Petrus Nylandt,Nederlandtse Herbarius of Kruydt-boek, 1682.

 

Voor-reden

Over den

Nederlantschen Herbarius

Of

Kruydt-boeck,

Aen de

Kruydt-ondersoeckende Leser.

 

 

E dringende nootsakelijckheyt, een Meestresse van ít gebruyck aller dingen, heeft niet sonder reden de redelijcke Schepselen, met veelderhande qualen en gebreecken beladen zijnde, hulpe doen soecken aen die dingen, dewelcke tot haer gesontheytdt voordeeligh konde zijn: Onder dese zijn de Kruyden en Gewassen by onse Voor-Ouders meest in ít gebruyck geweest; soo dat de rechte kennisse daer van niet alleen by een Genees-meester, maer oock by een Apotheker ofte Artzeny-bereyder, en Chrirurgijn ofte Heel-meester nootsakelijck vereyscht wort: Want indiense van dese kennisse ontbloot zijn, wat heeft men anders als merckelijcke schaden en groove misslagen te verwachten? Voorwaer het is een teecken ofte van groote lichtvaerdigheyt, des Menschen edele gesontheydt en leven door onkunde der Genees-middelen aldus in de waegh-schaal te stellen: ofte van grote onwetenheyt en dwaesheyt dese kennisse alleen aen de Kruydt-soeckers, die dickwils omtrent dese sake onervarender als sy selfs zijn, te betrouwen. Ende nademael men het gebruyck, der vreemde kruyden en Droogen, soo veel als ít mogelijck is, behoorde te vermijden, ende in der selver plaetse onse eygen Inlandtse Kruyden, die gemackelijcker en met meerder sekerheyt in haer volle kracht te bekomen zijn, niet vervalscht worden, en nader met den aert onser Inwoonderen over een komen, tot bevorderingh, bewaringh en herstellingh der gesontheyt aen te wenden: waerom ick oock alle de Boomen, Heesteren, Kruyden en Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde, als die in de Hoven der Kruydt-beminnaers op wassen, en naerstelijck onderhouden worden, uyt verscheyde vermaerde naerstige en geleerde Kruydt-beschrijvers by een versamelt, op dat als in een kort begrijp blijcken mochte, dat ons hier te Lande geene ofte weynige Genees-middelen tot bewaringh ende herstellingh van onse gesontheyt en ontbreken: soo dat het onnoodigh is, andere vreemde kruyden en Gewassen in ver gelegen, en seer van onse Climaet verscheyden Landen met groote curieusheyt, en noch meerder onkosten op te soecke ofte over te brengen. Nochtans heb ick tot meerder genoegen des Kruydt-ondersoeckende leser de vreemde Droogen, die gemeenlijck in de Apothekers winckels gebruyckt, en bij de Drogisten te bekomen zijn, hier by gevoeght. Onse eygen Inlandtse Kruyden hebbe ick na de verscheydentheyt der gronden, daerse gemeenlijck gevonden worden, by een gestelt, en de tamme Hof-kruyden onder haer besondere soorten verdeelt, op dat se de Kruydt-soeckers als uyt een Voorschrift ofte Register dies te gemackelijcker sien en bemercken souden, wat voor Kruyden, Planten en Gewassen sy op soodanige plaetsen, alsse betreden, te verwachten hebben. In het beschryven van der Boomen, Kruyden en Planten in ít besonder, hebbe ick de order en voorschrift van andere naeuw-keurige, naerstige, en vermaerde Kruydt-beschrijvers na gevolght: Ten eersten verhalende de Nederduytse en Latijnse naem, waer mede de Boomen, Heesteren, Kruyden en Planten gemeenlijck en meest bekent zijn: Ten tweeden stellende alle de Geslachten of mede-soorten van yder Gewas in ít besonder die hier te lande in ít wilde gevonden ofte in de Hoven onderhouden worden: Ten derden beschrijvende de gedaente ofte kentekenen om de selve te leeren kennen, ende van anderen te onderscheyden: Ten vierden aenwijssende de plaetse, alwaerse hier te Lande meest te vinden zijn: Ten vijfden te kennen gevende den tijdt, wanneerse haer volkomen en beste fleur of wasdom staen: Ten sesten leerende de oeffeninge ofte de maniere om de tamme Boomen, Heesteren, ende Kruyden, yder na sijnen aert, aen te teelen, ende te onderhouden: Ten sevende verhalende de aert, krachten en werckingen der selven; Ende ten laetsten versamelen uytgelesen Genees-middelen tegen veelderhande gebreken des menschelijcken Lichaems dienstigh, en van ervaren Genees-meesters Kruydt-beschrijvers versocht en krachtigh bevonden. Dit alles hebbe ick, om de Kruydt-ondersoeckende Lesers met geen onnoodige beuselingen ofte onnutte twist-reden lastigh te vallen, als mede de swacke Memorie te ondersteunen, in ít korte op het Pampier ontworpen. Versamelt dan hier uyt, waerde leser, ít geen u dienstigh is, behaeght het u niet alles, misschien sal het u alles niet mishagen, want mijn voornemen is niet u schadelijck, maer, veel eer u voordeligh te zijn Ondertusschen vaert wel.

De dringende noodzaak als meesteres van het gebruik van alle dingen heeft niet zonder reden de redelijke schepsels die aan vele soorten kwalen en gebreken lijden zijn hulp te zoeken in die dingen die tot hun gezondheid voordelig konden zijn. Hieronder zijn de kruiden en gewassen bij onze voorouders het meeste in gebruik geweest zodat de echte kennis daarvan niet alleen door een geneesmeester, maar ook door een apotheker of artsenij bereider en chirurg of heelmeester noodzakelijk vereist wordt. Want indien ze deze kennis niet hebben, kan men dan niet opmerkelijke schade en grote fouten verwachten? Voorwaar is het een teken of van grote lichtvaardigheid om de edele gezondheid en leven van de mensen met geneesmiddelen zo door onkunde van de geneesmiddelen in de weegschaal te zetten of vanwege grote onwetendheid en dwaasheid die kennis alleen aan de kruidzoekers over te laten die vaak van deze zaken nog onervaren zijn dan zijzelf.

 

 

 

 

 

 

 

En omdat men het gebruik van de vreemde kruiden en drogen zoveel als mogelijk behoort te vermijden en in hun plaats onze eigen inlandse kruiden te gebruiken die gemakkelijker en met grotere zekerheid in hun volle kracht te verkrijgen zijn en niet vervalst worden en beter naar de aard van onze inwoners overeen komen om de gezondheid te bevorderen of te herstellen waarom ik ook alle bomen, heesters, kruiden en gewassen die zowel in Nederland in het wild als wel die in de hoven van de kruidbeminnaars groeien en vlijtig onderhouden worden van verschillende vermaarde, vlijtige en geleerde kruidbeschrijvers bijeen verzameld zodat alles in het kort begrepen kan worden zodat er hier te lande geen of weinig geneesmiddelen tot behoudt en herstel van onze gezondheid ontbreekt zodat het onnodig is andere vreemde kruiden en gewassen uit ver gelegen en zeer van ons klimaat verschillende landen die vaak zeer bijzonder zijn maar met meer kosten op te zoeken of over te brengen. Nochtans heb ik tot meerder genoegen van de kruidonderzoekende lezer de vreemde drogen die gewoonlijk in de apothekers winkels gebruikt worden en bij de drogisten te krijgen zijn hierbij gevoegd.

Onze eigen inlandse kruiden heb ik naar de verschillen van de grond waar ze gewoonlijk gevonden worden bijeen gezet en de tamme hofkruiden onder hun bijzondere soorten verdeeld zodat ze des te gemakkelijker door de kruidzoekers als uit een voorschrift of register te zien en te herkennen zouden zijn wat voor kruiden, planten en gewassen ze op zulke plaatsen die ze betreden te verwachten hebben.

In het beschrijven van de bomen, kruiden en planten in het bijzonder heb ik de regel en voorschrift van andere nauwkeurige, vlijtige en vermaarde kruidbeschrijvers gevolgd. Ten eerste verhaal ik de Nederduitse en Latijnse naam waarmee de bomen, heesters, kruiden en planten gewoonlijk en het meest bekend zijn.

Ten tweede stel ik alle geslachten of medesoorten van elk gewas in en vooral die hier te lande in het wild gevonden of in de hoven onderhouden worden.

Ten derde beschrijf ik de gedaante of kentekens om die te leren kennen en van anderen te onderscheiden.

Ten vierde wijs ik de plaats aan waar ze hier te lande het meeste te vinden zijn.

Ten vijfde geef ik te kennen de tijd wanneer ze in hun volkomen en beste fleur of groei staan.

Ten zesde leer ik de teelt of de manier om de tamme bomen, heesters en kruiden elk naar zijn aard voort te telen en te onderhouden. Ten zevende verhaal ik van hun aard, krachten en werking.

En tenslotte verzamel ik de uitgelezen geneesmiddelen tegen veel soorten gebreken die voor het menselijke lichaam nuttig zijn en door ervaren geneesmeesters en kruidbeschrijvers onderzocht en krachtig bevonden. Dit alles heb ik om de kruidonderzoekende lezers niet met flauwekul of niet ter zaken doende twisten lastig te vallen als ook om de zwakke memorie te ondersteunen in het kort op het papier ontworpen. Verzamel dan hier uit, waarde lezer, hetgeen u dienstig is en alles behaagt u niet, maar misschien zal het u niet alles mishagen want mijn voornemen is u niets schadelijks maar om u meer voordelig te zijn Ondertusschen: vaart wel.

 

 

In Historiam Plantarum in digenaru,m ŗ

Cl V. PETRO NYLANDT, M. D.

††††††††††††††††††††††††† Adornatam.

 

elga, quid ignotas frutices faelicis EŲi,

Germina quid ficcae suspicis Arabiae ?

Dives opis Natura fuae, nec muneris illic

Largior, effaetos non tulit inde finus

Aspice, quid Patriis passim nascatur in oris,

Quidque fuo faelic munere terra ferat

Haec quoque planites, & aquis obnoxia rura

Non nihil, indigenas quo tueantur, habent.

Haec tua fedulitas, haec est tua. Docte NYYLANDE,

Naturae Batavos quae vetat effes rudes.

Vindice te, longumn neglecta, Batavia mater

Agnoscit, doteis opsa, legitque suas.

††††††††††††††††††††††††† J. v. Broeckhuysen.

 

Namen der Kruydt-beschrijvers ende Genees-meesters in dese Nederlantsen Herbarius of Kruyt-boeck aengeteekent.

 

Aetius.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Mathias Lobel.

Aamatus Lusitanus.†††††††††††††††††††††††† Mesue.

Aandres Caesalpinus.†††††††††††††††††††††† Mizaldus.

Avicenna.†††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Nicolaus Monardus.

Baptista Sardus.††††††††††††††††††††††††††††† Otto Brunfelsus.

Carolus Clusius.††††††††††††††††††††††††††††† Paulus Aegineta.

Casparus Nauhinus.††††††††††††††††††††††† Pterus Forestus.

Castorus Durantus.†††††††††††††††††††††††† Pterus Bayrus.

Christophorus Acosta.†††††††††††††††††††† Petrus Crescentius.

Dioscorides.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Petrus Andreas Mathhiolus.

Dominicus Chabraeus.†††††††††††††††††††† Petrus Potterus.

Felix Platerus.†††††††††††††††††††††††††††††††† Platearius.

Franciscus Ravelingius.†††††††††††††††††† Plinius.

Galenus.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Rembertus Dodonaeus.

Gualtherus Charleton.††††††††††††††††††††† Ruellius.

Joachimus Cammerarius.††††††† ††††††††††††††††† Scribonius.

Johannes Schroderus. ††††††††††††††††††† S. Sethus.

Johannes Fragosus††††††† .†††††††††††††††††††††††† Theophrastus.

Leonardus Guchsius.†††††††††††††††††††††† Valerius Cordus.

 

Inhoudt

Des

Nederlantschen Herbarius ofte Kruyt-boecks.

I.               DEel. Beschrijvende de Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijdt, Oeffeningh, Aert, Krachten, en Medicnael gebruyck van alderhande Boomen, Heesteren, en Boomachtige Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde aengroeyen, als die in de Hoven onderhouden worden.

II.             Deel, Beschryvende alderhande Graen, Mis-gewassen van Koorn, Hauw-vruchten, Kruyden, en Planten, die in de Nederlanden op de Ackers, in drooge Beemden, en langhs de Wegen voortspruyten.

III.           Deel, Beschryvende alderhande Kruyden en Planten, die in de Bosschen, onder de Heggen, op schaduwachtige Plaetsen, en vette Gronden in de Nederlanden voort komen.

IV.           Deel, Beschryvende alderhande Kruyden en Planten, die in de Nederlanden op magere, Steen- en Sandtachtige opene Plaetsen groeyen.

V.             Deel, Beschryvende Alderhande Kruyden, die in de Nederlanden in de Revieren, Poelen, Zee vochtige Beemden, ofte grasachtige Plaetsen, en aen der selven kanten opwassen.

VI.           Deel, Beschryvende alderhande Distelen, en Doornachtige Planten, soo wel die in de Nederlanden meest in de Hoven onderhouden worden.

VII.         Deel, Beschryvende alderhande Medicinale en rare Hof-kruyden, soo wel die in de nederlanden in ít wilde opwassen, als die in de Hoven onderhouden worden

VIII.       Deel, beschryvende alerhande wel-rieckende Kruyden, die in de Hoven van Nederlandt onderhouden worden.

IX.           Deel, Beschryvende alderhande Bol- en Bloem-kruyden, die in de Hoven van Nederlandt onderhouden worden.

X.             Deel, beschryvende alderhande Kruyden met Krans-wijse Bloemen die in de Hoven van Nederlandt groeyen en onderhouden worden.

XI.           Deel Beschryvende alderhande Moes-kruyden en eetbare Wortelen, die in de Hoven van Nederlandt geoeffent en onderhouden worden.

XII.         Deel, Beschrijvende veelderhande uytlandtse Boomen, Heesteren, Kruyden en Planten, de welcke hier te Lande, uytgenomen eenige weynige, nergens gesien noch onderhouden worden; Ende wiens deelen, als Hout, Schorsse, Wortelen, Bladeren, Zaet, ofte Vruchten, mitsgaders der selver Sappen en Gommen gemeenlijck in de Apothekers Winckels gebruyckt, en vreemde Droogen genaemt worden.

Nb.

De paginanummers staan tussen aanhalingstekens op de plaats waar ze in het boek voor komen ( ). Omdat de tekst in Gotisch gedrukt staat worden de lichter gedrukte gedeeltes die in dit boek rechtop staan, cursief afgedrukt. Dit met uitzondering van de kop die in het boek al cursief staan is cursief gebleven, de tekst Ďin ít Latijní is ook zo gebleven. Verder heb ik tussen de verschillende delen een alinea open gelaten waar het in de tekst alles achter elkaar staat en elk stuk eindigt met directe opeenvolging van het volgende gedeelte. De tekst volgt hier ook direct achter de betreffende kop. Nico Koomen.

 

Inleiding.

 

 

 

 

 

Extract uyt de Privilegie.

De Heeren Staten van Hollandt en West-Vrieslandt, hebben bij Brieven van Octroy, gedateert den 21 April 1670, aen Marcus Doornick, Boeckverkooper tot Amsterdan, verleent, om alleen te mogen doen Dricken en Verkoopen, voor den tijt van 15 achter een volgende Jaren, een Boeck genaamt Den Nederlantschen Herbarius of Kruydboeck, beschreven door P. Nylandt, der Medicijnen Doctor, met verbodt van het selven gemaakt anders in geenderlande Talen te mogen Na-drucken of Verkoopen, in ít geheel of ten deele, in groot of kleyn Formaet, op alsulcke poenen en Amenden als ít selvige Octroy breeder is begrepen.

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Was onderteeckent

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Johann de Witt.

 

†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† ††††††††††† Ter Ordonnantie van de Staten;

 

†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Herb. Van Beaumont.

 

 

Opdracht

Aen den

Seer Geleerden, Achtbaren, en Ervaren

Heer, Mijn Heer

Gulielmus Piso
M. Doctor, en voornamen Practicijn der Stadt

Amsterdam.

 

Myn Heer,

e voort-teelende natuur schijnt nergens in meerder uyt gespat te hebben als in ít voortbrengen van soo meenigerhanden, en by na ontallijcke soorten van Gewassen en Kruyden; welckers krachten te ondersoecken de dringende nootsakelijckheyt, en de ongestadigheyt des Menschen gesontheyt de eerste en voornaemste oorsake geweest is. Hoe seer wy aen veel Geleerde Mannen, de welcke in ít beschrijven der Kruyden en Planten nochte moeyten, nochte onkosten, nochte tijt gespaert hebben, verplicht zijnde, kan lichtelijck uyt haer nagelaten Schriften geoordeelt worden. Wiens voetstappen navolgende ik dit Kruyt-boek uyt verscheyde geleerde Kruyt-beschrijvers in ít korte by een versamelt hebbe, op dat als met een oogslagh, wat voor Kruyden en Planten sich in ons Nederlandt, soo wel in ít wilde, als in de Hoven tot vermaeck, voedtsel, en herstellinge van de gekrenckte gesontheyt des menschelijcken Lichaems vertoonen, gesien werden. Het sal misschien van sommige voor onnoodig geacht worden, ít geene van andere voor desen in ít licht gebracht, wederom op te disschen, maer dese gelieven te dencken dat mijn ooghwit alleen is, den genen die door veel besigheden om de wijtloopige Schriften van andere vermaerde Kruyd-beschrijvers te doorlesen, belet worden, behulpigh zijn.Ick bekenne dat my door dese voorberyde dingen veel arbeidts en moeyten benomen is, andersins hadde dese materie ofte des selfs ordentelijcke stellinge een meerder verstandt en groote naerstigheydt vereyscht.

Dese geringe Eerstelingen, mijnes arbeydts koom ick U. E opdragen en toe-eygenen: Eensdeels, om dat U. E met een besondere kennisse en nauwkeurigh oordeel van ít geen aen U. E opgedrage wordt, begaeft zijt: Anderdeels, om dat by U. E een langhduurende ervarentheyt van ít gebruyck der geneesmiddelen, die tot des Menschen gesontheyt dienstigh zijn, gehuysvest is. Ontfanght dan dese geringe erkentenisse met soodanige gunstige genegentheyt als het aen U. E opgeoffert wort: ít sal my loons genoegh zijn, dat dese bladeren met een gunstigh opslagh der oogen van U. E. doorsien mogen worden, waer door ick my verbonden sal houden altoos te blijven

Mijn Heer,

De voort telende natuur schijnt nergens meer in uitgespat te zijn dan in het voortbrengen van zoveel verschillende en bijna ontelbare soorten van gewassen en kruiden wiens krachten te onderzoeken vanwege de dringende noodzakelijkheid om steeds de menselijke gezondheid te behouden de eerste en voornaamste oorzaak geweest is. Hoe zeer wij aan veel geleerde mannen verplicht zijn die in het beschrijven van de kruiden en planten noch moeite, noch onkosten of tijd gespaard hebben kan gemakkelijk uit hun nagelaten schriften beoordeeld worden. Hun voetstappen volg ik na waarnaar ik dit kruidboek uit verschillende geleerde kruidbeschrijvers in het kort bijeen verzameld heb zodat in een oogopslag gezien kan worden welke kruiden en planten zich in ons Nederland, zowel in het wild als in de hoven tot vermaak, voedsel en herstelling van de aangetaste gezondheid van het menselijke lichaam zijn. Het zal misschien door sommige onnodig geacht worden wat hetgeen door anderen hiervoor in het licht is gebracht wederom op te dissen, maar die moeten eraan denken dat het mijn doel alleen is om diegene die door veel bezigheden om de uitgebreide schriften van andere vermaarde kruidbeschrijvers door te lezen verhinderd worden te helpen. Ik beken dat ze me door deze voorbereiding veel arbeid en moeite benomen is, anderszins had deze materie of zijn ordentelijke plaats een groter verstand en veel meer werk vereist.

Deze geringe eersteling van mijn arbeid wil ik U. E opdragen en toewijden: Eensdeels omdat U. E met een bijzondere kennis en nauwkeurig oordeel van hetgeen aan U. E opgedragen wordt begaafd bent: Anderdeels omdat bij U. E een langdurende ervaring van het gebruik van de geneesmiddelen die voor de menselijke gezondheid goed zijn aanwezig is. Ontvang dan deze geringe erkenning met zoín gunstige genegenheid als het aan U. E opgeofferd wordt, het zal voor mij genoeg loon zijn dat deze bladeren met een gunstig oogopslag door U. E. doorzien mogen worden, waardoor ik me verbonden zal houden altijd te blijven

 

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Die ick ben

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† U E.

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Dienstvaerdige Vriendt

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† P. NYLANDT.

 

(1) Het Eerste deel.

Des

 

Nederlantschen Kruydt-Boecks,

Beschryvende

 

De Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijdt, Oeffeninge, Aert, Krachten, ende Medicinael gebruyck van alderhande Boomen, Heesteren ende boomachtige Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde aen-groeyen, als die in de Hoven onderhouden worden.

Het Eerste deel.

Van het

 

Nederlandse kruidboek

Beschrijft

De geslachten, vorm, plaats, tijd, kweekwijze, aard, krachten en medicinaal gebruik van allerhande bomen, heesters en boomachtige gewassen zo wel die in Nederland in het wild groeien als die in de hoven gekweekt worden.

 

 

Eycken-boom, in ít Latijn Quercus.

 

Gedaente.

e Eeckeldragende Boom, by ons Eycken-boom genaemt, is in dese en andere Landen genoeghsaem bekent. Hy wast op tot een hooge Boom, doch is langsaem in ít opschieten. Met seer veel dicke en groote tacken sich verre en wijt uitspreydende. De Eycken-boom noch jongh zijnde, heeft gladde en effene schorssen, maer out en groot geworden zijnde, is de schorsse rouw, geborsten, ende op veel plaetsen geklooft. Het hout is van binnen hardt en vast, maer het buytenste gedeelte, naest aen de schorsse geplaetsts, ít welck sich witter vertoont, is sachter en de bedervinge eerder onderworpen. De bladeren zijn glat, breedt, langhwerpigh, rondsom de kanten geschaert en diep ghekerft, en aen de bovenste zijde groender als aen de onderste. De vruchten, bij ons Eeckelen genaemt, zijn langhwerpigh, bestaende uyt een kerne in twee deelen onderscheyden, met een hardtachtige schellen bedeckt ende in rouwe schaelkens of dopkens begrepen.

Daer en boven zijn op de bladeren de Eycken-Appelkens te vinden, de welcke van verwe bleeck-groen, van wesen voos en waterachtigh, en van gedaente den Galnoten niet ongelijck zijn, en in wiens midden somtijts eenigh ghewormte gevonden wordt. De wortelen verspreyden sich seer diep en wijt in de Aerde, waerom ook dese Boom lange jaren, en naer sommigen haer meeningh, wel drie hondert jaar staen blijft.

 

Plaetse.

De Eycken-boom wast op in alderhande gront, nochtans tiert hy het best op goed en vet Landt. Men vint van deselve geheele Bosschen, en werden veel tot Lanen geplant.

 

Tijdt.

De Eycken verkrijght nieuwe bladeren in ít laetste van April, waer van wederom sommige in ít laetste van de Herfst afvallen, andere den geheelen Winter dor en vael aen de Boom over blijven hangen, tot dat sy voor de nieuw aengroeyende bladeren afgestoten werden. De Eeckelen werden in de Herfst rijp, als wanneer sy van selfs afvallen.

 

 

Oeffeningh.

De Eycken-boom werdt in de Nederlanden van Eeckelen ofte Aeckers, die in Veuren een halve voet diep in de Maent Maert gheplant zijn, vermenighvuldight. Deze 3/ 4 jaren ofte 5 Jaren opgeschooten, besnoeyt, en de Zaet-wortel onder afgesneden zijnde, verplant men de (2)selve 18 ofte 20 voet van malkander. Dese verplantingh geschiedt gevoeghlijck in January ofte February.

 

Aert en krachten.

De bladeren, schorssen, de dopkens van de Aeckers en de Aeckers self, zijn met eenige verkoelinge en seer stercke tísamen-treckinge, verdroogende tot in de derde graet. De Eycken-Appelkens ofte Ballekens zijn de Galnooten van krachten eenigsins gelijck. Dodon.

 

Medicinael gebruyk.

Voor onmatige Maent-stonden der Vrouwen, Bloet-spouwen, Bloedt-pissen en alle Bloedt-ganck. Neemt Eycken-bladeren, twee handen vol, dopkes van de Aeckers, schellen van de Aeckers, van elck een loot, koockt dit in Water en Roode wijn van elcks een pint tot dat een vierde part verkoockt is en geeft hier tweemael daegs van te drincken.

Hier toe is mede zeer krachtigh het water van de teere Eycken-bladeren gedistilleert, ít welck van sommige mede gepresen wordt om het Graveel en den Steen af te setten. Ook gebruykent hedendaeghs, zeyt Lobel, de Medicijns van Italien ende Piemont, om de Lever te verkoelen ende te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Voor Tant-pijn, bedorven Tant-vleesch en vuyle Zeeren: ĎNeemt de versche en jonge bladeren van den Eycken-boom, soo veel van nooden is, koockt die op in Wijn. Dit afziedsel werdt tegen de Tant-pijn in de mond gehouden, en voor de andere gebreken worden de selve daer mede gewasschenĒ, Ravelingius.

Om versche Wonden te heelen en ít bloeden te stelpen: ĎNeemt de versche bladeren van den Eycken, stoot die kleyn, daer na wascht de wonden met water daer Eyckenbladeren in gesoden zijn, ít welck verhindert alle ontstekinge, suyvert en heelt de wonden seer wel. Hier van verhaelt Galenus een merckwaerdig exempel: Het is my indachtigh, seyt hy, als dat ick eens een wonde die met een bijl gemaeckt was, genesen hebbe en naer dien geen ander genees-middel voor handen was, als alleen de bladeren van een Eycken-boom, hebbe ick de selve, kleyn gestoten zijnde, op de wonde en de naby gelegen deelen gebonden. Galenus.

Voor verouderde en verzeerde Scorftheyt: Neem het water, dat op holle struycken van oude Eycken-bomen door den regen vergadert is, ende bet de schorsde plaetse hier mede, Fuchsius, Matthiolus.

Eik, in het Latijn Quercus. (Quercus robur)

 

Vorm.

De eikeldragende boom die door ons eik genoemd wordt is in deze en andere landen voldoende bekend. Het groeit op tot een hoge boom, maar groeit langzaam. Met zeer veel dikke en grote takken spreidt het zich wijd en zijd uit. Als de eik nog jong is heeft het een gladde en effen schors, maar als het oud en groot wordt is de schors ruw, gebarsten en op veel plaatsen gekloofd. Het hout is van binnen hard en vast, maar het buitenste gedeelte dat onder de schors geplaatst is is witter, zachter en bederft eerder.

De bladeren zijn glad, breed, langwerpig en rondom de kanten geschaard en diep gekerfd, aan de bovenkant groener dan aan de onderkant. De vrucht, die door ons eikel genoemd wordt, is langwerpig en bestaat uit een kern die in twee delen gedeeld en met een hardachtige schil bedekt is en in ruwe schalen of doppen opgesloten.

Verder zijn op de bladeren de galappels te vinden die van kleur bleek groen zijn, ze zijn voos en waterachtig zijn en van vorm lijken ze veel op de galnoten, in hun midden worden soms wat wormen gevonden. De wortels verspreiden zich zeer diep en wijd in de aarde waarom ook deze boom lange jaren en volgens sommigen wel drie honderd jaar staan blijft.

 

 

 

 

 

 

 

Plaats.

De eik groeit in allerhande grond, nochtans tiert hij het beste op goed en vet land. Men vindt hiervan gehele bossen en ze worden veel tot lanen geplant.

 

Tijd.

De eik krijgt nieuwe bladeren op het eind van april waarvan weer sommige op het eind van de herfst afvallen en andere de hele winter dor en vaal aan de boom blijven hangen totdat ze door de nieuwe aangroeiende bladeren afgestoten werden (Quercus petraea). De eikels worden in de herfst rijp en dan vallen ze vanzelf af.

 

 

 

Teelt.

De eik wordt in Nederland vermenigvuldigd door eikels of akers in voren planten een vijftien cm diep in maart. Als die 3, 4 of 5 jaar gegroeid hebben worden ze gesnoeid en als de penwortel van onder afgesneden is plant men ze een vijf of zes meter uit elkaar. Dat verplanten doet men gewoonlijk in januari of februari.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren, schors, doppen van de eikels en de eikels zelf verdrogen met enige verkoeling en zeer sterke tezamen trekking tot in de derde graad. De galnoten of balletjes zijn de galnoten van krachten enigszins gelijk. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen onmatige maandstonden van de vrouwen, bloedspuwen, bloedplassen en alle bloedgang. Neem van eikenbladeren twee handen vol, van de doppen van de eik en schillen van de eik van elk een lood, kook dit in een pint water en een pint rode wijn totdat een vierde deel verkookt is en geef hier van tweemaal per dag te drinken.

Hiertoe is mede zeer krachtig het water dat van de tere eikenbladeren gedistilleerd is dat door sommige ook geprezen wordt om de nierstenen en de steen af te zetten. Ook gebruiken tegenwoordig, zegt Lobel, de dokters van ItaliŽ en Piemont het om de lever te verkoelen en te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Tegen tandpijn, bedorven tandvlees en vuile zeren: Neem van de verse en jonge bladeren van de eikenboom zoveel als nodig is en kook die op in wijn. Dit afkooksel wordt tegen de tandpijn in de mond gehouden, tegen de andere gebreken worden het daarmee gewassenĒ, Ravelingius.

Om verse wonden te helen en het bloeden te stelpen: ĎNeem de verse bladeren van de eik, stamp die klein en was daarna de wonden met water waar eikenbladeren in gekookt zijn, dat verhindert alle ontsteking, zuivert en heelt de wonden zeer goed. Hiervan verhaalt Galenus een merkwaardig voorbeeld: ĎIk denk aan het voorbeeld, zegt hij, toen ik eens een wond die met een bijl gemaakt was genezen heb omdat er geen ander geneesmiddel voor handen was dan alleen de bladeren van een eikenboom heb ik die klein gestampt en op de wond en de nabij gelegen delen gebondení. Galenus.

Tegen verouderde en verzweerde schurft: Neem het water dat op holle stengels van oude eikenbomen door de regen verzameld is en bet de schurftige plaats daar mee, Fuchsius, Matthiolus.

 

 

(1) Het Eerste deel.

Des

 

Nederlantschen Kruydt-Boecks,

Beschryvende

 

De Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijdt, Oeffeninge, Aert, Krachten, ende Medicinael gebruyck van alderhande Boomen, Heesteren ende boomachtige Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde aen-groeyen, als die in de Hoven onderhouden worden.

Het Eerste deel.

Van het

 

Nederlandse kruidboek

Beschrijft

De geslachten, vorm, plaats, tijd, kweekwijze, aard, krachten en medicinaal gebruik van allerhande bomen, heesters en boomachtige gewassen zo wel die in Nederland in het wild groeien als die in de hoven gekweekt worden.

 

Eycken-boom, in ít Latijn Quercus.

 

Gedaente.

e Eeckeldragende Boom, by ons Eycken-boom genaemt, is in dese en andere Landen genoeghsaem bekent. Hy wast op tot een hooge Boom, doch is langsaem in ít opschieten. Met seer veel dicke en groote tacken sich verre en wijt uitspreydende. De Eycken-boom noch jongh zijnde, heeft gladde en effene schorssen, maer out en groot geworden zijnde, is de schorsse rouw, geborsten, ende op veel plaetsen geklooft. Het hout is van binnen hardt en vast, maer het buytenste gedeelte, naest aen de schorsse geplaetsts, ít welck sich witter vertoont, is sachter en de bedervinge eerder onderworpen. De bladeren zijn glat, breedt, langhwerpigh, rondsom de kanten geschaert en diep ghekerft, en aen de bovenste zijde groender als aen de onderste. De vruchten, bij ons Eeckelen genaemt, zijn langhwerpigh, bestaende uyt een kerne in twee deelen onderscheyden, met een hardtachtige schellen bedeckt ende in rouwe schaelkens of dopkens begrepen.

Daer en boven zijn op de bladeren de Eycken-Appelkens te vinden, de welcke van verwe bleeck-groen, van wesen voos en waterachtigh, en van gedaente den Galnoten niet ongelijck zijn, en in wiens midden somtijts eenigh ghewormte gevonden wordt. De wortelen verspreyden sich seer diep en wijt in de Aerde, waerom ook dese Boom lange jaren, en naer sommigen haer meeningh, wel drie hondert jaar staen blijft.

 

Plaetse.

De Eycken-boom wast op in alderhande gront, nochtans tiert hy het best op goed en vet Landt. Men vint van deselve geheele Bosschen, en werden veel tot Lanen geplant.

 

Tijdt.

De Eycken verkrijght nieuwe bladeren in ít laetste van April, waer van wederom sommige in ít laetste van de Herfst afvallen, andere den geheelen Winter dor en vael aen de Boom over blijven hangen, tot dat sy voor de nieuw aengroeyende bladeren afgestoten werden. De Eeckelen werden in de Herfst rijp, als wanneer sy van selfs afvallen.

 

 

Oeffeningh.

De Eycken-boom werdt in de Nederlanden van Eeckelen ofte Aeckers, die in Veuren een halve voet diep in de Maent Maert gheplant zijn, vermenighvuldight. Deze 3/ 4 jaren ofte 5 Jaren opgeschooten, besnoeyt, en de Zaet-wortel onder afgesneden zijnde, verplant men de (2)selve 18 ofte 20 voet van malkander. Dese verplantingh geschiedt gevoeghlijck in January ofte February.

 

Aert en krachten.

De bladeren, schorssen, de dopkens van de Aeckers en de Aeckers self, zijn met eenige verkoelinge en seer stercke tísamen-treckinge, verdroogende tot in de derde graet. De Eycken-Appelkens ofte Ballekens zijn de Galnooten van krachten eenigsins gelijck. Dodon.

 

Medicinael gebruyk.

Voor onmatige Maent-stonden der Vrouwen, Bloet-spouwen, Bloedt-pissen en alle Bloedt-ganck. Neemt Eycken-bladeren, twee handen vol, dopkes van de Aeckers, schellen van de Aeckers, van elck een loot, koockt dit in Water en Roode wijn van elcks een pint tot dat een vierde part verkoockt is en geeft hier tweemael daegs van te drincken.

Hier toe is mede zeer krachtigh het water van de teere Eycken-bladeren gedistilleert, ít welck van sommige mede gepresen wordt om het Graveel en den Steen af te setten. Ook gebruykent hedendaeghs, zeyt Lobel, de Medicijns van Italien ende Piemont, om de Lever te verkoelen ende te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Voor Tant-pijn, bedorven Tant-vleesch en vuyle Zeeren: ĎNeemt de versche en jonge bladeren van den Eycken-boom, soo veel van nooden is, koockt die op in Wijn. Dit afziedsel werdt tegen de Tant-pijn in de mond gehouden, en voor de andere gebreken worden de selve daer mede gewasschenĒ, Ravelingius.

Om versche Wonden te heelen en ít bloeden te stelpen: ĎNeemt de versche bladeren van den Eycken, stoot die kleyn, daer na wascht de wonden met water daer Eyckenbladeren in gesoden zijn, ít welck verhindert alle ontstekinge, suyvert en heelt de wonden seer wel. Hier van verhaelt Galenus een merckwaerdig exempel: Het is my indachtigh, seyt hy, als dat ick eens een wonde die met een bijl gemaeckt was, genesen hebbe en naer dien geen ander genees-middel voor handen was, als alleen de bladeren van een Eycken-boom, hebbe ick de selve, kleyn gestoten zijnde, op de wonde en de naby gelegen deelen gebonden. Galenus.

Voor verouderde en verzeerde Scorftheyt: Neem het water, dat op holle struycken van oude Eycken-bomen door den regen vergadert is, ende bet de schorsde plaetse hier mede, Fuchsius, Matthiolus.

Eik, in het Latijn Quercus. (Quercus robur)

 

Vorm.

De eikeldragende boom die door ons eik genoemd wordt is in deze en andere landen voldoende bekend. Het groeit op tot een hoge boom, maar groeit langzaam. Met zeer veel dikke en grote takken spreidt het zich wijd en zijd uit. Als de eik nog jong is heeft het een gladde en effen schors, maar als het oud en groot wordt is de schors ruw, gebarsten en op veel plaatsen gekloofd. Het hout is van binnen hard en vast, maar het buitenste gedeelte dat onder de schors geplaatst is is witter, zachter en bederft eerder.

De bladeren zijn glad, breed, langwerpig en rondom de kanten geschaard en diep gekerfd, aan de bovenkant groener dan aan de onderkant. De vrucht, die door ons eikel genoemd wordt, is langwerpig en bestaat uit een kern die in twee delen gedeeld en met een hardachtige schil bedekt is en in ruwe schalen of doppen opgesloten.

Verder zijn op de bladeren de galappels te vinden die van kleur bleek groen zijn, ze zijn voos en waterachtig zijn en van vorm lijken ze veel op de galnoten, in hun midden worden soms wat wormen gevonden. De wortels verspreiden zich zeer diep en wijd in de aarde waarom ook deze boom lange jaren en volgens sommigen wel drie honderd jaar staan blijft.

 

 

 

 

 

 

 

Plaats.

De eik groeit in allerhande grond, nochtans tiert hij het beste op goed en vet land. Men vindt hiervan gehele bossen en ze worden veel tot lanen geplant.

 

Tijd.

De eik krijgt nieuwe bladeren op het eind van april waarvan weer sommige op het eind van de herfst afvallen en andere de hele winter dor en vaal aan de boom blijven hangen totdat ze door de nieuwe aangroeiende bladeren afgestoten werden (Quercus petraea). De eikels worden in de herfst rijp en dan vallen ze vanzelf af.

 

 

 

Teelt.

De eik wordt in Nederland vermenigvuldigd door eikels of akers in voren planten een vijftien cm diep in maart. Als die 3, 4 of 5 jaar gegroeid hebben worden ze gesnoeid en als de penwortel van onder afgesneden is plant men ze een vijf of zes meter uit elkaar. Dat verplanten doet men gewoonlijk in januari of februari.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren, schors, doppen van de eikels en de eikels zelf verdrogen met enige verkoeling en zeer sterke tezamen trekking tot in de derde graad. De galnoten of balletjes zijn de galnoten van krachten enigszins gelijk. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen onmatige maandstonden van de vrouwen, bloedspuwen, bloedplassen en alle bloedgang. Neem van eikenbladeren twee handen vol, van de doppen van de eik en schillen van de eik van elk een lood, kook dit in een pint water en een pint rode wijn totdat een vierde deel verkookt is en geef hier van tweemaal per dag te drinken.

Hiertoe is mede zeer krachtig het water dat van de tere eikenbladeren gedistilleerd is dat door sommige ook geprezen wordt om de nierstenen en de steen af te zetten. Ook gebruiken tegenwoordig, zegt Lobel, de dokters van ItaliŽ en Piemont het om de lever te verkoelen en te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Tegen tandpijn, bedorven tandvlees en vuile zeren: Neem van de verse en jonge bladeren van de eikenboom zoveel als nodig is en kook die op in wijn. Dit afkooksel wordt tegen de tandpijn in de mond gehouden, tegen de andere gebreken worden het daarmee gewassenĒ, Ravelingius.

Om verse wonden te helen en het bloeden te stelpen: ĎNeem de verse bladeren van de eik, stamp die klein en was daarna de wonden met water waar eikenbladeren in gekookt zijn, dat verhindert alle ontsteking, zuivert en heelt de wonden zeer goed. Hiervan verhaalt Galenus een merkwaardig voorbeeld: ĎIk denk aan het voorbeeld, zegt hij, toen ik eens een wond die met een bijl gemaakt was genezen heb omdat er geen ander geneesmiddel voor handen was dan alleen de bladeren van een eikenboom heb ik die klein gestampt en op de wond en de nabij gelegen delen gebondení. Galenus.

Tegen verouderde en verzweerde schurft: Neem het water dat op holle stengels van oude eikenbomen door de regen verzameld is en bet de schurftige plaats daar mee, Fuchsius, Matthiolus.

 

 

Boecken-boom, in ít Latijn Fagus.

 

Gedaante.

De Boecken-boom schiet met een dicke stam hoog op, en verbreyt zich met veel zijde-tacken in ít ronde wijt uyt. De bladeren zijn dun, effen en breedtachtigh. De bloemen zijn kleyne geelachtige kattekens. De vruchten die in ruyge schellen ofte snoeren beslooten zijn, zijn drie-kantige Nootkens, die met een gladde schelle bedeckt, en gemeenlijck Boeck-pitten genaemt werden. De schorsse van de Boom is glad en het hout wit en hard. De wortelen spreiden zich wel wijd uit, maar zinken niet diep in de aarde.

 

Plaetse.

De Boecken-boom wast gaerne in sandachtige, doch vochtachtige Aerde en werdt alhier in Lanen ofte geplante Bosschen gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren en bloemen verscheelen weynigh in haer geboorte, want de dezelve te gelijck in ít eynde van April ofte in de May voort spruyten. Maer de nootkens ofte Boeck-pitten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden aengeteelt van Boeck-pitten in een grep in goede Aerde gezayt zynde, dan besnoeyt tot Stal boomen, en 5 ofte 6 Jaren opgewassen zijnde, verplant men se in January, 20 ofte 25 voeten van een.

 

Aert en krachten.

De bladeren van de Boecken-boom zijn verkoelende en eenighsins tísamen trekkende van aert. De Boekpitten zijn warm en vochtig van aert, met een kleyne tísamen treckinge vermenght. Dodonaeus.(3)

 

Medicinael gebruyck.

Voor de heete Geswellen en Puysten: Neemt de versche bladeren van den Boecken-boom, stoot se en lecht se op. Dodonaeus.

Voor pijn in de Nieren en ít Graveel: Neemt de assche van Boeck-pitten, een vieren deels loots, en geeft dit met eenigh nat te drincken. Ravelingius.

Voor Schorftheyt, gebruyckt het water dat in holle Boecken-boomen gevonden wort, gelijck wy van vooren van den Eycken-boom geseyt hebben. Ravelingius.

Beuk, in het Latijn Fagus. (Fagus sylvatica)

 

Vorm.

De beuk schiet met een dikke stam hoog op en verspreidt zich met veel zijtakken in het rond wijd uit. De bladeren zijn dun, vlak en breedachtig. De bloemen zijn kleine, geelachtige katjes. De vruchten zijn in ruige schillen of snoeren opgesloten. Het zijn driekantige nootjes die met een gladde schil bedekt zijn die gewoonlijk beukennoten genoemd worden. De schors van de boom is glad en het hout wit en hard. De wortels spreiden zich wel wijd uit, maar zinken niet diep in de aarde.

 

Plaats.

De beuk groeit graag in zandachtige, doch vochtige aarde en wordt alhier in lanen of geplante bossen gevonden.

 

Tijd.

De bladeren en bloemen verschillen weinig in tijd van geboorte omdat ze tegelijk op het eind van april of in mei uitkomen. Maar de noten of beukennoten worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden voort geteeld van beukennoten door ze in een greppel van goede aarde te zaaien, dan snoeien tot stel bomen en als die 5 of 6 jaar gegroeid hebben verplant men ze in januari een zes of zeven en een halve meter uit elkaar.

 

Aard en krachten.

De bladeren van de beuk zijn verkoelend en enigszins tezamen trekkend van aard. De beukennoten zijn warm en vochtig van aard en met een kleine tezamen trekking vermengd. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen hete gezwellen en puisten: Neem de verse bladeren van de beuk, stamp ze en leg ze op. Dodonaeus.

Tegen pijn in de nieren en nierstenen: Neem van de as van beukennoten een vieren deel lood en geef dit met wat nat te drinken. Ravelingius.

Tegen schurft: Gebruik het water dat in holle beukenbomen gevonden wordt, net als we van tevoren van de eik gezegd hebben. Ravelingius.

 

 

Esschen-boom, in ít Latijn Fraxinus.

 

Gedaente.

De Esschen-boom wert door ouderdom een seer hoog en dicke Boom, door zijn zijde-tacken in ít brede wijdt uytgespreydt zijnde, van welcke de teerste door eenige knoopen ofte ledenkens onderscheyden, en van binnen hol, en met wit, voos mergh gevult zijn. Het hout van de stam is witachtigh, hart en de verrottinge wederstaende. De schorsse die de stam ende de tacken bekleedt, is glat en effen. De bladeren zijn groot, langh en rontsom wat gekerft en uytgespreytd door veel bladeren aen een ribbeken tegen malkander over, behalven het uyterste bladt, wassende. Het saet groeyt in lange hauwkens, de tonge van sommige Vogelen uytbeeldende, de welcke aen de teerste rancken, neffens de bladeren in een tros nederwaerts hangende uytspruyten. De wortelen verspreyden sich wijdt en diep in de Aerde.

 

Plaetse.

De Eschen-boom wast tierigh en weelderigh op vochtige plaetsen en is in de Nederlanden overvloedigh genoegh te vinden.

 

Tijdt.

De bladeren en de hauwen waer in het zaet besloten leyt, komen in de Nederlanden in de Maent April te voorschijn, ende het zaet wort in de Herfst volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

Dese boom wort van het zaet aengeteelt, en tot de dickte van twee ofte drie duymen opgewassen zijnde, werdt in February ofte Maert 15 voeten van den anderen verplant, alwaer men die best ordineren sal: Nochtans moet men naerstigh in acht nemen, dat men de opgaende toppen niet af en snijde.

 

Aert en krachten.

De bladeren, schorsse en ít hout van den Esschen-boom zijn sterckelijkck droogh maeckende van aert, met een middelmatige warmte vergeselschapt. ít Zaet is warm en droogh in de tweede graet. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruyck.

Voor Vergift, en Beeten der Slangen: Neemt het sap van Esschen-bladeren twee loot, menght dit met een roemer Wijn, en gebruyckt het, oock kan men de bladeren nuttelijck op de Beete van Vipieren en Slangen op leggen. Het voorgaende kan oock met profijt ghebruyckt worden, om het water, ít welck sich tusschen Vel en Vleesch onthout, af te setten. Dioscorides, P. Aegineta.

Voor overtolligh Braecken: Neemt de bladeren en schorssen van den Esschen-boom, soo veel genoegh is, koockt dit in Azijn en Water, en leght het op de Maegh. Dodonaeus.

Voor pijn in de Zijde en Lever, uyt koude oyrsaecken ontstaen, en om het Water af te setten: Neemt het zaet van desen Boom een loot, koockt dit gekneust zijnde in Wijn, daer na door gesijgt, geeft den Wijn te drincken. Brunfelsius, Matthiolus.

Voor verstoppinge en verhardinge van de Milt: Neemt de schorsse van Esschen-boom een half pint, doet die in een nieuwe pot, giet daer op twee mingelen Wijn, koockt dit te samen tot dat een pint Wijns over blijft, de welcke in negen deelen afgescheyden, sult ghy daer van alle dagen een deel in nemen. J. Stocker.

Voor Doofheyt: Neemt het sap dat onder het branden uyt het Esschen-hout druypt, vermengt dit met het sap van Wijnruyt, en doe dit met Boom-wol in de Ooren. Matthiolus. (4) Voor versche Wonden: Neemt de wortel van den Esschen-boom, koockt die in Water ofte Wijn, en wascht de wonde hier mede. Ravelingius.

Voor Milt-sucht, Graveel ende Pocken. Neemt de schavelingen van het Esschenhout 4 loot, weeckt ende koockt dit in Water ofte Wijn tot een pint, ende geeft hier van tweemael des daegs een roemertje vol te drincken. Lobel

Es, in het Latijn Fraxinus. (Fraxinus excelsior)

 

Vorm.

De es wordt door ouderdom een zeer hoge bbom, door zijn zijtakken een zeer dikke boom omdat die in de breedte uitgespreid zijn waarvan de teerste door enige knopen of leden verschillen en van binnen hol en met wit, voos merg gevuld zijn. Het hout van de stam is witachtig, hard en weerstaat verrotting. De schors, die de stam en de takken bekleed, is glad en effen. De bladeren zijn groot, lang en rondom wat gekerfd, uitgespreid door veel bladeren die aan een steel tegen over elkaar staan behalve het uiterste blad. Het zaad groeit in lange peulen die op de vorm van sommige vogels lijken, ze hangen aan de teerste ranken, naast de bladeren in een tros naar beneden. De wortels verspreiden zich wijd en diep in de aarde.

 

 

Plaats.

De es groeit tierig en weelderig op vochtige plaatsen en is in Nederland overvloedig genoeg te vinden.

 

 

Tijd.

De bladeren en de peulen waarin het zaad ligt komen in Nederland in de maand april te voorschijn, het zaad wordt in de herfst volkomen rijp.

 

Teelt.

Deze boom wordt van het zaad voortgeteeld en als het tot de dikte van twee of drie duimen gegroeid is, wordt het in februari of maart vier en een halve meter uit elkaar verplant op die plaats die het beste geschikt is: Nochtans moet men goed in acht nemen dat men de opgaande toppen niet afsnijdt .(Dan splitsen ze zich)

 

Aard en krachten.

De bladeren, schors en het hout van de es zijn sterk droog makende van aard die samen gaat met een middelmatige warmte. Het zaad is warm en droog in de tweede graad. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen vergif en beten van de slangen: Neem van het sap van esbladeren twee lood, meng dit met een roemer wijn en gebruik het. Ook kan men de bladeren nuttig op de beet van vipers en slangen leggen. Het voorgaande kan ook met profijt gebruikt worden om het water, dat tussen het vel en vlees zit, af te zetten. Dioscorides, P. Aegineta.

Tegen overtollig braken: Neem de bladeren en schors van de es zoveel als genoeg is, kook dit in azijn en water en leg het op de maag. Dodonaeus.

Tegen pijn in de zijde en lever die uit koude oorzaken ontstaan zijn en om het water af te zetten: Neem van het zaad van deze boom een lood, kook dit als het gekneusd is in wijn en als het door gezeefd is geef de wijn te drinken. Brunfelsius, Matthiolus.

Tegen verstopping en verharding van de milt: Neem van de schors van de es een half pint, doe die in een nieuwe pot en giet daar twee mengsels wijn op, kook dit tezamen totdat een pint wijn over blijft, die verdeel je in negen delen en daar zal je alle dagen een deel van in nemen. J. Stocker.

Tegen doofheid: Neem het sap dat onder het branden uit het essenhout druipt, vermeng dit met het sap van wijnruit en doe dit met katoen in de oren. Matthiolus.

Tegen verse wonden: Neem de wortel van de esboom, kook die in water of wijn en was de wond hier mee. Ravelingius.

Tegen miltzucht, niersteen en pokken. Neem vier lood schaafsel van het essenhout, week en kook dit in water of wijn tot een pint en geef hiervan tweemaal per dag een roemertje vol te drinken. Lobel.

 

 

Haver-esschen, Qualster-boom.

Lyster-bessen, in ít Latijn Ornus, Sorbus Aucuparia.

 

Gedaente.

De Qualsterboom wert van heelkruytbeschrijvers, onder de soorte van Esschen-boom aengenomen, maer hy en schiet soo hoogh niet op als voorgaende, de bladeren spruyten wel op deselfde maniere uyt, doch sy zijn sachter en wat dieper rondtom de kanten geschaert. De bloemen, die wit zijn, vertoonen sich krans- ofte kroonswijs te samen by een. De Besien zijn eerst groen, daer na rijp geworden zijnse root, doch onlieflijck van smaeck, eenige langhachtige zaden in sich besluitende.

 

Plaetse.

Dese Boom werdt hier te lande meest rondtom de Boomgaerden gheplant.

 

Tijdt.

De bladeren en bloemen spruyten in de May voort, maer de besien worden eerst in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Qualster-boom wordt van zaedt, ít welck in de besien beslooten leyt, aengewonnen, ende 1 ofte 2 duym dick zijnde, werden 15 voeten van een geplant .

 

Aert en krachten.

De natuur en eygenschap van de bladeren, schorssen en besien van desen Boom, is noch van oude noch van nieuwe kruydt-beschrijvers in ít licht gebracht en aengemerckt, nochtans gissen eenige uyt de suuren en wrange smaeck die de besien aen sich hebben, dat de selve nut en dienstigh soude zijn om alle overvloedige vloeden te stoppen; andersins werden de selve veel gebruyckt om de Lijsters, Sneppen ende ander Gevogelte daer mede te vangen.

Haveres, kwalsterboom. Lijsterbes, in het Latijn Ornus, Sorbus aucuparia. (Sorbus aucuparia)

 

Vorm.

De lijsterbes wordt door de heelkruidbeschrijvers onder de soorten van es vermeld, maar hij schiet niet zo hoog op als voorgaande. De bladeren spruiten wel op dezelfde manier uit, maar ze zijn zachter en wat dieper rondom de kanten geschaard. De bloemen, die wit zijn, vertonen zich krans- of kroongewijs tezamen bijeen. De bessen zijn eerst groen en als ze daarna rijp worden zijn ze rood maar onaangenaam van smaak waarin enige langachtige zaden in zitten.

 

Plaats.

Deze boom wordt hier te lande meestal rondom de boomgaarden geplant.

 

 

Tijd.

De bladeren en bloemen spruiten in mei uit, maar de bessen worden pas in de herfst rijp.

 

Teelt.

De lijsterbes wordt van zaad dat in de bessen zit vermeerderd en als ze 1 of 2 duim dik zijn worden ze vier en een halve meter uit elkaar verplant.

 

Aard en krachten.

De natuur en eigenschap van de bladeren, schors en bessen van deze boom is noch van oude, noch van nieuwe kruidbeschrijvers in het licht gebracht en opgemerkt, nochtans gissen enige uit de zuren en wrange smaak die de bessen hebben dat die nuttig en goed zouden zijn om alle overvloedige vloeden te stoppen, anderzins worden ze veel gebruikt om de lijsters, sneppen en andere vogels daarmee te vangen.

 

 

Populier-boom, in ít Latijn Populus.

 

Geslachten.

De Populier-boomen werden in twee soorten onderscheyden, te weten in swarte en witte Populieren ofte Abeel-boomen.

 

Gedaente.

De swarte Populier-boom schiet haestelijck op, wiens top met veel tacken versien is. De schorsse van de stam is rouw, maer van de tacken effen, glat ende witachtigh van koleur. De eerste botten der bladeren hebben eenige vettigheydt en een stercke reuck by sich, de welcke daer na, wanneer de bladeren volkomen voortgebracht zijn, niet meer bespeurt worden. De bladeren zijn achter breedt, en voor spits toeloopende, ende rontom de kanten geschaert, van verwe groen en blinckende, de welcke aen een dun lang steeltje hangen. De bloemen zijn ruyge kattekens, waer na sich vertoont een smalle trosse, van veel ronde besien tísamen vergadert, de welcke rijp geworden zijnde, open gaen, en in wolachtige stuyfkens verwaeyen. De wortel sinckt tamelijck diep in de Aerde, waer door hy veel vaster als den Abeel-boom beklijft.

De witte Populier ofte Abeel-boom wert met dit onderschydt van de swarte Populier-boom onderscheyden; te weten, de bladeren van Dese Boom zijn breedt, rondtom diep geschaert, den Wijngaerdts-bladeren, hoewel sy veel kleyner zijn, by na gelijck: De bovenste zijde der bladeren is effen en groen, de onderste silver-wit, sacht en wolachtigh. De bloemkens zijn kattekens, eerst paers-achtigh en daer na bleecker van verwe, die mede in stuyfkens verdwijnen. De wortelen sincken soo diep, als die van de swarte Populier, in de Aerde niet, maer kruypen langs de Risch van de Aerde voort. (5)

 

Plaetse.

Dese Boomen zijn hier te lande veel te vinden, want zy tot Lanen en bemantelinge der Hoven seer bequam zijn, en sy wassen seer tierigh op vochtige en broeck-achtige plaetsen.

 

Tijdt.

De Populier-boomen beginnen in ít laetste van Maert ofte in den aenvangh van April uyt te botten, en als dan moeten de selve van de Artzeny-bereyders tot haer gebruyck gepluckt worden.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden aengequeeckt van oploopen ofte wortel-spruyten, dewelcke op bequame plaetsen geplant worden.

 

Aert en Krachten.

Soo wel de botten en bladeren, als de schorssen van beyde dese Boomen zijn van een getemperde natuur, nochtans by sich hebbende een afvagende kracht. Matthiolus, C. Durantus

 

Medicinael gebruyck.

Voor de pijn der Voeten ofte Flerecijn: Neemt de bladeren van de swarte Populier soo veel van nooden is, stoot de selve in een mortier heel kleyn, daer by doende een weynigh Wijn azijn, en leght het over de plaetse daermen de pijn gevoelt. Dioscorides.

Om het Hayr te doen groeyen: Neemt de jonge botten van de Swarte Populier, koockt die op in versche boter en bestrijckt het hooft hiermede. Van desen botten werd in de Apothekers de bekende salve Unguentum Populeon bereydt, de welcke tot veel gebreecken nut en dienstigh is. Dodonaeus.

Om de urijn af te setten en de droppelpisse te genesen: Neemt de schorsse van den Abeel-boom twee loot, koockt die in een pint goede Wijn, en geeft hier van een roemertje vol te drincken. Dit selfde is mede goet om de Heup-gichte en ít Flerecijn te genesen. Dodonaeus, R.S. Sammonius.

Voor pijn en sweeringe in de Ooren: Neemt het sap van de bladeren van Witte Populier en druypt het lauw in de Ooren. Dodonaeus

Voor Schurft en de Wratten: Neemt het water, ít welcke in de holle van de oude Stammen gevonden wordt, ende bestrijckt het daer mede. Joh. Schroderus.

Populier, in het Latijn Populus. (Populus nigra en Populus alba)

 

Geslachten.

De populieren worden in twee soorten onderscheiden, te weten in zwarte en witte populieren of abeelbomen.

 

Vorm.

De zwarte populier schiet snel op en de top is met veel takken voorzien. De schors van de stam is ruw maar die van de takken vlak, glad en witachtig van kleur. De eerste knoppen van de bladeren hebben enige vettigheid en een sterke reuk bij zich die daarna als de bladeren volkomen voortgebracht zijn niet meer bespeurd worden. De bladeren zijn achter breed en lopen voor spits toe, rondom de kanten geschaard en van kleur groen en blinkend die aan een dun en lang steeltje hangen. De bloemen zijn ruige katjes waarna een smalle tros komt die uit veel ronde bessen samen gesteld is en als die rijp worden open gaan waaien ze in wolachtige pluizen weg. De wortel zinkt tamelijk diep in de aarde waardoor hij veel vaster dan de abeel staat.

De witte populier of abeel word door deze verschillen van de zwarte populier onderscheiden, te weten: de bladeren van deze boom zijn breed en rondom diep geschaard die veel op de druivenbladeren lijken, hoewel ze veel kleiner zijn. De bovenste zijde van de bladeren is vlak en groen, de onderste zilverwit, zacht en wolachtig. De bloemen zijn katjes die eerst paarsachtig zijn en daarna bleker van kleur die ook in pluizen verdwijnen. De wortels zinken niet zo diep als die van de zwarte populier in de aarde, maar kruipen langs de oppervlakte van de aarde voort.

 

 

 

Plaats.

Deze bomen zijn hier te lande veel te vinden omdat ze voor lanen en randen van de hoven zeer nuttig zijn. Ze groeien zeer tierig op vochtige en moerasachtige plaatsen.

 

 

Tijd.

De populieren beginnen in het laatste van maart of in het begin van april uit te botten en dan moeten ze door de artsenijbereiders voor hun gebruik geplukt worden.

 

 

Teelt.

Deze bomen worden voortgeteeld van uitlopers of wortelscheuten die op goede plaatsen geplant worden.

 

Aard en krachten.

Zowel de knoppen en bladeren als de schors van beide bomen hebben een getemperde natuur, nochtans hebben ze een afvegende kracht bij zich. Matthiolus, C. Durantus

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de pijn van de voeten of jicht: Neem van de bladeren van de zwarte populier zoveel als nodig is, stamp ze in een mortier heel klein en doe daar wat wijnazijn bij en leg het op de plaats waar men de pijn voelt. Dioscorides.

Om het haar te laten groeien: Neem de jonge knoppen van de zwarte populier, kook die op in verse boter en bestrijk het hoofd hiermee. Van deze knoppen wordt in de apotheek de bekende zalf Unguentum Populeon gemaakt die tegen vele gebreken nuttig en dienstig is. Dodonaeus.

Om de urine af te zetten en de druppelplas te genezen: Neem van de schors van de abeel twee lood, kook die in een pint goede wijn en geef hiervan een roemertje vol te drinken. Hetzelfde is ook goed om de heupjicht en de jicht te genezen. Dodonaeus, R.S. Sammonius.

Tegen pijn en zweren in de oren: Neem het sap van de bladeren van witte populier en druip het lauw in de oren. Dodonaeus

Tegen schurft en wratten: Neem het water dat in de holte van de oude stammen gevonden wordt en bestrijkt het daar mee. Joh. Schroderus.

 

 

Linden-boom, in ít Latijn Tilia.

 

Geslachten.

Van dese Boom vintmen in de Nederlanden twee soorten, Linden-boom Wijfken, die meest bekent is, en Linden-boom Manneken.

 

Gedaente.

De eerste soort wast op tot een seer groot en dicke Boom, wiens tacken sich wijdt en breedt uytspreyden. De schorsse is uytwendigh effen en bruynachtigh, van binnen uyt den geelen witachtigh

Het hout is effen en wit van verwe, maer niet seer hert. De bladeren zijn breedt, glat, vooraen een weynigh spits en ront om de kanten gekerft. De bloemen, die uyt sommige smalle witachtige bladekens spruyten, zijn seer welrieckende en aen lange steelkens tísamen vergadert. De vruchten, ít welck kleyne ronde besien zijn, besluyten in sich kleyn, ront, en zwartachtigh zaet. De wortelen bevestigen sich diep, wijt en breedt in de aerde.

De Linden-boom Manneken werd van de voorgaende onderschyden, door dien de bladeren niet soo effen noch glat, maer veel rouwer zijn, als mede door dien dese soorte seer selden bloeysel of vruchten voortbrengt, en daerom onvruchtbaer geoordeelt, nochtans schrijft Dodonaeus, dat de vruchten van den Linden-boom Manneken plat, rondt en als de vruchten van den grooten Thlaspi, ít samen in een gedrongen aen lange steelkens druyf wijs by een hangen.

 

Plaetse.

De Linden-boom is in grooten overvloet in de Nederlanden te vinden, en wast gaerne in goet en vet aertrijck, want in een dorre en drooge gront tiert hy niet seer wel.

 

Tijdt.

De bladeren van desen Boom spruyten in April, en den bloemen in May voort.

 

Oeffeningh.

De Linden-boomen werden van zaet en wortel-spruyten aengeteelt, de welke men een ofte twee voeten van malkanderen set, en tot de gront af snijt, uytgenomen een schoote, die men om een rechte (6) stam te maecken best en bequamste te zijn oordeelt: daer na 4 of 5 jaren out en 2 ofte 3 duymen dick zijnde, kan mense verplaetsen 24 voeten van malkander.

 

Aert en krachten.

De bladeren en schorsse van dese Boom zijn matelijck warm en ít samentreckende van aerdt, met eenige drooghmaeckende en de terugh dryvende kracht begaeft zijnde. De bloemen zijn warm en droogh, seer fijn van deelen, hebbende een besondere kracht om de gebreken der herssenen, uyt koude oorsake ontstaen, te genezen. Fuchsius, Brunfelsus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor geswolle beenen: Neemt bladeren van den Linden-boom, soo veel van nooden is, koockt die in water tot een pap, en slaet het om de geswolle beenen. Dodonaeus.

Voor Spruw en puysten in de mondt: Neemt die bladeren van de Linden-boomen, koockt die in schoon regen-water, en spoelt den mont daer mede. Matthiolus.

Voor drayinghe des Hoofts, Vallende sieckte, beroertheyt, en om de geboorte te vorderen: Gebruyckt het gedistileerde water van Linden-bloeysel, als mede Conserf van deselve Bloemen bereyt. C. Durantus.

Voor het uytvallen des Hayrs: Vergadert de vochtigheyt die uyt desen opgesneden Boom druypt, en bestrijckt het Hooft daer mede. Joh. Schroderus.

Voor het bloeden uyt de Neus: Neemt het zaet van den Linden-boom, ende fijn gepulveriseert zijnde, treckt het in de Neus-gaten op. Joh. Schroderus.

Om het geronnen Bloet te doen scheyden: Neemt droogh Lindenboomen hout, brant hier van koolen, de welcke ghy met Wijn-azijn uyt dooven sult, geeft van dese fijn gestooten koolen een vierendeel loots met eenigh nat te drincken. Joh. Schroderus.

Linde, in het Latijn Tilia. (Tilia cordata en platyphyllum, het mannetje)

 

Geslachten.

Van deze boom vindt men in Nederland twee soorten, linde wijfje die het meest bekend is en linde mannetje.

Vorm.

De eerste soort groeit op tot een zeer grote en dikke boom wiens takken zich wijd en breed uitspreiden. De schors is uitwendig vlak en bruinachtig, van binnen uit het gele witachtig

Het hout is effen en wit van kleur, maar niet zo hard. De bladeren zijn breed en glad, vooraan wat spits en rondom de kanten gekerfd. De bloemen die uit sommige smalle, witachtige blaadjes komen zijn zeer wel riekend en hangen tezamen aan lange steeltjes. De vruchten zijn kleine ronde besjes en hebben in zich klein, rond en zwartachtig zaad. De wortels bevestigen zich diep, wijd en breed in de aarde.

Linde mannetje wordt van het voorgaande onderscheiden doordat zijn bladeren niet zo vlak of glad zijn, maar veel ruwer, als mede doordat deze soort zeer zelden bloemen of vruchten voortbrengt en wordt daarom onvruchtbaar geacht, nochtans schrijft Dodonaeus dat de vruchten van het lindeboom mannetje plat, rond en als de vruchten van de grote Thlaspi zijn en tezamen ineen gedrongen aan lange steeltjes druifvormig bij elkaar hangen.

 

 

Plaats.

De linde is in grote overvloed in Nederland te vinden en groeit graag in goede en vette grond want in een dorre en droge grond tiert het niet zo goed.

 

Tijd.

De bladeren van deze boom spruiten uit in april en de bloemen in mei.

 

Teelt.

De linden worden van zaad en wortelspruiten voort geteeld die men dertig of zestig cm van elkaar zet en tot de grond af snijdt, uitgezonderd een scheut die men om een rechte stam te maken als het beste en meest goede beoordeelt, daarna als ze 4 of 5 jaren oud en 2 of 3 duimen dik zijn kan men ze een zeven meter uit elkaar verplaatsen.

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van deze boom zijn matig warm en tezamen trekkend van aard die met enige droog makende en de terug drijvende kracht bezet zijn. De bloemen zijn warm en droog, zeer fijn van delen en hebben een bijzondere kracht om de gebreken van de hersens die uit koude oorzaken ontstaan zijn te genezen. Fuchsius, Brunfelsus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen gezwollen benen: Neem van de bladeren van de linde zoveel als nodig is, kook die in water tot een pap en sla het om de gezwollen benen. Dodonaeus.

Tegen spruw en puisten in de mond: Neem de bladeren van de linde, kook die in schoon regenwater en spoel de mond daarmee. Matthiolus.

Voor draaiingen van het hoofd, vallende ziekte, beroerdheid en om de geboorte te bevorderen: Gebruik het gedistilleerde water van lindebloesem als mede de konserf die van dezelfde bloemen gemaakt is. C. Durantus.

Tegen het uitvallen van het haar: Verzamel de vochtigheid die uit de ingesneden boom druipt en bestrijk het hoofd daarmee. Joh. Schroderus.

Tegen het bloeden uit de neus: Neem het zaad van de linde en als dit fijn verpoederd is trek het in de neusgaten op. Joh. Schroderus.

Om het gestolde bloed te laten scheiden: Neem droog lindehout, brandt hiervan kolen die ge met wijnazijn zal uitdoven en geef van deze fijn gestampte kolen een vierendeel lood met wat nat te drinken. Joh. Schroderus.

 

 

Wilgen-boom, in ít Latijn Salix.

 

Geslachten.

De Wilgen-boom heeft twee verschyden soorten, het eene wast hoog, ende het ander blijft kleyn, welcke laetste en min ghemeene soorte van Willigen wederom tweederley gevonden wordt, namentlijck leege Willigen met breede bladeren, en leege Willigen met smalle bladeren.

 

Gedaente.

De groote Willigen-boom, indien hy door het besnoeyen en het af-kappen der toppen niet onderhouden wordt, schiet somtijdts seer hoogh op, ende verkrijght een matelijcken dicken stam, sijn schorsse zijn effen, en buyghsaem. Het hout is witachtigh en seer tay, en daerom onbequam om lichtelijck gebroken te worden. De bladeren zijn smal en langh-werpigh, boven op groen, van onderen asch verwigh, en sacht in ít handelen. De taxckens die veel in ít getal zijn, zijn meest met een bruyn-roode ofte ook met een graeuwe schorsse bekleet. De bloemen zijn lange moschachtige troskens ofte kattekens, die haestelijck vergaen ende verwaeyen.

De kleyne soorte heeft een leger ende dunder stam, ende smalder ofte breder bladeren.

 

Plaetse.

De groote Willigen-boom wert hier te lande veel gevonden omtrent de kanten van de Grachten alwaer hy veel weelderiger, als elders op dorre en drooge gront wast.

De leege Willigen met breede bladeren wast in Hollandt omtrent de Zee-duynen. De leege Willigen met smalle bladeren werdt gevonden in de dorre Velden en Heyden van Brabandt.

 

Tijdt.

De bladeren en ít bloeysel van de Willigen-boomen spruyten in April ofte May voort.

 

Oeffeningh.

De Willigen werden door ít poten ofte van steken vermenghvuldight, andersints begeeren sy geen nauwkeurige oeffeningh.

 

Aert en Krachten.

De bladeren en schorsse van desen Boom zijn kout en droogh van aert, en eenighzins tísamentreckende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ít bloetspouwen, bloet-breacken, bloetganck,(7) overtollige Maentstonden en andere Vrouwelijcke vloeden: Neemt Willigen-bladeren drie handen vol, koockt dese in anderhalf pint Wijns, tot dat een derdendeel versooden is, en geeft hier van 2 a 3 mael daeghs een roemertje vol van te drincken. Dodonaeus.

Voor Wratten en Exter-oogen: Neemt de assche van de schorsse van Willigen-boomen, de welcke met azijn vermenght, ende op de Wratten en Exteroogen geleyt zijnde, de selve doet afvallen. Dodonaeus.

Voor Colijck ofte Buyck-pijn: Neemt Willigen bladeren een halve handt vol, heele peper no 6, koockt dit te samen in een half pintje Wijn tot de helft, en geeft het te drincken. Ravelingius.

Voor pijn der Ooren: Neemt sap van Willigen-bladeren en schorsse, van elcks een loot, Olie van Roosen anderhalf loot, koockt dit te samen op in een Granaetschelle, en druypt het warm in de Ooren. Fuchsius.

Wilg, in het Latijn Salix. (Salix alba, Salix caprea, de kleine Salix viminalis)

 

Geslachten.

De wilg heeft twee verschillende soorten, de ene groeit hoog en de andere blijft klein. Van de laatste en minder algemene soort worden er weer twee soorten gevonden, namelijk lage wilg met brede bladeren en lage wilg met smalle bladeren.

 

Vorm.

Als de grote wilg niet door het snoeien en afkappen van de toppen onderhouden wordt kan het soms zeer hoog opschieten en krijgt een matig dikke stam. Zijn schors is effen en buigzaam. Het hout is witachtig en zeer taai en is daarom ongeschikt om gemakkelijk te breken. De bladeren zijn smal en langwerpig, van boven groen en van onderen askleurig, zacht in het aanpakken. De takken, waar er veel van zijn, hebben meestal een bruinrode en soms zijn ze ook met een grauwe schors bekleed. De bloemen zijn lange, mosachtige trosjes of katjes die snel vergaan en weg waaien.

De kleine soort heeft een lagere en dunnere stam en smallere of bredere bladeren.

 

 

 

Plaats.

De grote wilg wordt hier te lande veel gevonden omtrent de kanten van de grachten waar het veel weelderiger groeit dan elders op dorre en droge grond.

De lage wilg met brede bladeren groeit in Holland omtrent de zeeduinen. De lage wilg met smalle bladeren wordt gevonden in de dorre velden en heide van Brabant.

 

Tijd.

De bladeren en de bloemen van de wilg spruiten in april of mei uit.

 

Teelt.

De wilg wordt door het planten of van stek vermenigvuldigd, verder hoeven ze geen nauwkeurige teeltwijze.

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van deze boom zijn koud en droog van aard en enigszins tezamen trekkende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen het bloedspuwen, bloedbraken, bloedgang, overtollige maandstonden en andere vrouwelijke vloeden: Neem van wilgenbladeren drie handen vol, kook het in anderhalf pint wijn tot dat een derde deel verkookt is en geef hier van 2 a 3 maal per dag een roemertje vol van te drinken. Dodonaeus.

Tegen wratten en eksterogen: Neem de as van de schors van de wilg wat je met azijn vermengt en dat op de wratten en eksterogen legt waardoor die dan afvallen. Dodonaeus.

Tegen koliek of buikpijn: Neem van wilgenbladeren een halve hand vol, hele peper no 6 en kook dit tezamen in een half pintje wijn tot de helft en geef het te drinken. Ravelingius.

Tegen pijn van de oren: Neem sap van wilgenbladeren en schors, van elk een lood, olie van rozen anderhalf lood, kook dit tezamen op in een granaatschil en druip het warm in de oren. Fuchsius.

 

 

Elsen-boom, in ít Latijn Alnus.

 

Gedaente.

De Elsen-boom niet afgekapt zijnde, schiet met een matelijcke dicke struyck, en veel tacken hoogh op. De schorsse is oneffen, broosch ende zwartachtigh, het hout is niet zeer hardt, de bladeren zijn de Haselaers-bladeren niet seer ongelijck, want sy zijn mede rondachtigh, en aen de kanten geschaert, doch worden in ít aenroeren eenighsints klevende bevonden. De bloemen zijn kattekens, de groene vrucht wort met de Moer-besien vergeleken, door dien sy uyt veel schelferinge ofte schubben dicht by een vergadert zijnde, bestaet. Het zaed is seer kleyn, ende bruyn-ros van verwen.

 

Plaetse.

Deze Boom bemint waterachtige en broeckachtige plaetsen, waerom de selve veel omtrent de kanten van de grachten en slooten gevonden wordt.

 

Tijdt.

De jonge botten van desen Boom spruyten in de Maent April uyt, ende het zaet wordt in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boom werdt in de Veenen van zijn zaet aengeteelt, de welcke daer na in de Maent Maert een voet van malkanderen geplant wordt.

 

Aert en krachten.

Dese Boom is merckelijck verdroogende van aert, nochtans tusschen hitte en koude middelmatigh gestelt. Dodonaeus

 

Medicinael gebruyck.

Voor heete Geswellen en Sweeringen: Neemt de versche bladeren van den Elsen-boom, stootse in een Mortier en leghtse op. Ravelingius.

Voor de Steen der Nieren en Blase: Boort in een Elsen-stam een gat, en vergadert de uytdruypende vochtigheyt, van de welcke ghy voor een reys een halve lepel vol sult ingeven. Matthiolus.

Els, in het Latijn Alnus. (Alnus glutinosa)

 

Vorm.

Als de els niet afgekapt is schiet het met een matig dikke stam en veel takken hoog op. De schors is oneffen, broos en zwartachtig, het hout is niet zo hard. De bladeren zijn de hazelaarbladeren vrij gelijk want ze zijn ook rondachtig en aan de kanten geschaard, maar worden bij het aanpakken enigszins kleverig gevonden. De bloemen zijn katjes, de groene vrucht wordt met de moerbei vergeleken omdat die uit veel schelpen of schubben bestaat die dicht bijeen verzameld zijn. Het zaad is zeer klein en bruinroze van kleur.

 

 

Plaats.

Deze boom bemint waterachtige en moerasachtige plaatsen waarom het veel omtrent de kanten van de grachten en sloten gevonden wordt.

 

Tijd.

De jonge knoppen van deze boom spruiten in de maand april uit en het zaad wordt in de herfst rijp.

 

 

Teelt.

Deze boom wordt in de veengebieden van zijn zaad voortgeteeld wat daarna in de maand maart een dertig cm van elkaar geplant wordt.

 

Aard en krachten.

Deze boom is opmerkelijk verdrogend van aard, nochtans middelmatig tussen hitte en koude gesteld. Dodonaeus

 

Medicinaal gebruik.

Tegen hete gezwellen en zweren: Neem de verse bladeren van de els, stamp ze in een mortier en leg ze op. Ravelingius.

Tegen de steen van de nieren en blaas: Boor in een elzenstam een gat en verzamel het uitdruipende vocht waarvan ge in een keer een halve lepel vol zal ingeven. Matthiolus.

 

 

Bercken-boom, in ít Latijn Betula.

 

 

Gedaente.

De schorsse van de stam des Bercken-booms is witachtigh oneffen en gespleten., maer de schorsse van de teerste taxkens bruyn-root van verwe. De bladeren zijn voor spits toeloopende, en aen de kanten geschaert. De bloemen zijn langhwerpige kattekens.

 

Plaetse.

De Bercken-boomen werden veel in santachtige en dorre gronden gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren en kattekens vertoonen sich in Maert ofte April, of wat later.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen komen van het afgevallen zaet voort, van de welcke men in February Bossen en lanen plant

 

Aert en krachten.

De bladeren en schorsse van de Bercken-boom zijn warm en droogh in den derden graet, afvagende, dun makende, ende versterckende van krachten. Platearius.

 

Medicinael gebryk.

Voor loopende Zeeren: Neemt de bladeren van desen Boom, koockt die in water, en wast de Zeeren hier mede, daer na stroyt de gepulveriseerde schorsse daer in. Ravelingius.

Om quade en besmettelijcke lucht te verbeteren: Neemt de schorsse van Bercken, (8) leght die op ít vuur, en laet de roock het geheele huys door trecken. Dodonaeus.

Voor de Steen der Nieren en der Blase: Boort in de Lente in de stam een gat, ende vergadert de uytdruypende vochtigheyt, van dewelcke eenige tijdt een halve lepel vol ingenomen, den Steen verteert. C. Durantus.

Berk, in het Latijn Betula. (Betula pubescens en Betula pendula)

 

Vorm.

De schors van de stam van de berk is witachtig, oneffen en gespleten, maar de schors van de teerste takjes zijn bruinrood van kleur. De bladeren lopen voor spits toe en zijn aan de kanten geschaard. De bloemen zijn langwerpige katjes.

Plaats.

De berken worden veel in zandachtige en dorre gronden gevonden.

 

Tijd.

De bladeren en katjes komen in maart, april of of wat later.

 

Teelt.

Deze bomen komen van het afgevallen zaad voort waarvan men in februari bossen en lanen plant.

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van de berk zijn warm en droog in de derde graad, afvegende, dun makend en versterkend van krachten. Platearius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen lopende zeren: Neem de bladeren van deze boom, kook die in water en was de zeren hiermee, strooi daarna de verpoederde schors daar in. Ravelingius.

Om kwade en besmettelijke lucht te verbeteren: Neem de schors van berk, leg die op het vuur en laat de rook het gehele huis doortrekken. Dodonaeus.

Tegen de steen van de nieren en de blaas: Boor in de lente in de stam een gat en verzamel de uitdruipende vochtigheid en als daarvan enige tijd een halve lepel vol ingenomen wordt verteert het de steen. C. Durantus.

 

 

Vlier-boom, in ít Latijn Sambucus.

 

Gedaente.

De Vlierboom is in de Nederlanden genoegsaem bekent. De dicke struycken zijn geheel houtachtigh, en in ít midden met eenigh mergh vervult, de kleyne struycken die in veel ledekens verdeelt zijn, hebben weynigh houts, en veel wit en voos mergh. De schorsse van de dicke struycke is aschverwig en oneffen, maer de kleyne struycken werden buyten met een graeuwachtige ende van binnen met groene schorsse bekleet. De bladeren die omtrent de ledekens ofte knoopen der tacken voortspruyten, en vijf door een middel ribbe tísamen gevoeght, by een groepen, zijn langhwerpig, en rontom de kanten gekartelt. Op ít eynde der tacken komen de witte en liefflijke bloemen kroons-wyse te voorschijn, na dewelke eerst groene en daer naer zwarte besien volgen, in dese besien leyt plat en langhwerpigh zaet besloten. Aen de oude stammen van de Vlier-boom vint men een sacht en bruyn schorsachtigh of leerachtigh aenwas, dat na de gedaente van eens menschen oor, Judas-ooren genaemt werde.

 

Plaetse.

De gemeene Vlier-boom wast aen de kanten en hagen van de Hoven, Velden en Wegen, doch best op vochte plaetsen.

 

Tijdt.

De botten van de Vlier spruyten in ít Voor-jaer uyt, de bloemen in May, ende de vruchten ofte besien worden in September ofte October rijp.

 

Oeffeningh.

De Vlier-boom werdt door stecken aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De jonge scheuten, bladeren en de groene schorsse zijn droogh in den eersten, ende warm in den tweeden graet, hebbende een purgerende kracht, om de waterachtige vochtigheden van onderen en van boven af te setten. De bloemen verteeren, vermorwen, drijven het zweet ende stillen pijn. De besien verwecken het zweet, ende wederstaen de besmettinge. De Judas-ooren hebben een tísamentreckende en verdroogende kracht. Fuchsius, Brunfelsius.

 

Medicinael gebruyck.

Om de waterachtige en de galachtige vochtigheden af te setten: Neemt van de jonge botten, ofte scheutkens van de Vlier-boom een handt vol, koockt die een reys ofte twee op, daerna bereyt hier van met oly, azijn, en zout, een salaet, ofte neemt de groene schorsse van de Vlier-boom soo veel genoegh is, druckt het sap en geeft hier van twee loot; ofte wat meer met eenigh nat te drincken, ofte neemt het zaet van de Vlier-besien, besprenght het met een weynigh Wijns, en pers een Olie hier uyt, van de welcke ghy op een reys, een vierendeel loots met Bier sult ingeven, dese genees-middelen verwecken mede het braecken. Dodonaeus.

Voor een verstopte en verharde Mildt: Neemt Vlier-bladeren koockt die in Wijn en Olie, tot dat de Wijn versoden is, ende besmeer met dese Olie de lincker-zijde. Ravelingius.

Voor drooge en oude Hoest: Neemt Vlier-bladeren een halve handt vol, Vlierbloemen een handt vol, koockt die te samen in anderhalf pint Wijn, en geeft hier van te drincken.

Voor de Water-sucht: Neemt de groene schorsse van de Vlier-boom, distilleer hier van een water, van ít welcke ghy by na een mutsjen tweemael daeghs twee uuren voor de maeltijdt sult ingeven. J. Weckerus.

Om Hooft-pijnen uyt hitte te stillen, ende de verhittinge der Oogen te genesen. Hier toe gebruyckt het water van de Vlier-bloemen gedistilleert.

Voor Koortsen en besmettelijcke sieckten: (9) Neemt het dick gesoden sap uyt de rijpe Vlier-besien een loot, bereyde Harts-hoorn een half vierendeel loots, menght dit te samen tot een conserf.

Voor geswellen in de Hals: Neemt een halve handt vol Judas-ooren, koockt die in bier en gorgelt hier mede. Lobel.

Vlier, in het Latijn Sambucus. (Sambucus nigra)

Vorm.

De vlier is in Nederland voldoende bekend. De dikke takken zijn geheel houtachtig en in het midden met wat merg gevuld, de kleine takken, die in veel leden verdeeld zijn, hebben weinig hout en veel wit en voos merg. De schors van de dikke takken is askleurig en oneffen, maar de kleine takken worden buiten met een grauwachtige en van binnen met een groene schors bekleed. De bladeren die omtrent de leden of knopen van de takken uitspruiten zijn met vijf stuks aan een middensteel tezamen gevoegd, ze zijn langwerpig en rondom de kanten gekarteld. Op het einde van de takken komen de witte en liefelijke bloemen kroonsgewijze te voorschijn waarna eerst groene en daarna zwarte bessen volgen waarin plat en langwerpig zaad besloten zit. Aan de oude stammen van de vlier vindt men een zacht en bruin, schorsachtig of leerachtig aanwas dat naar de gedaante van een mensenoor Judasoren genoemd wordt. (Hirneola auricula ĎJudaeí)

 

Plaats.

De gewone vlier groeit aan de kanten en hagen van de hoven, velden en wegen, maar het beste op vochtige plaatsen.

 

Tijd.

De knoppen van de vlier spruiten in het voorjaar uit en de bloemen in mei, de vruchten of bessen worden in september of oktober rijp.

 

Teelt

De vlier wordt door stekken voort geteeld.

 

 

Aard en krachten.

De jonge scheuten, bladeren en de groene schors zijn droog in de eerste en warm in de tweede graad. Ze hebben een purgerende kracht om de waterachtige vochtigheid van onderen en van boven af te zetten. De bloemen verteren en vermurwen, drijven het zweet en stillen de pijn. De bessen verwekken het zweet en weerstaan de besmetting. De Judasoren hebben een tezamen trekkende en verdrogende kracht. Fuchsius, Brunfelsius.

 

Medicinaal gebruik.

Om de waterachtige en de galachtige vochtigheden af te zetten: Neem van de jonge knoppen of scheuten van de vlier een hand vol, kook die een of twee maal op, maak daarna hiervan met olie, azijn en zout een salade. Of neem de groene schors van de vlier zoveel als genoeg is, druk het sap uit en geef hier van twee lood of wat meer met wat nat te drinken. Of neem het zaad van de vlierbessen, besproei het met wat wijn en pers hier een olie uit waarvan ge in een maal een vierendeel lood met bier zal ingeven. Deze geneesmiddelen verwekken mede het braken. Dodonaeus.

Tegen een verstopte en verharde milt: Neem vlierbladeren en kook die in wijn en olie tot dat de wijn verkookt is en besmeer met deze olie de linkerzijde. Ravelingius.

Tegen droge en oude hoest: Neem van vlierbladeren een halve hand vol, van vlierbloemen een hand vol en kook die tezamen in anderhalf pint wijn en geef hier van te drinken.

Tegen de waterzucht: Neem de groene schors van de vlier, destilleer hiervan een water waarvan ge bijna een mutsje tweemaal per dag twee uren voor de maaltijd zal ingeven. J. Weckerus.

Om hoofdpijnen uit hitte te stillen en de verhitting van de ogen te genezen: Hiertoe gebruikt men het gedistilleerde water van de vlierbloemen.

Tegen koortsen en besmettelijke ziekten: Neem van het dik gekookte sap uit de rijpe vlierbessen een lood, van klaar gemaakte hertshoorn een half vierendeel lood, meng dit tezamen tot een konserf.

Tegen gezwellen in de hals: Neem een halve hand vol Judasoren, kook die in bier en gorgel hier mee. Lobel.

 

 

Cornoelien-boom, in ít Latijn Cornus.

 

Geslachten.

De Cornoelien-boom is een tweederley soorte, te weten in tamme, ende in wilde onderscheyden.

 

Gedaente.

De tamme Cornoelien-boom wordt somstijdts een redelijcke groote Boom, wiens hout seer hardt en vast is; de bladeren zijn effen, langhwerpig-breet, en met veel tusschen-loopende zenuwen voorsien, de bloemen zijn geelachtigh, de vruchten ofte besien zijn eerst groen, daer na rijp geworden zijnde, root, maer scharp en wrangh van smaeck. De wilde verschilt van de voorgaende, om datse niet soo hoogh op schiet, en na dien bloemen wit, en aen de jonge rijskens kroons-wijs by een vergadert zijn.

Lobel schrijft dat in ít Lant van Doornik een soorte van Cornoelien wast, met witte ofte wasch-geele vruchten.

 

Plaetse.

De tamme Cornoelien-boom wordt in de Nederlanden in de Hoven aen Heyningen onderhouden: De wilde vindt men tusschen de heggen achter de Bouwlanden, ende oock by de bosschen

 

Tijdt.

De bloemen van de tamme Cornoelien-boom spruyten uit by sacht weder in ít eynde van Februarius, ofte in ít begin van Maert uyt, waer na de bladeren volgen, maer de vruchten werden voor Augustus niet rijp. De bloemen van de wilde komen in April te voorschijn, en de besien ofte vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boom werd soo wel van zaet als van scheuten ofte stecken aengequeeckt, ende daer na in October ofte November tot Hagen en Prieelen verplant.

 

Aert en krachten.

De vruchten van dese Boom, by ons Cornoelien genaemt, zijn verkoelende, drooghmakende ende tísamentreckende van krachten. C. Bauhinus.

 

Medicinael gebruyk.

Voor Buyck-loopen en root Melizoen: Neemt van de gedroogde vruchten van den Cornoelien-boom een vierendeel loots, stootse tot poeyer en geeft het met eenigh nat te gebruycken. Brunfelsus.

Voor overtollige Maentstonden der Vrouwen: Neemt Conserf van de bloemen van dese Boom een half loot, en geeft dit nuchteren in. Matthiolus.

Om het bloeden der Wonden te doen ophouden: Neemt de bladeren van dese Boom soo veel genoegh is, stootse en leghtse op. Dodonaeus.

Cornoelje, in het Latijn Cornus. (Cornus mas en Cornus sanguinea)

 

Geslachten.

Kornoelje is er in twee soorten onderscheiden, te weten in tamme en in wilde.

Vorm.

De tamme cornoelje wordt soms een redelijk grote boom wiens hout zeer hard en vast is. De bladeren zijn effen, langwerpig-breed en met veel tussen lopende zenuwen voorzien. De bloemen zijn geelachtig, de vruchten of bessen zijn eerst groen en worden rood als ze rijp worden, maar scherp en wrang van smaak. De wilde verschilt van de voorgaande omdat ze niet zo hoog op schiet en dat zijn bloemen wit en aan de jonge twijgen kroonsgewijs bijeen verzameld zijn.

Lobel schrijft dat in het land van Doornik een soort van cornoelje groeit met witte of wasgele vruchten.

 

 

Plaats.

De tamme cornoelje wordt in Nederland in de hoven aan heiningen gekweekt. De wilde vindt men tussen de heggen achter de bouwlanden en ook bij de bossen.

 

 

Tijd.

De bloemen van de tamme cornoelje spruiten uit met zacht weer op het eind van februari of in het begin van maart waarna de bladeren volgen, maar de vruchten worden niet voor augustus rijp. De bloemen van de wilde komen in april te voorschijn en de bessen of vruchten worden in de herfst rijp.

 

 

Teelt.

Deze boom wordt zowel van zaad als van scheuten of stekken voortgeteeld en daarna in oktober of november tot hagen en priŽlen verplant.

 

Aard en krachten.

De vruchten van deze boom die door ons cornoelje genoemd wordt zijn verkoelend, droog makend en tezamen trekkend van krachten. C. Bauhinus.

 

Medicinaal gebruik

Tegen buikloop en rode loop: Neem van de gedroogde vruchten van de cornoeljeboom een vierendeel lood, stampt het tot poeder en geef het met wat nat te gebruiken. Brunfelsus.

Tegen overtollige maandstonden van de vrouwen: Neem van het konserf van de bloemen van deze boom een half lood en geef dit nuchter in. Matthiolus.

Om het bloeden van de wonden te laten ophouden: Neem de bladeren van deze boom zoveel als genoeg is, stamp ze en leg ze op. Dodonaeus.

 

 

Ypen-boom, in ít Latijn Ulmus.

 

Geslachten.

In de Nederlanden vindt men twee soorten van Ypen, de eene met breede, en díander met smalle bladeren.

 

Gedaente.

De Ypen-boom schiet dickwils tot een seer hooge en langen Boom, wiens hout seer hardt is, de bast ofte schorsse tay en buygsaem. De bladeren zijn langhwerpigh ende rondtom geschaert, aen de onderste zijde bleeck-groen.

 

Plaetse.

De Ypen werden in de Hoven tot Lanen, Hagen, ende Prieelen geplant gevonden.

 

Tijdt

De bladeren van dese Boom spruyten in ít laetste van April, ofte ontrent het begin van May voort.

 

Oeffeningh.

De Ypen-boomen werden door wortel-spruyten ofte oploopen aengeteelt, de welcke daer na aen heyningen geset, ofte tot Lanen in February verplant worden.

 

Aert en krachten.

De bladeren en schorsse van dese Boom zijn matelijck warm van aert, en merckelijck afvagende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om versche Wonden (10) te heelen: Neemt de bladeren van dese Boom, stoot se kleyn en legt se op.

Voor quade Schurftheyt: Neemt Ypen-bladeren soo veel van nooden is, stootse in een Mortier, gietíer een weynigh Wijnazijn bij, en perst het sap uyt, waer mede ghy het Schurft dickwijls sult bestrijcken. Ravelingius.

Iep, in het Latijn Ulmus. (Ulmus minor en Ulmus glabra)

 

Geslachten.

In Nederland vindt men twee soorten van iepen, de ene met brede en de andere met smalle bladeren.

Vorm.

De iep schiet dikwijls op tot een zeer hoge en lange boom, wiens hout zeer hard is en de bast of schors taai en buigzaam. De bladeren zijn langwerpig en rondom geschaard, aan de onderkant bleek groen.

 

Plaats.

De iepen worden in hoven tot lanen, hagen en priŽlen geplant gevonden.

 

Tijd

De bladeren van deze boom spruiten in het laatste van april of omtrent het begin van mei uit.

 

Teelt.

De iepen worden door wortelspruiten of uitlopers voort geteeld die daarna in heiningen gezet of tot lanen in februari verplant worden

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van deze boom zijn matig warm van aard en opmerkelijk afvegend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om verse wonden te helen: Neem de bladeren van deze boom, stamp ze klein en leg ze op

Tegen kwade schurft: Neem iepenbladeren zoveel als nodig is, stamp ze in een mortier, giet er wat wijnazijn bij en pers het sap uit waarmee ge het schurft dikwijls zal bestrijken. Ravelingius.

 

 

Appel-boom, in ít Latijn Malus.

 

Geslachten.

Dese Boom is ofte tam ofte wildt, de tamme is menigerley, en wordt alleen door de verscheydenheyt der vruchten onderscheyden, van de welcke alle de soorte op te stellen, alhier te langh soude vallen.

 

Gedaente.

De struyck ofte stam van den Appel-boom is tamelijck dick, nochtans niet seer hoogh, maer de tacken zijn in ít breede verre uytgespreydt, de schorsse is niet rouw in ít aentasten, de bladeren zijn rondtachtigh, breet ende een weynigh aen de kanten geschaert, de bloemen uyt vijf bladekens bestaende, zijn uyt den witte, lijf-verwigh root. De vruchten ofte Appelen zijn in grootte, maecksel, verwe ende smaeck merckelijck na haren aert verscheyden.

 

Plaetse.

De inge-ente Appel-boomen werden in de hoven en Boomgaerden over al overvloedigh gevonden.

 

Tijdt.

Dese Boom bloeyt meest in ít laetset van April, ofte in ít begin van May, en de vruchten werden in Augustus, September ende October rijp.

 

Oeffeningh.

De Appel-boom begeert een welbereyde, vette ende wat vochtachtige gront. De manier van in-entingh deser Boomen vindt ghy nauwkeurigh in ít Vermakelijck Landt-leven, in ít eerste en tweede Deel beschreven.

 

Aert en Krachten.

De Appelen zijn in ít gemeen kout en vochtigh van aert, doch met dit onderscheyt dat de soete Appelen minder koudt en vochtigh zijn, als de suuren. De bladeren en bloemen hebben een tísamentreckende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ít Pleuris: Neemt een soete Appel, braet die onder de assche, bestroytse met poeyer van Soethout en Suycker, en geeft dit den siecken te eeten.

Voor verswooren Pleuris: Neemt een soete Appel, voornamentlijck een pippelingh, holt het klockhuys met de pitten daer uyt, en vult het wederom met Wieroock, braet de Appel onder de assche, en geeft de siecken hier van te eeten. A. Pedemontanus.

Voor Verbrantheyt: Neemt verrotte ofte aengesteken Appelen, de selve gekneust zijnde, leghtse op de verbrande plaetse. Ravelingius.

Appel, in het Latijn Malus. (Malus sylvestris vormen)

 

Geslachten.

Deze boom is of tam of wild. Van de tamme zijn er veel vormen die alleen door de verschillen van de vrucht herkend worden, om daar alle soorten van te vermelden zou hier te lang duren.

 

Vorm.

De struik of stam van de appelboom is tamelijk dik en nochtans niet zo hoog, maar de takken zijn in de breedte ver uitgespreid. De schors is niet ruw in het aanvoelen. De bladeren zijn rondachtig, breed en aan de kanten wat geschaard. De bloemen bestaan uit vijf blaadjes en zijn uit het witte vleeskleurig rood. De vruchten of appels zijn in grootte, vorm, kleur en smaak opmerkelijk naar hun soort verschillend.

 

 

Plaats.

De geŽnte appelbomen worden in de hoven en boomgaarden overal overvloedig gevonden.

 

Tijd

Deze boom bloeit meestal op het eind van april of in het begin van mei, de vruchten worden in augustus, eeptember en oktober rijp.

 

Teelt.

De appelboom begeert een goed klaar gemaakte, vette en wat vochtige grond. De manier van enten van deze bomen vindt ge nauwkeurig in het ĎVermakelijck Landt-levení in het eerste en tweede deel beschreven.

 

Aard en krachten.

De appels zijn in het algemeen koud en vochtig van aard, doch met dit onderscheid dat de zoete appels minder koud en vochtig zijn dan de zure. De bladeren en bloemen hebben een tezamen trekkende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen zijdepijn: Neem een zoete appel en braadt die onder de as, bestrooi die met poeder van zoethout en suiker en geef dit de zieke te eten.

Tegen verzworen zijdepijn: Neem een zoete appel en dan de cultivar pippeling, hol het klokhuis met de pitten daar uit en vul het wederom met wierook, braadt de appel onder de as en geef de zieke hiervan te eten. A. Pedemontanus.

Tegen verbranding: Neem verrotte of aangestoken appels en als die gekneusd zijn leg ze op de verbrande plaats. Ravelingius.

 

 

Peere-boom, in ít Latijn Pirus.

 

Geslachten.

De Peere-boom is even als de Appel-boom in tamme, die mede veelderhande zijn, en in wilde verdeelt.

 

Gedaente.

De Peere-boom schiet hooger en rechter als de Appel-boom op, de stam is mede veel dicker, wiens hout geelachtigh is. De bladeren zijn breedtachtigh, schoon groen, en om de kanten een weynigh geschaert. De bloemen zijn wit, en de vruchten die beneden breedtachtigh en boven smal toeloopen, verschillen seer veel na haren aert van grootte, gedaente, verwe ende smaeck.

 

Plaetse.

De tamme ofte inge-ente Peere-boomen werden door bequame oeffeninge in de hoven en Boomgaerden onderhouden.

 

Tijt.

De Peere-boomen bloeyen in April ofte May, maer de vruchten werden in Julius, Augustus, ofte September ende oock wel later rijp.

 

Oeffeningh.

De oeffeningh van dese Boomen vindt ghy naeuwkeurigh in ít eerste en tweede Deel van ít Vermakelijck Landt-leven beschreven.

 

Aert en Krachten.

De Peeren zijn in ít gemeen kout van aert, en verdroogende, en wat tísamentreckende van krachten; hoewel (11) hier in eenige onderscheyt gevonden wordt, want de wrange en suure Peeren verdroogen en stoppen meest, ende zijn seer tísamen-treckende. De soete zijn soo tísamen-treckende, stoppende, verdroogende, noch oock verkoelende niet. De bladeren hebben mede een verkoelende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor het Braken der galachtige vochtigheden: Neemt Peeren, ziedt die murw in water, daer na gestooten zijnde, leghtse van buyten op de Mage. Dodonaeus.

Voor versche Wonden: Gebruyckt de gekneusde Peere-bladeren. Galenus, Lobel.

Voor het uytsincken der Lijfs-moeders: Bereyt een bat van Peere-bladeren, en laet de vrouwe daer eenige tijdt in sitten. Fuchsius.

Perenboom, in het Latijn Pirus. (Pyrus communis)

 

Geslachten.

Van de perenboom zijn net als de appelboom tamme waarvan er veel vormen zijn en in wilde verdeeld.

Vorm.

De perenboom schiet hoger en rechter op dan de appelboom, de stam is ook veel dikker en het hout is geelachtig. De bladeren zijn breedachtig, mooi groen en om de kanten wat geschaard. De bloemen zijn wit. De vruchten zijn beneden breedachtig en lopen boven smal toe en verschillen zeer veel naar hun aard van grootte, vorm, kleur en smaak.

 

Plaats.

De tamme of geŽnte perenbomen worden door bekwame teeltwijze in de hoven en boomgaarden onderhouden.

 

Tijd.

De perenbomen bloeien in april of mei, maar de vruchten worden in juli, augustus of september en ook wel later rijp.

 

Teelt.

De teelt van deze bomen vindt men nauwkeurig in het eerste en tweede deel van í het Vermakelijck Landt-levení beschreven.

 

Aard en krachten.

De peren zijn in het algemeen koud van aard, verdrogend en wat tezamen trekkend van krachten, hoewel hierin enig verschil in gevonden wordt want de wrange en zure peren verdrogen en stoppen het meeste en zijn zeer tezamen trekkend. De zoete zijn niet zo tezamen trekkend, stoppend, verdrogend of verkoelend. De bladeren hebben ook een verkoelende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen het braken van galachtige vochtigheid: Neem peren en kook ze murw in water, als ze daarna gestampt zijn leg ze buiten op de maag. Dodonaeus.

Tegen verse wonden: Gebruik de gekneusde perenbladeren. Galenus, Lobel.

Tegen het uitzinken van de baarmoeder: Maak een bad van perenbladeren en laat de vrouw daar enige tijd in zitten. Fuchsius.

 

 

Quee-boom, in ít Latijn Malus Cotonea.

 

Geslachten.

Van desen Boom werden drie soorten gevonden, de eerste noemt men manneken ofte Quee-Appel-boom, de tweede wijfken ofte Quee-peer-boom, ende de derde wilde Quee-boom.

 

Gedaente.

De Quee-boomen zijn hier en in andere Landen seer wel bekent: de stam is met een rouw ofte schelferachtige schorsse bekleet. De bladeren van dese boom zijn rondtachtigh, aen de opperste zijde groen, en aen de onderste wit en sacht. De bloemen zijn van verwe purperachtigh met wit vermenght, de vrucht is buyten met dun en sachte wol bekleedt, andersins is de schelle goutgeel van coleur. De Quee-kernen ofte Zaden leggen in ít midden, gelijck van de Appelen en Peeren, in vellekens beslooten. Het manneken ofte Quee-Appel-boom heeft een veel dunder stam als het wijfken, wiens vruchten oock meerder gerimpelt, beter rieckende, drooger en geelder van verwen zijn. De vruchten van de wilden Quee-boom zijn veel harder als de voorgaende, nochtans hebben sy mede een seer goede reuck.

 

Plaetse.

De Quee-boomen werden in de Nederlanden meest aan de kanten en hagen der Hoven gevonden.

 

Tijdt.

De vruchten worden in October rijp.

 

Oeffeningh.

De Boomen werden van wortel-spruyten voort geteelt, ofte oock wel op haer eygen soorte ge-ent, ende werden in ít wassen van de Maen in November ofte February in losse en vochte aertijck geplant.

 

Aert en Krachten.

De vruchten van dese Boom zijn kout in den eersten, en droog in den tweeden graet, en tísamen-treckende van krachten; de kernen ofte zaden verkoelen, en maken vochtigh. Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een swacke Mage, ende het opstijgen der dampen naer de herzenen te beletten: Hier tegen ghebruyckt gestoofde Queen ofte alleen het Quee-vleesch, bij ons Marmelade genaemt, dit selfde stopt mede alderhande vloeden, en doet het overtollig braecken ophouden. Dodonaeus.

Voor de uyt-gesoncken Aersdarm en Lijf-moeder: Neemt de geele schelle van de Queen soo veel van nooden is, koockt die in water, waer mede ghy die partyen stooven sult. Dioscorides.

Voor ontstekinge der Oogen, kloven in de Vrouwen Tepels, verbrantheyt en rouwigheydt der tonge, in heete brandende Koortsen: Neemt de Quee-kernen ofte zaden, giet hier op genoeghsaem Roose-water, laat dit te samen weecken tot dat een slijmigheyt hier uyt getrocken wordt, ít welck ghy tegen de voorverhaelde gebreecken ghebruycken sult. Brunfelsius.

Voor den Carbunckel en pestige Klieren: Neemt de sachte wolle van de Queen soo veel genoegh is, zied die in Wijn en leghtse op. Plinius.

Kwee, in het Latijn Malus Cotonea. (Cydonia vulgaris, de var. maliformis en var. pyriformis)

 

Geslachten.

Van deze boom worden drie soorten gevonden, de eerste noemt men mannetje of kweeappelboom, het tweede wijfje of kweeperenboom en de derde wilde kweeboom.

 

Vorm.

De kweebomen zijn hier en in andere landen zeer goed bekend. De stam is met een ruwe of schilferachtige schors bekleed. De bladeren van deze boom zijn rondachtig, aan de bovenkant groen en aan de onderkant wit en zacht. De bloemen zijn van kleur purperachtig met wit vermengd. De vrucht is van buiten met een dun en zachte wol bekleed, verder is de schil goudgeel van kleur. De kweekernen of zaden liggen in het midden net zoals van de appels en peren in velletjes besloten. Het mannetje of kweeappelboom heeft een veel dunnere stam dan het wijfje wiens vruchten ook meer gerimpeld, beter geuren, droger en geler van kleur zijn. De vruchten van de wilde kweeboom zijn veel harder als de voorgaande, nochtans hebben ze ook een zeer goede reuk.

 

 

Plaats.

De kweebomen worden in Nederland meestal aan de kanten en hagen van de hoven gevonden.

 

Tijd.

De vruchten worden in oktober rijp.

 

Teelt.

De bomen worden van wortelspruiten voort geteeld of ook wel op hun eigen soort geŽnt en worden met het wassen van de maan in november of februari in losse en vochtige grond geplant.

 

Aard en krachten.

De vruchten van deze boom zijn koud in de eerste en droog in de tweede graad en tezamen trekkend van krachten. De pitten of zaden verkoelen en maken vochtig. Fuchsius.

 

 

Medicinaal gebruik.

Voor een zwakke maag en om het opstijgen van de dampen naar de hersens te beletten: Hiertegen gebruik je gestoofde kwee of alleen het kweevlees dat bij ons marmelade genoemd wordt, dit zelfde stopt ook allerhande vloeden en laat het overtollig braken ophouden. Dodonaeus.

Tegen de uitgezonken aarsdarm en baarmoeder: Neem van de gele schil van de kwee zoveel als nodig is en kook die in water waar mee ge die delen stoven zal. Dioscorides.

Tegen ontsteking van de ogen, kloven in de vrouwentepels, verbranding en ruwheid van de tong in hete, brandende koortsen: Neem de kweepitten of zaden en giet hier voldoende rozenwater op, laat dit tezamen weken tot dat er een slijmigheid uit getrokken kan worden wat ge tegen de voorverhaalde gebreken gebruiken zal. Brunfelsius.

Tegen de karbonkel en pestige klieren: Neem van de zachte wol van de kwee zoveel als genoeg is, kook die in wijn en leg het op. Plinius.

 

 

(12) Pruymen-boom, in ít Latijn Prunum.

 

Geslachten.

Dese Boomen werden alleen om de verwe, smaeck, gedaente, ende grootte der vruchten onderscheyden, want men vint die roode, witte, geele, langhachtige, ronde etc. vruchten dragen. Boven dese is Ďer een soort die men Pruym-persien noemt, wiens vleesch een Pruym is, doch de schelle is groen, en de steen is die van een Persick gelijck.

 

Gedaente.

De stam van de Pruym-boom wert redelijck dick en hoogh, de welcke veel zijde-tacken uyt geeft, wiens schorsse effen en bruyn is, de bladeren zijn langhwerpig breedt, ende aen de kanten een weynigh geschaert, hy draeght witte bloemen, ende de vruchten die wy geseyt hebben te verschillen, zijn meest langhwerpig, in wiens midden een steen met een kerne versien, beslooten leyt.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden alhier in de hoven en Tuynen gevonden.

 

Tijdt.

De Pruym-boomen bloeyen in April, en de vruchten worden in de Somer, sommige vroeger, sommige later, rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden van pitten, die men in de Herfst plant, ofte van sijn wortel-spruyten aengeteelt, de welcke men daer na ver-ent ofte oculeert, uytgenomen de Boere witte Pruymen en Kroosjens, die uyt de natuur voort wassen, daer na plant mense aen Heyningen ofte in Boomgaerden in losse en vochtige Aerde.

 

Aert en krachten.

Alle Pruymen zijn vochtigh en kout van natuur, ende daerom de selve rauw gebruyckt zijn ongesont, om datse seer lichtelijck in de Maegh bederven, ende alsoo aen ít lichaem schaden toe voegen. Doch de gedrooghde Pruymen van Damasco, die ons uyt andere Landen toegesonden worden, als mede de Catrijne-pruymen werden meest tot Medicijnen gebruyckt. De bladeren van dese Boom zijn verkoelend en tísamentreckende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de Gal af te setten: Neemt het sop daer Pruymen in gesoden zijn, soo veel genoegh is, Sene-bladeren een loot, laet dit te samen een nacht weecken, des morgens een reys ofte twee opgesoden zijn, doet het door een doeck ofte teems, en laet dit gebruycken.

Voor sinckinge die op de Huygh en ít Tantvleesch vallen: Neemt Pruymen-bladeren een hant vol, koockt die in een half pintje Wijn, hier mede gorgelt ofte waschtí er de mont mede. Dodonaeus.

Pruimenboom, in het Latijn Prunum. (Prunus domestica)

 

Geslachten.

Deze bomen worden alleen naar de kleur, smaak, vorm en grootte van de vruchten onderscheiden want men vindt er die rode, witte, gele, langachtige, ronde etc. vruchten dragen. Hiernaast is er een soort die men pruimperzik noemt wiens vlees als een pruim is, maar de schil is groen en de steen is die van een perzik gelijk.

Vorm.

De stam van de pruimenboom wordt redelijk dik en hoog die veel zijtakken uitgeeft en wiens schors effen en bruin is. De bladeren zijn langwerpig-breed en aan de kanten wat geschaard. Het draagt witte bloemen en de vruchten die zoals we gezegd hebben verschillen zijn meestal langwerpig in wiens midden een steen ligt die met een kern voorzien is.

 

Plaats.

Deze bomen worden hier in de hoven en tuinen gevonden.

 

Tijd.

De pruimbomen bloeien in april en de vruchten worden in de zomer rijp, sommige vroeger en sommige later.

 

Teelt.

Deze bomen worden door pitten die men in de herfst plant of van hun wortelspruiten voortgeteeld die men daarna ent of oculeert, uitgezonderd de boeren witte pruimen en kroosjes die uit de natuur voort groeien, daarna plant men ze aan heiningen of in boomgaarden in losse en vochtige aarde.

 

Aard en krachten.

Alle pruimen zijn vochtig en koud van natuur en daarom zijn ze als ze rouw gebruikt worden ongezond omdat ze zeer gemakkelijk in de maag bederven en zo schade doen aan het lichaam. Maar de gedroogde pruimen van Damascus die ons uit andere landen toegezonden worden en ook de Catarine pruimen worden meestal tot medicijn gebruikt. De bladeren van deze boom zijn verkoelend en tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de gal af te zetten: Neem van het sap waar de pruimen in gekookt zijn zoveel als genoeg is en van sennebladeren een lood, laat dit tezamen een nacht weken en als het ís morgens een of twee keer opgekookt wordt doe het dan door een doek of zeef en laat dit gebruiken.

Tegen zinkingen die op de huig en het tandvlees vallen: Neem van pruimenbladeren een hand vol, kook die in een half pintje wijn en hiermee gorgel of wast men de mond. Dodonaeus.

 

 

Mispel-boom, in Ďt Latijn Mespilus.

 

 

Gedaente.

De Mispel-boom heeft een harde stam, ende taye kromme tacken, met langwerpige smalle bladeren bewassen, de bloemen zijn wit, ende van vijf bladeren ghemaeckt, de vruchten zijn rondt, ende met een groote kruyne versien, vijf platte steenen, in plaetse van zaet in sich besluytende.

 

Plaetse.

Dese Boom wordt aen de kanten van Hoven en Boomgaerden geplant.

 

Tijdt.

De Mispel-boom bloeyt in May, en de vruchten worden in October rijp.

 

Aert en krachten.

De vruchten van de Mispel-boom hardt en versch gepluckt zijnde, zijn koudt en droogh van aert, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. De bladeren komen met de vruchten in aert en krachten eenighsins over een. Dodonaeus, Brunfelsius, Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor alderhande Buyck-loopen, ende overtolligh Braecken: Neemt Mispelen, stootse kleyn, ende legtse Papwijs op de Buyck ofte Maeg. Brunfelsius.

Voor ít Graveel en de Steen: Neemt Mispelen-steenen een vierendeel loots, fijn gestooten zijnde, laet het met Wijn in nemen. Fuchsius. (13)

Voor ontstekinge van de Keel: Bereydt een afziedtsel van de bladeren, ende gorgelt daer mede. Brunfelsius.

Voor overvloedige Maentstonden: Bereydt een badt van de bladeren, waer in de siecke eenige tijdt sitten sal. Joh. Schroderus.

Mispelboom, in het Latijn Mespilus. (Mespilus germanica)

 

Vorm.

De mispel heeft een harde stam en taaie, kromme takken waaraan langwerpige, smalle bladeren groeien. De bloemen zijn wit en van vijf bladeren gemaakt. De vruchten zijn rond en met een grote kruin voorzien die vijf platte stenen in plaats van zaad in zich hebben.

 

 

Plaats.

Deze boom wordt aan de kanten van hoven en boomgaarden geplant.

 

Tijd.

De mispel bloeit in mei, de vruchten worden in oktober rijp.

 

Aard en krachten.

De vruchten van de mispelboom die hard en vers geplukt zijn zijn koud en droog van aard, zeer tezamen trekkend van krachten. De bladeren komen met de vruchten in aard en krachten enigszins overeen. Dodonaeus, Brunfelsius, Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen allerhande buikloop en overtollig braken: Neem mispels en stamp ze klein, leg ze papgewijze op de buik of maag. Brunfelsius.

Tegen de nierstenen en de steen: Neem van mispelpitten een vierendeel lood en als die fijn gestampt zijn laat het met wijn innemen. Fuchsius.

Tegen ontsteking van de keel: Maak een afkooksel van de bladeren en gorgel daar mee. Brunfelsius.

Bij overvloedige maandstonden: Maak een bad van de bladeren waarin de zieke enige tijd zitten zal. Joh. Schroderus.

 

 

Kerssen en Kriecken-boom, in ít Latijn Cerasus.

 

 

Geslachten.

De mede-soorten van Kerssen zijn veel-derhanden, als namentlijck wilde Kerssen, Kriecken, Morellen, Kars van der Nat, vroege en late Vogel-kers, May-kars etc. Onder dese soorten dragen eenige roode, andere zwarte, andere witte ofte wasch-geele vruchten.

 

Gedaente.

De Kersse-boom in ít wilde opschietende, werdt een grooten en hooge Boom, maer ge-ent zijnde blijft leger. De schorssen van de tacken zijn effen en bruyn; de bladeren zijn matelijck breet en langh met aderkens ofte ribbekens doortogen, en aen de kanten geschaert. De bloemen die uyt vijf bladekens bestaen, zijn wit ende inít midden met eenige draeykens van gelijcke verwe verciert. De vruchten ofte Kerssen, die aen lange steelkens hangen, en in wiens midden het steenken met een kerne versien, verborgen leyt, zijn aengenaem van smaeck.

De Kriecken-boom verschilt van de Kerssen-boom in de bladeren, de welke veel breeder, langer ende dieper gekerft zijn.

 

Plaetse.

De wilde Kerssen schieten van selfs in de Bossen ende aen de kanten van de Ackers op sommige plaetsen voort; de andere soorten werden alleen door oeffeninge in de Hoven en de Boomgaerden onderhouden.

 

Tijdt.

De Kerssen en Kriecken-boomen bloeyen in April, maer de vruchten werden vroeger en later na haeren aert rijp.

 

Oeffeningh.

De Kerssen, die men in de hoven onderhout, werden van haer pitten ofte wortel-spruyten vermeenighvuldigt, de welcke daer na van haer eygen soorte in Maert afgesogen worden

 

Aert en Krachten.

De Kerssen zijn kout en vochtigh van aert, waerom sy het ingewant merckelijck verkoelen. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor de vallende Sieckten en Stuypen: Neemt een goet deel zwarte Kriecken, kneustse en distilleert hier van een water, waer van ghy twee loot tseffens sult in-geven. Fuchsius, Matthiolus.

Voor alderhande Placken des Huydts: Neemt de gomme van de Kersse ofte Kriecken-boom, smelt die in azijn en bestrijckt de Huyt daer mede. Dioscorides.

Voor het Graveel: Hier toe werden de kernen van voorseyde vruchten nuttelijck gebruyckt. J. Schroderus.

Kersen en Kriekenboom, in ít Latijn Cerasus. (Prunus cerasus, de geente is var. insititia en de wilde is de zoete Prunus avium ĎDuracina, morel is Prunus avium ĎAusteraí)

Geslachten.

Er zijn veel cultivars van kersen zoals wilde kersen, krieken, morellen, kers van der nat, vroege en late vogelkers, meikers etc. Onder deze soorten dragen enige rode, andere zwarte en andere witte of wasgele vruchten.

(íCapronianaí)

 

Vorm.

De kersenboom die in het wilde opschiet wordt een grote en hoge boom maar als die geŽnt wordt blijft het lager. De schors van de takken zijn effen en bruin. De bladeren zijn matig breed en lang die met aderen of ribben doortrokken zijn en aan de kanten geschaard. De bloemen bestaan uit vijf blaadjes en zijn wit met in het midden enige meeldraadjes die met dezelfde kleur versierd zijn. De vruchten of kersen hangen aan lange steeltjes en hebben in het midden een steentje met een kern erin, ze zijn aangenaam van smaak.

De kriekenboom verschilt van de kersenboom in de bladeren die veel breder, langer en dieper gekerfd zijn.

 

 

Plaats.

De wilde kersen schieten vanzelf in de bossen en aan de kanten van de akkers van sommige plaatsen op, de andere soorten worden alleen door teelt in de hoven en de boomgaarden onderhouden.

 

Tijd.

De kers en kriekenbomen bloeien in april, maar de vruchten worden vroeger en later naar hun aard rijp.

 

Teelt.

De kersen die men in de hoven kweekt worden door hun pitten of wortelspruiten vermenigvuldigd die daarna door hun eigen soort in maart als afzuiger gebruikt worden

 

Aard en krachten.

De kersen zijn koud en vochtig van aard waarom ze het inwendige opmerkelijk verkoelen. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de vallende ziekte en stuipen: Neem een goed deel zwarte krieken, kneus ze en destilleer hiervan een water waarvan ge twee lood tegelijk zal ingeven. Fuchsius, Matthiolus.

Tegen allerhande plekken van de huid: Neem de gom van de kers of kriekenboom, smelt die in azijn en bestrijk de huid daarmee. Dioscorides.

Tegen de nierstenen: Hiertoe worden de pitten van voorgemelde vruchten nuttig gebruikt. J. Schroderus.

 

 

Ocker-nooten-boom, in ít Latijn Nux Juglans.

 

Gedaente.

Dese Boom verkrijght een dicke, hooge en vaste stam in veel zijde-tacken verspreyt, met een aschverwige schorsse bedeckt. De bladeren groeyen gemeenlijck, gelijck de Esschen-bladeren, 5 byeen, door een middel-ribbe vast gehecht, doch de bladeren van desen Boom zijn dicker, langer en breeder, als de Esschen-bladeren, ende seer sterck van reuck. De bloemen zijn kattekens, bleeck geel van verwe, neffens de oorsprong der bladeren uytspruytende. De vruchten zijn met een groene snoester omvangen, en de kerne, de welcke door een herde afscheytsel in vier deelen gescheyden is, leyt in een herde houtachtige schelpe besloten.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden meest in ende ontrent alle de Hoven der Nederlanden gevonden.

 

Tijdt.

De bloemen en bladeren van dese Boom spruyten in Maert uyt, maer de Noten werden in ít laetst van Augustus rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden op de volgende wijse aen-gewonnen: Men (14) neemt de Noten, te vooren enige tijdt in nat sant geweeckt zijnde, en set de selve in Maert in goede Aerde, met het scherp eynde nederwaerts, daer na 2 of 3 jaren opgegroeyt zijnde, salmense verplanten in savelachtige Aerde, de Zaet-wortel eerst afgesneden zijnde, eyndelijck groot ende bequam geworden, plant men se in February alwaer men die begeert.

 

Aert en krachten.

De versche Noten zijn warm in den eersten en droogh in den tweeden graet, maer de oude of drooge Noten zijn warmer en drooger, en zijn beyde zwaer om te verteren, verwecken hoest, hooft-pijn, ende vermeerderen de galachtige vochtigheden, nochtans werden sy seer tegen vergift en pestilentiale sieckten gepresen. De buytenste schorsse van de Ocker-noten verdroogen ende trecken sterckelijck te samen. In de bladeren en groene snoesters kan men een tísamen-treckende kracht bespeuren. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Tegen Vergift ende de Peste: Neemt 2 pitten van Ocker-noten, 3 Vijgen, 20 Wijnruyts-bladeren, een korrel Souts, stoot dit te samen met een weynigh Wijns in een steenen Mortier, hier van gebruyckt alle morgens de groote van een Note-muschaet. Dit is de remedie van koningh Methridates.

Voor beten van dolle Honden: Neemt twee drooge Noten, een loot witte Ajuyn, Sout een half vierendeel loots, Honingh soo veel genoegh is, stoot en menght dit te samen, ende leght het op de wonde. Ravelingius.

Voor de derdendaeghse Koorts: Neemt een roemerken vol van het water van onrijpe Noten ghedistilleert, en geeft dit in voor het aenkomen van de koorts, dit ingenomen zijnde, moet men het zweeten bevorderen. Dit selfde is seer goet om het geronne bloedt in het lichaem te doen scheyden.

Voor het Opstijgen des Lijfs-moeders, Colijck, ende pijn in de Nieren: Neemt gedrooghde bloeysel ofte kattekens van de Noten-boom een vierendeel loots, stoot die tot een fijn poeder, en geeft het met witte Wijn te drincken. Brunfelsius.

Om de blaeuw geslagen ofte gestooten Placken af verdrijven: Neemt de uytgeperste Olie van Noten, ende bestrijckt de plaetse hier mede. Dodonaeus.

Voor alderhande Koortsen, en om de hitte der selven uyt te trecken: Neemt de schorsse van de wortel van dese Boom, in Azijn geweeckt zijnde, bindt de selve op de Pols, laet dit soo lang daer op leggen tot dat het een water-blaer getrocken heeft, de welcke ghy sult door snijden. Rulandius.

Walnoot, in het Latijn Nux Juglans. (Juglans regia)

 

Vorm.

Deze boom krijgt een dikke, hoge en vaste stam die zich in veel zijtakken verspreidt en met een askleurige schors bedekt is. De bladeren groeien gewoonlijk net als essenbladeren met 5 bijeen die door een middensteel vast gehecht zijn, doch de bladeren van deze boom zijn dikker, langer en breder dan de essenbladeren en zeer sterk van reuk. De bloemen zijn katjes die bleek geel van kleur zijn en naast de oorsprong van de bladeren uitspruiten. De vruchten zijn met een groene schaal bekleed, de kern is door een harde afscheiding in vier delen gescheiden en ligt in een harde, houtachtige schelp opgesloten.

 

Plaats.

Deze bomen worden meestal in en omtrent alle hoven van Nederland gevonden.

 

Tijd.

De bloemen en bladeren van deze boom spruiten in maart uit maar de noten worden in het laatste van augustus rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden op de volgende wijze voortgeteeld: Men neem de noten die tevoren enige tijd in nat zand geweekt zijn en zet die in maart in goede aarde met de scherpe kant naar beneden, als ze daar 2 of 3 jaren gegroeid hebben zal men ze verplanten in zavelachtige aarde, de penwortel wordt afgesneden en als ze dan groot en goed zijn geworden plant men ze in februari waar men die hebben wil.

 

 

Aard en krachten.

De verse noten zijn warm in de eerste en droog in de tweede graad, maar de oude of droge noten zijn warmer en droger, ze zijn beide zwaar om te verteren, verwekken hoest, hoofdpijn en vermeerderen de galachtige vochtigheid, nochtans worden ze zeer tegen vergif en pestachige ziekten geprezen. De buitenste schors van de walnoot verdroogt en trekt sterk tezamen. In de bladeren en groene bolsters kan men een tezamen trekkende kracht bespeuren. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen vergif en pest: Neem 2 pitten van walnoten, 3 vijgen, 20 wijnruitbladeren en een korrel zout, stamp dit tezamen met wat wijn in een stenen mortier, hiervan gebruikt men elke morgen de grootte van een notenmuskaat. Dit is de remedie van koning Methridates.

Tegen beten van dolle honden: Neem twee droge noten, een lood witte ui, van zout een half vierendeel lood, honing zoveel als genoeg is, stamp en meng dit tezamen en leg het op de wond. Ravelingius.

Tegen de malaria: Neem een roemertje vol van het gedestilleerde water van onrijpe noten en geef dit in voor het aankomen van de koorts, als dit ingenomen is moet men het zweten bevorderen. Dit zelfde is zeer goed om het gestolde bloed in het lichaam te laten scheiden.

Tegen het opstijgen van de baarmoeder, maagpijn en pijn in de nieren: Neem van de gedroogde bloemen of katjes van de walnoot een vierendeel lood, stamp die tot een fijn poeder en geef het met witte wijn te drinken. Brunfelsius.

Om de blauw geslagen of gestoten plekken te verdrijven: Neem de uitgeperste olie van noten en bestrijk de plaatse hiermee. Dodonaeus.

Tegen allerhande koortsen en om de hitte daarvan uit te trekken: Neem de schors van de wortel van deze boom die in azijn geweekt is en bindt die op de pols, laat dit zo lang daar opliggen totdat het een waterblaar getrokken heeft die ge door zal snijden. Rulandius.

 

 

Haselaer-noten-boom, in ít Latijn Corylus.

 

Gedaente.

De Haselaren leveren uyt haer wortel veel rechte, hooge ende tamelijcke dicke struycken., de welcke effen, tay en seer buyghsaem zijn. De bladeren zijn breedt, aen de bovenste zijde groender, als aen de onderste, ende rontom de kanten gheschaert. De bloemen, die mede kattekens zijn, spruyten boven de oorsprongh der bladeren uyt, waer na de vruchten in groenachtige snoesteren beslooten, de knopkens van de Rosen by na uytbeeldende, 3 ofte 4 by een te voorschijn komen. De kernen van de Noten zijn met een dun vliesken bekleet, ende met houtachtige schellen omvangen. De wortel spreyt zich diep en verre in de Aerde uyt.

 

Plaetse.

Dese Boomen wassen in de Bosschen en aen de afschutsels der Ackers, maer werden meest aen de kanten van de Hoven en Boomgaerden onderhouden.

 

Tijdt.

De kattekens ofte de bloemen komen heel vroegh te voorschijn, de welcke in ít laetste van Maert ofte in ít begin van April af vallende, van de bladeren gevolgt worden. De Noten werden in Augustus rijp zijnde vergadert.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden in de (15) Nederlanden meest van haer wortel-spruyten aengeteelt, ende moeten in January aen lommerachtige plaetsen en in vochte Aerde verplant worden.

 

Aert en krachten.

De Haselaer-noten zijn middelmatigh in hitte en koude, in sich behoudende, eenige tísamen-treckende kracht, den Maege bezwaerlijck, nochtans de Lever nut en goet. De kattekens zijn kout en droogh van aert, ende mede tísamen-treckende, waerom sy om alle Bloeden te stoppen bequaem geoordeelt worden. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om alderhande Vloeden te stoppen, de Lenden-pijn te stillen, en de snijdinge in het Water-maken te versoeten: Neemt een goet deel Hasel-pitten, stoot die in een Mortier, ende trekt met Rinsche Wijn ofte Garste-Water, een melckachtigh sap hier uyt, ít welck met Suycker soet gemaeckt zijnde, ghy 2 a 3 mael daeghs gebruycken sult. Fuchsius.

Voor ouden Hoest en verstopte Longe: Neemt Hasel-noten-pitten, uytgepelde Rosijnen, van elcks even veel, stoot die te samen in een Mortier, ende gebruyckt hier van dickwijls de groote van een Ocker-noot met Mee. Galenus.

Voor den witte Vloet der vrouwen en Buyck-loop: Neemt van de houtachtighe schellen van dese Noten een half loot, stoot het tot een fijn poeyer, en geeft dit met roode Wijn in: Hier toe dient oock het binnenste ros velleken, dat aen de schelpe kleeft. Ravelingius.

Voor pijn der Lenden: Neemt de uytgeperste Olie uit de Hasel-noten, en bestrijckt de pijnelijcke plaetsen hier mede. C. Durantus.

Hazelaar, in het Latijn Corylus. (Corylus avellana)

 

Vorm.

De hazelaar levert uit haar wortel veel rechte, hoge en tamelijk dikke stengels die effen, taai en zeer buigzaam zijn. De bladeren zijn breed en aan de bovenkant groener dan aan de onderkant en rondom de kanten geschaard. De bloemen, die ook katjes zijn, spruiten boven de oorsprong van de bladeren uit waarna de vruchten in groenachtige bolsters besloten liggen en met 3 of 4 bijeen tevoorschijn komen die bijna op de knoppen van de rozen lijken. De kernen van de noten zijn met een dun vliesje bekleed en met een houtachtige schil bekleed. De wortel spreidt zich diep en ver in de aarde uit.

 

Plaats.

Deze bomen groeien in de bossen en aan de afscheidingen van de akkers maar worden meestal aan de kanten van de hoven en boomgaarden geplant.

 

Tijd.

De katjes of de bloemen komen heel vroeg te voorschijn die in het laatste van maart of in het begin van april afvallen en door de bladeren gevolgd worden. De noten worden in augustus rijp en dan verzameld.

 

 

Teelt.

Deze bomen worden in Nederland meestal van hun wortelspruiten voort geteeld en moeten in januari in schaduwachtige plaatsen en in vochtige aarde verplant worden

 

Aard en krachten.

De hazelaarnoten zijn middelmatig in hitte en koude die in zich houden enige tezamen trekkende kracht die voor de maag bezwaarlijk is, nochtans voor de lever nuttig en goed. De katjes zijn koud en droog van aard en mede tezamen trekkend waarom ze om alle bloedingen te stoppen goed geoordeeld worden. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om allerhande vloeden te stoppen, de lendenpijn te stillen en de snijdende pijn in het water maken te verzachten: Neem een goed deel hazelnootpitten, stamp die in een mortier en trek hier met zure wijn of gerstewater een melkachtig sap uit wat met suiker zoet gemaakt wordt dat ge 2 a 3 maal per dag gebruiken zal. Fuchsius.

Tegen oude hoest en verstopte longen: Neem hazelnotenpitten en uitgepelde rozijnen, van elk even veel, stamp die tezamen in een mortier en gebruik hiervan dikwijls de grootte van een walnoot met mede. Galenus.

Tegen de witte vloed van de vrouwen en buikloop: Neem van de houtachtige schillen van deze noten een half lood, stamp het tot een fijn poeder en geef dit met rode wijn in. Hiertoe dient ook het binnenste roze velletje dat aan de schil kleeft. Ravelingius.

Tegen pijn van de lenden: Neem de uitgeperste olie uit de hazelnoten en bestrijk de pijnlijke plaatsen hiermee. C. Durantus.

 

 

Castanien-boom, in ít Latijn Castanea.

 

Gedaente.

De Castanien-boom werd een hooge Boom, met een dicke stam versien, ende in veel ende groote zijde-tacken uytgebreydt. Het hout is vast ende hardt, de bladeren zijn groot, rouw ende rondtom de kanten saegs-wijs geschaert. Aen ít eynde der tacken brenght hy lange en groene kattekens, in plaets van bloemen voort, waer op de vruchten ofte Castanien, in rouwe en scherpstekende snoesteren by een beslooten, volgen. De Castanien zijn aen de eene zijde wat plat-achtigh, en boven spits opgaende, buytenwaerts bekleedt met een bruyn-paerssche, en effens schelle, ende inwendigh met een dun velleken omwonden.

 

Plaetse.

Hier te Lande werden dese Boomen alleen in de Hoven der Liefhebbers gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren en bloemen komen in April te voorschijn, maer de vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Castanien-boomen werden in de Nederlanden van de vruchten, die men in February of Maert in de aerde steekt, aengewonnen, de welcke 6 jaren out geworden zijnde, 24 ofte 25 voet van een tot Lanen ofte Bosschen in santachtige aerde verplant kunnen werden.

 

Aert en Krachten.

Galenus stelt de Castanien onder die dingen, die warm en droogh in de eersten graedt zijn, anderen houdense voor koudt en droogh in den tweeden graet, doch haer soeten smaeck bewijst, dat sy middelmatigh in warmte en koude gestelt, en met een tísamen-treckende kracht begaeft zijn. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Bloet-spouwen: Neemt Castanien-meel soo veel van nooden is, menght dit met gesuyverde Honingh, en laet het hier van dickwils gebruycken. Galenus.

Voor geswollen Borsten der Vrouwen: Neemt Castanien-meel, Gersten-meel, van elcks soo veel genoegh is, maeckt hier van met azijn een papken, ít welck ghy op de gezwollen Borsten leggen zult. Dodonaeus.

Voor Buyck-loop en Bloet-spouwen: Neemt de bruyne schorsse van de Castanien een halve handt vol, koockt die in water tot een half pintje, doorgesegen zijnde en (26)met Suycker soet gemaeckt, gebruyckt dit in twee reysen. Matthiolus.

Voor de witte Vloet der Vrouwen en alderhande Bloet-ganck: Neemt het binnenste velleken, ít welck de Kastanien bedeckt, gebrandt, Yvoor van elcks een vierendeel loots, stoot dit te samen tot een fijn poeyer, en geeft dit met eenigh nat in twee malen in. Matthiolus.

Tamme kastanje, in het Latijn Castanea. (Castanea sativa)

 

Vorm.

De kastanjeboom wordt een hoge boom die een dikke stam heeft die in veel en grote zijtakken verspreid is. Het hout is vast en hard. De bladeren zijn groot, ruw en rondom de kanten zaagsgewijs geschaard. Aan het einde van de takken brengt het lange en groene katjes voort, in plaats van bloemen, waarop de vruchten of kastanjes volgen die in ruwe en scherp stekende bolsters bijeen zijn besloten. De kastanjes zijn aan de ene kant wat platachtig en lopen boven spits toe, van buiten met een bruinpaarse en vlakke schil bekleed, inwendig met een dun velletje omsloten.

Plaats.

Hier te lande worden deze bomen alleen in de hoven van de liefhebbers gevonden.

 

Tijd.

De bladeren en bloemen komen in april te voorschijn, maar de vruchten worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

De kastanjebomen worden in Nederland door de vruchten voortgeteeld die men in februari of maart in de aarde steekt en als die 6 jaar oud geworden zijn 7 of 8 meter uit elkaar in rijen of bosjes in zandachtige aarde geplant kunnen worden.

 

Aard en krachten.

Galenus stelt de kastanje onder die dingen die warm en droog in de eerste graad zijn, anderen houden ze voor koud en droog in de tweede graad, maar haar zoete smaak bewijst dat ze middelmatig in warmte en koude gesteld zijn en met een tezamen trekkende kracht begaafd. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen bloedspuwen: Neem van kastanjemeel zoveel als nodig is en meng dit met gezuiverde honing, laat hiervan vaak gebruiken. Galenus.

Tegen gezwollen borsten van de vrouwen: Neem kastanjemeel, gerstemeel en van elk zoveel als genoeg is, maak hiervan met azijn een papje dat ge op de gezwollen borsten leggen zal. Dodonaeus.

Tegen buikloop en bloedspuwen: Neem van de bruine schors van de kastanje een halve hand vol en kook die in water tot een half pintje, als dit doorgezeeefd en met suiker zoet is gemaakt gebruikt het in twee maal. Matthiolus.

Tegen de witte vloed van de vrouwen en allerhande bloedgang: Neem het binnenste velletje dat de kastanje bedekt en gebrand ivoor, van elk een vierendeel lood, stamp dit tezamen tot een fijn poeder en geef dit met wat nat in twee malen in. Matthiolus.

 

 

Moerbesien-boom, in ít Latijn Morus.

 

Gedaente.

De Moerbesienboom schiet hier te lande somstijts op tot een matelijcke groote en hooge Boom, de stam die veeltijdts heel dick is, verspreyt hem in veel zijde-tacken, met een rouwe en oneffen schorsse bekleedt zijnde. De bladeren zijn breedt, voor spits toeloopende ende rondtom de kanten gekerft. Dese Boom heeft mede in plaetse van bloemen groene en wolachtigtige kattekens. De vruchten, die uyt seer veel kleyne besikens vergadert zijn, gelijcken seer wel de vruchten van de Braem-struyck, dese noch onrijp zijnde, hebben een bleeck groene verwe, maer rijp gheworden, zijnse zwart, bruyn en met root sap vervult, uytgenomen de gene die witte vruchten voort brenght. De wortelen verbreyden sich wijt, verre ende diep in de Aerde.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden alhier in de Hoven alleen gevonden.

 

Tijdt.

Dese Boom is langhsaem in ít voort-brengen van sijn bladeren, ít welck ghemeenlijck niet voor in May geschiedt, want hy de koude niet verdragen kan, maer de vruchten worden in Augustus volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

De bequaemste manier om dese Boomen aen te teelen, geschiet door sijn wortel-spruyten ofte van inleggen, hoewel sy oock van zaet aengewonnen worden, maer hebben als dan langer jaren van nooden om vruchten voort te brengen. Hy wert gevoeglijck in February ofte Maert in vette en gemiste Aerde geplant.

 

Aert en krachten.

De bladeren zijn eensdeels tísamen-treckende, en anderdeels suyverende oft afvagende van krachten. Galenus.

De onrijpe vruchten zijn verkoelende en verdroogende in de derden graedt, ende daer by seer sterckelijck tísamen-treckende. De rijpe vruchten zijn verkoelende en eenigsins tísamen-treckende van aert. C. Durantus.

De schorsse van de wortelen verwarmen en verdroogen, nochtans daer by afvagende, openende en de buyck weeck-makende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Tant-pijn: Neemt de schorsse van de wortel van de Moerbesien-boom een loot. Moerbesien-bladeren een halve handt vol, koockt dit te samen op in Wijn-azijn soo veel genoegh is, en houdt dit warm in de mont. Dioscorides.

Voor alderhande Buyck-loop en overtollige Maent-stonden: Neemt gedrooghde onrijpe Moerbesien een vierendeel loots, geeft die kleyn gestooten zijnde met roode Wijn in. Dodonaeus.

Voor onstekinge en swellinge in de Mont en Hals: Gebruyckt hier tegen de Syroop van Moerbesien bereyt tot lickinge ofte ingorgelinge. Dispens. Augustan.

Voor verstoptheyt van de Lever en Milt, en om de Wormen af te jagen: Neemt de schorsse van de wortel van de Moerbesien-boom een loot, koockt dit in Water tot een mutsjen nat, en geeft dit te drincken, dit selve maeckt kamer-ganck, ende alleen in de mondt gehouden stilt Tandt-pijn, Dioscorides, P. de Crescentius.

Moerbei, in het Latijn Morus. (Morus nigra, Morus alba)

 

Vorm.

De moerbei schiet hier te lande soms op tot een matig grote en hoge boom. De stam is vaak zeer dik en in veel zijtakken verspreid die met een ruwe en oneffen schors bekleed is. De bladeren zijn breed, lopen voor spits toe en zijn rondom de kanten gekerfd. Deze boom heeft ook in plaats van bloemen groene en wolachtige katjes. De vruchten zijn uit zeer veel kleine besjes samen gesteld en lijken zeer veel op de vruchten van de braam. Als ze nog niet rijp zijn hebben ze een bleek groene kleur, maar als ze rijp worden zijn ze zwartbruin en met rood sap gevuld, uitgezonderd diegene die witte vruchten voortbrengt. De wortels verspreiden zich wijd en diep in de aarde.

 

Plaats.

Deze bomen worden hier alleen in de hoven gevonden.

 

Tijd.

Deze boom is langzaam in het voortbrengen van zijn bladeren dat gewoonlijk niet voor mei gebeurt omdat het de koude niet verdragen kan, maar de vruchten worden in augustus volkomen rijp.

 

Teelt.

De beste manier om deze bomen voort te telen geschiedt door zijn wortelspruiten of van afleggers, hoewel ze ook van zaad aangewonnen worden maar hebben dan meer jaren nodig om vruchten voort te brengen. Hij wordt gewoonlijk in februari of maart in vette en bemeste aarde geplant

 

Aard en krachten.

De bladeren zijn eensdeels tezamen trekkend en anderdeels zuiverend of afvegend van krachten. Galenus.

De onrijpe vruchten zijn verkoelend en verdrogend in de derde graad en daarbij zeer sterk tezamen trekkend. De rijpe vruchten zijn verkoelend en enigszins tezamen trekkend van aard. C. Durantus.

De schors van de wortels verwarmt en verdroogt, nochtans daarbij afvegend, opent en maakt de buik week van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen tandpijn: Neem van de schors van de wortel van de moerbei een lood, moerbeibladeren een halve hand vol, kook dit tezamen op in wijnazijn zoveel als genoeg is en houd dit warm in de mond. Dioscorides.

Tegen allerhande buikloop en overtollige maandstonden: Neem van gedroogde, onrijpe moerbeien een vierendeel lood en geef die klein gestampt met rode wijn in. Dodonaeus.

Tegen ontsteking en zwelling in de mond en hals: Gebruik hiertegen de siroop van moerbeibessen die als een likkepot of gorgelwater gemaakt zijn. Dispens. Augustan.

Tegen verstopping van de lever en milt en om de wormen af te jagen: Neem van de schors van de wortel van de moerbeiboom een lood, kook dit in water tot een mutsje nat en geef dit te drinken, hetzelfde maakt toiletgang. Als het alleen in de mond gehouden wordt stilt het de tandpijn, Dioscorides, P. de Crescentius.

 

 

Persiken-boom, in ít Latijn Malus Persica.

 

Geslachten.

De Persiken-boomen zijn door de groote, ghedaente ende verwe van haer vruchten in de Nederlanden onderscheyden, waer van de beste onder haer besondere )17) naem bekent zijn, als Bloet-persiken, Persiken van der Meer, dubbelde Montanien, enckelde Montanien, Merkatons, Persiken van der Nat, late Persiken van Rijn &c Onder dese geslachten der Persiken zullen wy oock om de vergelijckinge der vruchten stellen de Abricoos-boom, by de Latinisten Malus Armeniaca genoemt.

 

Gedaente.

De Persiken-boom brenght lange bladeren voort, de Wilgen-bladeren niet seer ongelijck zijn, die aen de kanten een weynigh geschaart zijn. De bloemen zijn bleeck-paersch, waer na de vruchten volgen, die ront ende aen de ene zijde met een rechte Vore versien, ende met een sachte wolachtige schil bekleedt zijn, in ít aenschouwen somtijdts wit ofte doncker-root, ofte oock wel geel van verwe. In ít midden van de vrucht leyt een harde en rouwe steen beslooten, de welcke een kerne een Amandel niet ongelijck omvat, doch die wat bitterachtigh van smaeck is.

De Abricoos-boom verschilt van de voorgaende, door dien sijn bladeren niet soo langh, maer breedt en voor spits, de bloemen wit, de vruchten soo wel van binnen als buyten geel, ende de steen niet rouw maer effen en gladt zijnde.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Persiken-boom bloeyt in April, waer op de bladeren te voorschijn komen. De vruchten werden in September volkomen rijp, maer de Abricoosen worden veel vroeger, ja dickwijls in Hoy-maent rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden in de Nederlanden door oculatie ende afzuygingh vermenighvuldight, waer van de manier in ít I ende II Deel van ít Vermakelijck Landt-leven nauw-keurigh beschreven en curieuselijck vertoont wordt.

 

Aert en krachten.

De vruchten zijn kout en vochtigh in den tweeden graedt, in de Mage haestelijck in een slijmige vochtigheyt bedervende, nochtans voor de maeltijdt gegeten kunnen eenigh voordeel by brengen, te weten, om datse als dan de buyck slibberigh maken, waer door de spijse te gemackelijcker nederwaerts gesonden wordt.

De binnenste kernen zijn warm en droog van aert, ende door haer bitterheyt openende en afvagende van krachten. De bladeren zijn mede verwarmende, verdroogende, openende de verstoptheden, ende den buyck weeck makende, waer door sy de slijmerige en galachtige vochtigheden af setten. De aert en krachten van de Abricoosen-bladeren zijn volgens de getuygenisse van Dodonaeus tot noch toe niet versocht geweest. De Gomme die uyt de Persicke-struycken bloeyt is middelmatigh van naturen, ende de hoestende ende uytteerende menschen, seer nut. Dodonaeus, Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor letsel aen de spraeck, als yemant van de Popelsye gheraeckt is: Neemt de kernen van Persiken twee loot, stootse in een Mortier, doetíer by Water van Poley, een mutsjen, druckt hier uyt een melckachtigh sap. ít Welck ghy dickwijls in de mont sult nemen ende eenigen tijdt behouden, ende daer na

wederom uytspouwen. Dodonaeus.

Voor Hooft-pijn: Neemt de kernen van Persiken, een loot, stootse in een Mortier met een half mutsjen Water van Yserkruydt, druckt er een melckachtig sap uyt ít welcke ghy lauw met doecken op het Voor-hooft ende slapen des Hoofts leggen sult. Hier toe dient mede de Olie uyt de kernen geperst, de welcke oock seer nut is om de pijn van de Nieren, door het Graveel ontstaen te versoeten, te weten de lenden daer mede gesmeert. Fuchsius.

Voor Puckels en roode Placken des Aengesichts: Neemt kernen van Persiken acht loot, gepelt Cauwoerden-zaet vier loot, perst hier uyt een Olie, waer mede ghy de huyt bestrijcken sult. Ravelingius.

Voor Swaermoedigheydt, opstijgen des Lijf-moeders ende Wormen: Neemt (18) Syroop van Persiken-bloemen bereydt vier loot, ende geeft dit nuchteren te gebruycken. Dispens Augustan.

Voor Wormen der kinderen: Neemt Persiken-bladeren een handt vol, stamptse kleyn ende bindt het op de Navel van de Buyck. Sommige geven van de gedroogde en fijn gestooten bladeren de zwaerte van 20 greyn met eenigh nat in. Brunfelsus.

Voor het Bloet-spouwen: Neemt een half loot Gomme van de Persiken-boom, smeltse in Weegbree ofte Porcelijn-water soo veel genoegh is, en gebruyckt het.

Voor Hoest en Kortheydt des Adems: Neemt van de voornoemde Gomme een half loot, ende smeltse in Meede ofte afziedsel van Hoef-bladers, en geeft dit nuchteren te drincken. Ravelingius.

Perzik, in het Latijn Malus Persica. (Prunus persica)

 

Geslachten.

De perziken worden door de grootte, vorm en kleur van hun vruchten in Nederland onderscheiden waarvan de beste onder hun bijzondere naam bekend zijn als bloedperziken, perziken van der Meer, dubbele Montanien, enkele Montanien, Merkatons, perziken van der Nat, late perziken van Rijn etc. Onder deze vormen van perziken zullen we ook de vruchten vergelijken van de abrikoos die door de Latinisten Malus Armeniaca genoemd wordt. (Prunus armeniaca)

 

Vorm.

De perzik brengt lange bladeren voort die veel op die van de wilg lijken, ze zijn aan de kanten wat geschaard. De bloemen zijn bleek paars waarna de vruchten volgen die rond en aan de ene kant met een rechte voor voorzien en met een zachte wolachtige schil bekleed zijn, in het aanzien soms wit of donker rood of ook wel geel van kleur. In het midden van de vrucht ligt een harde en ruwe steen besloten die op de kern van een amandel lijkt, doch die wat bitterachtig van smaak is.

De abrikoos verschilt van de voorgaande doordat zijn bladeren niet zo lang, maar breed en voor spits zijn, de bloemen wit en de vruchten zowel van binnen als van buiten geel en de steen niet ruw maar effen en glad is.

 

 

 

 

Plaats.

Deze bomen worden alleen in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

De perzik bloeit in april waarna de bladeren te voorschijn komen. De vruchten worden in september volkomen rijp, maar de abrikoos wordt veel vroeger, ja dikwijls in juni rijp.

 

 

Teelt.

Deze bomen worden in Nederland door oculatie en afzuigers vermenigvuldigd waarvan de manier in het I en II Deel van Ďít Vermakelijck Landt-levení nauwkeurig beschreven en curieus vertoond wordt.

 

Aard en krachten.

De vruchten zijn koud en vochtig in de tweede graad die in de maag snel in een slijmige vochtigheid bederven, nochtans als ze voor de maaltijd gegeten worden kunnen ze enig voordeel bij brengen, te weten omdat ze dan de buik slibberig maken waardoor de spijs gemakkelijker naar beneden gezonden wordt.

De binnenste kernen zijn warm en droog van aard en door hun bitterheid openen ze en zijn afvegend van krachten. De bladeren zijn ook verwarmend, verdrogend, openen de verstopping en maken de buik week waardoor ze de slijmerige en galachtige vochtigheden afzetten. De aard en krachten van de abrikoosbladeren zijn volgens de getuigenis van Dodonaeus tot noch toe niet onderzocht. De gom die uit de perziktakken vloeit is middelmatig van natuur en is voor de hoestende en uitterende mensen zeer nuttig. Dodonaeus, Matthiolus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen letsel aan de spraak als iemand door m.s. geraakt is: Neem van de kernen van perziken twee lood, stamp ze in een mortier, doet er een mutsje water van polei bij, druk hier uit een melkachtig sap dat ge dikwijls in de mond zal nemen en er enige tijd in houden om het daarna weer uit te spuwen. Dodonaeus.

Tegen hoofdpijn: Neem van de kernen van perziken een lood, stamp ze in een mortier met een half mutsje water van ijzerkruid, druk er een melkachtig sap uit dat ge lauw met doeken op het voorhoofd en slapen van het hoofd leggen zal. Hiertoe dient mede de olie die uit de kernen geperst is en die ook zeer nuttig is om de pijn van de nieren die door nierstenen ontstaan zijn te verzachten als de lendenen daarmee besmeerd worden. Fuchsius.

Tegen pukkels en rode plekken van het aangezicht: Neem van de kernen van perziken acht lood, gepelde kouwoerdezaad vier lood, pers hieruit een olie waar mee ge de huid bestrijken zal. Ravelingius.

Tegen zwaarmoedigheid, opstijgen van de baarmoeder en wormen: Neem siroop die van perzikenbloemen gemaakt is vier lood en geef dit nuchter te gebruiken. Dispens Augustan.

Tegen wormen bij kinderen: Neem van perzikenbladeren een hand vol, stamp ze klein en bindt het op de navel van de buik. Sommige geven van de gedroogde en fijn gestampte bladeren het gewicht van 20 grein met wat nat in. Brunfelsus.

Tegen het bloedspuwen: Neem een half lood gom van de perzikenboom, smelt het in weegbree- of porsteleinwater zoveel als genoeg is en gebruik het.

Tegen hoest en kortheid van adem: Neem van de voornoemde gom een half lood en smelt het in mede of een afkooksel van hoefbladeren en geef dit nuchter te drinken. Ravelingius.

 

 

Amandel-boom, in ít Latijn Amygdalus.

 

Gedaente.

De Amandel-boom schiet veel hoger op als de Persicken-boom, andersints de bladeren, bloemen ende de onrijpe vruchten hebben eenige gelijckenisse met malkanderen, doch het vleesch van dese vruchten is wreet en hardt, ende de steen, waer inde de Amandel, die na haer smaeck in soete en bittere verdeelt zijn, beslooten is, is veel langer als de Persick-steen. De wortel van dese Boom sinckt tamelijck diep in de aerde. Aen de struycken werdt mede, als in veel andere Boomen, een gomme gevonden.

 

Plaetse.

De Amandel-boom, die van natuure warme gewesten bemint, werdt hier te lande alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Amandel-boomen bloeyen seer vroegh, maer de vruchten werden in July ofte Augustus rijp, ende bequaem om te versamelen.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden door ít af-suygen op Pruymen ofte Kroosjens stammen vermenigvuldight, t welck gevoeghlijck in Maert geschiet, daer na verplant men se in February in goede aerde. De bequaemste Mist die dese Boomen begeeren is Verckens-mist, waer door oock de selve soete Amandelen voort brengen.

 

Aert en Krachten.

De soete Amandelen zijn middelmatigh warm en vocht, seer wel voedende, ende de scherpiheyt der vochtigheden versachtende. De bittere zijn warm en droogh tot in de tweeden graet, ende daer by openende, verdeelende ende afvagende van krachten, sy ontsluyten alle verstoptheden der Nieren, Longe, lever, Milte en andere inghewanden. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Buyck-loopen en root Melizoen: Neemt gepelde soete Amandelen twee loot, stoot die in een steene Mortier, giet hier by een half pintje Gersten-water, waar in eenige reyse gloeyent Stael in uyt-gedompt is, wringht dit te samen door een doeck, doet by dit melckachtigh sap een lepel vol Roosen-water, en een weynigh Suycker, geeft hier van dickwijls te drincken. Brunfelsus.

Voor ít Colijk, Graveel, Pleuris en Naween der jonge Kraem-vrouwen: Neemt twee ofte vier loot Olie van soete Amandelen, geeft dit met eenigh nat in. J. Schroderus.

Voor Buyck-pijn der jongh-gebooren Kinderen: Neemt Olie van soete Amandelen een half loot, doetíer by witte Suycker soo veel genoegh is, en laet dit op een mael gebruycken. J. Schroderus.

Voor de koude Pisse: Ghebruyckt vijf ofte ses bitteren Amandelen, de selve nuchteren gebruyckt zijnde, werdt gelooft de dronkenschap te komen verhoeden. Dodonaeus.

Voor Hooft-pijn: Neemt bittere Amandelen soo veel genoegh is, stoot dit met Azijn en Olie van Rosen tot een pap, de welcke ghy op het Voor-hooft ende de slapen des Hoofts leggen sult. Dioscorides.

Voor het opstijgen des Lijfs-moeders: Neemt Olie van bittere Amandelen, ende de Buyck onder de Navel hier mede bestreken. Matthiolus. (19)

Voor ít Graveel, koude Pisse ende Pijn der Nieren: Neemt Olie van bittere Amandelen en smeert hiermede de Lendenen ende de Navel des Buycks, Euchsius.

Voor zuysinge der Ooren: Neemt Olie van bittere Amandelen, maecktse in een lepel warm, ende doetse warm met Boomwol in de tuytende Ooren. C. Durantes.

Voor Sproeten en Placken des Aengesichts: Neemt wortelen van de Amandel-boomen een hand vol, koockt die in Water ofte Wijn soo veel genoegh is, ende wascht het aengesicht hier mede. Ravelingius.

Amandelboom, in het Latijn Amygdalus. (Prunus amygdalus)

 

Vorm.

De amandelboom schiet veel hoger op dan de perzikboom, aan de andere kant hebben de bladeren, bloemen en de onrijpe vruchten enige gelijkenis met elkaar, maar het vlees van deze vruchten is wreed en hard en de steen waar de amandel in is en die naar haar smaak in zoete en bittere verdeeld zijn is veel langer dan de perziksteen. De wortel van deze boom zinkt tamelijk diep in de aarde. Aan de stengels wordt ook net als bij veel andere bomen een gom gevonden.

 

 

Plaats.

De amandelboom die van nature warme gewesten bemint wordt hier te lande alleen in de hoven onderhouden

 

Tijd.

De amandelbomen bloeien zeer vroeg, maar de vruchten worden in juli of augustus rijp en zijn dan goed om te verzamelen.

 

Teelt.

Deze bomen worden door het afzuigen op pruimen of kroosjesstammen vermenigvuldigd wat meestal in maart gebeurt, daarna verplant men ze in februari in goede aarde. De beste mest die deze bomen begeren is varkensmest waardoor ze ook zoete amandelen voort brengen.

 

Aard en krachten.

De zoete amandelen zijn middelmatig warm en vochtig, voeden zeer goed en verzachten de scherpheid van de vochtigheden. De bittere is warm en droog tot in de tweede graad en daar bij opent, verdeelet en veegt af van krachten, ze ontsluit alle verstopping van de nieren, longen, lever, milt en andere ingewanden. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen buiklopen en rode loop: Neem van gepelde zoete amandelen twee lood en stamp die in een stenen mortier, giet hierbij een half pintje gerstenwater waarin enige tijd gloeiend staal in gedompeld geweest is, wring dit tezamen door een doek en doe bij dit melkachtig sap een lepel vol rozenwater met wat suiker, geef hiervan dikwijls te drinken. Brunfelsus.

Tegen het koliek, nierstenen, buikpijn en naweeŽn van de jonge kraamvrouwen: Neem twee of vier lood olie van zoete amandelen en geef dit met enig nat in. J. Schroderus.

Tegen buikpijn van de pas geboren kinderen: Neem een half lood olie van zoete amandelen en doe er witte suiker bij zoveel als genoeg is en laat dit in een keer gebruiken. J. Schroderus.

Tegen de koude plas: Gebruik vijf of zes bittere amandelen, als die nuchter gebruikt worden gelooft men dat het de dronkenschap kan tegen gaan. Dodonaeus.

Tegen hoofdpijn: Neem van bittere amandelen zoveel als genoeg is en stamp dit met zijn en olie van rozen tot een pap die ge op het voorhoofd en de slapen van het hoofd leggen zal. Dioscorides.

Tegen het opstijgen van de baarmoeder: Neem olie van bittere amandelen en bestrijk de buik onder de navel hiermee. Matthiolus

Tegen nierstenen, koude plas en pijn van de nieren: Neem olie van bittere amandelen en besmeer hiermee de lendenen en de navel van de buik, Fuchsius.

Tegen het suizen in de oren: Neem olie van bittere amandelen en maak het in een lepel warm, doe het warm met katoen in de tuitende oren. C. Durantes.

Tegen sproeten en plekken van het aangezicht: Neem van de wortels van de amandelboom een hand vol, kook die in water of wijn zoveel als genoeg is en was het aangezicht hiermee. Ravelingius.

 

 

Vijgen-boom, in ít Latijn Ficus.

 

Geslachten.

Hier te Lande zijn twee soorten van Vijgen-boomen bekent, de eerste is de gemeyne Vijgen-boom, díander wordt Indiaensche Vijgen-boom genaemt.

 

Gedaente.

De gemeyne Vijgen-boom wast somstijdts hier te lande redelijck hoog op, bekleedt met een rouwachtige schorsse. Het hout is wit, voos ende light, de zijdetacken zijn van binnen met mergh gevult. De bladeren vergelijcken sich eenighsins met de Wijngaerts-bladeren, want sy hebben vijf diepe sneden, ende vijf uytstaende hoecken, maer sy zijn donckerder groen van verwe. Men en bespeurt geen voor-teken van Bloemen, maer de vruchten spruyten sonder de selve aen de oorsprongh der bladeren elck besonder voort, de Peeren van gedaente eenighsins gelijck, rijp gheworden zijnse wit ofte bleeck-groen, ofte uyt doncker-blauw paers-achtigh van verwen, ende bevatten in sich een seer soet en lieflijck merch met veel tusschen-beyden leggende greynkens vervult.

De Indiaensche Vijgen-boom, die men met recht onder de Planten stellen mochte schiet op sonder struycken ofte tacken, en vertoont anders niet dan een vergaderingh van lanck-werpige, breede en seer dicke bladeren, met dunne doornkens versien die uyt de andere spruyten ende boven malkanderen opwassen.

 

Plaetse.

Dese beyde geslachten der Vijgen-boomen zijn alleen in de Hoven van curiese Lief-hebbers te vinden.

 

Tijdt.

De gemeyne Vijgen-boom brengt sijn botten in de May te voorschijn, maer sijn vruchten worden onordentelijck rijp, want sommige het eerste jaer, andere, indiense de Winter over kunnen blijven, het navolgende jaer om te gebruycken bequaem worden. De Indiaensche Vijgen-boom blijft altijdt groen, maer brengt alhier geen vruchten voort.

 

Oeffeningh.

De Vijgen-boom werdt in de Nederlanden van wortel-spruyten ofte tacken, die men op ít eynde wat kneust in de Maent Maert ofte April aengewonnen. De Indiaensche Vijgen-boom spruyt voort, indien men een van sijn bladeren in de Aerde steeckt, waer in sy seer haestelijck groeyt, verwortelt, ende andere bladeren wederom uytgeeft. Men moet dese gewassen hier te lande voor de koude Winter sorghvuldigh bewaren.

 

Aert en Krachten.

De volkomen rijpe en gedrooghde Vijgen, verwarmen in den tweeden graet, en zijn wat vochtigh van aert. Andere achtense voor warm in den eersten en vochtigh in den tweeden graet. Sy doen zweten, reynigen de Borst, vermorwen ende maken rijp alle Gezwellen. Matthiolus, C. Durantus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de Kinder-pockjens ende Maselen uyt te drijven: Hier voor werden Vijgen in Bier opgekoockt ende dickwijls te drincken gegeven.

Voor het Graveel: Vijgen veel gegeten, doen veel sants ende gruys met de Urijn quijt worden ende losen. Dodonaeus.

Voor swaren Hoest: Neemt een goet deel kleyn gesneden Vijgen, giet daer op van de beste Brandewijn, de welcke ghy uytbranden sult, ende hier van dickwijls een lepel vol gebruycken, ofte neemt Vijgen, No 12, Hysoop-bladeren twee handen vol, koockt dit in Gersten-water, tot een pint, van (20) ít welck, met Suycker soet gemaeckt zijnde, ghy 3 a 4mael daeghs een Roemertje vol ingeven sult. Lobel, J. Schroderus.

Om de geboorte te doen vorderen werdt in Duytslant van de Vrouwen veeltijts gebrade Vijgen gegeten. J. Schroderus.

Om het geronnen Bloet door vallen ofte quetsinge te doen scheyden: Koockt een goet deel Vijgen in Water, ende door gedaen zijnde, geeft hier van dickwils te drincken. Dodonaeus.

Om de Buyck der water-suchtigen te doen slecken: Neemt Vijgen een goet deel, Gersten-meel soo veel genoegh is, Alsem twee handen vol, maeckt hier van met Wijn een pap, en leght het van buyten op de Buyck. Lobel.

Voor sweeringe ontrent de nagels van de Vingeren: Neemt Vijgen ten loot, Granaet-schellen een vierendeel loots, stoot dit te samen, en leght het op. Lobel.

Om alle Wratten, Exter-oogen en ander onsuyver-heden te Verdrijven: Neemt de bladeren van de Vijgen-boom, kneustse ende wrijftse hier mede. Dodonaeus.

Vijgenboom, in het Latijn Ficus. (Ficus carica)

 

Geslachten.

Hier te lande zijn twee soorten van vijgenbomen bekend, de eerste is de gewone vijgenboom, de andere wordt Indiaanse vijgenboom genoemd. (Opuntia ficus-indica)

 

Vorm.

De gewone vijgenboom groeit soms hier te lande redelijk hoog op en is bekleed met een ruwachtige schors. Het hout is wit, voos en licht, de zijtakken zijn van binnen met merg gevuld. De bladeren vergelijken zich enigszins met de druivenbladeren want ze hebben vijf diepe sneden en vijf uitstaande hoeken, maar ze zijn donkerder groen van kleur. Men bespeurt geen voortekens van bloemen en de vruchten spruiten zonder de bloemen aan de oorsprong van de bladeren elk op zijn eigen voort, ze lijken enigszins op peren van vorm en als ze rijp worden zijn ze wit of bleek groen of uit donker blauw paarsachtig van kleur en hebben in zich een zeer zoet en lieflijk merg waar tussen veel zaden liggen.

De Indiaanse vijgenboom die men met recht onder de planten stellen mag schiet op zonder stam of takken en laat niets anders zien dan een verzameling langwerpige, brede en zeer dikke bladeren die met dunne dorens bekleed zijn waaruit andere spruiten en boven elkaar groeien.

 

Plaats.

Deze beide geslachten van vijgenbomen zijn alleen in de hoven van curieuze liefhebbers te vinden.

 

Tijd.

De gewone vijgenboom brengt zijn knoppen in mei te voorschijn, maar zijn vruchten worden ongelijk rijp, sommige het eerste jaar en andere als ze de winter over kunnen blijven worden pas goed om het volgende jaar te gebruiken. De Indiaanse vijgenboom blijft altijd groen, maar brengt hier geen vruchten voort.

 

 

 

Teelt.

De vijgenboom wordt in Nederland van wortelspruiten of takken die men op het eind wat kneust in de maand maart of april aangewonnen. De Indiaanse vijgenboom spruit voort als men een van zijn bladeren in de aarde steekt waarin ze zeer snel groeit en wortelt en weer andere bladeren uitgeeft. Men moet deze gewassen hier te lande tegen de koude winter zorgvuldig beschermen.

 

 

Aard en krachten.

De volkomen rijpe en gedroogde vijgen verwarmen in de tweede graad en zijn wat vochtig van aard. Andere achten ze voor warm in de eerste en vochtig in de tweede graad. Ze laten zweten, reinigen de borst, vermurwen en maken alle gezwellen rijp. Matthiolus, C. Durantus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de kinderpokken en mazelen uit te drijven: Hiervoor worden vijgen in bier gekookt en dikwijls te drinken gegeven.

Tegen nierstenen: Als vijgen veel gegeten worden laten ze veel zand en gruis met de urine kwijt worden en lossen. Dodonaeus.

Tegen zware hoest: Neem een goed deel klein gesneden vijgen en giet daar op van de beste brandewijn die ge uitbranden zal, hiervan zal ge dikwijls een lepel vol gebruiken of neem vijgen no 12 met twee handen vol hysopbladeren, kook dit in gerstewater tot een pint, maak dat met suiker zoet waarvan ge 3 a 4maal per dag een roemertje vol ingeven zal. Lobel, J. Schroderus.

Om de geboorte te bevorderen wordt in Duitsland door de vrouwen vaak gebraden vijgen gegeten. J. Schroderus.

Om het gestolde bloed dat door vallen of kwetsingen veroorzaakt is te laten scheiden: Kook een goed deel vijgen in water en als het doorgezeefd is geef hiervan dikwijls te drinken. Dodonaeus.

Om de buik van de waterzuchtige te laten slinken: Neem een goed deel vijgen, gerstemeel zoveel als genoeg is, van alsem twee handen vol en maak hiervan met wijn een pap en leg het van buiten op de buik. Lobel.

Tegen zweren bij de nagel van de vingers: Neem tien lood vijgen, granaatappelschillen een vierendeel lood, stamp dit tezamen en leg het op. Lobel.

Om alle wratten, eksterogen en andere onzuiverheden te verdrijven: Neem de bladeren van de vijgenboom, kneus ze en wrijf ze hiermee in. Dodonaeus.

 

 

Citroen, Limoen, ende Orangie-boom, in ít Latijn Malus Citria, Limonia, Arantia.

 

Omdat de Citroen, Limoen ende Orangie-boomen, soo wel in uyterlijck gedaente ende krachten der vruchten, als in haer oeffeningh, eenighsints over een komen, sullen wy de selven alhier te samen by een beschrijven.

 

Ghedaente.

De Citroen-boom, wiens tacken met een groene schorsse bekleet zijn, heeft langhwerpige, dicke, ende gladde groene bladeren. De bloemen zijn wat paers-achtigh, uyt welkers midden eenige dunne draedkens voort-spruyten. De vruchten die veel grooter als de Limoenen zijn, werden met een bleeck gout-geele schorsse bedeckt, seer aengenaem en lieflijck van reuck, waer onder een hardt en witachtigh vleesch verborgen leyt, ít welck een klaer en doorluchtigh mergh, met aengename suure sap vervult, omvat. Het zaet ligt in het voornoemde mergh hier en daer verspreyt, bitterachtigh van smaeck zijnde.

De Limoen-boom verschilt van de voorgaende in de coleur van de bloemen, de welcke wit zijn, ende de vruchten zijn oock veel kleynder, als van de Citroen-boom, doch met overvloediger en suurder sap versien.

De Orangie-boom heeft mede groene tacken, maer de bladeren zijn somtijdts wat grooter, als de Citroen-boom ofte Limoen-bladeren. De bloemen die wit zijn, zijn seer aengenaem van reuck, de vruchten en zijn niet langhwerpigh, maer bolwijs rondt, met een hoogh gout-geele schorsse, die bitterachtigh van smaeck is, overtoogen, dese behouden oock in sich overvloedigh sap, ít welcke soet, suur, ofte half soet, half suur bevonden wordt. Het zaet is kleynder als het Citroen-zaet, andersints het selve in alles gelijck.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden hier te Landen alleen in de Hoven van groote Liefhebbers gevonden.

 

Tijdt.

Dese Boomen blijven altijdt met bladeren bekleet. De vruchten werden niet eenparigh rijp, want men aen een Boom rijpe, bij na rijpe, ende eerst aenkomende vruchten sien mach.

 

Oeffeningh.

De Citroen, Limoen ende Orangie-boomen werden in de Nederlanden van de zaden met groote moeyte aengeteelt, ofte stammen werden van Genua ofte Lissabon herwaerts overgesonden. De curiuese Liefhebbers konnen de verdere oeffeningen, die tot het onderhouden deser Boomen vereyscht worden, nauwkeurigh in ít eerste en tweede Deel van het Vermakelijck Lantleven beschreven vinden.

 

Aert en krachten.

De vruchten van de voornoemde Boomen bestaen uyt verscheyde deelen, de welcke met besonderen ende seer veel verschillende krachten begaeft zijn, want de uytwendige schorsse is warm in den eersten, ende verdroogende in den tweeden (21) graet, wederstaet vergift ende besmettinge, ofte soo andere willen, warm en droogh in den derden graet. Het suure sap van dese vruchten is verkoelende ende drooghmakende van aert, ende daer by doordringende van krachten. Het zaet is warm en droogh in den tweeden graet. Matthiolus, C. Durantus, Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verkoude Maegh en stinckende Aessem: Hier tegen gebruyckt alle morgen een vierendeel van een geconfijte Citroen ofte Orangie-schil. Dodonaeus.

Voor brandende en besmettelijcke Koortsen, als mede om de galachtige vochtigheden, die in de Maegh leggen te bedwingen: Gebruyckt men veeltijdts by de spijse het sap van Citroenen ofte Limoenen in plaetse van Verjuys, ofte bereyt de volgende koeldranck: Neemt Garsten-water, een pint, sap van Citroenen vier loot, van de witste Suycker soo veel genoegh is, menght dit te samen, ende geeft hier dickwils van te drincken. Dodonaeus. Lobel.

Voor quaetaerdige Koortsen: Geeft den siecken eenige gepelde Citroen-zaden in, en bestrijckt de pols en het putken van ít herte met olie van Citroen-schellen gedistilleert. Stockerus in Emperica, Dodonaeus.

Voor wormen der Kinderen: Bestrijckt de Navel der Kinderen met Olie van Citroenen

Voor ít Graveel: Neemt Limoen-sap twee loot, een halve Notenmuskaet, Kreeft-oogen een half vierendeel loots, witte Candy-suycker een loot, Rentsche-wijn een half mutsjen, geeft dit op een reys in.

Voor Schurftheyt en Sproeten in ít Aengesicht: Bestrijckt de plaetsen met Limoen-sap. Matthiolus.

Voor Colijck ofte Buyck-pijn uyt winden ontstaen: Neemt fijn gestooten Orangie-schellen een vierendeel loots, geeft dit in met warm Bier ofte Wijn. Schroderus.

Citroen, Limoen en Oranjeboom, in het Latijn Malus Citria, Limonia, Arantia. (Citrus medica ĎCedriaí, Citrus medica ďLimoniumí, Citrus aurantium)

 

Omdat de citroen, limoen en oranjebomen zowel in uiterlijke vorm en krachten van de vruchten als in haar teelt enigszins overeen komen zullen we die hier tezamen beschrijven.

 

Vorm.

De citroenboom wiens takken met een groene schors bekleed zijn heeft langwerpige, dikke en gladde, groene bladeren. De bloemen zijn wat paarsachtig waar uit hun midden enige dunne meeldraadjes komen. De vruchten zijn veel groter dan de limoenen en worden met een bleke goudgele schors bedekt die zeer aangenaam en liefelijk van reuk is. Daaronder ligt een hard en witachtig vlees verborgen dat een helder en doorluchtig merg bevat dat met aangenaam zuur sap gevuld is. Het zaad ligt in het voornoemde merg hier en daar verspreid en is bitterachtig van smaak.

De limoen verschilt van de voorgaande in de kleur van de bloemen die wit zijn, ook zijn de vruchten veel kleiner dan van de citroen maar met overvloediger en zuurder sap voorzien.

De oranje heeft ook groene takken, maar de bladeren zijn soms wat groter dan van de citroen- of limoenbladeren. De bloemen, die wit zijn, zijn zeer aangenaam van reuk, de vruchten zijn niet langwerpig, maar bolvormig rond en met een diep goudgele schors bedekt die bitterachtig van smaak is, deze heeft ook overvloedig sap in zich dat zoet, zuur of half zoet en half zuur gevonden wordt. Het zaad is kleiner dan het citroenzaad, anders die in alles gelijk.

 

 

Plaats.

Deze bomen worden hier te lande alleen in de hoven van grote liefhebbers gevonden.

 

Tijd.

Deze bomen blijven altijd met bladeren bekleed. De vruchten worden niet gelijk rijp, want men kan aan een boom rijpe, bijna rijpe en pas aankomende vruchten zien.

 

 

Teelt.

De citroen, limoen en oranjebomen worden in Nederland van de zaden met grote moeite voort geteeld of er worden stammen van Genua of Lissabon naar hier gezonden. De curieuze liefhebbers kunnen de verdere teelt die tot het onderhouden van deze bomen vereist wordt nauwkeurig in het eerste en tweede Deel van het ĎVermakelijck Lantlevení beschreven vinden.

 

 

Aard en krachten.

De vruchten van de voornoemde bomen bestaan uit verscheidene delen die met bijzondere en zeer veel verschillende krachten begunstigd zijn want de uitwendige schors is warm in de eerste en verdrogend in de tweede graad, weerstaat vergif en besmetting of zo andere willen warm en droog in de derde graad. Het zure sap van deze vruchten is verkoelend en droog makend van aard en daarbij doordringend van krachten. Het zaad is warm en droog in de tweede graad. Matthiolus, C. Durantus, Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verkouden maag en stinkende adem: Hiertegen gebruikt men elke morgen een vierendeel van een gekonfijte citroen of oranjeschil. Dodonaeus.

Tegen brandende en besmettelijke koortsen als mede om de galachtige vochtigheden die in de maag liggen te bedwingen: Gebruikt men vaak bij het eten het sap van citroenen of limoenen in plaats van sap van onrijpe druiven of men maakt de volgende koeldrank: Neem een pint gerstewater, van sap van citroenen vier lood, van het witste suiker zoveel als genoeg is, meng dit tezamen en geef hiervan dikwijls te drinken. Dodonaeus. Lobel.

Tegen kwaadaardige koortsen: Geef de zieke enige gepelde citroenzaden in en bestrijk de pols en het putje van het hart met gedestilleerde olie van citroenschillen. Stockerus in Emperica, Dodonaeus.

Tegen wormen bij de kinderen: Bestrijk de navel van de kinderen met olie van citroenen

Tegen de nierstenen: Neem twee lood limoensap, een halve notenmuskaat, van kreeftogen een half vierendeel lood, van witte kandijsuiker een loot en van Rentse wijn een half mutsje, geef dit in een keer in.

Tegen schurft en sproeten in het gezicht: Bestrijk de plaatsen met limoensap. Matthiolus.

Tegen koliek of buikpijn die uit winden ontstaan zijn: Neem van fijn gestampte oranjeschillen een vierendeel lood en geeft dit in met warm bier of wijn. Schroderus.

 

 

Laurier-boom, in ít Latijn Laurus.

 

Geslachten.

De Laurier-boom werdt hier te Lande onderscheyden in Laurier met breede bladeren ofte Wijfken, Laurier met smalle bladeren ofte Manneken, Luyckse Laurier ofte Laurus nobilis, Bakelaer-dragende Laurier, Brughse laurier ende wilde Laurier.

 

Gedaente.

De breedt-bladige Laurier schiet met veel scheuten op, die met een doncker-groene schorsse bekleet zijn. De bladeren zijn langhwerpig, breedt, hardt, groen van verwe, goet van reuck, ende bitterachtigh van smaeck. De bloemen zijn grasverwigh, en de besien met een zwart-achtige schorsse bedeckt, wiens kerne in twee deelen gekloven is.

De Smal-bladige verschilt van de voorgaende, omdat hy soo hoogh niet op en wast, de bladeren smaller en dunder, ende struycken met bruyn-roode schorsse bedeckt zijn.

De andere soorte vergelijcken sich met de voorgaende, alleen seyt Lobel dat de Laurier die binnen Brugge wast, met bruynder bladeren versien is.

De wilde Laurier blijft leger als de tamme, de tacken zijn geknoopt ofte in veel leden verdeelt, met breede, effene ende blinckende bladeren, doch sonder reuck bewassen, uyt elcken knoop ofte lidt altijdt twee tegen de anderen overstaende voort-komende. De witte bloemen, die somtijdts buytenwaerts wat paers-achtigh zijn, komen op het eynde der tacken kroons-wijs te voorschijn, waer op blaeuwe besien, de Myrtus-besien niet ongelijck volgen.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden in de Nederlanden in de Hoven geplant ende onderhouden, ende wassen tierigh omtrent de Zee-kant, want men somtijdts in Zeelant, dat andersints op andere plaetsen selden gebeurt, van de selve vruchten versamelt.

 

Tijdt.

De Laurier-boom blijft des (22) Winters en des Somers altijdt groen, in ít Voor-jaer nieuwe spruyten ende jonge scheuten voort-brengende.

 

Oeffeningh.

Alle de soorten van Laurier-boomen begeeren naerstige oeffeninge, moeten des Winters voor de koude wel bewaert worden, waerom men oock de Laurus Nobilis in potten ofte tobbens plant, om de selve in een stove voor de koude te bewaren. Men teelt se door besien ende wortel-spruyten voort, alleen de Laurus Nobilis werdt door stecken aengequeeckt.

 

Aert en Krachten.

De Laurier-bladeren verwarmen ende verdroogen in den derden graedt, doch de besien die men Bakelaer noemt, zijn sterckelijker verwarmende ende verdroogende. Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Buyck-pijn, ít Graveel ende Watersucht: Neemt Laurier-bladeren een handt vol, koockt die in een pint Wijn, ende geeft hier van tweemaels daeghs een half mutsjen te drincken. C. Durantus.

Voor Dovigheyt ende het ruyschen der Ooren: Neemt Laurier-bladeren een halve handt vol, Lavende-bloemen soo veel ghy tusschen drie vingeren vatten kunt, koockt dit te samen in Wijn, ende ontfanght den damp door een trechter in de Ooren. Dodonaeus.

Voor Aemborstigheyt en taye Fluymen die op de Borst leggen: Neemt Bakelaer een vierendeel loots, fijn gestoten zijnde, mengt het met honingh, ende gebruyckt het morgens en savonts. Dioscorides.

Voor de uytghesoncken Lijf-moeder: Neemt Laurier-bladeren ofte Bakelaer een vierendeel loots, ende geeft het in met roode Wijn. Dodonaeus.

Voor een verkoude Lijf-moeder, en de Maent-stonden te bevorderen: Neemt Laurier-bladeren twee handen vol, Bakelaer twee loot, koockt dit te samen in Wijn ende laet het damp van onderen ontfangen. Brunfelsus.

Voor lamme Leden ende verkouden Zenuwen: Bestrijckt de Leden met Olie van Laurier-bayen, tegen een Eycken vuur. Disp. August.

Voor ít steken van de Vespen: Neemt de ghekneusde bladeren, ende leghtse op. J. Schroderus.

Laurier, in het Latijn Laurus. (Laurus nobilis)

 

Geslachten.

De laurier wordt hier te lande onderscheiden in laurier met brede bladeren of het wijfje (breedbladige vorm?) De laurier met smalle bladeren of het mannetje is de Luikse laurier of Laurus nobilis, de bakelaar dragende laurier of Brugse laurier, verder de wilde laurier. (Viburnum tinus)

 

Vorm.

De breedbladige laurier schiet met veel scheuten op die met een donker groene schors bekleed zijn. De bladeren zijn langwerpig, breed, hard en groen van kleur, goed van reuk en bitterachtig van smaak. De bloemen zijn graskleurig en de bessen zijn met een zwartachtige schors bedekt wiens kern in twee delen gekloven is.

De smalbladige verschilt van de voorgaande omdat hij niet zo hoog groeit, de bladeren zijn smaller en dunner en de stengels met een bruinrode schors bedekt.

De andere soorten vergelijken zich met de voorgaande, alleen zegt Lobel dat de laurier die binnen Brugge groeit met bruinere bladeren voorzien is.

De wilde laurier blijft lager dan de tamme, de takken zijn geknoopt of in veel leden verdeeld en met brede, effen en blinkende bladeren begroeid, maar zonder geur. Uit elke knoop of lid komen altijd twee tegenover staande andere voort. De witte bloemen die soms van buiten wat paarsachtig zijn komen op het einde van de takken kroonsgewijs te voorschijn waarop blauwe bessen volgen die op die van de myrtusbessen lijken.

 

Plaats.

Deze bomen worden in Nederland in de hoven geplant en onderhouden. Ze groeien zeer goed bij de zeekant wat men soms ziet in Zeeland wat verder op andere plaatsen zelden gebeurt, van die worden vruchten verzameld.

 

Tijd.

De laurierboom blijft Ďs winters en zomers altijd groen, in het voorjaar komen er nieuwe spruiten en jonge scheuten aan.

 

Teelt.

Alle soorten van laurierbomen moeten zeer goed gekweekt worden en in de winter goed tegen de koude beschermen waarom men ook de Laurus Nobilis in potten of tobben plant om die in een warme plaats tegen de koude te beschermen. Men teelt ze door bessen en wortelspruiten voort, alleen Laurus nobilis wordt door stekken vermeerderd.

 

Aard en krachten.

De laurierbladeren verwarmen en verdrogen in de derde graad, maar de bessen die men bakelaar noemt verwarmen sterker en verdrogen. Matthiolus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen buikpijn, nierstenen en waterzucht: Neem van laurierbladeren een hand vol, kook die in een pint wijn en geef hiervan twee keer per dag een half mutsje te drinken. C. Durantus.

Tegen doofheid en het suizen van de oren: Neem een halve hand vol laurierbladeren, lavendelbloemen zoveel ge tussen die vingers kan pakken, kook dit tezamen in wijn en ontvang de damp door een trechter in de oren. Dodonaeus.

Tegen benauwdheid en taaie fluimen die op de borst liggen: Neem van bakelaar een vierendeel lood en als het fijn gestampt is meng het met honing en gebruik het Ďs morgens en Ďs avonds. Dioscorides.

Tegen de uitgezonken baarmoeder: Neem van laurierbladeren of bakelaar een vierendeel lood en geef het in met rode wijn. Dodonaeus.

Tegen een verkouden baarmoeder en om de maandstonden te bevorderen: Neem van laurierbladeren twee handen vol, van bakelaar twee lood, kook dit tezamen in wijn en laat de damp van onderen ontvangen. Brunfelsus.

Tegen lamme leden en verkouden zenuwen: Bestrijk de leden met olie van laurierbessen bij een vuur van eikenhout. Disp. August.

Tegen wespensteken: Neem de gekneusde bladeren en leg ze op. J. Schroderus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oleander-boom, in ít Latijn Laurus Rosea.

 

Gedaente.

Dit Boom-achtigh gewas komt voort met wijdt uytgespreyde opgaende tacken, seer dicht met lange, spitse, dicke ende harde bladeren bekleedt. De bloemen, die de gedaente van kleyne Rooskens uytbeelden, ende van vijf bladeren te samen geset zijn, zijn schoon-root, oock heeft de selve Lobel mede wit gevonden. Het zaet dat langh en licht is, leyt in wolachtige harigheyt in lange hauwkens besloten. De wortel is houtachtigh. (23)

 

Plaetse.

In de Nederlanden wordt dit Geboomte in de Hoven van de Kruydt-beminders gevonden.

 

Tijdt.

De bloemen komen selden voor Augustus te voorschijn.

 

Oeffeningh.

Dit Gewas werdt hier te lande van inleggende tacken aengewonnen.

 

Aert en krachten.

De Oleander is warm in den derden en droogh in den tweeden graet. Avicenna.

 

Medicinael gebruyck.

Inwendig werdt het niet gebruyckt, maer uytwendig heeft het kracht om alle geswellen te verteeren ende te doen scheyden. Galenus, Aegineta.

Oleander, in het Latijn Laurus Rosea. (Nerium oleander)

 

Vorm.

Dit boomachtig gewas komt voort met wijd uitgespreide, opgaande takken die zeer dicht met lange, spitse, dikke en harde bladeren bekleed zijn. De bloemen, die de vorm van kleine roosjes vormen en van vijf bladeren tezamen gesteld zijn, zijn mooi rood, ook heeft Lobel ze wel wit gevonden. Het zaad is lang en licht en ligt in een wolachtige harigheid in lange hauwen opgesloten. De wortel is houtachtig.

 

 

Plaats.

In Nederland wordt dit gewas in de hoven van de kruidbeminnaars gevonden.

 

Tijd.

De bloemen komen zelden voor augustus te voorschijn.

 

Teelt.

Dit gewas wordt hier te lande van afleggende takken voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De oleander is warm in de derde en droog in de tweede graad. Avicenna.

 

Medicinaal gebruik

Inwendig wordt het niet gebruikt, maar uitwendig heeft het kracht om alle gezwellen te verteren en te laten scheiden. Galenus, Aegineta.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Genever-boom, in ít Latijn Juniperus.

 

Gedaente.

De Genever-boom is een houtachtige heester, veel dunne zijde-tackskens voortbrengende, de bladeren die dicht aen de selve groeyen, zijn seer smal, en aen het eynde met scherpe puntkens versien. De vruchten zijn ronde Besien, den peper niet ongelijck, die eerst groen ende namaels zwart worden.

 

Plaetse.

Dese Boom wast in sommige gewesten van Nederlandt onder de Heyde, ende wert in Hollandt en andere plaetsen in de Hoven tot heggen geplant.

 

Tijdt.

De bladeren blijven altijdt groen, de besien worden het tweede jaer, na dat sy voort gekomen zijn, volkomen rijp, doch de Genever-boom levert alle jaren vruchten, om dat de rijpe versamelt zijnde de onrijpe overblijven, ende in ít volgende jaer tegen de herfst rijp worden.

 

Oeffeningh.

De Genever-boom werdt door ít zaeyen van de rijpe Besien, als mede door het inleggen aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De Genever-boom is warm ende droog tot in den derden graet, de vrucht is warm in den derden en droogh in den tweeden graet, doet zweten, wederstaet vergift, opent de verstoptheden, maeckt de slijmerige vochtigheden dun, ende drijft de Urijn af. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor verouderde Hoest, ende om de taye slijmerige vochtigheden van de Borst te suyveren: Neemt Genever-besien een loot, koockt die op in Garsten-water tot een half pintje, door gedaen zijnde, maeckt het soet met Candy Suycker, ende neemt dit in drie ofte vier reysen in. Dodonaeus.

Om de Sinckingen die op de Oogen vallen te beletten, ende tandt-pijn te versoeten: Neemt Genever-besien een halve handt vol, Lavendel-bloemen soo veel ghy tusschen drie vingeren vatten kondt, koockt dit te samen in Wijn-azijn, de welcke ghy lauw in de mont sult houden.

Voor ít Graveel, Buyck-pijn, gebreken des Lijf-moeders, Catharren, opstoppinge der Maent-stonden, Engborstigheyt, Hoest, draeynge des Hoofts, Doofheyt, stinckende Aessem, Water-sucht, Vallende Sieckte, (24) Bevinge, swack Gesicht, Pest ende besmettelijcke Sieckten: Neemt een goed deel versche Genever-besien, stootse wel kleyn in een Vijsel, daer na ziedse in water, ende perst het sap daer uyt, het welcke ghy soo langh sult koocken tot dat het soo dick als Honingh wordt, hier van sult ghy een lepel vol Ďsmorgens ende Ďs avonts in geven.

Tot de voor-verhaelde gebreken is oock seer goet de gedistilleerde Olie van Genever-besien, 5 ofte 6 druppelen ingenomen. Ravelingius.

Voor quade Schurftheyt: Neemt de assche van de schorsse van Genever-hout, menght het met water, ende strijckt de Schurfheyt daer mede. Dioscorides.

Om besmettelijcke ende pestige lucht te verbeteren: Neemt men gemeenlijck Genever-besien, die men op de koolen leyt, om het huys daer mede te roocken.

Voor de Pest: Neemt Genever-besien, gezegelde Aerde van elcks een loot, menght dit met gesmolten Honingh tot een Conserf, waer van ghy de groote van een Noote met Meede sult gebruycken. Ravelingius.

Jeneverboom, in het Latijn Juniperus. (Juniperus communis)

 

Vorm.

De jeneverboom is een houtachtige heester die vele dunne zijtakken voort brengt waar de bladeren dicht tegenaan groeien, die zijn zeer smal en aan het einde met scherpe punten voorzien. De vruchten zijn ronde bessen die wat op de peper lijken en eerst groen en later zwart worden.

 

Plaats.

Deze boom groeit in sommige gewesten van Nederland tussen de heide en wordt in Holland en andere plaatsen in de hoven tot heggen geplant.

 

Tijd.

De bladeren blijven altijd groen, de bessen worden het tweede jaar nadat ze voort gekomen zijn volkomen rijp, maar de jeneverboom levert alle jaren vruchten omdat als de rijpe verzameld zijn de onrijpe overblijven en het volgende jaar tegen de herfst rijp worden.

 

Teelt.

De jeneverboom wordt door het zaaien van de rijpe bessen, maar ook door het afleggen voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De jeneverboom is warm en droog tot in de derde graad, de vrucht is warm in de derde en droog in de tweede graad, laat zweten, weerstaat vergif, opent de verstopping, maakt de slijmerige vochtigheden dun en drijft de urine af. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen verouderde hoest en om de taaie, slijmerige vochtigheden van de borst te zuiveren: Neem van jeneverbessen een lood, kook die op in gerstewater tot een half pintje, doorzeven, maak het zoet met kandij suiker en neem dit in drie of vier maal in. Dodonaeus.

Om de zinkingen die op de ogen vallen te beletten en tandpijn te verzachten: Neem van jeneverbessen een halve hand vol, lavendelbloemen zoveel ge tussen drie vingers pakken kan, kook dit tezamen in wijnazijn wat ge lauw in de mond zal houden.

Tegen nierstenen, buikpijn, gebreken van de baarmoeder, catarre, opstopping van de maandstonden, benauwdheid, hoest, duizeling van het hoofd, doofheid, stinkende adem, waterzucht, vallende ziekte, beving, zwak zien, pest en besmettelijke ziekten: Neem een goed deel verse jeneverbessen, stamp ze goed klein in een vijzel en kook het daarna in water en pers het sap daar uit wat ge zo lang zal koken totdat het zo dik als honing wordt, hiervan zal ge een lepel vol Ďsmorgens en Ďs avonds ingeven.

Tegen de voorverhaalde gebreken is ook zeer goed de gedistilleerde olie van jeneverbessen, 5 of 6 druppels ingenomen. Ravelingius.

Tegen kwade schurft: Neem de as van de schors van jeneverhout, meng het met water en bestrijk de schurft daar mee. Dioscorides.

Om besmettelijke en pestige lucht te verbeteren: Neemt men gewoonlijk jeneverbessen die men op de kolen legt om het huis daarmee te roken.

Tegen de pest: Neem jeneverbessen en gezegelde aarde, van elk een lood, meng dit met gesmolten honing tot een konserf waarvan ge de grootte van een noot met mede zal gebruiken. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Savel- ofte Seven-boom, in ít Latijn Sabina.

 

Geslachten.

Van dese Boom vindt men in de Nederlanden twee soorten, de eerste is de gemeene Seven-boom, díander werdt oprechte Savel- ofte Seven-boom die vruchten draeght genaemt.

 

Gedaente.

De gemeene Savel- ofte Seven-boom wast op tot een tamelijck Boomken, sijn tacken ende zijde-tacken breedt ende wijt uyt-staende. De bladeren zijn die van de Tamarisch-boom seer gelijck, doch stijver ende stekende, sterck van reuck, ende scherp en heet van smaeck, hy staet altijdt groen, maer draeght geen besien.

De tweede soorte is den gemeenen onvruchtbare Seven-boom, van ghedaente niet ongelijck, behalven dat de bladeren soo stijf ende stekende niet zijn. Hy brenght voort groen-geele bloemkens, en de vruchten zijn eerst groen, ende namaels uyt den blaeuwen, zwartachtigh van verwe, van groote de Genever-besien gelijck.

 

Plaetse.

Dese Boomen worden alleen in de Hoven der Kruydt-beminners gevonden.

 

Tijdt.

De Seven-boomen zijn altijdt met groene bladeren beladen. De vrucht-dragende Seven-boom brenght sijn vruchten voort op de manier als wy van de Genever-boom geseyt hebben.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden van steck ofte in-leggen voort-geteelt, die men een jaer gestaen hebbende, in de Maent Maert op vochte en schaduwachtige plaetsen verplant.

 

Aert en Krachten.

De bladeren van de Seven-boom zijn warm ende droogh tot in den derden graet. Fijn van deelen, openende, dun makende, ende door-dringende van krachten, Galenus. (25)

 

Medicinael gebruyck.

Om de Nageboorte ende een doode Vrucht af te drijven: Neemt Seven-boom een handt vol, koockt dit in een half pintje Wijn, tot de helft versooden is, ende geeft dit op een reys in. Dodonaeus.

Om de Maent-stonden af te setten: Neemt sap van Seven-boom met Wijn uyt-geperst vier loot, Saffraen vier greyn, Poley-water vier loot, menght dit te samen, om in twee reysen in te nemen; door dit middel zijn dickwils de opgestopte Maent-stonden afgedreven. Alexis Pedomontanus.

Voor ophoudinge des Urijns: Neemt een handt vol Seven-boom, koockt het in een pintje goede Wijn, tot dat het derden deel versoden is, ende laet hier van dickwils een roemertjen innemen, dit drijft den Urijn geweldigh af. Dioscorides.

Voor Enghborstigheyt: Neemt gepulveriseerde Seven-boom een vierendeel loots, vermenght het met honing en neemt het in.

Voor seere Hoofden der Kinderen: Neemt gepulveriseerde Seven-boom soo veel van nooden is, menght het met room van melck, ende bestrijckt het hooft daer mede. J. Schroderus.

Voor Wratten ende knobbelachtige uytwassinge der schamelijcke Leden: Neemt Seven-boom twee handen vol, koockt die in regen-water soo veel genoegh is, ende stootse hier mede, daer na stroytíer gepulveriseerde Seven-boom op. Dodonaeus.

Savel- of zevenboom, in het Latijn Sabina. (Juniperus sabina)

 

Geslachten.

Van deze boom vindt men in Nederland twee soorten. De eerste is de gewone zevenboom, de andere wordt echte savel- of zevenboom die vruchten draagt genoemd.

 

Vorm.

De gewone savel- of zevenboom groeit op tot een tamelijk boompje waarvan de takken en zijtakken breed en wijd uitstaan. De bladeren lijken veel op die van de Tamarix, maar zijn stijver en steken, sterk van reuk en scherp en heet van smaak, hij is altijd groen maar draagt geen bessen.

De tweede soort is de gewone onvruchtbare zevenboom van vorm vrij gelijk, behalve dat de bladeren niet zo stijf zijn en niet steken. Hij brengt groengele bloemen voort, de vruchten zijn eerst groen en daarna uit het blauwe zwartachtig van kleur, van grootte de jeneverbessen gelijk. (gestekte en gezaaide vorm verschillen van elkaar)

 

Plaats.

Deze bomen worden alleen in de hoven van de kruidbeminnaars gevonden.

 

Tijd.

De zevenbomen zijn altijd met groene bladeren bekleed. De vruchtdragende zevenboom brengt zijn vruchten voort op de manier als we van de jeneverboom gezegd hebben.

 

Teelt.

Deze bomen worden van stek of afleggen voort geteeld en die als ze een jaar gestaan hebben in de maand maart op vochtige en schaduwachtige plaatsen verplant worden.

 

Aard en krachten.

De bladeren van de zevenboom zijn warm en droog tot in de derde graad. Fijn van delen, openen, maken dun en doordringend van krachten, Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de nageboorte en een dode vrucht af te drijven: Neem van sevenboom een hand vol, kook dit in een half pintje wijn tot de helft verkookt is en geef dit in een keer in. Dodonaeus.

Om de maandstonden af te zetten: Neem sap van sevenboom dat met wijn uitgeperst is vier lood, saffraan vier grein, poleiwater vier lood, meng dit tezamen om in twee keer in te nemen, door dit middel zijn dikwijls de opgestopte maandstonden af gedreven. Alexis Pedomontanus.

Om de urine op te houden: Neem een hand vol van sevenboom en kook het in een pintje goede wijn totdat het derde deel verkookt is en laat hiervan vaak een roemertje innemen, dit drijft de urine geweldig af. Dioscorides.

Tegen benauwdheid: Neem van verpoederde sevenboom een vierendeel lood, meng het met honing en neem het in.

Tegen zere hoofden van de kinderen: Neem van verpoederde sevenboom zoveel als nodig is, meng het met room van melk en bestrijk het hoofd daarmee. J. Schroderus.

Tegen wratten en knobbelachtige uitwassen van de schaamdelen: Neem van sevenboom twee handen vol, kook dit in regenwater zoveel als genoeg is en stamp ze hiermee, strooi er daarna verpoederde sevenboom op. Dodonaeus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cypressen-boom, in ít Latijn Cypressus.

 

Geslachten.

Hoe wel er maar eenderhande soorte van dese Boom te vinden is, nochtans wordt in Nederlandt onder de naem van manneken en wijfken onderscheyden, te weten, wanneer hy hoogh op schiet ende nootkens draeght, wordt hy Cypres-manneken, maer indien hy kleyn ende onvruchtbaer blijft, Cypres-wijfken genaemt.

 

Gedaente.

De Cypres-boom heeft een lange, rechte ende spits opgaende stam. De zijde-tacken die veel in ít getal zijn, spreyden haer niet uyt, maer spruyten langhs de middel-stam om hoogh, dese brengen veel dunne korte rijskens te voorschijn, hun selven wederom in anderen kleynder rijskens verdeelende. De bladeren zijn langhwerpig ront, gemaeckt van een gedurige vergaderinge van twee ofte vier aen een ghehechte bladekens langhs de rijskens groeyende, de bladeren van de Tamarisch-boom, ofte vruchtdragende Seven-boom by na uytbeeldende. De Cypres-nootkens hangen van de tacken nederwaerts af, de welcke in sich kleyn, plat ende graeuw zaet bevatten, dese Nootkens rijp geworden zijnde, splijten op veel plaetsen, ende laten als dan het zaet uyt vallen.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden in de Nederlanden tot vercieringh in de Lust-hoven onderhouden. (26)

 

Tijdt.

De bladeren en taxkens van de Cypres-boom blijven het geheele jaer door groen, ende de Vruchten ofte Nootkens worden meestendeel in de Herfst tegen de Winter rijp.

 

Oeffeningh.

De Cypres-boomen werden hier te Lande van zaedt, ít welck uyt Vranckrijck overgesonden wordt, aangeteelt, maer noch jongh zijnde, moetense sorghvuldigh voor de koude des Winters bewaert worden.

 

Aert en Krachten.

Het Cypressen-hout verkoelt, verdrooght ende treckt samen. De bladeren ende vruchten zijn verdroogende tot in den derden graet, trecken geweldigh te samen, doch sonder merckelijcke scherpigheydt ofte warmte, Galenus, Dioscorides.

 

Medicinael gebruyck.

Voor de Droppel-pisse ende alle Vloet van de Blase: Neemt gepulveriseerde Cypres-bladen een half vierendeel loots, Myrrhe 10 greyn, Malveseye soo veel genoegh is, menght dit te samen, om op een reys in te nemen. Dioscorides.

Voor Bloedt-stempingh ende genesingh der versche Wonden: Neemt van de versche Cypressen-bladeren soo veel genoegh is stootse ende leghtse op. Galenus.

Voor Tandt-pijn: Neemt Cypressen-bladeren ofte Nootkens ziedse op in Azijn, de welcke ghy lauw in de mont sult houden. Matthiolus.

Voor pijn van de Voeten: Neemt de bladeren van Cypres-boom een deel, kruym van Witte Broodt twee deelen, maeckt hier van met Wijn een pap, ende slaetse om de plaets alwaer men de pijn gevoelt. Plinius.

Voor Gescheurtheyt: Neemt Cypressen-nootkens, vier loot, koockt dit in een mengelen oude Wijn, tot dat een derden deel versoden is, hier van zult ghy alle dagen twee mael een half mutsjen te drincken geven, ende ondertusschen gestoten Cypres-bladeren op de Breuck leggen. C. Durantus.

Voor alle Buyck-loopen ende Vloeden: Neemt Cypres-nootkens een vierendeel loots, gepulveriseert zijnde geeft het met Wijn in, dit selfde vermagh oock het Water, daer in de voornoemde Nootkens gesoden zijn. Dioscorides.

Voor het Graveel: Neemt van de ghedrooghde schorsse van Cypressen-boomen een half vierendeel loots, fijn gestoten zijnde, geeft het met gedistilleert Wijnruyts-water in. Dodonaeus.

Om de Mage te verstercken ende het Braken te stelpen: Neemt Cypres-nootkens, ziedse op in Olie, met de welcke ghy de Maegh bestrijcken sult, ofte neemt Poeyer van de selve Nootkens, ende maeckt hier van met Was een Maegh-plaester, Dioscorides.

Cipres, in het Latijn Cypressus. (Cupressus sempervirens)

 

Geslachten.

Hoewel er maar een soort van deze boom te vinden is, nochtans wordt het in Nederland onder de naam van mannetje en wijfje onderscheiden, te weten wanneer hij hoog opschiet en nootjes draagt wordt hij cypresmannetje genoemd, maar als hij klein en onvruchtbaar blijft het cypreswijfje.

 

Vorm.

De cypres heeft een lange, rechte en spits opgaande stam. De zijtakken die veel in getal zijn spreiden zich niet uit maar spruiten langs de middenstam omhoog en brengen veel dunne en korte twijgen te voorschijn die zichzelf weer in andere kleinere twijgen verdelen. De bladeren zijn langwerpig rond en gemaakt van een verzameling van twee of vier aaneen gehechte blaadjes die langs de twijgen groeien, ze lijken veel op de bladeren van de Tamarixboom of de vruchtdragende sevenboom. De cypresnootjes hangen van de takken af naar beneden waarin kleine, platte en grauwe zaden zitten. Als deze nootjes rijp geworden zijn splijten ze op veel plaatsen en laten dan het zaad er uit vallen.

 

Plaats.

Deze bomen worden in Nederland tot versiering in de lusthoven onderhouden.

 

 

Tijd.

De bladeren en takjes van de cypres blijven het gehele jaar door groen, de vruchten of nootjes worden meestal in de herfst tegen de winter rijp.

 

Teelt.

De cypresbomen worden hier te lande van zaad dat uit Frankrijk gezonden wordt voortgeteeld, maar als ze nog jong zijn moeten ze zorgvuldig tegen de winterse koude beschermd worden.

 

Aard en krachten.

Het cypressenhout verkoelt, verdroogt en trekt tezamen. De bladeren en vruchten zijn verdrogend tot in de derde graad, trekken geweldig tezamen, maar zonder opmerkelijke scherpheid of warmte, Galenus, Dioscorides.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de druppelplas en alle vloed van de blaas: Neem van verpoederde cypresbladen een half vierendeel lood, myrrhe 10 grein, malvesei zoveel als genoeg is, meng dit tezamen om in een keer in te nemen. Dioscorides.

Tegen bloedstelpen en om verse wonden te genezen: Neem van de verse cypressenbladeren zoveel als genoeg is, stamp ze en leg ze op Galenus.

Tegen tandpijn: Neem cypressenbladeren of nootjes en kook ze in azijn wat ge lauw in de mond zal houden. Matthiolus.

Tegen pijn van de voeten: Neem van de bladeren van cypresboom een deel, kruim van witte brood twee delen, maak hiervan met wijn een pap en sla het om de plaats waar men de pijn voelt. Plinius.

Tegen verscheuring: Neem van cypressennoten vier lood, kook dit in een mengsel oude wijn totdat een derde deel verkookt is, hiervan zal ge alle dagen twee maal een half mutsje te drinken geven en ondertussen gestampte cypresbladeren op de breuk leggen. C. Durantus.

Tegen alle buiklopen en vloeden: Neem van verpoederde cypresnootjes een vierendeel lood en geef het met wijn in, hetzelfde doet ook het water waar de voornoemde nootjes in gekookt zijn. Dioscorides.

Tegen de nierstenen: Neem van de gedroogde schors van cypressenbomen een half vierendeel lood en als het fijn gestampt is geeft het met gedistilleerd wijnruitwater in. Dodonaeus.

Om de maag te versterken en het braken te stoppen: Neem cypresnootjes, kook het in olie waarmee ge de maag bestrijken zal, of neem poeder van dezelfde nootjes en maak hiervan met was een maagpleister, Dioscorides.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boom des Levens, in ít Latijn Arbor Vitae.

 

Gedaente.

De Boom des Levens, van de Vermaerde kruydt-beschrijver Lobel, Ceder-boom van Licie genaemt, wast recht op, met een uyt den rooden zwartachtige schorsse. De bladeren zijn die van den Cypressen-boom niet ongelijck, behalven datse plat, ende gelijck als in een gevoeght zijn. Aen het eynde van de rijskens komen geelachtige bloemkens voort, hier naer volgen schubachtige bollekens, waer in het zaet beslooten is.

 

Plaetse.

Dese Boom is eerst uyt Noort-America over gebracht, ende werdt hier te Lande in de Hoven van de Lief-hebbers gevonden.

 

Tijdt.

De Boom des Levens behoudt wel altijt sijn bladeren, maer in de Wintersche Maenden worden sy vael ofte geelachtigh, nochtans in de Lente verkrijgen sy wederom haer voorgaende groenigheyt.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden van afgebroken tacken die seer haest wortelen schieten, vermenighvuldight, ende daer (27) na in de Maent January op schaduwachtige plaetsen verplant.

 

Aert en Krachten.

Uyt den bitteren smaeck ende stercken reuck van desen Boom kan men bespeuren, dat de selve voor warm ende droogh te achten is, daer by fijn van deelen, verteerende ende af vagende van krachten. Dodonaeus, Clusius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Flerecijn: Neemt gedistilleerde Water van de bladeren van desen Boom, maeckt Ďer doecken in nat, ende slaetse om de voeten, ofte neemt de gedistilleerde Olie van de selve, ende besmeertíer de pijnelijcke plaetsen mede. Camerarius.

Levensboom, in het Latijn Arbor Vitae. (Thuja occidentalis)

Vorm.

De levensboom die door de vermaarde kruidbeschrijver Lobel cederboom uit LyciŽ genoemd wordt groeit rechtop met een uit het rode zwartachtige schors. De bladeren lijken op die van de cypressenboom behalve dat ze plat en als ineen gevoegd zijn. Aan het einde van de twijgen komen geelachtige bloempjes voort, hierna volgen schubachtige bolletjes waarin het zaad in zit.

 

Plaats.

Deze boom is pas uit Noord Amerika over gebracht en wordt hier te lande in de hoven van de liefhebbers gevonden.

 

 

Tijd.

De levensboom behoudt wel altijd zijn bladeren, maar in de winterse maanden worden ze vaal of geelachtig, toch krijgen ze in de lente weer hun voorgaande groenheid.

 

Teelt.

Deze bomen worden van afgebroken takken die zeer snel wortel schieten vermenigvuldigd en daarna in de maand januari op schaduwachtige plaatsen verplant.

 

 

Aard en krachten.

Uit de bittere smaak en sterke reuk van deze boom kan men bespeuren dat die als warm en droog geacht wordt, daarbij fijn van delen, verteert en afvegend van krachten. Dodonaeus, Clusius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen jicht: Neem gedistilleerd water van de bladeren van deze boom en maak er een doekje in nat, sla die om de voeten of neem de gedistilleerde olie ervan en besmeer er de pijnlijke plaatsen mee. Camerarius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boom des Doodts, ofte Iben-boom, in ít Latijn Taxus.

 

Gedaente.

Dese Boom wast op met een recht opgaende stam om hoogh, omtrent de top in eenige zijde-tacken verdeelt, van buyten is hy met een grauwe ende rouwe schorsse bekleedt, inwendigh is het hout selve zwartachtigh van coleur. De zijde-tacken brengen veel ranckens ofte rijskens voort, de welcke met lange, smalle ende doncker-groene bladeren, die veder-wijs tegen den anderen over staen, dicht begroeyt zijn. De bloemkens zijn uyt den geelen grasachtigh van verwe, die aen het onderste gedeelte van de tackens, veel by een vergadert, nederwaerts af hangen. De vruchten zijn schoon-roode ende lanckwerpigh ronde Besien, die van de Kraeck-besien ofte van de Asperges van gedaente seer gelijck.

 

Plaetse.

De Iben-boom werdt in de Hoven onderhouden, ende komt oock in Nederlandt in ít Ardennen-bosch van selfs voort.

 

Tijdt.

Dese Boom blijft des Winters groen, doch in Maert ofte April brenght (28) hy sijn bloemkens te voorschijn, ende verkrijght als dan nieuwe scheuten, de vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Boom des Doodts wordt hier te Lande door zaet, wortel-spruyten ende inleggen vermenighvuldight, men plaetse in Maert in savelachtige Aerde, ende op donckere ofte schaduwachtige plaetsen.

 

Aert en Krachten.

Dese Boom werdt van de oude kruydt-beschrijvers onder de schadelijcke ende vergiftige Gewassen gerekent. Maer in de Nederlanden ende in Engelandt is hy soo hinderlijck, noch sijn schaduwe des menschen soo schadelijck niet. Galenus, Dioscorides, Lobel.

Boom des doods of ibenboom, in het Latijn Taxus. (Taxus baccata)

Vorm.

Deze boom groeit met een recht opgaande stam omhoog die bij de top in enige zijtakken verdeeld is, van buiten is hij met een grauwe en ruwe schors bekleed, inwendig is het hout zelf zwartachtig van kleur. De zijtakken brengen veel ranken of twijgen voort die met lange, smalle en donker groene bladeren bekleed zijn die veervormig tegenover elkaar staan en dicht begroeid. De bloempjes zijn uit het gele grasachtig van kleur die aan het onderste gedeelte van de takken veel bijeen verzameld zijn en naar beneden afhangen. De vruchten zijn mooi rode en langwerpig ronde bessen die op de kraakbessen of die van de asperge van vorm zeer gelijk zijn.

 

 

 

Plaats.

De ibenboom word in de hoven onderhouden en komt ook in Nederland in het Ardennenbos vanzelf voort.

 

Tijd.

Deze boom blijft Ďs winters groen, maar in maart of april brengt het zijn bloemen te voorschijn en krijgt dan nieuwe scheuten, de vruchten worden in de herfst rijp

 

 

Teelt.

De boom des doods wordt hier te lande door zaad, wortelspruiten en afleggers vermenigvuldigd. Men plant ze in maart in zavelachtige aarde en op donkere of schaduwachtige plaatsen.

 

Aard en krachten.

Deze boom wordt door de oude kruidbeschrijvers onder de schadelijke en vergiftige gewassen gerekend. Maar in Nederland en in Engeland is hij zo niet zo hinderlijk en is zijn schaduw de mensen niet zo schadelijk. Galenus, Dioscorides, Lobel.

 

 

Denne ofte Mast-boom, in Ďt Latijn Abies.

 

Gedaente.

De Denne-boom wast in de hooghte recht op, waer van de stam beneden sonder knoopen ende boven gemeenlijck knoopachtigh is. Uyt yeder van dese knoopen ofte leden komen vier tacken, die tegen malkander ofte over staen, ende in de hooghte schuyns opklimmen, te voorschijn, waer uyt wederom kleynder tackens doch maer twee tegen malkanderen aengevoeght, ende nederwaerts af hangende, voort spruyten. De bladeren zijn lanckwerpigh, rondt, ende voor spits ofte scherp. De vruchten die aen het eynde der tacken voort komen bestaen uyt veel sachte tísamen-ghevoeghde schelferingen, waer in kleyne Nootkens beslooten leggen. Uyt de schorsse van de jonge Denne-boomen vloeyt een murwen ende klaren Harst, die van sommigen Veneetschen Tarpentijn genaemt werdt.

 

Plaetse.

Van dese Boomen vindt men in de Nederlanden hier en daer tot cierage Lanen ende Bosschen geplant.

 

Tijdt.

De Mast-boomen behouden haer Lof den geheelen Winter door, ende haer Vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden hier te Lande van zaet, het welck uyt Noorwegen over gesonden wordt, voort geteelt. Dit zaet is water geweeckt zijn de, moet men in een Back ofte op een seer warme plaetse vroegh in de Lente zayen. De eerste Winter wordense voor koude en schrale winden bedeckt, ende daer na in Maert ofte April twee voeten van malkanderen in savelachtige Aerde verplant, dese 4 ofte 5 jaren opgewassen zijnde, verset mense se alwaer men die begeert te hebben.

 

Aert en krachten.

De schorsse ende bladeren van de Denne-boom is verdroogende ende Ďt samen-treckende van aert en krachten. De murwen Harst van dese Boom uytwendigh gebruyckt, verteert, vermurwt, doet scheyden, vaeght af, ende geneest alle versche Quetsuren, inwendigh gebesight maeckt de Buyck weeck, ende drijft de urijn af. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor den Roode Loop: Neemt gedrooghde bladeren van Denne-boomen een vierendeel loots, fijn gestooten zijnde, geeft het roode Wijn ofte gestaelt Water in. Matthiolus.

Voor ontvloeyinge des Zaets: Neemt vierendeel loots van genoemde bladeren, ende laet het met een versch ende weeck gesoden Ey gebruycken. Dodonaeus.

Voor Lever-sucht: Neemt van de bladeren een vierendeel loots, ende neemt het met oude goede Mee in. Dioscorides.

Voor Tandpijn: Neemt Denne-bladeren soo veel genoegh is, zietse op in azijn de welcke ghy in de mont sult houden. Dioscorides.

Voor Enghborstigheyt, Heup-gicht, Graveel ende ontvloeyige des Zaets: Neemt Veneetsche Tarpentijn een loot, een doyer van een Ey, menght dit met Hoender ofte Vleesch-sop soo veel genoegh is, om voor een reys te gebruycken. Dodonaeus.

Voor het uytsincken des Aersdarms: Neemt een planck van dese Boom, maeckt het tegen het vuur heet ende laet de Patient hier eenige tijdt op sitten. Fuchsius.

Voor Koortsen en Scheur-buyck: Neemt (29) van de afgeschaefde bast ofte schorsse twee loot, Orangie-schellen een half loot, bindt het in een sackje, ende hanght het in een mengelen Rinse-wijn, ende drinck hier nuchteren van een goeden dronck.

Den of mastboom, in het Latijn Abies. (Picea abies)

 

Vorm.

De dennenboom groeit in de hoogte rechtop waarvan de stam beneden zonder knopen en boven gewoonlijk knoopachtig is. Uit elk van deze knopen of leden komen vier takken te voorschijn die tegen of over elkaar staan en in de hoogte schuin opklimmen waar uit weer kleinere takken komen, maar die met twee tegenover elkaar gevoegd zijn en naar beneden hangen. De bladeren zijn langwerpig, rond en voor spits of scherp. De vruchten, die aan het einde van de takken voortkomen, bestaan uit veel zachte, tezamen gevoegde schillen waarin kleine nootjes liggen. Uit de schors van de jonge dennenbomen vloeit een murwe en heldere hars die door sommigen Veneetse terpentijn genoemd wordt.

 

 

 

Plaats.

Van deze bomen vindt men ze in Nederland hier en daar tot sieraad van lanen en bossen geplant.

 

 

Tijd.

De mastbomen behouden hun loof de hele winter door en hun vruchten worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden hier te lande van zaad dat uit Noorwegen over gezonden wordt voortgeteeld. Dit zaad wordt in water geweekt en dit moet men in een bak of op een zeer warme plaats vroeg in de lente zaaien. De eerste winter worden ze tegen koude en schrale winden bedekt en daarna in maart of april zestig cm uit elkaar in zavelachtige aarde verplant, als die 4 of 5 jaar gegroeid hebben verplant men ze waar men die hebben wil.

 

 

Aard en krachten.

De schors en bladeren van de dennenboom zijn verdrogend en tezamen trekkend van aard en krachten. De murwe hars van deze boom, uitwendig gebruikt, verteert, vermurwt en laat scheiden, veegt af en geneest alle verse kwetsingen, inwendig gebruikt maakt het de buik week en drijft de urine af. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de rode loop: Neem van de gedroogde bladeren van dennenbomen een vierendeel lood en als ze fijn gestampt zijn geef het met rode wijn of gestaald water in. Matthiolus.

Tegen het lozen van het zaad: Neem vierendeel lood van genoemde bladeren en laat het met een vers en week gekookt ei gebruiken. Dodonaeus.

Tegen leverzucht: Neem van de bladeren een vierendeel lood en neem het met oude, goede mede in. Dioscorides.

Tegen tandpijn: Neem van dennenbladeren zoveel als genoeg is, kook het op in azijn wat ge in de mond zal houden. Dioscorides.

Tegen benauwdheid, heupjicht, nierstenen en zaadvloed: Neem van Veneetse terpentijn een lood, een dooier van een ei en meng dit met hoender- of vleessap zoveel als genoeg is om voor een keer te gebruiken. Dodonaeus.

Tegen het uitzinken van de aarsdarm: Neem een plank van deze boom, maak het tegen het vuur heet en laat de patient hier enige tijd op zitten. Fuchsius.

Tegen koortsen en scheurbuik: Neem van de afgeschaafde bast of schors twee lood, van oranjeschillen een half lood, bindt het in een zakje en hang het in een mengsel zure wijn en drink hier nuchter van een goede dronk.

 

 

Pimper- ofte Blaes-noten, in ít Latijn Nux Vesicaria.

 

Gedaente.

Dit Geboomte wast dickwijls heesterwijs op, het hout is wit, seer hardt ende vast. De schorsse is bleeck groen hier en daer, als een Slangen-huyt, met zwart geplackt. De bladeren gelijcken de Vlier-bladeren seer wel, ense wassen mede vijf in ít getal aen een middel-ribbe gevoeght, nochtans zijnse kleynder als de selve, ende niet soo sterck van reuck. De bloemen die wit zijn, hangen tros-gewijs vier ofte vijf by een, waer na de blaesjens, waer in ghemeenelijck twee kleyne Nootkens leggen, te voorschijn komen. De Nootkens zijn met een harde rosachtige schelle bedeckt, waer in groenachtigh merg beslooten is.

 

Plaetse.

Dese Boomen groeyen op veel plaetsen in ít wilde, ende worden in sommige Provincien van Nederlandt in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De bloemen komen in de Maent May voort, maer de Nootkens werden in Augustus ende September rijp.

 

Oeffeningh.

Dit geboomte wordt van sijn wortel-spruyten aengequeeckt, ende in de Maent February verplant.

 

Aert en Krachten.

Tot Medicijne is dit gewas nergens te gebruyckelijck ofter versocht. Dodonaeus.

Pimper- of blaasnoten, in het Latijn Nux Vesicaria. (Staphylea pinnata)

 

Vorm.

Deze boom groeit vaak heestervormig op. Het hout is wit, zeer hard en vast. De schors is bleek groen en hier en daar als een slangenhuid met zwart gevlekt. De bladeren lijken zeer goed op de vlierbladeren en groeien ook met vijf in het getal aan een middensteel, nochtans zijn ze kleiner dan de vlier en niet zo sterk van reuk. De bloemen zijn wit en hangen trosvormig met vier of vijf bijeen waarna de blaasjes te voorschijn komen waarin gewoonlijk twee kleine nootjes liggen. De nootjes zijn met een harde, rozeachtige schil bedekt waarin groenachtig merg besloten is.

 

Plaats.

Deze bomen groeien op veel plaatsen in het wild en worden in sommige provincies van Nederland in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

De bloemen komen in de maand mei voort, maar de nootjes worden in augustus en september rijp.

 

Teelt.

Deze boompjes worden van hun wortelspruiten voort geteeld en in de maand februari verplant.

 

Aard en krachten.

Als medicijn is dit gewas nergens in gebruik of onderzocht. Dodonaeus.

 

 

Platanus.

 

Gedaente.

Dese Boom werdt seer swaer, ende verspreyt sich door sijn menighvuldige tacken wijt ende breedt uyt. De bladeren zijn seer groot ende op verscheyde plaetsen diep gesneden. De bloemen zijn kleyn ende bleeck van coleur, de vruchten zijn rouwen ende ruygen-bollen, van coleur de groote Klissen gelijck, hangende aen steelkens, de een langer als de ander.

 

Plaetse.

De Platanus werdt in Nederlant alleen in de Hoven van de kruydt-beminners onderhouden.

 

Tijdt.

De bladeren spruyten in de May Maent voort, ende in Augustus bevint men het zaet in rosachtige wolligheydt gewickelt volkomen rijp te zijn.

 

Oeffeningh.

Dese Boom wordt meest door in-leggen vermenighvuldight, ende begeert een vochtige ende warme plaets.

 

Aert en krachten.

De bladeren van de Platanus zijn matelijck vocht-makende ende verkoelende van natuur, maer de schorsse en de vruchten zijn wat meer verdroogende. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ontstekinge ende sinckingen die op de Oogen vallen: Neemt van de malsche ende jonge bladeren van den Platanus een ofte twee handen vol, ziedtse in Wijn ende leghtse op de Oogen. Dioscorides.

Voor Tandt-pijn: Neemt de schorsse van dese boom soo veel van nooden is, koocktse in azijn, de welcke ghy dickwils in de mont sult houden. Matthiolus.

Voor Schurftheyt: Neemt assche van Platanus schorsse gebrandt een loot, Olie van Roosen twee loot, Wasch soo veel van noden is, smelt ende vermenght dit te samen tot een salve. Ravelingius.

Platanus. (Platanus acerifolius)

 

Vorm.

Deze boom wordt zeer zwaar en spreidt zich door zijn vele takken wijd en breed uit. De bladeren zijn zeer groot en op verscheidene plaatsen diep ingesneden. De bloemen zijn klein en bleek van kleur, de vruchten zijn ruwe en ruige bollen, van kleur de grote klis gelijk en hangen aan steeltjes, de een langer dan de ander.

 

Plaats.

De plataan wordt in Nederland alleen in de hoven van de kruidbeminnaars onderhouden.

 

 

Tijd.

De bladeren spruiten in de mei maand voort en in augustus ziet men het zaad dat in rozeachtige wolligheid gewikkeld is volkomen rijp zijn.

 

Teelt.

Deze boom wordt meestal door afleggen vermenigvuldigd en wil een vochtige en warme plaats hebben.

 

Aert en krachten.

De bladeren van de Platanus zijn matig vochtig makend en verkoelend van natuur, maar de schors en de vruchten verdrogen wat meer. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen ontsteking en zinkingen die op de ogen vallen: Neem van de malse en jonge bladeren van de plataan een of twee handen vol, kook ze in wijn en leg ze op de ogen. Dioscorides.

Tegen tandpijn: Neem de schors van deze boom zoveel als nodig is en kook ze in azijn dat ge dikwijls in de mond zal houden. Matthiolus.

Tegen schurft: Neem van de as van de gebrande plataanschors een lood, olie van rozen twee lood, van was zoveel als nodig is, smelt het en vermeng dit tezamen tot een zalf. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Azedarach.

 

Gedaente.

Azedarach wast op tot een groote Boom, bekleet met een effen graeuw-achtige schorsse, alsse jong is, maer rouw ende gerimpelt alsse ouder is, wiens bladeren doncker-groen van verwen zijn, van gedaente die van de Qualster-boom niet ongelijck, maer dieper geschaert ofte gekerft. Uyt de oorspronge der bladeren komen lange steelkens, de paers-achtige welrieckende (30) sterrewijs uytspreydende bloemkens van vijf smalle bladekens gemaeckt, te voorschijn. Daer na volght de vrucht, eerst groen, daer na witachtigh van coleur, de Jijuben van gedaente niet ongelijck, doch onlieflijck van smaeck. In dese vrucht light een harde seshoekige steen beslooten.

 

Plaetse.

Dese Boomen worden van de liefhebbers in de lustige Hoven ende Boomgaerden van Nederlandt geoeffent ende onderhouden.

 

Tijdt.

In ít voor-jaer spruyten de jonge bladeren uyt, de bloemen vertoonen sich in de Somer, ende de vruchten worden laet in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Azederach-boom wordt hier te Lande van zaet, ít geen uyt de Virginjes over-gesonden wordt, aengeteelt.

 

Aert en krachten.

De bloemen van Azederach is warm in den derden graet, ende droogh tot in ít laetste van de eersten, openende de verstoptheden, maer voornamentlijck van de herssenen. Avicenna.

 

Medicinael gebruyck.

Om het Hayr te doen groeyen, ende de Luysen te dooden: Neemt het gedistilleerde water van de bloemen, Wijn van elcks even veel, ende wast het Hooft daer mede. Avicenna.

Azedarach. (Melia azedarach)

Vorm.

Azedarach groeit op tot een grote boom die bekleed is met een effen, grauwachtige schors als ze jong is, maar ruw en gerimpeld als ze ouder is. De bladeren zijn donker groen van kleur en lijken qua vorm op die van de lijsterbes, maar zijn dieper geschaard of gekerfd. Uit de oorsprong van de bladeren komen op lange steeltjes paarsachtige, geurende en stervormig uitgespreide bloempjes te voorschijn die van vijf smalle blaadjes gemaakt zijn. Daarna volgt de vrucht die eerst groen en daarna witachtig van kleur wordt en qua vorm op de jujubes lijkt, maar niet aangenaam van smaak. In deze vrucht ligt een harde, zeshoekige steen besloten.

 

 

Plaats.

Deze bomen worden door de liefhebbers van de lustige hoven en boomgaarden van Nederland gekweekt en onderhouden.

 

Tijd.

In het voorjaar spruiten de jonge bladeren uit, de bloemen vertonen zich in de zomer en de vruchten worden laat in de herfst rijp.

 

Teelt.

De Azederach boom wordt hier te lande van zaad, dat uit VirginiŽ toe gezonden wordt, gekweekt.

 

Aard en krachten.

De bloemen van Azederach zijn warm in de derde graad en droog tot in het laatste van de eerste, opent de verstopping maar voornamelijk van de hersens. Avicenna.

 

Medicinaal gebruik.

Om het haar te laten groeien en de luizen te doden: Neem het gedistilleerde water van de bloemen en wijn, van elk even veel, en was het hoofd daar mee. Avicenna.

 

 

Judas-boom, in ít Latijn Arbor Judae.

 

Gedaente.

Dese seer aerdige Boom schiet somtijts hoog op, andersins blijft hy nederich, mach als dan met recht onder de Heesters gerekent worden. De bladeren zijn geheel ront, die van de Mans-ooren niet ongelijck, maer bleecker groen, ende vol van doorloopende aderkens ofte zenuwen. De bloemen spruyten veel by een uyt de dunne rijskens, die met bruyn-paerssche schorssen overtogen zijn, schoon purper-root ofte oock wel wit van werwe, ende van de gedaente van de gemeene Erwte-bloemen seer gelijck. Na dese volgen de hauwen ofte zaethuyskens, meer dan een vinger breedt en langh, welcke platte hauwen by na doorschijnende, ende van buyten bruyn-root zijn, waer in plat zaedt light, den Linsen niet ongelijck.

 

Plaetse.

De Judas-boom wordt hier te lande alleen in sommige Lusthoven ghevonden.

 

Tijdt.

De bloemen vertoonen sich in ít begin van Maert, waer na de bladeren volgen, ende de hauwen met het zaet worden in de Somer-maenden rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden in Nederlant door het zaet aengewonnen, ende moeten op een warme plaets tegen een muur ofte yets anders geplant zijn.

 

Aert en krachten.

De krachten van dit Boomachtigh gewas is tot noch toe onbekent ende onversocht. Dodonaeus.

Judasboom, in het Latijn Arbor Judae. (Cercis siliquastrum)

Vorm.

Deze zeer aardige boom schiet soms hoog op, anderszins blijft hij nederig en mag dan met recht onder de heesters gerekend worden. De bladeren zijn geheel rond en lijken op die van de mansoren, maar zijn bleker groen en vol van doorlopende aderen of zenuwen. De bloemen spruiten veel bijeen uit de dunne twijgen die met een bruinpaarse schors bedekt zijn, ze zijn mooi purperrood of ook wel wit van kleur en van vorm die van de gewone erwtenbloemen zeer gelijk. Hierna volgen de hauwen of zaadhuisjes die meer dan een vinger breed en lang zijn, wiens platte hauwen bijna doorzichtig en van buiten bruinrood zijn waarin plat zaad ligt dat op die van de lens lijkt.

 

 

Plaats.

De Judasboom wordt hier te lande alleen in sommige lusthoven gevonden.

 

Tijd.

De bloemen vertonen zich in het begin van maart waarna de bladeren volgen, de hauwen met het zaad worden in de zomermaanden rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden in Nederland door het zaad aangewonnen en moeten op een warme plaats tegen een muur of iets anders geplant worden.

 

Aard en krachten.

De krachten van dit boomachtig gewas zijn tot noch toe onbekend en niet onderzocht. Dodonaeus.

 

 

Viurna van de Francoysen.

 

Gedaente.

De Struycken van dit Heester-achtig gewas zijn seer tay, ende met een witachtige schorsse bedeckt. De bladeren die uyt yeder lidt twee tegen malkander over spruyten zijn groot, breedt, rontom wat geschaert, de Elsen-bladers seer wel gelijckende, maer grijs-achtigh ende sacht in ít aentasten. De witte bloemkens wassen tros-wijs by een, hier na volgen platte ende lanckwerpige Besien, de welcke eerst groen, daer na root, ende eyndelijck rijp geworden zwart zijn. De wortelen sincken niet diep, maer verspreyden sich wijdt en breedt langhs de Risch der Aerde.

 

Plaetse.

Dit Gewas wordt in Nederlant in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

In de Lente spruyten de bladeren uyt. In de Somer brengt het sijn bloemen voort, ende omtrent de Herfst worden de Besien rijp.

 

Oeffeningh.

Dit Boom-gewas wordt door sijn wortel-spruyten, die in groote menighte opwassen, voort geset, ende in de Maent February ofte Maert verplant.

 

Aert en Krachten.

De bladeren ende besien van de Viurna zijn verkoelende ende verdroogende van aert, ende daer by t'samentreckende van krachten. Dodonaeus, Lobel

 

Medicinael gebruyck

Voor ontstekinge ende geswel der Amandelen ende des Keels: Neemt van de bladeren een hant vol, van de besien een halve hant vol, koockt dit in wrange ofte suure Wijn, Garsten-water van elcks een half pint, tot dat een derden deel versoden is, ende gorgelt daer mede. Dodonaeus.

Om het Hayr swart te maken: Neemt de bladeren ende besien van Viurna, ende koocktse in Looge ende wascht het Hayr hier mede. Dodonaeus.

Om alderhande Buyck-loopen, Bloedt-gangen ende Vloeden te stelpen: Neemt van de onrijpe ende fijn ghestooten besien een vierendeel loots, ende geeft dit met roode Wijn in. Dodonaeus.

Viurna van de Fransen. (Viburnum lantana)

 

Vorm.

De stengels van dit heesterachtig gewas zijn zeer taai en met een witachtige schors bedekt. De bladeren die uit elk lid twee tegenover elkaar uitspruiten zijn groot, breed en rondom wat geschaard, ze lijken zeer veel op de elzenbladeren maar zijn grijsachtig en zacht in het aanvoelen. De witte bloempjes groeien trosgewijze bijeen, hierna volgen platte en langwerpige bessen die eerst groen, daarna rood en eindelijk als ze rijp worden zwart zijn. De wortels zinken niet diep, maar verspreiden zich wijd en zijd langs de oppervlakte van de aarde uit.

 

Plaats.

Dit gewas wordt in Nederland in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

In de lente spruiten de bladeren uit. In de zomer brengt het zijn bloemen voort en omtrent de herfst worden de bessen rijp.

 

Teelt.

Dit boomgewas wordt door zijn wortelscheuten die in grote hoeveelheid groeien voortgeteeld en in de maand februari of maart verplant.

 

Aard en krachten.

De bladeren en bessen van de Viorna zijn verkoelend en verdrogend van aard en daarbij tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus, Lobel

 

Medicinaal gebruik.

Tegen ontsteking en gezwollen amandelen en de keel: Neem van de bladeren een hand vol, van de bessen een halve hand vol en kook dit in wrange of zure wijn en gerstewater, van elk een half pint totdat een derde deel verkookt is en gorgel daar mee. Dodonaeus.

Om het haar zwart te maken: Neem de bladeren en bessen van Viorna en kook ze in loog en was het haar hier mee. Dodonaeus.

Om allerhande buiklopen, bloedgang en vloeden te stelpen: Neem van de onrijpe en fijn gestampte bessen een vierendeel lood en geef dit met rode wijn in. Dodonaeus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kapper-boom, in ít Latijn Capparis.

 

Geslachten.

De Kapper-boom onderscheydt den nauwkeurigen kruydt-beschrijver Lobel in twee soorten, de eene met botte en díander met spitse bladeren.

 

Gedaente.

De Kapper-boom wordt onder de heesters gerekent, om dat hy hem sonder steunsel niet oprichten kan. De tacken zijn met scherpe ende kromme doornen beset. De bladeren zijn ront, breedt, voor bot ofte spits toeloopende. Omtrent de oorsprongh der bladeren komen kleyne knopkens, die men Kappers noemt, op lange steelkens te voorschijn, uyt de welcke daer (32) na witte bloemen, die van de Que-appels, doch kleynder, niet ongelijck. Het kleyn ende rosch zaet groeyt in lanckwerpige vruchten ofte bollekens. De wortel is met een witachtige schorsse bedeckt.

 

Plaetse.

In de Nederlanden siet men nergens geen Kappers groeyen, dan alleen in de hoven van curieuse Lief-hebbers.

 

Tijd.

Dit Boomachtigh gewas draegt sijn bloemen tot diep in de Somer, maer de knopkens moeten, eerse open-gaen, vergadert ende bewaert worden.

 

Oeffeningh.

De Kapper-boom wordt van oploopen ofte wortel-spruyten aengewonnen, in potten geplant, ende voor de koude des Winters nauw bewaert.

 

Aert en Krachten.

De Kappers zijn warm van aert, verwecken appetijt, door diense de taye slijm, die in de Maeg leght, scheyden ende verteeren, openen de verstoptheden van Lever en Milt. Dodonaeus.

De schorsse van de wortels, die meest van de Genees-meesters gebruyckt wordt, verwarmt ende verdrooght, doet scheyden, opent, vaeght af, ende treckt een weynigh te samen. Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verharde ofte verstopte Milt: Neemt schorsse van Kapper-wortelen vier loot, koockt dit in genoeghsaem Water tot een pint, door gezegen zijnde, doetíer ses loot Syroop van Azijn by, ende geeft hier twee ofte driemael daegs een roemerken vol van te drincken, uytwendigh besmeert de lincker-zijde met Olie van Kappers. Dodonaeus.

Voor Klieren ende harde geswellen aen den Hals: Neemt de groene bladeren ende schorsse van de wortelen, stootse te samen ende leghtse op. Dioscorides.

Voor Wormen in de Ooren: Neemt het sap uyt de versche bladeren geparst, ende druypt het in de Ooren. Dioscorides, Galenus.

Voor Lammigheyt, ende die sich van binnen beseert hebben: Neemt gepulveriseerde schorsse van de wortelen een vierendeel loots, ende geeft het met Wijn ofte Bier in. Ravelingius.

Kapperboom, in het Latijn Capparis. (Capparis spinosa)

Geslachten.

De kapperboom onderscheidt de nauwkeurige kruidbeschrijver Lobel in twee soorten, de ene met botte en de andere met spitse bladeren.

 

Vorm.

De kapperboom wordt onder de heesters gerekend omdat hij zich zonder steun niet oprichten kan. De takken zijn met scherpe en kromme dorens bezet. De bladeren zijn rond en breed, voor bot of lopen spits toe. Omtrent de oorsprong van de bladeren komen kleine knopjes die men kappers noemt op lange steeltjes te voorschijn waaruit daarna witte bloemen volgen die op die van de kweeappel lijken, maar kleiner zijn. Het kleine en roze zaad groeit in langwerpige vruchten of bolletjes. De wortel is met een witachtige schors bedekt.

 

 

 

Plaats.

In Nederland ziet men nergens kappers groeien dan alleen in de hoven van curieuze liefhebbers.

 

Tijd.

Dit boomachtig gewas draag zijn bloemen tot diep in de zomer, maar de knoppen moeten voor ze open gaan verzameld en bewaard worden.

 

Teelt.

De kapperboom wordt van uitlopers of wortelspruiten voort geteeld, in potten geplant en tegen de kou van de winter zeer goed beschermd.

 

Aard en krachten.

De kappers zijn warm van aard, verwekken appetijt doordat ze het taaie slijm dat in de maag ligt scheiden en verteren, ze openen de verstopping van lever en milt. Dodonaeus.

De schors van de wortel die meestal door de geneesmeesters gebruikt wordt verwarmt en verdroogt, laat scheiden en opent, veegt af en trekt wat tezamen. Schroderus.

 

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verharde of verstopte milt: Neem van de schors van kapperwortels vier loot, kook dit in voldoende water tot een pint en als dit doorgezeefd is doe er zes lood siroop van azijn bij en geef hier twee of driemaal per dag een roemertje vol van te drinken. Uitwendig besmeert men de linkerzijde met olie van kappers. Dodonaeus.

Tegen klieren en harde gezwellen aan de hals: Neem de groene bladeren en schors van de wortels, stamp ze tezamen en leg ze op. Dioscorides.

Tegen wormen in de oren: Neem het sap dat uit de verse bladeren geperst is en druip het in de oren. Dioscorides, Galenus.

Tegen lamheid en die zich van binnen bezeerd hebben: Neem van de verpoederde schors van de wortels een vierendeel lood en geef het met wijn of bier in. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tamarisch-boom, in ít Latijn Tamariscus.

 

Geslachten.

Van dese Boom zijn de volgende soorten: France ofte Languedockse Tamarisch, Duytsche Tamarisch-boom, Hollantse Zee Tamarisch van Clusius.

 

Gedaente.

De France Tamarisch-boom wast op omtrent een Mans lengte in de hooghte, wiens stam niet heel dick is, met een rouwe schorsse bekleet, uyt de welcke veel zijde-tackskens voort spruyten, die met een effen ende bruyn-achtige schorsse omvat zijn. De bladeren zijn kleyn, asch verwigh, rondt, die van de Cypres-boom ofte gemeene leege Heyde niet ongelijck, hy draeght kleyne ronde ende lijf verwige bloemkens, waer na de beskens ofte spitse huyskens (33) volgen, in de welcke volgens getuygenisse van Lobel een wormken beslooten leyt

De Duytse Tamarisch-boom blijft veel leger als de voorgaende, wolachtige ende purpen-verwige bloemen, van groote ende gedaente die van de gemeene Lampsana gelijck, voort brengende, die met het zaet verstuyven

De Hollantsche Tamarisch van Clusius is anders niet dan een seer teer struycksken, niet veel langer als een vinger, in korte tackskens verdeelt, de gedaente van heyde hebbende, ende aen de Schelpen van de Oesters ofte Mosselen vast groeyende.

 

Plaetse.

De Tamarisch-boom bloeyt van May of de geheel Somer door.

 

Oeffeningh.

Deze Boomen worden van wortel-spruyten aengeteelt, en begeert in een vochtige ende gruys-achtige Gront geplant te zijn.

 

Aert en Krachten.

De Tamarisch-boom verwarmt en verdrooght tot in den tweeden graet, opent, vaeght af, maeckt dun ende treckt een weynigh te samen. Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verherde ende verstopte Milt: Neemt bladeren ofte jonge scheutkens van dese Boom twee handen vol, koockt die in Wijn tot een pint, en laet hier dickwils van drincken, andere nemen teere bladekens en de jonge scheuten een hant vol, en parssen met Wijn het sap daer uyt, ít welck sy in geven. Dioscorides.

Lobel betuyght oock dat tot die eynde in Italien kroesen ende koppen om uyt te drincken gemaeckt werden.

Voor Schurftheyd ende de swart aengebrande Gal te bedwingen: Neemt schorsse van Tamarisch-wortelen vier loot, lange Rosijnen daer de steen uyt gedaen zijn drie loot, koockt dit te samen in Water tot anderhalf pint, doet Ďby vier loot Syroop van Fumarie ofte Eert-rook, ende laet hier twee ofte mael des daeghs van drincken. Schroderus.

Om Luysen te dooden ende te verdrijven: Maeckt een Loge van assche van Tamarisch-hout, ende wascht u daer mede. Ravelingius.

Voor ít Graveel ende den Urijn af te drijven: Neemt van de bloemen ende bladeren soo veel genoegh is, koockt het in water ende laet hier van een tijdt langh drincken. C. Durantus.

Tamarix, in het Latijn Tamariscus. (Tamarix gallica, de Duitse Myricaria germanica en Salicornia)

Geslachten.

Van deze boom zijn de volgende soorten: Franse of Languedock Tamarix, Duitse tamarisboom, Hollandse zeetamarix van Clusius.

 

Vorm.

De Franse Tamarix groeit op tot ongeveer een mans lengte in de hoogte, wiens stam niet zo dik is en met een ruwe schors bekleed waaruit veel zijtakjes voort spruiten die met een effen en bruinachtige schors bekleed zijn. De bladeren zijn klein, askleurig en rond, ze lijken op die van de cypres of de gewone lage heide. Hij draagt kleine ronde en vleeskleurige bloempjes waarna de besjes of spitse huisjes volgen waarin volgens getuigenis van Lobel een wormpje zit

De Duitse tamaris blijft veel lager dan het voorgaande, heeft wolachtige en purperkleurige bloemen die van grootte en vorm op die van de gewone Lampsana lijken en met het zaad weg vliegen

De Hollandse tamaris van Clusius is niet anders dan een zeer teer struikje die niet veel langer is dan een vinger en in korte takjes verdeeld is die de vorm van heide heeft en aan de schelpen van de oesters of mossels vast groeit.

 

 

Plaats.

Tamarix bloeit van mei of de gehele zomer door.

 

Teelt.

Deze boom wordt door wortelspruiten voortgeteeld en wil in een vochtige en kiezelachtige grond geplant worden.

 

Aard en krachten.

Tamarix verwarmt en verdroogt tot in de tweede graad, opent, veegt af, maakt dun en trekt een weinig tezamen. Matthiolus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verharde en verstopte milt: Neem van de bladeren of jonge scheutjes van deze boom twee handen vol, kook die in wijn tot een pint en laat hiervan dikwijls drinken. Anderen nemen van de tere blaadjes en de jonge scheuten een hand vol, persen met wijn het sap daar uit wat ze ingeven. Dioscorides.

Lobel getuigt ook dat tot dat doel in ItaliŽ kroezen en koppen (uit dit hout) om uit te drinken gemaakt worden.

Tegen schurft en om zwarte aangebrande gal te bedwingen: Neem van de schors van Tamarixwortels vier lood, lange rozijnen waar de steen uit gedaan is drie lood, kook dit tezamen in water tot anderhalf pint, doe er vier lood siroop van Fumaria of aardrook bij en laat hiervan twee maal per dag drinken. Schroderus.

Om luizen te doden en te verdrijven: Maak een loog van de as van Tamarixhout en was u daar mee. Ravelingius.

Tegen de nierstenen en om de urine af te drijven: Neem van de bloemen en bladeren zoveel als genoeg is, kook het in water en laat hiervan een tijd lang drinken. C. Durantus.

 

 

Smack-ofte Sumach-boom, in Latijn Rus, Sumach.

 

Gedaente.

Dit Boom-gewas schiet op tot een tamelijck hoogh Boomken, Ďt welck in verscheyde zijde tacxkens verdeelt is. De bladeren zijn langhwerpig, breetachtigh, rontom de kanten saegh-wijs geschaert, ende staen negen ofte elf aen een rootachtige middel-ribben gevoeght. De bladeren ende tacken zijn met een hayrige ruyghte bekleet.

De witte bloemkens komen tusschen de bladeren aen lange steelkens tros-wijs te voorschijn, de welcke van kleyne ronde besien, plat zaet in zich besluytende, gevolght worden. De wortel kruypt langhs het opperste der Aerde.

 

Plaetse.

Hier te lande wordt het alleen in sommige Hoven gevonden.

 

Tijdt.

Het bloeyt in July, maer het zaet wordt in dese koude Landen selden rijp.

 

Oeffeningh.

Het wort van vreemt zaet in savelachtige Aerde gezaeyt, voort geteelt, ende moet op een wel ter Sonne gelegen Plaetse geplant zijn.

 

Aert en Krachten.

De Sumach is verkoelende in den tweeden graet, ende daerom sterckelijck Ďtsamen-treckende van krachten. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor alderhande Buyck-lopen, ende Vrouwelijcke Vloeden: Bereydt een afsiedsel van de bladeren ofte het zaet in Wijn ofte Water, ende laet (34) hier van drincken, ende bereydt van de selve een Badt, waer in de Siecken eenige tijdt sitten sal. Dodonaeus, Matthiolus.

Voor Speenen: Neemt Sumach-zaedt, Eycken koolen van elcks even veel, stoot het tot een fijn Poeyer, ende stroy het op. Ravelingius.

Om het Hayr swart te maken: Bereydt een afziedsel van de bladeren, ende wascht het Hooft daer mede. Dodonaeus.

Voor vuyl Tandt-vleesch ende losse Tanden: Wascht de Mont met het afziedsel van de bladeren ofte het zaet bereyt. C. Durantus.

Voor de Vijt aan de Vingers: Neemt de gestooten bladeren, met Azijn ende Honingh vermenght, ende leght het daer op. Dodonaeus.

Voor Bloet-spouwen: Neemt Sumach-zaet 40 greyn, Arabische Gom 20 greyn, maeckt hier van met Roosen-water Pillen, om op een reys in te nemen. Ravelingius.

Smack of Sumachboom, in Latijn Rus, sumach.(Rhus coriaria)

 

Vorm.

Dit boomgewas schiet op tot een tamelijk hoog boompje dat in verscheidene zijtakken verdeeld is. De bladeren zijn langwerpig, breedachtig en rondom de kanten zaagsgewijs geschaard en met negen of elf aan een roodachtige middensteel gevoegd zijn. De bladeren en takken zijn met een harige ruigheid bekleed.

De witte bloempjes komen tussen de bladeren aan lange steeltjes trosgewijze te voorschijn die gevolgd worden door kleine, ronde bessen waarin plat zaad ligt. De wortel kruipt langs het opperste van de aarde.

 

Plaats.

Hier te lande wordt het alleen in sommige hoven gevonden.

 

Tijd.

Het bloeit in juli, maar het zaad wordt in deze koude landen zelden rijp.

 

Teelt.

Het wordt van vreemd zaad in zavelachtige aarde gezaaid en voort geteeld, het moet op een goed in de zon staande plaats geplant worden.

 

Aard en krachten.

Sumach is verkoelend in de tweede graad en daarom sterk tezamen trekkend van krachten. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen allerhande buiklopen en vrouwelijke vloeden: Maak een afkooksel van de bladeren of de zaden in wijn of water en laat hiervan drinken, maak van hetzelfde een bad waarin de zieke enige tijd in zitten zal. Dodonaeus, Matthiolus.

Tegen aambeien: Neem sumachzaad, eikenkolen en van elk even veel, stamp het tot een fijn poeder en strooi het erop. Ravelingius.

Om het haar zwart te maken: Maak een afkooksel van de bladeren en was het hoofd daar mee. Dodonaeus.

Tegen vuil tandvlees en losse tanden: Was de mond met het afkooksel van de bladeren of dat van het zaad gemaakt is. C. Durantus.

Tegen fijt aan de vingers: Neem de gestampte bladeren dat met azijn en honing vermengd is en leg het daar op. Dodonaeus.

Tegen bloedspuwen: Neem 40 grein sumachzaad, van Arabische gom 20 grein en maak hiervan met rozenwater pillen die in een keer ingenomen worden. Ravelingius.

 

 

Sorben-boom, in ít Latijn Sorbus.

 

Gedaente.

De stam van dese Boom schiet recht ende hoogh op, is in veel tacken ghedeelt, ende met een bruyne effene schorsse bekleet. De bladeren zijn die van de Haver-esschen ofte Qualster-boom seer gelijck. De kleyne witte bloemkens komen tros- ofte druyf-wijs te voorschijn, ende daer na volgen bleecke, ronde, ofte paers-wijse vruchten, die wat wrangh van smaeck zijn.

 

Plaetse.

Dese Boom wordt hier te Lande in de Hoven gevonden.

 

Tijdt.

De Sorben-boom bloeyt in April, maer de vruchten worden voor de Herfst niet rijp.

 

Oeffeningh.

Hy wordt door sijn wortel-spruyten aengeteelt, ende op de selve ofte op Doornen, Que-Appel, ofte Peer-boomen verent.

 

Aert en Krachten.

De Sorben zijn kout in den eersten, ende droogh in den derden graet, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. Sy komen in wercking ende gebruyck met de Mispelen eenighsins over een. Brunfelsius, Ravelingius.

Sorbenboom, in het Latijn Sorbus. (Sorbus aria)

 

Vorm.

De stam van deze boom schiet recht en hoog op en is in veel takken gedeeld en met een bruine, effen schors bekleed. De bladeren zijn die van de onechte es of lijsterbes zeer gelijk. De kleine witte bloempjes komen tros- of druifgewijs te voorschijn en daarna volgen bleke, ronde of paarsachtige vruchten die wat wrang van smaak zijn.

 

Plaats.

Deze boom wordt hier te lande in de hoven gevonden.

 

Tijd.

De sorbenboom bloeit in april, maar de vruchten worden voor de herfst niet rijp.

 

Teelt.

Hij wordt door zijn wortelspruiten voortgeteeld en op dezelfde of op doren, kweeappel of perenboom geŽnt.

 

Aard en krachten.

De sorben zijn koud in de eerste en droog in de derde graad en sterk tezamen trekkend van krachten. Ze komen in werking en gebruik met de mispel enigszins overeen. Brunfelsius, Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Myrten-boom, in ít Latijn Myrtus.

 

Geslachten.

Na de verscheydenheydt der bladeren wordt den eenen grooten ofte groven Myrthus, ende den anderen kleyne ofte edelen Myrthus genaemt. Lobel heeft in de Hoven van Nederlandt 10 soorten van Myrthus gepluckt, waer van de 6 specien van groote Myrthus, ende de 4 anderen van kleyne Myrthus waren.

 

Gedaente.

De Myrrhe-boom is een Heesterachtigh gewas, somtijdts door oeffeningh als een boomken opschietende, wiens tacken buyghsaem ofte tay, ende met een doncker-rootachtige bast bedeckt zijn. De (35) bladeren, die aen de eene soort groot ende aen díander kleyn voort spruyten, zijn wat breedtachtigh ende boven spits toeloopende, effen ende blinckende, den bladeren van Maeghde-palm seer wel gelijckende. Tusschen de bladeren komen de witte bloemen, met witte draedkens van binnen verciert te voorschijn. De vruchten zijn zwarte besien, die van de Klim-op gelijck, waer in het zaet beslooten is.

 

Plaetse.

Dese Boomen worden in de Nederlanden, als oock in andere koude gewesten alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Myrrhe-boom bloeyt hier te lande seer spade, ende sijn vruchten komen selden tot volkomen rijpigheyt.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden van afgescheurde tacken, die onder een weynigh gekneust, ende in tobbens in savelachtige Aerde geplant zijn, vermenighvuldigt, hoewelse oock hier de lande van vreemt Zaedt voort gekomen zijn. Sy moeten by Somer tijdt voor de Noorden-wint, ende des Winters voor koude ende Vorst sorghvuldigh bewaert worden.

 

Aert en Krachten.

De bladeren ende de besien van de Myrrhe-boom zijn kout in den eersten ende droogh in den derden graet, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Bloet-spouwen ofte Bloet-pissen: Neemt Myrrhen-besien een vierendeel loots, fijn gestooten zijnde, geeft se met gestaelt Water in. Dioscorides.

Voor sweeringe der Nieren en Blase: Hier tegen gebruyckt de besien op de selfde manier, als voor het Bloet-spouwen ofte Bloet-pissen geseyt is. Dodonaeus.

Voor sweeringe ende quade zeeren van uytwendige Leden: Neemt Myrthen-besien ende bladeren, koocktse in Wijn ende wascht de zweeren ende zeeren hier mede. C. Durantus.

Voor de Roode Loop: Neemt Myrthen-besien ende bladeren van elcks een handt vol, koocktse in gestaelt Water tot een pint, menght hier by ses loots Syroop van Myrthen-besien, ende geeft den siecken hier van te drincken. Matthiolus.

Voor het uytsincken des Lijfs-moeders: Gebruyckt het water daer Myrthen-bladeren ende Besien in gesoden tot een stoving. Dioscorides.

Mirt, in het Latijn Myrtus. (Myrtus communis, met de grootbladige var.)

 

Geslachten.

Naar de verschillen in de bladeren wordt de ene grote of grove Myrthus en de andere kleine of edele Myrthus genoemd. Lobel heeft in de hoven van Nederland 10 soorten van Myrthus geplukt waarvan 6 vormen van de grote Myrthus en de 4 andere van kleine Myrthus waren.

 

Vorm.

De mirreboom is een heesterachtig gewas die soms door teeltwijze als een boompje opschiet, wiens takken buigzaam of taai en met een donker roodachtige bast bedekt zijn. De bladeren, die aan de ene soort groot en aan de andere klein zijn, zijn wat breedachtig en lopen boven spits toe, effen en blinkend die zeer goed op de bladeren van de maagdenpalm lijken. Tussen de bladeren komen de witte bloemen die met witte meeldraadjes van binnen versiert zijn te voorschijn. De vruchten zijn zwarte bessen die gelijk zijn als die van de klimop waarin het zaad zit.

 

Plaats.

Deze bomen worden in Nederland, als ook in andere koude gewesten, alleen in de hoven onderhouden.

 

 

Tijd.

De mirreboom bloeit hier te lande zeer laat en zijn vruchten komen zelden tot volkomen rijpheid.

 

Teelt.

Deze bomen worden van afgescheurde takken vermeerderd die van onder wat verwond zijn en in tobben in zavelachtige aarde geplant hoewel ze ook hier de lande van vreemd zaad kunnen voort komen. Ze moeten in de zomertijd tegen de noordenwind en ís winters tegen koude en vorst zeer goed beschermd worden.

 

Aard en krachten.

De bladeren en de bessen van de mirreboom zijn koud in de eerste en droog in de derde graad en sterk tezamen trekkend van krachten. Matthiolus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen bloedspuwen of bloedplassen: Neem van mirte bessen een vierendeel lood die fijn gestampt worden en met gestaald water ingegeven worden. Dioscorides.

Tegen zweren van de nieren en blaas: Hiertegen gebruikt men de bessen op dezelfde manier als voor het bloedspuwen of bloedplassen gezegd is. Dodonaeus.

Tegen zweren en kwade zeren van uitwendige leden: Neem mirte bessen en bladeren, kook ze in wijn en was de zweren en zeren hier mee. C. Durantus.

Tegen rode loop: Neem mirte bessen en bladeren, van elk een hand vol en kook ze in gestaald water tot een pint, meng hierbij zes lood siroop van mirte bessen en geef de zieke hiervan te drinken. Matthiolus.

Tegen het uitzinken van de baarmoeder: Gebruik het water waar mirte bladeren en bessen in gekookt zijn als een stoving. Dioscorides.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kuysch-boom, in ít Latijn Agnus Castus.

 

Geslachten.

Hier van vint men in de Hoven van Nederlandt drie soorten: de eerste is boomachtigh met witachtige ofte bleeckpaersse bloemen, de tweede blijft leger met bruyn-paerssche bloemen, maer de bladeren zijn witter ende ruyger als de voorgaende, de derde is de leege soorte wel gelijck van groote, maer heeft breeder en om de kant gekerfde bladeren, die oock veel groender zijn. (36)

 

Gedaente.

Dit Boom-gewas heeft veel taye ende lanckwerpige tacken, waer aen de bladeren een vinger lanck zijnde, op een steelken seven by een wassen, waer van de middelste grooter ende langer is als de anderen. De bloemen groeyen op ít opperste van de tackens in verscheyde knoopen ofte bosjens verdeelt, van coleur bleeck-paers ofte oock witachtigh. De zaden zijn ront, ende vergelijcken sich in groote met Coliander-zaet. De andere soorten komen lichtelijck door de boven-verhaelde onderscheydt bekent worden.

 

Plaetse.

De Kuysch-boom werdt in Nederlandt alleen van de Lief-hebbers in de kruydt-hoven onderhouden.

 

Tijdt.

Dit gewas brenght hier te Lande niet voor Augustus sijn bloemen te voorschijn.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden in backen geplant ende aengequeeckt, sy moeten op een warme plaetse gestelt, des Somers wel begoten ende des Winters voor de koude wel bewaert zijn.

 

Aert en Krachten.

Galenus stelt dese tackachtige plant warm ende droogh te zijn in den derden graet. Avicenna seyt dat dit gewas maer warm is in den eersten, ende droogh in den tweeden graet, doet de winden scheyden, verweckt de Maent-stonden, ende opent de verstopte Milt en Lever.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verstopte ende verherde Lever ende Milt, Water-sucht ende winden in de Maegh, Darmen ofte Lijf-moeder beslooten te doen scheyden: Neemt Agnus-Castus-zaet een vierendeel loots, ende laet dit met Wijn in nemen. Dioscorides.

Voor opgestopte Maent-stonden, ontvloeyinge des zaets, ende om de melck in de Vrouwen-Borsten te Vermeerderen: Het zaet op de voor-verhaelde manier gebruyckt is daer toe dienstigh. Dioscorides.

Voor verstoptheydt- verhertheyt, ende sweeringe van de Lijf-moeder: Neemt het zaet ende bladeren van de Kuysch-boom soo veel genoegh is, ende bereydt met water een Badt daervan, waer in de patient eenige tijdt sitten moet. Dodonaeus.

Voor swellinge van de Mannelijcke Leden: Neemt de bladeren van dit gewas, Wijngaerts-bladeren van elcks twee handen vol, fruytse in versche Boter, ende slaetse pap-wijs om het Gemacht. Dodonaeus, Dioscorides.

Voor de koude Pisse: Neemt van de bladeren twee handen vol, koocktse in Water ende Wijn tot een pint, geeft hiervan te drincken, ende slaet het kruydt warm om het Gemacht. Ravelingius.

Kuisboom, in het Latijn Agnus Castus. (Vitex agnus-castus)

Geslachten.

Hiervan vindt men in de hoven van Nederland drie soorten: de eerste is boomachtig met witachtige of bleek paarse bloemen, de tweede blijft lager met bruinpaarse bloemen, maar de bladeren zijn witter en ruiger dan het voorgaande, de derde is de lage soort die wel gelijk van grootte is, maar bredere en om de kant gekerfde bladeren heeft die ook veel groener zijn.

 

Vorm.

Dit boomgewas heeft veel taaie en langwerpige takken waaraan de bladeren een vinger lang zijn en op een steeltje met zeven bij elkaar groeien waarvan de middelste groter en langer is dan de anderen. De bloemen groeien op het opperste van de takjes die in verscheidene knopen of bosjes verdeeld zijn en van kleur bleek paars of ook witachtig. De zaden zijn rond en vergelijken zich in grootte met korianderzaad. De andere soorten kunnen gemakkelijk door de boven verhaalde verschillen herkend worden.

 

 

Plaats.

De kuisboom wordt in Nederland alleen door de liefhebbers in de kruidhoven onderhouden.

 

 

Tijd.

Dit gewas brengt hier te lande niet voor augustus zijn bloemen te voorschijn.

 

Teelt.

Deze bomen worden in bakken geplant en voort geteeld, ze moeten op een warme plaats gezet worden, in de zon staan en Ďs winters goed tegen de koude beschermd zijn.

 

Aard en krachten.

Galenus stelt dat deze takachtige plant warm en droog is in de derde graad. Avicenna zegt dat dit gewas maar warm is in de eerste en droog in de tweede graad. Het laat de winden scheiden, verwekt de maandstonden en opent de verstopte milt en lever.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verstopte en verharde lever en milt, waterzucht en om winden die in de maag, darmen of baarmoeder opgesloten zijn te laten scheiden: Neem van Agnus-Castus zaad een vierendeel lood en laat dit met wijn in nemen. Dioscorides.

Tegen opgestopte maandstonden, ontvloeien van zaad en om de melk in de vrouwenborsten te vermeerderen: Het zaad op de voor verhaalde manier gebruiken is daar toe dienstig. Dioscorides.

Tegen verstopping, verharding en zweren van de baarmoeder: Neem van het zaad en bladeren van de kuisboom zoveel als genoeg is en maak daar met water een bad van waarin de patiŽnt enige tijd zitten moet. Dodonaeus.

Tegen zwelling van de mannelijke leden: Neem de bladeren van dit gewas en druivenbladeren, van elk twee handen vol, fruit ze in verse boter en sla het papgewijze om het geslacht. Dodonaeus, Dioscorides.

Tegen de koude plas: Neem van de bladeren twee handen vol, kook ze in water en wijn tot een pint en geef hier van te drinken en sla het kruid warm om het geslacht. Ravelingius.

 

 

Mont-hout, in ít Latijn Ligustrum.

 

Gedaente.

Dese boomachtige Heester is met lanckachtige, sachte ende doncker-groene bladeren bewassen, de bladeren van de Maeghde-palm hoewelse langer zijn, niet ongelijck. Aen de toppen van de rijskens komen witte wel-rieckende bloemen, troswijs als de speensel van Druyven te voorschijn, hier op volgen besien die eerst groen, ende rijp geworden zwart zijn, in sich behoudende een bruyn-root ofte paersachtigh sap.

 

Plaetse.

Dit Gewas wordt meest in de Lust-hoven van Nederlandt aen Heggen ende Prieelen geplant, gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren spruyten in het begin van de Lente uyt, de bloemen in het laetste van May ofte begin van Juny, ende de besien worden laet in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Ligustrum wort door sijn zaet hier te Lande vermenighvuldight, ende in santachtige Aerde ghezaeydt, daer na twee ofte drie jaren out geworden, plant men het op een vochte gront.

 

Aert en Krachten.

De bladeren van Mont-hout zijn kout ende droogh van aert, ende tísamen-treckende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ontstekinge, swellinge ende puysten van de Keel: Neemt van de bladeren twee handen vol, koocktse in schoon water en gorgelt daer mede, dit (37) selfde is mede goet voor stinckend ende bedorven Tant-vleesch. Fuchsius.

Voor Tant-pijn: Neemt van de bladeren een hant vol, ziedse in een half pintje Azijn ende spoelt de Mont daer mede. Dodonaeus.

Voor Scheur-buyck: Neemt van de bladeren drie handen vol, koocktse in Wijn tot een pint, om twee of drie reysen daeghs daer van te drincken. Schroderus.

Voor ontstekinge ende loopinge der Oogen: Gebruyckt hier tegen het gedistilleerde Water van de bloemen, waer mede ghy de Oogen dickwils betten sult. J. Schroderus.

Mondhout, in het Latijn Ligustrum. (Ligustrum vulgare)

 

Vorm.

Deze boomachtige heester is met langachtige, zachte en donker groene bladeren begroeid. De bladeren lijken op die van de maagdenpalm, hoewel ze langer zijn. Aan de toppen van de twijgen komen witte en wel riekende bloemen troswijs als de bloemen van druiven te voorschijn. Hierop volgen bessen die eerst groen zijn en bij rijpheid zwart worden waarin een bruinrood of paarsachtig sap zit.

Plaats.

Dit gewas wordt meestal in de lusthoven van Nederland in heggen en priŽlen geplant gevonden

 

Tijd.

De bladeren spruiten in het begin van de lente uit, de bloemen in het laatste van mei of in het begin van juni, de bessen worden laat in de herfst rijp.

 

Teelt.

Ligustrum wordt door zijn zaad hier te lande vermenigvuldigd en in zandachtige aarde gezaaid en als ze daarna twee of drie jaar oud zijn geworden plant men ze op een vochtige grond.

 

Aard en krachten.

De bladeren van mondhout zijn koud en droog van aard en tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen ontsteking, zwelling en puisten van de keel: Neem van de bladeren twee handen vol, kook ze in schoon water en gorgel daarmee, hetzelfde is ook goed tegen stinkende en bedorven tandvlees. Fuchsius.

Tegen tandpijn: Neem van de bladeren een hand vol, kook het in een half pintje azijn en spoel de mond daar mee. Dodonaeus.

Tegen scheurbuik: Neem van de bladeren drie handen vol, kook ze in wijn tot een pint om twee of drie maal per dag daar van te drinken. Schroderus.

Tegen ontsteking en lopen van de ogen: Gebruik hier tegen het gedistilleerde water van de bloemen waar mee ge de ogen dikwijls betten zal. J. Schroderus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(= Philadelphus coronarius)

 

Syringa.

 

Geslachten.

De Syringa wordt onderscheyden in Syringa met witte, ende Syringa met blaeuwe bloemen, welcke laetste soorten van de nieuwe kruyt-beschryvers Lillach genaemt wordt.

 

Gedaente.

De witte Syringa spreyt zich verre en wijdt uyt, wiens tacken met ledekens onderscheyden, met een bruynachtige schorsse bekleedt, ende van binnen met wit ende voos merg vervult zijn. De bladeren, die uyt yeder lidt altijdt twee tegen malkanderen over voort spruyten, zijn breedt, aen de kanten een weynigh gesneden, ende met zenuwen ofte ribben door loopen. De witte bloemen, uyt vier bladekens tísamen geset, spruyten op de toppen van de steelkens vier ofte vijf by een voort. Het lanck-werpigh zaet leydt in veel verscheyden zaethuyskens by een hangende beslooten.

De blaeuwe Syringa heeft grooter, breeder, voor spitser, gladder ende groender bladeren als de witte ofte oprechte Syringa. Oock zijn sijn licht-blaeuwe wel-rieckende (38) bloemen tros-wijs vergadert, en sijn bruyn ros zaet is in lanckwerpige hauwkens, die in ít midden door een vliesken afgescheyden zijn, beslooten.

 

Plaetse.

De Hoven in Nederlandt zijn veeltijdts met dese gewassen om haer lieffelijcke bloemen verciert.

 

Tijdt.

De witte Syringa bloeyt in ít laetste van May ofte in het begin van Juny, maer de blaeuwen in ít laetste van April ofte wat later, het zaet wordt in Augustus ofte September volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

De Syringa wordt van sijn op-loopen ofte wortel-spruyten aengeteelt en willen bequaemse op vochte plaetsen geplant staen.

 

Aert en Krachten.

De eygenschappen ende krachten van dit Boom-gewas is tot noch toe onversocht gebleven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

=Syringa vulgaris

 

Syringa. (Syringa vulgaris en Philadelphus coronarius)

 

Geslachten.

Syringa wordt onderscheiden in Syringa met witte (Philadelphus) en Syringa met blauwe bloemen, welk laatste soort door de nieuwe kruidbeschrijvers lilak genoemd wordt.

 

Vorm.

De witte Syringa spreidt zich ver en wijd uit, wiens takken leden hebben die met een bruinachtige schors bekleed is en van binnen met wit en voos merg gevuld zijn. De bladeren die uit ieder lid altijd twee tegen over elkaar uitspruiten zijn breed en aan de kanten wat ingesneden en met zenuwen of ribben doorlopen. De witte bloemen die uit vier blaadjes zijn samen gesteld spruiten op de toppen van de steeltjes met vier of vijf bijeen uit. Het langwerpige zaad ligt in veel verschillende zaadhuisjes die bijeen hangen besloten.

De blauwe Syringa heeft grotere, bredere en voor spitsere, gladdere en groenere bladeren dan de witte of echte Syringa. Ook zijn zijn licht blauwe wel riekende bloemen trosgewijze samen gesteld en zijn bruinroze zaad zit in langwerpige hauwtjes die in het midden door een vliesje afgescheiden zijn.

 

Plaats.

De hoven in Nederland zijn vaak met deze gewassen vanwege hun lieflijke bloemen versierd.

 

Tijd

De witte Syringa bloeit op het eind van mei of in het begin van juni, maar de blauwe op het eind van april of wat later. Het zaad wordt in augustus of september volkomen rijp.

 

 

Teelt.

Syringa wordt van zijn uitlopers of wortelscheuten voortgeteeld, ze willen het liefst op vochtige plaatsen staan.

 

Aard en krachten.

De eigenschappen en krachten van dit boomgewas is tot noch toe niet onderzocht.

 

 

Bucx- ofte Palm-boom, in ít Latijn Buxus.

 

Geslachten.

Hier te lande vint men tweederley soorten van dit Gewas, het eene is groote ende het andere kleyne Bucx-boom genaemt.

 

Gedaente.

De houtachtige struyck soo wel van de groote als kleyne Palm-boom is seer hart, vast, ende bleeck-geel van verwe, de kleyne tackens zijn met seer veel dicke, breede, effene ende doncker-groene bladeren verciert. De gras-verwige bloemen komen tusschen de bladeren ende de dunne rijskens te voorschijn, maer hier te Lande brenght dit Gewas geen zaet voort.

 

Plaetse.

De hedendaeghse Lust-hoven van Nederlandt zijn overvloedigh genoegh met de Palm-boom versien.

 

Tijdt.

Hoewel de Bucx-boom het geheele Jaer door groen staet, nochtans soo verkrijght hy in April nieuwe uytspruytsels ofte botten, ende als dan is hy oock somtijdts met bloemen beladen.

 

Oeffeningh.

De kleyne Palm wert door ít scheuren der wortelen aengeteelt, ende in Maert ofte April aen de kanten van de Bedden ende Bloem-parcken geplant. De groote Palm wert tot een Boompje opgequeeckt, van het welcke verscheyde ghedaente door het scheeren gemaeckt konnen werden, oock moet mense beyde soorten eens des jaers ofte om het tweede jaer met een Palm-schaer afscheeren.

 

Aert en Krachten.

Hoewel de Bucx-boom in Medicijne weynigh gebruyck heeft, nochtans kan men uyt de smaeck bespeuren, dat de selve verdroogende ende tísamen-treckende van krachten is. Lobel betuyght dat de rijskens, ít hout ende bladeren in water gesoden, op de maniere van Pock-hout, sterckelijck doen zweeten, ende dat door dit middel een arme Engelsche Dienst-maeght van de Pocken genesen is geweest. Sommige zieden de Bucx-boom in Loge om het Hayr geel te maken.

Buxus of Palmboom, in het Latijn Buxus. (Buxus sempervirens)

 

Geslachten.

Hier te lande vindt men twee soorten van dit gewas, het ene wordt de grote en het andere kleine buxus genoemd. (cv.)

Vorm.

De houtachtige struik van zowel de grote als de kleine palmboom is zeer hard, vast en bleek geel van kleur, de kleine takjes zijn met zeer veel dikke, brede, effen en donker groene bladeren versierd. De graskleurige bloemen komen tussen de bladeren en de dunne twijgen te voorschijn, maar hier te lande brengt dit gewas geen zaad voort.

 

 

Plaats.

De tegenwoordige lusthoven van Nederland zijn overvloedig genoeg met de palmboom voorzien.

 

Tijd.

Hoewel de buksboom het gehele jaar door groen staat, nochtans krijgt het in april nieuwe uitspruitsels of knoppen en dan is het ook soms met bloemen bezet.

 

 

Teelt.

De kleine palm wordt door het scheuren van de wortels voortgeteeld en in maart of april aan de kanten van de bedden en bloemperken geplant. De grote palm wordt tot een boompje opgekweekt waarvan verschillende vormen door het scheren gemaakt kunnen worden, ook moet men beide soorten eens per jaar of om het tweede jaar met een palmschaar afscheren.

 

Aard en krachten.

Hoewel de buksboom in de medicijnen weinig gebruik wordt, toch kan men uit de smaak nagaan dat die verdrogend en tezamen trekkend van krachten is. Lobel getuigt dat de twijgen, het hout en bladeren die in water gekookt worden op de manier van pokhout, sterk laten zweten en dat door dit middel een arme Engelse dienstmaagd van de pokken genezen is geweest. Sommige koken de buksboom in loog om het haar geel te maken.

 

 

Stekende Palm, in ít Latijn Ruscus, Bruscus.

 

Gedaente.

Dit Gewas schiet op tot de hoogte van een halve ofte heele voet, wiens tackens rondt ende met een doncker-groene ende dicke schorsse bedeckt zijn. De bladeren zijn de Myrte-bladeren niet ongelijck, maer stijver bruynder groen, boven spits ende met een scherp stekende doornken versien. Op het midden van yder bladt groeyt een besie, de welck rijp geworden schoon root is, in sich bevattende een seer harde kern, waer in het zaet beslooten leyt. De wortelen zijn witachtigh, wijdt en zijdts sich uytspreydende.

 

Plaetse.

De stekende Palm werdt hier te Lande in de Hoven geplant.

Tijdt.

Dit Heesterachtigh Gewas blijft des Winters ende Somers groen, nochtans in de Lente verkrijgt het nieuwe uytspruytsels, ende de besien worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De stekende Palm wordt (39) door zaedt en wortel-spruyten aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De wortel ende het zaet zijn matelijck verwarmenden ende verdroogende van aert, andere houdense voor warm in den tweeden ende droogh in den eersten graet, openende, den Urijn afsettende, ende de taye vochtigheden scheydende van krachten, waerom de wortelen in de Apotheken onder de vijf openende wortelen bekent zijn. Dodonaeus, Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ít Graveel ende Droppel-pisse: Neemt van de wortelen twee loot, van de bladeren een hant vol, van de besien een loot, koockt dit te samen in Wijn tot een pint en geeft hiervan twee mael daeghs een roemerken vol van te drincken. Dioscorides.

Voor Bloedt-spouwen, Graveel en Geelsucht: Neemt het sap uyt de bladeren gheparst twee loot, menght hier by soo veel Suycker als van noden is, ende geeft hier van dickwils een lepel vol in. Ravelingius.

Voor ít Colijck ofte Buyck-pijn: Neemt van de wortelen, Anijs ende Venckel-zaet van elcks een derde part van een vierendeel loots, tísamen fijn gestoten zijnde, sult ghy het met warme Wijn ofte Bier in geven. Ravelingius.

Stekende palm, in het Latijn Ruscus of Bruscus. (Ruscus aculeatus)

 

Vorm.

Dit gewas schiet op tot de hoogte van een vijftien of dertig cm. De takken zijn rond en met een donker groene, dikke schors bedekt. De bladeren zijn vrijwel gelijk als de myrtebladeren, maar stijver en bruiner groen, boven spits en van een scherp stekende doren voorzien. Op het midden van elk blad groeit een bes die bij rijpheid mooi rood wordt en in zich een zeer harde kern heeft waarin het zaad zit. De wortels zijn witachtig die zich wijd en zijd uitspreiden.

 

 

Plaats.

De stekende palm wordt hier te lande in de hoven geplant.

 

Tijd.

Dit heesterachtig gewas blijft Ďs winters en zomers groen, toch krijgt het in de lente nieuwe scheuten en de bessen worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

De stekende palm wordt door zaad en wortelspruiten voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De wortel en het zaad zijn matig verwarmend en verdrogend van aard, anderen houden ze voor warm in de tweede en droog in de eerste graad, ze openen, zetten de urine af en scheiden de taaie vochtigheid van krachten waarom de wortels in de apotheken onder de vijf openende wortels bekend zijn. Dodonaeus, Schroderus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de nierstenen en druppelplas: Neem van de wortels twee lood, van de bladeren een hand vol, van de bessen een lood, kook dit tezamen in wijn tot een pint en geef hiervan twee maal per dag een roemertje vol te drinken. Dioscorides.

Tegen bloedspuwen, nierstenen en geelzucht: Neem van het dat sap uit de bladeren geperst wordt twee lood, meng hierbij zoveel suiker als nodig is en geef hiervan dikwijls een lepel vol in. Ravelingius.

Tegen koliek of buikpijn: Neem van de wortels, van anijs en venkelzaad en van elk een derde deel van een vierendeel lood die tezamen fijn gestampt worden dat ge met warme wijn of bier zal ingeven. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lombaertse Linsen, in ít Latijn Colutea vesicaria.

 

Gedaente.

Lombaertse Linsen is een Heesterachtig Gewas met houtachtige struycken. De bladeren zijn lanckwerpigh, ende van wegende gelijckenisse diese met de oprechte Sene-bladeren hebben, werdt dit gewas van veelen wilde Sena genaemt. Het draeght geele bloemen, waer na doorluchtige hauwkens ofte blaeskens, die wat paers-achtigh van koleur zijn, volgen, in dese leggen harde, zwarte ende platte zaden beslooten.

 

Plaetse.

Dit gewas werdt hier te Lande alleen in de Hoven gevonden.

 

Tijdt.

Het bloeyt in het derde Jaer na dat het gezaeyt is, van de Maent May tot diep in de Somer, ende ondertusschen wort het zaet rijp.

 

Oeffeningh.

De Lombaertse Linsen worden aengeteelt door zaet, ít welck te vooren eenige tijdt in de Water, tot dat het begint te schieten, geweeckt hebbende, in wel bereyde ende met Schapen-mest gemeste Aerde gezaeyt wordt, maer men moet het voor het vierde Jaer niet besnoeyen.

 

Aert en Krachten.

De bladeren en ít zaet van dit gewas, zijn warm ende droogh tot in het begin van den tweeden graet, de bladeren doen met gewelt Braken en afgaen, soo dat se de gene qualijck doen diese voor Sene-bladen gebruycken willen. Dodonaeus, Brassavola.

Lombaardse linzen, in het Latijn Colutea vesicaria. (Colutea arborescens)

 

Vorm.

Lombaardse linzen is een heesterachtig gewas met houtachtige stengels. De bladeren zijn langwerpig, vanwege de gelijkenis die ze met de echte sennebladeren hebben wordt dit gewas door velen wilde senna genoemd. Het draagt gele bloemen waarna doorluchtige hauwen of blaasjes volgen die wat paarsachtig van kleur zijn, hierin liggen harde, zwarte en platte zaden besloten.

 

 

Plaats.

Dit gewas wordt hier te lande alleen in de hoven gevonden.

 

Tijd.

Het bloeit in het derde jaar nadat het gezaaid is geweest, van de maand mei tot diep in de zomer en ondertussen wordt het zaad rijp.

 

Teelt.

De Lombaardse linzen worden voortgeteeld door zaad dat tevoren enige tijd in water is geweekt totdat het begint te schieten en in goed klaar gemaakte en met schapenmest bemeste aarde gezaaid wordt, maar men moet het voor het vierde jaar niet snoeien.

 

Aard en krachten.

De bladeren en het zaad van dit gewas zijn warm en droog tot in het begin van de tweede graad, de bladeren laten met geweld braken en afgaan zodat ze diegene slecht bevallen zullen die ze voor sennebladen willen gebruiken. Dodonaeus, Brassavola.

 

 

(40) Roosen-boom, in ít Latijn Rosa.

 

Geslachten.

De Rooselaer wordt hier te Lande in tamme en wilde afgedeelt, de tamme ofte Hof-roosen zijn de navolgende: witte Roosen enkelde en dubbelde, roode Provincie-roosen, de welcke by sommige Liefhebbers met twee ja drie hondert bladeren gevonden worden, fluweel ofte Pat-rosen enckelde en dubbelde, Muscus-rosen enckelde en dubbelde, Caneel-rosen, geele Rosen, onder de wilde worden gerekent de Honts-rosen, Duyn-rooskens en Egelantier.

 

Gedaente.

Alle de soorten van Roosen schieten op met houtachtige tacken ofte rancken, dit met scherpe doornen, ende voornamentlijck aen de wilde Roosen, versien zijn. De bladeren zijn rondtom de kanten saeghswijs geschaert, vijf ofte seven aen een middel-steelken geheght, ende altijdt twee tegen malkander over wassende. Aen het opperste der tacken komen grasgroene knoppen te voorschijn, vijf groene ende spitse schorsse of baerdekens uytwerpende, waer van de twee aen de kanten ruyghachtigh, en de andere twee effen ende kael zijn, de vijfde is aen de eene zijde ruyg en aen díander kael, hier uyt spruyten de bloemen voort, die na haer groote, koleur en reuck in verscheyde soorten onderscheyden worden. In het midden van dese bloemen schuylen sommige hayr- wijse draedkens, die op haer toppen gele nopkens dragen. De bloemen afgevallen zijnde, brengense lanckwerpige bollenkens voort die als ít zaedt, ít welck in wolachtigh hayr gewickelt is, rijp wordt, een schoon-roode verwe vertoonen. Aen de tacken van de Rooselaers, maer voornamentlijck aen de wilde, pleeght te hangen een hayrigh verwende ende spongiens gewas, met vlocken, gelijck de rouwe Sijde, de welcke Bedeguar genoemt wordt. De wortelen spreyden sich wijdt en breedt uyt.

 

Plaetse.

De tamme Roosen als oock de Egelantier worden hier te Lande in de Hoven geoeffent en onderhouden. De Hontsrosen groeyen op hoogh Landt aen de kanten van de Ackers ende opgeworpen Grachten, de Duyn-rooskens worden aen de Zee-kant in de Duynen gevonden.

 

Tijdt.

De Kaneel-rooskens als oock de wilde Roosen bloeyen veel vroeger als de tamme, doch sy worden meest alle bloeyende gevonden in May ofte Juny, alleen brengen de Muscus-roosen haer bloemen in Augustus ofte September te voorschijn. Lobel verhaelt dat de Rooselaer in Engelandt somtijdts sijn bladeren niet en verliest, seer vruchtbaer is, en dickwils twee mael, somtijdts oock drie mael bloemen geeft.

 

Oeffeningh.

De Roose-boomen worden van op-loopen ofte wortel-spruyten aengeteelt, ende met de volle Maen verplant, om datse als dan overvloedige bloemen voort brenght. De Muscusroosen worden in potten ofte backen geset, om des Winters voor de koude, diese niet wel konnen verdragen, bewaert te worden.

 

Aert en Krachten.

Alle de soorten van Roosen zijn verkoelende van aert, waer by de Provincie-roosen de gal ende galachtige vochtigheden uytwerpen. De roode Pat-roosen in tegendeel zijn van een tísamen-treckende natuur. Het binnenste geel dat stopt meer dan de Roosen selfs. Dioscorides, Galenus.

Aenmerckens waerdigh is het geene P. Potterus in sijn Parmacopaea Spagyriea seyt, namentlijck, dat de Roosen, die men roode noemt, tegen het gevoelen van een yeder den Buyck weeck maken. Ende indien yemant het selfde wil besoeken, die neme een vierendeel loodts van de selve Roosen fijn gestooten met eenigh nat in, ende hy sal bevinden, dat hy hier door drie ofte vier reysen ter stoel zal moeten gaen, maer dit geschiet alleen door dien sy de mont van de Maegh toesluyten ende daer door de overtolligheden uytdrijven.

 

Medicinael gebruyck.

Voor pijn ende ontstekinge der Oogen: Neemt Roose-water ende wascht de Oogen dickwils daer mede. (41)

Voor onmatige Hitte des Ingewants ende om het Herte te verquicken: Neemt Roosen-water met witte Suycker ghemenght, ít welcke in de Apotheken Julapium Rosarum genaemt is, dit wordt onder koel-drancken ende hertsterckende Mixturen gebruyckt. Dispen.Augustan.

Om de slijmerige ende galachtige Vochtigheden uyt de drijven, ende alle verhittinge des Ingewants ende brandende Koortsen te blussen ende te verkoelen: Neemt Tamarinde vier loot, koockt dit op in Garsten-water tot een pint, doetíer by Syroop van Provencie Roosen ses loot, menght dit te samen ende laet hier dickwijls van drincken. Dit selfde vermach oock de Conserf van Provencie Roosen bereydt. Dodonaeus.

Voor Hert-kloppinge, allderhande Buyck-loopen ende overtollige Vloeden der Vrouwen: Hier tegen gebruyckt de Conserf van Roode ofte Pat-roosen bereydt, de groote van een Notemoskaet twee a drie reysen des daeghs ingenomen.

Voor Puysten, Seeren, geswellen der Tant-vleesch ende open gaten: Hier tegen is seer dienstigh de Honingh van Roosen, de welcke af vaeght, suyvert ende verdroogt. Dispens. Augustan.

Voor onstekinge ende Verbrantheydt: Neemt een wit van een Ey, Olie van Roosen soo veel genoegh is, menght hier onder wat Roose-water, ende bestrijckt de beschadighde plaetse hier mede. A. Mijnsicht.

Voor de witte Vloet der Vrouwen, onmatige Maent-stonden, Druppel-pisse ende afgaen van ít Mannelijcke Zaet: Neemt de onrijpe vruchten, met het zaet ghedrooght zijnde een vierendeel loots, geeft dit in met roode, strengen ende sarpen Wijn, ofte neemt de selve roode onrijpe vruchten een hant vol, koocktse in een pint Wijn, ende geeft dien Wijn te drincken. Ravelingius.

Voor de Hooft-pijn uyt hitte ontstaen: Neemt een Roosen-koeck, besprenghtse met Roosen-azijn, ende bindtse voor het Voor-hooft. Ofte neemt Roosen-olie drie loot, Roosen-water twee loot, Roosen-azijn een loot, menght dit te samen, ende doecken hier in nat gemaeckt zijnde, sult ghy op het Voor hooft binden.

Roos, in het Latijn Rosa.

(Rosa damascena, Rosa canina, Rosa rubiginosa, of Rosa rubiginosa)

 

Geslachten.

De roos wordt hier te lande in tamme en wilde gedeeld, de tamme of hofrozen zijn de volgende: witte rozen, enkele en dubbele (Rosa x alba) rode provincie rozen (Rosa gallica) die bij sommige liefhebbers met twee, ja driehonderd bladeren gevonden worden, (Rosa centifolia) fluweel of patrozen enkele en dubbele, muskusrozen (Rosa moschata) enkele en dubbele, kaneelrozen, (Rosa majalis) gele rozen. Onder de wilde worden de hondsrozen, (Rosa canina) duinrozen (Rosa pimpinellifolia) en egelantier gerekend (Rosa rubiginosa)

 

Vorm.

Alle soorten van rozen schieten met houtachtige takken of ranken op die met scherpe dorens voorzien zijn en vooral aan de wilde rozen. De bladeren zijn rondom de kanten zaagsgewijs geschaard en met vijf of zeven aan een middensteel gehecht en altijd groeien er twee tegenover elkaar. Aan het opperste van de takken komen grasgroene knoppen te voorschijn die vijf groene en spitse schorsen of baarden uitwerpen waarvan de twee aan de kanten wat ruig en de andere twee effen en kaal zijn, de vijfde is aan de ene zijde ruig en aan de andere kaal. Hieruit spruiten de bloemen voort die naar hun grootte, kleur en reuk in verschillende soorten onderscheiden worden. In het midden van deze bloemen schuilen sommige haarachtige meeldraadjes die op hun toppen gele helmknopjes dragen. Als de bloemen afgevallen zijn brengen ze langwerpige bolletjes voort die als het zaad rijp is, dat in wolachtig haar gewikkeld is, een mooi rode kleur laten zien. Aan de takken van de rozen, maar voornamelijk aan de wilde, plag een harig gedraaide en sponsachtig gewas te hangen met vlokken, gelijk de ruwe zijde, die bedeguar genoemd wordt. De wortels spreiden zich wijd en zijd uit.

 

Plaats.

De tamme rozen als ook de egelantier worden hier te lande in de hoven geteeld en onderhouden. De hondsrozen groeien op hoog land aan de kanten van de akkers en opgeworpen grachten, de duinroos wordt aan de zeekant in de duinen gevonden.

 

Tijd.

De kaneelroos en ook de wilde rozen bloeien veel vroeger dan de tamme, maar ze worden meestal allen bloeiend gevonden in mei of juni, alleen de muskusrozen brengen hun bloemen in augustus of september te voorschijn. Lobel verhaalt dat de rozelaar in Engeland soms zijn bladeren niet verliest, zeer vruchtbaar is en vaak twee maal, soms ook drie maal bloemen geeft.

 

Teelt.

De rozen worden van oplopen of wortelspruiten voort geteeld en met volle maan verplant omdat ze dan overvloediger bloemen voortbrengen. De muskusrozen worden in potten of bakken gezet om die Ďs winters tegen de koude, wat ze niet goed kunnen verdagen, te beschermen.

 

Aard en krachten.

Alle rozensoorten zijn verkoelend van aard waarbij de provincieroos de gal en galachtige vochtigheden uitwerpt. De rode patrozen in tegendeel zijn van een tezamen trekkende natuur. Het binnenste gele (meeldraden) stopt meer dan de rozen zelf. Dioscorides, Galenus.

Opmerkelijk is hetgeen dat P. Potterus in zijn ĎParmacopaea Spagyrieaí zegt, namelijk dat de rozen die men rode noemt tegen de mening van iedereen de buik week maken. En als iemand dat zelf wil onderzoeken dan neemt die een vierendeel lood van deze roos die fijn gestampt wordt met wat nat in, hij zal zien dat hij hierdoor drie of vier maal naar toilet zal moeten gaan, maar dit gebeurt alleen doordat ze de mond van de maag dicht maken en daardoor de overtolligheden uitdrijven.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen pijn en ontsteking van de ogen: Neem rozenwater en was de ogen daar dikwijls mee. Tegen onmatige hitte van het inwendige en om het hart te verkwikken: Neem rozenwater dat met witte suiker gemengd is dat in de apotheken Julapium Rosarum genoemd wordt, dit wordt onder koeldranken en hartversterkende mengsels gebruikt. Dispen. Augustan.

Om de slijmerige en galachtige vochtigheden uit de drijven en alle verhitting van het inwendige en brandende koortsen te blussen en te verkoelen: Neem van tamarinde vier lood, kook dit op in gerstewater tot een pint, doe er zes lood siroop van provencierozen bij, meng dit tezamen en laat hiervan dikwijls drinken. Ditzelfde doet ook het konserf die van provencierozen gemaakt is. Dodonaeus.

Tegen hartkloppingen, allerhande buiklopen en overtollige vloeden van de vrouwen: Hiertegen gebruikt men het konserf die van rode of patrozen gemaakt is waarvan per dag de grootte van een notenmuskaat twee a drie keer wordt ingenomen.

Tegen puisten, zeren, gezwellen van het tandvlees en open gaten: Hiertegen is zeer goed de honing van rozen die afveegt, zuivert en verdroogt. Dispens. Augustan.

Tegen ontsteking en verbranding: Neem het wit van een ei, van olie van rozen zoveel als genoeg is en meng hier onder wat rozewater, bestrijk de beschadigde plaats hiermee. A. Mijnsicht.

Tegen de witte vloed van de vrouwen, onmatige maandstonden, druppelplas en afgaan van het mannelijke zaad: Neem een vierendeel lood van de onrijpe vruchten dat met het zaad gedroogd is en geef dit in met rode, strenge en scherpe wijn of neem van dezelfde rode onrijpe vruchten een hand vol, kook het in een pint wijn en geef die wijn te drinken. Ravelingius.

Tegen hoofdpijn die uit hitte ontstaan is: Neem een rozenkoek, besproei het met rozenazijn en bind het voor het voorhoofd. Of neem van rozenolie drie lood, van rozenwater twee lood en van rozenazijn een lood, meng dit tezamen en maak doeken hier in nat die ge op het voorhoofd zal binden.

 

 

Geldersche Roose, in ít Latijn Sambucus Rosea.

 

Gedaente.

Dit heesterachtigh gewas is bekleedt met een asch-graeuw schorsse, wiens struycken door knoopachtige ledekens onderscheyden, ende met wit mergh vervult zijn. De bladeren zijn breedt ende aen de kanten diep gehoeckt. De witte bloemen komen in een ronde, dicke, verhevene bol ofte tros te voorschijn, naer de welcke geen vruchten ofte besien volgen.

 

Plaetse.

De Geldersche Roose groeyt alleen in de Hoven.

 

Tijdt.

Dit Gewas begint in de Maeymaent sijn cierlijke bloemen te vertoonen.

 

Oeffeningh.

De Geldersche Roosen-boom wordt als de gemeene Vlier-boom aengeteelt en onderhouden.

 

Aert en krachten.

De natuur ende krachten van dese Boom is tot noch toe van yemant ondersocht ofte bekent.

Gelderse Roos, in ít Latijn Sambucus rosea. (Viburnum opulus ĎRoseumí)

 

Vorm.

Dit heesterachtig gewas is bekleed met een asgrauwe schors, de takken worden door knoopachtige leden onderscheiden en zijn met wit merg gevuld. De bladeren zijn breed en aan de kanten diep gehoekt. De witte bloemen komen in een ronde, dikke en verheven bol of tros te voorschijn waarna geen vruchten of bessen volgen.

 

Plaats.

De Gelderse roos groeit alleen in de hoven.

 

Tijd.

Dit gewas begint in de meimaand zijn sierlijke bloemen te vertonen.

 

Teelt.

De Gelderse roos wordt als de gewone vlier voort geteeld en onderhouden.

 

Aard en krachten.

De natuur en krachten van deze boom zijn tot nu toe door niemand onderzocht en niet bekend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jasmijn, in ít Latijn Gelseminum.

 

Geslachten.

In de Hoven van Nederland worden de navolgende soorten van Jasmijn gevonden, te weten: Witte jasmijn, Geele Jasmijn, Blaeuwe Jasmijn ende Jasmijn met groote bloemen, die van sommige Spaensche ofte Catalonische Jasmijn genoemt word, wiens bloemen viermael grooter als de gemeene is, oock wijt open, wit ende aen de onrechte zijde root.

 

Gedaente.

De Jasmijn is een heesterachtigh gewas, uytwerpende lange, buyghsame ende groene getackte rijskens, die met knoopen ofte leden onderscheyden, ende met wit voos mergh vervult zijn, uyt dese knoopen ofte leden spruyten twee over malkanderen groeyende steelkens, waer aen (42) vijf ofte seven besonder lanckachtige, voor spits afgaende ende doncker groene bladeren gehecht zijn, waer van de uyterste sich aldergrootsts vertoont. Op de toppen van de roeyckens komen de bloemen yder op een besonder steelken,vij ofte ses by een vergadert, te voorschijn, de welcke na haer koleur ende groote van malkanderen onderscheyden worden. De vruchten zijn zwartachtige besien met blaeuw sap vervult, waer in zaet eenige gelijckenisse met de Lupinen hebbende, beslooten is.

 

Plaetse.

De geslachten van Jasmijn werden alleen van de Kruydt-beminners in de Lust-hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Jasmijn bloeyt hier te Lande in de Maent July ende Augustus.

 

Oeffeningh.

Dit gewas werdt door inleggen ende afsuygen aengeteelt, de maniere hier van besie in het Vermackelijck Landt-leven naerstigh beschreven.

 

Aert en krachten.

De bloemen van Jasmijn zijn warm tot in het begin van den tweeden graedt, openende ende versachtende van krachten. Mesue.

 

Medicinael gebruyck.

Voor koude Sinckinde ende verlamde Leden: Neemt Olie van Jasmijn so veel van noden is, ende bestrijckt u daer mede. Mesue.

Voor Kolijck ende pijn des Lijfs-moeders: Vermengt onder een Clistery de voornoemde Olie, ende ghy sult groote verlichtenisse bevinden. Schroderus.

Om de Geboorte te bevorderen, ende pijn in de Maegh, Darmen ende Lijf-moeder te stillen: Neemt Olie van soete Amandelen, daer te vooren bloemen van Jasmin in geweeckt hebben, twee loot, geeft dit op een reys te gebruycken. Schroderus.

Jasmijn, in ít Latijn Gelseminum. (Jasminum officinale, Jasminum nudiflorum en Jasminum fruticans)

 

Geslachten.

In de hoven van Nederland worden de volgende soorten van jasmijn gevonden, te weten: witte jasmijn, gele jasmijn, blauwe jasmijn en jasmijn met grote bloemen die door sommigen Spaanse of Catalaanse jasmijn genoemd wordt wiens bloemen viermaal groter zijn dan de gewone, ook wijd open staan, wit en aan de verkeerde zijde rood zijn.

 

Vorm.

De jasmijn is een heesterachtig gewas die lange, buigzame en groen vertakte twijgen heeft die met knopen of leden bezet en met wit, voos merg gevuld zijn. Uit deze knopen of leden spruiten twee over elkaar groeiende steeltjes waaraan vijf of zeven bijzonder langachtige, voor spits afgaande en donker groene bladeren gehecht zijn waarvan het uiterste zich als allergrootste vertoont. Op de toppen van de twijgen komen de bloemen die met vijf of zes bij elkaar staan elk op een apart steeltje te voorschijn die naar hun kleur en grootte van elkaar onderscheiden worden. De vruchten zijn zwartachtige bessen die met blauw sap gevuld zijn waarin zaad zit dat enige gelijkenis met de lupinen heeft.

 

Plaats.

De geslachten van Jasmijn worden alleen door de kruidbeminnaars in de lusthoven onderhouden.

 

 

Tijd.

De jasmijn bloeit hier te lande in de maand juli en augustus.

 

Teelt.

Dit gewas wordt door afleggen en afzuigen voort geteeld, de manier hiervan ziet men in het ĎVermackelijck Landt-levení goed beschreven.

 

Aard en krachten.

De bloemen van jasmijn zijn warm tot in het begin van den tweede graad, openend en verzachtend van krachten. Mesue.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen koude zinkende en verlamde leden: Neem olie van jasmijn zoveel als nodig is en bestrijk u daar mee. Mesue.

Tegen koliek en pijn van de baarmoeder: Vermeng onder een klister de voornoemde olie en ge zal grote verlichting voelen. Schroderus.

Om de geboorte te bevorderen en pijn in de maag, darmen en baarmoeder te stillen: Neem van olie van zoete amandelen die daarvoor in bloemen van jasmijn geweekt hebben, twee lood en laat dit in een keer gebruiken. Schroderus.

 

 

Sauce-boom, in ít Latijn Berberis.

 

Gedaente.

Dit Boomachtigh Gewas heeft seer harde tacken, van buyten met een asch-graeuwe schorsse bedeckt, waer onder een dunne geele geplaetst is, het hout is mede geel van verwe. De tacken daer aen kleyne, teere, rondtom de kanten geschaerde ende suurachtige bladeren groeyen, zijn met seer veel scherp-stekende doornen beset. Tusschen de bladeren komen mos-achtige geele bloemen, aen lange steelkens hangende, te voorschijn, na de welcke lanckwerpige besien, suur van smaeck, ende rijp zijnde, root van verwe, volgen. In dese leght een kleyne hardt zadeken besloten. De wortel is seer hardt ende in de langte uytgespreyt.

 

Plaetse.

De sauce-boom werdt van veelen hedendaeghs in de Hoven geplant ende geoeffent.

 

Tijdt.

In April verkrijght dit Boomgewas sijn bladeren, in May sijn bloemen, maer de besien worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Berberis wordt van wortel-spruyten aen Heyningen voort gheplant. (43)

 

Aert en Krachten.

De bladeren ende vruchten zijn koudt ende droogh tot in den tweeden graedt, fijn van deelen, doorsnijdende ende tísamen-treckende van krachten. Dodonaeus, Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de hitte des Ingewants, ende in brandende Koortsen te verkoelen, om de Lever, ít herte ende een walgende maeg te verstercken, ende alderhande vloeden te stelpen: Neemt Garsten-water ofte eenigh verkoelende ende matelijck astringeerent gedistileert Water een pint, Syroop van Berberis ses loot, mengt dit te samen ende laet hier van dickwils drincken.

Voor bloedend ende geswollen Tandt-vleesch, ende ontstekinghe van de Keel : Neemt van de versche ofte ghedrooghde vruchten een handt vol, koocktse in een pint water tot dat een derdendeel versoden is, doetíer by vier loot Syroop van Moerbesien, wascht het tant-vleesch ofte gorgelt de keel daer mede.

Voor tranende Oogen: Neemt sap van de rijpe vruchten een loot, Roose-water een half mutsje, mengt dit te samen ende bet de Oogen dickwils hier mede. Ravelingius.

Sausenboom, in het Latijn Berberis. (Berberis vulgaris)

 

Vorm.

Dit boomachtig gewas heeft zeer harde takken die van buiten met een asgrauwe schors bedekt zijn waaronder een dunne, gele geplaatst is, het hout is ook geel van kleur. Aan de takken groeien kleine, tere en rondom de kanten geschaarde en zuurachtige bladeren die met zeer veel scherp stekende dorens bezet zijn. Tussen de bladeren komen mosachtige, gele bloemen die aan lange steeltjes hangen te voorschijn waarna langwerpige bessen volgen die zuur van smaak zijn, als ze rijp worden zijn ze rood van kleur. Hierin ligt een klein hard zaadje besloten. De wortel is zeer hard en is in de lengte uitgespreid.

 

Plaats.

De sausenboom wordt door velen tegenwoordig in de hoven geplant en gekweekt.

 

Tijd.

In april krijgt dit boomgewas zijn bladeren en in mei zijn bloemen, maar de bessen worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

Berberis wordt van wortelspruiten aan heggen voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De bladeren en vruchten zijn koud en droog tot in de tweede graad, fijn van delen, doorsnijdend en tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus, Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de hitte van het inwendige en in brandende koortsen te verkoelen, om de lever, het hart en een walgende maag te versterken en allerhande vloeden te stelpen: Neem van gerstewater of enig verkoelende en matig adstringerend, gedestilleerd water een pint, siroop van Berberis zes lood, meng dit tezamen en laat hiervan dikwijls drinken.

Tegen bloedende en gezwollen tandvlees en ontsteking van de keel: Neem van de verse of gedroogde vruchten een hand vol, kook het in een pint water totdat een derde deel verkookt is, doe er vier lood siroop van moerbeibessen bij en was het tandvlees of gorgel de keel daar mee.

Tegen tranende ogen: Neem van het sap van de rijpe vruchten een lood, van rozenwater een half mutsje, meng dit tezamen en bet de ogen hier dikwijls mee. Ravelingius.

 

 

Aelbesien-boom, in ít Latijn Ribesium.

 

Geslachten.

Van dese vindt men hier te Lande drie-derley soorten, de eerste draegt roode, díander witte, en de derde zwarte vruchten.

 

Gedaente.

De struycken ende tacken van de Aelbesien zijn met een bruyne schorsse bekleedt, waer aen breede doncker-groene bladeren, rontom de kanten geschaert ende op sommige plaetsen diep gesneden, uytspruyten, onder de welcke de zwarte Aelbesien-bladeren, noch jongh ende gewreven zijnde, een lieffelijcke reuck van sich geven. De groengeele bloemen komen tusschen de bladeren, aen dunnen steelkens veel by een af hangende, te voorschijn, waer na eerst groene ende daer na roode, witte ofte zwarte besien volgen, de welcke aengenaem van smaeck zijn.

 

Plaetse.

Alle de soorten werden in Hollandt ende elders in de Hoven geplaetst, hoewel se in sommige Provincien in ít wilde voortkomen, voornamentlijck de zwarte, die overvloedigh langhs de Dijle tusschen Mechelen ende Loven gevonden worden.

 

Tijdt.

De Aelbesien spruyten vroegh in ít Voorjaer uyt, ende leveren haer rijpe vruchten in de Maent Juny ende July.

 

Oeffeningh.

Dese Boom-gewassen werden van wortel-spruyten ende jarige looten, in díAerde gesteken aengeteelt, die men tot heyningen ofte Stalboomtjens opqueeckt.

 

Aert en Krachten.

De Roode Aelbesien die meest tot Medicijne gebruyckt worden, zijn kout ende droogh in den tweeden graet, ende wat tísamen-treckende van aert, sy wederstaen alle inwendige verrottinge ende ontstekinge. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verhitte Maegh en Lever, hertkloppinge, Walginge en groote Brandt in heete ende galachtige Koortsen: Neemt een pont Roode Aelbesien van hare steelkens af-gedaen, koocktse in een mengelen schoon regen-water, daer naer doorgesegen zijnde, doetíer wat Suycker by, ende laet hier van gestadig drincken. Ofte neemt een pint Gersten ofte Suringh-water, smelt hier in Rob ofte Conserf van Aelbesien vier loot, ende ghebruyckt het, als het voorgaende.

Voor ít Graveel: Neemt Swarte Aelbesien soo veel genoegh is, gieter op van de besien Brandewijn, van de welcke ghy des morgens ende des avonts drie lepelen vol gebruycken sult, andere nemen alleen de jonge botten, die gedroogt zijnde op Rijnse-wijn gehangen worden.

Aalbes, in het Latijn Ribesium. (Ribes rubrum en Ribes nigrum)

 

Geslachten.

Van deze vindt men hier te lande drie soorten, de eerste draagt rode, de ander witte en de derde zwarte vruchten.

 

Vorm.

De struiken en takken van de aalbes zijn met een bruine schors bekleed waaraan brede, donker groene bladeren uitspruiten die rondom de kanten geschaard en op sommige plaatsen diep gesneden zijn waarvan de zwarte aalbesbladeren als ze nog jong zijn en gewreven worden een liefelijke reuk van zich geven. De groengele bloemen komen tussen de bladeren aan dunne steeltjes te voorschijn die veel bijeen hangen waarna eerst groene en daarna rode, witte of zwarte bessen volgen die aangenaam van smaak zijn.

 

 

Plaats.

Alle deze soorten worden in Holland en elders in de hoven geplaatst, hoewel ze in sommige provincies in het wild voorkomen, voornamelijk de zwarte die overvloedig langs de Dijle tussen Mechelen en Leuven gevonden wordt.

 

Tijd.

De aalbessen spruiten vroeg in het voorjaar uit en leveren hun rijpe vruchten in de maand juni en juli.

 

Teelt.

Deze boomgewassen worden van wortelspruiten en eenjarige loten voortgeteeld die in de aarde gestoken worden en die men tot heiningen of sierboompjes opkweekt

 

Aard en krachten.

De rode aalbessen worden meestal tot medicijn gebruikt, ze zijn koud en droog in de tweede graad en wat tezamen trekkend van aard, ze weerstaan alle inwendige verrotting en ontsteking. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verhitte maag en lever, hartkloppingen, walging en grote brand in hete en galachtige koortsen: Neem een pond rode aalbessen die van hun steeltjes zijn afgehaald, kook ze in een mengsel schoon regenwater, als ze daarna doorgezeefd zijn doe er wat suiker bij en laat hiervan steeds drinken. Of neem een pint gerst- of zuringwater, smelt hier in rob of konserf van aalbessen vier lood en gebruik het als het voorgaande.

Tegen de nierstenen: Neem zwarte aalbessen zoveel als genoeg is, giet op de bessen brandewijn waarvan ge Ďs morgens en Ďs avonds drie lepels vol gebruiken zal, andere nemen alleen de jonge knoppen die gedroogd en op Rijnse wijn gehangen worden.

 

 

Stekel-besien, in ít Latijn Grossularia.

 

Geslachten.

Hier te Lande zijn twee soorten van dit Heester-gewas, díeene brenght (44) geelachtige, ende díander bruyn-roode Stekel-besien voort.

 

Gedaente.

De eerste en de gemeyne soorte heeft veel witachtige tackens, met scherpe Doornen beset, de welcke met groene, sachte, en breetachtige Bladeren bekleedt worden, die rontom de kanten geschaert, ende op sommige plaetsen diep gesneden, ende van gedaente, hoewel veel kleynder, den Wijngaert-bladeren niet ongelijck zijn. De gras-verwige Bloemen komen tusschen de bladeren voort, waer na de Besien een alleen, ofte twee by malkanderen te voorschijn komen, eerst groene ende wrangh van smaeck, maer rijp geworden, geelachtigh van verwe, ende met soet wijnachtigh sap vervult, ende wit zaet in sich besluytende.

De bruyn-roode Stekel-besien heeft donckerder en grooter Bladeren als de voorgaende, oock zijn de tacken met een bruyn-paerssche schorsse bekleedt, de Besien zijn mede in ít eerste groen, maer rijp geworden verkrijgen een bruyn-roode ofte paersse verwe. In andere deelen zijnse de voorgaende gelijck.

 

Plaetse.

De Stekel-besien groeyen in meest alle de Hoven van Nederlandt.

 

Tijdt.

Dit heesterachtigh gewas spruyt seer vroeg in Ďt Jaer uyt, te weeten in Maert, ofte oock wel in February, ít bloeyt in April, ende ít laetste van Juny worden de Besien volkomen rijp.

Oeffeningh.

Sy worden meest van Wortel-spruyten aengeteelt, ende tot Stal-boomtjens opgequeeckt.

 

Aert en Krachten.

De onrijpe Vruchten ofte Stekel-besien zijn kout ende droogh in den tweeden graet, ende een weynigh tísamen-treckende van krachten. Sy geven weynigh voedtsel, ende rauw ende kout sap ofte gijl in ít Lichaem. De rijpe zijn soo tísamen-treckende van aert niet. Dodonaeus.

Stekelbessen, in het Latijn Grossularia. (Ribes uva-crispa)

 

Geslachten.

Hier te lande zijn twee soorten van dit heestergewas, de ene brengt geelachtige en de andere bruinrode stekelbessen voort.

 

 

Vorm.

De eerste en de gewone soort heeft veel witachtige takken die met scherpe dorens bezet en met groene, zachte en breedachtige bladeren bekleed zijn. De bladeren zijn rondom de kanten geschaard en op sommige plaatsen diep ingesneden, van vorm lijken ze op de druivenbladeren hoewel veel kleiner. De graskleurige bloemen komen tussen de bladeren voort waarna de bessen een alleen of twee bij elkaar te voorschijn komen. Ze zijn eerst groen en wrang van smaak, maar als ze rijp worden, worden ze geelachtig van kleur en met zoet, wijnachtig sap gevuld die wit zaad in zich hebben.

De bruinrode stekelbes heeft donkerder en grotere bladeren dan het voorgaande, ook zijn de takken met een bruinpaarse schors bekleed, de bessen zijn ook in het begin groen maar als ze rijp worden krijgen ze een bruinrode of paarse kleur. In andere delen zijn ze de voorgaande gelijk.

 

 

 

Plaats.

De kruisbessen groeien in vrijwel alle hoven van Nederland.

 

Tijd.

Dit heesterachtig gewas spruit zeer vroeg in het jaar uit, te weten in maart of ook wel in februari, het bloeit in april en het laatste van juni worden de bessen volkomen rijp.

Teelt.

Ze worden meestal van wortelspruiten voort geteeld en tot sierboompjes opgekweekt.

 

 

Aard en krachten.

De onrijpe vruchten of kruisbessen zijn koud en droog in de tweede graad en wat tezamen trekkend van krachten. Ze geven weinig voedsel en rauw en koud sap of gijl in het lichaam. De rijpe zijn niet zo tezamen trekkend van aard. Dodonaeus.

 

 

Braem-besien, in ít Latijn Rubus.

 

Geslachten.

De Bramen zijn in wilde ende tamme, die Hinne-besien ofte Framboysen genoemt worden, afgedeelt.

 

Gedaente.

De eerste soorte verspreyt sich wijdt ende breedt met lange buyghsame rancken, die met scherpe doornen versien zijn. Aen dese rancken spruyten de bruyn-groene, maer onder wat witachtige bladeren uyt, de welcke rouw, hart en aen de kanten diep gekerft zijn. De bloemen, die elck van vijf witte bladekens tísamen geset zijn, komen op de toppen van de rancken veel op een, ende schier aerwijs te voorschijn. De vruchten zijn van gedaente en maecksel, hoe wel veel kleynder, de Moerbesien seer gelijck. De wortelen verspreyden sich wijdt langhs de Aerde, op veel plaetsen nieuwe spruyten uytwerpende.

De Hinne-besien zijn de voorgaende soorte in veel deelen gelijck, doch de rancken van dese en zijn soo scherp stekende niet, de bladeren bleecker groen van verwe, ende de vruchten rijp geworden, zijn na haer aert root ofte geelachtigh van koleur. De wortel brenght alle Jaer nieuwe scheuten voort.

 

Plaetse.

De wilde Braem-besien groeyen in dese ende andere landen aen de kanten van de Ackers, in de Bosschen ende op ongebouwde plaetsen. De Hinne-besien ofte Framboysen worden in Nederlandt alleen in de Hoven gevonden.

 

Tijdt.

Beyde dese soorten bloeyen in May ende Juny, maer de vruchten worden in Augustus rijp.

 

Oeffeningh.

De Bramen, om datse van selfs in ít wilde genoegh voort komen, behoeven geen oeffeningh, maer de Framboysen worden in de Hoven door het inleggen der wortelen in de Maent February voort geset, ende in schaduwachtige plaetsen tot heggen ofte aen schuttinge geplant. Men moet in acht nemen dat de struycken, die vruchten gedragen hebben, het volgende jaer uyt gesneden worden, waer door de jonge struycken, die om het tweede Jaer bloemen ende vruchten dragen, veel vruchtbaerder worden.

 

Aert en Krachten.

De jonge bladeren en de onrijpe vruchten zijn kout en droogh van aert, naer sommiger stellinge tot in den derden graet, ende daerom sterckelijck tísamen-treckende van krachten. De Framboysen zijn soo kout, droogh ende tísamen-treckende niet. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor heete sweeringe en swellinge van de Mont, Tonge ende Keel: Neemt jonge Braem-besien-bladeren een handt vol, onrijpe vruchten vier loot, gekneust zijnde, koockt het op in schoon Water tot een half pint, ende door gesegen zijnde, doetíer by ongepijnde Honingh anderhalf loot, menght dit te samen om de Mont daer mede te gorgelen ende te spoelen. Matthiolus.

Om de bloeyende Speenen ofte Aembeyen te stoppen: Neemt jonge Braem-besien-bladeren soo veel van nooden is, stootse kleyn ende leghtse op het Fondament. Dodonaeus.

Voor Schurftheyt des Hoofts, ende loopende Seeren: Neemt de jonge bladeren ende onrijpe vruchten van elcks een handt vol, koocktse in Wijn, waer mede ghy het Hooft ofte de Seeren wasschen sult. Ravelingius.

Voor ít Graveel: Galenus prijst hier tegen de wortelen van Braem-besien, Plinius de bloemen en Braem-besien selfs in Wijn gesoden ende die gedroncken.

Bramen, in het Latijn Rubus. (Rubus fruticosus en Rubus caesius, Rubus idaeus de hinnebes of framboos)

 

Geslachten.

De bramen zijn in wilde en tamme die hinnebes of frambozen genoemd worden verdeeld.

 

Vorm.

De eerste soort spreidt zich wijd en zijd uit met lange, buigzame ranken die met scherpe dorens bezet is. Aan deze ranken spruiten de bruingroene, maar van onderen wat witachtige bladeren uit die ruw, hard en aan de kanten diep gekerfd zijn. De bloemen die elk van vijf witte blaadjes tezamen gesteld zijn komen op de toppen van de ranken veel en vrijwel aarvormig bijeen te voorschijn. De vruchten lijken zeer veel qua gedaante en vorm op de moerbei, hoewel veel kleiner. De wortels verspreiden zich wijd langs de aarde en werpen op veel plaatsen nieuwe spruiten uit.

De framboos is de voorgaande soort in veel delen gelijk, maar de ranken van deze steken niet zo erg, de bladeren zijn bleker groen van kleur en de rijpe vruchten worden naar hun aard rood of geelachtig van kleur. De wortel brengt alle jaren nieuwe scheuten voort.

 

Plaats.

De wilde bramen groeien in deze en andere landen aan de kanten van de akkers, in de bossen en op ongebouwde plaatsen. De hinnebes of framboos wordt in Nederland alleen in de hoven gevonden.

 

Tijd.

Beide deze soorten bloeien in mei en juni, maar de vruchten worden in augustus rijp.

 

Teelt.

Omdat de bramen uit zichzelf genoeg in het wild voor komen hoeven ze niet geteeld te worden, maar de frambozen worden in de hoven door het afleggen van de wortels in de maand februari voortgeteeld en in schaduwachtige plaatsen tot heggen of aan schuttingen geplant. Men moet er om denken dat de takken die vrucht gedragen hebben het volgende jaar er uit gesneden worden waardoor de jonge twijgen die om het tweede jaar bloem en vrucht dragen veel vruchtbaarder worden.

 

 

Aard en krachten.

De jonge bladeren en de onrijpe vruchten zijn koud en droog van aard, sommige stellen het tot in de derde graad, daarom zijn ze sterk tezamen trekkend van krachten. De frambozen zijn niet zo koud, droog en tezamen trekkend. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen hete zweren en zwelling van de mond, tong en keel: Neem van jonge braambladeren een hand vol, van de onrijpe vruchten vier lood en als die gekneusd zijn kook het op in schoon water tot een half pint, als het doorgezeefd is doe er anderhalf lood ongemengde honing bij, meng dit tezamen om de mond daarmee te gorgelen en te spoelen. Matthiolus.

Om de bloedende spenen of aambeien te stoppen: Neem van jonge braambladeren zoveel als nodig is, stamp ze klein en leg ze op het fondament. Dodonaeus.

Tegen schurft van het hoofd en lopende zeren: Neem van de jonge bladeren en onrijpe vruchten van elk een hand vol, kook ze in wijn waarmee ge het hoofd of het zeer wassen zal. Ravelingius.

Tegen de nierstenen: Galenus prijst hiertegen de wortels van braam, Plinius de bloemen en bramen zelf die in wijn gekookt en gedronken worden.

 

 

Prang-wortel ofte Stal-kruydt, in ít Latijn Ononis, Resta bovis.

 

Geslachten.

Dit Gewas wort in Prang-wortel met doornen, sonder doornen, ende leggende Prang-wortel sonder doornen onderscheyden.

 

Gedaente.

De gemeene Prang-wortel met doornen wast niet hooger dan een span ofte twee, veel dunne ende taye tackskens uytwerpende, die in ledekens verdeelt ende met scherpe doornen beset zijn, aen dese groeyen kleyne rondtachtige doncker-groene bladekens, ende paers-achtige ofte lijf-verwige bloemkens, van gedaente de Erwte-bloemen niet ongelijck, dese zijn zelden heel wit ofte geel, na de bloemkens volgen kleyne hauwkens met plat zaet vervult. De wortel, die seer hart is spreyt sich lanck uyt.

 

Plaetse.

Men vindt dit gewas in Brabant ende andere Landen van Nederlandt, op de Bouw-landen en de neffens de kanten van de selve.

 

Tijdt.

In de Lente spruyten de nieuwe bladeren en scheutkens uyt, de bloemen komen in Juny, July ende Augustus te voorschijn.

 

Aert en Krachten.

De wortel ende voornamentlijck de schorsse, is warm en droog in het begin van den derden graet, afvagende, dun makende, ende doorsnijdende van krachten. Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor het Graveel ende om de Steen te breken: Neemt van de gedrooghde schorsse van de wortel een vierendeel loots, ende geeft ít met witte Wijn in. C. Bauhinus.

Voor de Ambeyen ofte Speenen: Neemt van de wortelen vier loot, koockt het in Wijn tot een pint, ende laet hier twee ofte drie mael daeghs een roemertje vol van drincken. Dodonaeus.

Voor verstoptheyt van Lever en Milt, om de Maent-stonden te bevorderen, ende den Urijn af te drijven: Neemt Water dat met Wijn van de wortelen gedistilleert is vier loot, ende geeft het in een reys te gebruycken. Fuchsius.

Voor ít Vleesch Scheursel: Mathhiolus. versekert dat hy een Man gekent heeft, die het poeder van dese wortel veel maenden lanck achter een ingenomen hebbende, van het Vleesch Scheursel genesen is geweest. Matthiolus.

Prangwortel of stalkruid, in het Latijn Ononis, Resta bovis. (Ononis repens, met subsp. spinosa en subsp. repens)

 

Geslachten.

Dit gewas wordt in prangwortel met dorens, zonder dorens en liggende prangwortel zonder dorens onderscheiden.

Vorm.

De gewone prangwortel met dorens groeit niet hoger dan een twintig cm die veel dunne en taaie twijgen geeft, in leden verdeeld en met scherpe dorens bezet zijn. Hieraan groeien kleine rondachtige, donker groene blaadjes en paarsachtige of vleeskleurige bloempjes die qua vorm veel op die van de erwtenbloemen lijken die zelden geheel wit of geel zijn. Hierna volgen kleine hauwtjes die met platte zaden gevuld zijn. De wortel, die zeer hard is, spreidt zich lang uit.

 

Plaats.

Men vindt dit gewas in Brabant en andere landen van Nederland op de bouwlanden en daarnaast aan de kanten.

 

Tijd.

In de lente spruiten de nieuwe bladeren en scheuten uit, de bloemen komen in juni, juli en augustus te voorschijn.

 

Aard en krachten.

De wortel en voornamelijk de schors is warm en droog in het begin van de derde graad, afvegende, dun makende en doorsnijdend van krachten. Fuchsius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de nierstenen en om de steen te breken: Neem van de gedoogde schors van de wortel een vierendeel lood en geef het met witte wijn in. C. Bauhinus.

Tegen de aambeien of spenen: Neem van de wortels vier lood, kook het in wijn tot een pint en laat hiervan twee of drie keer per dag een roemertje vol drinken. Dodonaeus.

Tegen verstopping van lever en milt, om de maandstonden te bevorderen en om de urine af te drijven: Neem water dat met wijn van de wortels gedistilleerd is vier lood en geef het in een keer te gebruiken. Fuchsius.

Tegen het breuk: Mathhiolus. verzekert dat hij een man gekend heeft die het poeder van deze wortel vele maanden lang achtereen ingenomen heeft en van het breuk genezen is. Matthiolus.

 

 

Hagedoorn, in ít Latijn Spina acuta, Oxyacantha.

 

Gedaente.

De Hagedoorn blijft meest heel leegh, ende wordt als dan onder de Heesters gerekent, somtijdts schietse door naerstige oeffeningh hoogh op tot een volkomen Boom. De stam ofte dicke struycken zijn met een asch-verwige schorsse bekleedt, ende de tacken met seer scherpe doornen versien, waer aen de groen blinckende ende breedtachtige bladeren, die aen de kanten diep gekerft zijn, groeyen. De witte ende soet-rieckende bloemen komen krans- ofte kroons-wijs te voorschijn. De vruchten zijn ronde roode besien, wit zaet in sich besluytende. De wortel sinckt diep ende vast in de Aerde.

 

Plaetse.

De Hagedoorn is over al wel bekent, van self in de Bosschen, aen de kanten van de Wegen en Bouw-landen voort spruytende, ofte rontom de Hoven ende Boomgaerden tot beschuttinge ofte heyningen geplant.

 

Tijdt.

De bladeren spruyten in April voort, de bloemen in May, ende de besien worden in Augustus ofte September rijp.

 

Oeffeningh.

De Hagedoorn, die men tot heyningen planten sal wordt in dese en andere Landen van zaet aengewonnen.

 

Aert en Krachten.

De vruchten zijn verdroogende van aert, tísamen-treckende van krachten, ende dun van deelen ofte fijn van stoffe. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Buyck-loop ende overvloedige Maent-stonden: Neemt verdrooghde Hagedoorn-besien een vierendeeel loots, geeft het met roode Wijn ofte gestaelt water in. Dioscorides.

Voor ít Graveel ende de Steen:Neemt het zaet gestooten zijnde een half vierendeel loots, ende neemt het met Wijn ofte eenige dranck in. Fuchsius.

Om Doornen, Yser ofte Angelen uyt de Wonden te trecken: Neemt de wortel, stootse kleyn, ende leghtse plaesterwijs op. Dodonaeus.

Haagdoorn, in het Latijn Spina acuta, Oxyacantha. (Crataegus monogyna)

 

Vorm.

De hagedoren blijft meest heel laag en wordt dan onder de heesters gerekend, soms schiet het door goede kweekwijze hoog op tot een volkomen boom. De stam of dikke takken zijn met een askleurige schors bekleed en de takken met zeer scherpe dorens voorzien, waaraan groen blinkende en breedachtige bladeren groeien die aan de kanten diep gekerfd zijn. De witte en zoet ruikende bloemen komen krans- of kroongewijs te voorschijn. De vruchten zijn ronde, rode bessen die wit zaad in zich hebben. De wortel zinkt diep en vast in de aarde.

 

 

Plaats.

De hagedoren is over al goed bekend die vanzelf in de bossen, aan de kanten van de wegen en bouwlanden voortspruit of rondom de hoven en boomgaarden als beschutting of heg geplant wordt.

 

Tijd.

De bladeren spruiten in april uit, de bloemen in mei en de bessen worden in augustus of september rijp.

 

Teelt.

De hagedoren die men als een heg planten zal wordt in deze en andere landen van zaad voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De vruchten zijn verdrogend van aard, tezamen trekkend van krachten en dun van delen of fijn van stof. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen buikloop en overvloedige maandstonden: Neem van gedroogde meidoornessen een vierendeeel lood en geef het met rode wijn of gestaald water in. Dioscorides.

Tegen de nierstenen en steen: Neem van het zaad dat gestampt is een half vierendeel lood en neem het met wijn of een andere drank in. Fuchsius.

Om dorens, ijzer of een angel uit de wonden te trekken: Neem de wortel, stamp ze klein en leg het pleistergewijze op. Dodonaeus.

 

 

Slee-doorn ofte wilde Pruym-boom, in ít Latijn Prunum Silvestre.

 

Gedaente.

Dit heester-gewas heeft harde ende houtachtige tacken, op veel plaetsen met scherpe doornen beset, waer aen de bladeren, de tamme Pruym-boom bladeren, hoewel kleynder, smalder ende harder, niet ongelijck, uytspruyten. Het draegt witte Bloemen, ende kleyne ronde Pruymkens, uyt den blaeuwen wat groenachtigh van verwen, ende uyt den suuren seer wringende van smaeck. De wortel is seer taey, sich wijt ende breedt verspreydende.

 

Plaetse.

De Slee-doorn wordt in veel Provincien van Nederlandt aen de kanten van de Ackers ende by de wegen by de Hagedoorn overvloedig genoeg gevonden.

 

Tijdt.

Dit gewas draegt sijn bloemen in April, maer sijn vruchten worden eerst in de Herfst rijp, uyt de welcke men als dan het sap parst ende drooght, ít welck in de Apoteken Succus Acaciae genoemt werdt.

 

Aert en krachten.

De vruchten ofte Slee-pruymen zijn koudt ende droogh tot in den derden graet, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. Dodonaeus.

De bloemen maecken den Buyck weeck ende suyveren de Nieren, van de selve wort een Syroop op de manier als van de Roosen bereydt. Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor alderhande Buyck-loop uyt heete oorsaecke ontstaen, ende overvloedige Maent-stonden: Neemt het uytgedrooghde Slee-sap een vierendeel loots, en neemt het in met eenigh bequaem nat. Dodonaeus.

Voor vierigheydt van de Mont, Tant-vleesch ende Keel, oock voor die geene die veel quijlen en severen, na datse van de Pocken genesen zijn: Neemt Slee-pruymen een handt vol, koocktse in gestaelt water (47) tot een pint, doetíer by twee oncen Honing van Roosen, mengt dit te samen om daer mede de Mondt te spoelen ende te gorgelen. Brunfelsus.

Voor het Bloeden uyt de Neus: Neemt uytgedrooght sap van de Slee-pruymen een loot, laet het smelten in Weeghbreesap soo veel genoegh is, ende slaet dit met doecken voor het voor-hooft. Fuchsius.

Voor stekinge omtrent de Maeg, ít Herte ende de Zijden, als mede om de Wormen des Buycks te dooden: Neemt water van de bloemen gedistilleert vier oncen, ende laet het op een reys innemen. Dodonaeus.

Sleedoren of wilde pruimenboom, in het Latijn Prunum silvestre. (Prunus spinosa)

 

Vorm.

Dit heestergewas heeft harde en houtachtige takken die op veel plaatsen met scherpe dorens bezet zijn waaraan de bladeren uitspruiten die op de tamme pruimboombladeren lijken hoewel ze kleiner, smaller en harder zijn. Het draagt witte bloemen en kleine ronde pruimpjes die uit het blauwe wat groenachtig van kleur zijn en uit het zuren wat zeer wringend van smaak. De wortel is zeer taai die zich wijd en breed verspreid.

 

Plaats.

De sleedoren wordt in veel provincies van Nederland aan de kanten van de akkers en bij de wegen bij de hagedoren overvloedig genoeg gevonden.

 

Tijd.

Dit gewas draagt zijn bloemen in april, maar zijn vruchten worden pas in de herfst rijp waaruit men dan het sap perst en droogt dat in de apotheken Succus Acaciae genoemd wordt.

 

Aard en krachten.

De vruchten of sleepruimen zijn koud en droog tot in de derde graad en sterk tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus.

De bloemen maken de buik week en zuiveren de nieren, hiervan wordt ook een siroop op de manier als van rozen gemaakt. Schroderus.

 

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen allerhande buikloop die uit hete oorzaken zijn ontstaan en overvloedige maandstonden: Neem van het uitgedroogde sleedorensap een vierendeel lood en neem het in met enig goed nat. Dodonaeus.

Voor vurigheid van de mond, tandvlees en keel, ook voor diegene die veel kwijlen en bibberen nadat ze van de pokken genezen zijn: Neem van sleedorenpruimen een hand vol, kook ze in gestaald water tot een pint, doe er twee ons honing van rozen bij en meng dit tezamen om daarmee de mond te spoelen en te gorgelen. Brunfelsus.

Tegen neusbloeden: Neem van het uitgedroogd sap van de sleedorenpruimen een lood, laat het smelten in weegbreesap zoveel als genoeg is en sla dit met doeken voor het voorhoofd. Fuchsius.

Tegen steken omtrent de maag, het hart en de zijden, als mede om de wormen van de buik te doden: Neem van het water dat van de bloemen gedistilleerd is vier ons en laat het in een keer in nemen. Dodonaeus.

 

 

Rhijn-besien, in ít Latijn Spina infectoria, Cervi Spina.

 

Gedaente.

Dit is een grootachtige Heester, wiens struyck ofte stam met een Castanie-bruyne-schorsse bekleedt, en de tacken met eenige scherpe doornen versien zijn. De bladeren zijn groen, rondtachtigh ende aen de kanten met kleyne kerven geschaert, ontrent de steelkens van de selve komen de grasverwige bloemen te voorschijn, na de welcke kleyne ronde, eerst groene ende rijp geworden, zwarte besien, een kleyn kernken in sich bevattende, volgen.

 

Plaetse.

Dit Heester-gewas wordt veel in Brabandt ende andere Provintien op ongebouwde plaetsen, ende voornamentlijck aen de kanten van de Beecken en Water-grachten gevonden.

 

Tijdt.

Het draeght sijn bloemen in de May, ende in September worden de besien rijp.

 

Aert en Krachten.

De vruchten ofte besien van dit gewas zijn warm ende droogh tot in den tweeden graet, ende de slijmerige en galachtige vochtigheden, sterckelijck afjagende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de slijmerige ende galachtige vochtigheden te suyveren en af te setten: Neemt van de gedrooghde besien een vierendeel loots, ofte anderhalf, ende geeft dit met Bier ofte Vleesch-sop in. Andere tellen alleen de besien, ende gebruycken daer van op een reys van vijfthien tot twintigh, maer dit genees-middel moet alleen van jonge ende stercke lieden gebruyckt worden. Dodonaeus.

Voor Water-sucht, Flerecijn ende Pocken: Neemt Syroop van het sap van Rhijn-besien, bereydt een ofte twee oncen, Cancel-water een half once, ende geeft dit op een reys in. Ravelingius.

Voor Gicht in Handen en Voeten, ofte andere Ledematen: Neemt het gedistilleerde water van de besien, ende leght het met doecken op de pijnlijcke Leden. Maer noch krachtiger wordt de gedistilleerde Olie geacht. Ravelingius

Rijnbessen, in het Latijn Spina infectoria, Cervi Spina. (Rhamnus infectorius)

 

Vorm.

Dit is een grootachtige heester wiens struik of stam met een kastanjebruine schors bekleed is, de takken zijn met enige scherpe dorens voorzien. De bladeren zijn groen, rondachtig en aan de kanten met kleine kerven geschaard, omtrent hun steeltjes komen de graskleurige bloemen te voorschijn waarna kleine, ronde, eerst groene en als ze rijp worden zwarte bessen volgen die een kleine kern in zich hebben.

 

Plaats.

Dit heestergewas wordt veel in Brabant en andere provincies op ongebouwde plaatsen en voornamelijk aan de kanten van de beken en watergrachten gevonden.

 

Tijd.

Het draagt zijn bloemen in mei en in september worden de bessen rijp.

 

Aard en krachten.

De vruchten of bessen van dit gewas zijn warm en droog tot in de tweede graad en van krachten jagen ze de slijmerige en galachtige vochtigheden sterk af. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de slijmerige en galachtige vochtigheden te zuiveren en af te zetten: Neem van de gedroogde bessen een vierendeel lood of anderhalf en geef dit met bier of vleessap in. Andere tellen alleen de bessen en gebruiken daarvan in een keer vijftien tot twintig stuks, maar dit geneesmiddel moet alleen door jonge en sterke lieden gebruikt worden. Dodonaeus.

Tegen waterzucht, jicht en pokken: Neem een of twee ons siroop van het sap van rijnbessen dat klaar gemaakt is, van kaneelwater een half ons en geef dit in een keer in. Ravelingius

Tegen reuma aan handen en voeten of andere ledematen: Neem het gedistilleerde water van de bessen en leg het met doeken op de pijnlijke leden. Maar noch krachtiger wordt de gedistilleerde olie geacht. Ravelingius.

 

 

Hulst, in ít Latijn Agrifolium.

 

Gedaente.

De struycken en de tacken van de Hulst zijn met een groene schorsse bedeckt, waer aen bruyn-groene bladeren, die in de Winter schoonder, als in de Somer van verwe zijn, groeyen, dese zijn effen ende gladt, maer aen de kanten die met hoecken uytsteken, met scherpe doornen beset. Na de witte ende wel-rieckende bloemen volgen ronde besien, als een Erwte, van verwe roodt, maer onlieffelijck van smaeck, een witte kerne in sich besluytende.

 

Plaetse.

Dit gewas wordt in veel Provincien in ít wilde wassende gevonden, oock worden van de selve schoone Hagen ende Heyningen gemaeckt.

 

Tijdt.

De Hulst staet Somers en ís Winters groen, maer de besien worden in den Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Hulst wordt door afsetsels ende zaet aengeteelt, ende een voet breet van malkanderen tot Heyningen verplant.

 

Aert en Krachten.

De besien van Hulst zijn warm ende droogh van aert, fijn van deelen ende openende van krachten. Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Colijck ende (48) Krimpinge van de Buyck: Neemt tien ofte twaelf van de besien, stootse ende neemtse in, hier door werdt de Buyck los ende weeck gemaeckt, ende veel slijmerige vochtigheden afgeset. Dodonaeus.

Voor Scheursel: Neemt de schorsse van de Wortel, stootse kleyn ende leghtse plaesterwijs op de Breuck. Dodonaeus.

Voor Water-sucht ende de Urijn af te drijven: Neemt assche van gebrande Hulst vier loot, gietíer op een pint Wijn, laet het een nacht warm staen, daer na leckt het door een hypocras sack, doeríer by een once Caneel-water, ende geeft hier tweemael daeghs een roemertje vol van te drincken. Brunfelsiu.

Hulst, in het Latijn Agrifolium. (Ilex aquifolium)

 

Vorm.

De struiken en de takken van de hulst zijn met een groene schors bedekt waaraan bruingroene bladeren komen die in de winter mooier dan in de zomer van kleur zijn. Ze zijn effen en glad maar aan de kanten, die met hoeken uitsteken, met scherpe dorens bezet. Na de witte en welriekende bloemen volgen ronde bessen als een erwt die rood van kleur maar onaangenaam van smaak zijn en een witte kern in zich hebben.

Plaats.

Dit gewas wordt in veel provincies in het wild groeiend gevonden, ook worden hiervan mooie hagen en heiningen gemaakt.

 

 

Tijd.

De hulst staat zomers en ís winters groen, maar de bessen worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

De hulst wordt door afleggers en zaad voortgeteeld en een dertig cm uit elkaar tot heggen verplant.

 

Aard en krachten.

De bessen van hulst zijn warm en droog van aard, fijn van delen en openend van krachten. Fuchsius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen maagpijn en krampen van de buik: Neem tien of twaalf bessen, stamp ze en neem ze in, hierdoor wordt de buik los en week gemaakt en veel slijmerige vochtigheden afgezet. Dodonaeus.

Tegen scheuringen: Neem de schors van de wortel, stamp het klein en leg het pleistergewijs op de breuk. Dodonaeus.

Tegen waterzucht en om de urine af te drijven: Neem van de as van verbrande hulst vier lood, giet er een pint wijn op en laat het een nacht warm staan, laat het dan door een hypocras zak doorlekken, doe er een ons kaneelwater bij en geef hier tweemaal per dag een roemertje vol van te drinken. Brunfelsius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brem, in ít Latijn Genista.

 

Geslachten.

Dit Heestergewas is in Gemeyne Brem, Spaense Brem ende Stekende Brem onderscheyden.

 

Gedaente.

De Gemeyne Brem verkrijgt houtachtige groene struycken, met dunne kantige rijskens begroeyt, waer aen kleyne doncker groene bladekens uyt-spruyten. Tusschen dese bladeren komen schoone geele bloemen te voorschijn, de welcke afgevallen zijnde van lange platte hauwkens ghevolgt worden, die eerst groen ende daer na zwartachtigh zijn ende plat rosachtig zaet in sich besluyten. De wortel is seer hart, wijt en breedt sich uytspreydende. Aen de dunne veeselinge van dese Brem wordt dickwijls een dick knobbelachtigh gewas, Bremrape genaemt, groeyende gevonden.

De Spaense Brem verschilt weynigh van de voorgaende, als alleen datse met weyniger bladeren bewassen is, de bloemen veel grooter, die oock by groote Liefhebbers van gewassen wit gevonden worden, ende de hauwen lanckwerpiger ende zwarter zijn.

De Stekende Brem brenght heel dunne rijskens voort, de welcke noch jong zijnde, met kleyne bladekens ende teere en weecke dorenkens begroeyt zijn, maer ouder gheworden zijnse bladeloos, ende de dorenkens hart ende scherpstekende. De bloemen zijn de Gemeyne Brem-bloemen gelijck, waerna mede kleyne hauwkens, met rondt en roodtachtigh zaet vervult, volgen.

 

Plaetse.

De Gemeyne Brem wordt in verscheyde Provincien van Nederlandt op dorre heyde, aen de kanten van de Ackers, ende in de Bosschen gevonden. De Spaense Brem wordt alleen van de Liefhebbers van gewassen in de Hoven naerstigh onderhouden. Brabandt brenght de Stekende Brem overvloedigh voort.

 

Tijdt.

De Gemeyne ende Stekende Brem draeght bloemen in ít laetste van April ofte begin May, maer de Spaense bloeyt later ende langer als onse Gemeyne Brem.

 

Oeffeningh.

De Gemeyne ende Stekende Brem spruyt in ít wilde van selfs genoegh voort. De Spaense wordt door zaet aengewonnen, maer moet des winters voor de koude sorghvuldigh bewaert worden. Eer dat de Gemeyne Brem-bloemen open gaen (49) ende geel worden, moetmense af-plucken ende in pekel bewaren, de welcke als dan Brem-kappers genaemt worden.

 

Aert en Krachten.

De gemeyne Brem is warm ende droogh in den tweeden graet, van krachten openende, dun makende, afvagende, ende de waterachtige vochtigheden door den stoel-ganck ende Urijn afsettende. De stekende Brem is droogh van aert ende tísamen-treckende van krachten.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Water-sucht: Neemt de bladeren ende topkens van de Brem twee handen vol, koocktse in een pint Wijn, tot dat een derden deel versoden is, door gezegen zijnde, laet hier van nuchteren een roemertje vol van drincken. Ofte neemt Brem-zaet, een vierendeel loots, geeft het met Wijn in. Ofte neemt assche van Brem-struycken gebrant vier loot, maeckt hier van met een pint ofte anderhalf Rijnse Wijn, een klare looge, van de welcke men op een reys twee ofte drie oncen innemen sal. Dodonaeus.

Voor verstoptheyt van de Lever, Milt ende Nieren: Bereyt een Salaet met Olie en Azijn van de Brem-kappers, de welcke ghy voor of in ít laetste van de Maeltijdt eeten sult.

Voor koude Gicht ende Flerecijn: neemt Olie van Olijven, wieckt eenige tijdt in deselve Bloemen van Brem, met desen Olie zult ghy de pijnlijcke Leden smeeren. Fuchsius.

Voor pijn van de Nieren en Blase, Steen ende Graveel: Neemt een Brem-rape, in stucken gesneden zijnde, koocktse in een pint Rijnse Wijn, tot dat een derden-deel verzoden is, ende geeft hier van een roemertje vol nuchteren te drincken. Dodonaeus.

Brem, in ít Latijn Genista. (Cytisus scoparius, Spartium junceum, Genista germanica)

 

Geslachten.

Dit heestergewas is in gewone brem, Spaanse brem en stekende brem verdeeld.

 

Vorm.

De gewone brem krijgt houtachtige, groene takken die met dunne, kantige twijgen begroeid zijn waaraan kleine donker groene blaadjes uitspruiten. Tussen deze bladeren komen mooie gele bloemen te voorschijn. Als die afvallen volgen er lange, platte hauwtjes die eerst groen en daarna zwartachtig worden en plat rozeachtig zaad in zich hebben. De wortel is zeer hard en breidt zich wijd en breed uit. Aan de dunne worteltjes van deze brem wordt vaak een dik knobbelachtig gewas, bremraap genoemd gevonden. (Orobanche rapum-genistae)

De Spaanse brem verschilt weinig van het voorgaande, alleen dat ze met minder bladeren begroeid is, de bloemen veel groter zijn die ook door grote liefhebbers van gewassen wit gevonden wordt en de hauwen langwerpiger en zwarter zijn.

De stekende brem brengt heel dunne twijgen voort die als ze nog jong zijn met kleine blaadjes en tere, zachte dorens begroeid zijn, maar als ze ouder worden zijn ze bladloos, de dorens hard en steken scherp. De bloemen zijn de gewone brembloemen gelijk waarna ook kleine hauwtjes volgen die gevuld zijn met rond en roodachtig zaad.

 

 

Plaats.

De gewone brem wordt in verschillende provincies van Nederland op dorre heide, aan de kanten van de akkers en in de bossen gevonden. De Spaanse brem wordt alleen door de liefhebbers van gewassen in de hoven vlijtig onderhouden. Brabant brengt de stekende brem overvloedig voort.

 

Tijd.

De gewone en stekende brem dragen bloemen in het laatste van april of begin mei, maar de Spaanse bloeit later en langer dan onze gewone brem.

 

Teelt.

De gewone en stekende brem spruiten in het wild vanzelf genoeg voort. De Spaanse wordt door zaad voort geteeld maar moet Ďs winters tegen de koude zorgvuldig beschermd worden. Voordat de gewone brembloemen opengaan en geel worden moet men ze afplukken en in pekel bewaren die dan bremkappers genoemd worden.

 

Aard en krachten.

De gewone brem is warm en droog in de tweede graad, van krachten openend, dun makend, afvegend en zet de waterachtige vochtigheden door de stoelgang en urine af. De stekende brem is droog van aard en tezamen trekkend van krachten.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen waterzucht: Neem van de bladeren en topjes van de brem twee handen vol, kook ze in een pint wijn tot dat een derde deel verkookt is, als dit doorgezeefd is laat hiervan nuchter een roemertje vol van drinken. Of neem een vierendeel lood bremzaad en geef het met wijn in. Of neem vier lood van de as van verbrande bremstengels en maak hiervan met een pint of anderhalf Rijnse wijn een heldere loog waarvan men in een keer twee of drie ons van zal innemen. Dodonaeus.

Tegen verstopping van de lever, milt en nieren: Maak een salade met olie en azijn van de bremkappers die ge voor of op het eind van de maaltijd zal eten.

Tegen koude jicht en reuma: neem olie van olijven, week die enige tijd in de bloemen van brem en met deze olie zal ge de pijnlijke leden besmeren. Fuchsius.

Tegen pijn van de nieren en blaas, steen en nierstenen: Neem de in stukken gesneden bremraap, kook het in een pint Rijnse wijn tot dat een derde deel verkookt is en geef hiervan een roemertje vol nuchter te drinken. Dodonaeus.

 

 

Cytisus Maranthae.

 

Gedaente.

Dit Gewas heeft houtachtige getackte struycken, van drie voeten hoogh. De bladeren wassen altijt drie by een gevoeght gelijck klaver-bladeren, die neffens de steelen wat grijsachtigh zijn. Op het opperste der steelen draeght het gout-geele Bloemen die van de Brem gelijck zijn en worden van platte en halve Maens-wijze Zaethauwkens gevolgt. De Wortel is in veel faselingen verspreyt.

 

Plaetse.

Het wordt in de Nederlanden alleen by sommige Liefhebbers in de Hoven gevonden.

 

Tijt.

Het draeght sijn Bloemen in July.

 

Oeffeningh.

Het wordt door Zaet, ofte afgescheurde tackens, in de Lente in de Aerde gesteken, aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De bladeren van de Cytisus zijn verkoelende van aert, verteerende en scheydende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor eerst beginnende Geswellen: Neemt de versche ghestooten bladeren, menghtse met kruym van broot, en leght het Pap-wijs op. Dioscorides.

Om de Melck in der Vrouwen Borsten te vermeerderen: Bereydt een af-zietsel van de gedrooghde Bladeren met Water, en laet hier van met Wijn vermengt zijnde, dickwils drincken. Columnella, Plinius.

Cytisus Maranthae.

(Cytisus sessililifolius)

 

Vorm.

Dit gewas heeft houtachtige, vertakte stengels van een meter hoog. De bladeren groeien altijd drie bijeen net als klaverbladen, ze zijn naast de steel wat grijsachtig. Op het opperste van de stelen draagt het goudgele bloemen die van de brem gelijk zijn, ze worden door platte en halve maanvormige zaadhauwtjes gevolgd. De wortel is in veel worteltjes verspreid.

 

Plaats.

Het wordt in Nederland alleen bij sommige liefhebbers in de hoven gevonden.

 

Tijd.

Het draagt zijn bloemen in juli.

 

Teelt.

Het wordt door zaad of afgescheurde twijgen die in de lente in de aarde gestoken worden voort geteeld.

 

Aard en krachten

De bladeren van deze Cytisus zijn verkoelend van aard, verteren en scheidend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen pas beginnende zwellen: Neem de verse gestampte bladeren, meng ze met kruim van brood en leg het papgewijs op. Dioscorides.

Om de melk in de vrouwenborsten te vermeerderen: Maak een afkooksel van de gedroogde bladeren met water en laat hiervan als het met wijn vermengd is dikwijls drinken. Columnella, Plinius.


 

Heyde, in ít Latijn Erica.

 

Geslachten.

Van dit gewas wort in Nederlant twee soorten gevonden, te weten, kleyne ende groote Heyde.

 

Gedaente.

De kleyne Heyde is een heesterachtigh ghewas, niet hooger dan een spanne met veel dunne rijskens opschietende, ende met veel kleyne harde bladekens, die van de Tamarisch ofte Cypres-boom niet ongelijck, begroeyt. De kleyne bleeck-roode ofte lijfverwige Bloemkens, komen van het midden der rijskens tot aen de toppen der selver te voorschijn, de houtachtige wortel verbreyt zich langhs het opperste der Aerde.

De groote Heyde schiet anderhalf ofte twee voeten hoogh, wiens houtachtighe (50) tackens met een bruyne schorsse bedeckt ende met seer kleyne bladekens, den ghemeyne Tijm, hoewel veel kleynder, gelijck rondtom bewassen zijn. De lanckwerpige bleeck-paersse Bloemkens zijn binnen hol ende voor open, die aen de toppen van de tackens nederwaerts af-hangende, vijf ofte zes by een voort-spruyten.

 

Plaetse.

De dorre ende magere ongebouwde Bergen ende Velden van Nederlandt, ende andere Landen zijn overvloedigh met dese heesterachtige gewassen bekleet ende werden daerom gemeenlijck Heyden genaemt.

 

Tijdt.

De Heyde bloeyt den geheelen Somer door.

 

Aert en Krachten

De Heyde is warm ende merckelijck droogh van aert, verteerende, scheydende ende ontdoende van krachten. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor de witte Vloet der Vrouwen ende vierden-daeghse Koortsen: Bereydt van de Bloemen met Suycker een Conserf, ende geeft hier van des morgens ende des avondts de groote van een Note Muscaet in. Dodonaeus.

Heide, in ít Latijn Erica. (Erica tetralix, Calluna vulgaris)

 

Geslachten.

Van dit gewas worden in Nederland twee soorten gevonden, te weten kleine en grote heide .

Vorm.

De kleine heide is een heesterachtig gewas dat niet hoger dan een zeventien cm met veel dunne twijgjes opschiet en met veel kleine, harde blaadjes begroeid is die veel lijken op die van de Tamarix of cypresboom. De kleine bleek rode of vleeskleurige bloempjes komen daar van het midden van de twijgen tot aan de toppen te voorschijn. De houtachtige wortel verspreidt zich langs het opperste van de aarde.

De grote heide schiet wel vijf en veertig cm hoog op wiens houtachtige takjes met een bruine schors bedekt en met zeer kleine blaadjes rondom begroeid zijn die wat op de gewone thym lijken hoewel veel kleiner. De langwerpige bleek paarse bloempjes zijn van binnen hol en voor open die aan de toppen van de takjes naar beneden hangen en met vijf of zes bijeen voortkomen.

 

Plaats.

De dorre en magere, ongebouwde bergen en velden van Nederland en andere landen zijn overvloedig met deze heesterachtige gewassen bekleed en daarom worden ze gewoonlijk heide genoemd.

 

Tijd.

De heide bloeit de gehele zomer door.

 

Aard en krachten.

De heide is warm en opmerkelijk droog van aard, verteert, scheidt en ontdoet van krachten. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de witte vloed van de vrouwen en malaria: Maak van de bloemen met suiker een konserf en geef hiervan Ďs morgens en Ďs avonds de grootte van een notenmuskaat in. Dodonaeus.

 

 

Krake-besien, in ít Latijn Vaccinium.

 

Geslachten.

De Krakebesien zijn in twee soorten onderscheyden, het eene draeght uyt den blaeuwen zwarte Besien, in Hollandt ende andere Plaetsen Blaeuw-bessen gemeenlijck genaemt worden, het andere brenght roode vruchten voort.

 

Gedaente.

De eerste ende gemeynste soorte van Krake-besien, is een kleyn heesterachtigh gewas, wiens dunnen tackens met een groene schorsse bekleet zijn, waer aen rondtachtige doncker-groene bladeren, aen de kanten een weynigh gekerft, uytspruyten. Tusschen de bladeren ende langs de tackens komen de ronde, holle, ende voor opene Bloemkens te voorschijn, naer de welcke ronde Besien volgen, die sich eerst groen, daer na root, ende eyndelick uyt den blaeuwen zwart van verwe vertoonen. De Wortel is tay ende lanck

De tweede soorte, ofte roode Krake-besien, heeft grooter ende harder Bladeren als de zwarte, die oock des Winters de koude wederstaen konnen. De Bloemkens zijn lanckwerpigh, lijf-verwigh root, ende met kleyne draeykens in het midden uytstekende verciert, ende aen het opperste van de tacken tros-wijs voort-spruytende. De Besien zijn van de gedaente de Blaeuw-besien gelijck, maer root van verwe, wrangh van smaeck, ende niet heel sappigh.

 

Plaetse.

De Swarte Krake-besien groeyen overvloedigh op dorre gronden, ende ongebouwde boschachtige plaetsen van Nederlandt, en andere Landen. De Roode Krake-besien worden in sommighe schaduwachtige Bosschen van Brabandt gevonden.

 

Tijdt.

De eerste soorte verkrijght nieuwe Bladeren in de Lente, als wanneer oock de Bloemen volgen, maer de vruchten beginnen in ít laetste van Juny rijp te worden. De tweede soorte bloeyt in May, ende draeght in Juny ende July rijpe Besien.

 

Aert en Krachten.

De vruchten van beyde dese Gewassen zijn verkoelende ende drooghmakende tot in den tweeden graedt, ende daer by tísamen-treckende van krachten.

 

Medicinael gebruyck.

Voor onmatige hitte des Ingewants, ende het Bort uyt galachtige vochtigheden ontstaen: Hier tegen konnen de rijpe Besien gegeeten ende gebruyckt worden, maer veel dienstiger soude zijn het sap met Suycker tot een Conserf ofte Rob, gelijck men van de Aelbesien bereyt, gekoockt, ende dickwils daer van in-genomen.

Kraakbes, in het Latijn Vaccinium. (Vaccinium myrtillus, de rode Vaccinium vitis-idaea)

 

Geslachten.

De krakebessen zijn in twee soorten verdeeld, de ene draagt uit het blauwe zwarte bessen die in Holland en andere plaatsen gewoonlijk blauwe bessen genoemd worden, de andere brengt rode vruchten voort.

 

Vorm.

De eerste en gewoonste soort van krakebessen is een klein heesterachtig gewas wiens dunne twijgjes met een groene schors bekleed zijn waaraan rondachtige, donker groene bladeren zitten die aan de kanten wat gekerfd zijn. Tussen de bladeren en langs de twijgjes komen de ronde, holle en voor open bloempjes te voorschijn waarna ronde bessen volgen die eerst groen, daarna rood en uiteindelijk uit het blauwe zwart van kleur worden. De wortel is taai en lang

De tweede soort of de rode krakebes heeft grotere en hardere bladeren dan de zwarte die ook Ďs winters tegen de koude kunnen. De bloempjes zijn langwerpig, vleeskleurig rood en met kleine meeldraadjes versierd die in het midden uitsteken, ze ontspringen aan de toppen van de twijgen trosgewijze. De bessen zijn van de blauwe bessen van vorm gelijk, maar rood van kleur, wrang van smaak en niet zo sappig.

 

 

Plaats.

De zwarte krakebessen groeien overvloedig op dorre gronden en ongebouwde, bosachtige plaatsen van Nederland en andere landen. De rode krakebessen worden in sommige schaduwachtige bossen van Brabant gevonden.

 

 

Tijd.

De eerste soort krijgt nieuwe bladeren in de lente in de tijd dat ook de bloemen volgen, maar de vruchten beginnen in het laatste van juni rijp te worden. De tweede soort bloeit in mei en draagt in juni en juli rijpe bessen.

.

 

Aard en krachten.

De vruchten van beide gewassen zijn verkoelend en maken droog tot in de tweede graad en zijn daarbij tezamen trekkend van krachten.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen onmatige hitte van de ingewanden en het bort dat uit galachtige vochtigheden ontstaan is: Hiertegen kunnen de rijpe bessen gegeten en gebruikt worden, maar veel dienstiger zou zijn als het sap met suiker tot een konserf of rob, net zoals men die van de aalbessen maakt, kookt en dikwijls daarvan inneemt.

 

 

Veen-besien, in ít Latijn Vaccinia Palustra.

 

Gedaente.

Dit Gewas, ít welck een water-soorte van Krake-besien is heeft dunne(51) rootachtige steelkens, met kleyne bladekens als die van de Quendel, beladen, op wiens toppen de Bloemkens voort spruyten, die van Peer-wijse Besien, root van verwe, ende suurachtigh van smaeck, ghevolght worden. De Wortel die tamelijck dik is, verspreyt sich dwars in de aerde, bovenwaerts veel dunne faselingen uytwerpende.

 

Plaetse.

Dit ghewas wordt in de veenachtige gronden van Hollandt, ende andere Provincien gevonden.

 

Tijdt.

Het brenght sijn rijpe Besien in July ende Augustus voort.

 

Aert en Krachten.

De Veen-besien zijn kout en droogh van aert, ende een weynigh tísamen-treckende van krachten. Dese werden oock een besondere kracht tegen den Scheur-buyck toegeschreven. Dodonaeus.

Veenbessen, in ít Latijn Vaccinia Palustra. (Oxycoccus palustris)

Vorm.

Dit gewas, dat een watersoort van krakebes is, heeft dunne, roodachtige steeltjes die met kleine blaadjes als die van quendel begroeid zijn en op wiens toppen de bloempjes voort komen die door peerachtige bessen, rood van kleur en zuurachtig van smaak, gevolgd worden. De wortel is tamelijk dik en verspreidt zich dwars in de aarde, werpt aan de bovenkant vele dunne worteltjes uit.

 

 

Plaats.

Dit gewas wordt in de veenachtige gronden van Holland en andere provincies gevonden.

 

 

Tijd.

Het brengt zijn rijpe bessen in juli en augustus voort.

 

Aard en krachten.

De veenbessen zijn koud en droog van aard en wat tezamen trekkend van krachten. Deze worden ook een bijzondere kracht tegen de scheurbuik toegeschreven. Dodonaeus.

 

 

Gagel, in ít Latijn Myrtus Brabantica.

 

Gedaente.

Dit houtachtigh Heester-gewas wordt selden anderhalf voet hoogh gevonden, uytbreydende bruyne tackens, die met harde breedtachtige lange bladeren, die van de Myrtus-boom niet ongelijck, bewassen zijn. De kleyne geele ende aer-wijs by een vergaderde Bloemkens spruyten voort op besondere steelkens, die tusschen de tackens te voorschijn komen. De doorn-achtige Zadekens zijn bitter van smaeck, met een geel Olie-achtigh sap vervult. De Wortel is hardt ende taey.

 

Plaetse.

Gagel wordt overvloedig op ongebouwde doch vochtighe gronden ende Heyde van Brabandt ende Vlaenderen ghevonden.

 

Tijt.

Dit ghewas bloeyt in May ende Juny, maer in Augustus draeght het volkomen ende rijp Zaet.

 

Aert en Krachten.

De Gagel ende voornamentlijck het Zaet is warm ende droogh van aert, ende door een besondere eygenschap den Herssenen schadelijck, ende lichtelijck dronckenschap verweckende. Dodonaeus.

Gagel, in het Latijn Myrtus Brabantica. (Myrica gale)

Vorm.

Dit houtachtige heestergewas wordt zelden vijf en veertig cm hoog gevonden. De uitspreidende dunne, bruine takken zijn met harde, breedachtige en lange bladeren begroeid die veel op die van de myrtenboom lijken. De kleine gele en aarvormige bijeen verzamelde bloempjes spruiten voort op aparte steeltjes die tussen de twijgen te voorschijn komen. De dorenachtige zaadjes zijn bitter van smaak en met een geel olieachtig sap gevuld. De wortel is hard en taai.

 

Plaats.

Gagel wordt overvloedig op ongebouwde maar vochtige gronden en heide van Brabant en Vlaanderen gevonden.

 

Tijd.

Dit gewas bloeit in mei en juni, maar in augustus draagt het volkomen en rijp zaad.

 

Aard en krachten.

De gagel en voornamelijk het zaad is warm en droog van aard en door een bijzondere eigenschap de hersens schadelijk, verwekt gemakkelijk dronkenschap. Dodonaeus.

 

 

Sporcken-hout, in ít Latijn Frangula.

 

Gedaente.

Uyt de wortel van Sporcken-hout ontspruyten veel rechte, dunne struycken ofte rijsen, die 10 ofte 12 voeten lanck zijn. De schorsse is uytwendigh bruyn-zwart, met graeuwe plackskens bespickelt, onder dese schuylt noch een Safferaen-geel velleken ofte middel-schorsse naest aen het hout gelegen. ít Hout is wit en voos in ít midden met eenigh rosachtigh mergh gevult. De bruyn-groene bladeren hebben de gedaente van de Kriecken-bladeren maer (52) sy zijn nochtans wat ronder. Aen de oorsprongh der selver spruyten de witte bloemkens elck op een besonder steelken voort, na dese siet men de vruchten, die eerst groene, daer na roode, ende eyndelick zwartachtige Besien zijn, die wel ront, nochtans in ít midden door een diepe klove in twee deelen gedeelt schijnen te zijn, dese bevatten in sich twee kleyne kernkens. De wortel sinckt niet diep in de Aerde.

 

Plaetse.

In de vochtige bosschen van Brabandt is dit gewas overvloedigh te vinden.

 

Tijdt.

De bladeren ende bloemen komen in de Lente te voorschijn, maer de Besien worden in de herfst volkomen rijp.

 

Aert en Krachten.

De binnenste geele schorsse van het Sporcken-hout, ende voornamentlijck van de wortel, doet sterckelijck Braken ende ter Stoel gaen, afdrijvende veel waterachtige ende galachtige onsuyverheden. Dodonaeus, Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Om de dicke, slijmerige en galachtige vochtigheden te purgeeren: Neemt van de geele schorsse een half loot, Kaneel, Anijs-zaet, van elcks een half vierendeel loots, weeckt ende koockt dit te samen in genoeghsaem Water om voor een reys te gebruycken. Dodonaeus.

Voor Tandt-pijn, ende rottende Tanden: Neemt van de schorsse een halve hant vol, koockt die op in Azijn, ende spoelt de Mont hier mede. Dodonaeus.

Voor Schurfheydt: Neemt de schorsse soo veel genoegh is, ziedse op in Boter in een panne, ofte neemt Azijn-daer inde schorsse gesoden zijn, ende bestrijckt het Schurft daer mede. Matthiolus.

Sporkelhout, in het Latijn Frangula. (Rhamnus frangula)

 

Vorm.

Uit de wortel van sporkehout spruiten vele rechte, dunne struiken of twijgen die drie of drie en een halve meter lang zijn. De schors is uitwendig bruinzwart en met grauwe plekjes bespikkeld, hieronder zit nog een saffraangeel velletje of middenschors die dicht tegen het hout aan zit. Het hout is wit en voos en in het midden met wat rozeachtig merg gevuld. De bruingroene bladeren hebben de vorm van de kriekenbladeren maar ze zijn nochtans wat ronder. Aan de oorsprong hiervan komen de witte bloempjes die elk op een aparte steel staan waarna men de vruchten ziet die eerst groen, daarna rood en eindelijk zwartachtige bessen worden die wel rond, nochtans in het midden door een diepe kloof in twee delen gedeeld lijken te zijn, ze hebben twee kleine kernen in zich. De wortel zinkt niet diep in de aarde.

 

Plaats.

In de vochtige bossen van Brabant is dit gewas overvloedig te vinden.

 

Tijd.

De bladeren en bloemen komen in de lente te voorschijn, maar de bessen worden in de herfst volkomen rijp.

 

Aard en krachten.

De binnenste gele schors van het sporkehout en voornamelijk van de wortel laat sterk braken en ter toilet gaan, drijft veel waterachtige en galachtige onzuiverheden af. Dodonaeus, Fuchsius.

 

 

Medicinaal gebruik.

Om de dikke, slijmerige en galachtige vochtigheden te purgeren: Neem van de gele schors een half lood, van kaneel en anijszaad elk een half vierendeel lood, week en kook dit tezamen in voldoende water om voor een keer te gebruiken. Dodonaeus.

Tegen tandpijn en rottende tanden: Neem van de schors een halve hand vol, kook die op in azijn en spoel de mond hiermee. Dodonaeus.

Tegen schurft: Neem van de schors zoveel als genoeg is, kook het op in boter in een pan of neem azijn waarin de schors gekookt wordt en bestrijk de schurft daarmee. Matthiolus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Papen-hout, in Ďt Latijn Euonymus.

 

Gedaente.

De stam en struycken van dit Heester-gewas zijn met een witachtige, ende de jonge rijskens met een groene schorsse bedeckt, de welcke met hoecken uytpuylt soo datse vierkantigh schijnen te zijn. Het hout is bleeck-geel als Palmen-hout, maer niet soo hardt. De bladeren, die altijdt twee tegen malkanderen over staen, zijn lanckwerpigh, breedt ende sacht. De bloemen zijn van vier witte bladekens gemaeckt, vier ofte vijf aen een dun steelken kroons-wijs by een vergadert, daer na volgen de vierhoeckige vruchten, root, ofte als Lobel getuyght, wit van verwe, die elcks vier witte kernkens ofte greynen tusschen geel mergh in sich besluyten.

 

Plaetse.

Papen-hout wordt onder de Hagen, aen de kanten van de Ackers, op dorre ende magere gronden gevonden.

 

Tijdt.

Dit gewas draeght bloemen in April, ende in Augustus ofte September rijpe vruchten.

 

Aert en Krachten.

Dit Heester-gewas is allen gedierten schadelijck, seyt Theophrastus, maer het tegendeel leert de ervarentheyt, want de bladeren van Papen-hout (53) seer gretigh van de Geyten sonder schade gegeten worden.

 

Medicinael gebruyck.

Voor onreynigheden ende schelferen des Hoofts: Neemt van de rijpe vruchten een goet deel, ghekneust zijnde, vermenghtse met versche Verckens-reusel, daer by doende wat Wijns, ziedt dit te samen op, daer na door een Stramijn gedaen zijnde, zult ghy dese Salve gebruycken. Dodonaeus.

Om het Hayr blondt te maken, ende de Luysen te doen sterven: Neemt van de rijpe vruchten soo veel genoegh is, koocktse in Looge, met de welcke ghy het Hooft wasschen sult. Dodonaeus.

Papenhout, in het Latijn Euonymus. (Euonymus europaeus)

Vorm.

De stam en takken van dit heestergewas zijn met een witachtig en de jonge twijgen met een groene schors bedekt die met hoeken uitpuilt zo dat ze vierkantig lijken te zijn. Het hout is bleek geel als bukshout, maar niet zo hard. De bladeren staan altijd twee tegenover elkaar en zijn langwerpig, breed en zacht. De bloemen zijn van vier witte blaadjes gemaakt waarvan er vier of vijf aan een dun steeltje kroonsgewijs bijeen staan, daarna volgen de vierhoekige vruchten die rood, of als Lobel zegt, wit van kleur zijn die elk vier witte zaden of korrels hebben dat in geel merg zit.

 

 

 

Plaats.

Papenhout wordt onder de hagen aan de kanten van de akkers op dorre en magere gronden gevonden.

 

Tijd.

Dit gewas draagt bloemen in april en in augustus of september rijpe vruchten.

 

Aard en krachten.

Dit heestergewas is voor alle dieren schadelijk zegt Theophrastus, maar het tegendeel leert de ervaring omdat de bladeren van papenhout zeer gretig door de geiten zonder schade gegeten worden.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen onreinheid en schilfers van het hoofd: Neem van de rijpe vruchten een goed deel en als ze gekneusd zijn vermeng het met verse varkensreuzel, doe daar wat wijn bij en kook dit tezamen op, als het daarna door een zeef gedaan wordt zal ge deze gebruiken. Dodonaeus.

Om het haar blond te maken en de luizen te laten sterven: Neem van de rijpe vruchten zoveel als genoeg is, kook het in loog waarmee ge het hoofd wassen zal. Dodonaeus.

 

 

Schijt-besien, in ít Latijn Rhamnus.

 

Gedaente.

Dit gewas verbreyt sich wijt en verre door sijn menighvuldige witachtige tackskens, die met lange scherpe doornen beset, ende met lange smalle bladeren bewassen zijn. De gras-verwige bloemen komen veel by een te voorschijn, die van kleyne ronde besien, troswijs by een hangende geel van verwe, en met geel sap gevult, gevolght worden. Dit gantsche gewas schijnt altijt met stof bestoven te zijn.

 

Plaetse.

De Schijt-besien worden in de Duynen van Hollandt, Zeelandt ende Vlaenderen van selfs voort gebracht.

 

Tijdt.

De Besien van dit gewas worden in de Somer rijp.

 

Aert en Krachten.

De bladeren ende Besien zijn kout ende droogh tot in den tweeden graet, hebbende een stoppende kracht maer met eenige scherpigheyt. Dodonaeus.

Schijtbessen, in het Latijn Rhamnus. (Rhamnus cathartica)

 

Vorm.

Dit gewas verspreidt zich wijd en ver uit door zijn zeer vele witachtige takjes die met lange, scherpe dorens bezet en met lange, smalle bladeren begroeid zijn. De graskleurige bloemen komen veel bijeen te voorschijn. Ze worden gevolgd door kleine ronde bessen die trosvormig bijeen hangen en geel van kleur en met geel sap gevuld zijn. Dit gehele gewas schijnt altijd met stof bestoven te zijn.

 

Plaats.

De schijtbessen worden in de duinen van Holland, Zeeland en Vlaanderen vanzelf voort gebracht.

 

Tijd.

De bessen van dit gewas worden in de zomer rijp.

 

Aard en krachten.

De bladeren en bessen zijn koud en droog tot in de tweede graad, ze hebben een stoppende kracht maar met enige scherpheid.

Dodonaeus.

 

 

Duytsche Mezereon, in ít Latijn Chamelaea Germanica, Laureola.

 

Gedaente.

Dit Heester-gewas schiet omtrent drie voeten hoogh op, ende is met lanckwerpige, breedtachtige ende bleeck-groene bladeren bewassen. De bloemkens zijn rootachtigh ofte paers van verwe, ende die van de Persick-boom eenighsins gelijck, na dese volgen ronde Besien, als Peper, die eerst groen, daer na root, ende neffens de bladeren seer heet van smaeck zijn. De wortel sinckt diep in de Aerde.

 

Plaetse.

Het wordt hier te Lande in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De bloemen vertoonen sich in de Winter ofte heel vroegh in de Lente, na dese volgen de bladeren, ende de Besien worden in de Somer rijp

 

Aert en Krachten.

Dit gewas is seer heet ende droogh van aert, de taye slijmerachtige ende galachtige vochtigheden door de kamer-ganck met gewelt afjagende van krachten. Het wordt verbetert door het weecken in Azijn, Queen-sap, ofte sap van Porceleyn. De quantiteyt om van de bereyde bladeren in te neemen, is van 8 tot 15 (54) greyn, van de besien 6 tot 15 greyn. Maer om dat het soo geweldigh in ít wercken is, kan men met meerder sekerheydt andere genees-middelen in des selfs plaetse gebruycken.

Duitse Mezereon, in het Latijn Chamelaea Germanica, Laureola. (Daphne mezereum)

 

Vorm.

Dit heestergewas schiet ongeveer negentig cm hoog op en is met langwerpige, breedachtige en bleek groene bladeren begroeid. De bloempjes zijn roodachtig of paars van kleur, ze lijken wat op die van de perzikboom. Hierna volgen ronde bessen als peper die eerst groen, daarna rood en naast de bladeren zeer heet van smaak zijn. De wortel zinkt diep in de aarde.

 

Plaats.

Het wordt hier te lande in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

De bloemen vertonen zich in de winter of heel vroeg in de lente, hierna volgen de bladeren, de bessen worden in de zomer rijp

 

Aard en krachten.

Dit gewas is zeer heet en droog van aard en jaagt met geweld de taaie slijmachtige en galachtige vochtigheden door de toiletgang af van krachten. Het wordt verbeterd door het te weken in azijn, kweesap of sap van postelein. De hoeveelheid om van de klaar gemaakte bladeren in te nemen is van 8 tot 15 grein, van de bessen 6 tot 15 grein. Maar omdat het zo geweldig in het gebruik is kan men met betere zekerheid andere geneesmiddelen in zijn plaats gebruiken.

 

 

Veyl ofte Klim-op, in ít Latijn Hedera arborea.

 

Gedaente.

De Veyl slingert sich met zijn harde houtachtige rancken ende zijde tackskens om de Boomen, ofte bevestight sich aen de muren ende oude timmeragien, die met een graeuwe schorsse, de welcke veel hayrachtige veselen uytwerpt, bekleet zijn. De bladeren zijn bruyn-groen, hardt, eerst rondachtigh ende daer na ouder geworden hoekigh. De mosachtige ende bleeck-geel bloemen groeyen kroons-wijs veel by een die van kleyne besien, omtrent een Erwt groot, gevolght worden, dese zijn eerst groen ende namaels zwart.

 

Plaetse.

Dit gewas is in Nederlandt gemeen, ende werdt aen Boomen, Muuragien ende Huysen wassende bevonden.

 

Tijdt.

De Veyl verliest nimmermeer sijn bladeren, ít bloeyt in de Herfst, ende de besien worden in de Winter rijp.

 

Oeffeningh.

De Klim-op werdt door wortel-spruyten voortgeplant.

 

Aert en Krachten.

De Veyl ofte Klim-op is met een gemengelde natuure begaeft, te weten verwarmende, verdroogende, ende noch groen zijnde verkoelende van aert, ende daerom tísamen-treckende van krachten. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verharde ende verstopte Milt: Neemt bladeren van Veyl, koocktse in Azijn, ende leghtse op de lincker zijde. Dodonaeus.

Om de herzenen van taye ende rauwe vochtigheden te suyveren: Neemt het uytgedruckt sap van Klim-op bladeren, ende haelt het door de Neus-gaten op, ende als dan sult ghy veel vochtigheden door het niesen uytlossen. Dodonaeus.

Voor oude sweringe ende smerten der Ooren: Neemt sap van de bladeren, ofte Olie daer in de bladeren in gesoden zijn, en druypt het in de Ooren. C. Bauhinus.

Om de Fontanellen te doen dragen: Neemt een Klim-op-bladt ende leght het op de Fontanel.

Voor de roode Loop: Neemt gedrooghde bloemen van Veyl, soo veel als men met drie vingeren bevatten kan, ende geeftíet met Wijn te drincken. C. Durantus.

Voor ít Graveel ende Watersucht: Neemt gestooten besien van Klim-op een vierendeel loots, om met Wijn in te nemen. Fuchsius.

Om de holle Tanden te doen uyt vallen: Neemt het sap uyt de besien ende doet het in de holle Tanden, maer de andere naest by gelegen Tanden moeten met Was bewaert worden. Ravelingius.

Veyl of klimop, in het Latijn Hedera arborea. (Hedera helix)

 

Vorm.

De veyl slingert zich met zijn harde, houtachtige ranken en zijtakjes om de bomen of bevestigt zich aan de muren en oude timmerplaatsen, de ranken zijn met een grauwe schors die veel haarachtige worteltjes heeft bekleed. De bladeren zijn bruingroen, hard, eerst rondachtig en daarna als ze ouder worden hoekig. De mosachtige en bleek gele bloemen groeien kroonsgewijs veel bijeen die door kleine bessen van ongeveer een erwt grootte gevolgd worden, deze zijn eerst groen en daarna zwart.

 

 

Plaats.

Dit gewas is in Nederland algemeen en wordt groeiend aan bomen, muren en huizen gevonden.

 

Tijd.

De veyl verliest nimmer zijn bladeren, het bloeit in de herfst en de bessen worden in de winter rijp.

 

Teelt.

De klimop wordt door wortelspruiten voort geplant.

 

Aard en krachten.

Veyl of klimop is met een gemengde natuur begaafd, te weten verwarmend, verdrogend en als het nog groen is verkoelend van aard en daarom tezamen trekkend van krachten. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verharde en verstopte milt: Neem bladeren van veyl, kook ze in azijn en leg ze op de linker zijde. Dodonaeus.

Om de hersens van taaie en rauwe vochtigheid te zuiveren: Neem het uitgedrukte sap van klimopbladeren en haal het door de neusgaten op, dan zal ge veel vochtigheid door het niezen lossen. Dodonaeus.

Tegen oude zweren en smarten van de oren: Neem sap van de bladeren of olie waar de bladeren in gekookt zijn en druip het in de oren. C. Bauhinus.

Om de fontanellen te laten dragen: Neem een klimopblad en leg het op de fontanel

Tegen de rode loop: Neem gedroogde bloemen van veyl, zoveel als men met drie vingers omvatten kan en geef ze met wijn te drinken. C. Durantus.

Tegen de nierstenen en waterzucht: Neem een virendeel lood van de gestampte bessen van klimop om ze met wijn in te nemen. Fuchsius.

Om de holle tanden te laten uitvallen: Neem het sap uit de bessen en doe het in de holle tanden, maar de andere er naast gelegen tanden moeten met was beschermd worden. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kamperfoelie, Mannekens-kruydt, Geyten bladt, in ít Latijn Caprifolium, Matrisilva, Periclymenum.

 

Geslachten.

Dit Heester-gewas werdt in twee soorten onderscheyden, het eene is de Hoogduytse en díander de Italiaense Kamperfoelie genaemt.

 

Gedaente.

De eerste soorte van Kamperfoelie heeft hoogh opklimmende houtachtige rancken, waer aen twee tegen malkanderen over staende bleeck-groene bladeren voort spruyten. Op de toppen van de rancken komen de wel-rieckende witte ofte lijfverwige bloemen seer veel by een gevoegt, te voorschijn, dese zijn lanckwerpigh, ende binnen hol, waer uyt eenige draedkens ontspringen, andersins zijnse de Boonen-bloemen seer gelijck. De bloemen af gevallen zijnde, volgen ronde besien, druyf- ofte tros-wijs bijeen vergadert, ende hardt-achtigh zaed in sich besluytende. De wortel is houtachtigh, verscheyde jonge scheuten uytwerpende.

De Italiaense soorte verschilt van de voorgaende, om dat de bladeren seer dicht om de steel groeyen, so dat de uyterste drie ofte vier bladeren rondt ende schotel-wijs voort-spruyten, (56) waer op de bloemen en vruchten, als in een schotel te voorschijn komen.

 

Plaetse.

Beyde dese soorten worden in Nederlandt aen Prieelen ende Gaenderyen geplant gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren spruyten in de Lente uyt, de bloemen in April, May ofte Juny, ende de besien worden in Augustus ofte September rijp.

 

Oeffeningh.

De Kamperfoelie wordt door scheuten ofte wortel-spruyten vermenighvuldight.

 

Aert en Krachten.

Kamperfoelie is heel warm ende droogh van aert, en sterckelijk doorsnijdende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verstopte Milt: Neemt van het zaedt een vierendeel loots, fijn gestoten zijnde laet het met Wijn eenige dagen achter een in nemen. Dit selfde is mede goet om de Urijn af te drijven. Brunfelsius.

Voor swaren arbeyt der Vrouwen: Neemt zaet van Lavendel een vierendeel loots, Water van Kamperfoelie-bloemen gedistilleert twee oncen, mengt dit te samen om op een reys te gebruycken. Rondeletius.

Voor Hoest ende Engborstigheyt: Neemt van het gedistilleerde Water van de bloemen soo veel van noden is, maeckt het soet met Candy Suycker, ende geeft hier van drie ofte vier lepelen vol twee mael daegs in. Fuchsius.

Voor vuyle Sweeringe en oude Wonden: Neemt bladeren van Kamperfoelie, ziedse op in Water, waer mede ghy de Sweringe ende Wonden wasschen zult. Dodonaeus.

Voor wonden des Hoofts: Wort nuttelijck onder de Salve gemengt het uytgeperste sap van Kamperfoelie. Schroderus.

Kamperfoelie, Mannetjeskruid, Geitenblad, in het Latijn Caprifolium, Matrisilva, Periclymenum. (Lonicera caprifolium en Lonicera periclymenum)

Geslachten.

Dit heestergewas wordt in twee soorten verdeeld, het ene is de Hoogduitse en de andere de Italiaanse kamperfoelie.

 

Vorm.

De eerste soort van kamperfoelie heeft hoog opklimmende, houtachtige ranken waaraan twee tegen over elkaar staande bleek groene bladeren voort spruiten. Op de toppen van de ranken komen de wel riekende witte of vleeskleurige bloemen die met zeer veel bij een staan te voorschijn, deze zijn langwerpig en van binnen hol waaruit enige meeldraadjes ontspringen, verder zijn ze de bonenbloemen vrijwel gelijk. Als de bloemen afgevallen zijn volgen ronde bessen die druif- of trosgewijs bijeen staan en hardachtig zaad in zich hebben. De wortel is houtachtig die verscheidene jonge scheuten uitwerpt.

De Italiaanse soort verschilt van het voorgaande omdat de bladeren zeer dicht om de steel groeien zodat de uiterste drie of vier bladeren rond en schotelvormig uitkomen waarop de bloemen en vruchten, als in een schotel, te voorschijn komen.

 

Plaats.

Beide soorten worden in Nederland aan priŽlen en gaanderijen geplant gevonden.

 

Tijd.

De bladeren spruiten in de lente uit, de bloemen in april, mei of juni en de bessen worden in augustus of september rijp.

 

Teelt.

De kamperfoelie wordt door scheuten of wortelspruiten vermenigvuldigd.

 

Aard en krachten.

Kamperfoelie is heel warm en droog van aard, sterk doorsnijdend van krachten. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verstopte milt: Neem van het zaad een vierendeel lood, als het fijn gestampt is laat het met wijn enige dagen achtereen innemen. Ditzelfde is ook goed om de urine af te drijven. Brunfelsius.

Voor zware arbeid van de vrouwen: Neem van het zaad van lavendel een vierendeel lood, water dat van kamperfoeliebloemen gedistilleerd is twee ons en meng dit tezamen om in een keer te gebruiken. Rondeletius.

Tegen hoest en benauwdheid: Neem van het gedistilleerde water van de bloemen zoveel als nodig is en maak het zoet met kandijsuiker, geef hiervan drie of vier lepels vol twee maal per dag in. Fuchsius.

Tegen vuile zweren en oude wonden: Neem bladeren van kamperfoelie, kook ze op in water waarmee ge de zweren en wonden wassen zal. Dodonaeus.

Tegen hoofdwonden: Het uitgeperste sap van de kamperfoelie wordt nuttig onder de zalf gemengd. Schroderus.

 

 

Honts-kerssen, in ít Latijn Xylosteum.

 

Geslachten.

In de Hoven van Nederlandt worden verscheyde soorten van dit gewas onderhouden, als groote Honts-kerssen met roode, swarte en blauwe Vruchten, als mede kleyne Honts-kerssen.

 

Gedaente.

De eerste soorte ofte groote Honts-kerssen met roode Vruchten, verkrijght tamelijck dicke struycken, de welcke als oock de oude tacken met een witachtige schorsse bedeckt zijn, maer de jonge rijskens zijn rootachtigh van verwe. Het is bewossen met lanckwerpige sachte ende bleeck-groene bladeren, die onder grijs en ruygh zijn. De witte bloemen komen twee by een op teere steelkens voort, van gedaente, hoewel veel kleynder, de bloemen van Kamperfoelie eenighsints gelijckend, na desen volgen even soo veel roode besien als kleyne kerssekens, waer van díeene hier te Lande kleynder is dan díander, veel kernen inhoudende.

De Swarte Honts-kersse is kleynder als de voorgaende soort. De bladeren zijn lank, rontom wat geschaert, ende soo grijs niet aen de onderste zijde als die van de eerste soorte. De Bloemen zijn paers-achtigh, ende de besien zwart van verwe. (56)

Blaeuwe Honts-kersse is met een zwartachtige rouwe schorsse bekleet, dragende blaeuwe vruchten, met sarpachtigh sap vervult, andersints de eerste soorte gelijck

Kleyne Honts-kersse blijft een lage heester, met dunne houtachtige tackskens, waer aen bladeren veel breder en grooter, maer niet soo groen, als de Groote Hontskerssen, uyt spruyten. De bloemen zijn kleyn ende wit, de vruchten ofte Besien groot ende root, van maecksel met de Groote Honts-kerssen over een komende.

 

Plaetse.

Dese gewassen worden hier te Lande in de Hoven van groote Liefhebbers gevonden.

 

Tijdt.

De Honts-kerssen bloeyen in April, May ofte Juny, ende de Besien worden ontrent de Herfst volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

Dese gewassen worden van zaet ende oploopen aengequeeckt.

 

Aert en Krachten.

De krachten van Honts-kerssen zijn tot noch toe verborgen ende onversocht gebleven.

Hondskersen, in het Latijn Xylosteum. (Lonicera xylosteum)

 

Geslachten.

In de hoven van Nederland worden verscheidene soorten van dit gewas onderhouden zoals grote hondskersen met rode, zwarte en blauwe vruchten, als mede kleine hondskersen.

 

Vorm.

De eerste soort of grote hondskers met rode vruchten krijgt tamelijk dikke takken die evenals de oude takken met een witachtige schors bedekt zijn, maar de jonge twijgen zijn roodachtig van kleur. Ze zijns begroeid met langwerpige, zachte en bleekgroene bladeren die van onder grijs en ruig zijn. De witte bloemen komen twee bijeen op tere steeltjes voort die van vorm, hoewel veel kleiner, wat op de bloemen van kamperfoelie lijken. Hierna volgen even zoveel rode bessen als kleine kersjes waarvan de ene hier te lande kleiner is als de andere die veel zaden in zich hebben.

De zwarte hondskers is kleiner dan het voorgaande soort. De bladeren zijn lang, rondom wat geschaard en niet zo grijs aan de onderkant als die van de eerste soort. De bloemen zijn paarsachtig en de bessen zwart van kleur.

Blauwe hondskers is met een zwartachtige ruwe schors bekleed en draagt blauwe vruchten die met scherpachtig sap gevuld zijn, anders is het de eerste soort gelijk

Kleine hondskers blijft een lage heester met dunne, houtachtige takjes waaraan de bladeren uit spruiten die veel breder en groter zijn, maar niet zo groen als die van de grote hondskers. De bloemen zijn klein en wit, de vruchten of bessen groot en rood die qua vorm met die van de grote hondskers overeen komen.

 

Plaats.

Deze gewassen worden hier te lande in de hoven van grote liefhebbers gevonden.

 

Tijd.

De hondskersen bloeien in april, mei of juni en de bessen worden omtrent de herfst volkomen rijp.

 

Teelt.

Deze gewassen worden van zaad en uitlopers voort geteeld

 

Aard en krachten.

De krachten van hondskersen zijn tot noch toe verborgen en niet onderzocht.

 

 

Wijngaert, in ít Latijn Vitis Vinifera.

 

Gedaente.

De oude struiken van den Wijngaert zijn met een rouwe ende gekloven schorsse omgeven, uyt des spruyten seer veel andere ranken, die door knoopen ofte leden onderscheyden zijn, waer uyt dan de bladeren, klauwierkens ende druyf-trossen voort-spruyten. De bladeren zijn breedt ende aen de kanten diep gekerft, de klauwierkens, waer mede sich de rancken vast maken, lanck, dun ende in een gekronkelt, de druyf-trossen met Besien ofte druyven beladen, de welcke na de aert van de Wijnstock, in grootte, verwe ende smaeck seer verscheyden zijn.

 

Plaetse.

De Wijngaert is in alle Landen bekent ende overvloedigh te vinden.

 

Tijdt.

De Wijngaert verkrijght sijn jonge botten in April, bloeyt in Juny, ende de vruchten of druyven worden in September en October rijp.

 

Oeffeningh.

De Wijngaert werdt in dese ende andere Landen door inlegginge ende stecken vermenighvuldight, de maniere daer van ende de verdere oeffeningh kan in het Vermaeckelijck Landt-leven I ende II Deel nagesien worden.

 

Aert en Krachten.

De bladeren en klauwierkens van de Wijngaert, zijn verkoelende van aert ende sterckelijck tísamentreckende van krachten. De onrijpe druyven ende de selver sap verkoelt, verdroogt ende treckt te samen. De rijpe druyven zijn verwarmende ende vochtmakende in den eersten graet, maer verwecken, te veel gegeten zijnde, Winden ende Buyckloop. Dodonaeus, Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Hooft-pijn uyt hitte: Neemt bladeren ende klauwierkens van de Wijngaert elcks een hant vol, stoot het kleyn, doetíer Garsten-meel, soo veel van noden is, ende bint dit pap-wijs tusschen twee doeken voor het Hooft, ofte neemt de bladeren ende ziedse op in genoeghsaem water, om de voeten daer in te baden, ít welck de brant uyt den Hoofde trecken, ende slaep verwecken sal. Dodonaeus.

Voor ontstekinge des Monts ende der Amandelen: Neemt van de bladeren twee handen vol, kleyn gesneden zijnde, koocktse op in water, neemt hier van een half pintje, doetíer by Honing van Roosen een once, vermenght zijnde, sult gy daer mede gorgelen ofte de Mont spoelen. Fuchsius.

Voor Bloet-spouwen ende alderhande Loop des Buycks: Neemt het sap uyt de bladeren ende klauwierkens geperst twee loot, ende geeft dit onder eenigh bequaem nat in. Dodonaeus.

Voor roode ende donckere Oogen: Neemt het zap dat uyt de gesneden Wijngaert-rancken druypt, ende doet hier van eenige droppelen in de Oogen. J. Schroderus.

Voor roode Placken in ít Aengesicht: Neemt het voorgaende sap ofte water, ende wascht de Placken daer mede. J. Schroderus.

Voor Graveel ende Steen: Neemt van het water ofte sap dat uyt de gesneden rancken druypt een loot, oude Mede twee oncen, menght dit te samen om voor een reys te gebruyken. Dioscorides.

Voor heete Koortsen, verlooren Etens-lust en Buyck-loop: Vermengt onder de spijse het sap van onrijpe druyven, ít welck men Verjuys noemt, ofte men kan des selfs Syroop, die in de Apoteken bereydt wordt gebruycken. Dispens. Augustan.

Voor Podegra: Neemt de kernen en het ander overblijfsel, daer den Wijn uyt geperst is, maecktíet warm ende slaet het pap-wijs om de beenen. J. Schroderus

Voor Ambeyen en Speenen: Neemt deíassche van Wijngaert-ranken, menghtse met Azijn tot een papken, ende bestrijckt hier mede.

Voor Schurftheyt ende Schelferen des Hoofts: Neemt assche van Wijngaert-ranken gebrant, soo veel van noden is, maeckt hier van met schoon water een looge, om het Hooft ende het Schurft mede te wasschen. Ravelingius.

Wijngaard, in het Latijn Vitis Vinifera. (Vitis vinifera)

 

Vorm.

De oude struiken van de druif zijn door een ruwe en gekloven schors omgeven. Hieruit spruiten zeer veel andere ranken die door knopen of leden onderscheiden worden waaruit dan de bladeren, klauwieren en druiventrossen voort spruiten. De bladeren zijn breed en aan de kanten diep gekerfd, de klauwieren waarmee de ranken zich vast maken zijn lang, dun en ineen gekronkeld. De druiventrossen die met bessen of druiven beladen zijn zijn naar de aard van de druivenvorm in grootte, kleur en smaak zeer verschillend.

 

Plaats.

De druif is in alle landen bekend en overvloedig te vinden.

 

Tijd.

De druif krijgt zijn jonge knoppen in april, bloeit in juni en de vruchten of druiven worden in september en oktober rijp.

 

Teelt.

De druif wordt in deze en andere landen door afleggen en stekken vermenigvuldigd, de manier daarvan en de verdere teelt kan in het ĎVermaeckelijck Landt-leven I en II Deelí nagezien worden.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren en klauwieren van de druif zijn verkoelend van aard en sterk tezamen trekkend van krachten. De onrijpe druiven en hun sap verkoelt, verdroogt en trekt tezamen. De rijpe druiven zijn verwarmend en maken vocht in de eerste graad, maar verwekken als ze te veel gegeten worden winden en buikloop. Dodonaeus, Fuchsius.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen hoofdpijn uit hitte: Neem van de bladeren en klauwieren van de druif van elk een hand vol, stamp het klein, doe er gerstemeel bij zoveel als nodig is en bind dit papgewijze tussen twee doeken voor het hoofd. Of neem de bladeren en kook ze op in voldoende water om de voeten daar in te baden wat de brand uit het hoofd trekken en de slaap verwekken zal. Dodonaeus.

Tegen ontsteking van de mond en de amandelen: Neem van de bladeren twee handen vol en als ze klein gesneden zijn kook ze op in water, neem hiervan een half pintje, doe er een ons honing van rozen bij, vermeng het en daar zal ge mee gorgelen of de mond spoelen. Fuchsius.

Tegen bloedspuwen en allerhande loop van de buik: Neem twee lood sap dat uit de bladeren en de klauwiertjes geperst wordt en geef dit met enig goed nat in. Dodonaeus.

Tegen rode en donkere ogen: Neem het sap dat uit de gesneden druivenranken druppelt en doe hiervan enige druppels in de ogen. J. Schroderus.

Tegen rode plekken in het aangezicht: Neem het voorgaande sap of water en was de plekken daarmee. J. Schroderus.

Tegen nierstenen en steen: Neem een lood van het water of sap dat uit de gesneden ranken druppelt, van oude mede twee ons, meng dit tezamen om voor een keer te gebruiken. Dioscorides.

Tegen hete koortsen, verloren etenslust en buikloop: Meng onder het eten het sap van onrijpe druiven dat men verjus noemt. Of men kan de siroop hiervan die in de apotheken gemaakt wordt gebruiken. Dispens. Augustan.

Tegen jicht: Neem de kernen en het ander overblijfsel waar de wijn uit geperst is, maak het warm en sla het papgewijs om de benen. J. Schroderus.

Tegen aambeien en spenen: Neem de as van druivenranken, meng ze met azijn tot een papje en bestrijk hiermee.

Tegen schurft en schilfers van het hoofd: Neem as van die van druivenranken gebrand is zoveel als nodig is en maak hiervan met schoon water een loog om het hoofd en het schurft mee te wassen. Ravelingius.

 

 

Het Tweede Deel

des

Nederlandtsen Kruydt-boecks,

 

Beschryvende

 

De Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijd, Aert, Krachten ende Medicinael gebruyck van alderhande Graen, Mis-gewassen van koorn, Hauw-vruchten, Kruyden ende Planten, die in de Nederlanden op de Ackers, in drooge Beemden, ende langhs de Wegen voort-spruyten.

Het Tweede Deel

van

Nederlandse Kruidboek

 

Beschrijft

 

De geslachten, vorm, plaats, tijd, aard, krachten en medicinaal gebruik van allerhande granen, misgewassen van koren, peulvruchten, kruiden en planten die in Nederland op de akkers, droge beemden en langs de wegen voort spruiten.

 

 

(57) Terwe, in ít Latijn Triticum.

 

Gedaente

E Terwe brenght voort ronde ende hooge halmen, in drie ofte vier Ledekens onderscheyden, ende met drie smalle gras-achtighe bladeren bewassen, op de toppen van de welcke een aer, uyt veel Koornen tísamen-vergadert, voort-spruyten, die somtijdts met geene, somtijdts met eenige korte stekelingen beset is. De Wortel is dun ende veselachtigtigh.

 

Plaetse.

Op de Bouw-landen wordt de Terwe gevonden, ende van de Acker-lieden aen-gewonnen.

 

Tijdt.

In July wordt de Terwe, soo wel die in de Herfst, als in de Lente gesaeyt is, rijp.

 

Aert en Krachten.

De Terwe verwarmt matelijck, ende heeft een vermorwende rijpmakende ende scheydende kracht, ende geeft het lichaem veel ende goet voedsel. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Podagra ofte Flerecijn: Hier tegen salmen tot de knie toe in hoopen van Terwe ofte in volle sacken van des selfs Meel sitten. Plinius.

Voor de Bel-roos: Neemt Terwen-meel ende stroyt het daer op.

Voor quade Schurftheyt: Neemt de Semelen van Terwe, koocktse in Azijn, ende wascht het daer mede. Dodonaeus.

Tarwe, in het Latijn Triticum. (Triticum aestivum)

 

Vorm.

Tarwe brengt ronde en hoge halmen voort die in drie of vier leden gedeeld en met drie smalle, grasachtige bladeren begroeid zijn. Op hun toppen spruit een aar uit die uit veel koren tezamen gesteld is die soms zonder en soms met enige korte stekels bezet is. De wortel is dun en vezelachtig.

 

 

 

 

Plaats.

Op de bouwlanden wordt de tarwe gevonden en door de akkerlieden geteeld.

 

 

Tijd.

In juli wordt de tarwe, zo wel diegene die in de herfst als die in de lente gezaaid is, rijp.

 

Aard en krachten

De tarwe verwarmt matig en heeft een vermurwende rijp makende en scheidende kracht, geeft het lichaam veel en goed voedsel. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen podagra of jicht: Hiertegen zal men tot de knieŽn toe in hopen van tarwe of in volle zakken van dit meel zitten. Plinius.

Tegen de belroos: Neem tarwemeel en strooi het daar op.

Tegen kwade schurft: Neem de zemelen van tarwe, kook ze in azijn en was het daar mee. Dodonaeus.

 

 

Rogge, in ít Latijn Secale.

 

Gedaente.

De Rogge verkrijght dunner ende langer halmen als de Terwe, in vier ofte vijf ledekens af-gedeelt, ende met smalle grasachtige bladeren bewassen. De Aere is met korte baerdekens bekleedt, het koren lanckwerpigh ende bruyn van verwe, ende de Wortel dun ende veselachtigh.

 

Plaetse.

De Rogge wordt op veel Ackers van de Nederlanden voort-geteelt.

 

Tijdt.

Soo wel de Winter, als de Somer-Rogge bloeyt in Juny, ende wordt in July ofte Augustus rijp.

 

Aert en Krachten.

De Rogge verwarmt matelijck, nochtans minder als de Terwe, maer meerder als de Gerste, ende is vermurwende ende verteerende van krachten. Joh. Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de Geswellen (58) rijp te maken, ende te openen: Neemt suurdeegh van Rogge-meel, ende leght het pap-wijs op. Dodonaeus.

Voor oude Hooft-pijn ende vochte Herssenen: Neemt Rogge-meel, doet het in een sackje, ende bindt het voor het Hooft. Ofte neemt Bloem van Rogge-meel, soo veel van noden is, kneet het met Azijn, doetíer by een weynigh Olie van Roosen ende Noten-Muscaet, ende bindt het voor het voor-hooft. Ravelingius.

Rogge, in het Latijn Secale. (Secale cereale)

Vorm.

Rogge krijgt dunnere en langere halmen dan de tarwe die in vier of vijf leden gedeeld en met smalle, grasachtige bladeren begroeid zijn. De aar is met korte baarden bekleed, het koren is langwerpig en bruin van kleur, de wortel dun en vezelachtig.

 

Plaats.

Rogge wordt op veel akkers van Nederland voortgeteeld.

 

Tijd.

Zo wel de winter- als de zomerrogge bloeien in juni en worden in juli of augustus rijp.

 

 

Aard en krachten.

De rogge verwarmt matig, nochtans minder dan tarwe, maar meer dan de gerst en is vermurwend en verterend van krachten. Joh. Schroderus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de gezwellen rijp te maken en te openen: Neem zuurdeeg van roggemeel en leg het papgewijs op. Dodonaeus.

Tegen oude hoofdpijn en vochtige hersens: Neem roggemeel, doe het in een zakje en bindt het voor het hoofd. Of neem bloem van roggemeel zoveel als nodig is, kneedt het met azijn, doe er wat olie van rozen en notenmuskaat bij en bindt het voor het voorhoofd. Ravelingius.

 

 

Gerste, in ít Latijn Hordeum.

 

Gedaente.

Gerste heeft korter halmen als de Terwe, in vijf ofte ses ledekens gedeelt, de bladeren zijn oock breeder en rouwer in ít aentasten. De Aere is met lange, rouwe ende stekende baerdekens beset. De Wortel is dun ende veselachtigh.

 

Plaetse.

De Ackers van Nederlandt worden over al met dit gewas bezaeyt.

 

Tijdt.

De Gerste wordt met het ander koren ofte wat vroeger rijp.

 

Aert en Krachten.

De Gerste is kout ende droogh in den eersten graet, af-vagende, openende ende vermurwende van krachten. Galenus, Joh. Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Om alderhande geswellen te doen scheyden: Neemt Gersten-meel, soo veel van nooden is, doetíer by gesneden Vygen, ende vermenght het met Honingh-water tot een pap. Dioscorides.

Voor verstuyckte Leden: Neemt Gersten-meel Azijn ende Boter, maeckt dit te samen warm, ende slaet het pap-wijs om de verstuyckte Leden. Ravelingius.

Voor Hooft-pijn uyt hitte ontstaen: Neemt Gersten-meel, soo veel van nooden is, roode Roosen kleyn gesneden, een halve handt vol, doet dit te samen in een sackje, besprenghe het een weynigh met azijn, ende bindt het voor het hooft.

Voor scherpe Sinckingen die op de oogen vallen: Neemt het water van groene Gersten-bladeren, in de May-maent gedilleert, ende bet de oogen dickwils daer mede. Joh. Schroderus.

Gerst, in het Latijn Hordeum. (Hordeum vulgare)

 

Vorm.

Gerst heeft kortere halmen dan de tarwe die in vijf of zes leden verdeeld zijn, de bladeren zijn ook breder en ruwer in het aanvoelen. De aar is met lange, ruwe en stekende baarden bezet. De wortel is dun en vezelachtig.

 

Plaats.

De akkers van Nederland worden overal met dit gewas bezaaid.

 

Tijd.

De gerst wordt met het ander koren of wat vroeger rijp.

 

Aard en krachten.

Gerst is koud en droog in de eerste graad, afvegende, opent en vermurwend van krachten. Galenus, Joh. Schroderus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Om allerhande gezwellen te laten scheiden: Neem gerstemeel zoveel als nodig is, doe er gesneden vijgen bij en vermeng het met honingwater tot een pap. Dioscorides.

Tegen verstuikte leden: Neem gerstemeel, azijn en boter, maak dit tezamen warm en sla het papgewijs om de verstuikte leden. Ravelingius.

Tegen hoofdpijn die uit hitte is ontstaan: Neem gerstemeel zoveel als nodig is, van klein gesneden rode rozen een halve hand vol, doe dit tezamen in een zakje, besproei het met wat azijn en bindt het voor het hoofd.

Tegen scherpe zinkingen die op de ogen slaan: Neem het water van groene gerstebladeren die in meimaand gedistilleerd zijn en bet de ogen daar dikwijls mee. Joh. Schroderus.

 

 

Hirs Geers, in ít Latijn Milium.

 

Gedaente.

Dit Gewas schiet op met geknoopte Halmen ende Bladeren gelijck het andere koren, maer de toppen van de steelen zijn met een uytgespreyde ende nederwaerts geboogen aere, de gedaente van de Riet-bloemen eenighsints uytbeeldende, beladen, waer aen kleyn ende hardt Zaet groeyt. De veselachtige Wortel sinckt diep in de Aerde.

 

Plaetse.

Het groeyt gaerne op zantachtige vochte gronden.

 

Tijdt.

Het bloeyt in Augustus, ende daer na wordt het Zaet rijp.

 

Aert en Krachten.

De Hirs verkoelt in den eersten, ende verdrooght in den derden graedt, ende den buyck verstoppende van krachten. Galenus

 

Medicinael gebruyck.

Voor Buyck-pijn: Neemt Hirs, soo veel van noden is, maeckt het heet in een panne, doet het in een sackje, en leght het op de Buyck. Galenus.

Om het sweeten te verwecken: Neemt van het af-ziedsel van Geers, met Water bereyt, ende laet hier van een goeden dronck in-nemen.

Hirs, geers, in het Latijn Milium. (Panicum miliaceum)

 

Vorm.

Dit gewas schiet op met geknoopte halmen en bladeren als het andere koren, maar de toppen van de stelen zijn met een uitgespreide en naar beneden gebogen aren bezet die enigszins de vorm van rietbloemen heeft waaraan klein en hard zaad groeit. De vezelachtige wortel zinkt diep in de aarde.

 

Plaats.

Het groeit graag op zandachtige, vochtige gronden.

 

Tijd.

Het bloeit in augustus en daarna wordt het zaad rijp.

 

Aard en krachten.

De hirs verkoelt in de eerste en verdroogt in de derde graad en is de buik verstoppend van krachten. Galenus

 

Medicinaal gebruik.

Tegen buikpijn: Neem van hirs zoveel als nodig is, maak het heet in een pan, doe het in een zakje en leg het op de buik. Galenus.

Om het zweten te verwekken: Neem van het afkooksel van geers dat met water klaar gemaakt is en laat hiervan een goede dronk innemen.

 

 

Haver, in ít Latijn Avena.

 

Gedaente.

De Haver is van steelen ende bladeren de Terwe eenigsints gelijck, maer op de toppen van de steelen draeght het een wijt van een gespreyde aere, lanckwerpigh ende spits Zaet sich besluytende. De Wortel is veselachtigh.

 

Plaetse.

Dit gewas werdt hier te Lande veel op de Zaey-landen ghevonden, ende bemint een vochte ofte waterachtige gront.

 

Tijt.

In Augustus wordt de Haver, neffens veel ander koren, ingesamelt. (59)

 

Aert en Krachten.

De Haver wordt weynigh tot Medicijne ghebruyckt, nochtans versekeren sommighe, dat de Haver, in een panne warm gemaeckt, ende op de buyck geleydt, de Buyck-pijn verdrijven kan. J. Schroderus.

Haver, in het Latijn Avena. (Avena sativa)

 

Vorm

Haver is van stelen en bladeren de tarwe enigszins gelijk, maar op de toppen van de stelen draagt het een wijd uiteen gespreide aar die langwerpig en spits zaad in zich heeft. De wortel is vezelachtig.

 

Plaats.

Dit gewas wordt hier te lande veel op de zaailanden gevonden en bemint een vochtige of waterachtige grond.

 

Tijd.

In augustus wordt haver naast veel ander koren ingezameld.

 

Aard en krachten.

De haver wordt weinig als medicijn gebruikt, nochtans verzekeren sommigen dat de haver die in een pan warm is gemaakt en op de buik gelegd, de buikpijn verdrijven kan. J. Schroderus.

 

 

Boeckweyt, in ít Latijn Fago-triticum.

 

Gedaente.

De Boekweyt schiet op ontrent de twee voeten hoogh, met ronde roode steelen, die met breedtachtige, doch voor spits toe loopende bladeren bewassen zijn. Aen de toppen van de steelen ende zijde steelkens komen witte Bloemkens tros-wijs by een vergadert, te voorschijn, nalatende drie-kantige ende bruyne Zaden, in dunne vellekens beslooten. De Wortel is veselachtigh.

 

Plaetse.

De zandtachtige Ackers van Nederlandt werden veeltijdts met Boeck-weyt bezaeyt.

 

Tijdt.

De Boeckweyt bloeyt in de Somer.

 

Aert en Krachten.

De Boeckweyt is matelijck warm en vocht van aert, maer wert alleen tot de Keucken gebruyckt.

Boekweit, in het Latijn Fago-triticum (Fagopyrum esculentum)

 

Vorm.

Boekweit schiet ongeveer zestig cm hoog op met ronde, rode stelen die met breedachtige, doch voor spits toe lopende bladeren begroeid zijn. Aan de toppen van de stelen en zijsteeltjes komen witte bloempjes te voorschijn die trosgewijze verzameld zijn en driekantige, bruine zaden nalaten die in dunne velletjes opgesloten zitten. De wortel is vezelachtig.

 

Plaats.

De zandachtige akkers van Nederland worden vaak met boekweit bezaaid.

 

Tijd.

Boekweit bloeit in de zomer.

 

Aard en krachten.

Boekweit is matig warm en vochtig van aard, maar wordt alleen in de keuken gebruikt.

 

 

Canarien-zaet, in ít Latijn Phalaris.

 

Gedaente.

Dit ghewas brenght voort geknoopte Halmen, ontrent anderhalven voet hoogh opschietende. De Bladeren zijn die van de Terwe wel gelijck, maer kleynder. Op de toppen van de Halmen draeght het korte, ende boven spits toeloopende aeren, uyt veel witte schobbekens tísamen geset, voortbrengende witte Bloemkens, na de welcke inde aere blinckendt Zaet gevonden wordt.

 

Plaetse.

Hoewel dit Zaet eerst uyt de Canarische Eylanden gebracht is, nochtans vint men hier te Lande gheheele Ackers met het zelfde bezaeyt.

 

Tijdt.

In ít Laetste van de Somer wordt het Zaet rijp ende versamelt.

 

Aert en Krachten.

Canarien-zaet wordt weynigh tot Medicijne gebruyckt, hoewel sommighe het de krachte van de Hirs toeschrijven, ende het wordt meest gebesicht om de Canarie-vogelkens te voeden.

Kanariezaad, in het Latijn Phalaris. (Phalaris canariensis)

 

Vorm.

Dit gewas brengt geknoopte halmen voort die ongeveer vijf en veertig cm hoog opschieten. De bladeren zijn die van de tarwe wel gelijk, maar kleiner. Op de toppen van de halmen draagt het korte en boven spits toelopende aren die uit veel witte schubben tezamen zijn gesteld die witte bloemen geven waarna in de aar blinkend zaad gevonden wordt.

 

 

Plaats.

Hoewel dit zaad pas uit de Canarische eilanden gebracht is, nochtans vindt men hier te lande er gehele akkers mee bezaaid.

 

 

Tijd.

In het laatste van de zomer wordt het zaad rijp en verzameld.

 

Aard en krachten.

Kanariezaad wordt weinig als medicijn gebruikt, hoewel sommigen het de kracht van hirs toeschrijven, het wordt meestal gebruikt om de kanarievogeltjes te voeden.

 

 

Speurie, in ít Latijn Spergula.

 

Gedaente.

Dit Gewas verkrijght dunne, ronde gheknoopte steelen, ontrent een voet hoogh op wassende, dese zijn aen yeder knoop met seer dunne ende smalle bladekens sterre-wijs in ít ronde bewassen. Op de toppen van de steelen draeght het kleyne witte bloemkens, die van de Muur eenighsints gelijck, na de welcke ronde zaet-bollenkens, met kleyn zwart zaet gevult, volgen. De wortel is dun.

 

Plaetse.

In Brabandt ende andere Provincien worden met de Speurie gheheele Ackers bezaeyt.

 

Tijdt.

Dit Gewas bloeyt meest in May ende Juny.

 

Aert en Krachten.

De werkinge van de Speurie zijn tot noch toe onbekent, ende wordt alleen tot Voeder voor de Ossen ende Koeyen gezaeyt. Dodonaeus.

Spurrie, in het Latijn Spergula. (Spergula arvensis)

 

Vorm.

Dit gewas krijgt dunne, ronde en geknoopte stelen die ongeveer dertig cm hoog opgroeien. Ze zijn aan elke knoop met zeer dunne en smalle blaadjes begroeid die stervormig in het ronde staan. Op de toppen van de stelen draagt het kleine witte bloempjes die wat op die van de muur lijken waarna ronde zaadbolletjes komen die met klein zwart zaad gevuld zijn. De wortel is dun.

 

Plaats.

In Brabant en andere provincies worden met de spurrie gehele akkers bezaaid.

 

Tijd.

Dit gewas bloeit meestal in mei en juni.

 

Aard en krachten.

De werking van spurrie is tot noch toe onbekend, het wordt alleen tot voer voor de ossen en koeien gezaaid. Dodonaeus.

 

 

Dravich.

 

Gedaente.

Dit Kruydt is een mis gewas van de Rogge, doch kleynder van halmen ende bladeren, oock brenght het wijdt-uyt gespreyde Halmen voort, die van de Haver eenighsins gelijck, in sich besluytende lanckwerpigh graeuw koren ofte Zaedt. De wortel is dun ende veselachtigh.

 

Plaetse.

Dit Gewas wordt op de Koren-velden onder de Roggen gevonden.

 

Tijdt.

Het wordt rijp met het ander Graen.

 

Aert en Krachten.

De aert van dit Gewas is onbekent ende de krachten onversocht. Dodonaeus.

Dravik. (Bromus secalinus of Bromus hordaceus)

 

Vorm.

Dit kruid is een misgewas van de rogge maar kleiner van halmen en bladeren, ook brengt het wijd uitgespreide halmen voort die wat op die van de haver lijken en langwerpig grauw koren of zaad in zich hebben. De wortel is dun en vezelachtig.

 

Plaats.

Dit gewas wordt op de korenvelden onder de rogge gevonden.

 

Tijd.

Het wordt rijp met het andere graan.

 

Aard en krachten.

De aard van dit gewas is onbekend en de krachten zijn niet onderzocht. Dodonaeus.

 

 

Ydel-haver, in ít Latijn Bromus.

 

Gedaente.

Dit gewas is den Haver in alles seer gelijck, ende wordt om de ydelheyt der Aren Ydel-haver genaemt.

 

Plaetse.

Het wordt hier te Lande neffens de Wegen ende aen de kanten van de Ackers gevonden.

 

Tijdt.

In de Somerse Maenden staet dit Kruydt in sijn fleur.

 

Aert en krachten.

De Ydel-haver is verdroogende van aert en krachten. Dioscorides.

 

Medicinael gebruyck.

Voor quade zeeren van de Neus-gaten: Bereydt een afziedsel van dit Gewas in Water, doetíer by Honingh, koockt het te samen tot de dickte van een Syroop, ende steeckt het met doeckskens in de Neus-gaten. Dodonaeus.

IJle haver, in het Latijn Bromus. (Avena strigosa)

 

Vorm.

Dit gewas is de haver in alles zeer gelijk en wordt om de leegte van de aren ijdele haver genoemd.

 

Plaats.

Het wordt hier te lande naast de wegen en aan de kanten van de akkers gevonden.

 

Tijd.

In de zomerse maanden staat dit kruid in zijn fleur.

 

Aard en krachten.

De ijle haver is verdrogende van aard en krachten. Dioscorides.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen kwade zeren van de neusgaten: Maak een afkooksel van dit gewas in water, doe er honing bij, kook het tezamen tot de dikte van een siroop en steek het met doekjes in de neusgaten. Dodonaeus.

 

 

Koren-brandt, in ít Latijn Usilago.

 

Gedaente.

Dit Kruyt is van halmen ende bladeren de Haver seer gelijck, voort brengende een zwarte Are, met zwart ofte verbrande meluwachtigheyt vervult.

Plaetse.

Het wordt in de Nederlanden tusschen de Tarwe, Rogge ofte Haver gevonden.

 

Aert en Krachten.

Dit mis-gewas wert nergens toe gebruyckt, ende is het Graen seer schadelijck.

Korenbrand, in het Latijn Usilago. (Claviceps purpurea)

 

Vorm.

Dit kruid is van halmen en bladeren de haver zeer gelijk, brengt een zwarte aar voort die gevuld is met zwart of verbrande meelachtigheid.

Plaats.

Het wordt in Nederland tussen de tarwe, rogge of haver gevonden.

 

Aard en krachten.

Dit misgewas wordt nergens voor gebruikt en is voor het graan zeer schadelijk.

 

 

Boonen, in ít Latijn Fabae.

 

Geslachten

Van de Boonen vindt men hier te Lande drie soorten, te weten, kleyne ofte Veldt-boonen, groote ofte Roomse-boonen, ende Turckse-boon.

 

Gedaente.

De Velt-boonen hebben vierkante holle steelen, met breedtachtige bladeren, aen een middel-ribbe gehecht, bewassen. Aen de ende langhs de steelen komen de wel-rieckende bloemen voort, van verwe wit ende met zwarte placken getekent, na dese volgen de hauwen, van buyten groen ende van binnen met een witte wolachtigheyt bekleedt, waer in de Boonen schuylen. De wortel is redelijck lang, ende door veel veselinge in de Aerde bevestight.

De Roomsche-boonen zijn van steelen, bladeren, bloemen en hauwen, de voorgaende gelijck, alleen dat sy in alles grooter zijn.

De Turcksche-boonen brengen voort seer lange ende dunne steelen, waer mede sy sich om de bystaende staken omwinden ende vast maken. De bladeren zijn groot ende breet, gemeenlijck drie aen een steelken by een gevoeght. Omtrent de oorsprongh van de bladeren, komen de witte, geele ofte roode bloemkens, die van de Erwten gelijckende, te voorschijn, na dese volgen lange platte hauwen, in sich besluytende Nier-wijse Boonkens, van verwe onder malkanderen dickwils verschillende.

 

Plaetse.

Met de kleyne ofte Veldt-boonen worden hier te lande geheele Ackers bezaeyt. De Roomse ende Turckse-boonen worden alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Veldt- ende Roomse-boonen bloeyen in May, ende worden in Juny ofte July rijp. De Turckse-boonen bloeyen in Juny en worden in ít laetste van de Somer rijp.

 

Oeffeningh.

De Roomse-boonen plant men in de Maent Maert op ryen, maer de Turckse-boonen in April rondt om de staken, om daer by op te klimmen.

 

Aert en Krachten.

De Velt ende Roomse-boonen zijn kout van aert, ende geven redelijck goet voedsel. De Turckse-boonen zijn wat warm van aert. Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor sweerende Vrouwe-Borsten, ende blaeuw gestoten ofte gevallen Placken: Neemt Boonen-meel soo veel van nooden is, maeckt het met Soete-melck tot een pap, ende leght het op. Matthiolus. (61)

Voor pijn in de voeten: Zied de Boonen in Water ende baedt de voeten daer in. Brunfelsius

Om de Placken des Aengesichts te verdrijven: Neemt Boonen-bloeysel-water ende wascht het Aengesicht daer mede.

Voor Graveel ende Water-sucht: Neemt assche van Boone-struycken een handt vol, maeckt er met een half pintje Wijns een Looge van, ít welcke ghy in twee reysen sult ingeven, ofte neemt Sout van ghebrande Boone-struycken, bereyt een half vierendeel loots, ende geeft het met Wijn ofte Boonen-bloeysel-water in. Fuchsius, Joh. Schroderus.

Bonen, in het Latijn Fabae. (Vicia faba)

 

Geslachten.

Van de bonen vindt men hier te lande drie soorten, te weten; kleine of veldbonen, (var. minor) grote of Roomse bonen (var. major) en Turkse boon. (Phaseolus coccineus)

 

Vom.

De veldbonen hebben vierkantige, holle stelen met breedachtige bladeren die aan een middensteel groeien. Op het einde langs de stelen komen de wel riekende bloemen voort die wit van kleur en met zwarte plekken getekend zijn. Hierna volgen de hauwen die van buiten groen en van binnen met een witte wolachtigheid bekleed zijn waarin de bonen schuilen. De wortel is redelijk lang en door veel worteltjes in de aarde bevestigd.

De Roomse bonen zijn van stelen, bladeren, bloemen en peulen het voorgaande gelijk, alleen dat ze in alles groter zijn.

De Turkse bonen brengen zeer lange en dunne stelen voort waarmee ze zich om de bijstaande staken winden en vast maken. De bladeren zijn groot en breed, gewoonlijk met drie aan een steeltje bijeen gevoegd. Omtrent de oorsprong van de bladeren komen de witte, gele of rode bloempjes te voorschijn die op die van de erwten lijken. Hierna volgen lange, platte hauwen waarin niervormige boontjes liggen die van kleur onder elkaar dikwijls verschillen.

 

 

 

Plaats.

Met de kleine of veldbonen worden hier te lande gehele akkers bezaaid. De Roomse en Turkse bonen worden alleen in de hoven geteeld.

 

Tijd.

De veld- en Roomse bonen bloeien in mei en worden in juni of juli rijp. De Turkse bonen bloeien in juni en worden op het eind van de zomer rijp.

 

Teelt.

De Roomse bonen plant men in de maand maart op rijen, maar de Turkse bonen in april rondom de staken om daar bij op te klimmen.

 

 

Aard en krachten.

De veld en Roomse bonen zijn koud van aard en geven redelijk goed voedsel. De Turkse bonen zijn wat warm van aard. Fuchsius.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen zwerende vrouwenborsten en blauw gestoten of gevallen plekken: Neem van bonenmeel zoveel als nodig is, maak het met zoete melk tot een pap en leg het op. Matthiolus.

Tegen pijn in de voeten: Kook de bonen in water en baad de voeten daar in. Brunfelsius

Om de plekken van het gezicht te verdrijven: Neem bloemenwater van bonen en was het aangezicht daarmee.

Tegen nierstenen en waterzucht: Neem van de as van bonenstruiken een hand vol, maak er met een half pintje wijn een loog van wat ge in twee keer zal ingeven. Of neem een half vierendeel lood zout dat van gebrande bonenstruiken gemaakt is en geef het met wijn of bloemenwater van bonen in. Fuchsius, Joh. Schroderus.

 

 

Erwten, in ít Latijn Pisum.

 

Geslachten.

De Erwten worden in witte en graeuwe Erwten, met of sonder schellen onderscheyden, ende wederom in Veldt ende Hof-Erwten afgedeelt.

 

Gedaente.

De Erwten hebben lange, holle ende brossche steelen, in veel tackskens verspreydt, aen de eynden met klauwierkens versien, ende met breedtachtige bladeren, altijdt twee tegen malkanderen over staende, bewassen. Dese steelen konnen sich sonder behulp van rijs ofte stecken niet opheffen. De bloemen komen op besondere lange steelkens voort, van verwe wit, ende ontrent haer midden met een paersse placke bespickelt, oock zijnse wel geheel paers van koleur. De hauwen daer de Erwten in besloten leggen, zijn lanckwerpigh, rondt, ende nederwaerts afhangende.

 

Plaetse.

De Velt-erwten worden op de Ackers, ende de Hof-erwten in de Hoven gezaeyt ende vermenighvuldight.

 

Tijdt.

Sy worden in de Somer rijp.

 

Oeffeningh.

De Hof-erwten worden in de Maent Maert ofte April een duym diep in de Aerde geplant.

 

Aert en Krachten.

De Erwten zijn van aert ende krachten de gemeene Boonen seer gelijck. Dodonaeus.

Erwten, in het Latijn Pisum. (Pisum quadratum, Pisum sativum en Pisum arvense)

Geslachten.

De erwten worden in witte en grauwe erwten, met of zonder schillen verdeeld en weer in veld en hoferwten onderverdeeld.

 

Vorm.

De erwten hebben lange, holle en brosse stelen die in veel takjes verspreid en aan de einden met klauwieren voorzien zijn en begroeid met breedachtige bladeren die altijd twee tegenover elkaar staan. Deze stelen kunnen zich niet zonder hulp van rijsjes of takjes opheffen. De bloemen komen op aparte lange steeltjes voort, ze zijn van kleur wit en rond het midden met een paarse plek bespikkeld, ook zijn ze wel geheel paars van kleur. De peulen waar de erwten in liggen zijn langwerpig-rond en hangen naar beneden.

 

Plaats.

De velderwten worden op de akkers en de hoferwten in de hoven gezaaid en vermenigvuldigd.

 

Tijd.

Ze worden in de zomer rijp.

 

Teelt.

De hoferwten worden in de maand maart of april een duim diep in de aarde geplant.

 

Aard en krachten.

De erwten zijn van aard en krachten vrijwel gelijk als de gewone bonen. Dodonaeus.

 

 

Wicken, in ít Latijn Vicea.

 

Gedaente.

Dit Gewas brenght voort dunne, vierkante, lange steelen, met veel lanckwerpige, ende voor ront-toeloopende bladeren, aen een middelribbe over malkanderen geplaetst, bewassen. Aen het eynde van de steelkens is het met klauwierkens versien. De bloemen zijn die van de Veldt-boonen gelijck, maer doncker-purper van verwe, die van lanckachtighe hauwkens gevolght worden, waer in de platte bruyne zadekens, by ons Wicken genaemt, beslooten leggen.

 

Plaetse.

De Wicken worden op sommige Ackers gezaeyt.

 

Tijdt.

Dit Gewas bloeyt in May, ende in July ofte Augustus wort het zaet rijp.

 

Aert en Krachten.

De Wicken verwarmen matelijck, ende verdrogen in den tweeden graet, sy suyveren, vagen af, ende zijn in ít laetste wat tísamen-treckende van krachten. Ravelingius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Uyt-teeringe: Neemt Wicken-meel soo veel ghy wilt, vermenght dit met gesuyverde Honingh tot dat het als een Conserf werde, ende geeft hier van alle dagen de groote van een Ocker-noot. C. Durantus.

Voor Beeten van dolle Honden ende ander Gedierte: Neemt Wicken-meel, vermenght het met Wijn tot een papken ende leght het op. C. Bauhinus.

Wikken, in het Latijn Vicea. (Vicia sativa)

 

Vorm.

Dit gewas brengt dunne, vierkantige en lange stelen voort die met veel langwerpige en voor rond toelopende bladeren begroeid zijn en aan een middensteel over elkaar geplaatst staan. Aan het einde van de steeltjes is het met klauwiertjes voorzien. De bloemen zijn die van de veldbonen gelijk, maar donker purper van kleur die door langachtige peulen gevolgd worden waarin platte, bruine zaadjes liggen die door ons wikken genoemd worden.

 

Plaats.

Wikken worden op sommige akkers gezaaid.

 

Tijd.

Dit gewas bloeit in mei en in juli of augustus wordt het zaad rijp.

 

Aard en krachten.

De wikken verwarmen matig en verdrogen in de tweede graad, ze zuiveren, vegen af en zijn tenslotte wat tezamen trekkend van krachten. Ravelingius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen uittering: Neem van wikkenmeel zoveel ge wil, vermeng dit met gezuiverde honing totdat het als een konserf wordt en geef hiervan alle dagen de grootte van een okkernoot in. C. Durantus.

Tegen beten van dolle honden en ander gedierte: Neem wikkenmeel, vermeng het met wijn tot een papje en leg het op. C. Bauhinus.

 

 

Krock, in ít Latijn Arachus.

 

Geslachten.

Dit Gewas is in twee soorten, te weten, groote ende kleyne Krock, onderscheyden.

 

Gedaente.

De eerste soorte heeft seer teere kantige steelen, de bladeren zijn smal, ende aen een middel-steelken tegen malkanderen over gevoeght, aen ít eynde van het welcke de kleyne klauwierkens voort spruyten. (62) De bloemkens zijn kleyn ende purper van verwe, na de welcke kleyne ronde hauwkens, ronde, bruyne, ende harde zadekens in sich besluytende, te voorschijn komen.

De tweede soorte verschilt van de voorgaende in groote, wantse veel kleynder is als de zelfde, oock komen de bloemkens die wit zijn, op lange steelkens veel by een vergadert te voorschijn

Dese beyde soorten hebben groote gelijckenisse met de Wicken, ende worden daerom van sommighe Wilde Wicken ghenaemt.

 

Plaetse.

De Krock wort onder het koren ende hauwvruchten gevonden, ende brenght groote hindernisse omtrent het opwassen van de selve by.

 

Tijdt.

In July draeght dit gewas rijp zaet.

 

Aert en Krachten.

De Krock wordt nochte spijse, noch tot Medicijne voor de Menschen gebesight.

Krok, in het Latijn Arachus. (Vicia cracca en Vicia sepium)

 

Geslachten.

Dit gewas is in twee soorten verdeeld, te weten grote en kleine krok.

Vorm.

De eerste soort heeft zeer tere en kantige stelen. De bladeren zijn smal en zijn aan een middensteel tegenover elkaar geplaatst waar op het eind de kleine klauwiertjes voort spruiten. De bloempjes zijn klein en purper van kleur waarna kleine, ronde peulen te voorschijn komen die ronde, bruine en harde zaden in zich hebben.

De tweede soort verschilt van het voorgaande in grootte omdat ze veel kleiner is dan de die, ook komen de witte bloempjes veel bijeen verzameld op lange steeltjes te voorschijn

Deze beide soorten hebben een grote gelijkenis met de wikken en worden daarom door sommigen wilde wikken genoemd.

 

 

 

Plaats.

Krok wordt onder het koren en peulvruchten gevonden en brengt grote hindernis bij het opgroeien van die gewassen toe.

 

Tijd.

In juli draagt dit gewas rijp zaad.

 

Aard en krachten.

Krok wordt noch voor eten, noch voor medicijn door de mensen gebruikt.

 

 

Aphace.

 

Gedaente.

De Aphace brenght voort dunne, kantige, ende geknoopte lange steelen, met bladeren, die onder breedt ende boven spits zijn, ende aen yder knoop ofte lit twee tegen malkanderen over staen, bewassen. Aen de oorsprongh der bladeren spruyten kleyne klauwierkens ende geele Bloemkens. Na de Bloemkens volgen breedt-achtige hauwkens, met plat-ronde zwarte Zaden ghevult. De Wortel is met dunne veselingen behangen.

 

Plaetse.

Dit gewas wordt hier te Lande onder het ander koren gevonden.

 

Tijdt.

Het bloeyt in May, ende in Juny ofte July wordt het Zaet rijp.

 

Aert en Krachten.

De Aphace is matelijck verwarmende, ende sterckelijck verdroogende van aert, ende tísamen-treckende van krachten. Galenus.

Aphaca. (Lathyrus aphaca)

 

Vorm.

Aphace brengt dunne, kantige en geknoopte, lange stelen voort met bladeren die onder breed en boven spits zijn en die aan elke knoop of lid twee tegenover elkaar staan. Aan de oorsprong van de bladeren spruiten kleine klauwiertjes en gele bloempjes uit. Na de bloempjes volgen breedachtige peulen die met plat-ronde, zwarte zaden gevuld zijn. De wortel is met dunne vezels behangen.

 

 

Plaats.

Dit gewas wordt hier te lande onder het andere koren gevonden.

 

Tijd.

Het bloeit in mei en in juni of juli wordt het zaad rijp.

 

Aard en krachten.

Aphace is matig verwarmend en sterk verdrogende van aard en tezamen trekkend van krachten. Galenus.

 

 

Aerdt-akers, Aerdt-nooten, in ít Latijn Glans Terrestris.

 

Gedaente.

Dit gewas heeft teere ende dunne steelen, in verscheyde zijde scheuten verdeelt. De bladeren zijn lanckwerpigh ende kleyn, op besondere middel-steelkens, aen ít eynde met klauwierkens versien, voort-spruytende. Aen het opperste van de steelen komen paers-roode bloemen, die van de Erweten gelijck, te voorschijn, na de welcke kleyne ende lanckwerpige hauwkens, drie ofte vier ronde Zadekens in sich besluytende, volgen. De wortelen zijn knobbelachtig ende dick, van buyten zwart, van binnen wit, soet van smaeck, ende door veselinge aen malkanderen verbonden.

 

Plaetse.

Het wordt hier te Lande op de Koren-ackers gevonden.

 

Tijdt.

Het draeght sijn Bloemen in Juny ende July, ende na de May-tijdt worden de wortelen uytgegraven.

 

Aert en Krachten.

De Aert-akers zijn matelijck verwarmende, ende verdrogende van aert en daerom tísamentreckende van krachten. Dodonaeus.

Aardakers, aardnoten, in het Latijn Glans terrestris. (Lathyrus tuberosus)

 

Vorm.

Dit gewas heeft tere en dunne stelen die in verscheidene zijscheuten verdeeld zijn. De bladeren zijn langwerpig en klein die op aparte middenstelen voort spruiten en aan het einde met klauwieren voorzien zijn. Aan het opperste van de stelen komen paarsrode bloemen te voorschijn die gelijk zijn als die van de erwten waarna kleine en langwerpige peulen volgen die drie of vier ronde zaden in zich hebben. De wortels zijn knobbelachtig en dik, van buiten zwart en van binnen wit, zoet van smaak en door vezels aan elkaar verbonden.

 

Plaats.

Het wordt hier te lande op de korenakkers gevonden.

 

Tijd.

Het draagt zijn bloemen in juni en juli, na de mei tijd worden de wortels uitgegraven.

 

 

Aard en krachten.

De aardakers zijn matig verwarmend en verdrogend van aard en daarom tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus.

 

 

Koren-roosen, in ít Latijn Nigeallastrum.

 

Gedaente.

Dit gewas verkrijght een ronde steel, omtrent twee voeten hoogh, die neffens de lange, smalle, ende spitse bladeren, ruygh ofte hayrigh in ít aentasten is, op de top van de steel draeght het bruyn-roode bloemen, die van de Christus oogen gelijck, na de welcke lanckwerpige zaethuyskens met zwart zaet gevult, volgen. De wortel is dun.

 

Plaetse.

Het wordt onder het Koren wassende gevonden.

 

Tijdt.

Het bloeyt in May ende Juny.

 

Aert en krachten.

Het zaet van dit kruyt (63) is warm ende droogh in den tweeden graet, openende, ende af-vagende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor de Geelsucht: Neemt van het Zaet een vierendeel loots, gestooten zijnde, geeft het met eenigh bequaem nat in. Octavius Horatianus.

Om de Maendt-stonden der Vrouwen te verwecken, ende de Wormen te dooden: Neemt van het Zaet een vierendeel loots ende laet het op een reys gebruycken. Ravelingius.

Voor quade Schurftheydt: Neemt van het fijn gestooten Zaet, soo veel van noden is, mengt het met Honingh, ende strijckt het Schurft daer mede. Fuchsius.

Korenrozen, in het Latijn Nigeallastrum. (Agrostemma githago)

 

Vorm.

Dit gewas krijgt een ronde steel van ongeveer zestig cm hoog die met lange, smalle en spitse bladeren begroeid die ruig of harig in het aanvoelen zijn. Op de top van de steel draagt het bruinrode bloemen die op die van de Christus ogen lijken waarna langwerpige zaadhuisjes volgen die met zwart zaad gevuld zijn. De wortel is dun.

 

Plaats.

Het wordt groeiend onder het koren gevonden.

 

Tijd.

Het bloeit in mei en juni.

 

Aard en krachten.

Het zaad van dit kruid is warm en droog in de tweede graad, opent en afvegende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de geelzucht: Neem van het zaad een vierendeel lood en als het gestampt is geef het met enig goed nat in. Octavius Horatianus.

Om de maandstonden van de vrouwen te verwekken en de wormen te doden: Neem van het zaad een vierendeel lood en laat het in een keer gebruiken. Ravelingius.

Tegen kwade schurft: Neem van het fijn gestampte zaad zoveel als nodig is, meng het met honing en bestrijk de schurft daarmee. Fuchsius.

 

 

Koren-bloemen, in ít Latijn Cyanus .

 

Gedaente.

Dit Gewas brenght voort kantige steelen, met lanckwerpige ende diep gesneden asch-verwige bladeren bewassen, ende op de toppen met ronde ende bovenwaerts spits toeloopende geschubde knoppen beladen, uyt het midden van de welcke de Bloemen, van veel draykens tísamen geset, voortspruyten, dese zijn van verscheyde koleuren, te weten, blaeuw, wit, paers, root, ende lijfverwigh. Het lanckwerpigh blinckent zaet leyt in de knoppen in wolachtige ruyghte bevonden. De wortel is dun ende met veel veselingen behangen.

 

Plaetse.

De blaeuwe Koren-bloemen groeyen op de Ackers onder het Koren, die met de witte, paerse, roode ende lijfverwige bloemen worden in de Hoven gevonden.

 

Tijdt.

Sy bloeyen in May, Juny, en July.

 

Aert en Krachten.

De Koren-bloemen zijn kout ende droogh tot in den tweeden graet, ende tísamen-treckende van krachten. Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor rodigheydt ende pijn der Oogen: Neemt het gedistilleerde water van de bloemen, ende waschtse daer dickwils mede. Fuchsius.

Voor versche Wonden en Quetsuren: Neemt het sap van dit kruydt, druypt het in de Wonden ende legt het gestooten kruyt daer boven op. Brunfelsus.

Om de Maeg van alle galachtige vochtigheden te suyveren: Neemt van het fijn gestooten zaet een half vierendeel loots, ende geeft het met Bier ofte eenigh ander nat in. Ravelingius.

Korenbloemen, in het Latijn Cyanus. (Centaurea cyanus)

 

Vorm.

Dit gewas brengt kantige stelen voort die met langwerpige en diep gesneden, askleurige bladeren begroeid zijn. Op de toppen zijn ze met ronde en naar boven toe spits uitlopende geschubde knoppen bezet waar uit het midden de bloemen voort komen die van veel draadjes tezamen gesteld zijn. Ze zijn van verschillende kleuren, te weten, blauw, wit, paars, rood en vleeskleurig. Het langwerpige, blinkende zaad ligt in de knoppen in wolachtige ruigte. De wortel is dun en met veel vezels behangen.

Plaats.

De blauwe korenbloemen groeien op de akkers onder het koren, diegene met witte, paarse, rode en vleeskleurige bloemen worden in de hoven gevonden.

 

Tijd.

Ze bloeien in mei, juni en juli.

 

Aard en krachten.

De korenbloemen zijn koud en droog tot in de tweede graad en tezamen trekkend van krachten. Fuchsius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen roodheid en pijn van de ogen: Neem het gedistilleerde water van de bloemen en was ze daar vaak mee. Fuchsius.

Tegen verse wonden en kwetsingen: Neem het sap van dit kruid, drup het in de wonden en leg het gestampte kruid daar bovenop. Brunfelsus.

Om de maag van alle galachtige vochtigheid te zuiveren: Neem van het fijn gestampte zaad een half vierendeel lood en geef het met bier of enig ander nat in. Ravelingius.

 

 

Wilde Heul, Kolle-bloemen, Klap-roosen, in ít Latijn Papaver Erraticum, Rheados.

 

Gedaente.

Dit gewas heeft hayrige ofte ruyge steelen, met lanckwerpige ende diep gesneden bladeren bewassen, op de toppen van de steelen komen de schoon roode bloemen, die van de Tamme Heul gelijck, te voorschijn, de wortel is redelijck langh.

 

Plaetse.