem onder de roede mit castien ende om dat hy weder om niet keeren en sal in sonden daer hi of gepurgiert [16rb] is ende gereynicht oec mede om dat de oude sonden of geuaecht blijuen sullen wanc die tot sonden consenteert en is niet schuldibh te lyden sonder mit mijn bessem geuaecht te zijn ende mit mijn roede gheslagen dus so wacht v voer misdoen De name van de roede is satisfactio of ghenoechdoen want satisfactio is al so veel te seggen weeder te doen soe veel penitencien als daer de sonden mede gebetert zijn

Nv heb ic v geseyt van mijn ambocht ende mijn naeme Maer waer om dat ic hier quam tuschen moyses ende v luyden die van zijnen relieue of ouerscot wlitt hebben dat en heb ic v noch niet gheseyt. Nv hoert ic salt v seggen Ic ben canceliere ende regierster van desen relieue sonder my en ist niemont sculdich te genaken hy en wil misdoen het en is geen spijse om truwanten of boeuen het is spijse voer ellendige ziecken die quellende zijn Die indien zijt nuttigen alst betaemt het en mach niet zijn si en hebbender bate of het is trelief dat bleef ter groter maeltijt int auondmale daer wy alle bij gheuoedt worden Dus wacht ict om datter niemont toe en sal gaen hy en zij eerst geslaghen mit mijn roede ende geuaecht mit mijn bessem. Ende dit is twaer om dat ic hier ghecomen ben tuschen moyses ende v luyden

Toen het gesprek gedaan was en Mozes gegeten had zo deelde hij het overschot in aalmoezen aan de arme pelgrims die er veel waren, maar eer hij aan het geven kon toekomen zo zag ik twee welgemanierde vrouwen komen die bekwaam tussen Mozes en de pelgrims gingen staan. De een hield in haar hand een testament geschreven in een grote brief, gereed en open om te lezen. De ander die me zeer vreemd dacht hield in haar ene hand een hamertje en in de andere hand een scherpe roede klein van garden en goed snijdend. En tussen haar tanden hield zij een bezem, dus ik me nog veel meer verwonderde. En al stond ze dus wonderlijk te min en scheen zij niet wijs te zijn. Deze vrouw begon eerst te spreken zonder dat de bezem het haar in de mond belette. En zei: O gij heren, ik weet wel dat gij niet weet wat mijn wezen betekent. Dus zo kom dichter bij, ik zal het u duidelijk te verstaan geven. Ik ben de schone die weinig gemind, de goedertieren zeer geducht, de gracieuze weinig begeert, de vrome weinig geprezen. Penitentie is mijn naam, behoedster voor de hel. Alle vuiligheid laat ik neerleggen. En daarbij draag ik met me hamer, roede en bezem. Met de hamer breek ik met berouw dat hart van de mens dat in zonden verhard is en maak het murw met wenen en zuchten. En dit door mijn slaan en roepen. Ailaas wat heb ik gedaan. Met dit hamertje vermurwde ik Petrus die zijn meester verloochende, God Almachtig. En kastijden alzo dat hem de tranen overvloeiden met wenen. Ook mede Magdalena toen ze lange tijd verharde in haar zonden. Die ik nochtans met slagen zoveel tranen liet wenen dat ik haar al binnen waste en purgeerde want ze kwamen met berouw uit een goed hart en ik verzamelde ze en maakte er loog van om daarmee al haar vuilheid te wassen. Deze loog is zo sterk dat er geen zonde zo groot is die er mee gewassen wordt of ze  wordt ermee gezuiverd en daarom dat ik zo goed kan wassen en zuiveren heeft Gratie me gemaakt haar kamenierster en belangrijkste wasster. Wil nu verstaan waarom dat ik dat hamertje met me draag. Het hart van de zondaar is gelijk een pot vol vuiligheid en stinkende slijmerigheid die men niet verduwen mag, dat is vanwege de hardheid en halstarrige waarheid die zich niet verbeteren willen. Die sla ik met allen zeer tot in kleine stukjes zodat het goed gestrooid en verkwist zou worden de vuiligheid die er in was want ik sloeg ze niet in zulke kleine stukjes met groot berouw, want daar mochten al omtrent veel vuiligheden in blijven. Nu versta goed deze les: gij die echte berouw wil hebben van uw zonden en meent niet dat het genoeg is een mens zijn zonden te biechten in het groot want alzo in het groot te biechten is niets anders dan dat men de pot heel laat. Neem aan dat het gescheurd was, zo is het nochtans niet genoeg. Want gij moet ze geheel in stukken slaan en in kleine stukjes met veel zuchten, klagen en wenen en overdenken hou dit node zou doen. Dit is groot, maar groter is dat u dit vaak doet, doe dit dus vaak. Dus als u dit vaak deed doe dit dan ook vaak en op die manier deed ik het. Weinig was u getemperd en weinig voegt u zich daartegen. Dit is de manier van potten te breken en stuk te slaan. Berouw te doen van zijn hardheid. Aldus doe ik het, begrijp me goed, met mijn hamertje dat ik in mijn hand draag sla ik alles stuk zonder iets te sparen. Nog zeg ik een woord van die pot binnen vol van vuiligheid. Vanwege de vuilheid zo groeit daar een worm in en groeit en voedt zich daarin. Dat is de worm van het geweten en het schijnt dat die heeft ijzeren tanden want hij is zo vreselijk en zo bijtend en zo knagend, was het dat men hem niet doodde zou hij niet ophouden met knagen en bijten voordat hij zijn meester gedood had. En daarom draag ik de hamer met mij en wil het niet sparen, ik wil het doden zonder iets langer te wachten. Dat is als die pot goed stuk en te niet gedaan is. Alzo ik gezegd heb want was hij niet eerst gekwetst zou nimmermeer mijn hamer er iets toe mogen doen of raken, nog slaan, nog doen sterven. Gedoog het dan dat uw potten vol berouw zijn die vol vuiligheid zijn dan zal ik u wreken van de worm en zal hem laten sterven voor uw ogen. Dit is waarachtige betekenis van mijn hamertje dat men noemt contricie en dat is te zeggen berouw.

 

 

 

 

 

Nu zal ik u zeggen van mijn bezem die ik in mijn mond hou. Ik heb u gezegd en zeg nog dat ik ben kamenierster van God Almachtig en zeker een goede kamenierster is wel behoorlijk een bezem. Maar een punt is er aan. Dat de manier van houden dat u verwonderen mag en daarbij moet ge weten dat waar dat men vuilheid weg wil doen dat men de bezem daarnaar keert want het was schande liet men die vuiligheid bedekt leggen in een hoek. In de heilige schrift heb ik gezien en gelezen in veel plaatsen van poorten namen. De ene heet de poort van de vissen. De ander van de hemel, de derde van de hel. De ene is van koper, de ander van metaal en ander menigerlei. Maar onder alle andere is daar een die geheten is nemia, dat is de poort van de vuiligheid omdat men daaruit de vuilheid veegt. En beter is het dat de plaats vuil is dan alle het ander vuil. Nu versta dan in het huis daar ik als jong wijf ben en daar Gratie Gods meesteres in is, daar zijn zes poorten waarvan er vijf zijn daar vuilheid inkomt. De ene is van ruiken, de andere van tasten en de derde van zien. De vierde van voelen. De vijfde van horen. Door deze poorten komt vaak veel vuilheid in. Maar door dezelfde kan het er niet weer uit was het niet dat ik mijn bezem daarheen keerde zou ik verloren arbeid doen. De zesde poort die is nodig voor de zaligheid, dat is de poort van de vuiligheden waarbij elk zich purgeert en schoon maakt, hetzij dat hij vuil wil blijven. Dat is de mond van de zondaar die van alle de voor beschreven poorten de beste is, want die poort werpt uit die misdaden in de manieren zoals ze gedaan zijn en zegt ze haar biechtvader in wenen en met berouw. Tot deze poorten heb ik mijn bezem gekeerd om alles voorbarig te vegen en te zuiveren. Want alzo lang als ik Gratie, mijn vrouwe, dienen zal zo wil ik haar huis zuiver houden zonder enige vuilheid daarin te laten. Mijn bezem, dat is mijn tong, daar ik alle vuilheid mee weg veeg. Daar is plek, nog hoek, ik wil het alles doorzoeken en uitwerpen met volkomen biecht zonder enig bedrog. Dus omdat ik weet dat de wil van mijn vrouwe Gratie zulk is steek ik het al uit met mijn tong en bezem, want zij wil niet wonen in plaatsen, hetzij het is er schoon en goed geveegd. Dat is te zeggen in een geweten die onrein is want een rein geweten is haar woning die goed geveegd is. Nu hebt u gehoord wat de bezem betekent en nu zal ik u zeggen de betekenis van mijn roeden. Ik ben meesteres van de grote scholen en die de kinderen kastijdt. Ik korregier de misdadigers, zijn zij van 20 of van 100 jaren, want een kwaaddoener wordt een kind genoemd. Als ik dan enige misdadigers weet weet ik graag of hij door mijn hamertje geleden heeft en of hij met mijn bezem geveegd is. En als ik hem aldus vindt, dat is gebiecht met berouw zoals ik gezegd heb. Dan om hem goed te kastijden sla ik hem met mijn roeden en doe hem pijn aan zodat hij zich verbeteren zal. Op een tijd zo doe ik hem denken aan zijn oude zonden en zeg; Aylaas wat hebt u al grote zonden gedaan. Een andere tijd laat ik hem zeggen: Lieve heer, ik beloof u dat ik me zal verbeteren en nimmermeer zo stout zijn dat ik u zal vertoornen, nog dat ik zonde zal doen. Op de ene tijd dus wenen en op een andere tijd bidden en zuchten. Een andere tijd laat ik hem aalmoes geven aan de armen en soms laat ik hem gaan bedevaarten en soms onthouding doen en vasten om van zonden te wachten. Aldus hou ik hem onder de roede met kastijden en omdat hij niet weer omkeren zal in zonden waarvan hij gepurgeerd is en gereinigd ook mede omdat de oude zonden afgeveegd blijven zullen wanneer die tot zonden toestemt moet niet lijden zonder met mijn bezem geveegd te zijn en met mijn roede geslagen, dus zo wacht u voor misdoen. De naam van de roede is satisfactio of genoegdoening want satisfactio is al zoveel te zeggen tegen te doen, zoveel penitenties als daar de zonden mee verbeterd zijn.

Nu heb ik u gezegd van mijn ambacht en mijn naam. Maar waarom dat ik hier kwam tussen Mozes en u lieden die van zijn recieven of overschot wil hebben dat heb ik u nog niet gezegd. Nu hoort, ik zal het u zeggen. Ik ben kanselier en regeerster van dit overschot en zonder mij mag niemand het aanraken of hij wil misdoen, het is geen spijs voor trawanten of boeven, het is spijs voor ellendige zieken die kwellend zijn. Die indien zij het nuttigen zoals het betaamt het mag niet zo zijn of ze hebben er baat van of het is het overschot dat bleef van de grote maaltijd in het avondmaal daar we alle bij gevoed worden. Dus bewaak ik het zodat er niemand toe zal gaan, hij is eerst geslagen met mijn roede en geveegd met mijn bezem. En dit is het waarom dat ik hier gekomen ben tussen Mozes en u lieden.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Caritate met het testament, in een landschap>

 

[16va] Als dese Vrouwe haer name ende ambocht ghecondicht had Dander vrouwe die daer bij stont mit den brief inde hant houdende began haer reden voer hem allen seggende aldus Ghij heeren wel is waer dat penitencie v geseyt heeft sonder bedroch of logene van haer grote officien Ende daer bij wil ic v oec seggen wye ic ben ende waer of dat ic diene Ic ben de gene die nie yemont in spijte noch in onwaerden en hadde noch groet noch cleyne Ende die allen menschen bemint sonder bedroch ende mit vueriger lieften. Ic en souc noch en gheer enyghe wraec op yemont ter werelt Ic ben een moeder der deuchden Voetster der wesen herberge der pelgrymen ende die van eens anders lijden tmijn maec ende al mijn goet is een ygelic [16vb] ghemeyn Ende wildi weten mijn name. die is Caritate want caritate die heeft lief dat ander luyden leet hebben Ic spijse de hongerijge ic visitere de siecken Ic ben die alle dinge pacientelic verdrage. ic ben so blijde van anderluyden goed als vant mijne. ic ben die gramscap noch sceldinge horen en mach. Ja die nye mensche te cort en dede. Nochtan heb ic wel enich quaet gedaen int schinen sonder misdoen. Ghij hebt wel gehoert vanden coninc. Jhesus hoe dat hij mensch wilde worden ende voer hem wilde steruen Maer gij moet weten dat ic de gene ben die hem menschelichede an dede nemen Ic dede dat hy hem liet binden geselen cronen wtrecken anden cruce. zijn gebenedide zijde scheuren. handen ende voeten doer slaen mit groten [17ra] nagelen zijn bloet storten wt zijn teder leden ende daer na deed ic hem sinen geest geuen. Maer dese quaethede verstaet wel verkeerdic al in groter deuchden want ic dede hem dalen ter hellen om v te verlossen van den tormenten ende pijnen ende om v te brengen in hemelrijcke ende om v te geuen een iuweel dat costelic is ende was vrede daer hem den hemel in verblijde De maniere ende vorme hoe hijt ghaf is hier gescreuen in desen testamente van payse ende also ist genaemt nv hoert al toe ic salt v lesen

Ic ihesus marien zone wech der waerheyt ende leuen als nu verwachtende mijn passie ende doot maec mijn achterste testament Int welc ic achter late alle den ghenen die zijn int dal der tranen van lijden ende van droefheden. een iuweel dat vrede heit dat schoenste hebbelicste ende precioeste dat inden hemel of in der eerden is Ende ist selfde iuwele daer ic heir voermaels inden hemel mijn solaes ende ghenouchte mede had Maer sint dat ic hier in aertrijcke quam soe en speeldicker niet mede noch en mochts nie gebruycken want ghedaelt wesende in dese werelt ende kint gheworden was ende dat het tijt was te spelene mit mijn iuwele So brochtent mijn dienaers hier in aertrijcke ende dedender present mede den ghenen [17rb] om wiens dat ic torment most lijden Mit welc iuweel zij ghespeelt hebben sint dat ic gheboren was Niet dat het hemluyden was want zijs niet waerdich en waren te behouden noch te hebben het was hemluiden ghegunt tot mijn weedersegghen want niemont en mochtet geuen sonder my. Maer de grote meestersse caritate mijn leydster ende die my beleedt ia haer wille mit my doet als mit eenen kinde heeft my bij haren rade die ic niet en mach weder staen daer toe ghebrocht dat ic hem luyden dit schone iuweel ghegeuen heb ende noch geue Ende nie en gaf ic schoender ghifte of ic en hadde mijn seluen ghegeuen Het is een iuwel dat ghemaect was van god mijnen vader inder eewicheyt ende al doer versouke ende begheerte van die niet of en laet Caritate

Toen deze vrouw haar naam en ambacht had verkondigd begon de andere vrouw die erbij stond die de brief in de hand hield haar rede voor hen allen en zei aldus: Gij heren, het is wel waar dat penitentie u gezegd heeft zonder bedrog of leugens van haar grote werk. En daarbij wil ik u ook zeggen wie ik ben en waarvan ik bedien. Ik ben diegene die niemand in spijt nog in onwaarden had, nog groot nog klein. En die allen mensen bemint zonder bedrog en met vurige liefde. Ik zoek niet nog begeer enige wraak op iemand ter wereld. Ik ben een moeder der deugden. Voedster der wezen, herberg der pelgrims en die van een anders lijden het mijne maakt en al mijn goed is iedereen algemeen. En wil ge mijn naam weten, die is Barmhartigheid, want Barmhartigheid die heeft lief dat ander lieden leed hebben. Ik spijs de hongerige, ik bezoek de zieken. Ik ben die alle dingen geduldig verdraagt. Ik ben zo blij van andere lieden goed als van het mijne. Ik ben het die geen gramschap of schelden horen mag. Ja die nooit een mens te kort deed. Nochtans heb ik wel enig kwaad gedaan in het schijnen zonder misdoen. Gij hebt wel gehoord van de koning Jezus hoe dat hij mens wilde worden en voor hen wilde sterven. Maar gij moet weten dat ik degene ben die hem menselijkheid liet aan nemen. Ik deed dat hij zich liet binden, geselen, kronen uittrekken aan het kruis, zijn gebenedijde zijde scheuren, handen en voeten doorslaan met grote nagels, zijn bloed storten uit zijn tedere leden en daarna liet ik hem zijn geest geven. Maar deze kwaadheid, versta het goed, veranderde ik al in grotere deugden want ik liet hem ter hel dalen om u te verlossen van de kwellingen en pijnen en om u in hemelrijk te brengen en om u een juweel te geven dat kostbaar is en dat is vrede daar de hemel zich in verblijde. De manier en vorm hoe hij het gaf is hier beschreven in dit testament van vrede en alzo is het genoemd. Nu hoort allen toe, ik zal het u voorlezen.

Ik Jezus, de zoon van Maria en weg der waarheid en leven die nu mijn lijden en dood verwacht maakt mijn laatste testament waarin ik nalaat al diegenen die in het dal der tranen van lijden en van droefheden zijn een juweel dat vrede heet, dat mooiste, hebberigste en kostbaarste dat in de hemel of in de aarde is. En dat is hetzelfde juweel waar ik vroeger in de hemel mijn troost en genoegen mee had. Maar sinds dat ik hier in aardrijk kwam zo speelde ik er niet mee, nog mocht het niet gebruiken want toen ik in deze wereld neerdaalde en kind was geworden en dat het tijd was om met mijn juweel te spelen zo brachten mijn dienaren het hier in aardrijk en gaven het als present aan diegene om wie ik kwelling moest lijden. Met welk juweel zij gespeeld hebben sinds dat ik geboren ben. Niet dat het van hen was want zij zijn het niet waard het te behouden nog te hebben, het was hen gegund tot ik het opvroeg, want niemand mag het geven uitgezonderd ik. Maar de grote meesteres Barmhartigheid, mijn leidster en die me beleed, ja, haar wil met mij doet als met een kind heeft me bij haar raad die ik niet mag weerstaan daartoe gebracht dat ik hen dit mooie juweel gegeven heb en nog geef. En nooit gaf ik een mooiere gift of ik had mijzelf gegeven. Het is een juweel dat gemaakt was van God mijn vader in de eeuwigheid en al op verzoek en begeerte van die niet aflaat Barmhartigheid.

 

 

<houtsnede: links slapende pelgrim, rechts ook, in andere houding, in een landschap>

 

[17va] Waer hier yemont die tfasoen wilde weten Ic soude hem zeer lichtelic de gelijckenisse tonen mit goeden verstande Neemt een reegel van een timmerman ende dat eerste eynd opwaerts ende dander eynde nederwaert mit den houc ende set inden houc een A ende ant opperste eynde een x ende ant ander eynde een p neder gelijc hier ghefigureert staet Hier mede suldy zeer lichtelic moghen weeten dat maecsel ende faetsoen ende properlic de name weeten Dese drie letteren doen te verstaen dat de ghene die dit testament gegeuen is schuldich is vrede te hebben in drien manieren Dats dat int opperste daer de x geset is Daer is by te verstaen dat ic ben geheeten souereyn ende dat alle dinc tegens mi misdaen gebetert moet zijn. Bijder A die inden houc [17vb] staet is te verstaen de ziele die inden lichaem is die is schuldich vreede te hebben by destruxien van sonden doer penitencie want hy en staet niet in vrede die gheoerloecht is van sonden Bij de p int achterste eynde is te verstaen dat hy oec sculdich is vrede te hebben mit zijn euenkersten want deen en is niet hoger dan dander Ic settese beyde in een regule als icse maecte Al zijn si sterfelic deen ende dander Daer en doech noch quaet noch fel noch boes hart toe want si moeten al doer een gat Dus nyement en verliest dit iuweel bij hoeuaerdien ende houde vrede soe sal de weedergaerde volmaect zijn daer ic vreede by gefigureert heb hier bouen Dese figure is eens notarius teyken daer alle testamenten mede moeten geteykent zijn Ende hier mede heb ic ge[18ra] teykent mijn testament ende allen luyden heb ic vrede gegeuen ende geconfirmeert

Als Caritate haer testament gelesen had ende weeder gevouden Nam zij haer woerden weder ende seide Ghij heeren nv hebdi gehoert an dit testament hoe ihesus v ghemint heeft ende zijn ivweel vrede tot versoeck van my v gelaten heeft. Nu sal ic v seggen waer bi dat ic hier quam mit dit testament tuschen de tafele van moyses ende v luyden Ghij sult weeten dat ic ben almossenier van desen relief of ouerscot Ende also penitencie v geseit heeft dat gij hier niet gaen en sout sonder haer. soe en sidier oec niet sculdich te gaen sonder my Ende en moechter oec niet gaen sonder mi noch genaken of ghij en wilt mi verwercken ende dat testament dat ihesus v liet voer zijn doot ende daer by draech ic dit testament mit my om dat ghi trelief ymmer niet genaken en soudt sonder vrede dit testament by v te hebben want dit heilege relief wil in dit testament rusten Ende gae gij daer sonder dat gij soudt gepuniert worden Dus ic rade v neemt vrede mit v ende gaet doer my caritate. want ic ben wtgeefster ende deelster van dit relief of ouerscot. ende naemdijt doer een ander dan doir mi men sout houden voer dieft ende v souder quaet of comen dus siet voer v ick heb v geseyt daer ic hier om gecomen ben [18rb] Als Caritate haer sermoen wt had sach ic veel pelgrims comen al willich ende onderdaen Sij leden doer Caritate ende zij drouch dat testament van vrede voer haerluyden Daer na so leden zij doer penitencie sonder enich ontsich van haer blijdelic zij waren geslaghen mit haer hamerkijn mit haer bessem gevaecht ende mit de roede sachtelic gecastijt Ende daer na ontfingen zij vanden relieue. twelc moyses hem gaf also Caritate dat ordineerde Daer nae sach ic enige ongeuallige hem deckende ende namen also eenen anderen wech schuwende caritate ende penitencie ende ontfingen so van moysen sonder vreese vanden relieue moyses en ontseyt niemont maer ghaft hem allen Nv hoert watter of quam ende hoet haer misquam Als zij dat relief ontfangen hadden worde sij swart stinckende of zij gecomen waren wt een modderige graft Ende noch meer si worden so hongerich dat mense niet en soude moghen versaden Maer vanden anderen en wast alsoe niet want als zij vanden relieue ontfanghen hadden waren si terstont soe veruolt dat zij gheen dinc ter werelt meer en begheerden noch oec en preesen ende zij worden alle schone ende zer claer blinckende ghelijc de zone

Is hier iemand die de vorm wilde weten. Ik zou hem zeer licht de gelijkenis vertonen met goed verstand. Neem een plank (winkelhoek) van een timmerman en dat eerste einde omhoog en het andere omlaag met de hoek en zet in de hoek een A en aan het opperste einde een x en aan het ander eind een p neer gelijk hier afgebeeld staat. Hiermee zal ge zeer gemakkelijk mogen weten dat maaksel en vorm en goed de naam weten. Deze drie letters laten verstaan dat diegene die dit testament gegeven is vrede moet hebben in drie manieren. Dat is dat in het opperste daar de x gezet is. Daarbij is te verstaan dat ik ben geheten soeverein en dat alle dingen tegen mij misdaan verbeterd moeten zijn. Bij de A die in de hoek staat is te verstaan de ziel die in het lichaam is die moet vrede hebben bij vernietiging van zonden door penitentie want hij staat niet in vrede die bevochten is met zonden. Bij de p in het achterste einde is te verstaan dat hij ook vrede moet hebben met zijn Christen gelijke want de ene is niet hoger dan de ander. Ik zette ze beide in een regel toen ik ze maakte. Al zijn ze sterfelijk de ene en de andere. Daar deugd nog kwaad, nog fel, nog boos hart toe want ze moeten alle door een gat. Dus niemand verliest dit juweel bij hovaardigheid en houdt vrede zo zal de samenkomst volmaakt zijn daar ik vrede bij getekend heb hierboven. Deze figuur is een notaris teken daar alle testamenten mee moeten getekend zijn. En hiermee heb ik getekend mijn testament en alle lieden heb ik vrede gegeven en bevestigd.

Toen Barmhartigheid haar testament gelezen had en weer gevouwen nam zij haar woord weer en zei: Gij heren nu hebt u gehoord aan dit testament hoe Jezus u bemind heeft en zijn juweel van vrede op verzoek van mij u gelaten heeft. Nu zal ik u zeggen waarom dat ik hier kwam met dit testament tussen de tafel van Mozes en u lieden. Gij zal weten dat ik ben aalmoezenier van dit relief of overschot. En alzo penitentie u gezegd heeft dat gij hier niet gaan zou zonder haar, zo moet ge ook niet gaan zonder mij. En u mag ook niet gaan zonder mij nog aanraken of gij wil met mij werken en dat testament dat Jezus u naliet voor zijn dood en daarbij draag ik dit testament met mij omdat gij het overschot immer niet aanraken zou zonder vrede en dit testament bij u te hebben, want dit heilige overschot wil in dit testament rusten. En gaat gij daar zonder dat gij gepijnigd zou worden. Dus ik raad u aan neem vrede met u en ga door mij barmhartig, want ik ben uitgeefster en verdeelster van dit relief of overschot en nam gij door een ander dan door mij men zou het houden voor diefstal en u zou er kwaad van komen, dus zie voor u, ik heb u gezegd waarom ik hier gekomen ben.

Toen Barmhartigheid haar preek uit had zag ik veel pelgrims komen al gewillig en onderdanig. Zij gingen door Barmhartigheid en zij droeg dat testament van vrede voor hen. Daarna zo gingen zij door penitentie zonder enig ontzien van haar, blijde waren ze geslagen met haar hamertje, met haar bezem geveegd en met de roede zacht gekastijd. En daarna ontvingen zij van het overschot wat Mozes hen gaf alzo Barmhartigheid dat ordineerde. Daarna zag ik enige ongevallige zich dekkend en namen alzo een andere weg en schuwde Barmhartigheid en penitentie en ontvingen zo van Mozes zonder vrees van het overschot. Mozes ontzegde niemand maar gaf het hen allen. Nu hoort wat er van kwam en hoe het hen miskwam. Toen ze dat overschot ontvangen hadden werden ze zwart stinkend of zij uit een modderige graf gekomen waren. En nog meer, ze werden zo hongerig dat men ze niet zou mogen verzadigen. Maar van de anderen was het alzo niet want toen zij van het overschot ontvangen hadden waren ze terstond zo vervuld dat zij geen ding ter wereld meer begeerden, nog ook prezen en zij werden alle mooi en zeer helder blinkend gelijk de zon.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de vicarius van Mozes in het midden en links en rechts van hem pelgrims die uit een zak en mand iets krijgen aangereikt, in een landschap>

 

[18va] Maer bouen al verwonderde ic my vant ouerschot dat ic daer sach vergaderen dat mi so luttel docht weesen dat al hadde icx thien warf meer gehadt ic soud tot een maeltijt wel ghegheten hebben ende zij waeren nochtan alle verzaedt. Een luttelkijn was elx genouch ende mit een weinich was elx veruolt Ende dit deed my zeer verwonderen ende peynsen ende mijn verstant en constes niet begrijpen. ende ic en wiste wie te vraghen het en waer gracie gheweest Maer tegens haer en dorst ic niet sprecken noch toe gaen want zij lach en leende op de tafele al gepareert daer zij de aelmissen ende ouerloep sach deelen Mar int ende verstout ic my ende ghinc tot haer Ende dat siende kerde haer tot miwaert ende sprac mi aldus toe Vrient wat soec di Ic [18vb] sie wel dat di yet gebreect Vrou seide ick my gebreect ghenoech want ic en versta niet hoe dat desen volc mach genoegen dit relief dat so clene is want my alleen en waers niet genouch al waers tien warf meer V biddende dat gij my een weynich werstants gheuen wilt mit onderwijs

Soete vrient andtwoerde zij my laet dy niet verdrieten al houdic dy langhe om dijn profijt Dit relief dat hier ghegeuen is op een tijt ist geheeten vleysch ende bloet op een ander tijt ist broet ende wijn ende is spijse om pelgryms In figuere ist broet ende wijn nochtan ist warachtelic vleysch ende bloet Ende wert soe van moises verandert wart ende bi toedoen van mi dies haer natuer seer belcht Dus ic waerschu di dastu anders niet en gheloefs ten zij aldus want du [19ra1] en biste dy niet schuldich te houden ant si ant smaken ant tasten noch ant geuoelen Want dese vier sinnen zijn hier in bedroghen want zij en begrijpen niet dan puer broet ende wijn Maer de sinne vant horen die onderwijst het verstant waer by tbeuoelen subtijlste hier in kennisse heeft Het welck wel gefigureert was in iacop ende in esau. want ysaac meende dat iacop die hem teten gaf esau wair geweest want de vier sinnen hadden hem bedroghen gelijc du beuinden suls ouerlese Genesis. Maer niet int horen want daer by kende hy zijnen soen iacop Also seg ic di Ist datstu dy verlaets op dese vier sinnen du suls van als bedrogen zijn want sottelic sulstu meenen dat vleysch broet is [19rb1] ende dat bloet wijn is want de waerheyt en mach by dese vier niet begrepen warden Ant horen houdt v alleen ende geloeft ende hebt betrouwen Ende du suls beuinden dat het broet noch wijn en is Maer dat selue vleysch dat om di ant cruce ghehangen was Ende wilstu dit broet eten heylichlic ende deuotelic soe segt dat het is dat broet des leuens daer al de werelt voetsel of heeft Dit wilt houden in ghewoente aldus te noemen Broet heytet dat vanden hemel quam om tvolc te voeden. Ende dat elc goet pelgrym dat schuldich is te doen in zijn male Ic seg di noch en ghef geen goloue int sien maer alleen ant horen Dus so moechsture wel of keren na dat icker di of seggen sal

Maar boven al verwonderde ik mij van het overschot dat ik daar zag verzamelen dat me zo weinig dacht te wezen zodat al had ik tien maal meer gehad, ik zou voor een maaltijd goed gegeten hebben en zij waren nochtans alle verzadigd. Een beetje was voor elk genoeg en met een weinig was elk gevuld. En dit deed me zeer verwonderen en peinzen en mijn verstand kon het niet begrijpen en ik wist niet wie te vragen, het was dan Gratie geweest. Maar tegen haar durfde ik niet te spreken nog toe te gaan want zij lag en leunde op de tafel al gereed daar zij de aalmoezen en overloop zag verdelen. Maar op het einde verstoutte ik me en ging tot haar. En dat ziende keerde ze zich tot mij en sprak me aldus toe: Vriend, wat zoek je? Ik zie wel dat u iets ontbreekt. Vrouwe, zei ik, mij ontbreekt genoeg want ik versta niet hoe dat dit volk zich mag vergenoegen in dit overschot dat zo klein is want mij alleen was het niet genoeg al was het tien maal meer en u biddende dat gij me een weinig verstand geven wilt met onderwijs.

Lieve vriend, antwoorde zij, laat u zich niet verdrieten, al hou ik u lang om uw profijt. Dit overschot dat hier gegeven is op een tijd is geheten vlees en bloed en op een andere tijd is het brood en wijn en is spijs voor pelgrims. In figuur is het brood en wijn, nochtans is het waarachtig vlees en bloed. En werd zo van Mozes veranderd en bij toedoen van mij, dus haar natuur is zeer verbolgen. Dus ik waarschuw u dat u niets anders gelooft tenzij aldus want u behoeft u niet te houden aan het zien, aan het smaken, aan het tasten nog aan het voelen. Want deze vier zinnen zijn hierin bedrogen want zij begrijpen niets dan puur brood en wijn. Maar de zin van het horen die onderwijst het verstand waarbij het voelen hierin de subtielste kennis heeft. Wat afgebeeld was in Jacob en in Esau want Isaac meende dat Jacob die hem te eten gaf Esau was geweest want de vier zinnen hadden hem bedrogen gelijk u bevinden zal, lees Genesis. Maar niet in het horen, want daarbij kende hij zijn zoon Jacob. Alzo zeg ik u is het dat u zich verlaat op deze vier zinnen u zal ervan bedrogen zijn want zot zal u menen dat vlees brood is en dat bloed wijn is want de waarheid mag bij deze vier niet begrepen worden. Aan het horen houdt u alleen en gelooft en heb vertrouwen. En u zal bevinden dat het brood nog wijn is. Maar datzelfde is het vlees dat om u aan het kruis gehangen was. En wil u dit brood eten heilig en devoot zo zeg dat het is dat brood des levens daar al de wereld voedsel van heeft. Wil dit houden in gewoonte en aldus te noemen. Brood heet het dat van de hemel kwam om het volk te voeden. En dat elke goede pelgrim dat moet doen in zijn bedelzak. Ik zeg u nog geef geen geloof in het zien maar alleen aan het horen. Dus zo mag u zich er wel naar keren naar dat ik er u van zeggen zal.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts twee vrouwen voor een oven en een tafel met deeg; een vrouw schuift deeg in de oven met een lange stok>

 

[19ra2] Caritate wien gy cort hebt horen spreken Sy was de saec van dit broet ende by haer wast geuonden [19rb2] zij brocht dit saet vanden hemel ende saidet soe weder hier in aertrijcke

[19va] De aerde daer in ghesait was die en was niet gearbeyt noch gepijnt By den douwe ende hetten vander zonnen so wiest Caritate die deet mayen ende opvoeren in een vreemde scure daert menighe dorscher vant diet dorschten ende wanden ende van alt caf suyuerden Daer nae wast ter molen gedragen ende zeer cleyn ghemalen want de molen stont wel te winde ende wayde heilege winde. Alst aldus gemalen was so spoede haer Caritate ende wilde bacster warden om broet daer of te maken Haer ouen had si al te voren bereyt Maer zij en conste niet alte wel kneden noch decemen dat haer leet was. Niet dat zij haer daer om onstelde maer zij bedacht haer terstont van een mesterse van backen een de subtijlste die men ergent wiste ende si was geheten. Sapiencia of wijsheit Al datmen visieren mocht dat conste zij doen. Ja alle de werelt in een huys te leggen indien si gewilt had of in een eyschale dat meer is ende onbegripelic Ende om dese subtijlhe bedochte haer caritate want dat broet dat zij maeken wilde dat wilde zij vroedelic gemaect hebben ende so subtijlic dat het in schine clein waer ende datter elckerlijc of veruolt waer ende mit een luttelkijn elx versaet waer Als caritate gepeist had om voerderen haer wille. so ginc zij tot sapiencia diese vant zittende in een zeetel daer si van als waer nam. Ende [19vb] dede so veel mit bede dat zij mede ginc mit haer ende kneede dat broet ghelijc dat haer Caritate visierde ia noch ende soe wijselic subtijlic want si maectet sonder maet ende in hoe cleynen gedaente in schijnsel nochtan voer een yegelic genouch Ende noch dede subtijlre werc in dit broet want in een stic van dit broot maecte si so veel crachten int minste deel als int meeste deel of int geheel het welc natuer zeer leet was als versuft van outhede Maer zij en quam daer niet om dat zij duchte versproken te zijn Maer zij dede soucken een haer clerc ghenoemt Aristotiles dien si vant ende sende hem van harentweghen an sapiencia om tegen haer te argueren ende te schelden van dat zij teghens natuer alsoe wrochte

Barmhartigheid van wie ge kort hebt horen spreken was de zaak van dit brood en bij haar was het gevonden, zij bracht dit zaad van de hemel en zaaide het zo weer hier in aardrijk.

De aarde waarin gezaaid was die was niet bewerkt nog gepijnigd. Bij de dauw en hitte van de zon zo groeide het en Barmhartigheid die het maaide en voerde in een vreemde schuur daar het menige dorser vond die het dorste en wandde en van al het kaf zuiverden. Daarna was het ter molen gedragen en zeer klein gemalen want de molen stond goed in de wind en er waaide een heilige wind. Toen het aldus gemalen was zo spoedde zich Barmhartigheid en wilde bakster worden om brood daarvan te maken. Haar oven had ze al te voren bereid. Maar zij kon niet al te goed kneden nog desemen dat haar leed was. Niet dat zij zich daarom ontstelde maar zij bedacht zich terstond van een meesteres van bakken en een van de subtielste die men ergens wist en ze was geheten Sapientia of wijsheid. Al dat men versieren mocht dat kon zij doen. Ja, de hele wereld in een huis te leggen indien ze gewild had of in een eierschaal dat meer is en onbegrijpelijk. En om deze subtielheid bedacht zich Barmhartigheid want dat brood dat zij maken wilde dat wilde zij verstandig gemaakt hebben en zo subtiel dat het in schijn klein was en dat er elk ervan vervuld was en met een weinig elk verzadigd was. Toen Barmhartigheid gepeinsd had om haar wil te bevorderen zo ging zij tot Sapientia die ze vond zittend in een zetel daar ze van alles waarnam. En deed zoveel met bede dat zij mee ging met haar en kneedde dat brood gelijk dat haar Barmhartigheid versierde, ja nog en zo wijs en subtiel want ze maakte het zonder maat en in hoe kleine gedaante en in schijn nochtans voor iedereen genoeg. En nog deed subtieler werk in dit brood want in een stuk van dit brood maakte ze zoveel krachten in het kleinste deel als in het grootste deel of in het geheel wat Natuur zeer leed was als versuft van oudheid. Maar zij kwam daar niet omdat zij ducht tegen gesproken te worden. Maar zij liet haar klerk zoeken, genoemd Aristoteles, die ze vond en zond hem van haar naar Sapientia om tegen haar te argumenteren en te schelden van dat zij tegen natuur alzo wrocht.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts tafel met bolletjes deeg, waarachter een vrouw, voor de tafel een vrouw en twee mannen>

 

[20ra] Aristotiles comende voer haer groetese vriendelic ende voert varende in zijn proposte seide aldus Vrou sapiencia hier sendt my tot v om mit v te spreken vrou natuere ende vwe gebreken te thonen ende v te begripen Seer leet ist natuere dat gij haer costumen dus breect Ende het en is my oec niet lief hoe wel dat ghy mijn vriendinne zijt nochtan en sal ic niet laten ic en salder tmyne toe segghen Ghy weet ymmer wel: dat een huys of vat meerder moet weesen dan tgunt dat het in hem besloten hout. Waert nv dat ic den luyden by argumenten dade te verstaen van een groet casteel ende het dan waer een cleyne ouen si souden mit my gecken ende de vroeden souden my luttel prijsen Ende dit selfde heb ghi al gedaen in dit wonderlic broet [20rb] want vant voetsel datter in is alle die inder werelt is of die den hemel soude dragen heefter zijn voetsel in Ende dit hebdi daer in gedaen bij eender wonderlijker manieren in so cleynen materie ende weesen want al waert tien warf meerdere ic soudt nochtan beluyken in een hant Dit en mach ic niet wel verdragen so en can oec reden Ende het en is gheen wonder al isser natuer gram om Hadde gij doch gedaen dat wel in v was ende hadt de woninghe zo groet ghemaect als datter in onthouden is of datter onthouden wordt soe cleyn waer als thuys of vat daert n onthouden wordt. ic waer wel te vreden ende natuer soude haer wel lijden Ende mede so waert v eere want dan soude men sonder bedroch mogen weeten hoe groet dat het voetsel dan waer

[20va] Ende noch meer dat my leeder is ende natuer en verzwiget oec niet dat gij mijn maxima gereprobeert hebt ende ghevalscht. want ic en hoerde noyt seggen ende en sachs nye in mijn leuen dan een Al is of ten is meerder dan de helft of een stic dair of. mair ic sie ghi hebt so veel voetsels van een stic als vant geheel Twelc zeer misdaen is tegens natuer ende is twaer om dat dat ic hier gesonden ben. Nu besiet wat andworde suldi natuer hier op geuen wies woerden ic geuoert heb

Als Aristotiles zweech seyde Sapiencia aldus. Vrient dv nomes my vriendinne ende du doste wel want dij isser deucht of geschiet Du waers wel schuldich te gedencken geliefdet dy dat ic hier voertijs twe scholen hielt daer ic natuer ende v in leerde Want graci gods wildet ende hadt my also geordineert Inde eerste leerdic alderley consten ende werken te doen subtijl ende bequaem ende daer was natuere mijn eerste scholiere daer si veel wonders leerde werken dat al van genen node te verhalen en is In dander scole leerde ic de verstandenisse ende kennisse te disputeren tusschen de waerheyt ende valscheyt want daer toe was die scole gheordineert Ende daer was mijn vroede dochter Sciencia dats wetenheit die hielt daer de parlementen ende solueerde dats onbant de argementen tot verstant ende rechte kennisse brengende [20vb] doer reche goeder minnen De welke du aldaer in huwelic gecreechs In dese scole leerde ic di ende du waers mijn leerlinc Daer waren dy gheopenbaert dese creten ende heimelicheiden van natuere want wat ic natueren leerde voeruoets leerde ict dy mede verstaen ende daer of te moghen oerdelen iae sonder selue yet te moghen wercken Dus so moechstu my wel vriendinne noemen ende hebt oec wel op dy verschult

Nadien dan dat natuer ende du dit al van my hebs Al waerdy gram op my nochtan soudijt mi mit recht verdragen Ghy waert wel sculdich te peynsen op den campuechter die zijn consten geleert had eenen armen man sonder yet van hem te nemen Ende als zij beyde te campe quamen bi toedoen van twee heeren daer zij ouer vechten souden. De meester die al zijn consten den anderen niet geleert en had sprac hem aldus an Hoe seyde hi sal ic allen vechten op v beyden dat en quam nye van stouter harten. Ende mit dat de leerlinc om sach wie dat by hem was soe ghaf hem de meester een slach dat hy doot ter aerden viel seggende ic en had mijn scolier noch al mijn consten niet geleert Ende du en hebs oec niet veel gewonnen datstu tegens my wt gecomen bins

Al so seg ic dy oec. meenstu dat ic alle mijn vroescap dy gheleert heb sonder wat an mi te houden [21ra] my dinckt ic soude qualic toecomen ic en wiste nu enige weegen meer dan ghy of natuer en doet om my tegen vwe reden te verandtwoerden Want gij arugweert ende begrijpt mi van valscheyt ende indiscrecie grotelic tot mijn schande Segt my doch of ic v nv gaue een beurse segghende Neemt siet wat ic dy geue draget wech ic gheeft v In dien ghijt dan naemt ende wech droecht ende daer in vont als gij wech waert vijf of ses gulden soude ghy v laten duncken dat ic v bedrogen had Seker neent seyde Aristotiles maer ic soude seggen dat de ghifte vol eeren waer ende houescheden Seker seide si alsoe ist van den broede dat ic so subtijl gemaect heb datmen van buyten niet vernemen en mach tgrote schat datter binnen verborgen is Die ic daer heimelic ingedaen heb om arme menschen rijck te maken want toende ict van buyten nyemont en sout dorren ontfanghen Caritate die ordineerdet also hebbende grote compassie op den armen Hier in en is gheen valschede maer werck van ontfarmichede Maer toende ic groet samblant van buyten ende ic binnen gewrocht had dinghen van cleynder waerden so mocht ghy mi beschamen ende begrijpen van bedriegen

Noch wil ic andwoerden andersins dattet geen bedroch en is al heb ic bij ghelijcke tbuytenste veel cleynder gemaect dan datter [21rb] binnen onthouden wordt ende wil oec dat men sonder twijfel dat geloue maer deedic anders soe mocht gij my grotelic begrijpen. Nv segt mi doch ic bits v die my dus argueert ende begrijpt van mijn wercken seggende Dattet gheen reden en is dattet huys minder is dan datter binnen is Saech dy nye de grote van een mans hart Hy seyde ia menichwarf Nv seht dan hoe groet duncket v weesen Seker seyde hy seer cleyn want mi dunct een vrouwe die enige honger had die wel cleenlic is en souder niet zadt of zijn Noch vraech ic v seide zij Of ghi niet en weet mit hoe veel dat hart veruolt soude zijn Seker seyde hy niet mit alle de werelt al waerse tot zijn wille Soe gebreect hem seide sapiencia dat ghi beijde zijn genouchte ende veruollinge vint na zijnen wille of v auctoriteiten ende sullen valsch zijn Daer ghy segt dat datter inde werelt niet ydel en is Ende een ding moet ydel bliuen of mit enich dinc geuolt weesen Ja seide aristotiles het opperste goet is dat sculdich te veruollen Seker seyde zij gy segt waer ende en missegt niet Maer dat goet most meerder zijn dan alle de werelt groet is ende dat dan inde werelt beloeken Het en mocht niet weesen zij en most ouer uloeyen Seker seide hi ic en cander niet tegen seggen Salment dan doen in en harte dat so cleyn is. so ist oec [21va] wel reden dat het huys minder is dan tgoet datter in geleyt sal warden ende al dus sal v seggen valsch zijn

Noch sal ic v andersins proeuen harde cortelic Ghi hebt gelesen in griecken ende in athenen Nv segt mi hoe veel studenten in de een stede ende in dander waren. mi gedenct noch daer wel of andwoerde Aristotiles waer heb dy seyde sapiencia dit grote onthouden geleyt In mijn memorie seyde hij Dat is so seyde sapiencia. ende hier mede concludeer ic v want dese twee grote steden hebdy besloten in v memorie die veel cleyder is dan v hoeft

Noch wil ic dy dit beproeuen in den appel van vwen oghe Besiet hoe zeer cleijn dat de appel is daer gij een geheel mensch in begrijpt In een spigel diesgelijc. Voert dat gy segt dat ic v maxima geualscht heb om dat ic elc stic van desen brode gebroken also groet maec als tgeheel is Neemt een spiegel ende slaten ontween in veel sticken ghy sult v aensiicht so volcomelic bekennen in elc stic als inde geheele ende ghy en saecht te voren maer een aensicht Segt mi dan vrou seide aristotiles die so subtijl zijt Hoe versta gij dese dingen localike virtutelic of andersins want daer na soudic andwoerden of zwijgen Seker ic en verstase niet localike seide zij mer virtutelic ende nochtan en lagher niet an [21vb] dit te weeten want ic en seg dese exemplen niet dan alleen om v te leeren ende onderwijsen hoe dat ic onder een cleyne figuer groet voetsel geleyt heb want gelijc dese dingen geleit worden in een cleyne stede in veelderley manieren Dies gelijc is in dit broet geleit dat opperste voetsel niet ymaginerlic niet virtutelic sonder meer Maer het isser geleyt vleyschelic menscehelic ende warrachtelic tegenwoerdelic sonder bedroch

De reden waer om datter geleyt heb ic v meest geseyt om tharte dat so cleyn is ende so veel begheert so maect ic oec cleyn Dus so ist daer in cleyn totten clenen ende groet totten groten elx na zijn begeeren ende deuocie Hier om en isser niet an te begrijpen al is thuys minder dan tgoet datter in leyt Ende al waer dat sake dat ic na v duncken misdaen had of niet te vreden en waert mit dat ic hier voer geseyt heb So seg ic dat ic v niet schuldich en ben te andworden ic en wilde want conste of en dadic somtijt meer wonderlicheden dan ander so en waer ic geen meesterse bouen ander noch leerster Ende hier mede mijn andwoerde Ende segt natueren ioncwijf van gracien ende mijn scoliere dat ic om haer geen dinc laten en soude willen dat ic doen wilde maer om caritaten wille sal ic altoes doen dat haer genaem wesen mach ende al dat haer gelieuen sal

[22ra1] Als Aristotiles dit hoerde so andtwoerde hij simplic aldus Seker vrouwe ic sie wel dat ic niet winnen en mach op v mit argueren Best ist dat ic gae mijnder straeten [22rb1] ende laet v begaen Aldus schiet hy van daer ende vertrac naturen den zyn die hy in haer gheuonden had ende hoe dat hy ghescheyden was Doe zweech natuer als diet leet was

Aristoteles die voor haar kwam begroette haar vriendelijk en ging voort in zijn voorstel en zei aldus: Vrouw Sapientia, hier zend me tot u om met u te spreken vrouw Natuur om uw gebreken te tonen en u te berispen. Zeer leed is het Natuur dat gij haar gebruiken aldus breekt. En het is me ook niet lief, hoewel dat gij mijn vriendin bent, nochtans zal ik het niet laten en ik zal er het mijne toezeggen. Gij weet immers wel dat een huis of vat groter moet wezen dan hetgene dat het in zich besloten houdt. Was het nu dat ik de lieden bij argumenten liet verstaan van een groot kasteel en het dan was een kleine oven dan zouden ze met me gekscheren en de verstandige zouden me weinig prijzen. En ditzelfde heb jij al gedaan in dit wonderlijk brood want van het voedsel dat er in is hebben alle die er in de wereld zijn of die de hemel zou dragen hun voedsel in. En dit heb je daarin gedaan bij een wonderlijker manier in zo n kleine materie en wezen want al was het tien maal groter, ik zou het nochtans in een hand houden. Dit mag ik niet goed verdragen en zo kan ook reden. En het is geen wonder al is de Natuur er gram om. Had gij toch gedaan dat wel in u was en had de woning zo groot gemaakt als dat er in kan is of dat het bevatten kan en zo klein was als het huis of het vat daarin het gesloten wordt zou ik wel tevreden zijn en Natuur zou het wel lijden. En mede zo was het u ter eren want dan zou men zonder bedrog mogen weten hoe groot dat het voedsel dan was.

En nog meer dat ik erger vindt en Natuur verzwijgt het ook niet dat gij mijn maxima afgekeurd hebt en vervalst want ik hoorde nooit zeggen en zag het niet in mijn leven dat een alles is of tien is meer dan de helft of een stuk daarvan. Maar ik zie ge hebt zoveel voedsel van een stuk als van het geheel wat zeer misdaan is tegen Natuur en is het waarom dat ik hier gezonden ben. Nu bezie wat antwoord zal ge Natuur hierop geven wiens woorden ik hier gevoerd heb.

Toen Aristoteles zweeg zei Sapientia aldus: Vriend uw noemt mij vriendin en u doet dat goed want u is er deugd van geschied. U moet wel bedenken beliefde het u dat ik hier vroeger twee scholen hield daar ik Natuur en u in leerde. Want Gratie God wilde het en had mij alzo geordineerd. In de eerste leerde ik allerlei kunsten en werken subtiel en bekwaam te doen en daar was Natuur mijn eerste scholiere daar ze veel wonderen leerde werken dat alles niet nodig is te verhalen. In de andere school leerde ik verstand en kennis te disputeren tussen de waarheid en valsheid want daartoe was die school geordend. En daar was mijn verstandige dochter Scientia, dat is wetenschap, die hield daar de gesprekken en verklaarde zodat ze oploste de argumenten tot verstand en rechte kennis bracht door echte goede minnen. Die u aldaar in huwelijk kreeg. In deze school leerde ik u en u was mijn leerling. Daar waren u geopenbaard deze kreten en heimelijkheden van Natuur want wat ik Natuur leerde direct leerde ik het u mede verstaan en daarvan te mogen oordelen, ja, zonder zelf iets te mogen werken. Dus zo mag u me wel vriendin noemen en ben u dat verschuldigd.

Nadien dan dat Natuur en u dit alles van mij heeft. Al was ge gram op mij nochtans zou gij mij met recht verdragen. Ge moest wel denken aan de kampvechter die zijn kunsten geleerd had van een arme man zonder iets van hem te nemen. En toen zij beide te kampen kwamen bij toedoen van twee heren waarvoor ze vechten zouden. De meester die al zijn kunsten de anderen niet geleerd had sprak hem aldus aan: Hoe, zei hij, zal ik alleen vechten op u beiden, dat kwam niet van een dapper hart. En met dat de leerling omkeek wie dat bij hem was zo gaf hem de meester een slag dat hij dood ter aarden viel en zei; Ik had mijn scholier nog al mijn kunsten niet geleerd. En u heeft ook niet veel gewonnen dat u tegen mij uitgekomen bent.

Alzo zeg ik u ook, meent u dat ik al mijn kennis u geleerd heb zonder wat aan mij te houden, ik denk dat ik er slecht aan toe zou wezen wist ik geen uitweg meer dan gij of Natuur doet om mij tegen uw reden te verantwoorden. Want gij argumenteert en berispt me van valsheid en indiscretie zeer tot mijn schande. Zeg me toch of ik u nu gaf een beurs en zei: Neemt, ziet wat ik u geef, breng het weg, ik geeft het u. Indien gij het dan nam en wegbracht en daarin vond als gij weg was vijf of zes gulden zou ge u laten denken dat ik u bedrogen had. Zeker neen, zei Aristoteles, maar ik zou zeggen dat de gift vol eer was en hoffelijkheid. Zeker, zei ze, alzo is het van het brood dat ik zo subtiel gemaakt heb dat men van buiten niet vernemen mag de grote schat die er binnen verborgen is. Die ik daar heimelijk ingedaan heb om arme mensen rijk te maken want toonde ik het van buiten, niemand zou het durven ontvangen. Barmhartigheid die ordineerde het alzo en heeft groot medelijden met de armen. Hierin is geen valsheid, maar werk van barmhartigheid. Maar toonde ik grote vertoning van buiten en ik binnen gewrocht had dingen van kleine waarde zo mocht gij me beschamen en begrijpen van bedriegen.

Nog wil ik antwoorden anderszins dat hetgeen bedrog is al heb ik bij gelijke het buitenste veel kleiner gemaakt dan dat er van binnen ligt en wil ook dat men zonder twijfel dat gelooft, maar deed ik anders zo mocht gij mij zeer goed begrijpen. Nu zeg me toch ik bid u die mij aldus argumenteert en begrijpt mijn werken en zegt dat het geen reden is dat het huis kleiner is dan dat er binnen is. Zag u niet de grootte van een mans hart. Hij zei, ja menige keren. Nu zegt dan hoe groot denkt u het te wezen. Zeker, zei hij, zeer klein, want ik denk een kleine vrouwe die enige honger had zou er niet zat van zijn. Nog vraag ik u, zei zij, of ge niet weet met hoeveel dat hart vervuld zou zijn. Zeker, zei hij, niets met alles der wereld al was het tot zijn wil. Zo ontbreekt het hem, zei Sapiencia, dat gij beide hun genoegen en vervulling vindt naar zijn wil of uw machten zullen vals zijn. Daar ge zegt dat er in de wereld niets leeg is. En een ding moet leeg blijven of met enig ding gevuld wezen. Ja, zei Aristoteles, het opperste goed dat moet zich vullen. Zeker, zei ze, ge zegt waar en en miszegt niet. Maar dat goed moest groter zijn dan al de wereld groot is en dat dan in de wereld besloten zijn. Het mag niet wezen, zij moest overvloeien. Zeker, zei hij, ik kan er niets tegen zeggen. Zal men het dan doen in een hart dat zo klein is zo is het ook wel reden dat het huis kleiner is dan het goed dat er in gelegd zal worden en aldus zal uw zeggen vals zijn.

Nog zal ik u anderszins erg gauw beproeven. Ge hebt gelezen in Griekenland en in Athene. Nu zeg me hoe veel studenten in de ene stede en in de andere waren. Me gedenkt nog daar wel van, antwoorde Aristoteles, waar heb je, zei Sapiencia, dit grote onthouden gelegd. In mijn memorie, zei hij. Dat is zo, zei Sapiencia en hiermee concludeer ik u, want deze twee grote steden heb je besloten in uw memorie die veel kleiner is dan uw hoofd.

Nog wil ik u dit beproeven in de appel van uw oog. Bezie hoe zeer klein dat de appel is daar gij een geheel mens in begrijpt. In een spiegel desgelijks. Voort dat gij zegt dat ik uw maxima vervalst heb omdat ik elk stuk van dit brood gebroken heb en alzo groot maak als het geheel is. Neem een spiegel en sla het stuk in veel stukken en ge zal uw aanzicht zo volkomen zien als in elk stuk als in de hele en ge zag tevoren maar een gezicht. Zeg me dan vrouw, zei Aristoteles, die zo subtiel is, hoe versta gij deze dingen lokaal, virtueel of anderszins want daarnaar zou ik antwoorden of zwijgen. Zeker, ik versta ze niet lokaal, zei ze, maar virtueel of denkbeeldig en nochtans lag het er niet aan dit te weten want ik zeg deze voorbeelden niet dan alleen om u te leren en te onderwijzen hoe dat ik onder een kleine figuur groot voedsel gelegd heb want gelijk deze dingen gelegd worden in een kleine plaats op vele manieren. Aldus gelijk is in dit brood gelegd in dat opperste voedsel en niet in verbeelding en niet virtueel zonder meer. Maar het is er gelegd vleselijk menselijk en waarachtig tegenwoordig zonder bedrog.

De reden waarom dat het gelegd is heb ik u het meeste gezegd omdat het hart zo klein is en zoveel begeerte zo maak ik het ook klein. Dus zo is het daarin klein tot de kleinen en groot tot de groten, elk naar zijn begeren en devotie. Hierom is er niets aan te begrijpen al is het huis kleiner dan het goed dat er in ligt. En al was het zo dat ik na uw denken misdaan had of niet tevreden was met dat ik hier voor gezegd heb zo zeg ik dat ik u niets schuldig ben te antwoorden, want ik wilde want welke kunst ik deed en soms meer wonderlijkheden dan ander zo was ik geen meesteres boven ander noch leraarster. En hiermee mijn antwoord. En zeg Natuur, jong wijf van Gratie en mijn scholiere dat ik om haar geen ding laten zou willen dat ik doen wilde, maar om Barmhartigheid wil zal ik altijd doen dat haar aangenaam wezen mag en al dat haar gelieven zal.

Toen Aristoteles dit hoorde zo antwoorde hij simpel aldus: Zeker vrouwe, ik zie wel dat ik niet winnen kan met u te argumenteren. Het beste is dat ik mijn weg volg en laat u begaan. Aldus scheidde hij van daar en vertrok naar Natuur in de zin die hij in haar gevonden had en hoe dat hij gescheiden was. Toen zweeg Natuur die het leed was.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Gratie Gods en de pelgrim bij de kist waar palster en male in zijn>

 

[22ra2] Als gracie my vertelt had aldus dese schone auentuer grote wille ende appetijt quam my toe om teten van desen brode Ende seyde Vrou ic bid v hartelic dat ghij my wilt doen geuen van moyses relief om mijn ydel hart te versaden want langhe tijt heuet ydel geweest ende nye en wast zadt Seker seyde gracie dijn begeerte en is niet onredelic ende dit relief is dy zeer notelic in den wech die du an genomen hebs want eer datstu comen suls ter stede die du begeers Du suls doer menich quaet gewadt moeten lijden ende menighe quade herberge suldy vinden [22rb2] ende indienstu van desen broede niet mit dy en droechs du souds qualick te gemake wesen Dair bi geef ic di oerlof te nemen alstu wils Maer dy is eerst van node te hebben palster ende male diestu int eerst so zeer begeerdes Ende die ic dy altijt beloefde te geuen in mijn huys als ic dy ghetoecht sal hebben de schone dingen die daer binnen zijn die alle de werelt niet en siet. Nv heb ic dy eens deels al getoegt ende gheopenbaert ende wil my tegen dy quijten van mijn belofte ende sal dy geuen alst dy gelieft palster ende male alst dy ghelieuen sal ende alsdan sulstu di als goet pilgrim

[22va] stellen te weeghe waert Vrouwe seyde ic wel groten danc ic en wensche anders niet ende doet het staphans want het wordt spade ende het is varde van hier daer ic gaerne waer Doe leyde si mi ter plaetsen daert seer schoen was ende daer mennich costelic iuweel was Van stonden an reycte si my wt een kiste een palster ende male de schoenste die nye gesien en waeren De male was van groender zijden ende hinc an een groen snore gheboerdeurt mit .xij. silueren bellen ende elcke belle was gheamelgiert ende op elc amaus stont gescreuen also ghi horen sult

In den eersten stont gescreuen God de vader die hemel ende aerde van niet maecte Int ander god de zone Inde derde god de heylighe gheest van desen drien so verwonderde ic my zeer want int gelijcke schenen zij al een te zijn want ic sach een clepel die tot alle dese drie bellekijns dienden: int vierde gods zoen ihesus chrristus gedaelt in aertrijcke bijden heilegen geest ontfaen mensch geworden ende vander maecht gheboren ghepassijt ende om den sondaer anden cruce gehangen ende int graf geleyt ter hellen gedaelt om zijn vrienden daer te verlossen verreesen vander doot ten hemel ghevaren zittende an de rechter hant zijns vaders om te oerdelen ouer leuende ende ouer dode Voert so stonter in [22vb] de heileghe kercke mit de heilege sacramenten diere toebehoren De meynscap der heylegher santen vergeuenisse der sonden verrisenisse des vleyschs in ziel ende lichaem. Ende int laetste stont gescreuen amen dat is loen elx na zijn verdienste te verstaen dat op elck bellekijn stont gescreuen een artijcle vanden gheloue

Nv sal ic v seggen vanden palster die licht ende starc was ende ghemaect van setijn hout dat niet verrotten en mach Ant eynde bouen was een appel van een ronden spieghel licht ende claer daer men claerlic tlant in ouer sach ende ic sacher de stadt in die ic te voren gesien hadde ende daer ic geerde te weesen Dies ic den palster te lieuer had Een weynich neder was een ander appel minder dan de ander was Rijckelic gemaect van een carboncle Daer en gebrac niet anden palster dan datse niet besleghen en was Dit gedaen gracie seyde my. Siet hier den palster ende de male die ic dy beloefde neemse du suls noch wel van doen hebben inden wech dus bewaertse wijselic Dese male heet trouwe sonder die welcke du gheen reise wel volbrengen en moechs want du zijs schuldich altijt dijn broet ende vitaelge daer inte voeren Ende wilstu dit weten bij ander noch dan van my Sinte pouwels salder dy wel of informeren Dese male is groen van verwen 23ra] want ghelijc de groene verwe den oghen ende tgesicht verstarct Alsoe doet de male daer trou bij betekent is ende scarpt het gesicht van verstannisse ende nymmermeer en sal de ziel perfectelic sien sonder cracht van dese groente ende zij sal di wel van node wesen inden wech om die te vinden ende varde van v te sien Vrouwe seydic wilt my doch doen tverstant hebben van dese drie bellekijns ende die maer een clepel en hebben Seker seide si hier voertijts als ic dese male eerst maecte doe wast genoech alleen volcomelic in gode te gelouen ende doe was dese male sonder bellen maer daer quam veel quaets of want elx wilde gelouen in gode alsoet hem geliefde deen in eender manieren ende dander in een ander manier also si wilden Ende aldus was de male lelic geworden Maer om weder schoen te maken ende de dolinge onder den volcke of te doen ende op dat oueralle een vast geloue soude zijn De .xij. Apostelen hebben dese .xij. bellekijns daer an gestelt ende in elc gescreuen een artijkel hoe datmen in gode is sculdich te gelouen. Dese bellen zijn dicwijle sculdich te luyen in v oren om niet slaperich inden geeloue of te wesen. Niet dat dit ghenoch is alleen te gelouen dese . twelf articlen men moet oec ander dingen mede gelouen als vanden brode ende vanden wijn in vleysch ende bloet ver[23rb]wandelt ende oec dat god de triniteyt een god is ende drie personen. Dit zijstu oec sculdich te gelouen ende het exempel hier of hebdy gesien ande bellekijns daer ghy my om vraecht Maer hier of wilic voertmeer swighen want an de xij artijclen ist al belanc diese al wel te recht verstaet

Also als gracie aldus sprac ende ende vertelde van de bellekijns So wordic siende op dese male ende sach datse alouer mit dropelen van bloede besaeyt was dies mijn sinnen verscricte want ics voer die tijt niet gesien en had. Vrouwe seydic ic heb ghesien dese male ende en heb niet gemerct van dese dropelen van bloede voer nv berecht mi van dese dropelen of geeft my een ander male

O vrient seyde zij en wilt dy niet wantroesten maer zijt getroest want alstu de waerheit hier of sult weten sulstuse lieuer hebben dan te voren. Hier voermael was een ionghelinc die in zijn ioncheyt steuen hiete die de de male droech in allen steden daer hij ghinc maer hy was bespiet van rouers om hem zijn male te nemen ouermits haer scoenheyt ende deden hem grote last an. maer hi weerde hem vromelic ende had lieuer te steruen dan zijse hem nemen souden ende also deden zij ende vermoerden hem mit stenen ende mit zijnen bloede is de male bedropen Maer op die tijt was de male [23va] schoender om tbloet datter nyewelincs gestort was Ende sint dat dese male aldus bebloet was wart zy te meer ghedraghen ende begheert dan te voren ende men droemder om ia enighe lieten hem ontleden ende doden soe veel datter tgetal niet wel moegelic en is of te weten Dus al ist dat de male bebloet is te meer isse te prijsen want daer en is dropel si en is beter dan dyamanten. Hier by wilse dy yemont benemen so laet dy eer martelien ende doden dus nemse wantse dy van node is Vrouwe seyde ic het genoucht my zeer wel dat ghi my geseyt hebt vanden bloede maer de voerwaerde is zeer swaer daer ghijse my op gheeft nochtan genoechtse my wel ende ic ontfanghe de male daer op nadien ghijse my presenteert

Doe sonder letten nam icse ende hincse ontrint mi ende gracie die halp my Als ic de male ontrent my gheuoelde was ic harde blide want icse lange begeert had

Nv sal ic v seggen vande palster die hope geheten is die tot allen tijden goet is want die daer vast op leent mach qualic vallen Du biste sculdich op hem te leenen alstu zijs in quade weghen De opperste appel is ihesus christus die een spiegel is sonder smette daer elckerlijc in sien mach zijn selfs aensichte. In dese spiegel sulstu dy spiegelen ende daer [23vb] naer leuen want alstu dy daer wel in spiegels dijn wech sal veel te lichter weesen

Dese ander appel is daer dese appel of gecomen is. Dat is de gloriose maecht marie moeder goods almachtich ende dus is zij by gracie gestelt ande palster voer de anderde appel want te voren en was daer maer een appel dat niet ghenoech en was want sonder haer en mocht nyemont anden eersten appel comen dan by haer als moeder des almachtihen god die de eerste appel is van de palster dus soe hout v an dese palster ende leenter an want dese appel is allen pelgrymen noetsakelic Dus raedic dy datstu hier an desen palster leens want du sulster in alle quade weghen opghehouden zijn ende comen volcomelic in den oppersten appel vande palster dat god almachtich is

Mit dese woerden gaf zij my de hant daer my grote blijscap af quam want ic vandt my seluen al ghereedt om my te wege te stellen Maer ymmer was my leet dat de palster niet beslagen en was Vrouwe seydic tot gracie Ic en can mi niet langer onthouden ic en moet mijn gepeyns v ontdecken van dese palster want my verdriet dat hy niet beslagen en is want alle ander palsteren die ic sie zijn al beslaghen Dus wilt my doch seggen waer om

[24ra1] dat ghi hem mi aldus gegeuen hebt Hoe vrient seide si en hebbic di niet geseyt datstu di souds houden ant opperste eynde ende rusten op die appelen want die sullen di op houden Oec een beslaghen palster weecht meer dan een onslegen. dus gheue icken di om der lichticheit wil ende mede een palster die beslgen is. is moyliker een dien draecht in een quade wech ouermits sijn diep in ghaen dus geue icken di om niet belemmert [24rb1] te sijn inden wech Vrouwe seide ic of de honden inden wech mi op liepen ende biten wilden souden si so seer ontsien den onbeslagen stoc als den beslagen Dijn palster en is niet om te vechten ende slaen. mar alleen om op te rusten. want de wapene daer du di mede verweren suls op dijn vyanden sal ic di te hans geuen Ay vrouwe seide ic de palster genoecht mi wel op die condicie ende bidde v dat ghy mi dander wapen wilt halen

Toen Gratie me aldus verteld had dit mooie avontuur kwam me grote wil en appetijt toe om te eten van dit brood. En zei: Vrouw, ik bid u hartelijk dat gij mij wil geven van Mozes overblijfsel om mijn lege hart te verzadigen want lange tijd is het leeg geweest en nooit was het zat. Zeker, zei Gratie, uw begeerte is niet onredelijk en dit overblijfsel is voor u zeer noodzakelijk in de weg die u genomen hebt want eer dat u komen zal ter plaatse die u begeert zal u door menig kwaad wad moeten gaan en menige kwade herbergen zal ge vinden en indien u dit brood niet met u droeg zou u slecht op uw gemak wezen. Daarbij geef ik u verlof als u wil. Maar het is eerst nodig dat u een pelgrimsstaf en bedelzak heeft die u in het begin zo zeer begeerde. En die ik u altijd beloofde te geven in mijn huis als ik u de schone dingen getoond zal hebben die daarbinnen zijn die de hele wereld niet ziet. Nu heb ik u eensdeels al getoond en geopenbaard en wil me tegen u kwijten van mijn belofte en zal u geven als het u belieft een pelgrimsstaf en bedelzak zoals het u believen zal en alsdan zal u als een goede pelgrim stellen ter weg waart. Vrouwe, zei ik, wel grote dank, ik wens niets anders en doe het gelijk want het wordt laat en het is ver van hier daar ik graag was. Toen leidde ze me ter plaatse daar het zeer mooi was en daar menig kostbaar juweel was. Van stonden af aan reikte ze me uit een kist een pelgrimsstaf en bedelzak, de mooiste die er ooit gezien zijn. De bedelzak was van groene zijde en hing aan een groen snoer geborduurd met 12 zilveren bellen en elke bel was gehamerd en op elk stond amaus geschreven alzo ge horen zal.

In de eerste stond geschreven God de Vader die hemel en aarde van niets maakte. In de andere God de Zoon. In de derde God de Heilige Geest. Van dezen drie zo verwonderde ik me zeer want in het vergelijken schenen zij al een te zijn want ik zag een klepel die tot al deze drie belletjes diende: in het vierde Gods zoon Jezus Christus gedaald in aardrijk bij de Heilige Geest ontvangen en mens geworden en van de maagd geboren, geleden en om als zondaar aan het kruis gehangen en in het graf gelegd, ter hellen gedaald om zijn vrienden daar te verlossen, verrezen van de dood, ten hemel gevaren en zit aan de rechterhand van zijn vader om te oordelen over levende en over dode. Voort zo stond er in de heilige kerk met de heilige sacramenten die er toebehoren. De gemeenschap van de heilige Sinten, vergiffenis der zonden, verrijzenis des vlees in ziel en lichaam. En op het eind stond geschreven amen, dat is te verstaan loon elk naar zijn verdienste, dan op elk belletje stond geschreven een artikel van het geloof.

Nu zal ik u zeggen van de pelgrimsstaf die licht en sterk was en gemaakt van satijnhout dat niet verrotten kan. Aan het einde boven was een appel van een ronde spiegel, licht en helder daar men duidelijk het land in overzag en ik zag er de stad in die ik te voren gezien had en daar ik verlangde te wezen. Dus ik de pelgrimsstaf te liever had. Een weinig lager was een andere appel, kleiner dan de andere en was rijkelijk gemaakt van een karbonkel. Daar ontbrak niets aan de pelgrimsstaf dan dat ze niet beslagen was. Dit gedaan zei Gratie me: Ziet hier de pelgrimsstaf en de bedelzak die ik u beloofde, neem ze, u zal ze nog wel nodig hebben op de weg, dus bewaar ze wijs. Deze bedelzak heet trouw, zonder die u geen reis goed volbrengen mag want u moet altijd uw brood en levensmiddelen daarin voeren. En wil u dit weten van andere of van mij dan zal Sint Paulus u er wel van informeren. Deze bedelzak is groen van kleur want gelijk groen de kleur van de ogen is en het gezicht verscherpt. Alzo doet de bedelzak daar trouw bij betekent is en scherpt het gezicht van verstand en nimmermeer zal de ziel perfect zien zonder kracht van deze groene en ze zal u wel nodig wezen op de weg om die te vinden en ver van u te zien. Vrouwe, zei ik, wil me toch laten verstaan van deze drie belletjes die maar een klepel hebben. Zeker, zei ze, hier vroeger toen ik deze bedelzak net maakte toen was het genoeg alleen volkomen in God te geloven en toen was deze bedelzak zonder bellen, maar daar kwam veel kwaad van want elk wilde geloven in God alzo het hem belieft, de ene in de ene manier en de andere in een andere manier alzo ze wilden. En aldus was de bedelzak lelijk geworden. Maar om het weer mooi te maken en de doling onder het volk weg te doen en zodat overal een vast geloof zou zijn hebben de 12 apostels deze 12 belletjes daaraan gesteld en in elk een artikel geschreven hoe dat men in God moet geloven. Deze bellen moeten vaak luiden in uw oren om niet slaperig in het geloof te worden. Niet dat dit genoeg is alleen te geloven in deze twaalf artikels. Men moet ook andere dingen mede geloven als van het brood en van de wijn in vlees en bloed veranderd en ook dat God de Triniteit een God is en drie personen. Dit moet u ook geloven en het voorbeeld hiervan hebt u gezien aan de belletjes daar ge mij om vraagt. Maar hiervan wil ik verder van zwijgen want het hangt van al die 12 artikels af of u het wel goed verstaat.

Toen Gratie aldus sprak en vertelde van de belletjes zo keek ik naar deze bedelzak en zag dat ze al over met druppels bloed bezaaid waren, dus ik schrok in mijn geest want ik had ze daarvoor niet gezien. Vrouwe, zei ik, ik heb deze bedelzak gezien en heb niet gemerkt van deze bloeddruppels, nu bericht me van deze druppels of geef me een andere bedelzak.

O vriend, zei ze, wantroost u niet maar wees getroost want al u de waarheid hiervan zal weten zal u het liever hebben dan te voren. Hier vroeger was een jongeling die in zijn jeugd Stephanus heette die de bedelzak droeg in alle plaatsen daar hij ging, maar hij was bespied van rovers om hem zijn bedelzak te nemen vanwege haar schoonheid en deden hem grote last aan. Maar hij verweerde zich dapper en had liever te sterven dan dat zij hem nemen zouden en alzo deden zij en vermoorden hem met stenen en met zijn bloed is de bedelzak bedropen. Maar op die tijd was de bedelzak mooier om het bloed dat er net op gestort was. En sinds dat deze bedelzak aldus bebloed was werd ze te meer gedragen en begeerd dan te voren en men droomde ervan, ja enige lieten zich ontleden en doden en zoveel dat het getal niet goed mogelijk is om te weten. Dus al is het dat de bedelzak bebloed is te meer is het te prijzen want daar is geen druppel ze is beter dan diamant. Hierbij wil iemand het u benemen zo laat u eerder martelen en doden, dus neem het want u hebt het nodig. Vrouwe, zei ik, het verheugt me zeer goed dat gij mij gezegd heeft van het bloed, maar de voorwaarde is zeer zwaar die gij op mij legt, nochtans vergenoegt ze me goed en ik ontvang de bedelzak daarop nadien gij ze mij presenteert.

Toen zonder wachten nam ik ze en hing ze omtrent mij en Gratie hielp me. Toen ik de bedelzak omtrent me voelde was ik erg blijde want ik had het lang begeerd.

Nu zal ik u zeggen van de pelgrimsstaf die hoop geheten is die tot alle tijden goed is want die daar vast op leunt kan vrijwel niet vallen. U moet op hem leunen als u in slechte wegen bent. De opperste appel is Jezus Christus die een spiegel is zonder smetten daar elk in zien mag en zelf zijn eigen gezicht. In deze spiegel zal u zich spiegelen en daarnaar leven want als u zich daarin goed spiegelt zal uw weg veel lichter zijn.

Deze ander appel is waar deze appel van gekomen is dat is de glorieuze maagd Maria, moeder God Almachtig en dus is zij bij Gratie gesteld aan de pelgrimsstaf voor de andere appel want te voren was daar maar een appel dat niet genoeg was want zonder haar kan niemand aan de eerste appel komen dan bij haar als moeder der Almachtige God die de eerste appel is van de pelgrimsstaf, dus zo hou u aan deze pelgrimsstaf en leun er op want deze appel is voor alle pelgrims noodzakelijk. Dus raad ik u aan dat u hier aan deze pelgrimsstaf leunt want zal u in alle kwade wegen opgehouden zijn en volkomen komen bij de opperste appel van de pelgrimsstaf dat God Almachtig is.

Met deze woorden gaf ze mij de hand waar me grote blijdschap van kwam want ik vond mezelf al gereed om op weg te gaan. Maar immer was het me leed dat de pelgrimsstaf niet beslagen was. Vrouwe, zei ik tot Gratie, ik kan me niet langer onthouden, ik moet mijn gepeins u openbaren van deze pelgrimsstaf want het verdriet me dat het niet beslagen is want alle ander pelgrimsstaven die ik zie zijn al beslagen. Dus wil me toch zeggen waarom dat ge hem me aldus gegeven hebt. Hoe vriend, zei ze, heb ik u niet gezegd dat u zich zou houden aan het opperste einde en rusten op die appels want die zullen u ophouden. Ook een beslagen pelgrimsstaf weegt meer dan een onbeslagen, dus geef ik die u vanwege de lichtheid en mede een pelgrimsstaf die beslagen is, is moeilijker voor een die het draagt op een slechte weg vanwege zijn diep ingaan, dus geef ik die om niet belemmerd te zijn op de weg. Vrouwe, zei ik, als de honden in de weg naar me liepen en bijten wilden zouden ze net zo zeer ontzien de onbeslagen stok als de beslagen. Uw pelgrimsstaf is niet om te vechten en slaan, maar alleen om op te rusten, want de wapens daar u zich mee verweren zal op uw vijanden zal ik u gelijk geven. Ay vrouwe, zei ik, de pelgrimsstaf vergenoegt me wel op die conditie en bid u dat ge gij me de andere wapens wil halen.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts pelgrim en Gratie Gods in een ruimte waar aan een stok aan de muur een wapenrusting hangt>

 

[24ra2] Doe nam mi gracie ende leide mi in haer camer dair veel scoender wapen hinghen ouer een reck om veel volcs mede te wapenen van als dat een man van oerloghe toe behoort als pansiers gorgieren helmen scilden ende swaerden ende oerloefde mi te wapenen van als dat mi van node wesen dochte. mar ic en [24rb2] wiste niet welke wapen mi best dienen soude want ic nye mijn leuen wapen gedragen en hade noch en wist hoe icse aen doen soude Dus seide ic vrouwe doir genade bid ic v wilt mi doch wijsen welc wapen ick nemen sal ende hoe ic mi sculdich bin te wapenen. want het en si dat gij my wilt hebpen aen doen dese wapen

[24va] Soe en heb ic noch al niet gedaen doe nam si een porpoent of wambaeys gemaect van eenre wonderliker manieren. seker nye en sach ic alsulc noch en hoorde spreken. want recht after op den rugge was ghestelt een haenbilt recht om slaghen van hamers te ontfaenne ende dat gaf si mi alre eerst Siet hier seyde si een wambaeys dat beste dat noyt man droech. want wie hant noch voeten en hadde ende mit eenen velle te gader hinghe ende dat hi sonder meer dit an hadde soe en mocht hi nymmermeer verwonnen sijn. maer hi soude mit groter eeren verwinnen ende victorye hehben van allen sinen vianden Ende noch soe seg ic di meer dat die gene die dit wambaeys an heeft hi doet sijn profijt ende daer andre doen hare schade want tempeest doet sijn coren wassen. ende pestelencie vullet zijne kelnare. van groter harthede heeft hi sachte bedden ende van tormenten grote bliscappen. vasten doeten vet wesen. ende ziecheyt die versterctene. siecte ende tribulacie dats sijn solaes ende is gestict mit vele sticken om datment wambaeys hiet Alsoe die gene diet aen heeft wart mit sticken gewapent ende sonder sticken en doget hem niet Wilstu weten hoet ghehieten is. men hietet paciencia. dat ghemaect is om pine te dogene ende grote steken te ontfane sonder murmureren of [24vb] gram daer om te sijn maer danckelic. Dit porpoent hadde de coninc ihesus an om dinen wille als hi hinc anden cruce ende waert gesteken op dit wambaeys dat paciencie is. want hijt al lijdsamlic verdroech. dus ist wel te mercken dattet goet is nae dattet die grote coninc aen hadde doen hi strijden soude Dus neem se ende doese an ic radet di want van allen wapenen behoort dit eerst an ghedaen te wesen die hem te recht wapenen wil

Doe nam ic dit wambaeys ende deet aen maer my was vremdelic te moede want het docht mi seer te wegen en te nau sijn ende verwoech mi te dragen Vrient seyde si dit wambaeys waer di wel te passe waerstu daer nae ghesneden mar du biste al te vet ende te dicke in dijn lijf ende du biste al te weeldich op geuoedt tot nv toe ende hier bi ist dattu dit wambaeys sonder pijn niet draghen en moechs. dus ist van node datstu di stels na twambaeys ende wat of legts dattu te veel hebs so sulstuut te gemackeliker moghen draghen

Urouwe seide ic sal men mi besnyden na dit wambaeys of ic waer een beelt van houte. neen seide si in dienstuut dragen wils sonder af doen salt hem seluen wel punten na dijn lijf. want al dunctket di swaer ende hart int eerste ten is mar om di [25ra] te passe te stellen Maer alstu te passe suls gestelt zijn soe en salt dy niet beswaren noch pijnlic wesen Isser yemont die dy qualic toespreect of lelic keert hem de rugge sonder weeder te spreken Al hoerstu een hont bassen dy en leyt daer niet an biet hem taenbilt ende lae hem slaen so veel als hij wille want mit de slagen die hij dy gheeft sulstu te passe gestelt warden ende du suls daer an verdienen gecroent te zijn want mit sulcke slagen ende smedinge saldy gesmeet warden een croene dye niemont genaken en mach. dat is de crone der maertelaren die mit dit wambus of porpoynt gewapent waren. Die vande slagen die si ontfingen de crone bereyt was Dus so raede ic dy dastu dit porpoynt mede draghes want het sal dy in corter tijt van node zijn Dat sal zijn als tribulacie dy ouer al wachten ed verspijen sal ende haer serianten an dy senden om dy te bespringhen ende op dy so grote slagen slaen indien du waers sonder tporpoint datstu wesen souds in groter vresen vander doot Nu doet datstu wils ende dy best gedaen dunct

Urouwe seyde ic v seggen genoecht my wel ende ic en segge daer niet tegen. maer my dinct dat myn macht so vard niet en strect dat ic tporpoynt soude draghen of gedoghen mogen Niet min ic salt pijnen te dragen so lange als ic sal [25rb] mogen Ende ist dat ghy my enighe wapen meer geuen wilt ic wilse vlitelic andoen ende dragen

Doe reyctese my een halsberch dat bouen maten schoen was ende seyde Neemt desen halsberch of pansier dat in tijden voerleden ghemaect was om teghens de doot te vechten ende tegens al haer gesinne dats tegen pijn torment ende vreesen want de doot is so vreselic een beest soe wie datse siet verliest zijn sinnen memorie ende hope. ende hij blijft verloren ist dat hy hier mede niet ghewapent en is Maer so wie hier mede gewapent is ende ontsiet niet ende darf stoutelic gaen in allen oerlogen om prijs ende eer te beiagen Dit pansier smede hier voertijts de smit vanden oppersten lande die de sonne ende de elementen smede sonder hamer In dien tijden en wistmen van gheen ander wapen te spreken noch te draghen Ende noch en is hij niet wel gewaent die mit deser wapenen niet ghewapent en is

Dese halsberch of pansier die is gnoemt [sic!] starchede daer hier voertijts gods campioenen mede gewapent waren die de doot niet en ontsagen so vast was dit pansier ghemaect dat mender mit geenderley wapen daer maelge of breken mocht want het was genagelt mit de selfde nagelen daer de smeets zoene mede ghenagelt was Ende dat yser [25va] was oec geweect int bloet dat van hem liep wt zijnder zijden ende daer om ist soe starc ende vast. Ende alle diet an hadden doe ter tijt waren so vroem dat gheen torment noch oerloghe soe vreeselic en was dat zij ontsaghen Ende hier by sulstuut mede an doen

Doe nam ic dat pansier ter stont ende seyde Vrouwe ic bid v hartelic dat eer ic dit pansier an doe gij mi togen wilt alle de wapenen daer ghi my mede wapenen wilt want na dat ic wapenen saghe daer na soude ic my willen ordineren. Doe reicte si my een gorgier een helm ende een taerge of schilt. een paer hantscoen ende een swaert seggende aldus Mit alle dese wapenen moetstu ghewapent zijn te minsten ende du sulster oec wel mede gedoen op datstu dy wel verweren conste Ende ic soude dy ander gheuen kende ic dy starc ghenouch Maer ic salse behouden voer starcker die ic vinden sal dan du zijs. mit den helme ende ghorgiere sulstu dy

eerst wapenen om hoeft ende halse te beschermen Daer na sulstu de hantscoen an doen want sonder dijn handen gedect te zijn en soustu niet wel ghewapnet zijn

Dv zijs oec schuldich te weeten dat de helm is getemperhede van sien van horen van geuoelen dingen die dy deeren moghen Want alsoe de helm thoeft bedect Also bescermet ghetemperthede dat oge dat [25vb] het hem niet te varde en keere in sotheden want en waer de nauwicheit der oghen gaten daer mocht sulck gheschut in comen dat recht te herten soude gaen ende sonder remedie ter doot wonden Dese helme stopt mede tgehoer van achterclap dat het niet in comen en mach ter harten noch hinderlic zijn Tot het wincket toe mogen zij comen maer niet ter groter inghanc daer en connen zij niet geraken want dese helm bestopt ende beschermt so scharp den vryen inganc des herts dat hem niement deeren en mach Dus om dy wel te beschermen voer weel sorgelicke saken so is dy wel van node dese helm die genoemt is de helm van salichede daer sinte pouwels ons vermaen of doet opt hoeft te hebben

Nv sal ic dy voert seggen van der gorgiere. die soberhit is geheten om v keele te wachten Ende is een deel van ghetemperhede ende was gemaect om gulsicheyt te wederstaen Mar du zijt noch sculdich te weeten dat dese gorgier gemaect is van dobbele maelgen Want mit enckele en waerse niet starc ghenoech ouermits dat gulsicheyt heft dobbelde verwoethede als van smake ende veel sprekens want quaet spreken is een engien daer een zijn ghebueren mede quetst ter doot toe ia dat ongheneselic is alstu nochwel vernemen suls. Alstuse hier nae noch seluer [26ra] sien sults Dus tegen een so edanige een truande eest goet te hebben dese gorgiere. want het is een dinc dat seer seker is hoe wel dattet een cleen wapen is dus radic di datstu er daer mede voersien sijts ende gewapent als van dijn eten ende drincken watstu vins weest te vreden ende nemet in dancke ende mit een weinich sijt te vreden Als van veel spreken so wacht di mede ende en missegt niement maer tegen elckerlic spreect eerbaerlic Mit deser gorgieren was gewapent de abt van chaalich sinte willem. want mit water ende broot genuechde hem soe wel of hi veel gerechten gehadt hadde alstu vinden moechs in sijn legende. Ende also moechstu oec weten dat in veel sprekens en was hi niet alleen getempert maer hi temperde de quaetsprekers als hijse spreken hoerde want in veel sprekens leyt dicwil groot perikel ende daer comen grote lasten of Hier bi soe seg ic dij ende rade datstu dijn kele mit deser gorgieren wel voersiets ende wapens tegens dese twee voerscreuen

Uanden hantscoen so seg ic dij oeck dattet noot is datstuse wel bewaers want waerstu in de hant gequest du souts luttel connen gedoen mitten anderen leden De handen die sculdich sijn gewapent te sijn mitten hantscoen dat is tastinge ende pollucie. want hoe wel dat [26rb] men ant geheel lichaem tasten ende geuoelen heeft nochtans inde handen ist tasten principalic Ende dair bi verstae ic het tasten principalic bijden handen De hantscoen daer du voer dit tasten mede gewapent sult sijn die sijn geseit te wesen een derden deel van ghetempertheit datmen noemt continencia. de welcke dubbelt verstant in heeft als inder daet ende inde wille. want de daet en waer niet genoech en waerder de wille niet mede Een man en waer nimmermeer wel ghewapent mit een hantscoen dat is de wille ende de daet behoren te gader Dese continency aldus gedubbeleert wort van enigen genoemt winnebroots want bi hem dats mitten hantscoen wintmen broot daer bi dat die menschelike natuer bi gheuoedt wort ghelijc gefigureert is lange tijt hier te voren ghelijc alstu vinden moechts wilstu studeren inder coningen boec Dese winnebroots hadde hier voretijts sinte barnaert. als twijf by hem al naect lach ende ontcleet maer wat dat si hem vermaende. of wat si hem aen taste nye en wast in hair moege wat si daer toe dede om hem te doen keren tot haer toe. want alle haer tasten ende spreken en geuoelde hi niet alsoe was hi ghewapent mit desen tween voerscreuen hantscoen Doir twelc van noots wegen hem laten moest ende van hem [26va] scheide al bescaemt ende sonder hem te quetsen ghinc si van hem ende dat deden die hantschoen daer hi mede gewapent was. Ende daer bi radic dy datstu di oec daer mede wapens ende daer om heb icse di gebracht

Uanden swaerde sulstu oeck weten dattu geen beter wapen en moechts crigen want die hem mittet zwaet behelpen can ende anders gheen wapen en hadde so soude hi nochtan meer geducht zijn of hi alle dander wapenen hadde Dit zwaert is gehieten iusticie het wt gelesenste bouen allen anderen het costelijcste dat ye coninck of prince voerde. Het geeft een yegelic alst tijt geeft dat hem toe behoort. het is een keyserlic of coninclic swaert om mede te regieren. want sonder dit swaert en mach nyemant wel regieren want het is altijt dreygende den misdadigen het wacht den mensche van misdoen. het dwincht het herte gode te minnen. het doet quade gedachte verkeren de wille begeerte ende verstannisse der sielen onderhoudet inde vrese gods. het corrigeert alle scandelike ende sondelike wecken. exempel hebstu aen sinte benedictus Die mitten swaerde ghegort was de coninc hat hem gegort als hi hem heer maecte vander wet: Want als hi sijn lichaem sach wel getempert ende dat hi niet obedieren en wilde castidien ende sloechen soe [26vb] mit desen swaerde dat hi after dien nye rebel noch ouerhoerich tegens hem en was Dit swaert sulstu dragen ende daer mede sulstu di verweren tegen alle die gene die ic di voer genoemt hebbe die op dy sware vyande sijn want du en hebs gheen quader vianden dan ontrent di sijn. dus alstu enige van desen beuoels contrarij ende teghes dijn salichede te willen gan ende rebel tegen dijn conciencie ter stont so sijt daer tegens mit desen swaerde dat van dier crachten is dijnen viant soe te castien dat hi after die tijt gheen macht meer hebben en sal ouer di noch enige rebellicheit sal dorren toenen. Ende so wanneer datstu enige vindes dolen vanden rechten wech ende die haer herte ontweget sijn peynsende op ongeoerdineerde dingen. Alsdan sulstu mit dit swaert daer voer sijn ende elckerliken berechten ende iaghen in sijn plasse daer hi behoort

Urouwe seyde ic het waer wel goet dunct mi dat ick een scheede van v hadde dit swaert in te steken want al bloet en mocht ic niet draghen sonder mi te quetsen. Ende oec sinte benedictus en droecht alsoe niet maer hadt ghegort ontrent hem. alsoet de coninc droech ende dat hebdi mi geleert Ende dit swaert hadde een rieme ende een schede daert in gesteken was ende ic soudse gaern hebben waert wel [27ra] v wille also Seker seyde si du segs wel ende het gheneucht my seer wel dastu mijn woerden so wel verstaen hebs waer bi du hebben suls tot dijn wille de schede rieme ende gespe om tsvaert mede te gorden

Doe sach icse stappans ghaen tot een scoen rec daer de wapenen hinghen daer na nam zij de schede ende brachtse mi ende seide. siet hyer daer in dat sinte benedictus zweert stac doe hijt droech. goede riemen heuet om vaste te gordene ende goede gespen om vaste te sluten. dus neemtse ende wachtse wel van verliesen. Dese scheede is gehieten oetmoedicheit inde welke du dijn swert ende iusticie schuldich sijt te steken ende decken. want al siestu enige duecht in dy ende dattu enige duecht gedaen hebs. du zijtse sculdich te decken in dese schede die gemaect is van enen doden velle om dij altoes te vermanen dattu sterflic biste ende dattuut bi dy seluen niet gedaen en hebs maer by my Gedenct vanden publicaen ende vanden pharizeeus die elcx sonder ghe haer lieder swaerden droegen want die gene die tsijne in die scheede droech ende hem besondicht kende was verheuen ende gheeert ende dandere vernedert om dat hij sijn swaert al naect droech. beter eest dat een sijn misdaet kent ende hem seluen besiet dan dat hi sijn rechtuaerdicheyt ontdecken sal ende seggen siet hier mijn [27rb] zwaert dat ic al naect houde om iusticie te doen want alsoe doet die houaerdige die vol beroemens is die anders niet en soect dan ydel glorie ende gepresen ende geeert te wesen. alsoe en sulstu niet doen maer suls dijn swaert in dijn schee steken ende vernederen di twelc di oec veel bet betamen sal

Dan alstu dat swaert aldus in die sceede gedect hebs dan sulstu dy mitten rieme gorden om v wapenen daer mede te gader te duwen om dattuse te vaster ende te sekerder dragen suls. want nyemant wel gewapent en is ist dat sijn wapen niet vast ghegort en is ende inde gespe wel vast ghesloten De rieme hiet geduericheit ende de gespe ghestadicheyt die altoos te gader sijn sculdich te houden sonder scheyden want ter noot en doech deen sonder dander niet De ryem ouermits sijn grote lanchede hout de wapenen in haer cracht mit het zwaert dat zij op hout ende houtse te gader datse niet ontcleet noch gescheiden en worden. De gespe hout ende sluyt den ryem: dat hi niet en ontbinde en houtet so in vaste ende gestadiger staten want het ist gerechte slot vanden wapen Al dus also du geeyscht hebs so gheuic di ende gelieft my wel datstuse hebs wantse di al wel van noode sijn Dus wercter mede als du sculdich sijs ende du suls dijn selfs profijt doen

[27va] Als ic dese woerden hoerde soe wardt ic peynsende ende als niet alte wel te vreden want mijn meninge en was niet sulc een schede te hebben ic waende wel een ander schede rieme ende gespe ghehadt te hebben lichter om dragen Ende had doe wel ghewilt dat ic tporpoynt quijt had geweest maer ic sweech ende en dorster niet af spreecken

Dese woerden gheeyndt vande scheyde sprack si ter stont weder tot my aldus Hoert nu wat de targe beduyt sonder wie nyemont wel ghewapent en is want si beschermt alle dander wapen van breken Targe is geseit prudencia die salomon costumelic drouch als hy een yegelic recht ende iusticie doen wilde ende was hem beter dan tien ander targen van fijnen goude want by deser targen alleen ende niet van alle zijn ander wapenen was hy gheeert ende ontsien maer daer nae als hine verloren had al zijn ander wapene en halp hem niet en stroe maer waren alle gelijc mit de targe verloren Dus soe rade ic datstu dese taerge draechs om dander wapen mede te beschermen tegens dijn vyanden Dus de tijt is hier trectse an ouer v ander wapen want hier mede soe zijdy van als voersien dat van wapen te wege v van node weesen sal ende van gheenen anderen dinghen en hebstu meer gebreke

[27vb] Als ic dit hoerde verscricte ic my als die onghewoen was enighe wapen te draghen Oec mede tporpoynt dwang ende bewoech my zeer maer doer haren wille soe began ic my te wapenen Eerst deed ic an het pansyser ouer tporpoynt of wambuys dat gedaen dede ic an de dobbelde gorgerijn ontrent mijn kele daer na sette ic den helm opt hoeft daer nae nam ic mijn hantschoe ende gorde doe het swaert Als ic aldus ghewapent was nam ic de taerge of schilt voer mi ghelijcse mi beuolen had al wast dattet my ten alder besten niet en behaechde

Toen nam me Gratie en leidde me in haar kamer waar veel mooie wapens over een rek hingen om veel volk mee te wapenen als dat een man van oorlog toe behoort als pantsers, halsstukken, helmen schilden en zwaarden en veroorloofde me te wapenen van alles wat ik nodig zou hebben, maar ik wist niet welke wapens me het beste dienen zouden want ik had nog nooit van mijn leven een wapen gedragen en wist ook niet hoe ik ze aan zou doen. Dus zei ik; Vrouwe, door genade bid ik u, wil me toch wijzen welke wapens ik nemen zal en hoe ik me moet wapenen tenzij dat ge me wil helpen deze wapens aan te doen want zo heb ik het nog nooit gedaan. Toen nam ze porpoent of wambuis gemaakt van een wonderlijke manier. Zeker zag ik nooit zulke nog hoorde er van spreken. Want recht achter op de rug was gesteld een aambeeld recht omgeslagen van hamers te ontvangen en dat gaf ze me allereerst. Ziet hier, zei ze, dit is een wambuis en de beste die ooit een man droeg want wie hand nog voeten had en met een vel tezamen hing en dat hij zonder meer dit aan had zo mocht hij nimmermeer overwonnen zijn, maar hij zou met grote eren overwinnen en victorie hebben over al zijn vijanden. En nog zeg ik u meer dat diegene die dit wambuis aan heeft hij doet zijn profijt en daar andere doen hun schade want tempeest laat zijn koren groeien en de pest vult zijn kelder, van grote hardheid heeft hij zachte bedden en van kwellingen grote blijdschappen, vasten doet hem vet wezen en ziekte die versterkt hem, ziekte en narigheid dat is zijn solaas en is gestikt met vele stikken omdat men het wambuis noemt. Alzo diegene die het aan heeft wordt met stikken gewapend en zonder stikken deugd het hem niet. Wil u weten hoe het geheten is? Men noemt het geduldig dat gemaakt is om pijn te dogen en grote steken te ontvangen zonder murmureren of gram daarom te zijn, maar dankbaar. Deze wambuis had koning Jezus aan vanwege uw wil toen hij naar het kruis ging en werd gestoken op dit wambuis dat geduldig is want hij het al lijdzaam verdroeg. Dus is het wel te merken dat het goed is naar dat het die grote koning aan had toen hij strijden zou. Dus neem ze en doe het aan, ik raadt het u aan want van alle wapens behoort dit eerst aangedaan te wezen die hem terecht wapenen wil.

Toen nam ik dit wambuis en deed het aan maar het was me vreemd te moede want het dacht me zeer te wegen en te nauw te zijn en overwoog het me te dragen. Vriend, zei ze, dit wambuis is u wel te passe was u daarnaar gesneden maar u bent al te vet en te dik in uw lijf en u bent al te weelderig opgevoed tot nu toe en hierbij is het dat u dit wambuis zonder pijn niet dragen mag. Dus is het nodig dat u zich stelt naar dit wambuis en wat van u legt dat u teveel hebt zo zal u het gemakkelijker mogen dragen.

Vrouwe, zei ik, ik zal me besnijden naar dit wambuis alsof ik een beeld van hout was. Neen, zei ze, indien u het dragen wil zonder af te doen zal het zichzelf wel vormen naar uw lijf. Want al lijkt het u zwaar en hard, in het begin is het maar om u te passe te stellen. Maar als u te passe zal gesteld zijn zo zal het u niet bezwaren nog pijnlijk wezen. Is er iemand die u slecht toespreekt of lelijk keer hem de rug toe zonder tegen te spreken. Al hoort u een hond bassen stoort u er zich niet aan en biedt hem het aanzicht en laat hem slaan zoveel als hij wil want met de slagen die hij u geeft zal u te passe gesteld worden en u zal daaraan verdienen gekroond te zijn want met zulke slagen en smeden zal ge gesmeed worden een kroon die niemand genaken kan. Dat is de kroon der martelaars die met dit wambuis of porpoynt gewapend waren. Die van de slagen die ze ontvingen de kroon bereid was. Dus zo raad ik u aan dat u dit wambuis mee draagt want het zal gauw nodig zijn. Dat zal zijn als narigheid u overal opwacht en bespieden zal en haar bedienden naar u zenden om u te bespringen en op u zulke grote slagen slaan en indien u was zonder het wambuis zodat u wezen zou in grote vrees van de dood. Nu doet wat u wil en u best gedaan lijkt.

Vrouwe, zei ik, uw zeggen vergenoegt me wel en ik zeg daar niets tegen, maar me lijkt dat mijn macht niet zo ver strekt dat ik het wambuis zou dragen of gedogen mogen. Niettemin ik zal me pijnigen het te dragen zo lang als ik zal mogen. En is het dat gij me enige wapens meer wil geven wil ik ze vlijtig aandoen en dragen.

 

 

 

 

 

Toen reikte ze me een malinkolder dat boven maten mooi was en zei: Neem deze malinkolder of pantser dat in tijden voorleden gemaakt was om tegen de dood te vechten en tegen al haar gezin, dat is tegen pijn, kwelling en vrees, want de dood is zo n vreselijk beest zo wie dat het ziet verliest zijn zinnen, memorie en hoop en hij blijft verloren is het dat hij hiermee niet gewapend is. Maar zo wie hier mee gewapend is ontziet het niet en durft dapper te gaan in alle oorlogen om prijs en eer te bejagen. Dit pantser smeedde hier voortijds de smid van de opperste landen die de zon en de elementen smeedde zonder hamer. In die tijden wist men van geen ander wapen te spreken nog te dragen. En nog is hij niet goed gewapend die met deze wapens niet gewapend is.

Deze malinkolder of pantser die is genoemd sterkte daar hier voortijds Gods kampioenen mee gewapend waren die de dood niet ontzagen, zo vast was dit pantser gemaakt zodat men er met geen wapen malin van breken mocht want het was genageld met dezelfde nagels daar de smids zoon mee genageld was. En dat ijzer was ook geweekt in het bloed dat van hem liep uit zijn zijden en daarom is het zo sterk en vast. En alle die het aan hadden toentertijd waren zo dapper dat geen kwelling nog oorlog zo vreselijk was dat zij het ontzagen. En hierbij zal u het mede aan doen.

Toen nam ik dat pantser terstond en zei: Vrouwe ik bid u hartelijk dat eer ik dit pantser aan doe gij me alle wapens tonen wil daar gij me mee wapenen wil want nadat ik wapens zag daarna zou ik me willen ordineren. Toen reikte ze me een halsstuk, een helm en een taerge of schild, een paar handschoenen en een zwaard en zei aldus: Met al deze wapens moet u ten minste gewapend zijn en u zal er ook goed mee doen zodat u zich goed verweren kan. En ik zou u andere geven kende ik u sterk genoeg. Maar ik zal ze behouden voor sterkere die ik vinden zal dan u bent. Met de helm en halsstuk zal u zich eerst wapenen om hoofd en hals te beschermen. Daarna zal u de handschoen aan doen want zonder dat uw handen bedekt te zijn zou u niet goed gewapend zijn.

 

 

 

U moet ook weten dat de helm is getemperd van zien, van horen, van dingen voelen die u deren mogen. Want alzo de helm het hoofd bedekt alzo beschermt het getemperd dat oog dat het hem niet te ver keert in zotheden want was de nauwheid der ooggaten daar mocht zulk geschut in komen dat het recht ter hart zou gaan en zonder remedie ter dood verwonden. Deze helm stopt mede het gehoor van roddel zodat het er niet inkomt en mag ter hart niet hinderlijk zijn. Tot het wiket of kijkgat toe mogen zij komen maar niet ter grote ingang, daar kunnen ze niet komen want deze helm verstopt en beschermt zo scherp de vrije ingang van het hart zodat het niemand deren mag. Dus om u goed te beschermen voor veel zorgelijke zaken zo is u deze helm wel nodig die genoemd is de helm van zaligheid waar Sint Paulus ons van vermaant of laat op het hoofd hebben.

Nu zal ik u verder zeggen van het halsstuk die soberheid is geheten om uw keel te bewaken. En is een deel getemperd en was gemaakt om gulzigheid te weerstaan. Maar u moet nog weten dat dit halsstuk gemaakt is van dubbele malin. Want met enkele was ze niet sterk genoeg vanwege dat gulzigheid dubbele verwoedheden heeft als van smaak en veel spreken want kwaad spreken is een werktuig waar een zijn buren mee kwets ter dood toe, ja, dat ongeneselijk is zoals u nog wel vernemen zal zoals u hierna nog zelf zal zien. Dus tegen een zodanige trawant is het goed te hebben dit halsstuk want het is een ding dat zeer zeker is, hoewel dat het een klein wapen is dus raad ik u aan dat u daarmee voorzien bent en gewapend als van uw eten en drinken. Wat u vindt wees tevreden en neem het in dankaan  en wees met een weinig tevreden. Als van veel spreken zo wacht u mede en miszeg niemand, maar spreek tegen elk eerbaar. Met dit halsstuk was gewapend de abt van Chaalich (?) Sint Willem want met water en brood vergenoegde hij zich zo net goed alsof hij veel gerechten gehad had zoals u vinden mag in zijn legende. En alzo mag u ook weten dat in veel spreken was hij niet alleen getemperd, maar hij temperde de kwaadsprekers als hij ze spreken hoorde want in veel spreken ligt vaak groot perikel en daar komen grote lasten van. Hierbij zo zeg ik u en raadt u aan dat u uw keel met dit halsstuk goed voorziet en wapent tegens deze twee voor beschreven.

 

 

 

Van de handschoen zo zeg ik u ook dat het nodig is dat u ze goed bewaart want was u in de hand gekwetst u zou weinig kunnen doen met de andere leden. De handen moeten gewapend zijn met de handschoen, dat is tasten en verontreiniging. Want hoewel dat men aan het geheel lichaam tasten en gevoel heeft, nochtans in de handen is het tasten principaal. En daarbij versta ik het tasten principaal bij de handen. De handschoen daar u voor dit tasten mee gewapend zal zijn die zijn gezegd te wezen een derde deel getemperd dat men noemt continentia of ingetogendheid die dubbel verstand in zich heeft als in de daad en in de wil. Want de daad was niet genoeg was de wil er niet mede. Een man was nimmermeer goed gewapend met een handschoen, dat is de wil en de daad behoren tezamen. Deze ingetogenheid aldus gedubbeld wordt van enige winnenbrood genoemd want bij hem, dat is met de handschoen, wint men brood waarbij de menselijke natuur gevoed wordt gelijk afgebeeld is lange tijd hier tevoren zoals u vinden mag als u wil studeren in het Koningen boek. Deze winnebrood had hier vroeger Sint Bernhardus toen het wijf bij hem al naakt lag en ontkleed maar wat dat ze hem vermaande of wat ze hem aantastte, niet was het in haar vermogen wat ze daartoe deed om hem te doen keren tot haar toe want al haar tasten en spreken voelde hij niet, alzo was hij gewapend met deze twee voorschreven handschoenen. Daardoor moest ze van nood wege hem verlaten en van hem scheiden geheel beschaamd en zonder hem te kwetsen ging ze van hem en dat deden die handschoenen waarmee hij gewapend was. En daarbij raad ik u aan dat u zich ook daarmee wapent en daarom heb ik ze u gebracht.

 

Van het zwaard zal u ook weten dat u geen beter wapen kon krijgen want die hem met het zwaard behelpen kan en anders geen wapen had zo zou hij nochtans meer geducht zijn of hij alle andere wapens had. Dit zwaard is geheten justitie en is het uitgelezenste boven alle anderen, het kostbaarste dat ooit een koning of prins voerde. Het geeft iedereen de tijd dat hem toebehoort. Het is een keizerlijk of koninklijk zwaard om mee te regeren want zonder dit zwaard mag niemand goed regeren want het is altijd dreigend de misdadige, het bewaakt de mens van misdoen, het dwingt het hart God te minnen, het laat kwade gedachte veranderen, de wil, begeerte en verstand der zielen onderhoud het in de vrees Gods. Het corrigeert alle schandelijke en zondige werken. Een voorbeeld hebt u aan Sint Benedictus die met het zwaard omgord was. De koning had hem omgord toen hij hem heer maakte van de wet. Want toen hij zijn lichaam goed getemperd zag en dat hij niet gehoorzaamde wilde kastijden en sloeg hem zo met dit zwaard zodat daarna die nieuwe rebel niet ongehoorzaam tegen hem was. Dit zwaard zal u dragen en daarmee zal u zich verweren tegen al diegene die ik u voor genoemd heb die op u zware vijanden zijn want u heeft geen kwadere vijanden dan omtrent u zijn. Dus als u enige van deze tegen voelt en tegen uw zaligheid willen gaan en rebelleren tegen uw geweten terstond zo bent ge daartegen met dit zwaard dat van die krachten is om uw vijand zo te kastijden dat hij na die tijd geen macht meer hebben zal over u nog enige rebellerigheid zal durven tonen. En zo wanneer dat u enige vindt dolen van de rechte weg en die in hun hart verdwaald zijn peinzend op ongehoorde dingen alsdan zal u met dit zwaard daarvoor zijn en elk berechten en jagen in zijn plaats daar hij behoort.

Vrouwe, zei ik, het was wel goed lijkt me dat ik een schede van u had om dit zwaard in te steken want al bloot mocht ik het niet dragen zonder me te kwetsen. En ook Sint Benedictus droeg het alzo niet maar had het omgord omtrent hem alzo het de koning droeg en dat heb je mij geleerd. En dit zwaard had een riem en een schede daar het in gestoken was en ik zou het graag hebben was het wel uw wil alzo. Zeker, zei ze, u zegt goed en het vergenoegt me zeer goed dat u mijn woorden zo goed verstaan hebt waarbij u hebben zal tot uw wil de schede, riem en gesp om het zwaard mee te gorden.

 

Toen zag ik haar gelijk gaan tot een mooi rek daar de wapens hingen, daarna nam zij de schede en bracht het mij en zei: Ziet hier, daarin dat Sint Benedictus zwaard stak toen hij het droeg, goede riemen heeft het om vast te gorden en goede gespen om vast te sluiten, dus neem ze en wacht ze wel van verliezen. Deze schede is geheten ootmoedigheid waarin u uw zwaard en justitie moet steken en bedekken. Want al ziet u enige deugd in u en dat u enige deugd gedaan hebt u moet ze bedekken in deze schede die gemaakt is van een dood vel om u altijd te vermanen dat u sterfelijk bent en dat het bij u zelf niet gedaan heeft maar bij mij. Gedenk van de tollenaar en van de farizeen die elk bijzonder graag hun zwaarden droegen want diegene die het zijne in de schede droeg en hem zondig kende was verheven en geerd en de andere vernederd omdat hij zijn zwaard al bloot droeg. Beter is het dat een zijn misdaad kent en zichzelf beziet dan dat hij zijn rechtvaardigheid ontbloten zal en zeggen; ziet hier mijn zwaard dat ik al bloot hou om justitie te doen want alzo doet die hovaardige die vol beroemen is die niets anders zoekt dan ijdele glorie en geprezen en geerd te wezen. Alzo zal u niet doen maar zal ge uw zwaard in uw schede steken en vernederen wat u ook veel beter betamen zal.

Dan als u dat zwaard aldus in die schede bedekt hebt dan zal u zich met de riem omgorden om u te wapenen en daarmee tezamen te duwen omdat u te vaster en te zekerder dragen zal. Want niemand is goed gewapend is het dat zijn wapen niet vast gegord is en in de gesp goed vast gesloten. De riem heet gedurigheid en de gesp gestadigheid die altijd tezamen gehouden moeten worden zonder scheiden want ter nood deugt de een niet zonder de ander. De riem vanwege zijn grote lengte houdt de wapens in hun kracht met het zwaard dat zij ophoudt en hou ze tezamen zodat ze niet ontbloot noch gescheiden worden. De gesp houdt en sluit de riem dat het niet opent en hou het zo in vaste en gestadige plaatsen want het is het echte slot van het wapen. Aldus alzo u geist hebt zo geef ik u en belieft me wel dat u ze hebt want ze zijn u wel nodig. Dus werk er mee zoals u moet doen en u zal uw eigen profijt doen.

Toen ik deze woorden hoorde zo werd ik peinzend en niet al tevreden want mijn mening was niet om zon schede te hebben, ik waande wel een andere schede, riem en gesp gehad te hebben en lichter om te dragen. En had toen wel gewild dat ik het halsstuk kwijt was geweest, maar ik zweeg en durfde er niet van te spreken.

Deze woorden beindigd van de schede sprak ze terstond weer tot mij aldus. Hoort nu wat de schild betekent zonder wie niemand goed gewapend is want ze beschermt alle andere wapens van breken. Schild wordt genoemd jurispruntie of rechtsopvatting die Salomon in het gebruik droeg als hij iedereen recht en justitie doen wilde en was hem beter dan tien ander schilden van fijn goud want bij dit schild alleen en niet van al zijn ander wapens was hij geerd en ontzien, maar daarna toen hij hem verloren had hielpen al zijn ander wapens hem geen stro maar waren alle gelijk met het schild verloren. Dus zo raad ik aan dat u dit schild draagt om de andere wapens mee te beschermen tegen uw vijanden. Dus de tijd is hier, trek het aan over uw andere wapens want hiermee zo bent ge van alles voorzien dat van wapen wege u nodig zal zijn en van geen andere dingen hebt u meer gebrek.

Toen ik dit hoorde schrok ik als die ongewoon was enige wapen te dragen. Ook mede de wambuis dwong en bewoog me zeer, maar door haar wil zo begon ik mij te wapenen. Eerst deed ik aan het pantser over het porpoynt of wambuis en dat gedaan deed ik aan de dubbele halsstuk omtrent mijn keel, daar na zette ik de helm op het hoofd, daarna nam ik mijn handschoen en gorde toen het zwaard. Toen ik aldus gewapend was nam ik de taerge of schild voor me gelijk ze me bevolen had al was het dat het me te aller beste niet behaagde.

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Gratie Gods en de pelgrim in volle wapenrusting>

 

[28ra] Als ic my seluen gewapent vant ende tgewichte op mijn leden beuoelde ende datse my bezwaerden so andwoerde ic gracien ende seyde O vrouwe ic bidde v op ghenaden al ist dat ic v clage dat ghi v niet belghen en wilt want dese wapenen beswaren mi so zeer dat ic qualic voert gaen mach Ende ic beducht my zeer hier te moeten bliuen of alle de wapen weder moeten of doen Den helm alder eerst die my al gheheel verdoeft ende verblint dat ic niet en sie noch en hoer dat mi onuerdragelic is Oec mede mijn gorgiere rampe moetse hebben nijpt my soe dat my dunct dat ic worge ende qualic spreken mach of yet nemen mach dat mijn lichaem van node is De hantschoen quetsen my bouen mate opt corte al soe seg ic van alle dander wapenen [28rb] want alle quetsen zij my so seer dat ict van pinen niet vertellen en mach want ic ben begrepen ghelijc dauid was die niet gewoen en was wapen te draghen want hy was gewapent maer hy deedse weder lichtelic wt Dus so wil ic doen als hij dede ende ontladen my van den harnaschen ende leggense al te samen of ende passeren met mijn palster. Het is beter dat ic my ontlade dan dat ic hier bleue want ic en soude niet moghen gaen Dus bid ic v waerde vrouwe dat ghijt in ghenen ondanc nemen en wilt

Seker seyde zij. Nu schijntet wel datstu mijn seggen niet onthouden en hebs noch verstaen of by auentueren du houdes mijn woerden voer logentale ende bedroch Vrouwe seyde ic doer god bid ic v genade ic weet wel dat gij niet en [28va] segt dan alle dat ten besten geoerdineert is. maer mijn crachten en strecken soe verre niet dat ic lange dese wapen gedraghen mach. niet dat ic yet vergeten hebbe uwe woerden want my gedinct wel dat ghy geseyt hebt al duncken mi dese wapenen int eerste swaer dat het niet langhe dueren en soude maer wel gewoen worden soude. maer ic seg v dat icx in gheender manieren dragen en mach ouermits grote cranchede die ic in my seluen vinde ende de grote harthede die ic inde wapene vinde. twelc twee dingen sijn die niet en accoerderen te same Waer om hebstu seide si my dan gemoyt ende aen my versocht om te hebben ende du en moechstese niet dragen noch en wilts O vrouwe antwoerde ick hair ic en peynsder niet om als gij mi dair eerst in tale af sette ic eyschste v sonder meer een palster die beslagen waer. maer als ghi my van de wapenen spraect crech icker genoecht in wel meenende dat icse soude hebben connen gedragen maer het is al andersins want in my en vindic gheen cracht want ic werder af soe flau dat ics niet langer harderen en mach het en zij dat icker cortelicke af ontlast werde

Dv en hebs de cracht niet seyde si want du en hebs therte niet nochtans hebstu de schouderen groot genoech ende alle de an[28vb]der leden. du souds sterck genoech sijn hadstu tharte in di want van therte coemt de sterchede vande man. gelijc de appel coemt vande appelboem want bi een cleyn man sidi een ruese gerekent ende ghy wedersegt dese wapen te dragen wat soutstu voir een ander wapen draghen du alstuse voer di seluen niet draghen en moechts. segt mi doch wat sulstu doen alstu dinen wech suls gaen ongewapent ende du verspiet ende aen geuochten suls worden van dinen vyanden om dy te doden. Dan sulstu roepen elaes en sal ic nymmermeer mogen vinden gracie gods die mi weder sal willen wapenen. Helaes waer om bin ic ontwapent waer om en steldic mijn geloue in gracie niet nv bin ic in als bedroghen Ende alstu aldus geroepen hebs ende ter doot gewont suls sijn waenstu mi dan so lichtelic weder te crighen alstu my nv niet gelouen en wils om dijn selfs profijt Ende wat soudicker dan doen du sijts nv sculdich stercker te sijn dan du dan suls sijn. want dan sulstu ghecranct sijn vande wonden dye du ontfangen suls hebben. wat soudic veel pinen om niet doen na dien datstu nv geen wapen en moechs dragen want nv ist tijt wapen te leren dragen sonder langer te beyden. Dus wilstu my gelouen du suls de wapen aen houden om di daer mede te behelpen als noot wesen sal Ist [29ra] dat si di verwegen soe gaet al scoenkins want al scoenkens gaet men wel verre Een out wijf een paerlic doer gaende voerdert somtijts meer dan een ionc man te paerde die hem seer haest want hy dicwil getoeft wort

Uan dat du spraecs van dauid hoe dat hi sijn wapen of leide Ic seg di wilstu di na hem voegen so en wil ic di niet begripen Maer wilt wel verstaen dijn fondament daer du op wils fonderen. want alder eerst sijtstu sculdich te mercken sijn kinshede want hij was doe een cleyn kint als de hystorie seyt. ende syn wapenen en waren geen kints wapenen maer sauls wapenen die de meeste was vande lande du moges oec wel peysen dat si groot waren ende swaer waer bi dauid na sijn ionchede niet wel dragelic en waren al wast datse saul droech die groot ende sterc was want dat goet is om tgroet en is niet goet om tcleyn. gelijc dat aristotules vertelt Maer hadde dauid so groot geweest als ghi sijt ende als hi sint geworden was ende hi hem dan ontwapent hadde so hadstu reden exempel aen hem te nemen. ende te doen als hi dede. maer nye en dedy alsoe noch en leerde doen want als hij man was in allen oerlogen was hi gewapent ende nye sonder wapen geuonden want anders en waer hi niet leuende ghekeert wt den stride Hi beminde altijt de wapenen ende [29rb] als hy sauls wapene of leyde soe nam hi andere daer hi golias mede dode. waerstu een kint als hi was so mochstu doen als hi dede maer du sijts nv groot genoech om wapen te dragen. ende du hebs scande dat te wederseggen ende niet te dragen. Vrouwe seide ic. ic sie wel dat ic mit arguweren niet winnen en mach mer ic seg v in corten worden dat ic dese wapenen of moet doen ende niet langer dragen en mach. ic wilse al af doen want daer en isser gheen si en quetsen my

Hier mede ontslotic de gespe ende ontdede de wapen. nederleide mijn swaert ende de scheede mitten scilt Als gracie my sach dus ontwapenen wederhiltse my ende seide. na dien datstu di van als ontwapenen wils te minsten soutstu mi gebeden hebben dat ic di wilde gaen halen yemant die sterck waer om de wapene na di te dragen om dye te besigen alst noot wesen soude. Ay vrouwe ic heb v so veel ghemoeyt dat ics v niet vergen en der. maer ic bids v vriendelic ende versoeck dat ghi mi aen een wilt helpen ende si die niement weygeren en can beloefde mi alsoe te doen

Toen ik me zelf gewapend vond en het gewicht op mijn leden voelde en dat ze me bezwaarden zo antwoorde ik Gratie en zei: O vrouwe, ik bid u op genade, al is het dat ik bij u klaag dat u niet verbolgen zal worden want deze wapens bezwaren me zo zeer dat ik slecht voort kan gaan. En ik beducht me zeer hier te moeten blijven of alle wapens weer moeten af doen. De helm allereerst die me al geheel verdoofd en verblind zodat ik niets zie nog hoor dat me onverdraaglijk is. Ook mede mijn halsstuk, ruimte moet ze hebben en nijpt me zo dat me lijkt dat ik gewurgd wordt en slecht spreken mag of iets vernemen mag dat voor mijn lichaam nodig is. De handschoenen kwetsen me boven mate, en in het kort, alzo zeg ik van alle andere wapens want alle kwetsen zij me zo zeer dat ik het van pijn niet vertellen kan want ik ben gegrepen gelijk David was die niet gewoon was wapens te dragen want hij was gewapend, maar hij deed ze gauw weer uit. Dus zo wil ik doen zoals hij deed en ontladen me van het harnas en leggen ze alle tezamen af en gaan met mijn pelgrimsstaf. Het is beter dat ik me ontlaad dan dat ik hier blijf want ik zou niet mogen gaan. Dus bid ik u waarde vrouwe dat gij het in geen ondank aannemen wil.

Zeker, zei ze. Nu schijnt het wel dat u mijn zeggen niet onthouden hebt nog verstaan of bij avonturen u houdt mijn woorden voor leugentaal en bedrog. Vrouwe, zei ik, door God, ik bid u genade, ik weet wel dat gij niets zegt dan het aller beste aanbevolen is, maar mijn krachten strekken niet zo ver dat ik deze wapens lang dragen mag. Niet dat ik iets vergeten heb van uw woorden want me bedenkt wel dat ge gezegd hebt al lijken me deze wapens in het eerste zwaar zodat het niet lang duren zou maar wel gewoon worden zouden. Maar ik zeg u dat ik ze in geen manieren dragen mag vanwege de grote zwakte die ik in mijzelf vind en de grote hardheid die ik in de wapens vind wat twee dingen zijn die niet tezamen overeenkomen. Waarom hebt u, zei ze me dan, gemoeid en aan me gevraagd om te hebben en u kan ze niet dragen nog wil het. O vrouwe, antwoorde ik hier, ik dacht er niet aan toen ge me daar eerst in dat gesprek van zei, ik eiste van u zonder meer een pelgrimsstaf die beslagen was maar toen ge mij van de wapens sprak kreeg ik er genoegen in en meende wel dat ik ze zou hebben kunnen dragen, maar het is al anderszins want in mij vind ik geen kracht want ik wordt er zo flauw van dat ik het niet langer harden mag, tenzij dat ik er gauw van ontlast wordt.

U hebt de kracht niet, zei ze, want u heeft het hart niet, nochtans hebt u de schouders groot genoeg en alle andere leden. U zou sterk genoeg zijn had u het hart in u want van het hart komt de sterkte van de man. Gelijk de appel komt van de appelboom want vergeleken bij een kleine man bent u een reus en gij weerlegt deze wapen te dragen, wat zou u voor een ander wapen dragen? U, als u voor uw zelf niet dragen mag. Zeg me toch wat zal u doen als u uw weg ongewapend zal gaan en u bespied en aangevochten zal worden van uw vijanden om u te doden. Dan zal u roepen eilaas en zal ik nimmermeer Gratie Gods mogen vinden die me weer zal willen wapenen. Helaas, waarom ben ik ontwapend, waarom stelde ik mijn geloof niet in Gratie en nu ben ik als bedrogen. En als u aldus geroepen hebt en ter dood gewond zal zijn waant u me dan zo licht weer te krijgen als u me nu niet geloven wil om uw eigen profijt. En wat zou ik er dan toe doen, u moet nu sterker zijn dan u dan zal zijn want dan zal u verzwakt zijn van de wonden die u ontvangen zal hebben. Wat zou ik veel denken om niets te doen na dien dat u nu geen wapens wil dragen, want nu is het tijd wapens te leren dragen zonder langer te wachten. Dus wil u mij geloven, u zal de wapens aanhouden om u daarmee te behelpen als het nodig zal wezen.

Is het dat ze u zwaar zijn zo gaat het al mooi want al mooi zo gaat men wel ver. Een oud wijf die steeds door gaat komt soms verder dan een jonge man te paard die zich zeer haast want hij wil vaak vertoeven of rusten.

 

 

 

 

 

Van dat u sprak van David hoe dat hij zijn wapen af legde zeg ik u, wil u zich naar hem voegen zo wil ik u niet begrijpen. Maar wil het wel verstaan van uw fundament daar u op wil vestigen. Want allereerst moet u merken op uw kindsheid want hij was toen een klein kind zoals de historie zegt en zijn wapens waren geen kinderen wapens maar Sauls wapen die de grootste was van het land, u mag ook wel bedenken dat ze groot waren en zwaar waarbij David het naar zijn jonkheid niet goed te dragen was al was het dat Saul ze droeg die groot en sterk was want dat goed is om het grote en is niet goed om het kleine gelijk dat Aristoteles vertelt. Maar was David zo groot geweest als ge zegt en toen hij Sint geworden was en hij zich dan ontwapend had zo had u reden een voorbeeld aan hem te nemen en te doen zoals hij deed. Maar niet deed hij alzo hij nog leerde want toen hij man was was hij in alle oorlogen gewapend en nooit zonder wapen gevonden want anders was hij niet levend terug gekeerd uit de strijd. Hij beminde altijd de wapens en toen hij Sauls wapens aflegde zo nam hij andere daar hij Goliath mee doodde. Was u een kind zoals hij was zo mag u doen zoals hij deed, maar u bent nu groot genoeg om wapens te dragen en u hebt schande dat te weerzeggen en niet te dragen. Vrouwe, zei ik, ik zie wel dat ik met argumenteren niet winnen mag, maar ik zeg u met korte woorden dat ik deze wapens af moet doen en niet langer dragen mag. Ik wilde ze al af doen want daar is er geen of ze kwetsen me.

Hiermee opende ik de gesp en ontdeed de wapens, legde mijn zwaard neer en de schede met het schild. Toen Gratie me zag aldus ontwapenen weerhield ze me en zei: Nadat u zich ontwapenen wil zou u me tenminste gebeden hebben dat ik voor u iemand wilde gaan halen die sterk genoeg is om de wapens na u te dragen zodat u ze kan gebruiken als het nodig zou wezen. Ay vrouwe, ik heb u zoveel vermoeid dat ik het van u niet vergen durf. Maar ik bid u vriendelijk en verzoek dat ge me aan iemand wil helpen en zij die niemand weigeren kan beloofde me alzo te doen.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim met alleen tas en staf, met gevouwen handen, en alle andere wapens naast zich op de grond>

 

[29va] Hier mede ghinc si van mi ende ic bleef daer alleen daer ic mi van als ontwapende ende ick en behilt niet dan male ende palster. ende stont recht ongewapent als een pelgrim Als ic my seluen van als vant ontwapent wordick versteken in groten wanhope niet wetende wat ic beghinnen soude. Soete heer god seide ic wat sal ic doen dat ic gracien mijn meesterse ende regierster dus veel gemoeyt hebbe. Sy hadde mi eerlic ende edelic gewapent gelijc een graue my en gebrac niet Maer lacen tegen haer leringe ende soete vermaninge heb ic mi van als ontcleet ende niet aen gehouden. O soete heer god hoe of waer heb ic mijn cracht verloren ende waer om en bin ic niet starc ghenouch dat ic de wapen dragen mocht ende gedogen [29vb] want seker ic waers veel te beter ende men soude mi te meer prisen ende ontsien Maer het is om niet want ic en soudse in geender manieren gedogen mogen Dus soe wil ic my seluen gheuen in handen van gracie ende houden my van als aen haer Ic hope dat si my noch sal helpen ende mi niet begeuen en sal want als nv isse in mijn werck waer by mijn troest te meerder is. wan tom mijnen wil is si gaen halen een die mi de wapen after na draghen sal

Hiermee ging ze van me en ik bleef daar alleen daar ik me ontwapende en ik behield niet dan bedelzak en pelgrimsstaf en stond recht ongewapend als een pelgrim. Toen ik mezelf ontwapend vond werd ik gestoken in grote wanhoop en wist niet wat ik beginnen zou. Lieve heer God, zei ik, wat zal ik doen dat ik Gratie, mijn meesteres en regeerster, aldus veel vermoeid heb. Ze had me eerlijk en edel gewapend gelijk een graaf en me ontbrak niets. Maar eilaas, tegen haar lering en zoete vermaning heb ik me als ontkleed en niet aangehouden. O lieve heer God, hoe of waar heb ik mijn kracht verloren en waarom ben ik niet sterk genoeg dat ik de wapens dragen mag en gedogen, want zeker ik was veel te beter en men zou me te meer prijzen en ontzien. Maar het is om niet want ik zou ze in geen manieren gedogen mogen. Dus zo wil ik mezelf geven in handen van Gratie en houden me aan haar. Ik hoop dat ze me nog zal helpen en me niet opgeven zal want als nu is ze voor mij aan het werk waarbij mijn troost te meerder is. Want om mijn wil is ze gaan halen een die me de wapens na dragen zal.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts pelgrim met staf en tas, Memorie en Gratie Gods>

 

[30ra] Als ic in dese state dus stont ende teghen my seluen sprac Soe sach ic gracie comen ende bracht geleyt mit haer een ioncwijf die also my dochte gheen oghen en hadde Maer als zij wat naerder by my quam zo wardt ic gewaer dat haer ogen achter in haer hals stonden ende voer en sach zij niet. Twelc my zeer verwonderde ende vreesder my of ende viel so in een swaer ghepeyns Maer gracie seyde ter stont tot my. Nu zie ic wel wat stouter ridder du zijs Dat wanneer du sculdich waers te vechten so hebstu al dijn wapen of gheleyt ende zijs sonder steec of slach verwonnen Dy soude wel van node zijn een warm badt ende een sacht bedde om daer op te rusten ende een meester om dijn wonden te saluen die gequetst zijn Vrouwe sey[30rb]de ic daer of suldy meesterse wesen ende mijn troesterinne want ic ben soe moede dat ic de wapen niet langer gedraghen en can. Ende ic bid v dat gy op my niet verstoert en wilt wesen want al mijn hoep is an v dat gij my noch helpen sult Nu ziet seide si ic hebbe di bracht dit ioncwijf van eenen verren lande om di te helpen in uwer noot. want ic sie en helpe ic di niet du souds varinc qualic gaen dit ioncwijf sulstu mit di leiden ende suls haer de wapene gheuen ende si salse dragen om alstuer noot hebben suls dattuse altoos bereet hebben moghes. want en hadstuse ter noot niet altoos bereet ter stont soustu sijn vermoert ende doot geslaghen ic seide vrouwe van desen monstre of van desen ioncwiue soudic gaern weten den name. ende waer bij dat zij

[30va] aldus wonderlic is ghescepen. Ic verscricker my af want ic nye sulc een dier en sach Oec meendic dat ghy my een ionc vroem man tot een knape gebrocht sout hebben om my te helpen ter noet want sulc een ioncwijf soude water dragen zij en verstaet haer niet van wapen te dragen Vrient seyde si. Dit ioncwijf is ghenoemt memorie de niet en plach te ziene toecomende dinghen Maer van oude voerleden tijden can si wel spreken waer bij dat haer ogen achter staen Dus so en ist geen saec om verwonderen maer is zeer noetsakelic di sciencie ende conste studeren willen Ouer lange tijt waeren de clercken tot niet gecomen en had dit ioncwijf haer goet ende wetenheit niet ghewacht alst mit arbeyt vercreghen is Dus al ist dat si tlicht achter heeft Daer by sulstu weeten dat si tresoriere ende wachster is van wetenheyt ende grote wijsheyt Ende du beste oec scvldich te weeten dat si alle tijt mit haer draecht dit goet waer dat zij gaet Dus doet haer dese wapen na dy dragen want zij salse so wel dragen als bewaren sonder sorge Dus en neemtse in genen spijte Ic seg dy diese tot een ioncwijf heeft dat hi sonder groten dienst niet en is want al datstu niet dragen en moechs dat sal si wel dragen sonder last Ende dit sal dy meerder schanden zijn dan ofse een man v nae droeghe die starc [30vb] waer. Ende daer om heb icse dy mit opset gebracht om datstu somtijts alstu haer sies dragen van schaemte niet en suls mogen laten du en suls dy oec beproeuen somwijle ofstuse oec souds moghen draghen

Urouwe seyde ic nae dien dat het alsoe is ic en segger niet teghen want ic en soudts niet volcomen mogen Dus laetse ons dan torsen op memorien: ic sal dan voer gaen ende si sal my achter volgen Hier mede beurden wy de wapen op ende leyden se op memorien diese gaerne nam ende droechse alsoet mi van node was

Als memori dus getrost was seydic O gracie Gods danc moet ghy hebben Vrient seyde zij nu bistu al bereet te gaen na de scone stadt van iherusalem du hebs memorien die dijn harnasch achter di draecht om dy te wapenen alst van node zijn sal du hebs de male ende palster Van als bistu voersien hadstu van moyses brode Dus gaet ende haeltet du hebs oerlof hoe wel datstuut niet verdient en hebs Maer ymmer en wilt niet laten du en volcomes datstu sculdich zijs van doen want du hebs al gesien ende gehoert hoemen sculdich is te doen. Doe ginc ic tot moysesse ende bad hem om te hebben van zijnen brode Dat was vanden ouerscot datmen den armen pelgrymen gaf ende hy en weygerde my niet ende ic stact in mijn male

[31ra] Doe keerdic werder tot gracie haer danckende ende biddende dat si mi doch ter noot niet begeuen en wilde want ic sonder haer niet gedoen en mocht Vrient seide si du segts waer want sonder mi soustu ser lichtelic bescaemt worden Dus dan na dat dijn bede redelic is meenic als nv mit di te gaen ende van di te niet sceyden het en come toe doir dine sculde Vrouwe seide ic. ic dancke v seer hogelic ende wil mi gaen stellen te wege als ic alder eerst mach

Vrient seyde si wilt wel verstaen in wat manieren ic meyne mit di te gaen Men vint enige menschen die so grote hoep ende troest stellen op haer vrienden dat sijs veel te quader sijn meenende al doen si quaet dat ment haer doer hulp van vrienden verdragen sal Hier bi op datstu di op mi niet te serr verlaten en souds ende dair op enich quaet mohen doen soe en willic van dinen ogen niet gesien sijn want ic van dinen gesicht ende van allen menschen gesicht mi selluen bergen mach soe dicke alst mi gelift Ende ic sal mi menichwerf bergen van dijnen ogen alstu suls meenen dat ic bi di ben ende sal elder sijn dair ic te doen sal hebben ende dat sal sijn alstu di anders dan rechtelic beleet suls hebben. ende alstu di veronwaerts ende verpijns te vragen naden rechten wech ende wanneerse di verdriet of dattuse niet gaen [31rb] en wils ende laten den goeden wech ende gaen den quaden Hier om soe weest wiselic versien om wel te gaen ende dijn beuaert wel te doen. want ic scheide nv wt dinen oghen dattu mi niet meer sien en suls

Alsoe drae al si dit gesproken had soe wart icse quijt van mijn gesichte dies ic bouen maten droeue was al en halpt mi niet Maer ymmer mijnen wech die ick an genomen hadde wilde ic volcomen ende niet achter laten Ende seide tot memorien neemt mijn wapen ende achteruolcht my want ick wil my gaen stellen te weghe

Toen ik in deze staat aldus stond en tegen mezelf sprak zo zag ik Gratie komen en bracht geleid met haar een jong wijf die alzo me dacht geen ogen had. Maar toen ze wat dichterbij bij me kwam zo werd ik gewaar dat haar ogen achter in haar hals stonden en voor zag ze niet. Wat me zeer verwonderde en me bevreesde en viel zo in een zwaar gepeins. Maar Gratie zei terstond tot mij: Nu zie ik wel wat voor dappere ridder ge bent dat wanneer u moest vechten zo hebt u al uw wapens afgelegd en bent zonder steek of slag overwonnen. U zou wel een warm bad en een zacht bed nodig zijn om daarop te rusten en een dokter om uw wonden te zalven die gekwetst zijn. Vrouwe, zei ik, daarvan zal ge meesteres wezen en mijn troostster want ik ben zo moe dat ik de wapens niet langer dragen kan. En ik bid u dat gij op mij niet verstoord wil wezen want al mijn hoop is aan u dat gij mij nog helpen zal. Nu ziet, zei ze, ik heb u gebracht dit jonge wijf van een ver land om u te helpen in uw nood. Want ik zie help ik u niet u zou vlug gaan en dit jonge wijf zal u met u leiden en zal haar de wapens geven en ze zal ze dragen om als u het nodig zal hebben dat u ze altijd gereed hebben mag. Want had u ze in nood niet altijd gereed terstond zou u dan zijn vermoord en dood geslagen. Ik zei, vrouwe van dit monster of van dit jonge wijf zou ik graag de naam weten en waarom dat zij aldus wonderlijk is geschapen. Ik schrik er van want ik zag nog nooit zon dier. Ook meende ik dat ge mij een jonge dappere man tot een knaap gebracht zou hebben om mij te helpen ter nood want zo n jong wijf zou water dragen en zij verstaat zich niet van wapens te dragen. Vriend, zei ze, dit jonge wijf is genoemd Memorie die niet plag te zien toekomende dingen. Maar van oude voorleden tijden kan ze goed spreken waarbij dat haar ogen achter staan. Dus zo is het geen zaak om te verwonderen maar is zeer noodzakelijk die wetenschap en kunst studeren willen. Al lange tijd waren de klerken tot niets gekomen had dit jonge wijf haar goed en wetenschap niet bewaakt toen het met arbeid verkregen was. Dus al is het dat ze het licht achter heeft daarbij moet u weten dat ze schathouder en bewaakster is van wetenschap en grote wijsheid. En u moet ook weten dat ze dit goed altijd met haar draagt waar ze gaat. Dus laat haar deze wapens na u dragen want zij zal zo goed dragen en bewaren zonder zorgen. Dus neem haar zonder spijt. Ik zeg u die haar tot een jong wijf heeft dat hij niet zonder grote dienst is want al dat u niet dragen mag dat zal zij wel dragen zonder last. En dit zal u meerder schande zijn dan of een man het u na droeg die sterk was. En daarom heb ik haar met opzet gebracht zodat u soms als u haar ziet dragen van schaamte het niet zal mogen laten en u zal u ook soms beproeven of u het ook zou mogen dragen.

Vrouwe, zei ik, na dien dat het alzo is zeg ik er niets tegen want ik zou het niet volkomen mogen. Dus laat het dan dragen op Memorie: ik zal dan voor gaan en ze zal me achtervolgen. Hiermee beurden we de wapens op en legden ze op Memorie die ze graag nam en droeg ze alzo het me nodig was.

Toen Memorie aldus beladen was zei ik: O Gratie, Gods dank moet gij hebben. Vriend, zei ze, nu bent u al bereid te gaan naar die mooie stad van Jeruzalem, u hebt Memorie die uw harnas achter u draagt om u te wapenen als het nodig zal zijn, u hebt de bedelzak en pelgrimsstaf. Van alles bent u voorzien, had u van Mozes brood. Dus ga en haal het, u hebt verlof, hoewel dat u het niet verdiend hebt. Maar immer wil het niet laten wat u moet doen want u hebt alles gezien en gehoord hoe men het moet doen. Toen ging ik naar Mozes en bad om van hem te hebben van zijn brood. Dat was van het overschot dat men de arme pelgrims gaf en hij weigerde het me niet en ik stak het in mijn bedelzak.

Toen keerde ik weer tot Gratie en bedankte haar en bad dat ze me in nood toch niet opgeven zou want zonder haar zou ik het niet doen kunnen. Vriend, zei ze, u zegt waar, want zonder mij zou u licht beschaamd worden. Dus dan na dat uw bede redelijk is meen ik als nu met u te gaan en van u niet te scheiden of het komt door uw schuld. Vrouwe, zei ik, ik dank u zeer hogelijk en wil me gaan stellen te wege zo gauw ik kan.

Vriend, zei ze, wil het goed verstaan in welke manieren ik meen met u te gaan. Men vindt enige mensen die zo n grote hoop en troost stellen op hun vrienden zodat zij het veel slechter hebben en menen al doen ze kwaad dat men het door hulp van vrienden verdragen zal. Hierbij zodat u zich op mij niet te zeer verlaten zou en daarop enig kwaad mogen doen zo wil ik van uw ogen niet gezien worden want ik me mag me voor uw gezicht en van alle mensen gezicht verbergen zo vaak als het mij belieft. En ik zal me vaak verbergen voor uw ogen als u zal menen dat ik bij u ben en zal elders zijn daar ik te doen zal hebben en dat zal zijn als u anders dan recht beleid zal hebben en als u zich verontwaardigd en denkt te vragen nar de rechte weg en wanneer het u verdriet of dat u niet gaan wil en verlaten de goede weg en gaan de kwade. Hierom zo wees wijs te zien om goed te gaan en uw bedevaart goed want ik ga nu uit uw ogen zodat u mij niet meer zal zien.

Alzo gauw als ze dit gesproken had zo werd ik haar kwijt van mijn gezicht dus was ik boven matig droevig al hielp het me niet. Maar immer mijn weg die ik aangenomen had wilde ik volkomen doen en niet nalaten. En zei tot Memorie, neem mijn wapens ende achtervolg me want ik wil me gaan stellen te weg.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de kaerl met een knots op zijn schouder, de pelgrim en Memoria in een landschap>

 

[31va] Ende als wi aldus gingen memorie ende ic. ende doe wij een stuc ghegaen hadden neffens eenen berch al peynsende want ic droeue was om gracien dien ic also verloren hadde. in minen wech daer ic lijden soude sach ic staen eenen ouden kaerl die recht te mi waert quam gelijc als of hi mi hadde willen wederstaen minen wech ende benemen. Groot ende lanc was hi ende ser mismaect mit eenre langer gnbuulder nuesen ende scerp recht of hi mi eten soude. quam hi fellicke te mi wairt bitende mit sinen tanden. op sinen hals droech hi enen groten onbesuusten stock mit beiden handen daer hi hem op leende als hy teghens my sprac. alsoe ghi horen moghet in wat manieren hi mi aen vaerde als ic hem bi was comen Hoe waerstu [31vb] seide hi noeyt soe coene dattu dorstes breken de wet die de coninc geoerdineert heeft ouer lanck. want die coninc geboot dat niemant palster noch male en droege. ende bouen sinen gebode hebstuse ghenomen ende brencse hier in minen ogen. wanen comt di die stouthede. ende hoe waerstu so coene. ter quader tijt quaemstu hier noeyt in al v leuen een [sic] deetstu meerder sothede

Als ic alle dese woerde gehoort hadde was ick veel meer veruaert dan te voren. geene antwoerde en wist ic te geuen Enen aduocaet soude ic gehuert hebben had icken weten te vinden want ics wel van node hadde Doe wart ick peynsende hoe dat ic ontgan mochte ende sloech myn ogen opwaerts ende sach c[32ra] of hadde dat was vrou reden die in wel spreken wel bekent is want si en seyt niet het en is al wel gheordineert Ende om dat icse meer gesien had kende icse te bet ende was haerders zeer blijde hopende dat dese oude kaerle bij haer ghestilt soude warden die op my so qualic gesproken hadde Vrou reden ghecomen zijnde ghinc ter stont tot hem ende seyde Nu seg my du kaerle hoe zijstu soe waenscapen ende mismaect ende waer of dienstu Bistu een bailiu of een bespijer hoe heetstu waen bistu ende waer om draechstu desen groten stoc die ghenen goeden man en betaemt te draghen

Dese kaerle leende doe op zijn stoc ende seyde tot reden. Wat meendy ghij dunct my zijnde een niewe questerighe thoent my vwe commissie so sal ic ten minsten weeten vwen name ende of vwe macht alsoe groet is als gy aenschijn doet want anders en meen ic op vwe vraghe niet te andwoerden

Reden dit horende haelde een bosse wt haer bosem daer zij een brief wt nam ende seyde Sich hier mijn macht nem ende lese desen brief dan moechstu mijn macht weten ende name ende waer om dat ic hier ghecomen ben

Seker seyde hij ic en ben geen clerck leestse selue gelieftet v want ic achtse seer weinich Vrient [32rb] seyde zij Alle man en is van vwer opinien niet maer daer om niet gij sultse nochtant horen lesen of mijn clerken en sullen my gebreken. Doe riep zij my ende seyde Coemt hier ende leest voer desen ioncker dese brief op dat hy mi mach andwoerden als hijse gehoert sal hebben Doe nam ic den brief ende lasse dies de oude kaerel niet alte wel te vreden en was want ter wijle dat ic las stont hy altijt ende beet op zijn tanden Ende de teneur vanden brief was dus luidende Gracie gods Bij wien de coningen hem seggen regnerende tot onser geminder vrouwen Reden in allen saeken getrouwe geuonden Saluyt van dat wy dy gebieden te doen volcomen macht Wij hebben verstaen dattter een vuyl lelic kaerl is geheten ruyd verstant die hem gemaect heeft een verspier der weghen ende een rouer der pelgrymen ende wilse berouen van haer palster ende male ende haer verblasende ende dreygende mit loghentale ende bedroch Ende om te meer ontsichs heeft hi van houaerdichede ontleent haer fellen stoc die genoemt is Obstinacie of eenwillige verstinicheyt die my noch qualicker ghenoucht dan de oude kaerl selue Waer by wy dij ghebieden ende machtigen datstu dijn wech daerwaert maecs ghebiedende ende beuelende seer scarpelic op tgunt dat hy teghens ons verbeuren mach Dat hy zijnen omen daer ic grote begherte [32va] stoc neder legge ende dat hi vant ander oflaet ende cesseer Ende indien hijt wederseyt ende niet obedieren en wil. so dachuaert hem ter rekeninge ten laetsten doemsdage ende daer of soe maken wy di commissarijs ende gheuen dy daer toe volcomen macht Ghegeuen In onse iaer xiiij.c.xxxvi.

Als ic den brief ghelesen had nam reden weder haer brief ende seyde tot den kaerle Nu hebdy gehoert mijn macht ende waer omme dat ic hier come Dus so andwoert gelieftet v op dat ghy hier gehoert hebt ende dat ic v geuraecht heb Wie sidi seyde de kaerle Ic ben reden seyde si ghy hebt hier mijn name hooren lesen ende wie ic ben. Droem dy of maecstu castelen in spaengien Ic heb wel gehoert dat gij reden hiet maer om dat de name so lelic is heb ict v weder geuraecht waer hebdi dit geuonden seide reden Ter molen seide hy ter molen daer ic gheweest hebbe der voert ghi valsche mate ende steelt den luyden haer coren

Coemt haer seyde reden ende hoort my spreecken. Seker gij en spreect niet als de vroede ter molen by auentuer hebdi gesien een mate die reden heet om haer grote onreden te bedecken Maer daer by en ist geen reden maer het is bedroch ende valschede tusschen de name ende het wesen ende ic wilder groet onderscheyt tusschen maken Want het is [32vb] een ander dinc reden selue te weesen dant is de name alleen daer of te hebben want mitter name dect een dief sijn lelichede Hets dicwile gesien dat die niet schoen en is hem moey maect ende die niet goet en is hem simpelic ghelaet Alle quadaders decken hem gaerne mit de name van eenighe deucht int contrari om van den volcke niet bekent te zijn Ende hier bi en is ducht niet te argher maer is een teyken datse goet is als de quaethede haer daer mede verchiert Dus al heeft de mate daer du of segs haer mit mijnen name ghepareert dat en is mijn eer niet sculdich mispresen te zijn mar gepresen onder den verstandelen

Wat duuel seyde hy is dit my dunct ghy wilt ghepresen zijn daer een ander of gheblameert soude sijn Maer kende ic geen vliegen in melcke so waer ic na v segghen harde sot Meendi dat ic geen hont of cat en ken voer een paert of eesel Ic kense al wel by haer name want zij ende haer namen zijn alleens waer bij al ist dat gij reden heet. ic seg mede dat gij reden zijt ende ist dat reden tcoren steelt ic segge oec dattet van v ghestolen is ende en meent niet dat ghijt my anders sult doen verstaen

Doe andwoerde reden al lachende ende al in boerd nemende Nu sie ic wel dat ghy den aert cont ende wel geleert hebt See[33ra] condi argueren ende goede exemplen geuen ghy zijt een proper ionghelinc waerdier nae ghemaect. Ghy dunct my spot houdende mit my seyde hy Seker ghi segt waer seide si ende noch sal ic meer mit v spotten tot dat ic vwen name weten sal also gij den minen doet ende het en is v eer niet dat ghijse heelt Eer seyde hy wat seg dy de oneer is v want ghy hebt minen naem in gescrifte. maer gi slacht de man die zyn ezel socht ende hi satter op maer my dunnct v ding is al dwaeshede O seyde reden si dy de ghene die int gescrifte staet dat en wist ic niet Maer nv sie ic wel dat ghi de man zijt sonder enich onderscheit vwe exemplen hebbent my wel getoecht ende an v woerden die soe subtijl zijn weet ic dat ghij zijt Ruytuerstant so dat ic v vergheue de onwetentheyt die ghi my ghedaen ende bewesen hebt doer haete gy meent my te zijn als gy zijt Ruythede leerdet v. Ruyt ende onuerstandel zijdi ende vwen rechten naem hebdi

Met dese woerden wart de karel al verbaest ende en wist wat seggen anders dan dat hy sijn tanden te gader beet maer daer omme en zweech reden niet ende seyde Nae dien dat ic weet vwen name soe en ist van ghenee node vorder nae v te vragen want ic hebt al claer bescreuen dat ghy een verspider zijt der pelgrymen ende wiltse berouen van [33rb] palster ende male waer om wilstu tegens tghebot doen van mijnder vrouwen maer seit hij om dat si draghen de palster ende male contrari het ewangelie als ic heb horen lesen in onse dorp daert in verboden is datmen gheen palster noch male draghen en moet Dus als icse yemont sie draghen teghens coninx gebot gaerne neem icse haer O seide reden het is al anders te verstaen dat verbot was al verkeert Het is wel waer het was verboden mar het wart weder geboden Het en is een coninc geen schande al verkeert hi zijn wet om redelicke saecken Ende het waer om sal ic dy seggen De ghene die die ten eynde is van zijn wech die en heeft van ghenen node pelgrym te zijn Ende die geen pelgrym en is en behoeft palster noch male Ihesus de coninc is self dat eynde van alle goede pelgrymen ende tot desen eynde waeren zijn pelgymen tot hem gecomen bij zijn roupen als hy haer verboedt dat si palster noch male dragen en souden. Ende mede was hy machtich sonder hulpe van yemonde hemluyden te geuen haer noetruft van als dat hemluyden ghebreken mach Oec mede hi wilde wanneer dat hyse wt sende om te predicken dat si van de hoorders gheueodt waren want elc man wel waerdich is zijn loen te ontfaene Ende daer mede was elx vernoucht r subtijlick

[33va] Siet dit was de saeck waer om dat den heilegen apostelen verboden was dat zij palster noch male dragen en souden Maer daer na als si scheiden souden ende de doot lijden ende de tijt daer of al veruolt was Hij die selue dat eynde was van har wech wilde doen vermaken zijn wet als een goet deuchdelic coninc ende dede haer weder nemen de palster ende male Ghelijc of hij wilde seggen Al wast dat ghy gecomen waert ten eynde van vwen weghe ende dat ic v verboedt palster ende male te dragen Maer nu om dat ic van v scheiden moet ende laten v. soe wil ic dat ghijt weder an neemt gelijc als ghy te voren hadt Want ic weet wel als ghy my verloren sult hebben so sal v de palster ende male van node wesen want gij moet pelgrims zijn ende stellen v te weghe Andersins en moechdi my niet volgen noch tot my comen Ende oec mede als ic wech sal zijn suldier luttel vinden die v goedt doen sullen ende mit ghoeder herten beminnen Daer om so neemt v male ende palster ende rust v ende leent daer an tot dat ghij tot my coemt Siet hier reden die starck genouch is palster ende male te draghen waer by dastu dy niet sculdich en zijs te onderwinden noch hinderlic te zijn den ghenen diese hebben ende draghen waer si gaen want si hebben oerlof tot elc comen sal ten eynde zijns weges

[33vb] Wat blaesdy nv seyde de kaerl wildy het ewangelie houden voer loghen Ghij segt dat het verboden is dat god geordineert heeft Ende in dient hier alsoe of waer als ghy segt het soude also oec zijn van alle den anderen Ende alle de ordenancie doer scrapt ende wt den boeck ghedaen Neen seyde reden het en soude want het is goet dat men weet den tijt die gheleden is Hoe dat men dede hoe dat men seyde waer om dat het was ende wat reden daer toe was Ende daer omme en is het ewangelie niet geualscht maer ya veel te veel gracelicker den menscen van goeden verstande

Te meer dat in een mensch of weyde veel diuersche bloemen staen soe veel te gracelicker ende genouchelicker is de plaets ende te mer dat si wonderlicker is soe veel te meer wordense besien ende ghepresen

Uan dese woerden so seghende hem de kaerl mit zijn ruyde ende groeue handen seggende Wat wil dit weesen meendi my te betoueren my dunckt al dat ic segghe gy speelt my al vant contrarie ende verkeertet al. Valschede heet ghy schoenhede ende schoenhede heet ghy valschede. ende dat de coninc verboden heeft dat segdy dat gheboden is ende puerlic sprekende teghens het ewangelie Gij [34ra] en zijt anders niet dan een bespotster ende die anderluyden dingen onder wint Laet my mit gemaecke Want al dat ghy segt ic en gheloefs niet ende ic sal bliuen by mijn propoest ende ic en sal my an v woerden niet houden noch gelouen

Ten minsten seyde reden soe sulstu ter neder moeten leggen de groten stoc die du draechs want du weets wel dattet gracie alsoe geordineert heeft. Wat macht seyde hy gracien deeren dat ic den stoc drage want hy is my noetsakelic om my mede te verweeren ende ic bender van een yehelic of ontsien ende elx vreest hem van my dus waer ic harde sot leide icken ter neder. O seyde reden du en biste daer niet wel an anderen readt waer dy van node Nymmermeer en soude gracie mogen beminnen die sulcken stoc draecht want gracie haet desen stoc meer dan eenich dinc. waer bij en legs du dan desen stoc niet van dy du en does gheen vroeschape

O seyde die kaerl gij zijt harde sot sulcke woerden te spreecken Ende of den stoc haer niet en deert waer bi soudt haer dan leet zijn dat icken droege Ic salt dy seggen seyde reden mit strenge woerden want ic sie wel de ruydicheyt dijns verstants wilt also geseit wesen Hadstu een vrient ende hem yement quaet wilde doen het en soude dy [34rb] niet deeren het mocht dy leet zijn Gracie goods mynt allen luyden ende daer om als yemont enich letsel heeft of hinder al ist dat het haer niet en deert het is haer te minsten leet. Dese stoc is vyant den genen diese te vriende wil hebben Ende en waer dese stoc de ioden souden hem bekeeren ende tot gracie comen Alle menschen souden haer bekeren van haer ketterie en beteren hem. Bij desen stoc waren gescoffiert nabel ende pharo want zij leenden daer op ende beiaechden haer doot daer an elckerlijc soude doen dat zij hem hiete ende ghebode ende niemont en soude tegens haer ouerhoerich wesen Ende en waer die stoc niet alle rude verstanden souden haer onderdanich zijn Ia du seluer die properlic geheten zijs ruyduerstant Du souts dy veroetmoedighen ende wercken bij rade en deede dese stoc Waer bij dat ic dy rade datstuse neder legs ende ontbeers ende niet meer an en houds

Help god seyt hy hoe luttel prijs ic soedaneghe woerden Ic salder an lenen ende my an houden wildi of en wilt ende om nyemont laeten O seyde reden nv sie ic wel dat ic niet meer an dy en heb te onderwijsen maer ic dage dy ten oerdele ten doemsdage ende dat gi daer seluer coemt sonder yement te senden

Doe keerde reden haer om ende riep my seggende. Gaet stou

[34va] telic sonder ruyt uerstant yet te vraegen of ontsien Ende wat hy dy vraget geeft hem gheen andwoerde want salomon seyt datmen den sot niet andwoerden en sal Vrou seide ic salomon seyt datmen den sotten andwoerden sal om haer dwaesheit te tonen Seker seyde reden du segs waer maer men moet poynt ende stonde sien om gaern te andwoerden ende daer in heb ic my wel gequijt al ist dat ic arbeit verloren heb want hy is sonder begrip harder dan een steen maer dat hy eerst ontfat dat mach hy noch en wil laten Dus dan mit sodanighen kaerl sprake te houden en mach dy niet dan schande gebueren Dus soe ganc dijnen wech laet den karel staen clappen ende bijten zijnen breydel ende leenen op zijnen stock

Urouwe seydic Ic danc v dat gh my aldus onderwijst maer ic seg v voer waer ic en darf verbi den kaerl niet lijden het en waer dat ic enich geleye van v hadde Waer bij ic v vriendelic bidde dat ghy mit my coemt ende leet my verby den karel want ic heb v noch te spreken ende soude v enighe sake vragen die mi van node zijn te weeten Doe nam zij my ter stont bijder handt ende leede my verbij den kaerel ende sette my in mijnen wech dies ic zeer blijde was De kaerel bleef staen al murmurerende ende leende op zijnen stock altijt zijn gesicht op ons houdende [34vb] Als ic my dus ontghaen sach vanden karel beghan ic reden te vraghen seggende. Vrou ic heb geweest ende noch ben in groten ghepeynse waer by dat ic gheen wapen draghen en mach noch gedoghen ende ic sie datse een ioncwijf draecht dat my grote schande is dat icse so wel niet dragen en mach als zij doet ende ic soude mit recht veel starcker zijn dan si is Dus bid ic v dat ghij my seggen wilt ende onderwijsen de reden waer by dit coemt

Doe andwoerde my reden ende seyde Hoe hebstu so langhe ghesijn int huys van gracie sonder haer daer of te vraghen ende my en twijfelt niet zij en heeft dy enighe saecken daer of geseyt Vrouwe seyde ic si heefter my wel of gheseyt maer ic hebs veel vergeten. maer my gedinct wel dat si my seide dat ic te vet ende te grof was. Ende waer dat saec dat ic my seluen magerde ende enich quaet dede men soudt voer dwaesheit nemen ende oec mede en soudic mijn wapen also wel niet moghen draghen ghelijck of ick grof ende starc waer Dees ende deser ghelijcke saecken doen my peynsen Oec mede ic en versocht an gracie nye om trechte verstant hier of te weeten om dat ic my ontsach haer te zeer te moeyen ende dat icse vertorent mocht hebben Dus bid ic v dat gij my de saec wilt doen verstaen

[35ra] Seetstu seyt zij wye du biste oftu enckel zijs of dubbel ende ofstu niemont anders en hebs te regieren noch te voeden dan dy seluen Vrouwe seydic als verbaest my dunct dat ic nimont en heb te regieren of te besorgen dan my seluer ic ben alleen als gij wel siet ic en weet wer om dat ghijt vraecht. Nu verstaet dan ende hoert ic saldy ander dinck seggen Du moets weten datstu voeds dijn alder meesten vyant die du inder werelt hebs Daer en is spijse ter werelt so lecker of costelic. du doestese hem hebben Ende hy was di gestelt te dienen ende du dienste hem in allen dinghen in costelicke cleeder du behangs hem mit iuweelen ende ander costelhede Du does hem hebben alle zijn gemac wel sacht te leggen Om hem te rvsten alsnu doestu hem hebben een stoue als dan een badt Jae al dat hy begeert doestu hem hebben by nachte als by daghe ende sulck als hij is hebstu hem op gheuoedt ende veel meer hebstu besorcht gheweest voer hem dan een voester voer haer kint dat zij tsuicken geeft Mede du en houds niet op het is geleden xxxvi jaer ende meer datstu dit ghedaen hebste ende nochtan is hy de gene die dy bedriecht ende verradet Hy is de gene die dy niet en laet dragen dijn wapene noch ghedoghen en wil Altijt is hy dijn wederpartie so wanneer du wel wils doen

[35rb] Urouwe seydic Ic verwonder my seer van dat ghy my hier vertelt Ende en waert dat ic v so wel niet en kende wijs ende vroet Ic soude meenen oft loghen waer of droem dat ghij my segt Maer ic kenne in v soe grote deucht dat ghy niet en soudt willen liegen. Dus bid ic v dat ghij my wijsen wilt den quaden verrader ende oec wie hij is hoe gedaen wat hij is ende waer hij geboren was ende hoe hij genaemt is so dat icken kennen mach ende hem spijt doen Want al waert dat ic hem van als ontleede al leuende soe en waer ic daer noch niet ghenouch of ghewroecken nae dat ghij my segt dat hij my misdaen heeft

Seeker seyd zij du segs waer want du zijs oec schuldich te weten Dat en waerstu hij en soude niet zijn of luttel soudt van hem zijn Niement en soude hem willen eens waerdigen an te sien noch niemant en soude gheren by hem te zijn Het is een hoep van misse een ghedaente van lijme ende een schu der voghelen Bij hem seluen en mach hy hem niet verporren wenden keren noch wercken want doef is hij ende blint onmachtich crepel ende gheconterfeit Het is een wonderlic worm die gheboren was int landt vanden wormen Een worm die in hem seluen de wormen voedt Een worme die int eynde spijse sal zijn der wor

[35va] men ende stincken Ende hoe wel dat hi sulck is nochtant legstu hem alle nacht by dy int bedde slapen ende du soucs al dat hem vermaken mach Ende dat meer is als hy te vol is gegeten ende gedroncken so draechstu hem zijn sac ende mage ter stillen om te ydelen Besiet nv ofstu hem niet grotelic onderdanich en zijs mede hier en weet hij v altesamen gheen danc of maer is veel gewilliger v leet te doen sulc is hy van aerde

Urouwe seidic wilt my zijnen name seggen want ic souder my ouer willen wreeken ende doden hem O seyde reden du en hebs genen oerlof hem te doden maer ghy moechten castien ende zijn quade gewoenten ter neder doen mit arbeid hem an te doen vasten ende ander penitencie sonder de welcke du niet en moechs ouer hem gewroken zijn want alsostu eer saechs indien du de saec verstaes penitencie is zijn mestersse ende die hem castijt geeft hem haer zij sal hem castien ende slaen mit haer roede dat hy dij voert meer een goed dienaer sal zijn ende dat zijstu schuldiger te begeren dan zijn doot. want hy is dij gegeuen om hem tot salichede te brenghen het is dijn selfs lichaem ende anders en can ict dy niet genoemen. Vrouwe seydic wat segdi Droem ic of droemt ghy Mijn lichaem ende mijn vleysch heet gij dat anders dan my nochtant [35vb] zie ghij dat ic alleen bij v ben noch datter niemont en is dan wij twee alleen Ic en weet wattet bediet het en zij sothede Neen also niet seyde reden want wt mijn mont en quam nye logentale noch sothede of dat men drome heeten mocht Mar segt my doch bij dijn trouve ofstu waers in een stede daerstu van als dijn begheren hads van wel teten drincken sacht te slapen ende rusten. soudstu daer wel altoes willen blijuen. seker vrou seydic iae ic Jae gy seytse wat sechstu. dan soustu achter moeten laten dijn pelgrymage. Vrou seyde ic. ic en soude want ic souder noch al in tijts genouch comen alst paste In tijts genouch seyde zij ketijf het en is mensch inde werelt so seer gaende noch lopende diere te tijde mach comen. Ende ofstu na veel weelden mit arbeyd ende pijne daer geraken soudstu oec op wege slaen Daer op en wist ic wat andwoerden dan dat ic wel bliuen wilde oec wilde ic wel gaen O seide reden so hebstu dubbelt gepeyns ende dubbelde wille Deen wil gaen ende dander wil blijuen. deen wil rusten dander wil wercken Dat deen wil dat en wil dander niet geheel contrari zijn si deen den anderen Vrouwe seidic seeker also ghi segt beuoel ict in my Dus en bistu niet alleen. maer du ende dijn lichaem dat zijn twee want twee willen en mogen van geen een dinc comen

[36ra] Urouwe seydic Nu bid ic v dat ghy my segt wie ic ben angesien dat ic mijn lichaem niet en ben dat ic mach weeten wie ic ben want ic en warde nymmermeer te vreden voer dat ict weet Help seide reden wat segstu mi dunct datstu niet veel en weets. Want beter ist den mensch hem seluen te kennen dan keyser of coninc te zijn of dan alle sciencien te weeten of alle tgoet ter werelt te hebben Maer nae datstuut niet en weets so doestu wel datstuut vrages ende salt di seggen als ic best can

Die ziele van binnen daer ic nv of gesproken heb die tlichaem van buyten chiert ende pareert is de gelijkenisse ende beeld van gode Van niet maecte hy di ende sciep nae zijn gelijckenisse Ende geen edelre maecsel en mocht hij dy geuen. Hy maecte di schoen ende claer siende lichter dan enich vogel die vliecht onsterfelic sonder nimmermeer te steruen maer ewich gheduerich Besich di seluen wel niemont en mach hem tegen dij gelijcken hemel noch aerde noch vogele noch geen ander creatuer. want god is dijn vader ende du biste zijn soen En laet v doch niet duncken dat ghi claes of ians soen zijt want nie en hadden si soen van dier condicien ende natueren. Dijn selfs lichaem die dijn vyant is dien hadstu van hem ende dat quam dy van hem dat wan hy alsoet natuer ordineer[36rb]de ende recht ist dat de boem sulcke vrucht draecht als de natuer haer leert. Ghelijc dat een doern geen vijgen draegen en mach niet te meer en mach dat menschelike lichaem vrucht gewinnen het en zij vuyl onreyn ende stinckende corrupci Maer alsulc en hebstu niet want dijn voertbrengen en hebstu van geen menschelicke geslachte maer zij es dy gecomen van god den vader. God die en maecte nye vleychelike mensche dan twee Ende dander beual hi alle natuere te maken na dier exemplaer. mar tmaecsel der geesten dat hielt hi an hem seluen Alle wilde hi datse van hem gemaect waren sonder dats hem yemont anders onderwonde hij maecte di want du bist een geest ende sette dy int lichaem daer du nv in biste hi stelder di in om een wyle daer in te wonen ende om te proeuen ofstu een vroem ridder souds zijn ende manlic ende ofstu den lichame verwinnen souds mogen of di hem op souds geuen want altijt hebstu strijt tegen hem ende hij tegen dy en waer datstu di hem opgaefs ende mit smeeken hy di ter neder velde ende verdulde di Ende alsdan sal hij dy onder hem houden het en waer saecke datstu bij crachte verwins. Nymmermeer soe en hadde hy enige macht bouen di het en waer bi dinen wil ende consent Du biste sampson ende hy is dalida Du hebste starcheden in dij maer [36va] hij en heeft gheen Noch hy en can gheen dinck doen dan smeeken om v den vyanden te leueren hij sal dy wilstu wel scheren ende binden dijn haer al of. Dijn secreten als hijse weet sal hy seggen den philistienen Dit is de vrienschap die hy tot dy waerts heeft ende trouwe Nu besiet ofstu dy tot hem op geuen wils sonder slach te slaen ende ofstu verdult wils zijn als sampson was ende voer een sot gehouden

Urouwe seydic Ic hoer wonder ic meen dat ic slaep of drome Ghij heet my geest die hier gesteken ben in mijn lichaem die ghy segt claer siende ende ic sie luttel noch veel. Ende mijn lichaem dat wel siet segdy dat blint is mit veel andere redenen die mi in gaen ter eender oren ende ter ander weder wt Dus bid ic v dat ghi my claerder wilt doen verstaen want ic en cans niet begrijpen

Doe began reden weder ende seyde Hoert nu dan nae my ende verstaet Als de sonne op de middach bedect is onder een wolcke ende men haer claerheit niet sien en can wil my doch seggen waen dat die dach coemt Hy coemt seyde hy van der sonnen die haer claerheit werpt doer de wolcken Hoe mach seyde si der sonnen claerheit gesien warden doer de wolcken. maer ghelijc seide ic datmense siet doer een glas of als ment vier siet doer een lantaerne [36vb] Nv spreecstu mit verstande seyde reden want bijder sonnen sulstu verstaen die ziele die in dijn lichaem is. het lichaem is een beroecte lantaerne ende wolcke nochtant si te wel doer de claerhede die de ziel van binnen wt werpt ende meenen enige sotten dat de claerhede coemt van de wolcke daer de ziele mede belemmert is. Maer en daede de wolcke de ziele soude so grote claerhede hebben dat zij soude sien vant oeste tot int westen ende soude sien ende kennen haer scepper

De ogen des lichaems en zijn geen ogen maer glasen veynsteren waer doer de ziel den lichaem licht geeft van buten. maer daer om en bistu niet sculdich te wanen datse der zielen van node zijn dese ogen want zij siet alom sonder vleyschelijke ogen ende siet haer geestelic goed ende soude claerderder sien hadde tlichaem geen ogen Thobias was blint van lichaem maer niet ter zielen want bij hem was gheleert zijn soen tobias hoe dat hy leuen soude ende welcken wech hy houden soude nymmermeer en hadde hij hem dat gheleert had hi blint geweest ter zielen want de ziele verstont ende bekende tguut dat zij voert leerde. Hier bij seg ic datstu claer sies nochtan soe is tlichaem blint ende doet sonder vwe claerhede ende nymmermeer en soudt sien en waert doer v Ende al soe ic v nv segge vanden zien dies [37ra] ghelijc seg ic vant hoeren ende van alle de ander sinnen dat het maer instrumenten en zijn doer de welcke gy van dy ontfaet want hy en hoert noch en siet dan doer v alleen Ende ic seg dy noch voer waer indienstu hem niet en droeges ende op en hielts dat hy zijn soude gelijc een stinckende croenge ende sonder enich beuoelen

Urouwe seydic hoe mach dat zijn dat de ziel aldus tlichaem mach draghen want my dunct dat het lichaem de ziel draecht die int lichaem onthouden wordt Verstaet mi seyde reden Dijn cleder bedecken dy ende du biste inde cleder ende het soude dy verwonderen seydic datse dy droegen Ist also hier of seydic Jaet seyt zij maer daer is onderscheyt Dat is de ziel draecht ende zij is ghedragen Sij draecht principalic het lichaem maer tlichaem draechtse in hem zijn virtuut an haer nemende Neemt exempel an een schip datmen stiert want de stierman diet stiert die voert ende hy wart self geuoert ende en voerde hy tscip niet tschip en soude hem niet voeren De ziele is stierman vant lichaem zij voertet ende aldus voerende soe draecht het weder haer iae na dat zijt consenteert want het lichaem en soudse niet dragen en drouch si tlichaem niet Ende daer bij soustu arbeyden tlichaem so te voeren ende leyden dat ghijt moch brengen in een goede hauen dat is in dat ewige leuen

[37rb] Urouwe seydic v seggen soud my zeer profijtelic zijn wilde gij my so veel doen ende stellen wt mijn scepe ende ontcleden my van mijn lichaem Op dat ic sien mocht den vuylen keerl ende truwant die my soe veel misdaen heeft als gi segt ende noch niet of en laet als ic wel geuoele Niet dat ic my yet twijfel ghy en hebt my de waerheit geseyt maer ic en verstae vwe woerden so claer niet ic en bid v dat ghijt my bet wilt onderwijsen ende doen verstaen

Seker seyde reden ic geloefs wel datstut niet en verstaets Ende dat waer om is dit het lichaem sit altijt swaer ende grof als een wolke ende en can anders niet doen dan dy altoes contrari te zijn. Maer nv alstu an my versoucs so sal ict dy of doen maer du moetster oec om arbeyden mit my want luttel soude ic daer alleen toe moghen doen sonder dy maer du sulsten ter stont weder an moeten doen ende cleden want mijn macht en strect so varde niet yet langhe te mogen wt doen want so gedane dinghen behoert de doot toe die dicwile coemt sonder ontbieden Nv neemt daer ende ic neem hier ende en gaept niet haerwaerts ende daer waerts Maer siet wel voer dy

En toen we aldus gingen, Memorie en ik, en toen wij een stuk gegaan waren naast een berg al peinzend want ik was droevig vanwege Gratie die ik alzo verloren had. In mijn weg daar ik gaan zou zag ik een oude kerel staan die recht naar mij kwam gelijk alsof hij mij mijn weg had willen weerstaan en benemen. Groot en lang was hij en zeer mismaakt met een lange kromme neus en scherp recht of hij me eten zou kwam hij fel naar me toe bijtend met zijn tanden. Op zijn hals droeg hij een grote onbesuisde stok met beide handen waar hij op leunde toen hij tegen mij sprak alzo ge horen mag in wat voor manieren hij me aankwam toen ik bij hem kwam. Hoe was u, zei hij, ooit zo koen dat u de wet durfde te breken die de koning geordend heeft lang geleden. Want die koning gebood dat niemand een pelgrimsstaf nog bedelzak droeg en boven zijn gebod hebt u ze meegenomen en brengt ze hier onder mijn ogen. Waarvan komt u die dapperheid en hoe was u zo koen. Ter kwade tijd kwam u hier al uw leven nooit in al deed u meer zotheid.

Toen ik al deze woorden gehoord had was ik veel meer banger dan te voren. Geen antwoord wist ik te geven. Een advocaat zou ik gehuurd hebben had ik hem weten te vinden want die had ik wel nodig. Toen bedacht ik hoe ik kon ontgaan en sloeg mijn ogen op en zag of had vrouw Reden die in het wel spreken goed bekend is want ze zegt niets of het is goed geordend. En omdat ik haar meer gezien had kende ik haar beter en was van haar zeer blij en hoopte dat deze oude kerel door haar gestild zou worden die op mij zo kwalijk toegesproken had. Toen kwam vrouw Reden die terstond naar hem ging en zei: Nu zeg me, u kerel, hoe bent u zo wanschapen en mismaakt en waarvan dient ge. Bent u een baljuw of een bespieder, hoe heet u, waarvan bent u en waarom draagt u deze grote stok die geen goede man betaamt te dragen.

Deze kerel leunde toen op zijn stok en zei tot Reden. Wat meen je, ik denk dat je een nieuwe onderzoekster (?) bent, toon me uw opdracht dan zal ik tenminste uw naam weten en of uw macht alzo groot is als het lijkt want anders wil ik op uw vragen niet antwoorden.

Reden hoorde dit en haalde een bus uit haar boezem daar zij een brief uit nam en zei; Zie hier mijn macht, neem en lees deze brief dan mag u mijn macht en naam weten en waarom dat ik hier gekomen ben.

Zeker, zei hij, ik ben geen klerk, lees het zelf als het u belieft want ik acht het zeer weinig. Vriend, zei ze, alle man is niet van uw opinie, maar daarom zal ge nochtans horen lezen of mijn klerken zullen mij ontbreken. Toen riep ze mij en zei: Kom hier en lees deze jonker deze brief voor zodat hij mag antwoorden als hij ze gehoord zal heeft. Toen nam ik de brief en las, dus was die oude kerel niet al tevreden want terwijl dat ik las stond hij altijd en beet op zijn tanden. En de teneur van de brief luidde aldus: Gratie Gods, van wie de koningen zeggen van hem te regeren tot onze beminde vrouw Reden in alle zaken getrouw gevonden. Saluut van dat wij u gebieden te doen volkomen macht. Wij hebben verstaan dat er een vuile lelijke kerel is geheten ruig verstand die hem gemaakt heeft een bespieder der wegen en een rover der pelgrims en wil ze beroven van hun pelgrimsstaf en bedelzak en hen verbazend en dreigend met leugentaal en bedrog. En om te meer ontzien heeft hij van hovaardigheid geleend haar felle stok die genoemd is Obstinate of een willige koppigheid die me nog slechter vergenoegd dan die oude kerel zelf. Waarbij wij u gebieden en machtigen dat u uw weg derwaarts maakt, gebiedende en bevelende zeer scherp op hetgeen dat hij tegen ons verbeuren mag. Dat hij zijn voornemen daar ik grote begeerte van stok neerlegt en dat hij van het ander aflaat en ophoudt. En indien hij het tegenspreekt en niet gehoorzamen wil zo dagvaart hem ter rekening ten laatste doemsdag en daarvan zo maken wij u commissaris en geven u daartoe volkomen macht. Gegeven in ons jaar 1486.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen ik de brief gelezen had nam Reden weer haar brief en zei tot de kerel: Nu heb je gehoord mijn macht en waarom dat ik hier kom. Dus zo antwoord belieft het u zodat gij hier gehoord hebt en dat ik u gevraagd heb. Wie ben je, zei de kerel? Ik ben Reden, zei ze, ge hebt hier mijn naam horen lezen en wie ik ben. Droomde je of maak je kastelen in Spanje. Ik heb wel gehoord dat gij Reden heet, maar omdat de naam zo lelijk is heb ik het u weer gevraagd. Waar heb je dit gevonden, zei Reden. Ter molen, zei hij, ter molen daar ik geweest ben daar voert ge valse maten en steelt de lieden hun koren.

Kom hier, zei Reden, en hoor me spreken. Zeker gij spreekt niet als de verstandige ter molen, bij avontuur heb je gezien een maat die Reden heet om zijn grote onrede te bedekken. Maar daarbij is het geen reden, maar het is bedrog en valsheid tussen de naam en het wezen en ik wilde er groot onderscheid tussen maken. Want het is een ander ding reden zelf te wezen, dan het is de naam alleen daarvan te hebben want met de naam bedekt een dief zijn lelijkheid. Het is vaak gezien dat die niet mooi is hem mooi maakt en die niet goed is hem simpel laat. Alle kwaaddoeners bedekken zich graag met de naam van enige deugd als tegenstelling om van het volk niet bekend te zijn. En hierbij is deugd niet erger maar is een teken dat ze goed is als de kwaadheid haar daarmee versiert. Dus al heeft de maat daar u van zegt zich met mijn naam versierd dat is mijn eer niet schuldig mispresen te zijn maar geprezen onder de verstandige.

Wat duivel, zei hij, hij is dit me dunkt gij wil geprezen zijn daar een ander van geblameerd zou zijn. Maar kende ik geen vliegen in melk zo was ik naar uw zeggen erg zot. Meende ge dat ik geen hond of kat ken voor een paard of ezel. Ik ken ze alle wel bij hun naam want zij en haar naam zijn alle gelijk waarbij al is het dat gij Reden heet. Ik zeg mede dat gij Reden zijt en is het dat Reden het koren steelt, ik zeg ook dat het van u gestolen is en meen niet dat gij het mij anders zal laten verstaan.

Toen antwoordde Reden al lachend en nam alles in grap. Nu zie ik wel dat ge de aard kent en het goed geleerd hebt. Zeer kan ge argumenteren en goede voorbeelden geven, ge bent een propere jongeling was u er naar gemaakt. Ge lijkt me spot te houden met mij, zei hij. Zeker, ge zegt waar, zei ze, en nog zal ik meer met u spotten totdat ik uw naam weten zal alzo gij de mijne doet en het is uw eer niet dat gij het verheelt. Eerder zei hij wat zeg je dat oneer is u want ge hebt mijn naam in geschrift, maar ge slacht de man die zijn ezel zocht en hij zat er op, maar het lijkt me alles dwaasheid. O, zei Reden, jij bent diegene die in het geschrift staat en dat wist ik niet. Maar nu zie ik wel dat gij de man bent zonder enig onderscheid, uw voorbeelden hebben het me wel getoond en uw antwoorden die zo subtiel zijn weet ik dat gij Ruigverstand bent zodat ik u de onwetendheid vergeeft die ge me gedaan en bewezen hebt door haat. Ge meent mij te zijn zoals gij het Ruigheid leerde. Ruig en onverstandig ben u en een goede naam heb je.

Met deze woorden werd de kerel geheel verbaasd en wist niet wat te zeggen anders dan dat hij zijn tanden tezamen beet, maar daarom zweeg Reden niet en zei: Nadien dat ik uw naam weet zo is het niet nodig verder naar u te vragen want ik heb het al duidelijk beschreven dat gij een verspieder bent der pelgrims en wilt ze beroven van pelgrimsstaf en bedelzak. Waarom wil u tegen het gebod doen van mijn vrouw? Maar, zei hij, omdat ze de pelgrimsstaf en bedelzak dragen tegengesteld het evangelie zoals ik heb horen lezen in ons dorp daar het in verboden is dat men een pelgrimsstaf nog bedelzak dragen moet. Dus als ik iemand het zie dragen tegen konings gebod neem ik ze graag. O, zei Reden, het is al anders te verstaan, dat verbod was al verkeerd. Het is wel waar, het was verboden maar het werd weer geboden. Het is een koning geen schande al verandert hij zijn wet om redelijke zaken. En het waarom zal ik u zeggen. Diegene die ten einde is van zijn weg die heeft het niet nodig om pelgrim te zijn. En die geen pelgrim is behoeft pelgrimsstaf nog bedelzak. Jezus, de koning zelf, is dat einde van alle goede pelgrims en tot dit doel waren zijn pelgrims tot hem gekomen bij zijn roepen toen hij hen verbood dat ze pelgrimsstaf nog bedelzak zouden dragen. En mede was hij machtig zonder hulp van iemand hen hun nooddruft te geven als dat hen ontbreken zou. Ook mede wilde hij wanneer dat hij ze uitzendt om te prediken dat ze van de toehoorders gevoed waren want elk man is het wel waard zijn loon te ontvangen. En daarmee was elk subtiel vergenoegd.

Zie, dit was de zaak waarom dat de heilige apostels verboden was dat zij pelgrimsstaf nog bedelzak dragen zouden. Maar daarna toen ze scheiden zouden en de dood lijden en de tijd daarvan al vervuld was en Hij die datzelfde einde was van hun weg wilde Hij laten vermaken zijn wet zoals een goede deugdelijke koning doeten hun afnemen de pelgrimsstaf en bedelzak. Gelijk of hij wilde zeggen; Al was het dat gij gekomen bent ten einde van uw weg en dat ik u verbiedt pelgrimsstaf en bedelzak te dragen. Maar nu omdat ik van u scheiden moet en u verlaten zo wil ik dat gij het weer aanneemt gelijk als gij te voren had. Want ik weet wel als gij mij verloren zal hebben zo zal u de pelgrimsstaf en bedelzak nodig hebben want gij moet pelgrims zijn en stellen u te wege. Anderszins kan ge mij niet volgen nog tot mij komen. En ook mede als ik weg zal zijn zal ge er weinig vinden die u goed doen zullen en met goed hart beminnen. Daarom zo neemt uw bedelzak en pelgrimsstaf en rust u en leunt daaraan totdat gij tot mij komt. Ziet hier reden die sterk genoeg is pelgrimsstaf en bedelzak te dragen waarbij dat u zich niet hoeft te onderwinden nog hinderlijk te zijn diegenen die ze hebben en dragen waar ze gaan want ze hebben verlof tot elk te komen ten einde van hun weg.

Wat blaas je nu, zei de kerel, wil ge het evangelie houden voor leugen? Gij zegt dat het verboden is dat God geordineerd heeft. En indien het hier alzo waar is zoals ge zegt het zou alzo ook zijn van alle de anderen. En al de bevelen doorgehaald en uit het boek gedaan. Neen, zei Reden, het zou, want het is goed dat men weet de tijd die geleden is. Hoe dat men deed, hoe dat men zei, waarom dat het was en wat de reden daartoe was. En daarom is het evangelie niet vervalst maar ja, veel meer gracieuzer de mensen van goed verstand.

Te meer dat in een mens of weide veel diverse bloemen staan zo veel gracieuzer en genoeglijker is de plaats en te meer dat ze wonderlijker is zo veel te meer worden ze bezien en geprezen.

Van deze woorden zo zegende hem de kerel met zijn ruige en grove handen en zei: Wat wil dit wezen, meende ge me te betoveren, het lijkt me al dat ik zeg ge spelt me van het tegenovergestelde en verandert alles. Valsheid noemt gij schoonheid en schoonheid noemt ge valsheid en dat de koning verboden heeft dat zeg je dat geboden is en puur spreekt tegen het evangelie. Gij bent niets anders niet dan een bespotster en die andere lieden dingen onderwint. Laat me met rust. Want alles dat ge zegt geloof ik niet en ik zal bij mijn voorstel blijven en ik zal me aan uw woorden niet houden nog geloven.

Tenminste, zei Reden, zo zal u die grote stok neer moeten leggen die u draagt want u weet wel dat Gratie het alzo geordineerd heeft. Wat macht, zei hij, Gratie deren dat ik de stok draag want hij is mij noodzakelijk om mij mee te verweren en ik ben er door iedereen ontzien en elk vreest hem van mij dus was ik erg zot legde ik hem neer. O, zei Reden, u bent daar niet goed aan, andere raad hebt u nodig. Nimmermeer zou Gratie mogen beminnen die zo n stok draagt want Gratie haat deze meer dan enig ding. Waarom legt u dan deze stok niet van u, u doet geen wijsheid.

O, zei de kerel, gij bent erg zot zulke woorden te spreken. En als de stok haar niet deert, waarbij zou het haar dan leed zijn dat ik hem droeg. Ik zal het u zeggen, zei Reden, met strenge woorden want ik zie wel de ruigheid van uw verstand wil het alzo gezegd worden. Had u een vriend en iemand wilde hem kwaad doen het zou u niet deren, het mocht u leed zijn. Gratie God bemint alle lieden en daarom als iemand enig letsel heeft of hinder al is het dat het haar niet deert het is haar ten minsten leed. Deze stok is een vijand van diegene die haar te vriend wil hebben. En was deze stok er niet, de Joden zouden zich bekeren en tot Gratie komen. Alle mensen zouden zich bekeren van hun ketterij en zich verbeteren. Bij deze stok waren geschoffeerd Nabel en farao want zij leunden daarop en bejaagden hun dood daaraan. Elk zou doen dat ze hen zeiden en geboden en niemand zou tegen hen ongehoorzaam zijn. En was die stok niet alle ruige verstanden zouden haar onderdanig zijn, ja, u zelf die proper geheten bent ruigverstand. U zou zich verontschuldigen en werken bij raad en deed niet deze stok. Waarbij dat ik u aanraadt dat u het neerlegt en ontbeert en niet meer aanhoudt.

Help God, zei hij, hoe weinig prijs ik zodanige woorden. Ik zal er aan leunen en aan me houden wil ge of wil ge het niet en om niemand laten. O zei Reden, nu zie ik wel dat ik niets meer aan u heb te onderwijzen, maar ik daag u ten oordeel ten doemsdag en dat gij daar zelf komt zonder iemand te zenden.

Toen keerde Reden zich om en riep mij en zei: Ga dapper zonder Ruigverstand iets te vragen of te ontzien. En wat hij u vraagt geef hem geen antwoord want Salomon zegt dat men de zot niet antwoorden zal. Vrouwe, zei ik, Salomon zegt dat men de zotten antwoorden zal om hun dwaasheid te tonen. Zeker, zei reden, u zegt waar, maar men moet punt en stonde zien om graag te antwoorden en daarin heb ik me goed gekweten al is het dat ik verloren arbeid heb want hij is zonder begrip harder dan een steen, maar dat hij eerst ontvangt dat mag hij nog wil laten. Dus dan met zodanige kerel spraak te houden mag u niets dan schande gebeuren. Dus zo ga uw weg en laat de kerel staan klappen en bijten op zijn breidel en leunen op zijn stok.

Vrouwe, zei ik, ik dank u dat ge me aldus onderwijst maar ik zeg u voor waar, ik durf niet voorbij de kerel te gaan tenzij ik enige geleide van u had. Waarbij ik u vriendelijk bid dat ge met mij komt en leidt me voorbij de kerel want ik heb u nog te spreken en zou u enige zaken vragen die me nodig zijn te weten. Toen nam ze me terstond bij de hand en leidde me voorbij de kerel en zette me in mijn weg, dus was ik zeer blij. De kerel bleef staan al murmurerende en leunde op zijn stok en hield altijd zijn gezicht op ons.

Toen ik me aldus ontgaan zag van de kerel begon ik Reden te vragen en zei: Vrouwe, ik ben geweest en nog ben in groot gepeins waarom dat ik geen wapens dragen mag nog gedogen en ik zie dat een jong wijf ze draagt wat me grote schande is dat ik ze niet zo goed dragen kan als zij doet en ik zou met recht veel sterker zijn dan zij is. Dus bid ik u dat gij mij zeggen wil en onderwijzen de reden waarvan dit komt.

Toen antwoorde me Reden en zei: Hoe kan u zo lang zijn in het huis van Gratie zonder haar daarnaar te vragen en ik twijfel niet zij heeft u enige zaken daarvan gezegd. Vrouwe, zei ik, zei heeft er me wel van gezegd, maar ik heb veel vergeten. Maar ik bedenk me goed dat ze me zei dat ik te vet en te grof was. En was het zaak dat ik mezelf vermagerde en enig kwaad deed men zou het voor dwaasheid nemen en ook mede zou ik mijn wapens alzo goed niet mogen dragen gelijk of ik grof en sterk was. Deze en dergelijke zaken doen me peinzen. Ook mede verzocht ik aan Gratie niet om het rechte verstand hiervan te weten omdat ik me ontzag om haar zeer te vermoeien en dat ik haar vertoornd mocht hebben. Dus bid ik u dat gij mij de zaak wil laten verstaan.

Ziet u, zei ze, wij wie u bent of u enkel bent of dubbel en of u niemand anders heeft te regeren nog te voeden dan u zelf. Vrouwe, zei ik, als verbaast, het lijkt me dat ik niemand heb te regeren of te verzorgen dan mezelf, ik ben alleen zoals gij wel ziet, ik weet niet waarom dat gij het vraagt. Nu versta dan en hoort, ik zal u een ander ding zeggen. U moet weten dat u voedt uw aller grootste vijand die u in de wereld hebt. Daar is geen spijs ter wereld zo lekker of kostbaar, u moet het hebben. En hij was u gesteld te dienen en u bediende hem in alle dingen, in kostbare kleren, u omhangt hem met juwelen en andere kostbaarheden. U laat hem hebben al zijn gemak en goed zacht te liggen, om hem te rusten, als nu doet u hem hebben een stoof, als dan een bad. Ja, al dat hij begeert laat u hem hebben, bij nacht als bij dag en zoals hij is hebt u hem opgevoed en veel meer hebt u bezorgd geweest voor hem dan een voedster voor haar kind dat zij te zuigen geeft. Mede, u houd niet op, het is 36 jaar geleden en meer dat u dit gedaan heeft en nochtans is hij diegene die u bedriegt en verraadt. Hij is diegene die u uw wapens niet laat dragen nog gedogen wil. Altijd is hij uw wederpartij zo wanneer u goed wil doen.

Vrouwe, zei ik, ik verwonder me zeer van dat ge mij hier vertelt. En was het dat ik u niet zo goed kende, wijs en verstandig, ik zou menen dat het een leugen was of droom dat gij mij zegt. Maar ik ken in u zo n grote deugd dat gij niet zou willen liegen. Dus bid ik u dat gij mij wijzen wil de kwade verrader en ook wie hij is, hoe gedaan, wat hij is en waar hij geboren was en hoe hij genoemd is zodat ik hem kennen mag en hem spijt doen. Want al was het dat ik hem ontleedde al levend zo was ik daar nog niet genoeg van gewroken naar dat gij me zegt dat hij mij misdaan heeft.

Zeker, zei ze, u zegt waar, want u moet dat ook weten. Dat was u, hij zou er niet zijn of weinig zou van hem zijn. Niemand zou hem willen eens waardig aan te zien, nog niemand zou graag bij hem zijn. Het is een hoop mest en een gedaante van lijm en een schuur van de vogels. Bij zichzelf mag hij zich niet verroeren, wenden, keren nog werken, want doof is hij en blind, onmachtig en kreupel afgebeeld. Het is een wonderlijke worm die geboren is in het land van de wormen. Een worm die in zichzelf de wormen voedt. Een worm die in het einde spijs zal zijn der wormen en stinken. En hoewel dat hij zulk is nochtans ligt u alle nacht bij hem in het bed te slapen en u zoekt alles dat hem vermaken mag. En dat meer is als hij te vol is gegeten en gedronken zo draagt u hem zijn zak om de maag te stillen en te legen. Beziet nu of u hem niet zeer onderdanig bent en hij mede weet hij u alle tezamen geen dank heeft, maar is veel gewilliger u leed te doen wat hij van zijn aard is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vrouwe, zei ik, wil me zijn naam zeggen want ik zou me erom willen wreken en hem doden. O, zei Reden, u hebt geen verlof om hem te doden, maar ge mag hem kastijden en zijn kwade gewoontes neer doen met arbeid, hem laten vasten en andere penitentie en zonder die mag u hem niet wreken want alzo u eerder zag, indien u die zaak verstaat, penitentie is zijn meesteres en die hem kastijd geeft hem haar, zij zal hem kastijden en slaan met haar roede zodat hij u voortaan een goed dienaar zal zijn en dat moet u meer begeren dan zijn dood. Want hij is u gegeven om hem tot zaligheid te brengen, het is uw eigen lichaam en niet anders kan ik het noemen. Vrouwe, zei ik, wat zeg je, droom ik of droomt gij. Mijn lichaam en mijn vlees noemt gij die andere dan ik zie nochtans dat ik alleen bij u ben nog dat er niemand is dan wij twee alleen. Ik weet niet wat het betekent, het zijn zotheden. Neen, alzo niet, zei Reden, want uit mijn mond kwam nooit leugentaal nog zotheid of dat men dromen noemen mag. Maar zeg me toch bij uw trouw of u in een plaats was waar u uw begeerte had van goed eten, drinken, zacht te slapen en te rusten, zou u daar altijd willen blijven? Zeker vrouwe, zei ik, ja ik. Ja gij, zei ze, wat zegt u, dan zou u uw pelgrimage weg laten. Vrouwe, zei ik, ik zou, want ik zou er nog wel op tijd komen als het paste. Met de tijd, zei ze, ellendige, er is geen mens in de wereld die zo zeer gaat of lopend die er op tijd mag komen. Als u na veel weelde met arbeid en pijn daar komen wil zou u ook op weg gaan. Daarop wist ik niet wat te antwoorden dan dat ik wel blijven wilde en ook wilde ik wel gaan. O, zei Reden, dan hebt u dubbel gepeins en een dubbele wil. De ene wil gaan en de ander wil blijven, de ene wil rusten en de ander wil werken. Dat de ene wil dat en dat wil de ander niet, het is geheel tegengesteld, u bent de ene en de andere. Vrouwe, zei ik, zeker alzo ge zegt voel ik het in me. Dus bent u niet alleen maar u en uw lichaam dat zijn er twee want twee willen mogen niet van een ding komen.

Vrouwe, zei ik, nu bid ik u dat ge me zegt wie ik ben, aangezien dat ik mijn lichaam niet ben dat ik mag weten wie ik ben want ik was nimmermeer tevreden voordat ik het weet. Help, zei Reden, wat zegt u me, denkt u dat u dat niet weet. Want beter is het dat de mens zichzelf kent dan keizer of koning te zijn of dan alle wetenschap te weten of al het goed ter wereld te hebben. Maar naar dat u het niet weet zo doet u goed dat u het vraagt en zal het u zeggen zo ik het beste kan.

De ziel van binnen, waar ik nu van gesproken heb die het lichaam van buiten siert en pareert, is de gelijkenis en beeld van God. Van niets maakte hij u en schiep naar zijn gelijkenis. En geen edeler maaksel mocht hij u geven. Hij maakte u mooi en helder ziende, lichter dan enige vogel, die vliegt onsterfelijk zonder nimmermeer te sterven maar eeuwig durend. Bezie u zelf goed, niemand mag zich met u vergelijken, hemel nog aarde, nog vogels, nog andere creaturen want God is uw vader en u bent zijn zoon. En laat u toch niet denken dat ge Klaas of Jans zoon bent want ze hadden geen zo zoon van die conditie en natuur. Uw eigen lichaam is uw vijand want die had u van hem en dat kwam u van hem dat wanneer hij alzo de natuur ordende en recht is het dat de boom zulke vrucht draagt als de natuur haar leert. Gelijk dat een doren geen vijgen dragen mag, niet meer mag dat menselijke lichaam vrucht winnen, hetzij vuil, onrein en stinkend verrot. Maar zulke heb je niet want uw voortbrengsels hebt u niet van een menselijk geslacht maar is u van God gekomen, de vader. God die maakte maar twee vleselijke mensen. En de andere beval hij alle naturen te maken naar dat voorbeeld. Maar het maaksel van de geest dat hield hij aan zichzelf. Alle wilde hij dat ze van hem gemaakt waren zonder dat iemand anders zich onderwond, hij maakte u want u bent een geest en zette u in het lichaam daar u nu in bent, hij stelde er u in om een tijdje daarin te wonen en om te beproeven of u een dappere ridder zou zijn en mannelijk en of u het lichaam overwinnen zou mogen of u het op zou geven, want altijd hebt u strijd tegen hem en hij tegen u en was het dat u hem opgaf en met smeken hij u neer velde en u verdwaasde. En alsdan zal hij u onder zich houden was het zo dat u hem met krachten overwint. Nimmermeer zo had hij enige macht boven u, het was dan bij uw wil en toestemming. U bent Samson en hij is Dalida. U hebt sterkte in u, maar hij heeft er geen. Nog hij kan geen ding doen dan smeken om u de vijanden te leveren, hij zal u wil wel scheren en binden uw haar al af. Uw geheimen als hij ze weet zal hij zeggen de Filistijnen. Dit is de vriendschap die hij tot u heeft en trouw. Nu bezie of u zich tot hem begeven wil zonder een slag te slaan en of u verdwaasd zal zijn zoals Samson was en voor een zot gehouden.

Vrouwe, zei ik, ik hoor een wonder, ik meen dat ik slaap of droom. Gij noemt mijn geest die hier gestoken is in mijn lichaam die ge zegt helder te zien en ik zie weinig noch veel. En mijn lichaam dat goed ziet zeg je dat blind is met veel andere redenen die me ingaan te ene oor en ter andere weer uit. Dus bid ik u dat ge me duidelijker wil laten verstaan want ik kan het niet begrijpen.

Toen begon Reden weer en zei: Hoort nu dan naar mij en versta. Als de zon op de middag bedekt is onder een wolk en men haar helderheid niet zien kan, wil me toch zeggen waarvan dat de dag komt. Hij komt, zei hij, van de zon die haar helderheid werpt door de wolken. Hoe mag, zei ze, de zon zijn helderheid gezien worden door de wolken. Maar gelijk, zei ik, dat men het ziet door een glas of als men het vuur ziet door een lantaren. Nu spreekt u met verstand, zei Reden, want bij de zon zal u verstaan de ziel die in uw lichaam is. Het lichaam is een berookte lantaren en wolk, nochtans ze is goed te zien door de helderheid die de ziel van binnen uitwerpt en enige zotten menen dat de helderheid komt van de wolken daar de ziel mee belemmerd is. Maar deed de wolk het, de ziel zou zo n grote helderheid hebben dat zij het zouden zien van het oosten tot in het westen en zouden zien en kennen haar schepper.

De ogen van het lichaam zijn geen ogen maar glazen vensters waardoor de ziel het lichaam licht geeft van buiten. Maar daarom moet u niet wanen dat de zielen deze ogen nodig zouden hebben want zij ziet alom zonder vleselijke ogen en ziet haar geestelijk goed en zou helderder zien had het lichaam geen ogen. Tobias was blind van lichaam, maar niet van ziel want door hem was geleerd zijn zoon Tobias hoe dat hij leven zou en welke weg hij houden zou, nimmermeer had hij hem dat geleerd was hij blind geweest ter zielen want de ziel verstond en herkende het goed dat zij verder leerde. Hierbij zeg ik dat u helder ziet, nochtans zo is het lichaam blind en doet zonder uw helderheid en nimmermeer zou zien tenzij door u. En alzo ik u nu zeg van het zien het dergelijke zeg ik van het horen en van alle de andere zinnen dat het maar instrumenten zijn waardoor gij van u ontvangt want hij hoort nog ziet dan door u alleen. En ik zeg u nog verder was het indien u hem niet droeg en ophield dat hij zou gelijk een stinkend kreng zijn en zonder enig gevoel.

Vrouwe, zei ik, hoe mag dat zijn dat de ziel aldus het lichaam mag dragen want het lijkt me dat het lichaam de ziel draagt die in het lichaam onthouden wordt. Versta me, zei Reden. Uw kleren bedekken u en u bent in die kleren en het zou u verwonderen zei ik dat ze u droegen. Is het alzo hiervan, zei ik. Ja, het is zo, zei ze, maar er is onderscheid. Dat is dat de ziel draagt en zij is gedragen. Ze draagt voornamelijk het lichaam, maar het lichaam draagt hem in zijn kracht aan haar neemt. Neem een voorbeeld aan een schip dat men stuurt want de stuurman die het stuurt die vaart en hij wordt zelf gevaren en voer hij het schip niet het zou hem niet varen. De ziel is de stuurman van het lichaam, zij stuurt het en aldus varende zo draagt het weer haar, ja, na dat zij het bevestigt want het lichaam zou het niet dragen droeg zij het lichaam niet. En daarbij zou u werken om het lichaam zo te varen en te leiden dat gij het mag brengen in een goede haven, dat is in dat eeuwige leven.

Vrouwe, zei ik, uw zeggen zou me zeer voordelig zijn wilde gij me zo veel doen en stellen uit mijn schip en ontkleden me van mijn lichaam zodat ik zien mag de vuile kerel en trawant die me zo veel misdaan heeft zoals ge zegt en nog niet aflaat zoals ik goed voel. Niet dat ik er iets van twijfel, ge hebt me de waarheid gezegd, maar ik begrijp uw woorden niet zo helder en bid u dat ge me beter zal onderwijzen en laten verstaan.

Zeker, zei Reden, ik geloof wel dat u het niet begrijpt. En dat waarom is dit dat het lichaam zit altijd zwaar en grof als een wolk en kan niets anders doen dan u altijd tegengesteld te zijn. Maar als u nu aan mij vraagt zo zal ik het u doen maar u moet er ook voor werken met mij want ik zou er weinig alleen aan kunnen doen zonder u, maar u zal er terstond weer aan moeten doen en kleden want mijn macht strekt niet zo ver iets lang te mogen uit doen want dusdanige dingen behoort de dood toe die vaak komt zonder te ontbieden. Nu neem daar en ik neem hier en kijk niet hier en daar, maar kijk goed voor je.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim uitgestrekt op de grond met zijn staf naast zich en boven hem zwevend een bloot poppetje, rechts naast hem Rede en Memorie>

 

Doe nam mi reden ende ic ghaf my in haer gewoudt Ende zij trac my ende ic spartelder tegen so langhe dat de truwant gheuelt was ende van my ontladen. Als ic my aldus sach ontladen soe vloech ic terstont in de lucht. Ende my docht als ic aldus inde lucht vloech dat ic so licht was dat ic niet en twint en woech maer dat ic vloech al omme lichtelic al waer ic wilde ende gheen dinc ter werelt en was mi voer den oghen verborgen alsoe mi dochte dies ic vtermaten blide was Ende mi en deerde anders gheen dinck dan alleen dat ic daer in soude moeten woenen want luttel of niet sach ic dan letsel ende hinder van minen wech wel sach ic dat waerhede was al dat reden mi geseit hadde wel sach ick oec dat mijn lichaem niet was ende [37vb] niet te prisen. wel sach ic mede dattet altoos bleef ligghende op een stede ten wair dat meet wech dede Ter eerden so lacht gestrect daert en hoorde noch en sach. sijn continancy scheen wel in hem dat virtuyt noch cracht in hem en was Ic ghinc ende quam ontrent hem om te besien of hi sliep ende taste sinen puls Mar weet voer waer dat ic in hem en vant puls noch geuoelen niet meer dan in enen douen stock. want daer en was bloet noch adem in waer bi ic wel mercte dattet in hem seluen niet en was

Toen nam Reden me en ik begaf me in haar geweld. En zij trok me en ik spartelde zo lang tegen zodat de trawant geveld was en van mij ontladen. Toen ik me aldus zag geleegd zo vloog ik terstond in de lucht. En ik dacht toen ik aldus in de lucht vloog dat ik zo licht was dat ik vrijwel niets woog, maar dat ik licht alom vloog waar ik wilde en geen ding ter wereld was voor mijn ogen verborgen, zoals ik dacht, dus was ik uitermate blijde. En me deerde niets anders dan alleen dat ik daarin zou moeten wonen want weinig of niet zag ik dan letsel en hinder van mijn weg, wel zag ik dat het waarheid was alles dat Reden me gezegd had. Ook zag ik dat mijn lichaam niet te prijzen was. Goed zag ik dat het altijd op zijn plaats bleef liggen tenzij dat men het weg deed. Ter aarde zo lag het gestrekt daar het hoorde nog zag. Zijn contingent scheen wel in hem dat leven nog kracht in hem was. Ik ging en kwam omtrent hem om te bezien of hij sliep en taste zijn pols. Maar weet voorwaar dat ik in hem geen pols of gevoel vond en niet meer dan in een dove stok. Want daar was bloed nog adem in waarbij ik wel merkte dat het in zichzelf niet was.

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts een duivel in een afgrond met een vijftandige vork, het blote poppetje en Rede>

 

Als ic dit al gheconsidereert ende gemerct had So sprac reden teghens my ende seyde Siet hier seyt zij dijnen vyant leert hem nv kennen Hy is de ghene die dy dijn wapene niet draghen en laet noch en ghedoecht Hy is de ghene die dy mit smeeken verwint ende leuert verwonnen ende hy is de ghene die dy belet doet te climmen ende te vlieghen tot dijnen scepper. Ic hebber dy ghenouch of geseyt te voeren so dat ic nv daer niet meer of seggen en wil Maer ghy moet varinc weder keeren ende daer weder inghaen ende draghen in dijnen wech ende in dijn pelgrimage Vrouwe seyde ic ic had ghemeent ende mijn deuocie die was dat ic my nv ghewapent soude hebben ende beproeuen of icse inden wech soude moghen dra[38rb]ghen want mi dunct sekerlic datse my nv niet verweghen en souden Seeker seyde si du segs waer si wegen seeker luttel ende daer bij seg ic dy waert datstuse aldus drouchs dus en souster gheen loen of hebben Du zijstese schuldich te dragen alstu du ghecleet zijs mit dijnen truwante die blint is ende stom Hy is wel sculdich zijn last mede daer of te dragen want hi sal ant goet wel willen deelen Dus wilten weeder an torssen ende daer nae soe peynst dan om dy te wapenen ende wel te voersien

Toen ik dit bevestigd en gemerkt had zo sprak Reden tot me en zei: Zie hier, zei ze, uw vijand, leer hem nu kennen. Hij is diegene die u uw wapens niet dragen laat nog gedoogd. Hij is diegene die u met smeken overwint en overwonnen levert en hij is diegene die u belet laat te klimmen en te vliegen tot uw schepper. Ik heb er u genoeg van gezegd te voren zodat ik nu daar niets meer van zeggen wil. Maar gij moet vlug terugkeren en daar weer ingaan en dragen in uw weg en in uw pelgrimage. Vrouwe, zei ik, ik had gemeend en mijn devotie die was dat ik me nu gewapend zou hebben en beproeven of ik ze in de weg zou mogen dragen want het lijkt me zeker dat ze me nu niet te zwaar zullen zijn. Zeker, zei ze, u zegt waar, ze wegen zeker weinig en daarbij zeg ik u was het dat u ze alzo droeg u zou er geen loon van hebben. U moet ze dragen als u gekleed bent met uw trawant die blind is en stom. Hij moet zijn last daarmee dragen want hij zal aan het goed wel willen delen. Dus wil het weer aantrekken en daarna zo denkt u er dan om uw wapens goed te voorzien.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts Rede, de pelgrim in oude gedaante en Memorie>

 

Ter stont als reden dat geseit hadde so keerde ic weder ende troste mijn lichaem weder an Alle de deucht die ic gehad hadde ende de blijscap daer ic my mede verblijde al wast weder mit een gedacht onder een wolcke gedect die men niet doer sien en mocht welcke wolcke ic int eerst so seer haette ende misprijsde beghonste ic weder te minnen ende te prijsen om my tot hem te keeren ende zijn wille te doen Maer als ic weder om my bedocht hoe ic bedrogen soude zijn beghan ic te traen oghen te weenen te versuchten ende te claghen seggende Ay laes wat sal ic doen tot de welcke van tween sal ic my accorderen ende houden Reden andwoerde hier op wat let v waer om bistu droeuich weent niet het weenen behoert de wijfs toe ende niet de man[38vb]nen Vrouwe seydic ic weene want nv rechteuoert eer ic mijn lichaem weeder an nam was ic soe wel als my dochte dat nyemont mijns ghelijc en was my dochte ic vloech in den hemel niet en docht my onmoghelic of contrari weesen. Ende nv en ist maer droem ende ic vinde al tcontraie Het lichaem verwint my ende houd my verwonnen ic en heb macht in my noch cracht om my te verweeren Al mijn macht is verloren ic ben als leuende doot mijn benen die begheuen my memorie ende verstant ontghaen my maer tlichaem dat is is in als my bouen gaende ende onhoudende dat my soe swaer om lijden is dat ic om hulpe roup

Soe siestu dan wel seyde reden dat ic dy niet geloghen en heb dat dijn lichaem dijn doot vyant is van alre [39ra] doget die du doen souds. Seeker seidic het is also ic siet nv wel danc moet ghijs hebben Maer segt my doch waer by dat hy starcker is dan ic ende ic niet so starc als hy Starker dan du seide si en is hij niet. maer du en moechste hem so wel niet verwinnen hier in zijn landt alstu wel doen souds in dijn landt waerstu aldaer Elkerlijc is stout op zijn messinge ende in zijn landt Dus so is hy veel de stouter tegen dy Maer mochstu hem ghecrijgen in dijn landt daer sous du starker wesen ende hy en soude hem daer teghen v niet dorren steken of vechten Ic en seg dit niet om dat ic dy verslaen wil al moechstu hem qualic hier verwinnen Maer wildestu hem verwinnen ende dat hijs mit alle zijn macht niet en sal moghen keeren Soe moetstu zijn sober van eten ende van drincken weynich rusten Castidinge discipline bidden ende versuchten. mit dese ende ghelijcker penitencien soust hem verwinnen mit groter eeren ende victorie ouer hem hebben Ende dan als hy soe tondere ghedaen soude zijn onder dijn roede Alsdan sulstu dy wel mogen wapenen mit den voerscreuen wapenen Want inder waerheit de meeste hinder diestu daer toe hebs is dat dijn lichaem te weeldich is ende te vet Ende dat wast dat graci tot dy seyde als zij teghens dy sprac

Urouwe seide ic sekerlic nv [39rb] eerst verstae ict maer doe en verstonde ict niet dat zij vant lichaem sprack ic waende dat hy ende ic al een waeren maer het en is alsoe niet want an v heb ic de waerhede alleen vernomen na dat ict verstaen can Seker seyde zij alle de waerhede hadstu mogen an haer vernemen hadstuut versocht want an haer so heb ict al gheleert ende sonder haer en ben ic niet noch en weet niet al dat ic seg is bij haer Dus is dijn lichaem dijn vyant of niet dat sulstu hier na noch wel vernemen want alstu den rechten wech meens te gaen sal hy dy versteuren ende een anderen wech doen ghaen Ja somtijt al laet hy dinen wech ghaen daer du schuldich zijs van gaen so sulstu hem onduchtich slapeperich vinden ende rust begerende Ter maeltijt sal hy langhe willen zitten Al sal hijt traghelic willen doen om dy hinderlic te wesen. ende hy sal zijn tijt wel connen wachten dy te flatteren ende besmeken Ende eer dastu meens sulstu dy seluen bedroghen vinden Soe dat ic seg ende rade dy datstu dy niet en betrouwes noch en verlaets opt smeeken van hem Want ic segge dy inder waerheyt datstu puerlic hem stuers tegen dy seluer ende du leuers hem de instrumenten daer hy dy mede oerloecht ende ontkeert van dijnen weghe Dus indien datstu my wel verstaen hebs so moechstu claerlic bekennen ende opentlic mercken [39va] dat hy de gene is die dijn doot vyant is ende die dy niet en ghedoecht datstu de wapen moechs draghen

Urouwe seide ic Ic danck v ende ic sie oec wel dat het so is. ende van mijn lichaem hebdi mi claerlic de waerachticheyt gheonderwijst Ende hoe dat het my altoes contrari is in alle de weldaden die ic doen soude Dus om dat ic weet ende bekenne vwe vroescap ende dat ic vwer altijt van doen sal hebben So wilde ic wel dat gy den wech mit my wildet doen die ic doen wil Want ic beducht my dat ic menich verdriet in den wech vinden sal. Ende waerdi bij my ghy sout my menighen troest ende solaes doen Soe dat ic v oetmoedelic bid dat ghy mit my wilt ghaen

O vrient seyde si hebstu gracie goeds in dinen wech hets dy genoech du en moechs nymmermeer beter vriendinne hebben Niet dat ic my excuseren of ontsculdighen wil ic en sal gaerne mit dy gaen al so lange alstu wils Maer ic seg dy dat tusschen ons tween sullen somtijt sulcke wolcken zijn of donckerhede daer mede ic van dy verholen ende bedect sal zijn Ende somtijt sulstu my donckerlic sien ende somtijts niet middallen Somtijt sulstu my claerlic ende wel sien nadien datstu den rechten wech suls houden Maer ist dat du mijnder van node hebs so soect my ontrent dy want soucstu my naer[39vb]stelic du suls my altoes bereet vinden Nu gaet terstont ende en wil niet toeuen ende neemt goeden wech ende en gheloeft den ghenen niet die dy onghetrou is

Doe dancte ic haer van haer goede woerden ende ic sette my te weghe waert Dicwijle vant ict also zij my gheseyt had ende gheleert Luttel sach icse ic en moester grote arbeit om doen De wolcken bedectense van mijn oghen Ay god wil my nu behoeden voer verdriet want ic en weet genen wech daer ic versekert mach gaen ter stede daer ic gaerne waer Ic beducht my dat ic veel te doen sal hebben als ic vinden sal mijn weder partie dien ic sachtelic opghehouden heb

Terstond toen Reden dat gezegd had zo keerde ik weer en trok mijn lichaam weer aan. Alle deugd die ik gehad had en de blijdschap daar ik me mee verblijde was weer met een gedachte onder een wolk bedekt die men niet doorzien mag welke wolk ik in het begin zo zeer haatte en misprees begon ik weer te minnen en te prijzen om me tot hem te keren en zijn wil te doen. Maar toen ik me weer bedacht om hoe ik bedrogen zou zijn begon ik te tranen en te wenen, te zuchten en te klagen en zei: Ailaas, wat zal ik doen, tot welke van de twee zal ik overeenkomen en houden. Reden antwoorde hierop, wat let u, waarom bent u droevig, wen niet het wenen want het behoort de wijven toe en niet de mannen, Vrouwe, zei ik, ik ween want nu recht voort eer ik mijn lichaam weer aan nam was ik zo goed zoals ik dacht dat niemand mijn gelijke was, ik dacht niet dat ik vloog in de hemel en dacht dat het me onmogelijk of tegengesteld zou wezen. En nu is het maar een droom en ik vindt al het tegengestelde. Het lichaam overwint me en houdt mij overwonnen, ik heb macht nog kracht in me om me te verweren. Al mijn macht is verloren, ik ben als levende dood, mijn benen die begeven me, memorie en verstand ontgaan me maar het lichaam dat gaat mij te boven en laat los dat me zo zwaar is om te lijden dat ik om hulp roep.

Zo ziet u dan wel, zei Reden, dat ik niet gelogen heb dat uw lichaam uw dode vijand is van alle deugd die u doen zou. Zeker, zei ik, het is alzo ik zie het nu wel, u moet bedankt worden. Maar zeg me toch waarom dat hij sterker is dan ik en ik niet zo sterk als hij. Sterker dan u bent is hij niet, maar u kan hem hier in zijn land niet zo goed overwinnen zoals u wel doen zou in uw land was aldaar. Elk is dapper op zijn boodschap (?) en in zijn land. Dus zo is hij veel dapperder tegen u. Maar mocht u hem krijgen in uw land daar zou u sterker wezen en hij zou daar tegen u niet durven steken of vechten. Ik zeg dit niet om dat ik u verslaan wil al kan u hem hier slecht overwinnen. Maar wil u hem overwinnen en dat hij met al zijn macht niet zal mogen terugkeren zo moet u zijn sober van eten en van drinken, weinig rusten, kastijden, discipline, bidden en zuchten. Met deze en dergelijke penitenties zou u hem overwinnen met grote eer en victorie over hem hebben. En dan als hij zo ten onder gedaan zou zijn onder uw roede alsdan zal u zich wel mogen wapenen met de voor beschreven wapens. Want in de waarheid, de meeste hinder die u daartoe hebt is dat uw lichaam te weelderig is en te vet. En dat was het dat Gratie tot u zei toen ze tegen u sprak.

Vrouwe, zei ik, zeker, eerst versta ik het, maar toen verstond ik het niet dat zij van het lichaam sprak, ik waande dat hij en ik al een waren, maar het is niet alzo want aan u heb ik de waarheid alleen vernomen naar dat ik het verstaan kan. Zeker, zei ze, alle waarheden had u aan haar mogen vernemen had u het verzocht want van haar zo heb ik het al geleerd en zonder haar ben ik niets, nog weet niet al en dat ik zeg is bij haar. Dus is uw lichaam uw vijand of niet dat zal u hierna nog wel vernemen want als u de rechte weg meent te gaan zal hij u verdwalen laten en een andere weg laten gaan. Ja, soms al laat hij uw weg gaan daar u moet gaan zo zal ge hem ontuchtig slaperig vinden en rust begerend. Ter maaltijd zal hij lang willen zitten. Al zal hij het traag willen doen om u hinderlijk te wezen en hij zal zijn tijd wel kunnen afwachten u te flatteren en te smeken. En eerder dan dat u meent zal u zichzelf bedrogen vinden. Zodat ik zeg en raad je aan dat ge hem niet vertrouwt nog verlaat op het smeken van hem. Want ik zeg u in de waarheid dat u puur hem stuurt tegen u zelf en u levert hem de instrumenten waarmee hij u beoorloogt en omdraait van uw weg. Dus indien dat u me goed verstaan hebt zo mag u duidelijke bekennen en opmerken dat hij diegene is die uw doodsvijand is en die u niet gedoogd dat u de wapens mag dragen.

Vrouwe, zei ik, ik dank u en ik zie ook wel dat het zo is en van mijn lichaam heb je me duidelijk en waar onderwezen. En hoe dat het me altijd tegenover gesteld is in al weldaden die ik doen zou. Dus omdat ik weet en beken uw kennis en dat ik u altijd nodig zal hebben zo wil ik wel dat ge de weg met mij wil doen die ik doen wil. Want ik beducht dat ik menig verdriet in de weg vinden zal. En was ge bij me zou ge me menige troost en solaas geven zo dat ik u ootmoedig bid dat ge met me wil gaan.

O vriend, zei ze, u hebt Gratie God in uw weg, het is voor u genoeg en u kan nooit een betere vriendin hebben. Niet dat ik me excuseren of verontschuldigen wil, ik zal graag met u gaan zo lang als u wil. Maar ik zeg u dat tussen ons tween somtijds zulke wolken zullen zijn of donkerte waarmee ik van u verholen en bedekt zal zijn. En soms zal ge me donker zien en soms helemaal niet. Soms zal u men duidelijk en goed zien nadien dat u de rechte weg zal houden. Maar is het dat u me nodig hebt zo zoek me omtrent u want zoekt u mij goed dan zal ge me altijd bereid vinden. Nu ga terstond en wil niet toeven en neem de goede weg en gelooft diegene niet die u ontrouw bent.

Toen dankte ik haar van haar goede woorden en ik zette me te wege waart. Vaak vond ik het alzo ze me gezegd en geleerd had. Weinig zag ik haar en moest er veel voor werken. De wolken bedekte haar van mijn ogen. Ay God, wil me nu behoeden voor verdriet want ik weet geen weg daar ik zeker mag gaan naar de plaats waar ik graag was. Ik beducht me dat ik veel te doen zal hebben als ik mijn weder partij zal vinden die ik zachtjes opgehouden heb.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts pelgrim en Memorie bij het kruispunt met de doornenhaag. Rechts daarvan de mattenmaker, links Ledigheid die een handschoen opwerpt>

 

Als ic aldus ghinc ende al gaende peynsende ende nam mijnen wech soe ic quam tot een wech die in tween gedeelt was maer zij en lieppen niet varde van een. maer tusschen tween stont een hage daer mi zeer of verwonderde want de hage scheen harde verde strecken vol doerne ende braem wassende. ende het scheen wel een wech te weesen dan alleen de hage diese scheyde. Ter luchter zijde van den wech zat een schone ioncfrou costelic gepareert ende hielt haer een hant onder haer oxel ende in dander hadse een hantschoe daerse mede speelde ontrent haer vingher Ic sach wel an haer gelaet datse van cleynder sorghen was ende datse niet veel en gheerde te doen. Ter rechter hant zat een mattemaker die zijn oude matten [40rb] vernayde ende vermaecte. Ende daer ic mi noch meer of verwonderde dat was dat hi weeder brac dat dat hy eens gemaect had ende dan weeder maecte Ende al wast dat ic mi liet duncken dat hi een ghec was dat was mijn sothede ghelijc als ic na wel vernam Niet te min ic gruete hem eerst Vrient seid ic welck is hier de beste wech hier loepter twee wat wech sal ic best ghaen Doe andwoerde hi mi ende seide waer wilstu heen Ic wil gaen seide ic tot iherusalem daer de coninc geboren is een bisscop van eender maecht gheboren Coemt seit hi doer mi ic ben de wech der onnoselheit daer men gaet na iherusalem Gaerne soudic weeten seydic ofstu my oec waer segste. want dijn wercken doen my te verstaen dat in dy luttel wijsheyts is want 40va] Ic sie dastu matten vermaecs dat een arm ongeuallich ambocht is ende ic sie datstu na maken weder brekes ende dan weder vermaecs twelc mi geen vroeschap en dunct het en zij datstu mi segs de reden waer om

Doe andwoerde hi mi aldus Al ben ic van een arm ambocht dat en is geen saec om mi te blameren of begrijpen van sotheiden al so en connen wi geen muntslagers wesen Dat deen can dat en can dander niet want waren wij al van eenen ambochct dat soude elckerlijc tegens gaen want een arm ambocht is dicwijle meer van node dan een rijck Deen blijft staende mitten anderen ende daer en waerder geen quaet op dat elx ghetrou waer Daer en leyt niet an wat een doet op dattet goet is maer datmen ymmer niet ledich en is Beter is een arm getrou ambocht dan onghetrouwe ledicheyt Al breec ic ende vermake weder om ledicheit te schuwen dat en is geen saec om mi te berispen want had ic ander werck te doen ic soudt doen Maer du sies wel en dade dit weederbreecken dat ic veeltijts ledich weesen soude dus moet ic somwijl maken ende dan weeder breecken ende dit waer di mit recht ghenouch in dienstu mi te recht bemindes

Mynnen seydic ende wat hebstu mi ye gedaen daer ic di schuldich ben om te beminnen Du en dee[40vb]ste mi nye goet noch doen en moechste dus en mocht ic v mijn min niet geuen ic en most v bet kennen. My dunct dat ghij al verdwaest zijt dat ghij meer prijst pijn ende arbeyd dan rust ende ledichede Ende mi Dunct dat veel beter is rust dan arbeidt

Och seyt hy goede vrient lutel kenstu my ende veel min kenstu ledicheyde ende haer vreeselic ommegancs Dus vrage ic dy ter goeder trouwen Bij wat reden ist dat claer yser of stael schoen gebruyneert roestich wordt ende altoes niet schoen en blijft Ist alsoe van dattu mi geandwoerdt hebs hier te voren so heb ic onrecht meer op dy te argueeren want mit die woerden hebstu my geheel verwonn Seker seit hi also ist want gelijc dat een claer yser daer men niet mede en doet moet roestich worden Also ist van den mensche die leedich is ende niet en doet die staet in groter sorghen te vallen in sonden. maer als hi hem besich wil maken mit enigen goeden wercken om wachten van roestich te werden van sonden. dan moet men dat yser weder verslipen ende bruyneren

Ic seide vrient ic bidde di dattu mi segts wair gi dese woirden geleert hebt ende hoe gi heit ende wie bistu want grotelic bin ic verwondert hoet comt dattu my soe wel andtwoerts. ende ick waende dattu hads

[41ra] ghesijn een sot Graci gods seide hi dien du niet en sies spreect tegen di want zij steket mi al int ore dat ic tegen v segge ende en verwonders dy niet want ic ben de ghene die tuolc broet geeft ende die de tijt lichtelick liden doet sonder verdriet ende daer elc mensche om geboren is ter causen vanden vreeselicken beet des appels Ende mijn naem is besichede of arbeyd Doer mi zijn geleden ende moeten lijden alle die gaen willen ter steden daer du gharen waers Nu doet als du ghepeynst hebste ende lijd doer mi of gaet den anderen wech maer wacht dy wel datstu niet en kieste den quaetsten wech. Als de mattemaker mi aldus gheseyt had wie hi was ende hoe hi hiete so nam ic voer mi dat ic zijnen wech wilde gaen Maer in dat gepeyns began mijn lichaem mi te smeken ende flatteren seggende aldus Wat peynstu sot geloefstu dsen dralaert geloeft hem niet maer scheyt van hem hij en doet niet dan hi de menschen moeyt ende quelt Gaet en spreket tegen die ioncfrou die haer handen hout onder doxelen ende vraecht haer mede nade wech alstu desen gedaen hebste bij auentuere zij sal di sulc dinc seggen dattu geenen wil en suls hebben te gaen den wech die hy dy nv gheseyt heeft te ghaen Mer du sult den wech gaen die zij di seggen sal [41rb] O seydic tot den lichaem ic kendi harde wel gheloefde ic v ic soude ter stont qualic varen Ende of ic di waer seide sulstu mi dan gelouen seide tlichaem ic seide ia De wech seide hi die hier loept en is niet varre vanden anderen het is al een wech sonder alleen datter de hage van doerne tuschen tween loept Een haghe en is noch muer noch casteel men vijnt luttel hagen si en zijn doerboert tot enige stede of men machse doer boren. Dus al waert dastu ontweecht waerste van dijnen rechten wech du mochste ter stont doer de hage cruypen sonder enige sorge ende comen so weeder in dijnen wech Dus dan verstastu mijn woerden wel het en mach di niet veel letten dastu gaes spreken tegens die schone ioncfrouwe die daer zit op den steen Int eynde soude ic vrede hebben ic moste daer in consenteren ende mede gaen

Als ic totter ioncfrouwen quam die ant eynde zat van den anderen wech Ic groetese ende zij dancte mi seggende vrient god loen v Ioncfrou seidic grote houeschheede soudi my doen wilde gij my wijsen mijnen rechten wech indien gijt weet. Vanden weege seyde zij en moechstu niet wel missen ist datstu doer mi wils gaen want ic ben portier van menige schone weegen. Ic leyde tvolc dat hier coemt int groen

[41va] ende int schoen rosen ende bloemen pluckende ic leedse in lustelicke plaetsen om solaes ende genouchte te hebben Daer doe icse singen ende dansen mit harpen luiten ende ander spelen Besiet wildi nv in sulken stede gaen so moetstu doer mi gaen Dus beraet di wel du hebs dinen raet by dy

Raet seidic acharmen wat segdi ic heb raet maer hy en heeft geen herte ghetrouwelic mi te raden. hi is tegen mi aduocaet geworden ic was wel ontweecht als ic hem wedden gaf om mijn raet te weesen. noch ben ic meer bedroghen want ic moet hem alle dage zijn volle pensie geuen al ist oec dat hijs niet en verdient

Waer om seidde si segstu ditte bistu sot hoe meenstu dat ic niet en weet dat hi di wel geraden heeft als hi di tot my dede comen Seeker seidic heeft hij mi wel gheraden dat waer het eerste Nu segt mi dan seide zij hoe heeft hi di geraden ende waer om heeft hi di hier doen comen. Ende ic sal di seggen of zijn raedt goet is Hy seide my dat ic niet verletten en soude om v toe te comen spreken ende al waert dat ic verdoelt waer bi v of ontweecht ic soude seide hi ter stont de hage weder vinden ende daer doer gecropen weesen ende comen sonder sorge weeder in mijn wech Dese woerden hebben mi hier tot v gebrocht

[41vb] Nv moechstu wel sien ende merken seide zij dat hi di niet bedrieghen en wille Want hij wil om dijnen wille lijden ende pijn gedogen om dy te behouden ende te bewegen want du hoerste wel wat hi seyt van der hagen doer te cruypen ende dat om dy weder in dijnen wech te bringen Du moechs wel sien dat hi niet en soect solaes of spel mer isser enighe pijn of last hi salse alleen moeten dragen. Dus soe set v gheloue stoutelic op hem du en mochster niet an misdoen Coemt al hier ende lijd doer my het is dijn gerechte wech mede du en zijs de eerste pelgrym niet die hier gecomen heeft. want dese wech is al doerslagen alstu sies

Urouwe seide ic nae dien dat ghijt wilt ende oec dat ghijt raedt dat ic doer v passeer ende ga soe segt my dan vwe condicie ende vwen name want dat soudic garen weeten eer dat ic vwen wech ghinge Daer en leyt di niet an seyde zij dat te weten want menich heefter doer mi gheleden die daer na niet en vraechden Ic was hem luyden so playsant ende genouchelic dat zij daer niet of en spraken Maer nae datstuut emmer weeten wils so segge ic dy voerwaer dat ic een vande puppen ben. die hier eens iaers vrou traechede sette De welcke du noch hier na wel sien suls. Ic ben haer dochter ende ic ben geheten ledichede [42ra] die so cleenlic ende teder is veel lieuer heb ic mijn hantschoen an te doen ende mijn hoeft te kemmen ende my te spiegelen dan enich ander werck te doen Ic wensch om misdaghen ende feesten ende om historien te lesen daer de logen waer schijnt ende om fabelen te vertellen Ic ben v lichaems lief als du slaeps of waecs so wacht ic dat hi gheen arbeid en doe ende gheen blaeren en wercke somtijt sende ic hem veel zieren in de handen om zijn tijt cortinge daer an te hebben Nu besiet wat segstu hier toe wilstu doer mi comen so segget lichtelic ende stelt di op wege ende trect v handen in v mouwe. Als ic dit hoerde andwoerde ic haer. Al so lange als mijn lichaem v lief is ende rechtelic bemint en soud gijs niet willen bedriegen Ende gy weet wel worde hi ontweecht dat hij bedrogen waer. want ic soude hem wel doen gaen stoutelic doer de hage ende steken ende porren hem so vreeselic dat hy wel een gat maken soude in de hage ende vinden weder mijnen wech Ende al waert dat hi bebraemt ende bedorent waer ic en soude hem niet beclaghen. Dus gaet stoutelic ende en spreect niet meer want bij hem seluen heeft hi de wech ghecoren soe dat ghi gheen reden en hebt mi te verspreeken van eeniger valscher minnen die ic an hem beweesen of getoent mach hebben [42rb] Dus nam ic mijnen wech doer ledicheit ende stelde mi in haer wech van negligencie of versumenis Dese wech coes ic bij mijn sothede dies ic beducht noch te wersser sal hebben Ic ben ontweecht ende ic en weets niet maer ic salt seer corts wel gewaer worden Nu god moet mi graci verlenen so te gaen ende dese passage so te lijden dat eer ic ten eynde coem van desen quaden wech een gat vinden mach om doer te cruipen ende weeder te comen also in mijnen rechten wech

Als ic aldus vaste ghinc neffens de hage. so hoerdic een stemme an dander zijde die tot my riep dromer wat doestu daer waer gaestu waer om hebstu geloeft den raet die de logenachtige bedriechster ledicheit di gegeuen heeft zij sal di leyden tot grooter armoede iae totter doot ende du suls di seluen bedrogen vinden in desen wech want sonder reden en noemtse sinte bernaerd niet stiefmoeder der deuchden want hy kendese wel. Sij is stiefmoeder der pelgrymen meer dan de wouwe is ouer de kukens ghelijc ghi terstont wel vernemen sult het en waer dat ghij ter stont weeder keerde ende liet dien wech ende ghinct den anderen die veel bequamer is dan die wech als du noch wel vernemen sulste eer de wech eynde nemen sal

Toen ik aldus ging en al gaande peinzend nam mijn weg zo ik kwam tot een weg die in tween gedeeld was, maar ze liepen niet ver van een, maar tussen de twee stond een haag waarvan ik me zeer verwonderde want de haag scheen erg ver te strekken en groeide vol met dorens en bramen en het scheen wel 1 weg te wezen, dan alleen de haag die ze scheidt. Ter linker zijde van de weg zat een mooie jonkvrouw kostbaar voorzien en hield haar hand onder haar oksel en in de andere had ze een handschoen waar ze mee speelde omtrent haar vinger. Ik zag wel aan haar gelaat dat ze weinig zorgen had en dat ze niet veel wilde doen. Ter rechter hand zat een mattenmaker die zijn oude matten vernaaide en vermaakte. En waar ik me nog meer van verwonderde dat was dat hij weer brak dat wat hij eens gemaakt had en dan weer maakte. En al was het dat ik dacht dat hij een gek was dat was mijn zotheid gelijk zoals ik gauw vernam. Niettemin ik groette hem eerst. Vriend, zei ik, wat is hier de beste weg, hier lopen er twee, welke weg zal ik het beste gaan? Toen antwoorde hij en zei, waar wil u heen? Ik wil gaan, zei ik, naar Jeruzalem waar de koning geboren is, een bisschop van een maagd geboren. Kom, zei hij, langs mij, de weg der onnozelheid daar men naar Jeruzalem gaat. Graag zou ik weten, zei ik, of u me ook de waarheid zegt want uw werken doen me verstaan dat in u weinig wijsheid is want ik zie dat u matten vermaakt dat een arm ongevallig ambacht is en ik zie dat u na het maken ze weer breekt en dan weer vermaakt wat me geen deskundigheid lijkt, tenzij dat u me de reden zegt waarom.

Toen antwoorde hij me aldus: Al ben ik van een arm ambacht dat is geen zaak om me te blameren of begrijpen van zotheden alzo kunnen we geen muntslagers wezen. Wat de ene kan dat kan de ander niet want waren wij alle van een ambacht dat zou elk tegen gaan want een arm ambacht is vaak meer nodig dan een rijke. De ene blijft staan met de andere en daar is geen kwaad in als elk trouw was. Daar ligt het niet aan wat de ene doet zodat het goed is, maar dat men immer niet ledig is. Beter is een arm getrouw ambacht dan ontrouwe ledigheid. Al breek ik en vermaak het weer om ledigheid te schuwen dat is geen zaak om me te berispen want had ik ander werk te doen ik zou het doen. Maar u ziet wel en liet dit weer breken zodat ik vaak ledig zou wezen dus moet ik het soms maken en dan weer breken en dit was u met recht genoeg indien u me te recht beminde.

 

 

 

 

Minnen, zei ik, en wat hebt u me ooit gedaan waarom ik u moet beminnen. U deed me geen goed nog doen mag dus mag ik u mijn min niet geven, ik moest u beter kennen. Het lijkt me dat u geheel verdwaasd bent dat gij meer prijst pijn en arbeid dan rust en ledigheid en het lijkt me dat rust veel beter is dan arbeid.

Och, zei hij, goede vriend, weinig kent u me en veel minder kent u ledigheid en haar vreselijke omgang. Dus vraag ik u ter goede trouw, bij welke reden is het dat helder ijzer of gebruinde stalen schoen roestig wordt en niet altijd mooi blijft? Is het alzo me geantwoord hebt hier te voren zo heb ik onrecht meer met u te argumenteren want met die woorden hebt u me geheel overwonnen. Zeker, zei hij, alzo is het want gelijk dat een helder ijzer daar men niets mee doet moet roestig wordt, alzo is het van de mens die ledig is en niets doet die staat om in grote zorgen te vallen van zonden. Maar als hij zich bezig wil houden met enige goeden werken om wachten van roestig te worden van zonden dan moet men dat ijzer weer slijpen en bruineren.

Ik zeg u vriend, zei ik, ik bid de ge me zegt waar ge deze woorden geleerd hebt en hoe ge heet en wie bent u want ik ben zeer verwonderd hoe het komt dat u me zo goed beantwoordt. En ik waande dat u een zot was geweest. Gratie Gods zei hij, die u niet ziet spreekt tegen u want zij steekt het me al in het oor dat ik tegen u zeg en het verwondert u niet niet want ik ben diegene die het volk brood geeft en die de tijd licht gaan doet zonder verdriet en daar elk mens om geboren is vanwege de oorzaak van de vreselijke beet van de appel. En mijn naam is Bezigheid of Arbeid. Door mij zijn gegaan en moeten gaan alle die gaan willen ter plaatse daar u gaan wil. Nu doet als u gedacht hebt en ga langs me of ga de andere weg maar let wel op dat u niet de slechtste weg kiest. Toen de mattenmaker me aldus gezegd had wie hij was en hoe hij heette zo nam ik me voor dat ik zijn weg wilde gaan. Maar in dat gepeins begon mijn lichaam me te smeken en flatteren en zei aldus: Wat peinst u zot, geloof je de draler, geloof hem niet maar scheidt van hem, hij doet niets dan dat hij de mensen vermoeit en kwelt. Ga en spreek tegen die jonkvrouw die haar handen houdt onder de oksels en vraag haar mede naar de weg zoals u deze gedaan hebt, bij avontuur zal ze zoiets zeggen dat u geen wil zal hebben om de weg te gaan die hij nu gezegd heeft te gaan. Maar u zal de weg gaan die zij zeggen zal.

O, zei ik het lichaam, ik wist het erg goed, geloofde ik u ik zou terstond slecht gaan. En als ik u was zou u me dan geloven, zei het lichaam. Ik zei, ja. De weg, zei hij, die hier loopt is niet ver van de andere, het is alle een weg, uitgezonderd alleen dat er de haag van dorens tussen de twee loopt. Een haag is nog muur of kasteel, men vindt weinig hagen of er zit een gat in naar enige plaats waar men ze door kan gaan. Dus al was het dat u verdwaald was van uw rechte weg u kan terstond door die haag kruipen zonder enige zorg en zo weer op uw weg komen. Dus dan verstaat u mijn woorden goed, het mag u niet veel letten dat u gaat spreken tegen die schone jonkvrouw die daar zit op de steen. Tenslotte zou ik er vrede mee hebben en ik moest daarin toestemmen en meegaan.

 

 

 

 

 

Toen ik tot de jonkvrouw kwam die aan het eind van de andere weg zat begroette ik haar en ze bedankte me en zei: Vriend, God beloont het u. Jonkvrouw, zei ik, grote hoffelijkheid zou u me doen wilde gij mij wijzen mijn rechten weg indien gij het weet. Van de weg, zei ze, kan u niet slecht missen is het dat u langs mij wil gaan want ik ben de portier van menige mooie wegen. Ik leidt het volk dat hier komt in het groene en plukken de mooie rozen en bloemen, ik leid ze in lustige plaatsen om solaas en genoegen te hebben. Daar laat ik ze zingen en dansen met harpen, luiten en andere spelen. Beziet, wil ge nu naar zulke plaatsen gaan dan moet u langs mij gaan. Dus beraad u goed want u hebt uw raad bij u.

Raad, zei ik, ach arme, wat zeg ik, ik heb raad maar hij heeft geen trouw hart om mij aan te raden. Hij is mijn tegen advocaat geworden, ik was verdwaald als ik hem wedden gaf om mijn raad te wezen. Nog ben ik meer bedrogen want ik moet hem alle dag zijn volle loon geven al is het ook dat hij het niet verdient,

Waarom, zei ze, zegt u dit, bent u zot, hoe meent u dat ik niet weet dat hij u goed aangeraden heeft toen hij u tot mij liet komen? Zeker, zei ik, heeft hij mij goed aangeraden dat was de eerste. Nu zeg me dan, zei ze, zij hoe heeft hij u aangeraden en waarom heeft hij u hier laten komen? En ik zal u zeggen of zijn raad goed is. Hij zei me dat ik niet letten zou om naar u te komen spreken en al was het dat ik verdwaald was door u of verdwaald, ik zou, zei hij, terstond de haag weer vinden en daardoor gekropen zijn en zonder zorgen weer op mijn weg komen. Deze woorden hebben me hier tot u gebracht.

Nu kan u goed zien en merken, zei ze, dat hij u niet bedriegen wil. Want hij wil om uw wil lijden en pijn gedogen om u te behouden en te bewegen want u hoorde goed wat hij zei van de haag door te kruipen en dat om u weer in uw weg te brengen. U kan wel zien dat hij niet zoekt solaas of spel, maar is er enige pijn of last, hij zal het alleen moeten dragen. Dus zo zet uw geloof dapper op hem en u zal er niets aan misdoen. Kom hier en ga langs mij, het is uw echte weg mede, u bent niet de eerste pelgrim die hier gekomen is want deze weg is geheel doorlopen zoals u ziet.

Vrouwe, zei ik, nadien dat gij het wilt en ook dat gij het aanraad dat ik langs u passeer en ga zo zeg me dan uw conditie en uw naam want dat zou ik graag weten eer dat ik uw weg ging. Daar ligt het u niet aan, zei zij, dat te weten want menige is er langs me gegaan die daarnaar niet vroegen. Ik was hen lieden zo plezant en genoeglijk dat zij daarvan niet spraken. Maar nadat u het immer weten wil zo zeg ik u voorwaar dat ik een van de poppen ben die hier een jaar vrouw Traagheid zette. Die u nog hierna wel zien zal. Ik ben haar dochter en ik ben geheten Ledigheid die zo klein en teer is. Veel liever heb ik mijn handschoen aan te doen en mijn hoofd te kammen en me te spiegelen dan enig ander werk te doen. Ik wens om feestdagen en feesten en om historin te lezen daar de leugen waar schijnt en om fabels te vertellen. Ik ben uw lichaam lief als u slaapt of waakt zo wacht ik dat hij geen arbeid doet en geen blaren en werk. Soms zend ik hem veel sieren in de handen om zijn tijd te korten daaraan te hebben. Nu beziet wat zegt u hiertoe, wil u langs mij gaan zo zeg het gauw en stel u op de weg en trek uw handen in uw mouw. Toen ik dit hoorde antwoorde ik haar. Al zolang als mijn lichaam u lief is en recht bemint zou gij hem niet willen bedriegen. En ge weet wel, raakt hij verdwaald dat hij bedrogen was. Want ik zou hem wel dapper laten gaan door de haag en hem steken en porren zo vreselijk dat hij wel een gat zou maken in de haag en weer mijn weg vinden. En al was het dat hij vol met bramen en dorens was zou ik hem niet beklagen. Dus ga dapper en spreek me niet meer want bij zichzelf heeft hij de weg gekozen zodat gij geen reden hebt me tegen te spreken van enige valse minnen die ik aan hem bewezen of getoond mag hebben.

Dus nam ik mijn weg door Ledigheid en stelde me in haar weg van zorgeloosheid of verzuim. Deze weg koos ik bij mijn zotheid dus was ik meer beducht nog te erger zal hebben. Ik ben verdwaald en ik weet het niet, maar ik zal het gauw gewaar worden. Nu God moet me gratie verlenen zo te gaan en deze passage zo te gaan dat eer ik ten einde kom van deze kwade weg en een gat vinden mag om door te kruipen en weer te komen alzo in mijn rechte weg.

Toen ik aldus vast ging naast de haag zo hoorde ik een stem aan de andere zijde die tot me riep: Dromer, wat doet u daar, waar gaat u, waarom hebt u geloofd de raad die de leugenachtige bedriegster Ledigheid u gegeven heeft, zij zal u leiden tot grote armoede, ja, tot de dood en u zal u zelf bedrogen vinden in deze weg want zonder reden noemt Sint Bernardus het niet stiefmoeder der deugden want hij kende haar goed. Zij is stiefmoeder der pelgrims meer dan de wouw is over de kuikens gelijk gij terstond wel vernemen zal tenzij dat gij terstond weer keerde en verliet die weg en ging de anderen die veel bekwamer is dan die weg zoals u nog wel vernemen zal eer de weg einde nemen zal.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim langs de doornenhaag met achter zich Memorie>

 

Doe worde ic al verbaest want die tegen mi sprac en sach ic niet Nochtan andwoerde ic ende seide Segt mi ic bids v wie zijdi die ic hoer spreken ende niet en sie. Doe andwoerde mi die daer sprac ende seyde. Du waerste mi nochan wel schuldich te kennen ende te weeten wie ic ware want ic heb di menige doget gedaen ende geleert haddijt wel onthouden Ic ben de ghene die dy leede in mijn huys ende thoende dy menich schoen iuweel Ic ben graci gods. Als ic dat hoerde seydic soete vrou nae dat gijt zijt ben ics sculdich v te dancken dat gij v waerdicht tegen mi te spreken daer mi zeer na verlangt heeft om te vragen van dese weghe Wat bediet dat dese twe wegen dus int middel gedeilt zijn mit dese hage Dus doer ghenade [42vb] wilt mi dat doen verstaen Ende dan sal ic mijn macht doen om ouer te lijden al heefter tlichaem verdriet in ic salt bestaen Seeker seyde si du waers sculdich te lijden hier doer mit starcker harten want hoe du langher gaes hoe de hage dicker sal warden Vrou seidic dats mi lief want te meer sal tlichaem gequelt worden dat mi verraden wilde int haer comen Dese hage seide graci behoert der vrouwen die de bessem in de mont had ende is penitencie. zij liet dese hage hier planten om die den anderen wech gaen hier niet weder en souden keeren sonder pijn te lijden Sij plantese daer oec omme veel ander redenen wille als haer roeden ende bessem daer wt te te plucken so dic alst haer gelieft Dese haghe en is int beghinsele niet dicke soe dat ic [43ra] di rade datstuse int eerste ouergaes want bistu daer langher bij auentuer du suls daer vinden dingen die di hinderlic souden zijn ende niet weeder en souden laten haerwert keeren

Doe began ic al om te sien of ic ergent enich gat inde hage vinden mocht. Als ic dus stont ende versach mi al om so sach ic an dander zijde vrou reden dies ic mi seer verwonderde Hoe coemt dit vrou seydic dat gij mi gelaten hebt ende anders niet en wist gij en soudt mi voet ouer voet geuolcht hebben ende niet gelaten An mi seyde si en wilt v niet houden want du hebste my eerst gelaten hadstu al desen wech gecomen noch waer ic mit dy. En wil niet meenen dat ic gaen sal weegen die men laecken mach. ic houde mi altoes an den goeden wech al daer de goede pelgrymen ghaen Coem hier ende geloeft gracien want zij heeft di tschoenste gepresenteert ende du suls geheel dwaelen ende gec warden gaestu lange die wech

Als si mi dit gheseit had began ic noch weder te kijken ende te soucken waer de hage dunste was vanden doerne want my iammerde tlicham meer dan ic sculdich was te doen Nu god wil mi voert behoeden doer zijn grote barmharticheyt want mi gruwelt zeer bouen mate voer quaet gemoet ende quade auentuer want so lange gaet de pot om [43rb] water dat si int laetste breect bij ongeual dattter inden wech op coemt Oec hi is sot die niet en doet als hi mach want hijs niet doen en mach als hi wil

Hier begint dat

anderde boucke

Toen werd ik geheel verbaasd want die tegen me sprak zag ik niet. Nochtans antwoorde ik en zei: Zeg me, ik bid het u, wie bent ge die ik hoor spreken en niet zie. Toen antwoorde me die daar sprak en zei: U behoorde me nochtans goed te kennen en te weten wie ik ben want ik heb u menige deugd gedaan en geleerd had gij het goed onthouden. Ik ben diegene die u leidde in mijn huis en toonde u menig mooi juweel. Ik ben Gratie Gods. Toen ik dat hoorde zei ik: Lieve vrouwe, naar dat gij het bent moet ik u bedanken dat gij u zich verwaardigd tegen mij te spreken omdat het me zeer verlangd heeft om te vragen van deze weg. Wat betekenen deze twee wegen die dus in het midden gedeeld zijn met deze haag. Dus door genade wil me dat laten verstaan. En dan zal ik mijn macht doen om over te gaan al heeft mijn lichaam er verdriet in, ik zal het bestaan. Zeker, zei ze, u moet hierdoor gaan met een sterk hart want hoe langer u gaat hoe de haag dikker zal worden. Vrouwe, zei ik, dat is me lief want te meer zal het lichaam gekweld worden dat me verraden wilde hierin te komen. Deze haag, zei Gratie, behoort de vrouw die de bezem in de mond had en is Penitentie. Zij liet deze haag hier planten om die de andere weg gaan en hier niet weer zouden keren zonder pijn te lijden. Zij plantte het daar ook om veel andere redenen als haar roeden en bezem daaruit te plukken zo vaak als het haar belieft. Deze haag is in begin niet dik zodat ik u aanraadt dat u er in het begon doorgaat want bent u daar langer bij avontuur zal u daar dingen vinden die u hinderlijk zouden zijn en niet weer zouden laten hier te keren.

Toen begon ik al om te zien of ik ergens enig gat in de haag vinden mocht. Toen ik aldus stond en zag al om zo zag ik aan de andere zijde vrouwe Reden, dus verwonderde ik me zeer. Hoe komt dit vrouwe, zei ik, dat gij me verlaten hebt en niet anders wist dat ge me op de voet gevolgd zou hebben en niet verlaten. Aan mij, zei ze, wil u zich niet houden want u hebt me eerst verlaten had u al deze weg gekomen dan was ik nog bij u. En wil niet menen dat ik wegen zal gaan die men laken mag. Ik hou me altijd aan de goede weg al daar de goede pelgrims gaan. Kom hier en geloof Gratie, want zij heeft u het mooiste gepresenteerd en u zal geheel verdwalen en gek worden gaat u lang die weg.

Toen ze me dit gezegd had begon ik nog weer te kijken en te zoeken waar de haag het dunste was van de dorens want me jammerde het lichaam meer dan ik moest doen. Nu God wil me voort behoeden door zijn grote barmhartigheid want het gruwelt me zeer boven mate voor kwaad gemoed en kwaad avontuur want zo lang gaat de pot in het water dat ze tenslotte breekt door ongeval dat er in de weg op komt. Ook is hij zot die niet doet zoals hij mag want hij niet doen mag zoals hij wil.

Hier begint dat volgende boek.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim aangevallen door Traagheid; in het midden Memorie>

 

Nv sal ic v segghen hoedt my quam daer my so grotelic of misuiel Want als ic aldus ghinc souckende in mynen wech een gat inde hage. Soe ward ic siende coerden ende stricken die my ghestrict hadden eer dat icse gewaer wardt onuersienlic daer ic so verbaest of was ende onstelt dat ic mijn spreken tot reden of liet ende gracien gods al vergat. Vant gat te soucken inde hage liet ic al of. Ic had genouch te peynsen hoe ic de stricken tontcnopen ende myn seluen te lossen ic en mochtse niet wel breken want ic en had sampsons cracht niet Een vreeselic ende mismaecte ou queen die volgde die de stricken in haer hant hielt Ende als ic mi om keerde ende icse wel besach. veel meer [43vb] veruaerde ic my dan te voren want ic sachse al beschimmelt vies ende lelic swart ende vuyl ende drouch de bile eens vleyschouwers of zij varcken had wilen slaen ende op haer hals so drouch si een pac van coerden. Ic meende als icse dus sach na de manieren dat zij een iaechster waer geweest om woluen te vangen want sulcke packen plagen de wolf iagers te draghen als si iaghen wilden

Stinckende queene seydic wat bediet dat gij my volcht wie sidi ende mit wat recht arresteerdi mi hier. ghi en behoert dus heymelic ende diefs gewijse niet te comen sonder enich geluyt te slaen het schijnt wel dat ghi nye ter goeder stede en quaemt vliet van hier ende doet my dese stricken van mijn beenen ic en ben sparwer noch valc om aldus gebonden te zijn

[44ra] Doe andwoerde mi de queene ende seide Seker du en suls so lichtelic niet van mi comen alstu meenste Ter quader tijt quaemstu hier Du hebste mi stinckende quene genoemt daerstu an misdaen hebste want ic en stinck niet Ic heb tot veel plaetsen geweest beide in winter ende somer ende gelegen in skeysers camer coningen ende ander heren ende prelaten die mi nie stinckende en noemden ende waen coemt di de stouticheit daerstu in mijn banden zijste ic meenstu seer fier souds zijn ende ouerdadich van spreken waerstu mijn geuangen niet maer na ic di vast heb waen ic mi wel ouer di te wreecken ende ic sal dy corts leiden tot sulcker plaetsen daer ic di sal doen gelouen an mijn god

Queene seidic wie sidy die soe stout van harten zijt wilt my vwen name doch seggen na dat ghi mi dus dreycht Ic ben seide zij desvleyschouwers wijf vander hellen ende ic brenge alle de pelgrymen ter hellen die ic geuanghen can menighe heb icker gebracht ende noch sal daer du deerste of weesen suls of du en ontulieges mi wt den banden ende daer om quam ic dus heimelicke want waer ic opentlic gecomen bi auentuer ic soude di verloren hebben want du vaers in wille den anderen wech te gaen. Ic ben die oud vielge die te legghen pleecht inder kinderen bedde ende diese dicwile om doe kee[44rb]ren ende node opstaen Ic ben die den stierman in de zee doe slapen iae hoet stormt of wayt al en acht hijs niet ic ben die distel doren netelen ende ander quaet cruijt doe wassen sonder spitten of saeyen Ende menichwarf een dinc dat ghereed was te doen heb ic doen verleggen tot des anderen daechs ende so voert so datter int eynde niet of en quam. soe datter bi my menich goet werc is achter gebleuen Ic heet traechede de crancke de crepele de mancke ende de gequetste de vercoude ende verstopte Ende wilstu mi anders noemen so moetstu my zeerichede heeten want al dat ic sie verdriet my gelijc een molen die niet en maelt haer seluen eet ende verslijt dies gelijc gae ic al etende mi seluen ende slitende daer en word niet gedaen dat mi gheneucht het en si na minen wille gedaen Ende om dattet mi dus verdriet so drage ic dese bile die verdriet van leuen hiet ende slaet het volc ende is de selue bile daer eens iaers helyas mede sloech onder den boem Mit dese bile sla ic dese clercken inder kercken ic en spaer niemende wien ic geraken can Dese stricken ende coerden daerstu mede gebonden zijs die zijn gemaect van mijn darmen ende daer bi zijn si so starck want watstu trecs si en sullen niet breeken zij waeren ghemaect int donckerste der hellen si zijn swart ende taye doer mijn buyc getoghen

[44va1] Wilstu weten haer namen De een heet negligencie of versumenis de ander heet moethede ende si zijn antreckende ende smekende want also heb icse gemaect om vast te cnopen ende tuolc daer in te toeuen ende verwarren sonder haer cleder te schoren. Ende mit dese twee so houdic di Als van de coerden die ic op mijn hals drage daer swijch ic nv of op dese tijt want op een tijt eerstuut suls weten sulstu ia sonderlinge in de een gheuangen zijn ende gebonden Ende van die sal ic di nv seggen om die te meer in te binden ende noch vaster dan ic doe [44vb1] mit de ander Dese coerde heet wanhoep ende hier mede was iudas verhangen als hy christum verraden had ende is des hancdiefs coerde vander hellen Ende is de coerde daer hi mede sleept ende hanct alle die hi daer in gecrijgen can Dus draech icse al om op auentuer of ic yemont mocht vinden mede te stroppen ende maken hem een strop om den hals ende slepen hem also ter hellen Besich nv ofstu hier wel geraect zijs ende ofstu mijn dochter ledicheit wel gedient hebs Sij heeft di haerwaert doen comen dus du biste daer du bliuen moets

Nu zal ik u zeggen hoe het me afkwam daar het me zo zeer misviel. Want toen ik aldus ging en mijn weg zocht door een gat in de haag zo zag ik koorden en strikken die me gestrikt hadden eer dat ik ze gewaar werd en onvoorzien waar ik zo verbaasd van was en ontsteld dat ik mijn spreken tot reden liet en Gratie God geheel vergat. Van het gat te zoeken in de haag liet ik al af. Ik had genoeg te peinzen hoe ik de strikken los kon maken en mezelf te verlossen, ik kon ze niet goed breken want ik had Samsons kracht niet. Een vreselijk en mismaakte oude kwee die volgde die de strikken in haar hand hield. En toen ik me omkeerde en ik haar goed bezag werd ik veel meer banger dan te voren want ik zag haar al beschimmelt, vies en lelijk, zwart en vuil en droeg een bijl van een vleeshouwer alsof ze een varken had willen slaan en op haar hals zo droeg ze een pak van koorden. Ik meende toen ik haar aldus zag naar de manieren dat zij een jaagster was geweest om wolven te vangen want zulke pakken plegen de wolf jagers te dragen als ze jagen wilden.

Stinkende kwee, zei ik, wat betekent het dat ge me volgt, wie ben je en met wat recht arresteer je me hier. Ge behoort aldus heimelijk en diefachtig niet te komen zonder enig geluid te slaan, het schijnt wel dat ge niet van een goede plaats komt, vliedt van hier en doe me deze strikken van mijn benen, ik ben geen sperwer nog valk om aldus gebonden te zijn.

Toen antwoorde me die kwee en zei: Zeker, u zal niet zo gemakkelijk van mij afkomen zoals u meent. Ter kwade tijd kwam u hier. U hebt me stinkende kwee genoemd waar u aan misdaan hebt want ik stink niet. Ik ben op veel plaatsen geweest, beide in winter en zomer, en gelegen in keizers kamer, koningen en andere heren en prelaten die me niet stinkend noemden en waarvan komt u die dapperheid dat u in mijn banden bent, ik meende dat u zeer fier zou zijn en overmoedig van spreken was u mijn gevangene niet, maar naar dat ik u vast heb waan ik me wel over u te wreken en ik zal u gauw leiden tot zulke plaatsen waar ik u zal laten geloven aan mijn God.

Kwee, zei ik, wie bent u die zo dapper van hart bent, wil me uw naam toch zeggen naar dat ge me aldus dreigt. Ik ben, zei ze, de vleeshouwers wijf van de hel en ik breng alle pelgrims ter hel die ik vangen kan. Menige heb ik er gebracht en zal nog waar u de eerst van wezen zal of u ontkomt me uit de banden en daarom kwam ik dus heimelijk want was ik openbaar gekomen bij avontuur zou ik u verloren hebben want u was in de wil om de andere weg te gaan. Ik ben die oude uil of vuile? die te liggen pleegt in de kinderen bed en die ze vaak om doet keren en node opstaan. Ik ben die de stuurman in de zee doet slapen, ja, hoe het stormt of waait hij acht het niet. Ik ben die distel, doren, netels en ander kwaad kruid laat groeien zonder spitten of zaaien. En vaak een ding dat gereed was te doen heb ik laten wegleggen tot de andere dag en zo voort zodat er in het einde niets van kwam. Zodat er bij mij menig goed werk is nagelaten. Ik heet Traagheid, de zwakke, de kreupele, de manke en de gekwetste, de verkouden en de verstopte. En wil u me anders noemen, zo moet u me zeren noemen want al dat ik zie verdriet me gelijk een molen die niet maalt en zichzelf eet en verslijt en aldus gelijk ga ik al etende mezelf en slijtende, daar wordt niets gedaan dat me vergenoegd, tenzij naar mijn wil gedaan. En omdat het me aldus verdriet zo draag ik deze bijl die verdriet van leven heet en sla het volk en is dezelfde bijl daar eens per jaar Helias mee sloeg onder de boom. Met deze bijl sla ik de klerken in de kerken, ik spaar niemand die ik raken kan. Deze strikken en koorden waar u mee gebonden bent die zijn gemaakt van mijn darmen en daarbij zijn ze zo sterk want wat u trekt ze zullen niet breken, zij waren gemaakt in het donkerste van de hel, ze zijn zwart en taai door mijn buik getrokken.

Wil u haar namen weten? De ene heet negligentie of verzuim en de ander heet moeheid en ze zijn aantrekkend en smekend want alzo heb ik ze gemaakt om vast te knopen en het volk daarin te vertoeven en te verwarren zonder hun kleren te scheuren. En met deze twee zo hou ik u. Als van de koorden die ik op mijn hals draag daar zwijg ik nu van op deze tijd want op een tijd eer u het zal weten zal u ja zonderling in de ene gevangen zijn en gebonden. En van die zal ik u nu zeggen om u te meer in te binden en nog vaster dan ik doe met de andere. Dit koord heet wanhoop en hiermee was Judas verhangen toen hij Christus verraden had en is dus de hangdief koord van de hel. En is het koord waar hij mee sleept en hangt alle die hij daarin krijgen kan. Dus draag ik het al om op avontuur of ik iemand mocht vinden mee te stroppen en maken hem een strop om de hals en sleep hem alzo ter hel. Bezie nu of u hier goed geraakt bent en of u mijn dochter Ledigheid goed gediend hebt. Zij heeft u hierheen laten komen dus u bent daar waar u blijven moet.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, recht van li. naar re. Memorie, de liggende pelgrim bedreigd door Traechede met haar bijl>

 

[44va2] Als mi de queene dus vertelt had van haer ambocht dat zij te doen plach So andwoerde ic weder haer in spijte ende seide beromppelde queene mi dunct dat v gheselscap niet en doech laet my ghaen [44vb2] want ghij sout mi leetten als ghi alrede gedaen hebt Doe tracse haer bijl voert ende sloech mi een so groten slach dat ic neder ter aerden viel had ic doe mijn wapen gehad het hadde mi wel van node gheweest want

[45ra] die slach die zij mi gaf was dootlic Ende en had gedaen de salue die ic in mijn mael had dat was geestelike salue die geen sterflic mensch maecken en can welcke salue graci geleit had in mijn male want si wiste wel dat ics van node soude zijn Als ic dus ter neder lach riep ic heer god genade Dese quene heeft mi doot geslagen mit haer bijle ende ist dat ic gheen hulp van v en heb dat ic steruen moet sonder respijt Dus heer god wilt mi beraden

Als ic aldus riep ende claechde leide de queene haer bijl ter neder ende nam des hancdiefs coerde mi daaer mede te stroppen an mijn hals seggende Meenstu met dijn claghen mi te ontghaen ende mit dijn roupen ic sal dese coerde cnopen om dijn hals ende hangen di ende slepen daert mi gelieft. Als ic dit gedreych hoerde ende de ghereescap sach die si daer toe maecte ward ic peynsende op mijnen palster die ic mit beyden handen greep ende hielt so dat ic weder hart ghecreech ende stont weder op mijn voeten menende te lopen na de hage maer si volgede mi mit haer bijle ende hielt my so vast bijder coerden dat ic niet ontgaen en mocht Coem haer seide zij du en moechs dese hage niet vergeten ende mijn bijl ende coerde moetstu onderdanich zijn Ende aldus so trac si mi weeder om mitter coerden die [45rb] ic achter mi sleepte Altijt beduchtende datse mi mit de coerde vanden valschen iudas worgen soude maer als zij sach dat ic haer onderdanich was troste si weeder tfardeel op haer hals gelijc zijt te voren had Ende liet het een eynde na mi slepen seggende. waert dat ic mi luttel of veel keerde na de hage dat si dan de coerde weder op nemen soude ende stroppen ende trecken mi weder seerder dan te voren Twelc zij my wel hielt. want alsoe dic als ic mi kerrde an de haghe om daer te ghaen veruaerde zij mi mit dreigen scuddende haer bijle ende toech mi bijde coerde soe zeer dat ic int eynde vande hage verureemt was

Toen me de kwee aldus verteld had van haar ambacht dat zij te doen plag zo antwoorde ik haar weer in spijt en zei, gerimpelde kwee, het lijkt me dat uw gezelschap niet deugt, laat me gaan want ge zou het me beletten zoals ge alreeds gedaan hebt. Toen trok ze haar bijl voort en sloeg me zo n grote slag dat ik ter aarde viel, had ik toen mijn wapens gehad het was me wel nodig geweest want die slag die zij mij gaf was dodelijk. Had niet gedaan de zalf die ik in mijn bedelzak had, dat was geestelijke zalf die geen sterflijk mens maken kan welke zalf Gratie gelegd had in mijn bedelzak want ze wist wel dat ik het nodig zou hebben. Toen ik aldus neer lag riep ik, heer God genade. Deze kwee heeft me met haar bijl dood geslagen en is het dat ik geen hulp van u heb dat ik sterven moet zonder respijt. Dus heer God wil me beraden.

Toen ik aldus riep en klaagde legde de kwee haar bijl neer en nam het hangdief koord om me daarmee te stroppen aan mijn hals en zei: Meent u met uw klagen me te ontgaan en met uw roepen, ik zal dit koord om uw hals knopen en u hangen en slepen daar het me belieft. Toen ik dit gedreig hoorde en het gereedschap zag die ze daartoe maakte werd ik peinzend op mijn pelgrimsstaf die ik met beide handen greep en zo hield dat ik weer hart kreeg en stond weer op mijn voeten en meende te lopen naar de haag, maar ze achtervolgde me met haar bijl en hield me zo vast bij de koorden dat ik niet ontgaan mocht. Kom hier, zei ze, u moet deze haag vergeten en mijn bijl en koorden moet u onderdanig zijn. En aldus zo trok ze me weer terug met de koorden die ik achter me sleepte. Altijd beduchtende dat ze me met het koord van de valse Judas zou wurgen, maar toen ze zag dat ik haar onderdanig was zette ze weer de last op haar hals gelijk zij het te voren had. En liet het een eind achter me slepen en zei: Was het dat ik me weinig of veel veranderde naar de haag dat ze het koord weer zou opnemen en stroppen en me weer meer trekken dan te voren, waar ze me wel aanhield want alzo vaak als ik me naar de haag keerde om daarin te gaan zo dreigde ze door met haar bijl te schudden en trok me zo zeer met het koord zodat ik op het eind van de haag vervreemd was.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts van li. naar re. Flatterie met Hoovaerdicheit op haar hals, de pelgrim, Memorie en Traechede>

 

[45va] Als zij mi aldus veruarde van der hagen ende ontweechde. so leyde zij my in een valeye die seer doncker ende ofgrijselic was. Twee ander queenen seer vreselic sach ic tot mi waerts comen Deen drouch den anderen opten hals Ende die gedraghen was. was bouen mate seer geswollen want het en was gheen werc van natueren na dat ic haer fatchoen mercken cost Op haer hals had zij een grote stoc ende een horen in haer voerhooft ende in haer hant hielt zij een ander horen ende een blaesbalch Ende zij had om haer een witte mantel ende een spoer ande voet. ende het scheen wel datse mestersse was ouer de queen die haer drouch want zij deedse ghaen waer zij wilde. zij hield een spiegel daerse haer mede spiegelde. Als ic dus sach dese [45vb] twee queenen tot miwaerts comen Verscricte ic mi segghende Soete heer god genade in dit lant en zijn niet dan oude queenen ic en weet in wat landt dat ic geraect ben Ic en mach sonder de doot van dese queenen ende wt dit landt niet geraecken Doe also mi docht hoerdic een stemme van graci gods die mi seyde Dy en doech in geen wanhoep te vallen du moets strijt hebben tegen dese queenen of sonder vechten di op geuen Dv biste in haer lant gecomen daer en coemt niemont hi en wordt besprongen te voet of te paerde. om twee of drie en zijt niet veruaert want du sulster genoch vinden die di harde cort sellen willen houden Ende indienstu niet anders gewapent en zijs anders dan nu du suls iammerlick gehantiert worden

[46ra] Ic bidde v seydic doe dat ghi mi wilt seggen wie dese queenen zijn die hier tot mi comen. Du sulstet haer vraghen ende zij sullent di wel seggen want ic hebt haer beuolen alsoe te doen Als ic aldus stont ende sprac tegens de stemme die van bouen quam De queene die opten anderen zat nam haer horen ende blies ende quam so tot miwaert al roupende van varren ontbeyt ontbeyt ende gheeft v geuangen of ic sla di doot Segt mi seidic wien sal ic mi opgeuen want sonder vwe name te weeten en sal ic mi nimmermeer gheuangen geue Hoer seydse na mi ic salt di seggen Du suls weeten dat ic de outste queene bin van alle de queenen want eer de werelt ende den hemel volmaect waren so was ic int nest vanden hemel gebroedt ende nye en was arger broet van voghel gekipt. want also drae als ic wt den eye croop ende ic mijn vader so schoen sach weesen so blies ic op hem mit den blaesbalch die ic hier houde so seer dat ic hem neder deed vallen tot inden gront der hellen. Schoen ende wit was hi te voren ende claerder blinckende dan de son. maer nv is hy swarter ende lelicker geworden dan de doot Inde zee is hi vischer ende vogelaer geworden ghelijc du noch wel sien suls eer dijn wech voleint sal weesen Ende als ic hem aldus had ghesteken wt zijn nest so viel ic mit [46rb] hem neder ende inden hemel en bleef ic niet meer maer ic quam in aertrijc dat nyewelinc gemaect was Daer ic siende wordt een werck dat mi niet en behaeche dat was dat ander souden mogen climmen int nest daer ic wt geuallen was ende mijn vader had doen vallen het welc ic niet verdragen en mocht ende peynsde hoe ic dat climmen soude mogen beletten Also ic dede ende ghinc tot adam ende blies hem in zijn gepeins ende maecte hem so geswollen dat hi hem liet duncken waert dat hi ate vande vruchten die hem verboden waeren dat hi so vol sciencien wesen soude als god Ende hier mede was hy bedrogen ende wart daer om verdreuen wt den paradise. Als ic dus dese twee dingen gedaen had ende dus ionge was peynsdic dat ic noch veel quaets soude doen in mijn leuen Ende seker ic hebder sint veel gedaen ende noch doen sal Ic stchte de oerlogen ic maec tweedracht twisken de lantsheern ende doese malcanderen ontseggen Ic doe alle doen anders dant van reden geordineert is ic en sie niet wat een ander doet al waert noch so wel gedaen wat een ander goets doet dat en sie ic niet maer doet hy quaet dat sie ic wel In my en is niet dan wint ende roec een blase vol stancs Van een yegelic ben ic bespotster Hier voermaels was ic ghecroent ende coninghinne geheten. Ende mijn

[46va] name is houaerdicheit de felle gehorende beeste om mitten horen die ic int voerhoeft heb hort ic den onnoselen ende dese horen hiet fierhede ende is de horen van eender een horen die vreselicker is dan enich tweegetacte hoerne want in al de werelt en is punt van stale so fijn of scharp die eens menschen hert doersteken mocht sonder plomp te warden het en waer dat desen horen hem holpe ende den wech maecte Ic steker mede an allen zijden sonder yemont te spaeren paep noch clerc Ende du suls weeten dat de gene die na haer macht gesuuert zijn van haer sonden die steec ic veel vreeselicker dan dander

Sijn blaesbalch heet ydel glorie ende is ghemaect om dode colen leuende te maecken en verwaende sotten die onreyn ende vuyl zijn van oude sonden te doen menen datse allen anderen beter zijn Gelijc dat de wint doet vallen de vruchten vande bomen Also de wint van dese blaesbalch leyt ter neder alle deuchden Ja al dat hi gecrijggen can ende geen deucht en macher voer staende bliuen Hi verswelcht de grote vogelen hi beroeftse vande substancie haers leuens. Hebstu niet gehoert vanden rauen die een case in zijn bec had ende de vos quam tot hem ende seyde Lieue rauen ic bidde dy singe mi doch een liedekijn want mi verlangt seer v keelkijn te horen [46vb] dat zoeter is dan orghelspel. Van welcken sanc hi vernam sulcken wint dat hy de case liet vallen ende began te singen want het hert was hem open meenende dat de vos hem de warachticheit geseyt had maer hy en meende de sanc vanden rauen niet maer hi meende alleen de case die hi nam ende droechse wech ende versubtijlde so den rauen Bij desen exempel moechstu claerlick sien dat de wint van desen blaesbalch den ghenen die best gepluymt zijn ter neder doet leggen al dat si hebben Dats te seggen Als ic yemont sie die eenighe deucht in hem heeft mit desen blaesbalch bedwinge ic hem dat hi zijn waen verliest ende ter neder valt De wint wan desen blaesbalge en soude nimmermeer assch nach [sic] stof wech blasen. mer wel den sterffeliken mensch die stof ende assche na geblasen is mit een luttel wints so ist gespreet ende te quist gemaect Dese blaesbalch doet enigen pijpen ende trompen dat zijn die ydel van deuchden zijn ende geen zinne en hebben mit desen blaesbalge can ik wel weder wint an mi trecken Want als my yemont gaet blasende int ore seggende dat ic schoen ben ende machtich milde ende vroet Dan trec ic die wint tot mi waerts ende make hem plaets in mijn buyc daer ic dus grof ende gheswollen of ben also du sien moechs Ic hebt di nv anderwarf gheseyt [47ra] die wint doet mi op heffen mijnen staert ende draeyen gelijc een paewe om datmen mach sien mijn confusie ende scande. Dese windt doet mi so swellen waert dat icker niet of geydelt en waer ic soude terstont splijten of van rouwe steruen waer bij in maniere van versuchten so heb ic een sonderling horenkijn daer ic den wint mede wt werp Dit horenkijn heet Beroemen het ist daer ic alle de beesten vande lande mede veruare Ic hebber dicwile mede gheblasen dat ic nochtan niet en ving want ic beroeme mi dic van dingen die ic niet en heb ende ic seg dat ic dinghen gedaen heb die ic nie en peynsde Ic seg dat ic van groten geslachten ben geboren ven een groeten huise Ende veel ander blasingen dat niet en is dan wint Ic blaser oec mede als ic een proye geuangen heb der pijnen waerdich om eer daer of te hebben dat en mach ic dan niet helen of ic en most splijten Ic seg en hebdi niet gesien of gehoert dat ic gedaen heb wat dunct v en ist niet wel gedaen meendi dat ic doen soude als pieter of pouwels Na dien dat icker mi toe ghegeuen heb en salt niemont so wel doen oec wat het is ic en soudt veel bet connen doen

Doer dit horenkijn gaet grote wint want het was geblasen mit eenre vuylder pensac ende als hi geen gehoer en crijcht diere mede [47rb] blaest dat en can hi niet verdragen maer wil altoes gehoert zijn ende datter nyemont anders en spreeke dan hi alleen ende dat van hem seluen seggende dat hi van te voren weet al dat de luyden segghen willen ende breect so haer tale ende houtse ouer sot Elcken andwoerdende sonder vraghen hi argueert hi solueert hi concludeert ende al nae sijn selfs begrip Sulc een man can wel sonder meenen vasten ende ander deuchden prijsen hoe wel dat hij inden buyc niet en heeft dan wint om tuolc te verblaeuwen maer die mit dese horen iaecht veriaechter veel meer dan hi vangt Dese horen en was de horen niet daer roeland mede blies als hi steruen soude maer hi is oudt als ic ben ende wi waren te samen geuoecht

Oec mede bijden sporen ben ic mede bekent want dat is een teyken dat ic rijden wil ende mi verclenen soude te voet te gaen of mijn paert en waer bi mi Ic ben oec veel te gereeder om quaet te doen Die een spore heet Ongehoersaemheit ende dander Rebelheyt Mit de eerste spore reet adam als hi van den appel beet tegen tgebodt Eua beghan ende daer na ghinc hi Ter quaeder tijt was hi eel man dat om een appel teten sporen most spannen

Uander spore drouch de coninc pharao als de operste coninc hem ontnemen wilde tuolc van ysrahel [47va] ende wt zijn landen setten Maer want hy zijn macht wilde setten teghen den coninc die machtiger was dan hi so quam hem zijn spore tot achterdeel ende gheen voerdeel. want als hi lancste geiaecht ende mit sporen geslaghen had Int eynde soe maecte hijs so veel dat hi in de zee viel ende verdranc Sulc meent een ander te veruaren die van zijn selfs slaghen ter neder valt Maer daer coem datter of comen mach. de houaerdige en mach hem niet onthouden hy en verlaet hem op zijn sporen so dat hijre tlijf om verliest

Nv sal ic v seggen van mijnen stoc die ic draghe voer mijn palster Ic leen ende ruster op als mi yemont wil doen vallen mit zijn sermonen ende precagen Ic beschermer mi mede als mi yemont tegens mijn danc mijn instrumenten benemen wil Het is de selfde stoc die de kaerl in zijn hant had hier voeren daer reden tegens disputeerde Obstinacie of eenwillighe hardnecheit is hi geheten als voer geseit is Het is de stoc daer saul op ruste als hem samuel schalt om die proye die hy van damelech bracht. het is een stoc die hardt gecnort crom vol cnopen is ende niet buygen en mach mijn vader brachten wten bossche van egipten ende gaffen mi Ter quader tijt so was hi geuonden. ende diere mede gheslegen sullen worden die sullen [47vb] de doot ontfaen Ic salder dese verharde karels mede nijt ende hadt doen werpen op den verstandelen Ic veriager mede graci gods in allen steden ende doense sneuelen ende vallen die naerstich zijn te keeren ter hagen van penitencien. Ende om dat dese belettinge te meerder soude zijn so maec icker officiael of ledichede om de stricken te maecken om mede te vangen die ic hebben wil Nv sal ic di voert segghen van mijn mantel die ic an heb Dese mantel was ouerlanc gemaect om mijn lelichede ende vuylichede mede te decken ende te heelen ghelijc dat de snee de misse bedect. So doet dese mantel mi schinen schoen ende heylich te zijn van buyten maer waert dat ic van de mantel ontdect waer ende dat men mi van binnen besien mocht niement en soude mi prijsen want ic ben alte veel anders van binnen dan ic van buyten schijn. De naem van desen mantel is ypocrisie ende is gheuoert mit vellen van vossen al schijntet van buyten datse mit lammeren geuoert is Ic draechse als ic meen datmen my versteken wil van de staet daer ic een wijl tijts in geweest heb. Ic doese oec an als ic al versteken ben ende verlaten ende dan maec ic de pope laer ende conterfeyt de heylege man Oec doe ic ghelijc reynaerdt dede die hem doot maecte leggende in den wech ende liet hem so werpen op [48ra] hem inden wech doot maecte op dat menne op de karre worpen soude om harinc te etene Bi hem soe heb ic dicwil geweest in groten state ghelijck eenre goddinnen seere besien schemincle bin ic ende scheminckelen sijn si alle die desen mantel an hebben. want hi doet conterfeyten ander luder ambocht dat hi selue niet doen en can. ende en is nochtan anders niet dan een waentghiwaerts Ghelijc dat dye phariseeus schemynckel was die hem van buten dede schijne blinckende van duechden ende wel vastende ende gheene sonden en plach hy te doene alsoe hy seyde. Tschemincle dat eens iaers conterfeite den ouden schemakere daer of leestmen dat hem soe vele onderwant vanden ambochte dat hi hem seluen die kele ontwe sneet. sot is hi die hem onderwint van dingen die hi niet wijs en is Desen mantele en cleedic niet alleene. maer elc vanden ouden queenen die cleede ick als sijs te doen hebben om te sijn van scoenre manieren. Ledichede maect haer moey daer mede ende ic maker my mede oet moedich Ende elc vanden anderen die cleettene oec om daer mede te bedecken hare quaetheden. te meer dat men aen doet ende besicht te starcker is hi ende te min verslijt hi. nv sal icken di an doen ende di daer mede cleeden ende daer na sal ic mit di alle mijn wille doen Als mi aldus houaerde ver[48rb]telt hadde van haren quaden manieren. noch had ic begeerte te wetene wie die ander was die droech. ic seide queene wie sidi die also houaerden draget ende die gedoecht dat soe quade een beeste op uwen hals leyt ic wane seker dat ghi niet en doecht dat ghi v alsoe laet dwingen

Doe antwoerde si mi na dien dat ghi weten wilt wie ic bin ic saelt di seggen Du doets harde wel dattuus mi alsoe segts sonder smeeken. dat ic niet en doech het is wair want ic bin die sotte queene die elckerlijc te dancke spreken wille ende die heren te groetene ende hem luden die plumen af rapen die si op hem niet en hebben. mit rechte ende mit onrechte louicse alle ende diense mit placebo. want ic can wel liegen. totten sotten seg ic dat si vroet sijn. ende totten tyrannen seg ic dat si ontfermhertich sijn ic can wel schuwen plaetse die modderich is. ende wel uwen schorfden hoefde can ic smeren. ende wel can ic smeeren tquade wiel dat crijscht dat daer nae noch vele meer keert. te houe bin ic willecome ende in allen tijden ende wel ontfaen. ten is gheen speelman bet ontfaen dan ic bin noch die daer meer solaes doet. maer sij sijn harde sot want ic bedriehcse alle Ic bin die mereminne vander zee mit mijnen soeten sange doe ic dicke die ghene verdrencken ende versmoren die mijnen soeten sanc gaern [48va] willen horen Mijnen rechten name is flatteringhe. ende ic bin verraeds nichte die outste dochter van valscheden ende voetster van alre quaethede Alle die queenen die du sien suls ende die du gesien hebs alle heb icse geuoestert mit mijnen borsten ende ghespeent. ende hoe dat ic haer lieder voesterige bin. specialic van houaerdien bin ic housterige ende draechsterigge ic draechse ende houdse op alstu sies ende en waer ic si soude varinc vallen. want si en can niet te voet gaen Nu segt my seide ic wat bediet die spiegel dien du dair alsoe hout Si antwoerde my en hoordestu nye spreken vanden eenhoren hoe dat hi verliest inden spiegel alle sijne houaerdie vanden foreeste als hi sijn aensichte daer in ghesien heeft ende blijft al stil staende Ic hebber seide ic wel of hooren spreken Dies gelijcke seide si willic houaerdien compareren bijden eenhoorne. want wairt dat sake dat si haer niet dicwile en spiegelde elckerlijc soudse horten ende steken. ende gheen dinc en soudse bi vrientscappen doen Maer als si haer wel gespiegelt heeft ende wel haer aensichte besien daen wert si goedertieren den genen die hair den spiegel houdt Desen spiegel is louinghe ende accorderinghe van al dat men seit. want als die houaerdige yet seyt hi wil datmen segge ghi segt waer ende gy segt wel het is alsoe Dit is een goet [48vb] spiegel spiegelter v in Maer wairt soe dat si ghenen spiegel en vonde harde cort soude si op heffen haren hooren ende steker mede ghelijc als doet die een hooren Ende dair omme dat ic verdregen soude sijn. soe drage ic den spiegele ende loue ende volghe al dat ic hoore ende sie Ic bin hugo vanden ouden bossche die elckerlijcken bi mijnre sotheden antwoerde ende segghe al dat ic hore segghen wien dat deeren mach of helpen

Toen ze me aldus vervreemdde van de haag en verdwaalde zo legde ze me in een vallei die zeer donker en afgrijselijk was. Twee ander kween, zeer vreselijk, zag ik naar me komen. De ene droeg de andere op de hals. En die gedragen was die was boven mate zeer gezwollen want het was geen werk van natuur naar dat ik aan haar vorm merken kon. Op haar hals had zij een grote stok en een horen, in haar voorhoofd en in haar hand hield zij een andere horen en een blaasbalg. En zij had om zich een witte mantel en een spoor aan de voet en het scheen wel dat ze meesteres was over de kwee die haar droeg want zij liet haar gaan waar zij wilde. Zij hield een spiegel waar ze zich in spiegelde. Toen ik aldus deze twee kween tot me zag komen schrok ik en zei: Lieve heer God genade, in dit land zijn niet dan oude kween, ik weet niet in wat voor land dat ik geraakt ben. Ik kan zonder de dood van deze kween niet uit dit land komen. Toen ik alzo dacht hoorde ik een stem van Gratie Gods die me zei; U behoort niet in wanhoop te vallen, u moet strijd hebben tegen deze kween of zonder vechten u opgeven. U bent in hun land gekomen waar niemand komt of hij wordt besprongen te voet of te paard. Om twee of drie hoeft u niet bang te zijn want u zal er genoeg vinden die u erg kort zullen willen houden. En indien u niet anders gewapend bent anders dan nu dan zal u jammerlijk gehanteerd worden.

Ik bid u, zei ik, dat ge me zeggen wil wie deze kween zijn die hier tot mij komen. U zal het ze vragen en zij zullen het u wel zeggen want ik heb het ze bevolen alzo te doen. Toen ik aldus stond en sprak tegen de stem die van boven kwam nam de kwee die op de andere zat haar horen en blies en kwam zo tot mij al roepende van verre, wacht, wacht en geef u gevangen of ik sla u dood. Zeg me, zei ik, aan wie zal ik me opgeven want zonder uw naam te weten zal ik me nimmermeer gevangen geven. Hoor, zei ze, naar mij en ik zal het u zeggen. U zal weten dat ik de oudste kwee ben van alle kween, want eer de wereld en de hemel volmaakt waren zo was ik in het nest van de hemel uitgebroed en nooit was er een erger broedsel van een vogel gekipt. Want alzo gauw als ik uit het ei kroop en ik mijn vader zo mooi zag wezen zo blies ik op hem met de blaasbalg, die ik hier hou, zo zeer dat ik hem neer liet vallen tot in de grond ter hel. Mooi en wit was hij te voren en blonk helderder dan de zon, maar nu is hij zwarter en lelijker geworden dan de dood. In de zee is hij visser en vogelaar geworden gelijk u nog wel zien zal eer uw weg geindigd zal wezen. En toen ik hem aldus had gestoken uit zijn nest zo viel ik met hem neer en in de hemel bleef ik niet meer, maar ik kwam in aardrijk dat net gemaakt was. Daar ik een werk zag dat me niet behaagde, dat was dat andere zouden mogen klimmen in het nest daar ik uit gevallen was en mijn vader had laten vallen wat ik niet verdragen kon en peinsde hoe ik dat klimmen zou mogen beletten. Alzo deed ik en ging aar Adam en blies hem in zijn gepeins en maakte hem zo gezwollen dat hij zich liet denken, was het dat hij van vruchten die hem verboden waren at, dat hij zo vol kennis zou wezen als God. En hiermee was hij bedrogen en werd daarom verdreven uit het paradijs. Toen ik dus deze twee dingen gedaan had en dus jong was peinsde ik dat ik nog veel kwaad zou doen in mijn leven. En zeker, ik heb er sinds veel gedaan en zal nog doen. Ik stichtte de oorlogen, ik maak tweedracht, twisten de landsheren en laat ze elkaar ontzeggen. Ik doe alles en doe het anders dan het van reden geordineerd is, ik zie niet wat een ander doet al was het nog zo goed gedaan, wat een ander goed doet dat zie ik niet, maar doet hij kwaad zie ik dat wel. In mij is niets dan wind en rook, een blaas vol stank. Van iedereen ben ik bespotster. Hier vroeger was ik gekroond en koningin geheten. En mijn naam is hovaardigheid, de felle gehorende beesten om met de horen die ik in het voorhoofd heb hort ik de onnozele en deze horen heet fierheid en is de horen van een eenhoren die vreselijker is dan enige tweetakkige horen want in de hele wereld is er geen punt van staal zo fijn of scherp die een mensen hart doorsteken mag zonder plomp te worden, tenzij dat deze horen hem hielp en de weg maakte. Ik steek er mee aan alle zijden zonder iemand te sparen, paap nog klerk. En u zal weten dat diegene die naar hun macht gezuiverd zijn van hun zonden die steek ik veel vreselijker dan de andere.

 

 

 

 

 

 

Zijn blaasbalg heet ijdele glorie en is gemaakt om dode kolen levend te maken en verwaande zotten die onrein en vuil zijn van oude zonden te laten menen dat ze beter dan alle anderen zijn. Gelijk dat de wind de vruchten van de bomen laat vallen. Alzo de wind van deze blaasbalg legt neer alle deugden. Ja, al dat hij krijgen kan en geen deugd mag er voor blijven staan. Hij verzwelgt de grote vogels, hij berooft ze van de substantie van hun levens. Hebt u niet gehoord van de raaf die een kaas in zijn bek had en de vos kwam tot hem en zei: Lieve raaf, ik bid u toch een liedje voor me te zingen want me verlangt zeer uw keeltje te horen dat zoeter is dan orgelspel. Van die zang nam hij zo n wind dat hij de kaas liet vallen en begon te zingen want het hart was hem open en meende dat de vos hem het waarachtig gezegd had. maar hij bedoelde niet het zingen van de raaf maar hij bedoelde alleen de kaas die hij nam en wegdroeg en zo verschalkte de raaf. Bij dit voorbeeld kan u duidelijk zien dat de wind van deze blaasbalg diegene die het beste gepluimd zijn neer laat liggen alles dat ze hebben. Dat is te zeggen: Als ik iemand zie die enige deugd in zich heeft bedwing ik hem met deze blaasbalg zodat hij zijn waan verliest en neder valt. De wind van deze blaasbalg zou nimmermeer as als stof weg blazen, maar wel de sterfelijke mens die van stof en as geblazen is met wat wind en zo wordt het verspreid en tot verlies gemaakt. Deze blaasbalg doet enige pijpen en trompetten, dat zijn die leeg van deugden zijn en geen zin hebben. Met deze blaasbalg kan ik wel weer wind aan me trekken. Want als me iemand in oren blaast en zegt dat ik mooi ben en machtig, mild en verstandig, dan trek ik die wind tot me en geef hem plaats in mijn buik daar ik dus grof en gezwollen van ben zoals u zien kan. Ik heb het u nu al een andere keer gezegd dat die wind me mijn staart laat opheffen en draaien gelijk een pauw zodat men mijn beschaamdheid en schande kan zien. Deze wind laat me zo zwellen en was het niet dat ik er niet van geleegd werd dan zou ik terstond splijten of van rouw sterven, maar daarbij heb ik een manier van zuchten en zo heb ik een bijzonder horentje waar ik de wind mee uitwerp. Dit horentje heet Beroemen. Het is daarmee waar ik alle beesten van het land mee verschrik. Ik heb er vaak mee geblazen wat ik nochtans niet ontving, want ik beroem me vaak van dingen die ik niet heb en ik zeg dat ik dingen gedaan heb die ik niet heb bedacht. Ik zeg dat ik van grote geslachten ben geboren en van een groot huis. En veel ander blazen is niets dan wind. Ik blaas er ook mee als ik een prooi gevangen heb de pijn waard om eer daarvan te hebben dat mag ik niet verhelen of ik moet splijten. Ik zeg en heb je niet gezien of gehoord wat ik gedaan heb, wat dunkt u is het niet goed gedaan, meende je dat ik zou doen als Petrus of Paulus? Na dien dat ik er me toe begeven heb zal het niemand zo goed en ook wat het is zou ik het veel beter kunnen doen.

Door dit horentje gaat grote wind want het was geblazen met een vuil wapen en toen hij er geen gehoor mee kreeg van die er mee blaast kon hij dat niet verdragen, maar wil altijd gehoord zijn en dat er niemand anders spreekt dan hij alleen en dat van hij van zichzelf zegt dat hij van te voren alles weet wat de lieden zeggen willen en breekt zo hun taal en houdt ze voor zot. Elk beantwoord hij zonder vragen, hij argumenteert, hij lost op, hij concludeert en alles naar zijn eigen begrip. Zo n man kan wel menen zonder te vasten en andere deugden te prijzen, hoewel dat hij het in de buik niets heeft dan wind om het volk te verbazen, maar wie met deze horen jaagt verjaagt er veel meer dan hij vangt. Deze horen was niet de horen daar Roeland mee blies toen hij sterven zou, maar hij is oud zoals ik ben en wij waren te samen gevoegd.

Ook mede bij de sporen ben ik mee bekend want dat is een teken dat ik rijden wil en me verkleinen zou ik te voet gaan of mijn paard was bij me. Ik ben ook veel beter gereed om kwaad te doen. Die ene spoor heet Ongehoorzaamheid en de andere Rebelsheid. Met de eerste spoor reed Adam toen hij van de appel beet tegen het gebod. Eva begon en daarna ging hij. Ter kwade tijd was hij een leeg man dat om een appel te eten sporen moest spannen. De spoor droeg koning farao toen de opperste koning hem het volk van Isral wilde ontnemen en uit zijn land zetten. Maar toen hij zijn macht wilde zetten tegen de koning die machtiger was dan hij zo kwam hem zijn spoor tot nadeel ende geen voordeel. Want toen hij lang gejaagd en met sporen geslagen maakte hij in het eind zo veel dat hij in de zee viel en verdronk. Zoiets meent een ander bang te maken die van zijn eigen slagen neer valt. Maar er komt af wat er afkomen mag, de hovaardige kan zich niet onthouden, hij verlaat zich op zijn sporen zodat hij er het lijf om verliest.

 

 

 

Nu zal ik u zeggen van mijn stok die ik draag als mijn pelgrimsstaf. Ik leun en rust er op als me iemand wil laten vallen met zijn sermoenen en preken. Ik bescherm me er mee als me iemand tegen mijn dank mijn instrumenten benemen wil. Het is dezelfde stok die de kerel in zijn hand had hier te voren daar Reden tegen disputeerde, Obstinaat of een willige hardnekkigheid is hij geheten zoals voor gezegd is. Het is de stok daar Saul op ruste toen Samuel op hem schold om de prooi die hij uit Damelech bracht. Het is een stok die hard, knorrig, krom en vol knopen is en niet buigen mag. Mijn vader bracht hem uit de bossen van Egypte en gaf die mij. Ter kwader tijd zo was hij gevonden en die er mee geslagen zullen worden die zullen de dood ontvangen. Ik zal deze verharde kerels er mee nijd en haat doen werpen op de verstandige. Ik verjaag er mee Gratie Gods in alle steden en laat haar sneuvelen en vallen die vlijtig zijn te keren naar de haag van penitentie. En omdat deze beletting groter zou zijn zo maak ik er een beambte of Ledigheid van om de strikken te maken, om mee te vangen die ik hebben wil. Nu zal ik u verder zeggen van mijn mantel die ik aan heb. Deze mantel was lang geleden gemaakt om mijn lelijkheid en vuilheid mee te bedekken en de verhelen gelijk dat de sneeuw de mest bedekt. Zo doet deze mantel mij mooi lijken en van buiten heilig te zijn van buiten, maar was het dat ik van de mantel ontbloot was en dat men mij van binnen bezien mocht, niemand zou me prijzen want ik ben al te veel anders van binnen dan ik van buiten schijn. De naam van deze mantel is hypocriet en is gevoerd met vossenvellen al schijnt het van buiten dat het met lammeren gevoerd is. Ik draag het als ik meen dat men mij versteken wil van de staat daar ik een tijdje in geweest ben. Ik doe het ook aan als ik al verstoken ben en verlaten en dan maak ik de populier en beeld de heilige man af. Ook doe ik gelijk Reinaert deed die zich dood maakte en lag in de weg en liet zich zo dood werpen op de weg zodat men hem op een kar werpen zou om haring te eten. Bij hem zo ben ik vaak in grote staat gewest gelijk een godin, zeer bezien, een aap ben ik en apen zijn ze alle die deze mantel aan hebben. Want hij beeld af andere lieden hun ambacht wat hij zelf niet doen kan en is nochtans niets anders dan een wanen tot u. Gelijk dat u een Farizeen aap was was die zich van buiten blinkend liet schijnen van deugden en goed vastte en geen zonden plag hij te doen, alzo hij zei. De aap die eens per jaar de oude schoenmaker afbeeldde daarvan leest men dat hij zich zo veel onderwond van het ambacht dat hij zichzelf de keel doorsneed. Zot is hij die zich onderwind van dingen die hij niet kan. Deze mantel trek ik niet alleen aan, maar elk van de oude kween die kleed ik ermee als ze het nodig hebben om van mooie manieren te zijn. Ledigheid maakt haar mooi daarmee en ik maak er mij mee ootmoedig. En elk van de anderen die kleedt zich ook om daarmee haar kwaadheden te bedekken, te meer omdat als men het aandoet en gebruikt is het sterker en is hij te minder verslijt hij. Nu zal ik u hem aan doen en u daarmee kleden en daarna zal ik met u al mijn wil doen. Toen ze me aldus hovaardig verteld had van haar kwade manieren had ik toch nog begeerte te weten wie die ander was die haar droeg. Ik zei; kwee, wie bent u die alzo hovaardigheid draagt en die gedoogd dat zon kwaad beest op uw hals ligt, ik waan zeker dat gij niet deugd dat ge u alzo laat dwingen.

Toen antwoorde ze me, nadien dat gij weten wil wie ik ben zal ik het u zeggen. U doet het erg goed dat u het me alzo zegt zonder te smeken dat ik niet deug. Het is waar, want ik ben die zotte kwee die elk te dank spreken wil en die heren te groeten en die lieden de pluimen af rapen die ze niet op zich hebben. Met recht en met onrecht geloof ik ze alle en bedien ze met placebo. Want ik kan goed liegen. Tot de zotten zeg ik dat ze verstandig zijn en tot de tirannen zeg ik dat ze barmhartig zijn. Ik kan goed waarschuwen een plaats die modderig is en uw schurftige hoofden kan ik goed smeren. En goed kan ik smeren het kwade wiel dat krijst en dat daarna nog vele meer keert. Te hof ben ik welkom en in alle tijden en goed ontvangen. Er is geen speelman beter ontvangen dan ik ben, nog die daar meer solaas doet. Maar zij zijn erg zot want ik bedrieg ze alle. Ik ben die meermin van de zee, met mijn zoete zang doe ik vaak diegene verdrinken en versmoren die mijn zoete zang graag willen horen. Mijn echte naam is flatteren en ik ben verraad s nicht, de oudste dochter van valsheden en voedster van alle kwaadheid. Al die kween die u zal zien en die u gezien hebt heb ik alle gevoed met mijn borsten en gespeend en hoe dat ik hun voedster ben en speciaal van hovaardij ben ik houdster en draagster, ik draag haar en houdt ze op zoals u ziet en waar is, ik zou vlug vallen want ze kan niet te voet gaan. Nu zeg me, zei ik, wat betekent die spiegel die u daar alzo houdt. Ze antwoorde me, hoorde u nooit spreken van de eenhoren hoe dat hij in de spiegel verliest al zijn hovaardij van het bos als hij zijn aangezicht daarin gezien heeft en blijft geheel stil staan. Ik heb er, zei ik, wel van horen spreken. Diergelijke, zei ze, wil ik hovaardij vergelijken bij de eenhoren want was het zaak dat het zich niet vaak spiegelde elk zou haar horten en steken en geen ding zou het van vriendschap doen. Maar als ze zich goed gespiegeld heeft en goed haar aangezicht bezien dan wordt ze goedertieren diegene die haar de spiegel voorhoudt. Deze spiegel is geloof en komt overeen met alles wat men zegt. Want als die hovaardige iets zegt wil hij dat men zegt; gij zegt waar en gij zegt het is goed alzo. Dit is een goede spiegel en spiegelt er u in. Maar was het zo dat ze geen spiegel vond, erg gauw zou ze haar horen opheffen en ermee steken gelijk als doet die eenhoren. En daarom dat ik drager zou zijn zo draag ik de spiegel en geloof en volg alles wat ik hoor en zie. Ik ben Hugo van het oude bos die elk op mijn zotheid antwoorde en zeg alles dat ik hoor zeggen, wie dat deren mag of helpen.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links Nijd met Verradenisse en Betreckigge op haar rug, Traechede met bijl, de pelgrim en Memorie (?)>

 

[49ra] Alsoe flatteringe my aldus hielt clappende een ander queene quam op my lopende ouer hande ende voeten stekende in haer oghen twe scachte vleysch noch bloet dan alleen tfel ouer tgebeente hebbende. op haer rugghe saten twee ander queenen veel vreseliker ende leliker dan si De een was bedect het aensicht mit een conterfeyt aensicht. in deen hant een dagghe houdende. ende in dander hant een busse mit salue Dander queene hielt in haer hant een glauie vol mans oren gespeet. een bloedich been in de mont al cnagende Ick anmerckende de manieren deser quenen. vraechde die dander twe queenen droech Doer alle vreese die gy my doet wilt mi doch seggen uwen name ende doer wyen dat ghi dient. [49rb] Seker antwoerde si my al bistu beureest ten is gheen wonder want ic bin nijt satanas dochter die hi wan an houaerde. Daer en is slot noch stat inder werelt ic en hebber manslacht in ghedaen ende mede sal ic dy ter stont ter doot leueren. ic bin het wreede beest dat ioseph dede vercopen van sinen broederen. nyement en darf hem van my verblijden want al dat bitter is daer leue ic bi ende alle soeticheit is my contrarie Ander luden magerheit voet mi ende haer ongemack spijst my. maer om dat ics niet ghenoech tot mijn begeren en heb soe bin ic mager ende bleec Ander luden duecht maeckt my bleec ende ander luden gemac verteert myn vleysch ende bloet. Ende ic meene al waer ic in hemelrijc dat ic steruen soude van de duechden die daer in zijn. ende daer [49va] bi dier mi in dade soude mi versworen maken. want die doot heeft my beloeft ende geseit dat ic nymmermeer steruen en sal eer dat die werelt vergaen is. ende nochtan soe en waen ic niet dat ic dan steruen sal. Daer om want bi mi soe quam si in de werelt ende bi my soe regneert si Ic bin tserpent dat alle quaetheit cnauwet ende hate alle luden die wel doen ende na mine macht soe verdoemicse ende geen dinc en mach ick minnen in hemelrijcke inde zee noch in eertrijcke. ic doe caritaten spijt ende vechte iegen den heiligen geest. mit desen tween glauien die du sies wt mijnen ogen steken soe anvechtic elckerlijcken Deene heet gramscap van ander lude goet ende dander heeft bliscap van ander luden misvalle. mitten eerster so stercte hem saul om dauid te slane als hi harpte. mer van ander glauien hadde die coninc ihesus die zijde doersteken. het deerde hem meer die borderinge die de ioden hadden mit sinen tormente dant dede dat spere dat hem longius in sijn herte stac. Dese glauien sijn gewortelt diepe in mijn herte maer doer mine ogen hebben si haren wtganc om my te makene eene gehorende beeste. ende om mijn venijn te doen werpene doer mijne ogen om te venijnene mine ghebueren mit eenen siene sonder yet te sparene Mijne ogen sijn ogen van enen cokentrijs. alle [49vb] die gene die ontrent my sijn ofte bi my woenen wanneer dat icse sie so sijn si doot dwelcke mijne dochteren di wel seggen sullen op dattuut hem luden vrages. bet ghemackelijcke soe mogen si spreken die rijden op mijne rugge dan ic mach die gheen tijt noch ruste en heeft. nv vraghet hem luden ende verstaet naerstelijke soe sulstuut perfectelic mogen weten Doe seide ic ic souds hem vragen

Wie bistu seyde ick die voer op hatien sits die dijn aensichte alsoe bedect hebt mit een gemaect aensichte datmen di niet bekennen en mach. ende waer bi draghestu dat mes alsoe stillekijne bedect ende die busse mitter saluen. van di en can ic geen duecht gepeinsen of ghi en doet mi ander bescheit Doe antwoerde si my ende seide. wiste elc wel wie ic waere ic wane my luttel yement begeren soude. ic bin een veruolsterigge van mijnre moeder nijt want om dat si niet elcken deeren en mach na hare begeerte. soe dede si mi een iaers ter scholen gaen ende hiet mi dat ic leren soude sulcken quaden aert bijden welcken dat ic hare quade begeerten volbrengen soude dus ginc ic ter scolen ende daer vandic mijnen vader dier meester was ende leerde mijnre suster der luder vleisch raeu eten alsoestu sies ende beene te cnagene: Als hi my sach seyde hi. Nu coemt hyer seyt hy mijn lieue [50ra] dochtere. nv sie ic wel dattu enigen aert leeren wils ende enich quaet om die luden te bedriegen. ick saelt dy gaerne leeren ende ic bins blijde

Doe ontsloet mijn vader een scryne ende reycte daer vte dese busse ende dit gemaect aensichte ende dit messe dat ic hier stillekijn onder my drage. Dochter seyt hi die wil vangen vogelen die en is niet sculdich te settene die scuwe biden nette. want waert dat si die scuwe saghen stappans soude si wech vlieghen. Daer om lieue dochter so seg ict di want wilstu yement bedriegen du en sijs niet sculdich hem te tonen dijn lelic aensichte dat soe vreselic ende soe swart is. want du souds verliesen al dijn pine die du gedaen hads. mar wel lieue dochter du moets hebben eene subtyle maniere dattu hem toges scoen gelaet ende goede chiere van voren gelijc dat tscorpioen dat bi gelijcken maect schoen ghelaet van voren ende het steect van achter mitte steerte Ende om dattu dijne saken volbringen ende voldoen suls mogen sonder failgeren so presenteer ic di dese busse bijl ende gemaect aensichte het sijn instrumenten daer die menige mit is verloren Joab als hi dode amasam. ende abur die behalp hem daer mede. Judas en wasser oeck niet sonder als hy vercofte den coninc ihesus Bijden welken lieue dochter ic rade dat ghijse neemt om uwe sie[50rb]ke moeder te vertroesten ende te helpen dat si bi haer seluen niet gedoen en mach. mit deser saluen sulstu den genen saluen die du mitten kniue steken wils. ende mitten gemaecten aensichte sulstu dijn afgrijselick aensichte bedecken. dats te seggen dattu dijn gepeyns mit valschede bedecken suls Ende dan sulstu hebben een maniere van soeter spraken die sacht ende smerende sal sijn. dats die salue dair die coningen ende prelaten dicke mede gesmeert sijn. het en is nv coninck noch graue hi en wil dese salue hebbe Waer bi dochtere smeertse stoutelic mit deser salue ende daer na sonder enich sparen soe steecse mitten messe. Nu seg ic dy als my mijn meester aldus geseit hadde ende gewijst soe ghinc ic vter scole op mijnre moeder ghinc ic sitten also du sies in deser manieren. Meestresse ben ic also my dunct van al dat mi geleert was wel can ic mijn gemaect aensichte aen doen ende my van allen dinghen onderwinden vander salue ende van smeerene ende te lachene binnen den tanden. ick can wel bijten sonder bassen ende wel mijn ghelaet simpel houden aen een zijde wryuen ende smeeren an dandere zijde slaen ende steken. ick bin een quaet serpent dat hem deect onder tgras totter tijt toe dat yement bij my comt ende aso varinc als hy my genaect soe is hi doot Al siestu

[50va] mi van buyten gepareert seker daer omme en kenstu my niet men kent die lieden niet bi haren clederen noch den goeden wijn biden vaten menich boem is van buten groene ende wel ghebladert die binnen al vol wormen is. ick bin eene wilge verdroecht van binnen. ende een plancke ter noot gebroken ende een vat daer die hoepen an verrot ende gebroken sijn verdoruen is hi die an my leent. ende al waert dat hem nyement in my betrouwede so en mach my nochtan nyement ontgaen. want tegen minen aert mach hem qualic yement wachten Cracht van lieden of menichte van volcke en gruyt my niet een bone seert dat ic een ghemaect aensichte an gedaen hebbe. ende een valsch lachen gelachen hebbe alle sijn si verloren ende verdoruen ende in mijn genade geset

Ic bin verradenisse die heeft in menigen steden menigen valschen treec gedaen noeyt en speeldic schaecspel ic nam wel mit minen consten welcken trec ic begeerde geen en isser coninc of roc ic en treeckse wel tot mi. ende om dat dijn leuen verdriet mijnder moeder nijt soe heeft si my beuolen dat ic di an my trecke sonder respijt ende dat ic di haer presentere dus soe ontseggic di ende verbiede di desen wech geeft v oppe du biste doot sinte niclaeis die de clerc verloste en sel di nymmermeer wt mijnen handen trecken

[50vb] Doe al si my genaecte om doot te slane dandre die bi hair sat seyde suster ic bits di en sijt niet haestich gedoecht dat hi leue totter tijt dat hi weet minen name ende daer na onder ons beeden sullen wijen te gader beuechten want van rouwe soudic steruen en dedicker niet soe veel toe als ghi

Doe ter stont anvaerde my dese vermaledide teue bassende ende cnagende ant been dat zij hielt. segghende hoe bistu soe coen dattu hier bringes desen stock ick hate alle die stocks die niet crom en sijn ende alle diese draghen mede ende ic bijtse gaern van after als ic mach al ist dat ic scoen gelaet toge van voren ghelijck dat mijn suster hier voer gheseit heeft. want als ic alre sconste manier ende gelaet toghe soe bin ic opt alre vreselichste om yemant hinder ende quaet te doen. want mijn manier is van buten scoen tonende ende binnen vol bedrochs Ende die stoc die du drages heeft mijn moeder nijt gehaet. Ic sal di cnauwen totten beene ende tfel vanden rugge. Nye en saechstu reude noch teue soe garen raeu vleisch eten als ic doe Ic hebbe die kele bloedich daer of gelijc die wolf die scapen gebeten heeft Bouen alle dingen etic gaerne croengen ende soe si meer stincken soe veel te lieuer heb icse Want van natueren en mach icker niet af eten eer [51ra] datse quaet ende stinckende zijn. Al had ic appelen te bewaren ic en soud nimmermeer geen eten ten waer dat ic een quade of verrotte vonde inden hoep dat is mijn voetsel ende leuen gelijc mijnre moeder nijt Als zij mi dit vertelt had hoe wel dat ic veruaert was nochtant verstoute ic mi ende greep een luttel moets Ende ic seyde loddinge gij waert goet mijn appelen te verlesen ende te wachten. Dus ist saec datstu dijn bijten of lates ic sal di genoch appelen ende peren te verlesen geuen Ende genoecht di hier mede niet ic sal di ander vuylicheden genouch wijsen op datstu mi niet meer en bijts

Doe andwoerde si weeder ende seyde. Ic en darf niet varde gaen om vuylichede te soncken want ic heb de instrumenten in mijn mont daer mense mede smeedt waerder enich in de werelt ter stont soudse tusschen mijn tanden gesmeedt zijn na dat mijn susters meester mi leerde Ic geloef wel seydic hadstu materie du soudts smeeden want geen meester en mach smeden sonder materie Materijs vindic genouh seyde zij want ic en vinde geen deucht ic en canse wel int quade verkeren ende tot valscheit vertrecken Ic can wijn in water veranderen ende van triaeckel venijnt maecken de goede luyen laec ic ende daer na eticse ende verslinde gelijc raeu vleysch[51rb] Hoe is seidic dan vwe name Betreckigge heet ic die de luiden mit mijn tanden betrec ende stamp tot pottage om mijn moeder die ziec is ic ben haer coc ic diense van mans oren geroest an een spit van yser Mijn glauie is mijn tonge want zij snijt vreselicker wonden dan eenich swaert De oren die dus gespeet zijn dan mijn glauie dat sijnse die mijn woerden garen horen ende die steken haer oren doer mijn glauie om te dienen mijn moeder die si sien quellen Ende dit ouer weesende so vraechde ic haer waer om dat het yser van haer glauie een haec hadde Hoor seyde zij na mi ic salt dy seggen. Als ic doet ghesteken hebbe eenige ore mit mijnder glauien ghaerne doe ic noch soe veel daer mede toe Dat ic yemonts goede name mede tot miwaerts haecke Want veel lieuer soe steele ic de fame ende tgheruft van enen goeden mensch dan de natuerlicste dief die ye gheboren was appetijt had enich schat ter werelt te steelen So zijstu dan een diefegge seidic want veel beter is te hebben een goede fame dan enich costelic schat Seeker seyd zij du segs waer Maer salomon leerd ons dat selue. Ic ben een diesegge van allen goeden dingen geen dinc en mach ic in dit lant stelen na mi dunct dat beter is Ende indien icker geen restitucie of doe ic en mach [51va] gheen pardoen noch vergiffenisse crijghen Oec soude ict harde node doen om de grote schande die icker of hebben soude Mede alst alst houaerdie wist nimmermeer en soude zijt toelaten Ende wat doedi seydic tot haer alstu de goede namen bij den ore hebs gehaect ende een goeden man daer of ontcleet Seeker seyde zy ic heb di hier voer gheseit dat ict in venijn veranderre ende daer mede voed ic mijn moeder Doe andwoerde ic haer ende seyde My dunct dat ic van dese iaer soe quaden beest nye en sach alstu zijs. seeker seyde zij ic geloefs wel. ic ben arger dan de helle. want de helle en deert nyemont diere niet in en is of die van goeden leuen zijn. Al waer sint ian in de helle hy en souder geen pijn hebben Want de grote volmaectheit van hem souden beschermen. maer ic. ic deer so wel die van mi zijn als die by mi zijn. ic werp mijn glauie so lichtelic ouer de zee als ic soude ouer een mijle of twee. ende also wel belet ic heilege personen als ander Ende al waer sint ian op aerrtijc noch soude hi mijn glauie proeuen. ia wildic ic soudt hem corteling inden hemel doen beuoelen. Tot anderen tijden heb ict geproeft ende hebder meenighe mede geslagen ende noch sal. Ende ic segt di oec mede dat ic di niet langher verdraghen en wil. van di te slaen ende ter neder te vellen

[51vb] Doe andwoerde verraedscap suster latet ons te gader doen Slaet gij an deen zijde ende ic sal hem smeeren ende daer na sal icken oec slaen an dander zijde Aldus en sal hi niet ontgaen hi en moet seer goede meesters hebben Ic wilt wel sprac dander. maer laetten ons eerst doen vallen van zijnen paerde so dat hy niet meer rijden en mach. Als ic dese woerden hoerde wardic seer veruaert want ic en wist niet dat ic eenich paert had. hoe seidic tot verraetschap ben ic te paerde. Reden andwoerde hovaerdie heeftet my geleert als ic tegen haer sprac Die seide dat een mensch te paerde is die van goer famen is ende name Dit paert behoert vier voeten te hebben sulc als ic weet ende en hadter maer twee of drie het soude hincken ende niemont en souder eer of hebben sulc een paert te rijden. De eerste voet is. dat een vri sal weesen van saken daer hi in een quade faem mede comen mocht dander is dat hi vri moet wesen niemonts eygen de derde is dat hi van een ghetrouden bedde moet zijn De vierde is dat hi sonder enige verwoethede alle zijn leuen sinnich moet zijn. Dit zijn vier voeten die nootdorftich zijn den ghenen die orconscap draghen sullen Ende om dat mijn suster beuoelt datstu op sulck een paert geseten bist Soe wast dat zij sprac om di daer of te vellen ende

[52ra] daer sal ic haer toe helpen. Doe soe riep zij weeder haer suster seggende Suster waer ende hoe sullen wy hem eerst bespringen Weetstu niet seid zij dat ic tserpent cerastes ben ende gelijc de slange die den rechten wech niet en gaet ende bit den luiden onuersienlic Ic verraetscap sal heimelic gaen ende bijten de teen van zijn paert dat hi rijdt ende so sal hi moeten vallen Dats te seggen daer hi minste om denct ende dat hi mijnder niet gewaer en worde Ende daer so sal ic hem bedectelic ende heymelic bijten ende cnaegen want worde hi mijns gewaer hy mocht mi mit de beslagen voeten int aensicht slaen maer de nagelen vanden paerde en hebben gheen beuoelen dus en mach hi mijn bijten niet ghewaer worden voer dat hy altemael vallen sal

Doe seyde verraetscap nv dan wel an laeten ons bespringen Doe quam. Betrecken mit haer glauie ende quetste mi daer mede daer na quam si lopen al gapende of zij verwoet geweest waer ende nam mijn paert bi de nagelen mit haer tanden ende maectet sneuelen ende hincken ende my selue en spaerde si oec niet. Sij nam mi mit haer tanden wel tonende datse was van honrs geslachte Ter neder warp zij my. want ic en mochtse niet ontgaen. Nijt quam doe lopende mit haer twee schachten ende stacse doer mijn buyc. Ver[52rb]raetscap die en sliep oec niet want alle de tijt dat dander my beten ende slloegen so salfde si mi weder wt de bosse diese drouch. maer in dander zijde stacse mi ende wonde mit haeren knijf De queene oec mitter saghen quam oec al roupende Geeft di op du sies wel datstu niet ontgaen en moechs ende began mi mit horten ende anders veel pijnen an te doen Als ic mi aldus beuangen sach was ic weemoedich wel mocht ic roupen wopen aylaes ouer het letten dat ledicheit mi gedaen had Ic was belet in allen punten ic en mochte mi niet verporren maer nochtans ic hield altijt mijn palster recht op ende vast ende en lietse niet gaen hopende dat ic noch bijden palster wel ontgaen soude

Alzo Flatteren me aldus ophield klappende kwam een andere kwee naar me lopend op handen en voeten en staken in haar ogen twee schachten die geen vlees of bloed dan alleen het vel over het gebeente had. Op haar rug zaten twee andere kween veel vreselijker en lelijker dan zij. Van de ene was het aanzicht bedekt met een getekend aangezicht die in de ene hand een dolk hield en in de andere had een bus met zalf. De andere kwee hield in haar hand een lans vol mans oren gespeend (?) een bloederig been in de mond al knagend. Ik merkte de manieren op van deze kween en vroeg die de andere kween droeg. Door alle vrees die ge me doet wil me toch uw naam zeggen en wie ge dient. Zeker, antwoorde ze me, al bent u bevreesd, het is geen wonder want ik ben nijd, Satans dochter die hij won aan Hovaardigheid. Daar is slot nog stad in de wereld of ik heb er manslacht in gedaan en mede zal ik u terstond ter dood brengen. Ik ben het wrede beest dat Jozef liet verkopen van zijn broeders. Niemand durft zich van mij te verblijden want alles dat bitter is daar leef ik van en alle zoetheid is me tegengesteld. Andere lieden magerte voedt me en hun ongemak spijst me, maar omdat ik niet genoeg tot mijn begeren heb zo ben ik mager en bleek. Andere lieden deugd maakt me bleek en andere lieden gemak verteert mijn vlees en bloed. En ik meen al was ik in hemelrijk dat ik sterven zou van de deugden die daarin zijn. En daarbij die meer in deed zou me verzworen maken. Want de dood heeft me beloofd en gezegd dat ik nimmermeer sterven zal eer de wereld vergaan is en nochtans zo waan ik niet dat ik sterven zal. Daarom want bij mij zo kwam ze in de wereld en bij mij zo regeert ze. Ik ben het serpent dat aan alle kwaadheid knauwt en alle lieden haat die goed doen en naar mijn macht zo verdoem ik ze en geen ding mag ik beminnen in hemelrijk, in de zee noch in aardrijk. Ik laat Barmhartigheid spijt hebben en vecht tegen de Heilige Geest. Met deze twee lansen die u uit mijn ogen ziet steken zo vecht ik elk aan. De ene heet gramschap van ander lieden goed en de ander heet blijdschap van andere lieden misval. Met de eerste zo versterkte zich Saul om David te verslaan toen hij harpte. Maar van ander lansen had die koning Jezus de zijde doorsteken. Het deerde hem meer dat boordsel die de Joden hadden met zijn kwelling dan dat de speer deed die hem Longius in zijn hart stak. Deze lansen zijn diep in mijn hart geworteld maar door mijn ogen hebben ze hun uitgang om me te maken een horend beest. En om mijn venijn te laten werpen door mijn ogen om mijn buren te vergiftigen met een zien zonder iets te sparen. Mijn ogen zijn ogen van een cockatrice (Basilisk). Al diegene die omtrent me zijn of bij me wonen wanneer dat ik ze zie zo zijn ze dood wat mijn dochters u wel zeggen zullen als u het hen vraagt. Beter zo mogen ze gemakkelijk spreken die rijden op mijn rug, dan ik mag het niet die geen tijd nog rust heeft. Nu vraag het hen en versta vlijtig dan zal u het perfect mogen weten. Toen zei ik dat ik het hen zou vragen.

 

 

 

Wie bent u, zei ik, die voor op Haat zit die uw aanzicht alzo bedekt hebt met een gemaakt aanzicht zodat men u niet herkennen mag. En waarom draagt u dat mes alzo stilletjes bedekt en die bus met de zalf. Van u kan ik geen deugd bedenken of ge doet me ander bescheid. Toen antwoorde ze me en zei: Wist ik goed wie ik was waan ik dat weinig me begeren zouden. Ik ben een vervolger van mijn moeders nijd want omdat ze niet elk deren mag naar haar begeerte zo liet ze me een jaar naar school gaan en zei me dat ik leren zou zo n kwade aard waarbij ik haar kwade begeerten volbrengen zou. Dus ging ik naar school en daar vond ik mijn vader die er meester was en leerde mijn zuster de lieden vlees rauw te eten zoals u ziet en benen te knagen. Toen hij mij zag zei hij: Nu kom hier, zei hij, mijn lieve dochter. Nu zie ik wel dat u enige kunst leren wil en enig kwaad om de lieden te bedriegen. Ik zal het u graag leren en ik ben blijde.

Toen opende mijn vader een schrijn en reikte daaruit deze bus en dit gemaakt aanzicht en dit mes dat ik hier stilletjes onder me draag. Dochter, zei hij, die vogels wil vangen die hoeft niet de val bij het net te zetten want was het dat ze die val zagen gelijk zouden ze wegvliegen. Daarom, lieve dochter, zo zeg ik u want wil u iemand bedriegen u hoeft hem niet uw lelijke gelaat te tonen dat zo vreselijk en zo zwart is want u zou al uw werk verliezen die u gedaan had. Maar wel, lieve dochter, u moet een subtiele manier hebben dat u hen een mooi gelaat toont en van voren een goede sier gelijk de schorpioen waarbij u zich vergelijken mag, een mooi gelaat van voren toont en het steekt van achteren met de staart. En zodat u uw zaken volbrengen en voldoen zal mogen zonder falen zo presenteer ik u deze bus, bijl en gemaakt aanzicht. Het zijn instrumenten waarvan menige mee is verloren als Joab toen hij Amasam doodde en Abur die behielp zich daarmee. Judas was er ook niet zonder toen hij koning Jezus verkocht. Waarbij, lieve dochter, ik u aanraadt dat gij ze neemt om uw zieke moeder te vertroosten en te helpen wat ze mag het van zichzelf niet doen. Met deze zalf zal u diegene zalven die u met het mes steken wil. En met het gemaakte aanzicht zal u uw afgrijselijke aanzicht bedekken. Dat is te zeggen dat u uw gepeins met valsheid bedekken zal. En dan zal u een manier van lieve spraak hebben die zacht en smerende zal zijn. Dat is die zalf daar de koningen en prelaten vaak mee gesmeerd zijn. Er is geen koning nog graaf, hij wil deze zalf hebben. Waarbij de dochter ze dapper smeert met deze zalf en daarna zonder enige sparen zo steekt ze hen met het mes. Nu zeg ik u zoals mijn meester aldus gezegd en gewezen heeft en zo ging ik uit de school en ging op mijn moeder zitten alzo u ziet in deze manieren. Meesteres ben ik alzo me lijkt van alles dat me geleerd was en goed kan ik mijn gemaakt aanzicht aandoen en me van alle dingen onderwinden, van de zalf en van smeren en te lachen binnen de tanden. Ik kan goed bijten zonder bassen en mijn gelaat goed simpel houden, aan een zijde wrijven en smeren en aan de andere zijde slaan en steken. Ik ben een kwaad serpent dat zich onder het gras bedekt tot de tijd toe dat er iemand bij me komt en alzo vlug en als hij me raakt dan is hij dood. Al ziet u me van buiten versierd daarom kende u me zeker niet, men kent de lieden niet bij hun kleren nog de goede wijn bij het vat, menige boom is van buiten groen en goed bebladerd die binnen al vol wormen is. Ik ben een wilg verdroogd van binnen en een plank ter nood gebroken en een vat daar de hoepels aan verrot en gebroken zijn. Verdorven is hij die tegen me leunt en al was het dat niemand zich op mij vertrouwde zo mag toch niemand ontgaan want tegen mijn aard kan men zich slecht wapenen. Kracht van lieden of menigte van volk boeit me niet wat een boon sinds dat ik een gemaakt aanzicht aan gedaan heb en een vals lachen gelachen heb, alle zijn ze verloren en verdorven en in mijn genade gezet.

Ik ben verraad die in menige plaatsen menige valse trek heb gedaan. Nooit speelde ik een schaakspel, ik nam wel met me mijn kunsten welke trek ik begeerde en er is geen koning of ik raak ze trek ze wel tot mij. En omdat uw leven me verdriet heeft mijn moeder nijd en me bevolen dat ik u aan me trek zonder respijt en dat ik u haar presenteer, dus zo ontzeg ik u en verbied u deze weg, geef u zich over, u bent dood en Sint Nicolaas die de klerk verloste zal u nimmermeer uit mijn handen trekken.

Toen ze tot me kwam om me dood te slaan zei haar zuster die bij haar zat; zuster ik bid u dat ge niet haastig bent, gedoog dat hij leeft tot de tijd dat hij mijn naam weet en daarna zullen wij onder ons beiden hem samen gaan bevechten, want van rouw zou ik sterven deed ik er niet zo veel toe als gij.

Toen terstond aanvaarde me deze vermaledijde teef bassend en knagend aan het been dat zij hielt en zei; hoe bent u zo koen dat u hier brengt deze stok, ik haat alle stoken die niet krom zijn en alle die ze meedragen bijt ik ze graag van achter als ik mag al is het dat ik een mooi gelaat toon van voren gelijk dat mijn zuster hier voor gezegd heeft. Want als ik aller mooiste manier en gelaat toon zo ben ik op het aller vreselijkste om iemand hinder en kwaad te doen. Want mijn manier is van buiten mooi te tonen en binnen vol bedrog. En die stok die u draagt heeft mijn moeder nijdig gehaat. Ik zal u knauwen tot de benen en het vel van de rug. Nooit zag u een reu of teef zo graag rauw vlees eten als ik doe. Ik heb de keel bloederig daarvan gelijk de wolf die schapen gebeten heeft. Boven alle dingen eet ik graag krengen en zo ze meer stinken zo veel te liever heb ik ze. Want van naturen mag ik er niet van eten eer dat ze kwaad en stinkend zijn. Al had ik appels te bewaren, ik zou er nimmermeer een eten, tenzij dat ik een kwade of verrotte vond in de hoop, dat is mijn voedsel en leven gelijk mijn moeder nijd. Toen ze me dit verteld had, hoewel dat ik bang was, nochtans verstoutte ik me en greep wat moed. En ik zei, loddinge, het was goed dat ge mijn appels leest en te wachten. Dus al is het zaak dat u uw bijten laat, ik zal u genoeg appels en peren te lezen geven. En vergenoeg u niet hiermee, ik zal u andere vuilheid genoeg wijzen zodat u mij niet meer bijt.

Toen antwoorde ze me weer en zei: Ik durf niet ver te gaan om vuilheid te zoeken want ik heb de instrumenten in mijn mond daar men ze mee smeedt, was er enige in de wereld terstond zou die tussen mijn tanden gesmeed zijn, naar dat mijn zuster meester me leerde. Ik geloof wel, zei ik, had u materie u zou het smeden, want geen meester mag smeden zonder materie. Materie vind ik genoeg, zei ze, want vind ik geen deugd, ik kan ze wel in het kwade veranderen en tot valsheid trekken. Ik kan wijn in water veranderen en van teriakel venijn maken, de goede lieden laak ik en daarna eet ik ze en verslind ze gelijk rauw vlees.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe is, zei ik, dan uw naam. Betrekking heet ik, die de lieden met mijn tanden betrek en stamp tot stamppot om mijn moeder die ziek is. Ik ben kok in dienst van mans oren geroosterd aan een spit van ijzer. Mijn lans is mijn tong want zij snijdt vreselijker wonden dan enig zwaard. De oren die aldus gespitst zijn dan mijn lans dat zijn ze die mijn woorden graag horen en die steken hun oren door mijn lans om te dienen mijn moeder die ze zien kwellen. En toen dit over was zo vroeg ik haar waarom dat het ijzer van haar lans een haak had. Hoor, zei ze, naar mij, ik zal het u zeggen. Als ik enige oren dood gestoken heb met mijn lans doe ik er graag nog zo veel meer toe. Dat ik iemands goede naam mede tot me haak. Want veel liever zo steel ik de faam en het gerucht van een goed mens dan de natuurlijkste dief die ooit geboren was appetijt had enig schat ter wereld te stelen. Dan bent u een dievegge, zei ik, want veel beter is te hebben een goede faam dan enige kostbare schat. Zeker, zei ze, u zegt waar. Maar Salomon leerde ons dat zelf. Ik ben een dievegge van alle goede dingen, geen ding mag ik in dit land stelen naar me dunkt dat beter is. En indien ik er geen restitutie van doe mag ik geen pardon nog vergiffenis krijgen. Ook zou ik het erg node doen om de grote schande die ik er van hebben zou. Mede als het hovaardig is wist ik nimmermeer of ze het toe zou laten. En wat doet u, zei ik, tot haar als u de goede naam bij de oren hebt gehaakt en een goede man daarvan ontkleed? Zeker, zei ze, ik heb u hiervoor gezegd dat ik het in venijn verander en daarmee voed ik mijn moeder. Toen antwoorde ik haar en zei: Het lijkt me dat ik dat jaar nog niet zo n kwaad beest zag als u bent. Zeker, zei ze, ik geloof het ook wel, ik ben erger dan de hel want de hel deert niemand die er niet in is of die van goed leven zijn. Al was Sint Johannes in de hel, hij zou er geen pijn hebben. Want de grote volmaaktheid van hem zou hem beschermen. Maar ik, ik deer zo wel die van mij zijn als die bij mij zijn. Ik werp mijn lans zo licht over de zee als ik zou doen een of twee mijl en alzo goed belet ik heilige personen als andere. En al was Sint Johannes op aardrijk, nog zou hij mijn lans proeven. Ja, wilde ik, ik zou hem gauw in de hemel doen voelen. Tot andere tijden heb ik het beproefd en heb er menige mee geslagen en zal nog. En ik zeg u ook mede dat ik u niet langer verdragen wil om u te slaan en neer te vellen.

Toen antwoorde Verraad zuster, laat ons het tezamen doen. Slaat gij aan de ene zijde en ik zal hem smeren en daarna zal ik hem ook slaan aan de andere zijde. Aldus zal hij niet ontgaan of hij moet zeer goede meesters hebben. Ik wil het wel, sprak de ander, maar laat ons hem eerst doen vallen van zijn paard zodat hij niet meer rijden mag. Toen ik deze woorden hoorde zo werd ik zeer bang want ik wist niet dat ik enig paard had. Hoe, zei ik tot Verraad, ben ik te paard. Reden antwoorde, hovaardij heeft het me geleerd toen ik tegen haar sprak. Die zei dat een mens te paard is die van goede faam en naam is. Dit paard behoort vier voeten te hebben zulke zoals ik weet en had het er maar twee of drie het zou hinken en niemand zou er eer van hebben zo n paard te rijden. De eerste voet is dat een vrij zal wezen van zaken waarvan een kwade faam mocht komen en de ander is dat hij vrij moet wezen, niemands eigen, de derde is dat hij van een getrouwd bed moet zijn. De vierde is dat hij zonder enige dolheid al zijn leven zinvol moet zijn. Dit zijn vier voeten die nootzakelijk zijn diegenen die getuigenis dragen zullen. En omdat mijn zuster voelt dat u op zo n paard gezeten bent zo was het dat ze sprak om u daaraf te vallen en daar zal ik haar bij helpen. Toen riep ze weer haar zuster en zei: Zuster, waar en hoe zullen we hem eerst bespringen. Weet u niet, zei ze, dat ik het serpent Cerastes ben en gelijk de slang die de rechte weg niet gaat en bijt de lieden onvoorzien. Ik zal in verraad heimelijk gaan en de tenen van zijn paard bijten dat hij berijdt en zo zal hij moeten vallen. Dat is te zeggen waar hij het minste om denkt en dat hij mij niet gewaar wordt. En daar zo zal ik hem bedekt en heimelijk bijten en knagen, want wordt hij mij gewaar mocht hij mij met de beslagen voeten in het aanzicht slaan, maar de nagels van het paard hebben geen gevoel dus kan hij mijn bijten niet gewaar worden voordat hij helemaal vallen zal.

Toen zei verraad, nu dan, wel aan laten ons hem bespringen. Toen kwam Betrekken met haar lans en kwetste me daarmee en daarna kwam ze lopen al gapende of zij verwoed geweest was en nam mijn paard bij de nagels met haar tanden en maakte het sneven en hinken en mijzelf spaarde ze ook niet. Ze nam me met haar tanden en toonde goed dat ze van honden geslacht was. Ter neder wierp zij mij want ik kon haar niet ontgaan. Nijd kwam toe lopen met haar twee schachten en stak ze door mijn buik. Verraad die sliep ook niet want al de tijd dat de andere me beten en sloegen zo zalfde ze me weer uit de bus die ze droeg, maar in de andere zijde stak ze me en verwonde met haar mes. De kwee met de zaag kwam ook al roepend: Geef je over, u ziet wel dat u niet ontgaan kan en begon me met horten en anders veel pijnen aan te doen Toen ik me aldus bevangen zag was ik weemoedig, wel mocht ik roepen woorden als ailaas over het letten dat ledigheid me gedaan had. Ik was belet in alle punten en ik kon me niet verzetten, maar nochtans hield ik altijd mijn pelgrimsstaf recht op en vast en en liet die niet gaan en hoopte dat ik nog bij de pelgrimsstaf wel ontgaan zou.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim door alle vrouwen aangevallen, terwijl Gramschap nadert van links>

 

[52va] O Als ic aldus in deser groter noot was haerwaerts ende ghinswaerts siende Een ander quene sach ic comen lopen vanden berch neder roupende tot den anderen Houten vast houten vast ic coem v te hulpe siet dat hi v niet en ontgae mit den palster daer hi hem aen hout Dese queene was wonderlic gedaen want si was al om ghewapent mit scharpe naelden in haer handen hielt zij twee keselstenen. het vier spranc haer wt den ogen ende scheen puerlic verwoet In haer mont hadse een zage maer twaer om en wist ic niet Dus soe vraeche ict haer ende seyde Quene seidic. als si bi mi was segt mi waer om hebdi die seer vreemde manieren ende contenancien ouer v ende hoe is vwe name. Doe nam zij de twee stenen ende sloechse te gader [52vb] datter tvier of in mijn aensicht spranc seggende ic sal di terstont mijn naem wel seggen ende oec doen geuoelen van wat ambocht ic ben Ic ben de hiertsche queene een dochter der hellen. ic en souck niet dan wraeck ouer die mi misdaen hebben ic ben bitende moeylic ende onlijdsamich ende ouremoedich bitterder dan ghalle suerder dan azijn Ic heet noli me tangere dats en roert mi niet want om een cleine saec als ic gheroert worde maec ic mijn vyant die eerst mijn vrient was ic verwarre der luyder sinnen ende maecse blint opten rechten middach ic dien van galle ende van alsem ende geefse veel lieuer die van coleriker ende heeter naturen zijn dan den fleumatiken ende die van couder natueren zijn Ic doe in tfirmament van den mensch blasen ende wint rijsen [53ra] ende donre ic veriaghe reden ende verstant Ic hiet gramscap alre padden venijn moeder alre bitterheit ende suerhede. ic bin die steen daer men tfier wt slaet. want als my yemant roert hoe luttel dattet is soe wardic ontsteken ende doe vier wt my vlieghen deen vanden stenen heet spijt ende dander scelden. dit sijn die twe stenen daer veel menschen onder geset zijn Mit desen tween stenen smedic eens tsiars die sage die ic in mijn mont draghe. schelden was daer die hamer of ende spijt het aenbelt Onghedoechsaemheit is dat yser dat gemaect was inder hellen te meer dat ment slaet te min wortet gewrocht Hier voirmaels dedict tanden subtijlic ende dat van vrou iusticye dieze van duechde smeedde ende hadde een vile genoemt correxie die de sonden wt vijlt tot de wortele ende wilde mi eens tsaers wt vijlen mijn roestichede mar ic sette daer tegen dat quade yser ongedoechsaemheit ende als si mi waende te vijlen soe vijlde si mijn yser ende tandeerdert mit groten tanden gelijc honds tanden. ende hebder of ghemaect mijn sage die genoemt is haet daer ic mede doen scheiden geselscap ende liefte der broederlicker minnen alst blijct in iacob ende esau ic saechdse ende verscheidese verre deen vanden anderen ende soe hebbicker menich verscheiden daer tvertrec te lanc of vallen soude Ic dra[53rb]ge dese sage in mijn mont om als ic mijn pater noster lese varre van gode gesacht worde. want als ic hem bidde dat hi mi vergeue mijn sculden gelijc ic doe die my sculdch zijn twelic niet en doe dus biddic tegen mi seluen ende keer die saghe op my Ende soe wye dese sage draecht stelt hem seluen onder tgunt dat hi saecht dats int afgront der hellen. ende van deser sage sulstu noch meester zijn ende dan sal ic di gorden mit het gordel dat ic ontrent mi hebbe ende dair mede gegort sijn die moerdnaers als icse ridder make. ende is genoemt manslacht het welc snijt ende maeyt het leuen vten lichaem ende is tgunt dat die tyrannen droegen als si die heiligen hier voertijt doden. dus danige beesten sijn sorgelic den pelgerims als si achter lande gaen Ende want du een pelgrim biste soe heb ic my in dinen wech geset daer ick di mit dit gordel om gorden sal. ende daer ic di tleuen mede wt dinen lichaem snyden sal

O, toen ik aldus in deze grote nood was keek ik herwaarts en derwaarts. Een andere kwee zag ik aan komen lopen van de berg neder die tot de andere riep: Hou hem vast, hou hem vast, ik kom u te hulp, ziet dat hij u niet ontgaat met de pelgrimsstaf waar hij zich aan vasthoudt. Deze kwee was wonderlijk gedaan was ze was al om gewapend met scherpe naalden en in haar handen hield zij twee kiezelstenen. Het vuur sprong haar uit de ogen en scheen puur verwoed. In haar mond had ze een zaag, maar het waarom wist ik niet. Dus zo vroeg ik het haar en zei: Kwee, zei ik, toen ze bij me was, zeg me waarom heb je die zeer vreemde manieren en gelaat over u en hoe is uw naam. Toen nam zij de twee stenen en sloeg ze tezamen zodat het vuur in mijn aanzicht sprong en zei, ik zal u terstond mijn naam wel zeggen en ook laten voelen van welk ambacht ik ben. Ik ben de eerste kwee en een dochter der hel. Ik zoek niets dan wraak die over die mij misdaan hebben. Ik ben bijtende moeilijk en onverdraagzaam en overmoedig, bitterder dan gal, zuurder dan azijn. Ik heet noli me tangere, dat is roer me niet, want om een kleine zaak als ik aangeroerd wordt maak ik mijn vijand die eerst mijn vriend was. Ik verwar de geest van de lieden en maak ze blind midden op de dag, ik bedien van gal en van alsem en geef ze veel liever die van galachtige en hete naturen zijn dan de flegmatieke en die van koude naturen zijn. Ik laat in het firmament van de mens blazen en wind rijzen en de donder verjaag ik en verstand. Ik heet Gramschap en ben van alle padden venijn de moeder, alle bitterheid en zuurheid, ik ben die steen waar men het vuur uitslaat want als iemand me roert en hoe weinig dat is zo wordt ik ontstoken en laat vuur uitvliegen, de ene van stenen heet spijt en de andere schelden. Dit zijn die twee stenen daar veel mensen onder gezet zijn. Met deze twee stenen smeed ik een in het jaar die zaag die ik in mijn mond draag. Schelden was daar die hamer van en spijt het aambeeld. Ondeugdelijkheid is dat ijzer dat gemaakt was in de hel, te meer dat men het slaat hoe minder het wordt gewrocht. Hier vroeger liet ik het subtiel tanden en dat van vrouw justitie die ze van deugde smeedde en had een vijl genoemd correctie die de zonden uit vijlt tot de wortel en wilde me eens per jaar mijn roest uit vijlen, maar mar ik verzette me daartegen dat kwade ijzer ondeugdelijkheid en toen ze me waande te vijlen zo vijlde ze mijn ijzer en tandde het met groten tanden gelijk hondentanden en heb er van gemaakt mijn zaag die genoemd is haat waarmee ik gezelschap laat scheiden en liefde van broederlijke minne zoals het blijkt in Jacob en Esau. Ik zaagde ze en scheidde de ene ver van de ander en zo heb er menig gescheiden waarvan het vertrek te lang zou vallen. Ik draag deze zaag in mijn mond om als ik mijn pater noster lees ver van God gezaagd wordt want als ik hem bid dat hij me mijn schulden vergeeft gelijk ik doe die me schuldig zijn wat ik niet doe en dus bid ik tegen mezelf en keer die zaag op mij. Ee zo wie deze zaag draagt stelt zichzelf onder hetgene dat hij zaagt, dat is in de afgrond van de hel. En van deze zaag zal u nog meester zijn en dan zal ik u omgorden met de gordel dat ik omtrent me heb en waarmee omgord zijn de moordenaars als ik ze ridder maak. En is genoemd manslacht wat snijdt en het leven maait uit het lichaam en is hetgeen dat de tirannen droegen als ze die heiligen hier vroeger doden. Dusdanige beesten zijn zorgelijk de pelgrims als ze achter land gaan. En omdat u een pelgrim bent zo heb ik me in uw weg gezet daar ik u met deze gordel omgorden zal en daar ik het leven mede uit uw lichaam zal snijden.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim, Ledicheit met bijl en Memorie met enkele wapenrustingonderdelen op de grond>

 

[53va] Recht als ick in desen punte was ende dat ick niet en ontbeide dan dye doot sach ic memorien bi mi die mi seide waer om en doetstu dine wapene niet an du en mogeste di niet excuseren. want ic bin hier al gereet ende alstu dine wapene hebben wils ick hebse hier bi v sietse hier doetse an gelijc als di gracie gods beuolen heeft ende en maect hier niet dijn bedde want du souts scande hebben beydstu langer het is grote scande om di dattu soe lange gebeit hebs ende dattu geen profijt dair af en hebs hadstuse ouer lanc an gehad so en waerstu nv niet geleuert desen quenen die di soe veel drucx ghedaen hebben en gearresteert geuelt ende gequest ende soe iammerlic gebonden ende gewont hebben Als ic hoorde dat [53vb] mijn ioncwijf my toe sprac ende mi so versprac soe was ic droeue ende nam minen palster ende stont op cranckelic wast met mi gestelt want ic en was niet starc alsoe ic lange gelegen hadde mijne wapenen wildic an doen mar ic en hads die tijt niet. Ledicheit setter haer voer ende seide my al dreygende. waert dat ic die wapene genaecte voervoets soude si mi slaen mit haer bijle. ic veruaerde my van haer ende ic en wapende my niet hair spel haddic ouer lanc gesien ic bleef ontwapent als te voren ende ic was moede ende verwonnen

Recht toen ik op het punt was en dat ik op niets anders wachtte dan de dood zag ik Memorie bij me die me zei; waarom doet u uw wapens niet aan, u mag zich niet excuseren want ik ben hier al gereed en als u uw wapens hebben wil, ik heb ze hier bij u, zie hier, doe ze aan gelijk zoals u Gratie God bevolen heeft en maak hier niet uw bed want u zou schande hebben wachtte u langer. Het is grote schande dat u zo lang gewacht hebt en dat u geen profijt daarvan hebt. Had u het al lang aan gehad dan was u niet overgeleverd aan deze kween die u zoveel drukte hebben gedaan en gearresteerd, geveld en gekwetst en zo jammerlijk gebonden en verwond hebben. Toen ik hoorde dat mijn jonge wijf me toesprak en me zo sprak zo was ik droevig en nam mijn pelgrimsstaf en stond op en zwak was het met me gesteld want ik was niet sterk omdat ik zo lang gelegen had. Mijn wapens wilde ik aandoen, maar ik had de tijd niet. Ledigheid zette zich er voor en zei me al dreigend was het dat ik bij die wapens kwam dat ze me direct zou slaan met haar bijl . ik schrok van haar en ik wapende me niet, haar spel had ik al lang gezien en ik bleef ontwapend als te voren en ik was moe en overwonnen.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim op weg in een landschap>

 

[54ra] Nv soe moet mi god bescermen van quaet doene. want in mi en is geene macht of seere luttele gheen dinc en heb ic mi in betrouwe sonder alleene mijn palster daer ick op lene mine male dient mi luttel of niet. ende ant broot datter in is en dar ic niet comen also ic ontweget bin aen des side der hage aticker af gracie gods en souts in ghenen spele nemen. verhongert bin ic biden brode. ter quader tijt geloefdic ledicheden. si heeft mi verdult bi haer bin ic keytijf worden by haer bin ic geleuert desen quenen. in haer lieder hant moet ic steruen het en si dat ic hulpe hebbe van gracien gods. Ende als ic aldus ginc mijnen breydel al bijtende. een diep dal vol van bosschen vreselic ende wilt sach ic voer my staen daer ick doer [54rb] liden moeste op dat ic voert gaen wilde. daer af dat ic bitterlic veruaert was. want in bosschen heeft een mensche varinc sinen wech verloren ende menige vrese isser den pelgrim of comen dier alleen gaen dieue moerdenaers ende wilde beesten euerswine ende menich ander wonderlic dier vint men dicwile int wout ghelijc als ic v hier na segghen sal. maer eer ick v meer segge om dat v niet en verdriete soe sal ic v geuen enen auont ende sal my hier rusten. ende wildi soe comt morgen weder so suldi tremenant mogen horen. genoech sal ic v segghen ic wane v saels iammeren ende oec soe saels hem een ander mogen wachten. want van eens anders misualle soe heeft elc mensche eenen spiegel om hem seluen

Nu zo moet God me god beschermen van kwaad doen, want in mij is geen macht of zeer weinig. Geen ding heb ik in mijn vertrouwen, uitgezonderd alleen mijn pelgrimsstaf daar ik op leun, mijn bedelzak dient me weinig of niets en aan het brood dat er in is durf ik niet te komen. Alzo ben ik verdwaald aan deze zijde van de haag, at ik er van zou Gratie God het niet als spel nemen. Verhongerd ben ik bij het brood, ter kwade tijd geloofde ik Ledigheid. Ze heeft me verdwaald en door haar ben ik ellendig geworden, door haar ben ik overgeleverd aan deze kween. In hun hand moet ik sterven, tenzij dat ik hulp heb van Gratie God. En toen ik aldus ging mijn breidel al bijtend zag ik een diep dal vol van vreselijke bossen en wild voor me staan waardoor ik gaan moest wilde ik verder gaan waarvan ik bitter bang was. Want in bossen heeft een mens vlug zijn weg verloren en menige vrees is er de pelgrim van gekomen die er alleen gaan, dieven, moordenaars en wilde beesten, everzwijnen en menig ander wonderlijk dier vindt men vaak in het woud gelijk zoals ik u hierna zal zeggen. Maar eer ik u meer zeg zodat het u niet verdrieten zal zo zal ik u een avond geven en zal ik hier rusten. En wil ge, zo kom morgen weer, dan zal ge het vervolg mogen horen. Genoeg zal ik u zeggen en ik waan u zal jammeren en ook zo zal een ander zich mogen wachten want van een ander zijn misval zo heeft elk mens een spiegel voor zichzelf.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim met Gierigheid>

 

[54va] Hier begint het derde boeck

Nv hoort wel soete luden hoe ic voer ende hoe quade auontuer dat ic hadde ende hoe qualic dat my quam In desen bosch daer ic of genoept hebbe. ghinc ick toe na de doncker valeye. al dalende nederwaerts een ander quene van eenre wonderlijcker figueren ende veel anders van gedane dan ic te voren gesien had ic staende in mijnen wech si was seer wonderlic om sien. ende het scheen bi rechten auise doe si my sach dat si my rechteuoert op wylde lopen. nye sulcke een beeste noch in daniele noch van sulcker natueren in ezechiel noch van sulcker vormen in apocalipsi en gedinct my niet dat ic nye sach. si was manc crom ende gebult [54vb] ende gecleet mit eenre groter ouder tijcken al om gedoect mit ouden sletters. ende enen sack had si hangende an haren hals ende het scheen wel dat sine niet hols wilde laten. want zy sacter in metael ende ysere. hare tonge die si wt gesteken hadde die halp haer seere dat werc te doene. si hadde ses handen ende twe voeten Deene vanden tween handen hadden nagels van griffoene. wair of si deene achter den rugge hielt in wonderlijker manieren ende dandere voren. In deen van haren anderen handen hielt si ene vijle of si slotels of breydels vijlen wilde ende eene schale daer si mede woech die zodiacum ende die sonne om te vercopene. In dander hant hielt si een scotele In die vijfte hant hielt si een haex. ende op hair hoeft droech si enen afgod [55ra] de welcke hare oghen dalen de ende nederwaerts sien De seste hant hielt si op haer hancke die seer was. ende somtijt hief sijse opwaerts an haer tonge Ende als ic dese lelicke queene sach ende dat ic voer bi haer moeste lijden seere was ic veruaert. want ic was harde seere vermoeyt alsoe ic geseit hebbe vanden queenen voirseit Help heere god seide ic genade doot bin ic eest dat my dese lelicke beeste nv in dit foreest arresteert si heeft soe vele handen dat ick duchte grijpt si my dat ic haer nymmermeer ontgaen en sal O soete here ihesus beraet my of andersins bin ic verloren. In desen poente sach ic dese queene comen te my waerts om my te bespringene ende te dodene Bi mamette seide si die mijn god is in wien dat ick geloeue ic hebbe dy hier ontbeyt du moets hier steruen legt neder dijne male ende dijnen palster ende doet eere mijnen afgod by wien dat ic geprijst bin ende gheeert hem moetstu onderdanich sijn: ende daer na sal ic di schandelic ende lachterlijc doen steruen

Als my dese lelijke queene sulke woirde began te seggene geen herte en haddic te lachene maer wel haddic willen weten haren name ende wie si was Ende ic seyde quene segt my dijnen name wie du sijs ende oec waer af datu diens van wat geslachten ende van [55rb] wat lande dattu bist: ende wie is of dient dijn afgod den welken du wils dat ic diene. het en is gheen redene dat ic marmosetkijne onderdanich soude moeten sijn die welcke stom ende doef sijn: ic die bin van soe edelen geslachte. ende waert also dat icken dienen moeste bi anxte van der doot. so seg ic di dat ic wil weten wie hi is. ende alsoe die gelijke wil ic weten wie du sijts ende van waen du biste so dat ic di bidde dattu my terstont antwoirdes ende segghes Doe antwoerde my die queene ende seide Na dien dattu wils weten wie ic ben harde cort sal ic di seggen maer ick sal dy eerst toenen ende doen sien van mijnre kintshede ende van mijnen spele om dattu mi te bet louen suls Nu comt achter mi ende roept luyde ach armen du suls cortelic sien dat dal van weene ende dat iammer der iammere die verdroefde foereest vol claghen ende rouwe Niemant en can gesien hien roept helpe van groter verwoethede

Hier begint het derde boek.

Nu hoor goed, lieve lieden, hoe ik voer en hoe kwaad avontuur dat ik had en hoe kwalijk het me kwam. In dit bos daar ik van genoemd heb ging ik toe na de donkere vallei al dalende nederwaartsen zag ik een andere kwee staan van een wonderlijke figuur en veel anders van gedaante dan ik te voren gezien had. Ze was zeer wonderlijk om te zien en het scheen bij rechte wijze dat toen ze mij zag dat ze recht op me wilde lopen. Nooit gedenkt me zo n beest, nog in Daniel, nog van zulke naturen in Ezechil, nog van zulke vormen in de Apocalyps dat ik ooit zag. Ze was mank, krom en bultig en gekleed met groot oud teken en al om gedoekt met oude letters en een zak had ze hangen aan haar hals en het scheen wel dat ze het niet hol wilde laten want ze zocht er in metaal en ijzer. Haar tong die ze uitgestoken had die hielp haar zeer dat werk te doen. Ze had zes handen en twee voeten. De ene van de twee handen hadden nagels van griffoenen waarvan ze de ene achter de rug hield in wonderlijke manieren en de andere voren. In de ene van haar andere hand hield ze een vijl of ze sleutels of breidels vijlen wilde en een schaal waarmee ze de Zodiac woog en de zon om te verkopen. In de andere hand hield ze een schotel. In de vijfde hand hield ze een haak en op haar hoofd droeg ze een afgod die haar ogen lieten dalen en naar beneden kijken. De zesde hand hield ze op haar heup die bezeerd was en soms hief zie die opwaarts naar haar tong. En toen ik deze lelijke kwee zag en dat ik voorbij haar moest gaan was ik zeer bang. Want ik was erg zeer vermoeid, alzo ik gezegd heb van de voor vermelde kween. Help heer God, zei ik, genade, dood ben ik, is het dat me dit lelijk beeste nu in dit bos arresteert, ze heeft zo veel handen dat ik beducht grijpt ze me dat ik haar nimmermeer ontgaan zal. O lieve heer Jezus, beraad me of anderszins ben ik verloren. In dit punt zag ik deze kwee tot me komen om me te bespringen en te doden. Bij mamette, zei ze, die mijn god is in wie dat ik geloof, ik heb hier op u gewacht, u moet hier sterven, leg neer uw bedelzak en uw pelgrimsstaf en doe mijn afgod eer bij wie dat ik geprezen ben en geerd, hem moet u onderdanig zijn en daarna zal ik u schandelijk en belachelijk laten sterven.

Toen me deze lelijke kwee zulke woorden begon te zeggen, had ik geen hart om te lachen, maar wel had ik haar naam willen weten en wie ze was. En ik zei, kwee, zeg me uw naam, wie u bent en ook wie u dient en van wat geslacht en van wat land dat u bent en wie is of dient uw afgod die u wil dat ik dien. Het is geen reden dat ik mamette onderdanig zou moeten zijn die stom en doof is. Ik die ben van zon edel geslacht en was het alzo dat ik hem dienen moeste vanwege angst van de dood, zo zeg ik u, dat ik wil weten wie hij is. En alzo dergelijke wil ik weten wie u bent en vanwaar u bent zo dat ik u bid dat u me terstond antwoord en zegt. Toen antwoorde me die kwee en zei: Na dien dat u wil weten wie ik ben zal ik het u erg kort zeggen, maar ik zal u eerst tonen en laten zien van mijn kindsheid en mijn spel zodat u me beter geloven zal. Nu kom achter me en roep luid ach arme, u zal gauw dat dal van wenen zien en dat gejammer der jammeren van dit bedroefde bos vol klagen en rouw. Niemand kan zien hierheen, roep help van grote verwoedheid.

 

 

<houtsnede: links de slapende pelgrim, rechts de pelgrim die neerkijkt op de kerk en het schaakbord>

 

[55va] Doe dede si my neder sien in enen put daer sach ick een groot pleyn daer in staende eene scone kercke gefondeert neffens enen schaecberde Daer in waren cleyne ende grote schaecspelen. van den welcken dat ic sach die rocken ende die ridders ende den coninc die groot wonder daer in wrochten. Elc hadde gegort een zwaert daer my seer of verwonderde. want tanderen tiden had ic schaec gespeelt ende nye en sach ic gheen van sulcker manieren haer luder ghelaet was harde fier. want ter kercken waert ghingen si ende wilde die kercke ter neder vellen. die coninc ghinc voren ende mijneerde die fondamente mitter crootsen van enen bisschop. daer of soe hi sijn houweel ende sijn spade. Dat scharpe beneden vander crootse dat [55vb] was dye spade ende dat cromme bouen dat was thouweel. Ach seyde ick doe ic dat sach. ick bin so veruaert ist droem of verwoethede dat ic dair sie is ditte dat wonder ende dat iammer dairstu my of spraecs tis seker verdroeft iammer dat ic niet en sie daer my na lanct Doe seide die quene het is waer dat ick di seyde. siet daer den coninc vanden schaecspele ende sine rocs ende sine ridders ende alle hare poynten geschart ende gheordineert hebben Ghenouch hadden si an haer luder lant ende an hair luder goet en waer ic. want ic belet al ende ic doe hem ander luder goet beiagen ende gecrijgen in anderen landen maer ic en mach niet gedogen dat haren sack vol is sonder elder te nemene ende daer om sendicse tot dier kercke die staet bijde schake om te [56ra] rouene ende te nemene eerst den coninc die kercken fonderen soude ende in rechte houden. dien heb ic een edel instrument ghegeuen om keerels werc te doene: dat is die crootse van eenen bisscop daer hi af maect zijn spade ende sijn houweel. Crootse dats een eerlic instrument. maer den coninck eest eene schandelicke sake te deluene ende te houwene ende die fondamenten te mijnerene die sijn voeruaders gefondeert hebben ende andere edele heren Nu doet hi werc van eenen boeue als hi slaet en spit ende deluet ende hi maect sine spade vander crootse die crom is daer men die heilige kercke mede bestieren soude Oeck is hi boeue die ghehorende die de crootse ende den stock daer sine kercke mede soude sijn geregeert ghegouuerneert geuoedt ende gheeert den genen geeft dier spade ende houweel of maken om mede te brekene ende te vellene die heilige kercke om dat si biden schake staet. deen is boeue soe is dandre oec maer ic en segge niet welc die meeste boeue is. de coninck mitter spade houwet ende deluet daer haer die kercke af beclaeht ende beweent. ende die gehorende cornaert die leuert hem dat instrument als hi hem die tienden geeft sine crootse ende sine macht geeft hy hem als hi hem dat recht der kercken laet ghebruycken. Hier of propheteerde ieremias eens iaers ende la[56rb]menteerde ende weende. want als hy sach datmen mineerde ende delfde ende dat si betaelden tienden ende tolle hi seide in hem verwonderende ende iammerlic al clagende hoe dat was dat dye princesse ende dye moeder van alder werelt dat die was worden tributarigghe ende selue onderdanich Ende wie dat dorste doen gelijc of hi seggen wilde datmer wel sculdich om waer te weenene Nu soe weent dan ende drijft groten rouwe als ic di geseyt hebbe. die kercke is al om ghemineert haer ghebrect luttel si en is ter neder geuallen om haer te destruerene. so stelt hem elkerlic Coninc oude ridder roc ende vinne. Alt schaecspel volcht den coninc. maer al dat si doen dat is by my Ic doe hem luden doen al dat si doen. want ouer lanc hebben si mijne scholiere gheweest. daer en is roc noch conic dies hem fier maect zy en sijn mi alle onderdanich si studeren al in mijnen boeck weder sy comen vroech of spade. ieremias. orcondet in sijn derde capittele Ic antwoerde ende seide seere verwondert maecstu my. ghi moet my segghen op dat v ghelieft wie ghi sijt want ic en can niet gesien dattu sulcke macht moghes hebben want du bist naect ende armelic gecleet geconterfayt crom ende gebult ende contrarie ende ondancx natueren gewonnen also mi dunct ende hoe souddi macht [56va] hebben ouer coningen ende grauen ende dat ghi soudt sijn haer vrouwe. want si sijn gewonnen bi natueren ende van edelre gheboertenissen Ende si antwoerde my wildi weten mijnen name ic bin die gene die touerie ouer my drage daer ic die lude mede betouere als ic wille. ic make my lieflic ende schone gracieus ende begeerlic ende dat als ic gemint bin voervoets al dat ic gebiede dat is gedaen Ic betouere hertogen ende grauen dat si wercken moeten na mijne touerie ende na mijn ghebodt. ic bin besaycis dochtre die coninc lacht als ic lache ende hi is droeue als ic droeue bin hi gedoecht dat ic sine crone neme als icse wil hebben. hi gheeftse mi Aldus suldijt vinden ghescreuen in esdras boecke int tweeste capittele Hier voermaels die coninc hadde een lief ende een vriendinne die lange mit hem was in geselscape ende die hy so minde dat hi haer gaf al sijn tresoer te dispenserene ende te gheuene den armen ende den religieusen. Sy hiet liberalichede ende was hier voirtijts van groter namen. si minde den coninc soe sere ende wilde al ouer al sine eer verwaren ende si gaf soe vele van sinen tresore dat hi dair bi quam ter groter eeren ende dat hi daer lof ende prijs mede beiaghede. nochtan en wasser sijn tresoer noch sijn goet niet mede gemindert maer het wies altoos vele te meer. want ghelijc dat [56vb] tcoren dat gesaeyt is doet meer profijts dan dat opt solder stille leyt. dies gelijke dat god ghegeuen is is beter dan dat al stille vergadert leyt Nu verstaet my als ic sach dy den coninc aldus eeren ende lief hebben ic peynsde ic sout al te male nemen Alsoe ic peynsde alsoe dede ic In die camere vanden coninck soe ghinc ic ende soe vele dede ick mit touerien dat my die portier in liet Int bedde vanden coninc ghinc ic ligghen by hem vant ic ligghende zijn lief ick stalse hem ende namse hem ende stacse vter cameren. ende ick sloetse in een vanghenisse ende in dat vanghenisse is sij noch ende salder noch lange bliuen Daer na ghinc ic selue ligghen in tsconincx bedde ter seluer stede daer si plach te ligghene. de coninc waende dat ick sijn lief hadde gheweest. maer neen ick niet Ic betouerdene ende verduldene. ende aldus bleef ic sijne tresoriere Ic wachte hem al zijn groot goet zijn gout ende zijn siluere. hy waent wel dat ick hem eere doe maer ick doe hem ghenoech schanden ende sal doen al sijn leuen alsoe langhe als ic zijne werdinne sal sijn Gheen ondierliker lief en mocht hy hebben al om sijn goet dan ic bin. wilstu weten wie ick bin ende van wat gheslachte. ende hoe ic hiete dat sulstu weten dat ic was geboren inden afgront vander hellen

[57ra] Satanas wan mi daer ende van dair sandt hi my te cahoers ende daer na hiet ic cahoersine. want ic was daer gheuoestert Enighe ander hieten my vrechede ende andre conuoitise bin ic geheeten om dat ic ander lude goet begeeren. ende vrechede heet ic om mijn goet dat ict te nauwe wachte ende houde. Nu heet my alsoe ghi wilt ende en sijt niet verwondert al siestu my aldus naect ende qualick gecleet. want du moets weten dat ic mi seluen nye doget en pijnde te doene mit mijns selfs goede. ic hebbe cleder genoech an te doene maer wetet dat icse eer soude laten rotten ende den wormen eten eer ic my of andere doget daer mede dade of gemac ic soude genoech goeder vrienden hebben constic dmijne deelen ende gheuen te puncte. welc goet ic verloren late ende dat my nyewers of en dient Ende in dat punt slacht ic den hont die leit op eenen hoytas ende als yemant sijn handt daer aen doet hi bast ende roept nochtan en etet hi selue niet. ic hebbe handen genoech om te nemene mair gheen hant en heb ic om te gheuene. die handen van mijnen gheuere sijn af geslagen alsoe du moges sien. ick en hebbe maer die stompen. sot is hi die my ghiften eyscht. ic en soeck niet dan ghelt te gaerne dat is mijne officie ende mijn ambocht. ic hebbe ses handen om te grijpene in ses manieren [57rb] ende in mijnen sack te stekene om my wel te ladene Ende waert bi alsoe dat ic viele ter neder dat ic niet op staen en mochte soe ic meer hebbe soe ic meer hebben wille Onmatelic is mijn ghepeyns ende mijne begeerte daer toe. daer en is gheene vervulte an noch gheene genoechlichede. ic bin die grote gheynstre vander zee diet al verslijndt ende verswelget sonder wt te werpene. Ic laste my ende lade mitten metale dat meest weghet dats gout. daer ick my den bloc of make ende daer ic my an hechte. dat mit rechte men my anders niet en dar heeten dan een ghebloct schemincle. Het schijnt dat ic den block wachte mair hy wacht my vele bet. Hy wacht my ende beweert dat ic niet op en stae. ende houdt my ende weghet ter neder Judas die dijnen coninc verriet hinc eens iaers desen bloc aen den hals. want in zijne handen ende in zijne borsen dede ick soe vele ysers ende mottaels dat icken van bouen neder dede vallen schandelick ende inden afgront vander hellen tumelen: Nu sal ick dy segghen ende declareren van mijnen ses handen daer ick mede pleghe te colligieren ende te vergaerne mit groten hopen ende te treckene dmetael ende tcopere alsoe ick dy voer gheseyt hebbe Ic waenstu nye soe quade handen en saghes bynnen [57va] dijnen leuen harde cort sulstuse proeuen. Deerste hant die ghewapent is mit griffoens nagelen die is gehieten rapina die hair edel maect ende seyt dat men haer laet hare proeye gebruycken dair zijse vinden ende ghecrijghen mach. bijden welcken si dickent gaet in foreesten roeuen ende vermoerden die pelgryme in die weghen. ic hebbe seyt si cromme naghels. nyement en is my sculdich te wedersegghene dingen die ic begheere ende na dien dat alsoe is soe mach ic al omme proeyen nemen ende an my trecken wien lief wien leet. Aldus soe neemt dese hant hair solaes ende speelt in desen saken doende ende doet menich quaet bi daghe bi nachte Het is die hant van reynaerde dye de kiekene vaet ende grijpt Sy neemt peerde ende waghene ende alle manieren van provantsen die de goede luden hebben ghemaect om haer verteren. heeft een arm man een swijn of een coe om te wachtene soe neemt zijse hem ende hair en roect al heeft die arm man zijnen roc daer voren te lombaerde gheleyt. mits dat haer begeerte vervult zij Mit deser hant soe snijdict ende al snijdende soe trec ict al ende breeke ende als ic scheere ic vilt al of sonder yet te laten. ic doe alsoe die spynne doet. want alsoe langhe als die vlieghe march of bloet in heeft soe suyghet si alte [57vb] mael vte sonder yet in te latene Dese hant is scherighe ende villinge van den armen luden. si soect thaer onder tvel om meer te nemene ende te pluckene Ende als si dan aldus zijn gheuilt ende ghepluct die arme ende wt ghetrect die lijf in hem luden waenden vinden hi ware sot Aldus soe peynsic di te villene ende te pluckene ende van di maken mijne spijse om verteeren dijn bloet ende dyn merch alsoe te sughene ende daerstu mede leuen soudts an my trecken maer eer soe sal ic dy vertellen van mijnen anderen vijf handen alsoe ic dy beloeft hebbe. Dander hant die ic achter drage op mijnen rugghe in wonderlijker manieren. dat is die hant daer ick mede neme ende an my trecke ander luder goet bedectelic ende al stille hets die hant die de voeten doet baleren ende den horen snijden Ende is gheheeten borsesnijder ende diefte dye lachterlyke. hets die hant die gheenen hantscoe eysschen en dar die haer niet en toent dan by nachte. Ende als die mane niet en schijnt si heeft cromme naghels ghelijc de ander hant. maer soe vele isser an dat hair trecken ende hair plucken en comt niet soe wel ter kennissen noch te wetene alst doet vander andere. dwelcke groot iammer ende ongeual is Ghenoech sijnder nv ontrent den coninc treckers ende hakers. [58ra] dat worde mens gheware sij soude den coninc ghenoech tachter zijn. sulcke luden doen hem ander luder goet nemen ende ghewinnen om dat hy vanden sinen niet ghebruycken en mach. Dese hant is ontdeckinghe ende brekinghe van huysen ende brekinghe van scrinen ende stroeynghe van nobelen ende conterfaytinghe van valschen zeghelen ende valsche slotemakinghe ende eene ontreckinghe van gelde Dese hant ontcleet die dode ende hout vensteren ende doren ghesloten totter tijt dat si ghenomen ende ghehaect heeft al dat si wille ende is si excuseringe van restoyre ende wtgheuinge soe seg ic dy dat si te hair trecken sal ende houden vanden besten. ende vanden schoensten Van sulcker hant sijn die luden die by nachte wt gaen valsche forestiers ende valsche serianten die alsulck dinck consenteren ende lude die valschelic dienen ende die onghetrouwelic wercken ende lude die haer redene vullen sonder enighe redene daer toe te hebbene. valsche scippers ende andere die van ander lude goede soe mildelic nemen recht waert dat men sulcke handen hinghe. niet te min si sullen noch ghehanghen werden als sijt lange genoech ghedaen sullen hebben. int leste sal icse al hanghen alsoe ic menighe andere ghedaen hebbe Doe [58rb] seyde ick bistu dan hancdieuinghe ia ic seker seit si Ledichede seide mi dat sijt was. ende si eest maer dats alleene vander sielen. ende ic van beeden van den lichame ende van der sielen. Nu segt my seyde ic soe help dy god wie hinc den lichame van iudase of si of ghi ende en lieget my niet Ic seg dy dat wijt alle beede onder ons tween deden. wy maecten den strop ontrent sijn keele ende bi accoorde wi hingene ende trocken om hoghe. mair hadde hi mijne hant ghesien nymmermeer en hadden ledichede moghen op strecken om dat hi soe zeere woech ende en behoerde hair oec niet toe Daer om principalic soe seg ic di dat mijne hant dweerc ende tfait dede Van sulcker hant soe wacht di want si doet die achter hoede ende neemt den luden subtilijken. ende dair na als si mach soe hanct zije. Vander hant die de vijle houdt wil ic di segghen want ic hebs herte Dats die hant daer ic mede trecke ende vergadere ende taste dat ander luden bepijnt ende besuert hebben ende mit bezweette leden ghewonen hebben Sy is gemaect tegen natuere want in allen tijden so en doet si anders niet dan si broehet yser ende coper om ander te broedene ende te winnene Andere handen doent minderen mit an comene in dien si daer an comen. maer dese doet wassen on [58va] danck dats nature. heeft touerigghe is si grotelic. want by hare gokelryen doet si van eenen tornoyse werden eenen parisijs. ende van vijf maect si ses coen die niet steruen en moghen smijdt si sonder slach te slane. ende int eynde doet sijt schijnen anders dant is. si doet coren op solders. ende dan hout sijt soe langhe tot dat tcoren diere is ende dan vercoept sijt dubbele ende meenter dubbel payement of te hebbene. si heeft die vijle om te vijlene ander luder substancie ende te verquistene. luttel ende luttel gaet si vercnauwen de daer luder goet gheen dinck en is dat bi haer ghedueren mach zij en soudt verslijten ende eten al gaende. woeker heet mense bi haren name want bi haer soe is versleten dat leuen vanden ghenen diese pleget sijne tijt te hanterene. ende en wair si niet soe wel in gewoenten elckerlic soude vaer van haer hebben. maer soe wel is si ghecostumeert dat zij in marcten bekent is worden. In marcten gaet si die luden vijlende voer elckerlijke. nyement en isser noch proeft noch bailui die wederseit tgunt dat si doet. Segt my seyde ic vanden ghewichte daer du so naerstelic mede weges den zodiacum ende die sonne. want het is een sake die my seere verwondert Nu leert seit si ende verstaet want ic en sal dy niet lieghen gracie gods set[58vb]te eens iaers die sonne ontrent den zodiacum om elckerlijken te lichtene ende om alder werelt ghemeen te sine. elcken wilde si dat si ghemeen waren ende datter nyement breke of en hadde Nu seg ic di dat my dat deerde ende leet was. want mijn profijt en sach icker niet in. want ic sach wel dat en had ic den tijt niet te mywaert ende in mijn hant dat ick luttel wercken mochte mit mijnre vijle ende dat ic luttel vijlen soude ende daer bi soe trac icse te mywaert. den zodiacum die sonne ende den tijt maecte ic mijne ende leydse in mijne schale. ic make my vercopigge. daer of ic vercoopse bi weken ende bi daghen bi maenden ende oec bi iaren ende tiaer gheef ic om xx. pont. de maent om ix. penningen. die weke om v. of om vi. na dien dat een mensche coept of vercoopt daer na weghic Nu segt my seide ic ic bids v van eenen bosschere die my vercofte hout in sijn foreest ende hi seide dat hout is dijne om xxx. schellinge op dat ghi my nv stappans mijn gelt gheues maer wilstu borgen een iaer soe moet ic hebben xl. schellinghe om te wetene of dese persoen vercofte den zodiacum of woech. Daer of seit si sal ic di segghen alsoe ic gehoort hebbe. Hier voermaels dye bosschers vercoften haer hout al staende ende al wassende ende seyden. wildy mijn hout hebben sulken

[59ra] prijs suldier nv om gheuen. maer wildy beyden totten iare ic saelt dierre moeten vercopen. want totten eynde vanden iare mijn hout sal beter sijn. ende meer ghewassen. ende al soe soudt dan beter sijn vercoft hy di aldus thout. dus dunct my dat hi den tijt niet en weecht. maer was thout ter neder ende ghehouwen ic wane die tijt gewegen was. want een dinc dat noch beteren noch wassen en mach ende om langhe borgen te dierer vercoft is den zodiacum ende den tijt isser gewegen. mair als een dinc wassen mach ende ment dan dierer vercoopt ic wane ende gheloue dat die wassinghe is gheweghen ende anders niet Die bosschers seyde ick die en vercopen nv haer hout niet meer staende maer is gehouwen ende geuelt lange te voeren eert vercoft mach zijn ende nochtant so louen zijt dierre als si terstont niet betaelt en mogen sijn Doe andworde si mi ende seide Ic sal di nu seggen dat mi opt herte leyt oec watter of come Waert dat de boschers haer hout niet en velden voer de tijt dat de coepluyden quamen zy souden langhe beiden eer si haer hout vercopen souden De coepluyden al si geen hout geuelt noch gereet en vonden souden seggen laet ons elder gaen soucken want onse saken hebben haest ende wy en mogen niet ontbeiden Ende daer bi so wast geordineert om tge[59rb]meen profijt dat de boschers haer hout ghereet maecten eer de coepluyden quamen ende al bereet vonden ende dit was een goede ordinanci ende groet voerdeel om den ghenen die tymmeren wilden ende timmerhout te doene hadden of die hout bernen wilden ende daer by en sijn zy niet schuldich te verliesene dat si die houeschede doen dat si alsoe hair hout te voren ghehouwen hebben dat seere gebetert mochte hebben. ende ghewassen binnen eenen iare. soe dat ic wane dat sijt wel te dierre vercopen moghen sonder misdoen. ia op dat zijre ghene quaethede of bedroch in en peynsen te doene. want in sulcker manieren si souden weghen den tijt ende den zodiacum. Ende by auenturen soe doen si oec maer si moghen hem daer mede decken mits dat aldus costume is ende langhen tijt gecostumeert Nu glozeert ende spelt alsoe du wils van der hant mitter scuttele soe wil ick dy andere nyeumare segghen. Dese hant is gheheeten truwandijse By namen of broot om gode. Sy is die ghene die de crumen in haren sack ghegadert heeft ende nochtan soe sijn sijre alle soe langhe dat si beschymmelt worden Het is die ghene die bidt om gode. ende dye ghene die nergent ghelach betalen en wille. noch gheen dinck dat zij verteert ende en wil niet dat yement [59va] van hare verbetert van gheenre houescheden die si doen soude. mitter scotelen so beiaecht si hare lijftochte schandelic ende oneerlic. hoe wel dat sijt beteren mochte wilde si pijnen ende wercken hets die ghene die mi aldus ghepouteniert heeft ende ghelapt alsoestu sies. gheen dinc en can si doen dan pautenieren ende sacs maken om truwanten te draghene. si leede my ten groten weghe daer pelgryms lijden of grote heeren om aelmoesenen te eyschene ende om dat sij meer ontfarmicheden op my souden hebben ende te bet gheuen soe makic my die helft of meer crancker dan ick bin ende armer. ende noch seg ic di meer dat sij my maect crepel ende manc ende gheconterfeyt van voeten ende van handen ende op crucken doet gaen ende roepen aylaes sonder redene ende dat ic ghene sieckhede en hebbe ende dat ic dicwile sat bin nochtan sie ick leelic op die ghene die mi niet en gheuen ende die my weder segghen Dese hant leenen dese edele luden om te truwantene. wel connen si hare grote valken hantschoe decken ende af doen als sijre mede wille truwanten tot desen religieusen soe bieden sijse sonder schaemte dair af te hebbene ende segghen gheeft haer van uwen vellen nv gheeft mi cappoenen om mijne valken ende enen ou[59vb]den schoe heb ick grote breke ende enen halsbant om mijnen haeswint ende van uwen casen sendt my: ende dies en laet niet. ic en hebbe enen roc van uwen witten lakene. leent my acht daghe een paert om hier of daer te rijdene leent my eene waghen om mijn hout te voerene ende om mijn lant te erene twee ploegen of drie ick salse v weder senden Al dus ghehelpen si hem mit mijnre hant ende aldus soe lenen si mit ander luder goet ende thare schandelic ende sondelic sparende dies grote habundancie hebben Ende het schijnt dat hem luden dunct dat die aerme lude niet en hebben sonder tharen behoef. dattu ghesien hebs als si niet en hebben al dat si eyschen of begheren ghene excusacie en willen si hebben maer hebbens nijt alle die vanden huse Nu besiet of sij my wel minnen mogen als ic hem aldus doe draghen die scuttele van den truwanten ende steke mijne hant in haer luder hantschoe als mijne sack ende mijne scuttele aen haren arm doe dragen Het is ene nyewe practijke ende maniere dat een ridder of een edel man mi broot bidt die soe out ende soe grijs byn. Nu biddic v wilt my doch seggen vander hant mitten hake want van derser hant heb ic ghenoech ghehoort Doe antwoirde si mi dese oude quene ende seyde Die hant mit [60ra] ten hake was hier voermaels gevischt inden afgront vander hellen Symon magus ende gyesi die brachtense my tot hier ende deder mi een present mede ende ghifte maer den haeck die gaf hem symon vander eerster figuere van zijnre name gelijc eenen hake eest gefigureert dat siedy wel voer v oghen ende is geheeten symonie Desen haeck ende dese figuere thoent dat ic bin abdisse mair het is van een lelijke ende zwarte abdye ende daer men leeft van quaden ende valschen leuene mit deser crotsen ende dese symon is dese croetce gheheten. Symonie hets een hant die gheleit ende brenct die dieue in goods huse by valschen treken. ende daer sijn grote gate sonder ter doren in te comene of te lijdene: Ende als zijse daer in ghehaect heeft mit haren valschen hake dan maectse mit haren hake hem luden eene croetse. ende maectse wachters van schapen ende voeders. wachters ende voeders hietmense. maer het sijn die ghene die hem seluen voeden. ende soe vele doen datmense bet wolue heeten mochte dan schaepwachters Mit haren crootsen veriaghen si ende veronrechten gracien goods ende stekense wt haren trone ende wt hare maiesteyt bi waerlijker ghiften. op enen tijt maectse hem coopers op eenen anderen tijt [60rb] vercoopers ende om ghelt soe legghen zijse dickent te wets den genen die hem die penninghen gheuen Gracie gods isser gram omme. haer dunct datmense luttel prijst of eert alsmense alsoe vercoopt ende te weets laet om soe luttele Ende oec en is si niet wel ghepaeyt dat die gene diese ter eeren bracht heeft haer weder doen die voerseyde schande De hant mit hare hakinghe is van sulcker condicien ende manieren dat si op een tijt vercoopt ende op een ander tijt vercoopt si weder Bi den welcken die properlic spreken wille als zij vercoopt Gheseterye. ende als zij coopt Symonye is geheeten. maer ghemeenlic symonie is beslutende beede die namen Van deser haec en sijn niet sonder dye luden die misse doen singhen om te belouene ende te geuene ghelt den papen. oeck diese doen en sijn der oec niet sonder ende dier gheelt of nemen. maer zij slachten den valschen verrader iudase die ihesum om dat ghelt vercofte ende noch meer zij sijn arger dan iudas was. want als iudas sach dat hi quaet gedaen hadde hy gaf tghelt weder. maer sij en doen niet alsoe. ghene redene noch predicacie en dedet hem weder geuen. ende wilstu weten hoe dat comt ic segge di voerwaer dat die sack die ghi mi siet dragen heeft enen soe subtilen inganc dat soe wat

[60va] datter in geworpen is en mach niet weder vte hij is ghelijc eenre hilten daermen vissche in vaet daer is wel een inganc maer daer en is gheen wtganc Ende om dat al daer in geworpen moet sijn al dat mijn handen betrapen connen ende alle die se hebben. dair bi so en macher gheen dinc vte maer het moeter alte male in roten

Toen liet ze me omlaag kijken in een put en daar zag ik een groot plein waarin een mooie gefundeerde kerk naast een schaakbord stond. Daarin waren kleine en grote schaakspelen waarvan dat ik zag die rokken en de ridders en de koning die groot wonder daarin wrochten. Elk had een zwaard omgord waarvan ik me zeer verwonderde want te andere tijden had ik schaak gespeeld en nooit zag ik het op zo n manier. De lieden gelaat was erg fier want ter kerken waart gingen ze en wilde die kerk neer vellen. De koning ging voren en ondermijnde dat fundament met de kruisen van een bisschop waarvan hij zijn houweel en spade had. Dat scherpe beneden van het kruis was uw spade en dat kromme boven dat was het houweel. Ach, zei ik, toen ik dit zag, ik ben zo bang, is het droom of dolheid dat ik daar zie, is dit dat wonder en dat jammer daar u me van sprak, het is zeker droevig, jammer dat ik niet zie wat me verlangt te zien. Toen zei die kwee, het is waar dat ik u zei, zie daar de koning van het schaakspel en zijn rokken en zijn ridders die al hun punten geschaard en geordend hebben. Genoeg hadden ze aan hun lieden land en aan hun lieden goed was ik er niet, want ik belet alles en ik laat hen ander lieden goed bejagen en krijgen in andere landen, maar ik mag niet gedogen dat hun zak vol is zonder elders te nemen en daarom zend ik ze tot die kerk die bij het schalen staat om die eerst te beroven en te nemen. Eerst de koning die de kerk funderen en recht zou houden. Die heb ik een edel instrument gegeven om kerel werk te doen; dat is dat kruis van een bisschop waarvan hij zijn spade maakt en zijn houweel. Een kruis, dat is een eerlijk instrument, maar de koning is het een schandalige zaak te delven en te houwen en die fundamenten te ondermijnen die zijn voorvaders gefundeerd hebben en andere edele heren. Nu doet hij werk van een boef als hij slaat en spit en delft en hij maakt zijn spade van het kruis die krom is en waarmee men die heilige kerk besturen zou. Ook is hij een boef die het kruis toebehoort en de stok waar zijn kerk mee zou zijn geregeerd, gegouverneurt, gevoed en geerd aan diegenen geeft die er spade en houweel van maken om mee te breken en te vellen die heilige kerke omdat ze bij het schaken staat. De ene is boef en zo is de andere ook, maar ik zeg niet welke de grootste boef is. De koning met de spade houwt en delft daar de kerk zich van beklaagt en beweent en die gehorende kornuit die levert hem dat instrument als hij hem de tienden geeft zijn kruis en zijn macht geeft hij hem als hij hem dat recht van de kerk laat gebruiken. Hiervan profeteerde Jeremia een jaar en lamenteerde en weende want toen hij zag dat men ondermijnde en delfden en dat ze betaalden tienden en tol, hij zei in zich verwonderend en jammerlijk al klagende hoe dat het was dat uw prinses en uw moeder van alle wereld dat die was geworden tribuut te betalen en zelf onderdanig. En wie dat durfde te doen gelijk of hij zeggen wilde dat men wel om moest wenen. Nu zo ween dan en drijf grote rouw zoals ik u gezegd heb. Die kerk is alom ondermijnd, haar ontbreekt weinig, ze is neer gevallen om haar te vernielen. Zo stelt zich elke koning, oude ridders, rok en vrienden. Al het schaakspel volgt de koning. Maar alles dat ze doen dat is bij mij. Ik laat die lieden doen alles dat ze doen want ze zijn al lang mijn scholieren geweest. Daar is geen rok of koning die hem fier maakt, ze zijn me alle onderdanig, ze studeren alle in mijn boek of ze komen vroeg of laat. Jeremia verkondigt het in zijn derde kapittel. Ik antwoorde en zei dat ge me zeer verwondert maakt. Ge moet me zeggen als het u belieft wie ge bent want ik kan niet zien dat u zulke macht mag hebben want u bent naakt en armoedig gekleed, krom afgebeeld en bultig en tegengesteld en tegen de wil van de natuur gewonnen zoals het me lijkt. Hoe zou u macht hebben over koningen en graven en dat ge hun vrouwe zou zijn want ze zijn gewonnen bij naturen en van edele geboorte. En ze antwoorde me, wil ge mijn naam weten, ik ben diegene die toverij over me draagt waar ik de lieden mee betover als ik wil. Ik maak me lieflijk en mooi, gracieus en begeerlijk en dat als ik gemind ben direct alles dat ik gebied is dat gedaan. Ik betover hertogen en graven dat ze werken moeten naar mijn toverij en naar mijn gebod. Ik ben Besaycis dochter, die koning lacht als ik lach en hij is droevig als ik droevig ben. hij gedoogt dat ik zijn kroon neem als ik die hebben wil. Hij geeft die aan mij. Aldus zal he het beschreven vinden in Esdras boek in het tweede kapittel. Hier vroeger had die koning een lief en een vriendin die lang met hem was in gezelschap en die hij zo beminde dat hij haar al zijn schatten gaf te dispenseren en te geven aan de armen en de religieuzen. Ze heet liberaalheid en was hier vroeger van grote naam. Ze beminde de koning zo zeer en wilde overal zijn eer bewaren en ze gaf zo veel van zijn schatten zodat hij er grote eer en prijs mee bejaagde. Nochtans was zijn schat nog zijn goed niet vermindert maar het groeide altijd veel meer aan. Want gelijk dat het koren dat gezaaid is veel meer profijt doet dan dat het stil op zolder ligt, dergelijke dat aan God gegeven is is beter dan dat al stil verzameld ligt. Nu versta me als ik zeg uw koning aldus te eren en lief te hebben, ik peinsde ik zou de allemaal nemen. Alzo ik peinsde deed ik. In die kamer van de koning zo ging ik en zoveel deed ik met toverij dat de portier me inliet. In het bed van de koning ging ik liggen en bij hem vond ik liggen zijn lief, ik stal haar van hem en benam ze hem en deed haar uit de kamer en ik sloot haar op in een gevangenis en in die gevangenis is ze nog en zal er nog lang blijven. Daarna ging ik zelf liggen in konings bed op dezelfde plaats daar zij plag te liggen. De koning waande dat ik zijn lief was, maar neen, ik niet. Ik betoverde en verdroeg en aldus bleef ik zijn schatbewaarster. Ik bewaakte hem van al zijn groot goed, zijn goud en zijn zilver. Hij waant wel dat ik hem eer doe, maar ik doe hem genoeg schande en zal doen al zijn leven alzo lang als ik zijn waardin zal zijn. Geen ondierlijker lief mag hij hebben al om zijn goed dan ik ben. Wil u weten wie ik ben en van wat geslacht en hoe ik heet, dan zal u weten dat ik was geboren in de afgrond van de hel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Satan won me daar en vandaar zond hij me te Cahors en daarnaar heet ik Cahorsine want ik was daar gevoed. Enige ander noemen me vrekkigheid en van andere ben ik begeerster geheten omdat ik andere lieden goed begeer en vrekkigheid heet ik om mijn goed dat ik te nauw bewaak en houdt. Nu noem me alzo ge wil en wees niet verwondert al ziet u me aldus naakt en slecht gekleed want u moet weten dat ik mezelf niet gedoog om me zelf te pijnigen met mijn goed. Ik heb kleren genoeg aan te doen, maar weet dat ik ze eerder zou laten rotten en de wormen eten eer ik er andere deugd daarmee deed of gemak, ik zou genoeg goede vrienden hebben kon ik die de mijne delen en geven te punt. Welk goed ik verloren laat en dat me nergens voor dient. En in dat punt slacht ik de hond die op een hooitas ligt en als iemand zijn hand daaraan doet bast hij en roept, nochtans hij eet het zelf niet. Ik heb handen genoeg om te nemen, maar geen hand heb ik om te geven. Die handen van mijn geven zijn afgeslagen alzo u mag zien. Ik heb maar die stompen. Zot is hij die van me giften eist. Ik zoek niets dan geld te graag, dat is mijne taak en mijn ambacht. Ik heb zes handen om te grijpen in zes manieren en in mijn zak te steken om me goed te laden. En was het alzo dat ik neerviel zodat ik niet mocht opstaan zo ik meer heb zo ik meer wil hebben. Onmatig is mijn gepeins en mijne begeerte daartoe. Daar is geen vervullen aan, nog geen genoeglijkheid. Ik ben die grote gheynstre (geest ?) van de zee die het al verslindt en verzwelgt zonder uit te werpen. Ik last me en laadt met metaal en dat het meeste weegt, dat is goud waar ik een blok van maak en waaraan ik me hecht zodat met recht men mij niet anders durft te noemen een geblokt scharminkel. Het schijnt dat ik de blok bewaak maar het bewaakt mij veel beter. Het bewaakt me en beweert dat ik niet opsta en houdt me en druk het neer. Judas die uw koning verraadde hing eens per jaar dit blok aan zijn hals. Want in zijn handen en in zijn beurs deed ik zo veel ijzer en metaal zodat ik hem van boven schandelijk neer liet vallen en in de afgrond van de hel tuimelen: Nu zal ik u zeggen en declareren van mijn zes handen waarmee ik pleeg te verzamelen en vergaderen met grote hopen en het metaal en het koper te trekken alzo ik u voor gezegd heb. Ik waant dat u niet zulke kwade handen zag binnen uw leven die u erg gauw zal proeven. De eerste hand die gewapend is met griffoen nagels die is geheten rapina die haar edel maakt en zegt dat men haar laat haar prooi gebruiken daar zij het vinden en krijgen mag. Waarbij ze vaak in bossen gaat te roven en de pelgrims op de weg te vermoorden. Ik heb gezegd, zei ze, kromme nagels. Niemand moet me weerzeggen dingen die ik begeer en na dien dat het alzo is zo mag ik alom prooien nemen en aan me trekken, wie het lief, wie het leed is. Aldus zo neemt deze hand haar solaas en speelt in deze zaken, doende en doet menig kwaad bij dag en bij nacht. Het is die hand van Reinaert die de kuikens vangt en grijpt. Ze neemt paard en wagen en alle soorten proviand die de goede lieden hebben gemaakt voor hun verteren. Heeft een arme man een zwijn of een koe om te bewaken, zo neemt zij het hem en haar kan het niets schelen al heeft die arme man zijn rok daarvoor te lommerd gelegd mits dat haar begeerte vervuld zijn. Met deze hand zo snij ik het en al snijdende zo trek ik het al en breek en als ik scheer vil ik alles af zonder er iets aan laten. Ik doe alzo de spin doet. Want alzo lang als die vlieg merg of bloed in zich heeft zo zuig ik het allemaal uit zonder er iets in te laten. Deze hand is scherend en villend van de arme lieden. Ze zoekt het hare onder het vel om meer te nemen en te plukken. En als ze dan aldus die arme gevild zijn en geplukt en uitgetrokken, die een lijf in die lieden waanden vinden hij was zot. Aldus zo peinsde ik u te villen en te plukken en van u te maken mijn spijs om uw bloed te verteren en uw merg alzo te zuigen en waar u mee leven zou aan mij te trekken, maar eerder zo zal ik u vertellen van mijn andere vijf handen alzo ik u beloofd heb. De andere hand die ik achter op mijn rug draag in wonderlijke manieren dat is die hand daar ik mee neem en aan me andere lieden trek en goed bedekt en geheel stil. Het is die hand die de voeten doet balanceren of dansen en de horen snijden. En is geheten beurzensnijder en besteelt u lachend. Het is die hand die geen handschoen durft te eisen en durft zich niet te vertonen dan bij nacht. En als de maan niet schijnt, ze heeft kromme nagels gelijk de andere hand, maar zo veel is er aan dat haar trekken en haar plukken niet zo bekend wordt nog te weten zoals het doet van de andere wat zeer jammer en ongevallig is. Genoeg trekkers en hakers zijn er nu omtrent de koning en dat wordt de mens gewaar, ze zouden de koning genoeg nadelig zijn. Zulke lieden laten van andere lieden het goed nemen en gewinnen omdat hij van de zijne niet gebruiken mag. Deze hand is openen en breken van huizen en breken van kisten en verstrooiing van van nobele en afbeelden van valse zegels en valse sloten te maken en een onttrekking van geld. Deze hand ontkleedt de dode en houdt vensters en deuren gesloten tot de tijd dat ze genomen en gehaakt heeft alles dat ze wil en is een excuseren van hergebruik en uitgeven, zo zeg ik u dat ze tot zich zal trekken en houden van het beste en van het mooiste. Van zo n hand die lieden die bij nacht uitgaan, valse boswachters en valse bediende die al zulke dingen bevestigen en lieden die vals dienen en die ontrouw werken en lieden die hun reden vullen zonder enige reden daartoe te hebben. Valse schippers en andere die van andere lieden goed zo milddadig nemen, recht was het dat men zulke handen ophing. Niet te min zullen ze nog gehangen worden als zij het lang genoeg gedaan zullen hebben. Tenslotte zal ik ze alle hangen alzo ik menige andere gedaan heb. Toen zei ik, bent u dan hangdief? Ja ik, zeker, zei ze. Ledigheid zei me dat zij het was en ze is het, maar dat is alleen van de zielen en ik ben van beide, van het lichaam en van de ziel. Nu zeg me, zei ik, zo helpt u God, wie hing het lichaam van Judas, of zij of gij en belieg me niet. Ik zeg u dat wij het alle beide deden onder ons tween. Wij maakten de strop omtrent zijn keel en bij overeenstemming hingen we hem en trokken hem omhoog. Maar had hij mijn hand gezien, nimmermeer had ledigheid hem op mogen tillen omdat hij zo zwaar was en het behoorde haar ook niet toe. Daarom principaal zo zeg ik u dat mijn hand het werk en feit deed. Van zo n hand zo wacht u want ze doet de achterhoede en neemt de lieden subtiel en daarna als ze kan zo hangt ze het. Van de hand die de vijl houdt wil ik u zeggen want ik heb het hart. Dat is die hand waarmee ik trek en verzamel en tast dat andere lieden bewerkt en bezuurd hebben en met bezweette leden gewonnen hebben. Ze is gemaakt tegen natuur want in alle tijden zo doet ze niets anders dan ze broedt het ijzer en koper om andere te broeden en te winnen. Andere handen laten het verminderen met eraan te komen indien ze daaraan komen. Maar deze laat het desondanks groeien, dat is de natuur en heeft toverij waarin ze groot is. Want bij haar goochelen doet ze van een Tours een Parijs worden en van vijf maakt ze er zes koen, die niet sterven mogen smijt ze zonder een slag te slaan en in het einde doet ze het schijnen anders dan het is. Ze doet koren op zolders en dan houdt zij het zo lang totdat het koren duur is en dan verkoopt ze het voor het dubbele en meent er dubbel betaling van te hebben. Ze heeft die vijl om te vijlen andere lieden substantie en te verkwisten. Weinig en weinig gaat ze knauwen waarbij het bij de lieden geen goed ding is dat bij haar duren mag, ze zou het verslijten en al gaande eten. Woeker heet men het bij haar naam want bij haar zo is versleten dat leven van diegenen die ze pleegt zijn tijd te hanteren en was ze niet zo goed in gewoonte zou elk gevaar van haar hebben. Maar zo goed is ze in het gebruik dat ze in markten bekend is geworden. In markten gaat ze die lieden elk voor vijlende. Niemand is er nog beproeft het, de baljuw die weerlegt hetgeen dat ze doet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zeg me, zei ik, van het gewicht waar u zo vlijtig mee de Zodiac en de zon weegt want het is een zaak die me zeer verwondert. Nu leer, zei ze, en versta want ik zal u niet beliegen. Gratie God zet eens per jaar de zon omtrent de Zodiac om elk te verlichten en om de hele wereld algemeen te zien. Elk wilde dat ze die algemeen waren en dat er niemand gebrek van had. Nu zeg ik u dat me dat deerde en leed was want mijn profijt zag ik er niet in. Want ik zag wel dat had ik de tijd niet tot mij toe en in mijn hand dat ik weinig met mijn vijl werken mocht en dat ik weinig vijlen zou en daarbij zo trok ik ze naar mij. De Zodiac, de zon en de tijd maakte ik mijne en legde ze in mijn schaal. Ik maak er me handel daarvan of ik verkoop ze met weken en bij dagen, bij maanden en ook bij jaren en het jaar geef ik wel voor 20 pond, de maand voor 9 penningen, de week voor 5 of voor 6, na dien dat een mens koopt of verkoopt en daarna weeg ik. Nu zeg me, zei ik, ik bid u van een houthakker die me hout verkocht in zijn bos en hij zei dat hout is voor u voor 30 schelling op dat ge me nu gelijk mijn geld geeft, maar wil u een jaar borgen dan moet ik 40 schelling hebben om te weten of deze persoon de Zodiac verkocht of woog. Daarvan, zei ze, za ik u zeggen alzo ik het gehoord heb. Hier vroeger verkochten de houthakkers hun hout al staande en groeiende en zeiden; wil ge mijn hout hebben zal ge er nu zo n prijs voor geven. Maar wil ge een jaar wachten zal ik het duurder moeten verkopen. Want op het eind van het jaar zal mijn hout beter zijn en meer gegroeid. En alzo zou het dan beter zijn verkocht hij u aldus het hout. Dus lijkt me dat hij de tijd niet weegt, maar was het hout neer gehouwen waan ik dat hij de tijd gewogen was want een ding dat nog verbeteren nog groeien mag en om lang te borgen te duurder verkocht wordt is de Zodiac en de tijd gewogen. Maar als een ding groeien mag en men het dan duurder verkoopt, ik waan en geloof dat dit groeien is gewogen en anders niet. Die houthakkers, zei ik, die verkopen nu hun hout niet meer staande maar gehouwen en geveld lang te voren eer het verkocht mag zijn en nochtans zo beloven het als ze terstond niet betaald worden. Toen antwoorde ze me zei: Ik zal u nu zeggen wat me op het hart ligt en ook wat er van komt. Was het dat de houthakkers hun hout niet velden voor de tijd dat de kooplieden kwamen zouden ze lang wachten eer ze hun hout verkopen zouden. De kooplieden toen ze geen hout geveld nog gereed vonden zouden zeggen laat ons elders gaan zoeken want onze zaken hebben haast en we kunnen niet wachten. En daarbij zo was het geordend om het algemeen profijt dat de houthakkers hun hout gereed maakten eer de kooplieden kwamen en al bereid vonden en dit was een goede verorderning en groot voordeel om diegenen die timmeren wilden en timmerhout nodig hadden of die hout branden wilden en daarbij moeten ze niet die hoffelijkheid verliezen die ze doen dat ze alzo hun hout tevoren gehouwen hebben dat zeer verbeterd mocht zijn en gegroeid binnen een jaar. Zodat ik waan dat zij het wel duurder verkopen mogen zonder misdoen. Ja, zodat zij er geen kwaadheid of bedrog in peinzen te doen want op zo n manier zouden ze de tijd wegen en de Zodiac. En bij avonturen zo doen ze ook, maar ze mogen zich daarmee dekken mits dat het aldus in gebruik is en lange tijd gebruikt. Nu buig en spel het alzo u wil van de hand met de schotel, zo wil ik u van andere nieuws zeggen. Deze hand is geheten truweel of troffel. Bij namen van brood om goed. Ze is diegene die de kruimels in haar zak verzameld heeft en nochtans zo zijn ze alle er zo lang dat ze beschimmeld worden. Het is diegene die bidt om goed en u diegene die nergens gelag betalen wil, noch geen ding dat zij verteert en wil niet dat iemand haar verbeterd van geen hoffelijkheid die ze doen zou. Met de schotels zo bejaagt ze haar lijftocht schandalig en oneerlijk, hoewel dat zij het verbeteren mocht wilde ze pijnen en werken. Het is diegene die me aldus gebedeld heeft en gelapt alzo u ziet. Geen ding kan ik doen dan bedelen en zakken maken om trawanten te dragen. Ze leidde me naar de grote weg daar pelgrims gaan of grote heren om aalmoezen te eisen en omdat ze meer barmhartigheid op me zouden hebben en beter geven zo maak ik me de helft meer zwakker dan ik ben en armer. En nog zeg ik u meer, dat zij me kreupel maakt en mank en afgebeeld van voeten en van handen en op krukken moet gaan en roepen ailaas zonder reden en dat ik geen ziekte heb en dat ik vaak zat ben, nochtans zie ik lelijk op diegene die me niets geven en die me tegen spreken. Deze hand lenen deze edele lieden voor hun trawanten, wel kunnen ze hun grote valken handschoen ermee bedekken en af doen als zij ermee trawanten tot deze religie willen hebben zo bieden ze die zonder schaamte daarvan te hebben en zeggen; geef haar van uw vellen, nu geef me kapoenen voor mijn valken en een oude schoen heb ik groot gebrek en een halsband om mijn hazewind en van uw kaas zend me en dus laat niet. Ik heb een rok van uw witte laken, leen me acht dagen een paard om hier of daar te rijden, leen me een wagen om mijn hout te vervoeren en om mijn land te eggen twee ploegen of drie, ik zal ze u weer zenden. Aldus behelpen ze zich met mijn hand en aldus zo lenen ze met ander lieden goed en het van hun schandalig en zondig sparende die dus grote overvloed hebben. En het schijnt dat die lieden denken dat die arme lieden niets hebben zonder hun behoefte. Dat u gezien hebt alsof ze niets hebben al dat ze eisen of begeren en geen excuus willen ze hebben, maar hebben nijd alle die van het huis. Nu beziet of ze me wel minnen mogen als ik hen aldus laat dragen die schotel van de trawanten en steek mijn hand in hun handschoen in mijn zak en mijn schotel aan hun arm laat dragen. Het is een nieuwe praktijk en manier dat een ridder of een edelman me brood bidt die zo oud en zo grijs ben.

 

 

 

 

 

 

 

Nu bid ik u wil me toch zeggen van de hand met de haak want van deze hand heb ik genoeg gehoord. Toen antwoorde deze oude kwee en zei: Die hand met de haak was hier vroeger gevist in de afgrond van de hel. Symon Magus en Gyesi die brachten het tot me hier en deed me er een present mee en gift, maar de haak die gaf hem Symon van de eerste figuur van zijn naam gelijk een haak is het gevormd en dat zie je wel voor uw ogen en is geheten simonie. Deze haak en deze figuur toont dat ik ben abdis, maar het is van een lelijke en zwarte abdij en daar men leeft van een kwaad en vals leven met dit kruis en naar deze Symon is dit kruis geheten Simonie. Het is een hand die geleidt en brengt de dieven in Gods huis bij valse streken en daar zijn grote gaten zonder ter deur in te komen of te gaan: En als zij ze daarin gehaakt heeft met haar valse haak dan maakt ze met haar haak van die lieden een kruis en maakt ze wachters van schapen en voeders. Wachters en voeders noemt men ze, maar het zijn diegene die zichzelf voeden en zoveel doen dat men ze beter wolven noemen mocht dan schapenhoeders. Met hun kruisen verjagen ze en verontwaardigen Gratie God en steken haar uit de troon en uit haar majesteit bij ware giften. Op een tijd maakt ze hen kopers en op een andere tijd verkopers en om geld zo leggen zij het vaak aan degene die hen die penningen geven. Gratie God is er gram om. Ze denkt dat men ze weinig prijst of eert als men ze alzo verkoopt en te weten laat om zo weinig. En ook is ze niet goed gepaaid dat diegene die ze ter eer gebracht heeft haar weer doen die voor vermelde schande. De hand met haar haak is van zulke conditie en manieren dat ze op een tijd verkoopt en op een andere tijd verkoopt ze weer. Waarbij die netjes spreken willen als zij verkoopt Geestelijkheid en als zij koopt Simonie is geheten. Maar gewoonlijk besluit simonie beide die namen. Van deze haak zijn uw lieden niet zonder die mis laten zingen om te beloven en te geven de papen geld. Ook die het doen zijn er ook niet zonder en die er geld van nemen. Maar zij slachten de valse verrader Judas die Jezus om dat geld verkocht en noch meer, zij zijn erger dan Judas was want toen Judas zag dat hij kwaad gedaan had gaf hij het geld weer terug. Maar zij doen niet alzo. Geen reden nog predicatie laat hen het weer terug geven en wil u weten hoe dat komt, ik zeg u voor waar dat die zak die ge me ziet dragen zon subtiele ingang heeft dat zo wat dat er in geworpen is kan er niet weer uit, het is gelijk een greep of haak daar men vissen mee vangt. Daar is wel een ingang maar er is geen uitgang. En omdat alles daarin geworpen moet worden al dat mijn handen betrappen kunnen en alle die ze hebben. Daarbij zo mag er geen ding uit maar het moet er allemaal in rotten.

 

 

 

 

Als si my aldus vertelt ende gheseyt hadde van deser handt dat groot spijt. ic badt haer voert dat si mi segghen wilde van der handt die si gheleyt hadde op hare quetsuere Sy antwoerde my ende seide Die handt is gheheeten baraet ende bedriech die hair altoos pijnt om bedrieghen die ghene dye onschalc sijn ende sonder malicye. of die onnosel ende onwetende sijn van comenscappen mit valschen gewichte ende mit valscher maten soe metet zij. Ende weder zij coopt of vercoopt van elcken zoe vseert zij dubble mitter groter elle wil si meten dat si coopt ende dat si vercopen wille dat can zij wel meten mitter cleynder ellen. ende dies ghelijke doet si mitter balancen ende ghewichte dat zijre in leit wel can si wisselen ende keeren teghen dat si geeft of neemt. nye soe en mat si gerechtelic noch en woech mit iuusten gewichte. sulke saken doen gode spijt dat vindic ghescreuen in prouerbi[60vb]en Dese hant maect den laken gereders cortmen om dat die verwe te fijnder soude schijnen vanden lakenen ende oeck soe gheuallet dickent dat si thont goede pennewaerden. ende dair na als si vercoft sijn soe heeft si andre van sulcker verwen die si gheeft den coepman in die stede. Harde veel quaets doet dese hant op eenen tijt broedet zij paerde ende doet die quade goet sijn of schijnen den ghenen diese copen wille Een ander tijt voert si achter lande valsche heylichdoeme dye toent si den simpelen luden om valschelijke ghelt te beiaghene. op een ander tijt nemen si oude beelden in de kercke ende maect tbeelde gaten int hoeft om den papen te doen winnen ende in die gaten die si gemaect hebben doen si olye ende dan alst neder loopt soe seyt men dat zweet is ende dat by miraculen dat beelde zweet ende om dat te bet die miracule ge geopenbaert soude sijn so ga ic spreken die truwanten ende doese conterfaiten dat si schijnen cropel ende stom ende in sulcken punte doe icse comen voer tbeelde ende roepen Ay laes heilich beelde gheneest my want naest gode staet al mijn hope an dy ende mijn geloue Ende dan voervoets so hefficse op mit mijnre hant al ghesont ende genesen ende dat en is gheen wonder. want si en hadden gheen siechede noch quetsinge. sonder meer mijn

[61ra] euel hadden si ende anders niet mar die sotte luden en wistent niet si rekendent ouer myrakel ende seggen dat die ymage gedaen heeft ende aldus soe wint die pape ende maect men ene valsche feeste. menich ander quaethede heeft die hant ghedaen ende noch alden dach doet. mair ic en wilder dy niet meer of spreken want ic hebbe niet ghenoech te seggene Doe seide ic nv wilt my seggen waer bi dat dijne hant die du hebs op dijne ghequetste hancke soe dickent comt an dijne serpentige tonge Doe seker antwoerde si my mijne tonge seit si die versaeit is die is geheten verzweren ende mijne seere hancke heet ic loghene Ten desen tween dingen soe volcht bedriech die grotelic hare kennisse ende vriendinne is. gaerne soe trect si te hem waert. want van bloe bestaen si malc anderen. bi hare was gemaect loghene Si is oec verzweeren gheboren. want versweeren en mach niet wesen of toe comen ten dade logene. ende logene ende versweeren en mach niet sijn sonder bedroch dit zijn drie dingen van eenen accorde Hoe dat si groot onrecht hebben. dit is die redene waer bi dat mijne hant leent op die quetsure. Ende waer bi dat haer onderwint die tonge te tastene ende te visenterene. Nu segt my seyde ic waer bi dattu dijne tonghe heets verzweeren ende dijne [61rb] ghequetste hancke loghen Sij seyde my hier voermaels op enen tijt ontmoet ic waerheden ende gherechticheden comende in mijnen wech die ghingen om haer broot. ende waren seer arm si haden doe luttel vrienden so en hebben noch dat dunct my Doe icse sach doe hadde ic my gaerne vten weghe ghemaect op dat ic haer niet en soude gemoeten om dat ic luttel an hem luden winnen mochte. Ten lesten liet ic haren wech ende begonste te lopene ende te vliene achter velde sonder wech te houdene Daer geraectic te vallene ouer eenen berch daer questic mi mair noch al en bin ics niet ghenesen noch en sal alsoe langhe als ic sal leuen Manc bin ic ende crom ende houtende ten danse ga ic trappende Mijn seer ende mijn manchede heet ic bi name logene. want gheene soe lelijke manchede en is als logene. maer niet te min si is mi seere nootsakelic om dat ic te doene hebbe vele te eer is mijnen sac vol ende vele te bet so vindic neringe dan of ic recht ginge. ende die sulke comt nv tot mi die van mi vlien soude Nu daer bi seg ic di dat aldus manc gaende ende aldus mit logenen in my soe wast soe grote hitte ende soe groten brant ende begheerte van meer te hebbene dan ic hebbe dat ic mijne tonge wt trecken moet gelijc enen hont diet heet heeft Tes conincs [61va] houe Soe sach ic na dat ic recht gehoort hebbe. ende segghe dat ic aduocaet sijn sal ende dat ic my van rechten onderwinden sal. daer doe ic enen eet dat ic mijne tonghe niet recken en sal om nyemens wille het en ware of hi goet recht hadde. mar als ic den stijl gesien hebbe ende een stick clappende gegaen hebbe mit logenen ende mit zwerne. weder dat recht is of onrecht van mijnre tonghen en doe ic gheen verdrach te treckene als ick sie dat icker ghelt of sal hebben Ende oec so seg ic di dat ic doe recht als een ghewichte doet die neder daelt daert tghewichte meest in is. dies ghelijke daer ick meest ghels zie darwaerts treck ic mijne tonge. menichwaruen is mi gheuallen dat lude tot my quamen ende baden my dat ic hem helpen wilde ende dat ic hare sake orconden wilde ende dat ics stoutelic mijnen eet dade dat si goet recht hadden. maer weetstu wat ic dedet seker dat als men my ghelt brochte om te sackene dat ic cort ende lichtelijc zwoer dat si goet recht hadden ende mit goeden rechte dinghen ende nochtan soe wistic wel dat al andersins was Sulcke maniere van clappene van te keerne ende totkeerne dat recht in onrechte ende dat onrecht in rechte om in mijnen sack te bringhene ander luder ghelt Hier om heet mijne tonge verzweeren. ende [61vb] oec soe seg ic di dat si versaeit is bij groten loghenen ende bi zweerne ende by hitten die zij heeft ander luder goet te vergaderne bi valschen loghenen ende bi valschen eeden. so vele heeft si ghelogen ende ghezworen dat zij nymmermeer gheloeft en wert of Canon ende leges moeste verkeeren. an haer soe machmen my wel kennen. want sulcke tonge en is niet menschelic. nature souts haer belgen waert soe dat man of wijf an haer trecte mitter tonghe yser of coper ende deder mede alsoe man ende wijf te gader plegen te doene. ende daer an mogestu wel sien dat ic natueren niet toe en behore ende dat ic van hare geslachte niet en bin noch nye en was ic van haren wercke. ende noch sulstuut bet weten alstu suls horen van mijnen monde Wel versta ic seyde ick dattu my collacie daer doen suls. ende daer na dattu niet en vergetes my te seggene vanden afgod die du drages op dijn hoeft Mijn mont seit si dat sijn die ghene die crom sijn die hem sijn sculdich te lijnene bi rechter regulen hets eene sake oueruloeyende die alle regulen crom maect ende belet dat recht is Du suls weten dat hi die gene is die den rijken doet slachten ende gelijken den kemele die om sine groote bulte niet lijden en mach doer dnauwe wijket Als een mensche is gegaen doer een clyen wijket al naect ende hi [62ra] daer weder doer lijden moet eest dat hi bulen maect tusschen beeden hets goet te wetene dat hi niet lijden en mach of tgat en ware gemeerdert of hi moet sine bulen weder of doen Lieden die in religioene trecken bi beloften ende bi professe ende doir poortkijne die nauwe sijn Eest dat sake dat hi daer na bulen ende boetsen maect in te vergaerne dat hi ghelaten heeft ende geloechent seker hi en sal niet mogen lijden doir dat wijnket van hemelrijcke ter doot. dwelcke dat nauwe is alsoestu gesien hebs Dese bulte heet Prosperitas dye haren surgien armoede soe seere ontsiet dat zijse niet ontbeyden en dar om dat zijse soude willen vlyemen. ende suueren. want dies gelijke dat een schorft hoeft van ghenen wel cammene en verblijt Deis gelijke had prosperitas dat is medespoet ofte goet geluck aermoeden Ende alsoe doe ic oec mede. want alsoe ic crom bin ende dese cromme ende gebulte die in dese cloesters begeuen sijn die zijn mine mage ende meer dan andere mine vrienden Neffens der regule so sijn crom ende bi rechten wege soe gaen si crom ende van nyement en willen si begrepen sijn Hier na sulstuut wel weten alstu van mijnen gebulten suls sijn dat sal sijn mach ic harde cort. maer eer sal ic di een woert segghen van mijnen afgod die mijn here ende mijn god is alsoe waen [62rb] ic sal hi de dijne sijn Nu wacht v so du best moghes al hebstune weder seyt djn god sal hi sijn wilstu of en wilstu mijn mamet mijn god dat is die penninc van goude of van siluere daer in dat geprint is die figure vanden hogen meestre vanden lande hets een god die in borsen ende in scrinen gaern leyt bedectelic ende in potten rustelic ende inder eerdee mitten mollen. hets die god die verleent alle die gene die te hemwaert sien die den sotten haren oghen nederwaerts doet slaen ter eerden ende den mol wachten die ghene die den luden alsoe crom maect als ick bin het is die ghene die my ontfigureert heeft alsoestu sies ende onteert my leelic gemaect ende gheconterfayt. ende nochtan heb ickene so lief ende so wel behaecht hi mi dat ickene looue in ertrijke gelijc gode gheen dinc en is dat ic doen mochte ic en soudt doen om hem te treckene ende hem in mijnen hoec te leedene Hier voer maels briedic sinte lauwerencius op enen roester om dat hi mijnen scat genomen hadde ende geroeft. so seere min ickene dat icker of versotte ende dat ic dicwile verliese mijnen roc om hem mit menigerhande spele dat verboden is mit terlingen ende mit tafelspele ende ic gader om naect ende ontcleedt achter straten Ende om dat ic hem soe seere minne. so wil ic oec datstu hem goet samblant thoenes [62va1] ende dat hi van dy ghedient ende gheeert si. Nu zyet wattu te doen hebs want van my en hebstu niet meer vreden loeftene recht nv ende van allen punten gheeft di te hem op Alsoe als my aldus ghierichede parste ende bedwanc om haren valschen afgod te oefene ende te geloeuene. achter mi hoordic roepen mit eenre luder stemmen een voys [62vb1] die seyde helpe geselinne eest een man daer yegen dat gierichede al soe clapt ende niet en doet. gaen wy daer ende laetten ons bespringen ende genouch schanden doen. al te seere heeftsene gespaert waer of hi sculdich is geblameert te sine. seker du segs wair seit si dandre Nu laet ons grote naersteichede doen dat hi niet en ontgae ende dat hi hier doot bliue.

Toen ze me aldus verteld en gezegd had van deze hand was me dat grote spijt. Ik bad haar voort dat ze me zeggen wilde van de hand die ze gelegd had op haar kwetsing. Ze antwoorde me en zei: Die hand is geheten beraad en bedrieg die zich altijd pijnt om bedriegen diegene die niet schalks zijn en zonder verdorvenheid of die onnozel en onwetend zijn van koopmanschap en met valse gewichten en met valse maten zo meten zij. En of zij koopt of verkoopt van elk zo versiert zij dubbel en met grotere ellen wil ze meten dat ze koopt en dat ze verkopen wil dat kan zij wel meten met de kleine ellen en dergelijke doet ze met de balansen en gewichten dat zij er in legt, goed kan ze wisselen en veranderen tegen dat ze geeft of neemt. Nooit zo meet ik gerecht nog woog met juiste gewichten. Zulke zaken doen God spijt en dat vind ik geschreven in Spreuken. Deze hand maakte de lakenbereiders kort, omdat die kleur fijner zou schijnen van het laken en ook zo gebeurd het vaak dat ze thuis goede koopwaar waren en daarna als ze verkocht zijn zo heeft het een andere kleur dan ze de koopman van die plaats geeft. Erg veel kwaad doet deze hand, op een tijd broedt ze paarden en laat die slechte goed lijken diegene die ze kopen wil. Een ander tijd gaat ze in achter land valse heiligdom en toont ze de simpele lieden om vals geld te bejagen, op een andere tijd nemen ze oude beelden in de kerk en maakt in het beeld gaten in het hoofd om de papen te doen winnen en in die gaten die ze gemaakt hebben doen ze olie en als het dan omlaag loopt zo zegt men dat het zweet is en dat bij mirakels dat beeld zweet en om dat beter die mirakels u geopenbaard zouden worden zo ga ik die trawanten spreken en laat ze afbeelden zodat ze kreupel en stom schijnen en in zulk punt laat ik ze voor het beeld komen en roepen: Ailaas, heilig beeld, genees me, want naast God staat al mijn hoop aan u en mijn geloof. En dan gelijk zo hef ik ze op met mijn hand geheel gezond en genezen en dat is geen wonder want ze hadden geen ziekte nog kwetsing. Zonder meer mijn euvel hadden ze niets anders, maar die zotte lieden wisten het niet, ze rekenden het voor een mirakel en zeiden dat de verbeelding het gedaan had en aldus zo wint de paap en maakt men een vals feest. Menig andere kwaadheid heeft die hand gedaan en nog doe alle dagen. Maar ik wil er u niet meer van spreken want ik heb niet genoeg te zeggen. Toen zei ik, nu wil me zeggen waarom dat uw uw hand die u hebt die op uw gekwetste heup zo vaak aan uw serpentachtige tong komt. Doe het zeker, antwoorde ze, mijn tong, zegt ze, die voor gezegd is die is geheten verzweren en mijn zere heup heet ik leugen. Met deze twee dingen zo volgt bedrog die zeer haar kennis en vriendin is. Graag zo trekt ze tot haar toe want van bloed bestaan ze elkaar. Bij haar was gemaakt leugen. Ze is ook verzweren geboren want verzweren kan er niet wezen of toe komen deed leugen het niet en leugen en verzweren kan niet zonder bedrog zijn. Dit zijn drie dingen van een overeenstemming. Hoewel dat ze groot onrecht hebben en dit is de reden waarom dat mijn hand leunt op die kwetsing.

En waarbij dat zich de tong onderwind te tasten en te onderzoeken. Nu zeg me, zei ik, waarbij dat uw tong heet verzweren en uw gekwetste heup leugen. Ze zei me, hier vroeger op een tijd ontmoette ik waarheid en gerechtigheid die in mijn weg kwamen en om brood gingen en zeer arm waren, ze hadden toen weinig vrienden zo zenog hebben wat me lijkt. Toen ik ze zag had ik me graag uit de weg gemaakt zodat ik hen niet zou ontmoeten omdat ik weinig aan die lieden winnen mocht. Tenslotte verliet ik ze en begon te lopen en te vlieden achter velden zonder de weg te houden. Daar geraakte ik te vallen over een berg en daar kwetste ik me, maar nog steeds ben ik niet genezen nog zal alzo lang ik zal leven. Mank ben ik en krom en houterig ten dans ga ik trappende. Mijn zeer en mijn mankheid heet ik bij naam leugen want geen zo lelijke mankheid is er als leugen. Maar niet te min is ze me zeer noodzakelijk om wat ik te doen heb en veel eerder is mijn zak vol en veel te beter, zo vind ik nering dan of ik recht ging en sommige komen nu tot mij die van mij anders vlieden zouden. Nu daarbij zeg ik u dat aldus mank gaande en aldus met leugen in me groeit zo n grote hitte en zo n grote brand en begeerte van meer te hebben dan ik heb dat ik mijn tong uittrekken moet gelijk een hond die het heet heeft. Te konings hof zo zag ik nadat ik het goed gehoord heb en zeg dat ik advocaat zal zijn en dat ik me van rechten onderwinden zal. Daar doe ik een eed dat ik mijn tong niet rekken zal om niemands wil tenzij het was dat hij goed recht had. Maar als ik de stijl gezien heb en een stuk klappend gegaan ben met leugen en met zweren of dat recht is of onrecht, van mijn tong laat ik geen verdrag trekken als ik zie dat ik er geld van zal hebben. En ook zo zeg ik u dat ik doe recht als een gewicht doet die neer daalt daar het gewicht het grootste in is. Iets dergelijk waar ik het meeste geld in zie, derwaarts trek ik mijn tong en vele malen is het me gebeurd dat lieden tot me kwamen en me baden dat ik hen helpen wilde en dat ik hun zaak bewijzen wilde en dat ik dapper mijn eed deed dat ze goed recht hadden. Maar weet u wat ik deed en zeker als men mij geld bracht om zaken die ik kort en licht zwoer dat ze goed recht hadden en met goede rechte dingen en nochtans zo wist ik wel dat het al anderszins was. Zulke manieren van klappen van te keren tot omkeren dat recht in onrecht en dat onrecht in recht om andere lieden hun geld in mijn zak te brengen. Hierom heet mijn tong verzweren en ook zo zeg ik dat u ze u verzegd bij grote leugens en bij zweren en bij hitte die zij heeft van ander lieden goed te verzamelen door valse leugens en bij valse eden. Zo veel heeft ze gelogen en gezworen zodat ze nimmermeer geloofd wordt of Canon en leges moesten veranderen. Aan haar zo mag men mij goed kennen. Want zo n tong is niet menselijk, natuur zou zich verbolgen was het zo dat een man of wijf aan haar trok met de tong en ijzer of koper en deed er mee alzo man en wijf tezamen plegen te doen. En daaraan mag u goed zien dat ik de natuur niet toebehoor en dat ik niet van haar geslacht ben en ook ben ik niet van haar werk. En nog zal u het beter weten als u het zal horen van mijn mond.

 

 

 

 

 

 

 

Goed versta ik, zei ik, dat u me een toezegging daar doen zal en daarna dat u het niet vergeet me te zeggen van de afgod die u op uw hoofd draagt. Mijn mond, zei ze, dat zijn diegene die krom zijn die zich moeten lijnen bij echte regels, het is een overvloeiende zaak die alle regels krom maakt en belet wat recht is. U zal weten dat hij diegene is die de rijken doet slachten en vergelijken de kameel die om zijn grote bult er niet door door de nauwe weg gaan mag. Als een mens is gegaan door een klein gaatje al naakt en hij daar weer door moet gaan en is het dat hij builen maakt tussen beide is het goed te weten dat hij niet gaan kan of het gat was groter of hij moet zijn builen weer af doen. Lieden die in religie trekken bij beloften en bij professie en door een poortje die nauw zijn en is het zaak dat ze daarna builen en vormen maken in het verzamelen dat hij gelaten en geloochend heeft, zeker zal hij niet mogen gaan door dat gaatje van het hemelrijk ter dood die nauw is zoals u gezien hebt. Deze buil heet Prosperitas die haar zorgelijke armoede zo zeer ontziet dat zij ze niet wachten durft omdat zij het zou willen vlieden en bezuren want dergelijke is een schurftig hoofd die van geen kam blij is. Dergelijk had Prosperitas, dat isvoorspoed of goed geluk armoede. En alzo doe ik ook mede want alzo ik krom ben en deze kromme en gebulte die in deze kloosters gegaan zijn die zijn mijn verwanten en meer dan andere mijn vrienden. Naast de regels zo zijn ze krom en bij rechte weg zo gaan ze krom en van niemand willen ze begrepen worden. Hierna zal u het wel weten als u van mijn gebult zal zijn en dat zal erg gauw zijn. Maar eerder zal ik u een woord zeggen van mijn afgod die mijn heer en mijn God is alzo wanneer ik de zijne zal zijn. Nu wacht u zo u best mag al hebt u hem weersproken, uw God zal hij zijn wil u of wil u niet, mijn mamet, mijn god dat is die penning van goud of van zilver waarin geprint is die figuur van de hoge meester van het land, het is een god die in beurzen en in kastjes graag bedekt ligt en rustig in potten en in de aarde met de mollen. Het is die God die verleent al diegene die zich tot hem zien die de zotten hun ogen naar beneden laat slaan ter aarde en de mol bewaken diegene die de lieden alzo krom maakt als ik ben, het is diegene die me misvormd heeft zoals u ziet en onteert. me lelijk gemaakt en afgebeeld en nochtans heb ik ze zo lief en zo wel behaagt hij me dat ik hem loof in aardrijk gelijk een God. Geen ding is er dat ik doen mocht, ik zou het doen om hem te trekken en hem in mijn hoek te leiden. Hier vroeger braadde ik Sint Laurentius op een rooster omdat hij mijn schat genomen had en geroofd. Zo zeer bemin ik hem dat ik er gek van wordt en dat ik vaak mijn rok verlies om hem met menigerhande spelen dat verboden is met teerlingen en met tafelspel en ik ga er om naakt en ontkleedt achter straten. En omdat ik hem zo zeer bemin zo wil ik ook dat u hem goed een goed gezicht toont en dat hij van u gediend en geerd is. Nu ziet wat u te doen hebt want van mij heb u niet meer vrede, looft hem echt nu en van alle punten geef u tot hem op. Alzo als me aldus gierigheid perste en dwong om haar valse afgod te beoefenen en te geloven. Achter me hoorde ik roepen met een luide stem een stem die zie; help me gezellin, is het een man daartegen dat gierigheid alzo klapt en niets doet. Gaan we daar en laten ons bespringen en genoeg schande doen. Al te zeer heeft ze hem gespaard waarvan hij geblameerd moet worden. Zeker, u zegt waar, zei de andere. Nu laat ons grote vlijt doen dat hij niet en ontgaat en dat hij hier dood blijft.

 

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links Venus op een zwijn, Gulsicheit ernaast, een pijl heeft de pelgrim in het rechteroog getroffen>

 

[62va2] Als ic sulcke woerden hoorde was ick meer veruaert dan te woren Eeen luttel keerdic ouer side ende sach comen een grote quene mit eenre langher nuese mit tween groten ogen leelick staende ende enen vollen sack die ten eynden doer gaet was. dien hielt si tusschen haer tande mit enen trachtere dien si inden mont hadde om mi te verworgene nam zij haren keer [62vb2] ende iegen my hielt si hare clauwen ende swoer bijder trouwen dat si mi bider storten soude nemen. Noch een ander queene sach ic comen die mi vele meer veruairde Een conterfayt aensichte droech zij in haer lufter hant ende maecter recht ene targe mede. si reet op een zwijn ende wel ghenoech was si gepareert hair pareringe was al vuyl van modderen vanden welken men qualic gesien moch [63ra] te haer aensichte dat si decte onder haren caproen Een schicht had zij daer mede dat si my schoet eer dat ic teghens haer sprac den schicht vloech doer mijn oge tot in mijn herte daer of quam my groot misual dat ic doe mijnen helm niet en hadde ende dat ic op mijne ogen niet gewapent en was. Daer na schoet si my in die handen. waer bi my wel van node geweest hadde enen yseren hantscoen om mijn handen dair mede te wapenen. maer het is waer dat die lieden seggen die sot en geloeft niet voer dat hijt heeft Als ic my aldus ghewont sach ende dat ic noch niet versekert en was vander eerster queenen ende om dat ic ontrent die keele gheene gorgie en hadde meende ic bijder storten gehouden sijn. ic en wist wat doen. mar so vele wistic wel dat einch roepen luttel helpen mochte. Keytijf seide ic wat sulstu doen. nv ist dy qualick comen datu ye in dit landt quaems Nu hebstu verwrocht redenen ende gracye gods is hare vaerde ende si is so seere gewont in die handen bi fauten vanden hantscoen dattu dijnen palster niet gedragen en moges Ten minsten soudtstu vragen wie sij sijn die dit gedaen hebben Queene seide ic die den sack drages in dine tanden segt mi dinen name. ende ofstu mi wils aldus doen steruen sonder slach te slane Doe antwoirde die queene weetstu seyt si wie dat sijn ypucuri. [63rb] Du suls weten dat ic bin haer moeder wie sijn seide ic ypocuri. het sijn seit si lude dye van haren bodemlosen sacke haren god maken. ende dye in allen tiden haer gepeyns hebben om dien sack te vullene ende ydelne. wel eenen gehelee dach lanc of meer souden si wel rieken om enen leckeren roest te bradene om te makene enighe gelee of enighe andere spijse gheene delectacie en hebben sij anders dan in etene ende in drinckene dat reputeeren si alleene solaes ende deduut. Hoe heetstu seyde ic Sy seyde ic heete gulsicheit die in mijnen sack soe vele steke dat hijer vuyl ende stinckende of werdt. ia soe veel steeck icker dickwile in dar drie of viere arme menschen wel hare sacs dair mede souden vullen. wistu hoe vele quistinghe ende ouertallichede die ic siaers doe van spijsen ende van drancke. ende die ouerdaet Mijnen gerechten name is castrimarie: Ende ic seyde wat is castrimarie of castrimargia het is seyt si ouertallichede ende verswelginge vanden morselen. nimmermeer en sietmense weder nae dien dat icse hebbe in mynen sack gheworpen. ende ick segghe v oec dat icker dicwile menige gesact hebbe die ic weder hebbe moeten wt werpen bi fortsen Achter mi latic clatten van lijme ghelijc dat eene slecke doet Fy fy seyde ick stinckende [63va] queene en sprect my niet meer daer of hets eene onmenschelijke sake ende leelic ende vuyl Seker seit si du segs waer. maer alstu die waerhede weten wils hets recht dat icse di segghe eest datmen my gulsichede heet ende ic te vele ete ende verswelge en is geene sake die ic sculdich bin te helene. ic bin die wolfynne vanden bossche die altoos sulcke verwoethede heeft in die tanden dat ic altoos moet mijne kake roeren ende mijne kele open houden. ic bin bel diet al verswelgt die in die cokene mijne nuese steke doir die veynster om te riekene ende om te ondersoekene welcke spise dat best is mijn nuese is lanc ic steecse al om in. rieken doet si mi al haer macht om te vinden enich dinc die ic in mijnen sack steken mach Segt mi seide ic oftu di niet en vuls mit spijsen van cleynen prijse ende oftu mit bonen of mit brunen brode enigen tijt dijnen buyck groot maecs Hoort seit si die waerhede dat ic alsoe wel mit bruynen brode mijnen sack vulle als mit andere goeder spijsen Alsoe wel maect my lecker die lauidite als die curiosite. maer die lange nuese was my van mijnen vader gegeuen om dat ic daer mede visscherie maecte ter smake van mijnre groter leckerhede Ende wat is seydic smake hets seit si daer dore dat al lijdt dat ic verslonde. dats den mont van mijnen [63vb] sacke. ende ick segghe di dat hi cume drie dumen lanc is al waert dat ickene maecte wel wildic dat hij meerder waer ende dat hi den hals van enen reyger hadde. ende daer altoos lidinge doer ware van goeden vetten morseelen. ende my en roechte wat pijnen datter die sack om hadde op dat hi vol ware. mijne ogen sijn groot ende heet ende berrende mijnen appetijt ende deen ende dandre willen van also veel of meer als die smake ghesmaken mach willen hem die ogen deliuereren hoe groot dat die ogen ende den sack sijn. ne gheene vervulte noch mate en is in hem ende dat is eene sake die seere mijn leuen cort bi mijnre sotheden. want en is gheen so verradelic mes als ouervloethede van vetten morseelen: waer bi seide ick neemstu dan dese vreeselijke morseele. ic drage seit si in mijnen mont eenen soe vreselijken smake. welcke smaecke als hi beseuen heeft dat lecker morseel dan heeft hi so groot riueel ende soe groot spel al waert dat dandere niet en besieue gelijc als vten sinne soudt sijn deen na dandre Si wilt hebben ghelijc der smaecke sonder cesseren ende hem en roect van mijnen profijte anders dan dair hi solaes in heeft. Segt my seyde ick hoe dat sulcke smaec geheeten is. het is eene harde dappere ende snelle bode die harde cort geseit heeft wat dat therte begeert Quade ge

[64ra] bueren hietense die luden om dat si soe gaerne quaet seit tot haren gebuers ende schelt als si haren wijn gedroncken heeft ende die goede morseelen gheproeft. Is dijnen smake soe soete seide ic die haer onderwint vanden wijne te proeuene. wat is si anders seyt si daer in neemt si haer solaes ende haer deduut Bi haren bin ic onmatelic. ende bi haer bin ic lecker gheheeten. si onteert my ende beneemt my lof ende prijs Si eest die my den trachter ghegeuen heeft die ic hier in mijnen mont ten sacke gestelt hebbe. Den wijn laet icker mede nederwaert ende bi ouerdaden gheeft sijs my soe vele dat ic noch redene noch sin en hebbe. ende dat ic niet mijn huus en can vinden noch my te bedde gedoen Du bist dan seyde ic een dinc dat gheen vroetscap en heeft noch geen bestier dat dunct my Du segghes waer seit si. want als ic mijne sack ghevult hebbe ende gedroncken ende mijne spijse gheten soudic wel tegens gode disputeren ende sinte marien lachteren Quame redene tot mi ic veriaechdese voer voets. Quame iusticie of waerhede of enige andere doget voer my stappant waer si van my versteken ende veriaecht Soberhede ende getymperthede en mochter niet dan schande beiaghen mit hem luden soude ic boerderen ende schympen als wijn my is int hoeft soe en doech ic nye[64rb]mende. elckerlijken wilic horten ende steken ghelijc eenen eenhoorne. den eenen verspreken den anderen lachteren. mijne oghen braken ghelijc eenen stier Om niet en heb ic twee buken ghelijc eenen putoer. want rudelic ende loerdelic spreeck ic tegen die luden Hoe seide ic hebstu twe buken. ia ic seit si vanden welcken dat comt ende wast vrou venus. die du my siet achter my volghen daer of die enen is geheeten dronckenscap. ende dander dat is gonffre. die altoos om eten ghereet is De eerste is als hi ghedroncken heeft eens eer dandre gheware wort hy seyt noch dat hy eten wille. ende alst alsoe valt dat hi eerst etet dandere voervoets wilt oec drincken ende seit ic verbiet. ende dit en is niet genoech an een werf of an twe of an drie of an viere. maer willen altoos achteruolghen dat si begonnen hebben sonder eynde. Elc van hem beeden wil tachterste nemen ende altoos weder beghinnene. alsoe langhe als inden pot wijn is Dese twee buken doen reueleren ende versieren vrou venus. om hem hout si haer bi my ende omtrent my volget ende van quaet doene is si te min beschaemt. wair ic gae daer comt si gaerne. want sy peynst dat si in haer banden sal hebben den ghenen die ic bijder storten ghenomen hebbe Ic peynse dattu selue dat cortelic sijn suls na dien dat [64va] tu hier comen best. Doe nam si my bider storte mit beyden handen ende seyde aldus Na dien dattu ghene gorgie en hebs wetet dat ic di vele te fierer sal sijn. Helpe seidic helpe ay laes laet my eerst spreken iegen die ghene die ic sie achter dy comen si heeft my mit haren schichten gescoten. ic bin verloren of ic en weet die waerhede wie dat si is ende haren name Doe seide ic het hout an dy. ic wil wel dat sijt di segge: maer du en suls my niet ontgaen ic sal versekert sijn van di na dien dat ic di hebbe dus bi my Doe totter ander die my ghescoten hadde soe vraechde ic wie bistu. want sottelic vaerstu achter lande dat dunct mi Op dit swijn ende keitiuelic sidy alsoe bedect ende ghestoopt dijn aensichte mit dijnen capproene. Seker seyt si ic bin die ghene die mijne subiecten ende mijne dienaren doe woenen inden gront gelijc padden. daer soe quetsicker menighe beyde in siene ende oeck in spraken ende van hare contenance Ic bin venus daer dy af geseit heeft vrouwe gulsicheit die di ghemeestert heeft bider storten vter werelt stac ic hier voermaels suyuerhede ende veriaechde die engelen diese minden. nye sint soe en hadde si mi ter herten als te voren haren nuese schoren si als si my sien. dwelcke si niet doen en souden om een stinckende crooege ofte daer en ware [64vb] meer vuyllicheden. ic iage suuerheden in allen tiden sonder rusten ende en ware dat si in religione geslopen ware ic hadse ouer lanc doot maer ic vinde den casteel soe starc dat ick haer gheen quaet gedoen en mach of en ware dat si dolende quame ter poorten gelijc als dyna dede had si niet vte ghecomen si en hadde niet ontsuuert geweest. dier gelijke en mach ic suuerhede niet verwinnen of deeren si en quaem buten duere Ende ic seyde wat heeft v dese ghedaen dattuse soe seere hates Suuerheit seit si wilde nye liggen op bedde daer ic was noch in cameren ende nye en was ic en stanc op haer om mijne grote onnuthede ende om mijne onmatelike stanc ende altoos als si my siet so roept si stappans fy. Lieuer heb ic seit si mijnen mantel te latene dan bi te liggene. ende lieuer heb ic my te begheuene in abdien dan in dijn geselscap te sine Hoe seide ick mach dat waer sijn dat dese monicken beede grauwe ende witte hebben zuuerhede ontfaen ende dat si mit hem luden begeuen is. iaes seit si sekerlijken maer dat is mi harde leet dair is dortuerierigghe ende maect haer luder bedde gelijc enen ioncwiue ia seide ic soe heeft si officie du seges waer seit si ende daer bi soe hatixse ende volgse te meer. waer bi seyde ick hebstu my gheschoten Hoe seit si na dien dattu mi soe naer sijs

[65ra] soe en soudstu van my niet beseffen Bi mijnen hoefde seit si dat wel gecamt is. noch en hebstu niet van al gheproeft want als ic yement besprongen hebbe so varinc en laeticken van my niet scheiden. sijstu seyde ic soe gecamt ende soe schone alstu segts Ick wane waert waer du en souds di niet soe seere teghens mi decken alstu does Nu verstaet seit si een luttelkijn. wel is waer. waric schone dat ic mi niet aldus en soud decken het en volcht niet. al bin ick gecamt ende ic een luttelkijn make den moeyaert dat ic daer bi schone bin Ic bin leelic ende onnuttich oude quene stinckende limich ende bemoddert ende noch vuylre dan ic segghen dar om dat het niet te segghen en is Ic stoppe my datmen my niet en siet hoe dat ick harde moey bin ende en wil niet ghesien sijn in steden daer enighe lucht is: ic gae doer hoeken ende doir wegen ic slupe int doncker al omme ende hebbe genoech pijnen ende vreesen om een luttel mijnen wille te vorderne. ende wist ghijt wel hoe menichwaruen ende in wat steden dat ic dicwile ga. ic waent di seer verwonderen soude ende du souds my seere luttel prijsen ic rijde een harde quaet peert. want daer die quaetste passe sijn ende dairt alre vuylste ende moddrichste is dair gaet neder liggen bi sijnre natueren Dit paert dat is mijnen properen wille dye my [65rb] draecht ende is gereet ghelijc eenre soghe te ligghene dair die moddere ende slick meest is gefigureert eest gelijc eenen zwijne dat die mule altoos in die eerde heeft daert wille liggen daer werpet my neder. maer meer eest in vuylen steden dan in schonen bi hem bin ic aldus beslapt ende bemoddert bi hem bin ic oec in abstracto leelic mar vele lelicker in concreto. ende ic drage een gemaect aensichte om te bedeckene die grote lelichede van mijnen aensichte. Dit gemaect aensichte is geheeten faerderie dats te segghene als ic out ende berompelt bin worden ende grijs ende blont so makic my daer mede claer ende blenckende in spijte van natueren ende verandere mijn maecsele. dan makic van my een stillecamere dat si alle die daer willen lijden gelijc eenre messie die teenen cruysweghe leyt daer elc mach toe gaen wie die wille om vuylichede te makene ende te doene Fy fy seide ic het en is anders niet dan oneere ende schande. Seker seit si du segghes waer. maer hadstu die instrumenten ghesien dat ic hier onder my draghe bedect noch soudstu my min prijsen oft du en waers wel sodt. Thoentse mi seide ic tot haer ende segt my hoe si hieten Deen seyt sij heet raptus. dandere stuprum. terde incestus tvierde adulterium. tvijfte fornicacie ende tseste dat niet te [65va] segghene en is daer mede houdt dijnen paeys. Nu exponeerse alsoestu wils ende wetet dat si vreselic sijn Als nv ter tijt en sulstuse niet sien. want niet gaerne en thoen icse om haer grote leelichede ende nochtan can icker wel mede slaen als ic moete hebbe ic sal di daer mede slaen op dattu niet en ontvlies of dattu niet seerder en gaes dan tygris. maer na dien dat dy gulsicheit hout soe en duchtic niet van dijnen vliene. Ter quader tijt quaemstu hier te steruen ende nymmermeer en gaestu vordere Doe schoet mi die quuene mitten schichte in mijn herte ende velde mi. gulsicheit halp hair seere ende trac my bijder storten. Ghierichede ende alle dandere queenen en toenden niet dat si sliepen of dat sij den crampe hadden. elck in hare quaethede sloeghen my mit sulker wapenen als si hadden. Daer was my ghenomen mijnen palster. maer mijne male die liet men my. si peynsden si souder wel toe comen als zij my van allen punten verwonnen hadden Als ic my aldus sach ghe ghewont ende ter neder ghesleghen. ende dat ic mijnen palster alsoe verloren hadde daer mede dat ic plach op te stane. nye man dat waen ic en was meer bedroeft dan ic doe was Ay laes seyde ic aylaes wat sulstu doen. wat sulstu segghen ketijt nv bistu comen by dijnen eynde. waer [65vb] bi wairtstu nye pelgrim. ter quader tijt naemstu palster ende male om hier aldus te verliesene in dit lant Beter waert hadstu nye gheboren gheweest. wie sal dy nymmermeer moghen beraden of helpen. du hebs verloren bi dijnre sotheden gracien gods dijnre goeder vriendinnen. Ay penitencie waer bi dochtic nye voerbi te lijdenen uwe doorne hage ende uwe roeden nv soudt my sijn alle soethede ende minne en waer ick niet so verre vervremt van v. dijne roeden ende dijne scherpe discipline dat waer recht een salue teghens mijne quade auenture Aey wapenen van ridderlijker aert v sal ick claghen ende beweenen al mijn leuen lanc mit v was ic eens ghecleet ende eerlijken verschiert. maer lacen ketijf dat en was niet langhe want ic leide v varinc neder. menich verdriet ende druck isser mi sijndert of comen Nu sonder langer sparen bin ic geiugeert ter doot Ay sacrament vander kercken ic beduchte dat ic in ydelheden v ontfanghen hebbe Na dien dat ic mijnen palster verloren hebbe mitten welcken dat ic op plach te stane telken als ic gheuallen was Ay iherusalem iherusalem daer ic om was wt ghetrocken hoe sal ic my teghen di mogen excuseren ende wat antwoerde sal ic moghen gheuen. ic hadde di belouet in mijnen moet dat ic dy ver

[66ra1] soecken soude ende mijnen wech doen tot di om dat ic sach inde spiegel so schone ende so claer Nu bin ic van desen queenen gearresteert nv bin ic ghe[66rb1]slegen. nv bin ic gewont ter quader tijt bin ick verdoelt. ick duchte dat ick dy nymmermeer sien en sal tot ghenen stonden

Toen ik zulke woorden hoorde was ik meer banger dan te voren. Ik draaide wat over zijde en zag een grote kwee komen met een lange neus en twee grote ogen die lelijk stonden en een volle zak die op het einde een gat had. Die hield ze tussen haar tanden met een trechter die ze in de mond had. Om me te verwurgen nam zij haar keer en tegen mij hield ze haar klauwen en zwoer bij de trouw dat ze me bij de strot zou nemen. Nog een andere kwee zag ik komen die me veel meer bang maakte. Een afgebeeld aanzicht droeg ze in haar linkerhand en maakte er recht een speer van. Ze reed op een zwijn en was goed genoeg gekleed en haar kleed was geheel vuil van modder waardoor men slecht haar aanzicht zien kon die ze bedekte onder haar

muts. Een schicht had zij waarmee e me schoot eer dat ik tegen haar sprak, de schicht vloog door mijn oog tot in mijn hart en daarvan kwam me groot misval dat ik toen mijn helm niet op had en dat ik op mijn ogen niet gewapend was. Daarna schoot ze me in de handen en was het wel nodig geweest dat ik een ijzeren handschoen had om om mijn handen daarmee te wapenen. Maar het is waar dat de lieden zeggen, de zot gelooft het niet voor dat hij het heeft. Toen ik me aldus gewond zag en dat ik nog niet verzekerd was van de eerste kween en omdat ik omtrent de keel geen halsstuk had meende ik bij de strot gehouden zijn. Ik wist niet wat te doen. Maar zo veel wist ik wel dat enig roepen weinig helpen mocht. Ellendige, zei ik, wat zal u doen. Nu is het u slecht bekomen dat u ooit in dit land kwam. Nu hebt u gewraakt Reden en Gratie Gods doet haar gang en ze is zo zeer gewond in de handen bij fouten van de handschoen dat u uw pelgrimsstaf niet dragen mag. Ten minsten zou u vragen wie zij zijn die dit gedaan hebben. Kwee, zei ik, die de zak draagt in uw tanden zeg me uw naam en of u me aldus wil laten sterven zonder een slag te slaan. Toen antwoorde die kwee, weet u, zei ze, dat zijn hypocrieten. U zal weten dat ik haar moeder ben. Wie zijn, zei ik, hypocrieten. Het zijn, zei ze, lieden die van hun bodemloze zak hun God maken en die in alle tijden hun gepeins hebben om die zak te vullen en te legen. Wel een gehele dag lang of meer zouden ze wel ruiken om een lekkere haan te braden om enige gelei te maken of enige andere spijs, geen delicate hebben zij anders dan in eten en in drinken en dat herhalen hebben ze alleen solaas en vermaak. Hoe heet u, zei ik. Ze zei, ik heet gulzigheid die in mijn zak zo veel steek dat die er vuil en stinkend van wordt, ja zo veel steek ik er vaak in dat er drie of vier arme mensen wel hun zak daarmee zouden vullen. Wist u hoeveel verkwisting en overtolligheid die ik er per jaar in doe van spijzen en van drank en de overdaad. Mijn echte naam is gastronomie: En ik zei, wat is gastronomie? Gastronomie of castrimargia is, zei ze, overtolligheid en verzwelgen van de stukken. Nimmermeer ziet men ze weer na dat ik ze in mijn zak heb geworpen en ik zeg u ook dat ik vaak menige gezakt heb die ik weer met geweld heb moeten uit werpen. Achter me laat ik klodders van lijm gelijk een slak doet. Foei, zei ik, stinkende kwee spreek me niet daar niet meer van, het is een onmenselijke zaak en lelijk en vuil. Zeker, zei ze, u zegt waar. Maar als u de waarheid wil weten, het is recht dat ik het u zeg, is het dat men me gulzigheid noem en ik te veel eet en verzwelg is het geen zaak die ik moet verhelen. Ik ben de wolvin van het bos die altijd zulke verwoedheden heeft in de tanden dat ik altijd mijn kaak moet roeren en mijn keel open houden. Ik ben die het alles verzwelgt, bij in het koken mijn neus steekt door de venster om te ruiken en om te onderzoeken welke spijs dat het beste is. Mijn neus is lang en ik steek ze overal in. Ruiken doet ze me met al haar macht om enig ding te vinden die ik in mijn zak steken mag. Zeg me, zei ik, of u ge niet vult met spijzen van weinig waarde en of u met bonen of met bruin brood enige tijd uw buik groot maakt. Hoort, zei ze, de waarheid dat ik alzo wel met bruin brood mijn zak vul als met andere goede spijzen. Alzo goed maakt me lekker het verlangen als de curiositeit. Maar die lange neus is me van mijn vader gegeven omdat ik daarmee vissen zou naar de smaak van mijn groter lekkerheid. En wat is, zei ik, smaakt het, ze zei, daardoor dat al ga dat ik verslind dat is de mond van mijn zak en ik zeg u dat hij nauwelijks drie duimen lang is en al was het dat ik hem maakte, wilde ik dat hij groter was en dat het de hals van een reiger had en daar altijd leidingen door waren van goede vette stukken en het kon me niet schelen welke pijnen dat die zak er om had op dat hij vol is. Mijn ogen zijn groot en heet en brandend, mijn appetijt en de ene en de andere wil van alzo veel of meer als die smaak smaken mag willen hem die ogen leveren, hoe groot dat die ogen en de zak zijn. Neen, geen volheid nog maat is in hem en dat is een zaak die zeer mijn leven verkort bij mijn zotheden. Want er is geen zo verraderlijk mes als overvloedigheid van vette stukken: Waarbij, zei ik, neemt u dan deze vreselijke stukken. Ik draag, zei ze, in mijn mond een zo n vreselijke smaak welke smaak als hij dat lekker stuk beseft heeft dan heeft hij zo n grote opstand en zo n groot spel al was het dat de andere het niet zien gelijk als ze uit de zin zou zijn, de een na de andere. Ze wil hebben gelijk de smaak zonder dralen en het kan haar niets schelen van mijn profijt anders dan daar het solaas in heeft. Zeg me, zei ik, hoe dat zulke smaak geheten is. Het is een erg dappere en snelle bode die erg kort gezegd heeft wat het hart begeert. Kwade buren noemen het de lieden omdat ze zo graag kwaad zegt tot hun buren en scheld als ze haar wijn gedronken heeft en die goede stukken geproefd. Is uw smaak dan zo zoet, zei ik, die zich onderwindt van de wijn te proeven, wat is ze anders, zei ze, daarin neemt ze haar solaas en haar ambt. Bij haar ben ik onmatig en bij haar ben ik lekker geheten. Ze onteert me en beneemt me lof en prijs, zij is het die me de trechter gegeven heeft die ik hier in mijn mond van de zak gesteld heb. De wijn laat ik er mee nederwaarts en bij overdaad geeft ze mij zo veel dat ik nog reden nog zin heb en dat ik mijn huis niet kan vinden nog me te bed doen. U bent dan, zei ik, een ding dat geen vriendschap heeft nog geen bestuur, dat lijkt me. U zegt waar, zei ze, want als ik mijn zak gevuld heb en gedronken en mijn spijs gegeten zou ik wel tegen God disputeren en Sint Maria uitlachen. Kwam reden tot me ik verjaagde haar direct. Kwam justitie of waarheid of enige andere deugd voor me, gelijk waren ze van mij verstoken en verjaagd. Soberheid en getemperdheid mocht er niets dan schande bejagen, met hen zou ik grappen en schimpen als wijn me in het hoofd is en zo deug ik niemand. Elk wil ik horten en steken gelijk een eenhoorn. De ene tegen spreken en de andere uitlachen. Mijn ogen braken gelijk een stier. Om niet heb ik twee buiken gelijk een roerdomp. Want ruig en lomp spreek ik tegen die lieden. Hoe, zei ik, hebt u twee buiken. Ja ik, zei ze, waarvan dat komt en was het niet van vrouw Venus die u me ziet achtervolgen waarvan die ene geheten is dronkenschap en de andere dat is opblazing die altijd om eten gereed is. De eerste is als hij gedronken heeft en eer de andere het gewaar wordt, hij zegt nog dat hij eten wil en als het alzo valt dat hij eerst eet wil de ander ook direct drinken en zegt ik verbied het en dit is niet genoeg aan een maal of aan twee of aan drie of aan vier, maar willen altijd achtervolgen dat ze begonnen zijn zonder einde. Elk van hen beide wil het laatste nemen en altijd weer beginnen alzo lang als in de pot wijn is. Deze twee buiken doen ontbloten en versieren vrouw Venus. Om hem houdt ze zich bij mij en omtrent mij volgt en van kwaad doen is ze minder beschaamd en waar ik kom daar komt ze graag. Want ze peinst dat ze in haar banden zal hebben diegenen die ik bij de strot genomen heb. Ik peins dat u dat zelf gauw zijn na dien dat u hier gekomen bent. Toen nam ze me bij de strot met beide handen en zei aldus: Na dien dat u geen halsstuk hebt weet het dat ik u veel fierder zal zijn. Help, zei ik, ailaas, laat me eerst spreken tegen diegene die ik zie achter u komen, ze heeft me met haar schichten geschoten. Ik ben verloren of ik weet de waarheid wie dat ze is en haar naam. Toen zei ik, het ligt aan u, ik wil wel dat zij het u zegt: Maar u zal me niet ontgaan, ik zal van u verzekerd zijn na dien dat ik u aldus bij me heb.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen tot de andere die me geschoten had zo vroeg ik, wie bent u want zot lijkt u me te gaan achter land. Op dit zwijn en ellendig bent ge aldus bedekt en verstopt uw aanzicht met uw muts. Zeker, zei ze, ik ben diegene die mijn subjecten en mijn dienaren laat wonen in de grond gelijk padden en daar zo kwets ik er menige, beide in zien en ook in spreken en van hun houding. Ik ben Venus waarvan u vrouw gulzigheid overmeesterd heeft, bij het storten uit de wereld stak ik hier vroeger zuiverheid en verjoeg de engelen die haar beminden. Niet sinds had ze me ter hart als tevoren, haar neus verstopt ze als ze me zien wat ze niet doen zouden om een stinkende kroeg of daar was meer vuilheid. Ik jaag in alle tijden op zuiverheid zonder te rusten en was het dat ze in religie geslopen waren, ik had ze al lang gedood, maar ik vindt het kasteel zo sterk dat ik ze geen kwaad mag doen of het was dat ze dolend kwam ter poort gelijk als Diana deed was ze er niet uitgekomen en was ze niet onzuiver geweest. Diergelijke mag ik zuiverheid niet overwinnen of deren of ze kwam buiten de deur. En ik zei, wat heeft u deze gedaan dat u haar zo zeer haat. Zuiverheid, zei ze, wilde niet liggen op het bed daar ik was, nog in de kamer en nooit stonk op haar vanwege mijn grote nutteloosheid en om mijn onmatige stank en altijd als ze me ziet zo roept ze gelijk; foei. Liever heb ik, zegt ze, mijn mantel te laten dan bij u te liggen en liever heb ik me te begeven in abdijen dan in uw gezelschap te zijn. Hoe, zei ik, mag dat waar zijn dat deze monniken, beide grauwe en witte, zuiverheid hebben ontvangen en dat ze met hen begeven is. Ja het is, zei ze, zeker, maar dat is me erg leed en daar is daardoor strijd (?) en maakt hun bed gelijk een jong wijf. Ja, zei ik, zo heeft ze een taak, u zegt waar, zei ze, en daardoor zo haat ik haar en volg haar te meer. Waarom, zei ik, hebt u op mij geschoten? Hoe, zei ze, na dien dat u me zo na bent, zo zou u het van mij niet beseffen. Bij mij hoofd, zei ze, dat goed gekamd is. Nog hebt u niet van alles geproefd want als ik iemand besprongen heb zo vlug laat ik hem van mij niet scheiden. Bent u, zei ik, zo gekamd en zo mooi zoals u zegt. Ik waan was u zo u zou zich niet zo zeer tegen mij bedekken zoals u doet. Nu versta, zei ze, iets, wel is waar was ik mooi dat ik me niet alzo zou bedekken, het klopt niet. Al ben ik gekamd en ik iets de moeite maak dat ik daarbij mooi ben. Ik ben een lelijke en onnuttige oude kwee, stinkend, lijmachtig en bemodderd en nog vuiler dan ik zeggen durf omdat het niet te zeggen is. Ik verstop me zodat men mij niet ziet hoe dat ik erg mooi ben en wil niet in plaatsen gezien worden daar enige lucht is: Ik ga door hoeken en door wegen, ik sluip in het donker al om en heb genoeg pijnen en vrees om mijn wil iets te bevorderen en wist gij het wel hoe menige keer en in wat plaatsen dat ik vaak ga, ik waan dat het u zeer zou verwonderen en u zou me zeer weinig prijzen, ik rij een erg kwaad paard want daar die slechtste passen zijn en daar het aller vuilste en modderigste is daar ga ik neer leggen bij zijn natuur. Dit paard dat is mijn propere wil die me draagt en is gereed gelijk een zeug te liggen daar de modder en slijk het meest is afgebeeld. Is het gelijk een zwijn dat die muilezel altijd in de aarde heeft en daar wil liggen, daar werpt het me neer. Maar meer is het in vuile plaatsen dan in schone, door hem ben ik aldus verslapt en bemodderd, door hem ben ik ook in abstracto lelijk, maar veel lelijker in concreto. En ik draag een gemaakt aanzicht om die grote lelijkheid van mijn aanzicht te bedekken. Dit gemaakte aanzicht is geheten faerderie, dat is te zeggen; als ik oud en gerimpeld ben geworden en grijs en blond zo maak ik me daarmee helder en blinkend en blinkende in spijt van naturen en verander mijn maaksel. Dan maak ik van mij een stille kamer zodat alle die daar willen gaan gelijk een mis die aan een kruisweg ligt waar elk naar toe mag gaan die wil om vuilheid te maken en te doen. Foei, foei, zei ik, het is niets anders dan oneer en schande. Zeker, zei ze, u zegt waar. Maar hebt u die instrumenten gezien dat ik hier onder me bedekt draag dan zou u me nog minder prijzen en of was een erge zot. Toon ze me, zei ik tot haar, en zeg me hoe ze heten. De ene, zei ze, heet geestvervoering of roof, de andere verkrachting, de derde incest, de vierde huwelijkstrouw, de vijfde bloedschande, en de zesde dat niet te zeggen is en hou daarmee uw tevreden. Nu zet het uit alzo u wil en weet dat ze vreselijk zijn. Als nu ter tijd zal ge ze niet zien want niet graag toon ik ze vanwege hun grote lelijkheid en nochtans kan ik er weel mee slaan als ik moed heb zal ik u daarmee slaan zodat u niet ontvliedt of dat u niet harder gaat dan de tijger, maar na dien dat uw van gulzigheid houdt zo ducht ik niet van uw vlieden. Ter kwade tijd kwam u hier te sterven en nimmermeer gaat u verder. Toen schoot me die kwee met de schicht in mijn hart en velde me. Gulzigheid hielp haar zeer en trok me bij de strot. Gierigheid en alle de andere kween toonden niet dat ze sliepen of dat zij de kramp hadden. Elk in hun kwaadheden sloegen me met zo n wapen als ze hadden. Daar werd me ontnomen mijn pelgrimsstaf, maar mijn bedelzak die liet men mij. Ze peinsden dat ze er wel toe zouden komen toen ze me in alle punten overwonnen hadden.

 

 

 

 

Toen ik me aldus zag gewond en neergeslagen en dat ik mijn pelgrimsstaf alzo verloren had waarmee ik plag op te staan was niemand meer bedroefd dan ik toen was. Ailaas, zei ik, ailaas, wat zal u doen, wat zal u zeggen ellendige, nu bent u tot uw eind gekomen. Waarom werd u geen pelgrim, ter kwade tijd nam tu pelgrimsstaf en bedelzak om hier aldus te verliezen in dit land. Beter was het als u niet geboren was geweest, wie zal u nimmermeer mogen beraden of helpen. U hebt verloren bij uw zotheid Gratie God, uw goede vriendin. Ay, penitentie, waarom dacht ik niet om er voorbij uw dorenhaag te gaan en uw roeden, nu zou het me zijn alle zoetheden en minne was ik niet zo ver vervreemd van uw roeden en uw scherpe discipline, dat was echt een zalf tegen mijn kwade avontuur. Aey, wapens van ridderlijke aard, u zal ik beklagen en bewenen al mijn leven lang, met u was ik eens gekleed en eerlijk versierd. Maar helaas, ellendige, dat was niet lang want ik legde u vlug neer. Menig verdriet en druk is er me sinds van gekomen. Nu zonder langer sparen ben ik veroordeeld ter dood. Ay sacrament van de kerk, ik beducht dat ik u in leegheid ontvangen heb. Na dien dat ik mijn pelgrimsstaf verloren heb waarmee ik plag op te staan als ik gevallen was. Ay, Jeruzalem waarom ik was uitgetrokken, hoe zal ik me tegen u mogen excuseren en welk antwoord zal ik mogen geven. Ik had u beloofd in mijn gemoed dat ik u ver zou zoeken en mijn weg doen tot u dat ik in de spiegel zo mooi en helder zag. Nu ben ik van deze kween gearresteerd, nu ben ik geslagen, nu ben ik gewond, ter kwade tijd ben ik verdwaald. Ik ducht dat ik u nimmermeer zal zien tot geen stonden.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links ligt de pelgrim op de weg; een hand uit de lucht reikt hem zijn staf aan die hij al met een hand omvat>

 

[66ra2] Als ick aldus lach ende claechde mijn verlies ic sach lijden bouen my een wolcke comende vten oesten mit enen soeten winde. de wolcke bleef staende recht bouen mijn hoeft maer niet vele en acht icker op om die seerichede ende groten druc die ic had Nu verstaet goede luden hoe node dat gracie gods scheydt van eenen mensche dien si eens geholpen heeft ende hoe gaerne dat si in staden staet alst noot is Wt deser wolken quam een voeys ofte stemme die tot my al dus seyde Nu wel op ketijf ongeuallich truwant al te lange hebstu ghedoken ende ter neder geleghen [66rb2] want du bist een quaet ridder. siet ic bringe dy weder dijnen palster om dy op te heffene vter moddere ende vten slijke nv hoort na my. ic geuene di weder noch en wil ic niet dijne doot. hoe wel dat ghi teghens mi misdaen hebt maer ick wille dattu bekeers ende leues Als ick alsulcke woerde hoorde ic ontdede een luttelkijn mijn ogen ende ic sach een hand die mijnen palster hielt ende van bouen my boet. ic peynsde dat die hant was vander gheenre die my den palster van eerst gaf ende si wast oec. Ay god seide ic soete gracie nye en verdiende ic tegen di dattu aldus om my peynst. recht nv waer ic ver[66va] loren haddy my niet beschermt na dien dat ghi my mijnen palster weder geeft ende by uwer ontfermcheden my vertroest van mijnre droefheden ende beschermt vander doot. Ic segghe v danc ende lof soete heer ihesus christus Ay gracie gods mijn lieue vrouwe. nv sie ic wel dat ghy noch myne siele niet vergheten en hebt. ter groter noot zijdi bereet om my te helpene of het en hout aen my. ic en weet wanen my dit comt het en si bij dijnre goedertierenheit want in my en hebdy luttel doechden vonden dijnen raet en geloefdic nye. mit rechte isser mi quaet of comen. mit beeden handen bid ic genade ende kenne dat mijn schult is mijne weerde vrouwe ic sal my beteren dat belouic v bi mijnre sielen sonder meer helpt mi dese reyse ic sal dy een ander reyse gheloeuen. recht my op want liggen is my al te swaer. rechteuoert wil ick lopen ter hagen waert eest dat ic nv verlost mach sijn bi di. ende wildi ghi sulter my selue leeden als ghi my op gherecht sult hebben. Doe seyde gracie gods hoort ic sal dy seggen eest dat sake dat die ghene die aelmoesenierigge is van my ende wtgeuerigghe wilde soe vele doen tegen mijnen vader die haer sone is ende si mijn moeder dat hi dy my weder gaue noch en soutstu niet te quiste gaen. du soudste noch wel vercouereren. [66vb] van penitencien. wildy ic salder dy blijdelic leyden ende doen dy wt allen tormenten Ende wie is si seyde ick die vrouwe ende meestresse van wt te gheuene. een grote vrouwe is si die van v aelmoesenierigghe is seker seit si. Du segghes waer ende daer by moest du eerst spreken tot haer ende haer oetmoedelic bidden ghenade. wil si ick sal dy helpen te deser noot noch hebs ics wille also ic dy nv ghetoent hebbe. Weetstu niet wie die vrouwe is dat is di grote confusie ende schande. anderwerf heeft si dy gheholpen ende gheworpen wt menighe quade wegen het is die carbonckel ende den appel van dijnen palstere die soe schone is op anderen tijden heb icker dy of gesproken maer segt datstuut vergeten hebs Vrouwe seydic ic en letter niet op noch ic en gaffer ghene grote herte toe dat ghy my van haer spraect. ic waende dat ghijt gheseyt hadt van eenre andre die ic noeyt ghesien noch ghekent en hadde. maer na dien dat mijn carbonckel is gaerne wil ick ontdoen mijnen mont ende mit goeder herten haer bidden in sulcker manieren als ick best sal connen ende moghen. maer wilde ghi my wijsen die manyere hoe dat icse bidden soude harde gaerne soudict doen. Recht als ick dit sprack soe viel van bouen vter wolcke eenen brief daer in stont al [66va] dus sulstu nv bidden ende tanderen tijden telken alstu vanden quenen gehouden suls sijn. Nu las ic stappans den brief Du suls haer bidden mit goeder herten haer belouende dattu goet pelgrim suls sijn ende dattu nymmermeer gaen en suls dairstu waens vinden quaden wech. Ende als ic aldus den brief gelesen hadde soe dede ic mijne bedinghe inder manieren also die brief sprac ende aldus sprack den brief. An dy der werelt toeuerlaet glorieuse maget maria Com ic gelopen al confuys want ic en mach niet bet an di houdic my ende lettel helpt my ick bin gheuallen verwonnen heeft my mijn groot aduersarijs ende om dat elcke redelijke creature te dy toeloept heeft. soe bin ic wel sculdich to di te comene eer ic meer commers hebbe sulcke worstelinghe en is my niet nootsakelic of du vrouwe goedertiere bescermt ghelijc andere Bi di sal sijn gecomforteert mijn sieke herte. want du sijs poorte der salicheden. al heb ic mi qualic ghedregen in die seuen hooftsonden ende gedoelt in onrechten weghe nochtan bid ic om troest. mijne arme siele bringhe ic di behoutse si is luttel beter dan doot. alle duechden zijn haer ontgaen. Contrarie my maken zij hatye mijne sonden te mijnre confusien dat ic niet voer dy en soude comen om mijne misdaet bi manie[67rb]ren van wanhopen: maer om dat ic ghedinge wil houden ick laetse voer dy ghebruyken. Aldus doende mijne appellacie dats te seggene dat di toe behoort van al tal ontfarmicheit ende ghenade. ghy sijt moeder der ontfarmicheden bi wien god is te accorde mit sijnen lieden by dy comt paeys ende accoort ende bi dy was ontspannen den boghe van iusticien Ende om dies wille bedenckes mi dattu die peese of doeste. want ware hi noch ghespannen mijne arme siele hads becoft Ewelic hebbe ic hope an dy. want dicwile hebstu my ontfaen in menigher manieren ende mijne siele vervult mitten hemelschen goede. mair lacen als die vreeselijke dach sal sijn bistu dan daer niet in mijn hulpe so werde ick daer qualijken an. want gheene doghet en heb ic dat iammert my ende mit rechte mach ick wel claghen Finalic com ic geuloen te dijnre tenten om my te bedeckene van tempeeste dat in dese werelt is. ende en sijt niet absent om mijnre sonden maer wacht my al heb ic langhe beeste geweest doet edele maghet dat ick v gracie beseffe of vercrijghe. ende doet oec dat dine soete ontfarmicheit my naect ontcleede. want ic en hebbe ghene andere renten. Glorieuse moeder ende maghet die nye teghens yemende houairdich en waers in artrijke

[67va] Dijne sothede thoent my nv ende en ghedoghet niet dat mijn vader my van hem steke of verdriue. Al bin ic voer hem ydele ende by my seluen niet ontgaen en mach ic en moet mijne quaetheyt becoopen. Du vrouwe ouer my voer hem presenteere thonende. Al bin ick niet sijns ghelijke doch is hi mijn broedere. hij wilde mensche worden by sijnre doghet om versaminghe te hebbene ant menschelijke geslachte. met hem wies op van ioncheden ontfarmicheyt daer ic op hope ende verlate si was wel betoent als hem in sijne zijde quam dat felle ysere van der speere. seker bin ick vroet ic zal doch voerdeel hebben wilstu vrouwe te deser noot Ic en vinde nyewers gheenen wech daer ic bet mijne salichede sie naest gode dan in dy want als yement is ontweghet om dat hi varinck weder gherake mit dijnre ontfermicheyt gheleystene ende doetene laten zijne dolinghe ende du maecs dinen paeys anden coninck ende settene weder inden rechten wech. seker wel is hi gheraect ende beleet die dijne gracie also behoedt kalengiers zijn verlicht mit dijnre name. van allen miskieue werden si quijte die te dy hem weghen om haer medicine. O du maghet dan te di mi inclinere. want tot dy comick om te sine ghenesen van mijne quetsuere. en ghedoget [67vb] niet dat die godlijke iusticie op my slae biden welcken ic werde verloren. luttel soudic moghen verclaren dijne grote soethede. ic en weet an wien trecken sal dijn sone van di gheboren werden dat hi niet tegen my en trecke. en ghedoget ghene wreetheit te mi waert. ic kenne vrouwe mijne misdaden ende dat ic mi dicwile ter misdaet ghegeuen hebbe vanden welcken men my of trecken soude. maer wilstu du hebs de salue daer mede dat ic mijne misquame genesen mach Moyses sach in eene figuere dattu maghet den gods sone ontfincs een bosschelkijn sach hi bernen sonder vier teghen nature bistuyt ic en bin niet bedroghen. god is tvier dat in dy was. ende du bist die bossch vanden aermen om te temperne haren brant. Ende daer by werde moeder doet dat ick werde ontfaen by dy ende ghetrocken vten misse. O nobele princesse van alder werelt die nyewer gheen ghelijke en hebt noch inden hemele noch in ertrijke van dy comt alle doghet die wy hebben gheen ander solaes en hebben wy dan in dy. alle aerme hopen ende zijne salicheit aen dy haelt alleene nyement en soude moghen gheseghen noch ghescriuen hoe groot dijne doget is O warachtich licht vanden blinden du biste ruste van den ghenen die moede sijn. ende tre[68ra] sorire van allen goeden der werelt Alle die gherechtich sijn int gheloue die hebben alle hare hope an di nye en waerstu teghens yemende houaerdich. maer seeghs dy selue deerne ende ioncwijf als in di daelde die grote here ihesus. Nu bistu gods tresorire ende van gracien deelersse ende van elcken ghenoech. Ic peynse in mijn ghedochte wat god meende als hy in dy daelde. in dy wart hy worm vander aerden niet en waen ic dat datte was om orloghe noch om my te verliesene maer on ons te beschermene ende verlossene O maghet wildy mi noch helpen ende bijstaen ic hebbe die hope groot na dien dat hi om mijnen wille mensche wart oft hy en wil hem onnatueren noch soe mocht ic sine vrientscap behalen Quam mi nochtan dicwijle in mijnen moet. peynsende hoe menichwarf ic hem ende dy verwracht hebbe ende dat ic mijne ziele qualic geregeert hebbe ende dat in my anders niet en is dan grote zware sonde ghisteren quaet heden noch argher. Edele maghet ic vlie tot v. ende en weet anders nyewaers te vliene of men my iaechde sonder dan tot dy. En dede nye in nijnen leuen doghet. maer altoos gheneghen geweest tot sonden twelcke my is een grote pijn ende doghen Recht mi moeder ende castijt mi want mijnen va[68rb]der en dar ic niet ontbeyden van sijnre correccien sijn castijden is my al te zwaer. want wat dat hi gheraect hy doermalet al als hi wrake neemt O lieue moeder wel mach ic duchten sulck castijden. want mijn leuen heeft oeyt quaet gheweest willet corrigieren want du hebs die salue van zoetheden op datmen aen dy ghenade roept. sonder dy en is gheen doghet ende sonder dy en heeft god gheen dinc. want hi heeft di ghestelt als meestresse bouen al ende alstu wils hi vergheuet al ende by dy is iusticien die plaghe gheset om ghenen anderen prince noch coninc en cesseert si noch en gaet of van haren rechte. van alder werelt bistu gouuernisse ende vanden hemel bestierigge. sonder redene en draechstu niet die crone O heylich temple gods daer hy in woent van den welcken ghepriueert sijn dye herijten ewelic ende onteruet Tot dy com ic an dy ic cleue ontfaet mi van di ic niet en ontga. ende bin ic ghecnocht inden bremen van sonden dat rouwet my bi waerheden. want daer toe heeft my ghecleeft mijne siele dier niet of en quijte. vrye maget van goghen doene die ons ten casteele van hemelrijke gheweges pareert my ende suuerlic binnen ende buten bi sulker manieren dattu int wederkeeren mit dijnre gracien mi geleets. ic bin vol maect mi reene tot di [68va] ic en vervremt niet van my maer ter noot weset mijn beraetster helpt my ende leet my of daget my daer dijne ontfermichede houdt stede. christus dijn sone die heir daelde ende hinc ant cruce had om mi die side doer steken Dijne grote vreeselichede warp hy neder als hij om my den geest gaf. zijne lichame hanghende al ghestrect ende om my storte sijn bloet Constic dit wel verstaen hi sochte wel mijne salichede. ende om dat icken hebbe verwrocht ende hijt mi niet ghegolden en heeft. ic roepe di genade ende hem seg ic lof ysaac prefigureerde datte. die welke niet en gaf om te steruen bi onderhoricheden van sinen vader. bi oetmoede hijt al ghedoechde ende doerproefde mitter bitter doot. O wel soete maget moeder doet dat ic mijn herte morwe mit tramen ende dat my dijne gracie beschijne. dies en sijt niet schaers want harde mildelic hijse mat. zacharias die verwect my ende vermaent dat ic an dy mijne genade ontbinden sal fonteyne coemt hi di om te dwane den sondigen mensche dese lesse is goet te verstane. dwaet my wacht my ende beschermt my dat mi iusticie niet en versla. moeder ende maget ic roepe wacharmen want luttel doech mijne bede. mijne geande staet an dy Ende om dat ic niet mijne pijne en verliese. ic beloue dy my te beterne ende verbinde [68vb] mijne siele di te pande Daer na finalic bid ic di dat als ic sal doen mine eynde dat du my dan niet af en gaes ouer my wijst een vonnisse so dat ic getoghen si in die ewige glorie amen

Als ic aldus hadde ghedaen mijn ghebet tot hare die dispenserigge is van gracien. ic hief mijne handen op ende trac mijnen palster te my waert gracie die boeten my alsoe ic v seyde bi hare doghet Als ickene hielt seyde ic tot gracien Nu vrouwe seide ic recht dunct mi wilt ghi mi helpen stappans waer ic op gherecht ende te hans ghenesen. wilt ghi my smeren mit uwer salue. want ic weet wel dat mijn carboncle soe wel ontsloten heeft alst slot dat liberalichede v ghegeuen is te helpene wien dat ghi wilt hoe seere si ghewont sijn Sy wille dat ghi elcken ghedeelich sijt ende behulpich dat nyement uwes ghebreke en hebbe Soe dan en hebbe ic gheen succoers noch hulpe van v het en houdt niet an hare maer an v. helpt mi si sal my helpen des heb ic hope. Doe boet my gracye die hant ende seyde. na dien dattu hebs op my soe groot betrouwen ic sal dy helpen gift haer dijn hant standt op leent op dijnen palster nairstelic sonder veynsen. want om niet bietstu my dijn hant helpstu niet dy seluen op te stane Ter stont bode ick gracie mijn hant ende hielt

[69ra1] my vaste aen den palster zoe pijndic ende soe seere halp si mi dat den quaden queenen leedt was Elc te haren lachtere schiet van my ende [69rb1] ghinghen wech. maer doch sijndert sach icse weder ende daden my seert dier tijt menich leet al seyde ic alle dage ic en soude niet liegen

Toen ik aldus lag en mijn verlies beklaagde zag ik boven me een wolk uit het oosten komen met een zachte wind. De wolk bleef staan recht boven mijn hoofd, maar niet veel achtte ik er op vanwege de zeren en de grote druk die ik had. Nu versta, goede lieden, hoe node dat Gratie God scheidt van een mens die ze eens geholpen heeft en hoe graag dat ze die bijstaat als het nood is. Uit deze wolk kwam een voice of stem die aldus tot me zei: Nu wel aan, ellendige en ongevallige trawant, al te lang hebt u gedoken en te neer gelegen want u bent een kwade ridder. Ziet ik breng u weer uw pelgrimsstaf om u op te heffen uit de modder en uit het slijk, nu hoor naar mij, ik geef het u weer en nog wil ik niet uw dood, hoewel dat ge tegen mij misdaan hebt, maar ik wil dat u zich bekeerd en leeft. Toen ik al zulke woorden hoorde deed ik mijn ogen wat open en ik zag een hand die mijn pelgrimsstaf vast hield en van boven me aanbood. Ik peinsde dat het die hand was van diegene die me de pelgrimsstaf eerst gaf en ze was het ook. Ay God, zei ik, lieve Gratie, ik verdiende het niet dat u aldus om me denkt. Recht nu was ik verloren had ge me niet beschermt na dien dat ge me mijn pelgrimsstaf weer geeft en bij uw ontferming me vertroost van mijn droefheden en beschermt van de dood. Ik zeg u dank en lof, lieve heer Jezus Christus. Ay Gratie Gods, mijn lieve vrouwe, nu zie ik wel dat ge mijn ziel nog niet vergeten hebt. Ter grote nood bent u bereid om me te helpen of me aanhoudt. Ik weet niet waarvan me dit komt tenzij bij uw goedertierenheid want in mij heb je weinig deugden gevonden, uw raad geloofde ik niet. Met recht is er me kwaad van gekomen. Met beide handen bid ik genade en beken dat het mijn schuld is mijn waarde vrouwe, ik zal me verbeteren en dat beloof ik bij mijn ziel zonder meer, help me deze keer en ik zal u een andere keer geloven. Richt me op want liggen is me al te zwaar, recht voort wil ik lopen ter haag waart is het dat ik nu verlost mag zijn door u. En wil ge me zelf zal leiden als ge me opgericht zal hebben. Toen zei Gratie Gods, hoor, ik zal u zeggen, is het zo dat diegene die aalmoezen behoeft van mij en uitgeven wil en zo veel doen tegen mijn vader die haar zoon is en ze mijn moeder is dat hij u me weer geeft zou u niet te gronde gaan. U zou nog wel herstellen van penitentie. Wil ge, ik zal u blijde leiden en u uit alle kwellingen doen. En wie is zij, zei ik, die vrouwe en meesteres van uit te geven. Een grote vrouwe is ze die van uw aalmoezen geven zeker is, zei ze. U zegt waar en daarbij moet u eerst spreken tot haar en haar ootmoedig genade bidden wil ze dat ik u zal helpen uit deze nood. Nog heb ik de wil alzo ik u nu getoond heb. Weet u niet wie die vrouwe is, dat is uw grote beschaamdheid en schande. Een andere keer heeft ze u geholpen en uit menig kwade wegen geworpen, het is die karbonkel en de appel van uw pelgrimsstaf die zo mooi is en op andere tijden heb ik er u van gesproken, maar u zegt dat u het vergeten bent. Vrouwe, zei ik, ik lette er niet op, nog ik gaf er weinig aandacht aan toen ge me van haar sprak, ik waande dat gij het gezegd had van een andere die ik nooit gezien of gekend hebt. Maar na dien dat het mijn karbonkel is wil ik me graag mijn mond open doen en met een goed hart haar bidden op zo n manier zoals ik het beste zal kunnen en mogen. Maar wil ge me de manier wijzen hoe dat ik haar zou bidden want ik wil dat graag doen. Recht toen ik dit sprak zo viel van boven uit de wolk een brief en daarin stond aldus. U zal nu bidden en te andere tijden telkens als u van de kween vastgehouden zal zijn. Nu las ik gelijk de brief. U zal haar bidden met een goed hart en haar beloven dat u een goede pelgrim zal zijn en dat u nimmermeer gaan zal waar u een kwade weg waant te vinden. En toen ik aldus de brief gelezen had zo deed ik mijn bidden in de manier zoals die brief sprak en aldus sprak de brief. Aan u de wereld toeverlaat glorieuze maagd Maria kom ik al verward gelopen want ik kan niet beter, aan u houdt ik me, help me, ik ben gevallen, overwonnen heeft me mijn grote tegenstander en omdat elke redelijke creatuur tot u loopt zo moet ik wel tot u komen eer ik meer kommer heb. Zo n worsteling is me niet noodzakelijk of u goedertieren vrouwe beschermt me gelijk andere. Bij u zal mijn zieke hart comfort vinden want u bent de poort van de zaligheden en al heb ik me slecht gedragen in de zeven hoofdzonden en gedoold in kromme wegen, nochtans bid ik om troost. Mijn arme ziel breng ik u, hou het, ze is weinig meer dan dood, alle deugden zijn haar ontgaan. Contrarie maken zij dat ze me zonden haten tot mijn verwarring zodat ik niet voor u zou komen om mijn misdaad als een soort van wanhoop: Maar omdat ik geding wil houden, ik laat ze voor u gebruiken. Aldus doet mijn appel, dat is te zeggen dat u toe behoort van al getal ontferming en genade, gij bent moeder der ontferming waarbij God overeenkomt met zijn lieden. Bij u komt vrede akkoord en bij u was ontspannen de boog van justitie. En daarom, bedenkt me, dat u die pees los laat, want was hij nog gespannen, mijn arme ziel had het bekocht. Eeuwig heb ik hoop op u want vaak hebt u me ontvangen in menige manieren en zijn ziel gevuld met het hemelse goed. Maar helaas, als die vreselijke dag zal zijn bent u dan daar niet in mijn hulp zo wordt ik daar moeilijk van. Want geen deugd heb ik en dat vind ik jammer en met recht mag ik wel klagen. Finaal kom ik gevlogen tot uw tent om me te bedekken van tempeest dat er in deze wereld is en wees niet absent om mijn zonden, maar wacht op mij al ben ik lang een beest geweest, doe het edele maagd dat ik u Gratie besef of krijg en doe ook dat uw lieve ontferming me naakt ontkleedt, want ik heb geen andere renten. Glorieuze moeder en maagd die nooit tegen iemand hovaardig was in het aardrijk.

 

 

 

 

 

 

Uw zotheid toont me nu en gedoog het niet dat mijn vader me van hem steekt of verdrijft. Al ben ik voor hem leeg en mag bij mezelf niet ontgaan, ik moet mijn kwaadheid bekopen. U vrouwe voor mij voer en hem toon en presenteer. Al ben ik niet zijn gelijke, toch is hij mijn broeder, hij wilde mens worden bij zijn deugd om verzameld te worden aan het menselijke geslacht. Met hem groeide op van jonkheid ontferming waar ik op hoop en verlaat, het was wel getoond toen hem in de zijde kwam dat felle ijzer van de speer. Zeker ben ik verstandig, ik zal toch voordeel hebben, wil u vrouwe, te deze nood. Ik vindt nergens een weg waar ik beter mijn zaligheid zie naast God dan in u, want als iemand verdwaald is zodat hij vlug weer komt en met uw ontferming geleidt ge hem en laat hem zijn dolen doen en u maakt uw vrede aan de koning en zet hem weer in de rechte weg. Zeker wel is hij geraakt en geleid die uw Gratie alzo behoedt kalanders te zijn verlicht met uw naam. Van alle misdoen worden ze kwijt die te u zich wegen om hun medicijn. O u maagd, dan tot u me over te hellen want tot u kom ik om genezen te worden van mijn kwetsing en gedoog niet dat die goddelijke justitie op mij slaat waarbij ik verloren raak. Weinig zou ik uw grote liefelijkheid mogen verklaren. Ik weet niet aan wie ik trekken zal, uw zoon die van u is geboren dat hij niet tegen mij trekt en gedoogt geen wreedheid tot mij waart. Ik ken, vrouwe, mijne misdaden en dat ik me vaak ter misdaad begeven heb waarvan men mij aftrekken zou. Maar wil u, u heeft de zalf waarmee ik mijn misdoen genezen mag. Mozes zag in een figuur dat u maagd de Gods zoon ontving, een bosje zag hij branden zonder vuur tegen de natuur in, bent u het dan ben ik niet bedrogen. God is het vuur dat in u was en u bent dat bosje van de armen om te temperen hun brand. En daarbij werd moeder dat toen ik werd ontvangen door u en getrokken uit de mest. O nobele prinses van alle wereld die nergens geen gelijke heeft, nog in de hemel, nog in aardrijk, van u komt alle deugd die we hebben en geen ander solaas hebben wij dan in u. Alle armen hoop en zijn zaligheid haalt het aan u alleen, niemand zou u mogen zeggen nog schrijven hoe groot uw deugd is. O waarachtig licht van de blinden, u bent de rust van diegenen die moe zijn en schatbewaarder van alle goed der wereld.

 

 

 

Alle die gerechtig zijn in het geloof die hebben al hun hoop aan u, nooit was u tegen iemand hovaardig maar verlaagde u zelf, deerne en jong wijf toen in u daalde die grote heer Jezus. Nu bent u Gods schatbewaarder en deler van Gratie en van elk genoeg. Ik peins in mijn gedachte wat God bedoelde toen hij in u daalde. In u werd hij een worm van de aarde, niet waan ik dat het was om oorlog nog om me te verliezen maar om ons te beschermen en verlossen. O maagd, wil me nog helpen en bijstaan, ik heb de hoop groot na dien dat hij om mijn wil mens werd of hij wil zich onnaturen nog zo mocht ik zijn vriendschap behalen kwam me nochtans vaak in mijn gemoed, peinzend hoe vaak ik hem en u verwacht heb en dat ik mijn ziel slecht geregeerd heb en in mij niets anders is dan grote zware zonde en gisteren kwaad en heden nog erger. Edele maagd, ik vliedt tot u en en weet nergens anders te vlieden of men joeg me vooral dan tot u. En in mijn leven deed ik geen deugd, maar altijd genegen geweest tot zonden wat van mij is een grote pijn en gedogen. Recht me op moeder en kastijd me want op mijn vader durf ik niet te wachten en zijn correctie van zijn kastijden is me al te zwaar. Want wat dat hij geraakt heeft maalt hij door al als hij wraak neemt. O lieve moeder, wel mag ik duchten zulk kastijden want mijn leven is ooit kwaad gewest en wil het corrigeren want u hebt de zalf van zoetheden zodat men uw genade roept. Zonder u is er geen deugd en zonder u heeft God geen ding, want hij heeft u gesteld als meesteres boven al en als u wil vergeeft hij al en bij u is gerechtigheid die gezet plag te zijn om geen andere prins nog koning die ophoudt nog gaan van zijn rechte weg. Van alle wereld bent u gouverneur en bestuurt de hemel. U draagt die kroon niet zonder reden. O heilige tempel God daar hij in woont waarvan geprofiteerd hebben uw herauten eeuwig en onterft. Tot u kom ik, aan u kleef ik, ontvang me zodat ik van u niet ontga. Ik ben verknocht in het beramen van zonden en dat berouwt me echt. Want daartoe heeft aan me gekleefd mijn ziel die er niet van kwijt kwam. Vrije maagd van hoge doen die ons ten kasteel van hemelrijk wege me afwendt en zuurachtig binnen en buiten op zulke manieren dat u in het wederkeren met uw gratie me geleid. Ik ben volmaakt rein tot u en ik vervreemd het niet van mij maar wees in nood mijn beraadster en help en leid me of draag het daar uw ontferming plaats heeft. Christus, uw zoon die hier afdaalde en hing aan het kruis had om mij de zijde doorstoken. Uw grote vrees wierp hij neer toen hij om mij de geest gaf. Zijn lichaam hangt al gestrekt en om mij stortte hij zijn bloed. Kon ik dit goed verstaan, hij zocht wel mijn zaligheid en omdat ik het heb gewrocht en hij het mij niet vergolden heeft. Ik roep u genade en hem zeg ik lof, Isaac symboliseerde dat die niets gaf om te sterven bij onderhorigheid van zijn vader. Bij ootmoed had hij het al gedoogd en beproefde het met de dood. O wel, lieve maagd moeder, doe dat ik mijn hart vermurw met tranen en dat me uw gratie beschijnt. Dus wees niet schaars want erg mild mat hij ze. Zacharias die wekt me en vermaant dat ik aan u mijn genade ontbinden zal, fontein kom hier om te dweilen de zondige mens. Deze les is goed te verstaan, dweil me en bewaak me en bescherm me dat justitie me niet verslaat. Moeder en maagd ik roep wacharme! want weinig deugt mijn bede. Mijn genade staat aan u. En omdat ik niet mijn pijn verlies beloof ik u me te verbeteren en verbind mijn ziel u te pand. Daarna uiteindelijk bid ik u dat als ik mijn einde zal doen dat u me dan niet af gaat over mij, wijs een vonnis zodat ik getrokken wordt in de eeuwige glorie, amen.

 

 

 

 

Toen ik aldus mijn gebed had gedaan tot haar die verleenster is van gratie hief ik mijn handen op en trok mijn pelgrimsstaf tot mij waart. Gratie die bood hem me alzo ik u zei bij haar deugd. Toen ik hem vast hield zei ik tot Gratie: Nu vrouwe, zei ik, recht lijkt het me dat me gelijk wil helpen als ik opgericht ben en gelijk genezen. Wil ge mij smeren met uw zalf want ik weet wel dat mijn karbonkel zo goed ontsloten is als het slot dat liberaalheid u gegeven is te helpen wie dat gij wil, hoe zeer ze gewond zijn. Ze wil dat ge elk deelt en behulpzaam en dat niemand van u gebrek zal hebben. Zo dan heb ik geen succes nog hulp van u, het ligt niet aan haar maar aan u. Help me, ze zal me helpen dus heb ik hoop. Toen bood Gratie me de hand en zei: Na dien dat u op zij zo n groot vertrouwen hebt zal ik u helpen, geef uw hand en sta op en leun op uw pelgrimsstaf naarstig zonder veinzen want om niet biedt u me uw hand en helpt u niet zichzelf op te staan. Terstond bood ik Gratie mijn hand en hield me vast aan de pelgrimsstaf en zo pijnde ik en zo zeer hielp ze me dat het de kwade kween leed was. Elk tot hun uitlachend scheidde van mij en gingen weg. Maar toch sinds zag ik ze weer en deden me sinds die tijd menig leed al zei ik alle dagen dat ik niet zou liegen.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim en Gratie Gods bij de huilende rots met de ton eronder>

 

[69ra2] Doe toende my gracie eene hoge roetse ende op die roetse stont een oge die grote tranen weende ende onder die oge stont een cupe om te ontfane alle die dropelen Siestu die cupe seide gracie ia ic vrouwe Du moets seit si daer in gebaedt sijn om dijne wonden te genesene Nu segt my seit hy wanen comter twater. in die oge verwondert mi ende oec dwater datter wt comt. Hoort seit si die roetse dat is therte die al willens gelaten hebben den wech van salichede die als een steen verhaerdt sijn in quaethede. Nu al ickene een wile gelaten hebbe in zonden somtijt mi iammert sijns ende [69rb2] doe hem dan besien wie hi is. ende als hi hem wel besien heeft den gront van sijnre herten dan beghint hi te weenen tranen. ende om dat hi niet verliese sine pine so heb icker die cupe onder geset om die dropelen te gaderne. vanden welcken penitencie wel can maken haer loge. In dat vat was magdalena gebaedt ende sinte pieter ende veel andere. ende daer bi wilstu ghenesen du moets alsoe gepurgeert sijn Vrou seide ic waert v wil mi daer te leedene ic souder gaerne gaen. want sonder v en doech icker niet Ic wilt wel seit si gaet voren du suls mi daer vinden Nu seg ic v dat ic daer ghinc ende daer vant icse: maer [69va] onder die wolcke was bedecht. Als ick daer quam ic vant die cupe die niet half vol en was Vrouwe seide ic hier en is niet waters ghenoech om mi te dwane Doe nam gracie eene roede en weet niet waen si haer quam ic peynsde dat die selue roede was daer moyses inder woestinen die rootse sloech daer dat water vte quam om den volcke van ysrahel. ende si wast oec. Mitter roede so sloech si ende ter stont spranc dair water wt ende dat water liep in die cupe maer de loop vant water was doer die oge alsoe ic seide Nu seyt si hebstu waters genoech wilstu ghebaedt zijn sprinct in ic hebt di te passe gemaect valter in tot ouer thoeft Doe sonder letten ghinc icker in ende dwoech mi van als ic waen ic waer ghenesen had icker in geduert maer neen ick cort ghinc ic daer wt. want luttel had ic geleert te badene lutte slachtick dauid die seyde dat hi alle nachte sijn bedde nat maecte van tranen Als ic weder wt den bade was gracye seyde tot my en moghestu niet gedogen een luttel waters om dijne gesondichede. hoe sulstu dan mogen gedoghen die hage te lijdene die du begeert hebs te lijdene die du scherper suls vinden dan van eerst Nu gaet alsoestu wils ick sal sien hoe stout du sijn suls Een goet ridder als hi gewont is geweest in tornoeye hi is dair na stouter ende [69vb] te riddelijker Doestu soe dat wart my lief ende te lieuer sal ic dy helpen Maer na dese reyse en sulstu mi niet meer sien ic scheyde van dy ic wille besien watstu doen suls Als ic ditte ghehoort hadde wat gracie seyde doe wordic iammerlic wederslegen. Ay lacen seide ic ketijf wat sal ic nv doen. waer sal ic nv den eerste voet setten. ic wane nye pelgrim soe teynden rade was als ic nv bin. o soete heere god helpt my ghi sijt die vpperste apple van mijnen palstre. ic bidde v dat ic in v sien mach al waer mijn wech is. heylich carbonckele clair die mijnen palster verlicht wijst my hoe ic gaen sal du biste daer ic oeyt grote hope in hebbe gehadt. an dy roep ic. op dy ic my verlate. helpstu my niet ic blijf verloren. niet dat ic alsoe riep ende badt an mijnen apple Ic wat peynsende te wat inden ic die hage ghelaten hadde. ic peynsde dat icker na soeken soude ende dat icse lichte geraken mochte ic sette my rechttevoert te weghe. mar so drae als ic mijne dachuaert bestonde vondic belet als hier na ghescreuen sal staen

Hier eyndt het derde boeck

Toen toonde Gratie me een hoge rots en op die rots stond een oog die grote tranen weende en onder dat oog stond een kuip om die druppels te ontvangen. Ziet u die kuip, zei gratie, ja ik, vrouwe. U moet, zei ze, daarin gebaad zijn om uw wonden te genezen. Nu zeg me, zei hij, waarvan komt het water in dat oog, het verwondert me en ook het water dat er uitkomt. Hoort, zei ze, die rots dat is het hart die al willens de weg van zaligheid verlaten hebben die als een steen verhard zijn in kwaadheid. Nu als ik hen een tijdje in zonden gelaten heb vind ik het soms jammer van hen en laat hen dan goed zien wie zij zijn en als ze zich goed de grond van hun harten bezien hebben dan beginnen ze tranen te wenen. En omdat hij zijn pijn niet verliest zo heb ik er de kuip onder gezet om die druppels te verzamelen waarvan penitentie goed haar loog van kan maken. In dat vat was Magdalena gebaad en Sint Petrus en veel andere en daarbij wil u genezen, u moet alzo gepurgeerd worden. Vrouwe, zei ik, was het dat u me daar leidt, ik zou er graag gaan want zonder u deug ik niet. Ik wil het wel, zei ze, ga voren, u zal me daar vinden. Nu zeg ik u dat ik daar ging en daar vond ik haar, maar onder die wolk was het bedekt. Toen ik daar kwam vond ik die kuip die niet half vol was. Vrouwe, zei ik, hier is geen water genoeg om me te dweilen. Toen nam Gratie een roede en weet niet waarvan ze het nam, ik peinsde dat het dezelfde roede was daar Mozes in de woestijn die rots sloeg daar dat water uitkwam voor het volk van Isral en het was het ook. Met de roede zo sloeg ze en terstond sprong daar water uit en dat water liep in die kuip, maar de loop van het water was door daar dat oog alzo ik zei. Nu, zei ze, hebt u water genoeg wil u gebaad zijn, spring er in, ik heb het u te pas gemaakt, val er in tot over het hoofd. Toen ging ik er zonder letten in en dweilde me en toen ik meende dat ik genezen was bleef ik er in, maar neen, al gauw ging ik daar uit want weinig had ik geleerd te baden en weinig slacht ik David zie zei dat hij alle nacht zijn bed nat maakte van tranen. Toen ik weer uit het bad was zei Gratie tot mij, kan u niet wat water gedogen vanwege uw gezondheid hoe zal u dan mogen gedogen door die haag te gaan die u begeert hebt te gaan die u scherper zal vinden dan eerst. Nu ga zoals u wil, ik zal zien hoe dapper u zal zijn. Een goede ridder die in toernooien gewond is geweest zal daarna dapperder en ridderlijker zijn. Doet u zo dat was me lief en te liever zal ik u helpen. Maar na deze keer zal u me niet meer zien, ik scheidt van u en zal zien wat u zal doen. Toen ik gehoord had wat Gratie zei toen werd ik jammerlijk verslagen. Eilaas, zei ik, ellendige, wat zal ik nu doen, waar zal ik nu de eerste stap zetten, ik waan dat er geen pelgrim zo ten einde rade was als ik nu ben. O lieve heer God, help me, ge bent die opperste appel van mijn pelgrimsstok, ik bid u dat ik in u zien mag waar mijn weg is. Heilige karbonkel die helder mijn pelgrimsstaf verlicht wijs me hoe ik gaan zal, u bent daar ik ooit grote hoop in heb gehad. Aan u roep ik, op u die ik me verlaat, helpt u me niet blijf ik verloren. Niet dat ik alzo riep en bad aan mijn appel, ik peinsde waar ik de haag verlaten had en peinsde dat ik er naar zoeken zou en dat ik die licht vinden mocht en zette mijn rechtervoet te wege, maar zodat als ik mijn dagvaart bestond vond ik belet zoals hierna geschreven zal staan

Hier eindigt het derde boek.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim aan de oever van de zee met allerlei mensen>

 

[70ra] Hier beghint dat vierde boeck

Nv sal ic v seggen ghy heeren hoe dat ic in mijnen wech beled vant ende dat my meest an gaet. want beede op berge ende in dale sach ic menich wonder dwelcke ic niet al vertrecken en wille want het soude v ende my vernoeyen Nu dan als ic alsoe ghinc doer enen wech die ick ghenomen hadde uoer my sach ic eene grote zee dair veel wonders in te sien was. tempeest ende vreeselichede wasser altoos in mannen ende wijuen lagen daer in al gecleet waer of dat enige lagen mitten voeten opwaerts. andre stonden daer in al rechte. vanden welken enige hadden vlercken ende scheen dat si vlieghen souden en ware dbelet van [70rb] dre zee. sommighe sach icker oeck die biden voeten verwarret waren an langhen grase dat inden gront wies. eenighe andere hadden verbonden die ogen ende andere vele in misselijker manieren Als ick ditte sach grotelijc verwonderde mi ende seere wordic vereent. O soete god seyde ic wat is ditte sulc dingen en sach ic nye in onsen lande noch sulcke vissche: nv sie ic wel dat ic niet vorder en mach ic moet weder keeren of ic moet hier verbeiden gracie gods ende uwe grote genaden. tardic in die zee ic verdrincke. ga ic om so sal ic verdolen Lieue here ic en weet wat doen of ghi en sent my uwe gracie Ten lesten peynsde ic dat ick gaen wilde neffens den oeuer om te besiene of ic vonde enich scip daer ick in ouer voere sonder verse

Hier begint dat vierde boek.

Nu zal ik u zeggen, gij heren, hoe dat ik in mijn weg beleid vond en dat me het meeste aan gaat. Want beide op bergen en in dalen zag ik menig wonder wat ik niet alle vertellen wil want het zou u en mij vermoeien. Nu dan toen ik alzo ging op een weg die ik genomen had zag ik voor me een grote zee waarin veel wonderen te zien waren. Tempeest en vreselijkheid was er altijd in, mannen en wijven lagen daar in al gekleed of dat enige lagen met de voeten opwaarts. Andere stonden daar al recht in waarvan enige hadden vlerken en scheen dat ze vliegen zouden was er niet het belet van de zee. Sommige zag ik ook met de voeten verwart aan lang gras dat in de grond groeide. Enige andere hadden de ogen verbonden en veel andere in misselijke manieren. Toen ik dit zag verwonderde ik me zeer en zeer werd ik benauwd. O lieve God, zei ik, wat is dit voor ding, dat zag ik nooit in ons land nog zulke vissen: Nu zie ik wel dat ik niet verder kan, ik moet weer keren of ik moet hier wachten op Gratie God en uw grote genade. Ga ik in zee, ik verdrink, ga ik om zo zal ik verdwalen. Lieve heer, ik weet niet wat te doen of ge zendt me uw Gratie. Tenslotte peinsde ik dat ik naast de oever wilde gaan om te zien of ik enig schip vond waarin ik zonder gevaar over vaar.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de zee met op de oever Heresie met takkenbos, en de duivel met netten en hoorn in de mond>

 

[70va] Te wege sette ic mi rechteuoert ende begonste te ghane op dye riuaetse mair niet lange so en ghinc ic ic en sach eene soe lelijke beeste dat soe wiese saghe nymmermeer en quaem hijs te vreden Och mine siele beeft telcken als icker om peynse. Dese beeste was soe wonderlic ende soe afgriselic dat icker niet of spreken en dar. ende der bi heb icse geordineert hier te schilden sal om datse elc die wille sien mach Dese beeste sach ic visschen in de zee sine netten had si geworpen int water ende die roede hilt hi bider hant. enen horen hinc an sinen hals ende een bondt coorden droech hi ende vliegende netten had hi gespreedt op die zee Als hi mi comen sach begonste hi te tutene ende te blasene ende sine letsen te gerede[70vb]ne om my te vane dat ick hem niet ontgaen en soude Als ic sach sulke gereescap iammerlic worde ic veruaert. want ic sach wel leedic doer stappans worde ic van hem gheuaen. Wat sal ic nv doen quaden wech vinde ic. ic ducht ic nymmermeer scheyden en sal wt deser plaetsen ghy en helpt my bi uwer gracien

Te wege zette ik mijn recht voort en begon te gaan op de passage, maar niet lang en zo ging ik en zag een zo lelijk beest dat zo wie het zag hij was nimmermeer tevreden. Och mijn ziel beeft telkens als ik er aan denk. Dit beest was zo wonderlijk en zo afgrijselijk dat ik er niet van spreken durf en daarbij heb ik het geordend hier te schilderen zodat elk die wil het zien mag. Dit beest zag ik vissen in de zee en had zijn netten geworpen in het water en de roede hield hij bij de hand. Een horen hing aan zijn hals en een bundel koorden droeg hij en vliegende netten had hij gespreid op de zee. Toen hij mij komen zag begon hij te toeteren en te blazen en legde ze gereed om mij te vangen zodat ik hem niet ontgaan zou. Toen ik zulk gereedschap zag jammerde en werd erg bang. Want ik zag wel ging ik door werd ik gelijk van hem gevangen. Wat zal ik nu doen, een slechte weg vind ik. Ik ducht ik nimmermeer scheiden zal uit deze plaats of ge helpt me bij uw gratie.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim bij de zee, die Heresie met takkenbos met zijn staf verjaagt>

 

[71ra] In dien punte sach ick comen gelopen een queene die een bos rijsen of een bos tacken brocht op haren hals ende si ghinc al dansende achterwaert ende ouer dweers sach si op my. want si was schelue Als si bi my was seyde si geeft v op wie si di seide ic. ick bin seit si in effene wegen een tumelen een subben. ic heet die sheluwe heresie die stappans als mijn vader blaest ga ic wt die pelgrim arresteren om hare male te nemene ic hate malen bouen alle dingen dat sal ic di wel tonen want dine male sal ic di nemen op dat ic can in die bellekijne sie ic gescrifte. die na mijnen ogen niet te recht gescreuen en zijn Swijcht seyde ic vermaledide queene tghescrifte is gerechtich ende goet maer want mit scheluwen ogen en mach [71rb] men niet rechte sien. neen seit zij my en roect. ic wille dat die letteren gecorrigeert sijn na mijn gesichte. gelijc dat ic ga verkeert ende dat ic niet en ga als andre queenen Nu segt mi seide ic bistu die quene die te templiers dades te viere ia ic seit si. Ende waer bi seide ic loepstu my dus vreeselic op Hoe waenstu seit si soe starc zijn als augustijn was Neen ic seker seyde ic. maer na dien dat v een man verwonnen heeft mi dunct du en souts niet soe stout sijn teghen mannen. Ha seit si. si en hebben niet alle gelijke cracht Ic hebber sijndert menich verwonnen die ic ontmaelt hebbe haer ondancs ende also sal ic di doen Nu coemt voirt ende gheeft mi dine male By lode seyde ic. ic en sal Doe liep si op my mit quaden moede. ende ic duchte dat si mine male

[71va] ghenomen soude hebben. maer ick weerde my ende sloechse mit mijnen palstere alsoe seere dat si moeste rumen dye plaetse. Doe openbaerde haer te my gracie gods ende seide dat ic wel gedaen hadde dat ic my verweert hadde ende dair om soude se my wijsen den wech ende mit my gaen. O vrouwe seide ic groten danc seg ic v. recht nv waer ic verloren en had di nv niet te mi ghecomen. Die afgriselijke beeste hadde my ontsint. ende die vreselijke zee oec heeft my tonder. ende noch en weet ic niet wat dese dinghen bedieden ghi en segghet my. ende daer om bid ic v dat ghi my daer of informeert. Men mach wel gaen seit si al sprekende gaen wi ende cort sal ic di seggen wat alle dese dinghen bediede Nu seg ic dy dat wi leden sijn ouer alle die quade netten ende stricken die deze quade beeste ghereet hadde ende te sijns ondancs nv al gaende neffens dese zee seyde gracie tot my aldus Dese zee seit si dat is de werelt dair altoos tempeest ende onrust in is om ydel glorie dier in waeit. in dese zee soe swemmen ende gaen misselijke monsteren. Die sulcke hebben die voeten opwaerts dat sijn dye ghene die geladen sijn mitten sacke van ghierichede. dwelc niet behoeuelic en is inde zee want tghewichte dat zwaer is doetet duycken inwaert ende sincken dat hi niet zwemmen en [71vb] mach. sulc volc reken ic verloren tot ander tijt dat sijt al neder legghen Die ander diestu sies rechte staen. daer of die sommighe vlercken hebben. wetet seker dat die sijn gherechtighe luden die niet in dese werelt anders niet en soeken dan horen nootdrutft. an gode alleene hebben zij haer leuen menschelic. maer haer geestelic lijf weten si wel andersins te hebben dan hier ende daer bi gaen si rechte. want in die zee zijn si bi noot saken maer elder is haren wille. Die ghene die du sies verwarret mitten voeten dat sijn recht wereltlijke luden die al haer herte ghestelt hebben in ydelheden ende in wereltlijke dinghen. ende daer bi sijn si ghebonden int gras ic en weet hoe si gheuliegen souden. si hebben genoech te doene an hem tontwarrene ende te verlossene vanden crude. Die ghene die du sies die ogen verbonden ende recht of si blint waren dat sijn recht sotte luden die anders niet en ghelouen dan si sijn. al weten si dat die werelt vol is ende nochtan verlaten si hem daer op die sotte mit enighe scoenheit die si hebben. vanden welke salomon seyde dat alle ydelheit was in de epistele vander magdalenen daer mede sijn si verblint die ghene die du daer sietste. ogen hebben si daer si niet mede en sien om die ydele glorie diet hem beneemt bi prosperiteyt ende auenture

[72ra] Sy sijn in vreesen. du sies wel wat soudicker meer of seggen. maer wilstu weten vander vreeselijker beesten die dair vischt in die zee die beeste is geheeten satanas die altoos sijn macht doet om te crijghene alle die in dye zee sijn. sijn ghewant dat sijn sijne temptacien daer mede dat hi elcken tempteert. aldus als hem yement consenteert stappans is hi mitten ingeuene geuaen ende dan trect hijne op om mit hem te draghene. maer om dat hijse niet also lichte gecrijgen en can daer bi heeft hi gheleert letsen maken ende netten om te visschene ende om te vangene die goede contemplatiue sijn Vogelare is hi geworden om dy te vangene nyemant en salre liden op dat hi mach hi en sallene arresteren nye en saechstu spynne soe veel netten maken om die vliegen te vangene als hi doet om die visschen te vangene dat sijn die menschen ende te belette. maer seker die vroet ware ende een luttel crachten had ia die cracht van eenre vliegen om al sijn wachten en gaue ic niet een caf. al sijne dingen sijn al niet ende anders niet dan een nette van enre spynnen dat breect al daer een grote vliege an comet Ende daer af seijt jeronimus dat nyement van hem verwonnen en is hy en wille. want cranc is hi ende alle sijn letsen. maer dair bi en seg ic niet du en suls dy altoos wachten van hem. [72rb] want hy heef duysent consten om den mensche te bedriegene die du sies ende duysent consten die du niet en sies Somtijt verschijnt hi hem ende doet an een gemaect aensichte om tvolc te bedriegene valschelic ende schijnt dat hi recht een engel is al vol claerheden ende dat hi node yement bedriegen soude. ende daer by wacht dy van hem hi is die ghene daer sinte pieter of seyt hi is die altoos waect ende peynst hoe hi elken bedriegen sal Soudic dy al vertellen hoe menich onnosel scaep dat hi heeft gedoot hoe menich lam dat hi vander borst heeft geteert ende verworcht. dus wacht dy dat bid ic dy

Op dat punt zag ik een kwee aan komen lopen die een bos rijs of een bos takken bracht op haar hals en ze ging al dansend achterwaarts en over dwars keek ze naar mij want ze was scheel. Toen ze bij me was zei ze, geef u over. Wie bent u, zei ik. Ik ben, zei ze, in effen wegen een tuimelen, een dubben (?) Ik heet die schele ketter die gelijk als mijn vader blaast ik uit ga om die pelgrim te arresteren om zijn bedelzak te nemen, ik haat bedelzakken boven alle dingen en dat zal ik u wel tonen want uw bedelzak zal ik u nemen zo ik kan. In die belletjes zie ik geschrift die naar na mijn ogen niet te recht geschreven zijn. Zwijg, zei ik, vermaledijde kwee, het geschrift is gerechtig en goed, maar met uw schele ogen kan men niet goed zien. Neen, zei ze, mij een zorg, ik wil dat die letters gecorrigeerd worden naar mijn gezicht gelijk dat ik verkeerd ga en dat ik niet ga als andere kween. Nu zeg me, zei ik, bent u die kwee die tempeliers in het vuur deed, ja ik, zei ze. En waarbij, zei ik, loopt u me aldus vreselijk op. Hoe waant u, zei ze, zo sterk te zijn als Augustus was. Neen ik, zeker, zei ik. maar na dien dat u een man overwonnen hebt lijkt me dat u niet zo dapper bent tegen mannen. Ha, zei ze, ze hebben alle niet gelijke kracht. Ik heb er sinds menige overwonnen die ik van hun malin ontdaan heb en tegen hun wil en alzo ik u zal doen. Nu kom verder en geef u me uw bedelzak. Bij God, zei ik, ik zal niet. Toen liep ze naar me met een kwaad gemoed en ik duchtte dat ze mijn bedelzak genomen zou hebben, maar ik verweerde me en sloeg haar zo zeer met mijn pelgrimsstaf dat ze de plaats moest ruimen. Toen openbaarde zich tot mij Gratie Gods en zei dat ik goed gedaan had dat ik me verweerd had en daarom zou ze me de weg wijzen en met me gaan. O vrouwe, zei ik, zeer bedank ik u. Recht nu was ik verloren was u nu niet tot me gekomen. Dat afgrijselijke beest had me ontstemd en ook die vreselijke zee heeft me te onder en nog weet ik niet wat deze dingen betekenen, ge zegt het mij en daarom bid ik u dat ge me daarvan informeert. Men mag wel gaan, zei ze, al sprekende gaan en kort zal ik u zeggen wat al deze dingen betekenen. Nu zeg ik dat wij gegaan zijn over al die kwade netten en strikken die dit kwade beest gereed had en tegen zijn wil en nu al gaande naast deze zee, zei Gratie God tegen mij aldus: Deze zee, zei ze, dat is de wereld daar altijd tempeest en onrust in is om ijdele glorie die er in waait. In deze zee zo zwemmen en gaan misselijke monsters. Sommige hebben de voeten opwaarts en dat zijn diegene die geladen zijn met de zak van gierigheid wat niet nodig is in de zee want het gewicht dat zwaar is laat ze duiken naar binnen en zinken zodat hij niet zwammen kan. Zulk volk reken ik verloren tot andere tijd dat zij het al neer leggen. Die ander die u ziet recht staan waarvan sommige vlerken hebben en weet het zeker dat die zijn oprechte lieden die in deze wereld niets anders zoeken dan hun nooddruft. Aan God alleen hebben zij hun leven menselijk maar hun geestelijk lijf weten ze wel anderszins te hebben dan hier en daar gaan ze recht. Want in die zee zijn ze bij noodzaak, maar elders is hun wil. Diegene die u met de voeten verward ziet dat zijn echte wereldlijke lieden die al hun hart gesteld hebben in ijdelheden en in wereldlijke dingen en daarbij zijn ze gebonden in het gras. Ik weet niet hoe ze vliegen zouden, ze hebben genoeg te doen om zich te ontwarren en te verlossen van de kruiden. Diegene die u ziet die ogen verbonden en recht of ze blind waren dat zijn recht zotte lieden die niets anders geloven dan ze zijn. Al weten ze dat de wereld vol is en nochtans verlaten die zotten zich daarop met enige schoonheid die ze hebben. Waarvan Salomon zei dat alle ijdelheid in het epistel van de Magdalenen was en daarmee zijn ze verblind diegene die u daar ziet. Ogen hebben ze waar ze niet mee zien om die ijdele glorie die het hen beneemt bij voorspoed en avontuur.

Ze zijn in vrees. U ziet wel en wat zou ik er meer van zeggen. Maar wil u weten van het vreselijke beest die daar in de zee vist, dat beest is geheten Satan die altijd zijn macht doet om te krijgen alle die in uw zee zijn. Zijn touwwerk dat zijn zijne verzoekingen waarmee dat hij elk verleidt. Aldus als hem iemand toestemt gelijk is hij met het ingeven gevangen en dan trekt hij hem op om met hem te dragen. Maar omdat hij ze niet alzo lichte krijgen kan heeft hij daarbij geleerd knopen te maken en netten om te vissen en om te vangen die van goede beschouwing zijn. Vogelaar is hij geworden om u te vangen, niemand zal er gaan zodat hij kan en hij zal hem arresteren, nooit zag u spinnen zo veel netten maken om die vliegen te vangen als hij doet om die vissen te vangen, dat zijn de mensen en te beletten, maar zeker die verstandig zijn en wat krachten hebben, ja, de kracht van een vlieg om hem af te wachten geef ik geen kaf. Al zijn dingen zijn al niets en niets anders dan een net van een spin dat al breekt als daar een grote vlieg aankomt. En daarvan zei Sint Hironymus dat niemand van hem overwonnen is als hij wil. Want zwak is hij en al zijn knopen. Maar daarbij zeg ik het u niet, u zal zich altijd wachten van hem want hij heef duizend kunsten om de mens te bedriegen die u ziet en duizend kunsten die u niet ziet. Soms verschijnt hij aan hem en doet aan een gemaakt aanzicht om het volk vals te bedriegen en schijnt dat hij recht een engel is al vol helderheid en dat hij node iemand bedriegen zou en daarbij wacht u zich van hem, hij is diegene daar Sint Petrus van zegt, hij is die altijd waakt en peinst hoe hij elk bedriegen zal. Zou ik het u al vertellen hoe menig onnozel schaap dat hij heeft gedood en hoe menig lam dat hij van de borst heeft verteerd en gewurgd, dus wacht u dat bid ik u.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim met Jonchede>

 

[72va] Mit dat gracie aldus mit mi sprac sach ic comen een ionghe ioncfrouwe seer schone al spelende mit eenen caesballe ende hair voeten waren bepluymt. tot haer wilde ic spreken Ioncfrouwe seide ic waer of diendi dat ghi v so soetelic gelaet Wistu seit si waer of dat ic diene luttel noch vele soutstu spreken. maer du souts dy van my veruaren. nochtan ioncfrouwe seide ic sijt ghi soe edele waerdy te cope men soude v niet mogen volprijsen seker seys zij Dus segts waer maer datmen mi besichde tamelijke maer dat ware al te starc te doene luden van putertieren sinne. ic heet ionchede die om alle dangier niet en geue een stroe. ic gae ic springhe ic danse ic worstele ic werpe den steen ende luttel bin ic te wets graften ouer te sprin[72vb]gen in boghaerden ende stappans op die bome te clymmene. sonder redene en bin ic niet gepluymt an mijn voeten also du sies mijne voeten draghen my daer ic wille Azael eens iaers hadde gepluymde voeten mair hi becoft harde diere. te grote lichtheit en is somtijts niet goet. beter is een vroet man mit zwaren voeten dan vier sotten mit vlieghende voeten. Ende daer by ordineerde eens iaers de heylighe kercke dat nyement en worde ghestelt of geordineert om dye kercke te regierene hy en hadde lodine voeten om op te gane soe dan daer af bin ick gepriueert ende beschermt Een colue moet ic hebben om mede te sollene ende een stoed gene andre crootse en gebaest my heb icse dat wart dulhede. want mijne voeten en souden niet [73ra1] connen gedueren

van lopene. noch en heb ics niet genoech ic rolle ick dobble ic spele te tafelen. ende al om soeck ic mijn solaes mit mijnre colue ende in mijnen bal heb ick meer spels dan in al dat my vader ende moeder leeren. gheen ander sorge en heb ick dan om mijn spel ende dat is al mijn studacie Diendi seide ick el nyewer of Dat suldy wel weten seit si cortelic. want als nv sal ic torsen ende draghen doer dye zee. My dragen seide ic cleene ioncfrouwe. wat is dat ghi segt ghy sout node [73rb1] last willen dragen. nochtan seit si sal ic di dragen of suls cort vinden die ghene die dy dlijf sal nemen. in latijne heetmense mors Ende wat is mors seyde ic Dat sulstu seyt si wel weten alstu outheden suls hebben ghesien Ende waer seide ic is outhede ende wat eest. du sulstet wel weten maer noch niet. gheeft hier v handt ic wille vlieghen ende doer die zee sal ic di draghen dair sulstu sien veel wonderlicke ende vreemde dinghen op dattu niet te zeere en slaeps

Met dat Gratie aldus met me sprak zag ik een zeer mooie jonkvrouw komen al spelende met een kaatsbal en haar voeten waren bepluimd. Tegen haar wilde ik spreken. Jonkvrouw, zei ik, waarvan dient ge dat u zo lieflijk gelaat. Wist u, zei ze, waarom dat ik u weinig of veel zou spreken, maar u zou van mij meer schrikken. Nochtans jonkvrouw, zei ik, ge bent ge zon edele waar te kopen, men zou u niet mogen volprijzen, zeker, zei zij. Dus zeg het waar, maar dat men mij tamelijk gebruikte, maar dat was al te goed te doen lieden van goedertieren zin. Ik heet jonkheid die om alle gevaar geen stro geef, ik ga, ik spring, ik dans, ik worstel, ik werp de steen en weinig hoef ik te weten, grachten overspringen, in boomgaarden en gelijk op de bomen te klimmen. Niet zonder reden ben ik aan mijn voeten gepluimd zoals u ziet, mijn voeten dragen me daar ik wil. Azrael had eens per jaar zijn voeten gepluimd maar hij bekocht het erg duur. Te grote lichtheid is soms niet goed. Beter is een verstandig man met zware voeten dan vier zotten met vliegende voeten. En daarbij ordineerde een jaar de heilige kerk dat niemand gesteld of geordineerd wordt om de kerk te regeren, hij had dan loden voeten om op te gaan en zo ben ik daar dan van beroofd en beschermd. Een kolf moet ik hebben om mee te sollen en een plaats, geen ander kruis gebiedt me want dat was dolheid, want mijn voeten zouden het lopen niet volhouden. Nog heb ik niet genoeg, ik rol, ik dobbel, ik speel te tafel en alom zoek ik mijn solaas en met mijn kolf en in mijn bal heb ik meer spel dan in al dat me vader en moeder leren. Geen andere zorg heb ik dan om mijn spel en dat is al mijn studie. Dien ge, zei ik, nergens anders voor? Dat zal ge wel weten, zei ze kort, want als nu zal ik u torsen en dragen door de zee. Me dragen, zei ik, kleine jonkvrouw, wat is dat ge zegt, ge zou node last willen dragen. Nochtans, zei ze, zal ik u dragen of zal gauw diegene vinden die u het lijf zal nemen. In Latijn noemt men ze mort. En wat is mors (dood), zei ik. Dat zal u, zei ze, wel weten als u oudheid gezien zal hebben. En waar, zei ik, is oudheid en wat is het. U zal het wel weten, maar nog niet. Geef hier uw hand, ik wil vliegen en door de zee zal ik u dragen en daar zal u veel wonderlijke en vreemde dingen zien zodat u niet te zeer slaapt.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim op de rug van Jonchede boven de zee, in de zee Tribulacie met tang en hamer>

 

[73ra2] Doe sonder letten nam si my op haren hals ende begonste te vliegene bouen die zee. niet wel en was ic versekert om die grote stromen die ic onder my sach. ende dat si int water doepte telken als si wilde. in groter vresen bracht zij [73rb2] mi dicwile bi harer dulhede. Cirtym caribdim stillam bitallasym syerenam ende alle andre vreesen vander zee dede si my gedogen. Ende en weet di niet wat bediede. Dese cirtym ende dandre ic saelt di seggen Cirtes dat is propren wille die gelijc sande is vergadert maect enen berch in die zee. dat alsmer doere waent lijden men is gearresteert. saghic enigen mensche die in hem seluen so vele sijns willen volchde dat hy niet doen en wilde als een andere ic soude segghen het is sant dat hem tast in die zee. ende beneemt den wech te lijdene doere dat is cirtes de vreselijke caribdis dat is die vroetscap vander werelt. sulke dingen altoos veranderen ende nijmmermeer en houden si hem in eenen state Gedinct v yet van salomone hoe dat hijt al doersochte ende hoe hijt al rekeent ouer ydelhede ende pijne. An sine exempelen moechdy verstaen dat alle tbedrijf van deser weerelt is een recht caribdis ende een vreese sonder verlaet In stilla et vitalloso So eest oec vreeselic zwemmen. Stilla heet Beieghentheit ende Silallosum. medespoet dat sijn engiene daer auenture haer wiel mede keert Bitallosus doet op halen ende stilla doet neder vallen alsomen sien mach an die weghen. Aduersitas doet als stilla want als yement doer hem lijdt hi is gehort ende gesteken ende in die vloet vander zee geexponeert. dats eene vreese die vele luden seere duchten ende node comen si aldaer. maer niet min en is dander te duchtene diet wel mercte want houdende antreckende ende smerende is die rijchede ende [73vb] dese eer vander werelt dat wonder is datter enich ontgaet die doir hem lijdt Syrena dat is werlic solaes dat bi sinen soeten sange die sciplude an hem trect ende doet hem laten den goeden wech. dats eene vreese dair my ionchede meer in voerde. ic wane si vreese minde of dat si mi haette ter doot

Toen zonder letten nam ze me op haar hals en begon te vliegen boven die zee. Niet goed was ik verzekerd vanwege die grote stromen die ik onder me zag en dat ze in het water dook telkens als ze wilde. In grote vrees bracht zij me vaak bij haar dolheid. Tussen Scylla en Charybdis of tussen twee kwaden en alle andere vrezen van de zee liet ze me gedogen. En weet u niet wat het betekent. Deze Cirties en de andere, ik zal het u zeggen. Scylla dat is propere wil die gelijk zand is verzameld maakt een berg in de zee dat als men erdoor meent te gaan men is gearresteerd. Zag ik enige mens die in zichzelf zoveel zijn wil volgde dat ze niet doen willen zoals een ander zou ik zeggen, het is zand dat hem aantast in de zee en beneemt de weg er door te gaan, dat is Scylla. De vreselijke Charybdis dat is die wetenschap van de wereld die sommige dingen altijd verandert en nimmermeer houden ze zich in een vorm. Gedenkt u iets van Salomon hoe dat hij het al doorzocht en hoe hij het al rekent voor ijdelheid en pijn. Aan zijn voorbeeld kan ge het hele bedrijf van deze wereld verstaan en is een echte Charybdis en een vrees zonder verlaten. In Scylla en vitale filosofie. Zo is het ook vreselijk zwemmen. Scylla heet bejegend-heid of gedragen tegenover en Silallosum medespoed, dat zijn werktuigen waar avontuur haar wiel mee draait. Bitallosus laat ophalen en Scylla laat neer vallen alzo men zien mag aan het wegen. Adversitas of tegenovergesteld doet als Scylla want als iemand door hem gaat wordt hij gehort en gestoken en in de vloed van de zee bloot gesteld is een vrees die veel lieden zeer duchten en node komen ze aldaar. Maar niet min is de andere te duchten die het wel merkte want houdend, aantrekkend en smerend is de rijkheid en deze eer van de wereld dat het een wonder is dat er enige ontgaat die door hem gaat. Sirene dat is wereldlijk solaas dat bij haar zoete zang de scheepslieden tot zich trekt en laat hen de goede weg verlaten. Dat is een vrees daar me jonkheid meer in voerde. Ik waan ze vreesde het minder of ze haatte me ter dood.

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links zelfde voorstelling als op fol. 73r>

 

[74ra] Nv seg ic v Als si mi aldus lanc droech ter lufter side sach ick een ander queene die reet op die zeebaren die hadde een vel voer haer geschorst ghelijc enen smyt. enen hamer hadde si in die een hant ende een tange daer mede dat si my van verren dreechde. Nu toeft seyt si beedt of niet meer en sulstu ghedregen sijn du moets leeren zwemmen ghelijc dat andre doen in die zee. Doe wilde ic weten wie si was ende haren name Segt my seyde ick wie du bist ende waer af du diens ende waer bi du mi soe dreyges ende ic di niet misdaen en hebbe. Doe antwoerde si mi mijnen hamer seit si mijne tange ende mijn vel die toenen wel wie ic bin het sijn instrumenten om mede te smedene my en ghebrect mar een haenbelt. hebstu eenen [74rb] soe heb ic wel gheuaren want ic salre op smeden. ende en hebstu ghenen soe hebstu qualic geuaren mijn slach en sal niet vermijden hy sal op dy vallen als op een haenbelt. Doe worde ic peynsende om het edele wambaeys dat my gracie eerst gaf dair een haenbilt in stont. mair lacen doe waest te spade want ic en had niet an. al te spade comt een ridder wapenen als hi in tornoeye is harde cort wist ic wel Ic bin seit si die smestere vanden hemele die hier make ende smeede de cronen ende dmotael dair ic mede wercken wille. ic proeft ic slaet ende smeedt ende steect in die forneyse om te wetene van wat mijnen dat is somtijt neem ic bijder tangen ende ic slaedt al plat ende dan vergader ict wedere tgoede mottael maeck ick betere ende tquade maeck [74va] ic argere Tribulacie bin ic geheeten mynen hamer heet persecucie dair ic den menigen mede sla mit so groten slaghen op dat hi gheen wambaeys an en heeft dat memorie draghet hi is verloren. iob eens iaers ende veel andere waest wel noot want en hadden si twambaeys niet an ghehad mitten aenbilte die grote slagen die ic sloech hadse mit allen onteert. mijne tange dat is die anxt ende die smerte die soe vaste parst dat verwarrende herte dat hem dunct of hi geparst ware in een parsse vanden welcken men siet dicwile bi parssen die tranen wt druypen doer dat conduyt. dwelcke is een teyken vander droefheit. dat vel daer ic af make mijn schortcleet dat heyt confusie ende schande. want als ic yemende soe seere geslaghen hebbe dat hi steruen moet eest int geestelijke of int waerlijke ter stont sijn vel moet becoopen bijder schaemten die ic hem doe. want bider kennisse vanden velle kent men wel den ghenen die ic persequere wel mach men sien an sijn gelaet dat hi tsijns ondanckes is in mijn handen. schande heeft hijs maer daer om en gheue ic niet mijn schoertcleet maec icker of om mede te smedene. want te meer schaemten dat een man heeft te meer vint hi persecucien. hebstu sulc een vel dat sal ic weten ic salre mijn schoortcleet of maken ende dan sal ic te stoutelijker [74vb] op di slaen. sijstu edele du suls breken of du suls harde bol luden In edelheden en is anders niet dan murmuracie als mer op slaet met harden dingen. ic weet wel ouer lanc waest my gecommitteert also te proeuene Adonay die gaefs my commissie als hi my smedetingge maecte vanden hemele Thoent mi seidic oftu wair segts laet sien dijne letteren ende dyn macht Doe stac si haer hant in haren boesem ende trac daer wt een lettere ende seide sietse hier. ende en hebstu niet genoech an dese ic hebbe noch een andere van eenen anderen meester Die wil ic oec sien seide ick. alle beede die letteren las ic. die eerste lettere sprac aldus Adonay coninc van iusticien wyens macht nyement ontgaen en mach. de grote coninc der natueren ende wiens rijke eewelijke geduert an onser geminder tribulacien saluyt Corts hebben wi verstaen dat die stiefmoeder van virtuten dats prosperiteyt heeft an geslegen an onse werelt ende heeft onsen soudenieren die caproenen ouer taensichte gehaelt ende haer wapenen genomen bokelaer ende zwaert ende wiltse verleeden sonder sparen te verhangene an die instrumenten van blijscappen. ende noch meer dat si ghedeelt heeft die prouancie die wi ende gracie hadden geleyt in diuersen laeden luttel hadden wi enige casteelen wy en hadder ligghende veel vaten al

[75ra] vol van tresoire van hemelrijke. dat was dat soete vloeyen van onser gracien. dwelcke vele meerder tresoir is dan enich tresoer van goude of van siluere. dus so heeten wi di ende beueelen dattu gaes al doert lant ende dattu soecks proesperiteit ende slaetse soe seere dat si nymmermer tegen ons en rebelleere noch rebel si. oec hieten wi di dattu alle die gene die du vints dye den craproen voer daensichte hebben die welke prosperiteit verbonden heeft: steecse ende slaetse soe vreeselijke dat si hem haer ogen ontbinden dat si mogen sien opwert. ende voert sijn hare wapenen gebroken of versleten dattu se vermaecs ende doetse hem luden an doen sonder letten. ende voert beuelen wi dattu alle solaes ende weerlijke bliscap in dijnen handen houts ende dattu van daer niet en sceeds voer der tijt datstuyt al benomen hebs want wi en willen niet dat onse seriante of dienres alsoe sijn verhangen. wi geuen di oec macht dattu gaes besien al om onse vaten of zij waen sijn of ydele. alstuere op slaes si sullen clincken want si en sijn niet vol. Hyer of gheuen wy dy volle macht. ende ghebieden hem allen dat si di hier in sijn onderdaen Dit was gedaen int iaer ende opten dach als adam versteken was Dandere commissie suldy horen die en is niet al sulc. Sathanas vyant van adams [75rb] geslachte coninc ende heere van alre quaetheden ende persequerer van alre doghet saluyt Verstaen hebben wi cortelic dwelc ons niet wel en genoecht adonays serianten tegen ons soe verheffen dat si ontfaen willen sijn ter stede dair wi wt gesteken waren ende na dat wi verstaen elc heeft genomen palster ende male seggende dat si den wech sullen gaen in pelgrimagien tot daer. Om dwelcke wi di gheuen mandement dattu dair gaes sonder letten ende slaet sonder sparen alle die ghene dye du darwaerts siets clymmen. ende soe wat dattu vints vanden haren noch meer dan du ioppe daets wien dattu naems al dat hi hadde. neemt hem luden palster ende male ende steect hem hair tange in haren balch soe dat hem wt hangen die darmen ghelijc iudase ende doetse verhanghen an sijn strop. hier of gheuen wi di macht. Dit was ghedaen int saysoen dat die coninc vanden ioden den dief dede clymmen int paradijs

Nu zeg ik u, toen ze me aldus lang droeg zag ik aan de linker kant een andere kwee die reed op de zee baren en die had een vel voor haar geschort gelijk een smid, een hamer had ze in die ene hand en een tang waarmee dat ze me van ver dreigde. Nu wacht, zei ze, beide niet meer en zal u gedragen worden, u moet leren zwemmen gelijk de andere doen in de zee. Toen wilde ik weten wie ze was en haar naam. Zeg me, zei ik wie u bent en waarvan u dient en waarom u me zo dreigt en ik u niets misdaan heb. Toen antwoorde ze me, mijn hamer zei ze, mijn tang en mijn vel die tonen wel wie ik ben, het zijn instrumenten om mee te smeden, me ontbreekt maar een aambeeld. Hebt u er een dan heb ik goed gevaren want ik zal er op smeden en hebt u er geen dan hebt u slecht gevaren en mijn slag zal u niet vermijden, hij zal op u vallen als op een aambeeld. Toen dacht ik aan het edele wambuis dat gratie God me eerst gaf. Maar helaas toen was het te laat want ik had het niet aan. Al te laat komt een ridder een wapen erg te kort en dat wist ik wel. Ik ben, zei ze, de smeedster van de hemel die hier maakt en smeedt de kronen en het metaal waar ik mee werken wil. Ik beproef het en sla het en smeedt en steek het in het fornuis om te weten van wat mijnen, dat is soms neem ik het bij de tang en ik sla het al plat en dan verzamel ik het weer en het goede metaal maak ik beter en het kwade maak ik erger. Tribulatie of narigheid ben ik geheten, mijn hamer heet vervolging waar ik menigeen mee sla met zulke grote slagen omdat hij geen wambuis aan heeft dat Memorie draagt, hij is verloren. Job een jaar en veel andere hadden het wel nodig want hadden ze het wambuis niet aan gehad met het aambeeld had ik ze met de grote slagen die ik sloeg op het aambeeld met allen onteerd. Mijn tang dat is de angst en de smart die zo vast perst dat verwart het hart dat het hem lijkt of hij geperst wordt in een pers waarvan men vaak ziet met het persen de tranen uitdruppelen door dat kanaal wat een teken van droefheid is.Dat vel waarvan ik mijn schortkleed maak dat heet verwarring en schande. Want als ik iemand zo zeer geslagen heb dat hij sterven moet, is het in het geestelijke of in het ware terstond zijn vel moet bekopen bij de schaamte die ik hem doe. Want bij de kennis van het vel kent men wel diegene die ik goed persen mag en ziet men aan zijn gelaat dat hij tegen zijn wil in mijn handen is. Schande heeft hij, maar daarom geef ik niet, mijn schortkleed maak ik er van om mee te smeden want te meer schaamte dat een man heeft te meer vindt hij achtervolging. Hebt u zo n vel dat zal ik weten, ik zal er mijn schortkleed van maken en dan zal ik des te dapper op u slaan. Bent u edel, u zal breken of u zal erg bol luiden. In edelheden is niets anders dan gemurmel als men er op slaat met harde dingen. Ik weet wel dat het lang geleden me bevolen was alzo te beproeven. Jehova die gaf me opdracht toen hij me smidse van de hemel maakte. Toon me, zei ik, of u waar zegt, laat zien uw brieven en uw macht. Toen stak ze haar hand in haar boezem en trok daaruit een brief en zei; ziet hier en hebt u niet genoeg aan deze heb ik nog een andere van een andere meester. Die wil ik ook zien, zei ik, alle beide die brieven las ik. De eerste brief sprak aldus: Jehova, koning van justitie wiens macht niemand ontgaan mag, de grote koning van de natuur en wiens rijk eeuwig duurt aan onze beminde Tribulatie saluut. Net hebben we begrepen dat de stiefmoeder van denkbeelden, dat is voorspoed, heeft onze wereld aangeslagen en heeft onze soldaten de mutsen over het aangezicht gehaald en hun wapens genomen, beukelaar en zwaard en wil haar verlenen zonder te sparen die instrumenten te hangen van blijdschappen en nog meer dat ze het proviand verdeeld heeft die wij en Gratie gelegd hadden in diverse laden, weinig hadden en enige kastelen en we hadden er liggen veel vaten al vol van schatten van het hemelrijk. Dat was dat zoete vloeien van onze gratie welke veel groter schat is dan enig schat van goud of van zilver. Dus zo zeggen wij u en bevelen dat u gaat al door het land en dat u voorspoed zoekt en sla het zo zeer dat ze nimmermeer tegen ons rebelleert nog rebels is. Ook zeggen wij u dat u al diegene die u vindt de muts voor het aanzicht hebben die voorspoed verboden heeft: Steek ze en slaat ze zo vreselijk dat ze hem haar ogen openen en dat ze omhoog mogen kijken en voort zijn hun wapens gebroken of versleten dat u ze vermaakt en doe hen aan doen zonder te wachten en voort bevelen we dat u alle solaas en wereldlijke blijdschap in uw handen houdt en dat u van daar niet scheidt voor de tijd dat het al benomen hebt want wij willen niet dat onze bedienden of dienaars alzo zijn verhangen. We geven u ook macht dat u gaat bezien al om onze vaten of zij vol zijn of leeg. Als u er op slaat zullen ze klinken want ze zijn niet vol. Hiervan geven wij u de volmacht en gebieden hen allen dat ze u hierin zijn onderdanig. Dit was gedaan in het jaar en op de dag toen Adam verstoken was. De andere opdracht zal ge horen en die is niet geheel zo. Satan, de vijand van Adams geslacht, koning en heer van alle kwaadheden en vervolger van alle deugd, saluut. Verstaan hebben we net wat ons niet goed vergenoegd dat Jehova s bediende zich tegen ons zo verheffen dat ze ter plaats ontvangen willen worden waar wij uitgestoken waren en naar dat wij verstaan dat ze een pelgrimsstaf en bedelzak hebben genomen en zeggen dat ze de weg zullen gaan in pelgrimage tot daar. Waarom wij mandement geven dat u daar gaat zonder letten en sla zonder sparen alle diegene die u derwaarts ziet klimmen en zo wat u vindt van hen en nog meer dan u Job deed wie dat u nam alles dat hij had, neem die lieden de pelgrimsstaf en bedelzak en steek hen de tang in hun buik zodat de darmen hen uithangen gelijk Judas en laat ze hangen aan zijn strop. Hiervan geven we u de macht. Dit was gedaan in het seizoen dat de koning van de Joden die dief in het paradijs liet klimmen.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links pelgrim wordt, drijvend in de zee, geslagen door Tribulacie>

 

[75va] Als ic dese commissie wel besien hadde ic voudese ende gafse haer weder Ende ic seide met welker commissie wilstu die serianten vereren van beiden want sij en trecken niet beide tot eenen fine Als ic seide si vp dij slaen sal met hameren alsdan mogestu weten met welcker ic werke want kicstu of sprekestu een wordt sonder altoes gode danckende. so mogestu verstaen dat ic wercke metter eerster maer Verkeerstu dine manire gode ondanckende of sinen heiligen ende du dinen mael of does ende den palster vallen laets soe mogestu dan oick weten dat ict doe metten viant So dan sonder meer het houdt an di met welcker ic wercken sal want recht alsoe ick vijnde int herte vanden mensche alsoe wercke ic nae dat ic die materie [75vb] vijnde gedisponeert soe werck ic diuerselic Nv wacht di niet langher en mach ic mi onthouden van di te slane. Staphans als si dit gesproken hadde so quam sij. ende hielt mi wel haer belof. ende sloech my soe sere dat ic met allen viel in die zee Ionchede liet my gaen ende vloech hare vaerde Doe sonder letten soude ic hebben verdroncken en hadde gedaen mijn palster an hem hielt ic mi vaste want ic en conste niet swemmen nochtan haddict wel geleert en had ic niet geweest te trage vele sach icker seker die wel zwommen ende haer armen vuytrecten gheuende vanden haren den armen dies noot hadden Ende vele anderen die hare voeten roerden. ende gaerne ghingen varre pelgrimagien dat was die manier vanden swemmen die ic daer sach in

[76ra] die zee. maer alsoe en swam ic niet want allene hielt ick my an mijnen palster die bouen vlotte ende niet sincken en mochte Nv dan als mi dese smeetstere alsoe voerde al slaende met haren hamere ende my also vaste hielt bedwongen dat mi dochte dat ic in een parse laghe. soe grote droefhede had ic ter herten dat zere luttel schielde ic en hadde nalicx laten vallen mijnen palster Als ic my sach doe in alsulcke poncte. soe riep ic gode genade O seidic soete scepper ontfarme mijns ende beswijct my niet ter noet Al heb ic my bi ionchede langhen tijdt my ontgaen sottelic Lacen soete here het berouwet my. ende sekere het mach my wel leedt sijn Want als ic voer my sach die sotte ionchede. dijne gracie die mij gheleedde liet ic. ende liet my dragen vander sottinnen in die zee Nu heeft sij my ghedregen ende sij heeft my laten vallen iammerlijcke heb ic geuaren och soete here du en sijste my geen bescut als du waerste noe in den tijdt vander diluuien. du sietste soete here ic ben verloren weset mijn muer om in te scuwene dese smeedster of soete here wilstuut selue niet doen doch gelieue di dat dine gracie noch si alsoe si plach te sijne. Als ic also sprac mijne bedinge die smeetstere hoerde my staphans ende seide. Na dat ic minen palster niet verloren en hadde ende an go[76rb]de riep genade sij soude my geleiden tot gracien goeds. Ic ben seit si recht ghelijck dat die wint die bladeren iaghet te gadere ende ouer sijde als enich vpvliet. Als yemant valt hij heeft noedt dat hij ruste vint hy een stede daer hij niet vertreden en werd ic ben die ghene die gheerne dat ambocht doe alst noodt is ic castide ende sla die ic vijnde die te veil sijn die ontweechde help ic te weghe: ende nemmermeer en voer ic te rusten voer ic vonde stede daer icse decken mochte Sommighe iaghe ic ter hogher maiesteit goids. sulcke andre tot sijnre gracien of ter sterre vander zee Sommighe andre leyde ick tot enighe andere sancten of daer een mensche oplegget te hopene. Ende daer omme dat gracie goods dijn hope is van ouden tiden in dijnen noidt Ic leede di tot hare ende roect niet al hebstu pijne

Toen ik deze opdracht goed bezien had vouwde ik ze en gaf ze haar weer. En ik zei, met welke opdracht wil u die bedienden vereren, van beiden, want ze trekken beide niet tot een doel. Toen ik zei dat ik op u zal slaan met hamers dan mag u weten met welke ik werk, want kikt u of een spreekt u een woord zonder altijd aan God te denken dan mag u begrijpen dat ik werk met de eerste. Maar verandert u uw manier om God of zijn heiligen niet te danken en u uw bedelzak af doet en de pelgrimsstaf laat vallen dan mag u dan ook weten dat ik het doe met de vijand. Zo dan zonder meer het houdt het aan u met welke ik werken zal want recht alzo ik in het hart van de mensen alzo werk ik naar dat ik de materie vind bewogen en zo werk ik verschillend. Nu wacht u niet langer en mag ik me niet onthouden van u te slaan. Gelijk toen ze dit dit gesproken had zo kwam zij en hield haar belofte tegen mij en sloeg me zo zeer dat ik helemaal in de zee viel. Jonkheid liet me gaan en vloog haar vaart. Toen zonder letten zou ik verdronken zijn geweest had niet gedaan mijn pelgrimsstaf want aan hem hield ik me vast want ik kon niet zwemmen, nochtans had ik het wel geleerd was ik niet veel te traag geweest. Veel zag ik er die zeker goed zwommen en hun armen uitrekten en een slag van hun armen gaven die ze nodig hadden. En vele anderen die hun voeten roerden en graag gingen varen te pelgrimage, dat was die manier van het zwemmen die ik daar zag in de zee. Maar alzo zwom ik niet want ik hield me alleen vast aan mijn pelgrimsstaf die boven dreef en niet zinken kan. Nu dan toen me deze smeedster alzo voerde al slaande met haar hamer en me alzo vast hield bedwongen dat het me leek dat ik in een groep lag. Zulke grote droefheid had ik in het hart dat het zeer weinig scheelde of ik had mijn pelgrimsstaf laten vallen. Toen ik me zag doen in zon punt zo riep ik Genade God. O, zei ik, lieve schepper ontfermt u zich over mij en laat me niet vallen in de nood. Al heb ik me bij jonkheid lang tijd zot begaan, eilaas, lieve heer het berouwt me. En zeker mag het me leed zijn toen voor keek naar die zotte jonkheid. Uw Gratie die me begeleidde verliet ik en liet me dragen door die zot in de zee dragen. Nu heeft ze me gedragen en zij heeft me laten vallen, jammerlijk heb ik gevaren, och lieve heer, u was me geen beschutting toen u nodig was in de tijd van de zondvloed, u ziet het lieve heer, ik ben verloren, wees mijn muur om te schuilen van deze smeedster of lieve heer wil u het niet zelf doen toch sta toe dat uw Gratie nog alzo plag te zijn. Toen ik alzo mijn bidden sprak hoorde die smeedster me gelijk en zei: Na dat ik mijn pelgrimsstaf niet verloren heb en aan God genade riep zou ze me geleiden tot Gratie God. Ik ben, zei ze, recht gelijk dat de wind die bladeren tezamen jaagt en aan de andere kant bent ik enige uitweg. Als iemand valt heeft hij het nodig dat hij rust vind en een plaats daar hij niet vertreden wordt. Ik ben diegene die graag dat ambacht doe, als het nodig is kastijd en dan sla die ik vindt die te corrupt zijn, de verdwaalde help ik op de weg en nimmermeer ga ik te rusten voor ik een plaats vind waar ik ze bedekken mag. Sommige jaag ik naar de hoge majesteit God. Sommige andere tot zijn Gratie of de ster van de zee. Sommige andere leid ik tot enige andere heilige of daar een mens zijn hoop op legt. En daarom dat Gratie God uw hoop is van oude tijden in uw nood leid ik u tot haar en het kan me niet schelen al hebt u pijn.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links Gratie Gods, pelgrim aan land gebracht door Tribulacie, die haar hamer nog heft>

 

[76va] Mit dat aldus tribulacie mi vertrack. ic sach dat ic was binaetsen daer ic gaen wilde gracien gods sach ic daer. Nu hoort seit si wanen comstu ic waende dy verloren hebben gehadt om dat ic dy niet meer en sach. du hebs mi soe dick gelaten ic en weet hoe du soe stout sijs weder tot my te comene. Segt my seyt zij alsoe help dy god waer bi lietstu my alsoe ende wie heeft di weder hier bracht Als ick hoorde dat si my alsoe versprac lieue vrou seide ic genade. het is wair dat ic v gelaten hebbe sottelijc harde diere heb ict seert becoft. maer doch tot v heeft my bracht de grote smeetstere ick kent ick lijdt sietse hier hoe zij my leedt te mijns ondancx ende comt mit mi. ic bidde v vrouwe dat ghijse wech iaecht ende [76vb] noch hoop ic an v dat gijs my niet of en suls gaen Mit dien dat ic also badt die meestresse trac achtere ende droech wech hair instrumenten dair om dat ic niet gram en was. maer Doe seyde gracie gods Nu sietstu wel seyt si dat alsoe qualic vaert een man als een beeste dye te vele eet ende drinct. du hebs di soe vele onderwonden soe dattu nye ruste en hads. du hebs gheweest onder ende bouen. ende mi die al dijn troest ende toeuerlaet was hebstu ghelaten. Ketijf wat sulstu doen ende waer soudstu vlyen sonder te my: Ende ketijf wat soudstu nv hebben ghedaen of begonnen als di tormenteerde tribulacie. hadstu my niet geuonden bereedt sekere. Sij hadde dy geuoert ter quader hauenen dat ware totten visschere dye ghy saecht [77ra1] daer si die commissie of heeft nuchtan wilstu noch mit my comen ic en sal di niet of gaen maer ic sal di noch vrientscap thoenen ende cort sal ic di leeden ter hagen die du begheers ende oec wilstu dijnen wech vele corten om te gane tot eenre schoenre stede daerstu om wt geporret sijt noch soudic di wel leeden elder dan doer den langen wech om te comen an de hage. maer nochtan soudstuere vinden gelijkenisse van penitencien. want penitencie heeft gepoedt ende ghesaeit hare doornen ende hare disciplinen in diuersen steden. ende specialic in [77rb1] die stede daer ic of spreke maer die wech is daer vele corter te gane. dus wilstu dien wech gaen dat segt my Als ic dat hoorde van blijscappen was ick al vervult seere gheliefde my den crotsten wech ende oec behaechdet mi wel dat si seide noch my te helpene. Vrouwe seyde ick den cortsten wech is goet pelgrims die moede sijn. ick bin moede den cortsten wech wil ic gaerne gaen. leedt my daer ick en bens niet in vreesen al vind ickere equipolencie vander hage van penitencie

Met dat aldus narigheid me optrok zag ik dat ik bijna was waar ik gaan wilde en Gratie God zag ik daar. Nu hoort, zei ze, waarvan komt u, ik waande u verloren te hebben omdat ik u niet meer zag, u hebt me zo vaak verlaten ik weet niet hoe u zo dapper bent om weer tot mij te komen. Zeg me, zei ze, alzo helpt u God, waarom liet u zich alzo en wie heeft u hier weer gebracht. Toen ik hoorde dat ze alzo tot me sprak zei ik, lieve vrouw genade: Het is waar dat ik u zot verlaten heb en erg duur heb ik het bekocht. Maar toch tot u heeft me gebracht de grote smeedster, ik beken het en ik lijdt, ziet hier hoe ze me leidt tegen mijn wil en komt met me. Ik bid u vrouwe dat ge haar wegjaagt en nog hoop ik op u dat gij me niet af zal gaan. Met die dat ik alzo bad trok de meesteres me naar achter en droeg haar instrumenten weg waar ik niet gram om was. Toen zei Gratie God: Nu ziet u wel, zei ze, zie nu wel dat het een man als een beest alzo slecht gaat die te veel eet en drinkt. U hebt u zich zo veel onderwonden zodat u geen rust had, u bent onder en boven geweest en mij die al uw troost en toeverlaat was hebt u verlaten. Ellendige, wat zal u doen en waar zou u gaan zonder mij: En ellendige wat zou u nu hebben gedaan of begonnen als narigheid u nog kwelde had u me niet zeker bereid gevonden. Ze had u gevoerd naar een kwade haven en dat was naar de visser die ge zag daar ze de opdracht van heeft, nochtans wil u nog met me komen zal ik u niet afgaan maar ik zal u nog vriendschap tonen en gauw zal ik u naar de haag leiden die u begeert en ook wil u uw weg veel korten om naar een mooie plaats te gaan waarom u uitgetrokken bent. Nog zou ik u wel leiden elders dan door de lange weg om bij de haag te komen. Maar nochtans zou u er een gelijkenis van penitentie vinden want penitentie heeft gepoot en gezaaid haar dorens en haar discipline in diverse plaatsen en speciaal in die plaats waarvan ik spreek, maar die weg is daar veel korter om te gaan. Dus wil u die weg gaan zeg dat me. Toen ik dat hoorde werd ik van blijdschap geheel vervuld en zeer beliefde het me de kortste weg en ook behaagde het me wel wat ze zei me nog te helpen. Vrouwe, zei ik, de kortste weg is goed voor pelgrims die moe zijn, ik ben moe, de kortste weg wil ik graag gaan, leid me daar en ik vrees het niet al vind ik er gelijkmatigheid van de haag en penitentie.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links Gratie Gods aan de oever bij het schip waarop een man te zien is>

 

[77ra2] Mit dien sach ic comen opt watere in de zee een harde groot scip recht al bereet om ouer te lijdene. het was mit hoepen gebonden ende mit wissen gesloten mar enich vanden houpen waren ge[77rb2]slaecht bi gebreke van wissen tghebijnt was te crancker vele mar die houpen en hadden anders gheen letten dan dat zij ontbonden ende ontghaen waren ant vergaderen In dat scip waren veel schoenre [77va] woningen ende schenen wel huysen om coningen. daer waren toornen mueren ende casteelen. An den mast was gestelt tcruce twelke men heet tseyl al gereet om te zeylene op dat goeden wint hadde. Siestu seyde gracie gods dat scip. ia ic seker vrouwe seide ic. maer seere verwondert mi want nye en sach ic sulke scepe. noch seyt si sulstu dy verwonderen alstu int scip wesen suls. daer sulstu sien die schone dinghen dorstu mit my daer in gaen Nu segt my seyde ic vrouwe duecht hoe heet dat scip ende wiet bestiert ende oec of icker in sal moeten sijn Dat scip seit si is bi namen geheten religioen het is gebonden bi obseruancien. alsoe lange alst alsoe gebonden is en maecht nymmermeer vreesen noch argheren Religioen is geheeten om dat dleuen van hem die daer in gaet wert ontbonden ende gebroken. waren die grote hoepen wel verwairt die eens iaers die goede verbinders daer an slogen ende wel te punte verbonden nymmermeer en soude tgrote scip mogen faelcieren wat dat hem misuiele. maer luttel luden mercken soe luttel op die cleyne wissen dat tscip dicwil in vreesen wert want hets openbaer dat die houpen nyewers toe en dienen of si en sijn gebonden met wissen Die wisse ic heete die cleyne geboden die behoeden ende beschermen die grote. waer by ick [77vb] segghe wye datse breect of achter laet alt scip is te crancker nymmer meer en sullen die grote geboden wel gehouden sijn si en sijn verwaert mitten cleynen in teykene van cleynen wissen Sy hebben alle haer instrumenten verloren. die grote houpen sijns te crancker ende tscip is vele te onseker. niet dat ic wil blameren of ontprijsen. want noch sijnre ghenoech grote hoepen die gheen noot en hebben van verbindene noch van nyewen wissen. Die mast die hoge gherect is ende dwers gecruyst dye helpt my wel om te seylene als de goede wint daer in slaet. Die mast is christus cruce ende die wint is die heilige geest wilstu cort in iherusalem wesen du moets dair in gaen ende logieren in een vanden casteelen. daer sulstu wesen goet ende starck in siele ende in liue. gheen vyant en macher in misdoen hoe seere dat hi schieten can ten ware dat men hem ontdade die poorten ende op gaue. Gawy daer seit si dat radic hets beter dan oftu ouer zwoms. in vreesen sijn sij die zwemmen ende qualic moghen si ontgaen

Met dat zag ik op het water van de zee een erg groot schip komen helemaal gereed om me over te laten gaan. Het was met hoop gebonden en met (strobundels) uitwissen gesloten, maar enige van de hoop waren geslacht bij gebrek van uitwissen. Het gebinte was te zwakker, maar veel van die hoop hadden geen andere beletten dan dat zij ontbonden en ontgaan waren in het verzamelen. In dat schip waren veel mooie woningen en schenen wel huizen van koningen. Daar waren torens, muren en kastelen. Aan de mast was het kruis gesteld wat men het zeil noemt en al gereed om te zeilen omdat het goede wind had. Ziet u, zei Gratie God, dat schip. Ja ik, zeker vrouwe, zei ik, maar zeer verwondert het me want nooit zag ik zo n schip. Nog, zei ze, zal u zich verwonderen als u in het schip wezen zal, daar zal u die mooie dingen zien, durft u met mij daarin te gaan. Nu zeg me, zei ik, vrouwe deugd, hoe heet dat schip en wie het bestuurt en ook of ik er in zal moeten zijn. Dat schip, zei ze, is bij namen geheten religie, het is gebonden met observatie en alzo lang als het alzo gebonden is mag het nimmermeer vrezen nog ergeren. Religie is het geheten omdat het leven van hen die daarin gaan ontbonden en gebroken wordt. Waren die grote hopen goed bewaard die eens per jaar de goede verbinders daaraan sloegen en wel te punt verbonden, nimmermeer zou het grote schip mogen falen wat dat hen misviel. Maar weinig lieden letten zo weinig op die kleine uitwissen dat het schip vaak in vrees komt want het is openbaar dat die hopen nergens toe dienen of ze zijn gebonden met uitwissen. Die uitwis heet ik de kleine geboden die behoeden en beschermen de grote. Waarbij ik u zeg dat ze breekt of nalaat het hele schip zwakker is en nimmermeer zullen die grote geboden goed gehouden zijn. Ze zijn verward met de kleine in teken van kleine uitwissen. Ze hebben alle hun instrumenten verloren. Die grote hopen zijn te zwakker en het schip is veel onzekerder. Niet dat ik blameren wil of niet prijzen want nog zijn er genoeg grote hopen die geen nood hebben om te verbinden nog van nieuwe uitwissen. Die mast die hoog reikt en dwars gekruist die helpt me wel om te zeilen als de goede wind daarin slaat. Die mast is Christus kruis en de wind is de Heilige Geest. Wil u snel in Jeruzalem wezen dan moet u daarin gaan en logeren in een van de kastelen, daar zal u goed en sterk in ziel en in lijf wezen. Geen vijand mag er in misdoen hoe zeer dat hij schieten kan, tenzij dat men hem opende de poort en opgaf. Gaan we daar, zei ze, dat raad ik aan, het is beter dan als u over zwom, in vrees zijn zij die zwemmen en slecht kunnen ze ontgaan.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim voor een poort op het schip, hoed in de hand, Vreze Gods met knuppel voor de deur>

 

[78ra] Doe leydde my gracie ten scepe ende toenden my die schone hoepen daer ic af seide ende hiet my dat ic ghinghe al om daer ic wilde si soude my daer in doen gaen. alsoe si mi hiet ic coes een casteel stanpans ghinc ic darwert den portier vandic voer die poorte die hadde in die hande eenen groten sompe Poertier seide ic laet mi gaen daer in want gracie heuet al soe gheordineert dye my tot hyer bracht heeft Vrient seyde hi wistic dat den coninc lief waer ic liet di lijden. Hoe seide ic is die coninc daer binnen. ia hy vrient sekere hets een teiken generael als ic ter doren sta datter binnen is die coninc ihesus Hoe heetstu seide ic. ic heete vrese gods ende bin fondament van alre vroetscappen. ic veriage die sonden dat si niet lo[78rb]gieren in desen casteel. mijne grote sompe heet die wrake gods die elc wel ontzyen mach. ick slare mede tvolc dat si ghene sothede doen en souden en daet dese colue men soude mi niet ontsien Hoe seide ic sultuere mi mede slaen. ia ic of du en moges anders in dit casteel niet comen Dus begonste ic achterwairt te deisene tot gracien ende seide Gracie segt mi mi dunct alsoe ghi seit die wech en is niet veylich Doe seide si hebstu vergheten dat ic seide datstuere souds vinden equipolencie van penitencien. den slach vanden portier en is gheen dootslach en ontsiet di niet daer in te gane om sine sompe Eest alsoe seide ic vrouwe. iaet seit si. so sal icker dan in treden. maer gaet ghi voren in ic sal v volghen

Toen leidde me Gratie tot het schip en toonde me die mooie hoop waarvan ik zei en zei me dat ik alom zou gaan waar ik wilde dat ze me daarin zou laten gaan. Alzo ze me zei koos ik gelijk een kasteel en ging daar. De portier vond ik voor de poort die in de hand een grote knots had. Portier, zei ik, laat me daarin gaan want Gratie heft het alzo geordend die me tot hier gebracht heeft. Vriend, zei hij, wist ik dat het de koning lief was, ik liet u gaan. Hoe, zei ik, is die koning daar binnen. Ja hij, vriend, zeker, het is een algemeen teken als ik bij de deur sta dat koning Jezus binnen is. Hoe heet u, zei ik, vrees God en ben het fundament van alle kennis, ik verjaag de zonden zodat ze niet in mijn kasteel logeren en mijn grote knots heet de wraak Gods die elk wel ontzien mag. Ik sla er mee het volk dat ze geen zotheid zouden doen en deed deze knots het niet zou men mij niet ontzien. Hoe, zei ik, zal u er mee slaan. Ja ik, en anders kan u niet in dit kasteel komen. Dus begon ik naar achteren te gaan tot Gratie en zei: Gratie zeg me, het lijkt me niet zoals ge zei dat die weg veilig is. Toen zei ze, hebt u vergeten wat ik zei dat u gelijkmatigheid van penitentie zou vinden. De slag van de portier is geen doodslag en ontzie u niet om daarin te gaan vanwege zijn knots. Is het alzo, zei ik vrouwe. Ja het is zo, zei ze. Dan zlk ik er zeker in gaan, maar u gaat voor en ik zal u volgen.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim in een betegelde hal met om zich heen allerlei vrouwen>

 

[78va] Doe ghinc gracie voren in ende ick volchde haer maer die poortier en vergat mijns niet ende gaf my eenen slach dat ick mit allen leden verschoet ende ic hadde ter eerden gheuallen en hadde [78vb] mijn palster gedaen. zeker si en ontfaen niet alle sulcke halslaghe die ridders diet zwaert gorden het ware grote blijscap ende genoechte ontfinghen si sulke halslage alle ende groot profijt

Toen ging Gratie voren in en ik volgde haar, maar die portier vergat me niet en gaf me een slag zodat ik met alle leden verschoot en ik was ter aarde gevallen had mijn pelgrimsstaf niet gedaan. Zeker ze ontvangen niet alle zulke halslagen de ridders die het zwaard omgorden, met zulke halslagen ontvingen ze alle grote blijdschap en geneugte en groot profijt.

 

 

<houtsnede: Vreze Gods slaat de pelgrim met zijn knuppel> In tegenstelling tot alle andere houtsneden is op deze niet rechts de slapende pelgrim te zien. De rechterkolom van dit folium is dus deels leeg gebleven. Bovendien klopt de volgorde waarin de houtsneden zijn aangebracht hier niet geheel met de volgorde van het verhaal.

 

[79ra] Nv seg ic v als wi aldus leden waren den poortier voir seit. Inden casteel sach ic menich wonder dat my seere schone dochte. daer was cloester reuenter dormter kercke capittel ende firmerie Ter herbergen ghinc ic eerst om my te rustene ende te gemake te doene. daer sach ick caritas en die daer diende ende herbergde die pelgrymen ende dicwile soe ghinc si totter poorte om die arme te voedene ic hebber v af geseit op andre tijden. het was die selue die testament van parijs las als moyses zijn relyef deelde Doe ghinc ic bet doere inden cloester ende in die kercke vant ic een schoen geselscap van vrouwen daer ic niet af en weet die namen van hem allen. want sonder meer van daer my meest of verwonderde dat vraechdic gracien. twee sach icker te gader den steghere vanden dormtere op clymmen daer of die eene an hadde een wambaeys ende dandere droech eenen stock. die ghene mitten wambayse was al naect sonder dat si dat wambaeys aen hadde. ende dandere was gewapent ontrent die handen mit hantschoen ende was gepareert mit witten clederen Twee andere sach icker te gader spreken ende ten capittele waert gaen waer of dye eene coorden ende banden droech. ende dandre hadde tusschen haer tande een vijle verstaelt ende was gewapent [79rb] mit eenre targe Eene andere sach ick die inden cloester ghinc ende my dochte dat si droech gesukerde spise ende bouen haer vloech een witte duue Een ander sach ic recht ontrent den reuenter die eene gorgiere hadde ontrent die kele Eene andre vant ic in die kercke die ene bosse droech als een bode ende hadde vlercken al ontdaen stappans te vliegene. ende si hadde in haer hant een boer. ende mitter ander hant diende si doode luden die mit haren dienste leuende worden Een ander was oec dair binnen die enen groten horen droech ende maecte daer binnen grote melodie van orgelen ende van santerien: ic peynsde dat si speelwijs was Als ic al dit gesien hadde my verlangde seer te wetene van gracien gods waer of dat alle die vrouwen dienden ende wie si waren Vrou seide ick segt mi wie dese vrouwen sijn ende waer of dat si dienen dies bid ic v want seere verwondert my van hem luden Doe seide gracie ic wille dattu eerst sies mitten oghen hoe dat men dient inden eersten inden reuenter ende daer na wat men doet in den dormtere

Nu zeg ik u, toen we aldus door de poort gingen als gezegd. In het kasteel zag ik menig wonder dat me zeer mooi leek. Daar was een klooster, refter of eetzaal, slaapzaal, kerk, samenkomst en ziekenhuis. Ter herberg ging ik eerst om me te rusten en gemak te doen. Daar zag ik Caritas die daar bediende en herbergde de pelgrims en vaak zo ging ze naar de poort om de armen te voeden waarvan ik u een andere keer gezegd heb. Het was datzelfde testament van Paradijs toen Mozes zijn overblijfsel verdeelde. Toen ging ik beter door het klooster en in de kerk vond ik een mooi gezelschap van vrouwen waarvan ik niet de namen van hen allen weet want zonder meer me daar van het meest verwonderde dat vroeg ik Gratie. Twee zag ik er tezamen de steiger van de slaapzaal opklimmen waarvan de ene een wambuis aan had en de andere droeg een stok. Diegene met het wambuis was geheel naakt, uitgezonder dat ze dat wambuis aan had en de andere was gewapend omtrent de handen met handschoen en was versierd met witte klederen. Twee andere zag ik tezamen spreken en te samenkomen gaan waarvan de ene koorden en banden droeg en de andere had tussen haar tanden een verstaalde vijl en was gewapend met een schild. Een andere zag ik die in het klooster ging en het leek me dat ze gesuikerde spijs droeg en boven haar vloog een witte duif. Een ander zag ik recht omtrent de refter die een halsstuk had omtrent de keel. Een andere vond ik in de kerk die een bus droeg als een bode en had de vlerken al geopend om gelijk te vliegen en ze had in haar hand een boor en met de andere hand bediende ze dode lieden die met haar dienst levend worden. Een ander was er ook daar binnen die een grote horen droeg en maakte daar binnen grote melodie van orgels en van heiligen: Ik dacht dat ze een speelman was. Toen ik dit alles gezien had verlangde ik zeer te weten van Gratie God waarvan dat al die vrouwen dienden en wie ze waren. Vrouwe, zei ik, zeg me wie deze vrouwen zijn en waarvan dat ze dienen, dus bid ik u want zeer verwondert het me van hen. Toen zei Gratie, ik wil dat u het eerst bekijkt hoe dat men dient en het eerst in de eetzaal en daarna wat men doet in de slaapzaal.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links drie vrouwen (een in een kleed gewikkeld, een met vleugels en een met hoorn) en de pelgrim in een zaal>

 

[79va] Doe leedese mi inden dormtere daer sach ic die ioncfrouwe mitten stocke die de bedden vermaecte ende wit lijnde waet daer op spreedde. ende hair geselinne mitten wambaeyse sanc al dus Ic singge ende dat is wel recht wet niet en draghic mit my ten cleynen doren en sal ick versteken sijn. want ic bin naect Daer na sach ick inden reuenter daer sach ic dat my seer verwonderde vele doder luden die gauen tetene den leuenden ende dienden hem soetelic ouer hair knyen Ende die vrouwe mitter gorgiere si visenteerde hem dier aten ende wat hem ghebrac dat volquam si hem Nu sal ic di segghen seyde gracie gods vanden edelen vrouwen van deser stede Die vrouwe die de coorde draget die is meestresse van hier [79vb] binnen naest my is si priorinne dye haer cloestriers bedwinct alle bint zijse bi handen ende bi voeten ende mit openen doren maect zijse prisoniers die is gheheeten Obediencia Die coorde[n e] 66nde die banden sijn haer diuerse [ma]ndamenten die den proper wille soe verbinden dat zij niet en mach doen na sinen wille. du sullet wel weten hier na alstu in haer letsen suls sijn. Die vrouwe die de vijle draget die heet disciplina dat is die vrouwe die de ordine wacht van misdoene Die vijle die si in haren mont draget is dat castijen of begrijpen van quaetheden gheen sonden en laet si si en suuert ende purgeert Ende om dat sijt al wel doen wille ende nyemende misdoen mitter taerge die du hyer voermaels of dades is si ghewapent die name weetstu wel die ghene die twambaeys an heeft ende die tledekijn sanc dat is gewillige aermoede die al heeft gelaten dat si in die werelt hadde van al heef si haer ontcleet ende nv is si naect. en had ic hair niet an gedaen tporpoent dattu bi trachede of daedes ende memorien gaefs. du wetes wel hoet heyt si singhet du hores wel dat si niet mit haer en draecht dat haer belemmert of dlijden benemen mach. hets dy wel noot dattu an hair vrientscap maecs ende bidt haer mit beyden handen dat si di helpen wille dattu also moges singhen. Nu hare geselinne mitten stocke radic di mede oec vrientscap te soekene ende maect dijn lief mensche van haer al dijn leuen lanc ende doet se alle nachte by dy slapen harde gaerne sal si by di ligghen. telken alstu wils want mitten anderen si dickent leyt ende maect haer bedde. het is goet sulke vriendinne te hebbene ende sulc een ioncwijf. quame venus inden dormtere si soudse veriagen mit haren stocke ende om gheen goet en soud zijse daer in laten slapen. ende wilstu die redene weten. want venus die veriaechde hair eens iaers van der werelt. soe dat daer recht is dat zijse oec hier veriaect Dese vrouwe is geheeten vrouwe witte. die wel ghedwegene die eyemende68 en begeert hi en ware suuere ende sonder smette. ende wiltuse andersins noe[*Arb]men si heet suuerheit ende is casteleyne van desen casteele. daer en is torre noch venstre gheen si en wil al beschermen. sonder redene en heeft si die handen niet gewapent mitten hantschoe vele te stouter is si tegen stralen ende tegen geschut dat vliecht Du wetes wel den name vanden hantscoen. ic heb di hier voermaels geseit. sot waerstu dattuse dades. 69 die vrouwe die du sages wandelen doer den cloester ende spijse dragen die cancellierigghe ende penitencierigghe70 van hier binnen. si gheeft voetsel der sielen dat si niet en bederft van node. si vervult dat herte mit harer soeter spijse. si is geheeten lesse of studie. ende haer spijse heet heilighe scrifture die geleit is in fracine om dat si niet en storte onderwegen. in gheen vadt en mach si bet bewaert sijn dan in dat. an haer rade ick dy dattu makes kennesse ende mynne. want bi haer sulstu cort hebben dye vrientscap ende kennisse vanden anderen ende die gracie vanden heyligen gheest diese volcht gelijc eenre duue. hi sal di segghen ende openbaren wat dat men doet Nu sal ick di segghen van dattu saghes inden reuenter die vrouwe mitter gorgiere is geheeten abstinencia: haer gorgiere is sober[..]71chede. hets lange leden dat ict di segge72 die dode die leuende dienen ouer hair knyen dat sijn die goede luden die verscheeden [*Ava] sijn so vele gauen den leuenden dat sire op mochten sustineeren soffisantelic. seker hi wair wel quaet van erde die bijden goede vanden doden moeten leuen ende anders bederuen hy bade doch ouer die siele. Ende daer bi wie datter beneficien of neemt gelijc al of si present waren om hem te danckene si liggen ouer die knyen ghelijc of si seyden Bidt voer ons ghy leeft by onsen goede doch ten minsten bidt ouer ons. Nu du sies datmen ditte hier wel doet die vrouwe die du sages in die kercke dye eene bosse draghet als bode dat is die vrouwe die weder dient na dat elc verdient. si heeft een boer daer si den hemel mede doer boert ende doet neder dalen tgoet dwelcke hem tleuen weder gheeft Dit boer heet eenpaerlijke continuacie dat bi sijnen eenpaerlijken geduere den hemel doer boert ende alsoe gheeft zij hem luden voetsele ende loent hem luden dubbele. noch hallinc noch penninc en hebben si ghegeuen ten wert hem dusent fout geloent. want si hebben [......]74 dat leuen dat ewelicke geduert Soe dan al hebben sij den leuenden gedient vanden leuenden werden si weder gedient haer bode die dient si raschelijke vander doot doet zijse verrijsen bijder doget die si hem doet ende cort hare purgatorie. Wilstu weten den name vander vrouwen si heet bedin[*Avb]ghe si heeft wercken75 om stappans den hemel te doer vlieghene om haer boetscap te doene voer gode ouer dijnes gelijke geslechte daer of is si bode ende procurerigghe alst tijt is ende presenteert haer voer den coninck in goeder trouwen ende siet haer boetscap. bi hair en is nyement in ghebreke. maer haer pro[...]racie76 is bezegelt mit deuocien: ic rade di dattu tot haer gaes ende dattuse voren sends ter stede daer dv meens te gane. si sal dy wel stede connen ordineren om di te woenene. hets wel redene dat dijne comste daer te voren gheweten si. want nye mensche en setter voet hi en hadder te voren gesent Vanden dief die mit onsen heere hinc was si ghesent eewelic was hem te bet Soe dan gheloefstu my du sulse oec voren senden: du hebs te doene alsoe wel al hi Dye vrouwe dye du saghes spelen op die instrumenten mitten horene dat is die vrouwe die den coninc wect telken als hi slaperich is mit haren speelene ende blasene slaept hy te langhe sy wecten ende doetene op staen. Vigilancia heet mensche in latijne. haren horen dat is die toe roep van deus in adiutorium Telcker vren sonder cesseren soe blaest si int begin. ende daer na mit orgelen bedrijft si grote melodie Ende dan neemt si den soutere mitten anderen dan hoort men groot solaes [*Bra1] van soeten sange ende melodye dat sijn die instrumenten die wel becomen mijnen vader den coninck almachtich ende seere wel b[.]ehaecht hem sulcke melodye. ende om datse hem [*Brb1] so wel behaecht diere mede speelt soe heeft hijse gemaect sijn meeste. speel wijf Sulc dinck behoort wel den coninc om hem te vermakene

Toen leidde ze me in de slaapzaal en daar zag ik de jonkvrouw met de stok zitten die de bedden opmaakte en wit lijngewaad daarop spreidde en haar gezellin met de wambuis zong aldus: Ik zing en dat is wel recht, weet niets en draag ik met me naar de kleine deur en ik zal versteken zijn want ik ben naakt. Dan zag ik in de refter waar ik zag dat me zeer verwonderde vele dode lieden die gaven te eten de levende en bediende hen zachtjes op hun knien. En de vrouwe met de halsstuk bezocht hen die er aten en wat hen ontbrak dat gaf ze hen. Nu zal ik u zeggen, zei Gratie God, van de edele vrouw van deze plaats. Die vrouwe die het koord draagt die is meesteres van hierbinnen en naast mij is ze priorin die haar kloosterlingen bedwingt, alle bindt zij hen bij handen en bij voeten en met open deuren maakt ze hen gevangenen die geheten is gehoorzaamheid of Obedintie. Die koorden en die banden zijn haar diverse mandementen of volmachten die de propere wil zo verbinden dat zij niets kan zoen zonder zijn wil. U zal het hierna wel weten als u in haar beletsel zal zijn. Die vrouw die de vijl draagt die heet discipline, dat is die vrouwe die de orde bewaakt van misdoen. Die vijl die ze in haar mond draagt is dat kastijden of begrijpen van kwaadheid, geen zonden laat ze of ze zuivert en purgeert. En omdat zij het al goed doen wil en niemand misdoen is ze met het schild gewapend die u hier vroeger afdeed. Die naam weet u wel van diegene die de wambuis aan heeft en die het liedje zong, dat is gewillige armoede die alles heeft gelaten dat ze in de wereld had en van alles heeft ze zich ontkleed en nu is ze naakt. Had ik haar niet de wambuis aangedaan dat u vanwege traagheid afdeed en memorie u gaf. U weet het wel hoe ze heet, ze zingt en u hoort het goed dat ze niets met haar draagt dat haar belemmert of het lijden benemen mag. Het is u wel nodig dat u met haar vriendschap maakt en haar bid met beide handen dat ze u helpen wil dat u alzo mag zingen. Nu haar gezel met de stok raad ik u aan ook daarmee vriendschap te zoeken en maak haar uw lief mens al uw leven lang en laat haar alle nachten bij u slapen, erg graag zal ze bij u liggen. Telkens als u wil want met de andere ligt ze vaak en maakt haar bed. Het s goed zo n vriendin te hebben en zo n jong wijf. Kwam Venus in de slaapzaal dan zou ze haar wegjagen met haar stok en om geen goed zou ze haar daarin laten slapen. En wil u de reden weten want Venus die verjoeg haar een jaar van de wereld zodat het recht is dat zij haar hier ook wegjaagt. Deze vrouw is geheten witte vrouwe die goed gedwee is en die iemand begeert als hij zuiver en zonder smetten is en wil u het anderszins noemen ze heet zuiverheid en is de kastelein van dit kasteel. Daar is geen toren nog venster of ze wil alles beschermen. Zonder reden heeft ze de handen niet gewapend met de handschoen want veel dapperder is ze tegen stralen en tegen geschut dat vliegt. U weet wel de naam van de handschoen, ik heb het u vroeger gezegd. Zot was het dat u deed. Die vrouwe die u zag wandelen door het klooster en spijs dragen de kanselier- en penitentieachtige van hier binnen. Ze geeft voedsel aan de zielen zodat ze niet bederven van nood. Ze vervult dat hart met haar zoete spijs. Ze is geheten les of studie en haar spijs heet heilige schrift die in breekbaarheid (?)gelegd is zodat ze onderweg niet valt. In geen vat mag het beter bewaard zijn dan in dat. Aan haar raad ik aan dat u kennis maakt en mint want bij haar zal u gauw vriendschap en kennis hebben van de andere en de gratie van de Heilige Geest die haar volgt gelijk een duif. Hij zal u zeggen en openbaren wat dat men doet. Nu zal ik u zeggen van dat u in de refter die vrouw zag met het witte halsstuk, ze is geheten onthouding of abstinentie: haar halsstuk is soberheid. Het is lang geleden dat ik het u zei, de doden die de levende bedienen op hun knien dat zijn de goede lieden die verscheiden zijn en zoveel de levende gaven dat ze er voldoende mee mochten geholpen zijn, zeker is hij wel kwaad van aard die het bij het goede van de doden moet leven en anders bederven, hij bad toch voor zijn ziel. En daarbij wie er weldaad van neemt gelijk al of ze present waren om hem te danken liggen ze op de knien gelijk of ze zeiden: Bidt voor ons, ge leeft van ons goed, toch tenminste bidt voor ons. Nu u ziet dat men dit hier goed doet, die vrouw die u zag in de kerk die een bus draagt als een bode, dat is die vrouw die weer verdient naar dat elk verdient. Ze heeft een boor waar ze de hemel mee doorboort en laat het goed neer dalen wat hen het leven weer geeft. Deze boor heet eenparige continuatie dat bij zijn eenparige duren de hemel doorboort en alzo geeft ze de lieden voedsel en beloont hen dubbel. Nog halve penning of penning hebben ze gegeven of het wordt hen duizendvoudig beloond. Want ze hebben dat leven dat eeuwig duurt. Zo dan al hebben ze de levende gediend van de levende worden ze weer bediend. Hun bode die bedient ze snel , van de dood laat ze hen verrijzen bij de deugd die ze hem doet en kort hun purgatie. Wil u weten de naam van de vrouw, ze heet bedingen, ze heeft werken om gelijk de hemel door te vliegen om haar boodschap te doen voor God over uw gelijke geslachte en daarvan is ze bode en procureur en als het tijd is presenteert ze zich voor de koning in goed vertrouwen en zegt haar boodschap. Bij haar is niemand in gebrek, maar haar procuratie is bezegeld met devotie: Ik raad u aan dat u tot haar gaat en dat u haar te voren zendt ter plaatse waar u meent te gaan. Ze zal u wel een plaats kunnen aanbevelen waarin u kan wonen. Het is wel reden dat uw komst daar te voren geweten is want geen mens zet er een voet in had hij niet te voren gezonden. Van de dief die met Onze Heer hing was ze gezellin en eeuwig was het hem beter. Zo dan gelooft u me zal u ook te voren zenden: U moet het net zo goed doen als hij. Die vrouwe die u zag spelen op die instrumenten met de horen dat is die vrouw die de koning wekt telkens als hij slaperig is met haar spelen en blazen, slaapt hij te lang wekt ze hem en laat hem opstaan. Vigilantie of wakker zijn noemt men haar in Latijn. Haar horen dat is die toeroept van Deus in adjutorium of God help me. Te elke uur zonder ophouden zo blaast ze in het begin en daarna met orgel bedrijft ze grote melodie. En dan neemt ze de psalm met de andere en dan hoort men groot solaas van zoet gezang en melodie. Dat van zoet gezang en melodie dat zijn die instrumenten die mijn vader de koning almachtig goed bekomen en zeer goed behaagt hem zulke melodie en omdat het hem zo goed behaagt die er mee speelt zo heeft hij haar gemaakt zijn grootste speel wijf. Zulk ding behoort wel de koning om zich te vermaken.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim (plots zeer oud) met de vrouw met de koorden>

 

[*Bra2] Mit dat aldus gracie an mi sprac ic sach comen voer mi die vrouwe die de coorden droech Nu segt seide si wanen comstu wair gaetstu ic wille dattuut mi segges comstu om ons te verspiene Neen seyde ic vrouwe maer ic wil gaen te iherusalem weert ende daer bi heeft my al hier ghebracht gracie gods om mijnen wech te cortene. Heeft sidi niet geseyt seide si dattu hier sulste vinden harde bedden ende zware pijne al en schijnet niet Ia zij seide ic ende ic soude gaerne haren wille doen mocht ic Daer en is niet seyde si du en sulles wel doen wilstu. [*Brb2] het hout al anden goeden wille Nu comt voert ende ghif haer dijn handen ende dijn voeten gelijc enen valck moetstu ghebonden sijn. Als ic alsulcke woerden verstont worde ick iammerlic versaecht want nye en was ic ghebonden noch ghewoene ghebonden te sine. Ic en dorste niet vlyen om gracye die my daer bracht hadde ende ic seyde doet al dat ghi wilt ic bin bereit. ic en soude niet dorren weder segghen enighe dinghen die ghi begheert. wel heeft my gracie voer gheseyt dat ic hier sal vinden equipolencie van penitencien Doe ontwant si hare coor [*Bv] den ende bant my mitten voeten dat my dochte dat ic was in een mute. die banden daer zij my mede bant deen eynde hielt si bider hant ende seide Als ic soude willen gaen eens sins ic soude moeten gaen andersins Daer na wist ic wel daer om en wil icker niet meer of scriuen Daer na soe bant sy mijne handen ende seyde. dat alt werc dat ic doen soude ware [*Bvb1] verloren tijt ic en wrocht bi haren rade Daer na dede si my die tonghe wt recken ende banter enen bant om ende seide dat ic niet spreken en soude ten ware dat ic by haren orloue sprake Desen bant seyt si is silencinum Benedicite die mach allleene die tonge ontbinden Van gracien gods en seg ic niet noch vanden anderen vrouwen diestu hier sies

Met dat aldus Gratie tegen me sprak zag ik voor me komen die vrouw die de koorden droeg. Nu zeg, zei ze, waarvan komt u en waarheen gaat u, ik wil dat u het me zegt, komt u om ons te bespieden? Neen, zei ik, vrouwe, maar ik wil naar Jeruzalem gaan en daarom heeft Gratie God me hier gebracht om mijn weg te korten. Heeft ze u niet gezegd, zei ze, dat u hier harde bedden zal vinden en zware pijn, al blijkt het niet. Ja, zei ik en ik zou graag haar wil doen kon ik. Daar is niets, zei ze, u kan het wel doen, wil u. Het houdt al aan de goede wil. Nu kom voort en geef haar uw handen en uw voeten, gelijk een valk moet u gebonden zijn. Toen ik zulke woorden verstond werd ik jammerlijk bang want nooit was ik gebonden nog gewoon gebonden te zijn. Ik dorst niet te vlieden om Gratie die me daar gebracht had en ik zei doe alles wat ge wil, ik ben bereid. Ik zou het niet durven enige dingen die gij begeert tegen te spreken, wel heeft Gratie voor gezegd dat ik hier gelijkmatigheid van penitentie vinden zal. Toen maakte ze haar koorden los en bond me met de voeten zodat ik dacht dat ik in een kooi was. Van de banden waar ze mee bond hield ik het ene einde bij de hand en zei: Als ik zou willen gaan zou ik wel eens anderszins mogen gaan. Daarna wist ik wel daarom en wil ik er niets meer van schrijven. Daarna zo bond ze mijn handen en zei dat al het werk dat ik doen zou was verloren tijd, ik werkte bij haar raad. Daarna liet ze me de tong uitsteken en bond er een band om en zei dat ik niet spreken zou tenzij dat ik bij haar verlof sprak. Deze band, zei ze, zwijgende gezegende of silencinum Benedicite, die mag alleen de tong los maken. Van Gratie God zeg ik niet nog van de andere vrouwen die u hier ziet.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim, met band om zijn handen, en met Siecheit en Ouderdom>

 

[*Bva2] Als my die priorisse aldus ghebonden hadde gelijck enen hont een lange wile daer na sach ic comen twee queenen daer ic my seere of veruaerde Die eene droech twee cricken op haren hals ende ghinc op lodene voeten: ende een bosse had si gheschorst als een bode Dandre droech op haer hooft een bedde ende hadde haren dume in tusschen haren rieme ghesteken [*Bvb2] om te worstellen alsoe my dochte. Te gader quamen si te my ende seiden die doot sent ons tot dy ende ontbiet dy dat si tot dy comt sonder letten ende heeft ons gheheeten dat wi niet van dy en scheyden voer dat wi di hebben ghewelt ter neder ende al te mael verteert si wil di vinden al mat ende verwonnen Ick vraechde haer wie si was. ende ic seide ic en kenne v niet noch oec die doot is die doot

[80r] [...]e meesterse soe wil ic doch weten wie si is. ende oec wil ic weten of ghi sijt mit hair dat wilt my seggen ende uwen name Doe seyde si v arguweren noch oec v vechten en mach di tegen ons niet helpen noch oec tegen de doot. want ten is nyement soe starc noch soe groot als wy tot hem comen hi en is stappans verwonnen die doot heeft die heerscappie op deser werelt. ende meer ontsien se coninghen heeren ende grauen dan ander volck. den rijcken ende den armen doet si alleens. ende gheen tijt als si wille en spaert si nyemende ende si comt tot meniger stede daer si niet en seyndt nocht en ontbiet te voren. ende daer bi doet zij di grote houeschede dat si geweerdicht ons te dy te voren te senden het is een seker teyken dat si tot di coemt sonder verdrach. van haer sijn wi speciale boden ende voerloepsters elc van ons sal di segghen onsen name ende onse officyen Doe sprack si die dbedde droech ende seyde. ick heete sieckhede dye altoos waer ic vinde ghesondichede ic pijne my teghens haer te worstelene ende te vellene om haer march te sughene. somtijt si my ter neder slaet ende dan ouer een wile daer na vel icse weder maer niet so dicke en soud se my vellen had si gheen hulpe an medicinen die vonden was om mi te veriaghene. dicwile gheualt dat [80rb] icse vinde sittende voer de duere daer ic mijne boetscap doen soude ende bi dien moet ic langhe buter der duere ontbeiden. maer ondanc si plaesteren ende sijn salue dicwil sluyp ic daer binnen ende dan rechte uoert gae ic my coppelen anden ghenen daer mi die doot an ghesendt heeft. ic slane ter neder. ick tredene al sijn march sughe ic hem wt. zijn vleysch eet ic. sijn bloec drinck ic dat hi noch cracht noch macht en heft ende dan doe icken liggen int bedde dat ic hier op mijn hoeft drage. om dat hem die doot al bereet vinden sal sonder yet vele daer toe te doene Doe seyde ic du en biste niet die bode die men blijdelic ontfaen soude. Seker antwoirde ic bin want ic bin die ghene die doet bedincken van penitencien als mense al heeft vergheten. ic bin die tvolc dat vten weghe brenghe ten rechten wege Eens siaers hi die natuere maecte om dat hy sach dat die sommighe op hem niet en achten ende hadden hem mit allen vergheten riep my ende seyde. Ghanck seyt hy in mijne werelt ende worstelt ende vecht teghen die ghene die du sies die best sijn opt hare. si vreesen my luttel om dat si ghesont sijn ende hebben my al vergheten. gaet ende castijtse ende corriseertse ende in haren bedde bint se soe vaste dat si niet op en mogen staen noch te haren wille hem om [80v] keeren ende dat sij verliesen den appetijt van etene ende van drinckene. Te dien eynde seg ic dy om dat ic wille dat si hem beteren ende an my roepen om ghenade ende dat si peijnsen om haer siele te behoudene. soe als die doot coemt dat elc van hem luden seggen mach Siet doot en dochte dy niet een stroe Al mijn herte heb ic gheleyt an mijnen scepper ende al mijn ghepeyns slaet alstu wils mijn siele is al bereet wt te gane van haren weerlijken leuene Penitencie heeftse soe wel ghedweghen dat si wel ende schoen gepurgeert is ende suuer ghemaect. Nu seg ick dij voerwaer alsoe drae als hy my dat hiet ter stont haeste ic my ende ghinc my ondersetten om te worstelen teghen elcken al die werelt dore. menighen hebbe ick verwonnen ende ter neder geuelt int bedde gheleyt Nu maect di bereet ic wille teghen di vechten ende worstelen. niet langhe wil ick verbeyden Dander oude ghesellinne seyde ic moet my eerst seggen wie zij is zij heuet my beloeft Ick wilt wel seyde si Doe seyde my die andere. ic bin seyt si die du eens iaers nymmermeer ghesien noch ghekent en waende hebben alstu waers ghedreghen van ioncheden. neen seystu. si is soe verre si gaet al schoenkijns lanc wordet eer sire comt by moeten mach ic noch wel speelen. [80vb] Nu seker wel is waer dat ic cranck bin ende al schoenkijns gae. nochtan pas ouer pas gaet men wel verre. al bin ick al schoenkijns ghecomen nochtans bin ic hier ende heb dy achterhaelt. ende ic bringhe di nyemare dat die doot die nyemende en spaert coemt tot dy sonder verdrach ick bin haer bode ende voerloepstere gheen ander bode en mach dy warachtigher nyemare seggen dan ic. mijne gesellinne lieght somtijts om enighe contrarien diese bebelet hare bootscap te doene. mair my en mach gheen dinck beletten ter werelt die waerheit te segghene. ic bin outhede die gherompelde die blare ende die grijse ende sonder haer int hoeft. ic bin die ghene daer men raet aen soeken soude ende grote eere soude men my doen. want ic hebbe gesien den tijt voerleden. ende goet ende quaet geproeft dat sijn van sciencien die glosen. waer bi dat men die dinghen kennen mach. nymmermeer en sal man sciencie hebben noch eere hi heeft eerst ghesien ende gheproeft. nochtan gheuallet dickent al hebbe ic vele ghesien ende dat ic wel out bin honder iaer dat ic dan bin gheset inden rinc vanden kinderen ende al ontvarwet ic. int laetste en sal ic hebben geen vroetscap noch wijsheit om te radene. ende dair om vloechte mi eens iaers ysayas als hi my alsoe sach [81ra1] Segt my seide ic vanden cricken ende dan vliet stappans van hier na dattu dijne bootscap gedaen hebs. dijne presencie en becomt mi niet Becomt seit si of en doe mi en roec want van dy en sal ick niet scheyden voer die doot comt. ic sal di recht nv soe slaen dattu nymmer meer en suls hebben blijscap Crepel ende crom sal ic di maken mitten groten slagen die ic di gheuen sal maer soe vele voerdeels sulstu van my hebben bistu vroet dat ick dese twee cricken gheuen sal om dy op [81rb1] te rustene. niet dattu bi desen occusoene dijnen palster laten suls want gheestelic stock ende menschelic sijn goet te gader Mijne crijcken sijn menschelicke ende om den lichame te helpen dragen. om der redenen dede icse maken ende draechse aldus mit my want niet soe varinc en vel ickene ter neder hi en is op dander zijde op ghehouden al slae ickene op dandere. Soe dan neemtse alle beede si werden dy van noode Mijne slage sijn vreeselic du sultet noch wel weten

Toen me die priores aldus gelijk een hond gebonden had zag ik lange tijd daarna twee kween komen waarvan ik zeer bang werd. De ene droeg twee krukken op haar hals en ging op loden voeten en een bus had ze omgegord als een bode. De andere droeg op haar hoofd een bed en had haar duim tussen haar riem gestoken om te worstelen alzo ik dacht. Tezamen kwamen ze tot mij en zeiden, de dood zendt ons tot u en ontbiedt u dat ze naar u komt zonder letten en heeft ons gezegd dat we niet van u scheiden voordat we u neer hebben geveld en helemaal verteerd, ze wil u vinden al mat en overwonnen. Ik vroeg haar wie ze was en ik ze, ik ken u niet nog ook de dood, is die dood uw meesteres zo wil ik toch weten wie ze is en ook wil ik weten of gij met haar bent en me uw naam wil zeggen. Toen zei ze uw argumenteren nog ook uw vechten mag u tegen ons niet helpen, nog ook tegen de dood. Want er is niemand zo sterk nog zo groot, als wij tot hem komen is hij gelijk overwonnen, de dood heeft de heerschappij op deze wereld en meer ontzien haar koningen, heren en graven dan ander volk. De rijken en de armen doet ze alle gelijk en als ze wil spaart ze niemand geen tijd en ze komt in menige plaats daar ze niets zendt nog ontbiedt te voren. En daarbij doet zij u grote hoffelijkheid dat zich gewaardigt ons naar u voor te zenden, het is een zeker teken dat ze tot u komt zonder verdrag. Van haar zijn wij speciale boden en voorloopsters en elk van ons zal u onze naam en onze taak zeggen. Toen sprak ze die het bed droeg en zei: Ik heet ziekte die altijd waar ik gezondheid vind pijnig me om tegen haar te worstelen en te vellenen om haar merg te zuigen. Soms slaat ze mij neer en na een tijdje vel ik haar weer maar ze zou me niet zo vaak vellen had ze geen hulp van medicijnen die gevonden waren om mij te verjagen. Vaak gebeurt het dat ik haar voor de deur zittend vindt waar ik mijn boodschap zou doen en daardoor moet ik langer buiten de deur wachten. Maar ondanks haar pleisters en zalven sluip ik vaak daar binnen en dan recht voort ga ik me koppelen aan diegenen daar de dood me naar gezonden heeft. Ik sla die neer, ik vertreed hem al, al zijn merg zuig ik uit hem en zijn vlees eet, zijn bloed drink ik zodat hij nog kracht nog macht heeft en dan laat ik hem vaak liggen in het bed dat ik hier op mijn hoofd draag omdat hem de dood geheel bereid zal vinden zonder iets veel daaraan te doen. Toen zei ik, u bent niet die bode die men blijde ontvangen zou. Zeker, antwoorde ze, ik ben, want ik ben diegene die laat bedenken van penitentie als men het geheel heeft vergeten. Ik ben die het volk dat verdwaald is op de rechte weg brengt. Eens op een jaar hij die natuur maakte omdat hij zag dat sommige op hem niet achten en hem geheel hadden vergeten riep mij en zei: Ga, zei hij, in mijn wereld en worstel en vecht tegen diegene die u ziet die het beste zijn op het hunne, ze vrezen me weinig omdat ze gezond zijn en hebben me geheel vergeten. Ga en kastijd ze en corrigeer ze en bind ze zo vast in hun bed zodat ze niet op mogen staan nog tot hun wil om zich om te keren en dat ze de appetijt van eten en drinken verliezen. Tot dat doel zeg ik u omdat ik wil dat ze zich verbeteren en tot mij om genade roepen en dat ze er aan denken om hun ziel te behouden. Zo als dan de dood komt dat elk van hen mag zeggen: Zie, dood, dat doet me geen stro. Al mijn hart heb ik gelegd aan mijn schepper en al mijn gepeins, sla als u wil, mijn ziel is geheel bereid om uit het wereldlijke leven te gaan. Penitentie heeft ze zo goed gewassen zodat ze goed schoon gepurgeerd en zuiver gemaakt zijn. Nu zeg ik u voorwaar alzo gauw toen hij me dat zei haastte ik me terstond en ging me ondernemen om te worstelen tegen elk en de hele wereld door. Menige heb ik overwonnen en te neer geveld en in het bed gelegd. Nu maak u klaar, ik wil tegen u vechten en worstelen, niet lang wil ik wachten. De andere oude gezellin, zei ik, moet eerst zeggen wie zij is, zij heeft het mij beloofd. Ik wil het wel, zei ze. Toen zei me die andere. Ik ben, zei ze, die u eens jaar nimmermeer gezien nog gekend waande te hebben toen u door jonkheid werd gedragen. Neen, zei u, ze is, zo ver, ze gaat ze al schoontjes, lang duurt het eer ze erbij komt en mag ik nog wel spelen. Zo zeker weliswaar dat ik zwak ben en al schoontjes ga, nochtans pas voor pas gaat men wel ver. Al ben ik al schoontjes gekomen nochtans ben ik hier en heb u ingehaald en ik breng u het nieuws dat de dood u neemt en spaart tot u komt. Zonder verdrag ben ik haar bode en voorloopster en geen andere bode mag u meer waar nieuws zeggen dan ik. Mijn gezellin liegt soms om enige tegengestelde dingen die haar belet de boodschap te doen. Maar mij mag geen ding ter wereld beletten om de waarheid te zeggen. Ik ben oudheid, de gerimpelde, de schreeuwer, de grijze en zonder haar op het hoofd. Ik ben diegene waar men raad aan zou zoeken en grote eer zou men mij doen, want ik heb de vroegere tijd gezien en goed en kwaad geproefd, dat zijn van wetenschap de glossaria waarmee men die dingen kennen mag.

Nimmermeer zal men kennis hebben, nog eer of hij heeft het eerst gezien en geproefd. Nochtans gebeurt het vaak dat al heb ik er veel gezien en dat ik wel honderd jaar oud ben dat ik dan gezet ben in de ring van de kinderen en ik geheel ontkleur. Tenslotte zal ik geen kennis nog wijsheid meer hebben om aan te raden en daarom vervloekte ik een keer i een jaar Jesaja toen hij me alzo zag.

Zeg me, zei ik, van de krukken en ga dan gelijk van hier nadat u uw boodschap hebt gedaan. Uw aanwezigheid bekomt me niet. Bekomt, zei ze, dat doet me niets, want van u zal ik niet scheiden voor de dood komt. Ik zal u nu recht zo slaan zodat u nimmer meer blijdschap zal hebben. Kreupel en krom zal ik u maken met de grote slagen die ik u geven zal, maar zo veel voordeel zal u van mij hebben weet dat ik u deze twee krukken zal geven zodat je daar op kan rusten. Niet dat u bij deze gelegenheid uw pelgrimsstaf laten zal, want een geestelijke stok en menselijk zijn goed tezamen. Mijn krukken zijn menselijk en om het lichaam te helpen dragen. Om deze redenen liet ik ze maken en draag ze aldus met mij want niet zo vlug vel ik neer, is hij aan de andere zijde opgehouden dan sla ik hem op de anderen. Zo neemt ze alle beide want ze zullen u nodig zijn. Mijn slagen zijn vreselijk en u zal het nog wel weten.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim op bed met Siechede en Outhede aan weerszijden>

 

[81ra2] Nv comt hier seit si geselinne hets tijt dat wi hem an gaen om tegens te worstelen ende om te leggene int bedde gaet an deen side ic sal gaen an dander side ic sel hem hinderen daer ic mach Doe quamen si te my alle bee[81rb2]de en velden my ter neder ende begonsten mi te nijpene ende te grabbelen bider kelen. roepen ende claghen mocht ic wel gheen ander solaes en hadde ic. Ten lesten si leyden my te bedde ende bonden my daer in seggende nv siet voer di die doot [81va1] comt gegaen al dat si mach loept si di op onversien dat en connen wi niet beletten. want wi hebben di van al[81vb1]len dingen wel geauiseert te voren ende noch auiseren

Nu kom hier, zei ze, gezellin, het is tijd dat we hem aangaan om tegen te worstelen en om in het bed te leggen, ga aan de ene zijde en ik zal aan de andere zijde gaan en ik zal hem hinderen waar ik kan. Toen kwamen ze tot me alle beide en velden me neer en begonnen me te knijpen en te grabbelen bij de keel roepen en klagen mocht ik wel en geen ander solaas had ik. Tenslotte legden ze me te bed en bonden me daarin en zeiden; nu ziet, voor de dood komt gegaan alles dat ze kan loopt onvoorzien ze op u en dat kunnen wij niet beletten want wij hebben u te voren van alle dingen goed geadviseerd en nog adviseren.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim zittend op de rand van zijn bed met Ontfarmicheit bij zich>

 

[81va2] Mit dat ic in sulcke puncte was ende ic alsoe te bedde lach eene vrouwe sach ic comen te my die my therte dede verblijden. een ghelaet hadse simple ende goedertieren ende hadde getrect een borste wt haren hantgate van haren rocke ghelijc of si ghinge om hoey te bindene. eene coorde had si in haer hant ende quam tot my rechteuoert ende ontbandt haer coorden Nu comt hier seide si gae wy in die firmerie. want du en sijs hier niet wel Doe seyde ic tot haer Lieue vrouwe seker ick wil gaerne mit v gaen. maer om dat ic niet en weet wie ghi sijt soe bidde ic si eerst dat ghijs my vroet maect. Ic saelt [81vb2] di seyt si dan segghen Wetet dat ic bin die ghene die na sentensien gegeuen in allen iugementen sal sijn ontfanghen of mi en si onrecht gedaen. want eens iaers als die souuereyn coninck gheiugeert hadde smenschen geslachte ter eweliker doot om sine verdiente soe dede ic hem nochtan zijne hant daer of doen om enich bescudt Ic dede hem stellen eenen boghe sonder peese inden hemel in teykene van paeyse. Die peese heb ick die boghe is te hem waert Ic hale ende trerke wt dye ketyuen van haren misualle. ende daer bi accordeert redene dat men my heet ontfarmichede. dat is te segghene der ketyuen coorde mise [82ra] ricordia om die te treckene wt der ketiuicheden. mijn moeder caritate span die coorde ende als die coorde breken sal dan en sal nymmermer yement meer te hemele clymmen Waer bi seyde ic hebdy wt getrect uwe borst isser melc in dair mede dat ghi my lauen wilt Iaet seyt si du hebster noot ende noch meerder noot sulstuere hebben dan gout of of siluere: Conpassie heet si die wel noot is om die arme mede te saluene. ic soegher mede die hongherige ende niet en gheef icse den ghenen die my voertijts misdaen hebben. Aristotiles seit dat melc anders niet en is dan bloet dat verkeert is ende wit gheworden bi backene van hitten die sine roethede beneemt. Weetstu wat dit te seggene is. du moets weten dat die man die vol gramscepen is die en heeft in hemel niet dan roet bloet. dwelke nymmermeer wit en werdt het en si dat caritate doet backen ende veranderen sine roethede in witten. witte melc werdet alst ghebacken is ende die roethede vliet al wech. ende dan so wie sulcke melc heeft die vergheeft al dat hem misdaen heeft enich mensche. wel is geprijst al sulck een mamme ende noetdorsttich Mijn vader die an cruce hinc van sulcker mamme was hi wel voersien alsoet wel noet was om te thoenene daer hi dede doer boren sijne sijde ende of doen sijnen [82rb] rock van menschelicheden. nye en dede moeder so vele om haer kint doe bleeck zijne mamme wel. Tot elken kersten mensche seide hi neem die wil zuyghen. coemt voet in my en is niet meer roet bloets Caritate die heuet ghebacken ende verandert in witter melc om tgemeen profijt ende weluaren. nye en soech mensche sulke borst noch sulke melc Nu seg ic dy dat ic alsoe soeghe alle die ic sie ghebreken hebben ende alsoe slacht ick mijnen vader ende caritaten mijnre moeder Ende oec moetstu weten dat waer ic sie enighe arme menschen dye hongher hebben ic gheue hem broot tetene ende te drinckene gheue ic hem al toos na mijn macht ende state Sie ic yemende droeue sonder troest of die tonvreden is. of yemende naect ic cleedene ende vertroestene ende stellene tot paciencien of te vreden De pelgryms ontfae ic in mijn huus ende als ic weet geuangene ic gaese visenteren. die doot sijn doe ick ter eerden. ende die sieck liggen of van outhede te bedde liggen ic diense. ende daer bi heeft my gracie gods ghemaect firmerie van deser stede. ick diene cleynen ende groten ende vermake haer bedde ende gheen gebrec en laet ic hem hebben daer ict beteren mach. soe dan wilstu mit mi comen ic bin bereet di te dienen Ic seyde ia ic groten wille heb ics. mar hoe dat [82va1] wesen sal dat en weet ick niet. dese andre vrouwen houden my soe vaste dat ic nv niet volghen en mach. grote doget had di my wilde ghij se van my weeren. Of weeren seyt si dies en heb ic gheen macht. maer mach ic mit mijnre coorden sal ick di mit mi leeden in die fermerie te rusten. de boden sullen oec mede comen dat peynse ic wel want si en sul[84vb1]len niet van dy scheeden dat waen ic wel eer die doot coemt. Doe ontwant zij haer coerden ende bantse ant bedde ende ter stont leeddese my alsoe. die quenen volchden oec voet ouer voet dies ic vter maten seer droeue was. mijn cracht ende macht was my al benomen ende beroeft daer bi en mocht ict niet beteren

Met dat ik in zulk punt was en ik alzo te bed lag zag ik een vrouw tot me komen die met het hart liet verblijden. Ze had een simpel en goedertieren gelaat en had een borst uit haar handgat van haar rok getrokken net alsof ze ging om hooi te binden, een koord had ze in haar hand en kwam recht voort tot me en maakte haar koorden los. Nu kom hier, zei ze, we gaan naar het ziekenhuis want u bent hier niet goed. Toen zei ik tot haar: Lieve vrouwe, zeker wil ik graag met u gaan, maar omdat ik niet weet wie ge bent zo bid ik eerst dat ge me bekend maakt. Ik zal het u, zei ze, dan zeggen. Weet het dat ik ben diegene die na vonnis gegeven in alle beoordelingen zal worden ontvangen of ze me en zij onrecht gedaan hebben. Want een jaar toen de soevereine koning het mensen geslacht berecht had ter eeuwige dood om zijn verdienste zo liet ik hem nochtans zijn hand daarvan af doen om enige behoeding. Ik liet hem een boog zonder pees in de hemel stellen in teken van vrede. Die pees heb ik, de boog is bij hem. Ik haal en trek uit de ellendige van hun misval en daarbij komt reden overeen zodat men mij noemt ontferming. Dat is te zeggen dat ik het koord misericordia om die te trekken uit de ellendigheid. Mijn moeder Barmhartigheid spant dat koord en als dat koord breken zal dan zal nimmermeer iemand meer ten hemel klimmen. Waarom, zei ik, hebt u uitgetrokken uw borst, is er melk in waarmee dat ge me wil laven wil. Ja het, zei ze, u hebt het nodig en nog meer nood zal u hebben dan goud of zilver. Compassie heet ze die wel nodig is om de armen mee te zalven, ik zuig er mee de hongerige en niet geef ik het diegenen die me vroeger misdaan hebben. Aristoteles zegt dat melk niets anders is dan bloed dat veranderd is en wit geworden door het bakken van hitte die zijn roodheid beneemt. Weet u wat dit betekent, u moet weten dat de man die vol gramschap is die heeft in hem niets dan rood bloed wat nimmermeer wit wordt tenzij dat Barmhartigheid het laat bakken en veranderen zijn roodheid in witte. Witte melk wordt het als het gebakken is en de roodheid vliedt al weg en dan zo wie zulke melk heeft die vergeeft alles dat hem enig mens misdaan heeft. Goed is geprezen zulke mammen en behoeftig. Mijn vader die aan het kruis hing was goed voorzien van zulke mammen zoals het wel nodig was om te tonen daar hij liet doorboren zijn zijde en zijn rok van menselijkheid liet afdoen. Nooit deed een moeder zo veel om haar kind, toen bleken zijn mammen goed. Tot elke Christelijke zei hij; neem die wil zuigen, kom, voedt in mij er is niet meer rood bloed. Barmhartigheid die heeft het gebakken en verandert in witte melk om het algemeen profijt en welvaren. Nooit zoog een mens van zo n borst nog zulke melk. Nu zeg ik u dat ik alzo zoog alle die ik zie gebrek hebben en alzo slacht ik mijn vader en Barmhartigheid mijn moeder. En ook moet u weten dat waar ik enige arme mensen zie die honger hebben geef ik hen brood te eten en te drinken geef ik hem altijd naar macht en staat. Zie ik iemand droevig en zonder troost of die ontevreden is of iemand naakt, ik kleed en vertroost en stel hem geduldig of tevreden. De pelgrims ontvang ik in mijn huis en als ik gevangenen weet ga ik ze bezoeken, die dood zijn doe ik ter aarde en die ziek liggen of van oudheid te bed liggen, ik dien ze en daarbij heeft Gratie God een ziekenhuis van deze plaats gemaakt. Ik bedien kleine en grote en maak hun bed op en laat hen geen gebrek hebben waar ik het verbeteren mag. Zo dan, wil u met me komen, ik ben bereid om u te dienen. Ik zei, ja ik, grote wil heb ik. Maar hoe dat zal wezen weet ik niet. Deze andere vrouwen houden me zo vast dat ik niet volgen mag. Afweren, zei ze, dus heb ik geen macht, maar mag ik met mijn koorden dan zal ik u leiden en het ziekenhuis te rusten. De boden zullen ook meekomen wat ik wel denk want ze zullen niet van u scheiden wat ik wel waan voor de dood komt. Toen maakte ze haar koorden los en bond ze aan het bed en terstond leidde ze me alzo. Die kween volgden ook gelijk dus was ik uitermate droevig. Mijn kracht en macht was me geheel benomen ende beroofd en daarbij kon ik niet beter worden.

 

 

<houtsnede: rechts de slapende pelgrim, links de pelgrim op bed met de Dood met kist bovenop hem, naast het bed Gratie Gods>

 

[82va2] Als ic in die fermerie was ende ic daer een lanc stick gheghen hadde. onuersienlic ende recht haestelic sach ic comen eene vreeselijke lange queene dye trat op myn bedde daer ic seere of veruaert was soe seere was ic van haer ontstelt ende gheureest dat ic niet tegen haer spreeken en mochte noch hair yet vraghen Eene seysene hilt si in hair hant ende een doot [82vb2] kiste droech si. ende hadde doe recht den eenen voet op mijn keele om mi te versmorene shola hola seide gracie gods die niet varre van dair en was. Ontbeidt een luttel ic sal hem eerst segghen twee woerden. Nu segt seide die queene maer haest di want elder heb ic te doene Doe quam gracie gods tot mi ende seide Nu sie ic wel seyt si dattu zijs ten vtersten passe ende te nausten van dijnre pel

80grymagie. siet hier die comen is die welke van eertschen dinghen dat eynde is ende die termijn dijn leuen neemt si te maeyene ende ten eynde te brenghene ende dijnen lichame sal si legghen in haer scrijne om den wormen te etene. Dese dingen sijn al ghemeene elken mensche. want elc mensche die inde werelt leeft is ghecompareet ende gheleken teghen die doot ghelijc als dat gras tegen die seysene. want het is hoey heden groene ende morghen droge. Du hebs langhe gheweest groene ende hebs ghehadt regene ende wijnt. maer nv moetstu sijn ghemaeyt ende gedeelt in tween sticken dat doorkijn is cleyne die siele ende die lichame en souden niet mogen liden dair doir te samen. die siele sal eerst liden ende daer na sal die lichame comen. maer soe drae en saelt niet sijn. want eerst sal tvleysch verrot sijn ende weder nyewe ghegroeyt: Nu besiet ofte wel bereet zijs ende van allen punten wel voersien. want het hout aen dy du suls cortelic sien die grote stede daerstu lange na gestaen hebs. du zijs ter dore die du ouerlanc sages inden spiegel Bistu wel al naect ontcleet du sulster wel in ontfanghen sijn. dwelke du soe seere begheres alstu eerst sages. maer ymmer ic rade dy dattu an mijnen vader roeps ghenade belouende penitencie hebstuse niet voldaen du sulse gaerne [83rb] voldoen in purgatorien daer du in gaen suls Nu seg ic v had ick mogen spreken ic hadde haer vele gevraghet van saken daer ic of duchte die welke ic niet en wiste. sothede eest te beydene totter noot. want als men dicwile waent dat die doot noch verre is soe staet si ter doere. ic wist wel dat ic was beuaen want die doot liet hair seysene lopen ende dede mijn siele verscheyden vanden licham dat dochte my soe my droemde. maer net dat ic alsoe was in sulc torment. ic hoorde dat orloy vanden conuente ende dye schelle luydde te mettenen. Als ic die schelle hoorde luden ic werde ontwaeck. maer ic vant mi seere besweedt. ende om mijnen droem so worde ic peynsende ende wert grotelick vereent ende veruaert. maer ic stonde op ende ic ghinck te mettenen. maer soe mat was ic ende soe flau dat icker luttel gedoen mochte. mijn herte had ic al gheset aen mijnen droem dat my dochte ende noch dunct my dat recht alsoe is al so my droemde de pelgrymagie vanden mensche dat hy dicwile is in sulcker vreesen. ende daer by heb ict gesedt int ghescrifte recht alsoet my doe ter tijt droemde. niet dat ict al int ghescrifte ghesedt hebbe. want tghescrifte soude te lanc sijn. heb ic dit niet wel ghedroemt ick bidde dat te rechte ghecorrigeert si van hem diet bet droemen [83va] connen of diet bet doen connen so vele seg ic. mair isser in boerte of loghen datment vertelle voer droem want gheen drom en machmen voer enighe waerheit openbaren. gheen erroer en soude ic willen houden staende in gheenre manieren. maer gaerne soude ic willen dat bi desen drome die ic sach alle pelgryms hem versagen ende wachten hem dat si niet vten wege en gaen want dat dolen van enen anderen is een recht avijs ende een voirsien dat elc mensche sal nemen sulcken wech. mits welken hi mach comen tot eenen goeden eynde welc eynde is die loen ende blijscap van hemelrijcke. die welcke blijscap ons wille verleenen de almachtighe gods sone Amen

Hier eyndt het boec vanden pelgrym. Ghedruct tot haerlem Int iaer ons heeren duysent vier hondert lxxxvi opten xxsten dach in augusto

Toen ik in dat ziekenhuis was en ik daar een lange tijd had gelegen zag ik onvoorzien en haastig een vreselijke lange kwee komen die op mijn bed trad waar ik zeer bang van was en zo zeer was ik van haar ontsteld en bevreesd dat ik haar niet spreken kon nog haar iets te vragen. Een zeis hield ze in haar hand en een doodkist droeg ze en had toen recht een voet op mijn keel om me te versmoren. Hola, hola, zei Gratie God die niet ver van daar was. Wacht even, ik zal hem eerst twee woorden zeggen. Nu zeg, zei die kwee, maar haast u want elders heb ik te doen. Toen kwam Gratie Gods tot me en zei: Nu zie ik wel, zei ze, dat u bent te uiterste passe en het dichts bij uw pelgrimage. Zie hier die gekomen is dat van aardse dingen het einde is en de termijn van uw leven neemt ze in het maaien en brengt ten einde en uw lichaam zal ze in haar schrijn leggen om de wormen te eten. Deze dingen zijn elk mens algemeen want elk mens die in de wereld leeft is gecompareerd en vergeleken tegen de dood gelijk als dat gras tegen de zeis. Want het is hooi is heden groen en morgen droog. U bent lang groen geweest en u hebt regen en wind gehad, maar nu moet u gemaaid worden en in twee stukken gedeeld. Dat deurtje is klein, de ziel en dat lichaam zouden daardoor niet te samen kunnen gaan. De ziel zal eerst gaan en daarna zal het lichaam komen, maar zo gauw zal het niet zijn want eerst zal het vlees verrot zijn en weer nieuwe gegroeid: Nu bezie of goed bereid bent en van allen punten goed voorzien want het houdt aan u en u zal gauw de grote plaats zien waar u lang naar gestaan hebt. U bent bij de deur die u laatst zag in de spiegel. Bent u goed naakt ontkleed dan zal u er wel in ontvangen worden wat u zo zeer begeerde zoals u eerst zag. Maar immer raad ik u aan dat u aan mijn vader genade vraagt en penitentie belooft, hebt u het voldaan dan zal u het graag voldoen en purgaties waarin u gaan zal. Nu zeg ik u, had ik mogen spreken had ik haar veel gevraagd van zaken waarvan ik duchtte die ik niet wist. Zotheid is het te wachten tot de nood want als men vaak waant dat de dood nog ver is zo staat hij bij de deur. Ik wist goed dat ik was gevangen want de dood liet haar zeis lopen en liet mijn ziel scheiden van het lichaam wat ik dacht zo ik droomde. Maar net dat ik alzo was in zo n kwelling hoorde ik dat uurwerk van het convent en die schel luide te metten. Toen ik die schelle hoorde luiden werd ik wakker, maar ik vond me zeer bezweet en vanwege mijn droom en zo begon ik te peinzen en werd zeer benauwd en bang. Maar ik stond op en ik ging te metten. Maar zo mat was ik en zo flauw dat ik er weinig doen mocht. Mijn hart had ik geheel aan mijn droom gezet wat ik dacht en nog denk dat het me recht alzo is en alzo ik droomde van de pelgrimage van de mens dat hij vaak in zulke vrees is. Daarbij heb ik het in mijn schrift gezet recht zoals ik het toentertijd droomde. Niet dat ik alles in het schrift gezet heb want het schrift zou te lang zijn en heb ik dit niet gedroomd bid ik dat het recht gecorrigeerd wordt van hen die het beter dromen kunnen. Zo veel zeg ik. Maar is er grap in of leugen dat men het voor een droom houdt want geen droom mag men voor enige waarheid openbaren. Geen fouten zou ik staande willen houden op geen manieren. Maar graag zou ik willen dat bij deze droom die ik zag dat alle bang worden en behoeden dat ze niet uit de weg gaan want dat dolen van een ander is een echt advies en een voorzien dat elk mens zo n weg zal nemen waarmee hij mag komen tot een goed einde en dat einde is het loon en de blijdschap van het hemelrijk en die blijdschap zal ons verlenen de almachtige Gods Zoon. Amen.

Hier eindigt het boek van de pelgrim. Gedrukt te Haarlem in het jaar van ons Heren duizend vier honderd 86 op de 20ste dag in augustus.

 

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/