Stephan Blankaart. Den Nederlandschen Herbarius, 1697.

Inleiding.

Stephan Blankaart of Stephanus Blancardus werd geboren te Middelburg op 24 oktober 1650. Hij was de zoon van Maria Eversdijk en Nicolaas Blanckaert, hoogleraar in de geschiedenis en oudheidkunde aan de school daar. Hij bezocht de Latijnse school de Middelburg en oefende bij een apotheker in de schei- en kruidkunde. Nadat zijn vader in 1669 benoemd was tot hoogleraar in de Griekse taal en oudheden te Franeker bezocht hij de universiteit daar. Op 18 december 1674 promoveerde hij tot doctor in de geneeskunden en wijsbegeerte. Toen hij als geneesheer gevestigd was te Amsterdam verwierf hij al gauw een grote naam en dat niet alleen in de geneeskunst, maar ook in schilder- dicht en knipselkunst. Toch wat vreemde combinaties. Op 3 maart trouwde hij in Amsterdam met Isabella de Carpentier die in  Sliedrecht geboren was op 16 februari 1644 en overleden is op 24 december 1730. Hij kreeg twee zoons waarvan Nicolaus Casparus in 1682 geboren werd en in 1688 aan kinderpokken overleed. Willem werd geboren in 1683 en zou raadsheer worden in de kamer van Justitie van Stad en Lande van Vianen en overleed in 1748. Blankaart zelf overleed in Amsterdam op 23 februari 1704 en werd in de Westerkerk begraven.

Hij schreef vele boeken op het gebied van anatomie, chirurgie, algemene geneeskunde, voedingsleer, farmacie, chemie, plantkunde, dierkunde en letterkunde.

In 1678 komt hij na een tweetal publicaties over anatomie met zijn ‘Nieuw lichtende practijk der Medicijnen’. Dat is wel zijn bekendste boek dat tot 1735 herdrukt werd en vier Duitse vertalingen beleefde. In hetzelfde jaar komt er een scheikundeboek ‘De nieuwe hedendaagsche stofscheiding ofte Chymia’, ook weer met vele herdrukken en Duitse vertalingen. Ook komt in 1678 een farmaceutisch werk ‘De Nieuwe Nederlandsche Apothekerswinkel’. In 1679 vertaalde hij de werken van Lucianus. Ook komt hij in dit jaar met een medisch woordenboek “Lexicon Medicum’ waarin alle Griekse en Latijnse termen zijn opgenomen. Als “Lexion Medicum Renovatum’ werd het tot begin 1900 herdrukt. Deze boeken beleefden meestal verschillende herdrukken en werden in Latijn, Frans en Engels vertaald.

Na de chemie, de farmacie en het woordenboek kwam de handleiding voor chirurgen en ‘Konstkamer der Chirurgie’verscheen in 1680 en werd vier maal herdrukt en in het Duits vertaald. In hetzelfde jaar begint hij een medisch tijdschrift ‘Colectanae medio-physica oft Hollands Jaar-Register der Genees- en Natuurkundige aenmerkingen van gantsch Europa’. De uitgave daarvan heeft hij drie jaar volgehouden. In 1683 verscheen de ‘De borgelijke tafel, om lang gesond sonder siekten te leven’, een stuk over voedingsleer en om te vervolgen in 1686 met ‘Gebruik en misbruik van de thee, Mitsgaders een Verhandeling wegens de Deugden en kragten van de tabak’. In dierkunde kwam hij in 1688 met het eerste deel van de ‘Schouwburg der Rupsen, wormen, maden en vliegende Dierkens, daaruit voortkomend’, het tweede deel is wel in handschrift maar nooit uitgegeven. De werking van de geneesmiddelen schrijft hij in 1690 zijn ‘Verhandeling van de Operatien oft Werkingen der Medicamenten in ’s Menschen lighaam’.

Dan moet hij toch verstand hebben van de kruidkunde en zo komt in 1698 ‘Den Nederlandschen Herbarius’.  Dat is dus meer een werk die nodig is voor de dokters dan voor de kruidliefhebbers. Hij heeft dan ook geen botanische verwantschap gezocht of enige samenhang wat Dodonaeus wel probeerde maar gaat gewoon alfabetisch te werk. De bomen worden in wilde en tamme verdeeld en de heesters van hoog tot zeer klein. Hij schrijft in zijn inleiding dat hij de planten naar de natuur getekend heeft, ook dat hij er meer bij gedaan kon hebben maar dat het werk dan te duur en te groot zou worden. Er zijn zo 35 afbeeldingen bij gedaan op 508 plantenbeschrijvingen. De titelprent laat 5 botanici zien rondom een tafel vol planten.

Uit de opgave van de vindplaatsen kan men zien waar hij die gevonden heeft. Meestal zijn het plaatsen in Zeeland en Vlaanderen zodat men kan aannemen dat hij voor zijn 19de al met kruidkennis begonnen was. Ook Friesland komt voor en zelfs richting Emden, de plaatsen rond Amsterdam richting Utrecht, Vianen, Gooi, Naarden en Muiderberg. De kalmoes heeft hij gevonden te Den Haag en Delft, bij de Gouw, Leiden en Maarseveen, verder zocht hij in het Haagse bos en in de bollenstreek de Iris, in Den Helder en zelfs op Texel en Brabant maar waarschijnlijk niet verder of in het buitenland. Wel zal hij correspondentie gehad hebben als uit sommige artikelen blijkt.

Blankaart lijkt veel op Dodonaeus, maar is kritischer in het gebruik, blijkbaar door ervaring. Verder zal hij L ‘Obel en Clusius gelezen hebben, L’Obel noemt hij Cornu Cervi, de varkenskervel of Coronopus.

In de Koninklijke Bibliotheek zijn er handschriften van dit originele werk van 770 bladzijden die bijna alle gevuld zijn met pentekeningen. Maar er zijn nog vijf delen ‘Steph Blancardi Herbarium of Kruidboek’met 2368 bladzijden waarvan de meeste met pentekeningen of gedeeltelijk of geheel in potlood zijn. Het laatste deel heet “Fructus et Flores Indiae’. Hij werkte dus aan een veel groter werk.

De Herbarius is pas laat uitgegeven hoewel hij er al in zijn jeugd aan werkte. De oorzaak hiervan is wel dat in 1670 de ‘Nederlandtse Herbarius of Kruyd-boeck van Petrus Nylandt op de markt kwam die twee herdrukken beleefde en een privilege had voor 15 jaar.

De bladzijden staan tussen haakjes [ ] bij de eerste leter van betreffende pagina.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen, Volkoomen.nl. Het is dus niet verder gecorrigeerd of nagekeken. Mijn doel is voornamelijk vanwege de interesse in het gebruik van de planten en om tot de juiste naamgeving van de soorten te komen. Ook hoop ik dat anderen zo gemakkelijker tot het lezen van wat oudere boeken komen.

Zie ook http://caliban.mpiz-koeln.mpg.de/blankaart/index.html

 

 

 

Leer-gierige

LEEZER.

 

Het is eenige weinige jaren geleden, dat ik de Werkingen ofte Operatien der Medicamenten hebbe uitgegeven, en alsoo ik de daar aanklevende stoffe der Kruid-kunde by dat werk niet gevoeglyk konde verhandelen, soo heb ik sulcx myn plig geagt, dit daer als aan te hegten, alsoo in dit deel de meeste bekende Nederlandse Kruiden, Boomen, Planten, Mossen, enz in ’t byzonder werden beschreven met hare kragten, en bereidingen; soo dient dit alleen om ’t gene aldaar stuk voor stuk niet konde vertoont werden, tot een veel nadere uitbreidingen, op zoo een wyse, als my van die lange jaren syn voorgekomen, ik hebbe de gewasschen een weinig nauwkeuriger en ook korter voorgestelt, als van myne voorgangeren gedaan is, als mede de kragten en gebruiken, soo als die in onse landen bevinde, derhalven heb ik de tegenwoordige schryvers niet willen navolgen, welke heele boeken uit Galenus, Theophrastus, Dioscorides, en veele andere Grieken en Arabiers, geschreven hebben, welke luiden alle in gewesten hebben gewoont, die verre van ons Nederland syn afgelegen, derhalven syn de Kruiden aldaer van een veel kragtiger, ofte swakker aart, als onse Land-kruiden, ook is onse logt, wateren, gelegentheid van plaatsen, gewoonten, aart der menschen van de hare seer verschelende, daer benevens syn de Geneesmiddelen van verre komende dikmaals of vergaan, en kragteloos, of sy syn vervalst, ook twyffelt men zeer of men die dingen wel bekoomt, en wel te regte kend, die de voorige oude Schryvers in hare landen hebben gehad.

Ik hebbe dit werk in geen juiste schikking gebracht, als veele andere voor my hebben gedaan, alsoo myn oogmerk niet was alle vreemde by-soorten van gewassen te beschryven. Maar alleenig die, welke men hier te land meest siet, soo in ’t wilde, kruid-hoven, als bloem-hoven my voor-komende; en dat met de bekendste Latynsche of Griekse namen, soo als wy die gewoon syn te noemen, volgens het A. B. C want de Duitse en andere vreemde namen, heb ik agter in een ander A. B. C gebragt, om alle moeyelykheid en verwarringen te myden.

Voorts, soude ik veele vreemde en gebruikelyke gewassen, hier tusschen gevoegt hebben, en andere Weet-gierige de gewoonlyke Lands en Stads-tuinen, meest toegeloten syn, ( en die tot der opsigters eigen vermaak, ofte die sy hier gunnen gehouden werden) soo ben ik te raden geworden, een vervolg deses werks (soo God my het leven en verstand laat behouden) van de vreemde gewassen haar gedaante, plaats, kragten en gebruiken, in ’t ligt te geven, want  men van dese stoffe of weinig, of onvolmaakt en niet wel aangemerkt in onse tale vind.

Vorders werd dit Boek, soo tot vermaak des Lezers, als cierlykheid des Boeks met verscheide Kopere platen voorzien, die ik selfs na het leven der Planten heb geteikend: Ik had’er meerder konnen by gedaan hebben, maer dit werk soude te kostelyk niet alleen geworden hebben, maar de al te grooten dikte soude tot een mistalte opgeswollen syn geweest; ook had ik op yder blad vierdelei verbeeldingen konnen hebben, maar alsoo ik de al te kleinigheid in andere berispt heb, soo wilde ik liever een behoorlyke mate nemen, dan yets uitgeven, dat niet gelykt.

Zyt dan hier mede tevreden, Waarde Lezer, en verwagt in het toekomende het vervolg hier van; verblyvende onderwylen te zyn, die ik altyd was uwen Dienaar:

 

Amsterdam den.  S. Blankaart

1 Octob. 1697           P. & M. D.

Nieuwsgierige

LEZER.

 

Het is enkele jaren geleden dat ik de werkingen of ‘Operatien der Medicamenten’ heb uitgegeven en omdat ik de daar behorende stof van de kruidkunde bij dat werk niet goed kon verhandelen heb ik het als mijn plicht geacht dit hier aan te hechten zodat in dit deel de meest bekende Nederlandse kruiden, bomen, planten, mossen enz. apart worden beschreven met hun krachten en bereidingen en zo dient dit alleen om wat daar niet stuk voor stuk vertoond kon worden tot een veel betere uitbreiding en op zo’n wijze zoals ze mij in die lange jaren voorgekomen zijn. Ik heb de gewassen wat nauwkeuriger en ook korter voorgesteld dan zoals dat door mijn voorgangers gedaan is als mede de krachten en gebruiken zoals ze zich in onze landen bevinden. Daarom heb ik de tegenwoordige schrijvers niet na willen volgen die hele boeken uit Galenus, Theophrastus, Dioscorides en vele andere Griekse en Arabische overgeschreven hebben. Die lieden hebben allen in gewesten gewoond die ver van ons Nederland zijn gelegen en daarom zijn de kruiden daarvan van veel krachtiger of zwakkere aard dan onze landskruiden, ook is onze lucht, water, gelegenheid van plaats, gewoonten en de aard van de mensen van die van hun zeer verschillend. Daarnaast zijn de geneesmiddelen die van ver komen vaak of vergaan en krachteloos of ze zijn vervalst, ook twijfelt men zeer of men die dingen wel krijgt en goed kent die de vorige, oude schrijvers in hun landen hebben gehad.

 

 

Ik heb dit werk in geen juiste schikking gebracht zoals vele anderen voor mij hebben gedaan omdat het mijn doel niet is alle vreemde bijsoorten van gewassen te beschrijven. Maar alleen diegene die men hier te lande het meeste ziet en die zowel in het wild, kruidhoven als bloemhoven mij voorkomen en dat met de bekendste Latijnse of Griekse namen zoals wij die gewoon zijn te noemen volgens het A. B. C want de Duitse en andere vreemde namen heb ik achter in een ander A. B. C gebracht om alle moeilijkheid en verwarring te vermijden.

Verder zou ik vele vreemde en gebruikelijke gewassen hiertussen gevoegd hebben en andere bijderheden die bij de gewone land- en stadstuinen bijgevoegd zijn (en die voor de opzichters eigen vermaak of waarvan ze wensen dat ze hier gehouden worden) zo ben ik aangeraden om een vervolg op dit werk (als God mij het leven en verstand laat behouden) van de vreemde gewassen, hun vorm, plaats, krachten en gebruiken in het licht te brengen omdat men van deze stof of weinig of onvolmaakt en niet goed beschreven in onze taal vindt.

Verder wordt dit boek tot vermaak van de lezers als voor sierlijkheid van het boek met verschillende koperen platen voorzien die ik zelf naar het leven van de planten getekend heb. Ik had er meer bij kunnen doen maar dit werk zou te duur geworden zijn, maar ook de al te grote dikte zou tot een misvorm en opgezwollen vorm zijn geworden. Ook had ik op elk blad vier soorten afbeeldingen moeten hebben maar omdat ik de al te kleinigheid in andere berispt heb zo wilde ik liever een behoorlijke maat nemen dan iets uit te geven dat niet lijkt.

Zij dan hier mee tevreden, waarde lezer en verwacht in de toekomst het vervolg hiervan; verblijvende ondertussen te zijn die ik altijd was uw dienaar:

Amsterdam den.  S. Blankaart

1 Octob. 1697           P. & M. D.

 

 

Nederlandse

HERBARIUS

OFTE

KRUID-BOEK

DER

Voornaamste Kruiden, tot de Medicyne, Spys-bereidingen, en Konstwerken dienstig

Handelende.

Van zommige hier te Lande wassende Boomen, Kruiden, Heesters, Mossen, enz.

Nederlandse

HERBARIUS

OF

KRUIDBOEK

VAN DE

Voornaamste kruiden die handelen voor de medicijnen, spijsbereiding en kunstwerken nuttig zijn.

Van sommige hier te lande groeiende bomen, kruiden, heesters, mossen, enz.

 

I. HOOFD-STUK                                [1]

Van de Gewassen in ’t algemeen, en hare deelen.

Alle de Gewassen van Planten zyn Boomen, Heesters, Kruid-gewassen, Mossen, en Kampernoeljen ofte Duivels-brood.

Een Boom is een Gewas geheel van hout, van de wortel af met een Stam sig opheffende, en in de hoogte veele takken verspreidende. Dese zyn Wylde, die in Bosschagien sonder oefeninge voortkomen, als daar zyn Boeke-boom, Pyn-boom, Mast-boom, Else-boom, enz.  of Tamme, welke in de Hoven geoefent werden, als Appel-boom, Peere-boom, Amandel-boom, Walnote-boom, Kerse-boom enz. Onder de Wilde zynder, die gaarn langs het [2] water groeyen, als Mespilen, Queen, Wilgen, enz. De Boom-gewassen syn mede d’eene veel hooger dan d’andere, want de Pyn-boom, Eiken-boom, enz. groeyt veel hooger als een Quee-boom, ofte Kerse-boom. Ook syn sommige het gansche jaar groen, gelyk de Mast-boom enz. en andere alleen des Somers. Het hout der Boomen scheelt ook veel in vastigheid, swaarte, reuk, koleur, enz.  ook wast d’eene boom veel dikker als d’andere.

Na de Boomen volgen de Heesters, synde een minder houtagtige soort dan de Boomen: dese spruiten met veel scheuten uit de aarde, gelyk de Aalbesien, Vlier, Wyngaart, enz.  en krygen, gelyk de boomen, mede veele takken en bladeren. Dese mag men wel in vierderlei soorten deilen, als Hooge, Middel-soort, Kleine en Alderkleinste. De Hooge staan weder op sig selven, gelyk de Vlier-boom, Vlaamse Roos of Swekken-hout, Laurier, enz. of sy worden aan muuren en boogen geleid en vast gemaakt, gelyk de Wyngaart, de Kamperfoelie, de Klim, enz. Onder de Middel-soort behoort een kleinder Heester, gelyk als de Roseboom, Aalbesien, Kruis-besien, Framboisen, Bramen, Blaauw-besien, enz. Onder de Kleine behoort de Rosemaryn, Salie, Averoone, enz. Onder de alderkleinste kan men rekenen de Thym, de Heide, wilde Thym ofte Quendel, welke seer laag by de grond wasschen.

Na de Heesters volgen de Kruid-gewassen. Dese wasschen op het land of in en aan het water. Op ’t land beminnen sommige droog of vogtig land; bosschagien of opene logt: in tuinen of hoven; aan de weg of akkers. Dese wassen hoog of laag, van blad spits, rond, gesnippelt, hairachtig, geschaart of effen, stekelig, glad, wollig, groen, geel, rood, veel-verwig, enz. de stronk is rond, vierkant, [3] knobbelig, glad, groen, geel, purperagtig, gesprenkelt, veelverwig, enz. De wortelen syn veselig, dik, knobbelagtig, bolsteragtig, swart, wit, geel, rood, purper-koleurig, enz. sommige wortelen syn eetbaar, andere medicinaal, en andere onnut en stokkig. Sommige dragen saad door hare bloem of vrugten en besien, andere dragen het saad op hare bladeren, gelyk de Ceterach, Scolopendrium, Filix, enz. waar van sommige meest op boomen wassen, onder welke de Polypodium is, beminnende de Eike en de Wilge.

De Mossen zyn schimmelagtige uitwassen aan de basten der boomen, dor hout, beenderen, steen, aarde, enz. sy zyn ook verscheiden in gedaante, en koleur, en komen voort sonder planting ofte saad.

Van gelyken zyn de Padde-stoelen ofte Kampernoeljen mede aardse ofte boomagtige uitwassen, welke knobbelagtig zyn, of op een stammetje met een overstelpt hoedjen rusten; welker soorten verscheiden zyn. Dese werden mede van geen voorplantinge ofte saad voortgebragt.

De Gewassen in ’t algemeen beschouwt hebbende, sullen wy tot des selfs deelen overtreden. Dese bestaan uit Wortels, Struiken, Scheuten, Tronk of Blok, Takken, Schors, Hout, Strepen, Hert, Merg, Steel, Blad, Bloem, Knop, Draadjes, Noppen, Eindekens, Kattekens, Vrugten, Bollen, Bollekens, Hauwen, Kroonen, Stuifkens enz.

Alle de Gewassen hebben Wortelen, uitgenomen de Bastert-gewassen, gelyk als de schorfte ofte wrange aan de Thym, de maren-takken aan de Eike, Linde, enz. de Mossen, Kampernoeljen, enz.

Wortelen zyn het onderste gedeelte van een gewas, ’t welk in d’aarde is, door welkers bast het voedsel tot in de boom ofte kruid opklimt, waar door alle des selfs deelen haar leven en groote krygen. [4]

De Stam, Struik, Stronk of Blok, is het gene dan van de wortel af regt over-einde opschiet, aan welke de takken, bladen, bloemen, vrugten, saden, enz. opgroeien.

Scheuten syn uitspruitsels der wortelen der boomen, ofte der kruiden. Der Boomen noemt men meest Water-schooten, nemende het voedsel des booms weg, daarom snyd men die gemeenlyk af, ten ware men daar nieuwe boomtjes van wilde queeken; diergelyke siet men mede ontrent de Heesters. Soo de kruiden dese Scheuten krygen, dienen dat tot afsetsels om nieuwe planten te queeken, gelyk als in d’Angelieren, Damast-bloem, Klokjes, enz.

Het Blok, Stam, Tronk, enz. is alles het selfde, synde het gene dat regt na boven uit de wortel uit schiet, uit welke alle takkingen, ’t sy der Boomen, Heesters, Kruiden, enz. uitschieten, als der Eike, Linde, Wynruit, Angelieren, Wollekruid, enz. Dog alle gewassen hebben geen stam of blok, als Honds-draf, Weeg-bree, Duisend-knoop, enz.

Uit de stam schieten groote takken, die men gevoeglyk Armen noemt, en uit dese kleindere en kleindere takken en takjes, aan welke de Botten, de Bladen, Bloemen, Vrugten, enz komen te groeyen. Sommige deser takken werden weder op andere ge-ent, als van Peeren, Appelen, Kersen, enz. of, sommige afgesneden synde, en in de aarde gestoken, krygen wortels en groeyen tot een Boom, heester, of Kruid-gewas.

De Stam en de Takken zyn alle met een Schors ofte Bast omkleed, welke alle niet van eenderlei koleur zyn, nog eenderlei dikte; hierdoor krygen de gewassen hare sappen en voedsels. Veele der boomen hebben onder hare buitenste bast nog een bast daar onder, gelyk als de Vlier, Kerseboom, enz. [5] en andere, voornamelyk veele kruiden, niet, dese verschelen mede van koleur en reuk.

Geen Boom of Heester is er, of syn wortel, stam en jarige takken zyn Hout, zynde hetgene dat met de bast bedekt is, hard en splytbaar, dog van d’eene boom harder als van d’andere, ook is de koleur, reuk en smaak verscheiden. Het naaste aan de bast is sagter dan het binnenste, alsoo het laatst is aangegroeit, want alle jaren neemt de stam een kring aan; daarom wil men liever hout hakken om te bouwen in de Herfst ofte Winter, dan in de voortyd, want in de winter is het buitenste hout begroeit en hard, dat in de voortyd soo niet is, en dan eerder verrottinge en wormen onderworpen.

In het hout heeft men ook van boven na beneden toe eenige Strepen, loopende als een kam, dat verscheide soort van pypen zyn, waarvan sommige sap, en andere harst, melkstoffe, olie, enz opwaarts dragen

Het middenste van het hout noemt men het Hert, maar soo het in ’t Hout, Heester ofte kruiden sagt en voos is, word het Merg geheeten, gelyk dat van Vlier, Wyngaart, Pimper-noten enz.

De Steel is yets de bladeren en de vrugten eigen, zynde het gene tussen de tak en het blad, vrugt ofte zaad sy, dun, lang of kort, verscheiden van gedaante en koleur, hier aan hangen de bladen, bloemen, vrugten, zaden enz.

Halmen zyn regt opstaande stammetjes, gemeenlyk hol, en regt, en gemeenlyk met eenige knoopige leedjes, en op het top een Aare, en werd gesegt van de soorten van Koorn, Gras, Riet, enz. Dit gedroogt zynde, noemt men Stroo; als mede dat van Boonen en Erwten; ’t gene na het afmaeyen van het koorn op het land in de grond blyft, noemt men Stoppelen. [6]

Wt Bladen zyn, is yder bekend, namelijk de groente die in de Lente uitschiet, en in de Winter van veele afvalt; en al is ’t dat sy des winters haar groente behouden, soo komen in de Lente egter daar weder nieuwe aan, en d’oude vallen soo nu en dan af. Dese bladen zyn doorweven met verscheidene aderen, die in de sappige blaasjes haar vogt brengen; maar de bladeren zyn niet alle groen, als voren gesegt is, maar ook geel, wit, rood, gemengelt, wollig, doornig, enz. de figuur is rond, spits, getand, gesnippelt, haaragtig, enz.

Men behoeft niemand te vragen wat een Bloem is, alsoo sulx de kinderen weten; synde het cieraad der gewassen; alhoewel alle gewassen die niet voortbrengen, als het Venus-hair, Wederdood, Eiken Varen enz. Dese zyn in maaksel, koleuren en reuk seer verscheiden van malkanderen. Sommige brengen te gelyk vrugten en bloemen voort, als de Orangien en Citroenen, en dat het geheele jaar door. Dese bloemen zyn gemeenlyk de voorlopers van de vrugten ofte saden. De bloemen hebben mede hare verscheidene deelen, als

De Knoppen, synde een Koker, in welke de aanstaande bloem met syn vrugtjes of zaadhuisjen onder aan in besloten is, als in de Angelieren, Rosen, Erwten, te sien is.

Binnen in de bloemen heeft men mede somtyds eenige Draadjes, geel, purper, rood, enz. van koleur, en mede van maaksel verscheiden, gelyk men bespeurt in de Rosen, voornamelyk enkelde, Paarde-bloemen, Tulpen, enz.

Boven op de puntjes der draadjes leggen menigmaals eenige dikke lighaamtjes, die men Noppen noemt, mede verscheiden van maaksel en verwe, dit siet men veel in de Tulpen en Lelien.

De Nagels ofte Endekens der bloemen zyn het [7] geel ofte witte, dat aan het eind van yder blad der bloeme is, met welke die op de bodem van de knop ofte koker vast is, dit siet men genoeg in de Rosen en Angelieren.

Kattekens hebben niet alle geboomten, maar den Abeel-boom, swarte Populier, Haselaar, Okker-noot, enz, hebben dit als vooraflooper van de egte bloem, zynde afhangende de langte van de kleinste vinger omtrent, of in sommige wat langer, waar van sommige in een donsagtige stoffe veranderen; maar alsoo de meeste bloemen in een vrugt veranderen, soo hebben egter dese dat niet, maar de vrugt komt op een heel andere plaatse voort, en de eigen bloemen zyn alleen eenige purpere ofte paarse veseltjes, waar na de Noten volgen.

Vrugten zyn verscheiden van gedaante, met weeke of met harde schillen, groot, als Appelen, Peren, klein, als besien van Vlier, Aalbesien; in ’t kort al dat gene dat of syn saad in sig besluit, of op syn buitenste omtrek draagt, als Aardbesien, Peoni-saad, enz.

De wortels sommiger kruiden zyn als Bollen, die men ook Klisters noemt, als met veele rokken omkleed, en aldus zyn de Leli-bollen, en die van Tulpen, Hiacinthen, Ajuin, Look, enz.

Bollen ofte Hoofden noemt men het opperste top van de Eul, Lelien, Tulpen, enz in welke het zaad besloten legt.

Hauwen ofte Peul-vrugten zyn langwerpige huisjes, in welke eenige zaden yder in syn eigen plaats besloten zyn, en aldus groeyen alle soorten van Erwten en Boonen.

Kroonen zyn d’opperste toppen van sommiger gewassen, welke als een Kroon sig vertoonen, na welker bloemtjes de saden volgen en dit siet men in [8] de Dil en Venkel. De bovenste top van de boomen werd mede een Kroon genaamt.

Stuifkens is eene wolagtige ligte veseligheid, die, na dat sommige bloemen in zaad veranderen, weg stuiven; sulks siet men in de Paardebloem genoegsaam. Dus verre van de gedeelten der Planten genoeg.

I. HOOFDSTUK                                

Van de gewassen in het algemeen en haar delen.

 

Alle gewassen van planten zijn bomen, heesters, kruidgewassen, mossen en kampernoelje of duivelsbrood.

Een boom is een gewas die geheel van hout is die zich van de wortel af met een stam verheft en in de hoogte vele takken verspreidt. Dit zijn wilde die in bosjes zonder teeltwijze voortkomen als bijvoorbeeld beuk, pijnboom, dennenboom, els, enz.  Of tamme die in de hoven gekweekt worden zoals appelboom, perenboom, amandelboom, walnotenboom, kersenboom enz. Onder de wilde zijn er die graag langs het water groeien als mispels, kwee, wilgen, enz. Bij de boomgewassen zijn de ene veel hoger  dan de andere want de pijnboom, eik, enz. groeien veel hoger dan een kwee of kersenboom. Ook zijn sommige het gehele jaar groen net zoals den enz. en andere alleen in de zomer. Het hout van de bomen scheelt ook veel in vastheid, zwaarte, reuk, kleur, enz. ook groeit de ene boom veel dikker dan de andere.

 

Na de bomen volgen de heesters die minder houtachtig zijn dan de bomen. Die spruiten met veel scheuten uit de aarde zoals aalbes, vlier, druif, enz. en krijgen net als de bomen ook vele takken en bladeren. Die kan men wel in vier soorten verdelen als hoge, middelsoort, kleine en allerkleinste. De hoge staan weer op zichzelf zoals de vlier, Gelderse roos of swelkenhout, laurier, enz. Of ze worden aan muren en bogen geleid en vast gemaakt als druif, kamperfoelie, klimop enz. Onder de middelsoort behoort de kleinere heester als roos, aalbes, kruisbes, framboos, bramen, bosbos, enz. Onder de kleine behoort de rozemarijn, salie, averone, enz. Onder de allerkleinste kan men rekenen tijm, heide, wilde thym of quendel die zeer laag bij de grond groeien.

 

 

 

Na de heesters volgen de kruidgewassen. Die groeien op het land of in en bij het water. Op het land houden sommige van droge of vochtig land, bosjes of open lucht, van tuinen of hoven, aan de weg of akkers. Die groeien hoog of laag en zijn van blad spits of rond, geveerd, harig, gezaagd of effen, stekelig of glad, wollig, groen, geel, rood of veelkleurig enz. De stam is rond, vierkantig, knobbelig of glad, groen, geel, purperachtig, gevlekt of veelkleurig, enz. De wortels zijn vezelig, dik, knobbelig, bolsterachtig, zwart, wit, geel, rood, purperkleurig, enz. Sommige wortels zijn eetbaar, andere zijn medicinaal en andere niet nuttig en houtig. Sommige dragen zaad door hun bloem, vruchten en bes. Andere dragen het zaad op hun bladeren als de Ceterach, Scolopendrium, Filix, enz. waarvan sommige meestal op bomen groeien waaronder de Polypodium is die van eik en wilg houdt.

 

De mossen zijn schimmelachtige uitwassen aan de bast van de bomen, dor hout, beenderen, steen, aarde, enz. Ze zijn ook verschillend in vorm en kleur en komen voort zonder planten of zaad.

Van hetzelfde zijn de paddenstoelen of kampernoeljes die ook aard- of boomachtig uitgroeien, die knobbelachtig zijn of op een stammetje met een overstelpt hoedje rusten. Die soorten zijn ook verschillend en worden ook niet door voortplanting of zaad voortgebracht.

 

De gewassen hebben we nu in het algemeen beschouwd en zo zullen we nu tot hun delen komen. Die bestaan uit wortels, stengels, scheuten, stam of blok, takken, schors, hout, strepen, hart, merg, steel, blad, bloem, knop, stuifmeel, helmknopjes, eindjes, katjes, vruchten, bollen, bolletjes, hauwen, schermen, zaadpluizen enz.

Alle gewassen hebben wortels, uitgezonderd de basterd gewassen als het warkruid of wrange aan tijm, marentakken aan de eik, linde, enz. mossen, kampernoeljes, enz.

Wortels zijn het onderste gedeelte van een gewas dat in de aarde is en door wiens bast het voedsel tot in de boom of het kruid opklimt waardoor alle delen hun leven en grootte krijgen.

De stam, struik, stam of blok is dan dat gedeelte dat van de wortel af recht omhoog opschiet en waaraan de takken, bladen, bloemen, vruchten, zaden, enz. groeien.

Scheuten zijn uitspruitsels van de wortels van de bomen of van de kruiden. Van de bomen noemt men het meestal waterloten en die nemen het voedsel van de boom weg, daarom snijdt men die gewoonlijk af tenzij men daar nieuwe boompjes van wil kweken, zo iets ziet men ook bij de heesters. Als de kruiden deze scheuten krijgen dienen ze tot stek om nieuwe planten te kweken zoals in de anjers, damastbloem, klokjes, enz.

 

Blok, stam, tronk, enz. is alles hetzelfde en is hetgeen dat recht naar boven uit de wortel schiet en uit die komen alle vertakkingen die de bomen, heesters, kruiden, enz. uitschieten zoals eik, linde, wijnruit, anjer, wolkruid, enz. Maar niet alle gewassen hebben een stam of blok zoals hondsdraf, weegbree, duizendknoop, enz.

Uit de stam schieten grote takken die men meestal armen noemt en waaruit kleinere en kleinere takken en takjes komen waaraan de knoppen, bladen, bloemen, vruchten, enz. groeien. Sommige van deze takken worden weer op andere geënt als van peren, appels, kersen, enz. sommige worden afgesneden en in de aarde gestoken en krijgen dan wortels en groeien tot een boom, heester, of kruidgewas.

De stam en de takken zijn allen met een schors of bast bekleed die alle niet alle van dezelfde kleur zijn of van dezelfde dikte, hierdoor krijgen de gewassen hun sappen en voedsel. Vele van de bomen hebben onder hun buitenste bast nog een bast daaronder zoals vlier, kersenboom, enz. en andere niet, voornamelijk vele kruiden, die verschillen ook van kleur en reuk.

Er is geen boom of heester of zijn wortel, stam en eenjarige takken zijn van hout, dat is hetgeen dat met de bast bedekt is, die is hard en splijtbaar, maar van de ene boom is die harder dan van de andere, ook is de kleur, reuk en smaak verschillend. Het naaste aan de bast is zachter dan het binnenste omdat die het laatste is aangegroeid want alle jaren krijgt de stam er een kring bij. Daarom hakt men liever hout om te bouwen in de herfst of in de winter dan daarvoor want in de winter is het buitenste hout begroeid en hard wat daarvoor nog niet zo is en is dan eerder aan verrotting en wormen onderhevig.

In het hout heeft men ook van boven naar beneden toe enige strepen die als een kam lopen, dat zijn verschillende soorten van pijpjes waarvan sommigen sap, andere hars, melkstoffen, olie, enz. naar boven dragen.

Het middelste van het hout noemt men het hart, maar als dat in het hout, heester of kruiden zacht en voos is wordt het merg genoemd zoals dat van vlier, druif, pimpernoten enz.

De steel is steeds de bladeren en de vruchten eigen en is hetgeen dat tussen de tak en het blad, vrucht of zaad staat, het is dun, lang of kort en verschillend van vorm en kleur. Hieraan hangen de bladen, bloemen, vruchten, zaden enz.

Halmen zijn recht opstaande steeltjes die gewoonlijk hol en recht zijn en gewoonlijk enige knopige leden hebben met op de top een aar. Dit wordt gezegd van de soorten van koren, gras, riet enz. Als dit gedroogd is wordt het stro genoemd alsmede dat van bonen en erwten. Hetgeen dat na het afmaaien van het koren op het land in de grond blijft noemt men stoppelen.

Wat bladen zijn is iedereen bekend, namelijk het groene dat in de lente uitschiet en in de winter bij vele afvalt en al is het zo dat sommige in de winter hun groenheid behouden, dan komen in de lente daar echter weer nieuwe aan en de oude vallen zo nu en dan af. Deze bladen zijn doorweven met verschillende aderen die in de sappige blaasjes hun vocht brengen. Maar de bladeren zijn niet allen groen, zoals tevoren gezegd is, maar ook geel, wit, rood en gemengd, wollig of doornig, enz. De vorm is rond, spits, getand, geveerd, haarachtig, enz.

Men hoeft niemand te vragen wat een bloem is, dat weten de kinderen al wel. Het is het sieraad van de gewassen, hoewel niet alle gewassen die voortbrengen zoals het Venushaar, wederdood, eikvaren, enz. Deze zijn in vorm, kleur en reuk zeer verschillend van elkaar. Sommige brengen tegelijk vruchten en bloemen voort zoals de sinaasappel en citroenen en dat het gehele jaar door. Deze bloemen zijn gewoonlijk de voorlopers van de vruchten of zaden. De bloemen hebben ook hun verschillende delen als;

De knoppen, die zijn als een koker waarin de aanstaande bloem met zijn vruchtjes of zaadhuisjes onderaan in opgesloten is zoals in de anjers, rozen en erwten te zien is.

Binnen in de bloem heeft men ook soms enige stuifmeeldraadjes die geel, purper, rood, enz. van kleur zijn en ook verschillen ze van vorm zoals men ziet in de rozen en voornamelijk in de enkele, paardebloemen, tulpen, enz.

Boven op de puntjes van de stuifmeeldraadjes liggen vaak enige dikke lichaampjes die men helmknoppen noemt die ook verschillen van vorm en kleur, dit ziet men veel in de tulpen en lelies.

Het vruchtbeginsel of stamper van de bloemen zijn het gele of het witte dat aan het eind van elk blad van de bloem is en waarmee die op de bodem van de knop of koker vast zit, dit ziet men genoeg in de rozen en anjers.

Katjes hebben niet alle bomen, maar abeel, zwarte populier, hazelaar, okkernoot, enz. hebben dit als voorloper van de echte bloem. Ze hangen en hebben ongeveer de lengte van de kleinste vinger en in sommige wat langer waarvan sommige in een donsachtige stof veranderen, maar zoals de meeste bloemen in een vrucht veranderen hebben zij dit echter niet, de vrucht komt op een heel andere plaats voort. De eigelijke bloemen zijn alleen enige purperen of paarse draadjes waarna de noten volgen.

Vruchten zijn verschillend van vorm en met weke of met harde schillen, groot als appelen en peren en klein als de bes van vlier en aalbes. In het kort, al datgene dat zijn zaad in zich of op zijn buitenste omtrek draagt zoals aardbei, pioenzaad, enz.

De wortels van sommige kruiden zijn als bollen die men ook klisters noemt en met vele rokken bekleed zijn, zo zijn de leliebollen en die van tulpen, hyacinthen, uien, look, enz.

Bollen of hoofden noemt men de bovenste top van de ui, lelies, tulpen, enz, waarin het zaad besloten ligt.

Hauwen of peulvruchten zijn langwerpige huisjes waarin enige zaden zitten die elk op hun eigen plaats opgesloten zijn, zo groeien alle soorten van erwten en bonen.

Schermen zijn de opperste toppen van sommige gewassen die zich als een scherm vertonen waar na de bloempjes de zaden volgen, dit ziet men in de dille en venkel. De bovenste top van de bomen wordt ook een kroon genoemd.

Zaadpluizen zijn een wolachtige, lichte vezeligheid die nadat sommige bloemen in zaad veranderen weg stuiven en zoiets ziet men in de paardebloem goed.

Tot zover is van dit gedeelte van de planten genoeg.  

 

 

II. HOOFD-STUK

Abies ofte witte Denneboom, ook Mast-boom genaamt.

Den Abies ofte Witte Denneboom, en Mast-boom gesegt, is tweederlei, namelyk Mannetjen en Wyfjen, zynde de eerste soo gemeen niet dan de tweede, werden ook beide Witte Denneboom genaamt, tot onderscheid van de Roode- ofte Pekboom.

Het Manneken dan wast regt overeind, vry hoog, met een regte stam, welker takken boven zyn, die vol van een hairagtige groente, kams-gewys, in plaats van bladeren begroeit zyn, maar zyn vry scherper als die van het Wyfjen; de takken groeyen kruis-gewys over malkanderen. De vrugten bestaan uit verscheidenen op een sluitende schilfers, die niet regt neder hangen, maar opwaarts staan. Het hout is mede vry harder als dat van het Wyfjen, en by gevolg bewerkbaarder

D’andere is nu veel gemeender, wast mede regt op en hoog, sonder dat de stam knoestig of knobbelig is, behalve boven, is byna onder en boven even dik. De takken staan mede kruis-gewys over malkanderen, komende uit een lid voort. Uit dese takken spruiten wederom kleinder twee en twee over [9] malkanderen staande, en meest nederwaarts hellende, daar de groote sig meest opwaarts beuren. De takken en takjes zyn, in plaats van bladen met eenige ruikende en gomagtige hairagtige groente beset, langwerpig en rond, zynde aan het eind scherp, in ’t begin geel-groen, maar daar na duister-groen, welke, de nieuwe scheuten ofte takjes komende, allenxkens van de dikke takken afvallen. De vrugten hangen aan d’uiterste topjes nederwaarts, zyn schelferig, bruin van koleur, somtyds, als sy ryp zyn, een halve ofte een drievierde van een spanne lang. Tusschen dese schelfers is het zaad verborgen. Sy blyven lange aan de boom, maar vallen tegens den winters af, dog de boomen zyn des winters en des somers altyd even groen. Het hout is wit, dog sagter als van het Manneken.

De kenteiken van de Denne-boom, voor soo veel die de Pik-boom aangaat, syn sonderlinge bladen, die de takken rontom omcingelen, niet komende uit de zyden alleen, maar ook uit haar onderste en bovenste deel groeyende, kort, en smal. De boom wast zeer hoog.

Sy wassen in Noorwegen, Bohemen, Duitsland, ook in Italien en Vrankryk niet alleen, maar selfs in Nederland komen sy somtyds weelderig voort, want buiten de Stad Breda heeft men daar van een schoon bosch, gemeenlyk het Mast-bosch genaamt, en selfs werden daar de Hoven mede verciert.

 

Uit de schorsen van dese jonge boomen druipt een soort van Terpentyn ofte olieagtigen harst, welke somtyds aan dit gewas komt te droogen. De dunne noemen sy dikmaals Veneetsen Terpentyn. De selvige is dienstig in alle wonden, daar warm ingedrupt, ofte onder eenige wond-salven vermengt, want het suivert en geneest, en beschut, door syn kleefagtigheid, [10] de logt van de openingen; daarom is sy dienstig om alle sweringen te suiveren, en de drooge noodig om de Etter-builen ofte Puisten te rypen.

Sy werd mede innerlyk gebruikt om de pis af te dryven, tot pillen gemaakt, ofte in gedaante van een conserf met het merg van de Pyp-cassie; het suivert dan niet alleen de iunerlyke sweringen in de Long, Lever, ofte andere ingewanden, maar suivert en geneest de quaadaardige Druiperts, die na een vuile byslaap bekomen zyn.

Hier uit werd met water een dunne olie overgehaalt, van welke men vyf ofte ses droppelen inneemt, om wel te doen wateren; is ook nut ingenomen voor die sig met vallen als andersins beledigt heeft; en soo eenige uiterlyke ledematen, als armen, beenen, en andere vleesige deelen pynelyk zyn, ofte verstuikt en verwrongen, soo behoeft men maar met dese olie te stryken. Wanneer de handen ofte voeten door de koude des winters geswollen zyn, bestrykt men die met dese olie, en men houd die soo na by het vuur als men verdragen kan, dat men eenige reisen herdoet, en het geswel gaat over. Van den Terpentyn selfs gekookt met roode Bolus tot een pleister, en dese geswollen deelen daar mede bedekt, verhoed die van niet open te gaan, en beschut die voor de koude. Dese Terpentyn dient mede in buik-pynen, en buik-loop, met het doir van eijeren en soete-melk geroert, en de de darmen warm gespeut.

Van dese olie werd met bloem van swavel den Terpentyn-balsem gemaakt, dienende tot alle de voornoemde gebreken, voornamelyk innerlyk ingenomen. By dese olie den olie van Koper-rood gedropen, vliegt aan brand soo die goed is, en daar water dan bygedaan, krygt den reuk en smaak van Limoen-sap. [11] Met den olie doet men de smeerige en pikkige ofte teerige vlekken uit, wanneer men de vlekken daar mede bevogtigd en te degen vryft. Van het hout maakt men Planken, Balken, en Masten tot Schepen, want om hare harstigheid, konnen sy tegen ’t Water; daarom heid men die in de grond om Toorns, Kerken en Huisen op te bouwen, alsoo sy in de grond duisenden van Jaren konnen goed blyven, het welke binnen Amsterdam seer gebruikelyk is.

Sy kan van saad gesait werden, sy groeyen gaarn op een logtige, holle, goede Veen-grond, in tweejarige Paarde-mest, een jarige Koye-mest en grof sand onder een geroert. Sy werden ook van de jonge loten, op een schaduwagte plaats en diep in de grond gestoken, mede voortgeteelt.

II. HOOFDSTUK.

 

Abies of witte dennenboom wordt ook mastboom genoemd.

Abies of witte dennenboom wordt ook wel mastboom genoemd. Daar zijn twee soorten van, namelijk een mannetje en vrouwtje waarbij de eerste niet zo algemeen is dan de tweede. Ze worden ook beide witte dennenboom genoemd tot onderscheid van de rode- of pekboom (Pinus sylvestris)

Het mannetje (Picea abies) groeit recht omhoog en vrij hoog met een rechte stam waarvan de takken bovenaan staan. Die zijn vol van een harig groen gewas wat kamvormig geplaatst en in plaats van bladeren begroeid zijn, maar ze zijn behoorlijk wat scherper als die van het wijfje. (Abies alba) De takken groeien kruisvormig over elkaar. De vruchten bestaan uit verschillende opeen sluitende schubben die niet recht naar beneden hangen, maar omhoog staan. Het hout is ook behoorlijk wat harder dan dat van het wijfje en daardoor beter bewerkbaar.

De andere nu is veel algemener en groeit ook recht op en hoog zonder dat de stam knoestig of knobbelig is, behalve boven en is bijna onder en boven even dik. De takken staan ook kruisvormig over elkaar en komen uit een lid voort. Uit deze takken spruiten weer kleinere die twee en twee tegenover elkaar staan en meestal naar beneden hangen omdat de grote zich meestal omhoog steken. De takken en takjes zijn in plaats van met bladen met enige ruikende en gomachtige, harige groenheid bezet die langwerpig en rond zijn en aan het eind scherp, in het begin zijn ze geelgroen, maar daarna donkerder groen en als de nieuwe scheuten of takjes komen geleidelijk aan van de dikke takken afvallen. De vruchten hangen aan de uiterste topjes naar beneden en zijn schubachtig, bruin van kleur en soms als ze rijp zijn een zeven tot twaalf cm. lang. Tussen deze schubben is het zaad verborgen. Ze blijven lang aan de boom, maar vallen tegen de winter af. De bomen zijn in de winter en de zomer altijd even groen. Het hout is wit, maar zachter dan van het mannetje.

De kentekenen van de dennenboom voor zover die de pekboom aangaat (Pinus sylvestris) zijn de bijzondere bladen die de takken rondom omsingelen en die niet alleen uit de zijde komen, maar ook groeien ze uit haar onderste en bovenste deel en zijn kort en smal. De boom groeit zeer hoog.

Ze groeien in Noorwegen, Bohemen, Duitsland en niet alleen in Italië en Frankrijk, maar zelfs in Nederland komen ze soms weelderig voort want buiten de stad Breda heeft men daar van een mooi bos die gewoonlijk het mastbos genoemd wordt, zelfs worden daar de hoven mee versierd.

Uit de schors van de jonge bomen druipt een soort van terpentijn of olieachtige hars die soms aan dit gewas op kan drogen. De dunne noemt men vaak Veneetse Terpentijn. Die is nuttig in alle wonden als het daar warm ingedruppeld of onder enige wondzalven vermengd wordt, want het zuivert, geneest en beschut door zijn kleverigheid de lucht van de openingen. Daarom is het goed om alle zweren te zuiveren, de droogte is nodig om de etterbuilen of puisten te rijpen.

Het wordt ook innerlijk gebruikt om de plas af te drijven. Als het tot pillen gemaakt wordt of in de vorm van een konserf met het merg van de pijpcassia dan zuivert het niet alleen de innerlijke zweren in de long, lever of andere ingewanden, maar zuivert en geneest de kwaadaardige druipers die na een vuile bijslaap gekomen zijn.

Hieruit wordt met water een dunne olie overgehaald waarvan men vijf of zes druppels inneemt om goed te kunnen plassen. Het is ook nuttig ingenomen door diegene die door vallen of anderszins zich beschadigd heeft en waar zo enige uiterlijke ledematen als armen, benen en andere vlezige delen zeer doen of verstuikt en verwrongen zijn, dan hoeft men maar met deze olie te strijken. Wanneer de handen of voeten door de koude van de winter gezwollen zijn bestrijkt men die met deze olie en men houdt die zo dicht bij het vuur als men verdragen kan, dat herhaalt men enige malen en het gezwel gaat over. Als de terpentijn gekookt wordt met rode bolus tot een pleister en als men daarmee de gezwollen delen bedekt voorkomt men dat die niet open gaan en beschut die tegen de koude. De terpentijn dient mede in buikpijnen en buikloop als het met de dooier van een ei en zoete melk geroerd en warm in de darmen gespoten wordt.

Van deze olie wordt met bloem van zwavel terpentijnbalsem gemaakt die tegen alle voornoemde gebreken dient en voornamelijk innerlijk wordt ingenomen. Bij deze olie wordt de olie van koperrood gedruppeld die in brand vliegt als die goed is en als men daar water bij doet krijgt het de reuk en smaak van limoensap.

Met de olie doet men de smerige en pek- of teervlekken er uit als men de vlekken daarmee bevochtigt en zeer goed wrijft. Van het hout maakt men planken, balken en masten voor schepen want vanwege hun harsigheid kunnen ze tegen het water en daarom heit men die in de grond om torens, kerken en huizen op te bouwen omdat ze in de grond duizenden jaren goed kunnen blijven, iets wat in Amsterdam zeer gebruikelijk is.

Ze kunnen van zaad gezaaid worden en groeien graag op een luchtige, losse en goede veengrond in tweejarige paardenmest, eenjarige koeienmest en grof zand dat door elkaar gemengd is. Ze worden ook van jonge scheuten die op een schaduwachtige plaats diep in de grond gestoken worden mede verder gekweekt.

 

III. HOOFD-STUK

Abrotonum, Averoone en Averuit genaamt.

Daar zyn verscheiden soorten van Averoone ofte Averuit, als Groote, ofte manneken, kleine, ofte wyfken, en kleine die wel riekend is. Dese dry syn soorten van Heesters. De Groote wast dikmaal een mans hoogte, zynde de Stam dikmaals dikker dan de middelste vinger; hebbende veele dunnen takjes met fyne gesneden blaadjes, sterk en aangenaam van reuk, witagtig groen ofte Asch-koleurig, dese vallen tegens den winter af, en schieten tegens de somer wederom uit. Van ’t midden der takjes tot boven toe heeft het kleine draadagtige geele knopjes ofte bloemtjes, welke daar na haar saad-knopjes voortbrengen, de wortel bestaat uit vele veseltjes.

De tweede zynde de kleine ofte wyfken, wast zoo hoog [12] niet, hebbende mede houtagtige dunne stammetjes, die uit de grond naa om hoog uitschieten; hier uit wassen de blaadjes dog fynder gesnippelt, langer, groender van koleur en sterker van reuk dan de groote, brengt alhier selden bloemtjes of knopjes voort. De wortel is veselagtig, die sig langs d’Aarde verre uit verbreid, uit welke weder nieuwe scheutjes voortkomen.

De derde, synde de tweede kleine, is nog wat kleinder en lager op de grond, de blaadjes syn van onderen tot boven toe heel fyn gesnippelt, schraal groen ofte niet gansch sterk groen, hebbende een liefelyke en aangename reuk, van ’t midden syner houtagtige takjes tot de top toe, komen seer veel kleine, geele, blinkende en knopagtige bloemtjes, die daar na seer veel zaads geven. De wortel is mede veselagtig.

De teikenen van het mannetjes averuit is besien ofte knopjes dragende, de struik heesteragtig en houtagtig, de bloemen syn blood, in de struik niet eindigende, maar uit de zyden gaande, werden gelyk als aaren, de bladen syn grysagtig en fyn gesnippelt. De wyfjes hebben een heesteragtige oppervlakte, ’s winters overblyvende, riekende bladen, yder bloemtjen in zyn takjen eindigende.

Dese gewassen werden alhier meest in de kruidtuinen gevonden in een opene wel ter sonne staande plaatsen. Sy werden van saad geteelt, maar rasser van jonge takjes die men in het voor en najaar in de Aarde steekt; ook geven de wortelen wederom nieuwe scheuten, soo dat sy haar selven genoegsaam voort planten. Sy groeyen bequamelyk in goed sand en tweejarige paarde-mest. Sy bloeyen gemeenlyk in Oogst-maand en Herfst-maand, waarna het zaad ryp komt te werden. Daar syn nog verscheidene andere vreemde soorten, maar ons oogmerk [13] is niet die te beschryven, maar alleenlyk, welke hier te Lande wassen en haar gebruik hebben, sparende het overige tot een tweede Deel

Dese beschrevene dry soorten syn, om dat sy sterk rieken, verwarmende, en fyn van deelen. Geneesmiddelen gemaakt van de bloemen, saad en blaadjes dient in veele gelegentheden van de borst en maag; dryft de stonde vloed, doet wel wateren, verdryft de krampen en trekkingen, verdunt de verkoude en slymige vogten. Dood de wormen en jaagt de koorsen weg. Dryft de vrugt en nageboorte af, als mede de opgeschorte Kraam-vloed. Hier van kan men een kooksels maken, Conserven, Tinturen; men set se op wyn of meede, waar van men somwylen een romertje vol kan drinken.

Dese Averoone heeft mede hare uiterlyk gebruik, wanneer men die met andere kruiden tot een pap maakt, en op eenige geswellen legt, voornamelyk die uit slym ontstaan, soo verdryft het de selvige; of soo die geneigt syn te veretteren, komen die te veretteren. Soo men het sap ofte kooksel met honig kookt tot de dikte van een Syroop, is het in de sweet-gaten suiverende.

III. HOOFDSTUK.

Abrotonum die averone en averuit genoemd wordt.

(Artemisia campestris, kleine is Artemisia abrotanum en  Santolina chamaecyparissus)

Er zijn verschillende soorten van averone of averuit zoals de grote of het mannetje en de kleine of het wijfje en een kleine die zeer geurt. Deze drie zijn heestersoorten. De grote groeit vaak tot een mans hoogte, de stam is vaak dikker dan de middelste vinger en heeft vele dunne takjes met fijn gesneden blaadjes die sterk en aangenaam van geur zijn, witachtig groen of askleurig. Ze vallen tegen de winter af en schieten tegen de zomer weer uit. Van het midden van de takjes tot bovenaan toe heeft het kleine, draadachtige gele knopjes of bloempjes die daarna hun zaadknopjes voortbrengen. De wortel bestaat uit vele worteltjes.

De tweede, de kleine of het wijfje, groeit niet zo hoog en heeft ook houtachtige, dunne stengeltjes die uit de grond naar omhoog uitschieten. Hieruit groeien de blaadjes, maar die zijn fijner verdeeld, langer en groener van kleur en met een sterkere geur dan de grote, maar brengt hier zelden bloempjes of knopjes voort. De vezelachtig wortel breidt zich langs de aarde ver uit waaruit weer nieuwe scheutjes komen.

De derde, de tweede kleine, is nog wat kleiner en ligt lager op de grond. De blaadjes zijn van onderen tot boven toe heel fijn geveerd en licht groen of niet geheel groen, het heeft een lieflijke en aangename geur. Van het midden van zijn houtachtige takjes tot de top toe komen zeer veel kleine gele, blinkende en knopachtige bloempjes die daarna zeer veel zaad geven. De wortel heeft ook vele worteltjes.

De tekenen van het mannetje averuit is dat het besjes of knopjes draagt, de struik heesterachtig en houtachtig is, de bloemen kaal zijn en niet eindigen in de struik, maar ze komen aan de kant uit en lijken op aren, de bladen zijn grijsachtig en fijn geveerd. De wijfjes hebben een heesterachtige oppervlakte en blijven in de winter over, geurende bladen en elk bloempje eindigt in zijn takje.

Deze gewassen worden hier meestal in de kruidtuinen gevonden in open en goed in de zon staande plaatsen. Ze worden van zaad geteeld, maar sneller van jonge takjes die men in het voor- en najaar in de aarde steekt, ook geven de wortels weer nieuwe scheuten zodat ze zichzelf zeer goed voortplanten. Ze groeien goed in goede zandgrond en tweejarige paardenmest. Ze bloeien gewoonlijk in augustus en september waarna het zaad rijp wordt. Er zijn nog verschillende andere vreemde soorten, maar ons oogmerk is niet om die te beschrijven maar alleen die hier te lande groeien en hun gebruik hebben en sparen de overige voor een tweede deel.

Deze beschreven drie soorten zijn omdat ze sterk geuren verwarmend en fijn van delen. Geneesmiddelen die gemaakt zijn van de bloemen, zaad en blaadjes dienen in vele gelegenheden van de borst en maag, drijven de stondenvloed af, laten goed plassen en verdrijven de krampen en trekkingen, verdunnen de verkouden en slijmachtige vochten. Doodt de wormen en jaagt de koortsen weg. Drijft de vrucht en nageboorte af als mede de opgeschorte kraamvloed. Hiervan kan men kooksels maken, conserven en tincturen. Men zet ze op wijn of mede waarvan men soms een roemertje vol van kan drinken.

Averone heeft ook zijn uiterlijk gebruik wanneer men die met andere kruiden tot een pap maakt en op enige gezwellen legt, voornamelijk die uit slijm ontstaan zijn, dan verdrijft het die of als die geneigd zijn te veretteren komen ze te veretteren. Als men het sap of kooksel met honing kookt tot de dikte van een siroop zuivert het de zweergaten.

 

 

IV. HOOFD-STUK

Absinthium vulgare ofte gemeenen Alsem.

Al ist dat’er verscheide soorten van Alsem syn, meinen wy alleenig maar de dry gebruikelykste, alhier bekendste te beschryven, en voor eerst van den gemeenen Alsem. Dese wast regt over einde, met veele syd schootjes en takjes, meer dan een halve mans hoogte somtyds; de Stam, als de zelvige bloeyd, werd stokkig ofte houtagtig. Van [14] onderen tot boven toe heeft men bladeren en blaadjes vry breed, dog gesnippelt, welke in ’t eerst groen zyn maar werden allenxkens witter, voornamelyk van onderen; hebbende een soetagtig bitter, dat is, het welke niet wreed is, gelyk dat van de gesegende distel. Aan de bovenste takjes komen de veselagtige kleine knopjes ofte bloemtjes geel van coleur, waarna het Saad volgt, sterk van reuk, dat sig selven said. De wortel is veselagtig, sig tamelyk wyd verspreidende. Het kruid met de wortel blyven in de winter gemakkelyk over, en werd van planten gereeds in de Lente of Herfst voort gepoot.

Den Alsem is een knop-dragende plant, welkers bloemtjes naakt syn, de struik onbepaalt wassende, met gryse bladen, en groote bitterheid.

Sy wast veel op dorre, onbeploegde en Heiagtige plaatsen in ’t stigt Uitregt en Zeeland, buiten Haarlem en Naarden. Sy staan gaarn in een vrye logt, wel ter Sonne staande. In de Hoven geplant koomt sy weelderiger voort, dan in ’t wilde, want sy dan vetter bladeren krygt. Sy bloeyd in de Hoy-maand en Oogst-maand, een geeft veel Saads.

Sy is redelyk verwarmende en doordringende, want de reuk deeltjes van Alsem is den dienstig tot verscheide innerlyke gebreken, voornamelyk die uit te veel slym ontstaan; en daarom gebruikt men die veel in koude en slymige magen, en in luiden die te weinige en te dikker gal hebben; dat is voor luiden, welke van te veel gal klagen, en egter te weinig gal hebben, siet hier van in myn Institutie. De selvige maakt ook eenigsins den buik week, en daarom dienstig voor hard-lyvige. Alsoo dit kruid door syn bitterheid de deeltjes des bloeds op een gants andere wyse verstelt en verplaats, is deselvige ten hoogstens nut in alle gaande en komende koorsen, die door dit kruid, als mede door de gesegende [15] distel, duisend gulden-kruid, slangen-hout enz, sekerlyk werden genesen. Sy helpt mede die geene welke geduirig genegen syn tot braken; het dood mede alle wormen, somwylen ingenomen.

Den Alsem werd om van binnen te gebruiken op verscheide wysen toe bereid. Men kan dan deselvige groen of gedroogt, op de wyse der Kruid-bereiders, alleen ofte met andere kruiden koken, door gieten, en de sieken tot de vorige gebreken laten gebruiken. Ik agt het wel soo goed en voor al der best van alle de bereidselen dat men die trekt gelyk de Thee, en des ogtens nugteren drinke. In den Apotheek maakt men daar een Conserf af van en deel der groene bladeren, en dry deelen suiker; als mede een Syroop, maar alsoo dit beide suiker-bereidselen syn, die somwylen meer nadeel dan voordeel by brengen, myde ik die soo veel het mogelyk is. Daar werd mede een sap uit geperst, ’t welke men in een water-bad sagjes kan laten uit-dampen tot de dikte dat men daar pilletjes van kan laten maken, waar van men dagelyks een ofte meer, tot de voorgeschreven gebreken des ogtens nutteren kan gebruiken, drinkende daar dan heete Coffeee ofte Thee op, om des te beter te doen smelten. Nog maakt men daar een Tinctuur van ofte Extract, wanneer men daar een fles mede vult, en men daar goede Brandewyn op doet, het welke na eenige dagen gestaan te hebben, men afgiet. Dese Tinctuur kan men des ogtens tot tot een lepel vol innemen. Ook kan men in een roemer goede Wyn soo veel van dese Tinctuur doen, tot men oordeelt bitter genoeg te syn, en dan heeft men Alsem Wyn. Ook kan men een pond of anderhalf gedroogde Alsem op een Anker Wyn doen, soo behoeft men de Extract niet. Wanneer men deselvige groen heeft kan men eenige blaadjes in een mortier stooten met een [16] weinig Wyns, soo heeft men een Alsem Wyn voor de vuist. Van de Tinctuur ofte Extract kan men een goede Maag Elixer maken, anneer men by een half pint doet Aloë, Myrrhe en Saffraan, van elx een lood, het welke men op een warme plaatse laat staan, om uit te trekken, waar van men het klare afgiet, en somwylen des ogtens, middags ofte ’s avonds tot twintig ofte dertig droppelen in neemt. En distilleert daar mede een Water af, dog van weinig nuttigheid, alsoo het bitter, op de gemeene wyse gedistilleert, niet over gaat. Hier van kan men kooksels maken, om van onderen in de darmen te schieten, tegens allerlei soort van wormen in de dikke darmen, en sweeringen in deselvige, als mede tegens de hardlyvigheid.

Van den Alsem werd tweederlei sout gemaakt; Het eerst noemen sy Essentieel, ofte wesentlyk sout, dit maakt men uit het uitgedrukte sap, ofte doorgewrongen kooksel, het welke van syn grond sop en dikke drabbigheid gesuivert synde, langsaam gekookt werd, tot daar een vlies op komt, ’t welk men dan in een koele drooge kelder te Crystallizeren set. Het tweede is een vast sout ofte safixum, dit verkrygt men, wanneer men de drooge Alsem tot witte Assche verbrand, op welke Assche men heeft regen-Water giet, ’t welke gesonken synde, laat men dese loog door een ongelymt papier loopen; het door geloopene werd dan in een nieuwe verglaasde panne uitgedampt, tot het droog is, soo heeft men een bruin sout, het welke men, met wederom in ’t vuur te gloeyen, met Water tot een loog te maken, door papier te laten loopen, en uit te dampen tot een witter sout kan brengen, dog is veel kragtelooser. Daarom houde ik meerder van het bruine. Dese beide souten mag men tot tien grein en meerder innemen. En matigt niet alleenig [17] het suur, maar by eenige sweet-middelen gemengt, doet sweeten in alle gelegentheden daar het sweeten noodig is.

Den Alsem heeft mede syn uiterlyke gebruiken, als in Pappen, wanneer men daar by doet de Water-look enz. soo plaats men die op het Heet en koud-vuur, om het doode van het levendige te scheiden. Gekookt met Vygen, kaasjes bladen, Wollekruid enz. doet het de geswellen rypen, en verhoed alle bedervinge. Het sap ofte kooksel in eenige sweeringen gedaan of in pyp-sweeren gespeut, suivert deselvige.

Door weikinge maakt men daar een olie uit; wanneer men in dry pond onrype olie van Oliven, een half pond groene klein gekneusde Alsem met haar topjes doet, en men laat die veertien dagen of dry weken in de Sonne of op een andere warme plaatse staan; die men dan doorgiet en uitperst en daar weder tot dry ofte vier reisen nieuwen Alsem op set, en weder doorvringt, en by dese doorgevrongene olie een pinte saps doet, en in het Waterbad, om niet te branden, sagjes uitdampt, en weder doorgiet, soo bekoomt men een goede olie. Warm op de maag gestreken, stilt het braken en walgen. Men bestrykt de buik der Kinderen daar mede als sy met wormen gequollen syn

Wanneer men een goede menigte van desen Alsem met Water overhaalt, bekoomt men een duistere groene olie, die seer doordringend is, welke by de vorige, met eenige droppelen gemengt, die des te sterker aanset, en doordringelyker maakt.

Den Alsem werd mede gedaan onder de Kruiden, welke men gebruikt om de doode lighamen van binnen te balsemen; alsoo deselvige sterk opdroogt, en door syn bitterheid de bedervinge afweert.

IV. HOOFDSTUK.

 

Absinthium vulgare of gewone alsem. (Artemisia absinthium)

Al is het dat er verschillende soorten van alsem zijn willen wij alleen maar de drie gebruikelijkste en de hier bekendste beschrijven en als eerste van de gewone alsem. Die groeit recht overeind met vele zijscheutjes en takjes soms tot meer dan een halve mans hoogte. De stam wordt als de plant bloeit stokkerig of houtachtig. Van onderen tot boven toe heeft het bladeren en blaadjes die vrij breed zijn, maar geveerd en eerst groen en geleidelijk aan witter worden, voornamelijk van onderen. Het heeft een zoetachtige bitterheid, dat betekent dat het niet wreed is net zoals dat van de gezegende distel. Aan de bovenste takjes komen de vezelachtige kleine knopjes of bloempjes die geel van kleur zijn waarna het zaad volgt dat sterk van reuk is en zichzelf zaait. De wortel is vezelachtig die zich tamelijk wijd verspreidt. Het kruid met de wortel blijft in de winter gemakkelijk over en wordt van planten al in de lente of herfst geplant.

Alsem is een knopdragende plant wiens bloempjes naakt zijn, de struik groeit tot onbepaalde hoogte met grijze bladen en grote bitterheid.

Ze groeit veel op dorre, ongeploegde en heideachtige plaatsen in het sticht Utrecht en Zeeland, buiten Haarlem en Naarden. Ze staan graag in een vrije lucht, wel in de zon. Als het in de hoven geplant wordt wordt het weelderiger dan in het wild en krijgt dan vettere bladeren. Ze bloeit in juli en augustus en geeft veel zaad.

Ze is redelijk verwarmend en doordringend want de reukdeeltjes van alsem zijn goed tegen verschillende innerlijke gebreken en voornamelijk die uit te veel slijm zijn ontstaan daarom gebruikt men die veel in koude en slijmerige magen en bij lieden die te weinig en te dikke gal hebben, dat is voor lieden die over te veel gal klagen maar echter te weinig gal hebben, zie hiervan in mijn ‘Institutie’. Dit maakt ook de buik wat week en is daarom nuttig voor diegene die moeilijk ter toilet gaan. Omdat dit kruid door zijn bitterheid de deeltjes van het bloed op een geheel andere wijze verstelt en verplaatst is dit zeer nuttig in alle gaande en komende malariakoortsen die door dit kruid als mede door de gezegende distel, duizend guldenkruid, slangenhout enz. zeker worden genezen. Ze helpt ook diegene die steeds tot braken komen, het doodt ook alle wormen als het soms ingenomen wordt.

Alsem wordt om van binnen te gebruiken op verschillende manieren klaar gemaakt. Men kan dan dit groen of gedroogd op de wijze van de kruidbereiders of alleen of met andere kruiden koken, doorgieten en de zieke tegen de vorige gebreken laten gebruiken. Ik acht het wel zo goed en vooral de beste van alle toebereidingen dat men die net als de thee trekt en ‘s ochtends nuchter drinkt. In de apotheek maakt men een konserf van een deel van de groene bladeren en drie delen suiker,als mede een siroop, maar hoewel dit beide suikermaaksels zijn geven die soms meer nadeel dan voordeel en daarom vermijd ik die zoveel als het mogelijk is. Er wordt ook een sap uit geperst wat men in een waterbad zachtjes kan laten uitdampen tot die dikte dat men daar pilletjes van kan laten maken waarvan men dagelijks een of meer tegen de voorgeschreven gebreken ‘s ochtends nuchter kan gebruiken, drink daar dan hete koffie of thee op om het des te beter te laten smelten. Ook maakt men daar een tinctuur van of extract als men er een fles mee vult en er goede brandewijn op doet en dat, nadat het enige dagen gestaan heeft, afgiet. Deze tinctuur kan men ’s ochtends tot een lepel vol innemen. Ook kan men in een roemer goede wijn zoveel van deze tinctuur doen tot men oordeelt dat het bitter genoeg is, dan heeft men alsemwijn. Ook kan men een of anderhalf pond gedroogde alsem op een anker wijn doen, dan heeft men het extract niet nodig. Wanneer men het kruid groen heeft kan men enige blaadjes in een mortier stampen met wat wijn en zo heeft men een alsemwijn voor de vuist weg. Van de tinctuur of extract kan men een goede maagelixer maken wanneer men er een half pint Aloë, mirre en saffraan doet, van elk een lood, wat men op een warme plaats laat staan om uit te trekken en waarvan men het heldere afgiet en soms ’s ochtends, ‘s middags of ’s avonds tot twintig of dertig druppels inneemt. En men distilleert daarmee een water, maar die weinig waard is omdat het bitter dat op de gewone wijze gedistilleerd is er niet in over gaat. Hiervan kan men kooksels maken om van onderen in de darmen te schieten tegen allerlei soort van wormen in de dikke darmen en zweren die daarin zijn als mede tegen het moeilijk ter toilet gaan

Van de alsem worden twee soorten zouten gemaakt. De eerste noemt men essentieel of wezenlijk zout, dit maakt men uit het uitgedrukte sap of uit het doorgewrongen kooksel wat van zijn grondsop en dikke drabbigheid gezuiverd is en langzaam gekookt wordt totdat er een vlies op komt wat men dan in een koele, droge kelder te kristalleren zet. Het tweede is een vast zout of safixum, dit krijgt men wanneer men de droge alsem tot witte as verbrand en regenwater op die as giet, als het dan gezonken is laat men die loog door een ongelijmd papier lopen, het doorgelopene wordt dan in een nieuwe verglaasde pan uitgedampt tot het droog is, dan heeft men een bruin zout. Dat kan men door het weer in het vuur te laten gloeien met water tot een loog maken, door papier te laten lopen en uit te dampen tot een witter zout brengen, maar dat is veel minder krachtig. Daarom hou ik meer van het bruine. Deze beide zouten mag men tot tien grein en meer innemen. Het matigt niet alleen het zuur, maar als het met enige zweetmiddelen gemengd wordt laat het zweten in alle gelegenheden waar het zweten nodig is.

Alsem heeft ook zijn uiterlijk gebruik zoals in pappen. Wanneer men daarbij waterlook enz. doet die men zo op heet- en koudvuur doet om het dode van het levende te scheiden. Gekookt met vijgen, kaasjesbladen, wolkruid enz. laat het de gezwellen rijpen en voorkomt alle bedervingen. Het sap of kooksel in een zweer gedaan of in pijpzweren gespoten zuivert die.

Door weken maakt men er een olie van wanneer men in drie pond onrijpe olijvenolie een half pond groene, klein gekneusde alsem met haar topjes doet en men die veertien dagen of drie weken in de zon of op een andere warme plaats laat staan die men dan doorgiet en uitperst en daar weer tot drie of vier maal toe nieuwe alsem op zet, weer doorwringt en bij deze doorgezeefde olie een pint sap doet en dit in een waterbad, om niet te verbranden, zachtjes uitdampt en weer doorgiet dan krijgt men een goede olie. Als men dit warm op de maag strijkt stilt dit het braken en walgen. Men bestrijkt er de buik van de kinderen mee als ze door wormen gekweld zijn.

Wanneer men een goede hoeveelheid van deze alsem met water overhaalt dan krijgt men een duistere groene olie die zeer doordringend is die bij de vorige met enige druppels vermengd wordt en dan des te sterker aanzet en beter laat doordringen.

Alsem wordt ook gedaan onder de kruiden die men gebruikt om de dode lichamen van binnen te balsemen omdat dit sterk opdroogt en door zijn bitterheid het bederven tegen gaat.

 

 

[18]

V. HOOFD-STUK

Kleine ofte Roomsen Alsem, ofte Absinthium Romanum.

De Kleinen Alsem ofte Roomsen Alsem, groeit van een veselagtige wortel, een voet of anderhalf somtyds hoog. De blaadjes groeyen van onderen tot boven, dog kleinder, teederder, en fynder gesnippelt als de vorige Alsem, sy zyn wit ofte grys, aangenaam van reuk, en niet heel bitter. De wortel kruipt met verscheidene dwers-takjes voort, uit welke weder nieuwe loten ofte spruitjes voort komen, die men verplanten kan om weder nieuwe plantjes te winnen. D‘opschietende takjes syn byna heesteragtig ofte houtagtig, van ’t midden af tot de top toe met kleine geele bloemtjes ofte knopjes, gelyk de voorige Alsem, beset, waar na het saad volgt. Het bloeyd in ’t begin van den Herfst, en dan vergaat ’t Kruid, ’t welk in de Lente uit d’overgeblevene wortels weder uitschiet. Hier zyn mede verscheidene soorten af, maar die laten wy voor de nauw-sigtige liefhebbers. Sy beminnen een sandige wel gemeste aarde, en een opene wel ter Sonnen staande plaats. Sy werd alhier weelderig in de Tuinen en Hoven voort geteelt.

Den aart en kragten zyn als de vorigen Alsem, maar is wat meer te samen trekkende. Men maakt in den Apotheek van een deel deses Alsems en dry deelen suikers daar een Maag- Conserf af, waar van men dagelyks een mond vol af gebruikt. Maar ik agte het beter dat men se trekt als Thee, ofte die op Wyn of Brandewyn set, het sy alleen ofte met de [19] groote Alsem, Alants-wortel, Angelica, Cardamom, enz.

 

V. HOOFDSTUK.

 

Kleine of Roomse alsem of Absinthium romanum. (Artemisia pontica)

De kleine alsem of roomse alsem groeit van een vezelachtige wortel soms een dertig tot vijftig cm hoog. De blaadjes groeien van onderen tot boven toe, maar zijn kleiner, teerder en fijner geveerd dan de vorige alsem, ze zijn wit of grijs, aangenaam van reuk en niet zo bitter. De wortel kruipt met verscheidene dwarse takjes voort waaruit weer nieuwe loten of spruiten voortkomen die men verplanten kan om weer nieuwe plantjes te winnen. De opschietende takjes zijn bijna heesterachtig of houtachtig, van het midden af tot de top toe met kleine gele bloempjes of knopjes bezet, net als de vorige alsem, waarna het zaad volgt. Het bloeit in het begin van de herfst en dan vergaat het kruid dat in de lente uit de overgebleven wortels weer uitschiet. Hiervan zijn ook verschillende soorten maar die laten wij voor de nauwkeurige liefhebbers. Ze houden van een zandige en goed bemeste aarde en een open, goed in de zon staande plaats. Ze wordt hier weelderig in de tuinen en hoven geteeld.

De aard en krachten zijn als de vorige alsem, maar is wat meer tezamen trekkend. Men maakt in de apotheek van een deel van deze alsem en drie delen suiker een maagkonserf waarvan men dagelijks een mond vol van gebruikt. Maar ik acht het beter dat men het trekt als thee of die op wijn of brandewijn zet, hetzij alleen of met de grote alsem, alantswortel, engelwortel of kardemom enz.

 

 

VI HOOFD-STUK

Zee- alsem, genaamt Absinthium marinum ofte Seriphium.

De Zee-alsem groeit mede uit een houtagtige veselige wortel, met eenige houtagtige stammetjes en rysjes na boven toe, een voet ofte wat meerder hoog. Dese zyn van onderen na boven toe met zeer dunne, fyn gesnippelde tengere witte blaadjes begroeid. Dog de reuk en coleur verscheelt somwylen na de plaats daar sy voort-koomt. De reuk is anders alhier niet onaangenaam. Aan dese ryskens groeyen mede heele kleine knopjes of bloemtjes, gelyk als aan Roomse Alsem.

Sy wast geern aan de Zee-kant binnen en buiten dyks, ook boven op de dyken. Ik hebse in Zeeland by menigte sien wasschen, als mede in Vlaanderen, Holland en Vriesland. Sy bloeyd ook meest in de Herfst ofte in ’t laatste van de Somer. Voorts is de aart, kragt en gebruik, als beide te voren beschrevene Alsems.

VI HOOFDSTUK.

 

Zeealsem die Absinthium marinum of Seriphium genoemd wordt. (Seriphidium maritimum, nu Artemisia seriphidium)

De zeealsem groeit ook uit een houtachtige en vezelige wortel met wat houtachtige stengeltjes en twijgen naar boven toe en wordt een dertig cm. of wat meer hoog. Ze zijn van onderen naar boven toe met zeer dunne, fijn geveerde en tengere, witte blaadjes begroeid. Maar de reuk en kleur verschilt soms naar de plaats waar ze voortkomt. De reuk is anders hier niet onaangenaam. Aan deze twijgjes groeien ook hele kleine knopjes of bloempjes, net als aan roomse alsem.

Ze groeit graag aan de zeekant binnen en buiten de dijken, ook boven op de dijken. Ik heb ze in Zeeland bij menigte zien groeien als mede in Vlaanderen, Holland en Friesland. Ze bloeit ook meestal in de herfst of op het eind van de zomer. Voorts is de aard, kracht en gebruik als beide tevoren beschrevene alsems.

 

 

VII HOOFD-STUK

Acacia ofte Prunus sylvestris, der Hoog- en Neder-duitsen, Slee-doorn en Slee-pruimen genaamt.

De Prunus Sylvestris, Acacia der Duitsen, Slee-doorn, Slee-pruimen, ofte wilde Pruim-boom [20] is een en hetselfde gewas. Dese Pruim-boom wast vry lager dan de tamme Pruimen, want veele by een geplant konnen gevoeglyk voor een hage verstrekken. Uit de wortel schieten veele takken en kromme rysen, met harde, scherpe doornen uit, een ofte twee by malkanderen. De bladen zyn de gemeene tamme Pruim-boom gelyk, maar veel kleinder, harder, meeder, en smalder. Het hout is seer hard. De bloemtjes syn wit van blaadjes, met eenige draadjes in ’t midden. Na de bloemtjes volgen kleine uit den blauwgroenen gekoleurde Pruimtjes, syn rond, met een Steentjen daar in, van een seer wrange smaak. De wortel is vry taey, sig verre uit spreidende.

Sy wasschen soo hier in Nederland in ’t wild, op onbebouwde, ruwe plaatsen, en op de kanten van de Akkers. Het werd voortgeplant door syn Steentjes, en door het scheuten, die uit de wortel voort komen. Het bloeid in Gras-maand, en in ’t begin van de Herfst-maand syn de Pruimtjes ryp, in Hoven geplant werd de vrugt grooter en ’t boomtjen weelderiger.

Dese pruimen droogt men, en men bewaartse tot zyn gebruik, welke met koken weder opswellen. Uit deselfige werd mede een sap geperst, of gekookt, welker vleis men dan door een haire teems met een houte lepel wryft, doende dan by yder pond van dit vleis twee pond Suikers, dat tot de dikte van een Electuarie, ofte geyl gekookt werd, waar toe de onrype best syn. Het is dienstig in alle buikloop en Vrouwe witte en roode vloed; van binnen daar van een weinig ingenomen met wat Diascordium ofte yets anders dat bequaam is. Dese Pruimtjen konnen ook vogtig en droog geconfeyt werden, als mede met Suiker gekandelizeert. Uit het kooksel van de versche of gedroogde [21] Pruimen mag men een Pap maken, en leggen die warm op de uitgesonken aars-darm. De gelei daar van gemaakt en met eenige Wyn of Brandewyn gemengt, suivert het bloedige tand-vleis; van het selvige kan men ook mond-spoelsels maken, voor die gene welke na de ingenomen quiksilver moeten quylen; waar toe men mede de schorsen van de wortels kan gebruiken. Van de bloemen maakt men een Syroop, die men segt dat een los-lyvigheid des buiks veroorsaakt.

VII HOOFDSTUK.

 

Acacia of Prunus sylvestris van de Hoog- en Nederduitsers wordt sleedoorn en sleepruim genoemd. (Prunus spinosa)

Prunus sylvestris, de Acacia van de Duitsers, sleedoorn, sleepruim of wilde pruimenboom is een en hetzelfde gewas. Deze pruimenboom groeit flink wat lager dan tamme pruimen en als er veel bijeen geplant worden kunnen ze gewoonlijk als haag dienen. Uit de wortel schieten vele takken en kromme twijgen die met harde en scherpe doorns bezet zijn, een of twee bij elkaar. De bladeren lijken op de gewone tamme pruimboom maar zijn veel kleiner, harder, meer en smaller. Het hout is zeer hard. De bloempjes hebben witte blaadjes met enige stuifmeeldraadjes in het midden. Na de bloempjes volgen kleine en uit het blauwe een groen gekleurd pruimpje die rond is met een steenpit daarin en van een zeer wrange smaak. De wortel is vrij taai en spreidt zich ver uit.

Ze groeien hier in Nederland in het wild op onbebouwde, ruwe plaatsen en op de kanten van de akkers. Het wordt voortgeplant door zijn pitten en door de scheuten die uit de wortel komen. Het bloeit in april en in het begin van de herfstmaand zijn de pruimpjes rijp. In hoven geplant wordt de vrucht groter en het boompje weelderiger.

Deze pruimen droogt en bewaart men tot het gebruik die met koken weer opzwellen. Hieruit wordt ook een sap geperst of gekookt waarbij men het vlees dan door een harige doek met een houten lepel wrijft, bij ieder pond van dit vlees wordt twee pond suiker gedaan dat tot de dikte van een likkepot of gelei gekookt wordt waar de onrijpe het beste voor zijn. Het is goed in alle buikloop en vrouwen witte- en rode vloed. Van binnen wordt daarvan wat ingenomen met wat diascordium of iets anders dat goed is. Deze pruimen kunnen ook vochtig en droog gekonfijt worden als mede met suiker tot een kandij. Uit het kooksel van de verse of gedroogde pruimen kan men een pap maken die men warm op de uitgezonken aarsdarm legt. De gelei die daarvan gemaakt en met wat wijn of brandewijn gemengd is zuivert het bloedige tandvlees. Hiervan kan men ook mondspoeling maken voor diegene die na het ingenomen kwikzilver moeten kwijlen waartoe men ook de schors van de wortels kan gebruiken. Van de bloemen maakt men een siroop waarvan men zegt dat het een gemakkelijke toiletgang van de buik veroorzaakt.

 

 

VIII HOOFD-STUK

Acetosa ofte Oxalis, Suiring ofte Surkel genaamt.

Daar groeyen alhier soo in ’t wild als in de Hoven verscheide soorten van Suiring ofte Surkel, als daar is de Veld-Suiring, die men mede in de Hoven said, de Schape-Suiring, Spaanse-Suiring en Roomse-Suiring.

De Veld-Suiring heeft lange dog tamelyk smalle bladen, matiglyk scherp, ongeschaart, sappig, vry groen van koleur, en suur van smaak, aan haar begin, by de steel, syn sy wat breeder, dese steel is niet rond, en eer die sig in het blad begeeft, is het blad met scherpe punten ofte oortjes agter uitgeset. Groeyende met groene steeltjes uit de wortel ofte Stammetjen. Het Stammetje is dun en rond, van een elle ontrent hoog, allenxkens rood werdende; aan de top komen eenige kleyne bruin-roode knopjes, die open gaande een soort van bloemtjes vertoonen, waar na een vry bruin en drykantig Saad, gelyk de boek-weit, voort-gebragt werd. Sy heeft een matig lange, dog taeye wortel, geel en rood-agtig [22] van koleur, met veele aanhangende veselen.

Als dese in de Hoven gesait en geplant werd, is sy veel lyviger en sappiger van blad, als die in het Veld wast.

De Spaanse Suuring is dese geheel gelyk, maar wast hooger, is sappiger, geelder en grooter van blad, die men hier alleen in de Hoven vind.

De Schapes-Suuring, welke veel in ’t wild op schrale plaatsen wast, is beide de voorgaande in alle deelen gelyk, maar wast een vinger of anderhalf hoog, en de bladen zyn schraal en tenger, als mede het de bloemtjes en saad, is ook van onderen tot boven toe vry rooder van koleur.

De Roomse Suuring is van smaak, wortel en zaad d’andere gelyk, maar het zaad is ligter van koleur en grooter. De bladeren syn veel korter, voor scherp, en aan yder zyde twee inbogten, die dan wederom by de steel twee scherpe enden ofte oortjes krygen. Sy syn bleek groen, ofte blauwagtig groen. Wast niet regt op, maar legt, om de dunnigheid syns steels op de aarde. Dese werd alhier alleen in Hoven gesien.

Hare geslagt-teikenen syn dry-kantig en blinkend zaad, ses-bladige bloem, waar van dry blaadjes het zaad bedekken, digt aan malkanderen hangende, en de bladeren suur

In de Wiede-maand beginnen dese dry eerste soorten meest te bloeyen, dat in de Hoy-maand, en Oogst-maand volkomen ryp is. Maar de Schaaps-Suiring is in de Oogst-maand en de Herfst-maand op syn beste en schoonste.

Alle dese soorten verhitten het bloed niet, maar doen het tegen-deel, alsoo zy door haar suur het bloed eenigsins veranderen en in syn loop vertragen en ’t selvige wat verdikken. En dit leert men, [23] wanneer men die met soete melk kookt, om wei ofte heu te maken, soo schift de melk en werd dik, soo dat de wei daar afscheid; de selvige maakt den buik week, is smakelyk by vleis gekookt, of met Porcelein gestooft, ofte by Spinagie, ofte Krop-Sala gestooft. Het verslaat den dorst, en is niet onaangenaam van smaak, men maakt daar ook een sauce af met boter, die men over de gekookte schol eet. Uit het sap werd mede in den Apotheek een Syroop gemaakt, om den brand des monds te verkoelen. Het water daar van gedistilleert, is van weinig belang, dog verkoelende. Met een deel Suuring en twee deelen Suiker, maakt men een Conserf tegens de hitsige maag en de soo genaamde Galsiekten. Het werd mede veel gekookt by de gewoonlyke Mei-dranken, waar by men ’t loof van Paarde-Bloemen, Duive Kervel, Sala, Endivie enz. doet. Het warm gemaakte Sap is bequaam het yzer-smet uit het linnen te doen.

VIII HOOFDSTUK.

 

Acetosa of Oxalis wordt zuring of surkel genoemd. (Rumex acetosa)

Er groeien hier zowel in het wild als in de hoven verschillende soorten van zuring of surkel. Zo is er de veldzuring die men ook in de hoven zaait, schapezuring, (Rumex acetosella) Spaanse zuring (Rumex scutatus) en roomse zuring (Rumex alpinus)

De veldzuring heeft lange, maar tamelijk smalle bladen die matig scherp en niet gezaagd, sappig, vrij groen van kleur en zuur van smaak zijn. Aan hun begin, bij de steel, zijn ze wat breder, de steel is niet rond en voor die zich in het blad begeeft is het blad met scherpe punten of oortjes van achteren bezet. Het groeit met groene steeltjes uit de wortel of stammetje. Het stammetje is dun, rond en ongeveer een zeventig cm hoog die geleidelijk aan rood wordt, aan de top komen enige kleine bruinrode knopjes en als die open gaan laten ze een soort van bloempjes zien waarna een vrij bruin en driekantig zaad komt, net als de boekweit. Ze heeft een matig lange, maar taaie wortel die geel en roodachtig van kleur is met vele aanhangende worteltjes.

Als dit in de hoven gezaaid en geplant wordt is het veel dikker en sappiger van blad dan die in het veld groeit.

Spaanse zuring is die geheel gelijk, maar groeit hoger en is sappiger, geler en groter van bladen die men hier alleen in de hoven vindt.

De schaapszuring die veel in het wild op schrale plaatsen groeit lijkt op beide voorgaande in alle delen maar groeit een vinger of anderhalf hoog, de bladen zijn schraal en tenger net als de bloempjes en zaad  en is ook van onderen tot boven toe roder van kleur.

Roomse zuring is van smaak, wortel en zaad het andere gelijk, maar het zaad is lichter van kleur en groter. De bladeren zijn veel korter en voor scherp met aan ieder zijde twee bochten die dan wederom bij de steel twee scherpe einden of oortjes krijgen. Ze zijn bleekgroen of blauwachtig-groen. Groeit niet rechtop, maar ligt vanwege de dunne stelen op de aarde. Deze wordt hier alleen in hoven gezien.

Hun geslachtskenmerken zijn driekantig en blinkend zaad, zesbladige bloem waarvan drie blaadjes het zaad bedekken en dat die dicht tegen elkaar aan liggen, de bladeren zijn zuur.

In juni beginnen de drie eerste soorten meestal te bloeien dat in juli en augustus volkomen rijp is. Maar de schaapszuring is in augustus en de herfstmaand op zijn best en mooist.

Alle deze soorten verhitten het bloed niet, maar doen het tegendeel. Dat komt omdat ze door hun zuur het bloed wat veranderen en in zijn loop vertragen en het wat verdikken. En dat leert men wanneer men die met zoete melk kookt om wei of heu te maken, dan schift de melk en wordt het dik zodat de wei daar afscheidt, het maakt de buik week en is smakelijk om bij vlees te koken of met postelein te stoven, bij spinazie of bij gestoofde kropsla. Het verslaat de dorst en is niet onaangenaam van smaak. Men maakt daar ook een saus van met boter die men over de gekookte schol eet. Uit het sap wordt ook in de apotheek een siroop gemaakt om de brand van de mond te verkoelen. Het water dat daarvan gedistilleerd wordt is van weinig belang, maar verkoelt. Met een deel zuring en twee delen suiker maakt men een konserf tegen de hete maag en de zo genaamde galziektes. Het wordt ook veel gekookt bij de gewone meidranken waarbij men het loof van paardebloemen, duivekervel, sla, andijvie enz. doet. Het warm gemaakte sap is goed om ijzervlekken uit het linnen te halen.

 

 

IX. HOOFD-STUK

Acorus, ofte Calmus wortel, Wel-riekende-Lisch genaamt.

Den Acorus ofte gemeenlyk Calmus genaamt, is de Calamus Aromaticus der Ouden eigentlyk niet, maar een riet-gewas. De Calmus dan heeft lange, smalle aangenaame groene bladen, en daarom onder de soorten van Lisch gerekent; welke tusschen de handen gevreven, een reuk van sig geven, die de wortel seer gelyk is. De wortel is meer dan een vinger dik, groenagtig, wit, ofte wat roodagtig van buiten, met verscheide hairigheden, groeyende vry lang, krom en slym, met veele [24] leden, van binnen wit; heeft een doordringelyke Speceriagtige smakelykheid op de tong, met een sterke, dog niet onaangename reuk. Uit de Stoel van de bladeren ryst een halm, een voet ofte anderhalf hoog, blads gewyse uit, uit welker zyde een aare voort komt, bruin van koleur, de langte hebbende van een kleine vinger, en matig dik; staande regt over ende opwaarts, met Kruis-gewyse strepen door-sneden en door-kerft; de knopjes die het besluit, gaan met ‘er tyd open, en vertoonen een menigte kleine geele agtige bloemtjes. Dese aare wert met’er tyd wel een vinger dik, met veele kleine groene knoopjes, byna de vrugt van de pyn-boom gelykende.

Dit is een gras-bladig gewas, sonder Stroo-halm; de aare, die de selvige voortbrengt, is enkel, cierlyk, op de wyse van een katteken, Tulus genaamt, welke de selvige van alle andere onderscheid, soo daar eenige andere teikenen mogten ontbreken.

Sy wast alhier in Holland langs de rivieren, als by Niepoort, buiten Den Haag en Delft, by der Gouw, tusschen Haarlem en Leiden,  Maase-veen, Tien Hoven, enz. ook groeit deselvige wel in de Hoven, maar moet veel waters hebben. Het loof vergaat tegens de Winter, maar de wortel blyft overig, van welke men nieuwe planten kan voort telen. Deselvige bloeit in Hoy-maand.

De wortel van dit gewasch werd hier te Lande alleenig gebruikt. Synde om syn sterke reuk en smaak seer verwarmende, en mag met regt den Inlandsen Gember genaamt werden, alsoo deselvige mede soo voortkomt, als de Calmus. Wanneer men die schilt, murw kookt en met Syroop Confyt, soo is sy alsoo kragtig in de slymige Maag-qualen, als de Oost-Indische geconfyte Gember, des ogtens nugteren genuttigt. De wortel, het sy op [25] wat wyse toe bereid; dient mede in de kolyk en allerlei buik-pynen, verdryvende de winden en alle slym. Tot d’eigenste qualen mag men mede een water distilleren, met welke de fyne olie mede over gaat. Men set de wortel mede op Wyn ofte mede tegens de koude Maag-qualen en koorsen. Ook kan mense in poeder innemen. Sy werd mede gedaan by alle tegengiften. De Koeke-bakkers snyden deselvige in schyfjes, en leggen die op haare Koeken in de plaats van Gember.

IX. HOOFDSTUK.

 

Acorus of kalmus wortel, wordt ook geurende lis genoemd. (Acorus calamus)

Acorus die gewoonlijk Calamus genoemd wordt is de Calamus aromaticus van de ouden eigenlijk niet, maar een rietgewas. Kalmus dan heeft lange, smalle en aangenaam groene bladen en wordt daarom onder de soorten van lis gerekend en als die tussen de handen gewreven worden geven ze een reuk van zich dat gelijk is als van de wortel. De wortel is meer dan een vinger dik, groenachtig, wit of wat roodachtig van buiten en met verschillende harigheden bezet, het groeit vrij lang, is krom, stevig en met vele leden, is van binnen wit en heeft een doordringende specerijachtige smakelijkheid op de tong met een sterke, maar niet onaangename reuk. Uit de stoel van de bladeren rijst een bladgewijze halm een vijftig cm hoog op. Uit hun zijde komt een aar voort die bruin van kleur is en de lengte heeft van een kleine vinger, matig dik en recht overeind omhoog staat, het is met kruisgewijze strepen doorsneden en doorkerft. De knopjes op het eind gaan mettertijd open en vertonen vele kleine, geelachtige bloempjes. Deze aar wordt mettertijd wel een vinger dik en is bezet met vele kleine, groene knoopjes die bijna op de vrucht van de dennenboom lijken.

Dit is een grasbladig gewas zonder strohalm en de aar die het voortbrengt is enkel, sierlijk en op de wijze van een katje, tulus genoemd, die het van alle andere onderscheidt als er enige andere kentekens mochten ontbreken.

Ze groeit hier in Holland langs de rivieren zoals bij Nieuwpoort, buiten Den Haag en Delft, bij de Gouw, tussen Haarlem en Leiden, Maasveen, Tien Hoven, enz. Ook groeit het wel in de hoven maar moet veel water hebben. Het loof vergaat tegen de winter, maar de wortel blijft over waarvan men nieuwe planten kan telen. Het bloeit in juli.

De wortel van dit gewas wordt hier te lande alleen gebruikt. Die verwarmt zeer vanwege zijn sterke reuk en smaak en kan met recht inlandse gember genoemd worden omdat het ook zo gebruikt wordt als kalmus. Wanneer men die schilt, murw kookt en er met siroop een konfijt van maakt is die wel zo krachtig in de slijmige maagkwalen als de Oost-Indische gekonfijte gember als het ‘s ochtends nuchter gebruikt wordt. De wortel, hetzij op welke wijze het klaar gemaakt is, dient ook in de koliek en allerlei buikpijnen, verdrijft de wind en alle slijm. Tegen dezelfde kwalen kan men ook een water destilleren waarmee zijn fijne olie ook over gaat. Men zet de wortel ook op wijn of mede tegen koude maagkwalen en koortsen. Ook kan men ze in poeder innemen. Ze wordt ook gedaan bij alle tegengiften. De koekenbakkers snijden dit in schijven en liggen die op hun koeken in plaats van gember.

 

 X. HOOFD-STUK

Adiantum Album ofte wit eiken Varen.

De Adiantum Album, werd mede Filix quercina, dat is Eiken-Varen genaamt; en werd wit geheeten, tot onderscheid van het swarte. Dese bladen syn een vinger ofte anderhalf lang, hebbende aan yder zyde van syn steel agt ofte tien meerder ofte minder zydelyke geschaarde en ingekorve blaadjes, synde yder aan het eind spits, d’onderste langer en breeder dan de bovenste, soo dat het geheele blad op sig selfs genomen voor scherp uit loopt. Is aan de bovenste zyde glad, bleik groen van koleur en niet sappig; maar aan d’onderste zyde heeft het bruine stipjes, vertoonende de bloem, daar het zaad na volgt. De wortel is niet groot, dog dik, bruin, en by een gedrongen, met vele veselen daar aan; uit deselvige komen nieuwe planten voort. Het brengt geen stamme ofte halm voort, soo dat de bladen maar een spanne hoog wasschen.

Dit gewas vind men meest op de eiken, dog mede wel op andere boomen, en dat in donkere boschagien [26] en op gebergten; soo dat die selden in de Hoven te bekomen is. Dese bladen blyven mede des Winters niet over, maar vergaan, en in de voortyd komen daar wederom nieuwe bladen uit de wortel spruiten.

Dese bladen hebben een soete, scherp en wat bitteragtige smaak. Het werd weinig in den Apotheek gebruikt. De wortel is wrang. Men agt dat het dienstig is om het hair te doen uit vallen, dog hebbe daar geen proeve van genomen. Ik heb de zelvige weinig in ’t gebruik, maar vind hem in de Syroop van Heemst-wortel, Syroop van Soet-hout. In de Syrupus Diacnicu, de Prasio, de Cichoreo cum Rhabarbaro en meer andere, sie ik dat het voorgeschreven is, waar uit ik oordeel dat het een borst-middel genoemt werd, en met eenen opent.

X. HOOFDSTUK.

 

Adiantum album of witte eikvaren.

(Phegopteris connectilis)

Adiantum album wordt ook Filix quercina  genoemd dat eikvaren betekent en wordt wit genoemd om die te onderscheiden van de zwarte. De bladen zijn een vinger of anderhalf lang en hebben aan elke zijde van de steel acht of tien, meer of minder zijdelings geschaarde en ingesneden blaadjes die elk aan het eind spits zijn, de onderste zijn langer en breder dan de bovenste zodat het gehele blad op zichzelf genomen vooraan scherp uitloopt. Het is aan de bovenkant glad, bleekgroen van kleur en niet sappig, maar aan de onderkant heeft het bruine stipjes, dat is de bloem waarna het zaad volgt. De wortel is niet groot maar dik en bruin, bijeen gedrongen en met vele worteltjes eraan en hieruit komen nieuwe planten voort. Het brengt geen stam of halm voort zodat de bladen maar een zeventien cm hoog groeien.

Dit gewas vindt men meestal op eiken en ook wel op andere bomen en dat in donkere bosjes en op bergen zodat die zelden in de hoven te zien is. Deze bladen blijven ook de winters niet over maar vergaan en in het voorjaar spruiten weer nieuwe bladen uit de wortel.

De bladen hebben een zoete, scherpe en wat bitterachtige smaak. Het wordt weinig in de apotheek gebruikt. De wortel is wrang. Men acht dat het nuttig is om het haar te laten uitvallen, maar ik heb daar geen proef van genomen. Ik heb het weinig in gebruik, maar vindt het in de siroop van heemstwortel en siroop van zoethout. In de Syripus Diacnicum, Prasio, Cichoreo cum Rhabarbaro en meer andere zie ik dat het voorgeschreven is en daaruit oordeel ik dat het een borstmiddel genoemd wordt en meteen opent.

 

XI. HOOFD-STUK

Adiantum Nigrum, ofte Swart Eike-Varen.

Dit Swart Eiken-Varen is het vorige in aller deelen gelyk, maar de bladen soo seer niet gekorven, de steelen en ribben zyn Swart-agtig, en het blad duisterder groen, en van agteren gestippelt. Het behoud des Winters syn bladen, maar krygt in ’t laatst van de Lente evenwel wederom nieuwe scheuten en bladen. De kragt en gebruik is mede als het Witte Eiken-Varen.

XI. HOOFDSTUK.

Adiantum nigrum of zwarte eikvaren.

(Asplenium adiantum-nigrum)

Deze zwarte eikvaren is het vorige in alle delen gelijk, maar de bladen zijn niet zo ingesneden, de stelen en ribben zijn zwartachtig, het blad is donkerder groen en van onderen gestippeld. Het behoudt in de winter zijn bladen maar krijgt op het eind van de lente weer nieuwe scheuten en bladen. Kracht en gebruik zijn ook als de witte eikvaren.

 

XII. HOOFD-STUK

Van de Adonis Flos, ofte Bruinettekens.

De Flos Adonis ofte Bruinettekens ryst uit d’aarde met verscheide Stammetjes, welke wederom [27] hare zyd-takjes krygen, alle gestreept ofte gevoort, groen van koleur. De blaadjes zyn fyn gesnippelt even als van de stinkende Kermille, schoon groen en Sappig. Boven op het top deser steeltjes komen de bloemtjes, van groote als de gemeene Hane-voet, ofte Boter-bloem, donker schoon rood en glad, van ses, seven of agt blaadjes; onder dese zyn nog vyf andere veel swarter blaadjes, in ’t midden deser bloemtjes heeft men veele swarte draadjes, soo dat dit bloemtje schoon is om aan te sien. De bloeme afvallende koomt daar een langwerpige knop groeyen, ’t welk rontom met veel groenagtig zaad tot boven toe beset is, zynde van buiten spits, het welk eindelyk volkomen ryp zynde, grauw ofte bruinagtig wert dat ligtelyk dan afvalt, als het maar even aangeraakt wert. Het Kruid en Bloem hebben geen reuk, de wortel is wat veselagtig en wit.

Men vind het alhier niet in ’t wild, maar alleenig in de Hoven. Dit wert aleenig van zaad voortgeteelt. Het begint in de Bloey-maand en andere latere Maanden te bloeyen, selfs tot in de Winter toe, soo dat het wel komt te gebeuren dat men Planten des Winters overhoud, voornamelyk als het zaad wat vroeg is afgevallen, en weder opkomende, te laat is om Bloemen te krygen. Sy staan geerne in een opene logt, op een sandige, wel gemeste en niet al te drooge grond.

Het schynt min ofte meer verwarmende te syn, het welke men bequamelyk in Pappen kan doen om heete geswellen te bematigen en te verdryven.

XII. HOOFDSTUK.

Van Adonis flos of bruinettekens.

(Adonis aestivalis)

Flos adonis of bruinettekens rijst uit de aarde met verschillende stengeltjes die weer hun zijtakjes krijgen en alle zijn gestreept of gevoord en groen van kleur. De blaadjes zijn fijn geveerd evenals die van de stinkende kamille, mooi groen en sappig. Boven op de top van deze steeltjes komen de bloempjes die van grootte als de gewone hanenvoet of boterbloem zijn, donker mooi rood en glad en met zes, zeven of acht blaadjes, hieronder zijn nog vijf andere en veel zwartere blaadjes. In het midden van deze bloempjes heeft men vele zwarte stuifmeeldraadjes zodat dit bloempje mooi is om te zien. Als de bloem afvalt komt daar een langwerpige knop aan die rondom met veel groenachtig zaad tot boven aan toe bezet is. Die is van buiten spits en wordt eindelijk als het volkomen rijp is grauw of bruinachtig dat gemakkelijk afvalt als het maar even aangeraakt wordt. Het kruid en bloem hebben geen reuk, de wortel heeft wat worteltjes en is wit.

Men vindt het hier niet in het wild, maar alleen in de hoven. Het wordt alleen van zaad geteeld. Het begint in de mei en andere latere maanden te bloeien, zelfs tot in de winter toe zodat het wel kan voorkomen dat men planten in de winter overhoudt, voornamelijk als het zaad wat vroeg is afgevallen en het weer opkomende te laat is om bloemen te krijgen. Ze staan graag in een open lucht op een zandige, goed bemeste en niet al te droge grond.

Het schijnt min of meer verwarmend te zijn, wat men goed in pappen kan doen om hete gezwellen te verminderen en te verdrijven.

 

 

[28] XIII. HOOFD-STUK

Africanus Flos, Africaanse Bloem, Tunis Bloem, Fluweel-Bloem.

Dese syn liggende ofte regt opstaande. Sy werden genoemt Tagetes Indica, Flos Tunetensis, om dat die by Tunis in ’t wilde wast, en dog te onregt Tanacetum Peruvianum, niet jegen staande het na de Tanacetum ofte reinvaar gelykent. D’eene soo wel als d’andere hebben langs hun gevoorde takkige struiken lang-werpige, van veel enkele lange, en aan de kanten geschaarde blaadjes bladen, zynde als met duisende gaatjes doorboort, die men siet, wanneer men die tegens den dag houd. De Bloemen der groote syn geel Fluweel koleurig, van agt ofte tien blaadjes gemaakt, hebbende in het midden een geele kruin. Dese Bloem staat in een groene koker. Sy werd dikmaals veel bladig ofte dubbelt gesien, en daar werd deselvige een seer schoone groote Bloem. De plant werd alhier gemeenlyk twee voeten ontrent hoog.

De liggende heeft mede op de toppen van de steelen een Bloem, en bloeyen tot in ’t laatste van de Herfst toe. De Bloem is kleinder, van gedaante de vorige gelyk, maar de blaadjes zyn als een rood en duister Fluweel, en daarom eigentlyk Fluweel-Bloem genaamt. De kruin is uit den rood-geelen, het zaad van beide is in de voornoemde koker besloten, lang en swart.

Sy moeten alle jaren gesaeyd werden, alsoo haar veselagtige wortel vergaat, en bloeyen dan beide in ’t begin van de Somer heel lang, maar de liggende, als gesegt is, veel langer. Sy werden hier alleen [29] in de Hoven der liefhebbers aangeteelt.

Dese beide kruiden hebben een sterken en onaangename reuk, die doordringelyk is. Sy werd in de Genees-konst niet gebruikt, alsoo men agt, en ik mede ondervonden heb, dat deselvige vergiftig is.

XIII. HOOFDSTUK.

 

Africanus Flos, Afrikaanse bloem, Tunis bloem of fluweel bloem. (Tagetes erecta en Tagetes patula)

Deze liggen of staan rechtop. Ze worden Tagetes indica of Flos tunetensis genoemd omdat ze bij Tunis in het wild groeien, maar ten onrechte Tanacetum peruvianum niet tegenstaande het op Tanacetum of reinvaar lijkt. De ene en ook de andere hebben langs hun gevoorde, takkige stengels langwerpige en veel alleen staande, lange en aan de kanten geschaarde blaadjes, bladen die als met duizenden gaatjes doorboord zijn wat men ziet als men ze tegen het licht houdt. De bloemen van de grote zijn geel fluweelkleurig en van acht of tien blaadjes gemaakt met in het midden een gele kruin. Deze bloem staat in een groene kelk. Ze wordt vaak meerbladig of dubbel gezien en dan wordt dit een zeer mooie, grote bloem. De plant wordt hier gewoonlijk ongeveer een zestig cm hoog.

De liggende heeft ook op de toppen van de stelen een bloem en bloeit tot het eind van de herfst toe. De bloem is kleiner en van vorm net zoals vorige, maar de blaadjes zijn als rood en donker fluweel en daarom wordt het eigenlijk fluweelbloem genoemd. De kruin is uit het rode geel. Het zaad van beide is in de voornoemde kelk besloten, lang en zwart.

Ze moeten alle jaren gezaaid worden omdat de vezelachtige wortel vergaat en dan bloeien ze beide heel lang in het begin van de zomer, maar de liggende, als gezegd is, veel langer. Ze worden hier alleen in de hoven van de liefhebbers geteeld.

Deze beide kruiden hebben een sterke en onaangename reuk die doordringend is. Ze worden in de geneeskunst niet gebruikt omdat men acht en ik ook ondervonden heb dat ze vergiftig zijn.

 

 

XIV. HOOFD-STUK

Agrifolium ofte Hulst.

De Hulst ofte Agrifolium is een Heester, dog wanneer die van jongs aan opgesnoeit werd, krygt die een matige dikte en hoogte, en kan dan voor een boom gaan. Wanneer die ons voorkomt in manieren van een Heester, soo blyven de takjes vry dun, glad, effen en groen, maar de Stammetjes bruin van koleur. Het hout is swaar en in ’t water sinkende, en dat van de Stam swart. De bladen syn stevig en duister groen, en sommige met geele vlekken, vry glad, langwerpig rond. De kanten zyn saags-gewys, welke yder op het spits een doorn hebben, welke, wanneer dit gewas wat ouder werd byna ganschelyk verdwynt. Dese bladen syn aan de kanten alle een weinig gefronst, soo dat men deselvige niet plat neder kan leggen als het blad van een Appel of Peere-boom. In de Somer krygen sy witte, welriekende bloemtjes, die in de Herfst in roode besien veranderen, die dikmaals de geheele Winter daar aan blyven hangen, even byna, als aan het loof van Aspergies wasschen, hebben binnen sig een witte korrel, welkers smaak aan onse tonge onaangenaam is. Sy heeft harde houtagtige wortel.

Sy behoud haare bladen Winter en Somer, maar [30] is des Winters schoonder groen, en daarom cierlyk om Heggen te maken rontom Tuinen en Boom-gaarden; anders wast deselvige in sommige onbebouwde plaatsen, wegen en Bosschagien in Duits-land, en elders, dog meer op koude dan op warme gronden. Sy werden voortgeteelt van zaad, ’t welk niet eer dan het tweede jaart eerst moet verplant werden. Ook werd deselve door haare scheuten, onder ofte ter zyden de wortel uitschietende, voortgeplant; ook werden de onderste takjes half door gesneden, om gebogen en in de grond geplant, even als men de Angelieren doet, welke dan wortels krygen, die men het tweede jaar verplant.

Men meint dat de besien verwarmende en verdroogende zyn; en daarom de winden uit het lighaam dryven, en soude mede dienstig syn in de buik-pynen en kolyk, nemende daar tien ofte twaalf in, zynde eerst fyn gestooten, waar door de buik los werd, en veel slym afset. Veele nemen de schors van de wortel, die sy onder de plaasters mengen, en op de breuken leggen. De loog van d’assche van Hulst gemaakt en gebruikt, soude de Watersugtige dienstig wesen, en soude de pis wel af setten.

Het gerookte Vleis, Ham, Spek, enz. met dese bladeren bestreken, jagen door haar scherpigheid de muisen, katten, rotten en honden daar af. De takjes met de bladen tot een roede gemaakt syn seer dienstig om de schoor-steen te veegen. Van de groene schorse werd aldus het Vogel-lym gemaakt; maakt een kuil in vogtige aarde, bedekt de grond met de bladeren, en legt daar de versche schorse op, en bedekt dese wederom met bladeren, legt dan daar weder de aarde op, dit laat men soo een veertien dagen ontrent leggen, tot dat men dunkt [31] dat de bast rot is. Dese graaftmen dan wederom uit, en men stootse tot een Pap, soo werd die eindelyk soo taey als Lym, dan werd die met schoon Water van syn vuiligheid gesuivert, en in potten bewaart, boven op welke men wat olie doet, om niet te bederven.

XIV. HOOFDSTUK.

 

Agrifolium of hulst. (Ilex aquifolium)

Hulst of Agrifolium is een heester, maar als die van jongs af aan opgesnoeid wordt krijgt die een matige dikte en hoogte en kan dan voor een boom doorgaan. Wanneer die bij ons in de vorm van een heester voorkomt dan blijven de takjes vrij dun, glad, effen en groen, maar de stengeltjes zijn bruin van kleur. Het hout is zwaar en zinkt in het water, dat van de stam is zwart. De bladen zijn stevig en donkergroen, sommige met gele vlekken, vrij glad en langwerpig rond. De kanten zijn zaagvormig en elk heeft op de spits een doorn die wanneer dit gewas wat ouder wordt bijna geheel verdwijnt. Deze bladen zijn aan de kanten allen wat gebogen zodat men die niet plat kan neerleggen zoals het blad van een appel of peer. In de zomer krijgt het witte, welriekende bloempjes die in de herfst in een rode bes veranderen en vaak de hele winter daaraan blijven hangen, bijna net zoals die aan het loof van asperges groeien, ze hebben van binnen een witte korrel wiens smaak voor onze tong onaangenaam is. Ze heeft een harde, houtachtige wortel.

Ze behoudt haar bladen in de winter en zomer, maar is in de winter mooier groen en daarom sierlijk om heggen te maken rondom tuinen en boomgaarden. Anders groeit het in sommige onbebouwde plaatsen, wegen en bosjes in Duitsland en elders, maar meer op koude dan op warme gronden. Ze worden voortgeteeld van zaad dat niet eerder dan het tweede jaar verplant moet worden. Ook wordt het door haar scheuten, die onder of terzijde van de wortel uitschieten, voortgeplant. Ook worden de onderste takjes half doorgesneden, omgebogen en in de grond geplant net zoals men bij de anjers doet die dan wortels krijgen die men het tweede jaar verplant.

Men meent dat de bes verwarmt en verdroogt en daarom de winden uit het lichaam verdrijft, het zou ook nuttig zijn in de buik en zijdepijnen. Men neemt daar tien of twaalf van in die eerst fijn gestampt zijn waardoor de buik los wordt en veel slijm afzet. Vele nemen de schors van de wortel die ze onder de pleisters mengen en op de breuken leggen. De loog die van de as van hulst gemaakt en gebruikt wordt zou goed zijn voor de waterzuchtige en zou de plas goed afzetten.

Het gerookte vlees, ham, spek, enz. dat met deze bladeren bestreken is jaagt door hun scherpte de muizen, katten, ratten en honden daar vandaan. De takjes die met de bladen tot een roede gemaakt worden zijn zeer goed om de schoorsteen te vegen. Van de groene schors wordt zo vogellijm gemaakt; maak een kuil in vochtige aarde, bedek de grond met de bladeren en leg daar de verse schors op en bedek dit weer met bladeren, leg dan daar weer aarde op en dit laat men zo ongeveer een veertien dagen liggen tot dat men denkt dat de bast verrot is. Dit graaft men dan weer uit en men stampt het tot een pap totdat die tenslotte zo taai als lijm wordt dan wordt die met schoon water van zijn vuiligheid gezuiverd en in potten bewaart, daarboven op doet men wat olie zodat het niet bederft.

 

 

XV. HOOFD-STUK

Agrimonia, ofte ontstoppend Kruid.

Uit de wortel van Agrimonie spruiten veele bladen, welke weder aan de zyden in vyf, negen, meer ofte min matig langwerpige bladekens, matig groot verdeilt werden, hebben alle een enkele steel. Die naast aan de wortel syn, syn kleinder dan aan het top, alle zaaggewys getant en aan ’t eind wat puntig. De steelen en bladen zyn ruig en hairagtig, redelyk groen, dog van onderen bleiker, tusschen dese groote blaadjes, komen nog wel eenige kleindere. Uit het midden deser grooter bladen ryst een dun, hairagtig, hard, regte, (die door de swaarte wel wat ombuigt) swartagtige ofte bruine steel, byna een elle hoog of hooger; veeltyds een in getal, en somtyds twee, na dat de wortel oud is; is mede met de voornoemde bladen begroeit, tot ontrent het midden, waarna eenige groene knopjes volgen, die van onderen op allenxkens na boven toe in vyf bladige, kleine, geele, en welriekende bloemtjes sig openen, hebben in ’t midden eenige geele draadjes. Dese steel vertoont een aar. Na het afvallen deser bloemtjes, volgt daar een byna langwerpig zaad, zynde boven breeder dan onder, sig na om laag buigende, ruig, hangende, als de klissen, aan de [32] kleederen des voor by gaanden. De wortel is matig dik, in veele takjes somtyds verspreid, en eenigsins bruin of swart.

Ik vinde het veel in Boom-gaarden, en langs de wegen; als mede in grasige dalen der Duinen, Bosschen, Heggen, enz. in de Tuinen wast het weelderiger. Men teelt het niet alleen van zaad voort, maar selfs komen naast de Moer-plant, wederom nieuwe plantjes, die men daar af neemt en verplant. De bladeren en al wat daar van boven d’aarde is, vergaat des Winters, maar de wortel schiet zyn bladen in de Lente wederom uit. Het bloeyd in de Wiede-maand, en voorts tot in de Herfst toe de geheele Somer door, terwyle d’onderste afgevalle bloemtjes in zaad veranderen.

Men agtse matig warm, zynde wat te samen trekkende van smaak; de bladen hebben geen bysondere reuk. Men maakt hier kooksels van tegens de verstopte milt, lever en andere ingewanden en klieren; ook tegens het bloed Pissen, Geel-sucht, Water-sugt, koude Pis, Koorsen, ontsteking der Nieren, opgestopte Maand-vloed, enz.

Sy gebruiken het mede voor dempige Paarden en Schapen die den Hoest hebben.

XV. HOOFDSTUK.

 

Agrimonia of ontstoppend kruid. (Agrimonia eupatoria)

Uit de wortel van Agrimonia spruiten vele bladen die weer aan de zijde in vijf of negen, min of meer matig langwerpige blaadjes van een matige grootte verdeeld worden, ze hebben alle een enkele steel. Die naast de wortel staan zijn kleiner dan die aan de top, allen zijn zaagvormig getand en aan het eind wat puntig. De stelen en bladen zijn ruig, harig en redelijk groen, maar van onderen bleker, tussen deze grote blaadjes komen nog wel enige kleinere. Uit het midden van deze grote bladen rijst een dun, harig, hard en rechte (die door de zwaarte wel wat ombuigt) zwartachtige of bruine steel van bijna een zeventig cm hoog of hoger, vaak is er maar een, soms twee naar dat de wortel oud is die ook met de voornoemde bladen begroeid is tot ongeveer het midden waarna enige groene knopjes volgen die van onderen af aan geleidelijk naar boven toe in vijfbladige, kleine, gele en welriekende bloempjes veranderen die zich openen en in het midden enige gele stuifmeeldraadjes hebben. Deze steel vertoont een aar. Na het afvallen van deze bloempjes volgt daarna bijna langwerpig zaad die boven breder is dan onder en zich naar omlaag buigt, ruig is en hangt zoals de klissen aan de  kleren van de voorbijgangers. De wortel is matig dik en soms in vele takjes verspreid en enigszins bruin of zwart.

Ik vindt het veel in boomgaarden en langs de wegen als ook in grazige dalen van de duinen, bossen, heggen, enz. In de tuinen groeit het weelderiger. Men teelt het niet alleen van zaad voort, maar vanzelf komen naast de moerplant weer nieuwe plantjes die men daar van af neemt en verplant. De bladeren en al wat daar van boven de aarde is vergaat in de winter, maar de wortel schiet zijn bladen in de lente weer uit. Het bloeit in juni en voorts tot in de herfst toe de hele zomer door terwijl de onderste afgevallen bloempjes in zaad veranderen.

Men acht ze matig warm en wat tezamen trekkend van smaak, de bladen hebben geen bijzondere reuk. Men maakt hier kooksels van tegen verstopte milt, lever en andere ingewanden en klieren, ook tegen het bloedplassen, geelzucht, waterzucht, koude plas, koortsen, ontsteking van de nieren, opgestopte maandstonden enz.

Ze gebruiken het ook voor dampige paarden en schapen die de hoest hebben.

 

 

XVI. HOOFD-STUK

Sigmaarts Kruid ofte gemeene Alcea.

De gemeene Alcea is verscheiden, want daar zynder met witte en andere met lyf-verwige Bloemen. Andere met bladen als de gemeene kaasjes bladen, en andere de bladen in vyf deelen gedeelt. Dese allen zyn de kaasjes bladen egter soo van Bloem als bladen en zaad seer gelyk. Hierby komt nog [33] een soort met bladen als Hennep, maar is ruiger, hariger en duisterder groen, alle dese soorten syn de randen van de bladeren eenigsins getand ofte gekorven, synde d’eene wat stomper dan d’andere.

Uit de bladeren ofte plant, rysen in de voortyd twee ofte dry Stammetjes, rond en regt, een elle hoog, meer ofte min, maar somtyds wel wat na de grond buigende, wanneer zy wat swaar van top werden. De schorse is taey en draadagtig; hier aan wasschen de bladen, welke, hoe hooger sy komen, hoe kleinder. De bloemtjes zyn vyf-bladig, en redelyk groot, even by na op die wyse als die van kaasjes bladen. Na de bloemtjes volgende zaaden, geschikt in een rond schyfjen, gemeenlyk twaalf en misschien wel meerder ofte minder by malkander; op syn zelven platagtig, en voorts heeft het de gedaante van een nier, maar alle by malkanderen geschikt zynde, gelykt het na een geribt kaasjen, grauw van koleur, behoudende van onderen de vyf groene blaadjes, welke de knopjes van de Bloemen voor een Kokertjen dienden. Het heeft een witte, redelyk dikke, lange, met veselen begroeyde en lymagtige wortel.

Men vindt het veel aan de wegen, weijen, en daar gras groeit; op onbebouwde plaatsen, langs drooge Gragten en Heggen, maar komt in de Hoven weelderiger voort; Het bloeyd byna de geheele Somer door, terwylen ook het zaad ryp werd. Het werd mede van selfs door zaad en zyd-planten voortgeteelt.

Van den aart en kragten sal ik hier niet spreken, alsoo die met de Heemst en kaasjesbladen ganschelyk over een komt.

XVI. HOOFDSTUK.

 

Sigmaartskruid of gewone Alcea. (Malva alcea)

De gewone Alcea is verschillend want er zijn er met witte en andere met vleeskleurige bloemen en andere met bladen als de gewone kaasjesbladen en andere die de bladen in vijf delen gedeeld hebben. Deze lijken allen zeer veel op kaasjesbladen van bloem, blad en zaad. Hierbij komt nog een soort met bladen als hennep, maar die is ruiger, hariger en donkerder groen (Althaea cannabina). Alle soorten zijn aan de randen van de bladeren wat getand of gekerfd en de ene is wat stomper dan de andere.

Uit de bladen of plant rijzen in het voorjaar twee of drie stengeltjes op die rond en recht zijn en een zeventig cm hoog, min of meer, maar soms buigen ze wel wat naar de grond toe wanneer ze wat zwaar van top worden. De schors is taai en draadachtig. Hieraan groeien de bladen die hoe hoger  ze komen hoe kleiner worden. De bloempjes zijn vijfbladig en redelijk groot, bijna op de wijze als die van kaasjesbladen. Na de bloempjes volgen de zaden die in een rond schijfje staan met gewoonlijk twaalf en misschien wel meer of minder bij elkaar, ze zijn op zichzelf platachtig en verder heeft het de vorm van een nier, maar als alle zaden bij elkaar geschikt zijn lijkt het net op een geribbeld kaasje, grauw van kleur. Dat heeft aan de onderkant vijf groene blaadjes die de knopjes van de bloem voor een kelk dienen. Het heeft een witte en redelijk dikke, lange en met worteltjes begroeide lijmachtige wortel.

Men vindt het veel aan de wegen, weiden en waar gras groeit, op onbebouwde plaatsen, langs droge grachten en heggen, maar komt in de hoven weelderiger voort. Het bloeit bijna de hele zomer door terwijl ook het zaad rijp wordt. Het wordt ook vanzelf door zaad en zijplanten voort geteeld.

Van de aart en krachten zal ik hier niet van spreken omdat die met de heemst en kaasjesbladen geheel overeen komt.

 

 

[34] XVII. HOOFD-STUK

Veneetse Alcea.

Dese Veneetse Alcea gelykt na de vorige over veel niet. Sy schiet uit de grond met verscheide stelen, die rond, buigsaam, en groen syn, van byna een elle hoog, dog om de dunnen Stammetjes en swaarte der bladen op de aarde gebogen leggende. Yder deser Stammetjes verdeilen sig wederom in verscheide andere. De bladeren zyn soo groot als die van kaasjes-bladen; maar diep gesnippelt, en aan de einden getand; donker groen, en sappig, glad. Boven op de top en tusschen de leden van de bladen komen de bloemtjes voort, die van vyf blaadjes gemaakt zyn, redelyk groot, die aan ’t eind wit en bleik-geel zyn, en van binnen bruin purper rood, hebbende in het midden een goudgeel doddeken over ende staande; dese bloeme is schoon om aan te sien, maar is van een korten duur; want des ogtens te tien elf en twaalf uuren gaan sy eerst open, en na sy haar een uur ofte anderhalf open vertoont hebben, sluiten sy sig toe, en vallen dan af; waar na een langagtig, rond en hairig bolletje sig vertoont, in welke, ryp zynde, vry veel swartagtig zaad besloten is. De wortel is niet seer dik, hebbende verscheide veselen.

Hier te lande werd sy alleen van zaad in de Hoven voortgeteelt, blyvende des Winters niet over. Sy bloeyd gemeenlyk in Wiede-maand, en soo voorts de meeste Somer door, werdende, terwyl sy bloeyd, het zaad ryp; het welke in ’t laatst van Lente-maand, en in ’t begin van Gras-maand gesaad werd.

[35] Dit Gewasch is in de Genees-kunde alhier niet bekend; maar de bladen egter soude men konnen gebruiken, als die van kaasjesbloemen.

XVII. HOOFDSTUK.

 

Veneetse Alcea. (Hibiscus trionum)

Veneetse Alcea lijkt niet veel op de vorige. Ze komt uit de grond met verschillende stelen die rond, buigzaam en groen zijn, bijna een zeventig cm hoog, maar vanwege de dunne stengeltjes en zwaarte van de bladen liggen ze ter aarde gebogen. Ieder van deze stengeltjes verdeelt zich weer in verschillende anderen. De bladeren zijn zo groot als die van kaasjesbladen, maar diep geveerd en aan de einden getand, donker groen, sappig en glad. Bovenop de top en tussen de leden van de bladen komen de bloempjes voort die van vijf blaadjes gemaakt zijn, redelijk groot die aan het eind wit en bleekgeel en van binnen bruinpurperrood zijn. Het heeft in het midden een goudgele stamper die overeind staat. De bloem is mooi om aan te zien maar bloeit kort, want ‘s ochtends om tien, elf of twaalf uur gaat ze pas open en nadat ze een uur of anderhalf open geweest is gaat ze dicht en valt dan af waarna een langachtig, rond en harig bolletje komt waarin als het rijp is vrij veel zwartachtig zaad zit. De wortel is niet zo dik en heeft verschillende worteltjes.

Hier te lande wordt het alleen van zaad in de hoven geteeld en blijft ‘s winters niet over. Ze bloeit gewoonlijk in juni en zo voorts de hele zomer door en terwijl ze bloeit wordt het zaad rijp. Het zaad wordt op het eind van de lentemaand en in het begin van april gezaaid.

Dit gewas is hier in de geneeskunst niet bekend, maar de bladen zou men echter kunnen gebruiken net als die van kaasjesbloemen.

 

 

 

XVIII. HOOFD-STUK

Alchemilla, ofte Synnauw, onser Vrouwen-mantel, en Leeuwen-voet gesegt.

De Achimilla schynt by d’oude Genees-hewren niet bekend te zyn geweest, groeit somtyds een voet hoog, en dikwyls lager; met een rong en ruigagtig Stammetjen, met eenige zyd-takjes, selden regt op, maar legt meest op de aarde. D ‘onderste bladen syn vry groot, maar werden hoe hooger, hoe kleinder, synde breed en rond met seven, agt, ofte tien stompe punten, ofte stompe hoeken, alle geschaart ofte saags-gewys gekorven. Yder der onderste bladen hebben een vry lange ruige steel, maar die aan het Stammetje wasschen alsoo niet. Sy syn eenigsins gekronkelt gefronst of gevouwen, voornamelyk de bovenste kleine, hebbende een bleik geel-groene koleur. Op het top van het Stammetje, heeft men veel by een groeyende kleine groen-gele ofte gras-verwige nopjes ofte bloemtjes, waar na in kleine huisjes ofte hauwtjes de kleine gele zaadjes volgen, gelyk als dat van Eul-zaad byna gelyk. De wortel is bruin ofte swart van koleur wel een vinger somwylen dik, met veele veselen daar aan, en wel een vinger ruim lang. Sy teelt niet alleen van zaad voort, maar ook van hare aan de zyden groeijende afsetsels. De geslagt-teikenen syn, dat de bloemtjes boven op de struiken wassen, van agt groene blaadjes gemaakt, sittende op zaad-busjes, yder twee zaadjes[36]  in sig hebbende, staande kroontjes gewys.

Groeit best op een wel gemeste, sandige goede grond, soo in d’opene als schaduwagtige logt, wil wel bewatert syn. Wederstaat de koude des Winters wonderlyk wel, daarom blyft die het geheele jaar over; alhier werd sy niet in ’t wild gevonden, maar alleen in de Tuinen van de Kruid-oefenaars. Het geeft syn bloemtjes gemeenlyk in de Bloey-maand en Wiede-maand.

De smaak is wat wrangagtig, en niet heet in de mond; dit kruid werd onder de wond-middelen gerekend, soo innerlyk als uiterlyk gebruikt. Men maakt daar kooksels van met eenige andere wondkruiden, of men kan het gedroogde kruid trekken als Thee. Het dient dan mede om de Vrouwen witte en roode bloemen te stoppen, als mede de roode loop, en het bloed-spuwen.

Het sop in wonden gedaan, geneest die, en suivert de vuile sweeren, die se geneest. Hierom komt deselvige in het Emplastrum van Felix Wurtz, welke alle sweeren suivert en geneest, ten ware daar bedorven been onder was. Wanneer de etter uit de holligheid der borst getapt is, ofte in eenige ander groote holligheden belediging bespeurt werd, speut men dit kooksel daar in om te suiveren en te genesen.

XVIII. HOOFDSTUK.

 

Alchemilla of synouw, onze vrouwenmantel en leeuwenvoet. (Alchemilla vulgaris)

Alchemilla schijnt bij de oude geneesheren niet bekend te zijn geweest. Het groeit soms een dertig cm hoog en dikwijls lager met een rond en ruigachtig stengeltje met enige zijtakjes, zelden rechtop, maar ligt meestal op de aarde. De onderste bladen zijn vrij groot maar worden hoe hoger ze komen hoe kleiner en zijn breed en rond met zeven, acht of tien stompe punten of stompe hoeken, alle geschaard of zaagvormig gekerfd. Ieder van de onderste bladen heeft een vrij lange, ruige steel, maar die aan het stengeltje groeien zo niet. Ze zijn wat gekronkeld, gefronst of gevouwen, voornamelijk de bovenste kleine. Ze hebben een bleke, geelgroene kleur. Op de top van het stengeltje zijn er veel bijeen groeiende kleine, groengele of graskleurige nopjes of bloempjes waarna in kleine huisjes of hauwtjes de kleine gele zaadjes volgen die veel op die van het heulzaad lijken. De wortel is bruin of zwart van kleur en soms wel een vinger dik waaraan vele worteltjes zitten van wel ruim een vinger lang. Ze teelt niet alleen van zaad voort, maar ook van aan de zijde groeiende scheuten.

De geslachtskenmerken zijn dat de bloempjes boven op de stengels groeien en van acht groene blaadjes gemaakt zijn, ze zitten op de zaadkelk en elk heeft twee zaadjes in zich en staan kroonsgewijze.

Het groeit het beste op een goed bemeste, zandige, goede grond in open als schaduwachtige plaats, wil wel veel water hebben. Weerstaat de koude ‘s winters opmerkelijk goed en daarom blijft ze het hele jaar over. Hier wordt ze niet in het wild gevonden maar alleen in de tuinen van de kruidliefhebbers. Het geeft zijn bloempjes gewoonlijk in mei en juni.

De smaak is wat wrangachtig en niet heet in de mond. Dit kruid wordt onder de wondmiddelen gerekend en zo innerlijk als uiterlijk gebruikt. Men maakt daar kooksels van met enige andere wondkruiden of men kan het gedroogde kruid trekken als thee. Het dient dan ook om witte en rode vloed van de vrouwen te stoppen, als ook de rode loop en het bloedspuwen.

Het sap dat in wonden gedaan wordt geneest die en zuivert de vuile zweren die ze geneest. Daarom komt dit in het Emplastrum van Felix Wurtz voor die alle zweren zuivert en geneest, tenzij daar bedorven been onder is. Wanneer de etter uit de holte van de borst getapt is of in enige andere grote holte beschadiging bespeurd wordt spuit men dit kooksel daar in om te zuiveren en te genezen.

 

 

XIX. HOOFD-STUK

Fucus ofte Alga, Flap ofte Wiert.

De Wiert ofte Alga is een Zee-gewas, ontrent onse Zee-plaatsen in Zeeland, Holland, Vlaanderen, Friesland, enz wel bekend. De gedaanten syn verscheiden, sommige syn lang en plat [37] als smalle linten, andere rond als draden ofte touwtjes, andere een derde takxgewys met holle blaasjes tusschen hare breede takken, glad, en een vierde oneffen gestippelt, een vyfde meer bladers gewyse ofte breeder getakt, mede met veele diergelyke taeye blaasjes, welke de kinderen stukken duwende, een geluid geven, en stukken bersten; zynde taey als een perkament, alle dese syn bruin, en sommige donker-bruin van koleur.

Dese wasschen alle in de Zeen, die gemelde plaatsen bewateren, voornamelyk ontrent het Eiland Wieringen, dat misschein daar de naam van gekregen heeft. Sy hangen veel aan de palen, en Hoofden, gelyk als een bastert uit was, ofte Water-mosch, want het schynt van geen zaad voort te komen; als mede aan de klippen, keyen enz. wanneer het water daar over stroomt regt deselvige sig op, maar het water gevallen zynde, hangt het nederwaarts; en dit werd door harde stormen ligt afgerukt; van diergelyke aart is mede het kroost dat men de de Kroost-Zee heeft, dat fyndere takjes heeft, vol van kleine besien, soo groot als een kleine Peper.

Geen gebruik in de Genees-kunde is ons daar van bekend. Maar aan de Zee-plaatsen doet het groote dienst, wanneer men tegens het onstuimige bulderen der Zee daar dyken van maakt, die beter zyn, als die van aarde, alsoo dit Wierd digt in malkanderen verwart legt, gelyk als het hair van een vilten hoed, dit weten die gene genoegsaam te betuigen, die te Medemblik en daar ontrent woonen, maar dit werd mede meest van de eerste soort gemaakt.

XIX. HOOFDSTUK.

 

Fucus of Alga, flap of wier. (Fucus vesiculosus, blaaswier)

Wier of Alga is een zeegewas dat bij onze zeeplaatsen in Zeeland, Holland, Vlaanderen, Friesland enz. wel bekend is. De vormen zijn verschillend, sommige zijn lang en plat als smalle linten, andere rond als draden of touwtjes, (Chorda filum, zeesnaren)  een derde takvormig met holle blaasjes tussen haar brede takken die glad zijn, een vierde is oneffen gestippeld, een vijfde meer bladachtig of breder getakt en ook met vele dergelijke taaie blaasjes die de kinderen in stukken duwen en dan een geluid geven en in stukken barsten die taai zijn als perkament. Deze zijn alle bruin en sommige donkerbruin van kleur. (Phaeophycea, bruinwieren)

Deze groeien alle in de zeeën die gemelde plaatsen bevloeien, voornamelijk bij het eiland Wieringen dat misschien daar de naam van gekregen heeft. Ze hangen veel aan de palen en hoofden net als een bastaard uit was of watermos want het schijnt niet van zaad voort te komen, ook aan de klippen, keien enz. Wanneer het water daar over stroomt richt dit zich op maar als het water valt hangt het naar beneden en wordt er door harde stormen gemakkelijk afgerukt. Van dergelijke vorm is ook het kroos dat men in de Kroos-zee heeft dat fijnere takjes heeft die vol zijn van kleine bessen met de grootte van een kleine peper.

Geen gebruik in de geneeskunst is ons daarvan bekend. Maar aan de zeeplaatsen doet het grote dienst wanneer men tegen het onstuimige bulderen van de zee daar dijken van maakt die beter zijn dan die van aarde omdat dit wier dicht in elkaar verward ligt, net als het haar van een vilten hoed. Dit weten diegene goed te vertellen die te Medemblik en daarbij wonen, maar dit wordt ook meestal van de eerste soort gemaakt.

 

 

 

[38] XX. HOOFD-STUK

Alkekengi ofte Halikababi, ofte Krieken over Zee.

Uit de wortel van de Alkekengi rysen een, en meer stelen, met verscheide knoopjes ofte ledekens, een voet ofte anderhalf hoog, wat roodagtig ofte bruin, dun, die om de swaarte der bladeren en vrugten op d’aarde sig neder buigen, uit dese komen hier en daar eenige takjes ter zyden uit. De bladen komen uit de voorseide knoopjes, van groote als die van de gemeene nagt-schade, maar wat ruwer, en ruim soo groot, ook wat geelder groen. Te gelyk met de bladen, welke gemeenlyk twee en twee by malkanderen zyn, komen van een selfde knoopjes, de witagtige ses bladige bloemtjes, nederwaarts hangende. Waar na een groen blaasjen volgt, dat allenxkens grooter en geelder word, en eindelyk geelagtig rood. In ’t midden van dit blaasjen is in ’t begin mede een groen knopjen, het welke ryp werdende, eerst geel, en daarna schoon geel rood werd, zynde de vrugt van de Kerse-boom byna gelyk, insonderheid, wanneer het blaasjen daar van is afgedaan. Het is vol van sap en geelagtig plat zaad, dat niet al te groot is. Het sap deser besie is een weinig serp van smaak. De wortelen zyn wit die sig gints en weder door de aarde verbreiden; en wederom nieuwe scheuten geven.

Sy bloeyd in ’t midden van de Somer en geeft rype vrugt en zaad in den Herfst. Op sommige boschagtige plaatsen wascht het wel in ’t wild, maar in Holland, Zeeland, Vriesland, soo veel my [40] bewust is, alleen in de Hoven van de liefhebbers, daar het weelderig wascht, en als een onkruid gerekent werd, ten sy men de wortel alle jaar seer besnoeye, uit dese wortel komen menigte nieuwe planten, alhoewel die van het zaad mede konnen voortteelen.

De vrugtjes zyn alleenig in gebruik, het sy versch ofte gedroogt, welke in weinige Artzeni-bereiding komen, want sy dryven het water af, en daarom dienstig in alle nier-qualen, en opgestopte pis, versch zynde, soude men die naast de rang van de Spiritus Succini mogen stellen.

Daar syn nog eenige soorten dese ganschelyk van blad en blaasjes gelyk, maar de blaasjes blyven met haar besie groen. Synde Indiaansche ofte vreemde soorten, ook is er nog een vreemde ofte swarte, met gesnippelde bladen, en blaasjes, die in dry huisjes verdeelt zyn.

XX. HOOFDSTUK.

 

Alkekengi of Halikababi of krieken over zee. (Physalis alkekengi) 

Uit de wortel van Alkekengi komen een of meer stelen met verschillende knopen of leden tot een dertig tot vijftig cm. hoog, ze zijn wat roodachtig of bruin en dun die vanwege de zwaarte der bladeren en vruchten zich ter aarde buigen. Hieruit komen hier en daar enige takjes terzijde uit. De bladen komen uit de voorvermelde knopen en zijn van grootte als die van de gewone nachtschade, maar wat ruwer en ruim zo groot, ook wat geler groen. Tegelijk met de bladen, die gewoonlijk twee en twee bij elkaar zijn, komen van eenzelfde knoop de witachtige, zesbladige bloempjes die naar beneden hangen. Waarna een groen blaasje volgt die geleidelijk aan groter en geler wordt en tenslotte geelachtig-rood. In het midden van deze blaasjes is in het begin ook een groen stampertje en als die rijp wordt is het eerst geel en daarna mooi geelrood, het lijkt bijna op de vrucht van de kers vooral als het blaasje daarvan is afgedaan. Het is vol van sap en geelachtig, plat zaad dat niet al te groot is. Het sap van deze bes is wat scherp van smaak. De wortels zijn wit die zich heen en weer door de aarde verspreiden en weer nieuwe scheuten geven.

Ze bloeit in het midden van de zomer en geeft rijpe vrucht en zaad in de herfst. Op sommige bosachtige plaatsen groeit het wel in het wild, maar in Holland, Zeeland en Friesland, zo veel als ik me herinner alleen in de hoven van de liefhebbers waar het weelderig groeit en als een onkruid gerekend wordt, tenzij men de wortel alle jaar zeer snoeit. Uit deze wortel komen een menigte nieuwe planten alhoewel die van zaad ook geteeld kunnen worden.

De vruchtjes zijn alleen in gebruik, hetzij vers of gedroogd die in weinige artsenij bereidingen komen want ze drijven het water af en zijn daarom nuttig in alle nierkwalen en opgestopte plas, vers zou men die naast de rang van Spiritus Succini mogen stellen.

Er zijn nog enige soorten die deze geheel van blad en blaasjes gelijk zijn, maar de blaasjes blijven met hun bessen groen. Het zijn Indiaanse of vreemde soorten. Ook is er nog een vreemde of zwarte met geveerde bladen en blaasjes die in drie huisjes verdeeld zijn.