Jacob van Maerlant, Spiegel historiael, Spiegel Historiaal, ca. 1283-1325.

Uit; http://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=maer002spie00

 

Weer een werk van Maerlant, historische bespiegelingen. Hij heeft nogal wat geschreven en ik ben een fan van hem. Ik hoop dat ik dit in goed Hollands kan zetten en zo voor de gewone man geschikt kan maken. Het is wel veel gemakkelijk dan in 1990 toen ik zonder Google moest werken. Maar toen had ik ook eerst zijn hele werk getypt zodat ik in het verhaal zat en aantekeningen kon maken. Het probleem zit hem vaak in de rijmwoorden, die zijn vaak wat aangepast aan het vorige of volgende woord. Ook is lastig dat Franse, Engelse en Nederlandse woorden en vooral persoonsnamen verschillend zijn.

Het zou goed zijn om het heiligen werk eruit te halen zodat alleen de geschiedenis overblijft en dan op volgorde.

Verder uit; http://cf.hum.uva.nl/dsp/scriptamanent/remlt/A_Z.pdf

 

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de index.

 

[p.1,1] Eerste partie 

Die eerste bouc nemet sijn begin 

Also alse die werelt ginc in, 

Hoe Adam was gemaect ende Yeve, 

Hoe si verghaten die Gods lieve,

5 Hoe haer geslachte van hem quam, 

Hoe die lovie die werelt nam, 

Hoe naer die lovie voer dat diet, 

Hoe God die tongen versciet, 

Hoe Abraham ende sine neven

10 Alleene int gelove bleven, 

Ende strect vort tote Josephs doot, 

Die in Egypten was here groot, 

Ende hevet LIII capiteele inne 

Vanden ende toten beghinne.

 

Van Gode

Noch van Gode

Gods werc upten eersten dach

Gods werc upten anderen dach

Gods werc upten derden dach

Gods werc upten vierden dach

Vanden vijften daghe

Hoe Adam ende Yeve waren gemaect

Hoe Adam ende Yeve braken tgebod

Hoe Caym slouch Abelle

Van Cayms quaethede

Adams regnatie tote Noee

Van Noe, hoe hi ginc in daerke

Van Noes benedictie

Van Noes kinderen

Hoe God die tongen versciet, enten tor Babel

Van Azia ende vanden Paradise

Van India in Azia ende van sinen wondren

Van Persia in Azia ende andere riken

Van Arabia in Azia ende andere riken

Van Egypten in Azia ende andere lande

Van Albania in Azia

Vanden lande van Cleene Azia

Van Europen ende van haren sticken

Hoe Grieken es gedeelt in viven

Van Tessalia, van Europen ende van Ytalen

Van Gallen in Europen

Van Affrica ende hare lande

Van Yengis ende Mauritane

Vanden eylanden vander zee

Vanden geluckegen eylande

Vanden eylanden vander Zuudzee, ende tusscen Stroc ende Maroch

Van Cycile

Van lieden dolingen ende van costumen

Jheronimus van beestenleven van lieden

Solinus van manieren van lieden

Van minnen van wiven tharen mannen waert

Vanden beginne vander Cyten rike, ende hoe die lande vielen in dolingen

Hoe trike van Egypten begonste

Hoe Adams geslachte doolde tote Abrahame, ende hoe die afgoden upquamen

Van Abraham ende van Ninius

Hoe Semiramis berechte Surien

Van Abrahamme ende sinen geslechte, hoe si rumden tlant

Van Jacobpe ende van Esau

Van Foroneus die den Grieken hare wet gaf, ende hoe trike van Argos begonste

Hoe Joseph spelde den coninc sinen droem, dien sine broederen vercochten

Hoe Joseph coren gaderde tes coninx bouf, ende van Assenech, Futifers dochter

Van Joseph ende van Assenech, hoe si hem ondersaghen

Van Assenech droufhede, ende hoe soe Josephe minde

Hoe Joseph sinen broederen coren vercochte, ende hoe Jacob in Egypten quam

Van Pharaons sone ende van Assenech, hoene Benjamin warp met eenen steene, alsi Assenech wilde nemen

Hoe die kinderen van Ysrael quamen in pinen nar Josephs doot, ende hoe deygijndom begonste vanden Jueden

Van Aspis den afgod ende van Seraphis

Eerste deel

Dat eerste boek neemt zijn begin,

Alzo toen de wereld begon, 

Hoe Adam was gemaakt en Eva,

Hoe ze vergaten de Gods liefde,

5.  Hoe hun geslacht van hen kwam,

Hoe dat het vloed die wereld nam,

Hoe na die vloed voer dat volk,

Hoe God die tongen scheidde,

 Hoe Abraham en zijn neven

10 Alleen in het geloof bleven,

En strekt voort tot JozefŐ s dood,

Die in Egypte was heer groot,

En bevat 53 kapittelen, 

Van het eind tot het begin.

 

Van God.

Nog van God.

Gods werk op de eerste dag.

Gods werk op de volgende dag.

Gods werk op de derde dag.

Gods werk op de vierde dag.

Van de vijfde dag.

Hoe Adam en Eva waren gemaakt.

Hoe Adam en Eva braken het gebod.

Hoe Cain sloeg Abel.

Van CainŐ s kwaadheden.

Adams regering tot Noach.

Van Noach, hoe hij ging in de ark.

Van NoachŐ s zegening.

Van NoachŐ s kinderen.

Hoe God de tongen scheidt, en de toren van Babel.

Van Azi‘ en van het Paradijs.

Van India in Azi‘ en van zijn wonderen.

Van Perzi‘ in Azi‘ en andere rijken.

Van Arabi‘ in Azi‘ en andere rijken.

Van Egypte in Azi‘ en andere landen.

Van Albania in Azi‘.

Van de landen van Klein Azi‘.

Van Europa en van haar stukken.

Hoe Griekenland in vijven is verdeeld.

Van Thessali‘, van Europa en van Itali‘.

Van Galli‘ in Europa.

Van Afrika en haar landen.

Van Yengis en Mauritani‘.

Van de eilanden van de zee.

Van de  gelukkige eilanden.

Van de eilanden van de Middellandse Zee en tussen Straat van Gibraltar en Marokko.

Van Sicili‘.

Van lieden dolingen en van gebruiken.

Hi‘ronymus van beesten leven van lieden.

Solinus van soorten van lieden.

Van minnen van wijven tot hun mannen waart.

Van het begin van het Scythen rijk en hoe dat land viel in dolingen.

Hoe het rijk van Egypte begon.

Hoe Adams geslachte doolde tot Abraham en hoe die afgoden opkwamen.

Van Abraham en van Ninus. (2)

Hoe Semiramis berechte Syri‘.

Van Abraham en zijn geslacht, hoe ze ruimden het land.

Van Jacob en van Esau.

Van Foroneus die de Grieken hun wet gaf en hoe het rijk van Argos begon.

Hoe Jozef voorspelde de koning zijn droom, die zijn broeders verkochten.

Hoe Jozef koren verzamelde tot konings behoefte en van Aseneth, FutiferŐ s dochter.

Van Jozef en van Aseneth, hoe ze elkaar bekeken.

Van Aseneth droefheid en hoe ze Jozef beminde.

Hoe Jozef aan zijn broeders koren verkocht en hoe Jacob in Egypte kwam.

Van FaraoŐ s zoon en van Aseneth, hoe hem Benjamin wierp met een steen toen hij Aseneth wilde nemen.

Hoe die kinderen van Isra‘l kwamen met pijn naar JozefŐ s dood en hoe het eigendom begon van de Joden.

Van Aspis de afgod en van Serapis.

 (1)Verbastering van het Latijn Strictum Marochii, Spaans Estrecho de Marocco, Fans Destroict of DŽtroit de Maroc, thans de Straat van Gibraltar.

(2) Ninus, legendarische Assyrische koning.

 

[p.1,1.2] I Partie. I Boek. 
Hier beghint die eerste bouc vander eerster paertien vanden Spiegle Ystoriale.

Dit es tprologhe. 

Die de werelt eerst werrelt hiet, 

Hine was al in dole niet: 

Hij gaf hare bina rechten name; 

Want bider mesdaet van Adame,

5 Daer hi Gode omme vererrede 

Entie werelt al verwerrede, 

So es hare die name comen. 

Werrelt machmen de werelt nomen, 

Want ie sidert alle jare

10 Hevet soe sijn gewerret in hare. 

Wie dan weten begaert, 

Hoe swaerlike ende hoe hinderwaert 

Soe hevet ghesijn gewerret dan, 

Sidert dat die eerste man

15 Ghemaket was vander erden lime, 

Hi come ende lese minen rime. 

Hier vint hijs meer, in rechten ware, 

Dan els ieweren openbare. 

Niemen en wane no en peinse,

20 Dat ic dit in boerden veinse; 

Maer biden coninc Loduwike, 

Die coninc was in Vrancrike, 

Ende voer Thunus staerf int here, 

Bi sinen wille, bi sinen ghere,

25 Versaemde dit uut vele boeken, 

Diemen verre dede souken, 

Een Jacopijn, een Predicare, 

Ende maket alder werelt mare 

In XXXI bouken wale,

30 Ende hietse Spiegle Ystoriale, 

Omme datmer in ziet openbare 

Van vele ystorien dat ware: 

Van allen coningen die oint waren, 

Die met ridderliker scaren

35 Die werelt dwongen ende dorvochten; 

Hoe si hare dinc vulbrochten, 

Hoe si begonsten, hoe si enden, 

Hoe si hare vianden scenden; 

Van allen Roemschen keyseren mede,

40 Van allen pauesen vander stede, 

Van philosophen, van poeten, 

Van vrayen ende van valschen propheten; 

Al neder toter coemst ons Heren, 

Die de maget drouch met eeren;

45 Entie nieuwe wet daer naer; 

Meneghe pine groot ende swaer, 

Die kerstijnheit leet onder tswaert, 

Onthier ende gedoopt waert 

Constantijn, die keyser was

50 Ende van laserscepe genas; 

Ende cortelike van aneginge, 

Hoe die werelt hare dinge 

Ghehandelt heeft tote onsen tiden, 

Suldi hier horen overliden.

55 Dien dan die boerde vanden Grale, 

Die loghene van Perchevale,

[p.1,16] Ende andere vele valscher saghen 

Vernoyen ende niet en behaghen, 

Houde desen Spiegle Ystoriale

60 Over die truffen van Lenvale; 

Want hier vintmen al besonder 

Waerheit ende menech wonder, 

Wijsheit ende scone leringhe, 

Ende reine dachcortinghe,

65 Also alse broeder Vincent 

Tote Beauays int covent 

Versaemde, die Predicare, 

Die de loghene hadde ommare. 

Dese ystorien altemale

70 Vanden Spiegle Ystoriale 

Salic uten Latine dichten 

In sconen worden ende in lichten, 

Eist dat mi God wille gheven 

Ghesonde, tijt ende leven:

75 Die jeesten daer af al ghemeene; 

Maer die clergie alleene, 

Diere vele in es gesayt, 

Willic dat dat paepscap mayt, 

Want den leeken eist te swaer;

80 Ende oec mede hebbic vaer, 

Dat des dat paepscap belgen soude, 

Of ic mi dies onderwinden woude. 

Ende anderwaerven hebbic gewesen 

In haer begripen van desen,

85 Want ic leeken weten dede 

Uter Byblen die heimelichede. 

Hare biddic, diet al vermach 

Naest Gode, die in hare lach, 

Dat soe mi daer boven bejaghe

90 Sin ende ghesonde daghe, 

Dat ic dit bouc vulmaken moete, 

Ende ic mine mesdaet gheboete. 

Grave Florens, coninc Willems sone, 

Ontfaet dit werc! Ghi waert de ghone,

95 Die mi dit dede anevaen. 

Ghenoughet u, wildijt ontfaen 

Danckelike, so bem ics vro, 

Ende ic houts mi gepayt also. 

God geve u leven sonder blame!

100 Ic beghinne in ons Heren name.

I Partij. 1ste Boek. 
Hier begint dat eerste boek van de eerste partij van de Historische Spiegel.

Dit is de proloog. 

Die de wereld het eerst wereld noemde, 

Hij was geheel niet in dolen: 

Hij gaf het bij de echte naam; 

Want bij de misdaad van Adam,

5 Daar hij God om verergerde 

En de wereld al verwarde, 

Zo is haar die naam gekomen. 

Wereld mag men de wereld noemen, 

Want ze sinds alle jaren

10 Is ze zo verward in haar. 

Wie dan weten begeert, 

Hoe bezwaarlijk en hoe hinderlijk 

Ze heeft geweest verward dan, 

Sinds dat de eerste man

15 Gemaakt was van de aardse leem, 

Hij komt en leest mijn rijm. 

Hier vindt hij het meer, in rechte waar, 

Dan elders ergens openbaar. 

Niemand waant of peinst,

20 Dat ik dit in boerse veins; 

Maar bij de koning Lodewijk, 

Die koning was in Frankrijk, 

En voor Tunis stierf in het leger, 

Bij zijn wil, bij zijn verlangen,

25 Verzamelde dit uit vele boeken, 

Die men ver liet zoeken, 

Een Jacobijn, een Predikant, 

En maakte al de wereld berichten 

In 31 boeken wel,

30. En noemde het Spiegel Historie, 

Omdat men er in ziet openbaar 

Van vele histories dat ware: 

Van alle koningen die ooit waren, 

Die met ridderlijke scharen

35 Die wereld dwongen en doorvochten; 

Hoe ze hun ding volbrachten, 

Hoe ze begonnen, hoe ze eindigden, 

Hoe ze hun vijanden schonden; 

Van alle Romeinse keizers mede,

40 Van alle pauzen van de stede, 

Van filosofen, van po‘ten, 

Van fraaie en van valse profeten; 

Al neer tot de komst ons Heren, 

Die de maagd droeg met eren;

45 En de nieuwe wet daarna; 

Menige pijn groot en zwaar, 

Die Christelijkheid leed onder het zwaard, 

Tot hier en gedoopt werd 

Constantijn, die keizer was

50 En van melaatsheid genas; 

En gauw van aanvang, 

Hoe die wereld haar dingen 

Behandeld heeft tot onze tijden, 

Zal ge hier horen overgaan.

55 Die dan die boersheid van de Graal, 

Die leugens van Percival,

En andere vele valse sagen 

Verdrieten en niet behagen, 

Houden deze Historische Spiegel

60 Voor  die sprookjes van Lenvale;  (1)

Want hier vindt men al bijzonder 

Waarheid en menig wonder, 

Wijsheid en mooie leringen, 

En zuivere tijdverdrijf,

65 Alzo als broeder Vincent 

Te Beavays in het convent 

Verzamelde, die Predikant, 

Die de leugens had onwaardig. 

Deze histories helemaal

70 Van de Historische Spiegel

Zal ik uit het Latijn dichten 

In mooie woorden en in lichte, 

Is het dat me God wil geven 

Gezondheid, tijd en leven:

75 Die verhalen daarvan algemeen; 

Maar die geestelijkheid alleen, 

Die er veel in is gezaaid, 

Wil ik dat het priesterschap maait, 

Want de leken is het te zwaar;

80 En ook mede heb ik gevaar, 

Dat dus dat priesterschap verbolgen zou, 

Als ik me aldus onderwinden wou. 

En andere maal ben ik geweest 

In hun begrijp van deze,

85 Want ik leken weten deed 

Uit de Bijbel de heimelijkheid. 

Haar bid ik, die het al vermag 

Naast God, die in haar lag, 

Dat ze me daar boven bejaagde.

90 Geest en gezonde dagen,

Dat ik dit boek volmaken moet,

En ik mijn misdaad boet.

Graaf Floris, koning Willems zoon, 

Ontvang dit werk! Gij was diegene,

95 Die me dit liet aanvangen. 

Vergenoegt het u, wil gij het ontvangen 

Dankbaar, zo ben ik vrolijk,

En ik hou me betaald alzo.

God geeft u leven zonder blaam!

100 Ik begin in onze Heren naam.

 [1] vermoedelijk de Lai de Lanval van Marie de France, en Madocs droom, het verloren dichtwerk van dien Willem, aan wie wij de Reinaert danken, en daarom ook door Maerlant in een adem met die Reinaert genoemd.

 

Dits deerste ende dats van Gode. I. 

God es begin dat niene began, 

Daer alle beginne in ende an 

Hare beginne in hebben ontfaen; 

Maer gheene herte en can verstaen,

5 Noch tonge besceden daer bi 

Te vullen wel, wat God si. 

Dies ware hi ries diet verre sochte, 

Want hi lichte dolen mochte. 

Hi es, die wi niet verliesen mogen,

10 En si dat wi sijn bedroghen; 

Hi es, die niemen souken can, 

Hine si vermaent daer an; 

Hi es, die niemene en vint, dats waer, 

Hine si reine ende claer;

15 Hi es, daer onse gelove toe wect, 

Ende onse hope oec toe trect, 

Ende daer onse minne toe voeget: 

Siet dat u hier bi genoeget. 

Hi es, alse ons die heilegen leeren,

20 Die nemmermeer en can verkeeren; 

Hi eist, dus nesser wassen geen; 

Hine can niet mindren, want hi es een, 

Noch verkeeren van steden te steden, 

Want hi es over al met mogentheden.

Dit is het eerste en dat is van God. I. 

God is het begin dat niet begon, 

Daar alle begin in eind aan 

Hun begin in hebben ontvangen; 

Maar geen hart kan het verstaan,

5 Nog tong bescheiden daarbij

Ten volle goed, wat God is. 

Dus was hij dol die het verzocht, 

Want hij licht verdwalen mocht. 

Hij is, die we niet verliezen mogen,

10 Tenzij dat we zijn bedrogen; 

Hij is die niemand zoeken kan, 

Tenzij hij ze vermaant daaraan; 

Hij is, die niemand vindt, dat is waar, 

Tenzij hij is zuiver en helder;

15 Hij is daar ons geloof toe opwekt, 

En onze hoop ook toe trekt, 

En daar onze minne toe voegt: 

Ziet dat u hierbij vergenoegt. 

Hij is, zoals ons de heilige leren,

20 Die nimmermeer kan veranderen; 

Hij is het, dus nooit was er geen; 

Hij kan niet verminderen, want hij is een, 

Nog veranderen van plaats tot plaats, 

Want hij is overal met mogendheden.

 

Dits noch van Gode. II. 

Dese God, elc man bezie, 

Es een God in personen drie: 

Dien Vader, dien gi verstaen moget 

Fonteyne daer af vloyet alle doget;

5 Entie Sone, die den Vader 

Evengeweldich es altenengader; 

Die heilege Geest, die beedegader 

Coemt uten Zone ende uten Vader: 

Dese drie dat es een God.

10 Ende niemen en si so sot, 

Dat hi iet gewane das, 

Dat eenich voer dander was. 

Elc van desen drien besonder 

Es een God, ende dit es wonder;

15 Noch sijn dese alle drie 

Maer een God, gelovets mie,

[p.1,17] Ende niemen en was noit vor andren. 

Die int gelove wille wanderen, 

Houde dit vaste in sinen zin,

20 Legge sijn ghedochte hier in 

Van eenen God van drien personen, 

Ende late hem altoos niet honen; 

Want diere jegen doen of scriven, 

En mogen niet behouden bliven.

Dit is nog van God. II. 

Deze God, elk man beziet, 

Is een God en in personen drie: 

Die Vader die ge verstaan mag 

Bron daarvan vloeit alle deugd;

5 En de Zoon die de Vader 

Even geweldig is al het ene tezamen; 

De Heilige Geest die beide tezamen 

Komen uit de Zoon en uit de Vader: 

Deze drie dat is een God.

10 En niemand is zo zot, 

Dat hij iets waant das, 

Dat er enige voor de ander was. 

Elk van dezen drie apart 

Is een God en dit is een wonder;

15 Nog zijn deze alle drie 

Maar een God, geloof het me,

En niemand was er ooit voor de andere. 

Die in het geloof wil wandelen, 

Houdt dit vast in zijn zin,

20 Legt zijn gedachte hier in 

Van een God van drie personen, 

En laat hem altijd niet honen; 

Want die er tegen doen of schrijven,

Mogen niet behouden blijven.

 

Gods werc upten eersten dach. III.

 Dese God, die de creaturen 

Niet mogen zien bi naturen, 

Maecte de werelt int begin. 

Die werelt en es no meer no min

5 Dan de hemel, merct dese sproken, 

Ende al dat hi hevet beloken 

In hem selven altemale, 

Alse dat ey in de scale: 

Vier, lucht, water ende erde.

10 Die inglen van groter werde 

Maecti, dit spreect de waerhede, 

Ende vervulde den hemel daer mede, 

Ende God die sciet daer ter stede 

Dat licht vander deemsterhede;

15 Ende dit was die eerste dach, 

Die ter werelt ie gelach, 

Ende was, alse wijt verstaen, 

Dat nu Zondach heet, sonder waen. 

In desen, dat wi verstaen recht,

20 Dat God versciet deemsterheit ende lecht, 

Verstaen wi, dat hi versciet 

Die quade ingle, die hi hiet 

Vallen in die deemsterhede, 

Ende liet den goeden de claerhede.

25 Want Lucifer sach sine nature 

So scone ende so clare fighure, 

Ende daertoe sinen zin so claer, 

Dat hi hem verhief daer naer, 

So dat hi God wilde wesen,

30 Ende verhoverdem in desen, 

Ende sciet vander waerheit al. 

Dus quam hi inden zwaren val, 

Enter inglen een groot deel, 

Dies mettem waren al gheel.

35 Dese voeren haerre vaerde: 

Hem volgede nijt, scalcheit ende hoverde, 

Ende dat was recht, om haer verkeren, 

Over die edele gave ons Heren. 

Dit sijn die belagen mede

40 Talre tijt die menscelichede, 

Beede wakende ende in drome; 

Elfsghedroch ende fantome, 

Toverie comen van desen; 

In afgoden, daer wi af lesen,

45 Spreken si dicke ende liegen, 

Ende dit es al omme ons bedriegen.

Gods werk op de eerste dag. III. 

Deze God die de creaturen 

Niet mogen zien van naturen, 

Maakte de wereld in het begin. 

Die wereld is meer of min

5 Dan de hemel, merk deze spreuken, 

En al dat hij heeft besloten 

In zichzelf helemaal, 

Als dat ei in de schaal: 

Vuur, lucht, water en aarde.

10 De engelen van grote waarde 

Maakte hij, dit spreekt de waarheid, 

En vervulde de hemel daarmee, 

En God die scheidde daar ter plaatse

Dat licht van de duisterheid;

15 En dit was de eerste dag, 

Die er ter wereld ooit lag, 

En was, zoals wij het verstaan, 

Dat nu zondag heet, zonder waan. 

In deze, dat we verstaan echt,

20 Dat God scheidt duisterheid en licht, 

Verstaan we, dat hij scheidt 

Die kwade engelen die hij zei te

Vallen in die duisterheid, 

En liet de goede de helderheid.

25 Want Lucifer zag zijn natuur 

Zo mooi en zoŐ n helder figuur, 

En daartoe zijn zin zo helder, 

Dat hij hem verhief daarna, 

Zodat hij God wilde wezen,

30 En verhovaardigde hem in deze, 

En scheidde van de waarheid al. 

Dus kwam hij in de zware val, 

En de engelen een groot deel, 

Die met hem waren al geheel.

35 Deze voeren hun vaart: 

Hem volgde nijd, schalksheid en hovaardigheid, 

En dat was recht, vanwege hun veranderen, 

Over die edele gave onze Heer. 

Dit zijn die belagen mede

40 Te alle tijd de menselijkheid, 

Beide wakend en in dromen; 

Elvengedrocht en fantomen, 

Toverij is gekomen van dezen; 

In afgoden, waar we van lezen,

45 Spreken ze vaak en liegen, 

En dit is alles om ons te bedriegen.

 

 

Gods werc upten anderen dach. IIII. 

Upten anderen dach so maecte 

Die wakende God, die oit waecte, 

Dat firmament, daer wi de sterren 

Noch in scinen zien van verren,

5 Ende dat int water te middewaerde, 

Ende beluuct al omme de aerde, 

Van vervorsene watre al, 

Hart gelijc alse cristal. 

Alse vele waters, es bekent,

10 Es buten boven tfirmament, 

Alse beloken es daer binnen, 

Doet ons Moyses wel bekinnen. 

Wat dat water daer boven doet, 

Dies es God alleene vroet.

Gods werk op volgende dag. IIII. 

Op de volgende dag zo maakte 

Die wakende God, die ooit waakte, 

Dat firmament, daar we de sterren 

Nog in schijnen zien van verre,

5 En dat in het water te midden waart, 

En omsluit alom de aarde, 

Van bevroren water al, 

Hard gelijk als kristal. 

Alzo veel water, het is bekend,

10 Is buiten boven het firmament, 

Als besloten is daarbinnen, 

Doet ons Mozes wel bekennen. 

Wat dat water daar boven doet, 

Dat is God alleen bekend.

 

Gods werc upten derden dach. V. 

Ten derden daghe al ommetrent 

Versaemde God onder tfirmament 

Alt water teere stat te samen: 

Dat hiet hi die zee bi namen.

5 Dus heeft hi derde vort getrect,

[p.1,18] Die te voren was verdect. 

Die viere elemente mede 

Sette hi elke in sine stede,. . . 

Daer sterren, zonne ende mane

10 Af gemaect waren, ic wane. 

Die lucht sette hi daer bi, 

Omme dat soe daer na minst zwaer si; 

Dies altoos van sochter maniere 

An die zide naest den viere;

15 Maer an de zide te watre waert, 

Want daer vetter es sijn aert, 

Daer sijn de donre ende die reghen, 

Ende winde, die altoos plegen 

Te doene ons Heren gebot.

20 Na die lucht so sette God 

Dat water, want hets licht; daer naer 

Die erde; want soe es zwaer, 

So hout soe die nederste stede 

Vanden viere elementen mede.

25 Oec verchierde God die erde 

Metten bomen van groter werde, 

Ende met crude menegertiere, 

Nuttelijc ende van scoenre maniere. 

Oec so maecti dat paradijs

30 Updien dach, alsemen ons maect wijs, 

Daer hi cruut ende bome de beste 

Binnen plante ende veste.

Gods werk op de derde dag. V. 

Te derde dag al omtrent 

Verzamelde God onder het firmament 

Al het water te ene plaats tezamen:

Dat noemde hij de zee bij namen.

5 Dus heeft hij de aarde voort getrokken,

Die te voren was bedekt. 

Die vier elementen mede 

Zette hij elk in zijn plaats. . . 

Daar sterren, zon en maan

10 Van gemaakt waren, ik waan. 

Die lucht zette hij daarbij, 

Omdat het daarna het minste zwaar is; 

Die is altijd van zachte manieren 

Aan de zijde naast het vuur;

15 Maar aan de zijde te water waart, 

Want daar vetter is zijn aard, 

Daar zijn de donder en de regen, 

En wind, die altijd plegen 

Te doen ons Heren gebod.

20 Na de lucht zo zette God 

Dat water, want het is licht; daarna 

De aarde; want het is zwaar, 

Het houdt zo de laagste plaats

Van de vier elementen mede.

25 Ook versierde God de aarde 

Met de bomen van grote waarde, 

En met kruiden menigerhande, 

Nuttig en van mooie manieren. 

Ook zo maakte hij dat paradijs

30 Op die dag, zoals men ons maakt wijs, 

Daar hij kruid en bomen van de beste 

Binnen plantte en vestigde.

 

Gods werc upten vierden dach. VI. 

Up dien vierden dach, es bekent, 

Versierde God dat firmament, 

Dat wi hemel heeten bi namen, 

Ende maecte die sterren alle tsamen,

5 Daer niemen af en weet tgetal 

Dan God selve, diet weet al. 

Oec maecti zonne ende mane, 

Ende sette elc in sinen stane, 

Omme dat si met haerre cracht

10 Sceden souden dach ende nacht, 

Weken, maenden ende tijt, 

Also de werelt lijt.

Gods werk op de vierde dag. VI. 

Op die vierde dag, het is bekend, 

Versierde God dat firmament, 

Dat we hemel heten bij namen, 

En maakte die sterren alle tezamen,

5 Daar niemand van weet het getal 

Dan God zelf, die het weet het al. 

Ook maakte hij zon en maan, 

En zette elk in zijn staan, 

Omdat ze met hun kracht

10 Scheiden zouden dag en nacht, 

Weken, maanden en tijd, 

Alzo de wereld gaat.

 

 

Vanden vijften daghe. VII. 

Des vijfts dages maecte God 

Water, lucht na sijn gebot: 

Die lucht met vogle; water, rivieren 

Met visscen van vele manieren;

5 Entie maecte die hoge Vader 

Vandien watre beede gadere.

Van de vijfde dag. VII. 

De vijfde dag maakte God 

Water, lucht naar zijn gebod: 

Die lucht met vogels; water, rivieren 

Met vissen van vele manieren;

5 En die maakte die hoge Vader 

Van dat water beide tezamen.

 

 

Hoe Adam ende Yeve waren ghemaket. VIII. 

Ten sesten dage heeft God versiert 

De erde, want hi visiert 

Beesten van somegen aerde, 

Die hi maecte vander aerde:

5 Die som den mensche sijn gegeven, 

Want si verlichten dat arme leven. 

Die wreede sijn gemaect bidi, 

Dat hi hem castie daer bi. 

Vor Adams zonden waren alle diere

10 Den mensce van zachter maniere; 

Maer sine zonden dadense sijn 

Fel, ende hebben venijn. 

Alse aldus in derre maniere 

Verchiert waren alle viere

15 Die elemente, maecte dan 

God des selves dages den man, 

Alse heere te sine van groter werde. 

Den lachame maecti vander erde,

[p.1,19] Vanden lime, ende naer dat

20 Seindi die ziele in dat vat. 

Vanden lime maectine bidi, 

Omme dat hi oemoedich si, 

Ende hiere bi come ter waerde, 

Daer die ingle af vielen bi haerre hoverde.

25 Die mensce was, prouft ende smaect, 

Met groten vorsiene gemaect; 

Want: ÔMaken wine,Ő sprac God, de rike, 

ÔTonsen beelde, tonsen gelike!Ő 

Dits nader zielen, salment keeren,

30 Es hi nae dymage ons Heren. 

Daer Damas nu staet uten pleine, 

Droughene God int paradijs reine, 

Ende gaf hem eenen slaep daer. 

Eene rebbe nam hi hem, dats waer,

35 Ende heefter af een wijf gemaect; 

Ende, ten eersten dat Adam waect, 

Hiet hise Virago bi namen, 

Ende vorsprac van beeden tsamen, 

Vanden huwelike daer ter stede

40 Vlescelijc ende oec geestelic mede.

Hoe Adam en Eva waren gemaakt. VIII. 

Te zesde dag heeft God versierd 

De aarde, want hij versiert 

Beesten van sommige aard, 

Die hij maakte van de aarde:

5 Die soms de mens zijn gegeven, 

Want ze verlichten dat arme leven. 

Die wreed zijn gemaakt daarom, 

Dat hij zich kastijdt daarbij. 

Voor AdamŐ s zonden waren alle dieren

10 De mens van zachte manieren; 

Maar zijn zonden deden ze zijn 

Fel, en hebben venijn. 

Alzo aldus in die manieren 

Versierd waren alle vier

15 De elementen, maakte dan 

God dezelfde dag de man, 

Als heer te zijn van grote waarde. 

Het lichaam maakte hij van de aarde,

Van de leem, en na dat

20 Zond hij de ziel in dat vat. 

Van de leem maakte hij het daarom, 

Omdat hij ootmoedig is, 

En hierbij komt ter waarde, 

Daar die engelen afvielen bij hun hovaardigheid.

25 De mens was, proeft en smaakt, 

Met grote voorzienigheid gemaakt; 

Want: ÔMaken we hem,Ő sprak God, de rijke,

ÔTot ons beeld, tot ons gelijke!Ő 

Dit is naar de ziel, zal men het keren,

30 Is hij naar het beeld van ons Heren. 

Daar Damascus nu staat uit het plein 

Droeg hem God in het paradijs rein, 

En gaf hem een slaap daar. 

Een rib nam hij hem, dat is waar,

35 En heeft er van een wijf gemaakt; 

En, ten eerste dat Adam ontwaakt, 

Noemde hij haar Virago bij namen, 

En voorsprak van beiden tezamen, 

Van het huwelijk daar ter plaatse

40 Vleselijk en ook geestelijk mede.

 

 

Hoe Adam ende Yeve braken Gods gebot. IX. 

Adam ende sijn wijf mede, 

Doe si indie onnoselhede 

Beede waren int paradijs, 

Sine mercten in geere wijs

5 Te deckene enegerande lede, 

Want si en wisten negheenen onzede. 

God gaf hem orlof tetene dare 

Alrehande vrucht, die ware 

In dat paradijs ghemeene,

10 Sonder van eenen bome alleene: 

Dats die in scrifturen heet, 

Die quaet ende goet ondersceet. 

Lucifer die hadde nijt, 

Omme dat si waren in dat delijt,

15 Ende ginc an dat serpent, 

Daer hi twijf met hevet gescent, 

Ende seide: aten si die vrucht, 

Daer hem God in gaf dien ducht, 

Ende die hi hem hadde verboden,

20 Si souden gelijc wesen Gode. 

Dat wijf begonde dies geloven, 

Ende waende die godheit roven, 

Ende nam den appel ende at. 

Adam selve wiste wel dat,

25 Dat dat altoes niet en dochte, 

Dat hi die godheit roven mochte; 

Maer dor die liefscap vanden wive 

At hi den appel keytive. 

Dit was al upten sesten dach;

30 Ende God, dien gheene pine en wach, 

Ruste inden sevenden daghe, 

Ende benedijden, dins ghene zaghe: 

Dies hiet hi in Ebreus Sabat. 

Noch houden die Jueden over dat,

35 Datmenne te rechte vieren sal, 

Ende si vierne oec over al.

Hoe Adam en Eva braken Gods gebod. IX. 

Adam en zijn wijf mede, 

Toen ze in die onschuld

Beide waren in het paradijs, 

Ze merkten in geen wijze

5 Te bedekken enigerhande leden, 

Want ze wisten geen onzedelijkheid. 

God gaf hen verlof te eten daar 

Allerhande vrucht, die waren 

In dat paradijs algemeen,

10 Uitgezonderd van een boom alleen: 

Dat is die in schriften heet, 

Die kwaad en goed onderscheidt. 

Lucifer die had nijd, 

Omdat ze waren in die vreugde,

15 En ging aan dat serpent, 

Daar hij het wijf met heeft geschonden, 

En zei: aten ze die vrucht, 

Daar hem God in gaf die deugd, 

En die hij hen had verboden,

20 Ze zouden gelijk wezen God. 

Dat wijf begon dus te geloven, 

En waande die godheid te roven, 

En nam de appel en at. 

Adam zelf wist wel dat,

25 Dat dit altijd niet deugde, 

Dat hij die godheid roven mocht; 

Maar door de liefde van het wijf 

At hij de appel ellendig. 

Dit was al op de zesde dag;

30 En God, die geen pijn verwacht, 

Ruste in de zevende dag, 

En zegende, dit is geen sage: 

Dus heet hij het in Hebreeuws Sabbat. 

Nog houden die Joden het voor dat,

35 Dat men het te recht vieren zal, 

En ze vieren het ook overal.

 

 

Hoe Caym slouch Abelle. X. 

Men wille seggen in waren brieve, 

Dat Adam ende ver Yeve 

Upten Vrijndach, ten sesten daghe, 

Ghemaect waren, sonder saghe,

5 Ende te middaghe braken si tgebot, 

Ente noenen stacse God 

Uten paradise tsamen; 

Want Jhesus metter zaleger namen 

Was gecruust upten sesten daghe,

10 Ende upten middach, sonder saghe, 

Hinc hi ant cruce, daer menich kende, 

Ende te noenen dede hi sinen ende, 

Ende ontdede dat paradijs 

Dien dieve, des sijn wi wijs.

15 Alse Adam ende Yeve sijn wijf 

Waren worden so keytijf,

[p.1,20] Ende uut dien paradise gesteken, 

Horen wi dien jeesten spreken, 

Dat si quamen wonen beide

20 Tote Damas an die heide, 

Daer Adam ghemaket was. 

Over waer gewaget men das, 

Dat si maget in alre wijs 

Waren in dat paradijs;

25 Maer daer si namen hare ruste, 

Quamen si in huwelix geluste, 

Ende pogeden hem te generne, 

Dat si wat wonnen te verterne. 

Caym wart geboren, dats waer,

30 Alse Adam hadde XV jaer, 

Ende sijn zuster Calmana; 

Over XV jaer daer na 

Wart gheboren die goede Abel, 

Ende Delbora also wel,

35 Sijn zuster; want sijn moeder 

Drouch te samen zuster ende broeder. 

Abel, die simpel, hi wart herde; 

Caym ten ackere hem generde, 

Die quaet, fel was ende vrec:

40 Dus viel hi indes duvels strec. 

Men hout vor waerheit, dat Adam ginder 

Instruweerde sine kinder, 

Dat si souden offren Gode 

Deerste vrucht tsinen gebode,

45 Ende die bernen tsiere eeren. 

Dus, alse ons die bouke leeren, 

Offerde Caym sijn aerchste coren, 

Ende Abel, alse wijt horen, 

Offerde sijn beste lam.

50 Ende omme dat hi Gode bequam, 

Omme sine soete miltheit groot, 

Sloughene sijn broeder doot, 

Dien God selve verwiet daer af,

Omme dat hi die hope begaf.

Hoe Kain sloeg Abel. X. 

Men wil zeggen in ware brieven, 

Dat Adam en vrouw Eva 

Op de vrijdag, te zesde dag, 

Gemaakt waren, geen sage,

5 En te middag braken ze het gebod, 

En te noen stak ze God 

Uit het paradijs tezamen; 

Want Jezus met de zalige naam 

Was gekruisigd op de zesde dag,

10 En op de middag, zonder sage, 

Hing hij aan het kruis, daar menig het bekende, 

En te noen deed hij zijn einde, 

En opende dat paradijs 

De dief, dus zijn we wijs.

15 Toen Adam en Eva zijn wijf 

Waren geworden zo ellendig,

En uit dat paradijs gestoken, 

Horen we die verhalen spreken, 

Dat ze kwamen wonen beide

20 Tot Damascus aan de heide, 

Daar Adam gemaakt was. 

Voor waar gewaagt men dat, 

Dat ze maagd in alle wijs 

Waren in dat paradijs;

25 Maar daar ze namen hun rust, 

Kwamen ze in huwelijkse lusten, 

En poogden hen te generen, 

Dat ze wat wonnen te verteren. 

Kain werd geboren, dat is waar,

30 Toen Adam had 15 jaar, 

En zijn zuster Calmana; 

Over 15 jaar daarna 

Werd geboren die goede Abel, 

En Delbora alzo wel,

35 Zijn zuster; want zijn moeder 

Droeg tezamen zuster en broeder. 

Abel, die eenvoudige, hij werd herder; 

Kain ten akker hem geneerde, 

Die kwaad, fel was en vrekkig:

40 Dus viel hij in de duivelse strik. 

Men houdt voor waarheid, dat Adam ginder 

Instrueerde zijn kinderen,

Dat ze zouden offeren God 

De eerste vrucht tot zijn gebod,

45 En die verbranden tot zijn eer. 

Dus, zoals ons de boeken leren, 

Offerde Kain zijn ergste koren, 

En Abel, zoals wij het horen, 

Offerde zijn beste lam.

50 En omdat hij God bekwam, 

Om zijn zoete mildheid groot, 

Sloeg hem zijn broeder dood, 

Die God zelf verweet daarvan, 

Omdat hij de hoop opgaf.

 

 

Van Cayms quaetheden. XI. 

Van allen quaden menscen thovet 

So es Caym, dies ghelovet. 

Hi was deerste in alle lant, 

Daermen vrecheit ane vant;

5 Hi was deerste, hebt gheloof, 

Die veste stichte ende roof; 

Dies maecti veste met ghewelt, 

Omme dat hi daer den roof onthelt; 

Hi was dalre eerste die stichte

10 Mate, lantgesceet ende gewichte. 

Hi keerde der lieder simpelhede 

Ter vrecheit enter gierechede; 

Want voer sine coemst alleene 

So was derdsche goet gemeene.

15 Dese, na dattene God verwiet 

Ende hine uut sinen lande sciet, 

Vloe hi ten oesten waert, lesen wi, 

Int lant dat heetet Endi, 

Daer hi die eerste veste stichte,

20 Die Enoch heet int gedichte, 

Want sijn sone Enoch hiet. 

Aerger volc en weet men niet, 

Dan dat van Cayme quam;

Want die sine, alsict vernam,

25 Brochten alle scalcheit ane 

In rovene, in steelne, ic wane, 

So dat die sevende, die quam 

Van Adame, alsict vernam, 

In sijn geslachte, weetmen wel,

30 Was die eerst plach overspel, 

Ende hadde te samen twee wijf: 

Dus leeddi een onsalich lijf.

Van KainŐ s kwaadheden. XI. 

Van alle kwade mensen het hoofd 

Zo is Kain, dus geloof het. 

Hij was de eerste in alle land, 

Daar men vrekkigheid aan vond;

5 Hij was de eerste, hebt geloof, 

Die vestigde stichtte en roofde; 

Dus maakte hij vesting met geweld, 

Om dat hij daar de roof onthield; 

Hij was de allereerste die stichtte

10 Maten, landscheiding en gewicht. 

Hij keerde de lieden eenvoudigheid

Ter vrekkigheid en tot gierigheid; 

Want voor zijn komst alleen 

Zo was het aardse goed algemeen.

15 Deze, na dat hem God verweet 

En hij hem uit zijn land scheidde, 

Vloog hij ten oosten waart, lezen wij, 

In het land dat heet Indi‘, 

Daar hij die eerste vesting stichtte,

20 Die Enoch heet in het gedicht, 

Want zijn zoon Enoch heet. 

Erger volk weet men niet, 

Dan dat van Kain kwam; 

Want de zijne, zoals ik het vernam,

25 Brachten alle schalksheid aan 

In roven, in stelen, ik waan, 

Zodat de zevende, die kwam 

Van Adam, zoals ik het vernam, 

In zijn geslacht, weet men wel,

30 Was die eerst plag overspel, 

En had tezamen twee wijven: 

Dus leidde hij een onzalig lijf.

 

 

Adams regnatie tote Noe. XII. 

Der Bybelen jeesten, sonder waen, 

Willic lidelijc overgaen,

[p.1,22] Omme dat icse over waer, 

Leden es wel XIII jaer,

5 Dichte in Scolastica, 

Dat gespreet es verre ende na; 

Maer dien Spiegle Ystoriale 

Willic volghen altemale. 

Adam, doe Abel was doot,

10 Beweende hine met rouwen groot 

C jaer, dus eist gheset. 

Doe wan hi eenen sone, hiet Seth; 

Seth Enoch sinen sone wan;

Van Enoch quam Caynan;

15 Van Caynam Manaleel, 

Jarechs vader, weetmen wel; 

Ende Jarech die wan Enoch. 

Die werelt began ergeren doch,

 Ende dese Enoch was so goet,

20 Dattene God, want hi verstoet 

Dat hare die werelt verkeerde, 

Heenen voerde ende hine so eerde, 

Dat hi hem verste die doot 

Ter werelt, ende dordie noot,

25 Alse der goeder sullen sijn berste, 

Te stridene jeghen Antkerste 

Met Helyen, sinen gheselle, 

Daer ic noch hier naer af telle. 

Enoch die wan Matusalee,

30 Die wan Lamech, den vader Noe.

Adams regering tot Noach. XII. 

De Bijbelse verhalen, zonder waan, 

Wil ik geleidelijk overgaan,

Omdat ik ze voor waar, 

Geleden is wel 13 jaar,

5 Dichtte in Scolastica, 

Dat verspreid is ver en nabij; 

Maar die Spiegel Historie 

Wil ik volgen helemaal. 

Adam, toen Abel was dood,

10 Beweende hij hem met rouw groot 

100 jaar, aldus is het gezet. 

Toen won hij een zoon, heet Seth; 

Seth won Enos zijn zoon; 

Van Enos kwam Kenan;

15 Van Kenan Mahalal-el, 

JeredŐ s vader, weet men wel; 

En Jered die won Henoch. 

Die wereld begon te ergeren toch, 

En deze Henoch was zo goed,

20 Dat hem God, want hij verstond 

Dat zich de wereld veranderde, 

Heen voerde en hij hem zo aardde, 

Dat hij hem uitstelde de dood (1)

Ter wereld, en door die nood,

25 Als de goeden zullen zijn te besten, 

Te strijden tegen de Antichrist 

Met Helye, zijn gezellin, 

Waarvan ik nog vertel hierna. 

Henoch die won Methusalem,

30 Die won Lamech, de vader van Noach.

 (1) Genesis 5;24.

 

 

Van Noe, hoe hi ginc in daerke. XIII. 

Noe was out VC jaer, 

Ende wan III sonen daer naer, 

Sem ende Cam ende Japhet. 

Doe wart die werelt so sere besmet

5 Met quaden dorperen sondaren; 

Want Seths geslachte, die goet waren, 

Die namen die scone wive, 

Die comen waren van Cayms live, 

Nochtan dat hem Adam verboot

10 Nerenstelike voer sine doot. 

Vandien huwelike quamen gygante, 

Grote, quade, sterke seriante, 

Die altoos niet duchten Gode; 

Ende jegen der naturen ghebode

15 So vielen si in overspele; 

Wijf ende man daertoe so vele 

Lieten den woch der naturen. 

Dies balch hem uptie creaturen 

God, ende dede die aerke maken,

20 Omme te wrekene die saken, 

Voer die lovie hondert jaer. 

Noe maecte dat scip, dats waer, 

Ende castyede die lieden, 

Maer dan mochte altoos niet dieden.

25 Doe ginc Noe ende sine drie kinder 

Ende sijn wijf indie aerke ghinder, 

Ende alrehande beesten mede, 

Also alst God selve dede,

 Ende alrehande voglen tien stonden;

30 Want dat volc bleef indie zonden. 

Doe begant reinen met crachte 

XL daghe ende XL nachte; 

Ende dit was deerste, merket wel, 

Datmen leest dat ie reghen vel.

35 Twater wies, ende het verdranc 

Al dat die werelt hadde bevanc; 

Want het boven allen berghen ginc 

XV ellen lanc, dits ware dinc. 

Die aerke dreef woch metten haren,

40 Daerse God wilde bewaren. 

Hondert ende L daghe 

Wies dat water, sonder saghe. 

Doe begonst dalen na dat

Also, dat die aerke sat

45 Uptie berghe van Aermenien 

Met Noe ende met siere partien.

Van Noach, hoe hij ging in de ark. XIII. 

Noach was oud 500 jaar, 

En won 3 zonen daarna, 

Sem, Cham en Jafet. 

Toen werd die wereld zo zeer besmet

5 Met kwade dorpse zondaren; 

Want SethŐ s geslacht, die goed waren, 

Die namen die mooie wijven, 

Die gekomen waren van KainŐ s lijf, 

Nochtans dat hen Adam het verbood

10 Vlijtig voor zijn dood. 

Van die huwelijken kwamen giganten, 

Grote, kwade, sterke bedienden, 

Die altijd niet duchten God; 

En tegen de naturen gebod

15 Zo vielen ze in overspel; 

Wijf en man daartoe zo veel 

Lieten de weg der naturen. 

Dus verbolg hen op die creaturen 

God, en liet de ark maken,

20 Om te wreken die zaken, 

Voor de vloed honderd jaar. 

Noach maakte dat schip, dat is waar, 

En kastijdde de lieden, 

Maar dat mocht niet altijd dienen.

25 Toen ging Noach en zijn drie kinderen 

En zijn wijf in die ark ginder, 

En allerhande beesten mede, 

Alzo als het God zelf deed, 

En allerhande vogels te die stonden;

30 Want dat volk bleef in die zonden. 

Toen begon het regenen met kracht 

40 dagen en 40 nachten; 

En dit was de eerste, merk het wel, 

Dat men leest dat ooit regen viel.

35 Het water groeide aan, en het verdronk 

Al dat de wereld had bevangen; 

Want het boven alle bergen ging 

10,20m lang, dit is een waar ding. 

Die ark dreef weg met de haren,

40 Daar ze God wilde bewaren.

 Honderd en 50 dagen 

Groeide dat water, zonder sage. 

Toen begon het te dalen na dat 

Alzo, dat die ark zat

45 Op de bergen van Armeni‘ 

Met Noach en met zijn partijen.

 

 

Van Noees benedictie. XIIII. 

Noe sendde eerst uut den raven: 

Hine quam niet, hi ginc henen scaven; 

Maer die duve en wilde niet bliven, 

Soe brochte een telch van oliven.

[p.1,22] 5 Nochtoe en ginc hi ute niet, 

Onthier ent hem God hiet. 

Doe ginc hi ute ende sine kinder, 

Ende hare wijf, die waren ghinder, 

Voglen ende beesten mede.

10 Noe maecte daer ter stede 

Eenen outaer met sinen handen 

Ende offerde Gode offranden, 

Ende danctem siere genaden ginder. 

God benediedene ende sine kinder

15 In drien saken, alse wijt vinden: 

Deen was in wasdoem van kinden; 

Dander in bedwanghe der diere

Van zachter ende van felre maniere; 

Terde dat si vleesch mochten eten,

20 Dies men te voren en conde geweten. 

Ende want si die lovie ontsaghen, 

Settem God in ghenen daghen 

Den reghenboghe indie lucht, 

Ende hietse wesen sonder vrucht:

25 Dat ware tekijn vandien dinghe, 

Dat lovie nemmermeer en ginghe. 

Doe hadde Noe DC jaer 

Ende Sem hondert, dat es waer, 

Entie werelt hadde ghestaen

30 IIM jaer, sonder waen, 

CC XL ende twee: 

Die LXX wise seggen nemmee. 

Hier gaet ute deerste etaet, 

Diere noch viere te comene staet,

35 Eer wi tellen ende leeren 

Vander gebornessen ons Heren.

Van NoachŐ s zegening. XIIII. 

Noach zond eerst uit de raaf: 

Hij kwam niet, hij ging henen schaven; 

Maar de duif wilde daar niet blijven, 

Ze bracht een twijg van olijven.

5 Nog toen ging hij uit niet, 

Tot hier en het hem God zei. 

Toen ging hij uit en zijn kinderen, 

En hun wijven, die waren ginder, 

Vogels en beesten mede.

10 Noach maakte daar ter plaatse 

Een altaar met zijn handen 

En offerde God offeranden, 

En dankte hem zijn genaden ginder. 

God zegende hem  en zijn kinderen

15 In drie zaken, zoals wij het vinden: 

De ene was in groei van kinderen; 

De ander in bedwang der dieren 

Van zachte en van felle manieren; 

Het derde dat ze vlees mochten eten,

20 Dat men te voren niet kon weten. 

En dat ze de vloed ontzagen, 

Zette hen God in die dagen 

De regenboog in de lucht,

En zei ze te zijn zonder vrees:

25 Dat ware teken van dat ding, 

Dat een vloed nimmermeer aanging. 

Toen had Noach 600 jaar 

En Sem honderd, dat is waar, 

En de wereld had gestaan

30, 2000 jaar, zonder waan, 

240 en twee: 

Die 70 wijzen zeggen geen nee. 

Hier gaat uit het eerste staat, 

Waarvan er nog vier te komen staat,

35 Eer we vertellen en leren 

Van de geboorte ons Heren.

 

 

Van Noees kinderen. XV. 

Van desen Noes kinderen quam, 

Sem, Japhet ende Cham,... 

In Philone lesen wie, 

Dat van desen kinderen drie

5 Also vele volcs quamen, 

Ende van hare kindskindere te samen, 

Eer Noe die doot ghewan, 

XXIIII dusentech man 

Ende hondert, al boven XX jaren,

10 Sonder wive ende kindere te waren; 

Ende dese hadden, alse wijt horen, 

Over hem drie heren vercoren, 

Ende van desen volke es ontsprongen 

LXXII manieren van tongen.

15 Sems gheslachte hadde Azia, 

Chams Egypten ende Affrica, 

Japhets Frigien ende Europen. 

Die twee geslachten laten wi lopen, 

Ende tellen alre meest van Sem,

20 Omme dat Maria quam van hem; 

Maer Cham wan eenen sone, hiet Chus; 

Van hem lesen wi aldus, 

Dat hi wan Nembroth den gygant, 

Die wart rovende eerst int lant,

25 Ende deerste here met moghentheden, 

Die dede dat vier anebeden. 

Dyrodius die maertelare 

Die seget van Noe openbare, 

Dat hi nadie lovie wan

30 Eenen sone, die goede man: 

Jonithus was hi genant; 

Etham gaf hi hem, een lant, 

Ende God gaf desen groten zin. 

Astronomie nam beghin

35 An desen man, want hise vant. 

Nembroth quam in sijn lant, 

Die gygant, wi lesent dus, 

Hi was lanc X cubitus. 

Hi verwaerf ende leerde an desen,

40 Hoe hi here soude wesen 

Jonithus voerseidem mede,

[p.1,23] Dat Chams kindere de mogenthede 

Eerst souden hebben, alse wijt horen; 

Want Belis was van hem geboren.

45 Daer naer soude Sems geslachte 

Die werelt dwingen met machte: 

Dat waren Persen ende Meden, 

Die vele hadden der mogentheden. 

Daer naer die van Japhet quamen,

50 Dat waren die Grieken, alse wijt vernamen, 

Entie Romeine, die haer bedwanc 

Hadden over die werelt lanc, 

Alst emmer moeste ghescien. 

Noch machment heden dages sien,

55 Dat alle die wel geloven in erterike, 

Moeten onderdaen sijn den Roemscen rike. 

Hier naer salmen wel horen de saken, 

Hoe si onsen Here wraken.

Van NoachŐ s kinderen. XV. 

Van deze NoachŐ s kinderen kwamen, 

Sem, Jafet en Cham,... 

In Philo lezen wie, 

Dat van deze kinderen drie

5 Alzo veel volk kwamen, 

En van hun kleinkinderen tezamen, 

Eer Noach de dood won, 

24 000 man 

En honderd, al boven 20 jaren,

10 Zonder wijven en kinderen te waren; 

En deze hadden, zoals wij het horen, 

Boven hen drie heren gekozen, 

En van dit volk is ontsprongen 

72 manieren van spraak.

15 SemŐ s geslacht had Azi‘, 

ChamŐ s Egypte en Afrika, 

Jafet Frygi‘ of  Phyrgi‘ en Europa. 

Die twee geslachten laten we lopen, 

En vertellen allermeest van Sem,

20 Omdat Maria kwam van hem; 

Maar Cham won een zoon, heet Cush; 

Van hem lezen we aldus, 

Dat hij won Nimrod (1) de gigant, 

Die werd rovend eerst in het land,

25 En de eerste heer met mogendheid, 

Die liet dat vuur aanbidden. 

Dyrodius die martelaar 

Die zegt van Noach openbaar, 

Dat hij na die vloed won

30 Een zoon, die goede man: 

Jonithus was hij genoemd; 

Etham gaf hij hem, een land, 

En God gaf deze grote zin. 

Astronomie nam begin

35 Aan deze man, want hij het vond. 

Nimrod kwam in zijn land, 

Die gigant, we lezen het aldus, 

Hi was lang 450cm. 

Hi verwierf en leerde aan deze,

40 Hoe hij heer zou wezen 

Jonithus voorzei hem mede,

Dat ChamŐ s kinderen de mogendheid 

Eerst zouden hebben, zoals wij het horen; 

Want Belis was van hem geboren.

45 Daarna zou SemŐ s geslacht 

Die wereld bedwingen met macht: 

Dat waren Perzen en Meden, 

Die veel hadden de mogendheden. 

Daarna die van Jafet kwamen,

50 Dat waren die Grieken, zoals wij het vernamen, 

En die Romeinen, die hun bedwang 

Hadden over de wereld lang, 

Zoals het immer moest geschieden. 

Nog mag men het hedendaags zien,

55 Dat allen die wel geloven in aardrijk, 

Moeten onderdanig zijn het Romeinse rijk. 

Hierna zal men wel horen de zaken, 

Hoe ze onze Heer wraken.

 (1) Nimrod, stichter van Babel of Babylon.

 

Hoe God die tongen versciet, ende vanden torre Babel. XVI. 

Nembroth begonste eerst met machte 

Here sijn over Chams geslachte, 

Ende dien leerde Jonithus, 

Noes sone, wi lesent dus,

5 Hoe hi here wesen soude. 

Daer naer wart Jecte met gewoude 

Here over Sems gheslachte. 

Daer na wart Sufne met machte 

Here over Japhets kinder:

10 Dus wart deen meerre, dander minder. 

Dus quam eerst hoocheit onder die liede. 

Sem, alsict eerst bediede, 

Wan na die lovie II jaer 

Arfaxat sinen sone, dats waer,

15 Ende Arfaxat die wan Salee; 

Dese hadde der namen twee: 

Lucas hietene Canaan. 

Men leest dat hi Ebur wan. 

Hebur wan Falech daer naer,

20 Alse hi hadde XXXIIII jaer. 

In sinen tiden gesciede dat wonder 

Vanden menegen tongen besonder. 

Van desen Heber, weetmen wale, 

Heeft die name Eubreusce tale,

25 Alsic u wel bedieden can. 

Nembroth, Sufne ende Jectan 

Quamen te Sennar ant velt, 

Ende vruchten, alsemen ons telt, 

Dat hem die lovie soude doen scade,

30 So dat si bi Nembroths rade, 

Die emmer here wilde wesen, 

Over een droughen in desen, 

Dat si eenen tor maken wouden, 

Dien si so hoge metsen souden,

35 Dat si die lovie daer bi ontgingen. 

Over een si daer anevingen 

Teglen, ende over morter mede 

Eene dinc die hout met groter vasthede, 

Dat heetmen butumen inden rijm:

40 Uter erden vallet sulc lijm. 

Dien tor willen si hooch maken 

Toten hemele, in waerre saken; 

Maer God, die hare meninge kende, 

Sine gesele hi hem anesende,

45 Ende gaf elken daer ene sonderlinge tonge, 

So dat die oude entie jonge 

Altoos niet verstaen mochte 

Die tale, die dander vortbrochte. 

Dus lieten si dat metsen staen,

50 Ende in drien scieden si hem saen, 

Ende deelden hem in vele scaren, 

Nadien dat hare tongen waren. 

Men leset, dat tgeslachtc van Sem 

Tlant van Asyen trac an hem,

55 Alsic hier voren hebbe geseit. 

Die meesters, die de waerheit 

Hier af tellen ende hebben ghemeten, 

Ende hier af die waerheit weten, 

Si gheven der werelt drie deel:

[p.1,24] 60 Azia geven si oec gheel 

Te sinen deele alleene die helt; 

Affrica ende Europen sijn getelt 

Over dander heelt onder hem tween: 

Men vint andere eylande engeen.

65 Van desen drien, groot ende smal, 

So sijn dandere eylande al. 

Hort hier die redene lesen, 

Hoe die werelt gedaen mach wesen.

Hoe God die tongen scheidt, en van de toren van Babel. XVI. 

Nimrod begon eerst met macht 

Heer te zijn over ChamŐ s geslacht, 

En die leerde Jonithus, 

NoachŐ s zoon, we lezen het aldus,

5 Hoe hij heer wezen zou. 

Daarna werd Jecte met geweld 

Heer over SemŐ s geslacht. 

Daarna werd Sufne met macht 

Heer over JafetŐ s kinderen:

10 Dus werd de een meerder, de ander minder. 

Dus kwam de eerste hoogheid onder die lieden. 

Sem,  zoals ik het eerst beduidt, 

Won na de vloed 2 jaar 

Arfaxad zijn zoon, dat is waar,

15 En Arfaxad die won Sale; 

Deze had de namen twee: 

Lucas noemt hem KanaŠn. 

Men leest dat hij Hebur wan. 

Hebur won Falech daarna,

20 Toen hij was 34 jaar. 

In zijn tijden geschiedde dat wonder 

Van de menige talen bijzonder. 

Van deze Hebur, weet men wel, 

Heeft de naam Hebreeuwse taal,

25 Als ik u wel aanduiden kan.

Nimrod, Sufne en Jectan 

Kwamen te Sennar aan het veld, 

En vreesden, zoals men ons vertelt, 

Dat hen dat vloed zou doen schade,

30 Zo dat ze bij NimrodŐ s raad, 

Die immer heer wilde wezen, 

Overeen kwamen in deze, 

Dat ze een toren maken wouden, 

Die ze zo hoog metselen zouden,

35 Dat ze het vloed daarbij ontgingen. 

Overeen ze daar aanvingen 

Tegels, en voor mortel mede 

Een ding dat houdt met grote vastheid, 

Dat heet men bitumen in de rijm:

40 Uit de aarde valt zulke lijm. 

Die toren willen ze hoog maken 

Tot de hemel, in ware zaken; 

Maar God, die hun mening kende, 

Zijn gezellen hij hen zond,

45 En gaf elk daar een bijzondere taal, 

Zodat de oude en de jonge 

Altijd niet verstaan mochten 

De taal, die de ander voortbracht. 

Dus lieten ze dat metselen staan,

50 En in drie‘n scheiden ze zich gelijk, 

En verdeelden hen in vele scharen, 

Nadien dat hun talen waren. 

Men leest, dat het geslacht van Sem 

Het land van Azi‘ trok aan hem,

55 Zoals ik hiervoor heb gezegd. 

Die meesters, die de waarheid 

Hiervan vertellen en hebben gemeten, 

En hiervan de waarheid weten, 

Ze geven de wereld drie delen:

60 Azi‘ geven ze ook geheel 

Tot zijn deel alleen al de helft; 

Afrika en Europa zijn geteld 

Over de ander helft onder hen twee‘n: 

Men vindt andere eilanden geen.

65 Van dezen drie, groot en smal, 

Zo zijn de andere eilanden al. 

Hoort hier die reden lezen, 

Hoe die wereld gedaan mag wezen.

 

 

Van Azia ende vanden paradise. XVII. 

Azia, alse wi ghetrouwen, 

Hevet die name van ere vrouwen, 

Die wilen hilt moghendelike 

In Orienten haer conincrike.

5 Ter zonne upgange es sijn begin, 

Ende gaet omme meer no min 

Dan zuut toten middaghe, 

Ende nort omme, dans ghene saghe, 

Strect soe haren ganc so verre,

10 Dat soe strect toter leetsterre. 

Ant west sceedse die Nervelzee, 

Die ghesceet maect min no mee 

Dan tusschen Akers ende Brandijs, 

Dat heet Zuudzee in onser wijs.

15 In dat Azia sijn vele lande, 

Die ic hier binde in corten bande, 

Ende beginne ant paradijs, 

Dat boven allen lande hevet prijs. 

Dat paradijs es sekerlike

20 Dat oest ende van erderike, 

Vul bomen van goeder maniere, 

Vul van elken crude diere. 

Daer es in des levens hout. 

Ennes daer in no heet no cout,

25 Maer getemperde lucht ende reine. 

In midden so es eene fonteine, 

Die dat proyeel can verchieren, 

Ende deelt hare in viere manieren. 

Noint man was diere in comen conde,

30 Sint dat Adam dede die zonde; 

Want een muur van viere claer 

Gaeter omme, dat es waer, 

Alsic wel sal doen verstaen: 

Daers Enoch ende Helyas in gedaen.

Van Azi‘ en van het paradijs. XVII. 

Azi‘, zoals we vertrouwen, 

Heeft die naam van een vrouwe, 

Die wijlen hield vermogend 

In Ori‘nt haar koninkrijk.

5 Ter zonsopgang is zijn begin, 

En gaat om meer of min 

Dan zuid tot de middag, 

En noord om, dat is geen sage, 

Strekt zo haar gang zo ver,

10 Dat het strekt tot de Poolster. 

Aan het westen scheidt het Gibraltar 

Die scheiding maakt min of meer 

Dan tussen Akko (1) en Brindisi, 

Dat heet Zuidzee in onze wijze.

15 In dat Azi‘ zijn vele landen, 

Die ik hierbij in kort ontbindt, 

En begin aan het paradijs, 

Dat boven allen landen heeft prijs. 

Dat paradijs is zeker

20 Dat oosten van aardrijk, 

Vol bomen van goede manieren, 

Vol van elke kruiden duur. 

Daar is in het levensboom. 

En daar is nog heet nog koud,

25 Maar getemperde lucht en zuiver. 

In het midden zo is een bron, 

Die dat prieel kan versieren, 

En deelt zich in vier manieren. 

Nooit een man was die er in komen kon,

30 Sinds dat Adam deed die zonde; 

Want een muur van vuur helder 

Gaat er om, dat is waar, 

Zoals ik wel zal doen verstaan: 

Daar Henoch en Elias in is gedaan.

(1) Havenstad in Galilea en havenstad aan de Adriatische Zee.

 

 

Van India in Azia ende van sinen wondere. XVIII. 

India es deerste rike, 

Daermen in levet sekerlike, 

Dat sere wijt es ende groot: 

Van rijcheden es hem geen genoot.

5 In dat lant es meneghe stede 

Ende menegerande liede mede. 

Daers een eylant, heet Tamprobane, 

Daermen ons af doet te verstane, 

Dat elpendier hevet menech een

10 Ende menegen precieusen steen. 

Daer sijn oec eylanden twee, 

Dats Crisos ende Argyree, 

Daer selver no gout es diere; 

Ende daers menege scone riviere,

15 Ende menege wilde beeste, dats waer, 

Ende men oegster II waerven int jaer; 

Selsiene voglen ende oec diere, 

Bome, crude van meneger maniere.

 Solinius scrivet, sonder waen,

20 Dattere VM steden in staen, 

Entie minst lieden in hebben dan, 

Hebben wel IXM man. 

Men hilt langhe sekerlike 

Voer terdendeel van erderike.

25 Wat wondere eist, al es groet Inden,

[p.1,25] Want wi dat bescreven vinden, 

Dat die wilde Inden te waren 

Geen ander lant souken begaren? 

Liber Bacus was deerste man,

30 Die tlant van Indien verwan. 

Die meeste flumen sijn daer: 

Ganges, leestmen voer waer, 

Die de scrifture Fyson heet, 

Ende uten paradise gheet;

35 Daer soe naust es gewassen, 

Die wijde van VIIIC passen; 

Die wijtste XXM breet; 

Dondiepste datmer in weet, 

Leestmen dat C voete es.

40 Een eylant leghet in Ganges, 

Daer hem so vele lieden in generen, 

Dat die coninc hevet ter weren 

Te wapenen lieden te voet 

LIIII dusentech goet,

45 Ende tors L dusent man. 

Wie sore heerscap hevet an, 

Hevet nochtan in siere scare 

Vele elpendiere groet ende mare, 

Ridders ende voetgangers mede

50 So vele, dat es wonderlichede. 

Oec so vint men in India 

Een volc dat heet Prasia, 

Sere staerc, ende hare stede 

Heetet Palibetra mede.

55 Haer coninc hevet nochtan 

Te voet wel VM man, 

Ende VIIIM elpendiere, 

Ende van ridderliker maniere 

XXX dusent alle daghe

60 (Dit nes altoos geene saghe), 

Die up sinen zoude leven. 

An geene zide, dus eist bescreven, 

Es een berch die Malcus heet, 

Daer elx jaers II werf overgheet

65 Die zonne in herfst ende in lentijn; 

Daer eist dat die dwerghe in sijn, 

Ende wonen indie berghe, dats waer, 

Ende en leven maer VIII jaer. 

Daer woent Panree, een geslachte,

70 Die de wijf dwingen met machte. 

Haer eerste vrouwe, si lyhen des, 

Dat was die dochter Hercules. 

Men vint wonderlike beesten 

In India, seggen die jeesten:

75 Paeldinghe CCC voete lanc, 

Menech serpent groot ende stranc, 

Daer hier af spreect die scrifture 

In Alexanders aventure.

Van India in Azi‘ en van zijn wonderen. XVIII. 

India is het eerste rijk, 

Daar men in leeft zeker, 

Dat zeer wijd is en groot: 

Van rijkheiden is er geen gelijke.

5 In dat land is menige stede 

En menigerhande lieden mede. 

Daar is een eiland, heet Tamprobane, (1)

Waarvan men ons doet te verstaan, 

Dat olifanten heeft menigeen

10 En menige kostbare steen. 

Daar zijn ook eilanden twee, 

Dat is Crisa en Argere, (2)

Daar zelf is goud niet duur; 

En daar is menige mooie rivier

15 En menige wilde beesten, dat is waar, 

En men oogst er 2 maal in het jaar; 

Zeldzame vogels en ook dure, 

Bomen, kruiden van menige manieren. 

Solinus schrijft het, zonder waan,

20 Dat er 5000 steden in staan,

En die de minste lieden in hebben dan, 

Hebben wel 9000 man. 

Men hield het lang voor zeker 

Voor het derdedeel van aardrijk.

25 Wat wonder is het, al is groot Indien,

Want we dat beschreven vinden, 

Dat die wilde Indi‘rs te waren 

Geen ander land zoeken te begeren? 

Liber Bacchus was de eerste man, (3)

30 Die het land van Indien overwon. 

De grootste stromen zijn daar: 

Ganges, leest men voor waar, 

Die de schrift Fyson heet, 

En uit het paradijs gaat;

35 Daar zo het nauwste is gegroeid, 

Die breedte van 800 passen; 

Die wijdste 20 000 breed; 

Het ondiepste dat men er in weet, 

Leest men dat 100 voeten is. (33m)

40 Een eiland ligt in de Ganges, 

Daar zich zo veel lieden in generen, 

Dat die koning heeft te verweren 

Te wapen lieden te voet 

54 000 goed,

45 En te paard 50 000 man. 

Wie zo er heerschap heeft aan, 

Heeft nochtans in zijn scharen 

Vele olifanten groot en bekend, 

Ridders en voetgangers mede

50 Zoveel, dat het is wonderbaarlijk. 

Ook zo vindt men in India 

Een volk dat heet Prassia, (4)

Zeer sterk, en haar stede 

Heet Palibothra mede.

55 Haar koning heeft nochtans 

Te voet wel 5000 man, 

En 8000 olifanten, 

En van ridderlijke manieren 

30 000 alle dagen

60 (Dit is altijd geen sage), 

Die van hem zouden leven. 

Aan gene zijde, aldus is het beschreven, 

Is een berg die Malcus heet, 

Daar elk jaar 2 maal over gaat

65 De zon in herfst en in lente; 

Daar is het dat die dwergen in zijn, 

En wonen in die bergen, dat is waar, 

En leven maar 8 jaar. 

Daar woont Panree, een geslacht,

70 Die de wijven dwingen met macht. 

Hun eerste vrouw, ze belijden dit, 

Dat was de dochter van Hercules. 

Men vindt wonderlijke beesten 

In India, zeggen die verhalen:

75, Palingen 300 voeten lang, 

Menig serpent groot en sterk, 

Daar hiervan spreekt die schrift 

In AlexanderŐ s avontuur.

(1) Ceylon, nu Sri Lanka.

(2) Mythische eilanden bij India, zou ten oosten van de Ganges delta zijn, ten westen van Thailand.

(3) Liber Bacchus, Bacus, heidense God van India, geboren in Achasi‘ .

(4) Van Prassi volk uit India, het huidige Patna, hoofdstad van de deelstaat Bihar.

 

Van Persia in Azia ende andere riken. XIX. 

Parchia dat lant te samen 

Heet van lieden die wilen quamen 

Ute Siten. Ane die zuudzide 

Leghet die Rode zee, die wide;

5 Nort anden berch van Yrcane. 

Assyria dat leghet daer ane, 

Dat van Assur den name ontfinc, 

Sems sone, want hire eerst in ginc. 

Dat strect van Inden tote Meden,

10 Oest ende west upten dach heden; 

Die Tygre andie nortside rinnet, 

Ende Caucasus die berch, bekinnet; 

Daer sijn die porten van Caspia, 

Daermen wonder af telt hier na.

15 Puerper was eerst vonden daer, 

Ende ongyment ende specie vorwaer. 

Media ende oec Persidia 

Hebben beede die name daer na

[p.1,26] Van tween coningen die heeten dus,

20 Medeus ende Perseus, 

Diese met orloghen verwonnen. 

Tlant van Meden sietmen begonnen 

An Perchia ende doester paertie; 

An die nortzide leghet Aermenie.

25 Perchia leghet an die zuudside. 

Een boem wast daer tallen tide, 

Heet medica, die nieweren el 

Ter werelt en wast, weetmen wel. 

Perchia strecket oest van Ynden

30 Toter Roder zee, alse wijt vinden, 

Ende hevet an die nortzide Meden. 

Zuudwaert endet teere steden, 

Die chierlijc es, ende Susen heet, 

Dats dedelste port diemen weet.

35 In Persidia was in ouden stonden 

Toverie eerstwaerven vonden. 

Daer voer Nembroch altehant 

Doe die tale versciet, die gygant; 

Hi leerde den lieden, als een zod,

40 Vier anebeden over god. 

Noch eeren si ende anebeden 

Over god die zonne noch heden. 

Mesopotania, horic visieren, 

Es een cylant tusscen II rivieren:

45 Tygris loept an die oestzide, 

Eufrates ant weste, die wide; 

Caucasus ende Taurus, nu hort, 

Dese berghe liggen hem ant nort; 

An die zuutzide Babylone,

50 Dat so mogende was ende so scone, 

Datmer wilen noemde na 

Caldea ende oec Assyria.

Van Perzi‘ in Azi‘ en andere rijken. XIX. 

Partia dat land tezamen (1)

Heet van lieden die wijlen kwamen 

Uit Scythen. Aan de zuidzijde 

Ligt de Rode zee, die wijde;

5 Noord aan de berg van Hircani‘. (2)

Assyri‘ dat ligt daaraan, (3)

Dat van Assur de naam ontving, 

SemŐ s zoon, want hij er eerst in ging. 

Dat strekt van Indien tot Meden, (4)

10 Oost en west op de dag heden; 

Die Tigris aan de noordkant vloeit, 

En Kaukasus die berg, bekent; 

Daar zijn de poorten van Kaspia, (5)

Daar men wonderen van vertelt hierna.

15 Purper was eerst gevonden daar, 

En zalf en specerij voorwaar. 

Medi‘ en ook Perzi‘ 

Hebben beide die namen daarna

Van twee koningen die heten dus,

20 Medeus en Perseus, 

Die ze met oorlogen overwonnen. 

Het land van Meden ziet men beginnen 

Aan Perzi‘ en de oostelijke partij; 

An die noordzijde ligt Armeni‘.

25 Perzi‘ ligt aan de zuidzijde. 

Een boom groeit daar te alle tijden, 

Heet medica, die nergens anders (6)

Ter wereld groeit, weet men wel. 

Perzi‘ strekt oost van Indi‘

30 Tot de Rode zee, zoals wij het vinden, 

En heeft aan de noordzijde Meden. 

Zuidwaarts eindigt het bij stede, 

Die sierlijk is, en Susa heet, 

Dat is de edelste poort die men weet.

35 In Perzi‘ was in oude stonden 

Toverij de eerste maal gevonden. 

Daar voer Nimrod gelijk 

Toen de taal scheidde, die gigant; 

Hij leerde de lieden, als een zot,

40 Vuur aanbidden voor god. 

Nog eren ze en aanbidden 

Voor god die zon nog heden. 

Mesopotami‘, hoor ik versieren, 

Is een eiland tussen 2 rivieren:

45 Tigris loopt aan de oostzijde, 

Eufraat aan het westen, die wijde; 

Kaukasus en Taurus, nu hoort, 

Deze bergen liggen hem aan het noorden; 

Aan de zuidzijde Babylon,

50 Dat zo vermogend was en zo mooi, 

Dat men het wijlen noemde na 

Chaldea (7) en ook Assyri‘.

 (1) Parthia, met centrum het huidige Iran.

(2) Zuiden van de Kaspische zee, nu Iran.

(3) Ten Noorden van het tegenwoordige Irak.

(4) Ten noorden van huidige Iran met hoofdstad Ecbatana, nu Hamadan.

(5) Ongeveer het tegenwoordige Azerbeidzjan.

(6) Citrus medica.

(7) Zuidelijk van Mesopotami‘ tot aan de Perzische Golf, ook wel als synoniem voor heel Babyloni‘ met daarin de stad Ur waar Abraham geboren was, Genesis 11; 28.

 

Van Arabia in Azia ende andere riken. XX. 

Arabia in sine lants sprake 

Luud also vele alse heilege sake. 

In sinen bossce wasset wierooc, 

Caneele, specie ende mirre oec;

5 Daer es Fenix der vogle een, 

In die werelt es el ne gheen; 

Men vintere in diere steene 

Menegertiere ende menech eene. 

Dat lant es nauwe ende lanc,

10 Ende neemt sinen oestganc 

Vander zee van Perchidia; 

Andien norden es Caldea; 

Ten westen die Rode zee, 

Daer Pharao wilen in hadde wee

15 Surien, dat es Sycia, 

Van eenen Cydrus, daer het na 

Was genant in ouden tiden, 

Dat hiet langhen tijt ziden 

Dat lant van promissioene,

20 Ende al nu in onsen doene 

Noemet menech dat Heilege Lant: 

Nu eist der heydinen pant, 

Ons te scanden utermaten. 

Doestende dats ter Eufraten;

25 Onse zee es ant westende, 

Ende Egypten es hem gehende; 

Andie nortzide es Aermenie; 

Ane die zuudzide Arabie. 

Hier in staet Jherusalem,

30 Nazareth ende Bethlem, 

Daer hi wandelde die Here, 

Die ons loste uten sere. 

Oec staettere s ende Sayet, 

Ende Akers esser bi gheset.

35 Dit was tlant van Chanaan, 

Dat wilen tfolc van Israel wan. 

Daer es in tlant van Galylee, 

Ende daer es in die Dode zee; 

Want daer visch no vogel in levet,

[p.1,27] 40 No gheene dinc die leven hevet; 

Daer wilen die vijf steden in stonden, 

Die God om hare dorpere zonden 

Met sulfre ende met viere brande. 

Noch wassen daer apple inden lande,

45 Scone buten; alsemense upsnijt, 

Vintmer in asscen talre tijt. 

Nabathea leghet daer bi, 

Tusscen daer ende Arabi, 

Dat naer Ysmahels sone heet,

50 Nabyoth, alsemen wel weet.

Van Arabi‘ in Azi‘ en andere rijken. XX. 

Arabi‘ in zijn landstaal 

Luidt alzo veel als heilige zaak. 

In zijn bossen groeit wierook, 

Kaneel, specerij en mirre ook;

5 Daar is Fenix de vogel een, 

In de wereld is elders geen; 

Men vindt er in dure stenen 

Menigerhande en menigeen. 

Dat land is nauw en lang,

10 En neemt zijn oost gang 

Van de zee van Perzi‘; 

Aan het noorden is Chaldea; 

Ten westen de Rode Zee, 

Daar Farao wijlen in had wee

15 Syri‘, dat is Sycia, 

Van een Cydrus, daar het naar 

Was genoemd in oude tijden, 

Dat heet lange tijd sinds

Dat land van belofte,

20 En al nu in onze doen 

Noemt menige het dat Heilige Land: 

Nu is het de heidenen pand, 

Ons te schande uitermate. 

Dat oosteinde dat is ter Eufraat;

25 Onze zee is aan het Westeinde, 

En Egypte is het gaan ten einde; 

Aan de noordzijde is Armeni‘; 

Aan de zuidzijde Arabi‘. 

Hierin staat Jeruzalem,

30 Nazareth en Bethlehem, 

Daar hij wandelde die Heer, 

Die ons verloste uit het zeer. 

Ook staat er Surs (1) en Sajet, (2)

En Akko is er bij gezet.

35 Dit was het land van KanaŠn, 

Dat wijlen het volk van Isra‘l won. 

Daar is in het land van Galilea, 

En daar is in de Dode Zee; 

Want daar vis nog vogel in leeft,

40 Nog geen ding die leven heeft; 

Daar wijlen die vijf steden in stonden, 

Die God om hun dorpse zonden 

Met zwavel en met vuur verbrande. 

Nog groeien daar appels in dat land, (3)

45 Mooi van buiten; als men ze doorsnijdt, 

Vindt men er in as te alle tijd. 

Nabathee ligt daarbij, 

Tussen daar en Arabi‘, 

Dat naar IsmahelŐ s zoon heet,

50 Naboth, zoals men wel weet.

(1) Surs, havenstad ten zuiden van Libanon, nu Sour, vroeger Tyrus.

(2) In Libanon, het vroegere Sidon.

(3) Solanum sodomeum of Solanum incanum. Micha 7;4, Spreuken 15;19.

 

Van Egypten in Azia ende andere lande. XXI. 

Egypten hiet wilen Ypila; 

Doe wart daer coninc daer na 

Danaus broeder, Egyptus, 

Ende hiet tlant naer hem aldus.

5 Die Rode zee ende Surien 

Liggen an doostzide, horic lyhen; 

Tote Affrica strecket west; 

Ant norden hevet die zee bevest; 

Ethyopen leghet hem zuudwaert.

10 In Egypten sone waert 

Selden reghen gesien of nie. 

Nylus, dus so teltmen mie, 

Eene flume, loept uten Paradise, 

Ende benettet in vremder wise;

15 Want soe wast eenwaerf ten jare, 

Ende alsoe wech gaet, gaemen dare 

Vruchte winnen altehant. 

Egypten voet menech lant, 

Ende vervullet die werelt mede

20 Van comanscepe in meneger stede. 

Ceres es eene stat bi Endi, 

Daer een lant na gheheeten si, 

Daer die bome zijdwulle dragen, 

Ghelijc dat in anderen haghen

25 Die bome met mosse sijn behangen. 

Ant norden es dat lant bevangen 

Metter zee van Sycia, 

Ende strect lancs tote Yndia. 

Sijdwerc brochtmen ons eerst dane,

30 Doen ons bouken te verstane. 

Bactria es een groot lant, 

Van eenen watre ghenant. 

Van Yndia strecket west; 

Nort hevet Sycia bevest.

35 Met berghen eist omme bevaen. 

Die staercste kemelen, sonder waen, 

Vint men daer ende sere goet, 

Want nemmermeer quetst hem voet. 

Sychia ende oec Ghotia

40 Van Japhets kindere hebben si na 

Beede hare name ontfaen. 

Oec so hebben wi verstaen, 

Dat hoghe Syten ende hoge Goten 

Die liggen met haren roten

45 In Azia ane die nortzide, 

Ende es volc sere fel in stride; 

Maer neder Syten ende neder Goten 

Leghet in Europen besloten, 

Dat heetet inden dage van heden

50 Almeest dat lant van Zweden. 

Hoghe Syten leget an doesterzide 

India, dat lantscap wide, 

Ende zuud den berghe Caucasus; 

Tlant van Yrcane, wi lesent dus,

55 Es hem ane gheleghen west; 

Nort hevet die zee bevest. 

Syten hebben groet gediet, 

Vele lants datmen winnet niet, 

Entie generen hem in wostinen;

60 Andere sijn daer die tlant pinen. 

Sulke sijn daer so ongediede, 

Dat si bloet drinken ende eten liede. 

Daers selver vele ende gout int lant; 

Diet halen wille hi laetter pant,

65 Want dat die vogle gripe wachten. 

Daer sijn myrauden van groter crachten, 

Ende daers kerstael goet ende diere. 

Si hebben som groter riviere:

[p.1,28]  Fasis, Oscorus ende Araxes,

70 Grote watre, gelovet des. 

Hyrcania hevet den name ontfaen 

Van enen bossche, sonder waen. 

Oest leghet hem die zee van Caspia; 

Andie zuudzide Armenia;

75 Andie nortside leghet Albana; 

West leghet Hyberia daer na. 

Hier vele bosschs ende wilds mere. 

Tygren, pardus ende panthere 

Vintmen daer van fellen doene,

80 Ende utermaten vele lyoene.

Van Egypte in Azi‘ en andere landen. XXI. 

Egypte heette wijlen Ypila; 

Toen werd daar koning daarna 

Danaus broeder, Egyptus, 

En heet het land naar hem aldus.

5 Die Rode zee en Syri‘ 

Liggen aan de oostzijde, hoor ik belijden; 

Tot Afrika strekt het west; 

Aan het noorden heeft de zee bevestigd;

Ethiopi‘ ligt het zuidwaarts.

10 In Egypte zo werd 

Zelden regen gezien of niet. 

Nijl, dus zo vertelt men mij, 

Een vloed, loopt uit het Paradijs, 

En nat het in vreemde wijs;

15 Want zo wast het eenmaal in het jaar, 

En alzo het weg gaat, gaat men daar 

Vruchten winnen gelijk. 

Egypte voedt menig land, 

En vervult de wereld mede

20 Van koopmanschap in menige plaats. 

Seres is een stad bij Indi‘, (1)

Daar een land naar geheten is, 

Daar de bomen zijde wol dragen, 

Gelijk dat in andere hagen

25 Die bomen met mos zijn behangen. 

Aan het noorden is dat land bevangen 

Met de zee van Scythen, 

En strekt langs tot India. 

Zijdenwerk bracht men ons eerst vandaan,

30 Doen onze boeken te verstaan. 

Bactria is een groot land, (2)

Van een water genoemd. 

Van India strekt het west; 

Noordelijk heeft het Scythi‘ vast.

35 Met bergen is het alom bevangen. 

De sterkste kamelen, zonder waan, 

Vindt men daar en zeer goed, 

Want nimmermeer kwetst hen een voet. 

Scythi‘ en ook Gotia (3)

40 Van JafetŐ s kinderen hebben ze na 

Beide hun namen ontvangen. 

Ook zo hebben we verstaan, 

Dat hoge Scythi‘ en hoge Goten 

Die liggen met hun groepen

45 In Azi‘ aan de noordzijde, 

Een volk zeer fel in strijd; 

Maar neder Scythen en neder Goten 

Ligt in Europa besloten, 

Dat heet in de dagen van heden

50 Al meest dat land van Zweden. 

Hoge Scythen ligt aan de oostelijke zijde 

India, dat landschap wijd, 

En zuid de berg Kaukasus; 

Het land van Hircani‘, we lezen het aldus,

55 Is het aangelegen west; 

Noord heeft het de zee bevestigd. 

Scythen hebben groot volk, 

Veel land dat men wint niet, 

En te generen zich in woestijnen;

60 Andere zijn daar die het land pijnen. 

Sommige zijn daar zo ongehoord, 

Dat ze bloed drinken en eten lieden. 

Daar zilver is veel en goud in het land; 

Die het halen wil hij laat er pand,

65 Want dat die vogel grijp bewaakt het. 

Daar zijn smaragden van grote krachten, 

En daar is kristal goed en duur. 

Ze hebben sommige grote rivieren:

Phasis, Oscorus en Aras, (4)

70 Grote waters, geloof het dus. 

Hircani‘ heeft de naam ontvangen 

Van een bos, zonder waan. 

Oost lig het de Kaspische zee; 

Aan de zuidzijde Armeni‘;

75 Aan de noordzijde ligt Albania; (5)

West ligt Iberi‘ daarna. (6)

Hier vele bossen en wild meer. 

Tijgers, luipaard en panter 

Vindt men daar van felle doen,

80 En uitermate veel leeuwen.

(1) Seres, ook de naam voor China.

(2) Bactria, noorden van Afghanistan waar de zijderoute doorliep, hoofdstad Balkh.

(3) Wit Rusland en Oekra•ne. Hoge Goten gelegen bij de Kaukasus, Neder Goten mogelijk Zweden of Baltische kust.

(4) rivier bij Colchis bij het huidige Poti in Georgi‘. Aras is een rivier die uitmondt in de Kaspische Zee.

(5) westelijk van de Kaspische Zee, ongeveer het huidige Azerbeidzjan met als hoofdstad Bakoe.

(6) Voormalig Georgisch koninkrijk in de Kaukasus.

 

Van Albania in Azia. XXII. 

Albania dat lant, dats waer, 

Hevet den name, omme dat daer 

Volc wert geboren met witten hare. 

Sijn oesten, dat es openbare,

5 Dat coemt vander Caspiser zee, 

Ende gaet westen min no mee 

Dan ten merschen Meotides. 

In dat lant, des sijt gewes, 

Sijn honde van wreden doene,

10 Si verbiten die lyoene. 

Aermenia, alsic u telle, 

Heet na eenen Jasoens gheselle, 

Die Armenis bi namen hiet: 

Hi dwanc an hem dat ghediet,

15 Alsi Jasoene hadde verloren, 

Ende bleef daer here vercoren. 

Het leghet tusscen II bergen dus, 

Taurus ende Caucasus. 

Liggende hevet andie nortside

20 Geramos, een geberchte wide, 

Daer Tygris uutbreect, de riviere, 

Die loept met ere snelre maniere. 

Daer in loept die berch Ararat, 

Daer wilen Noes aerke in zat.

25 Hyberia dat leghet daer an, 

Een lant daermen in winnen can 

Crude, die sijn ter varuwen goet. 

Capadocia, alsict verstoet, 

Hevet die name van eere stat:

30 Sente Jorijs was grave in dat. 

Van Aerminien coemt sijn oestende; 

Het es Surien ghehende; 

Clene Azia leghet ant west; 

Nort hevet die zee bevest;

35 Taurus die berch ande zuudzide. 

Men vint indie werelt wide 

Betere paerden danne daer, 

Willemen wanen over waer. 

Cleene Asya hevet an doestende

40 Capadocia wel ghehende; 

Els eist west, zuut ende nort 

Metter zee al omme gegort. 

Die lantscepe diere in sijn 

Hort hier noemen in Latijn.

Van Albania in Azi‘. XXII. 

Albania dat land, dat is waar, 

Heeft de naam, omdat daar 

Volk werd geboren met wit haar. 

Zijn oosten, dat is openbaar,

5 Dat komt van de Kaspische Zee, 

En gaat westen min of meer 

Dan te moerassen van Meotides. (1)

In dat land, dus zij het gewis, 

Zijn honden van wrede doen,

10 Ze verbijten de leeuwen. 

Armeni‘, als ik u vertel, 

Heet naar een JasonŐ s gezel, 

Die Armenis bij namen heet: 

Hij dwong aan hem dat volk,

15Toen hij Jason had verloren, 

En bleef daar heer gekozen. 

Het ligt tussen 3 bergen dus, 

Taurus en Kaukasus. 

Liggend heeft aan de noordzijde

20 Geramos, een gebergte wijd, (2)

Daar de Tigris uitbreekt, de rivier, 

Die loopt met een snelle manier. 

Daarin loopt de berg Ararat, 

Daar wijlen NoachŐ s ark in zat.

25 Iberi‘ dat ligt daaraan, 

Een land daar men in winnen kan 

Kruiden, die zijn ter verven goed. 

Cappadoci‘, zoals ik het verstond, 

Heeft de naam van een stad:

30 Sint Joris was begraven in dat. 

Van Armeni‘ komt zijn oost einde; 

Het is Syri‘ nabij; 

Klein Azi‘ lig het aan het westen; 

Noord heeft de zee bevestigd;

35 Taurus die berg aan de zuidzijde. 

Men vindt in die wereld wijd 

Betere paarden dan daar, 

Wil men wanen voor waar. 

Klein Azi‘ heeft aan de oosteinde

40 Cappadoci‘ wel aan het eind; 

Elders is het west, zuid en noord 

Met de zee alom omgord. 

De landschappen die er in zijn 

Hoort hier noemen in Latijn.

(1) Land rond de zee van Azow, noordoosten van de Krim.

(2) Mogelijk Zagros gebergte.

 

Vanden landscepen van Clene Azien. XXIII. 

Bithinia hevet den name sine 

Van eenen coninc Bithine, 

Die tlant met stride besat. 

Daer es Nychomedia die stat,

5 Daer Hanibal vloe entie sine, 

Die hem doodde met venine, 

Alse ghi horen sult voerwaer 

Indie Roemsche jeeste hier naer. 

Gallatia dat leghet daer an,

10 Dat wilen tfolc van Gallen wan 

Metten coninc Bithina, 

Daer af hevet die name na. 

Frigia dat leghet daer bi, 

Dat also heet bidi,

15 Omme die dochter van Europen, 

Die met Jupiterre was gelopen. 

Daer stont in wilen die stat van Troyen, 

Vul weelden, feesten ende joyen.

[p.1,29] Lydia es daer an te waren,

20 Daer wilen mogende coningen waren, 

Ende naden coninc Lydus hiet. 

Dor dat lant loopt ende vliet 

Pantholus, in wies sant 

Men wilen gout te vullen vant.

25 Daer na leghet Panphilia, 

Ende dat lant van Ysauria 

(Vander lucht hevet die name), 

Daer es in die stat bequame, 

Die Celeucia es genant.

30 Cylicia volget dan te hant; 

Van eenen Cylix, Fenix sone, 

So ontfinc dien name tgone. 

Tarsus staet daer an, die port, 

Daermen af bescreven hort,

35 Dat sente Pauwels was geboren. 

In dat lantscap, alse wijt horen, 

Wasset dalrebeste soffraen, 

Datmen ieweren weet, sonder waen. 

Hier laten wi die tale ghemeene

40 Van Grote Asyen ende van Cleene, 

Ende sullen scriven van Europen, 

Entie lande diere in lopen.

Van de landschappen van Klein Azi‘. XXIII. 

Bithyni‘ heeft zijn naam 

Van een koning Bithine, 

Die het land met strijd bezat. 

Daar is Nicodemi‘ die stad,

5 Daar Hannibal vloog en de zijne, 

Die hem doodden met venijn, 

Als ge horen zal voorwaar 

In de Romeinse verhalen hiernaar. 

Galati‘ dat ligt daar aan,

10 Dat wijlen het volk van Galli‘rs won 

Met de koning Bittinus, 

Daarvan heeft het die naam naar. 

Frigia dat ligt daarbij, 

Dat alzo heet daarbij,

15 Om de dochter van Europa, 

Die met Jupiter was gelopen. 

Daar stond in wijlen die stad van Troje, 

Vol weelde, feesten en vreugde.

Lydi‘ is daaraan te waren,

20 Daar wijlen vermogende koningen waren, 

En naar de koning Lydus heet. 

Door dat land loopt en vliedt 

Pantholus, in wiens zand

Men wijlen goud ten volle vond.

25 Daarna ligt Pamphylia, 

En dat land van Isauria (2)

(Van de lucht heeft het die naam), 

Daar is in die stad bekwaam, 

Die Celeucia es genoemd.

30 Cilici‘ (3) volgt dan gelijk; 

Van een Cylix, Fenix zoon, 

Zo ontving die naam datgene. 

Tarsus (4) staat daar aan, die poort, 

Daar men van beschreven hoort,

35 Dat Sint Paulus was geboren. 

In dat landschap, zoals wij het horen, 

Groeit de aller beste saffraan, 

Dat men ergens weet, zonder waan. 

Hier laten we die taal algemeen

40 Van Groot Azi‘ en van Kleine, 

En zullen schrijven van Europa, 

En die landen die er in lopen.

(1) bij Izmit in Turkije.

(2) ten noorden van Pamphylia met daarin de stad Isaura.

(3) Cruli of le Cruq, de havenstad Corycus, zuidoosten van Turkije.

(4) in Cilici‘, nu Tersous.

 

Van Europen ende haren sticken. XXIIII. 

Europia ontfinc den name 

Van eere joncvrouwen bequame, 

Agenors dochter, die hier te voren 

Jupiter hadde vercoren,

5 Ende ontfoeredse den vader, 

Ende noemde daer na tlant algader. 

Die merschen van Meotytes 

Ende Thaneis, des sijt gewes, 

Die verscedense in doostende,

10 Daer soe Azia es gehende. 

Haer oestende hiet hier te voren 

Neder Cycia, alse wijt horen, 

Ende hiet Sycia ghemeene 

Alle die lande groot ende cleene

15 Tusscen der Dunouwen enter zee 

Enter Elven, dat es mee; 

Want al dat volc, dattem daer hilt, 

Was ongenaturt ende wilt. 

Nu hebben die lande ander namen,

20 Sijnt dat si ter kerstijnheit quamen. 

Tusscen der Dunouwen, der Elven enten Rijn, 

Hiet al wilen in Latijn 

Germania omme tgrote geslachte, 

Die int lant saten met machte.

25 Daer vint men voglen van Yrcane, 

Die sulke vederen hebben ane, 

Dat si nachts inder maniere 

Gheliken eenen claren viere. 

Daer vintmen oec wilde stiere

30 Ende wonderlike selsiene maniere. 

Men vinter ammer ende cristael gemene 

Ende sonderlinge selsiene steene. 

Tusscen der Zuutzee enter Dunouwen 

Hiet al Messia, alse wijt scouwen,

35 Omme dat corens vele drouch, 

Dies ander lande hadden genouch: 

Dit es nu ter stont Behem 

Ende ander lande met hem. 

Daer an leghet Pannonia;

40 Daer was geboren, alsict versta, 

Sente Martijn, wi lesent dus, 

Ende oec mede sente Jheronimus. 

Nu heet dat lantscap altesamen 

Hongerien nu bi namen.

45 Oest daer af leget Tracia, 

Van Tyras, Japhets sone, daert na 

Gheheten was; noch hetet so. 

Constantinoble was doe 

Dat oestende vandien lande.

50 Wilen hadden dat in hande 

Beede die Goten entie Sermaten 

Ende menech wreet volc utermaten, 

Die den Roemscen rike daden 

Utermaten vele scaden.

55 Nochtanne eist al gheheel 

Van Griekenlant een groet deel.

Van Europa en haar stukken. XXIIII. 

Europa ontving de naam 

Van een jonkvrouw bekwaam, 

AgenorŐ s dochter, die hier te voren 

Jupiter had gekozen,

5 En ontvoerde ze de vader, 

En noemde daarna het land allemaal. 

Die moerassen van Meotides (1)

En Thaneis, dus zij het gewis, 

Die scheiden het in het oosteinde,

10 Daar zo Azi‘ eindigt. 

Haar oosteinde heet hier tevoren 

Neder Scythi‘, zoals wij het horen, 

Heet Scythi‘ algemeen 

Al die landen groot en klein

15 Tussen de Donau en de zee 

En de Elbe, dat is meer; 

Want al dat volk, dat zich daar ophield, 

Was ongenatuurd en wild. 

Nu hebben die landen andere namen,

20 Sinds dat ze tot christenheid kwamen. 

Tussen de Donau, de Elbe en de Rijn, 

Heet al wijlen in Latijn 

Germani‘ om het grote geslacht, 

Die in het land zaten met macht.

25 Daar vindt men vogels van Hircani‘, 

Die zulke veren hebben aan, 

Dat ze Ô s nachts in die manier 

Gelijken een helder vuur. 

Daar vindt men ook wilde stieren

30 En wonderlijke zeldzame manieren. 

Men vindt er amber en kristal algemeen 

En zonderlinge zeldzame stenen. 

Tussen de Middellandse Zee en de Donau 

Heet alles Moesia, zoals wij het aanschouwen,

35 Omdat het veel koren droeg, 

Dus andere landen hadden genoeg: 

Dit is nu terstond Bohemen (3)

En andere landen met hem. 

Daaraan lig Pannonia; (4)

40 Daar was geboren, zoals ik het versta, 

Sint Martinus, we lezen het aldus, 

En ook mede Sint Hi‘ronymus. 

Nu heet dat landschap alle tezamen 

Hongarije nu bij namen.

45 Oost daarvan ligt Thraci‘, 

Van Tyras, JafetŐ s zoon, daar het na 

Geheten was; nog heet het zo. 

Constantinopel was toen

Dat oosteinde van die landen.

50 Wijlen had dat in handen 

Beide de Goten en Sarmaten 

En menig wreed volk uitermate, 

Die het Romeinse rijk deden 

Uitermate veel schaden.

55 Nochtans is het al geheel 

Van Griekenland een groot deel.

(1) Land rond de zee van Azow, noordoosten van de Krim.

(2) Ten zuiden van de Donau in Servi‘ en Bulgarije.

(3) Tsjechi‘.

(4) Verdeeld in Hoog en Neder Pannonia, Hongarije.

 

[p.1,30] Hoe Grieken es gedeelt in viven. XXV. 

Grieken heeft den name ontfaen 

Van coninc Grieke, sonder waen. 

Dat lant es gedeelt in viven: 

Dalmatia, horic bescriven,

5 Esser een, ende hevet mede 

Sinen name na eene stede. 

Epyrus dats een ander deel, 

Ende hevet den name gheel 

Van Pirrus, Achilles sone;. . .

10 Bidi wi lesen, dat die ghone, 

Doe Troyen gevellet was, 

Dat coninc Pirrus nam na das 

Andromaca, ende an hare wan 

Molosus, den jongen man,

15 Daert lant na hiet Molosia. 

Helenus hadse daer na, 

Hectors broeder, ende indie hant 

Metten stiefsone al dat lant. 

Dat derdendeel es Elladis,

20 Dat also gheheeten is 

Van Ellane, Talyoens sone. 

Athica heetet mede dat gone, 

Dat es trechte Grieken meer no min, 

Want Athenen staeter in,

25 Die moeder vanden arthen es, 

Ende daermen wilen, sijts gewes, 

Die grote philosophen vant: 

Dits dedelste van Griekenlant. 

Machedonia dats daer an,

30 Daer Alexander, die stoute man, 

Gheboren was van groten doene, 

Dat heet na coninc Machedoene. 

Achaya heetet vijfte deel, 

Dats nu Moreya al geheel:

35 Daer staet Theben in, die stede, 

Die wilen Mathinus maken dede, 

Daer Liber Bacus was gheboren 

Ende Apollo, alse wijt horen, 

Ende Hercules, die meneghe stat

40 Onder gode hevet ghehat.

Hoe Griekenland is verdeeld in vijven. XXV. 

Griekenland heeft de naam ontvangen 

Van koning Grieke, zonder waan. 

Dat land is gedeeld in vijven: 

Dalmati‘, hoor ik beschrijven,

5 Is er een, en heeft mede 

Zijn naam naar een stede. 

Epirus dat is een ander deel, 

En heeft de naam geheel 

Van Pirrus, Achilles zoon;. . .

10 Waarbij we lezen, dat diegene, 

Toen Troje geveld was, 

Dat koning Pirrus nam na dat 

Andromata, en aan haar won 

Molosus, de jonge man,

15 Daar het land naar heet Molosia. (1)

Helenus had ze daarna, 

HectorŐ s broeder, en in die hand 

Met de stiefzoon al dat land. 

Dat derdedeel is Elyades,

20 Dat alzo gheheten is 

Van Hellen, TalienŐ s zoon. 

Attica heet het mede datgene, 

Dat is het echte Griekenland meer of min, 

Want Athene staat er in,

25 Die moeder van de kunsten is, 

En daar men wijlen, zij het gewis, 

Die grote filosofen vond: 

Dit is het edelste van Griekenland. 

Macedoni‘ dat is daaraan,

30 Daar Alexander, die dappere man, 

Geboren was van grote doen, 

Dat heet naar koning Macedoene. 

Achaia heet het vijfde deel, 

Dat is nu Morea al geheel: (2)

35 Daar staat Thebe in, die stede, (3)

Die wijlen Mathinus maken deed, 

Daar Liber Bacchus was geboren 

En Apollo, zoals wij het horen, 

En Hercules, die menige stad

40 Onder God heeft gehad.

(1) Noordwesten van Griekenland met belangrijkste stad Dodona.

(2) oude naam voor de Peloponnesus.

(3) In Boeoti‘, huidige Thivai.

 

Van Tessalya ende Europen ende van Ytalen. XXVI.  

Tessalya heetet aldus 

Naden coninc Tessalus, 

Ende leghet ant lant van Macedone. 

Daer es meneghe riviere scone

5 Ende meneghe borch ende menege stat. 

Bernardus die berch es in dat, 

Daer wilen hadde den tempel sijn 

Die valsche god Apollijn. 

Achilles was danen geboren.

10 In dat lantscap, alse wijt horen, 

Dwanc men eerst paerde ende verwan 

Omme te ridene den man. 

Olimpus leghet in dat lant mede, 

Die es van so grotere hoochede,

15 Dat hi boven allen winde gaet, 

Ende dits geproevet, dat verstaet. 

Ytalia heeten alle die lant, 

Die andie nortzide des berchs cant, 

Die Alphes heetet in Latijn,

20 Beghort met vasten berghen sijn, 

Ende in doostzide toter zee: 

Nu sijn daer in namen twee. 

Lumbaerdien leghet daer in, 

Dat ghenoemt es int begin

25 Vanden Lancbaerden die tlant wonnen, 

Alse wi hier na wel tellen connen. 

Daer es in Tuscane ende a 

Daer Rome in staet, die stat vrie, 

Dat wilen metten zwerde dwanc

30 Aldie werelt ommeganc; 

Calaberen, Poelyen ende Principaet, 

Daer Caeps die goede stat in staet. 

Men vintere in versche zeen, 

Daer in vissche menech een;

[p.1,31] 35 Rivieren, enbre ende die epaen mede, 

Heete fonteinen ter meneger stede.

Van Thessali‘ en Europa en van Itali‘. XXVI.  

Thessali‘ heet het aldus 

Naar de koning Tessalus, 

En ligt aan het land van Macedoni‘. 

Daar is menige rivier schoon

5 En menige burcht en menige stad. 

Bernardus die berg is in dat, (1)

Daar wijlen had de tempel van hem

Die valse god Apollo. 

Achilles was vandaan geboren.

10 In dat landschap, zoals wij het horen, 

Bedwong men eerst paarden en overwon 

Om te rijden de man. 

Olympus ligt in dat land mede, 

Die is van zoŐn grote hoogte,

15 Dat hij boven alle winden gaat, 

En dit is beproefd, dat verstaat. 

Itali‘ heten al die landen, 

Die aan de noordzijde der berg kant, 

Die Alpen heet het in Latijn,

20 Omgord met vaste bergen zijn, 

En in de oostzijde tot de zee: 

Nu zijn daarin namen twee. 

Lombardije ligt daar in, 

Dat genoemd is in het begin

25 Van de Langobarden die het land wonnen, 

Zoals we hierna wel vertellen kunnen. 

Daar is in Toscane en Latium, (2) 

Daar Rome in staat, die stad vrij, 

Dat wijlen met het zwaard dwong

30 Al de wereld omgang; 

Calabri‘, Pougli‘ en Principaat, (3)

Daar Capua die goede stad in staat. 

Men vindt er in frisse zee‘n

Daar in vissen menigeen;

35 Rivieren, enbre en die epaen mede, (?)

Hete bronnen te menige plaats.

(1) Pindos gebergte?

(2) Nu Lazio.

(3) Zuiden van Italia rond Benevento.

 

Van Gallen in Europen. XXVII. 

Gallya heeten teere namen 

Alle die lande te samen, 

Die vanden berghe van Monyu 

Hier neder strecken, seggic u,

5 Ende doostende scedet de Rijn, 

Die zee die nortzide sijn. 

Gallia heeten si omme dit, 

Want liede daer sijn van hude wit. 

Hier in staet menege edele stede,

10 Meneghe scone riviere mede, 

Meneghe fonteine soete ende sure 

Springenre in ende lopenre dure; 

Scone bossche, acker ende weide, 

Scone wijngaerde ende heide

15 Vintmen indat selve lant. 

Nu eist Borgoengen som genant, 

Loreine ende Vranckerike, 

Bartaengen, dat hiet Armorike, 

Normendien, dat Neustren hiet;

20 Omme dat verwan dat Nordsce diet 

In coninc simpels Karels tiden, 

Hiet oint Normendien siden. 

Naest Gallen leghet Acquitaengen: 

Tusscen der Lore ende Spaengen

25 Enter Rone so hiet al wilen 

Acquitaengen, sonder ghilen, 

Omme die grote drie rivieren, 

Diere in sijn, ende wi visieren, 

Dats Lore, Rone entie Geronde,

30 Die staerc sijn ende van diepen gronde. 

Dits Gasscoenyen, Meyne ende Toreine, 

Anjou, Poitau ende andere pleine. 

Spaenyen leghet alrenaest Gallen, 

Dat een berch sceet al met allen,

35 Die heet Parereus in Latijn, 

Dat mach in Dietsch Portisers sijn. 

Het strect van Gallen an Affrike. 

Een edel lant eist sekerlike 

Van steden ende van rivieren,

40 Van vruchte van vele manieren, 

Van stouten lieden ende van wisen, 

Ghesont van luchte ende van spisen, 

Van frute ende van wijngaerde rike, 

So dat men cume vint des gelike;

45 Men vinter selver ende gout gemene, 

Ende daertoe precieuse steene. 

Dit es dwestende van Europen, 

Nu moeten wi tAffrike wart lopen.

Van Galli‘rs in Europa. XXVII. 

Galli‘ heet met eene naam 

Al die landen tezamen, 

Die van de berg van Monju (1)

Hier neder strekken, zeg ik u,

5 En het oosteinde scheidt het de Rijn, 

De zee de noordzijde er van. 

Galli‘ heten ze om dit, 

Want lieden daar zijn van huid wit. 

Hierin staat menige edele stede,

10 Menige mooie rivieren mede, 

Menige bronnen zoet en zuur 

Springen er in en lopen er door; 

Schone bossen, akkers en weiden, 

Schone wijngaarden en heide

15 Vindt men in dat zelfde land. 

Nu is het Bourgogne soms genoemd, 

Loreine en Frankrijk, 

Bretagne dat heet Armorica, 

Normandi‘ dat Neustri‘ heet;

20  Omdat overwon dat Noorse volk

In koning simpele KarelŐ s tijden, 

Heet ooit Normandi‘ sinds. 

Naast Galli‘ ligt Aquitaine: 

Tussen de Loire en Spanje

25 En de Rh™ne zo heette al wijlen 

Aquitaine, zonder grappen, 

Om de grote drie rivieren, 

Die er in zijn, en we versieren, 

Dat is de Loire, Rh™ne en de Garonne,

30 Die sterk zijn en van diepe gronden. 

Dit is Gascogne, Maine en Toreine, 

Anjou, Poitou en andere pleinen. 

Spanje ligt het allerdichts bij Galli‘,

Dat een berg scheidt het al geheel,

35 Die heet Parereus in Latijn,

Dat mag in Diets Portifers zijn. (2)

Het strekt van Galli‘rs aan Afrika. 

Een edel land is het zeker 

Van steden en van rivieren,

40 Van vruchten van vele manieren, 

Van dappere lieden en van wijze, 

Gezond van lucht en van spijzen, 

Van fruit en van wijngaarden rijk, 

Zo dat men nauwelijks vindt zijn gelijke;

45 Men vindt er zilver en goud algemeen, 

En daartoe kostbare stenen. 

Dit is het westelijke einde van Europa, 

Nu moeten we tot Afrika waarts lopen.

(1) Mons Jovis of Sint Bernard op de grens van Frankrijk en Itali‘.

(2) In de Franse Pyrenee‘n, Port de Cize bij Saint Jean Pied de Port.

 

Van Affrike ende haren lande. XXVIII. 

Affrike hevet den name ontfaen 

Van enen Affer, doemen ons verstaen, 

Die was van Abrahams geslachte, 

Ende hi wan dat lantscap met machte.

[p.1,32] 5 Sijn oostende neemt meer no min 

Dan van Egypten sijn beghin; 

Van Europen scedet nemmee 

Dan die nauwe Nervelzee, 

Dat die coemanne heeten noch

10 In deser tijt Stroch ende Maroch. 

Int oestende, Egypten na, 

Es Cyrenenchis Lybia; 

Het hevet sinen name mede 

Ghestrect van Cyrene die stede.

15 Desen lande leget ant zuden 

Lant van wonderliken luden, 

Die wilt ende onbesceden scinen, 

Ende in en coemt man no kint,

20 Daermen die basaliscus in vint, 

Die met haren ziene slaen doot 

Al dat levet, cleene ende groot. 

Daer west alrenaest es een lant, 

Dat Pentapolis es ghenant

25 Van vijf steden diere in staen, 

Een nuttelijc lant, sonder waen. 

Tripolitane leghet daer gehende, 

Ende hevet ane sijn oostende 

Cyrces, een zant uptie zee,

30 Daermen vint saphiere mee 

Dan anders daermen weet, 

Diemen bi namen orientale heet; 

Scone sijn si ende niet te claer, 

Maer niet die beste, wet vorwaer.

35 Bisantene leghet daer bi: 

Daer segemen dat al waerheit si, 

Dat tlant meest olyebome draget 

Dan geen, daermen af gewaget, 

Ende dat es dbeste corenlant,

40 Dat ie man ter werelt vant; 

Want men over waerheit hout, 

Dat het draghet hondertfout. 

Engi staetter bi also, 

Daer stont wilen Cartagho,

45 Dat Rome dede menege pine, 

Om hovet vander werelt te sine, 

Ende stredenre omme menech jaer. 

Nu so eist al woeste daer; 

Maer Thuhus dat staeter bi,

50 Daer soe stont, dat seitmen mi. 

Die lande diere bi sijn geleghen, 

Seitmen dat wel te dragene plegen; 

Bet af sijnre grote wostinen 

Vul serpenten met veninen,

55 Vol wildere esele ende ander diere 

Van harde vremder maniere. 

Gotulya dat leget daer an, 

Daermen selden in vinden can 

Water of put, riviere of beke;

60 Want daer es der fonteinen breke. 

Daer sijn leuwen ende lupaerde 

Ende beesten van menegen aerde. 

Numidia dat leget daer ane. 

Dat lant, doemen ons te verstane,

65 Hevet mersche ende ackerlant: 

Hennes geen verdrogeder zant. 

Oec hevet wout, daermen in diere 

Vint van menegere maniere, 

Ende berghe daermen wilde ezele ziet,

70 Ende daermen paerde te winne pliet. 

Men vintere maerber diere ende goet, 

Dat men verre souken doet. 

Ypone stoeter in, eene port, 

Daer men af bescreven hort,

75 Daer bisscop was sente Agustijn, 

Die grote pape, die therte sijn 

Sette al sijn leven dure 

Omme tontbindene die scrifture.

Van Afrika en haar landen. XXVIII. 

Afrika heeft de naam ontvangen 

Van een Affer, doet men ons verstaan, 

Die was van AbrahamŐ s geslacht, 

En hij won dat landschap met macht.

5 Zijn oosteinde neemt meer of min 

Dan van Egypte zijn begin; 

Van Europa scheidt nimmer 

Dan die nauwte van Gibraltar,  

Dat die koopmannen heten het nog

10 In deze tijd Straat van Gibraltar en Marokko. 

In het oosteinde, Egypte na, 

Is Cyrene en Libi‘;

Het heeft zijn naam mede 

Getrokken van Cyrene die stede.

15 Dit land ligt aan het zuiden 

Land van wonderlijke lieden, 

Die wild en onbescheiden schijnen, 

En in komt man nog kind,

20 Daar men die basilisk in vindt, 

Die met hun zien slaan dood 

Al dat leeft, klein en groot. 

Daar west aller naast is een land, 

Dat Pentapolis is genoemd (1)

25 Van vijf steden die er in staan, 

Een nuttig land, zonder waan. 

Tripolitani‘  ligt daar aan het einde, 

En heeft aan zijn oosteinde 

Cyrensis, (2) een zand op de zee,

30 Daar men vindt saffier meer 

Dan anders daar men weet, 

Die men bij namen ori‘ntale heet; 

Mooi zijn ze en niet te helder, 

Maar niet die beste, weet voorwaar.

35 Bisantene ligt daarbij: 

Daar zegt men dat al waarheid is, 

Dat het land meest olijfbomen draagt 

Dan geen, waar men van gewaagt, 

En dat is dat beste korenland,

40 Dat ooit een man ter wereld vond; 

Want men voor waarheid houdt, 

Dat het draagt honderdvoudig. 

Engi staat er bij alzo, 

Daar stond wijlen Carthago,

45 Dat Rome deed menige pijn, 

Om het hoofd van de wereld te zijn, 

En streden er om menig jaar. 

Nu zo is het al woestheid daar; 

Maar Tunis dat staat er bij,

50 Daar zo stond, dat zegt men mij. 

Die landen die er bij zijn gelegen, 

Zegt men dat goed te verdragen plegen; 

Verder weg zijn er grote woestijnen 

Vol serpenten met venijn,

55 Vol wilde ezels en andere dieren 

Van erg vreemde manieren. 

Getulia dat ligt daar aan, (2) 

Daar men zelden in vinden kan 

Water of put, rivier of beek;

60 Want daar is van fonteinen gebrek. 

Daar zijn leeuwen en luipaarden 

En beesten van menige aard. 

Numidi‘ dat ligt daar aan. (3)

Dat land, doet men ons te verstaan,

65 Heeft moerassen en akkerland: 

Het is geen verdrogend zand. 

Ook heeft het wouden, daar men in dieren 

Vindt van menige manieren, 

En bergen daar men wilde ezels ziet,

70 En daar men paarden te winnen pleegt. 

Men vindt er marmer duur en goed, 

Dat men van ver zoeken doet. 

Hypone stond er in, een poort, 

Daar men van beschreven hoort,

75 Daar bisschop was Sint Augustinus, 

Die grote paap, die het hart van hem

Zette al zijn leven door 

Om te op te lossen de schrift.

(1) Bijbels Pentapolis betekent vijf steden,  zou ter hoogte van de Dode Zee in Libi‘ liggen

(2) Onduidelijk, omdat het in Libi‘ is mogelijk de stad Cyrene, oostelijke helft van Libi‘

(3) Zuidelijk van huidige Marokko, Algerije Tunesi‘ en Libi‘.

(4) Ter hoogte van Algerije en Tunesi‘.

(5) Het huidige Annaba in Algerije.

 

Van Yengis ende Mauritane. XXIX. 

Mauritania dat lant 

Es van swartheden genant, 

Omme datter in wonen de More. 

Andie zuutzide, alsict hore,

5 Leghet een berch Ascrictim.

[p.1,33] Altemale bewesten him 

Tote datmen coemt ter groter zee, 

Vindmen eerst dat zant min no mee. 

Ne dade die berch, dat grote zant

10 Soude bedecken dat corenlant. 

In dat zant, alst wayt te waren, 

Gaen dicken also grote baren, 

Alse offet indie zee ware. 

An die zuutzide vintmen dare

15 Simmen, struessen ende draken, 

Ende wilen, in waren saken, 

Vantmer elpendiere also wel: 

Nu in Indien ende nieweren el. 

Garamantis es een lant,

20 Dat daer leghet andat zant, 

Ende heet also van eere steden. 

Daer vantmen vele wonderlicheden: 

Daers eene fonteine, dages so cout 

Niemen en drincse, al es hi stout;

25 So heet es soe indie nacht, 

Datter dan niemen en acht. 

Ethyopen es daer af zuut: 

Alt volc hevet daer zwerte huut; 

Want die zonne die es daer

30 Tallen tiden meest naer, 

Om dat tlant, alsemen seghet, 

Rechts onder den middach leghet, 

Tallen tiden so eist daer heet. 

Daer dat lant ten westen geet,

35 Eist al berch ende zant; 

Doestende es al woeste lant. 

Adlas, die grote berch entie hoge, 

Leghet tusscen dat lant enter zee droge. 

Men vint in dit Ethyopen

40 Menegerande wilt volc lopen,

 Ende menege wonderlike gedane, 

Ende sulc dat wonder te siene es ane. 

Hets vul serpente ende wilder diere 

Ende draken groot ende ongiere;

45 Uut haren hovede plegemen des, 

Te nemene den steen dragontides. 

Jacincten ende crisoprassen 

Die in ghenen lande wassen, 

Caneele en wast daer niewer mee.

50 Men vint der Ethyopen twee: 

Deen in Asya bi India, 

Ende dit ander in Affrica. 

Utegenomen sekerlike 

Desen drien landen van erderike,

55 So es een vierde lant over de zee, 

Dat dese III lande min no mee 

Andie zuutzide hevet bevaen; 

Maer die zonne, sonder waen, 

Benemet ons met haerre hitten,

60 Dat wire gecomen mogen no zitten, 

Ende dus eist ons bekint. 

Hier af teltmen redene blint, 

Dat daer liede sijn, sonder waen, 

Dat haer voete jegen donse gaen,

65 Ende men heetse Antypodes; 

Maer wet wel dat dit favele es. 

Nu hort vort die redene mee 

Vanden eylanden vander zee.

Van Yengis en Mauritani‘. XXIX. 

Mauritani‘ dat land 

Is van zwartheden genoemd, 

Omdat er in wonen de Moren. 

Aan de zuidzijde, zoals ik het hoor,

5 Ligt een berg Ascrictim.

Helemaal bewesten hem 

Toe dat men komt te grote zee, 

Vindt men eerst dat zand min of meer. 

Niet deed die berg, dat grote zand

10 Zou bedekken dat korenland. 

In dat zand, als het waait te waren, 

Gaan vaak alzo grote baren, 

Alsof het in de zee was. 

Aan de zuidzijde vindt men daar

15 Apen, struisen en draken, 

En soms, in ware zaken, 

Vindt men er olifanten alzo wel: 

Als nu in Indi‘ en nergens anders. 

Garamentis is een land, (1)

20 Dat daar ligt aan dat zand, 

En heet alzo van een stad. 

Daar vond men vele wonderlijkheden: 

Daar is een bron, op de dag zo koud 

Niemand drinkt het, al is hij dapper;

25 Zo heet is het zo in de nacht, 

Dat er dan niemand het acht. 

Ethiopi‘ is daarvan zuid: 

Al het volk heeft daar zwarte huid; 

Want de zon die is daar

30 Te alle tijden het meest nabij, 

Omdat het land, zoals men zegt, 

Recht onder de middag ligt, 

Te allen tijden zo is het daar heet. 

Daar dat land ten westen gaat,

35 Is het al berg en zand; 

het oostelijke eind is al woest land. 

Atlas, die grote berg en die hoge, 

Ligt tussen dat land en de zee droog. 

Men vindt in dit Ethiopi‘

40 Menigerhande wild volk lopen, 

En menige wonderlijke gedaante, 

En zulke dat het een wonder te zien is aan. 

Het is vol serpenten en wilde dieren 

En draken groot en onguur;

45 Uit hun hoofden pleegt men des, 

Te nemen de steen dragontides (drakensteen). 

Hyacinten en chrysopraas 

Die in geen land groeien, 

Kaneel groeit daar nergens meer.

50 Men vindt van de Ethiopi‘ twee: (2)

De ene in Azi‘ bij India, 

En dit andere in Afrika. 

Uitgezonderd zeker 

Deze drie landen van aardrijk,

55 Zo is een vierde land over de zee, 

Dat deze 3 landen min of meer 

Aan de zuidzijde heeft bevangen; 

Maar de zon, zonder waan, 

Beneemt ons met haar hitte,

60 Dat we er komen mogen of zitten, 

En dus is het ons bekend. 

Hiervan vertelt men reden blind, 

Dat daar lieden zijn, zonder waan, 

Dat hun voeten tegen de onze gaan,

65 En men heet ze Antipoden; 

Maar weet wel dat dit fabel is. 

Nu hoort voort de reden meer 

Van de eilanden van de zee.

(1) Fezzan, regio in Libi‘ ten zuiden van Tripolitani‘. Met vroeger de stad Garama waar het naar genoemd is.

(2) 1ste is aan de Nijldelta, 2de aan de westoever van de Rode Zee met daaronder Ethiopie dat overeenkomt met de Sahel, derde in India met de stad Sabaer, Saba?

 

Vanden eylanden vander zee. XXX. 

Eylanden liggen indie zee 

Harde vele ende oec mee, 

Dan icker hier noeme tsamen; 

Maer die vander meester namen,

5 Ende daer af spreken die auctore, 

Daer af willic datmen hier hore. 

Bertaenyen leghet neven Gallen, 

Ende es een dbeste lant van allen, 

Ende daer heren in hebben gewesen

10 Die mogenste daer wi af lesen. 

Bartaengen heetet na Brutus, 

Die sone was Silvius, 

Ende van Troyen geboren. 

Sider hadden sijt verloren,

15 Ende quam den Ingelschen in hant, 

Daer naer heetet Inglant. 

Hier in lopen scone rivieren, 

Bosscen die dat lant verchieren, 

Mersche ende scone couterlant.

[p.1,34] 20 Oec vintmen daer ende wilen vant, 

Altoes ende over een, 

Gagates, den swarten steen, 

Ende perlen vele entie claer. 

Buten Bartaengen, dats waer,

25 Es Tanachos, een gesont lant, 

Daermen serpent noint in vant, 

Noch ghenen worm ghevinijnt. 

Maer nochtan, dat wonder schijnt, 

Waer somen die erde vanden lande

30 In rike voert menegerande, 

Alle wormen gevenijnt 

Sijnre metter doot gepijnt. 

Dits een eylant scone van heyden, 

Goet ten corne enter weiden.

35 Daers een eylant up desen dach, 

Daer geen zieke in sterven mach, 

Ende daers een vagevier, sijt seker das, 

Dat sente Patrike getoget was. 

Yrlant heetment nu bi namen,

40 Ende es een groot lant te samen. 

Nort van Bartaenyen in die zee 

Es een eylant, heet Tylee, 

Daert half tjaer nacht es ende half dach. 

Solinus doet ons gewach,

45 Dat Tylus een eylant si 

Biden lande van Indi, 

Vul wijngaerts ende vul oliven 

Ende vul palmbome, alsi scriven; 

Datter die bome, hebbets geloof,

50 Nemmermeer en werpen loof. 

Ysidorius gewaget des, 

Dat XXXIII Orcades 

Eylande liggen, alsemen hort, 

Indie Baerdsce zee rechts vort:

55 Lichte hi meenet Orcani. 

XIII eilande, seghet hi, 

Sijnre bewoent ende beseten, 

Ende XX, wiltmen weten, 

Sijnre ydel van alle man.

60 Rome leidere groten cost an, 

Omme te dwingene wilen eere, 

Ende al omme der werelt eere. 

Gadis leghet in dat open 

Tusscen Affrike ende Europen,

65 Daer die twee zee te gader comen, 

Diemen Nervelzee hort nomen; 

Hets dachtendeel van ere milen 

Van elken lande, sonder ghilen. 

Daer sette Hercules sine columme,

70 Want hi hadde die werelt omme 

Van India tote daer gewonnen, 

Vanden upgane der zonnen, 

Te togene, dat hijt bedwanc 

Toter zonnen onderganc.

Van de eilanden van de zee. XXX. 

Eilanden liggen in die zee 

Erg veel en ook meer, 

Dan ik er hier noem tezamen; 

Maar die van de grootste namen,

5 En daarvan spreken de auteurs, 

Daarvan wil ik dat men hier hoort. 

Bretagne ligt naast Galli‘, 

En is een van het beste land van allen, 

En daar heren in hebben geweest

10 De vermogendste daar we van lezen. 

Bretagne heet het naar Brutus, 

Die zoon was Silvius, 

En van Troje geboren. 

Sinds hadden zij het verloren,

15 En kwam de Engelsen in hand, 

Daarna heet het Engeland. 

Hierin lopen mooie rivieren, 

Bossen die dat land versieren, 

Moerassen en mooi akkerland.

20 Ook vindt men daar en wijlen vond, 

Altijd en overeen, 

Gagaat, (git) de zwarte steen, 

En parels veel en die helder. 

Buiten Bretagne, dat is waar,

25 Is Tanathos, een gezond land,  (1)

Daar men serpent nooit in vond, 

Nog geen worm venijnig. 

Maar nochtans, dat wonder schijnt, 

Waar zo men die aarde van dat land

30 In een rijk voert menigerhande, 

Alle venijnige  wormen

Worden er mee ter dood gepijnigd. 

Dit is een eiland mooi van heide, 

Goed te koren en ter weiden.

35 Daar is een eiland op deze dag, 

Daar geen zieke in sterven mag, 

En daar is een vagevuur, zij het zeker dat, (2) 

Dat Sint Patrick getoond was.  

Ierland heet men het nu bij namen,

40 En is een groot land tezamen. 

Noord van Bretagne in die zee 

Is een eiland, heet Thule, (3)

Daar het half jaar nacht is en half dag. 

Solinus doet ons gewag,

45 Dat Thule een eiland is 

Bij het land van Indi‘, 

Vul wijngaarden en vol olijven 

En vol palmbomen, zoals ze schrijven; 

Dat er die bomen, heb het geloof,

50 Nimmermeer afwerpen loof. 

Isidorus gewaagt dus, 

Dat 33 Orcades (4) 

Eilanden liggen, als men hoort, 

In die Baerdsce zee recht voort (5)

55 Licht, hij bedoelt Orcani. 

13 eilanden, zegt hij, 

Zijn er bewoond en bezet, 

En 20, wil men weten, 

Zijn er leeg van alle man.

60 Rome legde er grote kost aan, 

Om te dwingen wijlen eer, 

En al om de wereld eer. 

C‡diz ligt in dat open 

Tussen Afrika en Europa,

65 Daar die twee zee‘n tezamen komen, 

Die men Gibraltar, hoort noemen; 

Het is een achtste deel van een mijl 

Van elk land, zonder grap. 

Daar zette Hercules zijn kolommen,

70 Want hij had de wereld om 

Van India tot daar gewonnen,

Van de opgang der zon, 

Tot datgene, dat hij het bedwong

Tot de zon ondergang.

(1) Mogelijk het eiland Thanet, beter Ierland zoals hij zelf aangeeft.

(2) Grot op Station Island in Lough Derg, graafschap Donegal.

(3) Zie Tiel bij volkoomen.nl plaatsen en hun betekenis.

(4) Orkney eilanden ten noorden van Schotland.

(5) Kanaal, van baey of van Brits? Zie Bosporus.

 

Vanden geluckegen eylanden. XXXI. 

Het sijn eylanden indie zee, 

Die heeten Fortunatee, 

Dats gevallich in onse tale. 

Die sijn draghende altemale

5 Al des die mensce hevet noot: 

Vruchtbome cleene ende groot, 

Wijngaerde, coren ende cruut, 

Ende alrehande erdsche deduut. 

Die poeten wanen bidi,

10 Dat dat paradijs dit si. 

Vele voglen, scone wout, 

Bien ende honech menechfout, 

Ende allen wenschen vintmen daer. 

Jegen Mauritane, dats waer,

15 Liggen si alle indie zee: 

Daer sijnre vive ofte mee; 

Maer sulken tijt alsmer een vint, 

Sceetmer af, sone es geen wint, 

Die so gewayt emmermere,

20 Datter man an wederkere. 

Gorgades sijn eylande mede, 

Die van Affrike teere stede 

Twee dachseilinghe verre sijn. 

Daer sijn wijf, dats waerheit fijn,

25 Van haren lachame al ru,

[p.1,35]  Ende snelre vele, seggic u, 

Danmen gelovet min no mee. 

Daer sijn oec Esperidee 

Bat buten, buten alle lant,

30 Buten den berghe Adlant, 

Daer favelen af tellen de sake, 

Datter es die wakende drake, 

Die de goudine apple hoet. 

In dIndsche zee, des esmen vroet,

35 Leghet Crisa ende Argoree, 

Twee eylande indie zee. 

Daer vloyt so selver ende gout, 

Dat sulc over waerheit hout, 

Dat dat eylant al goudijn si

40 Ende tander selverijn daer bi. 

Tambrobane lesen wi dat si 

Ane die oestzide van Indi. 

VIIIC ende LXXV milen 

Scriven sijt lanc, sonder ghilen,

45 Ende dore tlant loept eene riviere. 

Menege maergarite diere, 

Menegen precieusen steen 

Vintmen daer in over een. 

Deen deel houden elpendiere

50 Ende beesten van wilder maniere, 

Ende in dander wonen liede, 

Groot ende staerc ende ongediede, 

Met wreeden lude, met geluwen ogen; 

Haer scone haer conen si togen,

55 Maer met geenen volke bi enegen saken 

Sone gesellen si hem met spraken. 

Ten oevere van haren lande 

Bringhen si in hare hande 

Hare comenscepe, ende wissen dare,

60 Ende vercopen also dat hare. 

Si leven langere vele dan wi, 

So dat cort gelevet si, 

Die stervet te sinen hondert jaren. 

Sdages en slapen si niet te waren.

65 Appelen hebben si ghenouch; 

Dat lant noint wijngaerde drouch. 

Vele houdsi hem andie jacht 

An diere van grotere macht. 

Slecken huse hebben si so groot,

70 Dat siere in wonen ter noot. 

Twee wintre ende twee somere mede 

Hebben si elx jaers daer ter stede. 

Nu hort vanden eylanden noch 

Tusschen Stroch ende Maroch,

75 Ende tusscen sente Jorijs braes: 

Van leerne sone wert niemen dwaes.

Van de gelukkige eilanden. XXXI. 

Het zijn eilanden in de zee, 

Die heten Fortunate,  (1)

Dat is aangenaam in onze taal. 

Die dragen allemaal

5 Alles dat de mens heeft nodig: 

Vruchtbomen klein en groot, 

Wijngaarden, koren en kruid, 

En allerhande aards vermaak. 

Die po‘ten wanen daarom,

10 Dat dit het paradijs is. 

Vele vogels, mooie wouden, 

Bijen en honing menigvuldig, 

En alle wensen vindt men daar. 

Tegen Mauritani‘, dat is waar,

15 Liggen ze alle in de zee: 

Daar zijn er vijf of meer; 

Maar sommige tijd als men er een vindt, 

Scheidt men er af, zo is er geen wind, 

Die zo waait immermeer,

20 Dat er een man van terug komt. 

Gorgades zijn eilanden mede,  (2)

Die van Afrika te ene plaats

Twee dag zeilen ver zijn. 

Daar zijn wijven, dat is waarheid fijn,

25 Van hun lichaam al ruw,

En snel veel, zeg ik u, 

Dan men gelooft min of meer. 

Daar zijn ook Hesperiden 

Beter buiten, buiten alle land,

30 Buiten de berg Atlas, 

Daar fabels van vertellen de zaak, 

Dat er is die wakende draak, 

Die de gouden appels behoedt. 

In de Indische zee, dit is dat men bevroedt,

35 Ligt Crisa en Argoree,  (3)

Twee eilanden in die zee. 

Daar vloeit zo zilver en goud, 

Dat sommige het voor waar houden, 

Dat dit eiland geheel goud is

40 En de ander zilver daarbij. 

Tamprobane lezen we dat is (4) 

Aan de oostzijde van Indi‘. 

800 en 75 mijlen 

Schrijven ze het lang, zonder grap,

45 En door het land loopt een rivier. 

Menige parel duur, 

Menige kostbare steen 

Vindt men daarin overeen. 

De ene deel houden olifanten

50 En beesten van wilde manieren, 

En in de andere wonen lieden, 

Groot en sterk en ongehoord, 

Met wrede luiden, met gele ogen; 

Hun schoonheid kunnen ze tonen,

55 Maar met geen volk bij geen zaken 

Zo vergelijken ze hen met spreken. 

Ten oever van hun land 

Brengen ze in hun handen 

Hun koopmanschap, en wijzen daar,

60 En verkopen alzo dat hare. 

Ze leven langer veel dan wij, 

Zodat kort leeft zij, 

Die sterf tin zijn honderd jaren. 

Op de dag slapen ze niet te waren.

65 Appels hebben ze genoeg; 

Dat land nooit wijngaarden droeg. 

Veel houden ze zich aan de jacht 

Aan dieren van grote macht. 

Slakken huizen hebben ze zo groot,

70 Dat ze er in wonen ter nood. 

Twee winters en twee zomer mede 

Hebben ze elk jaar daar ter plaatse. 

Nu hoort van de eilanden nog 

Tussen Straat van Gibraltar en Marokko,

75 En tussen Sint Joris braas:  (76)

Van leren zo wordt niemand dwaas.

 

(1) Is een verwijzing naar de Canarische eilanden aan de westkust van Marokko. Ptolemaeus gaf ze al weer als de rand van de wereld. Maerlant

 zegt dan ook dat ze bij Mauritani‘ liggen.  Zelfde verhaal bij Sint Brandaan.

Kaart van Ptolemaeus rond 100 na Chr. Opmerkelijk zijn de meren van Afrika, dus het binneland was bekend. Bij Afrika zie je een paar stipjes, de Canarische eilanden. Ze werden pas weer ontdekt in 1312 door kapitein Lanzarotto. Dus nadat Maerlant ze beschreef. Dat komt omdat de Portugezen toen in staat waren op de zee te varen doordat ze zich op de sterren konden orienteren of door gebruik van een kompas en zo wisten waar ze waren en thuis konden komen. Daarvoer voer men langs de kust van haven tot haven. Dus als de onderzoekers van Ptolomaeus al zo ver konden komen hadden ze toch ook zoiets als een kompas. Dan is het ook mogelijk dat ze in Amerika konden komen.

Opmerkelijk is ook de vorm van de Rijn in ons land. Er zit geen bocht in. Zo aan het zien is het meer de IJssel die naar Schagen gaat dan dat die naar Rotterdam gaat. De Eems is dan ook goed te zien.

(2) Gorgades of Kaapverdische eilanden voor de westkust van Afrika ter hoogte van Senegal.

(3) Zou liggen ten oosten van de Ganges delta in het huidige westen van Thailand. Zo ook Argere in het huidige Burma.

(4) Het vroegere Ceylon, nu Sri Lanka.

(5) Bosporus, oud Frans Bras Saint Georges.

 

Vanden eylanden vander zuutzee ende tusscen Stroch ende Maroch. XXXII. 

Cyprus dats een eylant, 

Van eere port also genant, 

Dat nu te tiden Paphen heet. 

Venus, alsement bescreven weet,

5 ie was in dat lant geboren. 

Wi vinden bescreven horen, 

Datmen coper eerst daer vant; 

Noch en vint men geen lant 

Dies gelijcs no verre no na.

10 Daer leget bi tlant van Creta, 

Ende es van Grieken een groet stic. 

Van desen lande so lesic, 

Dat Jupiter daer wart geboren 

Ende upgehouden, alse wijt horen.

15 Wilen waren daer C steden. 

Oest ende west in lancheden 

Ten groetsten ende niet harde wide; 

Grieken hevet an die nortside, 

Egypten anden zuderen kant.

20 Eerst was vonden in dat lant 

Scichte daermen mede schiet, 

Ende riemen diemen in scepe pliet. 

Gheete sijn daer vele int lant, 

Lettel herten, alsict vant;

25 Wolven, vossen, quade beesten 

En mach dat lant niet geleesten. 

Daernes ule no serpent int lant; 

Ende brinctmer ule, soe stervet thant. 

Bome, crude menegherande

30 Ende wijngaert wast wel inden lande. 

Abidos dat lant dat leghet

[p.1,36] Up Hellespontes, alsemen seget, 

Dat sente Jorijs braes nu heet, 

Dat Europen ende Asyen sceet.

35 Daer maecte Xerces, sonder gilen, 

Eene brugge over wilen. 

Cyclados sijn eylande mede, 

Die indie zee hebben hare stede 

Jegen Grieken, ende men seghet

40 Datter daer LIII leghet, 

Ende alle versceden, alsemen hort. 

Si liggen lancs zuut ende nort 

VC milen, dats ghemeten; 

Ende oest ende west, alse wijt weten,

45 Ligghen si CC milen breet. 

Doosterste ende, alsomen weet, 

Dats Rodus, gelovet das, 

Daer eerst rose vonden was. 

In dit lant, wi lesent dus,

50 Was die coperine Colosus, 

LXX ellen lanc, weetmen wale, 

Ende al gegoten van metale, 

Ende also grouf alse daertoe bestoet. 

Niemen conde des gewerden vroet,

55 Bi wat crachte, bi welker aert, 

Sulc een beelde gegoten waert, 

Ende daertoe mede hoet echt 

Up ende neder wart gerecht. 

Dit was der VII wondere een,

60 Die ter werelt ie zonne besceen; 

Ende ander C colosus mede 

[Waren daer noch inder stede.] 

Delos es der eylande een. 

Menne vint in lant en gheen

65 So vele quackelen alse daer. 

Men wille seggen over waer, 

Dat Phebus ende Dyana mede 

Worden geboren daer ter stede. 

Carpates es oec daer jeghen,

70 Ende es voere Egypten geleghen. 

Dat lant hevet eerst ripe vrucht, 

Dat doet nature ende des lants lucht. 

Cytarea leget ant westende, 

Daermen wilen Venus kende,

75 Want men anebeedse daer. 

Icarea leghet daer naer, 

Daer wilen Ycarus verdranc. 

Phares es danen niet lanc, 

Daermen vint den maerber wit,

80 Ende nieweren so goet so dit. 

Ghemaket so was van hem 

Die tempel van Jherusalem, 

Die Salomon wilen maken dede. 

Chion leghet daer mede,

85 Daermen mastix vele in vint. 

Samos es verre niet een twint, 

Daer was Juno in geboren 

Ende Sibilla, alse wijt horen, 

Die Servia geheten was,

90 Entie wise Pictagoras. 

Erdine vate, alsict vant, 

Waren daer eerst vonden int lant. 

Dit sijn die vermaerste eylande 

Vanden Cycladen, alsict cande;

95 Vanden anderen makic geen wort, 

Ic ghae te miere materien vort.

Van de eilanden van de Middellandse Zee en tussen Straat van Gibraltar en Marokko. XXXII. 

Cyprus dat is een eiland, 

Van een poort alzo genoemd, 

Dat nu te tijden Paphos heet. 

Venus, als men het beschreven weet,

5 Die was in dat land geboren. 

We vinden beschreven horen, 

Dat men koper eerst daar vond; 

Nog vindt men geen land 

Die het gelijkt nog ver nog nabij.

10 Daar ligt bij het land van Kreta, 

En is van Griekenland een groot stuk. 

Van dit land zo lees ik, 

Dat Jupiter daar werd geboren 

En opgehouden, zoals wij het horen.

15 Wijlen waren daar 100 steden. 

Oost en west in lengte 

Ten grootste en niet erg wijd; 

Griekenland heeft het aan de noordzijde, 

Egypte aan de zuidelijke kant.

20 Eerst was gevonden in dat land 

Schichten daar men mee schiet, 

En riemen die men in schepen pleegt. 

Geiten zijn daar veel in het land, 

Weinig herten, zoals ik het vond;

25 Wolven, vossen, kwade beesten 

Mag dat land niet opbrengen. 

Daar is uil nog serpent in het land; 

En brengt men er een uil, zo sterft het gelijk. 

Bomen, kruiden menigerhande

30 En wijngaard groeit goed in het land. 

Abydos dat land dat ligt (1)

Op Hellespont, zoals men zegt, 

Dat Bosporus nu heet, 

Dat Europa en Azi‘ scheidt.

35 Daar maakte Xerxes, zonder grap, 

Een brug over wijlen. 

Cycladen zijn eilanden mede, 

Die in de zee hebben hun stede 

Tegen Griekenland, en men zegt

40 Dat er daar 53 liggen, 

En alle verschillend, zoals men hoort. 

Ze liggen langs zuid en noord 

500 mijlen, dat is gemeten; 

En oost en west, zoals wij het weten,

45 Liggen ze 200 mijlen breed. 

Dat oosterse eind, alzo men weet, 

Dat is Rhodos, geloof dat, 

Daar het eerst de roos gevonden was. 

In dit land, we lezen het aldus,

50 Was die koperen Kolossus, 

47,60m lang, weet men wel, 

En al gegoten van metaal, 

En alzo groot als daartoe bestond. 

Niemand kon het dus worden bekend,

55 Bij wat kracht, bij welke aard, 

Zulk beeld gegoten werd, 

En daartoe mede hoe het echt 

Op en neer werd gericht. 

Dit was van de 7 wonderen een,

60 Die ter wereld ooit de zon bescheen; 

En andere 100 kolossus mede 

[Waren daar nog in de stede.] 

Delos is de eilanden een. 

Men vindt in land geen

65 Zo veel kwartels als daar. 

Men wil zeggen voor waar, 

Dat Phoebus en Diana mede 

Werden geboren daar ter plaatse. 

Karpathos is ook daar tegen,

70 En is voor Egypte gelegen. 

Dat land heeft het eerste rijpe vrucht, 

Dat doet natuur en de land lucht. 

Cythera ligt aan het westelijke einde,

Daar men wijlen Venus kende,

75 Want men aanbad haar daar. 

Ikaria ligt daarna, 

Daar wijlen Icarus verdronk. 

Paros is vandaar niet lang, 

Daar men vindt de marmer wit,

80 En nergens zo goed als dit. 

Gemaakt zo was van het 

Die tempel van Jeruzalem, 

Die Salomon wijlen maken deed. 

Kos ligt daarmee,

85 Daar men mastiek veel in vindt. 

Samos is daar verder iets, 

Daar was Juno in geboren 

En Sibille, zoals wij het horen, 

Die Servia geheten was,

90 En de wijze Pythagoras. 

Aarden vaten, zoals ik het vond, 

Waren daar eerst gevonden in het land. 

Dit zijn die vermaardste eilanden 

Van de Cycladen, zoals ik het kende;

95 Van de anderen maak ik geen woord, 

Ik ga tot mijn materi‘n voort.

(1) Abydos is een stad aan de Hellespont bij Turkije.

 

Van Cycile. XXXIII. 

Cycile es gheheten dus 

Vanden coninc Cyculus, 

Die coninc Ytallus broeder was. 

Onverre, gelovet das,

5 So eist versceden van Ytale. 

Ommegaens, so weetmen wale, 

So eist IIIM stadien, sonder ghile, 

Alse die VIII doen die mile. 

Grote berghe sijn int lant,

10 Vul sulfers, dus eist bekant; 

Hethna die berch leget hier, 

Die altoos bernet alse telsche vier; 

Nochtan leeghter up die snee, 

Ende dit en faelgiert nemmermee.

15 Daers Caribdis ende Silla 

In die zee, den lande na,

[p.1,37] Twee sorgelike steden. 

Daer sijn scepen buten vreden: 

Comen sire in, horen wi spreken,

20 Si versinken of si breken. 

Die Cyclopen woenden daer wilen, 

En si dat die poeten ghilen, 

Grote liede met eenen oghe. 

Quaet corenlant eist ende droghe.

25 In eene riviere, die daer gaet, 

Vint men den steen die heet acaet; 

Corael vintmen inde zee daer. 

Colee die liggen daer naer 

IX eylanden indie zee,

30 Entie bernen emmermee. 

Sardeine leget sekerlike 

Indie zee bi Afferike. 

Ghenoemt so es dat ghone 

Van Sardus, Hercules sone,

35 Die uut Affrike daer quam, 

Ende tlant in sinen handen nam. 

Hets lanc C ende XL milen, 

Ende XL wijt, sonder ghilen. 

Men vinter no wulf, no serpent,

40 Maer es een quaet worm bekent, 

Die den lieden gaet te na, 

Diemen heet solifuga. 

Men vint daer fonteinen heet, 

Die den lieden helpen gereet;

45 Maer si maken den dief blent, 

Dwaet men sine ogen, dits bekent. 

Corcica es, sonder ghilen, 

Een eylant, dat XX milen 

Van Sardeina versceden leghet.

50 Bi Ytalien, alsemen seghet, 

Leghet, ende heeft menegen ort 

Vul van wilden, alsemen hort. 

Enosus es een eylant 

Neven Spaengen; dats becant,

55 Dat serpenten die erde vlien, 

Waer sise tasten, rieken of zien. 

Baliares sijn eylande twee 

Neven Gallen indie zee, 

Daermen slingeren ende aermborste

60 Maecte eerst ende visieren dorste; 

Ende hier naer hetet, alsict merke. 

Nordweghen ende Denemaerke, 

Yslant, Sweden ende anders vort 

Eylanden die liggen bet nort,

65 Rekent men al in Sycia. 

Al Vrieselant verre ende na, 

Tusscen der Elven ende Sincval, 

Rekent men te Sassen al. 

Daer es Germania af thovet.

70 Nemmeer bescedens, des gelovet, 

En hebbic vanden landen vonden: 

Hier scedics af nu tesen stonden, 

Ende hebbe dit hier omme geset, 

Dat ghi verstaen moget te bet,

75 Alse ghi hort die riken noemen, 

Daer die orlogers ute comen, 

Wie si waren ende wanen geboren, 

Die der werelt daden toren.

Van Sicili‘. XXXIII. 

Sicili‘ is geheten aldus 

Van de koning Cyculus, 

Die koning Itallus broeder was. 

Niet ver, geloof dat,

5 Zo is het gescheiden van Itali‘. 

Omgang, zo weet men wel, 

Zo is het 54km, zonder grap, 

Als die 7 doen in een mijl. 

Grote bergen zijn in het land,

10 Vol zwavel, aldus is het bekend; 

Etna die berg ligt hier, 

Die altijd brandt als het helse vuur; 

Nochtans ligt er op de sneeuw, 

En dit faalt nimmermeer.

15 Daar is Caribdis en Scilla (1)

In die zee, het land nabij,

Twee zorgelijke plaatsen. 

Daar zijn schepen zonder vrede: 

Komen ze er in, horen we spreken,

20 Ze zinken of ze breken. 

Die Cyclopen woonden daar wijlen, 

En is dat die po‘ten grappen, 

Grote lieden met een oog. 

Kwaad korenland is het en droog.

25 In een rivier, die daar gaat, 

Vindt men de steen die heet agaat; 

Koraal vindt men in de zee daar. 

Colee die liggen daarna (2) 

9 eilanden in die zee,

30 En die branden immermeer. 

Sardini‘ ligt zeker 

In die zee bij Afrika. 

Genoemd zo is diegene 

Van Sardus, Hercules zoon,

35 Die uit Afrika daar kwam, 

En het land in zijn handen nam. 

Het is lang 100 en 40 mijlen, 

En 40 wijd, zonder grappen. 

Men vindt er geen wolf, nog serpent,

40 Maar is een kwade worm bekend, 

Die de lieden gaat te na, 

Die men heet solipuga.(3)

Men vindt daar fonteinen heet, 

Die de lieden helpen gereed;

45 Maar ze maken de dief blind, 

Wast men zijn ogen, dit is bekend. 

Corsica is, zonder grap, 

Een eiland, dat 20 mijlen 

Van Sardini‘ gescheiden ligt.

50 Bij Itali‘, zoals men zegt, 

Ligt het, en heeft menige oord 

Vol van wilden, zoals men hoort. 

Enosus is een eiland (4)

Naast Spanje; dat is bekend,

55 Dat serpenten de aarde vlieden, 

Waar ze hen tasten, ruiken of zien. 

Balearen zijn eilanden twee 

Naast Galli‘ in de zee, 

Daar men slingers en handbogen

60 Maakte eerst en versieren durfde; 

En hiernaar heet het, zoals ik het merk. 

Noorwegen en Denemarken, 

IJsland, Zweden en anders voort 

Eilanden die liggen beter noord,

65 Rekent men al in Scythi‘. 

Al Friesland ver en na, 

Tussen de Elbe en Sincval, (5)

Rekent men te Saksen al. 

Daar is Germani‘ van het hoofd.

70 Nimmer bescheidt, dus geloof het, 

Heb ik van de landen gevonden: 

Hier scheid ik af nu te deze stonden, 

En heb dit hierom gezet, 

Dat ge verstaan mag te beter,

75 Als ge hoort die rijken noemen, 

Daar die oorlogen uit komen, 

Wie ze waren en waarvan geboren, 

Die de wereld deden toorn.

(1) Aan de straat van Messina in Reggio di Calabria.

(2) Als Stromboli?

(3) Een venijnige spin, mogelijk tarantula, Lycosa tarantula.

(4) Ibiza?

(5) Voormalige Zwin bij Brugge, zeearm van de Noordzee die tot Brugge reikte, later dichtslibde, de zuidgrens van het Friese gebied.

 

Van lieden dolinge ende van costumen. XXXIIII. 

Mine ystorien lietic bliven, 

Daer dat geselscap vanden keytiven 

Metten tongen hem verscieden: 

Nu hort vort vanden quaden lieden,

5 Hoe vele dolingen daer si in vellen, 

Hoe elc met sinen gesellen 

Sulke costume nam over wet, 

Alsic hier naer hebbe geset. 

Sente Jeronimus die seghet,

10 Datmen in Arabien pleghet, 

Ende onder vele Sarrasine, 

Te levene niet met brode, met wine; 

Maer vleesch ende kemels melc, 

Bi sulker saken leeft daer elc.

15 Over zonde souden sijt heten, 

Souden si vleesch van zwinen eten; 

Oec mach cume leven of sijn

[p.1,38] In Arabien eenech zwijn. 

Wildemen ander liede dwingen

20 Te kemels melke, te sulken dingen, 

Hem soude dinken inden mont, 

Of si wulf aten ofte hont. 

In Ponten, in Frigia mede 

Sijn witte worme te meneger stede,

25 Ende hebben die hovede zwart, 

Ende liggen in houte hart; 

Hier mede so geltmen rinte. 

In Lybia, in al Orinte, 

Daer dat volc wandelt met pinen

30 In heeten lande ende in wostinen, 

Daer vindemen crekele in meneger wise, 

Ende maken daer af hare spise. 

In Egypten, in Palestine, 

Om dat men daer doet den lande pine

35 Met ossen, wilmen die waerheit weten, 

Ne willemen daer geen rentvlesch eten. 

Die Hunen entie Tragoditen, 

Ende een groot deel vanden Syten, 

Eten dat vleesch metten bloede.

40 Upter groter zeuscher vloede 

Wandelen liede menech een, 

Die droghen vissche up eenen steen, 

Daer die zonne up schinet sere: 

Hier bi leven si ende bi nemmere.

45 Die Wandelen entie Sermaten, 

Ende vele anders volcs utermaten, 

Hebben in harde groter werden 

Vossen vleesch ende van perden; 

Ende oec doet Jeronimus gewach,

50 Dat hi eerande volc sach 

Eten, rechts in beesten wise, 

Menschen vleesch vor alle spise.

Van lieden dolingen en van gebruiken. XXXIIII. 

Mijn histories liet ik blijven, 

Daar dat gezelschap van de ellendige 

Met de talen zich scheiden: 

Nu hoort voort van de kwade lieden,

5 Hoe vele dolingen waar ze in vielen, 

Hoe elk met zijn gezellen 

Zulke gebruiken namen voor wet, 

Als ik hierna heb gezet. 

Sint Hi‘ronymus die zegt,

10 Dat men in Arabi‘ pleegt, 

En onder vele Sarasijnen,  

Te leven niet met brood, met wijn; 

Maar vlees en kamelen melk, 

Bij zulke zaken leeft daar elk.

15 Voor zonde zouden zij het eten, 

Zouden ze vlees van zwijnen eten; 

Ook mag nauwelijks leven of zijn

In Arabi‘ enig zwijn. 

Wilde men andere lieden dwingen

20 Tot kamelen melk, tot zulke dingen, 

Hij zou denken in de mond, 

Of ze wolf aten of hond. 

In Pontus, in Frigia mede 

Zijn witte wormen te menige  plaats,

25 En hebben de hoofden zwart, 

En liggen in hout hard; 

Hiermee zo vergeldt men rente. 

In Libi‘, in al Ori‘nt, 

Daar dat volk wandelt met pijnen

30 In hete landen en in woestijnen, 

Daar vindt men krekels in menige wijze, 

En maken daarvan hun spijzen. 

In Egypte, in Palestina, 

Omdat men daar doet de landen pijn

35 Met ossen, wil men de waarheid weten, 

Nooit wil men daar rundvlees eten. 

Die Hunnen en de Troglodieten, (1)

En een groot deel van de Scythen, 

Eten dat vlees me het bloed.

40 Op de grote zee vloed 

Gaan lieden menigeen, 

Die drogen vissen op een steen, 

Daar de zon op schijnt zeer: 

Hierbij leven ze en bij nimmer anders.

45 Die Vandalen en de Sarmaten, (2, 3)

En veel ander volk uitermate, 

Hebben in erg grote waarden 

Vossen vlees en van paarden; 

En ook doet Hi‘ronymus gewag,

50 Dat hij een ander volk zag 

Eten, recht in beesten wijze, 

Mensen vlees voor alle spijzen.

(1) inwoners van Trachonitis?

(2) Vandalen, Oost Germaanse volksstam.

(3) Sarmaten, een Scythen volk die leeft tussen de Zee van Azow en Kaukasus.

 

Jheronimus van beesten levene van lieden. XXXV. 

Jheronimus spreect vort te waren, 

Doe die Scotten heidijn waren, 

Datter niemen hadde eygijn wijf; 

Maer elkerlijc was so keytijf,

5 Dat hi emmer wives plach, 

Waer soos hem luste ende hise sach. 

In Indien, Ethyopen, Persen mede, 

Sijn lande van groter moghenthede, 

Bi na ghelijc den Roemschen rike,

10 Die leveden so beestelike, 

Dat si haerre moeder namen te wive, 

Ja die dochtren van haren live, 

Ende haerre oudermoeder mede! 

Het was der Massageten zede,

15 Dat sise houden over keytijf, 

Die in ziecheden verliesen tlijf; 

Maer die vader mettien maghen, 

Alsi comen te ouden daghen, 

Slaensise doot ende eten;

20 Want si willen over waerheit weten, 

Dat min mach der zielen deren, 

Dat sise eten, dan worme verteren. 

Cybarin die liede houden, 

Dat si hare uutvercorne ouden

25 An eene galghe alle hanghen. 

Die van Yrcane haer zieke vangen, 

Alsi sijn bider lester stonden, 

Ende werpense gieren ende honden. 

Die van Caspien, seggen jeesten,

30 Gheven hare dode den beesten. 

Die Siten som pleghen twaren, 

Die vanden doden gemint waren, 

Dat sise levende ghemeene 

Graven onder die dode beene.

35 Capturi plaghen dalre beste 

Honde te houdene ter meste, 

Die hem verterden hare oude. 

Alse dit een bailliu betren woude, 

Die Alexander daer hadde geset,

40 Omme te houdene hare wet, 

Riep alt volc, dattet woude 

Alexander ontseggen houde.

[p.1,39] Dit wonder bescrivet ons dus 

Die wise sente Jheronimus.

Hi‘ronymus van beestachtig leven van lieden. XXXV. 

Hi‘ronymus spreekt voort te waren, 

Toen de Schotten heidens waren, 

Dat er niemand had een eigen wijf; 

Maar elk was zo ellendig,

5 Dat hij immer wijven plag, 

Waar zo het hem lustte en hij ze zag. 

In Indi‘, Ethiopi‘, Perzen mede, 

Zijn landen van grote mogendheden, 

Bijna gelijk het Romeinse rijk,

10 Die leefden zo beestachtig, 

Dat ze hun moeder namen tot wijf, 

Ja, die dochters van hun lijf, 

En hun grootmoeder mede! 

Het was de Massageten zede,

15 Dat ze hen houden voor ellendig, 

Die in ziekte verliezen het lijf; 

Maar de vader met de verwanten, 

Als ze komen te oude dagen,

Slaan ze die dood en eten;

20 Want ze willen voor waarheid weten, 

Dat minder mag de zielen deren, 

Dat ze hen eten, dan wormen verteren. 

Tibarindi die lieden houden,  (1)

Dat ze hun uitverkoren ouden

25 Aan een galg alle hangen. 

Die van Hircani‘ hun zieken vangen, (2)

Als ze zijn bij de laatste stonden, 

En werpen ze voor gieren en honden. 

Die van Caspia, zeggen verhalen, (3)

30 Geven hun doden de beesten. 

De Scythen sommige plegen te waren, 

Die van de doden gemind waren, 

Dat ze hen levend algemeen 

Begraven onder de dode beenderen.

35 Capturi plegen de aller beste (4)

Honden te houden te mesten, 

Die zich verteren hun ouden. 

Toen dit een baljuw verbeteren wou, 

Die Alexander daar had gezet,

40 Om te houden hun wet, 

Riep al het volk, dat het wou 

Alexander ontzeggen het te houden.

Dit wonder beschrijft ons dus 

Die wijze Sint Hi‘ronymus.

(1) Tibarindi, ten zuiden van de Zwarte Zee, volgens Herodotus.

(2) Aan de zuidkust van de Kaspische Zee, nu Iran.

(3) Ongeveer huidige Azerbeidzjan aan de Kaspische Zee.

(4) Bedoeld zijn de Bactrii, inwoners van Bactria.

 

Solinus van manieren van manieren van lieden. XXXVI. 

Solinus gewaget ons des, 

Dat des pleghen Essedones, 

Die van Fothen sijn algader, 

Dat si haren doden vader

5 Singhende draghen ten grave, 

Ende nemen thovet, ende makere ave 

Enen nap, ende drinkenre in. 

Some hebben sulken zin, 

Dat si wonen in hagedochten,

10 Ende noch noit huus en rochten. 

Dese houden haerre vianden hovet 

Ute te drinkene, des gelovet. 

Orloghe minnen si tallen stonden, 

Ende uter vianden wonden

15 Bloet te drinkene si oec minnen: 

Diere meest slaen, meest eren winnen. 

Wie so hem oec dies trake achter, 

Hi bleve altoos inden lachter; 

Ende alsi vrede maken goet,

20 So moet elc drinken anders bloet. 

In Ethyopen es een lant, 

Dat Garamanta es genant, 

Daermen geen huwelijc en kint, 

Maer elc speelt daer hijt vint.

25 Daers geen kint dat weten can, 

Wie die vader es diet wan; 

Bidi heetmen dese bedieden 

Donnedelste van alden lieden. 

Ende Ethyopen es sekerlike

30 Wel bekent in Affrike. 

Daers in menegerande zede, 

In menech lant, in menege stede: 

Sulke vaen die elpendiere, 

Ende levere bi, dats haer maniere;

35 Sulke, horic oec bedieden, 

Leven bi melke van wilden lieden. 

Tragoditen en plegen niet 

Huus te makene alse ander diet; 

In hole wonen si, dats haer zede.

40 Daer en es geene gierechede, 

Aermoede minnen si gemeene. 

Haer begherte es an enen stene, 

Exacontalitus heten sine bi namen, 

Die hevet alleene te samen,

45 Dore al dat hi es so cleene, 

Varuwen sulc alse LX steene. 

Dese leven bi serpenten; 

Sine spreken no paerlementen. 

Die van Tracien die en geven

50 Niet of cleene om dit leven, 

Maer si minnen die doot; 

Want haer waen die es so groot, 

Dat si wanen sulc van hem somen, 

Dat die zielen hier weder comen.

55 Andere wanen vanden keytiven, 

Dat si alle salich bliven. 

Alse hem kindere worden geboren, 

Machmen hem rouwe driven horen; 

Ende mettien doden sijn so vro.

60 Die wijf minnen die man also, 

Alsemense bernet na dien zede, 

Dat si int vier springen mede.

Solinus van manieren van manieren van lieden. XXXVI. 

Solinus gewaagt ons dus, 

Dat dus plegen Essedones, (1)

Die van Fothen zijn allemaal, 

Dat ze hun dode vader

5 Zingend dragen ten grave, 

En nemen het hoofd, en maken er van 

Een nap, en drinken er in. 

Sommige hebben zulke zin, 

Dat ze wonen in spelonken,

10 En nog nooit een huis raakten. 

Deze houden hun vijanden hoofd 

Uit te drinken, dus geloof het. 

Oorlog minnen ze te alle stonden, 

En uit de vijanden wonden

15 Bloed te drinken ze ook minnen: 

Die er het meest slaan, meest eren winnen. 

Wie zo hem ook dus trok achteruit, 

Hij bleef altijd in het uitlachen; 

En als ze vrede maken goed,

20 Zo moet elk drinken de ander zijn bloed. 

In Ethiopi‘ is een land, 

Dat Garamentis is genaamd,  (2)

Daar men geen huwelijk kent, 

Maar elk speelt daar hij het vindt.

25 Daar is geen kind dat weten kan, 

Wie die vader is die het won; 

Daarom noemt men deze gebruiken 

De onedelste van alle lieden. 

En Ethiopi‘ is zeker

30 Goed bekend in Afrika. 

Daar is in menigerhande zede, 

In menig land, in menige stede: 

Sommige vangen die olifanten, 

En leven er van, dat is hun manier;

35 Sommige, hoor ik ook bedienen, 

Leven bij melk van wilde lieden. 

Troglodieten plegen niet 

Huis te maken zoals ander dient; 

In holen wonen ze, dat is hun zede.

40 Daar is geen gierigheid, 

Armoede beminnen ze algemeen. 

Hun begeerte is aan een steen, 

Hexacontalithos noemen ze het bij namen, 

Die heeft alleen tezamen,

45 Door al dat het is zo klein, 

Kleuren zulke als 60 stenen. 

Deze leven bij serpenten; 

Ze spreken niet nog parlementen. 

Die van Thraci‘ die geven

50 Niet of weinig om dit leven, 

Maar ze beminnen de dood; 

Want hun waan die is zo groot, 

Dat ze wanen sommige van hen soms, 

Dat de zielen hier weer komen.

55 Andere wanen van de ellendige, 

Dat ze alle zalig blijven. 

Als hen kinderen worden geboren, 

Mag men hen rouw drijven horen; 

En met de doden zijn ze zo vrolijk.

60 Die wijven beminnen de mannen alzo, 

Als men ze verbrandt na die zede, 

Dat ze in het vuur springen mede.

(1) Issedones, Scythisch volk uit Centraal Azi‘.

(2) Fezzan, regio in Libi‘ ten zuiden van Tripolitani‘.

 

Van minnen van wiven tharen mannen waert. XXXVII. 

In Indi, scrivet Jheronimus, 

Plegemen eere zeden aldus, 

Te hebbene vele scone wijf. 

Die dan meest in des mans lijf

5 Vanden manne was vercoren, 

Gaet mettem int vier, alswijt horen. 

Dan dinghen si ende vermeten hem das,

[p.1,40] Elc dat si die liefste was; 

Entie die liefste wert bekent,

10 Doet an haer beste parement, 

Ende helset dien doden altehant, 

Ende bernet mettem inden brant. 

Het schijnt, die dus die doot gaet an, 

Of si nie sochten enen anderen man.

15 Dit hebbic van vrouwen zeden, 

Vandien lieden hier ter steden 

Gheset, omme dat ghi sult verstaen, 

Dat die ghene die Gode ontgaen, 

Alse dede dit quade diet,

20 Doe God die tongen alle sciet, 

In ghemeenre dolingen comen. 

Nu suldi vort horen nomen 

Die geslachten vanden lieden, 

Ende hoe dat hem die riken scieden.

Van minnen van wijven tot hun mannen waart. XXXVII. 

In Indi‘, schrijft Hi‘ronymus, 

Pleegt men een zeden aldus, 

Te hebben vele mooie wijven. 

Die dan meest in het mannen leven

5 Van de man was gekozen, 

Gaat met hem in het vuur, zoals wij het horen. 

Dan dingen ze en vermetele hen dat,

Elk dat ze de liefste was; 

En die de liefste wordt bekend,

10 Doet aan haar beste tooi, 

En omhelst die doden gelijk, 

En verbrandt met hem in de brand. 

Het schijnt, die dus die dood gaat aan, 

Of ze niet zochten een andere man.

15 Dit heb ik van vrouwen zeden, 

Van die lieden hier ter plaatse 

Gezet, omdat ge zal verstaan, 

Dat diegene die God ontgaan, 

Alzo deden dit kwade volk,

20 Toen God de tongen alle scheidde, 

In algemene dolingen gekomen. 

Nu zal ge voort horen noemen 

Die geslachten van de lieden, 

En hoe dat zich de rijken scheiden.

 

 

Vanden beginne vander Syten rike, ende hoe die lande vielen in dolingen. XXXVIII. 

Falech die Hebers sone was, 

Alsemen hier te voren las, 

In wies tiden dat gevel 

Dat wonder omden tor Babel,

5 Die wan, alse hi hadde XXX jaer, 

Rugu sinen sone, dats waer, 

C jaer ende XXX ende een 

Nader swaerre lovien ween. 

In sinen tiden sekerlike

10 So begonste der Syten rike, 

Die deerste waren ende doutste mede, 

Die lande wonnen met onvrede. 

Nochtanne telment sekerlike 

Niet over gerecht conincrike,

15 Want wilt volc was ende onbesceden, 

Ende sonder redene dinc wilden leden. 

Hier af spreect in sinen viten 

Justinus, ende seget, dat die Syten 

Lange jegen Egypten streden,

20 Om vordeel van haerre outheden, 

So dat Vexoris vernoyde das, 

Die coninc in Egypten was, 

Ende sochtse alre eerst met stride. 

Die Syten maectene onblide,

25 Want si hebbene verdreven; 

Egypten ware hem upgegeven, 

Maer die marasschen hebbent hem benomen, 

Dat siere toe niet mochten comen. 

Doe keerden die Syten daer na,

30 Ende destruweerden Azia, 

Ende laghenre in XII jaer, 

Ende setten haren tribuut daer. 

In desen tribuut Azia stac, 

Tote dattene Ninus brac,

35 so dat in dat XIIste jaer 

Haer wijf om hem senden daer, 

Dat si te lande souden keeren. 

In desen gheviel dat II heren, 

II coningen, jonc ende stout in haer doen,

40 Scolopitus ende Heilyoen, 

Ute Syten worden verdreven, 

Die met een deel haerre neven 

Ende grote heren hem traken na, 

Ende quamen in Capadocia,

45 Daer si met haren here laghen. 

Met rove gingen si hem bejaghen, 

Ende dwongen dat lant daer naer. 

Doe worden si belaghet aldaer, 

Ende doot gesleghen ende hare man.

50 Hare wijf daden die wapene an 

Ende slougen dat lantvolc doot, 

Ende maecten eene cuere groot, 

Dat si hare sonen, die si drougen, 

Van hem daden of versloughen,

55 Ende houden mageden, die si winnen; 

Die woudsi niet leeren spinnen, 

Maer jagen enter wapene pleghen. 

Over een hebben si ghedreghen, 

Dat si hem in haerre kintschede

60 Die rechter borst afbernden mede, 

Dattem die mamme niet en let, 

Sine slaen ende scieten te bet. 

Dit geslachte quam uut Zweden.

[p.1,41] Van desen es inden dach heden

65 Datmen heet der Mageden lant, 

In Latijn Amasonia ghenant. 

II coninginnen maecten si doe, 

Marcesica ende Lampetoe, 

Die hare orbare souden belopen.

70 Vele dwongen si vanden Europen 

Ende wonnen Asya dat Cleene, 

Ende maecter stede menich eene. 

Haren roof senden si thuuswaert, 

Ende lieten indien aert

75 Marcesica, die si wouden, 

Die die lande dwingen souden, 

So dat si ende hare scaren 

Alle daer versleghen waren. 

Dus wart verslegen Mercesica.

80 Doe quam haer dochter Ozitia, 

Die van orloge sere was vroet, 

Ende noch nie na man en stoet.

Van het begin van de Scythen rijk, en hoe die landen vielen in dolingen. XXXVIII. 

Falech die HeburŐ s zoon was, 

Zoals men hier te voren las, 

In wiens tijden dat geviel 

Dat wonder om de toren Babel,

5 Die won, toen hij was 30 jaar, 

Ragu zijn zoon, dat is waar, 

100 jaar en 30 en een 

Na de zware vloed geween. 

In zijn tijden zeker

10 zo begon het Scythen rijk, 

Die de eerste waren en de oudste mede, 

Die landen wonnen met onvrede. 

Nochtans vertelt men het voor zeker 

Niet voorr echt koninkrijk,

15 Want wild volk was en onbescheiden, 

En zonder reden dingen wilden leiden. 

Hiervan spreekt in zijn vita 

Justinus, en zegt, dat die Scythen 

Lang tegen Egypte streden,

20 Om voordeel van hun oudheid, 

Zodat Vexoris verdroot dat, 

Die koning in Egypte was, 

En zocht ze allereerst met strijd. 

Die Scythen maakten hem niet blij,

25 Want ze hebben hem verdreven; 

Egypte was hem opgegeven, 

Maar die moerassen hebben het hem benomen, 

Dat ze er toe niet mochten komen. 

Toen keerden die Scythen daarna,

30 En vernielde Azi‘, 

En lagen er in 12 jaar, 

En zetten hun tribuut daar. 

In dit tribuut Azi‘ stak, 

Totdat het Ninus brak,

35 zo dat in dat 12de jaar 

Zijn wijf om hem zond daar, 

Dat zij tot het land zou keren. 

In dit gebeurde het dat 2 heren, 

2 koningen, jong en dapper in hun doen,

40 Scolopitus en Ylinos, 

Uit Scythi‘ worden verdreven, 

Die met een deel van hun neven

En grote heren zich trokken na, 

En kwamen in Cappadoci‘,

45 Daar ze met hun leger lagen. 

Met roof gingen ze zich bejagen, 

En dwongen dat land daarna. 

Toen werden ze belegerd aldaar, 

En dood geslagen en hun man.

50 Hun wijven deden de wapens aan 

En sloegen dat landvolk dood, 

En maakten een keur groot, 

Dat ze hun zonen, die ze droegen, 

Van zich deden of versloegen,

55 En hielden maagden, die ze winnen; 

Die wilden ze niet leren spinnen, 

Maar jagen en de wapens plegen. 

Overeen zijn ze gekomen, 

Dat ze hen in hun kindsheid

60 Die rechter borst afbrandde mede, 

Dat hen de borsten niet let, 

Ze slaan en schieten te beter. 

Dit geslacht kwam uit Zweden.

Van deze is in de dag van heden

65 Dat men heet de Maagden land, (1)

In Latijn Amasonia genaamd. 

2 koninginnen maakten ze toen, 

Marcesica en Lampetoe, 

Die hun winst zouden belopen.

70 Veel dwongen ze van Europa 

En wonnen Azi‘ dat Kleine, 

En maakten er stede menig een. 

Hun roof zonden ze huiswaarts, 

En lieten in die aard

75 Marcesica, die ze wilden, 

Dat die de landen dwingen zou, 

Zodat ze en haar scharen 

Alle daar verslagen waren. 

Aldus werd verslagen Marcesica.

80 Toen kwam haar dochter Ozitia, 

Die van oorlog zeer was deskundig, 

En nog niet naar een man stond.

(1) Land ten noorden van de Kaukasus en Zwarte Zee.

 

Hoe trike van Egypten begonste. XXXIX. 

Ragu, daer ic af seide hier voren, 

Dien wart Saruch een sone geboren. 

In sinen tiden sekerlike 

So begonste van Egypten trike,

5 Dat stont, alsemen vint vorwaer, 

Bi naer XVC jaer, 

Onthier ent Cambices wan. 

Sidert quaemt weder up nochtan, 

Ende stont tote Augustus stonden,

10 Doe wart onder Rome ghebonden. 

Saruch, Ragus sone, wan 

Nachor sinen sone, den man. 

Men leset dat in sinen tiden begonden 

Twee riken, die lange stonden:

15 Deen was van Assurien trike, 

Dat stont lange mogendelike 

XIIC ende viertech jaer, 

Onder XXXVI coningen, dats waer. 

Doe quamen die van Meden boven,

20 Die die van Assirien verscroven, 

Ende Arbachus die wart here, 

Alse ghi hier na sult horen mere. 

In Saruchs tiden begonde mede 

In Siciomia die stede

25 Een conincrike, alsict las, 

Dat hovet van Europen was. 

Dat gheduurde, alst es bescreven, 

XXV coningen leven, 

DCCCC jaer ende XL omtrent,

30 Eert gevellet was ende ghescent. 

Dese viere riken, sonder waen, 

Quamen nadie lovie saen: 

II in Azien, twee in Europen. 

Nu sullen wi voert ten jeesten lopen.

Hoe het rijk van Egypte begon. XXXIX. 

Ragus, waar ik van zei hier voren, 

Die werd Saruch een zoon geboren. 

In zijn tijden zeker 

Zo begon van Egypte het rijk,

5 Dat stond, zoals men vindt voorwaar, 

Bijna 1500 jaar, 

Tot hier en het Cambyses won. 

Sinds kwam het weer op nochtans, 

En stond tot Augustus stonden,

10 Toen werd het onder Rome gebonden. 

Saruch, Ragus zoon, won 

Nachor zijn zoon, de man. 

Men leest dat in zijn tijden begonnen 

Twee rijken, die lang stonden:

15 De ene was van Assyri‘ het rijk, 

Dat stond lang vermogend 

1200 en veertig jaar, 

Onder 46 koningen, dat is waar. 

Toen kwamen die van Meden boven,

20 Die van Assyri‘ verschoven, 

En Arbachus die werd heer, 

Zoals ge hierna zal horen meer. 

In SaruchŐ s tijden begon mede 

In Siciomia die stede

25 Een koninkrijk, zoals ik het las, 

Dat hoofd van Europa was. 

Dat duurde, als het is beschreven, 

25 koningen leven, 

900 jaar en 40 omtrent,

30 Eer het geveld was en geschonden. 

Deze vier rijken, zonder waan, 

Kwamen na de vloed gelijk: 

2 in Azi‘, twee in Europa. 

Nu zullen we voort te verhalen lopen.

 

Hoe Adams geslachte doolde tote Abrahame, ende hoe die afgoden upquamen. XL.

 Nachor wan sinen sone Thare, 

Die wart in sijn lant gemare, 

Ende was van Caldee geboren. 

Nembroth was comen, alswijt horen,

5 Die leerde daer int lant, die sot, 

Dat tfier ware een gherecht god. 

Nachor es niet met hem bleven, 

Hier omme wart hi slands verdreven. 

Dese Tharee wan Abraham,

10 Die was deerste, alsict vernam,