Rembertus Dodonaeus. Cruyde boeck,  1554.

 

Beschrijving: cruyde boeck(86) Rembert Dodoens (Rembertus Dodonaeus) heeft zich als botanist onsterfelijke roem verworven.

Hij is van Friese afkomst. Zijn oudgrootvader Jarich Joenkes (of Joenkema) en zijn grootvader Rembert Jarichsz Joenkes waren beiden olderman van Leeuwarden. De laatste had een zoon Dodo of Doede en een dochter Tita of Tidea die met Feico Piersma getrouwd was, een olderman uit Sneek. Uit dit huwelijk kwam een dochter Rixtia die met Suffridus Hoppers trouwde. Dat waren de ouders van Joachim Hoppers of Hopperus die secretaris van koning Filips II van Spanje werd. Dodo of Doede Rembertsz Joenkes (of Joenkema) is geboren rond 1490/1595 en overleed in 1553. Hij vestigde zich eerst als handelaar in zijn geboortestad maar verhuisde later naar de belangrijke koopstad Mechelen en werd omstreeks 1516/1517 stadsgeneesheer te Mechelen. Hij was in de tweede echt getrouwd met de weduwe Urssele Rollands waar hij behalve Rembert nog twee dochters van kreeg. 

 

In Mechelen werd zijn zoon Rembert geboren. Door een legetimatiebrief van keizer Karel V in october 1538 werd hij geecht, dus volgens een rechtsgeldig huwelijk. Op zijn zerk in de St. Pieterskerk te leiden staat dat hij op zijn 68ste overleden is. Dan moet hij in 1517 geboren zijn. In zijn ‘Priorum de Stirpium historia commentarium’ die in Antwerpen 1553 verschenen is wordt zijn portret afgebeeld op 35 jarige leeftijd. Dat betekent dan dat hij dan in 1518 geboren is. Er zijn ook die geloven dat hij geboren werd in Leeuwarden, maar hij schrijft zelf dat hij afkomstig was van Mechelen en zo komt het ook op de graftombe voor. Op het inschrijvingsregister van de Leuvense hogeschool komt hij voor in 9de oogstmaand 1531 ‘Rembertus Dodonis, de Lewardia, filius Dionysii Cornelius Alman, de Mechlinia, filius Henrici. Pro istis duobis minoribus juravit magister Lucas Neyt’ . Hier geeft hij zelf aan dat hij geboren is in Leeuwarden waar Lucas Neyt als zijn peter optreedt.

Over zijn kinderjaren is weinig bijzonders te vertellen. Hij is op 14jarige leeftijd naar Leuven gegaan om aan de Alma Mater de geneeskunde te studeren. Daar ging het zo goed dat hij in 1535 al op zijn 17de jaar tot licentiaat in de medicijnen werd aangenomen. De titel van doctor die toen uitsluitend door leraren in de geneeskunde gebruikt werd heeft hij nooit genomen

Naar zijn eigen woorden werkte hij het liefst in de kruidkunde. Griekse en Latijnse letteren, wiskunde, aardrijkskunde en wereldbeschrijving trokken aan zijn aandacht. Hij kon dan ook Grieks en Latijn tot in de grond. Op jeugdige leeftijd stond hij als een veelzijdige geleerde bekend zodat J. Guinterus hem vroeg om zijn vertaling van de Griekse tekst van de vertaling van Paul van Egina na te zien. Op 10 september 1535 verwierf hij het licentiaat in de geneeskunde. De meeste levensbeschrijvers van Dodonaeus zeggen dat hij na zijn studie van 1535 tot 1546 een wetenschappelijke reis door Europa ondernam en de beste scholen van Frankrijk, Italië en Duitsland bezocht heeft. Maar Clusius, zijn beste vriend, vertelde dat hij voor zijn vertrek naar Wenen nooit in het buitenland geweest was. Hij gaf dan ook nooit de groeiplaats van de beschreven gewassen aan of ze moesten in België gestaan hebben.

 

In 1539 woonde hij te Mechelen in de ‘langhe Schepstraete’ en trouwde met Kathrien de Bruyn. Ze was de dochter van Antoon de Bruyn, artilleriemeester en tresorier van de oorlogsuitgaven. Ze kregen vier kinderen, Ursula, Antonia, Denijs en Rembert. Een tweede zoon, Dionysius, stierf al vroeg Rembert volgde later zijn vader naar Wenen en werd daar geneesheer van de Roomse koning. Zijn vrouw stierf eind april 1572. Begin met 1576 trouwde hij met Maria Saerijn en kreeg bij haar nog een dochter, Jeanne.

Na het einde van zijn studie vestigde hij zich in Mechelen als geneesheer in (1541) 1545/1546. In 1548 werd hij tot stadsdokter van Mechelen benoemd wat hij tot 1574 vol hield.

 

Rembert Doedesz, Joenkes (of Joenkema) liet zijn familienaam Joenkes vallen om enkel die van Dodoens (Dodoenszoon of de zoon van Dodo of Doede) te houden die verlatijnst werd zodat hij onder de naam Dodonaeus en bij de Fransen Dodonée bekend werd

Zijn portret is gemaakt te Antwerpen in 1553. de houtsnede is gemaakt door een onbekende graveur die hem afbeeldt op 35 jarige leeftijd. De zinspreuk ‘Virtute Ambi’staat bij het familiewapen dat uit twee zilveren sterren bestaat met een halve maan van zilver op een blauw veld. Hij staat ter zijde afgebeeld met in de rechterhand een tak bloemen en in de linker een rol papier. Dit portet werd een jaar later gebruikt bij de eerste druk van zijn ‘Cruyde-Boeck’.

Een tweede portret is te vinden in de portrettenverzameling van Philippe de Gall uit 1572. Hier staat een versje onder van A. Bernard Montanus:

‘Moribus atque fide testor Remberte valere,

Usus nempe tuis saepius hospitijs

Quid Medicus valeas Mechlini dicet et hortii

Quos struis, in plantis quantus es, atque libris’.

‘Ik getuig, o Rembertus, dat gij groot zijt in zeden en trouw. Want hij immers, die meermalen van uw gastvrijheid genoten heeft weet te zeggen, dat gij als geneesmeester te Mechelen uitblinkt, en hoe uw tuinen, die gij aanlegt, door planten uitblinken, hoe groot ge daarin zijt en hoe groot in uw boeken’.

 

In 1546 was hij echter in Mechelen als blijkt uit zijn ‘Cosmographia in Astromiam et geographium isagoge’ die gedagtekend is te Mechelen op 1 december 1546. Dit werk droeg hij op aan Joach Hoppers die zich met de wereldbeschrijving bezig hield en die verklaarde dat hij zijn kennis aan Dodonaeus te danken had. In zijn ‘Cosmographia’, die in 4 boeken verdeeld is, volgt hij het stelsel van Ptolemeus zonder er wat nieuws bij te voegen. Zijn grote verdienste bestaat uit de goede uiteenzetting van de stof.

 

Hij zag als stadsdokter vele ziekten als melaatsheid, pest en andere ziektes die soms hele dorpen weg maaiden wat toen een gevaarlijk beroep was. In een ambt waar niemand belangstelling voor had en die per jaar 10 el laken met een jaargeld van 2 pond en 15 schellingen Vlaamse munt opleverde dat later op 11 pond gebracht werd. Maar daarnaast verdiende hij meer doordat de vaste bezoeken aan de melaatsen afzonderlijk betaald werden. Mogelijk hoopte hij eens als professor aan de hogeschool aangesteld te worden. Zoveel is zeker dat hij rond 1550 voor enige studenten zijn samenvattende tabellen over de levensleer samenstelde die pas in 1581 het licht zagen. De kruidkunde hield hem het meest bezig die vooral in dat gebied belangrijk was. Jan Vander Loe, de ondernemende Antwerpse uitgever, wilde hier voordeel uit halen en verzocht hem over de bekende gewassen een Vlaams boek te schrijven. Zo kwam in 1552 zijn beroemd ‘Cruyde-boeck’ uit. Maar eerst gaf hij bij Vander Loe een Latijns werkje uit dat getiteld was ‘De Frugum historia’ in 1552. Daarin beschrijft hij 16 soorten van grasachtige waaronder ook boekweit en 17 soorten peulgewassen met de goede en slechte eigenschappen. Het werk was opgedragen aan Ger. Van Veltwyck, raadsheer van de keizer en groot liefhebber van tuinbouw en plantkunde. Verder zitten er een paar brieven bij. De eerste handelt over verschillende toebereiding zoals tarwe en gerst bij de ouden gebeurde, de tweede over bier en de Egyptische drank die Zython werd genoemd waarin veel interessante bijzonderheden staan over het bier maken.

 

Om de studenten in de geneeskunde die Plinius, Dioscorides, Galenus enz in handen hadden de kosten van zijn grote herbariums te besparen liet hij nu van elk apart talrijke houtsneden maken met bijvoeging van enkele kritische en ophelderende teksten. In 1533 kwamen de platen van de 3 eerste boeken van de pers onder de titel “Trium priorum de Stirpium historia commentariorum imagines as vivum expressae’. Een jaar later volgde het tweede deel met de 3 laatste boeken ‘Posteriorum trium…’samen met 711 houtsneden. Onder de titel ‘De Stirpium historia commentariorum, imagines, in duos tomos digetae’ zag in 1559 bij J. Vander Loe een vermeerderde herdruk van beide delen het licht.

In de loop van 1554 verscheen zijn beroemde ‘Cruyde-boeck’ die opgedragen was aan Maria van Hongarije, de landvoogdes van de Nederlanden. In de opdracht verklaart Dodonaeus waarom hij het in zijn moedertaal heeft geschreven “Wij hebben desen onsen Cruyde-boeck niet in Latijn, maer in ghemeyne Neerduytsche tale willen schrijven ende uytgheven, opdat hy alle cruytliefhebbers ende al soowel den leecken van der Latijnsche tale ignorant als den gheleerden dienstelijck ende oorboorlijck soude moghen wesen’. De inhoudstafel geeft 1060 verschillende Nederlandse kruidnamen op, maar het aantal beschreven soorten is veel meer omdat in hetzelfde artikel vaak een mannelijke en vrouwelijke vorm voorkomt. Het boek heeft 715 houtsneden waarvan 200 oorspronkelijk die onder de ogen van Dodonaeus met de grootste zorg en ‘naer dat leven gheconterfeut’ gemaakt zijn. De overige platen zijn aan het beroemde boek van Leonard Fuchs uit Bazel in 1542 ontleend die door Vander Loe aangekocht en in de volgende uitgave gebruikt werden. Daardoor ontstond bij de Fransen de gedachte dat Dodonaeus de kruidsoorten die bij Fuchs te vinden zijn gewoon vertaald heeft. Ze lijken wel veel op elkaar, maar Dodonaeus haalt vaak Hippocrates aan en Fuchs niet, ook wijst hij ook op veel plaatsen Fuchs terecht.

Toch is het wel een voortzetting van een in Duitsland begonnen reeks

1530       Het ‘Herbarium vivae Eicones’ van Otto Brunfels die al komt met vele mooie afbeeldingen die door Hans Weiditz gemaakt waren.

1539      Het ‘New Kreutter Buch’van Hieronymus Boch die zodanig beschreven is dat de plantenzoeker de planten zonder afbeeldingen moest kunnen herkennen.

1542      ‘De historia stirpium’van Leonard Fuchs met 512 houtsneden.

1543      ‘Den Nieuwen Herbarius, dat is: ‘dboeck van den cruyden, int welcke met de groote neersticheijt bescreven is niet alleen die gantsche historie-, maer oock alle de wortelen, stelen, enz na dleven gefigureert ende geconterfeijt’. Balse M. Isengrin. Dit was de Vlaamse vertaling van het voorgaande boek, dat net als de Latijnse, Duitse en Franse uitgave een groot succes was.

Verder voert hij een stelsel van rangschikking van de gewassen in die, hoe gebrekkig ook, te verkiezen is boven de dan toe door alle kruidkundigen gebruikte alfabetische volgorde. Verder heeft hij vooral de Vlaamse gewesten op het oog en geeft soms de plaatsen aan waar ze groeien en het tijdstip waarop ze hier bloeien en rijpen. Ook levert hij vaak het bewijs dat hij het levende gewas bestudeerd heeft.

Zijn werken vonden grote bijval. Na 9 jaar wat het grote Vlaamse herbarium vrijwel uitgeput wat in die tijd naar de zeer hoge prijs wel iets buitengewoons was. Hij lijkt er zelf ook goed aan verdiend te hebben. Men weet in ieder geval dat hij in 1555, hij was toen al getrouwd met Katharina Bruyne of Le Bruyne, in de Augustijnstraat in Mechelen een huis kocht en het jaar erop eigenaar werd van een naast gelegen woning.

De eerste uitgave van het ‘Cruyde-boek’is uiterst zeldzaam geworden. In 1557 gaf Karel de L ‘Ecluse (Clusius) er een Franse vertaling van die naar een verbeterd handschrift van Dodonaeus bewerkt was. Hier komt het aantal van Nederlandse plantnamen op 1291 en het aantal houtsneden tot 800, ook de stelselmatige indeling is gewijzigd. Verder komt er een aanhangsel in voor van de overzetter zelf die gedeeltelijk naar nota’s van Dodonaeus gemaakt zijn. Die zijn getiteld ‘Petit Recueil… d ‘aucunes Gommes et Liqueurs, provenant tant des arbres que des herbes’. In 1563 verscheen er bij Vander Loe een herdruk van het Cruyde-boeck met vele nieuwe afbeeldingen. Hierin staan 1406 soorten en 841 houtsneden. Er komen 130 nieuwe platen in voor die ontleend zijn aan Matthiolus en twee aan Andreas Lacuna. Naar Clusius Franse vertaling kwam er in 1578 in Londen een Engelse vertaling. Later volgden er nog 4 Engelse uitgaven, 1586, 1596, 1600 en 1619. In 1580 overleed Vander Loe en Chr. Plantijn kocht bij een veiling in april 1581 voor 420 gulden al zijn platen.

 

Door zijn beroemdheid kwam nu ook in 1557 het Leuvense magistraat bij hem omdat ze aan de hogeschool twee leraarstoelen van geneeskunde wilden inrichten. De stadssecretaris Barth. Van den Heetvelde kwam hem onder de volgende voorwaarden de plaats aanbieden: 4 lessen per week op dagen die door de faculteit bepaald worden, maar bij verhindering mocht hij het zelf bepalen voor een salaris van 200 kronen. Na vruchteloos aandringen op een hoger jaarloon aanvaardde hij tenslotte het aanbod. Een maand later stelde de magistraat om onbekende redenen andere en veel ongunstiger voorwaarden die hij niet kon aannemen zodat de onderhandelingen al snel werden afgebroken. Dat was de reden dat hij naar het buitenland ging. In 1568 werd hem door het hof van Spanje de plaats van geneesheer aangeboden. Philips II wilde hem aan zijn hof te Madrid verbinden als opvolger van Andreas Vesalius. Waarschijnlijk beviel het Spaanse hofleven hem niet want hij opperde vele bezwaren zonder toch te weigeren. Hij bleef in Mechelen wonen waar hij in 1572 zijn beminde vrouw verloor Ook de omwenteling van de 16de eeuw was los gebroken en Mechelen had zijn poorten voor Willem de Zwijger geopend. De Spanjaarden maakten zich weer meester van de stad en verwoestten en plunderden die op een vreselijke wijze. Niets of niemand werd ontzien. Dodonaeus wist met zijn gezin te ontsnappen maar was wel zijn fortuin kwijt. Hij besloot toen het ambt van hofdokter te aanvaarden dat de Spaanse koning hem kort te voren weer had aangeboden. Doordat Mechelen zich weer herstelde wist hij dit besluit op de lange baan te schuiven. Door tegenwerking van de hertog van Alva leden de onderhandelingen tenslotte schipbreuk. Ondertussen had hij nieuwe en zeer gewaardeerde werken uitgegeven en was zijn roem verder door gedrongen. Na het overlijden van de Gentenaar Nic Biesius, de geneesheer van keizer Maximiliaan II, werd die betrekking met zeer gunstige voorwaarden door hem aangenomen en kwam hij in november 1574 te Wenen aan. Daar werkt ook zijn vriend K. de L’Eclus (Clusius) die het jaar ervoor tot bestuurder van de keizerlijke tuin benoemd was. Van februari tot augustus 1575 verbleef hij in Praag in het gevolg van de keizer. Hij keerde over Regensburg naar Wenen terug. Van dese reizen maakte Dodonaeus ijverig gebruik om te botaniseren en kwam met vele nieuwe planten terug. Ook de keizer was een grote plantenliefhebber en verhief Dodonaeus in de adelstand. Daarom bleef hij ook na de dood van Maximiliaan in 1576 bij zijn opvolger Rodolf II. Toch rees er tussen hem en Krato von Krafftheim een hevig geschil op over een persoon die aan zwaarmoedigheid leed. Al gauw ging de twist over tot schriftelijke aanvallen en de wederzijdse toon werd zo scherp dat hen van hoger hand het zwijgen opgelegd werden.

 

Ondertussen had hij van zijn Vlaamse vrienden vele verzoeken gekregen om terug te keren waar nog steeds plunderaars en dwingelanden de baas speelden. Tenslotte gaf hij toe en ging in 1580 met tijdelijk verlof naar de Nederlanden. In Keulen aangekomen ontving hij uit België talrijke onrustbarende tijdingen over de opgewonden toestand van de twee partijen zodat hij het raadzaam vond om maar in Keulen te blijven. Daar was zijn roem al vooruit gesneld en verwierf hij al gauw door zijn buitengewone genezingen het hoogste aanzien. Omdat in de Nederlanden de toestand wat verbeterd was schreven zijn vrienden hem weer en verliet hij in 1581 Keulen om weer naar Mechelen te gaan waar hij enige dagen bleef om daarna naar Antwerpen te vertrekken. Dit mogelijk met het oog op de uitgave van zijn standaardwerk ‘Stirpium historiae pemptades sex’. Hij citeert hierin de namen van 206 botanische schrijvers en laat zo zien dat hij veel gelezen heeft. Daarvoor had hij vanwege zijn genees- en aardrijkskundige studies enige almanakken gemaakt waarvan er twee bekend zijn. Die van voor 1558 heet ‘Almanack ende Prognostatice van den Jare ons Heren Jesu-Christ M.D. LVIII. Op de 6de bladzijde vindt men het naakte ‘Ledemanneken’ die door tekens van de dierenriem omgeven wordt die invloed hadden op de verschillende lichaamsdelen naar de toen heersende begrippen. Dan volgt een Latijns bericht over de dagen of gedeelten van dagen waarop het voor of nadelig is om een aderlating of buikzuiverend middel toe te dienen. Verder een uitlegging van de kerkelijke kalender voor de bisdommen van Kamerijk, Luik, Doornik en Utrecht en verder de gebruikelijke aanwijzingen voor de jaarmarkten op verschillende plaatsen, de op en ondergang van de zon, de getijden en de aankondiging en afbeelding van een maansverduistering die op 1 april zichtbaar was. In zijn eerste kalender bij Vander Loe in 1549 is spraak van bijzondere dagen waarin de mensen zich moeten hoeden tegen alle excessen. Mogelijk heeft hij hier de vooroordelen willen bestrijden die hiermee heersten.

 

Hij droomde ook van een nieuw kruidboek, maar dan in het Latijn. Zijn eerste plan om een Vlaams herbarium te maken liet hij varen omdat hij zelf de gebreken van zijn plantenklassering inzag en wat beters wilde leveren. Plantijn wilde de uitgave wel op zich nemen en beloofde nieuwe houtsneden te maken terwijl Dodonaeus zich verbond om de houtsnijders zoveel mogelijk planten te bezorgen en op hun arbeid te letten. Omdat hij zag dat dit wel jaren kon duren vatte hij het plan op om de afgewerkte delen afzonderlijk uit te geven. Vandaar een nieuwe reeks kruidkundige schriften die vollediger, nauwkeuriger en merkwaardiger zijn dan de eerste waren waarvan.

  1. Frumentorum, leguminum, palustrium et aquatilium herbarum historia (Antwerpen, Plantijn in 1566) Dit werk was opgedragen aan zijn vriend Viglies en heeft de beschrijving van graangewassen, moeras- en waterplanten en komt veel overeen met het 1ste boek, 4de deel van de ‘Stirpium historiae pemptades sex’. De platen zijn nieuw.
  2. ‘Florum et coronarium, odoratarum que nonnullarum herbarum historia (Antwerpen, Plantijn in 1568) Dit werk is opgedragen aan Joach. Hoppers waarin planten staan die opvielen door bloem of geur. Ook met nieuwe afbeeldingen.
  3. ‘Purgantium aliarumque ea facientium, tum et radicum convolvulorum ac deleteriarum herbarum historiae libri IV (Antwerpen, Plantijn in 1574) Dit werk is opgedragen aan Filips II en beschrijft planten met afvoerende eigenschappen en geneeskrachtige wortels, ook klimmende planten waarschijnlijk omdat die de buik zuiveren, verder gifplanten. Een 30 figuren zijn aan Clusius ontleend die 2 jaar later bij Plantijn zou verschijnen. Plantijn was dan ook eigenaar van de houtsneden.
  4. ‘Historia vitis vinique, et stirpium nonnullarum aliarum (Keulen, Mat. Cholin in 1580) dit werk is opgedragen aan de aartsbisschop van Mainz en is een verhandeling over de druif, wat er van gemaakt wordt en op welke manier. Op het eind is er een aanhangsel waarin hij 53 zeldzame geneeskundige gevallen uiteen zet die hij tijdens zijn 40jarige praktijk heeft waargenomen. Dit supplement liet hij het jaar erop, herzien en vermeerderd bij Cholin afzonderlijk verschijnen onder de titel ‘Medicinalium observationum exempla rara’. Later kwamen er nog twee uitgaven van, een bij Plantijn te Leiden in 1585 en een bij Laurentsz te Amsterdam in 1621.
  5. in 1581 kwamen zijn tabellen over levensleer ‘Physiologics medicinae partis tabulae experditae’ in Keulen van de pers met een opdracht aan L. Gruterus, de bisschop van Napels. Vlak erop volgde een brief over de eland ‘De Alce epistola’ zijn enigste geschrift over dierkunde.
  6. eindelijk kwam in 1583 bij Chr. Plantijn zijn hoofdwerk ‘Stirpium historiae pemptades sex’. Deze beroemde plantengeschiedenis is opgedragen aan het magistraat van Antwerpen en is in 6 delen gesplitst die elk 5 boeken bevatten. Ze telt 900 bladzijden in folio en is met 1305 prachtige houtsneden versierd die een veel betere rangschikking van de kruiden geeft dan die van 1554. De tekst is nieuw en de platen zijn nieuw.

Een jaar voor dit verschijnen werd hem door de schoolvoogden van de Leidse universiteit een leraarstoel in de geneeskunde aangebonden met een goede betaling. Zijn liefste wens was nu vervuld en hij aarzelde geen moment ondanks zijn hoge leeftijd om zich in de Academiestraat te vestigen. Dat duurde niet lang want op 10 maart 1585 overleed hij waar hij begraven werd in de St. Pieterskerk waar zijn zoon een gedenkteken oprichtte dan nog aan de linker pilaar van het koor zichtbaar is.

 

Er zijn 26 brieven van Dodonaeus bekend waarvan er een 20 gedrukt zijn. de correspondentie had plaats met J. Roelants te Mechelen, J. Vischaven te Breda, Boudewijn Ronsse te Gent, H. Mercurialis, J. Crato, Carolus Clusius, J. Alexandrius, Lipsius, Burmania en anderen

Plantijn die door de belegering van Antwerpen door Parma naar Leiden was vertrokken om een nieuwe drukkerij te stichten deelt in zijn brieven mee dat Dodonaeus vlak voor zijn dood aan een werk over vissen en vogels van Nederland werkte.

 

Dodonaeus vermaakte in zijn testament aan Plantijn een exemplaar van zijn ‘Cruyd-boeck van 1563 en een van zijn Latijnse uitgave, beide herzien en verbeterd. Die gebruikt Plantijns kleinzoon Frans van Ravelingen bij zijn vertaling van het Latijnse herbarium in 1608 onder de titel ‘Cruydt-boeck van Rembertus Dodonaeus, volghens zijne laetste verbeteringhe; met Bijvoeghsel achter elck Capitel, uyt verscheyden Cruytbeschrijvers, Item in ’t laetste een Beschrijvinghe van de Indiaensche ghewassen, meest ghetrocken uyt de schriften van Carolus Clusius. Tot Leyden, in de Plantijnsche Druckerije van Francoys van Ravelingen’. Dus geen herdruk maar een Vlaamse overzetting die zeer vermeerderd was van de eerste Latijnse uitgave.

 

In 1616 verscheen er bij de gebroeders Balthazar en Jan Moretus te Antwerpen, ook kleinzonen van Plantijn en erfgenamen van zijn beroemde drukkerij, een herdruk van de Latijnse ‘Historia Stirpium’ waar een verbeterd exemplaar gebruikt werd die door de schrijver zelf nagelaten was.

Een tweede herziene Vlaamse uitgave kwam in 1618 in Leiden uit. In 1644 kwam in Leiden bij de zoon van de vorige, Balthazar Moretus, de derde en laatste Vlaamse uitgave uit die ook weer herzien en verbeterd was. Die geldt voor de nauwkeurigste, is de meest verspreide en best bekende.

Veel werd die gelezen voor de huismiddeltjes die op gezag van Theophrastus, Hippocrates, Dioscorides, Plinius en andere oude schrijvers gesteund waren en op persoonlijke ervaring. Hij schreef naar de ouden maar volgde ook eigen waarneming, dat was toen al een hele verandering. Vooral omdat er in die tijd vele nieuwe planten aankwamen kreeg de kruidkunde enorme vooruitgang. Hij wordt dan ook de grondlegger van de nieuwe plantenkunde genoemd. Hij liet zijn landgenoten de schoonheid en nut van de planten kennen.

 

Medisch behoorde hij tot de pas gestichte Hippocratische school en gold door persoonlijke waarnemingen als beste leerling en is door ‘Medic. Obersv. exempla rara’ zo een van de stichters van de pathologische geneeskunde geweest. Daarin zit ook een zeer merkwaardige opmerking over beroerte, keelontsteking en hersenaandoeningen. Scheurbuik, typhus, cholera en pest, wiens oorzaak hij aan de dampkring toeschrijft, heeft hij als een van de eersten waargenomen en beschreven.

 

Ook was hij goed in de geschiedenis van Friesland zodat de geschiedenisonderzoeker Suffridus Peterus of Sjoerd Petri zegt dat hij in Dodonaeus een krachtige steun heeft gevonden.

 

Linnaeus heeft hem vereeuwigd door een plant naar hem te noemen. Mechelen heeft een standbeeld voor hem opgericht en zo ook in menige kruidentuin.

 

Er is nog een werk van Dodonaeus, de ‘Praxis Medica’ die 31 jaar na zijn dood in Amsterdam verscheen bij Hendrik Laurentsz. Het is een korte samenvatting van de lessen die hij in Leiden gaf en is mogelijk door zijn oud leerlingen gemaakt. De ongenoemde verzamelaar die er aantekeningen bij maakte was Sebast. Egbertsz, burgemeester en oud professor van ontleedkunde te Amsterdam wiens moeder Diewertje Reael de moei was van de dichter Laurens Reael. In Amsterdam kwam daar 8 jaar later een Nederlandse vertaling van

Als mens en burger was hij een vredelievend en rechtschapen man, maar liet de aanvallen van vijanden en tegenstanders niet onbetaald en wist zich steeds krachtdadig te verdedigen

Naar zijn staatkundig en godsdienstige denkbeeld verschillende meningen in hoge mate. Door de een als vriend van omwenteling en hervorming betiteld, door een ander als afvallige of oprecht Spaans en Rooms gezinde. Dat tekent hem misschien het beste als man van het midden die zich weinig bekommerde om andere dan wetenschappelijke vraagstukken.

 

 

Nico Koomen.

Voorwoord.

In dit boek heb ik geprobeerd zo goed mogelijk de Latijnse namen er bij te geven. Dat is zeer lastig, vooral als er geen Duitse of Franse volksnamen bij staan. Geslachten verwarren, de Nederlandse naam is soms onbekend of vreemd, zo ook de Latijnse. De gewone oude naam voor een bepaald kruid is meestal wel bekend, maar dan zijn ze ‘drierleye’, dan staan er opeens heel andere geslachten in.

De planten zijn meestal gerangschikt naar het gebruik, naamgeving en beschrijving van de ouden met een klassificatie van Dodonaeus. De nu bekende geslachten worden niet bij elkaar gezet, er wordt bijvoorbeeld gesproken over een geslacht van leliën, maar de gewone lelie staat heel ergens anders. Zo spring je van het ene geslacht over naar een heel ander geslacht. Na de appel zou je de peer verwachten, maar eerst komen andere ‘appelen’ aan de beurt. Veel is dan ook overgenomen van de ouden, de Duitse namen zijn vaak hetzelfde als die van Bock. Zelfs bij inlandse planten zie je soms bij de vorm en plaats staan, ‘als Dioscorides schrijft’, dus hij blijft toch wel vaak naar de ouden kijken. Daaruit schrijft hij soms complete planten met gebruik, naam en dergelijke die geheel van de ouden overgenomen zijn met de vermelding dat ze zo beter gevonden kunnen worden. Ook zijn er planten vermeld die bij de ouden onbekend waren en die mogelijk door hem voor het eerst beschreven zijn. Dat zijn dan planten die je moeilijk kan herleiden, de Nederlandse naam is onbekend, de buitenlandse worden dan niet vermeld omdat hij die dus niet weet, ook de Latijnse naam is nu onbekend. Twijfels zijn er dus bij de beschrijving, was de plant wel bij hem bekend?, is het uit tekst van de ‘ouden’ of is het dan toch een andere plant dan ik denk? Een hulp zijn vaak de mooie afbeeldingen.

 

Hij heeft het ook niet zo op met de apothekers, een enkele uitgezonderd, die volgens hem geen kennis hebben en vervalsingen gebruiken. Ook de dokters kenden de planten niet of weinig. Mogelijk is dit wel de aanleiding geweest om een kruidenboek te schrijven. In medisch gebruik wordt meestal geen gewicht gegeven en hij is in die zaken minder dan de “Herbarius in Dyetsche’. Ook geen versterkende middelen. Er zijn minder ziektes en geen of weinig Latijnse namen daar van.

De tekst is wel veel beter, vaster en met weinig of afkortingen. Opmerkelijk is dat er geregeld gesproken wordt over het zuiveren van de hersens, dit door iets in de neus te steken zodat daar dan van alles uitkomt. Ook vele middelen tegen vlekken, plekken en dergelijke op het lichaam en gezicht. Verder de vele zweren en lopende gaten.

 

De tekst is Gotisch met een enkele cursieve gedeeltes, meestal de naam. Verder komen er bij de kracht en werkingen nummers en letters voor die soms voor de tekste staan en soms erachter. Die heb ik allle aan de voorkant geplaatst vanwege de smalle, beschikbare ruimte bij twee blokken. De paginanummers staan tussen haakjes en zijn in het Latijn gesteld. De afbeeldingen staan meestal onder het fatsoen en de cursief gedrukte naam. (namen) Die heb ik hier voor het kapittel geplaatst.

 

De oude plaatjes komen uit Bloemen en Cruydeboeck, Manuscript, na 1554, Copie van R. Dodoens, handgeschreven, waarschijnlijk een soort proefdruk. Daarna komen de veel mooiere plaatjes die gekocht zijn van Fuchs. Zie voor tekst en afbeeldingen, http://www.biodiversitylibrary.org/bibliography/7118

Ook www.BioLib.de..

 

Voorwoord.

 

Bovenaan staat het wapen van Maria van Hongarije, de regentes van de Nederlanden, aan wie het werk is opgedragen. Als tenanten treden twee leunende vrouwenfiguren op met de horens van overvloed die met kruiden gevuld zijn. Links Apollo de zonnegod, god van muziek, maar ook god van geneeskunde. Naast de titel links en rechts vier groten uit de geneeskunden, Gentius en Methridates (van het tegengif methridaet) en rechts Arthemisia en Lysimachus.Voor de anderen zie bij het werk onder de grote gentiaan, bijvoet en wederik.

Onderaan de tuin der Hesperiden waar de dochters van de nacht in de godentuin de levensboom bewaken. Aan die boom groeien de wonderbaarlijke gouden appels van de eeuwige jeugd. Die tuin werd ook bewaakt door de draak Ladon. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aerle by der gracie Gods Roomsch Keyser altijt Vermeerder stijgt, Coninck van Germanien, van Castilien, van Leons, van Arragon, van Grenade, van Navarre, van Napels, van Cecilien, van Maiorcke, van Sardeyne, vanden eylanden, Indien ende vasten landen der westersche Zee, Eert-hertoghe van Oostenrijcke, Hertoge van Bourgoingue, van Lothier, van Brabant, van Lembourch, van Luxembourg, ende Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artois, van Bourgoingue, Palsgrave van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Ferrette, van Namen ende Zutphen, Prince van Zwave, Marcgrave des heyligh Rijcx, Heere van Vrieslant, van Salins, van Methelen, vander stadt steden ende landen van Utrecht, Overijssel ende Groeninge, Ende dominateur in Asie ende in Africque. Allen den ghenen die desen onsen brief sullen sien saluyt, doen te weten dat wij ontfangen hebben die oitmoedige supplicatie van Jan van der Loe gesworen drucker wonende binnen onser stadt van Antwerpen, Inhoudende, hoe dat hy suppliant ten profyte vander gemeynten gheerne drucken soude eenen Herbarius oft Cruydt-boeck van D. Rembert Dodoens, met noch vele diversche scriften des selfs aengaende, ende zeer wel ende int lange bescreven van den voirscreven Dodoens. Tot welcke eynde ende om die bescryvinghe der cruyden na bleven ende met figuren te thoonen heeft hy suppliant zeer groote costen ghedaen ende noch dagelicx doet, soe int schilderen die cruyden, als oock die te doen uitsnijden ende tottten drucke bequaeme te maken. Ons daeromme biddende hem te verleenen onsen brieven van octroye, inhoudende desenste dat niemant den voirscreven Herbarius ende andere boucken vanden zelven D. Rembertum Dodoens tracterende dese herbaria, en zal mogen na drucken binnen den tijde van thien jaren, dat die suppliant die selve sal gedruckt hebben, ende dat soe wel int Duytsche als int Latijn oft Walsch.

Soe eest dat wij die saken voirscreven overgemerckt, den voorschreven Jan van Loe suppliant genegen wesende tot zijnder bede ende supplicatie hebben gheoctroyeert, geconsenteert ende geaccordeert, octroyeren, consenteren ende accorderen, hem gevende oirlof ende consent uit onse sonderlinge gratie by desen, dat hy den voirscreven Herbarium ghemaeckt by D. Rembert Dodoens, ende anderen beucken vanden selven D. Rembert, tracterende dese herbaria, sal mogen printen ofte doen printen by eenen gheswooren prenter residerende binnen onse landen van herwaertsoverre, daerinne obscruerende onse ordonnantie daerop gemaect, ende die selve boecken te vercoopen ofte distrubueren in ende over al onsen voirscreven landen. Sonder daeromme eenichsins tegens ons te mesbruyckene. Ende uit onser meerdere gracie Verbieden ende interdiceren allen anderen prenters, boeckvercoopers ende anderen die voirscreven boecken dese herbaria binnen den tijt van thien Jaren, beghinnende ende ingaende na dat die suppliant die selve gedruct sal hebben, ende dat soe wel int Duytsch als int Latijn oft Walsch, naer te prenten, vercoopen oft distribueren, op die peyne van confiscatie vanden boecken die by anderen gedruct ende ghebent sullen wesen, duerende den voirscreven tijt van thien Jaren, ende boven dien te verbueren thien carolus gulden voor elck boeck telcker reyse dat stick gebueren zal tapplycren die voorscreven boete een helft ten tonsen proffijte ende dander helft ten proffijte vanden voirscreven suppliant, wel verstaende dat die selve suppliant gehouden sal wesen die voorscreven boecken te doen visiteren by eenighe gheleerde inde Godtheyt daer toe gedeputeert. Ontbieden daeromme ende bevelen onsen lieven ende getrouwen President ende luyden van onsen secreten ende groote rade, President endeluyden van onsen rade in Vlaenderen, Eersten ende anderen van onse rade in Hollant, President ende luyden van onse rade in Vrieslant ende Utrecht, Cancellier van onsen rade van Geldre, ende allen anderen onsen Rechteren, Justicieren ende Officieren wyen dat aengaen oft rueren zal moghen, ende eeneen yeghelijcken van hen, zoe hem toebehooren sal, dat hy den voirscreven suppliant van dese onse teghenwoordighe gracie, octroy ende consent ghedurende den tijt ende inder manieren voeren verhaelt doen laten ende ghedooghen rustelick ende bredelick ghenieten ende ghebruycken. Sonder hem te doene noch te laten geschien eenich hinder, letsel oft moyenisse ter contrarien. Procederende ende doen procederen tegens de de overtreders van desen by excecutie vande voorscreven peyen ende boeten ende anders als behooren zal. Want ons alzoe ghelieft, des toirconden zoe hebben wy onsen zeghel hier aen doen hanghen.

Ghegheven in onser stadt van Bruessele den xxvii dach van Meye, Int Jaer ons Heeren duyssent, vyfhondert ende eenenvyftich, van onsen keyserijcke xxxii ende van onsen rijcken van Castilien ende anderen xxxvi

Byden Keyser in zijnen Rade;

                                                                                  Onderteekent De la torx,

Noch de selve Privilegie is gheconsenteert ende toeghelaten by den Keyser, ende zijnen rade van Brabant. Ghegheven in onser stadt van Bruessele als voor,

                                                                                  Onderteekent P. de Tens.

Karel, bij de gratie van God Roomse keizer die altijd in achting stijgt, koning van Germanië, van Castilië, van Leons, van Arragon, van Grenada, van Navarre, van Napels, van Sicilië, van Majorca, van Sardinië, van de eilanden van Indië en vasteland van de Westerse Zee, Aartshertog van Oostenrijk, Hertog van Bourgogne, van Lothier, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en Gelre, Graaf van Vlaanderen, van Artois, van Bourgogne, Paltsgraaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Ferrette, van Namen en Zutphen, Prins van Zwaven, Markgraaf van het Heilige Rijk, Heer van Friesland, van Salins, van Mechelen, van de stad, steden en landen van Utrecht, Overijssel en Groningen en heerser in Azië en in Afrika.

 

 

 

 

 

 

 

Al diegene die deze of onze brief zullen zien saluut, we laten weten dat wij het ootmoedige verzoek ontvangen hebben van Jan van der Loe, beëdigd drukker die in onze stad Antwerpen woont. Dit verzoek houdt in dat hij tot profijt van de gemeente graag een Herbarius of kruidboek van D. Rembert Dodoens zou drukken met noch vele verschillende schriften die hetzelfde betreffen en zeer goed en in het lang door de voor vermelde Dodoens beschreven zijn. Tot dat doel en om de beschrijving van de kruiden te beleven heeft de verzoeker afbeeldingen gemaakt wat grote kosten mee bracht en dat nog dagelijks in het schilderen van de kruiden, ook om die uit te snijden en voor het drukken klaar te maken.

Hij vraagt ons daarom bij dit octrooi brieven te verlenen die inhouden dat niemand de voor beschreven Herbarius na zal mogen drukken en andere boeken van dezelfde D. Rembertum Dodoens die deze herbaria beschrijft zal mogen nadrukken binnen de tijd van tien jaar, dat de verzoeker die zelf gedrukt zal hebben en dat zowel in het Duits als in het Latijn of Waals.

Zo is het dat wij die zaken hier voor beschreven aangemerkt hebben en de voor beschreven Jan van Loe als verzoeker genegen zijn in zijn bede en verzoek om toestemming tot octrooi vraagt hebben we toegestemd en gaan akkoord met het octrooi en bevestigen en gaan akkoord en geven hem verlof en toestemming. Als een bijzonder gunst hierbij dat hij de voor vermelde Herbarium gemaakt door D. Rembert Dodoens en andere drukken van dezelfde D. Rembert die deze herbaria behandelt zal mogen printen of laten printen bij een beëdigde printer die binnen onze landen woont daarin zover nadelig zou zijn waar onze regeling op gemaakt is dat die boeken verkocht of gedistribueerd mogen worden in als de voor beschreven landen zonder die tegen ons op enige manier te misbruiken. Tot grotere gunst verbieden en schorsen we op alle andere drukkers, boekverkopers en anderen die de voor beschreven boeken van deze herbaria binnen de tijd van tien jaar die begint en ingaat nadat de verzoeker die gedrukt zal hebben en dat zowel in het Duits als in het Latijn of Waals na te drukken, verkopen of te distribueren op de pijn van inbeslag name van de van de boeken die door anderen gedrukt en van banden voorzien zullen worden gedurende de voor beschreven tijd van tien jaar en bovendien een boete van tien carolus guldens te verbeuren voor elk boek dat elke keer per stuk te verbeuren zal zijn, te gebruiken de voor beschreven boete voor de helft ten onze profijt en de andere helft voor het profijt van de voor beschreven verzoeker, wel verstaande dat diezelfde verzoeker gehouden zal zijn die voor beschreven boeken te laten bekijken door enige geleerde in de Godheid die daar toe bevoegd is. Ontbieden daarom en bevelen onze lieve en getrouwe president en lieden van onze secretariaat en grote raad, president en de lieden van onze raad in Vlaanderen, eerste en anderen van onze raad in Holland, president en lieden van onze raad in Friesland en Utrecht, kanselier van onze raad van Geldre en alle anderen van onze rechters, justitie en officieren wie dat aangaat of raakt en iedereen van hen die het aangaat dat hij het voor beschreven verzoek van onze tegenwoordige gunst, octrooi en goed keuring gedurende de tijd en in de manieren zoals van voren verhaalt dit laat doen en gedoogt en het rustig en breed laat gebruiken en toestaan zonder hem enig hinder, letsel of tegen gestelde bemoeienis te laten geschieden. Procederen en laten procederen tegen de overtreders van deze bij uitvoering van de voor beschreven pijnen en boeten en anders zoals het behoort. Want alzo als het behoort te geschieden bij oorkonden zo hebben wij onze zegel hieraan laten brengen

Gegeven in onze stad Brussel de 27ste dag van mei in het jaar onze Heren duizend, vijfhonderd en een en vijftig, van ons keizerrijk 32, en van ons rijk van Castilië en anderen 36.

Bij de keizer in zijn raad;

 

            Ondertekent De la torx.

Noch is dezelfde privilegie bevestigd en toegelaten door de keizer en zijn raad van Brabant. Gegeven in onze stad van Brussel als voor.

                                                                                  Ondertekent P. de Tens.

 

                                  

 

Der Hoochgheborene alder edelste ende

lder doorluchtichste Coninghinne ende Vrouwe, Vrouw Marien, Coninghinne van Hungheren ende Bohemen τc Gouvernante ende Regente van des Keyserlijcke Maiesteyts Neerlanden, mijn alderghenadichste Vrouwe, Gheluck ende voorspoet.

 

Lder Doorluchtichste Hoochgheboren seer Edele Coninghinne, mijn alderghenadichste Vrouwe. Ghelijck dese edele scientien ende schoone consten langhe ende menighe iaren en verborghen, verdonckert, ende som oock heel veracht gheweest zijn, oft immers niet wel ende claerlijck gheleert ende bekent, die nu binnen corten iaren, duer behulp, arbeyt ende neersticheyt van sommighen wijsen, verstandenghen ende seer ingenieusen mannen, in t licht, claerheyt, volkomen kennisse, ende oprecht ghebruyck wederom sijn ghebrocht. Alzoo es oock die scientie ende kennisse van den cruyden ende van den anderen simpelen drooghen in der Medecijnen orboorlick, langhe tijt van den Medecijns cleyn gheacht, ia oock heel verlaten ende versmaet gheweest, om dat sy meynden dat alsulcken scientie oft kennisse huer niet en betaemde, maer alleen toebehoorde den Apotekers of sommighen anderen ongheleerden, die daghelijcx die cruyden in die bosschen, ende op die velden soecken, ende dat huerlieden oneere gheweest soude hebben, oft anders een noodeloose sorghe, die kennisse van den cruyden te leeren endete ondersoecken. Ende hier duer es dese scientie, met vele dwalinghen hinderlijcke ende scadelijcke errueren, alzoo besmet, ghekent ende verduystert gheworden, dat somtijts fenijnnighe ende quade Medecijnen, voor goede cruyden, den armen crancken siecken menschen inghegheven sijn gheweest, als wy tot veel plaetsen van onsen cruydeboeck vermaent ende bewesen hebben, daer wy oock alsulcken dwalinghen hebben ghestraft. Maer dat dese meyninghe quaet es, bewijst claerlijck die maniere van den alder outsten Medecijnmeesters, die gheen dinck nootsalijcker oft eerlijcker en hielden dan die ondersoekinghe, ende kennisse van den cruyden. Want daer om zoo leest men van Hippocrates prince ierste ende principaelauer huer van der Medecijnen, dat hy seer groote neersticheyt, sonderlinghen ende seer sorchvuldighen arbeyt ghedaen heeft om goede ende oprechte cruyden te hebben. Ende dierghelijcke oock van Galenus, Theophrastus, Dioscorides, ende som andere seer oude Medecijnmeesters, dat sy met groote costen ende periculen in vierde landen ghereyst sijn gheweest, ende veel plaetsen duerwandelt, om oprechte kennisse van den cruyden en sy van den anderen simpelen te verkrijghene, alzoo dat daer aen goet te mercken es, dat die scientie ende kennisse van den cruyden, alle medecijns seer nootelijck ende betaemelijck es, ende huer sonderlinghe aencleef. Want voorwaer alsulcken arbeyt, diligentie ende neersticheyt en souden die ouders hier voortijts niet ghedaen hebben, waer dese scientie noodeloos ende tot der Medecijnen luttel dienstelijck, ghelijck oock voor ons sommighe andere gheleerde mannen ghescreven hebben, die oock alle Medecijns tot oeffeninghe van deser scientien, dat es tot kennisse ende neerstighe ondersoeckinghe van den cruyden verwecken ende vermanen. Duer toedoen, behulp, ende neersticheyt van den welcken dese scientie wederom in t licht ende kennisse ghecomen es, ende alzoo binnen corten iaren ghewassen, en daghelijcx wast ende vermeerdert, dat schier in alle landen van kerstenrijck nu ter tijt niet alleen veel gheleerde, ende andere cruytliefhebbers ghevonden worden, die in dese speculatie sonderlinghe ghenuchte ende recreatie

 

nemen, maer oock vele opghestaen sijn, die tot profijt, orboor ende voorderingh van dese scientie ende van die conste van der Medecijnen, schoone Cruydeboecken scrijven ende uitgheven, alzoo dattet gheheel noodeloos ende te vergeefs oft verwaentelick ghedaen soude moghen schijnen, maer alzoo veel Cruydeboecken die daghelijcx voortkomen noch andere nieuwe uit te gheven ende te maken, ten waere dat van den selven onsen voorsaten veel schoone cruyden waeren achterghelaten ende verghet? Die tot onser kennisse ghecomen zijn, ende oock van sommighen cruyden die oprechte namen ende waerheyt niet verclaert. Dwelck nochtans niet by hieren sculden oft negligentie toe ghecomen es, maer meest duer die duysterheyt van den ouders, die van dat fatsoen van sommighen cruyden (gemerckt dat sy dyertijt seer wel ende al om bekent waeren) seer luttel ende cort gehscreven hebben, waer om dattet niet wel moghelijck en es, die selve wederom ter rechter kennisse ende tot hueren oprechten naemen te bringhen, dan by langhe inquisitie, neerstighe ondersoekinghe, inde duer tseghen ghelijckenisse met veel ander dierghelijcke cruyden, dat van onsen voorsaten ende voorgangers die dese scientie ierst in licht wederom ghebrocht hebben, niet en heeft in alle cruyden kunnen ghedaen worden, om dat alsulcken ondersoeckinghe den arbeyt diligentie ende neersticheyt van velen gheleerden es eysschende, ende van luttel niet en kan ten eynde ghebrocht worden.

Aenghesien dan dat in onse kennisse noch veel cruyden ghecomen sijn, die tot noch toe van onsen voorsaten niet bekent oft bescreven sijn gheweest, endat dat wy dir gherechte waerheyt ende besceet van den sommighen hebben ghevonden, die noch in twijffel stonden ende niet sekerlijck en waren bekent, zoo heeft ons oock goet, nut ende seer profijtelijck ghedocht, van den cruyden te scrijven, ende eenen boeck uit te gheven in den welcken wy veruust ende ghesuppleert hebben, dat van onsen voorsaten achter ghelaten es, ende ghecorrigeert, verbeetert ende verclaert, dat sy twifelachtich ghelaten hebben, oft niet naer die waerheyt bescreven

Ende desen arbeyt hebben wy te willigher ende te liever aenghenomen, om dat sy in die landen van hertwaerts overe, tot noch toe niemant ghevonden es gheweest, die van den cruyden iet gheschreven ende int licht ghegheven heeft, hoe wel nochtans dat in dese landen veel schoone ende seer profijtelicke cruyden groeyen ende wassen, die noch seer qualicken oft luttel bekent sijn, die seer goet waeren in t licht ende kennisse van alle gheleerde Medecijns ghebrocht, alzoo dat wel betaemelick ende oock tot voorderinghe van dat ghemeyn profijt ende welvaert es gheweest, dat hier te lande iemant soude wesen, die in kennisse ende licht bringhen soude die cruyden hier te lande wassende, ende die thoonen ende doen blijcken soude dat die scientie van den cruyden, die tot veel plaetsen nu wast, vermeerdert ende groot gheacht wordt, in dese landen niet veracht, verlaten, oft versmaet en es (als iemant by aventueren soude moghen meynen) maer oock grootelick ende sterckelick wast, in eere ghehouden (zoo dat behoort) ende seer neerstichlick gheoeffent es. Dwelck niet beeter oft bequaemer en kan worden ghedaen, dan duer dat uitgheven van eenen Cruydeboeck

Om welck te doen ons oock boven die andere redenen ghemoveert ende beweecht heeft, die vierighe ende sonderlinghe affectie, die nu ter tijt veel eerlicke treffelicke ende rijcke persoonen tot deser scientie ende speculatie draghende sijn, alsoo dat wy daerom oock desen onsen Cruydeboeck niet in Latijn, maer in ghemeyne Neerduytsche tale hebben willen scrijven ende uitgheven, opdat hy alle cruytliefhebbers, ende alzoo wel den leecken van der Latijnscher sprake ignorant, als den gheleerden dienstelick ende orboorlick soude moghen wesen, hopende dat duer desen onsen Cruydeboeck, die sonderlinghe liefde, diligentie ende neersticheyt van de cruytliefhebbers alzoo ghesterckt ende vermeerdert sal wesen, ende dat dese scientie alzoo wassen ende groeyen sal dat sy tot volcomen kennisse ende volmaecktheyt corts sal gheraken.

Ende aengaende desen Cruydeboeck, wy hebben in den selven vergaert ende huer gheslachten versaemt, niet alleen die cruyden in dese Neerlanden groeyende, maer oock meest alle andere vremde, die in der Medecijn groot orboor ende ghebruyck hebben. Van den welcken wy die gheheele historie in alsulcken maniere, forme ende ordene hebben begreepen alst best ende alderbequaemste was. Jerst hebben wy verclaert dat gheslacht daert behoorde. Ende daer naer dat fatsoen, wesen ende die ghesteltenisse seer claerlick bescreven, daer meest altijt by ghestelt es die figuere van den selven cruyden seer constelick naer dat leven gheconterfeyt, ende met hueren colueren ende verwen wel ende perfectelick afgheset. Ten derden zoo hebben wy bewesen die plaetsen daer sy geerne wassen, oft meest groeyen, ende daer by den tijt, als sy bloeyen, oft vruchten ende saet leveren. Ten vierden zoo sijn die namen hier by ghestelt, niet alleen alzoo sy in onse ghemeyne tale ghenaemt worden, maer oock die Griecxse ende oude Latijnsche namen, met den anderen daer mede dat sy in die Apoteken ende onder die cruytliefhebbers bekent sijn, ende daer by oock die Hoochduytsche ende Francoische namen. Daer wy somtijts aenghehangen hebben die oorsaken ende historien, daer die namen uit ghecomen ende ghesproten zijn, ghelijck daer af ghescreven hebben die oude Griecxse ende Latijnsche Poeten, die welcke seer ghenuchelick ende plaisant om lesen ende weeten sijn. Ten laetsten zoo hebben wy die natuere, cracht, werckinghe, ende van den quaden cruyden die hindernisse ende beeteringhe, uit den alder outsten, besten ende vernaemste Medecijnmeesters ende autheuren ghetrocken, ende daer by ghevuecht, met dat van ons by sekere experientie van sommighen cruyden over langhe iaren ghevonden es gheweest, daer mede wy die historie van elck cruyt ghesloten ende volendt hebben.

Ende als wy desen onsen boeck ende arbeyt uitgheven souden, ende in licht laten comen, ende ons niet behoorlick ghedocht en heeft achter te laten die seer oude costume maniere, ende yfantie, van alle gheleerden, die huer boecken altijt eenighe Coninghen, Princen, Edele heeren oft Vrouwen, toe ghescreven ende ghedediceert hebben. Soo hebbe ick mijn alder Edelste Coninghinne, tot uwer Coninghinnelicker Maiesteyts sonderlinghe Ghenade ende Edelheyt ghekeert, en hebbe dese Cruydeboeck uwer Coninghinnerlicker Maiesteyt, met alder ootmoet, onderdaenicheyt ende reverentie toeghescreven ende ghedediceert, aen uwer Coninghinnelicker Maiesteyts Edelheyt ende Ghenade betrouwende, dat desen onsen arbeyt ende Cruydeboeck, uwer Coninghinnelijcker Maiesteyt aenghenaem wesen sal, ghemerckt dat uwe Coninghinnelicke Maiesteyt sonderlinghe liefde ende affectie (als wy verstaen hebben) tot den cruyden dracht, ende daer in somtijts ghenuchte ende recreatie vindt, ghelijck oock hier voortijts ghedaen hebben seer Edele Coninghen, Coninghinnen ende Princen, als Methridates Coninck van Pontus, daer dat Methridaet sijnen naem naer heeft. Lysimachus Coninck van Macedonien, Gentius Coninck van Slavonien: Arthemisia Coninghinne van Carien, ende meer andere vrome ende Edele Heeren ende Princen, den welcken in dese uwe Coninghinnelicke Maiesteyt es naervolghende

Daer om zoo es onse ootmoedighe ende begheerte, dat uwe Coninghinnelicke Maiesteyt believen wille, desen onsen Cruydeboeck, alzoo ghenadichlick te ontfangen, als hy van ons uit goeder ende ghetrouwe meyninghe ende ionst, met onderdanigher ende gantscher herten uwer Coninghinnelicker Maiesteyt toeghescreven ende ghedediceert wordt.

Die almoghende God wil & Coninghinnelicke Maiesteyt in ghesontheyt ende voorspoet bewaeren, ende langhe tijt onderhouden.

Uwer Coninghinnelicker Maiesteyt

                                               Onderdanighe.

                                                          Rembert Dodoens.

De hooggeborene aller edelste en

aller doorluchtigste koningin en vrouwe, vrouw Marien, koningin van Hongarije en Bohemen etc, gouvernante en regentes van de keizerlijke majesteit van Nederland, mijn aller begenadigste vrouwe, gluk en voorspoed.

 

 

Aller doorluchtigste hooggeboren, zeer eele koningin, mijn aller begenadigste vrouwe.

Gelijk deze edele wetenschap en schone kunsten lange en menige jaren verborgen en in het donker en soms ook geheel veracht of immers niet goed en helder geleerd en bekend zijn geweest die nu binnen enkele jaren door hulp, arbeid en vlijtigheid van sommige wijzen, verstandige en zeer ingenieuze mannen in het licht, helderheid, volkomen kennis en oprecht gebruik weer zijn gebracht. Alzo is ook die wetenschap en kennis van de kruiden en van de andere eenvoudige drogen die in de medicijnen gebruikt worden een lange tijd door de dokters weinig geacht, ja ook geheel verlaten en versmaad geweest omdat zij meenden dat zulke wetenschap of kennis hun niet betaamde, maar alleen toebehoorde aan de apothekers of sommige andere ongeleerde die dagelijks die kruiden in de bossen en op de velden zoeken en dat het voor hen oneer geweest zou zijn of anders een nodeloze zorg om die kennis van de kruiden te leren en te onderzoeken. En hierdoor is deze wetenschap met vele dwalingen hinderlijke en schadelijke fouten zo besmet, gekend en verduisterd geworden dat soms venijnige en kwade medicijnen voor goede kruiden aan de arme, zwakke, zieke mensen ingegeven zijn geweest zoals wij op veel plaatsen van ons kruidboek vermaand en bewezen hebben waar wij ook zulke dwalingen hebben gestraft.

 

 

Maar dat deze mening slecht is bewijst duidelijk de manier van de aller oudste medicijnmeesters die geen ding noodzakelijker of eerlijker hielden dan het onderzoeken van en de kennis van de kruiden. Want daarom zo leest men van Hippocrates, eerste prins en voornaamste bevorderaar van de medicijnen dat hij zeer grote vlijt, bijzondere en zeer zorgvuldige arbeid gedaan heeft om goede en echte kruiden te hebben. En dergelijke ook van Galenus, Theophrastus, Dioscorides en sommige andere zeer oude medicijnmeesters dat zij met grote kosten en moeilijkheden naar verre landen gereisd en veel plaatsen hebben doorwandelt om de echte kennis van de kruiden en ook van de andere middelen te verkrijgen zodat daaraan goed op te merken is dat die wetenschap en kennis van de kruiden voor alle medicijnen zeer noodzakelijk en nodig is en hen bijzonder bezig houdt. Want voorwaar al zulke arbeid, moeite en vlijt zouden die ouders hier voortijds niet gedaan hebben als deze wetenschap nodeloos en weinig voor de medicijnen gebruikt zouden worden, gelijk ook voor ons sommige andere geleerde mannen geschreven hebben die ook alle medicijnen als oefening van deze wetenschap, dat is tot kennis en vlijtige onderzoekingen van de kruiden verwerken en vermanen. Door toedoen, hulp en vlijt van hen waardoor deze wetenschap wederom in het licht en kennis gekomen is en alzo binnen enkele jaren gegroeid en dagelijks groeit en vermeerderd wordt zodat vrijwel in alle landen van Kerstenrijk nu tegenwoordig niet alleen vele geleerden en andere kruidliefhebbers gevonden worden die in deze beschouwingen bijzonder veel genoegen en vermaak nemen, maar dat er ook vele opgestaan zijn die tot profijt, nut en bevordering van deze wetenschap van de medicijnen mooie kruidboeken schrijven en uitgeven alzo dat het geheel nodeloos en tevergeefs of verwaand gedaan zou lijken. Maar al zoveel kruidboeken die dagelijks uitkomen en andere nieuw uit te geven te gaan maken tenzij dat van dit zelfde onze voorzaten veel mooie kruiden hadden achtergelaten en vergeten waren? Die zijn tot onze kennis gekomen en ook van sommige kruiden waarvan de echte namen en waarheid niet verklaard is. Die nochtans niet door hun schuld of onachtzaamheid toe te schrijven is maar meestal door de duisterheid van de ouders die de vorm van sommige kruiden (opgemerkt dat die toentertijd zeer goed en alom bekend waren) zeer weinig en kort beschreven zijn waarom het niet goed mogelijk is die wederom tot de echte kennis en tot hun echte namen te brengen dan door lange navorsing, vlijtig onderzoek en op den duur door vergelijking met veel andere dergelijke kruiden. Dat kon door onze voorzaten en voorgangers die deze wetenschap voor het eerst in het licht wederom gebracht hebben niet in alle kruiden gedaan worden omdat al zulke onderzoeken de arbeid naarstigheid en vlijt van vele geleerde vereist en door enkelen niet ten einde gebracht kan worden.

Aangezien dan dat in onze kennis noch veel kruiden bijgekomen zijn die tot noch toe bij onze voorzaten niet bekend of beschreven gevonden worden die noch in twijfel stonden en niet met zekerheid bekend waren heeft het ons ook goed, nuttig en zeer profijtelijk geacht om van de kruiden te schrijven en een boek uit te geven waarin wij geput en toegevoegd hebben dat van onze voorzaten achter gelaten is en gecorrigeerd, verbeterd en verklaard hebben dat zij twijfelachtig gelaten hebben of niet naar de waarheid beschreven

 

En deze arbeid hebben wij gewilliger en des te liever aangenomen omdat zij in die landen van herwaarts heen tot noch toe niemand gevonden is geweest die van de kruiden iets geschreven en in het licht gebracht heeft. Hoewel nochtans dat in deze landen veel mooie en zeer profijtelijke kruiden groeien en opschieten die nog zeer kwalijk of weinig bekend zijn en die zeer goed zijn om in het licht en kennis van alle geleerde dokters gebracht te worden zodat het wel betamelijk en ook ter bevordering van het algemene profijt en welvaart zou zijn dat hier te lande iemand zou zijn die kennis en licht brengen zou om die kruiden die hier te lande groeien te tonen. Ook dat hij zou laten blijken dat de wetenschap van de kruiden die nu op veel plaatsen groeit, vermeerdert en groot geacht wordt dat die in deze landen niet veracht, verlaten of versmaad wordt (als iemand bij toeval dat zou mogen menen) maar ook groot en sterk groeit en in ere gehouden wordt (zoals het behoort) en zeer naarstig beoefend wordt. Wat niet beter of bekwamer gedaan kan worden dan door het uitgeven van een Kruidenboek

Om dat te doen wat ons ook boven die andere redenen gemotiveerd en bewogen heeft is de vurige en bijzondere affectie die tegenwoordig veel eerlijke, voortreffelijke en rijke personen deze wetenschap en beschouwing draagt zodat wij daarom ook deze, ons Kruidboek niet in het Latijn, maar in algemene Nederduitse taal hebben willen schrijven en uitgeven zodat het alle kruidliefhebbers en zo de leken die onbekend zijn met de Latijnse spraak als de geleerden dienstig en nuttig zou zijn en hoop dat door deze, ons Kruidboek die bijzondere liefde, toewijding en vlijt van de kruidliefhebbers alzo versterkt en vermeerderd zal worden en dat deze wetenschap alzo zal groeien en groeien totdat ze binne kort tot volkomen kennis en volmaaktheid zal komen.

 

En aangaande dit kruidboek, wij hebben hierin vergaard en hun geslachten verzameld, niet alleen die kruiden die in deze Nederlanden groeien, maar ook meest alle andere vreemde die in de medicijnen groot nut en gebruik hebben. Waarvan wij de gehele historie op zo’n manier, vorm en ordening hebben gedaan als het beste en meest geschiktste was.

Ten eerste hebben wij het geslacht verklaard waar toe het behoort.

En daarna de vorm, wezen en de gestalte zeer helder beschreven en daarbij vrijwel altijd een afbeelding van het beschreven kruid bij gezet die zeer kunstig naar het leven afgebeeld is met hun kleuren en verf goed en perfect afgebeeld.

Ten derden hebben wij de plaatsen bewezen waar ze graag groeien of het meeste groeien en daarbij de tijd als ze bloeien of vruchten en zaad leveren.

Ten vierde zijn de namen hierbij gezet, niet alleen zoals ze bij ons in de gewone taal genoemd worden, maar ook de Griekse en oude Latijnse namen met de anderen waarmee ze in de apotheken en onder de kruidliefhebbers bekend zijn, daarbij ook de Hoogduitse en Franse namen.

Daarbij hebben we soms de oorzaken en historie aangehangen waar de namen uit ontstaan of gesproten zijn zoals daarvan de oude Griekse en Latijnse poëten geschreven hebben die zeer genoeglijk en aardig zijn om te lezen en te weten.

Tenslotte hebben wij de natuur, kracht en werking van de kwade kruiden, hun hindernis en verbetering uit de alleroudste, beste en voornaamste medicijnmeesters en auteurs getrokken en daar bij gevoegd wat door ons met zekere ondervinding van sommige kruiden over lange jaren gevonden is waarmee wij de historie van elk kruid gesloten en volbracht hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En als wij dit, ons boek en arbeid uitgeven zouden en in het licht laten komen zou het ons niet behoorlijk lijken om de oude omklede manier en beleefdheid weg te laten van alle geleerden die hun boeken altijd aan enige koningen, prinsen, edele heren of vrouwen toe geschreven en opgedragen hebben. Zo heb ik mijn aller edelste koningin tot uw koninginachtige majesteit bijzondere genade en edelheid gewend en heb dit kruidboek aan uw koninginachtige majesteit met alle ootmoed, onderdanigheid en reverentie toegeschreven en opgedragen aan uw

koninginachtige majesteit edelheid en genade toevertrouwende zodat deze, onze arbeid en Kruidboek uw koningachtige majesteit aangenaam zal wezen, opgemerkt dat uw koninginachtige majesteit een bijzonder liefde en affectie (als wij begrepen hebben) de kruiden toedraagt en daarin soms genoegen en recreatie vindt, gelijk ook hier vroeger van gedaan hebben zeer edele koningen, koninginnen en prinsen als Methridates, koning van Pontus, waar het methridaat zijn naam van heeft. Lysimachus de koning van Macedonië. Gentius de koning van Slavonië. Arthemisia de koningin van Carië en meer andere vrome en edele heren en prinsen waarin deze uwe koninginachtige majesteit na volgt

Daarom zo is onze ootmoedige en begeerte dat uw koningachtige majesteit het belieft om deze, ons Kruidboek alzo genadig te ontvangen als hij door ons uit goede en trouwe mening en gunst met onderdanige en uit ganser harte uwe koninginachtige majesteit toegeschreven en opgedragen wordt.

De almogende God wil en koningachtige majesteit in gezondheid en voorspoed bewaren en lange tijd onderhouden.

Uw koninginachtige majesteit

                       Onderdanige,

                                   Rembert Dodoens.

 

 

 

  .

 

 

(III) Dat ierste deel des cruydeboexs.

Van de cruyden gheslacht, onderscheet, fatsoen, naemen, cracht ende werckinghe.

 

Duer D. Rembert Dodoens.

 

Van Averoone. Cap. I.

 

Gheslacht oft onderscheet

Veroone (als Dioscorides schrijft) es tweederleye van gheslachte, waer af deene ghenaempt es Averoone wijfken oft groote Averoone, ende dandere Averoone manneken oft cleyn Averoone, ende beyde dese gheslachten zijn hier te lande ghemeyn.

 

Tfatsoen.

Abrotanum foemina, Abrotanum mas.

Groote Averoone.   Cleyne Averoone.

Ie groote Averoone wast dicwils (sonderlinghe want zij daer toe gheleyt wordt) hoogher dan eens lancks mans hooghde, ghelijckende eenen boom, ende heeft herde taye tacken, waer aen wassen al om veel witte aschveruwighe seer ghesneden bladerkens, die ghelijck die bladeren van veel boomen, tswinters vergaen, ende inden Aprill weder van nieuwes voortcomen. Sijn bloemen zijn goutgeele knoppekens, ende wassen lanck die tacken, ghelijck aen die Alsene.

Die cleyne Averoone en wast nemmermeer seer hooghe, ende heeft teere dunne steelkens van der wortel meest voortcoemende. Sijn bladeren zijn gruender, langher, teerder (IIII) ende meer ghesneden dan die bladeren van die groote Averoone, ende vergaen oock tswinters, ende coemen inden Meye wederom wt den selven, ende andere nieuwe steelkens voort. Dese Averoone draeght hier te lande seer selden bloemen, ende es seer sterck van ruecke, stercker rieckende dan die groote, die wortel van desen es teer en cruypende, en al om veele nieuwe taxkens ende scuetkens wtwerpende

3          Noch zoo vindtmen boven desen, twe gheslachten van Averoone, een ander gheslacht dat my M. Jaspar van der Heyden van Loven ghesonden heeft, dat van steelen ende wasse der cleynder Averoone ghelijck es, maer zijn bladeren en zijn niet zoo lanck, meer ghelijckende den bladeren van die groote Averoone, hoe wel zij teerder ende niet zoo wit en zijn, ende dese Averoone es van eenen seer lijfelijcken rueck, niet seer onghelijck van ruecke der ghemeyne Cypresse daer wij in zijnder plaetsen af schrijven willen.

 

Plaetse.

Beyde die Averoonen en wassen hier te lande niet, dan in die hoven daer zij gheplant worden. Dijs ghelijck oock dat derde gheslacht, dat seer selden ghevonden wordt, en luttel bekent es.

 

Tijt.

Averoonen bloeyen in Augusto, ende in Septembri es haer saet bequaem om te vergaderen.

 

Naem.

Averoone wordt in Griecx ende Latijn Abrotanum ghenaempt, ende met dien naem eest inder Apoteken bekent, die Hoogduytschen nuement Stabwurtz, Gertwurtz, Garthaglen, Schoswurtz, Kuttelcraut, Affrusch. Die Franchoisen Auronne, Aueroesne.

1 Die groote Averoone wordt ghenaempt Abrotum thelij in Griecx, in Latijn Abrotanum foemina, dat es in onser talen, Averoone wijfken, in hoochduytsch Stabwurtz weiblin, in Franchois Aueronne femelle.

2 Die cleyne heet in Griecx Abrotanum arren. In Latijn Abrotanum mas. In hoochduytsch Stabwurtz menlijn. In Franchois Averone malle. In onser talen Averoone manneken, en cleyn Averoone.

3 Dat derde gheslacht wordt van Hieronymo bock, wolrieckende Stabwurtz, dat es welrieckende Averoone ghenaempt

 

Natuere.

Alle Averoonen sijn van complexien warm ende drooch tot inden derden graet, ende subtijl van substantien.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Tsaet van Averoone drooch en rouw ghepoedert, oft in water oft wijn ghesoden, ende ghedroncken es goet ende seer behulpich den ghenen die hueren adem niet wel en kunnen ghesceppen, ende verstopt van borsten zijn, ende dien haer zenuwen ghetrocken ende ghespannen worden, die dat sciatica hebben, die haer water niet wel en kunnen gelossen, ende den vrouwen die haer natuerlijcke cranckheyt niet wel en kunnen ghecrijghen, want duer sijn subtijl cracht zoo verdrijvet, verteeret, ende doet scheyden alle couwe vochticheyt, slijm ende taye fluymen, die longhene, nieren, blase, ende moeder verstoppende zijn.

B. Averoone in wijn ghedroncken es goet teghen alle fenijn den mensche hinderlijck ende doodet die wormen.

C. Die roock oock van Averoone verdrijft alle fenijnich ghedierte, desghelijcks oock die Averoone waer zij gheleyt oft ghestroyt wordt.

D. Asschen van Averoone, met olie van Wonderboom, oft van Radijs, oft andere seer oude olie van Oliven ghemenght, gheneest dat wtvallen des hayrs vanden hoofde, als zij op thooft tweemael tsdaechs in die sonne oft bij den viere daer op ghestreeken wordt.

E. Ende in dier manieren ghebruyckt, zoo doet zij den baert die qualijcken by coemt, seer wassen ende snel voortcoomen, die kinne daer mede bestreeken.

F. Averoone ghemenghelt met een ghebraden Queappel, ende op die ooghen ghelijc een (V) plaester gheleyt es goet tseghens die sweringhe van den ooghen.

G. Met gersten meel ghemenght en tsamen ghesoden doet zij scheyden ende verdwijnen alle coude gheswillen daer zij op gheleyt wordt.

H. Averoone met olie ghemenghelt, ende daer mede het lichaem bestreken, es goet voor die couwe huyveringhen, die ghelijc een cortse tot haerder tijt weder om comen.

I. Van die Averoone schrijft Plinius dat zij onder bedde oft cussen gheleyt, lust tot den vrouwen verweckt, ende alderhande tooveryen verdrijft ende verwint, die alsulcken werck en lust souden moghen beletten.

 

Hindernisse.

Averoone es der maghen heel tseghen en seer contrarie ende daer om en wordt zij van Galenus prince der Medecijnen int lichaem niet inghegheven.

Het eerste deel van het kruidboek.

Van de namen, geslacht, verschil, vorm, namen, kracht en werking.

 

Door D. Rembert Dodoens.

Van averone, Kap. I.

 

Geslacht of onderscheid.

 

Van averone (zoals Dioscorides schrijft) zijn er twee geslachten waarvan de ene averone wijfje of grote averone genoemd wordt. De andere heet averone mannetje of kleine averone en beide geslachten zijn hier te lande algemeen.

 

 

Vorm.

Abrotanum foemina of grote averone. Abrotanum mas of kleine averone.

(Artemisia campestris, tweede is Artemisia abrotanum (=citroenkruid)

De grote averone groeit vaak (vooral als het gevormd wordt) hoger dan een lange man en lijkt op een boom. Het heeft harde en taaie takken. Daar komen overal veel witte, askleurige en zeer gesneden blaadjes aan die net als de bladeren van veel bomen ‘s winters vergaan en in april weer opnieuw uitkomen. Zijn bloemen zijn goudgele knopjes en groeien langs de takken net zoals alsem.

De kleine averone groeit nooit zo hoog en heeft tere en dunne steeltjes die meestal uit de wortel voortkomen. Zijn bladeren zijn groener, langer, zachter en meer gesneden dan de bladeren van de grote averone. Ze vergaan ook ‘s winters en komen in mei weer uit met andere nieuwe steeltjes. Deze averone draagt hier te lande zeer zelden bloemen. Het is zeer sterk van geur en geurt sterker dan de grote. De wortel hiervan is zacht en kruipt vrijwel overal uit met vele nieuwe takken en scheuten.

 

 

 

3 Naast deze twee geslachten van averone vind je nog een ander geslacht dat me toegezonden is door D. Jaspar van der Heide van Leuven. (Artemisia cina) Dat lijkt in zijn stelen en groei op de kleinere averone, maar zijn bladeren zijn niet zo lang en lijken meer op de bladeren van de grote averone, hoewel ze zachter en niet zo wit zijn. Deze averone is van een zeer aangename geur, het lijkt wel wat op de geur van de gewone cipres waarvan wij op zijn plaats zullen schrijven.

 

 

 

 

Plaats.

Beide averonen groeien hier te lande alleen in de hoven waar ze geplant worden. Zo ook het derde geslacht dat zeer zelden gevonden wordt en weinig bekend is.

 

 

Tijd.

Averonen bloeien in augustus en in september is hun zaad volgroeid om te verzamelen.

 

 

Naam.

Averone wordt in het Grieks en het Latijn Abrotanum genoemd en met die naam is het in de apotheken bekend. De Hoogduitsers noemen het Stabwurtz, Gertwurtz, Garthaglen, Schoswurtz, Kuttelcraut en Affrusch. De Fransen averonne en averoesne.

1. De grote averone wordt Abrotum thelij in het Grieks genoemd en in het Latijn Abrotanum foemina, dat is in onze taal averone wijfje, in Hoogduits Stabwurtz weiblin en in Frans averonne femelle.

2. De kleine heet in Grieks Abrotanum arren. In Latijn Abrotanum mas. In Hoogduits Stabwurtz menlijn. In Frans averone malle. In onze taal averone mannetje en kleine averone.

3. Het derde geslacht wordt door Hiëronymus Bock wolrieckende Stabwurtz, dat is welriekende averone genoemd.

 

 

 

 

Natuur.

Alle averonen zijn van samengesteldheid warm en droog tot in de derde graad en fijn van substantie.

 

Kracht en werking.

Het zaad van averone dat droog en ruw gepoederd of in water of wijn gekookt en gedronken wordt is goed en helpt zeer diegenen die hun adem niet goed kunnen ophalen en de borst verstopt hebben, ook voor diegene die hun zenuwen getrokken en gespannen hebben, die last van jicht hebben, die hun water niet kunnen lossen en de vrouwen die hun menstruatie niet goed kunnen krijgen want door zijn subtiele kracht verdrijft het, verteert en scheidt het alle koude vochtigheid, slijm en taaie fluimen van de longen, nieren, blaas en baarmoeder die verstopt zijn.

Als averone in wijn gedaan en dit gedronken wordt is het goed tegen alle venijn die de mensen hinderlijk zijn en doodt de wormen.

De rook van averone verdrijft alle venijnig gedierte, zo ook waar de averone gelegd of gestrooid wordt.

As van averone dat met olie van de wonderboom of van radijs of met andere zeer oude olie van olijven gemengd is geneest het uitvallen van het haar van het hoofd als het op het hoofd tweemaal daags in de zon of bij het vuur gestreken wordt. En als je het op die manier gebruikt dan laat het de baard die slecht groeit goed groeien en snel laten komen als de kin daarmee bestreken wordt.

Averone die met een gebraden kweeappel gemengd en op de ogen als een pleister gelegd wordt is goed tegen de oogzweren.

Met gerstemeel gemengd en tezamen gekookt laat het alle koude gezwellen scheiden en verdwijnen als het daar op gelegd wordt. Averone die met olie gemengd is waarmee het lichaam wordt bestreken is goed tegen de koude huiveringen die net als een koorts mettertijd wederom komen.

Van averone schrijft Plinius dat als het onder het bed of kussen gelegd wordt het de lust tot de vrouwen verwekt en allerhande toverij verdrijft en overwint die zulk werk zouden kunnen tegen houden.

 

 

 

 

 

 

Hindernis.

Averone is zeer hinderlijk voor de maag en staat die zeer tegen en daarom wordt het door Galenus, prins der dokters, niet in het lichaam gegeven.

 

 .

 

 

 

 

Van Alsene. Cap II.

 

Tgheslacht oft onderscheet.

 

Lsene es drijderleye van gheslachte, waer af die Ierste es onse ghemeyne Alsene, die Tweeste die zee Alsene, die Derde die Alsene van Santonien diemen Roomsche Alsene nuempt, die niet alleen door veranderinghe van plaetse daer zij meest wassen, maer oock van fatsoene verscheyden zijn.

 

Tfatsoen

Absinthium.  Seriphium.

Alsene.     Zee Alsene.

(VI)

Van Alsene

1 Die Alsene heeft aschveruwighe seer ghecloven bladeren, van smake bitter. Sijnen steel is houtachtich, een elle oft meer hooch met veele aenwassende taxkens ende zijde scuetkens, ende daer aen wassen cleyne geele knoppekens, in die welcke als zij vergaen en rijp worden, ghevonden wordt cleyn sayken, den sade van Reynvaer ghelijck, maer veel minder. Sijn wortel es houtachtich met veel aenhanghende faselingen.

Van deze Ierste gheslachte wordt hier te lande in sommighe cruyt liefhebbers hoven, noch een ander gheslachte ghevonden, datmen Abstinthium Ponticum nuempt, dat onser ghemeyn Alsene ghelijck es, maer zijn bladeren zijn meer ghesneden, ende en zijn zoo bitter niet, immers dat hier te lande gheplant ende ghesaeyt wordt.

2 Dat twede gheslacht van Alsene: die Zee alsene es oock wit en aschveruwich van coluere, ende heeft veel witte bladeren der ghemeyne Alsene bladeren niet seer onghelijck, maer veel minder, teerder, witter, en cleynder ghesneden, ende tdraecht veel knoppachtighe bloemen, ende saet neffens zijnen steelen, ghelijck die voorgheschreven Alsene, en het wast ghemeynlijck onderhalven voet hooghe oft hoogher, ende het es sterck van ruecke ende sout, met een vreemde bitterheyt van smake, dat op zijnen natuerlijcken gront wast en ghevonden wordt, want dat in die hoven ende in tlant daer suet water es gheplant wordt, verandert zijnen smaeck en natuere seer, ghelijck meer ander cruyden, ende sonderlinghe die in soute gronden voortcoemen, die van haeren natuerlijcken plaetsen elders verplant worden.

 

Santonicum.    Roomsche Alsene.

3 Die Roomsche Alsene es den voorgheschreven Alsenen ghelijck, maer neerder en cleynder, zijn bladeren zijn oock minder en teerder ende niet zoo wit, maer schier gruen, hoe wel zij nochtans oock den aschveruwighen coluere wat ghelijcken. Dit heeft oock (zoo wanneer dattet bloemen voort bringht) ronde geele cleyne knoppekens daer die bloemen ende saet in voortcomen. Die wortel es veeselachtich en cruypende en al omme veele nieuwe scuetkens voortbringhende.

(VII)

Plaetse.

Alsene wast gheerne in steeachtighe ende berchachtighe rouwe drooghe en ongheboude plaetsen, en wordt hier te lande tot veel plaetsen ghevonden.

Zee alsene wast op souten gront ende op plaetsen by der zee gheleghen, en wordt tallen plaetsen in zeelant overvloedich ghevonden, ende dijsghelijck oock in vlaenderen lancx den zee cant, ende tot som plaetsen van brabant als by berghen. τc

Roomsche alsene wat in veel plaetsen van vranckrijck, ende sonderlinghe (als Dioscoides schrijft) die by die gheberchten van Italien gheleghen zijn, ende oock in sommighe plaetsen van Duytschlant ontrent den gheberchten ende sandachtighen heerstraten. Hier te lande wordt zy in die hoven gheplant.

 

Tijt.

Alle alsenen bloeyen in Julio ende in Augusto, ende corts daer naer zoo wordt huer saet bequaem om te vergarene.

 

Naem.

1. Die ghemeyne alsene wordt in Griecx Absinthion ghenaempt, en Bathii Picron oft Baris Picron om hueren bitteren smaeck wille. In Latijn Absinthium, ende dien naem hevet inder Apoteken behouwen, by Apuleium heetet Absinthium rusticum. In Hoochduytsch wermut en werommout, oft acker werommout, dat es acker oft velt Alsene, In Franchois Aluyne.

2. Die zee alsene heet in Griecx Absinthion thalassion en Seriphon. In Latijn Seriphium en Absinthium marinum: inder Apoteken eest onbekent, hoe wel dat het saet van dese alsene daer daghelijcx vercocht wordt, onder den naem van zeewaersaet, dat inder Apoteken Semen sanctum, Semen lumbricorum en oock van sommighen (diet meynen te wesene tsaet van Roomsche alsene) Santonicum ghenaempt wordt.

3. Dat derde gheslachte, wordt in Griecx Sandonicon en Latijn Santonicum ghenaempt, ende heeft dien naem van een natie van volcke in Vrancrijck, daer dese alsene overvlodich wast, ende ierst vanden Romeynen ghevonden es gheweest. In onser talen wordt zy Roomsche alsene gheheeten, ende dat om dattet een vreemt cruyt es in desen landen niet ghemeyn, want schier alle vremde cruyden worden hier te lande onder den ghemeynen man Roomsche cruyden gheheeten, ia al quamen zy oock wt Noorweghen dat verre van Roomen es.

 

Natuere.

1. Die ghemeyne alsene es warm in den iersten graet en drooghe in den derden van smake, bitter, scerp ende tsamen treckende, ende daer om afvaghende, suyverende, sterckende, verwermmende en verdrooghende.

2. Die zee alsene es warm in den tweeden graet ende drooghe in den derden, en subtijl van substantien.

3. Die Roomsche es in middel tusschen beyde die alsenen, heeter dan die ghemeyne, maer niet zoo heet als die zee alsene, oock subtijl makende, maer niet zoo seer als die zee alsen.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Alsene es een seer goede en excellente medeceyne voor den ghenen die in huer maghe pijne hebben ende verladen zijn met heete cholerijcke geele vochticheyt, want zy doet die selve vochtiheden eens deels met den camerganck en eens deels met der urinen lossen ende afgaen, ende daer en boven sterckt zy die maghe, maer tot der maghen die met couden vochticheden en fluymen verladen es ende longhene en borste die daer mede verstopt zijn en es zy niet bequaem, als Galenus schrijft.

B. Dies ghelijcx doet oock die alsene die cholerijcke vochtigheden met den camerganck, ende water afgaen, die in die aderen ende levere vergaert ende besloten zijn, ende daer duer zoo gheneest zy die geelesucht in water ghesoden oft gheweyckt ende alle daghen ghedroncken.

C. Alsene smorghens nuchtere in ghenomen, bewaert ende bescermt voor dronckenscap. (VIII) D. Met saet van Seseli oft met Anijs saet ghedroncken verdrijft zy die winden en opblasinghe des buycx ende die weedom walginghe ende opworpen der maghen.

E. Alsene met edick ghedroncken es goet die van den venijnnighen campernoelyen cranck zijn.

F. Met wijn ghedroncken es zy goet tseghen verghiftheyt en sonderlinghe die van sceerlinck, en tseghens die beten ende steken van spinnen ende ander fenijnnighe ghedierten.

G. Alsene met huenich vermenght, en op die ooghen ghestreken es goet voor donckere ghesichte, ende tseghens die blauw ooghen, ende met sueten wijn als bastaert oft dijsghelijcken ghesoden, ende daer mede die ooghen bestreken, beneempt zy die smerte ende weedom der ooghen.

H. Alsene met vyghen salpeeter en met meel van dravick tsamen ghemenghelt, coempt te hulpen die water laden ende sieck zijn vander milten, op den buyck oft op die zijde gheleyt

I. Alsene in die cleer scapprayen gheleyt, bewaert die cleederen datter gheen motten oft scieters in en comen, met olie erghens aenghestreken verdrijft zy die vlieghen, muesyen en mugghen.

K. Dwater daer Alsene in ghesoden oft gheweyckt es ende daer af inck ghemaeckt, bewaert het gheschrifte dattet vanden muysen niet gheeten en wordt.

L. Van Alsene wordt oock wijn ghemaeckt diemen Alsen wijn nuempt, die tot allen den voorschreven ghebreken seer goet es.

2 M. Zee Alsene met rijs of eenighe andere spijse, oft alleene, of met huenich inghenoemen doodet ende drijft af alle wormen tzy langhe, breede, oft andere, ende daer toe maeckt zy oock saechten en dunnen camerganck, ende desghelijc werck doet zy oock van buyten tslichaems op den buyck oft navel gheleyt, ende es daer toe crachtigher ende stercker van wercke dan eenighe andere alsene, maer es der maghen meer hinderlick en min bequaem.

N. Tsaet van die Zee alsene datmen zeewaersaet nuempt (als voor gheseyt es) es oock een seer goede medecijne tseghes alle manieren en soorten van wormen die binnen des menschens lichaem groeyen.

O. Die ossen, scapen, en andere vee, die Zee alsene weyden, worden daer seer vet af (als Dioscorides schrijft)

3 P. Roomsche Alsene es der zee alsene van werckinghe ghelijck, maer niet soo sterck noch niet soo crachtigh.

 

Verkiesinghe

Tot den ghebruyck der medecijnen zoo es dat Ierste gheslacht van Alsene dat beste ende der maghen meest bequaem, ende onder die selve die beste ende excellenste die in ponto, in cappadocien, en op den berch Taurus wassende es, alzoo Dioscorides ende Galenus te Roome wesende ende verkerende gheschreven hebben, hier te lande houwen wy voor die beste onse ghemeyne alsene, sonderlinghe int wilt wassende, die wy beter achten dan die vremde alsenen, die hier van sade ghewonnen worden, want hier te lande verliezen sy veel van huer cracht, ende oock en zijn ze soo bitter niet, ende daer om niet soo goet als onse alsene.

Van Alsem, kap. II

 

Het geslacht of verschil.

 

Van alsem zijn er drie geslachten waarvan de eerste onze gewone alsem is, de tweede is de zeealsem en de derde de alsem van Santonie die men Roomse alsem noemt. Die zijn niet alleen door verandering van plaats waar ze meestal groeien maar ook van vorm verschillend.

 

 

Vorm.

Absinthium of alsem.

Seriphium of zeealsem.

(Artemisia absinthium, Seriphidium maritimum)

 

Van Alsem

1 Alsem heeft askleurige en zeer gekloven bladeren die bitter van smaak zijn. Zijn steel is houtachtig en een zeventig cm of meer hoog die met veel aangroeiende takjes en zijscheuten bezet is. Daaraan groeien kleine gele knopjes. Als die vergaan en rijp worden vind je er kleine zaadjes in die op de zaden van reinvaren lijken, maar veel kleiner zijn. Zijn wortel is houtachtig en met veel aanhangende worteltjes bezet. Van dit geslacht wordt in sommige kruidliefhebbers hoven noch een ander geslacht gevonden dat men Absinthium ponticum noemt. Die lijkt op onze gewone alsem, maar zijn bladeren zijn meer gesneden en niet zo bitter als diegene die hier te lande geplant en gezaaid wordt.

2 Het tweede geslacht van alsem, zeealsem, is ook wit en askleurig van kleur. Het heeft veel wittere bladeren die op de gewone alsembladeren lijken maar ze zijn veel kleiner, zachter, witter en kleiner gesneden. Het draagt veel knopachtige bloemen en zaad naast zijn stelen, net als de voor vermelde alsem. Het groeit gewoonlijk vijf en veertig cm hoog of hoger. De plant is sterk van geur en zoutig met een vreemde, bittere smaak. De zeealsem wordt op zijn natuurlijke grond gevonden want als het in de hoven en in het land waar zoet water is geplant wordt verandert de smaak en natuur zeer. Dat gebeurt ook meer met andere kruiden en vooral diegene in zoute gronden groeien en die van hun natuurlijke groeiplaats naar elders verplant zijn.

 

 

 

Santonicum, Roomse alsem.

(Artemisia santonica)

3 De Roomse alsem is de voor vermelde alsems gelijk, maar lager en kleiner. Zijn bladeren zijn ook kleiner, zachter en niet zo wit, maar vrij groen hoewel het toch ook wat askleurig lijkt. Deze heeft ook (als het bloemen voortbrengt) ronde en gele, kleine knopjes waar de bloemen en zaad in komen. De wortel is vezelachtig, kruipt en laat overal veel nieuwe scheuten uitschieten.

 

 

 

Plaats.

Alsem groeit graag in steen- en bergachtige, ruwe, droge en ongebouwde plaatsen. Het wordt hier te lande op veel plaatsen gevonden. Zeealsem groeit in zoute gronden en op plaatsen die bij de zee liggen. Het wordt op talloze plaatsen van Zeeland overvloedig gevonden, zo ook in Vlaanderen langs de zeekant en in sommige plaatsen van Brabant als bij Bergen etc.

Roomse alsem groeit in veel plaatsen van Frankrijk en vooral (zoals Dioscorides schrijft) die bij de bergen die bij Italië gelegen zijn en ook in sommige plaatsen van Duitsland bij de bergen en zandachtige heerstraten. Hier te lande wordt het in de hoven geplant.

 

 

 

Tijd.

Alle alsems bloeien in juli en in augustus. Kort daar na is het zaad klaar om verzameld te worden.

 

Naam.

De gewone alsem wordt in Grieks Absinthion genoemd en Bathij Picron of Baris Picron vanwege haar bittere smaak. In Latijn Absinthium en die naam heeft het in apotheken behouden. Bij Apuleius heet het Absinthium rusticum. In Hoogduits Warmut en Werommout of acker Werommout, dat is akker- of veld alsem. In Frans aluyne.

De zeealsem heet in Grieks Absinthion thalassion en Seriphon. In Latijn Seriphium en Absinthium marinum. In de apotheken is het onbekend hoewel het zaad van deze alsem daar dagelijks verkocht wordt onder de naam van zeewaarzaad, (var. cina) dat in de apotheken Semen sanctum, Semen lumbricorum en ook door sommige (die denken dat dit het zaad van Roomse alsem is) Santonicum genoemd wordt.

Het derde geslacht wordt in Grieks Sandonicon en in Latijn Santonicum genoemd. Het heeft die naam van een natie van een volk in Frankrijk waar deze alsem overvloedig groeit en het eerst door de Romeinen gevonden is. In onze taal wordt het roomse alsem genoemd en dat omdat het een vreemd kruid dat in deze landen niet gewoon is want vrijwel alle vreemde kruiden worden hier te lande door de gewone man roomse kruiden genoemd, ja, al kwamen ze ook uit Noorwegen dat ver van Rome is.

 

 

 

Natuur.

De gewone alsem is warm in de eerste graad en droog in de derde. Van smaak bitter, scherp en tezamen trekkend en daarom jaagt het af, zuivert, versterkt, verwarmt en verdroogt.

Zeealsem is warm in de tweede graad en droog in de derde en fijn van substantie.

De Roomse is in het midden tussen die beiden alsems, heter dan de gewone maar niet zo heet als de zeealsem, ook maakt het fijn, maar niet zo zeer als de zeealsem.

 

 

Kracht en Werking.

Alsem is een zeer goede en excellente medicijn voor diegenen die in hun maag pijn hebben en verladen zijn met hete galachtige, gele vochtigheid want het laat die vochtigheden eensdeels met de toiletgang en eensdeels met de urine lossen en afgaan. Daarboven versterkt het de maag. Maar voor de magen die met koude vochtigheden en fluimen beladen zijn en voor diegene waar de longen en borst daarmee verstopt zijn is het niet goed als Galenus schrijft.

Zo doet ook de alsem met de galachtige vochtigheden die met de toiletgang en water afgaan die in de aderen en lever verzameld en opgesloten zijn. Daardoor geneest het de geelzucht als het in water gekookt of geweekt is en alle dagen gedronken wordt.

Als je alsem ‘s morgens nuchter inneemt bewaart en beschermt het tegen dronkenschap.

Als het met zaad van seseli of met anijszaad gedronken wordt verdrijft het de winden en opblazingen van de buik, de smart, walging en opwerping van de maag.

Alsem die je met azijn drinkt is goed voor diegene die van de giftige kampernoelie ziek zijn en als je het met wijn drinkt is het goed tegen vergiftigingen vooral die van scheerlink en tegen de beten en steken van spinnen en ander venijnig gedierte.

Alsem dat met honing vermengd is en op de ogen gestreken wordt is goed voor het slecht zien en tegen de blauwe ogen. Als het met zoete wijn als bastaard of dergelijke gekookt en daarmee de ogen bestreken wordt neemt het de pijn en smart van de ogen weg.

Alsem die met vijgen, salpeter en met meel van dravik tezamen gemengd is komt diegene te hulp die water laden en ziek van de milt zijn als je het op de buik of op de zijde legt.

Alsem die in de kleerkasten gelegd wordt beschermt de kleren zodat er geen motten of schieters in komen, als het met olie ergens aangestreken wordt verdrijft het de vliegen, neefjes en muggen.

Het water waar alsem in gekookt of geweekt is en waarvan een inkt gemaakt wordt beschermt het geschrift zodat het door de muizen niet opgegeten wordt.

Van alsem wordt ook wijn gemaakt die men alsemwijn noemt die tot alle de voorgeschreven gebreken zeer goed is.

 

 

 

 

2 Zeealsem die met rijst of enige ander eten of alleen of met honing ingenomen wordt doodt en drijft af alle wormen, hetzij lange, brede, of andere, daarbij maakt het ook een zachte en dunne toiletgang, hetzelfde doet het ook als het aan de buitenkant van het lichaam op de buik of navel gelegd wordt en is daar krachtiger en sterker van werking in dan enige andere alsem maar is meer hinderlijk en minder goed voor de maag. Het zaad van de zeealsem, dat men zeewaarzaad noemt, (zoals voor gezegd is) is ook een zeer goede medicijn tegen alle vormen en soorten van wormen die binnen in het menselijk lichaam groeien. De ossen, schapen en andere vee die zeealsem eten worden daar zeer vet van (zoals Dioscorides schrijft)

3 Roomse alsem is de zeealsem van werking gelijk, maar niet zo sterk en niet zo krachtig.

 

 

 

 

 

Te verkiezen.

Voor het gebruik in de medicijnen is het eerste geslacht van alsem het beste en voor de maag het meest goede. Hiervan groeit de beste en excellenste in Ponto, in Cappadocië en op de berg Taurus zoals Dioscorides en Galenus die in Rome waren en verbleven geschreven hebben. Hier te lande houden wij voor de beste onze gewone alsem en vooral die in het wild groeit die wij beter achten dan de vreemde alsem die hier van zaad gewonnen wordt want hier te lande verliezen ze veel van hun kracht en dan zijn ze ook niet zo bitter en daarom niet zo goed als onze alsem.

 

 .

 

 

 

 

 

Van Ossentonghe.          Cap. III.

 

Tgheslachte.

Er Ossentonghen zijn veel gheslachten, ende bysondere drije (naer dat Dioscorides beschrijft) waer af die twee tame ossentonghen, ende die derde wilde ossentonghe oft scaeps tonghe ghenaempt wordt. Som andere volghende Nicandrum ende begrijpende dat Echion mede, stellen vier gheslachten van (IX) desen cruyden. Diesghelijck doen oock Galenus, Paulus en Aetius, maer in plaetse van Echion, zoo stellen zy voor tvierde gheslachte die ghemeyne Honstonghe in Griecx Lycopsis ghenaempt, wy volghende Dioscoridem, sullen ierst van die drije gheslachten van Ossentonghe schrijven, ende daer naer van dat Echion, en dan van die ghemeyne Hontstonghe.

 

Tfatsoen.

Anchusa onoclia,           Anchusa alcibiadon.

Groote tamme Ossentonghe, Cleyne tamme Ossentonghe.

1 Dat ierste gheslachte datmen groote tamme Ossentonghe nuempt, heeft langhe, rouwe swertgruene hayrachtighe ende stekende bladeren, den bladeren van Lattouwe schier ghelijckende, maer langher en voor scerper. Sijn stelen zijn rouw hayrachtich, en wassen twee oft drye voeten hooch, ende daer aen wassen veele schoone bloemkens elck in vyven ghesneden, ghelijck een radeken aen te siene, van coluere in dierste voortcomen schoon licht purpure, ende daer naer hemelblauw, ende als die af vallen, zoo comen daer in die hayrachtighe huyskens drie oft vier langhachtighe grauw corenkes voort, die vol rimpelen en fronselen zijn. Die wortel es lanck, slecht ende van buyten bruyn.

2 Die cleyne tamme Ossentonghe es den voorschreven van rouwen hayrachtighen bladeren, stelen, en wortelen ghelijck, maer in alder manieren veel mindere, want zijn stelen zijn corter ende zijn bladeren cleynder en smaelder. Die bloemkens zijn ghefatsoeneert ghelijck die andere, maer zijn minder ende van coluere seer bruyn peersch, tsaet es van anderen ghelijck, maer minder en swerter.

(X)

Anchusae tertium genus.

Cleyn wilde ossentonghe

3 Dat derde wilt gheslacht es den voorgheschreven ende sonderlinghe den tweesten ghelijck, maer zijn bladeren zijn rouwer, minder, en smaelder, die bloemkens zijn licht hemelblauw, ghefatsoeneert ghelijck die bloemen vanden anderen, maer veel mindere. Tsaet es bruyn ende cleyn, die wortel es dun ende lancachtich.

 
Plaetse.

1 Die groote tamme ossentonghe, wast in som plaetsen, als in Loreynen, bij Nancie τcet. In die beste ende vetste coren velden van huer selven, hier te lande wordt zy ghemeynlijck in die hoven ghevonden.

2 Dat tweede gheslacht wast oock in sommighe plaetsen van Duytschlant ghenoech in twilde, hier te lande eest luttel bekent ende en wordt niet dan in sommighe hoven ghevonden.

3 Dat wilt gheslacht, wast hier te lande over al in maghere en santachtighe coren velden.

 

Tijt.

Die ossentonghen bloeyen in wedemaent, hoymaent ende ooghstmaent, en tusschen dien tijt leveren zy huer saet.

 

Naem.

(XI) Dese drye cruyden worden in Griecx ende in Latijn met eenen naem Anchusa ghenaempt, ende inder Apoteken Buglossa en lingua bovis, ende daer naer in Hoochduytsch Ochsenzunge, in onse talen Buglosse en Ossentonghe, in Franchois langue de beuf. Hoewel nochtans dat dese cruyden die rechte Buglosse niet en zijn, want die rechtvaerdighe Buglosse: es die Bernagie (daer wy hier naer af schrijven sullen) ghelijck van Nicolao Leoniceno, Joanna Manardo, ende andere gheleerde dees tijts claerlijck bewesen es, die grootelijcken ghearbeyt hebben om dese cruyden tot hueren rechtvaerdighen naem te bringhene, hoe wel zy tselve tot noch toe niet en hebben kunnen ghedoen, want dat sommighe meynen dese te wesene dat Cirsion, ende som andere dat Echion van Dioscorides beschreven, es der waerheyt seer luttel ghelijck, aenghesien dat zy met die beschryvinghe van Cirsion niet, ende van Echion seer luttel overcomen, immers veel min ghelijcken, dan der beschrijvinghe van Anchusa die zy in alder manieren ghelijck zijn, ghelijck wy dat in onse latijnsche annotatien oft aenteekeninghe breeder met goede en merckelijcke redenen bewesen hebben.

1. Dat ierste gheslachte van desen cruyden wordt in Griecx ende in Latijn ghenaempt Anchusa by toe name Calyx en Onoclia. In duytsche nuemense wy groote tamme Ossentonghe.

2. Dat tweeste, heet Anchusa Alcibiadum en Onochelos, ende met ons, cleyne tamme Ossentonghe.

3. Dat derde, en heeft anders ghenen naem dan Anchusa, ende dat heeten wy cleyne wilde Ossentonghe, tot onderscheet van dat Echion dat nu van sommighen groote wilde Ossentonghe beghint ghenaempt te wordene, van som andere wordet Scaeps tonghe ghenaempt.

 

Natuere

1. Die groote Ossentonghe ende sonderlinghe die wortel es van complexien wat cout en drooghe, maer en es niet verre van den middelste ende ghetemperde complexie gheweken.

2. 3. Die tweede ende die derde sijn van ghelijcken natueren, maer wat warmer.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die wortele van die groote Ossentonghe met olie ende was ghemenghelt, es goet teghen verbrantheyt ende oude sweringhen. Met sijn teruwen bloemen, gheneest zy het wilt vier, ende met eedick ghewreven, alderhande ieucksel ende heete crauwagien.

B. Dese wortele in wijn, voor den ghenen die sonder cortse zijn, oft in mee voor den ghenen die cortsachtich zijn, ghesoden ende ghedroncken, es goet voor die geelesucht, verstopte milt, ende voor die pijne der lendenen ende der nieren.

C. Die bladeren in wijn ghesoden, stelpen den loop des buyckx.

D. Dat tweede gheslacht es seer crachtich tseghens alle fenijn van wilde ghedierten, ende sonderlinghe van slanghen en nateren, hoe ende in wat manieren dattet ghebruyckt wordt, tzy in spijse, oft in drancke, oft over tlichaem ghedraghen.

E. Die wortel van dat wilt, met Hysope en Kersse ghedroncken, iaecht af ende doodet die breede wormen die in tsmenghens lijf groeyen.

F. Van dezen cruyden sonderlinghe van die tamme schrijven die medecijns deser tijt, dat zy het herte stercken, verlichten ende alle swaerheyt daer wt veriaghen. Ende dat die bloemen in wijn gheleyt oft conserve daer af ghemaeckt, seer goet zijn alle bedroefde, swaermoedighe, benaude, melancholieuse menschen.

 Van Ossentong, kap. III

 

Het geslacht.

Van ossentongen zijn er veel geslachten en vooral drie (naar dat Dioscorides schrijft) waarvan twee tamme ossentongen en de derde wilde ossentong of schaapstong genoemd wordt. Sommige andere volgen Nicandrum en denken dat Echion er bij hoort zodat ze van deze kruiden vier geslachten voor stellen. Zo doen ook Galenus, Paulus en Aëtius, maar in plaats van Echion stellen zij als het vierde geslacht de gewone hondstong voor die in Grieks Lycopsis genoemd wordt. Wij volgen Dioscorides en zullen eerst van de drie geslachten van ossentong schrijven en daarna van Echion en dan van de gewone hondstong.

 

 

 

 

 

Vorm.

Anchusa onoclia of grote, tamme ossentong   Anchusa alcibiadon of kleine, tamme ossentong.

(Anchusa officinalis, Anchusa aggregata?)

1 Het eerste geslacht dat men grote, tamme ossentong noemt heeft lange, ruwe, zwartgroene, haarachtige en stekende bladeren die op de bladeren van sla lijken, maar langer en aan de voorkant scherper zijn. Zijn stelen zijn ruw en haarachtig en groeien zestig of negentig cm hoog. Daaraan groeien vele mooie bloempjes die elk in vijven zijn gesneden en net op een rad lijken om te zien, als ze net uitkomen zijn ze van kleur mooi licht purper en daarna hemelblauw. Als die afvallen dan komen in de haarachtige huisjes drie of vier langachtige, grauwe korrels voort die vol rimpels en fronsels zijn. De wortel is lang en slecht en van buiten bruin.

2 De kleine, tamme ossentong is de voorgeschrevene van ruwe haarachtige bladeren, stelen en wortels gelijk maar in alle vormen veel kleiner want zijn stelen zijn korter en zijn bladeren kleiner en smaller. De bloempjes zijn als de andere gevormd maar zijn kleiner en van kleur zeer bruinpaars. Het zaad is de andere gelijk, maar kleiner en zwarter.

 

Anchusa tertium genus of kleine wilde ossentong..

(Anchusa arvensis)

3 Het derde wilde geslacht is de voorgeschreven en vooral de tweede gelijk, maar zijn bladeren zijn ruwer, kleiner en smaller. De bloempjes zijn licht hemelblauw en net als de bloemen van de anderen gevormd maar veel kleiner. Het zaad is bruin en klein, de wortel is dun en langachtig.

 

Plaats

1 De grote tamme ossentong groeit in sommige plaatsen als in Loreynen, bij Nancy etc. In de beste en vetste korenvelden groeit het uit zichzelf. Hier te lande wordt het gewoonlijk in de hoven gevonden.

2 Het tweede geslacht groeit ook in sommige plaatsen van Duitsland genoeg in het wild. Hier te lande is het weinig bekend en wordt alleen in sommige hoven gevonden.

3 Het wilde geslacht groeit hier te lande overal in magere en zandachtige korenvelden.

 

 

Tijd.

De ossentongen bloeien in oktober, augustus en september. Ondertussen leveren ze ook hun zaad.

 

Naam.

Deze drie kruiden worden in Grieks en in Latijn met een naam Anchusa genoemd. In de apotheken Buglossa en lingua bovis en daar naar in Hoogduits Ochsenzunge en in onze taal buglosse en ossentong, in Frans langue de beuf. Hoewel deze kruiden de echte buglosse niet zijn want de echte buglosse is de bernagie (waarna wij van zullen schrijven) als dat door Nicolao Leoniceno, Joanna Manardo en andere geleerden van deze tijd duidelijk bewezen is die grote arbeid verricht hebben om deze kruiden tot hun goede naam te brengen. Dat hebben ze met deze tot noch toe niet kunnen doen. Want sommige menen dat dit de Cirsion is en sommige andere menen dat het de Echion is die door Dioscorides beschreven is. Dat komt weinig met de waarheid overeen omdat het met de beschrijving van Cirsion niet en met die van Echion zeer weinig overeenkomt. Het lijkt toch veel minder op de beschrijving van Anchusa die in alle vormen gelijk zijn zoals wij in onze Latijnse annotatie of aantekeningen breder en met goede en opmerkelijke redenen bewezen hebben.

Het eerste geslacht van deze kruiden wordt in Grieks en in Latijn Anchusa genoemd en met toenaam Calyx en Onoclia. In Dietsche noemen wij dit de grote tamme ossentong.

De tweede heet Anchusa Alcibiadum en Onochelos en bij ons kleine tamme ossentong.

De derde heeft geen andere naam dan Anchusa en die noemen wij kleine wilde ossentong tot onderscheid van de Echion die nu door sommige grote wilde ossentong genoemd begint te worden, door sommige anderen wordt het schaapstong genoemd.

 

 

 

 

 

Natuur.

De grote ossentong en vooral de wortel is van samengesteldheid wat koud en droog maar wijkt niet ver van de middelste en getemperde samengesteldheid.

De tweede en de derde zijn van gelijke naturen, maar wat warmer.

 

 

Kracht en Werking.

De wortel van de grote ossentong die met olie en was gemengd is is goed tegen de verbranding en oude zweren. Met zijn ruwe bloemen geneest ze het wild vuur en als het met azijn gewreven wordt allerhande jeuk en hete kriebels.

Deze wortel die in wijn voor diegene die zonder koorts zijn of in mede voor diegene die koortsachtig zijn gekookt en gedronken wordt is goed tegen de geelzucht, verstopte milt en voor de pijn van de lendenen en de nieren.

De bladeren die in wijn gekookt zijn stelpen de loop van de buik.

Het tweede geslacht is zeer krachtig tegen alle venijn van wild gedierte en vooral van slangen en adders, hoe en in wat voor manier het ook gebruikt wordt, hetzij in eten of in drank of als je het op het lichaam draagt.

De wortel van de wilde die met hysop en kersen gedronken wordt jaagt af en doodt de brede wormen die in het menselijk lichaam groeien.

Van deze kruiden en vooral van die tamme schrijven de dokters van deze tijd dat ze het hart versterken, verlichten en alle zwaarheid er uit jagen. En dat als je de bloemen in wijn legt of er een konserf van maakt dat dit zeer goed is voor alle bedroefde, zwaarmoedige, benauwde en melancholische mensen.

 

 .

 

 

 

(X11) Van groote wilde Ossentonghe. Cap. IIII.

 

Tfatsoen.

Echion sive Alcibiacum.

Groote wilde Ossentonghe.

 

Chion heeft langhe rouwe en hayrachtighe bladeren, der bladeren van anderen Ossentonghen seer ghelijck, maer minder dan der ierster Ossentonghen bladeren. Sijn stelen zijn rouw en hebben seer veel aenwassende cleyne corte steelkes, daer aen over beyde zijden veel cleyne, smalle, swert gruene scerpe bladerkens (die ten eynde van den stelen seer cleyn zijn) ghelijck veerkens wt ghespreyet wassen, tusschen den welcken die bloemkens voortcomen die van coleure ierst licht peersch zijn, ende als zy open ghegaen zijn hemelblauw worden, ende van fatsoen lanchachtich, hol, met vier oft vijf peersche draykens daer in wassende, den bloemen van den anderen Ossentonghen niet ghelijck dan alleen van coluere. Als die bloemen afghevallen ende gheresen zijn, zoo vindtmen tsaet dat swert en cleyn es, van fatsoene eenen slanghen hoofdeken ghelijck. Die wortel es recht ende lanckachtich, van buyten root.

 

Plaetse.

Dese wilde Ossentonghe wast in goede vette coren velden ende by den weghen, ende andere goet lant ontrent Bruesssel/Loven, ende tot meer andere plaetsen.

 

Tijt.

Dit cruyt bloeyt schier alle den soomer duer, ghelijck die andere Ossentonghen, ende levert te wijle zijn saet.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Griecx ghenaempt Echion en Alcibiadion. In Latijn (XIII) Alcibiacum, van Apuleius Therior:zon Echnidion in Griecx Viperma en Serpent aria in Latijn, dat es in onse tale Slanghen cruyt, hoe wel dattet alzoo niet ghenaempt en wordt, maer groote Ossentonghe gheheeten, om dattet den anderen Ossentonghen van bladeren ghelijck es. Inder Apoteken eest onbekent.

 

Oirsaecke zijns naems

Dit cruyt heeft zijnen naem Alcibium en Alcibiadion, naer den vromen Alcibius, die alder ierst bate ende boete aen dit cruyt teghen die beten van de slanghen ghevonden heeft, want als die oude Nicander schrijft: doen Alcibius slapende, van een slanghe ghesteken was, ontwakende ende dit cruyt vindende, heeft het tselve in den mont ghenomen ende gheknaut, ende tsap duer ghenomen, ende het gheknaude cruyt op die wonde gheleyt, waer duer hy tot ghesontheyt ghecomen es. Die andere naemen Echion, Echidnion, Viperma τc die alzoo veel luyden als Slanghen cruyt, die hevet ghecreghen om dattet teghen den beet van den slanghen seer sonderlinghe es, ende dat zijn saet eenen slanghen hoofdeken ghelijck es.

 

Natuere

Dit cruyt es vander complexien van die andere Ossentonghen maer wat warmer, en subtijlder.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die wortel van desen cruyde in wijn ghesoden ende ghedroncken, coemt niet alleen te hulpen die van Slanghen ghesteken zijn, maer oock bewaert ende beschermt den mensch dat hy van dien niet ghebeten en wordt, alsmense te voren in deser manieren ghebruyckt. Dijsghelijcks cracht ende werckinghe hebben oock die bladeren, en dat saet.

B. Dit cruyt versaecht oock die pijne ende weedom der lendenen.

C. Item met wijn oft andersins inghenomen,

 

doet den vrouwen veel melcks crijghen.

Van grote wilde Ossentong, kap. IIII

 

 

Vorm.

Echion sive Alcibiacum of grote wilde ossentong.

(Echium vulgare)

 

Echium heeft lange, ruwe en haarachtige bladeren die op de bladeren van de andere ossentongen lijken maar kleiner zijn dan de bladeren van de eerste ossentong. Zijn stelen zijn ruw en hebben zeer veel aangroeiende kleine en korte steeltjes. Daaraan groeien aan beide kanten veel kleine, smalle en zwartgroene scherpe blaadjes (die op het eind van de stelen zeer klein zijn) en als veertjes uitgespreid staan. Daartussen komen de bloempjes die van kleur eerst lichtpaars zijn en als ze open gaan hemelblauw worden. Van vorm zijn ze langachtig en hol waarin vier of vijf paarse meeldraadjes groeien. Ze lijken niet op de bloemen van de andere ossentongen, wel van kleur. Als de bloemen afgevallen zijn dan vind je het zaad dat zwart en klein is en van vorm op een slangenhoofd lijkt. De wortel is recht en langachtig, van buiten rood.

 

 

 

 

Plaats.

Deze wilde ossentong groeit in goede vette korenvelden en bij de wegen en ander goed land bij Brussel /Leuven en op andere plaatsen.

 

 

Tijd.

Dit kruid bloeit vrijwel de hele zomer door, net als de andere ossentongen en levert ondertussen zijn zaad.

 

 

Naam.

Dit kruid wordt in Grieks Echion en Alcibiadion genoemd. In Latijn Alcibiacum, door Apuleius Therior: zon Echnidion, in Grieks Viperma en Serpentaria in Latijn en dat is in onze taal slangekruid hoewel het hier niet zo heet en grote ossentong genoemd wordt omdat het de andere ossentong van bladeren gelijk is. In de apotheken is het onbekend.

 

Oorzaak van zijn naam.

Dit kruid heeft zijn naam Alcibium en Alcibiadion naar de vrome Alcibius die allereerst baat en boete bij dit kruid tegen de beten van de slangen gevonden heeft. Want, zoals die oude Nicander schrijft, toen Alcibius sliep en door een slang gestoken werd, werd hij wakker en vondt dit kruid wat hij in de mond nam, er op kauwde en het sap ervan door slikte en het gekauwde kruid op de wond legde waardoor hij beter is geworden. De andere naam Echion, Echidnion, Viperma etc. die hetzelfde betekenen als slangenkruid heeft het gekregen omdat het tegen de beet van de slangen zeer goed is en omdat zijn zaad op een slangenhoofd lijkt.

 

 

Natuur.

Dit kruid is van samengesteldheid als de andere ossentongen, maar wat warmer en fijner.

 

Kracht en Werking.

Als de wortel van dit kruid in wijn gekookt en gedronken wordt, helpt het niet alleen diegene die door slangen gestoken zijn maar ook bewaart en beschermt het de mens dat hij door hen niet gebeten wordt als je het tevoren op deze manier gebruikt.

Dezelfde kracht en werking hebben ook de bladeren en het zaad.

Dit kruid verzacht ook de pijn en smart van de lendenen.

Item, met wijn of anderszins ingenomen laat het de vrouwen veel melk krijgen.

 

 .

 

 

 

 

Van Hondtstonghe. Cap. V.

 

Tfatsoen.

Lycopsis.  Hondtstonghe.

(XIIII)

Ie ghemeyne Hondtstonghe heeft rouwe ronde bruyne stelen, twee oft drij voeten hooch, ende daer aen wassen langhe bladeren, den bladeren van groote tamme Ossentonghe niet seer onghelijck, maer smalder, minder, ende niet rouw, maer sachthayrich. Die bloemen wassen boven aen die stelen veel by een, van coluere purpurbruyn, ende als die afghevallen zijn, zoo coemen daer voort platte rouwe sayen drije oft vier by een, die als zy rijp zijn aen die clederen blijven hanghen, ghelijck die saden van Agrimonie ende andere dijer ghelijcken rouwe saden, die wortel es lanck, dick, ende van buyten swert.

 

Plaetse.

Hondtstonghe wast al omme overvloedich op ongheboude sandachtighe plaetsen by den straten ende ghemeynen weghen.

 

Tijt.

Hondtstonghe bloeyt meest in Braeckmaent, ende in Hoymaent wordt huer saet rijp.

 

Naem.

Dit cruyt wort in Griecx ende in Latijn Lycopsis ghenaemt, ende van sommighen oock (als Dioscorides schrijft) Anchusa, ende daer om worddet van Galeno onder tgheslachte van Anchusa ghereekent, als int capittel van Ossentonghe voorseyt es. Inder Apoteken zoo heet dit cruyt Cynoglossum Cynoglossa ende Lingua canis. Ende daer naer in Hoochduytsch Hundtzunge. In Neerduytsch Hondtstonghe. In Franchois Langue de chien, hoe wel nochtans dattet die rechte Hondtstonghe niet en is, ende daer om wordet van sommighen gheleerden nu ter tijt valsche Hondtstonghe ghenaempt.

 

Natuere.

Hondtstonghe, en sonderlinghe die wortele es cout en drooghe, ghelijck die groote tamme Ossentonghe, maer couwer.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Hondtstonghe es een heylsaem cruyt, ende es seer goet ende sonderlinghe die wortele om die wonden daer mede te ghenesene, ende met gersten meel verminghelt es sy goet voor twilt vier.

B. Dwater oft wijn daer Hondtstonghe in ghesoden es, es goet om oude ulceratien, wonden, ende sweringhen mede te ghenesene, ende es seer sonderlinghe voor die ghebreken, ende ulceratien des monts.

C. Van Hondtstonghe maecktmen een salfken dat tot den voorgheschreven ghebreken seer goet es, in deser manieren. Tsap van Hondtstonghe, wordt met huenich van Roosen ghesoden, ende als zy tsamen ghenoch ghesoden zijn, zoo doetmen daer inne terbenthijn, ende rueret wel tsamen, ende men leghet op die wonde.

D. Item die wortele van Hondstonghe ghebraden en in tfondament ghesteken es goet voor die inwendighe speenen.

Van Hondstong, Kap. V

 

Vorm.

Lycopsis of hondstong.

(Cynoglossum officinale)

De gewone hondstong heeft ruwe, ronde en bruine stelen die zestig of negentig cm hoog worden. Daaraan groeien lange bladeren die veel op de bladeren van de grote tamme ossentong lijken, maar smaller, kleiner en niet ruw, maar zachtharig zijn. De bloemen groeien boven aan de stelen veel bijeen en zijn van van kleur purperbruin. Als die afgevallen zijn dan komen daar platte en ruwe zaden voort die met drie of vier bijeen staan. Als ze rijp zijn blijven ze aan de kleren hangen net zoals de zaden van Agrimonia en andere dergelijke ruwe zaden. De wortel is lang en dik, van buiten zwart.

 

 

 

 

Plaats.

Hondstong groeit overal overvloedig op ongebouwde zandachtige plaatsen, bij de straten en gewone wegen.

 

Tijd.

Hondstong bloeit meestal in juni. In augustus wordt het zaad rijp.

 

Naam.

Dit kruid wordt in Grieks en in Latijn Lycopsis genoemd. Door sommige ook (zoals Dioscorides schrijft) Anchusa en daarom wordt het door Galenus onder het geslacht van Anchusa gerekend zoals in het kapittel van ossentong gezegd is. In de apotheken heet dit kruid Cynoglossum, Cynoglossa en Lingua canis. En daarna in Hoogduits Hundtzunge. In Nederduits hondstong. In Frans langue de chien, hoewel het de echte hondstong niet is en daarom wordt het door sommige geleerden tegenwoordig valse hondstong genoemd.

 

 

Natuur.

Hondstong, vooral de wortel, is koud en droog net als de grote tamme ossentong, maar kouder.

 

Kracht en Werking..

Hondstong is een heilzaam kruid en is zeer goed, vooral de wortel om de wonden te genezen. Als het met gerstemeel vermengd is is het goed tegen het wild vuur.

Het water of de wijn waar hondstong in gekookt is, is goed om oude blaren, wonden en zweren mee te genezen en is bijzonder goed tegen de gebreken en blaren van de mond.

Van hondstong maak je een zalfje dat tegen de voorgeschreven gebreken zeer goed is op deze manier: ‘Het sap van hondstong wordt met honing van rozen gekookt en als ze tezamen genoeg gekookt zijn dan doe je daar terpentijn in en roer het goed door elkaar en leg het op de wond’. Item, de gebraden wortel van hondstong die je in het fondament steekt is goed tegen de inwendige aambeien.

 

 .

 

 

 

 

(XV) Van Bernagie. Cap. VI.

 

Tfatsoen.

Buglossum verum  Bernagie.

 

Ernagie heeft rouwe stekende breede swertgruene bladeren, die heur ter aerden buyghen. Van fatsoene een Coetonghe ghelijck, haer stelen zijn rouw, onderhalven voet hooghe, en deylen hen in doppelste in veel tacxkens, die draghen schoone liefelijcke ghesteente bloemen, gants hemelblauw van coluere, en sommighe oock sneuwit, ende als die afvallen, zoo wassender swerte corenkens naer, somtijts twee oft drije neffens een ghelijck aen die Buglossen, maer minder en swerter.

 

Plaetse.

Bernagie wast al omme in die hoven, ende wordt oock in sandachtighe effene velden ghevonden.

 

Tijt.

Bernagie beghint in Braeckmaent te bloeyene, ende bloeyt voort alle den zoomer duere.

 

Naem.

Dit cruyt wordt van den ouders in Griecx gheheeten Buglosson, ende in Latijn (XVI) Lingua bubula Libanium oft Lingua bovis, dat es in onse tale Ossentonghe oft Coetonghe

En van Plinius Euphrosynon om dattet vrolicheyt maeckt. Inder Apoteken zoo heetet Borago, ende daer naer in onser talen Bernagie oft Bornagie, in Hoochduytsch Burzetsch, in Franchois Bourrouche ou Bourrache.

 

Natuere

Bernagie es werm en vochtich van natueren.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Van desen cruyde, en van zijnen bloemen schrijftmen, dat zy in wijn gheleyt, ende daer af ghedroncken, den menschen vrolijck ende blijde maecken, ende alle droefheyt, swaer moedicheyt, ende melancholie verdrijven

Bernagie met huenich water ghesoden, es seer goet voor die rouwicheyt van der keelen.

Vander Bernagien schrijft Dioscorides datmen seyt, dat die drije steelkens oft tacxkens draecht met wortel ende saet in wijn ghesoden ende ghedroncken goet es teghen die derde cortsen, ende die vier tacxkens heeft teghen die vierde cortse in der selver manieren ghebruyckt.

Van Bernagie, kap. VI

 

Vorm.

Buglosum verum of bernagie.

(Borago officinalis)

 

Bernagie heeft ruwe, stekende en brede, zwartgroene bladeren die zich naar de aarde toe buigen. Ze zijn gevormd als een koetong. Hun stelen zijn ruw en worden vijf en veertig cm hoog en verdelen zich in de top in veel takjes. Die takjes dragen mooie, liefelijke en sterachtige bloemen die geheel hemelsblauw van kleur zijn, sommige zijn ook sneeuwwit. Als die afvallen dan groeien er zwarte korrels soms met twee of drie naast elkaar net als bij de buglosse, maar kleiner en zwarter.

 

 

 

Plaats.

Bernagie groeit overal in de hoven en wordt ook in zandachtige, vlakke velden gevonden.

 

Tijd.

Bernagie begint in juni te bloeien en bloeit de hele zomer door.

 

Naam.

Dit kruid wordt door de ouders in het Grieks Buglosson genoemd en in Latijn Lingua bubula, Libanium of Lingua bovis, dat is in onze taal ossentong of koetong. En door Plinius Euphrosynon omdat het vrolijk maakt. In de apotheken heet het Borago en daarnaar in onze taal bernagie of boragie, in Hoogduits Burzetsch en in Frans bourzouche of bourzache.

 

 

Natuur.

Bernagie is warm en vochtig van natuur.

 

Kracht en Werking.

Van dit kruid en van zijn bloemen schrijft men dat als je ze in wijn legt en daarvan drinkt dat het de mensen vrolijk en blij maakt en alle droefheid, zwaarmoedigheid en melancholie verdrijft. Bernagie die met honingwater gekookt is is zeer goed voor de ruwheid van de keel.

Van bernagie schrijft Dioscorides dat men zegt dat diegene die drie steeltjes of takjes draagt, de wortel en zaad in wijn kookt en drinkt dat dit goed is tegen de malaria en diegene die vier takjes heeft tegen de vierde daagse koorts als het op dezelfde manier gebruikt wordt.

 

 .

 

 

 

Van Anthyllis. Cap. VII.

                                    

Tfatsoen.

Anthyllis prior. (XVII)

 

Nnthyllis es van stelen ende bladeren den Linsen niet seer onghelijck, maer es witter, saechter en minder, zijnen steel wast ontrent eenen voet hooghe, die wit en saecht es, ende daer aen wassen wtghespreyde witte saechte bladerkens, ghelijck den bladerkens van Linsen oft van Crock, maer minder en dicker. Die bloemen wassen veel by een ghedronghen boven aen den steel, ende zijn van coluere geel oft bleeck, ende als die vergaen, zoo volghen daer langhe hauwkens naer, ende daer in leet dat saet. Die wortel es dun en houtachtich.

 

Plaetse.

Dit cruyt wast in soute sandtachighe gronden, op die hoochden by der zee, ghelijck in Zeelant op die duynen daert veele ghevonden wordt.

Tijt.

Het bloeyt in Braeckmaent, ende in Hoymaent wordt zijn saet rijp.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Griecx van Dioscorides Anthyllis gheheeten, ende es dat ierste van den tween daer hy af gheschreven heeft, ende daer om hebben wy tselve Anthyllis prior ghenaempt, tot ondersceet van dat ander cleyn Anthyllis dat wy noch niet ghesien en hebben. Plinius nuempt dit cruyt in Latijn Anthyllon, Anthyllion en Anthycellon. In der Apoteken eest onbekent. Sommighe cruyt liefhebber heetent Glaudiola, welcken naem van den naem Glaux ghecomen es, daer zy dit cruyt voor houden, hoe wel nochtans dattet dat oprecht Glaux niet en is, als in den volghende capittelen blijcken sal, daer wy dat rechtvaerdich Glaux beschrijven en bewijsen sullen.

 

Nature.

Anthyllis es drooch van natueren, en heylsaem.

 

Cracht en Wercinghe.

A .Dit cruyt, een loot swaer ghedroncken es seer goet voor die couwpisse ende voor die droppelpisse, ende teghen pijne en weedom der lendenen.

B. Met melck ende olie van roosen ghemenghelt en op den buyck gheleyt, eest goet voor die moeder als zy met couwe vochticheyt verladen es.

C. Anthyllis es oock goet voor die wonden daer op gheleyt oft in die salven oft olie ghemenghelt.

Van Anthyllis, kap. VII

 

Vorm.

Anthyllis prior.

(Anthyllis vulneraria)

 

Anthyllis lijkt met zijn stelen en bladeren op de linzen, maar is witter, zachter en kleiner. Zijn steel groeit ongeveer een dertig cm hoog en is wit en zacht. Daaraan groeien uitgespreide, witte en zachte bladertjes die op de bladertjes van linzen of van krok lijken, maar kleiner en dikker zijn. De bloemen groeien veel bijeen gedrongen bovenaan de steel en zijn van kleur geel of bleek. Als die vergaan dan volgen daarna lange hauwtjes en daarin ligt het zaad. De wortel is dun en houtachtig.

 

Plaats.

Dit kruid groeit in zoute, zandachtige gronden op de hoogten bij de zee zoals in Zeeland op de duinen waar het veel gevonden wordt.

 

Tijd.

Het bloeit in juni en in augustus wordt zijn zaad rijp.

 

Naam.

Dit kruid wordt in het Grieks door Dioscorides Anthyllis genoemd. Het is de eerste van de twee soorten waarvan hij geschreven heeft en daarom hebben wij deze Anthyllis prior genoemd ter onderscheid van de andere kleine Anthyllis die wij noch niet gezien hebben. Plinius noemt dit kruid in Latijn Anthyllon, Anthyllion en Anthycellon. In de apotheken is het onbekend. Sommige kruidliefhebber noemen het Glaudiola, een naam die van de naam Glaux komt waar zij dit kruid voor houden hoewel het de echte Glaux niet is zoals in de volgende kapittelen blijken zal waar wij de echte Glaux beschrijven en bewijzen zullen.

 

Natuur.

Anthyllis is droog van natuur en heilzaam.

 

Kracht en Werking.

Als van dit kruid een lood zwaar gedronken wordt is het zeer goed tegen koude plas, droppelplas en tegen pijn en smart van de lendenen.

Als het met melk en olie van rozen gemengd en op de buik gelegd wordt is het goed voor de baarmoeder als die met koude vochtigheid verladen is.

Anthyllis is ook goed voor de wonden als het daarop gelegd of in de zalven of olie gemengd wordt.

 

 .

 

 

 

Van Clissen. Cap. VIII.

 

Tgheslacht.

Lissen zijn tweederleye, hier te lande seer ghemeyn. Die eene zijn die groote Clissen, ende die andere die cleyne Clissen, daer af Dioscorides in diversche plaetsen gheschreven heeft, die wy onder een capittel ghestelt hebben om die ghelijckenisse zoo van den Naem als van fatsoene. (XVIII)

 

Tfatsoen.

Arcium sive Persona.    Xanthium.

Groote Clissen.             Cleyn Clissen.

1 Die groote Clissen hebben seer breede ende langhe bladeren, grooter dan der Cauwoorden bladeren, van coluere swart gruene, en op dander zijder ter eerden waerts aschveruwich. Die steel es ront, hol, wit ghemenght met purpur root, ende heeft veel aenwassende sijde scuetkens en tacxkens, met cleynen bladerkens beset, daer aen wassen ronde bollekens vol van cromme haecxkens daer mede dat zy aen die cleederen blijven hanghen, die als zy open gaen en bloeyen, voortbrenghen schoon purpurroode hayrachtighe bloemen. Die wortel es slecht en lanck, buyten swart en binnen wit, ende heeft eenen bitteren smaeck.

2 Die cleyne Clissen draghen aschveruwighe bladeren, den bladeren van Melde ghelijck, rontsomme wat ghekertelt. Hueren steel wast onderhalven voet hooghe, ende es met veel swerte ticxkens besprayet, en verdeylt hem in veel andere steelkens. Tusschen den bladeren ende den steelkens wassen iii oft iiii cliskens by een die van fatsoene lanckachtich zijn, ghelijck een cleyn Olive oft Carnoillie, rontsomme met scerpe dornekens beset daer mede dat zy aen die cleederen blijven hanghende. In tmiddel der Clissen coempt een cleyn croonken voort, luttel hoogher wassende dan die Clissen, ende daer op wassen seer cleyn bloemkens, die als zy open ghegaen zijn verdwijnen en met den croonken afvallen, ende dan wassen die cleyne cliskens voort, ende bringhen lanckachtich saet, maer (XIX) selve en gaen zy niet open noch en bloeyen niet, anders dan zoo voorschreven es. Die wortel es root en vol veeselinghen.

 

Plaetse.

Die Clissen wassen gheerne by den weghen, aen den canten van den velden, in ongheboude plaetsen, en in verdroochde grachten.

 

Tijt.

In Hoymaent ende in Oogstmaent, zoo coemen beyde die gheslachten van Clissen voort.

 

Naem.

Die groote Clissen heeten in Griecx Arcteion, Arcton, en Prosopion. In Latijn Personatia, Personata en Arctium, by Apuleium oock Dardana. In Apoteken Bardana maior en Lappa maior. In Hoochduytsch grosz Kletten, In Franchois Glouteron ou Gleteron

Die cleyne Clissen worden gheheeten in Griecx Xanthion en Phasganon, in Latijn Xanthium, in der Apotheken Lappa minor en Lappa inversa, in Hoochduytsch Betlertsz, Leusz, en spitz Kletten, dat es bedelaers luysen en cleyne Clissen.

 

Natuere.

Groote Clissen zijn verdrooghende ende verteerende. Die cleyne zijn van ghelijcker natueren, ende daer en boven noch werm.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Tsap van den grooten Clissen met huenich ghedroncken, doet water maken, en die urina lossen, ende es seer goet teghen die pijne en weedom der blasen.

B. Met ouden wijn ghedroncken eest goet teghen alle beten en steken van alle fenijnighe ghedierten.

C. Die bladeren ghestoten met sout, zijn seer goet op den beet oft steeck van slanghen, verwoede honden, ende andere fenijnnighe ghedierten.

D. Tpoeder van den sade xl daghen met seer goeden wijn ghedroncken, es seer profijtelijck den ghenen die dat Sciatica hebben.

E. Die wortel een Drachma (dat es een vierendeel loots) swaer met keernen van Pijnappel nootkens, ghestooten ende ghedroncken, es een costelijcke medecijn voor den ghenen die etter en bloet spouwen.

F. Zy es oock goet ghestooten ende opgheleyt den ghenen die groote pijne in haer leden hebben, duer dat die beenen en leden ghebroken ende ghequetst zijn gheweest.

G. Die groene bladeren ghestooten ende met wit van den eye ghemenght, heylen verbrantheyt, ende zijn goet op alle oude ulceratien gheleyt.

H. Tsap van den cleynen ghedroncken, wordt oock ghepresen, voor den ghenen die van eenighe fenijnnighe ghedierte ghebeten zijn, ende dijsghelijck oock voor den ghenen die met den steen oft graveel ghequelt zijn, alsmen het tselve sap met witten wijn in neempt.

I. Die cleyne Clissen ghestooten, zijn goet teghen alle coude ghezwellen daer op gheleyt, want zy verteeren ende doen alle coude vochticheden sceyden en verdwijnen.

Van Klissen, kap. VIII

 

Het Geslacht

Van klissen zijn er twee soorten die hier te lande zeer algemeen zijn. De ene is de grote klis en de andere de kleine klis waarvan Dioscorides op diverse plaatsen van geschreven heeft die wij onder een kapittel gezet hebben vanwege de gelijkenis, zo van naam als van vorm.

 

 

Vorm.

Arcium sive Persona of grote klissen.  Xanthium of kleine klissen.

(Arctium lappa en Xanthium strumarium)

1 De grote klissen hebben zeer brede en lange bladeren die groter zijn dan kouwoerdebladeren. Van kleur zijn ze zwartgroen en aan de andere kant naar de aarde toe askleurig. De steel is rond, hol en wit en met purperrood gekleurd. Het heeft veel aangroeiende zijscheuten en takjes die met kleine bladertjes bezet zijn. Daaraan groeien ronde bolletjes die vol zitten met kromme haakjes waarmee ze aan de kleren blijven hangen. Als ze open gaan bloeien ze en geven mooie purperrode, haarachtige bloemen. De wortel is slecht en lang, van buiten zwart en van binnen wit met een bittere smaak.

2 De kleine klissen dragen askleurige bladeren die op de bladeren van melde lijken, rond en soms wat gekarteld zijn. Haar steel groeit vijf en veertig cm hoog en is met veel zwarte takjes bezet en verdeelt zich in veel andere steeltjes. Tussen de bladeren en de steeltjes groeien drie of vier klistertjes bijeen die van vorm wat lang zijn, als een kleine olijf of cornoelje, en rondom met scherpe doorntjes bezet zijn waarmee ze aan de kleren blijven hangen. In het midden van de klissen komt een klein kroontje voort die wat hoger groeit dan de klissen. Daarop groeien zeer kleine bloempjes die als ze open gaan verdwijnen en vallen met het kroontje af. Dan groeien er kleine klistertjes en die brengen langachtig zaad, maar zelf gaan ze niet open of bloeien, anders dan zo is voorgeschreven. De wortel is rood en vol worteltjes.

 

 

Plaats.

De klissen groeien graag bij de wegen, aan de kanten van de velden, ongebouwde plaatsen en in verdroogde grachten.

 

 

Tijd.

In augustus en in september komen beide geslachten van klissen te voorschijn.

 

 

Naam.

De grote klissen noemt men in Grieks Arcteion, Arcton en Prosopion. In Latijn Personatia, Personata en Arctium, bij Apuleius ook Dardana. In apotheken Bardana maior en Lappa maior. In Hoogduits grosz Kletten. In Frans glouteron of gleteron.

De kleine klissen worden in Grieks Xanthion en Phasganon genoemd, in Latijn Xanthium en in de apotheken Lappa minor en Lappa inversa, in Hoogduits Betlertsz, Leusz en spitz Kletten, dat is bedelaars luizen en kleine klissen.

 

Natuur.

Grote klissen zijn verdrogend en verterend. De kleine zijn van gelijke natuur en daarboven noch warm.

 

Kracht en Werking.

Het sap van de grote klissen dat met honing gedronken wordt maakt water en loost de urine en is zeer goed tegen de pijn en smart van de blaas.

Met oude wijn gedronken is het goed tegen alle beten en steken van alle venijnige gedierte.

De bladeren die met zout zijn gestampt zijn zeer goed om op de beet of steek van slangen, dolle honden en ander venijnig gedierte te leggen.

Het poeder van het zaad dat je veertig dagen lang met zeer goede wijn drinkt is zeer goed voor diegene die jicht hebben.

Als van de wortel een drachme (dat is een vierendeel lood) zwaar met kernen van pijnappel nootjes gestampt en gedronken wordt is een zeer goede medicijn voor diegene die etter en bloed spuwen. Het is ook goed om het te stampen en bij diegene die grote pijn in hun leden hebben op te leggen doordat de benen en leden gebroken en gekwetst zijn geweest.

De gestampte, groene bladeren die met het wit van een ei gemengd zijn helen verbranding. Het is ook goed om dit op alle oude blaren te leggen.

Het sap dat van de kleine gedronken wordt wordt ook geprezen voor diegene die door enig venijnig gedierte gebeten zijn en zo ook voor diegene die met de steen of het niersteen gekweld zijn als je het hetzelfde sap met witte wijn inneemt.

De gestampte kleine klissen zijn goed tegen alle koude gezwellen als je het daar op legt want ze verteren en laten alle koude vochtigheden scheiden en verdwijnen.

 

 .

 

  

 

 

 

 

Van Arthemisia. Cap. IX.

 

Tgheslacht

ie cruyden in Latijn onder eenen naem Arthemisia begrepen, zijn vierderleye van gheslachte, in onser talen versceyden namen hebben, waer af die twee ierste zijn Sint Jacobs bloemen gheheeten. Dat derde Reijnvaer, en Tvierde Byvoet, ghelijck wy dat in onse Latijnsche annotatien breeder verclaert en bewesen hebben.

 

Tfatsoen.

Arthemisa.       Arthemisia Marina.

Sint Jacobs cruyt, Wit Sint Jacobs cruyt.

1 Dat ierste gheslachte van desen cruyden datmen Sint Jacobs bloemen nuempt heeft langhe bruynroode ghestreepte stelen, twee oft drije voeten hooch, daer aen wassen groote bruyn ghecloven en diep ghesneden bladeren den onderste bladeren van Alsene van fatsoene niet seer onghelijck, maer langher, breeder, ende dicker, en van colueren niet wit.

Sijn bloemen zijn geel en wassen boven op die stelen, den bloemen van Camille van fatsoene ghelijck, ende als die vergaen, zoo volght in tmidden der bloemen een grauw wollachtich saet dat met den winde wech vliecht. Die wortel es wit en heeft veel veeselinghen.

2 Dat tweede gheslacht dat wy wit St. Jacobs cruyt oft bloemen ghenaempt hebben, es den voorschreven van fatsoene seer ghelijck, maer zijn stelen zijn niet root. Sijn bladeren zijn dieper en meer ghesneden, wit en wollachtich. Sijn bloemen zijn de voorschreven bloemen ghelijck, maer witter. Die wortel es lanck, vol veeselinghen, cruypende, en al om veele niuwe scuetkens wtworpende.

(XXI)

Arthemisia Monoclonos.  Arthemisia Leptophillos.

Reijn vaer.            Byvoet.

3 Eijn vaer heeft bruyne stelen iii oft iiii voeten hooch die int opperste huer in veele cleyne steelkens verdeylen, daer op wassen ronde geele knoppachtighe bloemen die niet anders en zijn dan veele tsamen vergaerde saden, die als zy rijp worden den Camille saden ghelijcken, hoe wel zy meerder en stercker van ruecke zijn. Sijn bladeren zijn lanck van veele teghen een staende en als vlueghelen wt ghespreyde bladerkens tsamen vergaert, die wortel es dunne en hier en daer vlidderende.

4 Die Byvoet heeft breede seer ghesneden bladeren, den bladeren van Alsene schier ghelijck, maer mindere, sonderlinghe die aen die stelen voortcomen, ende die boven van coluere bruijn gruyne, ende aen die onderste zijde aschveruwich wit zijn. Sijn stelen zijn lanck en recht met veele aenwassende andere cleyn steelkens. Sijn bloemen zijn cleyn teere ronde knoppekens, lancx die stelen ghelijck aen die Alsene wassende, die van ruecke als zy beghinnen rijp te wordene der Marioleyne wat ghelijck zijn. Die wortelen zij houtachtich met veel aenhanghende faselinghen. Van desen cruyde es tweederleye gheslacht, die alleen van coluere verscheyden zijn. Dat eene heeft bruijn roode stelen en bloemen, en wordt rooden Bijvoet gheheeten. Dat andere heeft wit gruene stelen, en es witten Byvoet ghenaempt, anders in alle manieren malcanderen ghelijck.

(XXII)

Plaetse.

1,3,4 Sint Jacobs cruyt, Rijn vaer, en Byvoet, wassen al om by den weghen, in waterachtighe ende in ongheboude plaetsen, en worden oock ontrent den Zee canten ghevonden.

2 Maer dat wit S. Jacobs cruyt en wast nergherincx dan alleen aen den dijcken ende dier ghelijcken plaetsen by der Zee gheleghen, ende wordt tot veel plaetsen in Zeelant ghevonden.

 

Tijt.

Dese vier gheslachten van Arthemisia bloeyen al tsamen in Hoymaent ende in Ooghstmaent.

 

Naem.

Die twee ierste gheslachten van desen cruyden, worden in Griecx ende in Latijn Arthemisia ghenaempt, ende van sommighen by toe naeme gheheeten Polijclonos oft Ramosa, in der Apoteken zijn zy beyde onbekent.

1 Dat ierste wordt van sommighen cruyt liefhebbers in Latijn Herba S.Jacobi, Iacobea en S. Iacobi flos gheheeten, dat es in Duytsch S. Jacobs cruyt, oft Sint Jacobs bloem, in Franchois Lherbe de S. Jacques.

2 Dat tweede gheslacht hebben wy in Latijn Arthemisia Marina, ende in Duytsch wit S. Jacobs cruyt gheheeten.

3 Dat derde gheslacht van Arthemisia, wordt in Griecx gheheeten Arthemisia monoclonos, in Latijn Arthemisia unicalis van Apuleio Arthemisia Traganthes oft Taganthes. In der Apoteken Tanaceium en Athanasia. In Duytsch Reijn vaer ende wormcruyt. In Franchois Athanasie.

4 Dat vierde gheslacht wordt in Griecx gheheeten Arthemisia Leptophillos, in Latijn Arthemisia tenuifolia. Inder Apoteken Arthemisia, ende van sommighen Mater herbarum. In Hoochduytsch Beyfusz, Bucken, S. Johans gurtel, grosser Reynfaen. In Franchois Armoise ou Lherbe de Sainct Jehan. In onser Nederduytsche tale Byvoet, ende van sommighen Sint Jans cruyt.

 

Oirsaecke zijns naems.

Deze cruyden (zoo Plinius schrijft) hebben hueren naem naer Arthemisia Coninghinne van Halicarnasso huysvrouwe van Mausolus Conink van Carien, die dese cruyden vercosen heeft, ende met hueren naem Arthemisia ghenaempt, die te voren Parthenis dat es Virginalis en Maeghden cruyt ghenaempt waren: Som andere segghen dat Arthemisia ghenaempt es naer die Goddinne Diana die Arthemis oock gheheeten wordt, ende dat om dat dit cruyt seer sonderlinghe voor der vrouwen ghebreken es, daer die Heydenisse Dianam overste ende Goddinne af ghemaeckt heeft.

 

Natuere.

Arthemisia ende sonderlinghe die twee ierste gheslachten, es werm in den tweeden graet, ende drooch tot volnaer in den selven graet.

 

Cracht en Werckinghe.

1,2 A. Arthemisia in water ghesoden es seer goet den vrouwen, om daer over oft in te sittene in een bat oft sweetcuype, want in dier manieren ghebruyckt, zoo doetet den vrouwen huer natuerlijcke cranckheyt weder comen, ende drijft af die secundine ende die doode vruchten. Dijsghelijck werck doet oock dat sap met Myrrha ghemenghelt ende in die moeder ghedaen. In summa Arthemisia opent die moeder die ghesloten es, zy es goet ende behulpich om den steen te brekene ende te doen rijsene, ende zy doet die urine haeren loop werder hebben.

B. Die Arthemisia over hem draecht (als Plinius schrijft) dijen en can gheen fenijnich ghedierte oft anders yet letten oft scaden, en over wech reijsende en can niet moede gheworden.

3 C. Tsaet van Reijn vaer es een sonderlinghe ende experte medecijne teghen die wormen, want in wat manieren dattet inghenomen wordt, zoo doodet ende drijft die wormen af.

(XXIII) D. Reijn vaer oock ghestooten ende met olie wel ghemenght, es seer goet teghen die pijne ende ghezwil der zenuwen.

E. Tsap van Reijn vaer met olie van roosen ghemenghelt ende daer mede het lichaem voor daen comen vander cortsen bestreken, doet die cortsen achterblijven.

F. Tselve sap met wijn ghedroncken, es goet teghen die pijne en weedom der blasen, en teghen die droppelpisse.

G. Die wortel van Reijn vaer met huenich inghenomen, es goet den ghenen die t fledercijn in die voeten hebben.

H. Byvoet met olie van suete Amandelen ghestooten ende ghelijck een plaester op die maghe gheleyt, gheneest ende verdrijft die pijne en weedom der selver.

I. Dijsghelijck gheneest zy oock die bevinghe, pijne, en treckinghe der zenuwen, alsmen huer sap met olie van roosen menghelt, ende die leden daer mede bestrijckt.

K. Byvoet es oock van dijer cracht dat zy dat bier daer zy in ghehanghen oft gheworpen wordt bewaert dattet niet lichtelijcken suer en wordt.

Van Artemisia, kap. IX

 

Het geslacht

Van de kruiden die in het Latijn onder de naam Artemisia begrepen worden zijn er vier soorten van een geslacht. Die hebben in onze taal verschillende namen waarvan de twee eerste Sint Jacobs bloemen genoemd worden. De derde reinvaar en de vierde bijvoet zoals wij dat in onze Latijnse annotatie breder verklaard en bewezen hebben.

 

 

 

Vorm.

Artemisia of Sint Jacobs kruid.         Artemisia Marina of wit Sint Jacobs kruid.

(Senecio jacobaea of Jacobaea, Senecio cineraria? Of Diotis maritima die ook wel Diotis candidissima genoemd wordt?)

1 Het eerste geslacht van deze kruiden dat men Sint Jacobs bloemen noemt heeft lange, bruinrode en gestreepte stelen die zestig of negentig cm hoog worden. Daaraan groeien grote, bruine, gekloven en diep ingesneden bladeren. De onderste bladeren zijn die van de alsem van vorm vrij gelijk, maar langer, breder en dikker en niet wit van kleur. Zijn bloemen zijn geel en groeien boven op de stelen en zijn de bloemen van kamille van vorm gelijk. Als die vergaan dan volgt in het midden van de bloemen een grauw, wolachtig zaad dat met de wind weg vliegt. De wortel is wit en heeft veel worteltjes.

2 Het tweede geslacht dat wij wit St. Jacobs kruid of bloemen genoemd hebben is de voorgeschreven van vorm zeer gelijk, maar zijn stelen zijn niet rood. Zijn bladeren zijn dieper en meer ingesneden, wit en wolachtig. Zijn bloemen zijn de voorgeschreven bloemen gelijk, maar witter. De wortel is lang en vol worteltjes bezet, het kruipt en overal komen er nieuwe scheuten uit.

 

Artemisia Monoclonos of reinvaar.

Artemisia Leptophillos of bijvoet.

(Tanacetum vulgare en Artemisia vulgaris)

3 Reinvaar heeft bruine stelen die negentig of honderd twintig cm hoog worden die zich in de top in vele kleine steeltjes verdelen. Hierop groeien ronde, gele en knopachtige bloemen die niet anders zijn dan vele tezamen gezette zaden en die als ze rijp worden op kamille zaden lijken, hoewel ze groter en sterker van reuk zijn. Zijn bladeren zijn lang en staan met vele tegenover elkaar als vleugels van uitgespreide blaadjes tezamen gesteld. De wortel is dun en kruipt hier en daar.

4 Bijvoet heeft brede en zeer ingesneden bladeren die vrijwel gelijk zijn met de bladeren van alsem, maar kleiner, vooral die aan de stelen groeien. Ze zijn van boven van kleur bruingroen en aan de onderkant askleurig wit. Zijn stelen zijn lang en recht en met vele aangroeiende andere kleine steeltjes bezet. Zijn bloemen zijn kleine, tere, ronde knopjes die net als de alsem langs de stelen groeien en van reuk als ze rijp beginnen te worden wat op de marjolein lijkt. De wortels zijn houtachtig en met veel aanhangende worteltjes bezet. Van deze kruiden zijn er twee soorten van een geslacht die alleen van kleur verschillend zijn. De ene heeft bruinrode stelen en bloemen en wordt rode bijvoet genoemd. De andere heeft witgroene stelen en wordt witte bijvoet genoemd, anders zijn ze in alles gelijk.

 

 

Plaats.

1, 3, 4 Sint Jacobs kruid, reinvaar en bijvoet groeien overal bij de wegen, in waterachtige en in ongebouwde plaatsen en worden ook bij de zeekanten gevonden.

2 Maar het witte St. Jacobs kruid groeit alleen aan de dijken en dergelijke plaatsen die bij de zee liggen en wordt op veel plaatsen in Zeeland gevonden.

 

Tijd.

Deze vier geslachten van Artemisia bloeien allen in augustus en in september.

 

Naam.

De twee eerste geslachten van deze kruiden worden in Grieks en in Latijn Artemisia genoemd en door sommige met toenaam Polijclonos of Ramosa, in de apotheken zijn ze beiden onbekend.

1 De eerste wordt door sommige kruidliefhebbers in Latijn Herba S. Jacobi, Iacobea en S. Iacobi flos genoemd, dat is in Dietsche St. Jacobs kruid of Sint Jacobs bloem, in Frans lherbe de S. Jacques.

2 Het tweede geslacht hebben wij in Latijn Artemisia Marina en in Dietsche wit S. Jacobs kruid genoemd.

3 Het derde geslacht van Artemisia wordt in Grieks Artemisia monoclonos genoemd en in Latijn Artemisia unicalis, door Apuleius Artemisia Traganthes of Taganthes. In de apotheken Tanaceium en Athanasia. In Dietsche reinvaar en wormkruid. In Frans athanasie.

4 Het vierde geslacht wordt in Grieks Artemisia Leptophillos genoemd, in Latijn Artemisia tenuifolia. In de apotheken Artemisia en door sommige Mater herbarum. In Hoogduits Beyfusz, Bucken, S. Johans gurtel en grosser Reynfaan. In Frans armoise of lherbe de Saint Jehan. In onze Nederduitse taal bijvoet en door sommige Sint Janskruid.

 

Oorzaak van zijn naam.

Deze kruiden (zo Plinius schrijft) hebben hun naam naar Artemisia, koningin van Halicarnasso, vrouw van Mausolus, koning van Carië die deze kruiden gekozen heeft en met haar naam Artemisia genoemd. Daarvoor heette het Parthenis, dat is Virginalis en maagden kruid. Sommige anderen zeggen dat het Artemisia genoemd is naar de Godin Diana die ook Arthemis genoemd wordt en dat omdat dit kruid zeer bijzonder is voor de vrouwengebreken waar de heidenen Diana overste en Godin van gemaakt hebben.

 

 

Natuur.

Artemisia en vooral de twee eerste geslachten zijn warm in de tweede graad en droog tot vol in dezelfde graad.

 

Kracht en Werking.

1, 2 Artemisia die in water gekookt is is zeer goed voor de vrouwen om daar op of in te zitten in een bad of zweetkuip want als het op die manier gebruikt wordt dan laat het bij de vrouwen hun menstruatie komen en drijft de moederkoek en de dode vrucht af.

Hetzelfde werk doet ook het sap dat met mirre gemengd en in de baarmoeder gezet is. In summa: Artemisia opent de baarmoeder die gesloten is en is goed en behulpzaam om de steen te breken en te laten rijzen en laat de urine haar loop weer hebben.

Die artemisia bij zich draagt (zoals Plinius schrijft) kan niet door venijnig gedierte of iets anders belet of beschadigd worden en als hij over een weg gaat kan hij niet moe worden.

3 Het zaad van reinvaar is vooral een buitengewone medicijn tegen de wormen want in wat voor manieren het ingenomen wordt, het doodt en drijft de wormen af.

Reinvaar is ook als het gestampt en goed met olie gemengd is zeer goed tegen de pijn en het gezwel van de zenuwen.

Als met het sap van reinvaar dat met olie van rozen gemengd is daarmee het lichaam bestrijkt voor het aankomen van de koorts laat het de koorts weg blijven.

Hetzelfde sap dat met wijn gedronken wordt is goed tegen de pijn en smart van de blaas en tegen de droppelplas.

De wortel van reinvaar die met honing ingenomen is is goed voor diegene die de jicht in de voeten hebben.

Bijvoet dat met olie van zoete amandelen gestampt is en als een pleister op de maag gelegd wordt geneest en verdrijft de pijn en de smart hiervan.

Zo geneest het ook de bevingen, pijn en trekkingen van de zenuwen als je het sap met olie van rozen mengt en de leden daarmee bestrijkt.

Bijvoet is ook van die kracht dat het bier waar het in gehangen of geworpen wordt behoedt zodat het niet gemakkelijk zuur wordt.

 

 .

 

 

 

Van Mater. Cap. x.

 

Tfatsoen.

Parthenium Mater. (XXIIIII)

Ater heeft veele teere seer ghesneden aschveruwighe bladeren, den iersten ende onderste bladeren van Coriander van fatsoene ende coluere ghelijck. Sijn stelen wassen twee oft drije voeten hooch, ende daer op wassen veel bloemkens in middel geel en rontsomme wit, een Camille bloeme ghelijckende, seer sterck van ruecke en bitter van smaecke, die als zy vergaen, worden vol saets ghelijck die Camille bloemen. Sijn wortel es houtachtich met veel aenhanghende faselinghen.

 

Plaetse.

Mater wast gheerne in drooghe plaaetsen by

oude mueren, en dijer ghelijcken rouwe plaetsen.

 

Tijt.

Mater bloeyt in Hoymaent en Ooghstmaent, ende schier alle den zoomer duer.

 

Naem.

Mater heet in Griecx Parthenion ende Amaracos van Galenus en Paulus. In Latijn Parthemum en Amaracus. In der Apoteken en in Serapione Cap. 253 Matricaria. In Hoochduytsch Mutterkraut en Merdtblumen. In onser talen Mater en Moder cruyt. In Franchois Matricane et Marone.

 

Natuere.

Dit cruyt es werm in den derden graet, ende tot in den tweeden drooghe.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Mater ghedroocht ende ghepoedert ende daer af een half loot swaer met huenich oft andersins inghenoemen, iaecht af duer den camerganck die swerte galle ende die fluymen ende daer om eest seer goet den ghenen die draeyinghe oft swijmeringhen in huer hooft hebben, die cort van adem zijn, ende die melancholieus en sonder redene truerich en swaermoedich zijn.

B. Dit cruyt sonder die bloemen in water ghesoden ende ghedroncken, es goet den ghenen die den steen hebben. Mater es oock seer goet teghen die opstijginghe vander moederen met wijn oft edick gheroost en op die navel herte oft zijde gheleyt.

C. Item in water ghesoden es goet om daer inne te baden ende te sitten den vrouwen die huer moeder verherdt, verladen, oft gheswollen es.

E. Mater oock met den bloemen gruen ghestooten, es goet teghen dwilt vier, ende andere hittich gheswel, daer op gheleyt.

Van Mater, kap. x

 

Vorm.

Parthenium of mater.

(Tanacetum parthenium)

Mater heeft vele tere, gesneden en askleurige bladeren die op de eerste en onderste bladeren van koriander qua vorm en kleur lijken. Zijn stelen groeien zestig of negentig cm hoog. Daarop groeien veel bloempjes die in het midden geel en rondom wit zijn en op een kamillebloem lijken. Ze zijn zeer sterk van reuk en bitter van smaak en als ze vergaan worden ze vol zaad net als de kamille bloemen. Zijn wortel is houtachtig en met veel aanhangende worteltjes bezet.

 

 

Plaats.

Mater groeit graag in droge plaatsen bij oude muren en dergelijke ruwe plaatsen.

 

Tijd.

Mater bloeit in augustus en september en vrijwel de hele zomer door.

 

Naam.

Mater heet in Grieks Parthenion, het is de Amaracos van Galenus en Paulus. In Latijn Partheum en Amaracus. In de apotheken en bij Serapion in kapittel 253 Matricaria. In Hoogduits Mutterkraut en Merdtblumen. In onze taal mater en moederkruid. In Frans matricane en marone.

 

Natuur.

Dit kruid is warm in de derde graad en tot in de tweede droog.

 

Kracht en Werking.

Mater die gedroogd en verpoederd is waarvan een half lood zwaar met honing of anderszins ingenomen wordt jaagt door de kamergang de zwarte gal en de fluimen af en is daarom zeer goed voor diegene die draaiingen of duizelingen in hun hoofd hebben, die kort van adem zijn en die melancholisch en zonder reden treurig en zwaarmoedig zijn.

Dit kruid zonder de bloemen wordt in water gekookt en gedronken wat goed is voor diegene die stenen hebben.

Mater is ook zeer goed tegen de opstijging van de baarmoeder als het met wijn of azijn geroosterd en op de navel, hart of zijde gelegd wordt.

Item, als het in water gekookt wordt is het goed voor de vrouwen waarvan de baarmoeder verhard, verladen of gezwollen is om daarin te baden of te zitten.

Mater die met de bloemen groen gestampt wordt is goed tegen het wild vuur en andere hete gezwellen als je het daar op legt.

 

 .

 

 

 

 

Van Hoefbladeren. Cap. XI.

 

Tfatsoen.

(XXV) echion Tussilago.

Hoefbladeren.            

BEchion heeft groote breede bladeren met veel hoexkens en aderkens, eenen Peertvoet ghelijckende, ses oft seven van eender wortel voortcomende, die onder ter aerden waert witachtich ende aschveruwich zijn, en op dander zijde groen. Den steel es wit en hayrachtich een spanne lanck, en daer op wassen schoone geele ghevulde bloemen die seer volken vergaen, ende in grauwe wollachtighe bollekens veranderen, die ghelijck aen Papen cruyt met den winde wech vlieghen. Die wortel es wit en lanck, herwaerts en derwaerts cruypende.

 

Plaetse.

Hoefbladeren wassen gheerne by dwater en op vochtighe ackers en velden.

 

Tijt.

Int beghinsel van Meerte en Aprill zoo brenghen die hoefbladeren huer wollachtighe stelen voort, ende daer op huer geele bloemen sonder eenighe bladeren, ende corts daer naer zoo comen die bladeren vander wortelen voort, ende dan zoo vergaen die steelen en bloemen, alzoo dat selden bloemen en bladeren by een ghevonden worden.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Griecx gheheeten Bechion, in Latijn Tussilago. In der Apoteken farfara en Ungula caballinia. In Hoochduytsch Roszhub oft Brant Lattich. In Neerderduytsch Hoefbladeren, Peerts clauw, Brant lattouwe, en S. Carijns cruyt. In Franchois Patte a cheval.

 

Natuere.

Hoefbladeren noch gruen ende versche wesende, zijn van natueren vochtich, maer drooghe zoo zijn zy scerp, ende mits dijen verdrooghende.

(XXVI)

Cracht en Werckinghe.

A. Die gruene Hoefbladeren ghestooten, ende met huenich ghemenghelt, ghenesen dat wilt vier en alderhanden heete ghezwillen daer op ghestreken.

B. Die drooghe Hoefbladeren op gloeyende colen gheleyt, ende den roock daer af comende duer eenen treester in den mont ontfanghen es goet teghen den drooghen hoest en die dampicheyt op die borste, ende doet sonder groote aerbeyt oft pijne die Apostematie op die borste wtbreken.

C. Dijerghelijcken cracht heeft oock die wortel als zy onsteken wordt, ende den roock daer af inden mont ontfanghen wordt.

Van Hoefbladeren, kap. XI

 

Vorm.

Bechion, Tussilago of hoefbladeren.

(Tussilago farfara)

Bechion heeft grote en brede bladeren die veel hoekjes en adertjes hebben en op een paardenvoet lijken. Er komen er zes of zeven van een wortel. Ze zijn aan de onderkant witachtig en askleurig en aan de andere kant groen. De steel is wit en haarachtig en een zeventien cm lang. Daarop groeien mooie gele, gevulde bloemen. Die vergaan zeer snel en veranderen in grauwe, wolachtige bolletjes die net als paardenbloem weg vliegen met de wind. De wortel is wit en lang die herwaarts en derwaarts kruipt.

 

 

 

Plaats.

Hoefbladeren groeien graag bij het water en op vochtige akkers en velden.

 

Tijd.

In het begin van maart en april brengen de hoefbladeren hun wolachtige stelen voort en daarop hun gele bloemen zonder enige bladeren. Kort daarna komen de bladeren van de wortels voort en dan vergaan de stelen en bloemen zo dat zelden bloemen en bladeren samen gevonden worden.

 

 

Naam.

Dit kruid wordt in Grieks Bechion genoemd, in Latijn Tusilago. In de apotheken farfara en Ungula caballinia. In Hoogduits Rhoszhub of Brant Lattich. In Laagduits hoefbladeren, paardenklauw, brandsla en St. Catrijns kruid. In Frans patte a cheval.

 

 

Natuur.

Hoefbladeren die nog groen en vers zijn, zijn van naturen vochtig, maar droog dan zijn ze scherp en vandaar verdrogend.

 

 

Kracht en Werking.

De groene hoefbladeren die gestampt en met honing gemengd worden genezen het wild vuur en allerhande hete gezwellen als het daar op gestreken wordt.

Als de droge hoefbladeren op gloeiende kolen gelegd worden en de rook die daarvan komt door een trechter in de mond ontvangen wordt is het goed tegen de droge hoest en de dampigheid op de borst en laat zonder grote arbeid of pijn de blaren op de borst uitbreken.

Dergelijke kracht heeft ook de wortel als het ontstoken en de rook daarvan in de mond ontvangen wordt.

 

 .

 

 

 

 

Van Pestilentie Wortel. Cap. XII.

 

Tfatsoen.

Petasites. Pestilentie wortel.

Estilentie wortel heeft groote ronde bladeren die ierst den hoefbladeren ghelijck zijn ende daer naer zoo groot worden datmen met een blat een cleyn ront tafelken bedecken mach, ende zijn op die een zijde schoon gruen, en op die andere witachtich van coluere. Hueren steel es hol ende ontrent een spanne hooch, aen dopperste vol van veel cleyn lijfveruwighe bloemkens dick by een ghehoopt, die met hueren steel vergaen sonder saet voortebrenghene. Die wortel es dick, binnen wit, en bol, sterck en bitter van smaecke.

 

Plaetse.

Dit cruyt wast gheerne in natte vochte plaetsen, ontrent den Rivieren en water loopen.

 

Tijt.

Die bloemen van Pestilentie wortele verthoonen huer in tbeghinsel vander Meerte ende in Aprill zoo vergaen zy, ende dan zoo comen die bladeren voort die allen den (XXVII) zoomer duer blijven duerende.

 

Naem.

In Griecx ende in Latijn wordt dit cruyt Petasites gheheeten, inder Apoteken eest onbekent, in Hoochduytsche wordet Pestilentz wurtzel ghenaempt, in onser talen Docke bladeren ende Pestilentie wortel.

 

Natuere.

Pestilentie wortel es drooghe tot in den derden graet.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Pestilentie wortel ghedroocht, ghepoedert en met wijn ghedroncken es een seer costelijcke medecijne teghen die pestilentie ende pestilentiale cortsen, want zy doet mensche zweeten, ende daer duer drijft zy alle fenijn en quaet vier vander herten. Sy doodet die wormen, en es een crachtighe medecijne teghen dat opclimmen ende obstijghen van der moedere, inder selver manieren ghebruyckt.

B. Pestilentie wortel heylt ende gheneest oock alle quaden innewaerts etende ulceratien ende sweeringhe, alsmen dat poeder daer inne stroyt.

C. Pestilentie wortel gheneest den worm vanden peerden hoe ende in wat manieren dat zy daer toe gebruyckt wordt, tzy van binnen inghegheven, oft van buyten aenghestreken.

Van Pestilentie Wortel, kap. XII

 

Vorm.

Petasites of pestwortel.

(Petasites hybridus)

Pestilentiewortel heeft grote, ronde bladeren die eerst op de hoefbladeren lijken en daarna zo groot worden dat je met een blad een klein, rond tafeltje bedekken kan. Ze zijn aan de ene kant mooi groen en aan de andere witachtig van kleur. Haar steel is hol en ongeveer een zeventien cm hoog, aan de top vol van veel kleine lijfkleurige bloempjes die dik opeen gehoopt staan en met hun steel vergaan zonder zaad voort te brengen. De wortel is dik en van binnen wit en bol, sterk en bitter van smaak.

 

 

Plaats.

Dit kruid groeit graag in natte vochtige plaatsen bij de rivieren en waterlopen.

 

 

Tijd.

De bloemen van pestilentie wortel vertonen zich in het begin van maart en in april en dan vergaan ze, dan komen de bladeren voort die de hele zomer blijven.

 

 

Naam.

In Grieks en in Latijn wordt dit kruid Petastes genoemd, in de apotheken is het onbekend, in Hoogduits word het Pestilentz wurtzel genoemd, in onze taal dokkebladeren en pestilentiewortel.

 

Natuur.

Pestilentie wortel is droog tot in de derde graad.

 

Kracht en Werking..

Pestilentie wortel die gedroogd, gepoederd en met wijn gedronken wordt is een zeer kostelijke medicijn tegen de pest en pestachtige koortsen want het laat de mensen zweten en daardoor verdrijft het alle venijn en kwaad ver van het hart.

Het doodt de wormen en is een krachtige medicijn tegen het opklimmen en opstijgen van de baarmoeder als het op dezelfde manier gebruikt wordt. Pestilentie wortel heelt en geneest ook alle kwade naar binnen etende blaren en zweren als je het poeder daar in strooit.

Pestilentie wortel geneest de wormen van de paarden, hoe en op welke manier dat het daar toe gebruikt wordt, hetzij van binnen ingegeven of van buiten er op gestreken.

 

 .

 

 

 

 

Van Hertstonghe. Cap. XIII.

 

Tgheslachte

Ertstonghe es tweederleye (als Leonhaert Fuchs en Hieronymus Bock gheleerde dees tijts schrijven) waer af die eene ghenaempt wordt groote Hertstonghe, ende die andere cleyne

 

Tfatsoen.

Bistorta maior.     Bistorta minor.

Groote Hertstonghe. Cleyne hertstonghe.

(XXVIII)

1 Ie groote Hertstonghe heeft lanckachtighe bladeren den bladeren van Patich volnaer ghelijck, maer minder ende niet zoo effen, maer wat ghecronkelt ende tsamen ghebooghen, op die een zijde doncker gruen, en op die ander zijde ter aerden waerts, blauw gruen van colueren wesende. Sijnen steel es lanck, effen, en teer, op tsop draghende een schoone are, vol cleyn lijfveruwighe tsamen ghedronghen bloemkens. Tsaet es kantich ghehoeckt ende bruyn. Die wortel es lanck, groot, crom in een ghewronghen van buyten swert en hayrachtich, van binnen bruyn root, van smake ghelijck een eekele.

2 Dat cleyn, es den voorschreven van bladeren, aren, bloemen, saet, ende stelen, ghelijck maer mindere, ende van bladeren effender. Sijn wortel es oock corter ende meer in een ghewronghen sonder aenhanghende hayrachtighe faselinghen, van buyten bruyn, van binnen doncker root, der grooter van smake ghelijckende.

 

Plaetse.

Hertstonghen wassen geerne in vochtighe waterachtighe plaetsen, in beempden en de seer sonckere bosschen.

 

Tijt.

Beyde die Hertstonghen bloeyen in Meye ende in Braeckmaent.

 

Naem.

Dese cruyden worden van den gheleerden in Latijn gheheeten Bistortae en Serpentariae, in Hoochduytsch Natter wortelen. In Brabant worden zy Hertstonghen ghenaempt. In Franchois Bestorte.

1 Dat ierste gheslacht wordt van sommighen in Latijn Colubrina gheheeten, ende van Leonhaert Fuchs, Natterwurtz weiblin, en van ons groote Hertstonghe.

2 Dat tweede, dat es die cleyne Hersttonghe, die nuempt die selver Fuchs, Natturwrtz mennlijn.

 

Natuere.

Hertstonghen vercoelen en drooghen tot in den derden graet.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die wortel van Hertstonghen in water oft rooden wijn ghesoden ende ghedroncken, stelpt den loop des buycx, ende es mits dijen goet den ghenen die dat root melezoen hebben.

B. Sy stoopt oock die natuerlijcke cranckheyt der vrouwen, als zy te veel oft te overvloedich coempt, ende alderhande bloetganck.

C. Dijsghelijck doet zy oock dat braken ende overgheven op houden in der selver manieren ghebruyckt oft ghepoedert ende met rooden wijn ghedroncken.

D. Dwater daer die bladeren inne ghesoden zijn, es seer goet teghen alle sweringhe, ende vrehittinghen des monts ende der keelen, ende maeckt die tanden vast, dickwils in den mont ghenomen.     

Van Hertstong, kap. XIII

 

 

Het geslacht

Van hertstong zijn er twee soorten (als Leonhard Fuchs en Hiëronymus Bock, geleerden van deze tijd schrijven) waarvan de ene grote hertstong genoemd wordt en de andere kleine.

 

Vorm.

Bistorta maior of grote hertstong.

Bistorta minor of kleine hertstong.

(Persicaria bistorta, Persicaria minor)

1 De grote hertstong heeft langachtige bladeren die op de bladeren van zuring lijken, maar ze zijn kleiner en niet zo vlak, wat gekronkeld en tezamen gebogen. Aan de ene kant zijn de bladeren donkergroen en aan de andere kant, naar de aarde toe, blauwgroen van kleur. Zijn steel is lang, effen en zacht. Op de top draagt het een mooie aar vol van kleine, vleeskleurige, tezamen gedrongen bloempjes. Het zaad is kantig, gehoekt en bruin. De wortel is lang, groot, krom en ineen gewrongen, van buiten zwart en haarachtig, van binnen bruinrood en van smaak als een eikel.

2 De kleine is de voorgeschreven van bladeren, aren, bloemen, zaad en stelen gelijk maar kleiner en van vlakker bladeren. Zijn wortel is ook korter en meer ineen gedrongen en zonder aanhangende haarachtige worteltjes. Van buiten is de wortel bruin, van binnen donkerrood en lijkt op de grote van smaak.

 

 

 

Plaats.

Hertstongen groeien graag in vochtige, waterachtige plaatsen, in beemden en zeer donkere bossen.

 

Tijd.

Beide de hertstongen bloeien in mei en in juni.

 

Naam.

Deze kruiden worden door de geleerden in Latijn Bistortae en Serpentariae genoemd, in Hoogduits Natter wortels. In Brabant worden ze hertstongen genoemd. In Frans bestorte.

1 Het eerste geslacht wordt door sommige in Latijn Colubrina genoemd en door Leonhard Fuchs Natterwurtz weiblin en door ons grote hertstong.

2 De tweede, dat is de kleine hertstong, die noemt diezelfde Fuchs Natturwtz menlijn.

 

 

 

Natuur.

Hertstongen verkoelen en verdrogen tot in de derde graad.

 

Kracht en Werking.

De wortels van hertstongen die in water of rode wijn gekookt en gedronken worden stelpen de loop van de buik. Vanuit hun eigen natuur zijn ze goed voor diegene die de rode loop hebben.

Het stopt ook de menstruatie bij de vrouwen als het teveel of te overvloedig komt en allerhande bloedgang.

Op dezelfde manier laat het ook het braken en overgeven ophouden als het op dezelfde manieren gebruikt wordt of gepoederd en met rode wijn gedronken.

Het water waar de bladeren in gekookt zijn is zeer goed tegen alle zweren en verhitting van de mond en keel en maakt de tanden vast als je het dikwijls in de mond neemt.

 

 .

 

 

 

 

Van Grisecom. Cap. XIIII.

 

Tgheslachte

Risecom es twederleye van gheslachte (als Plinius in zijn historie int xxx. boeck, viii. cap. beschrijft) waer af dit ierste es die ghemeyne Grysecom die van Galenus, Paulus, ende andere Griecxse meesters alleene bekent ende in der medecijn ghebruyckt es gheweest. Dat tweede es een ander cruyt alleen van Plinius beschreven, ende beyde dese cruyden worden hier te lande ghevonden.

(XXIX)

Tfatsoen.

Capnos fumaria. Capnos Plinij.

Grisecom.      Cleyn Eerdtroock.

1 Die ghemeyne Grisecom heeft viercantighe steelkens, met cleyne, teere, weecke, seer ghesneden aschveruwighe bladerkens becleet, den bladeren van Coriander ghelijckende, maer veel mindere. Sijn bloemen zijn cleyn, en staen veel by een ghedronghen, van coluere purpurbruyn, die welcke vergaende, in cleyn knoppekens veranderen, daer in leyt dat saet dat seer cleyn es. Die wortel es slecht, met luttel ende cleyn veeselinghen.

2 Dat cleyn Eerdtroock heeft oock veele teere steelkens, daer aen wassen cleyne ghesneden bladerkens, van coluere, smaecke, ende oock wat van fatsoene den voorgheschreven Grysecom ghelijckende, ende oock somnmighe cleyne teere draykens oft clauwierkens, daer mede dattet hem al omme aen haghen ende andere cruyden vast maeckt. Sijn bloemkes zijn cleyn, en staen veel by een, wit en luttel persch van coluere, naer die welcken voortcomen cleyn hauwkens, daer dat saet in leyt. Die wortel es slecht en vinghers lanck.

 

Plaetse.

1. Grisecom wast gheerne in coren velende onder die gherste, ende in die moes hoven, in wijngaerden, ende dijerghelijcken gheoeffende plaetsen.

2. Dat cleyn Eerdtroock wast onder die haghen aen die canten van den velden, ende by oude mueren.

 

Tijt.

Beyde dese cruyden bloeyen in Meye en de in Braeckmaent.

(XXX)

Naem.

1 Dat ierste van desen cruyden wordt in Griecx gheheeten Capnos Capnion en Capnitis. In Latijn Fumaria en Capnium. In die Apoteke Fumus terre. In Hoochduytsch Erdtrauch, Taubencropff, Katzenkorvel. In Neerduytsch Grysecom, Duyvekervel en Eerdtroock. In Franchois Fumeterre.

2 Dat tweede wordt van Plinio Capnos en Pes gallinaceus ghenaempt, ende mits dijen zoo worddet van ons Capnos Plinij geheeten, inder Apoteken eest onbekent. In duytsche hebben wy tselve tot ondersceet van den anderen, Cleyn Eerdtroock ghenaempt. In Franchois mochtet wel naer den Latijnschen naem Pes gallinaceus, Pied de geline gheheeten worden.

                      

Natuere.

Grysecom es werm ende drooch tot volnaer in den tweden graet, ende van ghelijcker matueren es oock dat Cleyn Eerdtroock, als wt zijnen scerpachtighen bitteren smaeck kenlijck es.

 

Cracht en Werckinghe.

A Tsap van Grysecom in die ooghen ghedaen, scerpt dat ghesichte ende maeckt claer ooghen, ende met Gumme ghemenghelt ende op die wijnbrauwen ghestreken, maeckt dat het dobbel hayr niet meer en wasse.

B. Grisecom in water ghesoden ende dat ghedroncken, iaecht af met der urine ende met den camerganck alderhande heete cholerijcke, verbrande, ende verergherde humoren en de vochticheyt, ende mits dijen es seer goet den ghenen die scorft zijn, die quade seericheyt en sweringhen hebben ende die ghebrekelijck vanden pocken zijn.

C. Dijsghlijck werck doet oock het sap van Grysecom ghedroncken, ende es daer toe stercker dan het water daer die Grysecom inne ghesoden es.

2 D. Dat cleyn Eerdtroock (als Plinius schrijft) es van den selven cracht ende werckinghe ghelijck dat andere, ende es een sonderlinghe medecijne seer goet wesende teghen die scemeringhe der ooghen dat sap daer inne ghedaen.

Van Grysecom, kap. XIIII

 

 

Het geslacht

Van grijzecom zijn er twee soorten van een geslacht (zoals Plinius in zijn historie in het XXX boek, VIII kapittel schrijft) waarvan de eerste de gewone grijzecom is die door Galenus, Paulus en andere Griekse meester alleen bekend is en in de medicijnen gebruikt wordt. De tweede is een ander kruid dat alleen door Plinius beschreven is en beide deze kruiden worden hier te lande gevonden.

 

 

Vorm.

Capnos fumaria of grijzecom.

Capuns Plinij of kleine aardrook.

(Fumaria officinalis, Fumaria muralis subsp boraei)

1 De gewone grijzecom heeft vierkantige steeltjes die met kleine, tere, weke en zeer gesneden, askleurige bladertjes bekleed zijn en op de bladeren van koriander lijken, maar veel kleiner. Zijn bloemen zijn klein en staan veel bijeen gedrongen. De kleur is purperbruin die in kleine knopjes veranderen als ze vergaan en daarin ligt het zaad dat zeer klein is. De wortel is slecht, met weinig en kleine worteltjes.

2 De kleine aardrook heeft ook veel zachte steeltjes en daaraan groeien kleine, gesneden bladertjes die van kleur, smaak en ook wat van vorm op de voorgeschreven grijzecom lijken. Ook zijn ze met sommige kleine tere draadjes of klauwieren bezet waarmee het zich overal aan hagen en andere kruiden vastmaakt. Zijn bloempjes zijn klein en staan veel bijeen, wit en wat paars van kleur. Na het uitkomen zie je kleine hauwtjes waarin het zaad ligt. De wortel is slecht en vingers lang.

 

Plaats.

Grijzecom groeit graag in korenvelden onder de gerst en in de moeshoven, in wijngaarden en dergelijke bewerkte plaatsen.

De kleine aardrook groeit onder de hagen, aan de kanten van de velden en bij oude muren.

 

 

 

Tijd.

Beiden deze kruiden bloeien in mei en in juni.

 

 

Naam.

1 De eerste van deze kruiden wordt in Grieks Capnos, Capnion en Capnitis genoemd. In Latijn Fumaria en Capnium. In de apotheken Fumus terre. In Hoogduits Erdtrauch, Taubencropff en Katzenkorvel. In Nederduits grysecom, duivekervel en aardrook. In Frans fumeterre.

2 De tweede wordt door Plinius Capnos en Pes gallinaceus genoemd en vandaar wordt het door ons Capnos Plinij genoemd, in de apotheken is het onbekend. In Dietsche hebben wij het tot onderscheid van de andere kleine aardrook genoemd. In Frans is het wel naar de Latijnse naam Pes gallinaceus genoemd, pied de geline.

 

Natuur.

Grijzecom is warm en droog tot volledig in de tweede graad. Van gelijke natuur is ook de kleine aardrook als uit zijn scherpachtige, bittere smaak herkenbaar is.

 

 

Kracht en werking.

Het sap van grijzecom dat in de ogen gedaan wordt verscherpt het gezicht en maakt heldere ogen. Als het met gom gemengd en op de wenkbrauwen gestreken wordt maakt dat het dubbele haar niet meer groeit.

Grijzecom die in water gekookt is en dat gedronken jaagt met de urine en met de toiletgang allerhande hete galachtige, verbrande en verergerde humeuren en vochtigheid af.

Vanuit zijn kwaliteit is het zeer goed voor diegene die schurftachtig zijn, die kwade zeren en zweren hebben en die gebrekkelijk vanwege de pokken zijn.

Hetzelfde werk doet ook het sap van grijzecom als je het drinkt en is daartegen sterker in dan het water waar grijzsecom in gekookt is.

2 Kleine aardrook (zoals Plinius schrijft) is van dezelfde kracht en werking als die andere en is een buitengewone medicijn en zeer goed tegen de schemering van de ogen als je het sap daarin doet.

 

 .

 

 

 

 

Van Chamedrijs. Cap. XV.

 

Tfatsoen.

Chamedrijs. Gamanderlijn. (XXXI)

Chamedrijs es een neer cruyt wassende ontrent een spanne oft voet hooghe, met veele teere steelkens van der wortel voortcomende, daer aen wassen cleyne teere bladerkens twee teghen een staende, rontsomme ghekerft, den bladeren van eycken loove volnaer ghelijck maer veel mindere, zijn bloemkens zijn cleyn, bruynachtich persch van coluere, ende wassen rontsomme den steel met veel cranskens, ghelijck een are. Sijn saet es cleyn swert en ront ende coemt in die huijskens voort daer die bloemkens wtghevallen zijn. Die wortel is dun wit en cleyn, hier en daer in deerde cruypende.

 

Plaetse.

Gamanderlijn wast van zijns selfs natuere gheerne, op die gheberchten steenachtighe plaetsen en in die bosschen.

 

Tijt.

Gamanderlijn bloeyt meest in Braeckmaent ende in Hoymaent.

 

Naem.

Gamanderlijn wordt in Griecx gheheeten Chamedrijs. In Latijn Trixago, en van sommighen Qeuercula minor en Serratula. In der Apoteken Chamaedryos. In Hoochdytsche Gamanderlijn en Klein batenghel. In Franchoise Chesnette ou la Germandree.

 

Natuere

Dit cruyt es werm ende drooghe tot in den derden graet.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Tcruyt ende die bloemen van Gamanderlijn in water ghesoden ende ghedroncken verdrijven die verstoptheden van binnen tsmenschens lichaem, ende doen sceyden alle taye vochticheyt, ende daer omme zoo zijn zy wtnemende goet den ghenen die hoesten ende cort van adem zijn, die huer water niet wel en kunnen ghelossen, ende die dwater beghinnen te laden.

B. Sy verwecken en doen comen den vrouwen haer natuerlijcke cranckheyt.

C. Met azijn gedroncken zoo es Chamedrijs seer goet tegen die verherde en verstopte milten.

D. Dat sap van den bladeren met olie ghemengelt, verdrijft die donckerheyt van den ooghen, alsment daer op strijckt.

Van Gamander, kap. XV

 

Vorm.

Gamander of gamander.

(Veronica chamaedrys)

Gamander is een laag kruid die ongeveer een zeventien of dertig cm hoog groeit met vele zachte steeltjes die van de wortel komen. Daaraan groeien kleine, zachte bladertjes die twee tegenover elkaar staan en rondom gekerfd zijn, ze lijken volledig op de bladeren van eikenloof, maar veel kleiner. De bloempjes zijn klein, bruinachtig paars van kleur en groeien rondom de steel met veel kransjes als een aar. Zijn zaad is klein, zwart en rond en komt in de huisjes voort waar de bloempjes uitgevallen zijn. De wortel is dun, wit en klein en kruipt hier en daar in de aarde.

 

Plaats.

Gamander groeit van zijn eigen natuur graag op de gebergten, steenachtige plaatsen en in de bossen.

 

Tijd.

Gamander bloeit meestal in juni en in augustus.

 

Naam.

Gamander wordt in Grieks Chamedrys genoemd. In Latijn Trixago en door sommige Quercula minor en Serratula. In de apotheken Chamaedryos. In Hoogduits Gamander en Klein batenghel. In Frans chenette of la germandree.

 

Natuur.

Dit kruid is warm en droog tot in de derde graad.

 

Kracht en Werking.

Het kruid en de bloemen van gamander die in water gekookt en gedronken worden, verdrijven de verstoppingen binnen het menselijk lichaam en laten alle taaie vochtigheden scheiden, daarom zijn zo zo geweldig goed bij diegenen die hoesten en kort van adem zijn en die hun water niet goed kunnen lozen en die het water beginnen te laden.

Ze verwekken en laten bij de vrouwen hun menstruatie komen.

Als je het met azijn drinkt dan is gamander zeer goed tegen de verharde en verstopte milt.

Het sap van de bladeren dat met olie gemengd wordt verdrijft de blindheid van de ogen als je het daarop strijkt.

 

 .

 

 

 

Van Eerenprijs. Cap. XVI.

 

Tgheslacht.

Erenprijs es tweederleye van gheslacht, dat eene es dat oprecht Eerenprijs datmen Eerenprijs manneken heet. Dat ander een cruydeken den Eerenprijs seer ghelijckende, dat men Eerenprijs wijfken nuempt

 

Tfatsoen.

Veronica mas.      Veronica foemina.

Eerenprijs manneken. Eerenprijs wijfken. (XXXII) 1 Eerenprijs manneken es een cleyn cruyt lanx der aerden cruypende, met dunne rootachtighe hayrighe steelkens, daer aen wassende lanckachtighe donckergruene een luttel hayrachtighe rontsomme ghekerfte bladerkens. Sijn bloemkens wassen boven aen die steelkens en zijn cleyn, van coluere licht blauw met purpur ghemenght, nae die welcke cleyn breedtachtighe teskens wassen, daer dat saet in leyt. Die wortel es dun met veele veeselinghen.

Eerenprijs wijfken es van bladeren, stelen, en wasse den anderen ghelijck, maer zijn bladeren zijn gruender, niet hayrachtigh, noch niet ghekerft. Sijn bloemkens zijn den anderen ghelijck, en vergaen oock in breede teskens daer dat saet in leyt.

 

Plaetse.

1 Eerenprijs manneken wast op rouwe sandtachighe plaetsen, op canten van den velden, en van den bosschen.

Eerenprijs wijfje wast in vochte plaetsen in beemden ende broecken.

 

Tijt.

Beyde dese cruyden bloeyen in Braeckmaent ende in Hoymaent.

 

Naem.

Dat ierste Eerenprijs wordt van Paulus Aegineta Lib. 7 in Griecx Bettonice gheheeten, dat es in Latijn Betonica, ende daer naer van D. Guilliam Torner, ende van ons Betonica Pauli: Die ghemeyne cruyt liefhebbers nuemse in Latijn Veronica. In Hoochduytsch Erenbreisz mennlijn en Grundheyl. In Neederduytsch Eerenprijs manneken.

Dat tweede wordt geheeten Veronica femina ende Eerenprijs wijfken, en Erenbreisz weiblin.

 

Natuere.

Eerenprijs es drooghe van natueren ende wat werm.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Eerenprijs es seer goet ghebruyckt tot die verstoptheyt ende weedom der nieren (als Paulus schrijft)

B. Eerenprijs in water ghesoden ende dat ghedroncken, heylt alle oude en versche wonden, ende suyveret tbloet van alle quade corruptien ende vuyle verbrande vochticheden, ende midts dijen es seer goet ghedroncken die scorft zijn, die eenighe quade ruydicheyt cleyn poxkens oft maseren hebben.

C. Water van Eerenprijs ghedestilleert met wijn ende menichmael overghehaelt tot dattet rootachtigh worde, es seer ghepresen tot die oude hoesten, wtdroginghen ende ghequetsheyt vander longhene, want men schrijft van hen datter alle ulceratien, sweeringhen ende quetsuren der longhene kan heylen.

2 D. Dat Eerenprijs wijfken es van ghelijcke natueren, maer dat manneken es in alder manieren beeter en bequamer.

Van Erenprijs, kap. XVI

 

 

Het geslacht.

Van ereprijs zijn er twee soorten van een geslacht, de ene is de echte ereprijs die men ereprijs mannetje noemt. De ander is een kruidje die veel op de ereprijs lijkt die men ereprijs wijfje noemt.

 

Vorm.

Veronica mas of ereprijs mannetje.     Veronica foemina of ereprijs wijfje.

(Veronica officinalis, Veronica serpyllifolia)

1 Ereprijs mannetje is een klein kruid dat langs de aarde kruipt met dunne, roodachtige, harige steeltjes. Daaraan groeien langachtige, donkergroene, wat haarachtige en rondom gekerfde bladertjes. Zijn bloempjes groeien boven aan de steeltjes en zijn klein, van kleur lichtblauw en met purper gemengd. Daarna groeien kleine, breedachtige tasjes waarin het zaad ligt. De wortel is dun en met vele worteltjes bezet.

2 Ereprijs wijfje is van bladeren, stelen en vorm de andere gelijk, maar zijn bladeren zijn groener, niet haarachtig en niet gekerfd. Zijn bloempjes zijn gelijk de andere en vergaan ook in brede tasjes waarin het zaad ligt.

 

 

 

Plaats.

Ereprijs manneke groeit op ruwe zandachtige plaatsen, aan de kanten van de velden en van de bossen. Ereprijs wijfje groeit in vochtige plaatsen in beemden en broeklanden.

 

 

Tijd.

Beide kruiden bloeien in juni en in augustus.

 

 

Naam.

1 De eerste ereprijs wordt door Paulus Aegineta Lib 7 in Grieks Bettonice genoemd, dat is in Latijn Betonica en daarna door D. Guilliam Turner en door ons Betonica Pauli. De gewone kruidliefhebbers noemen ze in Latijn Veronica. In Hoogduits Erenbreisz menlijn en Grundheyl. In Nederduits ereprijs manneke.

2 De tweede wordt Veronica femina en ereprijs wijjke genoemd en Erenbreisz weiblin.

 

Natuur.

Ereprijs is droog van naturen en wat warm.

 

 

Kracht en Werking.

Ereprijs is zeer goed om te gebruiken tegen de verstopping en smart van de nieren (zoals Paulus schrijft)

Ereprijs die in water gekookt en dan gedronken wordt heelt alle oude en verse wonden en zuivert het bloed van alle kwade zaken en vuile, verbrande vochtigheden.

Het is van zich zelf zeer goed om dit te drinken door diegene die schurft hebben, die enige kwade ruwheid, kleine pokken of mazelen hebben.

Het water dat van ereprijs gedistilleerd en met wijn vele keren overgehaald is totdat het roodachtig wordt, wordt zeer geprezen tegen de oude hoest, uitdrogingen en gekwetstheid van de longen want men schrijft ervan dat het alle blaren, zweren en kwetsingen van de longen kan helen.

2 Het ereprijs wijfje is van gelijke natuur, maar het mannetje is in alle manieren beter en geschikter.

 

 .

 

 

 

Van Chamepitijs. Cap. XVII.

 

Tgheslacht.

Er cruyden in Latijn Chanaepitijs gheheeten zijn drije gheslachten (als Dioscorides schrijft) van ruecke ende fatsoene malcanderen ghelijck. (XXXIII)

 

Chamaepitys prima.  Chamaepitys secunda.

Dat ierste Velt cypres. Dat tweede Velt cypres.

1. Dat ierste gheslacht van desen cruyden es een teer cruypende cruyt met ghecromde tacxkens, daer aen wassen cleyne smalle hayrachtighe vette bladerkens, van ruecke den herst of termentijn ghelijck. Die bloemkens zijn cleyn, bleeck, geel oft wit. De wortel es slecht en houtachtich.

2. Dat tweede heeft oock bruyne ghehayrde teere tacxkens, ghelijck eenen ancker omghecromt, ontrent onderhalven voet lanc, lancx der aerden cruypende daer aen wassen hayrachtighe smalle bladerkens in drijen ghesneden. Sijn bloemen wassen lanx die stelen tusschen die bladerkens, ende zijn van coluere den iersten ghelijck. Sijn saet es bruyn en ront, ende het heel cruyt es den iersten van ruecke ghelijck.

3. Dat derde es dat alder cleynste en heeft cleyne witte rouwe bladerkens ende geele bloemkens, van ruecke den anderen ghelijckende.

 

Plaetse.

Dese cruyden wassen gheerne in berchachtighe ende steenachtighe plaetsen, hier te lande worden zy in die hoven ghesayet.

 

Tijt.

Sy bloeyen in Hoymaent ende in Oogstmaent.

 

Naem.

Dese drije cruyden worden met eenen naem in Griecx Chamepitijs gheheeten. In Latijn Aviga Abiga en Ibiga, ende daer naer inder Apoteken Iva en Iva Artetica oft Iva moscata. In Duytsch Velt cypres, ende van sommighen Hoe langher hoe (XXXIIII) liever. In Franchois Ive muscate.

 

Natuere

Velt cypressen zijn werm in den tweeden graet, ende drooghe tot in den derden.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die bladeren van Chamepitijs seven daghen in wijn, ghedroncken, gheneest die geele sucht, ende veertich daghen met meede ghedroncken zoo zijn zy goet teghen dat sciatica, dat es weedom in die hope.

B. Chamepitijs es oock seer goet teghen verstoptheyt van der levere, en doet die urine rijsen, ende zy brenght den vrouwen huer natuerlijcke sieckte weder.

C. Ende gruen ghestooten ende met huenich ghemenghelt en op groote wonden, quade en vuyle sweringhen gheleyt, heylt ende gheneest die selve.

D. Sy es oock goet teghen die hertheyt van die vrouwen borsten, gruen ghestooten ende daer op gheleyt.

E. Ende in dijer manieren ghebruyckt, es zy seer goet gheleyt op die beten en steken van slanghen, nateren ende dijer ghelijcken fenijnighe ghedierten.

F. Chamepitijs oock ghesoden ende ghedroncken, doet dat ghestolt bloet scheyden ende afgaen, ende met edick ghesoden ende ghedroncken, doet zy die doode vrucht afgaen

G. Tsap van Chamepitijs, den mensche op tlijf ghestreken doet hen seer sweeten.

H. Dijsghelijck craht ende werck doen oock dat tweede en tderde, maer en sijn niet zoo sterck ende crachtich als dat ierste.

Van Chamaepitys, kap. XVII

 

 

Het geslacht.

Van de kruiden die in Latijn Chamaepitys genoemd worden zijn er drie geslachten (zoals Dioscorides schrijft) die van reuk en vorm elkaar gelijk zijn.

 

Chamaepitys prima of eerste veldcipres.  Chamaepitys secunda of tweede veldcipres. (Ajuga chamaepitys, Ajuga genevensis en Ajuga iva)

Het eerste geslacht van deze kruiden is een teer, kruipend kruid met gekromde takjes. Daaraan groeien kleine, smalle, haarachtige en vette bladertjes die van reuk op hars of terpentijn lijken. De bloempjes zijn klein, bleek, geel of wit. De wortel is slecht en houtachtig.

De tweede heeft ook bruine, gehaarde en tere takjes die als een anker omgekromd en ongeveer vijf en veertig cm lang zijn en langs de aarde kruipen. Hieraan groeien haarachtige, smalle bladertjes die in drieën zijn gesneden. Zijn bloemen groeien langs de stelen tussen de bladertjes en zijn van kleur het eerste gelijk. Zijn zaad is bruin en rond. Het hele kruid is het eerste van reuk gelijk.

De derde is de allerkleinste en heeft kleine witte, ruwe bladertjes en gele bloempjes die van reuk op de anderen lijken.

 

Plaats.

Deze kruiden groeien graag in bergachtige en steenachtige plaatsen. Hier te lande worden ze in de hoven gezaaid.

 

Tijd.

Ze bloeien in augustus en in september.

 

Naam.

Deze drie kruiden worden met een naam in Grieks Chamepitijs genoemd. In Latijn auiga Abiga en Ibiga en daar naar in de apotheken Iva en Iva Artetica of Iva moscata. In Duits Velt cypres en door sommige hoe langer hoe liever. In Frans ive muscate.

 

Natuur.

Veldcipressen zijn warm in de tweede graad en droog tot in de derde.

 

Kracht en Werking.

De bladeren van Chamaepitys die zeven dagen in wijn liggen en dan gedronken worden genezen de geelzucht. Als het veertig dagen lang met mede wordt gedronken is het goed tegen jicht, dat is pijn in de heup.

Chamaepitys is ook zeer goed tegen verstopping van de lever en laat de urine rijzen en brengt bij de vrouwen hun menstruatie weer.

En groen gestampt en met honing gemengd en op grote wonden, kwade en vuile zweren gelegd heelt en geneest het die.

Het is ook goed tegen de hardheid van de vrouwenborsten als het groen gestampt en daarop gelegd wordt.

En op die manier gebruikt is het zeer goed om op de beten en steken van slangen, adders en dergelijke venijnige gedierten te leggen. Chamaepitys die ook gekookt en gedronken wordt laat het gestolde bloed scheiden en afgaan en als het met azijn gekookt en gedronken wordt dan laat het de dode vrucht afgaan.

Als je het sap van Chamaepitys bij de mensen op het lijf strijkt laat het hen zeer zweten.

Dezelfde kracht en werk doen ook de tweede en de derde, maar die zijn niet zo sterk en krachtig als de eerste.

 

 .

 

 

 

Van Cypres. Cap. XVIII.

 

Tgheslacht.

Ypres wordt hier te lande tweederleye in die hoven ghevonden van fatsoene seer ghelijck.

 

Tfatsoen.

(XXXV) 1. at ierste ende dat ghemeynste Cypres es een houtachtich struycxken, met recht opwassende tacxkens, daer aen wassen cleyn ronde lanckachtighe ghesneden bladerkens, op die soppen van de steelen, wassen schoon gout geele bloemen, van fatsoene den Reijn vaer bloemen ghelijck, maer veel neerder. Sijn wortel es houtachtich met veel aenhanghende veeselinghen.

2. Dat tweede Cypres es den voorschreven van stelen, bladeren, bloemen, ende fatsoene seer ghelijck, dan die stelen van den bladerkens zijn dunder en met langher bladerkens beset, ende die bloemen zijn bleecker ende minder, ende het cruyt en es niet zoo sterck van ruecke, maer sueter ende lieffelijcker.

 

Plaetse.

Dese cruyden en wassen hier te lande niet dan in die hoven daer zy gheplant worden.

 

Tijt.

Sy bloeyen in de Hoymaent ende in Ooghstmaent.

 

Naem.

Dit cruyt wordt van Plinio in Griecx ende in Latijn Chamaecyparissus gheheeten, ende daer naer in Duytsch ende Franchois Cypres. In der Apoteken eest onbekent.

Dat ander cruyt es sonder twijffel oock een Chamaecyparissus, ende gheen Cedrus, als sommighe dit heeten te wesen.

 

Natuere

Cypres es warmachtich, ende seer drooghende van natueren.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Plinius schrijft dat Cypres met wijn ghedroncken seer goet es teghen slanghen scorpioenen ende alderhande fenijn.

Van Cypres, kap. XVIII.

 

Het geslacht. (Santolina chamaecyparis)

Van cypres worden hier te lande twee soorten in de hoven gevonden die van vorm zeer op elkaar lijken.

 

Vorm.

De eerste en de gewoonste cipres is een houtachtig struikje met rechtop groeiende takjes. Daaraan groeien kleine, ronde, langachtig gesneden bladertjes. Op de toppen van de stelen groeien mooie goudgele bloemen die van vorm op de reinvaar bloemen lijken, maar de plant is veel lager. Zijn wortel is houtachtig en met veel aanhangende worteltjes bezet.

De tweede cipres is de voorgeschrevene van stelen, bladeren, bloemen en vorm zeer gelijk, maar de stelen van de bladertjes zijn dunner en met langere bladertjes bezet. De bloemen zijn bleker en kleiner en het kruid is niet zo sterk van reuk, maar zoeter en lieflijker.

 

 

Plaats.

Deze kruiden groeien hier te lande alleen in de hoven waar ze geplant worden.

 

 

Tijd.

Ze bloeien in augustus en in september.

 

Naam.

Dit kruid wordt door Plinius in Grieks en in Latijn Chamaecyparisse genoemd en daar naar in Duits en Frans Cypres. In de apotheken is het onbekend (Santolina chamaecyparissus) Het andere kruid is zonder twijfel ook een Chamaecyparissus en geen Cedrus zoals sommige zeggen dat het dit is (Santolina pinnata?)

 

Natuur.

Cipres is warmachtig en zeer verdrogende van natuur

 

Kracht en werking.

Plinius schrijft dat als cipres met wijn gedronken wordt het zeer goed is tegen slangen, schorpioenen en allerhande venijn.

 

 

 .

 

 

 

 

Van Gouvve en Dotterbloemen. Cap. XIX.

 

Tgheslacht.

Er cruyden in Griecx ghenaempt Chelidomum, zijn twee gheslachten, waer af dat eene gheheeten wordt groote Gouwe, ende dandere cleyne Gouwe. (XXXVI)

 

Tfatsoen.

Chelidomum maius. Chelidomum minus.

Groote Gouwe.    Cleyn Gouwe.

1 Die groote Gouwe heeft teere ronde ghehayrde steelen met veel aenwassende zijde tacxkens, ende elck tacxken heeft veel leedekens ende knopkens. Sijn bladeren zijn den bladeren van Akeleyen wat ghelijck, maer zy zijn teerder, ende meer duersneden op die eene zijde wit gruen, ende op dandere zijde blauwachtich gruen wesende. Boven op die steelen en tacxkens wassen schoone geele bloemkens, ghelijck geele Violetten die in langhe hauwkens veranderen, en daer in leyt cleyn bleeck geel sadeken. Dit gheheel cruyt es sterck ende vremt van ruecke, al om in stelen, bladeren, en bloemen, vol van sap dat ghelijck Safferaen geel es, scerp en bitter van smaecke, dat daer wtloopt wanneer dit cruyt ghequetst wordt, ende alder meest wt die wortel die zoo geel als gout es, met veel veeselinghen daer neffens aenhanghende.

2 Die cleyne Gouwe es een neer cruypende cruydeken met cleyne dunne bruynachtighe steelkens, en cleyn rontachtighe bladerkens, den Veyl bladeren ghelijckende, maer veel minder, teerder, weecker, ende effender. Sijn bloemkens zijn geel ende den Booter bloemen ghelijck. Sijn wortel es veeselachtigh, met veel aenhanghende knopachtighe wortelkens, elck knopken eenen teruwen oft ghersten coren ghelijckende. (XXXVII)

 

Dotterbloemen. 3

Er cleynder gouwe wordt een cruyt van bladeren ende bloemen seer ghelijck ghevonden datmen Dotterbloemen nuempt, dat schoon gruene, rontachtighe bladeren heeft den bladeren van Veyl oft Populier boom wat ghelijck, maer meerdere en rontsomme wat ghekerft. Sijn stelen zijn ront in veel cleyn steelkens huer verdeylende, daer op wassen schoone geele bloemen den Booter bloemen ghelijckende, maer meerder ende lieffelijcker. Als die bloemen af ghevallen zijn, zoo wassen daer drije oft vier cleyne hauwkens by een ghelijck aen Akeleye cruyt daer in leyt cleyn geel sadeken. Die wortel es dick met veel aenhanghende witte faselinghen.

 

Plaetse.

1. Groote Gouwe wast in dorre plaetsen by oude mueren, by den weghen en onder tuynen en haghen.

2.3 Die cleyne Gouwe ende die Dotterbloemen wassen in vochtighe natte beempden en aen die canten vanden grachten.

 

Tijt.

1. Die groote Gouwe beghint te bloeyen in Aprill ende bloeyet alle den zomer duer

2. Die cleyne Gouwe beghint seer vroech, In Sporckelle voorts te comene ende teghen dat die Swaluwen overcomen in deynde van Sporckel, ende in die Meerte zoo bloeyet zy, ende blijft durende tot in Aprill, ende als dan zoo verdwijnt zy, ende in Meye en wordt zy niet veel meer ghevonden.

3. Dotterbloemen bloeyen in Meerte ende in Aprill. (XXXVIII)

 

Naem.

1 Die groote Gouwe heet in Griecx Chelidonion mega, in Latijn Chelidonium maius, en Hirundinaria maior. In der Apoteken Chelidonia. In Hoochduytsch grosz Scholwurtz, grosz Schwalben kraut, Goldwurtz, en Schelkraut. In Neerduytsch Gouwortel, en groote Gouwe. In Franchois Chelidonie, ou Esclere a Esclayre

2 Die cleyne Gouwe wordt in Griecx gheheeten Chelidonion micron. In Latijn Chelidonium minus, en Hirundinaria minor. In der Apoteken Scrofularia minor, en Ficaria. In Hoochduytsch kleyn Scholwurtz, kleyn Schwalben wurtz, Feigwartzen kraut, Blatern kraut, Pfaffen hodlin, en Meyen kraut. In Neerduytsch cleyn Gouwe en cleyn Speen cruyt. In Franchois Bassinet.

3 Dotterbloemen worden in Hoochduytsch gheheeten Mosz blumen, Dotterblumen, Geel wisz blumen en Marten blumen. In onser talen Groote Booterbloemen ende Dotterbloemen.

 

Oirsaecke zijns naems.

1 Die groote Gouwe wordt in Griecx Chelidonium dat es in Duytsch Swaluwen cruyt gheheeten, om dat die Swaluwen (als Plinius seyt) dit ierst ghevonden hebben, ende daer mede hueren ionghen ghebreck in die ooghen hebbende oft blint wesende, ghenesen ende siende maken.

2 Dat cleyn, wordt daer om Swaluwen cruyt gheheeten, om dattet beghint te wassen ende te bloeyen als die swaluwen overcomen, ende wederom verdwijnt teghen en eer die Swaluwen wech vlieghen.

 

Natuere.

1,2 Beyde dese cruyden zijn heet ende drooghe tot in den derden graet, ende dat cleyne es heeter dan dat groot.

3 Die Dotterbloemen zijn van natueren oock warm, maer niet seere.

        

Cracht en Werckinghe.

1 A. Tsap van Groote Gouwe met huenich ghemenght, ende in een cooperen potteken ghesoden, maeckt claer ghesichte, ende neempt af die scellen ende littekeenen die op die ooghen wassen, dickwils in die ooghen ghedruypt.

B. Tselve sap met wijn, heylt ende gheneest die voorts etende sweringhen en ulceratien, die daer mede ghewasschen.

C. Die wortel met anijs in witten wijn ghesoden, opent die verstoptheyt vander levere ende verdrijft die geelsucht.

Die selve wortel in den mont ghenomen ende gheknout, gheneest den tantsweer.

2 D. Die cleyn Gouwe ghestooten en op verswooren oft andere quade naghelen gheleyt, doet die quade wtvallen, ende andere goede wassen, ende met urine oft wijn ghestooten, ende sonderlinghe die wortelen, verdrijven ende ghenesen die speenen daer op gheleyt, dijsghelijck werck doet oock dat sap met wijn oft urine duer ghedaen, die speenen daer mede ghewasschen.

E. Dit cruyt in wijn ghesoden ende daer mede ghegorghelt, doet veel taye fluymen wt den hoofde comen ende wtspouwen.

F. Tsap van der wortele met huenich vermenght ende in die nuese ghedaen, doet oock veel vochticheyt wt den hoofde rijsen, ende onstopt den nuese als zy verstopt es.

3 G. Die Dotterbloemen en zijn in der medecijnen niet bruyckelijck.

Van Gouwe en Dotterbloemen, kap. XIX

 

Het geslacht

Van de kruiden die in Grieks Chelidomum genoemd worden zijn er twee geslachten, waarvan de ene de grote gouwe en de andere kleine gouwe genoemd wordt.

 

Vorm.

Chelidomum maius als grote gouwe. Chelidomum minus als kleine gouwe.

(Chelidonium majus, Ranunculus ficaria)

1 De grote gouwe heeft zachte, ronde en behaarde stelen met veel aangroeiende zijtakjes en elk takje heeft veel leden en knopen. Zijn bladeren lijken wat op de bladeren van akelei, maar ze zijn zachter en meer doorsneden, aan de ene kant witgroen en aan de andere kant blauwachtig groen. Bovenop de stelen en takjes groeien mooie gele bloempjes net als gele violen. Die veranderen in lange hauwtjes en daarin liggen kleine, bleekgele zaadjes. Dit hele kruid is sterk en vreemd van reuk en overal in stelen, bladeren en bloemen vol van sap dat geel als saffraan is, scherp en bitter van smaak. Dat loopt er uit wanneer dit kruid gekneust wordt en het allermeest uit de wortel. Die is zo geel als goud en met veel worteltjes bezet die daar naast aanhangen.

2 De kleine gouwe is een laag en kruipend kruidje met kleine, dunne en bruinachtige steeltjes. De kleine, rondachtige bladertjes lijken op de klimop bladeren, maar zijn veel kleiner, zachter, weker en vlakker. Zijn bloempjes zijn geel en lijken op de boterbloemen. Zijn wortel is vezelachtig en met veel aanhangende knopachtige worteltjes bezet. Elk knopje lijkt op een tarwe- of gerstekorrel.

 

 

Dotterbloemen

Van de kleine gouwe wordt nog een kruid gevonden waar het van bladeren en bloemen zeer op lijkt dat men dotterbloemen noemt, (Caltha palustris) Die heeft mooie groene en rondachtige bladeren die op de bladeren van klimop of populierboom lijken, maar groter en rondom wat gekerfd zijn. Zijn stelen zijn rond en verdelen zich in veel kleine steeltjes. Daarop groeien mooie gele bloemen die op de boterbloemen lijken, maar groter en lieflijker zijn. Als de bloemen afgevallen zijn dan groeien daar drie of vier kleine hauwtjes bijeen, net als bij het akelei kruid, waarin een klein geel zaadje ligt. De wortel is dik en met veel aanhangende witte worteltjes bezet.

 

 

 

Plaats.

Grote gouwe groeit in dorre plaatsen bij oude muren, bij de wegen en onder tuinen en hagen. De kleine gouwe en de dotterbloemen groeien in vochtige, natte beemden en aan de kanten van de grachten.

 

 

Tijd.

De grote gouwe begint te bloeien in april en bloeit de hele zomer door. De kleine gouwe begint zeer vroeg, al in februari te komen. Tegen de tijd dat de zwaluwen overkomen op het eind van februari en maart dan bloeit het en blijft bloeien tot in april, dan verdwijnt het en in mei wordt ze vrijwel niet meer gevonden.

Dotterbloemen bloeien in maart en in april.

 

 

 

Naam.

1 De grote gouwe heet in Grieks Chelidonion mega, in Latijn Chelidonium majus en Hirundinaria maior. In de apotheken Chelidonia. In Hoogduits grosz Scholwurtz, grosz Schwalben kraut, Goldwurtz en Schelkraut. In Nederduits gouwortel en grote gouwe. In Frans chelidonie of esclere a esclayre.

2 De kleine gouwe wordt in Grieks Chelidonion micron genoemd. In Latijn Chelidonium minus en Hirudinaria minor. In de apoteken Scrofularia minor en Ficaria. In Hoogduits kleyn Scholwurtz, kleyn Schwalben wurtz, Feigwartzen kraut, Blatern kraut, Pfassen hodlin en Mein kraut. In Nederduits kleine gouwe en kleine speen kruid. In Frans bassinet.

3 Dotterbloemen worden in Hoogduits Mosz blumen, Dotterblumen, Geel wisz blumen en Marten blumen genoemd. In onze taal grote boterbloemen en dotterbloemen.

 

Oorzaak van zijn naam.

De grote gouwe wordt in Grieks Chelidonium genoemd, dat is in Dietsche zwaluwen kruid omdat de zwaluwen (zoals Plinius zegt) dit het eerst gevonden hebben en daarmee hun jongen die een gebrek in de ogen hebben of blind waren genezen en ziende gemaakt hebben.

2 De kleine wordt zwaluwenkruid genoemd omdat het begint te groeien en te bloeien als de zwaluwen overkomen en weer verdwijnt tegen de tijd dat de zwaluwen weg vliegen.

 

 

Natuur.

1, 2 Beide deze kruiden zijn heet en droog tot in de derde graad en de kleine is heter dan de grote.

3 De dotterbloemen zijn van naturen ook warm, maar niet zo erg.

 

 

Kracht en Werking.

1 Het sap van grote gouwe dat met honing gemengd en in een koperen pot gekookt wordt geeft een helder gezicht en neemt de schellen en littekens die op de ogen groeien weg als je het dikwijls in de ogen druppelt.

Hetzelfde sap met wijn, heelt en geneest de voortsetende zweren en blaren die daar mee groeien.

De wortel die met anijs in witte wijn gekookt is opent de verstoptheid van de lever en verdrijft de geelzucht.

Als je die wortel in de mond neemt en kauwt geneest het tandpijn.

2 De kleine gouwe die gestampt en op verzworen of andere kwade nagels gelegd wordt laat die kwade uitvallen en andere goede groeien. Met urine of wijn gestampt, vooral de wortels, verdrijven en genezen ze de aambeien als het daar opgelegd wordt. Hetzelfde doet ook het sap dat met wijn of urine gemengd is waarmee de aambeien gewassen worden.

Dit kruid dat in wijn is gedaan waarmee gegorgeld wordt laat veel taaie fluimen uit het hoofd komen en uitspuwen.

Het sap van de wortel dat met honing vermengd en in de neus gedaan wordt laat ook veel vochtigheid uit het hoofd rijzen en ontstopt de neus als het verstopt is.

3 De dotterbloemen worden in de medicijnen niet gebruikt.

 

 

 .

 

 

 

(XXXIX)Van Vincoorde.  Cap. XX.

 

Tfatsoen.

Clematis daphnoides. Vincoorde.

Incoorde heeft veele teere knoppachtighe steelkens, daer mede dattet op der aerden vliddert ende hier en daer cruypt, daer aen wassen cleyn bladerkens, meerder dan Bucxboom bladeren, den Lauwer bladeren van coleure en fatsoene niet seer onghelijck maer veel mindere. Die bloemen zijn meest purpur blauw, ende oock som wit maer selden, elck in vijf bladerkens ghesneden, der ghemeyne groote Ossentonghe bloemen wat ghelijck, maer meerder ende liefelijcker, nochtans oock sonder rueck. Die wortel es veeselachtich en geel.

 

Plaetse.

Vincoorde wast gheerne in donckere vochtachtighe plaetsen, aen canten van bosschen ende onder haghen en hegghen.

 

Tijt.

Het bloeyt meest in Meerte en Aprill, maer allen het iaer duer blijvet gruen.

 

Naem.

In Griecx ende in Latijn wordt die cruyt Clematis daphnoides gheheeten, ende van Plinius ter eender plaetsen Clematis Aegiptia, ende ter andere, Chamedaphne. In der Apoteken zoo heetet Pervinca en Vincapervinca. In Hoochduytsch yugrun en Singrun. In onser talen Vincoorde, Ingroen ende Maechden palm. In Franchois du Lisseron.

                      

Natuere.

Vincoorde es drooghende en tsamen treckende van natueren.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Dit cruyt in wijn ghesoden ende ghedroncken stopt den loop des buycx, ende gheneest dat roode Melizoen. Tstelpt oock die overvloedighe natuerlijcke cranckheyt der vrouwen, dat bloet spouwen, ende alderhande bloet ganck. (XL)

B. Dit cruyt met melck en olie van Roosen ghemenght ende daer af een Pessus ghemaeckt ende in die moeder ghedaen, doet die pijne ende weedom der moederen ophouden.

C. Vincoorde gheknaut, gheneest den tantsweer, ende oock alle quetsuren van fenijnnighen ghedierten daer op gheleyt.

D. Vincoorde ghestooten, ende in die nuese ghesteken, doet dat bloeyen wt die nuese ophouden en stelpen.

Van Maagdenpalm, kap. XX

 

Vorm.

Clematis daphnoides of vincoorde.

(Vinca minor)

Maagdenpalm heeft vele zachte en knopachtige steeltjes waarmee het op de aarde vlindert en hier en daar kruipt. Daaraan groeien kleine bladertjes die groter zijn dan de buksboom bladeren, de laurierbladeren van kleur en vorm vrij gelijk maar veel kleiner. De bloemen zijn meestal purperblauw en zelden wit die elk in vijf bladertjes zijn gesneden en op die van de gewone grote ossentong lijken, maar groter en liefelijker zijn, hoewel ook zonder reuk. De wortel is vezelachtig en geel.

 

 

Plaats.

Maagdenpalm groeit graag in donkere vochtige plaatsen, aan kanten van bossen en onder hagen en heggen.

 

Tijd.

Het bloeit meest in maart en april, maar het hele jaar door blijft het groen.

 

Naam.

In Grieks en in Latijn wordt dit kruid Clematis daphnoides genoemd en door Plinius op de ene plaats Clematis Aegiptia en op een andere plaats Chamedaphne genoemd. In de apotheken heet het Pervinca en Vincapervinca. In Hoogduits yugrun en Singrun. In onze taal maagdenpalm, ingroen en maechdenpalm. In Frans du lisseron.

 

 

Natuur.

Maagdenpalm is verdrogend en tezamen trekkend van naturen.

 

Kracht en Werking.

Dit kruid dat in wijn gekookt en gedronken wordt stopt de loop van de buik en geneest de rode bloedgang.

Het stelpt ook de overvloedige menstruatie bij de vrouwen, het bloed spuwen en allerhande bloedgang.

Dit kruid dat met melk en olie van rozen gemengd is waar een pessarium van gemaakt is die in de baarmoeder gedaan wordt laat de pijn en smart van de baarmoeder ophouden.

Maagdenpalm die je kauwt geneest de tandpijn en ook alle kwetsingen van venijnige gedierten als je het daar op legt.

Maagdenpalm die gestampt en in de neus gestoken is laat het bloeden uit de neus ophouden en stelpen.

 

 

  .

 

 

Van VVilden Saffraen. Cap. XXI

 

Tfatsoen.

Cnicus.   Wilden Saffraen.

Ie wilde Saffraen heeft ronde steelen, onderhalf elle oft hoogher wassende met smalle lanckachtighe ghekertelde stekende bladeren becleet, opt opperste van den welcken wassen ronde stekende bollekens, die als zy huer ontpluycken, voortbringhen schoon gout geele welrijckende bloemen, den rechten Saffraen drayen van coluere ghelijck, ende als die bloeme vergaet zoo wast in dat stekende bolleken, wit lanckachtich ghekant ende ghehoeckt saet tusschen hayrachtich wolleken besloten. (XL)

 

Plaetse.

Wilden saffraen woordt in die hoven ghesayet.

 

Tijt.

Sy bloeyet in Hoymaent ende in Ooghstmaent.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Griecx Cnicos gheheeten ende in Latijn Cnecus. Inder Apoteken ende van Mesue en Serapio Cartamus, en van sommighen, Crocus hortensis en Crocus sarracenicus. In duytsch Wilden saffraen. In Franchois Safran saulvage.

 

Natuere

Tsaet van Wilden saffraen es werm in den iersten graet ende droogge in den tweeden, als Mesue schrijft.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Tsaet van Wilden saffraen ghestooten ende het sap daer af met Huenich water, oft sop daer een hinne in ghesoden es, uyt gheperst, ende ghedroncken, maeckt camerganck, purgeert, ende iaecht af taye fluymen en waterachtighe vochticheden, en mits dijen eest goet teghen Colica, das es weedom en verstoptheyt der dermen, en oock teghen die cortheyt van den adem, hoest en verstoptheyt vander borst, ende es seer sonderlinghe teghen dat water laden.

B. Item tsap van desen sade in melck ghedaen, doet dat melck runnen ende gheeft hem cracht om tot camerganck te verweckene.

C. Die bloemen met Huenich water ghedroncken, openen die lever, ende zijn goet voor die geelsucht, oock zijn zy goet inder spijsen ghebruyckt, om daer mede die spijse geele te maken.

 

Hindernisse.

Tsaet van Wilden saffraen es der maghen seer hinderlijck, makende walginghe ende groote beruerte tot braken ende daer toe eest oock seer traech van wercke, langhe in die maghe en dermen blijvende.

 

Beeteringhe.

Men sal tot desen sade nemen ende toe doen eenich confortatijf vander maghen, als Anijs saet, Galigaen oft Mastix, ende wat dat zijn werck voordert ende ras maeckt, als Gember, Sal gemma, Sout τc. Ende in dijer manieren ghebruyckt, en salt der maghen niet lettelijck wesen, en sal seer corts zijn werck doen.

Van Wilde Saffraan, kap.XXI

 

Vorm.

Cnicus of valse saffloer.

(Carthamus tinctorius)

De wilde saffraan heeft ronde stelen die meer dan een meter of hoger groeien en met smalle, langachtige, gekartelde en stekende bladeren bekleed zijn. Op de top groeien ronde stekende bolletjes en als die zich ontplooien mooie goudgele en welriekende bloemen voortbrengen die van kleur op de echte saffraandraadjes lijken. Als de bloem vergaat dan groeit in het stekende bolletje wit, langachtig, kantig en gehoekt zaad dat tussen een haarachtig wolletje zit.

 

Plaats.

Wilde saffraan wordt in de hoven gezaaid.

 

Tijd.

Het bloeit in augustus en in september.

 

 

Naam.

Dit kruid wordt in Grieks Cnicos genoemd en in Latijn Cnecus. In de apotheken en door Mesue en Serapio Cartamus, door sommigen Crocus hortensis en Crocus sarracenicus. In Duits Wilden saffraen. In Frans Safran saulvage

 

Natuur.

Het zaad van wilde saffraan is warm in de eerste graad en droog in de tweede zoals Mesue schrijft.

 

Kracht en Werking.

Het gestampte zaad van wilde saffraan en het sap daarvan dat met honingwater of het sap waar een kip in gekookt is, uitgeperst en gedronken wordt laat naar toilet gaan en purgeert en jaagt taaie fluimen en waterachtige vochtigheden af. Daarom is het goed tegen koliek, dat is een smart en verstopping van de darmen en ook tegen de kortheid van de adem, hoest en verstopping van de borst. Het is vooral zeer goed tegen het water laden.

Item het sap van dit zaad dat in melk gedaan wordt laat de melk stremmen en geeft het kracht om tot toiletgang te verwekken.

De bloemen die met honingwater gedronken worden openen de lever en zijn goed tegen de geelzucht, ook zijn ze goed om in eten te gebruiken om daarmede het eten geel te maken.

 

Hindernis.

Het zaad van wilde saffraan is zeer hinderlijk in de maag, maakt walging en grote beroerte tot braken en daarbij is het ook zeer traag van werk en blijft lang in de maag en darmen.

 

 

Verbetering.

Je zal bij deze zaden enig konserven doen die goed voor de maag zijn als zoals anijs zaad, galigaan of mastiek en iets dat zijn werk bevordert en snel maakt als gember, sal gemma, zout etc. En als je het op die manier gebruikt zal het voor de maag niet schadelijk zijn en zal zeer vlug zijn werk doen.

 

 Dodoens in www.BioLib. de.

 

Van Conyza. Cap. XXII.

 

Tgheslacht.

Conyza es tweederleye (als Dioscorides en Theophrastus schrijven) waer af dat eene es dat groot en manneke, dat andere dat cleyn ende wijfken. (XLII)

 

Tfatsoen.

Conyza mas.

At groot Conyza heeft ronde witte wollachtighe stelen onderhalf elle hooch wassende, en lanckachtighe saechte, wollachtighe oft hayrachtighe bladeren. Sijn bloemen wassen aen dopperste vanden stelen den Chamomille bloemen van fatsoene ghelijck, maer meerder, ende rontsomme ende binnen in midden bruyn geel van coluere, die als zy rijp worden in wollachtich saet veranderen en met den winde wech vlieghen.

2 Dat cleyn Conyza en wast niet over den spannen oft voet hooch, ende es den voorschreven ghelijck, dan alleen minder. Sijn bloemen zijn oock bruyn geel, maer alleen gelijck dat middelste van den Chamille bloemen oft ghelijck die bloemen van Reijnvaer. Beyde dese cruyden zijn van stercken ruecke, ende dat groot es swaerder van ruecke, ende dat cleyne stercker en liefelijcker.

3 Noch esser een gheslacht van Conyza dat derde ende middelste tusschen die twee andere, dat minder es dan dat groot, ende meerder dan tcleyne, anders den anderen ghelijck, meer stinckende dan die voorgheschreven.

 

Plaetse.

Dat groot en cleyn Conyza wast in vochtighe grasachtighe neerten, ende ontrent den watercanten, dat derde wast op dorre plaetsen.

 

Tijt.

Sy bloeyen in laetste van Hoymaent, ende in Ooghstmaent.

 

Naem.

Dese cruyden worden in Griecx gheheeten Conyza. In Latijn van Plinius tot (XLIII) som plaetsen Cunila en Cunilago. Van Theodorus Gaza Policaria en Pulicaria. Inder Apoteken zijn zy onbekent. In Hoochduytsch worden zy van sommighen Durwurtz en Donnerwurtz ghenaempt.

Dat groot heet Theophrastus Conyza manneken, en dat cleyn Conyza wijfken.

 

Natuere.

Tgroot ende cleyne zijn drooch en warm tot inden derden graet, dat derde es den anderen van natueren ghelijck, maer niet zoo warm.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die bladeren en bloemen van Conyza in wijn ghesoden, ende gehedroncken, doen sterckelijck den vrouwen huer natuerlijcke cranckheyt comen, en iaghen die doode vruchten af.

B. Sy sijn oock goet teghen die couwpisse en droppelpisse, en teghen die geelsucht, en teghen die pijne en weedom des buycxs.

C. Dese bladeren ende bloemen met eedick inghenomen, zijn goet teghen die vallende sieckte.

D. Dwater daer Conyza in ghesoden es, es goet den vrouwen die weedom in die moedere hebben om daer inne in een sweetcuype te sittene.

E. Die bladeren ghewreven, zijn goet gheleyt op beten en steken van fenijnnighen ghedierten. Dijsghelijck op wonden en coude ghezwillen.

F. Dit cruyt met olie vermenght ende tlichaem daer mede bestreken doet die coude huyveringhen achter blijven.

G. Conyza waer dat zy gheleyt, ghestroyet oft ontsteken wordt, veriaeght alle fenijnnighe ghedierten, ende doodt die vloyen.

Van Conyza, kap. XXII

 

Het geslacht

Van Conyza zijn er twee soorten (zoals Dioscorides en Theophrastus schrijven) waarvan de ene de grote en het mannetje en de andere de kleine en het wijfje is.

 

Vorm.

Conyza mas.

(Inula conyzae als grote, Pulicaria vulgaris als kleine en Pulicaria dysenterica als middelste)

De grote conyza heeft ronde, witte en wolachtige stelen die meer dan een meter hoog groeien. De bladeren zijn langachtig, zacht en wolachtige of haarachtig. Zijn bloemen groeien aan de top van de stelen en lijken op de kamillebloemen van vorm, maar zijn groter en rondom en in het midden bruingeel van kleur. Als ze rijpen veranderen ze in wolachtig zaad en vliegen met de wind weg.

2 De kleine conyza groeit geen zeventien of dertig cm hoog en lijkt op de voorgeschreven, alleen is het kleiner. Zijn bloemen zijn ook bruingeel, maar lijken alleen in het middelste op de kamillenbloemen of op de bloemen van reinvaar. Beide kruiden zijn van sterke reuk en de grote is zwaarder van reuk, maar de kleine sterker en liefelijker.

3 Dan is er noch een geslacht van conyza dat de derde en middelste tussen de twee andere is en dat kleiner is dan de grote en groter is dan de kleine, anders de anderen gelijk en stinkt meer dan de voorgeschrevene.

 

 

Plaats.

De grote en kleine conyza groeien in vochtige grasachtige laagten en langs de waterkanten. De derde groeit op dorre plaatsen.

 

Tijd.

Ze bloeien op het eind van augustus en in september.

 

Naam.

Deze kruiden worden in Grieks Conyza genoemd. In Latijn door Plinius op sommige plaatsen Cunila en Cunilago. Door Theodorus Gaza Policaria en Pulicaria. In de apotheken zijn ze onbekend. In Hoogduits worden ze door sommige Durwurtz en Donnerwurtz genoemd. De grote noemt Theophrastus Conyza het mannetje en de kleine Conyza het wijfje.

 

Natuur.

De grote en de kleine zijn droog en warm tot in de derde graad. De derde is de anderen van naturen gelijk, maar niet zo warm.

 

Kracht en Werking.

De bladeren en bloemen van conyza die in wijn gekookt zijn en gedronken laten bij de vrouwen sterk hun menstruatie komen en jagen de dode vrucht af.

Ze zijn ook goed tegen de koude plas en droppelplas, tegen de geelzucht en tegen de pijn en smart van de buik.

De bladeren en bloemen die met azijn zijn ingenomen zijn goed tegen de vallende ziekte.

Het water waar conyza in gekookt is is goed voor de vrouwen die smart in de baarmoeder hebben om daarmee in een zweetkuip te zitten.

De gewreven bladeren zijn goed om op beten en steken van venijnige gedierten te leggen. Zo ook op wonden en koude gezwellen.

Dit kruid dat met olie vermengd is waarmee het lichaam wordt bestreken laat de koude huiveringen achterblijven.

Waar conyza gelegd, gestrooid of gebrand wordt verjaagd het alle venijnige gedierten en doodt de vlooien.

 

 

  .

 

Van Sterrecruyt. Cap. XXIII.

 

Tfatsoen.

Aster atticus. Sterrecruyt. (XLIIII)

Terrecruyt heeft eenen bruynen hayrachtighen, houtachtighen steel, met lanckachtighe dicke hayrachtighe swertgruene bladeren. Op tsop van den steelen wassen drije oft vier schoone bloemen, van fatsoene den Chamille bloemen ghelijck, die in dmiddel geel zijn ende rontsomme met purpur blauw bladerkens, ghelijck een sterreken beset ende gheciert zijn, die ten laetsten in grijs hayr veranderen ende wech vlieghen. Die wortel es veeselachtigh.

 

Plaetse.

Sterrecruyt wast op heuvelen en berghen aen hooghe dijcken, somtijts in die bosschen ende in sommighe beemden by den Rhijn stroom gheleghen.

 

Tijt.

Het bloeyt het meest in Ooghstmaent.

 

Naem.

Dit cruyt heet in Griecx Aster atticos en Boubonion. In Latijn Aster atticus, en Inguinalis. In der Apoteken eest onbekent. In Hoochduytsch Megercraut, Bruchkraut, Scorten kraut ende Stern kraut. In Franchois Asper goutte menue.

 

Natuere.

Sterrencruyt es vercoelende, den Roosen van natueren volnaer ghelijck.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Sterrecruyt es seer goet van buyten op die maghe gheleyt, die verhit ende onsteken es, ende teghen die clappooren en sweerende clieren in die eeghenisse gruen ghestooten, ende daer op gheleyt.

B. Tes oock goet tot roodicheyt en hitte der ooghen, en teghen dat wtgaen van den achterderm.

C. Dat blauw van den bloemkens met water ghedroncken, helpt die kinderen die met die squinancie en vallende sieckte ghequelt zijn.

E. Men seyt oock dat dit cruyt dat ghezwel in die eeghenisse doet vergaen al eest dat men dat maer daer by ghebonden draecht.

Van Sterrenkruid, kap. XXIII

 

Vorm.

Aster atticus of sterrenkruid.

(Aster atticus)

Sterrenkruid heeft een bruine, haarachtige en houtachtige steel die met langachtige, dikke, haarachtige en zwartgroene bladeren bezet is. Op de top van de stelen groeien drie of vier mooie bloemen die op de kamillebloemen lijken, in het midden zijn ze geel en rondom met purperblauwe bladertjes bezet als met een sterretje versierd. Op het eind veranderen die in grijze haren en vliegen weg. De wortel is vezelachtig.

 

 

 

Plaats.

Sterrenkruid groeit op heuvels en bergen, aan hoge dijken, soms in de bossen en in sommige beemden die bij de Rijn stroom liggen.

 

 

 

Tijd.

Het kruid bloeit het meest het in september.

 

Naam.

Dit kruid heet in Grieks Aster atticos en Boubonion. In Latijn Aster atticus en Inguinalis. In de apotheken is het onbekend. In Hoogduits Megercraut, Bruchkraut, Skorten kraut en Stern kraut. In Frans asper goutte menue.

 

Natuur.

Sterrenkruid verkoelt en is de rozen van naturen volledig gelijk.

 

Kracht en Werking.

Sterrenkruid is zeer goed als het van buiten op de maag gelegd wordt die verhit en ontstoken is. Ook tegen de klaporen en zwerende klieren in de oksels als je het groen stampt en daar op legt. Het is ook goed tegen roodheid en hitte van de ogen en tegen het uitgaan van de achterdarm.

Het blauwe van de bloempjes dat je met water drinkt helpt de kinderen die met de keelblaren en vallende ziekte gekweld zijn.

Men zegt ook dat dit kruid het gezwel in de oksels laat vergaan al is het dat je het maar in een bundeltje bij je draagt.

 

 

 .

 

 

 

 

Van Navelcruyt. Cap. XXIIII.

 

Tgheslacht.

In dit Cap. sullen wy tweederleye Navelcruyt beschrijven, waer af dat ierste es dat recht Navelcruyt, dat tweede dat Water Navelcruyt, alleen wat ghelijckenisse van bladeren met den rechtvaerdighen hebbende.

 

Cotyledon verum.  Cotyledon aquaticum.

avelcruyt.       Water Navelcruyt. (XLV)

NAvelcruyt 1. draecht ronde dicke bladeren, den Veyl bladeren wat ghelijck, maer ronder, rontsomme wat ghescaert die van boven wat hol zijn en van onder den steel in dmiddel van tblat hebben. Sijnen steel es dun en hol, ontrent een spanne hooch draghende veel cleyn lanckachtighe witte oft lijfveruwighe bloemkens. Die wortel es wit en ront ghelijck een Olive.

2. Dwater Navelcruyt heeft cleyne dunne bladerkens, van boven oock wat, maer seer luttel hol, ghelijck een vlack scotelken, en van onder den steel in dmiddel van tblat draghende, des anders navelcruyt bladeren wat ghelijck, maer veel minder, dunner en swertgruender. Die bloemkens zijn seer cleyn, van coluere wit en wassen beneden onder die bladeren. Sijn wortelkens zijn dun, veeselachtich, cruypende, en al om veel nieuwe bladerkens wtworpende.

 

Plaetse.

Dat oprecht Navelcruyt wast (als Plinius schrijft) in steenachtighe plaetsen ende by der zee gheleghen, hier te lande en wasset niet van selfs, noch in iemants hof dat ick weet, dan alleen te Bruessel in den hof van H. Jan van vreckom, die dit onder veele seer sonderlinghe en vremde cruyden in zijnen seer schoonen en rijckelijcken hof op voet ende tot my ghesonden heeft. Dat water Navelcruyt wast hier te lande overvloedich, in natte, vochtighe beemden die tswinters overvloeyen.

 

Tijt.

Die bloemen van dat oprecht Navelcruyt hebbe ick oock in Braeckmaent ghesien, maer dat water Navelcruyt bloeyet in Hoymaent.

 

Naem.

Dit cruyt heet in Griecx Cotyledon. In Latijn Cotyledon, en Umbilicus veneris, en acetabulum, en van Plinio, Herba coxendicum, Iacobus de Manlijs in Luminari maiori, nuemet Scatum coeli en Scatum cellus. In duytsch hebbent wy Navelcruyt ghenaempt.

Dat water Navelcruyt heet in die Apoteke Umbilicus veneris, en oock hier te lande Scatum coeli, hoe wel dattet dat oprecht Navelcruyt niet en es, als hier ghebleken es, en van sommighen in duytsch penninckcruyt.

 

Natuere.

Dat oprecht Navelcruyt es cout en vochtich van natueren, dat water Navelcruyt en es niet sonder wermte, als zijnen smaeck wt wijst.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Tsap van dat oprecht Navelcruyt es seer goet en behulpich voor alle verhitheyt, heete ghezwillen, wilt vier, ende oock voor die cack verssenen, daer op ghestreken, het vercoelt oock die hitte vander maghen, daer op gheleyt.

B. Die bladeren met den wortelen gheten, lossen en breken den steen, en doen water maken, en zijn goet den watersuchtighen.

C. Die cracht van dat Waternavelcruyt en es noch niet ondervonden, nochtans zoo ghebruycken die ongheleerde Apotekers dit daghelijcx voor dat oprecht Navelcruyt, niet sonder groote en merckelijcke dwalinghe..

Van Navelkruid, kap. XXIIII

 

Het Geslacht

In dit kapittel zullen wij twee soorten van navelkruid beschrijven waarvan de eerste het echte navelkruid is de tweede het waternavelkruid die alleen wat gelijkenis in de bladeren met de echte heeft.

 

Cotyledon verum of navelkruid.

Cotyledon aquaticum of water navelkruid.

(Cotyledon umbilicus, Hydrocotyle vulgaris) Navelkruid draagt ronde en dikke bladeren die wat op de klimopbladeren lijken, maar ronder. Ze zijn rondom wat geschaard en van boven wat hol. Van onder staat de steel in het midden van het blad. Zijn steel is dun en hol en ongeveer een zeventien cm hoog en draagt veel kleine, langachtige, witte of vleeskleurige bloempjes. De wortel is wit en rond als een olijf.

Het water navelkruid heeft kleine, dunne bladertjes die van boven ook wat maar zeer weinig hol zijn als een vlak schoteltje en draagt onder de steel in het midden van het blad. Het lijkt wat op het andere navelkruid blad, maar is veel kleiner, dunner en zwartgroener. De bloempjes zijn zeer klein, van kleur wit en groeien beneden onder de bladeren. Zijn worteltjes zijn dun, vezelachtig, kruipen en laten overal veel nieuwe bladertjes uitschieten.

 

 

Plaats.

Het echte navelkruid groeit (zoals Plinius schrijft) in steenachtige plaatsen en bij de zee. Hier te lande groeit het niet vanzelf, nog in iemands hof dat ik weet dan alleen te Brussel in de hof van H. Jan van Vreckom die dit onder vele zeer bijzondere en vreemde kruiden in zijn zeer mooie en rijke hof kweekt en naar mij gezonden heeft. Het water navelkruid groeit hier te lande overvloedig in natte, vochtige beemden die in de winter overstroomd worden.

 

 

Tijd.

De bloemen van het echte navelkruid heb ik ook in juni gezien, maar het water navelkruid bloeit in augustus.

 

Naam.

Dit kruid heet in Grieks Cotyledon. In Latijn Cotyledon en Umbilicus veneris en acetabulum en door Plinius Herba coxendicum. Jacobus de Manlijs in ‘Luminari maiori’ noemt het Scatum coeli en Scatum cellus. In Dietsche hebben wij het navelkruid genoemd.

Het waternavelkruid heet in de apotheken Umbilicus veneris en ook hier te lande Scatum coeli hoewel het de echte navelkruid niet is zoals hier gebleken is en wordt door sommige in Dietsche penningkruid genoemd.

 

Natuur.

Het echte navelkruid is koud en vochtig van natuur. Het water navelkruid is niet zonder warmte als zijn smaak bewijst.

 

Kracht en Werking.

Het sap van het echte navelkruid is zeer goed en behulpzaam tegen alle verhitting, hete zwellen, wild vuur en ook voor de kakhielen als het daar op gestreken wordt. Het verkoelt ook de hitte van de maag als het daar op gelegd wordt. De bladeren die met de wortels gegeten worden lossen en breken de steen en maken water en zijn goed voor de waterzuchtige.

De kracht van het waternavelkruid is noch niet ondervonden, toch gebruiken de ongeleerde apothekers dit dagelijks voor het echte navelkruid, niet zonder grote en opmerkelijke dwaling.

 

 .

 

 

 

(XLVI)Van Wonden cruyt.Cap. XXV.

 

Tfatsoen.

Cymbalion.  Wonden cruyt.

Onden cruyt heeft ronde vette broosche stelen die becleet zijn met dickachtighe vette bladeren die rontsomme wat ghekerft en vol saps zijn. Int sop van de stelen wassen veel schoone bruyn roode bloemen, van fatsoene den bloemen van Sint Jans cruyt, in Griecx ghenaempt Hypericon ghelijck. Die wortel es wit en seer knoppachtich.

Van desen cruyden vintmen een gheslacht dat witte bloemen heeft, en oock een derde dat geele bloemen draecht, anders den voorschreven ghelijck.

 

Plaetse.

2.3 Wonden cruyt wast gheerne in vochtighe plaetsen ende daer lombre es ende het wordt veel op Sint Jans Baptisten avont, op scotelen oft tilioren in leem gheplant ende in die lanthuysen ghehanghen, daert langhe gruen en wassende blijft eest dattet somtijts met water bespreyt wordt.

 

Tijt.

Wonden cruyt bloeyet meest in Ooghstmaent.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Griecx gheheeten Cymbalion en Cotyledon heteron. In (XLVII) Latijn Acetabulum alterum. In de Apoteken Crassula maior. In Hoochduytsch Wundkraut, Knabenkraut, Fotzzwang en Fotzweijn. In onser tale Wonden cruyt, ende smeerwortele.

 

Natuere.

Wonden cruyt vercoelt tot in den derden graet.

 

Cracht en Werckinghe.

Wonden cruyt es van ghelijcken cracht en werckinghe als Donderbaert, ghelijck Dioscorides en Plinius schrijven.

Van Wondkruid, kap. XXV

 

Vorm.

Cymbalion of wondkruid.

(Sedum telephium of Hylotelephium)

Wondkruid heeft ronde, vette en broze stelen die met dikachtige, vette bladeren bekleed en rondom wat gekerfd en vol sap zijn. In de top van de stelen groeien veel mooie bruinrode bloemen die van vorm op de bloemen van Sint Jans kruid lijken die in Grieks Hypericon genoemd wordt. De wortel is wit en zeer knopachtig. Van deze kruiden vind je een geslacht dat witte bloemen heeft (Hylotelephium anacampseros) en ook een derde dat gele bloemen draagt, anders de voorschreven gelijk.

 

 

Plaats.

Wondkruid groeit graag in vochtige plaatsen en waar schaduw is. Het wordt veel op Sint Jans Baptisten avond op schotels of schalen in leem geplant en in de landhuizen gehangen, omdat het lang groen en groeiend blijft, als is het dat het soms met water besproeid wordt.

 

 

 

Tijd.

Wondkruid bloeit meestal in september.

 

Naam.

Dit kruid wordt in Grieks Cymbalion en Cotyledon heteron genoemd. In Latijn Acetabulum alterum. In de apotheken Crassula maior. In Hoogduits Wundkraut, Knabenkraut, Fotzzwang en Fotzweijn. In onze taal wondkruid en smeerwortel.

 

 

Natuur.

Wondkruid verkoelt tot in de derde graad.

 

Kracht en Werking.

Wondkruid is van gelijke kracht en werking als donderbaard zoals Dioscorides en Plinius schrijven.

 

 .

 

Van Ooghentroost. Cap. xxvi.

 

Tfatsoen.

Eufrasia. Ooghentroost.

Oghen troost es cleyn neer schoon cruydeken, niet over een spanne hooch wassende met veele stelkens en tacxkens, met cleyn swert gruene rontsomme ghekertelde bladerkens, dick beset. Sijn bloemkes zijn cleyn en wit inwendich met geel en purpur besprenght, die wortel es cleyn, dun, en veeselachtich.

Noch vint men een ander cruyt dat oock Ooghentroost van sommighen gheheeten wordt, hoe wel nochtans dattet gheen recht Ooghentroost en es, ende dit wast eenen voet hooghe oft hoogher, en heeft ronde steelkens met veel aenwassende zijde tacxkens, daer aen wassen cleyn smalle lanckachtighe bladerkens, meest altijt neederwaerts hanghende. Sijn bloemen zijn root van coluere. Die wortel es cleyn ghelijck aen dat andere Ooghentroost. Ende dit hebben wy hier by willen schrijven en verclaren om datmen donderscheet van beyden leeren kennen en mercken zoude, ende niet deen voor dandere trecken oft ghebruycken zoude, want dat tweeste Ooghentroost, en heeft die cracht niet die dat oprecht Ooghentroost heeft.

 

Plaetse.

Ooghentroost wast in dorre beempden, grassachtighe straten, en dorre weyden, daer (XLVIII) die sonne veel schijnt.

 

Tijt.

Ooghentroost beghint te bloeyen in Ooghstmaent ende het bloeyet tot in Herfstmaent toe, en in sommighe vroeghe iaren wordet in Hoymaent met bloemen ghevonden, ende als dit cruyt in zijn bloeme es, dan salment plucken en drooghen.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Latijn gheheeten Euphrasia, en van sommighen Ophthalmica, en Ocularis, en van som andere Euphrosyne. In Hoochduytsch heetet Augentroost. In Neerduytsch Ooghentroost. In Franchois Euphrase.

 

Natuere.

Ooghentroost es werm en drooghe van natueren tot bycans in den tweeden graet.

 

Cracht en Werckinghe.

1 A.Ooghentroost ghestooten en op die ooghen gheleyt, oft sap daer af met wijn wtgheperst in die ooghen ghedruypt, neempt wech ende gheneest die donckerheyt van den ooghen ende maeckt claer ghesichte.

B. Tselve doet oock tpoeder van drie deelen Ooghentroost ghedroocht ende een deel foelien tsamen ghepoedert een leepel vol tsmorghens al drooghe oft met suycker, oft met witten wijn inghenomen. Ende in dijer manieren ghebruyckt zoo stercket oock die memorie seer, ende doet sterckelijck onthouwen.

C. Ooghentroost in wijn ghesoden, en ghedroncken, es oock goet teghen die geelsucht.

2. D. Dat ander Ooghentroost en es nerghens toe nut oft bequaem, ende wordt in die medecijne niet ghebruyckt.

Van Ogentroost, kap. xxvi

 

Vorm.

Eufrasia of ogentroost.

(Euphrasia stricta, de ander is Odontites vernus)

Ogentroost is een klein, laag en mooi kruidje die niet langer dan een zeventien cm hoog wordt. Het is met vele steeltjes en takjes en dik bezet met kleine zwartgroene, rondom gekartelde bladertjes. Zijn bloempjes zijn klein en wit, inwendig met geel en purper bevlekt. De wortel is klein, dun en vezelachtig.

Ook vindt men een ander kruid dat ook door sommige ogentroost genoemd wordt, hoewel nochtans dat het geen echte ogentroost is. Die groeit een dertig cm hoog of hoger en heeft ronde steeltjes met veel aangroeiende zijtakjes. Daaraan groeien kleine, smalle, langachtige bladertjes die meestal hangen. Zijn bloemen zijn rood van kleur. De wortel is klein, net zoals de andere ogentroost. En dit hebben wij hierbij willen schrijven en verklaren omdat je het onderscheid van beide zal leren kennen en opmerken en niet de ene voor de andere nemen of gebruiken zal want de tweede ogentroost heeft niet de kracht die de echte ogentroost heeft.

 

 

Plaats.

Ogentroost groeit in dorre beemden, grasachtige straten en dorre weiden waar de zon veel schijnt.

 

 

Tijd.

Ogentroost begint te bloeien in september en het bloeit tot in oktober toe. In sommige vroege jaren wordt het al in augustus met bloemen gevonden. Als dit kruid bloeit dan zal je het plukken en drogen.

 

Naam.

Dit kruid wordt in Latijn Euphrasia genoemd en door sommige Ophthalmica en Ocularis, door sommige andere Euphrosyne. In Hoogduits heet het Augentroost. In Nederduits ogentroost. In Frans euphrase.

 

 

Natuur.

Ogentroost is warm en droog van naturen tot bijna in de tweede graad.

 

Kracht en Werking.

Ogentroost die gestampt en op de ogen gelegd wordt of het sap daarvan met wijn uitgeperst en in de ogen gedruppeld neemt weg en geneest de blindheid van de ogen en maakt helder gezicht. Hetzelfde doet ook het poeder dat van drie delen gedroogde ogentroost en een deel gepoederde foelie tezamen is gemaakt waarvan je een lepel vol ’s morgens droog of met suiker of met witte wijn inneemt. En als je het op die manier gebruikt dan versterkt het ook zeer de memorie en laat goed onthouden.

Ogentroost die in wijn gekookt en gedronken wordt is ook goed tegen de geelzucht.

De andere ogentroost is nergens nuttig of goed voor en wordt in de medicijnen niet gebruikt.

 

 .

 

Van root Steenbreec. Cap. XXVII.

 

Tfatsoen.

Filipendula.  Root Steenbreeck. (XLIX)

ROode Steenbreeck heeft langhe veederachtighe wtghespreyde bladeren, van veele rontsomme ghekerfte bladerkens, aen een lanck steelken wassende tsamen vergaert, van fatsoene den bladeren van Ganserick oft van Pimpinel niet seer onghelijck, maer veel langhere. Sijnen steel es ront twee oft drije voeten lanck, die op dopperste voortbringht schoon witte bloemen veel by een, elck bloemken in sesse bladeren, ghelijck een cleyn sterreken verdeylt. Sijn saet es cleyn ende wast veele by een tsamen ghelijck een cleyn knoopken in een ghedronghen. Sijn wortelen zijn dun en swert, en hebben aenhanghende ronde knoopachtighe bollekens ghelijck aen die Pioene wijfken wortelen, maer veel mindere.

 

Plaetse.

oode Steenbreeck wast in Duytschlant op hooghe steenachtighe gheberchten ende in rouwe plaetsen. Hier te lande wordt hy in die hoven gheplant.

 

Tijt.

Hy bloeyet in Meye ende in Braeckmaent.

 

Naem.

Dit cruyt wordt in Latijn van sommighen gheheeten Saxifraga rubea. In der Apoteken zoo heetet Filipendula oft Philipendula. In Hoochduytsch Rot Steinbrech en Wilde zarben. In onser talen Roode Steenbreeck. In Franchois Filipende oft Filipendule.

 

Natuere.

Filipendula es werm en drooch van natueren, maer niet tot in den derden graet, en tsamen treckende.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die wortel in wijn ghesoden ende ghedroncken, es goet teghen die droppelpisse, ende tot alderhande ghebreken der blasen, zy doet water maken ende die urine lossen ende breeckt den steen.

B. Dese wortele es oock goet (ghelijck Mattheus Sylvaticus en Simon Genuensis schrijven) teghen die pijne en weedom wt verkiltheyt comende, winden en opblasinghen der maghen, met Fenkel saet ghepoedert en met wijn inghenomen.

E. Ende teghen die vallende sieckte, alsmen tpoeder van den wortelen in die spijse veele ghebruyckt.

Van rode Steenbreek, kap. XXVII

 

 

Vorm.

Filipendula of rode steenbreek.

(Filipendula vulgaris)

Rode steenbreek heeft lange, veerachtige en uitgespreide bladeren. Die zijn van vele rondom gekerfde bladertjes tezamen gesteld die aan een lang steeltje groeien, van vorm lijken ze op de bladeren van ganzerik of van pimpinella, maar veel langer. Zijn steel is rond en zestig of negentig cm lang. Op de top komen mooie witte bloemen die veel bijeen staan. Elk bloempje is in zes bladeren verdeeld als een kleine sterretje. Zijn zaad is klein en groeit veel bijeen, als een klein knopje ineen gedrongen. Zijn wortels zijn dun en zwart en hebben aanhangende ronde, knoopachtige bolletjes, net als als pioen wijfje, maar veel kleiner.

 

 

 

Plaats.

Rode steenbreek groeit in Duitsland op hoge, steenachtige gebergten en in ruwe plaatsen. Hier te lande wordt het in de hoven geplant.

 

 

Tijd.

Het bloeit in mei en in juni.

 

Naam.

Dit kruid wordt door sommige in Latijn Saxifraga rubea genoemd. In de apotheken heet het Filipendula of Philipendula. In Hoogduits Rot Steinbrech en Wilde zarben. In onze taal rode steenbreek. In Frans filipende of filipendule.

 

Natuur.

Filipendula is warm en droog van naturen, maar niet tot in de derde graad en tezamen trekkend.

 

Kracht en Werking.

De wortel die in wijn gekookt en gedronken wordt is goed tegen de droppelplas en tegen allerhande gebreken van de blaas, het maakt water en laat de urine lossen en breekt de steen.

Deze wortel is ook goed (zoals Mattheus Sylvaticus en Simon Genuensis schrijven) tegen de pijn en smart die uit verkoudheid komt, winden en opblazing van de maag als het met gepoederde venkelzaad en met wijn ingenomen wordt.

En tegen de vallende ziekte als je het poeder van de wortels veel in het eten gebruikt.

 

 Dodoens  in www.BioLib.de.

 

Van Gheytenbaert. Cap. XXVIII.

 

Gheslacht oft onderscheet

Heytenbaert es tweederhande van gheslachte: Deene es dat groot Gheytenbaert datmen Reynette nuempt: Dander dat cleyn Gheytenbaert, dat valsche Rhabarbare gheheeten wordt. (L)

 

Tfatsoen.

Barba capri.   Pigamum.

Reynette.     Valsche Rhabarbare.

DAt 1. groot Gheytenbaert oft Reynette heeft groote langhe breede bladeren, den bladeren van Agrimonie wel ghelijckende, maer langher en meerder, die rouw hart en ghefronckelt zijn, en veel vouwkens hebben ghelijck die bladeren van de ionghen bercken loove. Sijnen steel es hol, viercantich, bruynroot, somtijts een mans lenghde hooch, draghende int opperste veel schoone witte suet rieckende bloemen, veel by een ghedronghen, ghelijck aen dat root Steenbreeck, naer den welcken cleyne cromme sadekens iii oft iiii tsamen in een, ghelijck een Werteken ghedronghen wassen. Sijn wortel es lanck, van buyten swert, van binnen Leververuwich bruynroot, sterck van ruecke, van smake tsamen treckende ghelijck die eekelen.

2. Dat cleyn Gheytenbaert of valsche Rabarbare, heeft seer ghesneden en in veele andere cleyne bladerkens verdeylde bladeren, die rontsomme ghescaert zijn. Sijnen steel es ghehoect, bruynroot van coluere, ontrent onderhalven voet oft twee voeten lanck, daer op wassen veel cleyne witte hayrachtighe bloemkens, tsamen eenen sneewitten baert ghelijckende, naer die welcke cleyne smalle tacxkens ghelijck cleyne hauwkens vier oft vijf by een staende volghen. Die wortel es swert en houtachtigh.

 

Plaetse.

Beyde dese cruyden wassen hier te lande in vochtighe beempden, tusschen doornen en haghen, en aen canten vanden grachten, en waterloopen. (LI)

 

Tijt.

Sy bloeyen meest in Hoymaent, somtijts oock noch in Ooghstmaent.

 

Naem.

Tgroot Gheytenbaert heet heden daechs in Latijn Barba capri en Regina prati. In duytsch Reynette en grooten Gheytenbaert. In Franchois Barbe de cheve. Dat andere heet in die Apoteken Pigamum, en wordt daer doer van den ongheleerden Apotekers niet sonder groote dwalinghe voor wilde Ruyte ghebruyckt. Die vrouwen hier te lande houwent voor Rhabarbare ende daer om hebben wy tselve valsche Rhabarbare gheheeten, want anders ghenen naem en es ons bekent.

 

Natuere.

Die Reynette es sonder twijfel seer verdrooghende, ende van natueren tsamen treckende, ende daer duer stoppende, ghelijck zijnen smaeck claerlijck bewijst. Dat valsch Rhabarbare es oock drooghende, maer niet tsamen treckende.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die wortelen van Reynette ghesoden oft ghepoedert ende inghenomen, zijn goet teghen den loop des buycx, en teghen alderhande bloetganck. Die bloemen met witten wijn ghesoden ende ghedroncken, ghenesen die vierde daechse cortse.

B. Valsche Rhabarbare en wordt in der mededijnen niet ghebruyckt.

Van Geitenbaard, kap. XXVIII

 

Geslacht of het verschil

Van geitenbaard zijn er twee soorten van een geslacht: De ene is de grote geitenbaard die men reynette noemt en de andere is de kleine geitenbaard die valse rabarber genoemd wordt.

 

Vorm.

Barba capri of reynette.

Piganum of valse rabarber.

(Filipendula ulmaria, Aruncus dioicus)

De grote geitenbaard of reynette heeft grote, lange en brede bladeren die wel wat op de bladeren van agrimonia lijken, maar langer en groter. De bladeren zijn ruw, hard en verfrommeld en hebben veel vouwtjes, net als de bladeren van het jonge berken loof. Zijn steel is hol, vierkantig, bruinrood en soms een mannen lengte hoog. Het draagt in de top veel mooie, witte, zoet ruikende bloemen die veel bijeen gedrongen staan net als bij het rode steenbreek. Daarna komen kleine kromme zaadjes die met drie of vier tezamen ineen groeien, als een wratje ineen gedrongen. Zijn wortel is lang, van buiten zwart en van binnen leverkleurig bruinrood, sterk van reuk en van smaak tezamen trekkend als de eikels.

De kleine geitenbaard of valse rabarber heeft zeer gesneden en in vele andere kleine bladertjes verdeelde bladeren die rondom geschaard zijn. Zijn steel is gehoekt, bruinrood van kleur en ongeveer vijf en veertig of zestig cm lang. Daarop groeien veel kleine witte, haarachtige bloempjes die tezamen op een sneeuwwitte baard lijken. Hierna volgen kleine, smalle takjes als kleine hauwtjes waarvan er vier of vijf bijeen staan. De wortel is zwart en houtachtig.

 

 

 

 

Plaats.

Beide kruiden groeien hier te lande in vochtige beemden, tussen dorens en hagen en aan kanten van de grachten en waterlopen.

 

 

Tijd.

Ze bloeien meestal in augustus en soms ook nog in september.

 

Naam.

De grote geitenbaard heet tegenwoordig in Latijn Barba capri en Regina prati. In Dietsche reynette en grote geitenbaard. In Frans barbe de cheve. Die andere heet in de apotheken Pigamum en wordt door de ongeleerde apothekers foutief voor wilde ruit gebruikt. De vrouwen hier te lande houden het voor rabarber en daarom hebben wij het valse rabarber genoemd, want anders is er geen naam bij ons bekend.

 

Natuur.

Reynette is zonder twijfel zeer verdrogend en van natuur tezamen trekkend en daardoor stoppend zoals zijn smaak duidelijk bewijst. De valse rabarber is ook drogend, maar niet tezamen trekkend.

 

 

 

Kracht en Werking.

De wortel van reynette die gekookt of gepoederd ingenomen wordt is goed tegen de buikloop en tegen allerhande bloedgang.

De bloemen die met witte wijn gekookt en gedronken worden genezen malaria.

Valse rabarber wordt in de medicijnen niet gebruikt.

 

  Dodoens in www.BioL ib.de. G

 

 

Van Helm cruyt. Cap. XXIX.

 

Tfatsoen.

Galeopsis. Helm cruyt. (LII)

Elm cruyt heeft viercantighe bruyne hole steelen en daer aen wassende breetachtighe rontsomme ghekerfde bladeren, den bladeren van netelen seer ghelijck, maer effender ende niet stekende oft brandende. Die bloemen wassen aen dopperste van den stelen, en zijn cleyn bruyn peersachtich, hol, ghelijck een cleyn helmken oft hol slecken huijsken. Tsaet es cleyn en wast in scerpe ronde bollekens. Die wortel es wit en heeft veel knobbelen en knoopen, ghelijck dat Wonden cruyt daer int xxiiii Cap. af ghescreven es.

2 Noch vindtmen een Helm cruyt dat den voorschreven van stelen, bladeren, bloemen, en bollekens ghelijck es, maer niet van wortelen, want zijn wortelen en zijn niet knobbelachtich, maer alleen faselachtich, ende anders gheen ondersceet en es tusschen dit en dat ierste en oprecht Helm cruyt, want zijn stelen zijn oock viercantich, zijn bladeren den Netelen bladeren ghelijck, en rontsomme ghescaert, die bloemen ghelijck een open helmken τce, alzoo dat dicwils dit voor dat andere ghetrocken wordt van den ghenen die dat ondersceet van beyden aen die wortele niet en mercken.

3 Oock esser noch een derde Helm cruyt dat met den anderen twee gheen ghelijckenisse en heeft, dan alleen in die bloemen ende saet, die den anderen Helm cruyden bloemen seer ghelijck zijn, ende daerom mede by den Helm cruyden hier vermaent wordt. Dit Helm cruyt heeft rechte ronde stelen, en bladeren der Reynette (dat een gheslacht van wilden Mostaert es) seer ghelijck, maer wat minder, ende van coluere bruynder. Die bloemen zijn den anderen Helm cruyden bloemen ghelijck, alleen wat minder van coluere persch met witte stipkens besprayt. Die wortel es veeselachtich ghelijck die wortele van den tweeden Helm cruyde, ende blijft duerende, iaerlijcx van nieuwe wtspruytende, ghelijck oock die twee andere Helm cruyden wortelen.

 

Plaetse.

Die twee ierste Helm cruyden wassen hier te lande overvloedich, aen die canten van den velden, onder die haghen, aen die grachten ende by den waterloopen. Dat derde wordt alleen in die hoven gheplant.

 

Tijt.

Dese cruyden bloeyen in Braeckmaent ende in Hoymaent.

 

Naem.

1 Helm cruyt wordt in Griecx gheheeten Galeopsis, Galeobdolon, en in Latijn Urtica Labeo. In der Apoteken Scrofularia maior, en van sommighen Castrangula en Ficaria. In Hoochduytsch Braunwurtz, Sauwurtz, en grosz Feigwartzen kraut. In Neerduytsch groot Speen cruyt. In Franchois Scrophulaire

2 Dat tweede en heeft ghenen sonderlinghen naem in Latijn oft in der Apoteken. In Duytsch wordet Beeckscuym en Sinte Anthuenis cruyt ghenaempt.

3 Dat derde es onbekent en sonder naem, maer het mach wel voor een gheslacht van Helm cruyt gherekent worden, om dat zijne bloeme openen Helmken ghelijck es.

 

Natuere.

Helm cruyt es werm en drooch van natueren tot in den derden graet ende seer subtijl van substantien.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die bladeren, stelen, saet, wortelen, en sap van dat oprecht Helm cruyt verteeren ende doen verdwijnen alderleye gheswel, en herde clieren, alsmense met eedick menghelt, ende daer twee daghen lauwachtich op gheleyt.

B. Die bladeren ghestooten, zijn goet gheleyt op vervuylde en voorts etende sweringhen ende tot den kanker met sout ghemenght en daer op gheleyt.

C. Tsap van desen cruyden verdrijft die roose in daensicht alsmen dat daer mede wascht. Die wortel inghenomen verdroocht ende gheneest die speenen. Dijsghelijck doet zy oock ghestooten, en van buyten daer op gheleyt. Tsaet es goet ghedroncken teghen die wormen.(LIII)

2 D. Dat tweede es oock seer goet teghen alle vervuylde ende voorts etende sweringhen.

Inder selver manieren ghelijck dat ierste ghebruyckt.

3 Dat derde es niet aleen van name, maer oock van crachten onbekent.

Van Helmkruid, kap. XXIX

 

Vorm.

Galeopsis of helmkruid .

(Scrophularia nodosa, de tweede is Scrophularia auriculata)

1 Helmkruid heeft vierkantige, bruine en holle stelen. Daaraan groeien breedachtige en rondom gekerfde bladeren die op de bladeren van brandnetel lijken, maar vlakker zijn en niet steken of branden. De bloemen groeien aan de top van de stelen en zijn klein, bruinpaarsachtig en hol, als een klein helmpje of een hol slakkenhuisje. Het zaad is klein en groeit in scherpe, ronde bolletjes. De wortel is wit en heeft veel knobbels en knopen, zoals bij het wondkruid waar in het XXIIII Kapittel van geschreven is.

2 Ook vind je een helmkruid dat de voorgeschreven van stelen, bladeren, bloemen en bolletjes gelijk is, maar niet van wortels, want zijn wortels zijn niet knobbelachtig, maar alleen vezelachtig. Anders is er geen verschil tussen deze en het eerste en echte helmkruid want zijn stelen zijn ook vierkantig. Zijn bladeren zijn de netelenbladeren gelijk en rondom geschaard, de bloemen als een open helmpje etc. zodat vaak deze voor de andere genomen wordt door diegene die het verschil tussen beide aan de wortels niet kennen.

3 Ook is er nog een derde helmkruid dat met de andere twee geen gelijkenis heeft dan alleen in de bloemen en zaad die zeer op de andere helmkruidbloemen lijken en daarom bij de helmkruiden vermeld wordt. Dit helmkruid heeft rechte en ronde stelen en bladeren die zeer op de reynette lijken (dat een geslacht van wilde mosterd is) maar wat kleiner en van kleur bruiner. De bloemen zijn de anderen helmkruiden bloemen gelijk, alleen wat minder van kleur, paars en met witte stipjes besproeid. De wortel is vezelachtig als de wortel van het tweede helmkruid en blijft over, spruit elk jaar opnieuw uit net als de twee andere helmkruiden wortels.

 

 

 

Plaats.

De twee eerste helmkruiden groeien hier te lande overvloedig aan de kanten van de velden, onder de hagen, aan de grachten en bij de waterlopen. De derde wordt alleen in de hoven geplant.

 

 

 

Tijd.

Deze kruiden bloeien in juni en in augustus.

 

 

Naam.

1 Helmkruid wordt in Grieks Galeopsis en Galeobdolon genoemd en in Latijn Urtica labeo. In de apotheken Scrofularia major en door sommige Castragula en Ficaria. In Hoogduits Braunwurtz, Sauwurtz en grosz Feigwartzen kraut. In Nederduits groot speen kruid. In Frans scrophulaire.

2 De tweede heeft geen naam in het Latijn of in de apotheken. In Dietsche wordt het beekschuim en Sint Antheunis kruid genoemd.

3 Het derde is onbekend en zonder naam, maar het mag wel voor een geslacht van helmkruid gerekend worden omdat zijn bloemen net open helmpjes zijn.

 

Natuur.

Helmkruid is warm en droog van natuur tot in de derde graad en zeer fijn van substantie.

 

 

Kracht en Werking.

De bladeren, stelen, zaad, wortels en sap van het echte helmkruid verteren en laten allerlei zwellen en harde klieren verdwijnen als je het met azijn mengt en daar twee dagen lauw op legt.

De gestampte bladeren zijn goed om op vervuilde en voortsetende zweren te leggen en tegen kanker als het met zout gemengd en daar opgelegd wordt.

Het sap van deze kruiden verdrijft de roos in het aangezicht als je het daarmee wast. Als je de wortel inneemt verdroogt en geneest het de aambeien. Dat doet het ook als het gestampt en van buiten opgelegd wordt.

Het zaad is goed als je het drinkt tegen de wormen.

De tweede is ook zeer goed tegen alle vervuilde en voortsetende zweren als je het op dezelfde manier als de eerste gebruikt.

De derde is niet alleen van naam, maar ook van krachten onbekend.

 

 

 

 .

 

 

Van Oyevaersbec. Cap. XXX.

 

Gheslacht en onderscheet.

En vindt hier te lande sesterleye cruyden zijn langhe scerpe saden ghelijck Oyevaersbecken draghende, die daer om onder eenen naem ende gheslacht van Oyevaersbeck begrepen worden, waer af die twee ierste van Dioscorides en andere ouders beschreven zijn, ende die vier andere van den gheleerden dees tijts.

 

Tfatsoen.

Geranium primum.  Geranium Alterum.

Oyevaersbeck.    Duyvenvoet.

Dat ierste Oyevaersbeck heeft teere roodachtighe en hayrachtighe steelkens, met cleynen seer ghecloven en ghekerfde bladeren, die eer die stelen voortcomen op der aerden ghesprayet ligghen. Sijn bloemkens zijn schoon, bresilie root, ende die vergaen in cleyne ronde bollekens met langhe becxkens ghelijck als naelden den Oyevaers, oft Cranenbecken ghelijck, drije oft vier neven den anderen staende, ende daer inne leet dat saet. Die wortel es ront, wit, vinghers lanck, van smaecke suet ende den Raponcelen ghelijck. (LIIII)

2 Dat tweede, dat Duyvenvoet ghenaempt wordt, heeft oock teere, dunne hayrachtighe bruyn steelkens, maer zijn bladeren zijn den bladeren van de allercleynste Maluwen ghelijck, en rontsomme ghekerft. Sijn bloemkens zijn cleyn en persachtich, die worden oock cleyn hoefdekens met becxkens, maer niet zoo groot oft lanck als dierste.

 

Sideritis tertia, aut Geranium Robertianum, Geranium gruinale.

Robrechts cruyt.                    Craenhals.

At derde gheslacht, heeft oock hayrachtighe stelen ghelijck die ander, maer zy zijn heel root, met veel ledekens, ende knoopkens. Sijn bladeren zijn seer ghesneden den Kervel oft Coriander bladeren ghelijck, maer rooder ende van ruecke onliefelijcker. Die bloemkens zijn oock root, ende brenghen voort cleyn bollekens ghelijck hoofdekens met scerpe becxkens. Die wortel es gruenachtich.

4 Craenhals, dat vierde gheslacht, es den voorschreven van hayrachtighe steelkens, roode bloemkens en scerpe becxkens seer ghelijck, maer die bladeren zijn dieper en meer ghesneden, ende die bloemen zijn wat meerder. (LV)

 

Geranium haematodes, Geranium batrachiodes.

Bloet wortele.       Blauw Booterbloemen.

BLoet wortele, es den vierden gheslachte van dunnen, teeren, hayrachtighen stelen, diepe ghekerfte bladerkens, bloemen en tacxkens ghelijc, wt ghenomen dat die stelen van Bloetwortele hoogher en langher wassen, die bladeren grooter, die bloemen meerder, eenen cleynen Roosken ghelijckende, ende die wortel lanck, ende meestendeel van binnen heel bruyn root es.

6. Dat seste heeft oock langhe rootachtighe en hayrachtighe stelen, maer zijn bladeren zijn groot, den bladeren van Booterbloemen ghelijck, en meerder weesende. Sijn bloemen zijn blauw ende dijen volghen becxkens naer, ghelijck aen die ander. Die wortel es lanck ende dick met veel veselinghen.

 

Plaetse.

Dese cruyden wassen van selfs in santachtighen magheren grondt by den weghen ende aen de canten vanden corenvelden, dat Robrechts cruyt oock by oude mueren ende op oude daecken. Die twee laetsten, worden hier te landen meest in die hoven ghevonden, daer zij gheplant worden.

 

Tijt.

Sy bloeyen meest in Meye, ende in Braeckmaent, ende som in Aprill, sonderlinghe dat ierste Oyevaersbeck.

 

Naem.

Alle ses dese cruyden worden met eenen naem in Griecx Geranium, dat es in Latijn Gruina oft Gruinalis ghenaempt.

Dat ierste gheslacht heet in die Apoteke Rostrum ciconiae, Acus pastoris, en Acus muscata. In Hoochduytsch Storckenschnabel. In onser talen Oyevaertsbeck oft Cranenbeck

Dat tweede wordt gheheeten Geranium alterum, Geranium columbinum, en Pes columbae. In Hoochduytsch Daubenfusz. In neerduytsch Duyven voet. (LVI)

3 Dat derde gheslacht van desen cruyden es by den ouders een gheslacht van Sideritis, ende wordt van Dioscorides gheheeten Siderites tertia, ende oock Sideritis heraclea, nu tertijt heetet Herba Roberti en Robertiana, oft Geranium Robertianum. In Hoochduytsch Ruprecht kraut, Scharten kraut ende van sommighen klein Scholwurtz, hier te lande Robrechts cruyt.

4 Tvierde heet Gruinalis ende Geranium Gruinale. In duytsch, Kranichhals, ende Craenhals.

5 Tvijfste wordt ghenaempt Blutwurtz ende bloet wortele ende daer naer Geranium Haematodes.

6 Tseste wordt gheheeten Gratia Dei, Gods gnad, hier te lande Gods ghenade ende blauw Booterbloemen, ende daer naer nu, Geranium batrachiodes.

 

Natuere.

Dese cruyden zijn van natueren meest al verdrooghende, som oock suyverende ende heylende, maer seer luttel worden zy ghebruyckt.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Die wortel van dat ierste Oyevaersbeck met wijn in ghenomen, verdrijft ende gheneest dat opblasen en die winden vander moeder, ende lost die urine, en es goet den ghenen die met den steen ghequelt zijn.

B. Dat tweede (naer dat die oude meesters schrijven) en es in der medecijnen niet oirboorlijck, nochtans zoo worddet heden daechs ghepresen tot alderhande wonden ende sweeringhe daer op gheleyt.

3 C. Trobrechts cruyt stelpt dat bloeyen van den verschen wonden, ghestooten ende daer op gheleyt, als Dioscorides schrijft.

D. Tselve cruyt, ghelijck nu ter tijt bevonden es, es seer goet voor die sweeringhen van den borsten ende scamelijcke leden, sonderlinghe vander manlijcheyt, ghestooten ende daer op gheleyt oft het sap daer inne ghedaen.

E. Dwater daer Robrechts cruyt in ghesoden es, gheneest die vuyle sweerende en stinckende monden, als zy daer mede ghespoelt worden.

F. Die andere drije en hebben gheen sonderlinghe ghebruyck.

Van Ooievaarsbek, kap.XXX

 

 

Geslacht en verschil.

Je vindt hier te lande zes soorten kruiden die lange en scherpe zaden als ooievaarsbekken dragen die daarom onder een naam en geslacht van ooievaarsbek begrepen worden. Hiervan zijn de twee eerste door Dioscorides en andere ouders beschreven, de vier anderen door de geleerden van deze tijd.

 

Vorm.

Geranium primum of ooievaarsbek.

Geranium alterum of duivenvoet.

(Erodium moschatum, Geranium columbium)

De eerste ooievaarsbek heeft tere, roodachtige en haarachtige steeltjes die met kleine, zeer gekloven en gekerfde bladeren begroeid zijn die voor de stelen komen en op de aarde uitgespreid liggen. Zijn bloempjes zijn mooi Brazilië rood. Ze vergaan in kleine ronde bolletjes met lange bekken als naalden van de ooievaars- of kranenbekken waarvan er drie of vier naast de andere staan en daarin ligt het zaad. De wortel is rond, wit en vingers lang, van smaak zoet en de rapunzel gelijk.

2 De tweede, die duivenvoet genoemd wordt, heeft ook tere, dunne haarachtige en bruine steeltjes, maar zijn bladeren zijn de bladeren van de allerkleinste maluwe gelijk en rondom gekerfd. Zijn bloempjes zijn klein en paarsachtig, dat worden ook kleine hoofdjes met bekken, maar niet zo groot of lang als de eerste.

 

Sideritis aut Geranium Robertianum, Robertskruid. 

Geranium gruinale of kraanhals.

(Geranium robertianum, Erodium cicutarium)

3 Het derde geslacht heeft ook haarachtige stelen als de anderen, maar ze zijn heel rood en met veel leden en knopen. Zijn bladeren zijn zeer gesneden en lijken op de kervel of koriander bladeren, maar roder en van reuk onaangenamer. De bloempjes zijn ook rood en brengen kleine bolletjes voort als hoofdjes met scherpe bekken. De wortel is groenachtig.

4 Kraanhals, het vierde geslacht, is de voorgeschreven van haarachtige steeltjes, rode bloempjes en scherpe bekken zeer gelijk, maar de bladeren zijn dieper en meer in gesneden en er zijn meer bloemen.

 

 

Geranium haematodes of bloedwortel.

Geranium batrachiodes of blauwe boterbloem.

(Geranium sanguineum, Geranium pratense)

Bloedwortel is het vierde geslacht van dunne, tere en haarachtige stelen met diep gekerfde bladertjes, bloemen en takjes gelijk, uitgezonderd dat de stelen van bloedwortel hoger en langer groeien, de bladeren groter, de bloemen groter en op een klein roosje lijken en de wortel lang en meestal van binnen heel bruinrood is.

De zesde heeft ook lange, roodachtige en haarachtige stelen, maar zijn bladeren zijn groot en lijken op de bladeren van boterbloemen en groter. Zijn bloemen zijn blauw en daarna volgen de bekken net als bij de anderen. De wortel is lang en dik en met veel worteltjes bezet.

 

Plaats.

Deze kruiden groeien vanzelf in zandachtige, magere grond bij de wegen en aan de kanten van de korenvelden. Het Robertskruid ook bij oude muren en op oude daken.

De twee laatste worden hier te landen meestal in de hoven gevonden waar ze geplant worden.

 

Tijd.

Ze bloeien meestal in mei en in juni en soms in april, vooral de eerste ooievaarsbek.

 

 

Naam.

Alle zes kruiden worden met een naam in Grieks Geranium genoemd, dat is in Latijn Gruina of Gruinalis.

Het eerste geslacht heet in de apotheken Rostrum ciconiae, Acus pastoris en Acus muscata. In Hoogduits Storckenschnabel. In onze taal ooievaarsbek of kranenbek.

De tweede wordt Geranium alterum, Geranium columbinum en Pes columbae genoemd. In Hoogduits Daubenfusz. In Nederduits duivenvoet.

3 Het derde geslacht van deze kruiden is door de ouders onder een geslacht van Sideritis gesteld en wordt door Dioscorides Siderites tertia genoemd en ook Sideritis heraclea. Tegenwoordig heet het Herba Roberti en Robertiana of Geranium Robertianum. In Hoogduits Ruprecht kraut, Scharten kraut en door sommige klein Scholwurtz, hier te lande Robertskruid.

4 De vierde heet Gruinalis en Geranium Gruinale. In Duits Kranichhals en Craenhals

5 De vijfde wordt Blutzurtz en bloedwortel genoemd en daar naar Geranium Haematodes.

6 De zesde wordt Gratia Dei, Gods genade genoemd, hier te lande Gods genade en blauwe boterbloem en daar naar nu Geranium batrachiodes.

 

 

 

Natuur.

Deze kruiden zijn van naturen meestal verdrogend, soms ook zuiverend en helend. Ze worden maar zeer weinig gebruikt.

 

 

Kracht en Werking.

Als de wortel van de eerste ooievaarsbek met wijn ingenomen wordt verdrijft en geneest het opblazing en de winden van de baarmoeder, lost de urine en is goed voor diegene die met de steen gekweld zijn.

De tweede (naar dat die oude meesters schrijven) is in de medicijnen niet gebruikelijk, toch wordt het tegenwoordig geprezen tegen allerhande wonden en zweren als het daarop gelegd wordt.

3 Het Robertskruid stelpt het bloeden van de verse wonden als het gestampt en daar op gelegd wordt zoals Dioscorides schrijft.

Hetzelfde kruid, zoals nu tegenwoordig bevonden wordt, is zeer goed tegen de zweren van de borsten en schaamdelen en vooral van de manlijkheid als het gestampt en daarop gelegd of het het sap daar in gedaan wordt.

Het water waar Roberts kruid in gekookt is geneest de vuile, zwerende en stinkende monden als het daar mee gespoeld worden.

De andere drie hebben geen gebruik.

 

 

 .

 

Van Melc cruyt. Cap. XXXI.

 

Tgheslacht.                         

Melckcruyt daer wy hier af schrijven, es tweederleye, met naeme ende fatsoene verscheyden. Dat ierste wordt gheheeten Melckcruyt. Dat tweede Cruysbloemkens.

(LVII)

Glaux.                        Poligala.

Melckcruyt.   Cruijsbloemkens.

 

Tfatsoen.

At ierste Melckcruyt heeft cleyn teere steelkens eenen halven voet hooghe, veele van eender wortelen voortcomende, daer aen cleyn lanckachtighe bladerkens wassen ghelijck den cleynen ende besonderen bladerkens van den linsen, ende zijn van beneden witter dan van boven. Die bloemkens comen tusschen die bladeren voort, van fatsoene den Felieren bloemkens ghelijck, maer veel mindere, purpurachtich ende lijfveruwich root van coluere. Die wortel es dun faselachtich ende voortcruypende.

Dat ander datmen Cruijsbloemkens nuempt, es een cleyn cruydeken, met dunne, taye houtachtighe steelkens, ontrent een palme lanck, op der aerden cruypende, met smalle cleyne bladerkens, ghelijck den Linsen oft cleyne Hysope bladerkens becleet, ende aen die selve dunne steelkens wassen cleyn bloemkens veel by een, van grootte en fatsoene den Grysecoms bloemen niet seer onghelijck, van veruwe som bruynpersch, som hemelblauw, en som sneewit, sonder eenighen rueck ende als die afghevallen zijn zoo wassen daer breede teskens, ghelijck aen Teskens cruyt, maer mindere, over beyde zijden met cleyn bladerkens, ghelijck vlueghelkens bedeckt. Die wortel es dun en houtachtich.

 

Plaetse.

Dat ierste Melckcruyt wast in soute neer waterachtighe plaetsen by die Zee gheleghen, ende in Zeelant worddet al om veel ghevonden. Die Cruijsbloemkens wassen op dorre heyden, en ontrent den weghen.

 

Tijt.

Melckcruyt bloeyet in Braeckmaent ende Hoymaent. Cruijsbloemkens bloeyen in Meye, ontrent den Cruijsdaghen, ende daer omme worden zy Cruijsbloemkens gheheeten, als Hieronymus Bock schrijft. (LVIII)

 

Naem.

Dierste wordt in Griecx ende Latijn Glaux en Galax gheheeten, dat in duytsche Milchkraut en Melckcruyt te segghen es.

Dat tweede heet Polygala, dat es veel Melckscruyt, met welcken naem dattet niet bekent en es, want in duytsch worddet Cruijsbloeme gheheeten.

 

Natuere.

Beyde dese cruyden zijn werm en vochtich als Galenus schrijft.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Dat ierste Melckcruyt in spijse, dranck, oft eenighe pottagie, oft sop inghenomen, maeckt overvloedicheyt van soch ende van melck, ende es seer goet den voesters ghebruyckt die luttel sochs in huer borsten hebben.

B. Dijsghelijck werck doen oock die Cruijsbloeme, met bladeren ende bloemen inghenomen.

Van Melkkruid, kap.XXXI

 

Het geslacht

Van melkkruid, waar wij hier van schrijven, zijn er twee soorten die met naam en vorm verschillend zijn. De eerste wordt melkkruid genoemd. De tweede kruisbloemen.

 

Glaux of melkkruid.

Poligala of kruisbloemen.

(Glaux maritima, Polygala vulgaris)

 

Vorm.

Het eerste melkkruid heeft kleine, tere steeltjes die een vijftien cm hoog worden waarvan er veel van dezelfde wortel komen. Daaraan zitten kleine, langachtige bladertjes net als de kleine en aparte blaadjes van de linzen, ze zijn van beneden witter dan van boven. De bloempjes komen tussen de bladeren voort. Van vorm lijken ze op vlierbloempjes, maar veel kleiner en zijn purperachtig en vleeskleurig rood van kleur. De wortel is dun, vezelachtig en kruipend.

De andere, die men kruisbloemen noemt, is een klein kruidje met dunne, taaie, houtachtige steeltjes die ongeveer een tien cm lang worden en op de aarde kruipen. Het is met smalle kleine bladertjes bekleed, net als de linzen of kleine hysop bladertjes. Aan diezelfde dunne steeltjes groeien kleine bloempjes veel bijeen, van grootte en vorm lijken ze op de aardrook bloemen, van kleur zijn ze soms bruinpaars, soms hemelblauw en soms sneeuwwit en zonder enige reuk. Als die afgevallen zijn dan groeien daar brede tasjes net als aan tasjes kruid maar kleiner die aan beide zijden met kleine bladertjes als met vleugeltjes bedekt zijn. De wortel is dun en houtachtig.

 

 

 

Plaats.

Het eerste melkkruid groeit in zoute, lage, waterachtige plaatsen die bij de zee zijn gelegen. In Zeeland wordt het overal veel gevonden.

De kruisbloemen groeien op dorre heide en bij de wegen.

 

 

Tijd.

Melkkruid bloeit in juni en augustus. Kruisbloemen bloeien in mei, ongeveer rond de Kruisdagen en daarom worden ze kruisbloempjes genoemd zoals Hiëronymus Bock schrijft.

 

Naam.

De eerste wordt in Grieks en Latijn Glaux en Galax genoemd, dat is in Duits Milchkraut en melkkruid. De tweede heet Polygala, dat betekent veel melkkruid met welke naam dat het niet bekend is want in Dietsche wordt het kruisbloem genoemd.

 

 

Natuur.

Beide deze kruiden zijn warm en vochtig als Galenus schrijft.

 

Kracht en Werking.

Het eerste melkkruid dat in eten, drank of enige stamppot of sap wordt ingenomen maakt een overvloed van zog en van melk en is zeer goed om door de voedsters gebruikt te worden die weinig zog in hun borsten hebben.

Hetzelfde werk doen ook de kruisbloemen die met bladeren en bloemen ingenomen worden.

 

 

 

 .

 

Van Glascruyt. Cap. XXXII.

 

Tfatsoen.

Helxine seu Parietaria.          Glascruyt.

Arietaria heeft ronde teere doerschijnende bruynroode stelen, ende daer aen rouwe breetachtighe bladeren, den bladeren van Mercuriael schier ghelijck, maer niet rontsomme ghekerft. Sijn bloemen zijn cleyn en wassen tusschen die bladeren aen die stelen. Tsaet es swert en seer cleyne, ende leyt in scerpe rouwe huyskens die aen de cleederen blijven hanghen. Die wortel es rootachtich. (LIX)

 

Plaetse.

Glascruyt wast gheerne by die tuynen, mueren, en aen die weghen.

 

Tijt.

Tbloeyet meest in Hoymaent.

 

Naem.

Dit cruyt heet in Griecx Helxine en Perdicion. In Latijn Muralium Perdicium en Urceolaris, ende van sommighen Parietaria Muralis en perdicalis. In der Apoteken Paritaria. In Hoochduytsch Tag und nacht, Sant Peters kraut, Maur kraut. Hier te lande Paritarie en Glascruyt. In Franchois Parietaire.

 

Natuere.

Paritarie es wat cout en vochtich van natueren, der middel ende matighe natuere seer ghelijck.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Glascruyt es goet teghen dwilt vier, verbrantheyt ende alle hittighe sweeringhen ende ghezwillen, ghestooten ende daer op gheleyt.

B. Een salve van tsap van dese cruyden met Ceruijsse ghemaeckt, es seer goet teghen alle heete voorts etende sweringhen, ende heete brandighe puysten en dijsghelijcken sweeren.

C. Tselve sap met Bocken ruet ghemenghelt, es goet teghen die pijne van fledercijn, sonderlinghe in die voeten daer op ghestreken.

D. Dit selve sap met olie van Roosen ghemenght, versuet die pijne en weedom der ooren, daer in ghedruypt. Parietarie ghesoden ende ghedroncken, es goet teghen den ouden hoest, graveel, rijsende steen, en teghen die droppelpisse ende verstoptheyt vander urinen, ende es teghen die selve ghebreken van der blasen, niet alleen goet van binnen inghenomen, maer oock in water ghesoden, es goet en seer behulpich van buyten, werm op die blase gheleyt.

Van Glaskruid, kap. XXXII

 

 

Vorm.

Helxine seu Parietaria of glaskruid.

(Parietaria officinalis)

Parietaria heeft ronde, tere, doorschijnende en bruinrode stelen. Daaraan komen ruwe en breedachtige bladeren die op de bladeren van bingelkruid lijken, maar niet rondom gekerfd zijn. Zijn bloemen zijn klein en groeien tussen de bladeren aan de stelen. Het zaad is zwart en zeer klein en ligt in scherpe, ruwe huisjes die aan de kleren blijven hangen. De wortel is roodachtig.

 

Plaats.

Glaskruid groeit graag bij de tuinen, muren en aan de wegen.

 

Tijd.

Het bloeit meestal in augustus.

 

Naam.

Dit kruid heet in Grieks Helxine en Perdicion. In Latijn Muralium Perdicium en Urceolaris en door sommige wordt het Parietaria Muralis en Perdicalis genoemd. In de apotheken Paritaria. In Hoogduits Tag und nacht, Sant Peters kraut en Maur kraut. Hier te lande paritarie en glaskruid. In Frans parietaire.

 

Natuur.

Parietaria is wat koud en vochtig van natuur, de middelmatige natuur zeer gelijk.

 

 

Kracht en Werking.

Glaskruid is goed tegen het wild vuur, verbranding en alle hete zweren en gezwellen als het gestampt en daar opgelegd wordt.

Een zalf van het sap dat van dit kruid met loodwit gemaakt is is zeer goed tegen alle hete voort etende zweren, hete brandende puisten en dergelijke zweren.

Hetzelfde sap dat met bokkenvet gemengd is, is goed tegen de pijn van jicht, vooral in de voeten als het daar op gestreken wordt. Hetzelfde sap dat met olie van rozen gemengd is verzacht de pijn en smart van de oren als het daarin gedruppeld wordt. Parietaria die gekookt en gedronken wordt is goed tegen de oude hoest, nierstenen, rijzende steen en tegen de druppelplas en verstopping van de urine.

Het is tegen diezelfde gebreken van de blaas niet alleen goed om dit van binnen in te nemen maar ook in water gekookt goed en zeer behulpzaam om van buiten warm op de blaas te leggen.

 

 

 .

 

Van Muer. Cap. XXXIII.

 

Tgheslacht.

HOe wel dat Dioscorides en Plinius maer van een gheslacht van desen cruyden gheschreven hebben, zoo worden nochtans hier te lande al om ghevonden drijerleye cruyden die onder den naem Alsine ende Muer begrepen worden, sonder noch dat vierde dat in die soute landen ghevonden wordt, van den welcken dat ierste dat oprecht Alsine es van Dioscorides ende die ouders beschreven. (LX)

 

Tfatsoen.

Alsine maior.  Alsine media.

Groote Muer.  Middel muer.

GRoote Muer heeft veele dunne ronde gheknoopte recht op wassende stelen. Die bladeren wassen aen die ledekens en knoopkens van den stelen, altijt twee teghen een, ende zijn grootachtich, somtijts by naer twee vingheren breet, van fatsoene den bladeren van Parietaria niet seer onghelijck, maer langher ende min hayrachtich. Tusschen die bladeren aen dopperste van den stelen comen cleyn corte steelkens voort, met cleyn knopkens, dat cleyn witte ghesneden bloemen worden, naer den welcken lanckachtighe ronde huyskens wassen daer in dat het saet leyt. Dit heel cruyt en es van wesen en fatsoene den Glascruyt niet seer onghelijck want sijn stelen zijn oock claer ende ontrent den knooppen rootachtich, ende die bladeren schier van eender grootte: alzoo dat Dioscorides schrijft, dat desen Muer soude Glascruyt wesen, ten waere dat hy neerder en min hayrachtich waere en langher bladeren hadde.

2 Dat tweede, en middel Muer es den voorschreven grooten Muer ghelijck, maer mindere ende niet recht op wassende, maer lancx der aerden cruypende en vlidderende. Sijn bladerkens zijn veel mindere, en wassen oock twee teghen een wt een ledeken. Die bloemkens, hauwkens, en saet, zijn ghelijck aen den grooten Muer. Die wortel es veele dunne hayrachtighe faselinghen. (LXI)

 

Alsine minor. Cleyn Muer.

At derde en alder cleynste Muer es den tweeden niet seer onghelijck, maer in alder manieren veel mindere alzoo cleyn wesende dat zijn steelkens ghelijck draykens zijn ende zijn bladerkens ghelijck cleyne Thymus bladeren, anders den voorschreven sonderlinghe den tweesten ghelijck.

4. Van desen Mueren wordt noch een andere vierde gheslacht ghevonden, alleen in soute gronden wassende, dat van gheknoopte stelen, en bladeren, den anderen Mueren sonderlinghe den tweeden ghelijck es, maer sijn stelen zijn dicker, corter, ende die knoopen staen naerder by een. Die bladeren zijn dicker, en die hauwkens en zijn niet lanckworpigh, maer platachtich, ront ende wat cantich, ghelijck een groote erwte, voortbringhende bruyn saet drije oft vier in een hauwken, elck schiet alzoo groot als een cleyn vitse.

 

Plaetse.

Groote Muer wast in donckere en vochtachtighe plaetsen in die haghen en hegghen tusschen andere cruyden, ende in ghelijcken plaetsen wassen oock die twee andere, maer dat vierde en wast niet dan in soute gronden by der zee gheleghen.

 

Tijt.

Dese cruyden bloeyen meest al in dmiddel van den zoomer.

 

Naem.

1. Muer, en sonderlinghe die groote Muer wordt in Griecx ende in Latijn gheheeten Alsine, ende van sommighen dees tijts Hippia maior. In die Apoteke es zy onbekent.

2.3. Dat tweede en derde heet in die Apoteke Morsus gallinae en oock Hippia minor. In Hoochduytsch Voghelkraut, en Hunderbisz. In Neerduytsch Voghelcruyt Hoenderbeet ende cleynen Muer. In Franchois Morgeline

4 Dat vierde in die soute gronden wassende, hebben wy Alsine Marina, dat es zee Muer ghenaempt.

 

Natuere.

Muer es cout en vochtich van natueren den Glascruyt seer ghelijck, als Galenus schrijft.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Groote Muer es seer goet teghen die verhitheyt der ooghen ende alle hittighe sweeringhen, der selver ghestooten en daer op gheleyt, oft het sap van den selven, daer op ghestreken. (LXII)

B. Tselve cruyt in der selver manieren ghebruyckt, es oock seer goet gheleyt op alderhande heete quade sweeringhen, ende sonderlinghen van scamelijcken leden.

C. Tsap es oock goet in die ooren ghedruypt, teghen die pijne en weedom der ooren.

2,3 D. Cleyne Muer, ende sonderlinghe die middel Muer, es een seer goet cruyt tseghen hittighe scorftheyt van der handen, alsment met wat souts in water ziedt ende die handen daer inne dickwils bayet.

4 E. Die Zee Muer en wordt niet ghebruyckt.

Van Muur, kap. XXXIII

 

Het geslacht

Hoewel Dioscorides en Plinius maar van een geslacht van dit kruid geschreven hebben, toch worden er hier te lande algemeen drie soorten kruiden gevonden die onder de naam Alsine en muur begrepen worden. Verder noch een vierde die in de zoute landen gevonden wordt. De eerste is de echte Alsine die door Dioscorides en de ouders beschreven is.

 

 

Vorm.

Alsine maior of grote muur.

Alsine media of middelste muur.

(Stellaria holostea, Stellaria media)

Grote muur heeft vele dunne, ronde, geknoopte en rechtop groeiende stelen. De bladeren groeien aan de leden en knopen van de stelen en staan altijd twee tegen een. Ze zijn vrij groot en soms bijna twee vingers breed, van vorm lijken ze veel op de bladeren van Parietaria, maar langer en minder haarachtig. Tussen de bladeren aan de top van de stelen komen kleine, korte steeltjes voort met kleine knopjes die kleine, witte en gesneden bloemen worden. Daarna groeien langachtige, ronde huisjes waarin het zaad ligt. Dit hele kruid is van wezen en vorm het glaskruid vrij gelijk want zijn stelen zijn ook helder en rond, de knoppen roodachtig en de bladeren vrijwel van dezelfde grootte zodat Dioscorides schrijft dat deze muur het glaskruid zou zijn ware het niet dat het lager en minder haarachtig is en langere bladeren heeft.

2 De tweede en middelste muur is de voorgeschreven grote muur gelijk, maar kleiner en groeit niet rechtop maar kruipt langs de aarde. Zijn bladertjes zijn veel kleiner en groeien ook twee tegen een uit een lid. De bloempjes, hauwtjes en zaad zijn gelijk aan de grote muur. De wortel is vele dunne, haarachtige worteltjes.

 

 

Alsine minor of kleine muur.

(Cerastium arvense)

De derde en allerkleinste muur is de tweede vrij gelijk maar in alle vormen veel kleiner en zo klein dat zijn steeltjes als draadjes zijn en de bladertjes als kleine tijmbladeren zijn, anders de voorgeschreven en vooral de tweede gelijk.

Van deze muren wordt noch een andere, een vierde geslacht gevonden die alleen in zoute gronden groeit die van geknoopte stelen en bladeren de andere muren, vooral de tweede, gelijk is, maar zijn stelen zijn dikker, korter, en de knopen staan dichter bijeen. De bladeren zijn dikker en de hauwtjes zijn niet langwerpig, maar platachtig rond en wat kantig, als een grote erwt. Het brengt bruin zaad voort waarvan er drie of vier in een hauwtje zitten en elk is vrijwel zo groot als een kleine vitse. (Honckenya peploides)

 

Plaats.

De gote muur groeit in donkere en vochtige plaatsen in de hagen en heggen tussen andere kruiden. In dergelijke plaatsen groeien ook de twee andere, maar de vierde groeit alleen in zoute gronden die bij de zee liggen.

 

 

Tijd.

Deze kruiden bloeien meestal in het midden van de zomer.

 

Naam.

Muur, vooral de grote muur, wordt in Grieks en in Latijn Alsine genoemd en door sommige tegenwoordig Hippia major. In de apotheken is het onbekend. De tweede en derde heet in de apotheken Morsus gallinae en ook Hippia minor. In Hoogduits Voghelkraut en Hunderbisz. In Neerduits vogelkruid, hoenderbeet en kleine muur. In Frans morgeline. De vierde die in de zoute gronden groeit hebben wij Alsine Marina, dat is zeemuur genoemd.

 

Natuur.

Muur is koud en vochtig van natuur en vrijwel gelijk als het glaskruid zoals Galenus schrijft.

 

Kracht en Werking.

1 Grote muur is zeer goed tegen de verhitting van de ogen en alle hete zweren als het gestampt en daarop gelegd of het het sap hiervan daar op getreken wordt.

Hetzelfde kruid dat op dezelfde manier gebruikt wordt is ook zeer goed om op allerhande hete en kwade zweren te leggen, vooral van de schamelijke leden.

Het sap is ook goed om in de oren te druppelen tegen de pijn en smart van de oren.

2, 3 Kleine muur en vooral de middelste muur is een zeer goed kruid tegen hete schurft van de handen als je het met wat zout in water kookt en de handen daar dikwijls in wast.

4 Zeemuur wordt niet gebruikt.

 

 

 .

 

Van Muysooren. Cap. XXXIIII.

 

Tfatsoen.

Myosota. Muysooren.

Uysooren es een neer meest lancx die aerde cruypende cruyt, al om met dun en teer hayrken becleet, anders den middelen Muer van fatsoene seer ghelijck, want het heeft veel hayrachtighe stelen van eender wortel voortcomende, die beneden rootachtich oft bruynroot zijn. Sijn bladerkens zijn lanck, rouw, hayrachtich, den ooren van muysen seer ghelijckende, hebbende een verheven ribbeken aen die onderste zijde. Die bloemkens zijn blauw oft wit. Die hauwkens zij lanck ghelijck aen het Voghelcruyt. Die wortel heeft veel veselinghen, die als zy by een vergaert zijn, wel eenen cleynen vingher dick tsamen zijn

2 Noch ester een ander Muysoore die niet en es cruypende, maer recht op staende, tusschen andere cruyden wassende, van stelen en bladeren den andere ghelijck, maer meerder en van coluere wit, met dun hayrachtich wolleken becleet, vet int aentasten, ghelijck oft zy met huenich bedauwt waere, lymende aen die vingher. Die bloemen wassen wt knoppekens ghelijck die andere. Die hauwkens daer tsaet in coempt zijn veel meerder, den bollekens van Jenette bloemen schier ghelijck, ende niet open ghelijck die Muysooren bollekens, maer gheslooten. (LXIII)

 

Plaetse.

Muysooren wassen onder die haghen ende aen die canten vanden velden ende by der straten, ghelijck die Voghelcruyden.

 

Tijt.

Dit cruyt bloeyet in Braeckmaent ende in Hoymaent.

 

Naem.

Om die ghelijckenisse wille die bladeren van desen cruyden met die oorkens vanden Muysen hebben, zoo wordt dit cruyt in Griecx Myosota en in Latijn Auricula muris gheheeten, dat es in Hoochduytsch Meuszorlin, in Neerduysch Muysoore. In Franchois Oreille de souris.

 

Natuere.

Muysoore es sonder eenighe hitte verdrooghende van natueren.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Dit cruyt ghestooten es goet op die wghebroken apostematien ende sweringhen die in die hoecken van den ooghen comen.

B. Van dese cruyden vindt men oock van de ouden Egiptiens gheschreven, dat die, ingaende die Ooghstmaent, tsmorghens eer hy gesproken hadden, met dit cruyt bestreken waeren, dat hy dat iaer gheen leepe oft lekende ooghen hebben en souden.

Van Muizenoor, kap. XXXIIII

 

 

Vorm.

Myosota of muizenoor.

(Myosotis sylvatica en Arenaria serpyillifolia?)

1 Muizenoor is een laag en meestal langs de aarde kruipend kruid dat overal met dunne en tere haartjes bekleed is. Anders is het de middelste muur van vorm zeer gelijk want het heeft veel haarachtige stelen die van een wortel voortkomen die beneden roodachtig of bruinrood is. Zijn bladertjes zijn lang, ruw, haarachtig en lijken op de oren van muizen, ze hebben een verheven ribje aan de onder kant. De bloempjes zijn blauw of wit. De hauwtjes zijn lang net als aan het vogelkruid. De wortel heeft veel worteltjes die als ze bijeen verzameld worden wel een kleine vinger dik tezamen zijn.

2 Ook is er een andere muizenoor die niet kruipt maar rechtop staat en tussen andere kruiden groeit. Het is van stelen en bladeren de andere gelijk, maar groter en van een witte kleur die met dunne haarachtig wolletje bekleed is, vet in het aantasten alsof het met honing bedauwd is, het lijmt aan de vinger. De bloemen groeien uit knopjes als de andere. De hauwtjes, waar het zaad in komt, zijn veel groter, de bolletjes van jenette bloemen vrij gelijk en niet open als de muizenoor bolletjes, maar gesloten.

 

 

Plaats.

Muizenoren groeien onder de hagen en aan de kanten van de velden en bij de straten als de vogelkruiden.

 

Tijd.

Dit kruid bloeit in juni en in augustus.

 

 

Naam.

Vanwege de gelijkenis van de bladeren van deze kruiden met de oortjes van de muizen wordt dit kruid in Grieks Myosota en in Latijn Auricula muris genoemd, dat is in Hoogduits Meuszorlin, in Neerduits muizenoor. In Frans oreille de souris.

 

 

Natuur.

Muizenoor is zonder enige hitte verdrogend van natuur.

 

Kracht en Werking.

Dit gestampte kruid is goed om op de uitgebroken blaren en zweren die in de hoeken van de ogen komen te leggen.

Van deze kruiden vind je ook door de ouden Egyptenaren geschreven dat diegene die, ingaande in september, ’s morgens voor hij gesproken had en met dit kruid bestreken was dat hij dat jaar geen tranende of lekkende ogen hebben zou.

 

 

 .

 

Van Guychelheyl. Cap. XXXV.

 

Tgheslacht.

Uychelheyl es tweederhande, deene heeft roode bloemkens en es manneken gheheeten, dander heeft blauw bloemkens en wordt Guychelheyl wijfken ghenaempt ende anders gheene ondersceet en es tusschen huer beyden.

 

Tfatsoen.

Anagallis mas.   Anagallis foemina. (LXIIII)

Guychelheyl manneken, Guychelheyl wijfken

BEyde die Guychelheylen hebben cleyne teere viercantighe steelkens met veel ledekens, op der aerden uytghespreyt. Huer bladerkens zijn cleyn ghelijck die bladerkens van middel Muer, maer ronder, en zijn van boven gruen en van onder met cleyn swerte stipkens besprayet. Die bloemen zijn root van dat manneken, ende schoon hemelblauw van dat wijfken. Naer dat die bloemen gheresen zijn, zoo wassen daer cleyne ronde knoopkens, ende daer in leyt cleyn sadeken.

 

Plaetse.

Guychelheyl wast aen die canten van den coren velden, in die Moeshoven, ende by den weghen.

 

Tijt.

Tbloeyet alle den zoomer duer, maer meest in Ooghstmaent.

 

Naem.

In Griecx ende in Latijn zoo wordt dit cruyt gheheeten Anagallis, ende als Plinius schrijft van sommighen Corchorus. In Hoochduytsch Gauchheyl, dat es in onser talen Guychelheyl. In Franchois Moron.

 

Natuere.

Guychelheyl es werm en drooch van natueren sonder eenighe scerpheyt.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Guychelheyl in wijn ghesoden ende ghedroncken, es goet teghen die beete van fenijnnighen ghedierten, ende teghen die verstoptheyt van der leveren, ende weedom van der nieren.

B. Tsap van Guychelheyl in die nuese ghedaen, treckt taye fluymachtighe vochtigheden wt den hoofde en opent die nuesgaten, ende en dijer manieren ghebruyckt, es zy oock goet teghen den tantsweer, alsment in die nuese doet van der zijden, daer die pijne niet es.

C. Guychelheyl es seer goet gheleyt op onsuyvere voorts etende ulceratien, en hy suyvert ende gheneest die, hy treckt oock die doornen ende splinters wt, als hy ghewreven oft ghestooten en daer op gheleyt wordt.

D. Dit cruyt es oock seer goet teghen verhitheyt van den ooghen.

E. Tsap daer af met huenich ghemenght, es goet teghen duyster en doncker ghesicht, dicwils in die ooghen ghedruypt.

F. Van dese cruyden wordt gheschreven dat Guychelheyl met den blauwen bloemkens, den eersderm die wt hanght doet in gaen, ende dat die Guychelheyl met den rooden bloemkens, contrarie van dijnen doet ende den eersderm doet wt gaen.

Van Guichelheil, kap. XXXV

 

 

Het geslacht

Van guichelheil zijn er twee soorten, de ene heeft rode bloempjes en wordt mannetje genoemd. De andere heeft blauwe bloempjes en wordt guichelheil wijfje genoemd en anders is er geen verschil tussen hun beiden.

 

 

Vorm.

Anagallis mas of guichelhei mannetje.      Anagallis foemina of guichelheil wijfje.

(Anagallis arvensis is de rode en ssp. foemina, de blauwe)

Beide guichelheilen hebben kleine, tere en vierkantige steeltjes die met veel leden op de aarde uitgespreid liggen. Hun blaadjes zijn klein, als de bladertjes van de middelste muur, maar ronder en zijn van boven groen en van onder met kleine zwarte stipjes besproeid. De bloemen zijn rood van het mannetje en mooi hemelblauw van het wijfje. Nadat de bloemen gevallen zijn groeien daar kleine ronde knopjes en daarin liggen kleine zaadjes.

 

 

Plaats.

Guichelheil groeit aan de kanten van de korenvelden, in de moeshoven en bij de wegen.

 

Tijd.

Het bloeit de hele zomer door maar meestal in september.

 

Naam.

In Grieks en in Latijn wordt dit kruid Anagallis genoemd en zoals Plinius schrijft, door sommige Corchorus. In Hoogduits Gauchheyl, dat is in onze taal guichelheil. In Frans moron.

 

Natuur.

Guichelheil is warm en droog van natuur zonder enige scherpheid.

 

Kracht en Werking.

Guichelheil die in wijn gekookt en gedronken wordt is goed tegen de beten van venijnige gedierten en tegen de verstopping van de lever en smart van de nieren.

Het sap van guichelheil dat in de neus gedaan wordt trekt taaie, fluimachtige vochtigheden uit het hoofd en opent de neusgaten. Als het op die manier gebruikt wordt is het ook goed tegen de tandpijn als je het in de neus doet aan de kant waar geen pijn is.

Guichelheil is zeer goed om op onzuivere, voort etende blaren te leggen, het zuivert en geneest die. Het trekt ook de dorens en splinters uit als het gewreven of gestampt daarop gelegd wordt.

Dit kruid is ook zeer goed tegen verhitting van de ogen.

Het sap hiervan dat met honing gemengd is, is goed tegen duister en slecht zien als het vaak in de ogen gedruppeld wordt.

Van deze kruiden wordt geschreven dat de guichelheil met de blauwe bloempjes de aarsdarm die uithangt laat ingaan en dat de guichelheil met de rode bloempjes het tegengestelde doet en de aarsdarm laat uitgaan.

 

 

Do

 .

 

 

Van Hoenderbeet. Cap. XXXVI.

 

Tgheslacht.

Van dese rouwe hayrachtighe cruyden worden al om tweederleye gheslachten ghevonden, met naeme versceyden, want deene wordt Hoenderbeet ende dandere Hoendererve ghenaempt (LXV)

 

Tfatsoen.

Elatine.     Elatine altera.

Hoenderbeet. Hoender erve.

Oenderbeet  heeft veele ronde hayrachtighe stelen den Muysoren ghelijck. Sijn bladeren zijn rontachtich rouw en hayrachtich, en meest wat ghesneden, anders den bladeren van Muer niet seer onghelijck. Sijn bloemkens zijn blauw oft purpurbruyn, en daer wt comen cleyn besloten knopkens ende daer in leyt dat saet.

2. Dat ander es den voorschreven van hayrachtighen stelen ghelijck, maer zijn bladeren zijn langher, smaelder rontsomme ghekerft. Die bloemkes zijn licht blauw. Tsaet coempt voort in twee breede hauwkens tsamen als een tesken wassende, ghelijck aen Eerenprijs. Die wortel es dun en faselachtigh.

Onder tgheslachte van Hoenderbeet wordt oock, niet te vergheefs, Spuerie gherekent, want die Hoenderen huer saet seer gherne eten ende daer om hebben wy tselve in dit Capittel willen beschrijven. (LXVI)

 

Spergula. Spuerie.

Puerie heeft ronde stelen met drije oft vier knoopkens, aen den welcken veel cleyne seer smalle bladerkens wassen, ghelijck een steerre, rontsomme staen de. Op die soppen van den stelen draghet veel cleyn witte bloemkens, ende als die vergaen, zoo comen daer ronde bollekens voort, ghelijck aen vlas, daer in leyt dat saet dat swert es. Die wortel es dun en vinghers lanck.

 

Plaetse.

Die twee ierste wassen op donckere onghebouwde plaetsen, by den weghen en aen die canten van den velden. Die Spuerie wast oock in ghelijcken plaetsen, ende op die velden daer se ghesayet wordt.

 

Tijt.

Sy bloeyen meest in Meye ende in Braeckmaent.

 

Naem.

1 Die twee ierste van desen cruyden worden in Griecx ende in Latijn Elatine gheheeten, ende van sommighen oock Morsus gallinae. Ende daer naer wordt dat ierste gheheeten in Hoochduytsch Hunerbisz. In onse tale Hoenderbeet. In Franchois Morsgeline

2 Dat tweede heet in Hoochduytsch Hunerserb. In Neerduysch Hoender erve. In Franchois Morsgeline bastarde.

3 Dat derde wordt hier te lande Spuerie gheheeten, ende daer naer worddet in Latijn Spergula ghenaempt, by den ouders en in die Apoteken eest onbekent, ende daer om en hevet anders ghenen naem die ons bekent es.

 

Natuere.

Hoenderbeet es van natueren wat vercoelende, ende tsamen treckende.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Hoenderbeet ende Hoender erve, ghestooten ende met fijn teruwe meel vermenght, (LXVII) zijn seer goet op roode verhitte, ende loopende ooghen ghelijck een plaester gheleyt.

B. Die selve cruyden ghesoden ende ghedroncken, stelpen den loop des buycx ende dat crimpsel.

C. Spuerie es een goet voeder voor ossen en koeyen, ende doet die koeyen veel melcx gheven, ende anders en es van huerder cracht niet bevonden.

Van Hoenderbeet, kap. XXXVI

 

 

Het geslacht

Van deze ruwe, haarachtige kruiden worden overal twee soorten van een geslacht gevonden die verschillend van naam zijn, want de ene wordt hoenderbeet en de andere hoendererve genoemd.

 

Vorm.

Elatine of hoenderbeet.

Elatine altera of hoendererve.

(Cucubalus baccifer of een ruwbladige en Veronica hederifolia)

Hoenderbeet heeft vele ronde en haarachtige stelen die op de muizenoren lijken. Zijn bladeren zijn rondachtig, ruw en haarachtig en meestal wat gesneden, anders de bladeren van muur vrij ongelijk. Zijn bloempjes zijn blauw of purperbruin en daaruit komen kleine opgesloten knopjes en daarin ligt het zaad.

De andere is de voorgeschreven van haarachtig gelijk, maar zijn bladeren zijn langer, smaller en rondom gekerfd. De bloempjes zijn lichtblauw. Het zaad komt voort in twee brede hauwtjes die tezamen als een tasje groeien gelijk als bij ereprijs. De wortel is dun en vezelachtig.

Onder het geslacht van hoenderbeet wordt ook niet tevergeefs spurrie gerekend omdat de hoenderen haar zaad zeer graag eten en daarom hebben wij dit in dit kapittel willen beschrijven.

 

Spergula of spurrie.

(Spergula arvensis)

Spurrie heeft ronde stelen met drie of vier knopen waaraan veel kleine en zeer smalle bladertjes groeien die er als een ster rondom staan. Op de toppen van de stelen draagt het veel kleine witte bloempjes. Als die vergaan dan komen daar ronde bolletjes voort net als dat van vlas en daarin ligt het zaad dat zwart is. De wortel is dun en vingers lang.

 

 

Plaats.

De twee eerste groeien op donkere ongebouwde plaatsen, bij de wegen en aan de kanten van de velden. Spurrie groeit ook op dergelijke plaatsen en op de velden waar het gezaaid wordt.

 

 

Tijd.

Ze bloeien meestal in mei en in juni.

 

 

Naam.

1 De twee eerste van deze kruiden worden in Grieks en in Latijn Elatine genoemd en door sommige ook Morsus galinae. En daar naar wordt de eerste in Hoogduits Hunerbisz genoemd. In onze taal hoenderbeet. In Frans morsgeline.

2 De tweede heet in Hoogduits Hunerferb. In Nederduits hoendererve. In Frans morsgeline bastarde.

3 De derde wordt hier te lande spurrie genoemd en daar naar wordt het in Latijn Spergula genoemd. Bij de ouders en in de apotheken is het onbekend en daarom heeft het geen andere naam die ons bekend is.

 

Natuur.

Hoenderbeet is van naturen wat verkoelend en tezamen trekkend.

 

Kracht en Werking.

Hoenderbeet en hoendererve die gestampt en met fijn tarwemeel vermengd zijn zijn zeer goed om op rode, verhitte en lopende ogen als een pleister gelegd te worden.

Dezelfde kruiden die gekookt en gedronken worden stelpen de loop van de buik en de krampen.

Spurrie is een goed voer voor ossen en koeien en laat de koeien veel melk geven en anders is van haar kracht niets ondervonden.

 

 

 

 .

 

Van Agrimonie. Cap. XXXVII.

 

Tfatsoen.

Eupatorium. Agrimonie.

Grimonie heeft langhe aschveruwighe hayrachtighe bladeren in veele andere cleyne bladeren verdeylt, die rontsomme ghekerft zijn, ende den bladeren van Kempe schier ghelijcken. Sijnen steel es twee voeten oft meer lanck, rouw, hayrachtich, en daer aan wassen veel cleyne geele bloemkens deen boven dandere, naer de welcke voortcoempt lanckachtich rouw saet, ghelijck cleyne Cliskens nederwaerts hanghende, die als zy rijp zijn aen die cleederen blijven hanghen, als zy daer mede gheruert worden. Die wortel es grootachtich, lanck en swert. (LXVIII)

 

Plaetse.

Agrimonie wast op ongheboude plaetsen, op rouwe en steenachtighe berghen, aen die tuynen, en by den weghen, en in sommighe bosschen.

 

Tijt.

Agrimonie bloeyet in Braeckmaent ende in Hoymaent. In Ooghstmaent wordt huer saet rijp ghevonde. In Meye salmen die Agrimonie plucken en drooghen, diemen in der medecijnen ghebruycken wilt.

 

Naem.

Agrimonie heet in Griecx Eupatorion en Hipatorion. In Latijn Eupatorium en Hepatorium. In der Apoteken Agrimonia van sommighen Ferraria minor, Concordia, en Marmocella.

In Hoochduytsch Odermenig, en Bruckwurtz. In Neerduytsch Agrimonie, ende van sommighen Levercruyt. In Franchois Leupatoire ou Aigrimonie.

 

Natuere.

Agrimonie es subtijl van substantien sonder merckelijcke hitte, suyverende en wat tsamen treckende.

 

Cracht en Werckinghe.

A. Agrimonie ghesoden ende ghedroncken, opent ende suyvert alle verstoptheyt van der leveren, ende maeckt die lever sterck, ende es seer sonderlinghe goet teghen die weeckichheyt van der selver.

B. Agrimonie oock in wijn ghesoden es goet ghedroncken teghen die beeten van die fenijnnighe ghedierten, ende in water ghesoden stelpt zy dat bloetpissen.

C. Tsaet van Agrimonie met wijn ghedroncken es wtnemende goet teghen dat roode melizoen ende den loop des buycx.

D. Die bladeren van Agrimonie ghestooten en met verckens liese ghemenght, heylen ende ghenesen die oude ongheneselijcke wonden al werm daer op gheleyt.

Van Agrimonia, kap. XXXVII

 

Vorm.

Eupatoriumof agrimonia.

(Agrimonia eupatoria)

Agrimonia heeft lange, askleurige en haarachtige bladeren die in vele andere kleine bladeren verdeeld zijn. Ze zijn rondom gekerfd en lijken op de bladeren van hennep. Zijn steel is zestig cm of meer lang, ruw en haarachtig. Daaraan groeien veel kleine gele bloempjes, de een boven de ander. Daarna komt langachtig, ruw zaad voort die als kleine klissen naar beneden hangen en als ze rijp zijn aan de kleren blijven hangen als ze daarmee geraakt worden. De wortel is vrij groot, lang en zwart.

 

Plaats.

Agrimonia groeit op ongebouwde plaatsen, op ruwe en steenachtige bergen, aan de tuinen en bij de wegen en in sommige bossen.

 

 

Tijd.

Agrimonia bloeit in juni en in augustus. In september wordt haar zaad rijp gevonden. In mei moet je Agrimonia plukken en drogen die je in de medicijnen gebruiken wil.

 

 

Naam.

Agrimonia heet in Grieks Eupatorion en Hipatorion. In Latijn Eupatorium en Hepatorium. In de apotheken Agrimonia, door sommige Ferraria minor, Concordia en Marmocella genoemd. In Hoogduits Odarmenig en Bruckwurtz. In Nederduits Agrimonie en door sommigen leverkruid. In Frans leupatoire of aigrimanie.

 

 

Natuur.

Agrimonia is fijn van substantie zonder opmerkelijke hitte, zuiverend en wat tezamen trekkend.

 

Kracht en Werking.

Agrimonia die gekookt en gedronken wordt, opent en zuivert alle verstopping van de lever en maakt de lever sterk en is zeer bijzonder goed tegen de weekheid hiervan.

Agrimonia die ook in wijn gekookt is, is goed om te drinken tegen de beten van de venijnige gedierten. Als het in water gekookt wordt stelpt ze het bloed plassen. Het zaad van Agrimonia dat met wijn gedronken is is uitnemend goed tegen de rode loop en loop van de buik.

De bladeren van agrimonia die gestampt en met varkenslies gemengd zijn helen en genezen de oude ongeneeslijke wonden als het warm daar op gelegd wordt.

 

 

 

 

 .

 

Van Levercruyden. Cap. XXXVIII.      

 

Tgheslachte.

Over cruyden die Levercruyden gheheeten en teghen die ghebreken der leveren ghepresen worden, zijn veel gheslachten, van den welcken wy in dit Capittel drije beschrijven, den ouders onbekent, waer af die twee ierste zijn die Boelkens cruyden: Dat derde dat edel Levercruyt. (LXIX)

 

Pseudohepatorium mas. Pseudohepatorium foemina.

Boelkens cruyt manneken, Boelkens cruyt wijfken.

Oelkens cruyt manneken heeft ronde langhe stelen binnen met wit merch ghevult, ende daer aen wassende langhe bladeren van coluere doncker gruen, die wat rouw en hayrachtich ende rontsomme ghekerft ende ghesneden zijn by naer ghelijck die bladeren van Kempe, van smaecke bitter. Op tsop van den steele wassen veele cleyne lijfveruwighe bloemkens in een ghedronghen, die als zy rijp zijn ende in saet verandert, met den winde wech vlieghen en stuyven. Die wortel heeft veel veeselinghen.

2. Boelkens cruyt wijfken heeft oock eenen ronden bruynrooden steel, ontrent drije voeten hooch wassende, met veele zijde scueten en tacken. Sijn bladeren zijn lanck en rontsomme ghekertelt, den bladeren van kempe en van den anderen Boelkens cruyt ghelijck maer wat breeder. Aen den sop van den stelen wassen vier oft vijf cleyne bladerkens by een, ende rontsomme den steel ghelijck een steerre, en tusschen dijen coempt voort eenen knop voortbringhende een bloeme van coluere geel met swert vermenght, inden welcken als die bloeme vergaet, saet wast dat lanck, plat, en rouw es, en aen die clederen (alst rijp es) blijft hanghende. Die wortel es faselachtich hier en daer wtghespreyt. (LXX)

 

Hepatica. Edel levercruyt.

Ddel 3. Levercruyt heeft breede bladeren in drijen verdeelt, den bladeren van Coeckoecsbroot niet seer onghelijck, maer veel meerder. Tusschen die bladeren wassen cleyne steelkens ende daer op schoone hemelblauwe bloemkens, op elck steelken een, naer die welcke cleyne bollekens wassen, daer in leyt dat saet. Die wortel es swert en veeselachtich.

                                  

Plaetse.

Boelkens cruyden wassen op vochtighe plaetsen by den grachten ende staende wateren. Dat Edel Levercruyt en wast hier te lande niet van selfs, maer wordt in die hoven gheplant.

 

Tijt.

Boelkens cruyden bloeyen in Hoymaent ende in Ooghstmaent, maer dat Edel Levercruyt bloeyet seer vrooch in Meerte.

 

Naem.

1 Dat Boelkens cruyt manneken wordt in die Apoteke Eupatorium gheheeten, en voor dat rechtvaerdich Eupatorium in voorgaende Cap. beschreven, niet sonder dwalinghe ghebruyckt. Die gheleerden dees tijts nuement Pseudohepatorium en Eupatorium aquaticum oft Adulterinum. In Hoochduytsch heetet Kumgundkraut, Wasser dost en Hirssen clee. In Neerduytsch Coninghinne cruyt, Herts claveren, en Boelkens cruyt manneken. In Franchois Eupatoire.

2 Dat tweede wordt van ons gheheeten Pseudohepatorium foemina, ende in Duytsch Boelkens cruyt wijfken.

3 Dat derde wordt heden daechs in Latijn gheheeten Hepatica. In Hoochduytsch Leberkraut, Edel Leberkraut en Gulden Klee, en daer naer in onser tale Edel levercruyt.

 

Natuere.

Beyde die Boelkens cruyden zijn werm en drooch van natueren, als hueren bitteren smaeck claerlijck bewijst. Dat Edel Levercruyt es van natueren cout drooghende, en sterckende. (LXXII)

 

Cracht en Werckinghe.

A. Boelkens cruyt manneken, in water oft wijn ghesoden, es goet ende seer sonderlinghe teghen oude verstoptheyt der leveren, ende der milten, ende tgheneest die oude ende verouderde derdedaechse cortsen in dijer manieren inghenomen.

B. Dit selve cruyt ghesoden ende ghedroncken, gheneest oock die quetsuren ende wonden, ende es een seer goet wondecruyt, ghenesende alle inwendighe ende wtwendighe wonden ende quetsuren.

C. Dat Boelkens cruyt wijfken es van ghelijcken werckinghe, ende wordt noch boven dat andere tot den wonden drancken ghepresen.

D. Edel Levercruyt es een seer sonderlinghe medecijne teghen die verhitheyt ende onstekinghe der lever ende alle heete cortsen.

Van Leverkruiden, kap. XXXVIII

 

Het geslacht .

Van de kruiden die leverkruiden genoemd en tegen de gebreken van de lever geprezen worden, zijn vele geslachten. Hiervan zullen wij in dit kapittel er drie beschrijven die bij de ouders onbekend waren. De twee eersten hiervan zijn de boelkens kruiden. De derde is het edele leverkruid.

 

 

Pseudohepatorium mas of boelkenskruidmannetje.

Pseudohepatorium foemina of boelkens kruid wijfje.

(Eupatorium cannabinum, Bidens tripartitia)

Boelkenskruid mannetje heeft ronde en lange stelen die van binnen met wit merg gevuld zijn. Daaraan groeien lange en donker groene bladeren die wat ruw, haarachtig en rondom gekerfd en ingesneden zijn, bijna gelijk als de bladeren van hennep, van smaak bitter. Op de top van de steel groeien vele kleine, vleeskleurige bloempjes ineen gedrongen. Als ze rijp zijn veranderen ze in zaad en vliegen of stuiven met de wind weg. De wortel heeft veel worteltjes.

Boelkenskruid wijfje heeft ook een ronde, bruinrode steel en groeit ongeveer drie voeten hoog met vele zijscheuten en takken. Zijn bladeren zijn lang en rondom gekarteld, ze lijken op de bladeren van hennep en van het andere boelkenskruid, maar zijn wat breder. Aan de top van de stelen groeien vier of vijf kleine bladertjes bijeen rondom de steel als een ster. Hiertussen komt een knop voort die een geel met zwart vermengde bloem voort brengt. Daarin komt als de bloem vergaat zaad dat lang, plat en ruw is en aan de kleren (als het rijp is) blijft hangen. De wortel is vezelachtig en hier en daar uitgespreid.

 

Hepatica of edel leverkruid.

(Hepatica nobilis)

3 Edel leverkruid heeft brede bladeren die in drieën verdeeld en op de bladeren van koekoeksbrood lijken, maar veel groter zijn. Tussen de bladeren groeien kleine steeltjes en daarop mooie hemelblauwe bloempjes, op elk steeltje een. Daarna groeien bolletjes waarin het zaad ligt. De wortel is zwart en vezelachtig.

 

Plaats.

Boelkenskruiden groeien op vochtige plaatsen bij de grachten en staande wateren. Het edel leverkruid groeit hier te lande niet vanzelf maar wordt in de hoven geplant.

 

 

Tijd.

Boelkenskruiden bloeien in augustus en in september, maar het edel leverkruid bloeit zeer vroeg in maart.

 

Naam.

1 Het boelkenskruid mannetje wordt in de apotheken Eupatorium genoemd en foutief voor de echte Eupatorium zoals in het voorgaande kapittel beschreven is gebruikt. De geleerden tegenwoordig noemen het Pseudohepatorium en Eupatorium aquaticum of Adulterinum. In Hoogduits heet het Kumgundkraut, Wasser dost en Hirssen clee. In Nederduits koningin kruid, hartsklaver en boelkenskruid mannetje. In Frans eupatoire.

2 De tweede wordt door ons Pseudohepatorium foemina en in Dietsche boelkenskruid wijfje genoemd.

3 De derde wordt tegenwoordig in Latijn Hepatica genoemd. In Hoogduits Leberkraut, Edel Leberkraut en Gulden Klee en daar naar in onze taal edel leverkruid.

 

 

Natuur.

Beide de boelkenskruiden zijn warm en droog van naturen als hun bittere smaak duidelijk bewijst. Het edel leverkruid is van naturen koud, verdrogend en versterkend.

 

 

Kracht en Werking.

Boelkenskruid mannetje dat in water of wijn gekookt is is vooral goed tegen oude verstopping van de lever en de milt en het geneest de oude en verouderde malaria als het op die manier ingenomen wordt.

Hetzelfde kruid gekookt en gedronken geneest ook de kwetsingen en wonden en is een zeer goed wondkruid, het geneest alle inwendige en uitwendige wonden en kwetsingen.

Boelkenskruid wijfje is van gelijke werking en wordt boven de andere als wonddrank geprezen.

Het edel leverkruid is een zeer goede medicijn tegen de verhitting en ontstekingen van de lever en alle hete koortsen.

 

 

 .

 

Van Heliotropium