Petrus Nylandt.Nederlandtse Herbarius of Kruydt-boek, 1682.

 

Voor-reden

Over den

Nederlantschen Herbarius

Of

Kruydt-boeck,

Aen de

Kruydt-ondersoeckende Leser.

 

 

E dringende nootsakelijckheyt, een Meestresse van ít gebruyck aller dingen, heeft niet sonder reden de redelijcke Schepselen, met veelderhande qualen en gebreecken beladen zijnde, hulpe doen soecken aen die dingen, dewelcke tot haer gesontheytdt voordeeligh konde zijn: Onder dese zijn de Kruyden en Gewassen by onse Voor-Ouders meest in ít gebruyck geweest; soo dat de rechte kennisse daer van niet alleen by een Genees-meester, maer oock by een Apotheker ofte Artzeny-bereyder, en Chrirurgijn ofte Heel-meester nootsakelijck vereyscht wort: Want indiense van dese kennisse ontbloot zijn, wat heeft men anders als merckelijcke schaden en groove misslagen te verwachten? Voorwaer het is een teecken ofte van groote lichtvaerdigheyt, des Menschen edele gesontheydt en leven door onkunde der Genees-middelen aldus in de waegh-schaal te stellen: ofte van grote onwetenheyt en dwaesheyt dese kennisse alleen aen de Kruydt-soeckers, die dickwils omtrent dese sake onervarender als sy selfs zijn, te betrouwen. Ende nademael men het gebruyck, der vreemde kruyden en Droogen, soo veel als ít mogelijck is, behoorde te vermijden, ende in der selver plaetse onse eygen Inlandtse Kruyden, die gemackelijcker en met meerder sekerheyt in haer volle kracht te bekomen zijn, niet vervalscht worden, en nader met den aert onser Inwoonderen over een komen, tot bevorderingh, bewaringh en herstellingh der gesontheyt aen te wenden: waerom ick oock alle de Boomen, Heesteren, Kruyden en Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde, als die in de Hoven der Kruydt-beminnaers op wassen, en naerstelijck onderhouden worden, uyt verscheyde vermaerde naerstige en geleerde Kruydt-beschrijvers by een versamelt, op dat als in een kort begrijp blijcken mochte, dat ons hier te Lande geene ofte weynige Genees-middelen tot bewaringh ende herstellingh van onse gesontheyt en ontbreken: soo dat het onnoodigh is, andere vreemde kruyden en Gewassen in ver gelegen, en seer van onse Climaet verscheyden Landen met groote curieusheyt, en noch meerder onkosten op te soecke ofte over te brengen. Nochtans heb ick tot meerder genoegen des Kruydt-ondersoeckende leser de vreemde Droogen, die gemeenlijck in de Apothekers winckels gebruyckt, en bij de Drogisten te bekomen zijn, hier by gevoeght. Onse eygen Inlandtse Kruyden hebbe ick na de verscheydentheyt der gronden, daerse gemeenlijck gevonden worden, by een gestelt, en de tamme Hof-kruyden onder haer besondere soorten verdeelt, op dat se de Kruydt-soeckers als uyt een Voorschrift ofte Register dies te gemackelijcker sien en bemercken souden, wat voor Kruyden, Planten en Gewassen sy op soodanige plaetsen, alsse betreden, te verwachten hebben. In het beschryven van der Boomen, Kruyden en Planten in ít besonder, hebbe ick de order en voorschrift van andere naeuw-keurige, naerstige, en vermaerde Kruydt-beschrijvers na gevolght: Ten eersten verhalende de Nederduytse en Latijnse naem, waer mede de Boomen, Heesteren, Kruyden en Planten gemeenlijck en meest bekent zijn: Ten tweeden stellende alle de Geslachten of mede-soorten van yder Gewas in ít besonder die hier te lande in ít wilde gevonden ofte in de Hoven onderhouden worden: Ten derden beschrijvende de gedaente ofte kentekenen om de selve te leeren kennen, ende van anderen te onderscheyden: Ten vierden aenwijssende de plaetse, alwaerse hier te Lande meest te vinden zijn: Ten vijfden te kennen gevende den tijdt, wanneerse haer volkomen en beste fleur of wasdom staen: Ten sesten leerende de oeffeninge ofte de maniere om de tamme Boomen, Heesteren, ende Kruyden, yder na sijnen aert, aen te teelen, ende te onderhouden: Ten sevende verhalende de aert, krachten en werckingen der selven; Ende ten laetsten versamelen uytgelesen Genees-middelen tegen veelderhande gebreken des menschelijcken Lichaems dienstigh, en van ervaren Genees-meesters Kruydt-beschrijvers versocht en krachtigh bevonden. Dit alles hebbe ick, om de Kruydt-ondersoeckende Lesers met geen onnoodige beuselingen ofte onnutte twist-reden lastigh te vallen, als mede de swacke Memorie te ondersteunen, in ít korte op het Pampier ontworpen. Versamelt dan hier uyt, waerde leser, ít geen u dienstigh is, behaeght het u niet alles, misschien sal het u alles niet mishagen, want mijn voornemen is niet u schadelijck, maer, veel eer u voordeligh te zijn Ondertusschen vaert wel.

De dringende noodzaak als meesteres van het gebruik van alle dingen heeft niet zonder reden de redelijke schepsels die aan vele soorten kwalen en gebreken lijden zijn hulp te zoeken in die dingen die tot hun gezondheid voordelig konden zijn. Hieronder zijn de kruiden en gewassen bij onze voorouders het meeste in gebruik geweest zodat de echte kennis daarvan niet alleen door een geneesmeester, maar ook door een apotheker of artsenij bereider en chirurg of heelmeester noodzakelijk vereist wordt. Want indien ze deze kennis niet hebben, kan men dan niet opmerkelijke schade en grote fouten verwachten? Voorwaar is het een teken of van grote lichtvaardigheid om de edele gezondheid en leven van de mensen met geneesmiddelen zo door onkunde van de geneesmiddelen in de weegschaal te zetten of vanwege grote onwetendheid en dwaasheid die kennis alleen aan de kruidzoekers over te laten die vaak van deze zaken nog onervaren zijn dan zijzelf.

 

 

 

 

 

 

 

En omdat men het gebruik van de vreemde kruiden en drogen zoveel als mogelijk behoort te vermijden en in hun plaats onze eigen inlandse kruiden te gebruiken die gemakkelijker en met grotere zekerheid in hun volle kracht te verkrijgen zijn en niet vervalst worden en beter naar de aard van onze inwoners overeen komen om de gezondheid te bevorderen of te herstellen waarom ik ook alle bomen, heesters, kruiden en gewassen die zowel in Nederland in het wild als wel die in de hoven van de kruidbeminnaars groeien en vlijtig onderhouden worden van verschillende vermaarde, vlijtige en geleerde kruidbeschrijvers bijeen verzameld zodat alles in het kort begrepen kan worden zodat er hier te lande geen of weinig geneesmiddelen tot behoudt en herstel van onze gezondheid ontbreekt zodat het onnodig is andere vreemde kruiden en gewassen uit ver gelegen en zeer van ons klimaat verschillende landen die vaak zeer bijzonder zijn maar met meer kosten op te zoeken of over te brengen. Nochtans heb ik tot meerder genoegen van de kruidonderzoekende lezer de vreemde drogen die gewoonlijk in de apothekers winkels gebruikt worden en bij de drogisten te krijgen zijn hierbij gevoegd.

Onze eigen inlandse kruiden heb ik naar de verschillen van de grond waar ze gewoonlijk gevonden worden bijeen gezet en de tamme hofkruiden onder hun bijzondere soorten verdeeld zodat ze des te gemakkelijker door de kruidzoekers als uit een voorschrift of register te zien en te herkennen zouden zijn wat voor kruiden, planten en gewassen ze op zulke plaatsen die ze betreden te verwachten hebben.

In het beschrijven van de bomen, kruiden en planten in het bijzonder heb ik de regel en voorschrift van andere nauwkeurige, vlijtige en vermaarde kruidbeschrijvers gevolgd. Ten eerste verhaal ik de Nederduitse en Latijnse naam waarmee de bomen, heesters, kruiden en planten gewoonlijk en het meest bekend zijn.

Ten tweede stel ik alle geslachten of medesoorten van elk gewas in en vooral die hier te lande in het wild gevonden of in de hoven onderhouden worden.

Ten derde beschrijf ik de gedaante of kentekens om die te leren kennen en van anderen te onderscheiden.

Ten vierde wijs ik de plaats aan waar ze hier te lande het meeste te vinden zijn.

Ten vijfde geef ik te kennen de tijd wanneer ze in hun volkomen en beste fleur of groei staan.

Ten zesde leer ik de teelt of de manier om de tamme bomen, heesters en kruiden elk naar zijn aard voort te telen en te onderhouden. Ten zevende verhaal ik van hun aard, krachten en werking.

En tenslotte verzamel ik de uitgelezen geneesmiddelen tegen veel soorten gebreken die voor het menselijke lichaam nuttig zijn en door ervaren geneesmeesters en kruidbeschrijvers onderzocht en krachtig bevonden. Dit alles heb ik om de kruidonderzoekende lezers niet met flauwekul of niet ter zaken doende twisten lastig te vallen als ook om de zwakke memorie te ondersteunen in het kort op het papier ontworpen. Verzamel dan hier uit, waarde lezer, hetgeen u dienstig is en alles behaagt u niet, maar misschien zal het u niet alles mishagen want mijn voornemen is u niets schadelijks maar om u meer voordelig te zijn Ondertusschen: vaart wel.

 

 

In Historiam Plantarum in digenaru,m ŗ

Cl V. PETRO NYLANDT, M. D.

††††††††††††††††††††††††† Adornatam.

 

elga, quid ignotas frutices faelicis EŲi,

Germina quid ficcae suspicis Arabiae ?

Dives opis Natura fuae, nec muneris illic

Largior, effaetos non tulit inde finus

Aspice, quid Patriis passim nascatur in oris,

Quidque fuo faelic munere terra ferat

Haec quoque planites, & aquis obnoxia rura

Non nihil, indigenas quo tueantur, habent.

Haec tua fedulitas, haec est tua. Docte NYYLANDE,

Naturae Batavos quae vetat effes rudes.

Vindice te, longumn neglecta, Batavia mater

Agnoscit, doteis opsa, legitque suas.

††††††††††††††††††††††††† J. v. Broeckhuysen.

 

Namen der Kruydt-beschrijvers ende Genees-meesters in dese Nederlantsen Herbarius of Kruyt-boeck aengeteekent.

 

Aetius.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Mathias Lobel.

Aamatus Lusitanus.†††††††††††††††††††††††† Mesue.

Aandres Caesalpinus.†††††††††††††††††††††† Mizaldus.

Avicenna.†††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Nicolaus Monardus.

Baptista Sardus.††††††††††††††††††††††††††††† Otto Brunfelsus.

Carolus Clusius.††††††††††††††††††††††††††††† Paulus Aegineta.

Casparus Nauhinus.††††††††††††††††††††††† Pterus Forestus.

Castorus Durantus.†††††††††††††††††††††††† Pterus Bayrus.

Christophorus Acosta.†††††††††††††††††††† Petrus Crescentius.

Dioscorides.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Petrus Andreas Mathhiolus.

Dominicus Chabraeus.†††††††††††††††††††† Petrus Potterus.

Felix Platerus.†††††††††††††††††††††††††††††††† Platearius.

Franciscus Ravelingius.†††††††††††††††††† Plinius.

Galenus.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Rembertus Dodonaeus.

Gualtherus Charleton.††††††††††††††††††††† Ruellius.

Joachimus Cammerarius.††††††††††††††††††††††††† Scribonius.

Johannes Schroderus. ††††††††††††††††††† S. Sethus.

Johannes Fragosus††††††† .†††††††††††††††††††††††† Theophrastus.

Leonardus Guchsius.†††††††††††††††††††††† Valerius Cordus.

 

Inhoudt

Des

Nederlantschen Herbarius ofte Kruyt-boecks.

I.               DEel. Beschrijvende de Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijdt, Oeffeningh, Aert, Krachten, en Medicnael gebruyck van alderhande Boomen, Heesteren, en Boomachtige Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde aengroeyen, als die in de Hoven onderhouden worden.

II.             Deel, Beschryvende alderhande Graen, Mis-gewassen van Koorn, Hauw-vruchten, Kruyden, en Planten, die in de Nederlanden op de Ackers, in drooge Beemden, en langhs de Wegen voortspruyten.

III.           Deel, Beschryvende alderhande Kruyden en Planten, die in de Bosschen, onder de Heggen, op schaduwachtige Plaetsen, en vette Gronden in de Nederlanden voort komen.

IV.           Deel, Beschryvende alderhande Kruyden en Planten, die in de Nederlanden op magere, Steen- en Sandtachtige opene Plaetsen groeyen.

V.             Deel, Beschryvende Alderhande Kruyden, die in de Nederlanden in de Revieren, Poelen, Zee vochtige Beemden, ofte grasachtige Plaetsen, en aen der selven kanten opwassen.

VI.           Deel, Beschryvende alderhande Distelen, en Doornachtige Planten, soo wel die in de Nederlanden meest in de Hoven onderhouden worden.

VII.         Deel, Beschryvende alderhande Medicinale en rare Hof-kruyden, soo wel die in de nederlanden in ít wilde opwassen, als die in de Hoven onderhouden worden

VIII.       Deel, beschryvende alerhande wel-rieckende Kruyden, die in de Hoven van Nederlandt onderhouden worden.

IX.           Deel, Beschryvende alderhande Bol- en Bloem-kruyden, die in de Hoven van Nederlandt onderhouden worden.

X.             Deel, beschryvende alderhande Kruyden met Krans-wijse Bloemen die in de Hoven van Nederlandt groeyen en onderhouden worden.

XI.           Deel Beschryvende alderhande Moes-kruyden en eetbare Wortelen, die in de Hoven van Nederlandt geoeffent en onderhouden worden.

XII.         Deel, Beschrijvende veelderhande uytlandtse Boomen, Heesteren, Kruyden en Planten, de welcke hier te Lande, uytgenomen eenige weynige, nergens gesien noch onderhouden worden; Ende wiens deelen, als Hout, Schorsse, Wortelen, Bladeren, Zaet, ofte Vruchten, mitsgaders der selver Sappen en Gommen gemeenlijck in de Apothekers Winckels gebruyckt, en vreemde Droogen genaemt worden.

Nb.

Omdat de tekst in Gotisch gedrukt staat worden de lichter gedrukte gedeeltes die in dit boek rechtop staan, cursief afgedrukt. Dit met uitzondering van de kop die in het boek al cursief staan is cursief gebleven, de tekst Ďin ít Latijní is ook zo gebleven. Verder heb ik tussen de verschillende delen een alinea open gelaten waar het in de tekst alles achter elkaar staat en elk stuk eindigt met directe opeenvolging van het volgende gedeelte. De tekst volgt hier ook direct achter de betreffende kop. Nico Koomen.

 

Inleiding.

 

 

 

 

 

Extract uyt de Privilegie.

De Heeren Staten van Hollandt en West-Vrieslandt, hebben bij Brieven van Octroy, gedateert den 21 April 1670, aen Marcus Doornick, Boeckverkooper tot Amsterdan, verleent, om alleen te mogen doen Dricken en Verkoopen, voor den tijt van 15 achter een volgende Jaren, een Boeck genaamt Den Nederlantschen Herbarius of Kruydboeck, beschreven door P. Nylandt, der Medicijnen Doctor, met verbodt van het selven gemaakt anders in geenderlande Talen te mogen Na-drucken of Verkoopen, in ít geheel of ten deele, in groot of kleyn Formaet, op alsulcke poenen en Amenden als ít selvige Octroy breeder is begrepen.

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Was onderteeckent

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Johann de Witt.

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Ter Ordonnantie van de Staten;

 

†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Herb. Van Beaumont.

 

 

Opdracht

Aen den

Seer Geleerden, Achtbaren, en Ervaren

Heer, Mijn Heer

Gulielmus Piso
M. Doctor, en voornamen Practicijn der Stadt

Amsterdam.

 

Myn Heer,

e voort-teelende natuur schijnt nergens in meerder uyt gespat te hebben als in ít voortbrengen van soo meenigerhanden, en by na ontallijcke soorten van Gewassen en Kruyden; welckers krachten te ondersoecken de dringende nootsakelijckheyt, en de ongestadigheyt des Menschen gesontheyt de eerste en voornaemste oorsake geweest is. Hoe seer wy aen veel Geleerde Mannen, de welcke in ít beschrijven der Kruyden en Planten nochte moeyten, nochte onkosten, nochte tijt gespaert hebben, verplicht zijnde, kan lichtelijck uyt haer nagelaten Schriften geoordeelt worden. Wiens voetstappen navolgende ik dit Kruyt-boek uyt verscheyde geleerde Kruyt-beschrijvers in ít korte by een versamelt hebbe, op dat als met een oogslagh, wat voor Kruyden en Planten sich in ons Nederlandt, soo wel in ít wilde, als in de Hoven tot vermaeck, voedtsel, en herstellinge van de gekrenckte gesontheyt des menschelijcken Lichaems vertoonen, gesien werden. Het sal misschien van sommige voor onnoodig geacht worden, ít geene van andere voor desen in ít licht gebracht, wederom op te disschen, maer dese gelieven te dencken dat mijn ooghwit alleen is, den genen die door veel besigheden om de wijtloopige Schriften van andere vermaerde Kruyd-beschrijvers te doorlesen, belet worden, behulpigh zijn.Ick bekenne dat my door dese voorberyde dingen veel arbeidts en moeyten benomen is, andersins hadde dese materie ofte des selfs ordentelijcke stellinge een meerder verstandt en groote naerstigheydt vereyscht.

Dese geringe Eerstelingen, mijnes arbeydts koom ick U. E opdragen en toe-eygenen: Eensdeels, om dat U. E met een besondere kennisse en nauwkeurigh oordeel van ít geen aen U. E opgedrage wordt, begaeft zijt: Anderdeels, om dat by U. E een langhduurende ervarentheyt van ít gebruyck der geneesmiddelen, die tot des Menschen gesontheyt dienstigh zijn, gehuysvest is. Ontfanght dan dese geringe erkentenisse met soodanige gunstige genegentheyt als het aen U. E opgeoffert wort: ít sal my loons genoegh zijn, dat dese bladeren met een gunstigh opslagh der oogen van U. E. doorsien mogen worden, waer door ick my verbonden sal houden altoos te blijven

Mijn Heer,

De voort telende natuur schijnt nergens meer in uitgespat te zijn dan in het voortbrengen van zoveel verschillende en bijna ontelbare soorten van gewassen en kruiden wiens krachten te onderzoeken vanwege de dringende noodzakelijkheid om steeds de menselijke gezondheid te behouden de eerste en voornaamste oorzaak geweest is. Hoe zeer wij aan veel geleerde mannen verplicht zijn die in het beschrijven van de kruiden en planten noch moeite, noch onkosten of tijd gespaard hebben kan gemakkelijk uit hun nagelaten schriften beoordeeld worden. Hun voetstappen volg ik na waarnaar ik dit kruidboek uit verschillende geleerde kruidbeschrijvers in het kort bijeen verzameld heb zodat in een oogopslag gezien kan worden welke kruiden en planten zich in ons Nederland, zowel in het wild als in de hoven tot vermaak, voedsel en herstelling van de aangetaste gezondheid van het menselijke lichaam zijn. Het zal misschien door sommige onnodig geacht worden wat hetgeen door anderen hiervoor in het licht is gebracht wederom op te dissen, maar die moeten eraan denken dat het mijn doel alleen is om diegene die door veel bezigheden om de uitgebreide schriften van andere vermaarde kruidbeschrijvers door te lezen verhinderd worden te helpen. Ik beken dat ze me door deze voorbereiding veel arbeid en moeite benomen is, anderszins had deze materie of zijn ordentelijke plaats een groter verstand en veel meer werk vereist.

Deze geringe eersteling van mijn arbeid wil ik U. E opdragen en toewijden: Eensdeels omdat U. E met een bijzondere kennis en nauwkeurig oordeel van hetgeen aan U. E opgedragen wordt begaafd bent: Anderdeels omdat bij U. E een langdurende ervaring van het gebruik van de geneesmiddelen die voor de menselijke gezondheid goed zijn aanwezig is. Ontvang dan deze geringe erkenning met zoín gunstige genegenheid als het aan U. E opgeofferd wordt, het zal voor mij genoeg loon zijn dat deze bladeren met een gunstig oogopslag door U. E. doorzien mogen worden, waardoor ik me verbonden zal houden altijd te blijven

 

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Die ick ben

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† U E.

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Dienstvaerdige Vriendt

 

††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† P. NYLANDT.

 

(1) Het Eerste deel.

Des

 

Nederlantschen Kruydt-Boecks,

Beschryvende

 

De Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijdt, Oeffeninge, Aert, Krachten, ende Medicinael gebruyck van alderhande Boomen, Heesteren ende boomachtige Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde aen-groeyen, als die in de Hoven onderhouden worden.

Het Eerste deel.

Van het

 

Nederlandse kruidboek

Beschrijft

De geslachten, vorm, plaats, tijd, kweekwijze, aard, krachten en medicinaal gebruik van allerhande bomen, heesters en boomachtige gewassen zo wel die in Nederland in het wild groeien als die in de hoven gekweekt worden.

 

 

Eycken-boom, in ít Latijn Quercus.

 

Gedaente.

e Eeckeldragende Boom, by ons Eycken-boom genaemt, is in dese en andere Landen genoeghsaem bekent. Hy wast op tot een hooge Boom, doch is langsaem in ít opschieten. Met seer veel dicke en groote tacken sich verre en wijt uitspreydende. De Eycken-boom noch jongh zijnde, heeft gladde en effene schorssen, maer out en groot geworden zijnde, is de schorsse rouw, geborsten, ende op veel plaetsen geklooft. Het hout is van binnen hardt en vast, maer het buytenste gedeelte, naest aen de schorsse geplaetsts, ít welck sich witter vertoont, is sachter en de bedervinge eerder onderworpen. De bladeren zijn glat, breedt, langhwerpigh, rondsom de kanten geschaert en diep ghekerft, en aen de bovenste zijde groender als aen de onderste. De vruchten, bij ons Eeckelen genaemt, zijn langhwerpigh, bestaende uyt een kerne in twee deelen onderscheyden, met een hardtachtige schellen bedeckt ende in rouwe schaelkens of dopkens begrepen.

Daer en boven zijn op de bladeren de Eycken-Appelkens te vinden, de welcke van verwe bleeck-groen, van wesen voos en waterachtigh, en van gedaente den Galnoten niet ongelijck zijn, en in wiens midden somtijts eenigh ghewormte gevonden wordt. De wortelen verspreyden sich seer diep en wijt in de Aerde, waerom ook dese Boom lange jaren, en naer sommigen haer meeningh, wel drie hondert jaar staen blijft.

 

Plaetse.

De Eycken-boom wast op in alderhande gront, nochtans tiert hy het best op goed en vet Landt. Men vint van deselve geheele Bosschen, en werden veel tot Lanen geplant.

 

Tijdt.

De Eycken verkrijght nieuwe bladeren in ít laetste van April, waer van wederom sommige in ít laetste van de Herfst afvallen, andere den geheelen Winter dor en vael aen de Boom over blijven hangen, tot dat sy voor de nieuw aengroeyende bladeren afgestoten werden. De Eeckelen werden in de Herfst rijp, als wanneer sy van selfs afvallen.

 

 

Oeffeningh.

De Eycken-boom werdt in de Nederlanden van Eeckelen ofte Aeckers, die in Veuren een halve voet diep in de Maent Maert gheplant zijn, vermenighvuldight. Deze 3/ 4 jaren ofte 5 Jaren opgeschooten, besnoeyt, en de Zaet-wortel onder afgesneden zijnde, verplant men de (2)selve 18 ofte 20 voet van malkander. Dese verplantingh geschiedt gevoeghlijck in January ofte February.

 

Aert en krachten.

De bladeren, schorssen, de dopkens van de Aeckers en de Aeckers self, zijn met eenige verkoelinge en seer stercke tísamen-treckinge, verdroogende tot in de derde graet. De Eycken-Appelkens ofte Ballekens zijn de Galnooten van krachten eenigsins gelijck. Dodon.

 

Medicinael gebruyk.

Voor onmatige Maent-stonden der Vrouwen, Bloet-spouwen, Bloedt-pissen en alle Bloedt-ganck. Neemt Eycken-bladeren, twee handen vol, dopkes van de Aeckers, schellen van de Aeckers, van elck een loot, koockt dit in Water en Roode wijn van elcks een pint tot dat een vierde part verkoockt is en geeft hier tweemael daegs van te drincken.

Hier toe is mede zeer krachtigh het water van de teere Eycken-bladeren gedistilleert, ít welck van sommige mede gepresen wordt om het Graveel en den Steen af te setten. Ook gebruykent hedendaeghs, zeyt Lobel, de Medicijns van Italien ende Piemont, om de Lever te verkoelen ende te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Voor Tant-pijn, bedorven Tant-vleesch en vuyle Zeeren: ĎNeemt de versche en jonge bladeren van den Eycken-boom, soo veel van nooden is, koockt die op in Wijn. Dit afziedsel werdt tegen de Tant-pijn in de mond gehouden, en voor de andere gebreken worden de selve daer mede gewasschenĒ, Ravelingius.

Om versche Wonden te heelen en ít bloeden te stelpen: ĎNeemt de versche bladeren van den Eycken, stoot die kleyn, daer na wascht de wonden met water daer Eyckenbladeren in gesoden zijn, ít welck verhindert alle ontstekinge, suyvert en heelt de wonden seer wel. Hier van verhaelt Galenus een merckwaerdig exempel: Het is my indachtigh, seyt hy, als dat ick eens een wonde die met een bijl gemaeckt was, genesen hebbe en naer dien geen ander genees-middel voor handen was, als alleen de bladeren van een Eycken-boom, hebbe ick de selve, kleyn gestoten zijnde, op de wonde en de naby gelegen deelen gebonden. Galenus.

Voor verouderde en verzeerde Scorftheyt: Neem het water, dat op holle struycken van oude Eycken-bomen door den regen vergadert is, ende bet de schorsde plaetse hier mede, Fuchsius, Matthiolus.

Eik, in het Latijn Quercus. (Quercus robur)

 

Vorm.

De eikeldragende boom die door ons eik genoemd wordt is in deze en andere landen voldoende bekend. Het groeit op tot een hoge boom, maar groeit langzaam. Met zeer veel dikke en grote takken spreidt het zich wijd en zijd uit. Als de eik nog jong is heeft het een gladde en effen schors, maar als het oud en groot wordt is de schors ruw, gebarsten en op veel plaatsen gekloofd. Het hout is van binnen hard en vast, maar het buitenste gedeelte dat onder de schors geplaatst is is witter, zachter en bederft eerder.

De bladeren zijn glad, breed, langwerpig en rondom de kanten geschaard en diep gekerfd, aan de bovenkant groener dan aan de onderkant. De vrucht, die door ons eikel genoemd wordt, is langwerpig en bestaat uit een kern die in twee delen gedeeld en met een hardachtige schil bedekt is en in ruwe schalen of doppen opgesloten.

Verder zijn op de bladeren de galappels te vinden die van kleur bleek groen zijn, ze zijn voos en waterachtig zijn en van vorm lijken ze veel op de galnoten, in hun midden worden soms wat wormen gevonden. De wortels verspreiden zich zeer diep en wijd in de aarde waarom ook deze boom lange jaren en volgens sommigen wel drie honderd jaar staan blijft.

 

 

 

 

 

 

 

Plaats.

De eik groeit in allerhande grond, nochtans tiert hij het beste op goed en vet land. Men vindt hiervan gehele bossen en ze worden veel tot lanen geplant.

 

Tijd.

De eik krijgt nieuwe bladeren op het eind van april waarvan weer sommige op het eind van de herfst afvallen en andere de hele winter dor en vaal aan de boom blijven hangen totdat ze door de nieuwe aangroeiende bladeren afgestoten werden (Quercus petraea). De eikels worden in de herfst rijp en dan vallen ze vanzelf af.

 

 

Teelt.

De eik wordt in Nederland vermenigvuldigd door eikels of akers in voren planten een vijftien cm diep in maart. Als die 3, 4 of 5 jaar gegroeid hebben worden ze gesnoeid en als de penwortel van onder afgesneden is plant men ze een vijf of zes meter uit elkaar. Dat verplanten doet men gewoonlijk in januari of februari.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren, schors, doppen van de eikels en de eikels zelf verdrogen met enige verkoeling en zeer sterke tezamen trekking tot in de derde graad. De galnoten of balletjes zijn de galnoten van krachten enigszins gelijk. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen onmatige maandstonden van de vrouwen, bloedspuwen, bloedplassen en alle bloedgang. Neem van eikenbladeren twee handen vol, van de doppen van de eik en schillen van de eik van elk een lood, kook dit in een pint water en een pint rode wijn totdat een vierde deel verkookt is en geef hier van tweemaal per dag te drinken.

Hiertoe is mede zeer krachtig het water dat van de tere eikenbladeren gedistilleerd is dat door sommige ook geprezen wordt om de nierstenen en de steen af te zetten. Ook gebruiken tegenwoordig, zegt Lobel, de dokters van ItaliŽ en Piemont het om de lever te verkoelen en te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Tegen tandpijn, bedorven tandvlees en vuile zeren: Neem van de verse en jonge bladeren van de eikenboom zoveel als nodig is en kook die op in wijn. Dit afkooksel wordt tegen de tandpijn in de mond gehouden, tegen de andere gebreken worden het daarmee gewassenĒ, Ravelingius.

Om verse wonden te helen en het bloeden te stelpen: ĎNeem de verse bladeren van de eik, stamp die klein en was daarna de wonden met water waar eikenbladeren in gekookt zijn, dat verhindert alle ontsteking, zuivert en heelt de wonden zeer goed. Hiervan verhaalt Galenus een merkwaardig voorbeeld: ĎIk denk aan het voorbeeld, zegt hij, toen ik eens een wond die met een bijl gemaakt was genezen heb omdat er geen ander geneesmiddel voor handen was dan alleen de bladeren van een eikenboom heb ik die klein gestampt en op de wond en de nabij gelegen delen gebondení. Galenus.

Tegen verouderde en verzweerde schurft: Neem het water dat op holle stengels van oude eikenbomen door de regen verzameld is en bet de schurftige plaats daar mee, Fuchsius, Matthiolus.

 

 

(1) Het Eerste deel.

Des

 

Nederlantschen Kruydt-Boecks,

Beschryvende

 

De Geslachten, Gedaente, Plaetse, Tijdt, Oeffeninge, Aert, Krachten, ende Medicinael gebruyck van alderhande Boomen, Heesteren ende boomachtige Gewassen, soo wel die in de Nederlanden in ít wilde aen-groeyen, als die in de Hoven onderhouden worden.

Het Eerste deel.

Van het

 

Nederlandse kruidboek

Beschrijft

De geslachten, vorm, plaats, tijd, kweekwijze, aard, krachten en medicinaal gebruik van allerhande bomen, heesters en boomachtige gewassen zo wel die in Nederland in het wild groeien als die in de hoven gekweekt worden.

 

Eycken-boom, in ít Latijn Quercus.

 

Gedaente.

e Eeckeldragende Boom, by ons Eycken-boom genaemt, is in dese en andere Landen genoeghsaem bekent. Hy wast op tot een hooge Boom, doch is langsaem in ít opschieten. Met seer veel dicke en groote tacken sich verre en wijt uitspreydende. De Eycken-boom noch jongh zijnde, heeft gladde en effene schorssen, maer out en groot geworden zijnde, is de schorsse rouw, geborsten, ende op veel plaetsen geklooft. Het hout is van binnen hardt en vast, maer het buytenste gedeelte, naest aen de schorsse geplaetsts, ít welck sich witter vertoont, is sachter en de bedervinge eerder onderworpen. De bladeren zijn glat, breedt, langhwerpigh, rondsom de kanten geschaert en diep ghekerft, en aen de bovenste zijde groender als aen de onderste. De vruchten, bij ons Eeckelen genaemt, zijn langhwerpigh, bestaende uyt een kerne in twee deelen onderscheyden, met een hardtachtige schellen bedeckt ende in rouwe schaelkens of dopkens begrepen.

Daer en boven zijn op de bladeren de Eycken-Appelkens te vinden, de welcke van verwe bleeck-groen, van wesen voos en waterachtigh, en van gedaente den Galnoten niet ongelijck zijn, en in wiens midden somtijts eenigh ghewormte gevonden wordt. De wortelen verspreyden sich seer diep en wijt in de Aerde, waerom ook dese Boom lange jaren, en naer sommigen haer meeningh, wel drie hondert jaar staen blijft.

 

Plaetse.

De Eycken-boom wast op in alderhande gront, nochtans tiert hy het best op goed en vet Landt. Men vint van deselve geheele Bosschen, en werden veel tot Lanen geplant.

 

Tijdt.

De Eycken verkrijght nieuwe bladeren in ít laetste van April, waer van wederom sommige in ít laetste van de Herfst afvallen, andere den geheelen Winter dor en vael aen de Boom over blijven hangen, tot dat sy voor de nieuw aengroeyende bladeren afgestoten werden. De Eeckelen werden in de Herfst rijp, als wanneer sy van selfs afvallen.

 

 

Oeffeningh.

De Eycken-boom werdt in de Nederlanden van Eeckelen ofte Aeckers, die in Veuren een halve voet diep in de Maent Maert gheplant zijn, vermenighvuldight. Deze 3/ 4 jaren ofte 5 Jaren opgeschooten, besnoeyt, en de Zaet-wortel onder afgesneden zijnde, verplant men de (2)selve 18 ofte 20 voet van malkander. Dese verplantingh geschiedt gevoeghlijck in January ofte February.

 

Aert en krachten.

De bladeren, schorssen, de dopkens van de Aeckers en de Aeckers self, zijn met eenige verkoelinge en seer stercke tísamen-treckinge, verdroogende tot in de derde graet. De Eycken-Appelkens ofte Ballekens zijn de Galnooten van krachten eenigsins gelijck. Dodon.

 

Medicinael gebruyk.

Voor onmatige Maent-stonden der Vrouwen, Bloet-spouwen, Bloedt-pissen en alle Bloedt-ganck. Neemt Eycken-bladeren, twee handen vol, dopkes van de Aeckers, schellen van de Aeckers, van elck een loot, koockt dit in Water en Roode wijn van elcks een pint tot dat een vierde part verkoockt is en geeft hier tweemael daegs van te drincken.

Hier toe is mede zeer krachtigh het water van de teere Eycken-bladeren gedistilleert, ít welck van sommige mede gepresen wordt om het Graveel en den Steen af te setten. Ook gebruykent hedendaeghs, zeyt Lobel, de Medicijns van Italien ende Piemont, om de Lever te verkoelen ende te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Voor Tant-pijn, bedorven Tant-vleesch en vuyle Zeeren: ĎNeemt de versche en jonge bladeren van den Eycken-boom, soo veel van nooden is, koockt die op in Wijn. Dit afziedsel werdt tegen de Tant-pijn in de mond gehouden, en voor de andere gebreken worden de selve daer mede gewasschenĒ, Ravelingius.

Om versche Wonden te heelen en ít bloeden te stelpen: ĎNeemt de versche bladeren van den Eycken, stoot die kleyn, daer na wascht de wonden met water daer Eyckenbladeren in gesoden zijn, ít welck verhindert alle ontstekinge, suyvert en heelt de wonden seer wel. Hier van verhaelt Galenus een merckwaerdig exempel: Het is my indachtigh, seyt hy, als dat ick eens een wonde die met een bijl gemaeckt was, genesen hebbe en naer dien geen ander genees-middel voor handen was, als alleen de bladeren van een Eycken-boom, hebbe ick de selve, kleyn gestoten zijnde, op de wonde en de naby gelegen deelen gebonden. Galenus.

Voor verouderde en verzeerde Scorftheyt: Neem het water, dat op holle struycken van oude Eycken-bomen door den regen vergadert is, ende bet de schorsde plaetse hier mede, Fuchsius, Matthiolus.

Eik, in het Latijn Quercus. (Quercus robur)

 

Vorm.

De eikeldragende boom die door ons eik genoemd wordt is in deze en andere landen voldoende bekend. Het groeit op tot een hoge boom, maar groeit langzaam. Met zeer veel dikke en grote takken spreidt het zich wijd en zijd uit. Als de eik nog jong is heeft het een gladde en effen schors, maar als het oud en groot wordt is de schors ruw, gebarsten en op veel plaatsen gekloofd. Het hout is van binnen hard en vast, maar het buitenste gedeelte dat onder de schors geplaatst is is witter, zachter en bederft eerder.

De bladeren zijn glad, breed, langwerpig en rondom de kanten geschaard en diep gekerfd, aan de bovenkant groener dan aan de onderkant. De vrucht, die door ons eikel genoemd wordt, is langwerpig en bestaat uit een kern die in twee delen gedeeld en met een hardachtige schil bedekt is en in ruwe schalen of doppen opgesloten.

Verder zijn op de bladeren de galappels te vinden die van kleur bleek groen zijn, ze zijn voos en waterachtig zijn en van vorm lijken ze veel op de galnoten, in hun midden worden soms wat wormen gevonden. De wortels verspreiden zich zeer diep en wijd in de aarde waarom ook deze boom lange jaren en volgens sommigen wel drie honderd jaar staan blijft.

 

 

 

 

 

 

 

Plaats.

De eik groeit in allerhande grond, nochtans tiert hij het beste op goed en vet land. Men vindt hiervan gehele bossen en ze worden veel tot lanen geplant.

 

Tijd.

De eik krijgt nieuwe bladeren op het eind van april waarvan weer sommige op het eind van de herfst afvallen en andere de hele winter dor en vaal aan de boom blijven hangen totdat ze door de nieuwe aangroeiende bladeren afgestoten werden (Quercus petraea). De eikels worden in de herfst rijp en dan vallen ze vanzelf af.

 

 

Teelt.

De eik wordt in Nederland vermenigvuldigd door eikels of akers in voren planten een vijftien cm diep in maart. Als die 3, 4 of 5 jaar gegroeid hebben worden ze gesnoeid en als de penwortel van onder afgesneden is plant men ze een vijf of zes meter uit elkaar. Dat verplanten doet men gewoonlijk in januari of februari.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren, schors, doppen van de eikels en de eikels zelf verdrogen met enige verkoeling en zeer sterke tezamen trekking tot in de derde graad. De galnoten of balletjes zijn de galnoten van krachten enigszins gelijk. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen onmatige maandstonden van de vrouwen, bloedspuwen, bloedplassen en alle bloedgang. Neem van eikenbladeren twee handen vol, van de doppen van de eik en schillen van de eik van elk een lood, kook dit in een pint water en een pint rode wijn totdat een vierde deel verkookt is en geef hier van tweemaal per dag te drinken.

Hiertoe is mede zeer krachtig het water dat van de tere eikenbladeren gedistilleerd is dat door sommige ook geprezen wordt om de nierstenen en de steen af te zetten. Ook gebruiken tegenwoordig, zegt Lobel, de dokters van ItaliŽ en Piemont het om de lever te verkoelen en te versterken. Dodonaeus, Lobel.

Tegen tandpijn, bedorven tandvlees en vuile zeren: Neem van de verse en jonge bladeren van de eikenboom zoveel als nodig is en kook die op in wijn. Dit afkooksel wordt tegen de tandpijn in de mond gehouden, tegen de andere gebreken worden het daarmee gewassenĒ, Ravelingius.

Om verse wonden te helen en het bloeden te stelpen: ĎNeem de verse bladeren van de eik, stamp die klein en was daarna de wonden met water waar eikenbladeren in gekookt zijn, dat verhindert alle ontsteking, zuivert en heelt de wonden zeer goed. Hiervan verhaalt Galenus een merkwaardig voorbeeld: ĎIk denk aan het voorbeeld, zegt hij, toen ik eens een wond die met een bijl gemaakt was genezen heb omdat er geen ander geneesmiddel voor handen was dan alleen de bladeren van een eikenboom heb ik die klein gestampt en op de wond en de nabij gelegen delen gebondení. Galenus.

Tegen verouderde en verzweerde schurft: Neem het water dat op holle stengels van oude eikenbomen door de regen verzameld is en bet de schurftige plaats daar mee, Fuchsius, Matthiolus.

 

 

Boecken-boom, in ít Latijn Fagus.

 

Gedaante.

De Boecken-boom schiet met een dicke stam hoog op, en verbreyt zich met veel zijde-tacken in ít ronde wijt uyt. De bladeren zijn dun, effen en breedtachtigh. De bloemen zijn kleyne geelachtige kattekens. De vruchten die in ruyge schellen ofte snoeren beslooten zijn, zijn drie-kantige Nootkens, die met een gladde schelle bedeckt, en gemeenlijck Boeck-pitten genaemt werden. De schorsse van de Boom is glad en het hout wit en hard. De wortelen spreiden zich wel wijd uit, maar zinken niet diep in de aarde.

 

Plaetse.

De Boecken-boom wast gaerne in sandachtige, doch vochtachtige Aerde en werdt alhier in Lanen ofte geplante Bosschen gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren en bloemen verscheelen weynigh in haer geboorte, want de dezelve te gelijck in ít eynde van April ofte in de May voort spruyten. Maer de nootkens ofte Boeck-pitten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden aengeteelt van Boeck-pitten in een grep in goede Aerde gezayt zynde, dan besnoeyt tot Stal boomen, en 5 ofte 6 Jaren opgewassen zijnde, verplant men se in January, 20 ofte 25 voeten van een.

 

Aert en krachten.

De bladeren van de Boecken-boom zijn verkoelende en eenighsins tísamen trekkende van aert. De Boekpitten zijn warm en vochtig van aert, met een kleyne tísamen treckinge vermenght. Dodonaeus.(3)

 

Medicinael gebruyck.

Voor de heete Geswellen en Puysten: Neemt de versche bladeren van den Boecken-boom, stoot se en lecht se op. Dodonaeus.

Voor pijn in de Nieren en ít Graveel: Neemt de assche van Boeck-pitten, een vieren deels loots, en geeft dit met eenigh nat te drincken. Ravelingius.

Voor Schorftheyt, gebruyckt het water dat in holle Boecken-boomen gevonden wort, gelijck wy van vooren van den Eycken-boom geseyt hebben. Ravelingius.

Beuk, in het Latijn Fagus. (Fagus sylvatica)

 

Vorm.

De beuk schiet met een dikke stam hoog op en verspreidt zich met veel zijtakken in het rond wijd uit. De bladeren zijn dun, vlak en breedachtig. De bloemen zijn kleine, geelachtige katjes. De vruchten zijn in ruige schillen of snoeren opgesloten. Het zijn driekantige nootjes die met een gladde schil bedekt zijn die gewoonlijk beukennoten genoemd worden. De schors van de boom is glad en het hout wit en hard. De wortels spreiden zich wel wijd uit, maar zinken niet diep in de aarde.

 

Plaats.

De beuk groeit graag in zandachtige, doch vochtige aarde en wordt alhier in lanen of geplante bossen gevonden.

 

Tijd.

De bladeren en bloemen verschillen weinig in tijd van geboorte omdat ze tegelijk op het eind van april of in mei uitkomen. Maar de noten of beukennoten worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden voort geteeld van beukennoten door ze in een greppel van goede aarde te zaaien, dan snoeien tot stel bomen en als die 5 of 6 jaar gegroeid hebben verplant men ze in januari een zes of zeven en een halve meter uit elkaar.

 

Aard en krachten.

De bladeren van de beuk zijn verkoelend en enigszins tezamen trekkend van aard. De beukennoten zijn warm en vochtig van aard en met een kleine tezamen trekking vermengd. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen hete gezwellen en puisten: Neem de verse bladeren van de beuk, stamp ze en leg ze op. Dodonaeus.

Tegen pijn in de nieren en nierstenen: Neem van de as van beukennoten een vieren deel lood en geef dit met wat nat te drinken. Ravelingius.

Tegen schurft: Gebruik het water dat in holle beukenbomen gevonden wordt, net als we van tevoren van de eik gezegd hebben. Ravelingius.

 

 

Esschen-boom, in ít Latijn Fraxinus.

 

Gedaente.

De Esschen-boom wert door ouderdom een seer hoog en dicke Boom, door zijn zijde-tacken in ít brede wijdt uytgespreydt zijnde, van welcke de teerste door eenige knoopen ofte ledenkens onderscheyden, en van binnen hol, en met wit, voos mergh gevult zijn. Het hout van de stam is witachtigh, hart en de verrottinge wederstaende. De schorsse die de stam ende de tacken bekleedt, is glat en effen. De bladeren zijn groot, langh en rontsom wat gekerft en uytgespreytd door veel bladeren aen een ribbeken tegen malkander over, behalven het uyterste bladt, wassende. Het saet groeyt in lange hauwkens, de tonge van sommige Vogelen uytbeeldende, de welcke aen de teerste rancken, neffens de bladeren in een tros nederwaerts hangende uytspruyten. De wortelen verspreyden sich wijdt en diep in de Aerde.

 

Plaetse.

De Eschen-boom wast tierigh en weelderigh op vochtige plaetsen en is in de Nederlanden overvloedigh genoegh te vinden.

 

Tijdt.

De bladeren en de hauwen waer in het zaet besloten leyt, komen in de Nederlanden in de Maent April te voorschijn, ende het zaet wort in de Herfst volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

Dese boom wort van het zaet aengeteelt, en tot de dickte van twee ofte drie duymen opgewassen zijnde, werdt in February ofte Maert 15 voeten van den anderen verplant, alwaer men die best ordineren sal: Nochtans moet men naerstigh in acht nemen, dat men de opgaende toppen niet af en snijde.

 

Aert en krachten.

De bladeren, schorsse en ít hout van den Esschen-boom zijn sterckelijkck droogh maeckende van aert, met een middelmatige warmte vergeselschapt. ít Zaet is warm en droogh in de tweede graet. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruyck.

Voor Vergift, en Beeten der Slangen: Neemt het sap van Esschen-bladeren twee loot, menght dit met een roemer Wijn, en gebruyckt het, oock kan men de bladeren nuttelijck op de Beete van Vipieren en Slangen op leggen. Het voorgaende kan oock met profijt ghebruyckt worden, om het water, ít welck sich tusschen Vel en Vleesch onthout, af te setten. Dioscorides, P. Aegineta.

Voor overtolligh Braecken: Neemt de bladeren en schorssen van den Esschen-boom, soo veel genoegh is, koockt dit in Azijn en Water, en leght het op de Maegh. Dodonaeus.

Voor pijn in de Zijde en Lever, uyt koude oyrsaecken ontstaen, en om het Water af te setten: Neemt het zaet van desen Boom een loot, koockt dit gekneust zijnde in Wijn, daer na door gesijgt, geeft den Wijn te drincken. Brunfelsius, Matthiolus.

Voor verstoppinge en verhardinge van de Milt: Neemt de schorsse van Esschen-boom een half pint, doet die in een nieuwe pot, giet daer op twee mingelen Wijn, koockt dit te samen tot dat een pint Wijns over blijft, de welcke in negen deelen afgescheyden, sult ghy daer van alle dagen een deel in nemen. J. Stocker.

Voor Doofheyt: Neemt het sap dat onder het branden uyt het Esschen-hout druypt, vermengt dit met het sap van Wijnruyt, en doe dit met Boom-wol in de Ooren. Matthiolus. (4) Voor versche Wonden: Neemt de wortel van den Esschen-boom, koockt die in Water ofte Wijn, en wascht de wonde hier mede. Ravelingius.

Voor Milt-sucht, Graveel ende Pocken. Neemt de schavelingen van het Esschenhout 4 loot, weeckt ende koockt dit in Water ofte Wijn tot een pint, ende geeft hier van tweemael des daegs een roemertje vol te drincken. Lobel

Es, in het Latijn Fraxinus. (Fraxinus excelsior)

 

Vorm.

De es wordt door ouderdom een zeer hoge bbom, door zijn zijtakken een zeer dikke boom omdat die in de breedte uitgespreid zijn waarvan de teerste door enige knopen of leden verschillen en van binnen hol en met wit, voos merg gevuld zijn. Het hout van de stam is witachtig, hard en weerstaat verrotting. De schors, die de stam en de takken bekleed, is glad en effen. De bladeren zijn groot, lang en rondom wat gekerfd, uitgespreid door veel bladeren die aan een steel tegen over elkaar staan behalve het uiterste blad. Het zaad groeit in lange peulen die op de vorm van sommige vogels lijken, ze hangen aan de teerste ranken, naast de bladeren in een tros naar beneden. De wortels verspreiden zich wijd en diep in de aarde.

 

Plaats.

De es groeit tierig en weelderig op vochtige plaatsen en is in Nederland overvloedig genoeg te vinden.

 

 

Tijd.

De bladeren en de peulen waarin het zaad ligt komen in Nederland in de maand april te voorschijn, het zaad wordt in de herfst volkomen rijp.

 

Teelt.

Deze boom wordt van het zaad voortgeteeld en als het tot de dikte van twee of drie duimen gegroeid is, wordt het in februari of maart vier en een halve meter uit elkaar verplant op die plaats die het beste geschikt is: Nochtans moet men goed in acht nemen dat men de opgaande toppen niet afsnijdt. (Dan splitsen ze zich)

 

Aard en krachten.

De bladeren, schors en het hout van de es zijn sterk droog makende van aard die samen gaat met een middelmatige warmte. Het zaad is warm en droog in de tweede graad. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen vergif en beten van de slangen: Neem van het sap van esbladeren twee lood, meng dit met een roemer wijn en gebruik het. Ook kan men de bladeren nuttig op de beet van vipers en slangen leggen. Het voorgaande kan ook met profijt gebruikt worden om het water, dat tussen het vel en vlees zit, af te zetten. Dioscorides, P. Aegineta.

Tegen overtollig braken: Neem de bladeren en schors van de es zoveel als genoeg is, kook dit in azijn en water en leg het op de maag. Dodonaeus.

Tegen pijn in de zijde en lever die uit koude oorzaken ontstaan zijn en om het water af te zetten: Neem van het zaad van deze boom een lood, kook dit als het gekneusd is in wijn en als het door gezeefd is geef de wijn te drinken. Brunfelsius, Matthiolus.

Tegen verstopping en verharding van de milt: Neem van de schors van de es een half pint, doe die in een nieuwe pot en giet daar twee mengsels wijn op, kook dit tezamen totdat een pint wijn over blijft, die verdeel je in negen delen en daar zal je alle dagen een deel van in nemen. J. Stocker.

Tegen doofheid: Neem het sap dat onder het branden uit het essenhout druipt, vermeng dit met het sap van wijnruit en doe dit met katoen in de oren. Matthiolus.

Tegen verse wonden: Neem de wortel van de esboom, kook die in water of wijn en was de wond hier mee. Ravelingius.

Tegen miltzucht, niersteen en pokken. Neem vier lood schaafsel van het essenhout, week en kook dit in water of wijn tot een pint en geef hiervan tweemaal per dag een roemertje vol te drinken. Lobel.

 

 

Haver-esschen, Qualster-boom.

Lyster-bessen, in ít Latijn Ornus, Sorbus Aucuparia.

 

Gedaente.

De Qualsterboom wert van heelkruytbeschrijvers, onder de soorte van Esschen-boom aengenomen, maer hy en schiet soo hoogh niet op als voorgaende, de bladeren spruyten wel op deselfde maniere uyt, doch sy zijn sachter en wat dieper rondtom de kanten geschaert. De bloemen, die wit zijn, vertoonen sich krans- ofte kroonswijs te samen by een. De Besien zijn eerst groen, daer na rijp geworden zijnse root, doch onlieflijck van smaeck, eenige langhachtige zaden in sich besluitende.

 

Plaetse.

Dese Boom werdt hier te lande meest rondtom de Boomgaerden gheplant.

 

Tijdt.

De bladeren en bloemen spruyten in de May voort, maer de besien worden eerst in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Qualster-boom wordt van zaedt, ít welck in de besien beslooten leyt, aengewonnen, ende 1 ofte 2 duym dick zijnde, werden 15 voeten van een geplant .

 

Aert en krachten.

De natuur en eygenschap van de bladeren, schorssen en besien van desen Boom, is noch van oude noch van nieuwe kruydt-beschrijvers in ít licht gebracht en aengemerckt, nochtans gissen eenige uyt de suuren en wrange smaeck die de besien aen sich hebben, dat de selve nut en dienstigh soude zijn om alle overvloedige vloeden te stoppen; andersins werden de selve veel gebruyckt om de Lijsters, Sneppen ende ander Gevogelte daer mede te vangen.

Haveres, kwalsterboom. Lijsterbes, in het Latijn Ornus, Sorbus aucuparia. (Sorbus aucuparia)

 

Vorm.

De lijsterbes wordt door de heelkruidbeschrijvers onder de soorten van es vermeld, maar hij schiet niet zo hoog op als voorgaande. De bladeren spruiten wel op dezelfde manier uit, maar ze zijn zachter en wat dieper rondom de kanten geschaard. De bloemen, die wit zijn, vertonen zich krans- of kroongewijs tezamen bijeen. De bessen zijn eerst groen en als ze daarna rijp worden zijn ze rood maar onaangenaam van smaak waarin enige langachtige zaden in zitten.

 

Plaats.

Deze boom wordt hier te lande meestal rondom de boomgaarden geplant.

 

 

Tijd.

De bladeren en bloemen spruiten in mei uit, maar de bessen worden pas in de herfst rijp.

 

Teelt.

De lijsterbes wordt van zaad dat in de bessen zit vermeerderd en als ze 1 of 2 duim dik zijn worden ze vier en een halve meter uit elkaar verplant.

 

Aard en krachten.

De natuur en eigenschap van de bladeren, schors en bessen van deze boom is noch van oude, noch van nieuwe kruidbeschrijvers in het licht gebracht en opgemerkt, nochtans gissen enige uit de zuren en wrange smaak die de bessen hebben dat die nuttig en goed zouden zijn om alle overvloedige vloeden te stoppen, anderzins worden ze veel gebruikt om de lijsters, sneppen en andere vogels daarmee te vangen.

 

 

Populier-boom, in ít Latijn Populus.

 

Geslachten.

De Populier-boomen werden in twee soorten onderscheyden, te weten in swarte en witte Populieren ofte Abeel-boomen.

 

Gedaente.

De swarte Populier-boom schiet haestelijck op, wiens top met veel tacken versien is. De schorsse van de stam is rouw, maer van de tacken effen, glat ende witachtigh van koleur. De eerste botten der bladeren hebben eenige vettigheydt en een stercke reuck by sich, de welcke daer na, wanneer de bladeren volkomen voortgebracht zijn, niet meer bespeurt worden. De bladeren zijn achter breedt, en voor spits toeloopende, ende rontom de kanten geschaert, van verwe groen en blinckende, de welcke aen een dun lang steeltje hangen. De bloemen zijn ruyge kattekens, waer na sich vertoont een smalle trosse, van veel ronde besien tísamen vergadert, de welcke rijp geworden zijnde, open gaen, en in wolachtige stuyfkens verwaeyen. De wortel sinckt tamelijck diep in de Aerde, waer door hy veel vaster als den Abeel-boom beklijft.

De witte Populier ofte Abeel-boom wert met dit onderschydt van de swarte Populier-boom onderscheyden; te weten, de bladeren van Dese Boom zijn breedt, rondtom diep geschaert, den Wijngaerdts-bladeren, hoewel sy veel kleyner zijn, by na gelijck: De bovenste zijde der bladeren is effen en groen, de onderste silver-wit, sacht en wolachtigh. De bloemkens zijn kattekens, eerst paers-achtigh en daer na bleecker van verwe, die mede in stuyfkens verdwijnen. De wortelen sincken soo diep, als die van de swarte Populier, in de Aerde niet, maer kruypen langs de Risch van de Aerde voort. (5)

 

Plaetse.

Dese Boomen zijn hier te lande veel te vinden, want zy tot Lanen en bemantelinge der Hoven seer bequam zijn, en sy wassen seer tierigh op vochtige en broeck-achtige plaetsen.

 

Tijdt.

De Populier-boomen beginnen in ít laetste van Maert ofte in den aenvangh van April uyt te botten, en als dan moeten de selve van de Artzeny-bereyders tot haer gebruyck gepluckt worden.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden aengequeeckt van oploopen ofte wortel-spruyten, dewelcke op bequame plaetsen geplant worden.

 

Aert en Krachten.

Soo wel de botten en bladeren, als de schorssen van beyde dese Boomen zijn van een getemperde natuur, nochtans by sich hebbende een afvagende kracht. Matthiolus, C. Durantus

 

Medicinael gebruyck.

Voor de pijn der Voeten ofte Flerecijn: Neemt de bladeren van de swarte Populier soo veel van nooden is, stoot de selve in een mortier heel kleyn, daer by doende een weynigh Wijn azijn, en leght het over de plaetse daermen de pijn gevoelt. Dioscorides.

Om het Hayr te doen groeyen: Neemt de jonge botten van de Swarte Populier, koockt die op in versche boter en bestrijckt het hooft hiermede. Van desen botten werd in de Apothekers de bekende salve Unguentum Populeon bereydt, de welcke tot veel gebreecken nut en dienstigh is. Dodonaeus.

Om de urijn af te setten en de droppelpisse te genesen: Neemt de schorsse van den Abeel-boom twee loot, koockt die in een pint goede Wijn, en geeft hier van een roemertje vol te drincken. Dit selfde is mede goet om de Heup-gichte en ít Flerecijn te genesen. Dodonaeus, R.S. Sammonius.

Voor pijn en sweeringe in de Ooren: Neemt het sap van de bladeren van Witte Populier en druypt het lauw in de Ooren. Dodonaeus

Voor Schurft en de Wratten: Neemt het water, ít welcke in de holle van de oude Stammen gevonden wordt, ende bestrijckt het daer mede. Joh. Schroderus.

Populier, in het Latijn Populus. (Populus nigra en Populus alba)

 

Geslachten.

De populieren worden in twee soorten onderscheiden, te weten in zwarte en witte populieren of abeelbomen.

 

Vorm.

De zwarte populier schiet snel op en de top is met veel takken voorzien. De schors van de stam is ruw maar die van de takken vlak, glad en witachtig van kleur. De eerste knoppen van de bladeren hebben enige vettigheid en een sterke reuk bij zich die daarna als de bladeren volkomen voortgebracht zijn niet meer bespeurd worden. De bladeren zijn achter breed en lopen voor spits toe, rondom de kanten geschaard en van kleur groen en blinkend die aan een dun en lang steeltje hangen. De bloemen zijn ruige katjes waarna een smalle tros komt die uit veel ronde bessen samen gesteld is en als die rijp worden open gaan waaien ze in wolachtige pluizen weg. De wortel zinkt tamelijk diep in de aarde waardoor hij veel vaster dan de abeel staat.

De witte populier of abeel word door deze verschillen van de zwarte populier onderscheiden, te weten: de bladeren van deze boom zijn breed en rondom diep geschaard die veel op de druivenbladeren lijken, hoewel ze veel kleiner zijn. De bovenste zijde van de bladeren is vlak en groen, de onderste zilverwit, zacht en wolachtig. De bloemen zijn katjes die eerst paarsachtig zijn en daarna bleker van kleur die ook in pluizen verdwijnen. De wortels zinken niet zo diep als die van de zwarte populier in de aarde, maar kruipen langs de oppervlakte van de aarde voort.

 

 

Plaats.

Deze bomen zijn hier te lande veel te vinden omdat ze voor lanen en randen van de hoven zeer nuttig zijn. Ze groeien zeer tierig op vochtige en moerasachtige plaatsen.

 

 

Tijd.

De populieren beginnen in het laatste van maart of in het begin van april uit te botten en dan moeten ze door de artsenijbereiders voor hun gebruik geplukt worden.

 

Teelt.

Deze bomen worden voortgeteeld van uitlopers of wortelscheuten die op goede plaatsen geplant worden.

 

Aard en krachten.

Zowel de knoppen en bladeren als de schors van beide bomen hebben een getemperde natuur, nochtans hebben ze een afvegende kracht bij zich. Matthiolus, C. Durantus

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de pijn van de voeten of jicht: Neem van de bladeren van de zwarte populier zoveel als nodig is, stamp ze in een mortier heel klein en doe daar wat wijnazijn bij en leg het op de plaats waar men de pijn voelt. Dioscorides.

Om het haar te laten groeien: Neem de jonge knoppen van de zwarte populier, kook die op in verse boter en bestrijk het hoofd hiermee. Van deze knoppen wordt in de apotheek de bekende zalf Unguentum Populeon gemaakt die tegen vele gebreken nuttig en dienstig is. Dodonaeus.

Om de urine af te zetten en de druppelplas te genezen: Neem van de schors van de abeel twee lood, kook die in een pint goede wijn en geef hiervan een roemertje vol te drinken. Hetzelfde is ook goed om de heupjicht en de jicht te genezen. Dodonaeus, R.S. Sammonius.

Tegen pijn en zweren in de oren: Neem het sap van de bladeren van witte populier en druip het lauw in de oren. Dodonaeus

Tegen schurft en wratten: Neem het water dat in de holte van de oude stammen gevonden wordt en bestrijkt het daar mee. Joh. Schroderus.

 

 

Linden-boom, in ít Latijn Tilia.

 

Geslachten.

Van dese Boom vintmen in de Nederlanden twee soorten, Linden-boom Wijfken, die meest bekent is, en Linden-boom Manneken.

 

Gedaente.

De eerste soort wast op tot een seer groot en dicke Boom, wiens tacken sich wijdt en breedt uytspreyden. De schorsse is uytwendigh effen en bruynachtigh, van binnen uyt den geelen witachtigh

Het hout is effen en wit van verwe, maer niet seer hert. De bladeren zijn breedt, glat, vooraen een weynigh spits en ront om de kanten gekerft. De bloemen, die uyt sommige smalle witachtige bladekens spruyten, zijn seer welrieckende en aen lange steelkens tísamen vergadert. De vruchten, ít welck kleyne ronde besien zijn, besluyten in sich kleyn, ront, en zwartachtigh zaet. De wortelen bevestigen sich diep, wijt en breedt in de aerde.

De Linden-boom Manneken werd van de voorgaende onderschyden, door dien de bladeren niet soo effen noch glat, maer veel rouwer zijn, als mede door dien dese soorte seer selden bloeysel of vruchten voortbrengt, en daerom onvruchtbaer geoordeelt, nochtans schrijft Dodonaeus, dat de vruchten van den Linden-boom Manneken plat, rondt en als de vruchten van den grooten Thlaspi, ít samen in een gedrongen aen lange steelkens druyf wijs by een hangen.

 

Plaetse.

De Linden-boom is in grooten overvloet in de Nederlanden te vinden, en wast gaerne in goet en vet aertrijck, want in een dorre en drooge gront tiert hy niet seer wel.

 

Tijdt.

De bladeren van desen Boom spruyten in April, en den bloemen in May voort.

 

Oeffeningh.

De Linden-boomen werden van zaet en wortel-spruyten aengeteelt, de welke men een ofte twee voeten van malkanderen set, en tot de gront af snijt, uytgenomen een schoote, die men om een rechte (6) stam te maecken best en bequamste te zijn oordeelt: daer na 4 of 5 jaren out en 2 ofte 3 duymen dick zijnde, kan mense verplaetsen 24 voeten van malkander.

 

Aert en krachten.

De bladeren en schorsse van dese Boom zijn matelijck warm en ít samentreckende van aerdt, met eenige drooghmaeckende en de terugh dryvende kracht begaeft zijnde. De bloemen zijn warm en droogh, seer fijn van deelen, hebbende een besondere kracht om de gebreken der herssenen, uyt koude oorsake ontstaen, te genezen. Fuchsius, Brunfelsus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor geswolle beenen: Neemt bladeren van den Linden-boom, soo veel van nooden is, koockt die in water tot een pap, en slaet het om de geswolle beenen. Dodonaeus.

Voor Spruw en puysten in de mondt: Neemt die bladeren van de Linden-boomen, koockt die in schoon regen-water, en spoelt den mont daer mede. Matthiolus.

Voor drayinghe des Hoofts, Vallende sieckte, beroertheyt, en om de geboorte te vorderen: Gebruyckt het gedistileerde water van Linden-bloeysel, als mede Conserf van deselve Bloemen bereyt. C. Durantus.

Voor het uytvallen des Hayrs: Vergadert de vochtigheyt die uyt desen opgesneden Boom druypt, en bestrijckt het Hooft daer mede. Joh. Schroderus.

Voor het bloeden uyt de Neus: Neemt het zaet van den Linden-boom, ende fijn gepulveriseert zijnde, treckt het in de Neus-gaten op. Joh. Schroderus.

Om het geronnen Bloet te doen scheyden: Neemt droogh Lindenboomen hout, brant hier van koolen, de welcke ghy met Wijn-azijn uyt dooven sult, geeft van dese fijn gestooten koolen een vierendeel loots met eenigh nat te drincken. Joh. Schroderus.

Linde, in het Latijn Tilia. (Tilia cordata en platyphyllum, het mannetje)

 

Geslachten.

Van deze boom vindt men in Nederland twee soorten, linde wijfje die het meest bekend is en linde mannetje.

Vorm.

De eerste soort groeit op tot een zeer grote en dikke boom wiens takken zich wijd en breed uitspreiden. De schors is uitwendig vlak en bruinachtig, van binnen uit het gele witachtig

Het hout is effen en wit van kleur, maar niet zo hard. De bladeren zijn breed en glad, vooraan wat spits en rondom de kanten gekerfd. De bloemen die uit sommige smalle, witachtige blaadjes komen zijn zeer wel riekend en hangen tezamen aan lange steeltjes. De vruchten zijn kleine ronde besjes en hebben in zich klein, rond en zwartachtig zaad. De wortels bevestigen zich diep, wijd en breed in de aarde.

Linde mannetje wordt van het voorgaande onderscheiden doordat zijn bladeren niet zo vlak of glad zijn, maar veel ruwer, als mede doordat deze soort zeer zelden bloemen of vruchten voortbrengt en wordt daarom onvruchtbaar geacht, nochtans schrijft Dodonaeus dat de vruchten van het lindeboom mannetje plat, rond en als de vruchten van de grote Thlaspi zijn en tezamen ineen gedrongen aan lange steeltjes druifvormig bij elkaar hangen.

 

 

Plaats.

De linde is in grote overvloed in Nederland te vinden en groeit graag in goede en vette grond want in een dorre en droge grond tiert het niet zo goed.

 

Tijd.

De bladeren van deze boom spruiten uit in april en de bloemen in mei.

 

Teelt.

De linden worden van zaad en wortelspruiten voort geteeld die men dertig of zestig cm van elkaar zet en tot de grond af snijdt, uitgezonderd een scheut die men om een rechte stam te maken als het beste en meest goede beoordeelt, daarna als ze 4 of 5 jaren oud en 2 of 3 duimen dik zijn kan men ze een zeven meter uit elkaar verplaatsen.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van deze boom zijn matig warm en tezamen trekkend van aard die met enige droog makende en de terug drijvende kracht bezet zijn. De bloemen zijn warm en droog, zeer fijn van delen en hebben een bijzondere kracht om de gebreken van de hersens die uit koude oorzaken ontstaan zijn te genezen. Fuchsius, Brunfelsus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen gezwollen benen: Neem van de bladeren van de linde zoveel als nodig is, kook die in water tot een pap en sla het om de gezwollen benen. Dodonaeus.

Tegen spruw en puisten in de mond: Neem de bladeren van de linde, kook die in schoon regenwater en spoel de mond daarmee. Matthiolus.

Voor draaiingen van het hoofd, vallende ziekte, beroerdheid en om de geboorte te bevorderen: Gebruik het gedistilleerde water van lindebloesem als mede de konserf die van dezelfde bloemen gemaakt is. C. Durantus.

Tegen het uitvallen van het haar: Verzamel de vochtigheid die uit de ingesneden boom druipt en bestrijk het hoofd daarmee. Joh. Schroderus.

Tegen het bloeden uit de neus: Neem het zaad van de linde en als dit fijn verpoederd is trek het in de neusgaten op. Joh. Schroderus.

Om het gestolde bloed te laten scheiden: Neem droog lindehout, brandt hiervan kolen die ge met wijnazijn zal uitdoven en geef van deze fijn gestampte kolen een vierendeel lood met wat nat te drinken. Joh. Schroderus.

 

 

Wilgen-boom, in ít Latijn Salix.

 

Geslachten.

De Wilgen-boom heeft twee verschyden soorten, het eene wast hoog, ende het ander blijft kleyn, welcke laetste en min ghemeene soorte van Willigen wederom tweederley gevonden wordt, namentlijck leege Willigen met breede bladeren, en leege Willigen met smalle bladeren.

 

Gedaente.

De groote Willigen-boom, indien hy door het besnoeyen en het af-kappen der toppen niet onderhouden wordt, schiet somtijdts seer hoogh op, ende verkrijght een matelijcken dicken stam, sijn schorsse zijn effen, en buyghsaem. Het hout is witachtigh en seer tay, en daerom onbequam om lichtelijck gebroken te worden. De bladeren zijn smal en langh-werpigh, boven op groen, van onderen asch verwigh, en sacht in ít handelen. De taxckens die veel in ít getal zijn, zijn meest met een bruyn-roode ofte ook met een graeuwe schorsse bekleet. De bloemen zijn lange moschachtige troskens ofte kattekens, die haestelijck vergaen ende verwaeyen.

De kleyne soorte heeft een leger ende dunder stam, ende smalder ofte breder bladeren.

 

Plaetse.

De groote Willigen-boom wert hier te lande veel gevonden omtrent de kanten van de Grachten alwaer hy veel weelderiger, als elders op dorre en drooge gront wast.

De leege Willigen met breede bladeren wast in Hollandt omtrent de Zee-duynen. De leege Willigen met smalle bladeren werdt gevonden in de dorre Velden en Heyden van Brabandt.

 

Tijdt.

De bladeren en ít bloeysel van de Willigen-boomen spruyten in April ofte May voort.

 

Oeffeningh.

De Willigen werden door ít poten ofte van steken vermenghvuldight, andersints begeeren sy geen nauwkeurige oeffeningh.

 

Aert en Krachten.

De bladeren en schorsse van desen Boom zijn kout en droogh van aert, en eenighzins tísamentreckende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ít bloetspouwen, bloet-breacken, bloetganck,(7) overtollige Maentstonden en andere Vrouwelijcke vloeden: Neemt Willigen-bladeren drie handen vol, koockt dese in anderhalf pint Wijns, tot dat een derdendeel versooden is, en geeft hier van 2 a 3 mael daeghs een roemertje vol van te drincken. Dodonaeus.

Voor Wratten en Exter-oogen: Neemt de assche van de schorsse van Willigen-boomen, de welcke met azijn vermenght, ende op de Wratten en Exteroogen geleyt zijnde, de selve doet afvallen. Dodonaeus.

Voor Colijck ofte Buyck-pijn: Neemt Willigen bladeren een halve handt vol, heele peper no 6, koockt dit te samen in een half pintje Wijn tot de helft, en geeft het te drincken. Ravelingius.

Voor pijn der Ooren: Neemt sap van Willigen-bladeren en schorsse, van elcks een loot, Olie van Roosen anderhalf loot, koockt dit te samen op in een Granaetschelle, en druypt het warm in de Ooren. Fuchsius.

Wilg, in het Latijn Salix. (Salix alba, Salix caprea, de kleine Salix viminalis)

 

Geslachten.

De wilg heeft twee verschillende soorten, de ene groeit hoog en de andere blijft klein. Van de laatste en minder algemene soort worden er weer twee soorten gevonden, namelijk lage wilg met brede bladeren en lage wilg met smalle bladeren.

 

Vorm.

Als de grote wilg niet door het snoeien en afkappen van de toppen onderhouden wordt kan het soms zeer hoog opschieten en krijgt een matig dikke stam. Zijn schors is effen en buigzaam. Het hout is witachtig en zeer taai en is daarom ongeschikt om gemakkelijk te breken. De bladeren zijn smal en langwerpig, van boven groen en van onderen askleurig, zacht in het aanpakken. De takken, waar er veel van zijn, hebben meestal een bruinrode en soms zijn ze ook met een grauwe schors bekleed. De bloemen zijn lange, mosachtige trosjes of katjes die snel vergaan en weg waaien.

De kleine soort heeft een lagere en dunnere stam en smallere of bredere bladeren.

 

 

Plaats.

De grote wilg wordt hier te lande veel gevonden omtrent de kanten van de grachten waar het veel weelderiger groeit dan elders op dorre en droge grond.

De lage wilg met brede bladeren groeit in Holland omtrent de zeeduinen. De lage wilg met smalle bladeren wordt gevonden in de dorre velden en heide van Brabant.

 

Tijd.

De bladeren en de bloemen van de wilg spruiten in april of mei uit.

 

Teel

t.

De wilg wordt door het planten of van stek vermenigvuldigd, verder hoeven ze geen nauwkeurige teeltwijze.

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van deze boom zijn koud en droog van aard en enigszins tezamen trekkende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen het bloedspuwen, bloedbraken, bloedgang, overtollige maandstonden en andere vrouwelijke vloeden: Neem van wilgenbladeren drie handen vol, kook het in anderhalf pint wijn tot dat een derde deel verkookt is en geef hier van 2 a 3 maal per dag een roemertje vol van te drinken. Dodonaeus.

Tegen wratten en eksterogen: Neem de as van de schors van de wilg wat je met azijn vermengt en dat op de wratten en eksterogen legt waardoor die dan afvallen. Dodonaeus.

Tegen koliek of buikpijn: Neem van wilgenbladeren een halve hand vol, hele peper no 6 en kook dit tezamen in een half pintje wijn tot de helft en geef het te drinken. Ravelingius.

Tegen pijn van de oren: Neem sap van wilgenbladeren en schors, van elk een lood, olie van rozen anderhalf lood, kook dit tezamen op in een granaatschil en druip het warm in de oren. Fuchsius.

 

 

Elsen-boom, in ít Latijn Alnus.

 

Gedaente.

De Elsen-boom niet afgekapt zijnde, schiet met een matelijcke dicke struyck, en veel tacken hoogh op. De schorsse is oneffen, broosch ende zwartachtigh, het hout is niet zeer hardt, de bladeren zijn de Haselaers-bladeren niet seer ongelijck, want sy zijn mede rondachtigh, en aen de kanten geschaert, doch worden in ít aenroeren eenighsints klevende bevonden. De bloemen zijn kattekens, de groene vrucht wort met de Moer-besien vergeleken, door dien sy uyt veel schelferinge ofte schubben dicht by een vergadert zijnde, bestaet. Het zaed is seer kleyn, ende bruyn-ros van verwen.

 

Plaetse.

Deze Boom bemint waterachtige en broeckachtige plaetsen, waerom de selve veel omtrent de kanten van de grachten en slooten gevonden wordt.

 

Tijdt.

De jonge botten van desen Boom spruyten in de Maent April uyt, ende het zaet wordt in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boom werdt in de Veenen van zijn zaet aengeteelt, de welcke daer na in de Maent Maert een voet van malkanderen geplant wordt.

 

Aert en krachten.

Dese Boom is merckelijck verdroogende van aert, nochtans tusschen hitte en koude middelmatigh gestelt. Dodonaeus

 

Medicinael gebruyck.

Voor heete Geswellen en Sweeringen: Neemt de versche bladeren van den Elsen-boom, stootse in een Mortier en leghtse op. Ravelingius.

Voor de Steen der Nieren en Blase: Boort in een Elsen-stam een gat, en vergadert de uytdruypende vochtigheyt, van de welcke ghy voor een reys een halve lepel vol sult ingeven. Matthiolus.

Els, in het Latijn Alnus. (Alnus glutinosa)

 

Vorm.

Als de els niet afgekapt is schiet het met een matig dikke stam en veel takken hoog op. De schors is oneffen, broos en zwartachtig, het hout is niet zo hard. De bladeren zijn de hazelaarbladeren vrij gelijk want ze zijn ook rondachtig en aan de kanten geschaard, maar worden bij het aanpakken enigszins kleverig gevonden. De bloemen zijn katjes, de groene vrucht wordt met de moerbei vergeleken omdat die uit veel schelpen of schubben bestaat die dicht bijeen verzameld zijn. Het zaad is zeer klein en bruinroze van kleur.

 

 

Plaats.

Deze boom bemint waterachtige en moerasachtige plaatsen waarom het veel omtrent de kanten van de grachten en sloten gevonden wordt.

 

Tijd.

De jonge knoppen van deze boom spruiten in de maand april uit en het zaad wordt in de herfst rijp.

 

 

Teelt.

Deze boom wordt in de veengebieden van zijn zaad voortgeteeld wat daarna in de maand maart een dertig cm van elkaar geplant wordt.

 

Aard en krachten.

Deze boom is opmerkelijk verdrogend van aard, nochtans middelmatig tussen hitte en koude gesteld. Dodonaeus

 

Medicinaal gebruik.

Tegen hete gezwellen en zweren: Neem de verse bladeren van de els, stamp ze in een mortier en leg ze op. Ravelingius.

Tegen de steen van de nieren en blaas: Boor in een elzenstam een gat en verzamel het uitdruipende vocht waarvan ge in een keer een halve lepel vol zal ingeven. Matthiolus.

 

 

Bercken-boom, in ít Latijn Betula.

 

 

Gedaente.

De schorsse van de stam des Bercken-booms is witachtigh oneffen en gespleten., maer de schorsse van de teerste taxkens bruyn-root van verwe. De bladeren zijn voor spits toeloopende, en aen de kanten geschaert. De bloemen zijn langhwerpige kattekens.

 

Plaetse.

De Bercken-boomen werden veel in santachtige en dorre gronden gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren en kattekens vertoonen sich in Maert ofte April, of wat later.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen komen van het afgevallen zaet voort, van de welcke men in February Bossen en lanen plant

 

Aert en krachten.

De bladeren en schorsse van de Bercken-boom zijn warm en droogh in den derden graet, afvagende, dun makende, ende versterckende van krachten. Platearius.

 

Medicinael gebryk.

Voor loopende Zeeren: Neemt de bladeren van desen Boom, koockt die in water, en wast de Zeeren hier mede, daer na stroyt de gepulveriseerde schorsse daer in. Ravelingius.

Om quade en besmettelijcke lucht te verbeteren: Neemt de schorsse van Bercken, (8) leght die op ít vuur, en laet de roock het geheele huys door trecken. Dodonaeus.

Voor de Steen der Nieren en der Blase: Boort in de Lente in de stam een gat, ende vergadert de uytdruypende vochtigheyt, van dewelcke eenige tijdt een halve lepel vol ingenomen, den Steen verteert. C. Durantus.

Berk, in het Latijn Betula. (Betula pubescens en Betula pendula)

 

Vorm.

De schors van de stam van de berk is witachtig, oneffen en gespleten, maar de schors van de teerste takjes zijn bruinrood van kleur. De bladeren lopen voor spits toe en zijn aan de kanten geschaard. De bloemen zijn langwerpige katjes.

Plaats.

De berken worden veel in zandachtige en dorre gronden gevonden.

 

Tijd.

De bladeren en katjes komen in maart, april of of wat later.

 

Teelt.

Deze bomen komen van het afgevallen zaad voort waarvan men in februari bossen en lanen plant.

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van de berk zijn warm en droog in de derde graad, afvegende, dun makend en versterkend van krachten. Platearius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen lopende zeren: Neem de bladeren van deze boom, kook die in water en was de zeren hiermee, strooi daarna de verpoederde schors daar in. Ravelingius.

Om kwade en besmettelijke lucht te verbeteren: Neem de schors van berk, leg die op het vuur en laat de rook het gehele huis doortrekken. Dodonaeus.

Tegen de steen van de nieren en de blaas: Boor in de lente in de stam een gat en verzamel de uitdruipende vochtigheid en als daarvan enige tijd een halve lepel vol ingenomen wordt verteert het de steen. C. Durantus.

 

 

Vlier-boom, in ít Latijn Sambucus.

 

Gedaente.

De Vlierboom is in de Nederlanden genoegsaem bekent. De dicke struycken zijn geheel houtachtigh, en in ít midden met eenigh mergh vervult, de kleyne struycken die in veel ledekens verdeelt zijn, hebben weynigh houts, en veel wit en voos mergh. De schorsse van de dicke struycke is aschverwig en oneffen, maer de kleyne struycken werden buyten met een graeuwachtige ende van binnen met groene schorsse bekleet. De bladeren die omtrent de ledekens ofte knoopen der tacken voortspruyten, en vijf door een middel ribbe tísamen gevoeght, by een groepen, zijn langhwerpig, en rontom de kanten gekartelt. Op ít eynde der tacken komen de witte en liefflijke bloemen kroons-wyse te voorschijn, na dewelke eerst groene en daer naer zwarte besien volgen, in dese besien leyt plat en langhwerpigh zaet besloten. Aen de oude stammen van de Vlier-boom vint men een sacht en bruyn schorsachtigh of leerachtigh aenwas, dat na de gedaente van eens menschen oor, Judas-ooren genaemt werde.

 

Plaetse.

De gemeene Vlier-boom wast aen de kanten en hagen van de Hoven, Velden en Wegen, doch best op vochte plaetsen.

 

Tijdt.

De botten van de Vlier spruyten in ít Voor-jaer uyt, de bloemen in May, ende de vruchten ofte besien worden in September ofte October rijp.

 

Oeffeningh.

De Vlier-boom werdt door stecken aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De jonge scheuten, bladeren en de groene schorsse zijn droogh in den eersten, ende warm in den tweeden graet, hebbende een purgerende kracht, om de waterachtige vochtigheden van onderen en van boven af te setten. De bloemen verteeren, vermorwen, drijven het zweet ende stillen pijn. De besien verwecken het zweet, ende wederstaen de besmettinge. De Judas-ooren hebben een tísamentreckende en verdroogende kracht. Fuchsius, Brunfelsius.

 

Medicinael gebruyck.

Om de waterachtige en de galachtige vochtigheden af te setten: Neemt van de jonge botten, ofte scheutkens van de Vlier-boom een handt vol, koockt die een reys ofte twee op, daerna bereyt hier van met oly, azijn, en zout, een salaet, ofte neemt de groene schorsse van de Vlier-boom soo veel genoegh is, druckt het sap en geeft hier van twee loot; ofte wat meer met eenigh nat te drincken, ofte neemt het zaet van de Vlier-besien, besprenght het met een weynigh Wijns, en pers een Olie hier uyt, van de welcke ghy op een reys, een vierendeel loots met Bier sult ingeven, dese genees-middelen verwecken mede het braecken. Dodonaeus.

Voor een verstopte en verharde Mildt: Neemt Vlier-bladeren koockt die in Wijn en Olie, tot dat de Wijn versoden is, ende besmeer met dese Olie de lincker-zijde. Ravelingius.

Voor drooge en oude Hoest: Neemt Vlier-bladeren een halve handt vol, Vlierbloemen een handt vol, koockt die te samen in anderhalf pint Wijn, en geeft hier van te drincken.

Voor de Water-sucht: Neemt de groene schorsse van de Vlier-boom, distilleer hier van een water, van ít welcke ghy by na een mutsjen tweemael daeghs twee uuren voor de maeltijdt sult ingeven. J. Weckerus.

Om Hooft-pijnen uyt hitte te stillen, ende de verhittinge der Oogen te genesen. Hier toe gebruyckt het water van de Vlier-bloemen gedistilleert.

Voor Koortsen en besmettelijcke sieckten: (9) Neemt het dick gesoden sap uyt de rijpe Vlier-besien een loot, bereyde Harts-hoorn een half vierendeel loots, menght dit te samen tot een conserf.

Voor geswellen in de Hals: Neemt een halve handt vol Judas-ooren, koockt die in bier en gorgelt hier mede. Lobel.

Vlier, in het Latijn Sambucus. (Sambucus nigra)

Vorm.

De vlier is in Nederland voldoende bekend. De dikke takken zijn geheel houtachtig en in het midden met wat merg gevuld, de kleine takken, die in veel leden verdeeld zijn, hebben weinig hout en veel wit en voos merg. De schors van de dikke takken is askleurig en oneffen, maar de kleine takken worden buiten met een grauwachtige en van binnen met een groene schors bekleed. De bladeren die omtrent de leden of knopen van de takken uitspruiten zijn met vijf stuks aan een middensteel tezamen gevoegd, ze zijn langwerpig en rondom de kanten gekarteld. Op het einde van de takken komen de witte en liefelijke bloemen kroonsgewijze te voorschijn waarna eerst groene en daarna zwarte bessen volgen waarin plat en langwerpig zaad besloten zit. Aan de oude stammen van de vlier vindt men een zacht en bruin, schorsachtig of leerachtig aanwas dat naar de gedaante van een mensenoor Judasoren genoemd wordt. (Hirneola auricula ĎJudaeí)

 

Plaats.

De gewone vlier groeit aan de kanten en hagen van de hoven, velden en wegen, maar het beste op vochtige plaatsen.

 

Tijd.

De knoppen van de vlier spruiten in het voorjaar uit en de bloemen in mei, de vruchten of bessen worden in september of oktober rijp.

 

Teelt

De vlier wordt door stekken voort geteeld.

 

 

Aard en krachten.

De jonge scheuten, bladeren en de groene schors zijn droog in de eerste en warm in de tweede graad. Ze hebben een purgerende kracht om de waterachtige vochtigheid van onderen en van boven af te zetten. De bloemen verteren en vermurwen, drijven het zweet en stillen de pijn. De bessen verwekken het zweet en weerstaan de besmetting. De Judasoren hebben een tezamen trekkende en verdrogende kracht. Fuchsius, Brunfelsius.

 

Medicinaal gebruik.

Om de waterachtige en de galachtige vochtigheden af te zetten: Neem van de jonge knoppen of scheuten van de vlier een hand vol, kook die een of twee maal op, maak daarna hiervan met olie, azijn en zout een salade. Of neem de groene schors van de vlier zoveel als genoeg is, druk het sap uit en geef hier van twee lood of wat meer met wat nat te drinken. Of neem het zaad van de vlierbessen, besproei het met wat wijn en pers hier een olie uit waarvan ge in een maal een vierendeel lood met bier zal ingeven. Deze geneesmiddelen verwekken mede het braken. Dodonaeus.

Tegen een verstopte en verharde milt: Neem vlierbladeren en kook die in wijn en olie tot dat de wijn verkookt is en besmeer met deze olie de linkerzijde. Ravelingius.

Tegen droge en oude hoest: Neem van vlierbladeren een halve hand vol, van vlierbloemen een hand vol en kook die tezamen in anderhalf pint wijn en geef hier van te drinken.

Tegen de waterzucht: Neem de groene schors van de vlier, destilleer hiervan een water waarvan ge bijna een mutsje tweemaal per dag twee uren voor de maaltijd zal ingeven. J. Weckerus.

Om hoofdpijnen uit hitte te stillen en de verhitting van de ogen te genezen: Hiertoe gebruikt men het gedistilleerde water van de vlierbloemen.

Tegen koortsen en besmettelijke ziekten: Neem van het dik gekookte sap uit de rijpe vlierbessen een lood, van klaar gemaakte hertshoorn een half vierendeel lood, meng dit tezamen tot een konserf.

Tegen gezwellen in de hals: Neem een halve hand vol Judasoren, kook die in bier en gorgel hier mee. Lobel.

 

 

Cornoelien-boom, in ít Latijn Cornus.

 

Geslachten.

De Cornoelien-boom is een tweederley soorte, te weten in tamme, ende in wilde onderscheyden.

 

Gedaente.

De tamme Cornoelien-boom wordt somstijdts een redelijcke groote Boom, wiens hout seer hardt en vast is; de bladeren zijn effen, langhwerpig-breet, en met veel tusschen-loopende zenuwen voorsien, de bloemen zijn geelachtigh, de vruchten ofte besien zijn eerst groen, daer na rijp geworden zijnde, root, maer scharp en wrangh van smaeck. De wilde verschilt van de voorgaende, om datse niet soo hoogh op schiet, en na dien bloemen wit, en aen de jonge rijskens kroons-wijs by een vergadert zijn.

Lobel schrijft dat in ít Lant van Doornik een soorte van Cornoelien wast, met witte ofte wasch-geele vruchten.

 

Plaetse.

De tamme Cornoelien-boom wordt in de Nederlanden in de Hoven aen Heyningen onderhouden: De wilde vindt men tusschen de heggen achter de Bouwlanden, ende oock by de bosschen

 

Tijdt.

De bloemen van de tamme Cornoelien-boom spruyten uit by sacht weder in ít eynde van Februarius, ofte in ít begin van Maert uyt, waer na de bladeren volgen, maer de vruchten werden voor Augustus niet rijp. De bloemen van de wilde komen in April te voorschijn, en de besien ofte vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boom werd soo wel van zaet als van scheuten ofte stecken aengequeeckt, ende daer na in October ofte November tot Hagen en Prieelen verplant.

 

Aert en krachten.

De vruchten van dese Boom, by ons Cornoelien genaemt, zijn verkoelende, drooghmakende ende tísamentreckende van krachten. C. Bauhinus.

 

Medicinael gebruyk.

Voor Buyck-loopen en root Melizoen: Neemt van de gedroogde vruchten van den Cornoelien-boom een vierendeel loots, stootse tot poeyer en geeft het met eenigh nat te gebruycken. Brunfelsus.

Voor overtollige Maentstonden der Vrouwen: Neemt Conserf van de bloemen van dese Boom een half loot, en geeft dit nuchteren in. Matthiolus.

Om het bloeden der Wonden te doen ophouden: Neemt de bladeren van dese Boom soo veel genoegh is, stootse en leghtse op. Dodonaeus.

Cornoelje, in het Latijn Cornus. (Cornus mas en Cornus sanguinea)

 

Geslachten.

Kornoelje is er in twee soorten onderscheiden, te weten in tamme en in wilde.

Vorm.

De tamme cornoelje wordt soms een redelijk grote boom wiens hout zeer hard en vast is. De bladeren zijn effen, langwerpig-breed en met veel tussen lopende zenuwen voorzien. De bloemen zijn geelachtig, de vruchten of bessen zijn eerst groen en worden rood als ze rijp worden, maar scherp en wrang van smaak. De wilde verschilt van de voorgaande omdat ze niet zo hoog op schiet en dat zijn bloemen wit en aan de jonge twijgen kroonsgewijs bijeen verzameld zijn.

Lobel schrijft dat in het land van Doornik een soort van cornoelje groeit met witte of wasgele vruchten.

 

 

Plaats.

De tamme cornoelje wordt in Nederland in de hoven aan heiningen gekweekt. De wilde vindt men tussen de heggen achter de bouwlanden en ook bij de bossen.

 

 

Tijd.

De bloemen van de tamme cornoelje spruiten uit met zacht weer op het eind van februari of in het begin van maart waarna de bladeren volgen, maar de vruchten worden niet voor augustus rijp. De bloemen van de wilde komen in april te voorschijn en de bessen of vruchten worden in de herfst rijp.

 

 

Teelt.

Deze boom wordt zowel van zaad als van scheuten of stekken voortgeteeld en daarna in oktober of november tot hagen en priŽlen verplant.

 

Aard en krachten.

De vruchten van deze boom die door ons cornoelje genoemd wordt zijn verkoelend, droog makend en tezamen trekkend van krachten. C. Bauhinus.

 

Medicinaal gebruik

Tegen buikloop en rode loop: Neem van de gedroogde vruchten van de cornoeljeboom een vierendeel lood, stampt het tot poeder en geef het met wat nat te gebruiken. Brunfelsus.

Tegen overtollige maandstonden van de vrouwen: Neem van het konserf van de bloemen van deze boom een half lood en geef dit nuchter in. Matthiolus.

Om het bloeden van de wonden te laten ophouden: Neem de bladeren van deze boom zoveel als genoeg is, stamp ze en leg ze op. Dodonaeus.

 

 

Ypen-boom, in ít Latijn Ulmus.

 

Geslachten.

In de Nederlanden vindt men twee soorten van Ypen, de eene met breede, en díander met smalle bladeren.

 

Gedaente.

De Ypen-boom schiet dickwils tot een seer hooge en langen Boom, wiens hout seer hardt is, de bast ofte schorsse tay en buygsaem. De bladeren zijn langhwerpigh ende rondtom geschaert, aen de onderste zijde bleeck-groen.

 

Plaetse.

De Ypen werden in de Hoven tot Lanen, Hagen, ende Prieelen geplant gevonden.

 

Tijdt

De bladeren van dese Boom spruyten in ít laetste van April, ofte ontrent het begin van May voort.

 

Oeffeningh.

De Ypen-boomen werden door wortel-spruyten ofte oploopen aengeteelt, de welcke daer na aen heyningen geset, ofte tot Lanen in February verplant worden.

 

Aert en krachten.

De bladeren en schorsse van dese Boom zijn matelijck warm van aert, en merckelijck afvagende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om versche Wonden (10) te heelen: Neemt de bladeren van dese Boom, stoot se kleyn en legt se op.

Voor quade Schurftheyt: Neemt Ypen-bladeren soo veel van nooden is, stootse in een Mortier, gietíer een weynigh Wijnazijn bij, en perst het sap uyt, waer mede ghy het Schurft dickwijls sult bestrijcken. Ravelingius.

Iep, in het Latijn Ulmus. (Ulmus minor en Ulmus glabra)

 

Geslachten.

In Nederland vindt men twee soorten van iepen, de ene met brede en de andere met smalle bladeren.

Vorm.

De iep schiet dikwijls op tot een zeer hoge en lange boom, wiens hout zeer hard is en de bast of schors taai en buigzaam. De bladeren zijn langwerpig en rondom geschaard, aan de onderkant bleek groen.

 

Plaats.

De iepen worden in hoven tot lanen, hagen en priŽlen geplant gevonden.

 

Tijd

De bladeren van deze boom spruiten in het laatste van april of omtrent het begin van mei uit.

 

Teelt.

De iepen worden door wortelspruiten of uitlopers voort geteeld die daarna in heiningen gezet of tot lanen in februari verplant worden

 

Aard en krachten.

De bladeren en schors van deze boom zijn matig warm van aard en opmerkelijk afvegend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om verse wonden te helen: Neem de bladeren van deze boom, stamp ze klein en leg ze op

Tegen kwade schurft: Neem iepenbladeren zoveel als nodig is, stamp ze in een mortier, giet er wat wijnazijn bij en pers het sap uit waarmee ge het schurft dikwijls zal bestrijken. Ravelingius.

 

 

Appel-boom, in ít Latijn Malus.

 

Geslachten.

Dese Boom is ofte tam ofte wildt, de tamme is menigerley, en wordt alleen door de verscheydenheyt der vruchten onderscheyden, van de welcke alle de soorte op te stellen, alhier te langh soude vallen.

 

Gedaente.

De struyck ofte stam van den Appel-boom is tamelijck dick, nochtans niet seer hoogh, maer de tacken zijn in ít breede verre uytgespreydt, de schorsse is niet rouw in ít aentasten, de bladeren zijn rondtachtigh, breet ende een weynigh aen de kanten geschaert, de bloemen uyt vijf bladekens bestaende, zijn uyt den witte, lijf-verwigh root. De vruchten ofte Appelen zijn in grootte, maecksel, verwe ende smaeck merckelijck na haren aert verscheyden.

 

Plaetse.

De inge-ente Appel-boomen werden in de hoven en Boomgaerden over al overvloedigh gevonden.

 

Tijdt.

Dese Boom bloeyt meest in ít laetset van April, ofte in ít begin van May, en de vruchten werden in Augustus, September ende October rijp.

 

Oeffeningh.

De Appel-boom begeert een welbereyde, vette ende wat vochtachtige gront. De manier van in-entingh deser Boomen vindt ghy nauwkeurigh in ít Vermakelijck Landt-leven, in ít eerste en tweede Deel beschreven.

 

Aert en Krachten.

De Appelen zijn in ít gemeen kout en vochtigh van aert, doch met dit onderscheyt dat de soete Appelen minder koudt en vochtigh zijn, als de suuren. De bladeren en bloemen hebben een tísamentreckende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ít Pleuris: Neemt een soete Appel, braet die onder de assche, bestroytse met poeyer van Soethout en Suycker, en geeft dit den siecken te eeten.

Voor verswooren Pleuris: Neemt een soete Appel, voornamentlijck een pippelingh, holt het klockhuys met de pitten daer uyt, en vult het wederom met Wieroock, braet de Appel onder de assche, en geeft de siecken hier van te eeten. A. Pedemontanus.

Voor Verbrantheyt: Neemt verrotte ofte aengesteken Appelen, de selve gekneust zijnde, leghtse op de verbrande plaetse. Ravelingius.

Appel, in het Latijn Malus. (Malus sylvestris vormen)

 

Geslachten.

Deze boom is of tam of wild. Van de tamme zijn er veel vormen die alleen door de verschillen van de vrucht herkend worden, om daar alle soorten van te vermelden zou hier te lang duren.

 

Vorm.

De struik of stam van de appelboom is tamelijk dik en nochtans niet zo hoog, maar de takken zijn in de breedte ver uitgespreid. De schors is niet ruw in het aanvoelen. De bladeren zijn rondachtig, breed en aan de kanten wat geschaard. De bloemen bestaan uit vijf blaadjes en zijn uit het witte vleeskleurig rood. De vruchten of appels zijn in grootte, vorm, kleur en smaak opmerkelijk naar hun soort verschillend.

 

 

Plaats.

De geŽnte appelbomen worden in de hoven en boomgaarden overal overvloedig gevonden.

 

Tijd

Deze boom bloeit meestal op het eind van april of in het begin van mei, de vruchten worden in augustus, eeptember en oktober rijp.

 

Teelt.

De appelboom begeert een goed klaar gemaakte, vette en wat vochtige grond. De manier van enten van deze bomen vindt ge nauwkeurig in het ĎVermakelijck Landt-levení in het eerste en tweede deel beschreven.

 

Aard en krachten.

De appels zijn in het algemeen koud en vochtig van aard, doch met dit onderscheid dat de zoete appels minder koud en vochtig zijn dan de zure. De bladeren en bloemen hebben een tezamen trekkende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen zijdepijn: Neem een zoete appel en braadt die onder de as, bestrooi die met poeder van zoethout en suiker en geef dit de zieke te eten.

Tegen verzworen zijdepijn: Neem een zoete appel en dan de cultivar pippeling, hol het klokhuis met de pitten daar uit en vul het wederom met wierook, braadt de appel onder de as en geef de zieke hiervan te eten. A. Pedemontanus.

Tegen verbranding: Neem verrotte of aangestoken appels en als die gekneusd zijn leg ze op de verbrande plaats. Ravelingius.

 

 

Peere-boom, in ít Latijn Pirus.

 

Geslachten.

De Peere-boom is even als de Appel-boom in tamme, die mede veelderhande zijn, en in wilde verdeelt.

 

Gedaente.

De Peere-boom schiet hooger en rechter als de Appel-boom op, de stam is mede veel dicker, wiens hout geelachtigh is. De bladeren zijn breedtachtigh, schoon groen, en om de kanten een weynigh geschaert. De bloemen zijn wit, en de vruchten die beneden breedtachtigh en boven smal toeloopen, verschillen seer veel na haren aert van grootte, gedaente, verwe ende smaeck.

 

Plaetse.

De tamme ofte inge-ente Peere-boomen werden door bequame oeffeninge in de hoven en Boomgaerden onderhouden.

 

Tijt.

De Peere-boomen bloeyen in April ofte May, maer de vruchten werden in Julius, Augustus, ofte September ende oock wel later rijp.

 

Oeffeningh.

De oeffeningh van dese Boomen vindt ghy naeuwkeurigh in ít eerste en tweede Deel van ít Vermakelijck Landt-leven beschreven.

 

Aert en Krachten.

De Peeren zijn in ít gemeen kout van aert, en verdroogende, en wat tísamentreckende van krachten; hoewel (11) hier in eenige onderscheyt gevonden wordt, want de wrange en suure Peeren verdroogen en stoppen meest, ende zijn seer tísamen-treckende. De soete zijn soo tísamen-treckende, stoppende, verdroogende, noch oock verkoelende niet. De bladeren hebben mede een verkoelende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor het Braken der galachtige vochtigheden: Neemt Peeren, ziedt die murw in water, daer na gestooten zijnde, leghtse van buyten op de Mage. Dodonaeus.

Voor versche Wonden: Gebruyckt de gekneusde Peere-bladeren. Galenus, Lobel.

Voor het uytsincken der Lijfs-moeders: Bereyt een bat van Peere-bladeren, en laet de vrouwe daer eenige tijdt in sitten. Fuchsius.

Perenboom, in het Latijn Pirus. (Pyrus communis)

 

Geslachten.

Van de perenboom zijn net als de appelboom tamme waarvan er veel vormen zijn en in wilde verdeeld.

Vorm.

De perenboom schiet hoger en rechter op dan de appelboom, de stam is ook veel dikker en het hout is geelachtig. De bladeren zijn breedachtig, mooi groen en om de kanten wat geschaard. De bloemen zijn wit. De vruchten zijn beneden breedachtig en lopen boven smal toe en verschillen zeer veel naar hun aard van grootte, vorm, kleur en smaak.

 

Plaats.

De tamme of geŽnte perenbomen worden door bekwame teeltwijze in de hoven en boomgaarden onderhouden.

 

Tijd.

De perenbomen bloeien in april of mei, maar de vruchten worden in juli, augustus of september en ook wel later rijp.

 

Teelt.

De teelt van deze bomen vindt men nauwkeurig in het eerste en tweede deel van í het Vermakelijck Landt-levení beschreven.

 

Aard en krachten.

De peren zijn in het algemeen koud van aard, verdrogend en wat tezamen trekkend van krachten, hoewel hierin enig verschil in gevonden wordt want de wrange en zure peren verdrogen en stoppen het meeste en zijn zeer tezamen trekkend. De zoete zijn niet zo tezamen trekkend, stoppend, verdrogend of verkoelend. De bladeren hebben ook een verkoelende kracht. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen het braken van galachtige vochtigheid: Neem peren en kook ze murw in water, als ze daarna gestampt zijn leg ze buiten op de maag. Dodonaeus.

Tegen verse wonden: Gebruik de gekneusde perenbladeren. Galenus, Lobel.

Tegen het uitzinken van de baarmoeder: Maak een bad van perenbladeren en laat de vrouw daar enige tijd in zitten. Fuchsius.

 

 

Quee-boom, in ít Latijn Malus Cotonea.

 

Geslachten.

Van desen Boom werden drie soorten gevonden, de eerste noemt men manneken ofte Quee-Appel-boom, de tweede wijfken ofte Quee-peer-boom, ende de derde wilde Quee-boom.

 

Gedaente.

De Quee-boomen zijn hier en in andere Landen seer wel bekent: de stam is met een rouw ofte schelferachtige schorsse bekleet. De bladeren van dese boom zijn rondtachtigh, aen de opperste zijde groen, en aen de onderste wit en sacht. De bloemen zijn van verwe purperachtigh met wit vermenght, de vrucht is buyten met dun en sachte wol bekleedt, andersins is de schelle goutgeel van coleur. De Quee-kernen ofte Zaden leggen in ít midden, gelijck van de Appelen en Peeren, in vellekens beslooten. Het manneken ofte Quee-Appel-boom heeft een veel dunder stam als het wijfken, wiens vruchten oock meerder gerimpelt, beter rieckende, drooger en geelder van verwen zijn. De vruchten van de wilden Quee-boom zijn veel harder als de voorgaende, nochtans hebben sy mede een seer goede reuck.

 

Plaetse.

De Quee-boomen werden in de Nederlanden meest aan de kanten en hagen der Hoven gevonden.

 

Tijdt.

De vruchten worden in October rijp.

 

Oeffeningh.

De Boomen werden van wortel-spruyten voort geteelt, ofte oock wel op haer eygen soorte ge-ent, ende werden in ít wassen van de Maen in November ofte February in losse en vochte aertijck geplant.

 

Aert en Krachten.

De vruchten van dese Boom zijn kout in den eersten, en droog in den tweeden graet, en tísamen-treckende van krachten; de kernen ofte zaden verkoelen, en maken vochtigh. Fuchsius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een swacke Mage, ende het opstijgen der dampen naer de herzenen te beletten: Hier tegen ghebruyckt gestoofde Queen ofte alleen het Quee-vleesch, bij ons Marmelade genaemt, dit selfde stopt mede alderhande vloeden, en doet het overtollig braecken ophouden. Dodonaeus.

Voor de uyt-gesoncken Aersdarm en Lijf-moeder: Neemt de geele schelle van de Queen soo veel van nooden is, koockt die in water, waer mede ghy die partyen stooven sult. Dioscorides.

Voor ontstekinge der Oogen, kloven in de Vrouwen Tepels, verbrantheyt en rouwigheydt der tonge, in heete brandende Koortsen: Neemt de Quee-kernen ofte zaden, giet hier op genoeghsaem Roose-water, laat dit te samen weecken tot dat een slijmigheyt hier uyt getrocken wordt, ít welck ghy tegen de voorverhaelde gebreecken ghebruycken sult. Brunfelsius.

Voor den Carbunckel en pestige Klieren: Neemt de sachte wolle van de Queen soo veel genoegh is, zied die in Wijn en leghtse op. Plinius.

Kwee, in het Latijn Malus Cotonea. (Cydonia vulgaris, de var. maliformis en var. pyriformis)

 

Geslachten.

Van deze boom worden drie soorten gevonden, de eerste noemt men mannetje of kweeappelboom, het tweede wijfje of kweeperenboom en de derde wilde kweeboom.

 

Vorm.

De kweebomen zijn hier en in andere landen zeer goed bekend. De stam is met een ruwe of schilferachtige schors bekleed. De bladeren van deze boom zijn rondachtig, aan de bovenkant groen en aan de onderkant wit en zacht. De bloemen zijn van kleur purperachtig met wit vermengd. De vrucht is van buiten met een dun en zachte wol bekleed, verder is de schil goudgeel van kleur. De kweekernen of zaden liggen in het midden net zoals van de appels en peren in velletjes besloten. Het mannetje of kweeappelboom heeft een veel dunnere stam dan het wijfje wiens vruchten ook meer gerimpeld, beter geuren, droger en geler van kleur zijn. De vruchten van de wilde kweeboom zijn veel harder als de voorgaande, nochtans hebben ze ook een zeer goede reuk.

 

 

Plaats.

De kweebomen worden in Nederland meestal aan de kanten en hagen van de hoven gevonden.

 

Tijd.

De vruchten worden in oktober rijp.

 

Teelt.

De bomen worden van wortelspruiten voort geteeld of ook wel op hun eigen soort geŽnt en worden met het wassen van de maan in november of februari in losse en vochtige grond geplant.

 

Aard en krachten.

De vruchten van deze boom zijn koud in de eerste en droog in de tweede graad en tezamen trekkend van krachten. De pitten of zaden verkoelen en maken vochtig. Fuchsius.

 

Medicinaal gebruik.

Voor een zwakke maag en om het opstijgen van de dampen naar de hersens te beletten: Hiertegen gebruik je gestoofde kwee of alleen het kweevlees dat bij ons marmelade genoemd wordt, dit zelfde stopt ook allerhande vloeden en laat het overtollig braken ophouden. Dodonaeus.

Tegen de uitgezonken aarsdarm en baarmoeder: Neem van de gele schil van de kwee zoveel als nodig is en kook die in water waar mee ge die delen stoven zal. Dioscorides.

Tegen ontsteking van de ogen, kloven in de vrouwentepels, verbranding en ruwheid van de tong in hete, brandende koortsen: Neem de kweepitten of zaden en giet hier voldoende rozenwater op, laat dit tezamen weken tot dat er een slijmigheid uit getrokken kan worden wat ge tegen de voorverhaalde gebreken gebruiken zal. Brunfelsius.

Tegen de karbonkel en pestige klieren: Neem van de zachte wol van de kwee zoveel als genoeg is, kook die in wijn en leg het op. Plinius.

 

 

(12) Pruymen-boom, in ít Latijn Prunum.

 

Geslachten.

Dese Boomen werden alleen om de verwe, smaeck, gedaente, ende grootte der vruchten onderscheyden, want men vint die roode, witte, geele, langhachtige, ronde etc. vruchten dragen. Boven dese is Ďer een soort die men Pruym-persien noemt, wiens vleesch een Pruym is, doch de schelle is groen, en de steen is die van een Persick gelijck.

 

Gedaente.

De stam van de Pruym-boom wert redelijck dick en hoogh, de welcke veel zijde-tacken uyt geeft, wiens schorsse effen en bruyn is, de bladeren zijn langhwerpig breedt, ende aen de kanten een weynigh geschaert, hy draeght witte bloemen, ende de vruchten die wy geseyt hebben te verschillen, zijn meest langhwerpig, in wiens midden een steen met een kerne versien, beslooten leyt.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden alhier in de hoven en Tuynen gevonden.

 

Tijdt.

De Pruym-boomen bloeyen in April, en de vruchten worden in de Somer, sommige vroeger, sommige later, rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden van pitten, die men in de Herfst plant, ofte van sijn wortel-spruyten aengeteelt, de welcke men daer na ver-ent ofte oculeert, uytgenomen de Boere witte Pruymen en Kroosjens, die uyt de natuur voort wassen, daer na plant mense aen Heyningen ofte in Boomgaerden in losse en vochtige Aerde.

 

Aert en krachten.

Alle Pruymen zijn vochtigh en kout van natuur, ende daerom de selve rauw gebruyckt zijn ongesont, om datse seer lichtelijck in de Maegh bederven, ende alsoo aen ít lichaem schaden toe voegen. Doch de gedrooghde Pruymen van Damasco, die ons uyt andere Landen toegesonden worden, als mede de Catrijne-pruymen werden meest tot Medicijnen gebruyckt. De bladeren van dese Boom zijn verkoelend en tísamentreckende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de Gal af te setten: Neemt het sop daer Pruymen in gesoden zijn, soo veel genoegh is, Sene-bladeren een loot, laet dit te samen een nacht weecken, des morgens een reys ofte twee opgesoden zijn, doet het door een doeck ofte teems, en laet dit gebruycken.

Voor sinckinge die op de Huygh en ít Tantvleesch vallen: Neemt Pruymen-bladeren een hant vol, koockt die in een half pintje Wijn, hier mede gorgelt ofte waschtí er de mont mede. Dodonaeus.

Pruimenboom, in het Latijn Prunum. (Prunus domestica)

 

Geslachten.

Deze bomen worden alleen naar de kleur, smaak, vorm en grootte van de vruchten onderscheiden want men vindt er die rode, witte, gele, langachtige, ronde etc. vruchten dragen. Hiernaast is er een soort die men pruimperzik noemt wiens vlees als een pruim is, maar de schil is groen en de steen is die van een perzik gelijk.

Vorm.

De stam van de pruimenboom wordt redelijk dik en hoog die veel zijtakken uitgeeft en wiens schors effen en bruin is. De bladeren zijn langwerpig-breed en aan de kanten wat geschaard. Het draagt witte bloemen en de vruchten die zoals we gezegd hebben verschillen zijn meestal langwerpig in wiens midden een steen ligt die met een kern voorzien is.

 

Plaats.

Deze bomen worden hier in de hoven en tuinen gevonden.

 

Tijd.

De pruimbomen bloeien in april en de vruchten worden in de zomer rijp, sommige vroeger en sommige later.

 

Teelt.

Deze bomen worden door pitten die men in de herfst plant of van hun wortelspruiten voortgeteeld die men daarna ent of oculeert, uitgezonderd de boeren witte pruimen en kroosjes die uit de natuur voort groeien, daarna plant men ze aan heiningen of in boomgaarden in losse en vochtige aarde.

 

Aard en krachten.

Alle pruimen zijn vochtig en koud van natuur en daarom zijn ze als ze rouw gebruikt worden ongezond omdat ze zeer gemakkelijk in de maag bederven en zo schade doen aan het lichaam. Maar de gedroogde pruimen van Damascus die ons uit andere landen toegezonden worden en ook de Catarine pruimen worden meestal tot medicijn gebruikt. De bladeren van deze boom zijn verkoelend en tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de gal af te zetten: Neem van het sap waar de pruimen in gekookt zijn zoveel als genoeg is en van sennebladeren een lood, laat dit tezamen een nacht weken en als het ís morgens een of twee keer opgekookt wordt doe het dan door een doek of zeef en laat dit gebruiken.

Tegen zinkingen die op de huig en het tandvlees vallen: Neem van pruimenbladeren een hand vol, kook die in een half pintje wijn en hiermee gorgel of wast men de mond. Dodonaeus.

 

 

Mispel-boom, in Ďt Latijn Mespilus.

 

 

Gedaente.

De Mispel-boom heeft een harde stam, ende taye kromme tacken, met langwerpige smalle bladeren bewassen, de bloemen zijn wit, ende van vijf bladeren ghemaeckt, de vruchten zijn rondt, ende met een groote kruyne versien, vijf platte steenen, in plaetse van zaet in sich besluytende.

 

Plaetse.

Dese Boom wordt aen de kanten van Hoven en Boomgaerden geplant.

 

Tijdt.

De Mispel-boom bloeyt in May, en de vruchten worden in October rijp.

 

Aert en krachten.

De vruchten van de Mispel-boom hardt en versch gepluckt zijnde, zijn koudt en droogh van aert, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. De bladeren komen met de vruchten in aert en krachten eenighsins over een. Dodonaeus, Brunfelsius, Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor alderhande Buyck-loopen, ende overtolligh Braecken: Neemt Mispelen, stootse kleyn, ende legtse Papwijs op de Buyck ofte Maeg. Brunfelsius.

Voor ít Graveel en de Steen: Neemt Mispelen-steenen een vierendeel loots, fijn gestooten zijnde, laet het met Wijn in nemen. Fuchsius. (13)

Voor ontstekinge van de Keel: Bereydt een afziedtsel van de bladeren, ende gorgelt daer mede. Brunfelsius.

Voor overvloedige Maentstonden: Bereydt een badt van de bladeren, waer in de siecke eenige tijdt sitten sal. Joh. Schroderus.

Mispelboom, in het Latijn Mespilus. (Mespilus germanica)

 

Vorm.

De mispel heeft een harde stam en taaie, kromme takken waaraan langwerpige, smalle bladeren groeien. De bloemen zijn wit en van vijf bladeren gemaakt. De vruchten zijn rond en met een grote kruin voorzien die vijf platte stenen in plaats van zaad in zich hebben.

 

 

Plaats.

Deze boom wordt aan de kanten van hoven en boomgaarden geplant.

 

Tijd.

De mispel bloeit in mei, de vruchten worden in oktober rijp.

 

Aard en krachten.

De vruchten van de mispelboom die hard en vers geplukt zijn zijn koud en droog van aard, zeer tezamen trekkend van krachten. De bladeren komen met de vruchten in aard en krachten enigszins overeen. Dodonaeus, Brunfelsius, Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen allerhande buikloop en overtollig braken: Neem mispels en stamp ze klein, leg ze papgewijze op de buik of maag. Brunfelsius.

Tegen de nierstenen en de steen: Neem van mispelpitten een vierendeel lood en als die fijn gestampt zijn laat het met wijn innemen. Fuchsius.

Tegen ontsteking van de keel: Maak een afkooksel van de bladeren en gorgel daar mee. Brunfelsius.

Bij overvloedige maandstonden: Maak een bad van de bladeren waarin de zieke enige tijd zitten zal. Joh. Schroderus.

 

 

Kerssen en Kriecken-boom, in ít Latijn Cerasus.

 

 

Geslachten.

De mede-soorten van Kerssen zijn veel-derhanden, als namentlijck wilde Kerssen, Kriecken, Morellen, Kars van der Nat, vroege en late Vogel-kers, May-kars etc. Onder dese soorten dragen eenige roode, andere zwarte, andere witte ofte wasch-geele vruchten.

 

Gedaente.

De Kersse-boom in ít wilde opschietende, werdt een grooten en hooge Boom, maer ge-ent zijnde blijft leger. De schorssen van de tacken zijn effen en bruyn; de bladeren zijn matelijck breet en langh met aderkens ofte ribbekens doortogen, en aen de kanten geschaert. De bloemen die uyt vijf bladekens bestaen, zijn wit ende inít midden met eenige draeykens van gelijcke verwe verciert. De vruchten ofte Kerssen, die aen lange steelkens hangen, en in wiens midden het steenken met een kerne versien, verborgen leyt, zijn aengenaem van smaeck.

De Kriecken-boom verschilt van de Kerssen-boom in de bladeren, de welke veel breeder, langer ende dieper gekerft zijn.

 

Plaetse.

De wilde Kerssen schieten van selfs in de Bossen ende aen de kanten van de Ackers op sommige plaetsen voort; de andere soorten werden alleen door oeffeninge in de Hoven en de Boomgaerden onderhouden.

 

Tijdt.

De Kerssen en Kriecken-boomen bloeyen in April, maer de vruchten werden vroeger en later na haeren aert rijp.

 

Oeffeningh.

De Kerssen, die men in de hoven onderhout, werden van haer pitten ofte wortel-spruyten vermeenighvuldigt, de welcke daer na van haer eygen soorte in Maert afgesogen worden

 

Aert en Krachten.

De Kerssen zijn kout en vochtigh van aert, waerom sy het ingewant merckelijck verkoelen. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor de vallende Sieckten en Stuypen: Neemt een goet deel zwarte Kriecken, kneustse en distilleert hier van een water, waer van ghy twee loot tseffens sult in-geven. Fuchsius, Matthiolus.

Voor alderhande Placken des Huydts: Neemt de gomme van de Kersse ofte Kriecken-boom, smelt die in azijn en bestrijckt de Huyt daer mede. Dioscorides.

Voor het Graveel: Hier toe werden de kernen van voorseyde vruchten nuttelijck gebruyckt. J. Schroderus.

Kersen en Kriekenboom, in ít Latijn Cerasus. (Prunus cerasus, de geente is var. insititia en de wilde is de zoete Prunus avium ĎDuracina, morel is Prunus avium ĎAusteraí)

Geslachten.

Er zijn veel cultivars van kersen zoals wilde kersen, krieken, morellen, kers van der nat, vroege en late vogelkers, meikers etc. Onder deze soorten dragen enige rode, andere zwarte en andere witte of wasgele vruchten.

(íCapronianaí)

 

Vorm.

De kersenboom die in het wilde opschiet wordt een grote en hoge boom maar als die geŽnt wordt blijft het lager. De schors van de takken zijn effen en bruin. De bladeren zijn matig breed en lang die met aderen of ribben doortrokken zijn en aan de kanten geschaard. De bloemen bestaan uit vijf blaadjes en zijn wit met in het midden enige meeldraadjes die met dezelfde kleur versierd zijn. De vruchten of kersen hangen aan lange steeltjes en hebben in het midden een steentje met een kern erin, ze zijn aangenaam van smaak.

De kriekenboom verschilt van de kersenboom in de bladeren die veel breder, langer en dieper gekerfd zijn.

 

 

Plaats.

De wilde kersen schieten vanzelf in de bossen en aan de kanten van de akkers van sommige plaatsen op, de andere soorten worden alleen door teelt in de hoven en de boomgaarden onderhouden.

 

Tijd.

De kers en kriekenbomen bloeien in april, maar de vruchten worden vroeger en later naar hun aard rijp.

 

Teelt.

De kersen die men in de hoven kweekt worden door hun pitten of wortelspruiten vermenigvuldigd die daarna door hun eigen soort in maart als afzuiger gebruikt worden

 

Aard en krachten.

De kersen zijn koud en vochtig van aard waarom ze het inwendige opmerkelijk verkoelen. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de vallende ziekte en stuipen: Neem een goed deel zwarte krieken, kneus ze en destilleer hiervan een water waarvan ge twee lood tegelijk zal ingeven. Fuchsius, Matthiolus.

Tegen allerhande plekken van de huid: Neem de gom van de kers of kriekenboom, smelt die in azijn en bestrijk de huid daarmee. Dioscorides.

Tegen de nierstenen: Hiertoe worden de pitten van voorgemelde vruchten nuttig gebruikt. J. Schroderus.

 

 

Ocker-nooten-boom, in ít Latijn Nux Juglans.

 

Gedaente.

Dese Boom verkrijght een dicke, hooge en vaste stam in veel zijde-tacken verspreyt, met een aschverwige schorsse bedeckt. De bladeren groeyen gemeenlijck, gelijck de Esschen-bladeren, 5 byeen, door een middel-ribbe vast gehecht, doch de bladeren van desen Boom zijn dicker, langer en breeder, als de Esschen-bladeren, ende seer sterck van reuck. De bloemen zijn kattekens, bleeck geel van verwe, neffens de oorsprong der bladeren uytspruytende. De vruchten zijn met een groene snoester omvangen, en de kerne, de welcke door een herde afscheytsel in vier deelen gescheyden is, leyt in een herde houtachtige schelpe besloten.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden meest in ende ontrent alle de Hoven der Nederlanden gevonden.

 

Tijdt.

De bloemen en bladeren van dese Boom spruyten in Maert uyt, maer de Noten werden in ít laetst van Augustus rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden op de volgende wijse aen-gewonnen: Men (14) neemt de Noten, te vooren enige tijdt in nat sant geweeckt zijnde, en set de selve in Maert in goede Aerde, met het scherp eynde nederwaerts, daer na 2 of 3 jaren opgegroeyt zijnde, salmense verplanten in savelachtige Aerde, de Zaet-wortel eerst afgesneden zijnde, eyndelijck groot ende bequam geworden, plant men se in February alwaer men die begeert.

 

Aert en krachten.

De versche Noten zijn warm in den eersten en droogh in den tweeden graet, maer de oude of drooge Noten zijn warmer en drooger, en zijn beyde zwaer om te verteren, verwecken hoest, hooft-pijn, ende vermeerderen de galachtige vochtigheden, nochtans werden sy seer tegen vergift en pestilentiale sieckten gepresen. De buytenste schorsse van de Ocker-noten verdroogen ende trecken sterckelijck te samen. In de bladeren en groene snoesters kan men een tísamen-treckende kracht bespeuren. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Tegen Vergift ende de Peste: Neemt 2 pitten van Ocker-noten, 3 Vijgen, 20 Wijnruyts-bladeren, een korrel Souts, stoot dit te samen met een weynigh Wijns in een steenen Mortier, hier van gebruyckt alle morgens de groote van een Note-muschaet. Dit is de remedie van koningh Methridates.

Voor beten van dolle Honden: Neemt twee drooge Noten, een loot witte Ajuyn, Sout een half vierendeel loots, Honingh soo veel genoegh is, stoot en menght dit te samen, ende leght het op de wonde. Ravelingius.

Voor de derdendaeghse Koorts: Neemt een roemerken vol van het water van onrijpe Noten ghedistilleert, en geeft dit in voor het aenkomen van de koorts, dit ingenomen zijnde, moet men het zweeten bevorderen. Dit selfde is seer goet om het geronne bloedt in het lichaem te doen scheyden.

Voor het Opstijgen des Lijfs-moeders, Colijck, ende pijn in de Nieren: Neemt gedrooghde bloeysel ofte kattekens van de Noten-boom een vierendeel loots, stoot die tot een fijn poeder, en geeft het met witte Wijn te drincken. Brunfelsius.

Om de blaeuw geslagen ofte gestooten Placken af verdrijven: Neemt de uytgeperste Olie van Noten, ende bestrijckt de plaetse hier mede. Dodonaeus.

Voor alderhande Koortsen, en om de hitte der selven uyt te trecken: Neemt de schorsse van de wortel van dese Boom, in Azijn geweeckt zijnde, bindt de selve op de Pols, laet dit soo lang daer op leggen tot dat het een water-blaer getrocken heeft, de welcke ghy sult door snijden. Rulandius.

Walnoot, in het Latijn Nux Juglans. (Juglans regia)

 

Vorm.

Deze boom krijgt een dikke, hoge en vaste stam die zich in veel zijtakken verspreidt en met een askleurige schors bedekt is. De bladeren groeien gewoonlijk net als essenbladeren met 5 bijeen die door een middensteel vast gehecht zijn, doch de bladeren van deze boom zijn dikker, langer en breder dan de essenbladeren en zeer sterk van reuk. De bloemen zijn katjes die bleek geel van kleur zijn en naast de oorsprong van de bladeren uitspruiten. De vruchten zijn met een groene schaal bekleed, de kern is door een harde afscheiding in vier delen gescheiden en ligt in een harde, houtachtige schelp opgesloten.

 

Plaats.

Deze bomen worden meestal in en omtrent alle hoven van Nederland gevonden.

 

Tijd.

De bloemen en bladeren van deze boom spruiten in maart uit maar de noten worden in het laatste van augustus rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden op de volgende wijze voortgeteeld: Men neem de noten die tevoren enige tijd in nat zand geweekt zijn en zet die in maart in goede aarde met de scherpe kant naar beneden, als ze daar 2 of 3 jaren gegroeid hebben zal men ze verplanten in zavelachtige aarde, de penwortel wordt afgesneden en als ze dan groot en goed zijn geworden plant men ze in februari waar men die hebben wil.

 

 

Aard en krachten.

De verse noten zijn warm in de eerste en droog in de tweede graad, maar de oude of droge noten zijn warmer en droger, ze zijn beide zwaar om te verteren, verwekken hoest, hoofdpijn en vermeerderen de galachtige vochtigheid, nochtans worden ze zeer tegen vergif en pestachige ziekten geprezen. De buitenste schors van de walnoot verdroogt en trekt sterk tezamen. In de bladeren en groene bolsters kan men een tezamen trekkende kracht bespeuren. Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen vergif en pest: Neem 2 pitten van walnoten, 3 vijgen, 20 wijnruitbladeren en een korrel zout, stamp dit tezamen met wat wijn in een stenen mortier, hiervan gebruikt men elke morgen de grootte van een notenmuskaat. Dit is de remedie van koning Methridates.

Tegen beten van dolle honden: Neem twee droge noten, een lood witte ui, van zout een half vierendeel lood, honing zoveel als genoeg is, stamp en meng dit tezamen en leg het op de wond. Ravelingius.

Tegen de malaria: Neem een roemertje vol van het gedestilleerde water van onrijpe noten en geef dit in voor het aankomen van de koorts, als dit ingenomen is moet men het zweten bevorderen. Dit zelfde is zeer goed om het gestolde bloed in het lichaam te laten scheiden.

Tegen het opstijgen van de baarmoeder, maagpijn en pijn in de nieren: Neem van de gedroogde bloemen of katjes van de walnoot een vierendeel lood, stamp die tot een fijn poeder en geef het met witte wijn te drinken. Brunfelsius.

Om de blauw geslagen of gestoten plekken te verdrijven: Neem de uitgeperste olie van noten en bestrijk de plaatse hiermee. Dodonaeus.

Tegen allerhande koortsen en om de hitte daarvan uit te trekken: Neem de schors van de wortel van deze boom die in azijn geweekt is en bindt die op de pols, laat dit zo lang daar opliggen totdat het een waterblaar getrokken heeft die ge door zal snijden. Rulandius.

 

 

Haselaer-noten-boom, in ít Latijn Corylus.

 

Gedaente.

De Haselaren leveren uyt haer wortel veel rechte, hooge ende tamelijcke dicke struycken., de welcke effen, tay en seer buyghsaem zijn. De bladeren zijn breedt, aen de bovenste zijde groender, als aen de onderste, ende rontom de kanten gheschaert. De bloemen, die mede kattekens zijn, spruyten boven de oorsprongh der bladeren uyt, waer na de vruchten in groenachtige snoesteren beslooten, de knopkens van de Rosen by na uytbeeldende, 3 ofte 4 by een te voorschijn komen. De kernen van de Noten zijn met een dun vliesken bekleet, ende met houtachtige schellen omvangen. De wortel spreyt zich diep en verre in de Aerde uyt.

 

Plaetse.

Dese Boomen wassen in de Bosschen en aen de afschutsels der Ackers, maer werden meest aen de kanten van de Hoven en Boomgaerden onderhouden.

 

Tijdt.

De kattekens ofte de bloemen komen heel vroegh te voorschijn, de welcke in ít laetste van Maert ofte in ít begin van April af vallende, van de bladeren gevolgt worden. De Noten werden in Augustus rijp zijnde vergadert.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden in de (15) Nederlanden meest van haer wortel-spruyten aengeteelt, ende moeten in January aen lommerachtige plaetsen en in vochte Aerde verplant worden.

 

Aert en krachten.

De Haselaer-noten zijn middelmatigh in hitte en koude, in sich behoudende, eenige tísamen-treckende kracht, den Maege bezwaerlijck, nochtans de Lever nut en goet. De kattekens zijn kout en droogh van aert, ende mede tísamen-treckende, waerom sy om alle Bloeden te stoppen bequaem geoordeelt worden. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Om alderhande Vloeden te stoppen, de Lenden-pijn te stillen, en de snijdinge in het Water-maken te versoeten: Neemt een goet deel Hasel-pitten, stoot die in een Mortier, ende trekt met Rinsche Wijn ofte Garste-Water, een melckachtigh sap hier uyt, ít welck met Suycker soet gemaeckt zijnde, ghy 2 a 3 mael daeghs gebruycken sult. Fuchsius.

Voor ouden Hoest en verstopte Longe: Neemt Hasel-noten-pitten, uytgepelde Rosijnen, van elcks even veel, stoot die te samen in een Mortier, ende gebruyckt hier van dickwijls de groote van een Ocker-noot met Mee. Galenus.

Voor den witte Vloet der vrouwen en Buyck-loop: Neemt van de houtachtighe schellen van dese Noten een half loot, stoot het tot een fijn poeyer, en geeft dit met roode Wijn in: Hier toe dient oock het binnenste ros velleken, dat aen de schelpe kleeft. Ravelingius.

Voor pijn der Lenden: Neemt de uytgeperste Olie uit de Hasel-noten, en bestrijckt de pijnelijcke plaetsen hier mede. C. Durantus.

Hazelaar, in het Latijn Corylus. (Corylus avellana)

 

Vorm.

De hazelaar levert uit haar wortel veel rechte, hoge en tamelijk dikke stengels die effen, taai en zeer buigzaam zijn. De bladeren zijn breed en aan de bovenkant groener dan aan de onderkant en rondom de kanten geschaard. De bloemen, die ook katjes zijn, spruiten boven de oorsprong van de bladeren uit waarna de vruchten in groenachtige bolsters besloten liggen en met 3 of 4 bijeen tevoorschijn komen die bijna op de knoppen van de rozen lijken. De kernen van de noten zijn met een dun vliesje bekleed en met een houtachtige schil bekleed. De wortel spreidt zich diep en ver in de aarde uit.

 

Plaats.

Deze bomen groeien in de bossen en aan de afscheidingen van de akkers maar worden meestal aan de kanten van de hoven en boomgaarden geplant.

 

Tijd.

De katjes of de bloemen komen heel vroeg te voorschijn die in het laatste van maart of in het begin van april afvallen en door de bladeren gevolgd worden. De noten worden in augustus rijp en dan verzameld.

 

 

Teelt.

Deze bomen worden in Nederland meestal van hun wortelspruiten voort geteeld en moeten in januari in schaduwachtige plaatsen en in vochtige aarde verplant worden

 

Aard en krachten.

De hazelaarnoten zijn middelmatig in hitte en koude die in zich houden enige tezamen trekkende kracht die voor de maag bezwaarlijk is, nochtans voor de lever nuttig en goed. De katjes zijn koud en droog van aard en mede tezamen trekkend waarom ze om alle bloedingen te stoppen goed geoordeeld worden. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Om allerhande vloeden te stoppen, de lendenpijn te stillen en de snijdende pijn in het water maken te verzachten: Neem een goed deel hazelnootpitten, stamp die in een mortier en trek hier met zure wijn of gerstewater een melkachtig sap uit wat met suiker zoet gemaakt wordt dat ge 2 a 3 maal per dag gebruiken zal. Fuchsius.

Tegen oude hoest en verstopte longen: Neem hazelnotenpitten en uitgepelde rozijnen, van elk even veel, stamp die tezamen in een mortier en gebruik hiervan dikwijls de grootte van een walnoot met mede. Galenus.

Tegen de witte vloed van de vrouwen en buikloop: Neem van de houtachtige schillen van deze noten een half lood, stamp het tot een fijn poeder en geef dit met rode wijn in. Hiertoe dient ook het binnenste roze velletje dat aan de schil kleeft. Ravelingius.

Tegen pijn van de lenden: Neem de uitgeperste olie uit de hazelnoten en bestrijk de pijnlijke plaatsen hiermee. C. Durantus.

 

 

Castanien-boom, in ít Latijn Castanea.

 

Gedaente.

De Castanien-boom werd een hooge Boom, met een dicke stam versien, ende in veel ende groote zijde-tacken uytgebreydt. Het hout is vast ende hardt, de bladeren zijn groot, rouw ende rondtom de kanten saegs-wijs geschaert. Aen ít eynde der tacken brenght hy lange en groene kattekens, in plaets van bloemen voort, waer op de vruchten ofte Castanien, in rouwe en scherpstekende snoesteren by een beslooten, volgen. De Castanien zijn aen de eene zijde wat plat-achtigh, en boven spits opgaende, buytenwaerts bekleedt met een bruyn-paerssche, en effens schelle, ende inwendigh met een dun velleken omwonden.

 

Plaetse.

Hier te Lande werden dese Boomen alleen in de Hoven der Liefhebbers gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren en bloemen komen in April te voorschijn, maer de vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Castanien-boomen werden in de Nederlanden van de vruchten, die men in February of Maert in de aerde steekt, aengewonnen, de welcke 6 jaren out geworden zijnde, 24 ofte 25 voet van een tot Lanen ofte Bosschen in santachtige aerde verplant kunnen werden.

 

Aert en Krachten.

Galenus stelt de Castanien onder die dingen, die warm en droogh in de eersten graedt zijn, anderen houdense voor koudt en droogh in den tweeden graet, doch haer soeten smaeck bewijst, dat sy middelmatigh in warmte en koude gestelt, en met een tísamen-treckende kracht begaeft zijn. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Bloet-spouwen: Neemt Castanien-meel soo veel van nooden is, menght dit met gesuyverde Honingh, en laet het hier van dickwils gebruycken. Galenus.

Voor geswollen Borsten der Vrouwen: Neemt Castanien-meel, Gersten-meel, van elcks soo veel genoegh is, maeckt hier van met azijn een papken, ít welck ghy op de gezwollen Borsten leggen zult. Dodonaeus.

Voor Buyck-loop en Bloet-spouwen: Neemt de bruyne schorsse van de Castanien een halve handt vol, koockt die in water tot een half pintje, doorgesegen zijnde en (26)met Suycker soet gemaeckt, gebruyckt dit in twee reysen. Matthiolus.

Voor de witte Vloet der Vrouwen en alderhande Bloet-ganck: Neemt het binnenste velleken, ít welck de Kastanien bedeckt, gebrandt, Yvoor van elcks een vierendeel loots, stoot dit te samen tot een fijn poeyer, en geeft dit met eenigh nat in twee malen in. Matthiolus.

Tamme kastanje, in het Latijn Castanea. (Castanea sativa)

 

Vorm.

De kastanjeboom wordt een hoge boom die een dikke stam heeft die in veel en grote zijtakken verspreid is. Het hout is vast en hard. De bladeren zijn groot, ruw en rondom de kanten zaagsgewijs geschaard. Aan het einde van de takken brengt het lange en groene katjes voort, in plaats van bloemen, waarop de vruchten of kastanjes volgen die in ruwe en scherp stekende bolsters bijeen zijn besloten. De kastanjes zijn aan de ene kant wat platachtig en lopen boven spits toe, van buiten met een bruinpaarse en vlakke schil bekleed, inwendig met een dun velletje omsloten.

Plaats.

Hier te lande worden deze bomen alleen in de hoven van de liefhebbers gevonden.

 

Tijd.

De bladeren en bloemen komen in april te voorschijn, maar de vruchten worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

De kastanjebomen worden in Nederland door de vruchten voortgeteeld die men in februari of maart in de aarde steekt en als die 6 jaar oud geworden zijn 7 of 8 meter uit elkaar in rijen of bosjes in zandachtige aarde geplant kunnen worden.

 

Aard en krachten.

Galenus stelt de kastanje onder die dingen die warm en droog in de eerste graad zijn, anderen houden ze voor koud en droog in de tweede graad, maar haar zoete smaak bewijst dat ze middelmatig in warmte en koude gesteld zijn en met een tezamen trekkende kracht begaafd. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen bloedspuwen: Neem van kastanjemeel zoveel als nodig is en meng dit met gezuiverde honing, laat hiervan vaak gebruiken. Galenus.

Tegen gezwollen borsten van de vrouwen: Neem kastanjemeel, gerstemeel en van elk zoveel als genoeg is, maak hiervan met azijn een papje dat ge op de gezwollen borsten leggen zal. Dodonaeus.

Tegen buikloop en bloedspuwen: Neem van de bruine schors van de kastanje een halve hand vol en kook die in water tot een half pintje, als dit doorgezeeefd en met suiker zoet is gemaakt gebruikt het in twee maal. Matthiolus.

Tegen de witte vloed van de vrouwen en allerhande bloedgang: Neem het binnenste velletje dat de kastanje bedekt en gebrand ivoor, van elk een vierendeel lood, stamp dit tezamen tot een fijn poeder en geef dit met wat nat in twee malen in. Matthiolus.

 

 

Moerbesien-boom, in ít Latijn Morus.

 

Gedaente.

De Moerbesienboom schiet hier te lande somstijts op tot een matelijcke groote en hooge Boom, de stam die veeltijdts heel dick is, verspreyt hem in veel zijde-tacken, met een rouwe en oneffen schorsse bekleedt zijnde. De bladeren zijn breedt, voor spits toeloopende ende rondtom de kanten gekerft. Dese Boom heeft mede in plaetse van bloemen groene en wolachtigtige kattekens. De vruchten, die uyt seer veel kleyne besikens vergadert zijn, gelijcken seer wel de vruchten van de Braem-struyck, dese noch onrijp zijnde, hebben een bleeck groene verwe, maer rijp gheworden, zijnse zwart, bruyn en met root sap vervult, uytgenomen de gene die witte vruchten voort brenght. De wortelen verbreyden sich wijt, verre ende diep in de Aerde.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden alhier in de Hoven alleen gevonden.

 

Tijdt.

Dese Boom is langhsaem in ít voort-brengen van sijn bladeren, ít welck ghemeenlijck niet voor in May geschiedt, want hy de koude niet verdragen kan, maer de vruchten worden in Augustus volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

De bequaemste manier om dese Boomen aen te teelen, geschiet door sijn wortel-spruyten ofte van inleggen, hoewel sy oock van zaet aengewonnen worden, maer hebben als dan langer jaren van nooden om vruchten voort te brengen. Hy wert gevoeglijck in February ofte Maert in vette en gemiste Aerde geplant.

 

Aert en krachten.

De bladeren zijn eensdeels tísamen-treckende, en anderdeels suyverende oft afvagende van krachten. Galenus.

De onrijpe vruchten zijn verkoelende en verdroogende in de derden graedt, ende daer by seer sterckelijck tísamen-treckende. De rijpe vruchten zijn verkoelende en eenigsins tísamen-treckende van aert. C. Durantus.

De schorsse van de wortelen verwarmen en verdroogen, nochtans daer by afvagende, openende en de buyck weeck-makende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Tant-pijn: Neemt de schorsse van de wortel van de Moerbesien-boom een loot. Moerbesien-bladeren een halve handt vol, koockt dit te samen op in Wijn-azijn soo veel genoegh is, en houdt dit warm in de mont. Dioscorides.

Voor alderhande Buyck-loop en overtollige Maent-stonden: Neemt gedrooghde onrijpe Moerbesien een vierendeel loots, geeft die kleyn gestooten zijnde met roode Wijn in. Dodonaeus.

Voor onstekinge en swellinge in de Mont en Hals: Gebruyckt hier tegen de Syroop van Moerbesien bereyt tot lickinge ofte ingorgelinge. Dispens. Augustan.

Voor verstoptheyt van de Lever en Milt, en om de Wormen af te jagen: Neemt de schorsse van de wortel van de Moerbesien-boom een loot, koockt dit in Water tot een mutsjen nat, en geeft dit te drincken, dit selve maeckt kamer-ganck, ende alleen in de mondt gehouden stilt Tandt-pijn, Dioscorides, P. de Crescentius.

Moerbei, in het Latijn Morus. (Morus nigra, Morus alba)

 

Vorm.

De moerbei schiet hier te lande soms op tot een matig grote en hoge boom. De stam is vaak zeer dik en in veel zijtakken verspreid die met een ruwe en oneffen schors bekleed is. De bladeren zijn breed, lopen voor spits toe en zijn rondom de kanten gekerfd. Deze boom heeft ook in plaats van bloemen groene en wolachtige katjes. De vruchten zijn uit zeer veel kleine besjes samen gesteld en lijken zeer veel op de vruchten van de braam. Als ze nog niet rijp zijn hebben ze een bleek groene kleur, maar als ze rijp worden zijn ze zwartbruin en met rood sap gevuld, uitgezonderd diegene die witte vruchten voortbrengt. De wortels verspreiden zich wijd en diep in de aarde.

 

Plaats.

Deze bomen worden hier alleen in de hoven gevonden.

 

Tijd.

Deze boom is langzaam in het voortbrengen van zijn bladeren dat gewoonlijk niet voor mei gebeurt omdat het de koude niet verdragen kan, maar de vruchten worden in augustus volkomen rijp.

 

Teelt.

De beste manier om deze bomen voort te telen geschiedt door zijn wortelspruiten of van afleggers, hoewel ze ook van zaad aangewonnen worden maar hebben dan meer jaren nodig om vruchten voort te brengen. Hij wordt gewoonlijk in februari of maart in vette en bemeste aarde geplant

 

Aard en krachten.

De bladeren zijn eensdeels tezamen trekkend en anderdeels zuiverend of afvegend van krachten. Galenus.

De onrijpe vruchten zijn verkoelend en verdrogend in de derde graad en daarbij zeer sterk tezamen trekkend. De rijpe vruchten zijn verkoelend en enigszins tezamen trekkend van aard. C. Durantus.

De schors van de wortels verwarmt en verdroogt, nochtans daarbij afvegend, opent en maakt de buik week van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen tandpijn: Neem van de schors van de wortel van de moerbei een lood, moerbeibladeren een halve hand vol, kook dit tezamen op in wijnazijn zoveel als genoeg is en houd dit warm in de mond. Dioscorides.

Tegen allerhande buikloop en overtollige maandstonden: Neem van gedroogde, onrijpe moerbeien een vierendeel lood en geef die klein gestampt met rode wijn in. Dodonaeus.

Tegen ontsteking en zwelling in de mond en hals: Gebruik hiertegen de siroop van moerbeibessen die als een likkepot of gorgelwater gemaakt zijn. Dispens. Augustan.

Tegen verstopping van de lever en milt en om de wormen af te jagen: Neem van de schors van de wortel van de moerbeiboom een lood, kook dit in water tot een mutsje nat en geef dit te drinken, hetzelfde maakt toiletgang. Als het alleen in de mond gehouden wordt stilt het de tandpijn, Dioscorides, P. de Crescentius.

 

 

Persiken-boom, in ít Latijn Malus Persica.

 

Geslachten.

De Persiken-boomen zijn door de groote, ghedaente ende verwe van haer vruchten in de Nederlanden onderscheyden, waer van de beste onder haer besondere )17) naem bekent zijn, als Bloet-persiken, Persiken van der Meer, dubbelde Montanien, enckelde Montanien, Merkatons, Persiken van der Nat, late Persiken van Rijn &c Onder dese geslachten der Persiken zullen wy oock om de vergelijckinge der vruchten stellen de Abricoos-boom, by de Latinisten Malus Armeniaca genoemt.

 

Gedaente.

De Persiken-boom brenght lange bladeren voort, de Wilgen-bladeren niet seer ongelijck zijn, die aen de kanten een weynigh geschaart zijn. De bloemen zijn bleeck-paersch, waer na de vruchten volgen, die ront ende aen de ene zijde met een rechte Vore versien, ende met een sachte wolachtige schil bekleedt zijn, in ít aenschouwen somtijdts wit ofte doncker-root, ofte oock wel geel van verwe. In ít midden van de vrucht leyt een harde en rouwe steen beslooten, de welcke een kerne een Amandel niet ongelijck omvat, doch die wat bitterachtigh van smaeck is.

De Abricoos-boom verschilt van de voorgaende, door dien sijn bladeren niet soo langh, maer breedt en voor spits, de bloemen wit, de vruchten soo wel van binnen als buyten geel, ende de steen niet rouw maer effen en gladt zijnde.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Persiken-boom bloeyt in April, waer op de bladeren te voorschijn komen. De vruchten werden in September volkomen rijp, maer de Abricoosen worden veel vroeger, ja dickwijls in Hoy-maent rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden in de Nederlanden door oculatie ende afzuygingh vermenighvuldight, waer van de manier in ít I ende II Deel van ít Vermakelijck Landt-leven nauw-keurigh beschreven en curieuselijck vertoont wordt.

 

Aert en krachten.

De vruchten zijn kout en vochtigh in den tweeden graedt, in de Mage haestelijck in een slijmige vochtigheyt bedervende, nochtans voor de maeltijdt gegeten kunnen eenigh voordeel by brengen, te weten, om datse als dan de buyck slibberigh maken, waer door de spijse te gemackelijcker nederwaerts gesonden wordt.

De binnenste kernen zijn warm en droog van aert, ende door haer bitterheyt openende en afvagende van krachten. De bladeren zijn mede verwarmende, verdroogende, openende de verstoptheden, ende den buyck weeck makende, waer door sy de slijmerige en galachtige vochtigheden af setten. De aert en krachten van de Abricoosen-bladeren zijn volgens de getuygenisse van Dodonaeus tot noch toe niet versocht geweest. De Gomme die uyt de Persicke-struycken bloeyt is middelmatigh van naturen, ende de hoestende ende uytteerende menschen, seer nut. Dodonaeus, Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor letsel aen de spraeck, als yemant van de Popelsye gheraeckt is: Neemt de kernen van Persiken twee loot, stootse in een Mortier, doetíer by Water van Poley, een mutsjen, druckt hier uyt een melckachtigh sap. ít Welck ghy dickwijls in de mont sult nemen ende eenigen tijdt behouden, ende daer na

wederom uytspouwen. Dodonaeus.

Voor Hooft-pijn: Neemt de kernen van Persiken, een loot, stootse in een Mortier met een half mutsjen Water van Yserkruydt, druckt er een melckachtig sap uyt ít welcke ghy lauw met doecken op het Voor-hooft ende slapen des Hoofts leggen sult. Hier toe dient mede de Olie uyt de kernen geperst, de welcke oock seer nut is om de pijn van de Nieren, door het Graveel ontstaen te versoeten, te weten de lenden daer mede gesmeert. Fuchsius.

Voor Puckels en roode Placken des Aengesichts: Neemt kernen van Persiken acht loot, gepelt Cauwoerden-zaet vier loot, perst hier uyt een Olie, waer mede ghy de huyt bestrijcken sult. Ravelingius.

Voor Swaermoedigheydt, opstijgen des Lijf-moeders ende Wormen: Neemt (18) Syroop van Persiken-bloemen bereydt vier loot, ende geeft dit nuchteren te gebruycken. Dispens Augustan.

Voor Wormen der kinderen: Neemt Persiken-bladeren een handt vol, stamptse kleyn ende bindt het op de Navel van de Buyck. Sommige geven van de gedroogde en fijn gestooten bladeren de zwaerte van 20 greyn met eenigh nat in. Brunfelsus.

Voor het Bloet-spouwen: Neemt een half loot Gomme van de Persiken-boom, smeltse in Weegbree ofte Porcelijn-water soo veel genoegh is, en gebruyckt het.

Voor Hoest en Kortheydt des Adems: Neemt van de voornoemde Gomme een half loot, ende smeltse in Meede ofte afziedsel van Hoef-bladers, en geeft dit nuchteren te drincken. Ravelingius.

Perzik, in het Latijn Malus Persica. (Prunus persica)

 

Geslachten.

De perziken worden door de grootte, vorm en kleur van hun vruchten in Nederland onderscheiden waarvan de beste onder hun bijzondere naam bekend zijn als bloedperziken, perziken van der Meer, dubbele Montanien, enkele Montanien, Merkatons, perziken van der Nat, late perziken van Rijn etc. Onder deze vormen van perziken zullen we ook de vruchten vergelijken van de abrikoos die door de Latinisten Malus Armeniaca genoemd wordt. (Prunus armeniaca)

 

Vorm.

De perzik brengt lange bladeren voort die veel op die van de wilg lijken, ze zijn aan de kanten wat geschaard. De bloemen zijn bleek paars waarna de vruchten volgen die rond en aan de ene kant met een rechte voor voorzien en met een zachte wolachtige schil bekleed zijn, in het aanzien soms wit of donker rood of ook wel geel van kleur. In het midden van de vrucht ligt een harde en ruwe steen besloten die op de kern van een amandel lijkt, doch die wat bitterachtig van smaak is.

De abrikoos verschilt van de voorgaande doordat zijn bladeren niet zo lang, maar breed en voor spits zijn, de bloemen wit en de vruchten zowel van binnen als van buiten geel en de steen niet ruw maar effen en glad is.

 

 

 

 

Plaats.

Deze bomen worden alleen in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

De perzik bloeit in april waarna de bladeren te voorschijn komen. De vruchten worden in september volkomen rijp, maar de abrikoos wordt veel vroeger, ja dikwijls in juni rijp.

 

 

Teelt.

Deze bomen worden in Nederland door oculatie en afzuigers vermenigvuldigd waarvan de manier in het I en II Deel van Ďít Vermakelijck Landt-levení nauwkeurig beschreven en curieus vertoond wordt.

 

Aard en krachten.

De vruchten zijn koud en vochtig in de tweede graad die in de maag snel in een slijmige vochtigheid bederven, nochtans als ze voor de maaltijd gegeten worden kunnen ze enig voordeel bij brengen, te weten omdat ze dan de buik slibberig maken waardoor de spijs gemakkelijker naar beneden gezonden wordt.

De binnenste kernen zijn warm en droog van aard en door hun bitterheid openen ze en zijn afvegend van krachten. De bladeren zijn ook verwarmend, verdrogend, openen de verstopping en maken de buik week waardoor ze de slijmerige en galachtige vochtigheden afzetten. De aard en krachten van de abrikoosbladeren zijn volgens de getuigenis van Dodonaeus tot noch toe niet onderzocht. De gom die uit de perziktakken vloeit is middelmatig van natuur en is voor de hoestende en uitterende mensen zeer nuttig. Dodonaeus, Matthiolus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen letsel aan de spraak als iemand door m.s. geraakt is: Neem van de kernen van perziken twee lood, stamp ze in een mortier, doet er een mutsje water van polei bij, druk hier uit een melkachtig sap dat ge dikwijls in de mond zal nemen en er enige tijd in houden om het daarna weer uit te spuwen. Dodonaeus.

Tegen hoofdpijn: Neem van de kernen van perziken een lood, stamp ze in een mortier met een half mutsje water van ijzerkruid, druk er een melkachtig sap uit dat ge lauw met doeken op het voorhoofd en slapen van het hoofd leggen zal. Hiertoe dient mede de olie die uit de kernen geperst is en die ook zeer nuttig is om de pijn van de nieren die door nierstenen ontstaan zijn te verzachten als de lendenen daarmee besmeerd worden. Fuchsius.

Tegen pukkels en rode plekken van het aangezicht: Neem van de kernen van perziken acht lood, gepelde kouwoerdezaad vier lood, pers hieruit een olie waar mee ge de huid bestrijken zal. Ravelingius.

Tegen zwaarmoedigheid, opstijgen van de baarmoeder en wormen: Neem siroop die van perzikenbloemen gemaakt is vier lood en geef dit nuchter te gebruiken. Dispens Augustan.

Tegen wormen bij kinderen: Neem van perzikenbladeren een hand vol, stamp ze klein en bindt het op de navel van de buik. Sommige geven van de gedroogde en fijn gestampte bladeren het gewicht van 20 grein met wat nat in. Brunfelsus.

Tegen het bloedspuwen: Neem een half lood gom van de perzikenboom, smelt het in weegbree- of porsteleinwater zoveel als genoeg is en gebruik het.

Tegen hoest en kortheid van adem: Neem van de voornoemde gom een half lood en smelt het in mede of een afkooksel van hoefbladeren en geef dit nuchter te drinken. Ravelingius.

 

 

Amandel-boom, in ít Latijn Amygdalus.

 

Gedaente.

De Amandel-boom schiet veel hoger op als de Persicken-boom, andersints de bladeren, bloemen ende de onrijpe vruchten hebben eenige gelijckenisse met malkanderen, doch het vleesch van dese vruchten is wreet en hardt, ende de steen, waer inde de Amandel, die na haer smaeck in soete en bittere verdeelt zijn, beslooten is, is veel langer als de Persick-steen. De wortel van dese Boom sinckt tamelijck diep in de aerde. Aen de struycken werdt mede, als in veel andere Boomen, een gomme gevonden.

 

Plaetse.

De Amandel-boom, die van natuure warme gewesten bemint, werdt hier te lande alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Amandel-boomen bloeyen seer vroegh, maer de vruchten werden in July ofte Augustus rijp, ende bequaem om te versamelen.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden door ít af-suygen op Pruymen ofte Kroosjens stammen vermenigvuldight, t welck gevoeghlijck in Maert geschiet, daer na verplant men se in February in goede aerde. De bequaemste Mist die dese Boomen begeeren is Verckens-mist, waer door oock de selve soete Amandelen voort brengen.

 

Aert en Krachten.

De soete Amandelen zijn middelmatigh warm en vocht, seer wel voedende, ende de scherpiheyt der vochtigheden versachtende. De bittere zijn warm en droogh tot in de tweeden graet, ende daer by openende, verdeelende ende afvagende van krachten, sy ontsluyten alle verstoptheden der Nieren, Longe, lever, Milte en andere inghewanden. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Buyck-loopen en root Melizoen: Neemt gepelde soete Amandelen twee loot, stoot die in een steene Mortier, giet hier by een half pintje Gersten-water, waar in eenige reyse gloeyent Stael in uyt-gedompt is, wringht dit te samen door een doeck, doet by dit melckachtigh sap een lepel vol Roosen-water, en een weynigh Suycker, geeft hier van dickwijls te drincken. Brunfelsus.

Voor ít Colijk, Graveel, Pleuris en Naween der jonge Kraem-vrouwen: Neemt twee ofte vier loot Olie van soete Amandelen, geeft dit met eenigh nat in. J. Schroderus.

Voor Buyck-pijn der jongh-gebooren Kinderen: Neemt Olie van soete Amandelen een half loot, doetíer by witte Suycker soo veel genoegh is, en laet dit op een mael gebruycken. J. Schroderus.

Voor de koude Pisse: Ghebruyckt vijf ofte ses bitteren Amandelen, de selve nuchteren gebruyckt zijnde, werdt gelooft de dronkenschap te komen verhoeden. Dodonaeus.

Voor Hooft-pijn: Neemt bittere Amandelen soo veel genoegh is, stoot dit met Azijn en Olie van Rosen tot een pap, de welcke ghy op het Voor-hooft ende de slapen des Hoofts leggen sult. Dioscorides.

Voor het opstijgen des Lijfs-moeders: Neemt Olie van bittere Amandelen, ende de Buyck onder de Navel hier mede bestreken. Matthiolus. (19)

Voor ít Graveel, koude Pisse ende Pijn der Nieren: Neemt Olie van bittere Amandelen en smeert hiermede de Lendenen ende de Navel des Buycks, Euchsius.

Voor zuysinge der Ooren: Neemt Olie van bittere Amandelen, maecktse in een lepel warm, ende doetse warm met Boomwol in de tuytende Ooren. C. Durantes.

Voor Sproeten en Placken des Aengesichts: Neemt wortelen van de Amandel-boomen een hand vol, koockt die in Water ofte Wijn soo veel genoegh is, ende wascht het aengesicht hier mede. Ravelingius.

Amandelboom, in het Latijn Amygdalus. (Prunus amygdalus)

 

Vorm.

De amandelboom schiet veel hoger op dan de perzikboom, aan de andere kant hebben de bladeren, bloemen en de onrijpe vruchten enige gelijkenis met elkaar, maar het vlees van deze vruchten is wreed en hard en de steen waar de amandel in is en die naar haar smaak in zoete en bittere verdeeld zijn is veel langer dan de perziksteen. De wortel van deze boom zinkt tamelijk diep in de aarde. Aan de stengels wordt ook net als bij veel andere bomen een gom gevonden.

 

 

Plaats.

De amandelboom die van nature warme gewesten bemint wordt hier te lande alleen in de hoven onderhouden

 

Tijd.

De amandelbomen bloeien zeer vroeg, maar de vruchten worden in juli of augustus rijp en zijn dan goed om te verzamelen.

 

Teelt.

Deze bomen worden door het afzuigen op pruimen of kroosjesstammen vermenigvuldigd wat meestal in maart gebeurt, daarna verplant men ze in februari in goede aarde. De beste mest die deze bomen begeren is varkensmest waardoor ze ook zoete amandelen voort brengen.

 

Aard en krachten.

De zoete amandelen zijn middelmatig warm en vochtig, voeden zeer goed en verzachten de scherpheid van de vochtigheden. De bittere is warm en droog tot in de tweede graad en daar bij opent, verdeelet en veegt af van krachten, ze ontsluit alle verstopping van de nieren, longen, lever, milt en andere ingewanden. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen buiklopen en rode loop: Neem van gepelde zoete amandelen twee lood en stamp die in een stenen mortier, giet hierbij een half pintje gerstenwater waarin enige tijd gloeiend staal in gedompeld geweest is, wring dit tezamen door een doek en doe bij dit melkachtig sap een lepel vol rozenwater met wat suiker, geef hiervan dikwijls te drinken. Brunfelsus.

Tegen het koliek, nierstenen, buikpijn en naweeŽn van de jonge kraamvrouwen: Neem twee of vier lood olie van zoete amandelen en geef dit met enig nat in. J. Schroderus.

Tegen buikpijn van de pas geboren kinderen: Neem een half lood olie van zoete amandelen en doe er witte suiker bij zoveel als genoeg is en laat dit in een keer gebruiken. J. Schroderus.

Tegen de koude plas: Gebruik vijf of zes bittere amandelen, als die nuchter gebruikt worden gelooft men dat het de dronkenschap kan tegen gaan. Dodonaeus.

Tegen hoofdpijn: Neem van bittere amandelen zoveel als genoeg is en stamp dit met zijn en olie van rozen tot een pap die ge op het voorhoofd en de slapen van het hoofd leggen zal. Dioscorides.

Tegen het opstijgen van de baarmoeder: Neem olie van bittere amandelen en bestrijk de buik onder de navel hiermee. Matthiolus

Tegen nierstenen, koude plas en pijn van de nieren: Neem olie van bittere amandelen en besmeer hiermee de lendenen en de navel van de buik, Fuchsius.

Tegen het suizen in de oren: Neem olie van bittere amandelen en maak het in een lepel warm, doe het warm met katoen in de tuitende oren. C. Durantes.

Tegen sproeten en plekken van het aangezicht: Neem van de wortels van de amandelboom een hand vol, kook die in water of wijn zoveel als genoeg is en was het aangezicht hiermee. Ravelingius.

 

 

Vijgen-boom, in ít Latijn Ficus.

 

Geslachten.

Hier te Lande zijn twee soorten van Vijgen-boomen bekent, de eerste is de gemeyne Vijgen-boom, díander wordt Indiaensche Vijgen-boom genaemt.

 

Gedaente.

De gemeyne Vijgen-boom wast somstijdts hier te lande redelijck hoog op, bekleedt met een rouwachtige schorsse. Het hout is wit, voos ende light, de zijdetacken zijn van binnen met mergh gevult. De bladeren vergelijcken sich eenighsins met de Wijngaerts-bladeren, want sy hebben vijf diepe sneden, ende vijf uytstaende hoecken, maer sy zijn donckerder groen van verwe. Men en bespeurt geen voor-teken van Bloemen, maer de vruchten spruyten sonder de selve aen de oorsprongh der bladeren elck besonder voort, de Peeren van gedaente eenighsins gelijck, rijp gheworden zijnse wit ofte bleeck-groen, ofte uyt doncker-blauw paers-achtigh van verwen, ende bevatten in sich een seer soet en lieflijck merch met veel tusschen-beyden leggende greynkens vervult.

De Indiaensche Vijgen-boom, die men met recht onder de Planten stellen mochte schiet op sonder struycken ofte tacken, en vertoont anders niet dan een vergaderingh van lanck-werpige, breede en seer dicke bladeren, met dunne doornkens versien die uyt de andere spruyten ende boven malkanderen opwassen.

 

Plaetse.

Dese beyde geslachten der Vijgen-boomen zijn alleen in de Hoven van curiese Lief-hebbers te vinden.

 

Tijdt.

De gemeyne Vijgen-boom brengt sijn botten in de May te voorschijn, maer sijn vruchten worden onordentelijck rijp, want sommige het eerste jaer, andere, indiense de Winter over kunnen blijven, het navolgende jaer om te gebruycken bequaem worden. De Indiaensche Vijgen-boom blijft altijdt groen, maer brengt alhier geen vruchten voort.

 

Oeffeningh.

De Vijgen-boom werdt in de Nederlanden van wortel-spruyten ofte tacken, die men op ít eynde wat kneust in de Maent Maert ofte April aengewonnen. De Indiaensche Vijgen-boom spruyt voort, indien men een van sijn bladeren in de Aerde steeckt, waer in sy seer haestelijck groeyt, verwortelt, ende andere bladeren wederom uytgeeft. Men moet dese gewassen hier te lande voor de koude Winter sorghvuldigh bewaren.

 

Aert en Krachten.

De volkomen rijpe en gedrooghde Vijgen, verwarmen in den tweeden graet, en zijn wat vochtigh van aert. Andere achtense voor warm in den eersten en vochtigh in den tweeden graet. Sy doen zweten, reynigen de Borst, vermorwen ende maken rijp alle Gezwellen. Matthiolus, C. Durantus.

 

Medicinael gebruyck.

Om de Kinder-pockjens ende Maselen uyt te drijven: Hier voor werden Vijgen in Bier opgekoockt ende dickwijls te drincken gegeven.

Voor het Graveel: Vijgen veel gegeten, doen veel sants ende gruys met de Urijn quijt worden ende losen. Dodonaeus.

Voor swaren Hoest: Neemt een goet deel kleyn gesneden Vijgen, giet daer op van de beste Brandewijn, de welcke ghy uytbranden sult, ende hier van dickwijls een lepel vol gebruycken, ofte neemt Vijgen, No 12, Hysoop-bladeren twee handen vol, koockt dit in Gersten-water, tot een pint, van (20) ít welck, met Suycker soet gemaeckt zijnde, ghy 3 a 4mael daeghs een Roemertje vol ingeven sult. Lobel, J. Schroderus.

Om de geboorte te doen vorderen werdt in Duytslant van de Vrouwen veeltijts gebrade Vijgen gegeten. J. Schroderus.

Om het geronnen Bloet door vallen ofte quetsinge te doen scheyden: Koockt een goet deel Vijgen in Water, ende door gedaen zijnde, geeft hier van dickwils te drincken. Dodonaeus.

Om de Buyck der water-suchtigen te doen slecken: Neemt Vijgen een goet deel, Gersten-meel soo veel genoegh is, Alsem twee handen vol, maeckt hier van met Wijn een pap, en leght het van buyten op de Buyck. Lobel.

Voor sweeringe ontrent de nagels van de Vingeren: Neemt Vijgen ten loot, Granaet-schellen een vierendeel loots, stoot dit te samen, en leght het op. Lobel.

Om alle Wratten, Exter-oogen en ander onsuyver-heden te Verdrijven: Neemt de bladeren van de Vijgen-boom, kneustse ende wrijftse hier mede. Dodonaeus.

Vijgenboom, in het Latijn Ficus. (Ficus carica)

 

Geslachten.

Hier te lande zijn twee soorten van vijgenbomen bekend, de eerste is de gewone vijgenboom, de andere wordt Indiaanse vijgenboom genoemd. (Opuntia ficus-indica)

 

Vorm.

De gewone vijgenboom groeit soms hier te lande redelijk hoog op en is bekleed met een ruwachtige schors. Het hout is wit, voos en licht, de zijtakken zijn van binnen met merg gevuld. De bladeren vergelijken zich enigszins met de druivenbladeren want ze hebben vijf diepe sneden en vijf uitstaande hoeken, maar ze zijn donkerder groen van kleur. Men bespeurt geen voortekens van bloemen en de vruchten spruiten zonder de bloemen aan de oorsprong van de bladeren elk op zijn eigen voort, ze lijken enigszins op peren van vorm en als ze rijp worden zijn ze wit of bleek groen of uit donker blauw paarsachtig van kleur en hebben in zich een zeer zoet en lieflijk merg waar tussen veel zaden liggen.

De Indiaanse vijgenboom die men met recht onder de planten stellen mag schiet op zonder stam of takken en laat niets anders zien dan een verzameling langwerpige, brede en zeer dikke bladeren die met dunne dorens bekleed zijn waaruit andere spruiten en boven elkaar groeien.

 

 

 

Plaats.

Deze beide geslachten van vijgenbomen zijn alleen in de hoven van curieuze liefhebbers te vinden.

 

Tijd.

De gewone vijgenboom brengt zijn knoppen in mei te voorschijn, maar zijn vruchten worden ongelijk rijp, sommige het eerste jaar en andere als ze de winter over kunnen blijven worden pas goed om het volgende jaar te gebruiken. De Indiaanse vijgenboom blijft altijd groen, maar brengt hier geen vruchten voort.

 

Teelt.

De vijgenboom wordt in Nederland van wortelspruiten of takken die men op het eind wat kneust in de maand maart of april aangewonnen. De Indiaanse vijgenboom spruit voort als men een van zijn bladeren in de aarde steekt waarin ze zeer snel groeit en wortelt en weer andere bladeren uitgeeft. Men moet deze gewassen hier te lande tegen de koude winter zorgvuldig beschermen.

 

 

Aard en krachten.

De volkomen rijpe en gedroogde vijgen verwarmen in de tweede graad en zijn wat vochtig van aard. Andere achten ze voor warm in de eerste en vochtig in de tweede graad. Ze laten zweten, reinigen de borst, vermurwen en maken alle gezwellen rijp. Matthiolus, C. Durantus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de kinderpokken en mazelen uit te drijven: Hiervoor worden vijgen in bier gekookt en dikwijls te drinken gegeven.

Tegen nierstenen: Als vijgen veel gegeten worden laten ze veel zand en gruis met de urine kwijt worden en lossen. Dodonaeus.

Tegen zware hoest: Neem een goed deel klein gesneden vijgen en giet daar op van de beste brandewijn die ge uitbranden zal, hiervan zal ge dikwijls een lepel vol gebruiken of neem vijgen no 12 met twee handen vol hysopbladeren, kook dit in gerstewater tot een pint, maak dat met suiker zoet waarvan ge 3 a 4maal per dag een roemertje vol ingeven zal. Lobel, J. Schroderus.

Om de geboorte te bevorderen wordt in Duitsland door de vrouwen vaak gebraden vijgen gegeten. J. Schroderus.

Om het gestolde bloed dat door vallen of kwetsingen veroorzaakt is te laten scheiden: Kook een goed deel vijgen in water en als het doorgezeefd is geef hiervan dikwijls te drinken. Dodonaeus.

Om de buik van de waterzuchtige te laten slinken: Neem een goed deel vijgen, gerstemeel zoveel als genoeg is, van alsem twee handen vol en maak hiervan met wijn een pap en leg het van buiten op de buik. Lobel.

Tegen zweren bij de nagel van de vingers: Neem tien lood vijgen, granaatappelschillen een vierendeel lood, stamp dit tezamen en leg het op. Lobel.

Om alle wratten, eksterogen en andere onzuiverheden te verdrijven: Neem de bladeren van de vijgenboom, kneus ze en wrijf ze hiermee in. Dodonaeus.

 

 

Citroen, Limoen, ende Orangie-boom, in ít Latijn Malus Citria, Limonia, Arantia.

 

Omdat de Citroen, Limoen ende Orangie-boomen, soo wel in uyterlijck gedaente ende krachten der vruchten, als in haer oeffeningh, eenighsints over een komen, sullen wy de selven alhier te samen by een beschrijven.

 

Ghedaente.

De Citroen-boom, wiens tacken met een groene schorsse bekleet zijn, heeft langhwerpige, dicke, ende gladde groene bladeren. De bloemen zijn wat paers-achtigh, uyt welkers midden eenige dunne draedkens voort-spruyten. De vruchten die veel grooter als de Limoenen zijn, werden met een bleeck gout-geele schorsse bedeckt, seer aengenaem en lieflijck van reuck, waer onder een hardt en witachtigh vleesch verborgen leyt, ít welck een klaer en doorluchtigh mergh, met aengename suure sap vervult, omvat. Het zaet ligt in het voornoemde mergh hier en daer verspreyt, bitterachtigh van smaeck zijnde.

De Limoen-boom verschilt van de voorgaende in de coleur van de bloemen, de welcke wit zijn, ende de vruchten zijn oock veel kleynder, als van de Citroen-boom, doch met overvloediger en suurder sap versien.

De Orangie-boom heeft mede groene tacken, maer de bladeren zijn somtijdts wat grooter, als de Citroen-boom ofte Limoen-bladeren. De bloemen die wit zijn, zijn seer aengenaem van reuck, de vruchten en zijn niet langhwerpigh, maer bolwijs rondt, met een hoogh gout-geele schorsse, die bitterachtigh van smaeck is, overtoogen, dese behouden oock in sich overvloedigh sap, ít welcke soet, suur, ofte half soet, half suur bevonden wordt. Het zaet is kleynder als het Citroen-zaet, andersints het selve in alles gelijck.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden hier te Landen alleen in de Hoven van groote Liefhebbers gevonden.

 

Tijdt.

Dese Boomen blijven altijdt met bladeren bekleet. De vruchten werden niet eenparigh rijp, want men aen een Boom rijpe, bij na rijpe, ende eerst aenkomende vruchten sien mach.

 

Oeffeningh.

De Citroen, Limoen ende Orangie-boomen werden in de Nederlanden van de zaden met groote moeyte aengeteelt, ofte stammen werden van Genua ofte Lissabon herwaerts overgesonden. De curiuese Liefhebbers konnen de verdere oeffeningen, die tot het onderhouden deser Boomen vereyscht worden, nauwkeurigh in ít eerste en tweede Deel van het Vermakelijck Lantleven beschreven vinden.

 

Aert en krachten.

De vruchten van de voornoemde Boomen bestaen uyt verscheyde deelen, de welcke met besonderen ende seer veel verschillende krachten begaeft zijn, want de uytwendige schorsse is warm in den eersten, ende verdroogende in den tweeden (21) graet, wederstaet vergift ende besmettinge, ofte soo andere willen, warm en droogh in den derden graet. Het suure sap van dese vruchten is verkoelende ende drooghmakende van aert, ende daer by doordringende van krachten. Het zaet is warm en droogh in den tweeden graet. Matthiolus, C. Durantus, Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verkoude Maegh en stinckende Aessem: Hier tegen gebruyckt alle morgen een vierendeel van een geconfijte Citroen ofte Orangie-schil. Dodonaeus.

Voor brandende en besmettelijcke Koortsen, als mede om de galachtige vochtigheden, die in de Maegh leggen te bedwingen: Gebruyckt men veeltijdts by de spijse het sap van Citroenen ofte Limoenen in plaetse van Verjuys, ofte bereyt de volgende koeldranck: Neemt Garsten-water, een pint, sap van Citroenen vier loot, van de witste Suycker soo veel genoegh is, menght dit te samen, ende geeft hier dickwils van te drincken. Dodonaeus. Lobel.

Voor quaetaerdige Koortsen: Geeft den siecken eenige gepelde Citroen-zaden in, en bestrijckt de pols en het putken van ít herte met olie van Citroen-schellen gedistilleert. Stockerus in Emperica, Dodonaeus.

Voor wormen der Kinderen: Bestrijckt de Navel der Kinderen met Olie van Citroenen

Voor ít Graveel: Neemt Limoen-sap twee loot, een halve Notenmuskaet, Kreeft-oogen een half vierendeel loots, witte Candy-suycker een loot, Rentsche-wijn een half mutsjen, geeft dit op een reys in.

Voor Schurftheyt en Sproeten in ít Aengesicht: Bestrijckt de plaetsen met Limoen-sap. Matthiolus.

Voor Colijck ofte Buyck-pijn uyt winden ontstaen: Neemt fijn gestooten Orangie-schellen een vierendeel loots, geeft dit in met warm Bier ofte Wijn. Schroderus.

Citroen, Limoen en Oranjeboom, in het Latijn Malus Citria, Limonia, Arantia. (Citrus medica ĎCedriaí, Citrus medica ďLimoniumí, Citrus aurantium)

 

Omdat de citroen, limoen en oranjebomen zowel in uiterlijke vorm en krachten van de vruchten als in haar teelt enigszins overeen komen zullen we die hier tezamen beschrijven.

 

Vorm.

De citroenboom wiens takken met een groene schors bekleed zijn heeft langwerpige, dikke en gladde, groene bladeren. De bloemen zijn wat paarsachtig waar uit hun midden enige dunne meeldraadjes komen. De vruchten zijn veel groter dan de limoenen en worden met een bleke goudgele schors bedekt die zeer aangenaam en liefelijk van reuk is. Daaronder ligt een hard en witachtig vlees verborgen dat een helder en doorluchtig merg bevat dat met aangenaam zuur sap gevuld is. Het zaad ligt in het voornoemde merg hier en daar verspreid en is bitterachtig van smaak.

De limoen verschilt van de voorgaande in de kleur van de bloemen die wit zijn, ook zijn de vruchten veel kleiner dan van de citroen maar met overvloediger en zuurder sap voorzien.

De oranje heeft ook groene takken, maar de bladeren zijn soms wat groter dan van de citroen- of limoenbladeren. De bloemen, die wit zijn, zijn zeer aangenaam van reuk, de vruchten zijn niet langwerpig, maar bolvormig rond en met een diep goudgele schors bedekt die bitterachtig van smaak is, deze heeft ook overvloedig sap in zich dat zoet, zuur of half zoet en half zuur gevonden wordt. Het zaad is kleiner dan het citroenzaad, anders die in alles gelijk.

 

 

 

 

 

Plaats.

Deze bomen worden hier te lande alleen in de hoven van grote liefhebbers gevonden.

 

Tijd.

Deze bomen blijven altijd met bladeren bekleed. De vruchten worden niet gelijk rijp, want men kan aan een boom rijpe, bijna rijpe en pas aankomende vruchten zien.

 

 

Teelt.

De citroen, limoen en oranjebomen worden in Nederland van de zaden met grote moeite voort geteeld of er worden stammen van Genua of Lissabon naar hier gezonden. De curieuze liefhebbers kunnen de verdere teelt die tot het onderhouden van deze bomen vereist wordt nauwkeurig in het eerste en tweede Deel van het ĎVermakelijck Lantlevení beschreven vinden.

 

 

Aard en krachten.

De vruchten van de voornoemde bomen bestaan uit verscheidene delen die met bijzondere en zeer veel verschillende krachten begunstigd zijn want de uitwendige schors is warm in de eerste en verdrogend in de tweede graad, weerstaat vergif en besmetting of zo andere willen warm en droog in de derde graad. Het zure sap van deze vruchten is verkoelend en droog makend van aard en daarbij doordringend van krachten. Het zaad is warm en droog in de tweede graad. Matthiolus, C. Durantus, Dodonaeus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verkouden maag en stinkende adem: Hiertegen gebruikt men elke morgen een vierendeel van een gekonfijte citroen of oranjeschil. Dodonaeus.

Tegen brandende en besmettelijke koortsen als mede om de galachtige vochtigheden die in de maag liggen te bedwingen: Gebruikt men vaak bij het eten het sap van citroenen of limoenen in plaats van sap van onrijpe druiven of men maakt de volgende koeldrank: Neem een pint gerstewater, van sap van citroenen vier lood, van het witste suiker zoveel als genoeg is, meng dit tezamen en geef hiervan dikwijls te drinken. Dodonaeus. Lobel.

Tegen kwaadaardige koortsen: Geef de zieke enige gepelde citroenzaden in en bestrijk de pols en het putje van het hart met gedestilleerde olie van citroenschillen. Stockerus in Emperica, Dodonaeus.

Tegen wormen bij de kinderen: Bestrijk de navel van de kinderen met olie van citroenen

Tegen de nierstenen: Neem twee lood limoensap, een halve notenmuskaat, van kreeftogen een half vierendeel lood, van witte kandijsuiker een loot en van Rentse wijn een half mutsje, geef dit in een keer in.

Tegen schurft en sproeten in het gezicht: Bestrijk de plaatsen met limoensap. Matthiolus.

Tegen koliek of buikpijn die uit winden ontstaan zijn: Neem van fijn gestampte oranjeschillen een vierendeel lood en geeft dit in met warm bier of wijn. Schroderus.

 

 

Laurier-boom, in ít Latijn Laurus.

 

Geslachten.

De Laurier-boom werdt hier te Lande onderscheyden in Laurier met breede bladeren ofte Wijfken, Laurier met smalle bladeren ofte Manneken, Luyckse Laurier ofte Laurus nobilis, Bakelaer-dragende Laurier, Brughse laurier ende wilde Laurier.

 

Gedaente.

De breedt-bladige Laurier schiet met veel scheuten op, die met een doncker-groene schorsse bekleet zijn. De bladeren zijn langhwerpig, breedt, hardt, groen van verwe, goet van reuck, ende bitterachtigh van smaeck. De bloemen zijn grasverwigh, en de besien met een zwart-achtige schorsse bedeckt, wiens kerne in twee deelen gekloven is.

De Smal-bladige verschilt van de voorgaende, omdat hy soo hoogh niet op en wast, de bladeren smaller en dunder, ende struycken met bruyn-roode schorsse bedeckt zijn.

De andere soorte vergelijcken sich met de voorgaende, alleen seyt Lobel dat de Laurier die binnen Brugge wast, met bruynder bladeren versien is.

De wilde Laurier blijft leger als de tamme, de tacken zijn geknoopt ofte in veel leden verdeelt, met breede, effene ende blinckende bladeren, doch sonder reuck bewassen, uyt elcken knoop ofte lidt altijdt twee tegen de anderen overstaende voort-komende. De witte bloemen, die somtijdts buytenwaerts wat paers-achtigh zijn, komen op het eynde der tacken kroons-wijs te voorschijn, waer op blaeuwe besien, de Myrtus-besien niet ongelijck volgen.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden in de Nederlanden in de Hoven geplant ende onderhouden, ende wassen tierigh omtrent de Zee-kant, want men somtijdts in Zeelant, dat andersints op andere plaetsen selden gebeurt, van de selve vruchten versamelt.

 

Tijdt.

De Laurier-boom blijft des (22) Winters en des Somers altijdt groen, in ít Voor-jaer nieuwe spruyten ende jonge scheuten voort-brengende.

 

Oeffeningh.

Alle de soorten van Laurier-boomen begeeren naerstige oeffeninge, moeten des Winters voor de koude wel bewaert worden, waerom men oock de Laurus Nobilis in potten ofte tobbens plant, om de selve in een stove voor de koude te bewaren. Men teelt se door besien ende wortel-spruyten voort, alleen de Laurus Nobilis werdt door stecken aengequeeckt.

 

Aert en Krachten.

De Laurier-bladeren verwarmen ende verdroogen in den derden graedt, doch de besien die men Bakelaer noemt, zijn sterckelijker verwarmende ende verdroogende. Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Buyck-pijn, ít Graveel ende Watersucht: Neemt Laurier-bladeren een handt vol, koockt die in een pint Wijn, ende geeft hier van tweemaels daeghs een half mutsjen te drincken. C. Durantus.

Voor Dovigheyt ende het ruyschen der Ooren: Neemt Laurier-bladeren een halve handt vol, Lavende-bloemen soo veel ghy tusschen drie vingeren vatten kunt, koockt dit te samen in Wijn, ende ontfanght den damp door een trechter in de Ooren. Dodonaeus.

Voor Aemborstigheyt en taye Fluymen die op de Borst leggen: Neemt Bakelaer een vierendeel loots, fijn gestoten zijnde, mengt het met honingh, ende gebruyckt het morgens en savonts. Dioscorides.

Voor de uytghesoncken Lijf-moeder: Neemt Laurier-bladeren ofte Bakelaer een vierendeel loots, ende geeft het in met roode Wijn. Dodonaeus.

Voor een verkoude Lijf-moeder, en de Maent-stonden te bevorderen: Neemt Laurier-bladeren twee handen vol, Bakelaer twee loot, koockt dit te samen in Wijn ende laet het damp van onderen ontfangen. Brunfelsus.

Voor lamme Leden ende verkouden Zenuwen: Bestrijckt de Leden met Olie van Laurier-bayen, tegen een Eycken vuur. Disp. August.

Voor ít steken van de Vespen: Neemt de ghekneusde bladeren, ende leghtse op. J. Schroderus.

Laurier, in het Latijn Laurus. (Laurus nobilis)

 

Geslachten.

De laurier wordt hier te lande onderscheiden in laurier met brede bladeren of het wijfje (breedbladige vorm?) De laurier met smalle bladeren of het mannetje is de Luikse laurier of Laurus nobilis, de bakelaar dragende laurier of Brugse laurier, verder de wilde laurier. (Viburnum tinus)

 

Vorm.

De breedbladige laurier schiet met veel scheuten op die met een donker groene schors bekleed zijn. De bladeren zijn langwerpig, breed, hard en groen van kleur, goed van reuk en bitterachtig van smaak. De bloemen zijn graskleurig en de bessen zijn met een zwartachtige schors bedekt wiens kern in twee delen gekloven is.

De smalbladige verschilt van de voorgaande omdat hij niet zo hoog groeit, de bladeren zijn smaller en dunner en de stengels met een bruinrode schors bedekt.

De andere soorten vergelijken zich met de voorgaande, alleen zegt Lobel dat de laurier die binnen Brugge groeit met bruinere bladeren voorzien is.

De wilde laurier blijft lager dan de tamme, de takken zijn geknoopt of in veel leden verdeeld en met brede, effen en blinkende bladeren begroeid, maar zonder geur. Uit elke knoop of lid komen altijd twee tegenover staande andere voort. De witte bloemen die soms van buiten wat paarsachtig zijn komen op het einde van de takken kroonsgewijs te voorschijn waarop blauwe bessen volgen die op die van de myrtusbessen lijken.

 

Plaats.

Deze bomen worden in Nederland in de hoven geplant en onderhouden. Ze groeien zeer goed bij de zeekant wat men soms ziet in Zeeland wat verder op andere plaatsen zelden gebeurt, van die worden vruchten verzameld.

 

Tijd.

De laurierboom blijft Ďs winters en zomers altijd groen, in het voorjaar komen er nieuwe spruiten en jonge scheuten aan.

 

 

Teelt.

Alle soorten van laurierbomen moeten zeer goed gekweekt worden en in de winter goed tegen de koude beschermen waarom men ook de Laurus Nobilis in potten of tobben plant om die in een warme plaats tegen de koude te beschermen. Men teelt ze door bessen en wortelspruiten voort, alleen Laurus nobilis wordt door stekken vermeerderd.

 

 

Aard en krachten.

De laurierbladeren verwarmen en verdrogen in de derde graad, maar de bessen die men bakelaar noemt verwarmen sterker en verdrogen. Matthiolus.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen buikpijn, nierstenen en waterzucht: Neem van laurierbladeren een hand vol, kook die in een pint wijn en geef hiervan twee keer per dag een half mutsje te drinken. C. Durantus.

Tegen doofheid en het suizen van de oren: Neem een halve hand vol laurierbladeren, lavendelbloemen zoveel ge tussen die vingers kan pakken, kook dit tezamen in wijn en ontvang de damp door een trechter in de oren. Dodonaeus.

Tegen benauwdheid en taaie fluimen die op de borst liggen: Neem van bakelaar een vierendeel lood en als het fijn gestampt is meng het met honing en gebruik het Ďs morgens en Ďs avonds. Dioscorides.

Tegen de uitgezonken baarmoeder: Neem van laurierbladeren of bakelaar een vierendeel lood en geef het in met rode wijn. Dodonaeus.

Tegen een verkouden baarmoeder en om de maandstonden te bevorderen: Neem van laurierbladeren twee handen vol, van bakelaar twee lood, kook dit tezamen in wijn en laat de damp van onderen ontvangen. Brunfelsus.

Tegen lamme leden en verkouden zenuwen: Bestrijk de leden met olie van laurierbessen bij een vuur van eikenhout. Disp. August.

Tegen wespensteken: Neem de gekneusde bladeren en leg ze op. J. Schroderus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oleander-boom, in ít Latijn Laurus Rosea.

 

Gedaente.

Dit Boom-achtigh gewas komt voort met wijdt uytgespreyde opgaende tacken, seer dicht met lange, spitse, dicke ende harde bladeren bekleedt. De bloemen, die de gedaente van kleyne Rooskens uytbeelden, ende van vijf bladeren te samen geset zijn, zijn schoon-root, oock heeft de selve Lobel mede wit gevonden. Het zaet dat langh en licht is, leyt in wolachtige harigheyt in lange hauwkens besloten. De wortel is houtachtigh. (23)

 

Plaetse.

In de Nederlanden wordt dit Geboomte in de Hoven van de Kruydt-beminders gevonden.

 

Tijdt.

De bloemen komen selden voor Augustus te voorschijn.

 

Oeffeningh.

Dit Gewas werdt hier te lande van inleggende tacken aengewonnen.

 

Aert en krachten.

De Oleander is warm in den derden en droogh in den tweeden graet. Avicenna.

 

Medicinael gebruyck.

Inwendig werdt het niet gebruyckt, maer uytwendig heeft het kracht om alle geswellen te verteeren ende te doen scheyden. Galenus, Aegineta.

Oleander, in het Latijn Laurus Rosea. (Nerium oleander)

 

Vorm.

Dit boomachtig gewas komt voort met wijd uitgespreide, opgaande takken die zeer dicht met lange, spitse, dikke en harde bladeren bekleed zijn. De bloemen, die de vorm van kleine roosjes vormen en van vijf bladeren tezamen gesteld zijn, zijn mooi rood, ook heeft Lobel ze wel wit gevonden. Het zaad is lang en licht en ligt in een wolachtige harigheid in lange hauwen opgesloten. De wortel is houtachtig.

 

 

Plaats.

In Nederland wordt dit gewas in de hoven van de kruidbeminnaars gevonden.

 

Tijd.

De bloemen komen zelden voor augustus te voorschijn.

 

Teelt.

Dit gewas wordt hier te lande van afleggende takken voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De oleander is warm in de derde en droog in de tweede graad. Avicenna.

 

Medicinaal gebruik

Inwendig wordt het niet gebruikt, maar uitwendig heeft het kracht om alle gezwellen te verteren en te laten scheiden. Galenus, Aegineta.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Genever-boom, in ít Latijn Juniperus.

 

Gedaente.

De Genever-boom is een houtachtige heester, veel dunne zijde-tackskens voortbrengende, de bladeren die dicht aen de selve groeyen, zijn seer smal, en aen het eynde met scherpe puntkens versien. De vruchten zijn ronde Besien, den peper niet ongelijck, die eerst groen ende namaels zwart worden.

 

Plaetse.

Dese Boom wast in sommige gewesten van Nederlandt onder de Heyde, ende wert in Hollandt en andere plaetsen in de Hoven tot heggen geplant.

 

Tijdt.

De bladeren blijven altijdt groen, de besien worden het tweede jaer, na dat sy voort gekomen zijn, volkomen rijp, doch de Genever-boom levert alle jaren vruchten, om dat de rijpe versamelt zijnde de onrijpe overblijven, ende in ít volgende jaer tegen de herfst rijp worden.

 

Oeffeningh.

De Genever-boom werdt door ít zaeyen van de rijpe Besien, als mede door het inleggen aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De Genever-boom is warm ende droog tot in den derden graet, de vrucht is warm in den derden en droogh in den tweeden graet, doet zweten, wederstaet vergift, opent de verstoptheden, maeckt de slijmerige vochtigheden dun, ende drijft de Urijn af. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor verouderde Hoest, ende om de taye slijmerige vochtigheden van de Borst te suyveren: Neemt Genever-besien een loot, koockt die op in Garsten-water tot een half pintje, door gedaen zijnde, maeckt het soet met Candy Suycker, ende neemt dit in drie ofte vier reysen in. Dodonaeus.

Om de Sinckingen die op de Oogen vallen te beletten, ende tandt-pijn te versoeten: Neemt Genever-besien een halve handt vol, Lavendel-bloemen soo veel ghy tusschen drie vingeren vatten kondt, koockt dit te samen in Wijn-azijn, de welcke ghy lauw in de mont sult houden.

Voor ít Graveel, Buyck-pijn, gebreken des Lijf-moeders, Catharren, opstoppinge der Maent-stonden, Engborstigheyt, Hoest, draeynge des Hoofts, Doofheyt, stinckende Aessem, Water-sucht, Vallende Sieckte, (24) Bevinge, swack Gesicht, Pest ende besmettelijcke Sieckten: Neemt een goed deel versche Genever-besien, stootse wel kleyn in een Vijsel, daer na ziedse in water, ende perst het sap daer uyt, het welcke ghy soo langh sult koocken tot dat het soo dick als Honingh wordt, hier van sult ghy een lepel vol Ďsmorgens ende Ďs avonts in geven.

Tot de voor-verhaelde gebreken is oock seer goet de gedistilleerde Olie van Genever-besien, 5 ofte 6 druppelen ingenomen. Ravelingius.

Voor quade Schurftheyt: Neemt de assche van de schorsse van Genever-hout, menght het met water, ende strijckt de Schurfheyt daer mede. Dioscorides.

Om besmettelijcke ende pestige lucht te verbeteren: Neemt men gemeenlijck Genever-besien, die men op de koolen leyt, om het huys daer mede te roocken.

Voor de Pest: Neemt Genever-besien, gezegelde Aerde van elcks een loot, menght dit met gesmolten Honingh tot een Conserf, waer van ghy de groote van een Noote met Meede sult gebruycken. Ravelingius.

Jeneverboom, in het Latijn Juniperus. (Juniperus communis)

 

Vorm.

De jeneverboom is een houtachtige heester die vele dunne zijtakken voort brengt waar de bladeren dicht tegenaan groeien, die zijn zeer smal en aan het einde met scherpe punten voorzien. De vruchten zijn ronde bessen die wat op de peper lijken en eerst groen en later zwart worden.

 

Plaats.

Deze boom groeit in sommige gewesten van Nederland tussen de heide en wordt in Holland en andere plaatsen in de hoven tot heggen geplant.

 

Tijd.

De bladeren blijven altijd groen, de bessen worden het tweede jaar nadat ze voort gekomen zijn volkomen rijp, maar de jeneverboom levert alle jaren vruchten omdat als de rijpe verzameld zijn de onrijpe overblijven en het volgende jaar tegen de herfst rijp worden.

 

Teelt.

De jeneverboom wordt door het zaaien van de rijpe bessen, maar ook door het afleggen voort geteeld.

 

Aard en krachten.

De jeneverboom is warm en droog tot in de derde graad, de vrucht is warm in de derde en droog in de tweede graad, laat zweten, weerstaat vergif, opent de verstopping, maakt de slijmerige vochtigheden dun en drijft de urine af. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen verouderde hoest en om de taaie, slijmerige vochtigheden van de borst te zuiveren: Neem van jeneverbessen een lood, kook die op in gerstewater tot een half pintje, doorzeven, maak het zoet met kandij suiker en neem dit in drie of vier maal in. Dodonaeus.

Om de zinkingen die op de ogen vallen te beletten en tandpijn te verzachten: Neem van jeneverbessen een halve hand vol, lavendelbloemen zoveel ge tussen drie vingers pakken kan, kook dit tezamen in wijnazijn wat ge lauw in de mond zal houden.

Tegen nierstenen, buikpijn, gebreken van de baarmoeder, catarre, opstopping van de maandstonden, benauwdheid, hoest, duizeling van het hoofd, doofheid, stinkende adem, waterzucht, vallende ziekte, beving, zwak zien, pest en besmettelijke ziekten: Neem een goed deel verse jeneverbessen, stamp ze goed klein in een vijzel en kook het daarna in water en pers het sap daar uit wat ge zo lang zal koken totdat het zo dik als honing wordt, hiervan zal ge een lepel vol Ďsmorgens en Ďs avonds ingeven.

Tegen de voorverhaalde gebreken is ook zeer goed de gedistilleerde olie van jeneverbessen, 5 of 6 druppels ingenomen. Ravelingius.

Tegen kwade schurft: Neem de as van de schors van jeneverhout, meng het met water en bestrijk de schurft daar mee. Dioscorides.

Om besmettelijke en pestige lucht te verbeteren: Neemt men gewoonlijk jeneverbessen die men op de kolen legt om het huis daarmee te roken.

Tegen de pest: Neem jeneverbessen en gezegelde aarde, van elk een lood, meng dit met gesmolten honing tot een konserf waarvan ge de grootte van een noot met mede zal gebruiken. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Savel- ofte Seven-boom, in ít Latijn Sabina.

 

Geslachten.

Van dese Boom vindt men in de Nederlanden twee soorten, de eerste is de gemeene Seven-boom, díander werdt oprechte Savel- ofte Seven-boom die vruchten draeght genaemt.

 

Gedaente.

De gemeene Savel- ofte Seven-boom wast op tot een tamelijck Boomken, sijn tacken ende zijde-tacken breedt ende wijt uyt-staende. De bladeren zijn die van de Tamarisch-boom seer gelijck, doch stijver ende stekende, sterck van reuck, ende scherp en heet van smaeck, hy staet altijdt groen, maer draeght geen besien.

De tweede soorte is den gemeenen onvruchtbare Seven-boom, van ghedaente niet ongelijck, behalven dat de bladeren soo stijf ende stekende niet zijn. Hy brenght voort groen-geele bloemkens, en de vruchten zijn eerst groen, ende namaels uyt den blaeuwen, zwartachtigh van verwe, van groote de Genever-besien gelijck.

 

Plaetse.

Dese Boomen worden alleen in de Hoven der Kruydt-beminners gevonden.

 

Tijdt.

De Seven-boomen zijn altijdt met groene bladeren beladen. De vrucht-dragende Seven-boom brenght sijn vruchten voort op de manier als wy van de Genever-boom geseyt hebben.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden van steck ofte in-leggen voort-geteelt, die men een jaer gestaen hebbende, in de Maent Maert op vochte en schaduwachtige plaetsen verplant.

 

Aert en Krachten.

De bladeren van de Seven-boom zijn warm ende droogh tot in den derden graet. Fijn van deelen, openende, dun makende, ende door-dringende van krachten, Galenus. (25)

 

Medicinael gebruyck.

Om de Nageboorte ende een doode Vrucht af te drijven: Neemt Seven-boom een handt vol, koockt dit in een half pintje Wijn, tot de helft versooden is, ende geeft dit op een reys in. Dodonaeus.

Om de Maent-stonden af te setten: Neemt sap van Seven-boom met Wijn uyt-geperst vier loot, Saffraen vier greyn, Poley-water vier loot, menght dit te samen, om in twee reysen in te nemen; door dit middel zijn dickwils de opgestopte Maent-stonden afgedreven. Alexis Pedomontanus.

Voor ophoudinge des Urijns: Neemt een handt vol Seven-boom, koockt het in een pintje goede Wijn, tot dat het derden deel versoden is, ende laet hier van dickwils een roemertjen innemen, dit drijft den Urijn geweldigh af. Dioscorides.

Voor Enghborstigheyt: Neemt gepulveriseerde Seven-boom een vierendeel loots, vermenght het met honing en neemt het in.

Voor seere Hoofden der Kinderen: Neemt gepulveriseerde Seven-boom soo veel van nooden is, menght het met room van melck, ende bestrijckt het hooft daer mede. J. Schroderus.

Voor Wratten ende knobbelachtige uytwassinge der schamelijcke Leden: Neemt Seven-boom twee handen vol, koockt die in regen-water soo veel genoegh is, ende stootse hier mede, daer na stroytíer gepulveriseerde Seven-boom op. Dodonaeus.

Savel- of zevenboom, in het Latijn Sabina. (Juniperus sabina)

 

Geslachten.

Van deze boom vindt men in Nederland twee soorten. De eerste is de gewone zevenboom, de andere wordt echte savel- of zevenboom die vruchten draagt genoemd.

 

 

Vorm.

De gewone savel- of zevenboom groeit op tot een tamelijk boompje waarvan de takken en zijtakken breed en wijd uitstaan. De bladeren lijken veel op die van de Tamarix, maar zijn stijver en steken, sterk van reuk en scherp en heet van smaak, hij is altijd groen maar draagt geen bessen.

De tweede soort is de gewone onvruchtbare zevenboom van vorm vrij gelijk, behalve dat de bladeren niet zo stijf zijn en niet steken. Hij brengt groengele bloemen voort, de vruchten zijn eerst groen en daarna uit het blauwe zwartachtig van kleur, van grootte de jeneverbessen gelijk. (gestekte en gezaaide vorm verschillen van elkaar)

 

Plaats.

Deze bomen worden alleen in de hoven van de kruidbeminnaars gevonden.

 

Tijd.

De zevenbomen zijn altijd met groene bladeren bekleed. De vruchtdragende zevenboom brengt zijn vruchten voort op de manier als we van de jeneverboom gezegd hebben.

 

Teelt.

Deze bomen worden van stek of afleggen voort geteeld en die als ze een jaar gestaan hebben in de maand maart op vochtige en schaduwachtige plaatsen verplant worden.

 

Aard en krachten.

De bladeren van de zevenboom zijn warm en droog tot in de derde graad. Fijn van delen, openen, maken dun en doordringend van krachten, Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Om de nageboorte en een dode vrucht af te drijven: Neem van sevenboom een hand vol, kook dit in een half pintje wijn tot de helft verkookt is en geef dit in een keer in. Dodonaeus.

Om de maandstonden af te zetten: Neem sap van sevenboom dat met wijn uitgeperst is vier lood, saffraan vier grein, poleiwater vier lood, meng dit tezamen om in twee keer in te nemen, door dit middel zijn dikwijls de opgestopte maandstonden af gedreven. Alexis Pedomontanus.

Om de urine op te houden: Neem een hand vol van sevenboom en kook het in een pintje goede wijn totdat het derde deel verkookt is en laat hiervan vaak een roemertje innemen, dit drijft de urine geweldig af. Dioscorides.

Tegen benauwdheid: Neem van verpoederde sevenboom een vierendeel lood, meng het met honing en neem het in.

Tegen zere hoofden van de kinderen: Neem van verpoederde sevenboom zoveel als nodig is, meng het met room van melk en bestrijk het hoofd daarmee. J. Schroderus.

Tegen wratten en knobbelachtige uitwassen van de schaamdelen: Neem van sevenboom twee handen vol, kook dit in regenwater zoveel als genoeg is en stamp ze hiermee, strooi er daarna verpoederde sevenboom op. Dodonaeus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cypressen-boom, in ít Latijn Cypressus.

 

Geslachten.

Hoe wel er maar eenderhande soorte van dese Boom te vinden is, nochtans wordt in Nederlandt onder de naem van manneken en wijfken onderscheyden, te weten, wanneer hy hoogh op schiet ende nootkens draeght, wordt hy Cypres-manneken, maer indien hy kleyn ende onvruchtbaer blijft, Cypres-wijfken genaemt.

 

Gedaente.

De Cypres-boom heeft een lange, rechte ende spits opgaende stam. De zijde-tacken die veel in ít getal zijn, spreyden haer niet uyt, maer spruyten langhs de middel-stam om hoogh, dese brengen veel dunne korte rijskens te voorschijn, hun selven wederom in anderen kleynder rijskens verdeelende. De bladeren zijn langhwerpig ront, gemaeckt van een gedurige vergaderinge van twee ofte vier aen een ghehechte bladekens langhs de rijskens groeyende, de bladeren van de Tamarisch-boom, ofte vruchtdragende Seven-boom by na uytbeeldende. De Cypres-nootkens hangen van de tacken nederwaerts af, de welcke in sich kleyn, plat ende graeuw zaet bevatten, dese Nootkens rijp geworden zijnde, splijten op veel plaetsen, ende laten als dan het zaet uyt vallen.

 

Plaetse.

Dese Boomen werden in de Nederlanden tot vercieringh in de Lust-hoven onderhouden. (26)

 

Tijdt.

De bladeren en taxkens van de Cypres-boom blijven het geheele jaer door groen, ende de Vruchten ofte Nootkens worden meestendeel in de Herfst tegen de Winter rijp.

 

Oeffeningh.

De Cypres-boomen werden hier te Lande van zaedt, ít welck uyt Vranckrijck overgesonden wordt, aangeteelt, maer noch jongh zijnde, moetense sorghvuldigh voor de koude des Winters bewaert worden.

 

Aert en Krachten.

Het Cypressen-hout verkoelt, verdrooght ende treckt samen. De bladeren ende vruchten zijn verdroogende tot in den derden graet, trecken geweldigh te samen, doch sonder merckelijcke scherpigheydt ofte warmte, Galenus, Dioscorides.

 

Medicinael gebruyck.

Voor de Droppel-pisse ende alle Vloet van de Blase: Neemt gepulveriseerde Cypres-bladen een half vierendeel loots, Myrrhe 10 greyn, Malveseye soo veel genoegh is, menght dit te samen, om op een reys in te nemen. Dioscorides.

Voor Bloedt-stempingh ende genesingh der versche Wonden: Neemt van de versche Cypressen-bladeren soo veel genoegh is stootse ende leghtse op. Galenus.

Voor Tandt-pijn: Neemt Cypressen-bladeren ofte Nootkens ziedse op in Azijn, de welcke ghy lauw in de mont sult houden. Matthiolus.

Voor pijn van de Voeten: Neemt de bladeren van Cypres-boom een deel, kruym van Witte Broodt twee deelen, maeckt hier van met Wijn een pap, ende slaetse om de plaets alwaer men de pijn gevoelt. Plinius.

Voor Gescheurtheyt: Neemt Cypressen-nootkens, vier loot, koockt dit in een mengelen oude Wijn, tot dat een derden deel versoden is, hier van zult ghy alle dagen twee mael een half mutsjen te drincken geven, ende ondertusschen gestoten Cypres-bladeren op de Breuck leggen. C. Durantus.

Voor alle Buyck-loopen ende Vloeden: Neemt Cypres-nootkens een vierendeel loots, gepulveriseert zijnde geeft het met Wijn in, dit selfde vermagh oock het Water, daer in de voornoemde Nootkens gesoden zijn. Dioscorides.

Voor het Graveel: Neemt van de ghedrooghde schorsse van Cypressen-boomen een half vierendeel loots, fijn gestoten zijnde, geeft het met gedistilleert Wijnruyts-water in. Dodonaeus.

Om de Mage te verstercken ende het Braken te stelpen: Neemt Cypres-nootkens, ziedse op in Olie, met de welcke ghy de Maegh bestrijcken sult, ofte neemt Poeyer van de selve Nootkens, ende maeckt hier van met Was een Maegh-plaester, Dioscorides.

Cipres, in het Latijn Cypressus. (Cupressus sempervirens)

 

Geslachten.

Hoewel er maar een soort van deze boom te vinden is, nochtans wordt het in Nederland onder de naam van mannetje en wijfje onderscheiden, te weten wanneer hij hoog opschiet en nootjes draagt wordt hij cypresmannetje genoemd, maar als hij klein en onvruchtbaar blijft het cypreswijfje.

 

Vorm.

De cypres heeft een lange, rechte en spits opgaande stam. De zijtakken die veel in getal zijn spreiden zich niet uit maar spruiten langs de middenstam omhoog en brengen veel dunne en korte twijgen te voorschijn die zichzelf weer in andere kleinere twijgen verdelen. De bladeren zijn langwerpig rond en gemaakt van een verzameling van twee of vier aaneen gehechte blaadjes die langs de twijgen groeien, ze lijken veel op de bladeren van de Tamarixboom of de vruchtdragende sevenboom. De cypresnootjes hangen van de takken af naar beneden waarin kleine, platte en grauwe zaden zitten. Als deze nootjes rijp geworden zijn splijten ze op veel plaatsen en laten dan het zaad er uit vallen.

 

 

Plaats.

Deze bomen worden in Nederland tot versiering in de lusthoven onderhouden.

 

 

Tijd.

De bladeren en takjes van de cypres blijven het gehele jaar door groen, de vruchten of nootjes worden meestal in de herfst tegen de winter rijp.

 

Teelt.

De cypresbomen worden hier te lande van zaad dat uit Frankrijk gezonden wordt voortgeteeld, maar als ze nog jong zijn moeten ze zorgvuldig tegen de winterse koude beschermd worden.

 

Aard en krachten.

Het cypressenhout verkoelt, verdroogt en trekt tezamen. De bladeren en vruchten zijn verdrogend tot in de derde graad, trekken geweldig tezamen, maar zonder opmerkelijke scherpheid of warmte, Galenus, Dioscorides.

 

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de druppelplas en alle vloed van de blaas: Neem van verpoederde cypresbladen een half vierendeel lood, myrrhe 10 grein, malvesei zoveel als genoeg is, meng dit tezamen om in een keer in te nemen. Dioscorides.

Tegen bloedstelpen en om verse wonden te genezen: Neem van de verse cypressenbladeren zoveel als genoeg is, stamp ze en leg ze op Galenus.

Tegen tandpijn: Neem cypressenbladeren of nootjes en kook ze in azijn wat ge lauw in de mond zal houden. Matthiolus.

Tegen pijn van de voeten: Neem van de bladeren van cypresboom een deel, kruim van witte brood twee delen, maak hiervan met wijn een pap en sla het om de plaats waar men de pijn voelt. Plinius.

Tegen verscheuring: Neem van cypressennoten vier lood, kook dit in een mengsel oude wijn totdat een derde deel verkookt is, hiervan zal ge alle dagen twee maal een half mutsje te drinken geven en ondertussen gestampte cypresbladeren op de breuk leggen. C. Durantus.

Tegen alle buiklopen en vloeden: Neem van verpoederde cypresnootjes een vierendeel lood en geef het met wijn in, hetzelfde doet ook het water waar de voornoemde nootjes in gekookt zijn. Dioscorides.

Tegen de nierstenen: Neem van de gedroogde schors van cypressenbomen een half vierendeel lood en als het fijn gestampt is geeft het met gedistilleerd wijnruitwater in. Dodonaeus.

Om de maag te versterken en het braken te stoppen: Neem cypresnootjes, kook het in olie waarmee ge de maag bestrijken zal, of neem poeder van dezelfde nootjes en maak hiervan met was een maagpleister, Dioscorides.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boom des Levens, in ít Latijn Arbor Vitae.

 

Gedaente.

De Boom des Levens, van de Vermaerde kruydt-beschrijver Lobel, Ceder-boom van Licie genaemt, wast recht op, met een uyt den rooden zwartachtige schorsse. De bladeren zijn die van den Cypressen-boom niet ongelijck, behalven datse plat, ende gelijck als in een gevoeght zijn. Aen het eynde van de rijskens komen geelachtige bloemkens voort, hier naer volgen schubachtige bollekens, waer in het zaet beslooten is.

 

Plaetse.

Dese Boom is eerst uyt Noort-America over gebracht, ende werdt hier te Lande in de Hoven van de Lief-hebbers gevonden.

 

Tijdt.

De Boom des Levens behoudt wel altijt sijn bladeren, maer in de Wintersche Maenden worden sy vael ofte geelachtigh, nochtans in de Lente verkrijgen sy wederom haer voorgaende groenigheyt.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden van afgebroken tacken die seer haest wortelen schieten, vermenighvuldight, ende daer (27) na in de Maent January op schaduwachtige plaetsen verplant.

 

Aert en Krachten.

Uyt den bitteren smaeck ende stercken reuck van desen Boom kan men bespeuren, dat de selve voor warm ende droogh te achten is, daer by fijn van deelen, verteerende ende af vagende van krachten. Dodonaeus, Clusius.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Flerecijn: Neemt gedistilleerde Water van de bladeren van desen Boom, maeckt Ďer doecken in nat, ende slaetse om de voeten, ofte neemt de gedistilleerde Olie van de selve, ende besmeertíer de pijnelijcke plaetsen mede. Camerarius.

Levensboom, in het Latijn Arbor Vitae. (Thuja occidentalis)

Vorm.

De levensboom die door de vermaarde kruidbeschrijver Lobel cederboom uit LyciŽ genoemd wordt groeit rechtop met een uit het rode zwartachtige schors. De bladeren lijken op die van de cypressenboom behalve dat ze plat en als ineen gevoegd zijn. Aan het einde van de twijgen komen geelachtige bloempjes voort, hierna volgen schubachtige bolletjes waarin het zaad in zit.

 

 

 

Plaats.

Deze boom is pas uit Noord Amerika over gebracht en wordt hier te lande in de hoven van de liefhebbers gevonden.

 

 

Tijd.

De levensboom behoudt wel altijd zijn bladeren, maar in de winterse maanden worden ze vaal of geelachtig, toch krijgen ze in de lente weer hun voorgaande groenheid.

 

Teelt.

Deze bomen worden van afgebroken takken die zeer snel wortel schieten vermenigvuldigd en daarna in de maand januari op schaduwachtige plaatsen verplant.

 

 

Aard en krachten.

Uit de bittere smaak en sterke reuk van deze boom kan men bespeuren dat die als warm en droog geacht wordt, daarbij fijn van delen, verteert en afvegend van krachten. Dodonaeus, Clusius.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen jicht: Neem gedistilleerd water van de bladeren van deze boom en maak er een doekje in nat, sla die om de voeten of neem de gedistilleerde olie ervan en besmeer er de pijnlijke plaatsen mee. Camerarius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boom des Doodts, ofte Iben-boom, in ít Latijn Taxus.

 

Gedaente.

Dese Boom wast op met een recht opgaende stam om hoogh, omtrent de top in eenige zijde-tacken verdeelt, van buyten is hy met een grauwe ende rouwe schorsse bekleedt, inwendigh is het hout selve zwartachtigh van coleur. De zijde-tacken brengen veel ranckens ofte rijskens voort, de welcke met lange, smalle ende doncker-groene bladeren, die veder-wijs tegen den anderen over staen, dicht begroeyt zijn. De bloemkens zijn uyt den geelen grasachtigh van verwe, die aen het onderste gedeelte van de tackens, veel by een vergadert, nederwaerts af hangen. De vruchten zijn schoon-roode ende lanckwerpigh ronde Besien, die van de Kraeck-besien ofte van de Asperges van gedaente seer gelijck.

 

Plaetse.

De Iben-boom werdt in de Hoven onderhouden, ende komt oock in Nederlandt in ít Ardennen-bosch van selfs voort.

 

Tijdt.

Dese Boom blijft des Winters groen, doch in Maert ofte April brenght (28) hy sijn bloemkens te voorschijn, ende verkrijght als dan nieuwe scheuten, de vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Boom des Doodts wordt hier te Lande door zaet, wortel-spruyten ende inleggen vermenighvuldight, men plaetse in Maert in savelachtige Aerde, ende op donckere ofte schaduwachtige plaetsen.

 

Aert en Krachten.

Dese Boom werdt van de oude kruydt-beschrijvers onder de schadelijcke ende vergiftige Gewassen gerekent. Maer in de Nederlanden ende in Engelandt is hy soo hinderlijck, noch sijn schaduwe des menschen soo schadelijck niet. Galenus, Dioscorides, Lobel.

Boom des doods of ibenboom, in het Latijn Taxus. (Taxus baccata)

Vorm.

Deze boom groeit met een recht opgaande stam omhoog die bij de top in enige zijtakken verdeeld is, van buiten is hij met een grauwe en ruwe schors bekleed, inwendig is het hout zelf zwartachtig van kleur. De zijtakken brengen veel ranken of twijgen voort die met lange, smalle en donker groene bladeren bekleed zijn die veervormig tegenover elkaar staan en dicht begroeid. De bloempjes zijn uit het gele grasachtig van kleur die aan het onderste gedeelte van de takken veel bijeen verzameld zijn en naar beneden afhangen. De vruchten zijn mooi rode en langwerpig ronde bessen die op de kraakbessen of die van de asperge van vorm zeer gelijk zijn.

 

 

 

Plaats.

De ibenboom word in de hoven onderhouden en komt ook in Nederland in het Ardennenbos vanzelf voort.

 

Tijd.

Deze boom blijft Ďs winters groen, maar in maart of april brengt het zijn bloemen te voorschijn en krijgt dan nieuwe scheuten, de vruchten worden in de herfst rijp

 

 

Teelt.

De boom des doods wordt hier te lande door zaad, wortelspruiten en afleggers vermenigvuldigd. Men plant ze in maart in zavelachtige aarde en op donkere of schaduwachtige plaatsen.

 

Aard en krachten.

Deze boom wordt door de oude kruidbeschrijvers onder de schadelijke en vergiftige gewassen gerekend. Maar in Nederland en in Engeland is hij zo niet zo hinderlijk en is zijn schaduw de mensen niet zo schadelijk. Galenus, Dioscorides, Lobel.

 

 

Denne ofte Mast-boom, in Ďt Latijn Abies.

 

Gedaente.

De Denne-boom wast in de hooghte recht op, waer van de stam beneden sonder knoopen ende boven gemeenlijck knoopachtigh is. Uyt yeder van dese knoopen ofte leden komen vier tacken, die tegen malkander ofte over staen, ende in de hooghte schuyns opklimmen, te voorschijn, waer uyt wederom kleynder tackens doch maer twee tegen malkanderen aengevoeght, ende nederwaerts af hangende, voort spruyten. De bladeren zijn lanckwerpigh, rondt, ende voor spits ofte scherp. De vruchten die aen het eynde der tacken voort komen bestaen uyt veel sachte tísamen-ghevoeghde schelferingen, waer in kleyne Nootkens beslooten leggen. Uyt de schorsse van de jonge Denne-boomen vloeyt een murwen ende klaren Harst, die van sommigen Veneetschen Tarpentijn genaemt werdt.

 

Plaetse.

Van dese Boomen vindt men in de Nederlanden hier en daer tot cierage Lanen ende Bosschen geplant.

 

Tijdt.

De Mast-boomen behouden haer Lof den geheelen Winter door, ende haer Vruchten worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden hier te Lande van zaet, het welck uyt Noorwegen over gesonden wordt, voort geteelt. Dit zaet is water geweeckt zijn de, moet men in een Back ofte op een seer warme plaetse vroegh in de Lente zayen. De eerste Winter wordense voor koude en schrale winden bedeckt, ende daer na in Maert ofte April twee voeten van malkanderen in savelachtige Aerde verplant, dese 4 ofte 5 jaren opgewassen zijnde, verset mense se alwaer men die begeert te hebben.

 

Aert en krachten.

De schorsse ende bladeren van de Denne-boom is verdroogende ende Ďt samen-treckende van aert en krachten. De murwen Harst van dese Boom uytwendigh gebruyckt, verteert, vermurwt, doet scheyden, vaeght af, ende geneest alle versche Quetsuren, inwendigh gebesight maeckt de Buyck weeck, ende drijft de urijn af. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor den Roode Loop: Neemt gedrooghde bladeren van Denne-boomen een vierendeel loots, fijn gestooten zijnde, geeft het roode Wijn ofte gestaelt Water in. Matthiolus.

Voor ontvloeyinge des Zaets: Neemt vierendeel loots van genoemde bladeren, ende laet het met een versch ende weeck gesoden Ey gebruycken. Dodonaeus.

Voor Lever-sucht: Neemt van de bladeren een vierendeel loots, ende neemt het met oude goede Mee in. Dioscorides.

Voor Tandpijn: Neemt Denne-bladeren soo veel genoegh is, zietse op in azijn de welcke ghy in de mont sult houden. Dioscorides.

Voor Enghborstigheyt, Heup-gicht, Graveel ende ontvloeyige des Zaets: Neemt Veneetsche Tarpentijn een loot, een doyer van een Ey, menght dit met Hoender ofte Vleesch-sop soo veel genoegh is, om voor een reys te gebruycken. Dodonaeus.

Voor het uytsincken des Aersdarms: Neemt een planck van dese Boom, maeckt het tegen het vuur heet ende laet de Patient hier eenige tijdt op sitten. Fuchsius.

Voor Koortsen en Scheur-buyck: Neemt (29) van de afgeschaefde bast ofte schorsse twee loot, Orangie-schellen een half loot, bindt het in een sackje, ende hanght het in een mengelen Rinse-wijn, ende drinck hier nuchteren van een goeden dronck.

Den of mastboom, in het Latijn Abies. (Picea abies)

 

Vorm.

De dennenboom groeit in de hoogte rechtop waarvan de stam beneden zonder knopen en boven gewoonlijk knoopachtig is. Uit elk van deze knopen of leden komen vier takken te voorschijn die tegen of over elkaar staan en in de hoogte schuin opklimmen waar uit weer kleinere takken komen, maar die met twee tegenover elkaar gevoegd zijn en naar beneden hangen. De bladeren zijn langwerpig, rond en voor spits of scherp. De vruchten, die aan het einde van de takken voortkomen, bestaan uit veel zachte, tezamen gevoegde schillen waarin kleine nootjes liggen. Uit de schors van de jonge dennenbomen vloeit een murwe en heldere hars die door sommigen Veneetse terpentijn genoemd wordt.

 

 

Plaats.

Van deze bomen vindt men ze in Nederland hier en daar tot sieraad van lanen en bossen geplant.

 

 

Tijd.

De mastbomen behouden hun loof de hele winter door en hun vruchten worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden hier te lande van zaad dat uit Noorwegen over gezonden wordt voortgeteeld. Dit zaad wordt in water geweekt en dit moet men in een bak of op een zeer warme plaats vroeg in de lente zaaien. De eerste winter worden ze tegen koude en schrale winden bedekt en daarna in maart of april zestig cm uit elkaar in zavelachtige aarde verplant, als die 4 of 5 jaar gegroeid hebben verplant men ze waar men die hebben wil.

 

 

Aard en krachten.

De schors en bladeren van de dennenboom zijn verdrogend en tezamen trekkend van aard en krachten. De murwe hars van deze boom, uitwendig gebruikt, verteert, vermurwt en laat scheiden, veegt af en geneest alle verse kwetsingen, inwendig gebruikt maakt het de buik week en drijft de urine af. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen de rode loop: Neem van de gedroogde bladeren van dennenbomen een vierendeel lood en als ze fijn gestampt zijn geef het met rode wijn of gestaald water in. Matthiolus.

Tegen het lozen van het zaad: Neem vierendeel lood van genoemde bladeren en laat het met een vers en week gekookt ei gebruiken. Dodonaeus.

Tegen leverzucht: Neem van de bladeren een vierendeel lood en neem het met oude, goede mede in. Dioscorides.

Tegen tandpijn: Neem van dennenbladeren zoveel als genoeg is, kook het op in azijn wat ge in de mond zal houden. Dioscorides.

Tegen benauwdheid, heupjicht, nierstenen en zaadvloed: Neem van Veneetse terpentijn een lood, een dooier van een ei en meng dit met hoender- of vleessap zoveel als genoeg is om voor een keer te gebruiken. Dodonaeus.

Tegen het uitzinken van de aarsdarm: Neem een plank van deze boom, maak het tegen het vuur heet en laat de patient hier enige tijd op zitten. Fuchsius.

Tegen koortsen en scheurbuik: Neem van de afgeschaafde bast of schors twee lood, van oranjeschillen een half lood, bindt het in een zakje en hang het in een mengsel zure wijn en drink hier nuchter van een goede dronk.

 

 

Pimper- ofte Blaes-noten, in ít Latijn Nux Vesicaria.

 

Gedaente.

Dit Geboomte wast dickwijls heesterwijs op, het hout is wit, seer hardt ende vast. De schorsse is bleeck groen hier en daer, als een Slangen-huyt, met zwart geplackt. De bladeren gelijcken de Vlier-bladeren seer wel, ense wassen mede vijf in ít getal aen een middel-ribbe gevoeght, nochtans zijnse kleynder als de selve, ende niet soo sterck van reuck. De bloemen die wit zijn, hangen tros-gewijs vier ofte vijf by een, waer na de blaesjens, waer in ghemeenelijck twee kleyne Nootkens leggen, te voorschijn komen. De Nootkens zijn met een harde rosachtige schelle bedeckt, waer in groenachtigh merg beslooten is.

 

Plaetse.

Dese Boomen groeyen op veel plaetsen in ít wilde, ende worden in sommige Provincien van Nederlandt in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De bloemen komen in de Maent May voort, maer de Nootkens werden in Augustus ende September rijp.

 

Oeffeningh.

Dit geboomte wordt van sijn wortel-spruyten aengequeeckt, ende in de Maent February verplant.

 

Aert en Krachten.

Tot Medicijne is dit gewas nergens te gebruyckelijck ofter versocht. Dodonaeus.

Pimper- of blaasnoten, in het Latijn Nux Vesicaria. (Staphylea pinnata)

 

Vorm.

Deze boom groeit vaak heestervormig op. Het hout is wit, zeer hard en vast. De schors is bleek groen en hier en daar als een slangenhuid met zwart gevlekt. De bladeren lijken zeer goed op de vlierbladeren en groeien ook met vijf in het getal aan een middensteel, nochtans zijn ze kleiner dan de vlier en niet zo sterk van reuk. De bloemen zijn wit en hangen trosvormig met vier of vijf bijeen waarna de blaasjes te voorschijn komen waarin gewoonlijk twee kleine nootjes liggen. De nootjes zijn met een harde, rozeachtige schil bedekt waarin groenachtig merg besloten is.

 

Plaats.

Deze bomen groeien op veel plaatsen in het wild en worden in sommige provincies van Nederland in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

De bloemen komen in de maand mei voort, maar de nootjes worden in augustus en september rijp.

 

Teelt.

Deze boompjes worden van hun wortelspruiten voort geteeld en in de maand februari verplant.

 

Aard en krachten.

Als medicijn is dit gewas nergens in gebruik of onderzocht. Dodonaeus.

 

 

Platanus.

 

Gedaente.

Dese Boom werdt seer swaer, ende verspreyt sich door sijn menighvuldige tacken wijt ende breedt uyt. De bladeren zijn seer groot ende op verscheyde plaetsen diep gesneden. De bloemen zijn kleyn ende bleeck van coleur, de vruchten zijn rouwen ende ruygen-bollen, van coleur de groote Klissen gelijck, hangende aen steelkens, de een langer als de ander.

 

Plaetse.

De Platanus werdt in Nederlant alleen in de Hoven van de kruydt-beminners onderhouden.

 

Tijdt.

De bladeren spruyten in de May Maent voort, ende in Augustus bevint men het zaet in rosachtige wolligheydt gewickelt volkomen rijp te zijn.

 

Oeffeningh.

Dese Boom wordt meest door in-leggen vermenighvuldight, ende begeert een vochtige ende warme plaets.

 

Aert en krachten.

De bladeren van de Platanus zijn matelijck vocht-makende ende verkoelende van natuur, maer de schorsse en de vruchten zijn wat meer verdroogende. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ontstekinge ende sinckingen die op de Oogen vallen: Neemt van de malsche ende jonge bladeren van den Platanus een ofte twee handen vol, ziedtse in Wijn ende leghtse op de Oogen. Dioscorides.

Voor Tandt-pijn: Neemt de schorsse van dese boom soo veel van nooden is, koocktse in azijn, de welcke ghy dickwils in de mont sult houden. Matthiolus.

Voor Schurftheyt: Neemt assche van Platanus schorsse gebrandt een loot, Olie van Roosen twee loot, Wasch soo veel van noden is, smelt ende vermenght dit te samen tot een salve. Ravelingius.

Platanus. (Platanus acerifolius)

 

Vorm.

Deze boom wordt zeer zwaar en spreidt zich door zijn vele takken wijd en breed uit. De bladeren zijn zeer groot en op verscheidene plaatsen diep ingesneden. De bloemen zijn klein en bleek van kleur, de vruchten zijn ruwe en ruige bollen, van kleur de grote klis gelijk en hangen aan steeltjes, de een langer dan de ander.

 

Plaats.

De plataan wordt in Nederland alleen in de hoven van de kruidbeminnaars onderhouden.

 

 

Tijd.

De bladeren spruiten in de mei maand voort en in augustus ziet men het zaad dat in rozeachtige wolligheid gewikkeld is volkomen rijp zijn.

 

Teelt.

Deze boom wordt meestal door afleggen vermenigvuldigd en wil een vochtige en warme plaats hebben.

 

Aert en krachten.

De bladeren van de Platanus zijn matig vochtig makend en verkoelend van natuur, maar de schors en de vruchten verdrogen wat meer. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen ontsteking en zinkingen die op de ogen vallen: Neem van de malse en jonge bladeren van de plataan een of twee handen vol, kook ze in wijn en leg ze op de ogen. Dioscorides.

Tegen tandpijn: Neem de schors van deze boom zoveel als nodig is en kook ze in azijn dat ge dikwijls in de mond zal houden. Matthiolus.

Tegen schurft: Neem van de as van de gebrande plataanschors een lood, olie van rozen twee lood, van was zoveel als nodig is, smelt het en vermeng dit tezamen tot een zalf. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Azedarach.

 

Gedaente.

Azedarach wast op tot een groote Boom, bekleet met een effen graeuw-achtige schorsse, alsse jong is, maer rouw ende gerimpelt alsse ouder is, wiens bladeren doncker-groen van verwen zijn, van gedaente die van de Qualster-boom niet ongelijck, maer dieper geschaert ofte gekerft. Uyt de oorspronge der bladeren komen lange steelkens, de paers-achtige welrieckende (30) sterrewijs uytspreydende bloemkens van vijf smalle bladekens gemaeckt, te voorschijn. Daer na volght de vrucht, eerst groen, daer na witachtigh van coleur, de Jijuben van gedaente niet ongelijck, doch onlieflijck van smaeck. In dese vrucht light een harde seshoekige steen beslooten.

 

Plaetse.

Dese Boomen worden van de liefhebbers in de lustige Hoven ende Boomgaerden van Nederlandt geoeffent ende onderhouden.

 

Tijdt.

In ít voor-jaer spruyten de jonge bladeren uyt, de bloemen vertoonen sich in de Somer, ende de vruchten worden laet in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Azederach-boom wordt hier te Lande van zaet, ít geen uyt de Virginjes over-gesonden wordt, aengeteelt.

 

Aert en krachten.

De bloemen van Azederach is warm in den derden graet, ende droogh tot in ít laetste van de eersten, openende de verstoptheden, maer voornamentlijck van de herssenen. Avicenna.

 

Medicinael gebruyck.

Om het Hayr te doen groeyen, ende de Luysen te dooden: Neemt het gedistilleerde water van de bloemen, Wijn van elcks even veel, ende wast het Hooft daer mede. Avicenna.

Azedarach. (Melia azedarach)

Vorm.

Azedarach groeit op tot een grote boom die bekleed is met een effen, grauwachtige schors als ze jong is, maar ruw en gerimpeld als ze ouder is. De bladeren zijn donker groen van kleur en lijken qua vorm op die van de lijsterbes, maar zijn dieper geschaard of gekerfd. Uit de oorsprong van de bladeren komen op lange steeltjes paarsachtige, geurende en stervormig uitgespreide bloempjes te voorschijn die van vijf smalle blaadjes gemaakt zijn. Daarna volgt de vrucht die eerst groen en daarna witachtig van kleur wordt en qua vorm op de jujubes lijkt, maar niet aangenaam van smaak. In deze vrucht ligt een harde, zeshoekige steen besloten.

 

 

Plaats.

Deze bomen worden door de liefhebbers van de lustige hoven en boomgaarden van Nederland gekweekt en onderhouden.

 

Tijd.

In het voorjaar spruiten de jonge bladeren uit, de bloemen vertonen zich in de zomer en de vruchten worden laat in de herfst rijp.

 

Teelt.

De Azederach boom wordt hier te lande van zaad, dat uit VirginiŽ toe gezonden wordt, gekweekt.

 

Aard en krachten.

De bloemen van Azederach zijn warm in de derde graad en droog tot in het laatste van de eerste, opent de verstopping maar voornamelijk van de hersens. Avicenna.

 

Medicinaal gebruik.

Om het haar te laten groeien en de luizen te doden: Neem het gedistilleerde water van de bloemen en wijn, van elk even veel, en was het hoofd daar mee. Avicenna.

 

 

Judas-boom, in ít Latijn Arbor Judae.

 

Gedaente.

Dese seer aerdige Boom schiet somtijts hoog op, andersins blijft hy nederich, mach als dan met recht onder de Heesters gerekent worden. De bladeren zijn geheel ront, die van de Mans-ooren niet ongelijck, maer bleecker groen, ende vol van doorloopende aderkens ofte zenuwen. De bloemen spruyten veel by een uyt de dunne rijskens, die met bruyn-paerssche schorssen overtogen zijn, schoon purper-root ofte oock wel wit van werwe, ende van de gedaente van de gemeene Erwte-bloemen seer gelijck. Na dese volgen de hauwen ofte zaethuyskens, meer dan een vinger breedt en langh, welcke platte hauwen by na doorschijnende, ende van buyten bruyn-root zijn, waer in plat zaedt light, den Linsen niet ongelijck.

 

Plaetse.

De Judas-boom wordt hier te lande alleen in sommige Lusthoven ghevonden.

 

Tijdt.

De bloemen vertoonen sich in ít begin van Maert, waer na de bladeren volgen, ende de hauwen met het zaet worden in de Somer-maenden rijp.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden in Nederlant door het zaet aengewonnen, ende moeten op een warme plaets tegen een muur ofte yets anders geplant zijn.

 

Aert en krachten.

De krachten van dit Boomachtigh gewas is tot noch toe onbekent ende onversocht. Dodonaeus.

Judasboom, in het Latijn Arbor Judae. (Cercis siliquastrum)

Vorm.

Deze zeer aardige boom schiet soms hoog op, anderszins blijft hij nederig en mag dan met recht onder de heesters gerekend worden. De bladeren zijn geheel rond en lijken op die van de mansoren, maar zijn bleker groen en vol van doorlopende aderen of zenuwen. De bloemen spruiten veel bijeen uit de dunne twijgen die met een bruinpaarse schors bedekt zijn, ze zijn mooi purperrood of ook wel wit van kleur en van vorm die van de gewone erwtenbloemen zeer gelijk. Hierna volgen de hauwen of zaadhuisjes die meer dan een vinger breed en lang zijn, wiens platte hauwen bijna doorzichtig en van buiten bruinrood zijn waarin plat zaad ligt dat op die van de lens lijkt.

 

Plaats.

De Judasboom wordt hier te lande alleen in sommige lusthoven gevonden.

 

Tijd.

De bloemen vertonen zich in het begin van maart waarna de bladeren volgen, de hauwen met het zaad worden in de zomermaanden rijp.

 

Teelt.

Deze bomen worden in Nederland door het zaad aangewonnen en moeten op een warme plaats tegen een muur of iets anders geplant worden.

 

Aard en krachten.

De krachten van dit boomachtig gewas zijn tot noch toe onbekend en niet onderzocht. Dodonaeus.

 

 

Viurna van de Francoysen.

 

Gedaente.

De Struycken van dit Heester-achtig gewas zijn seer tay, ende met een witachtige schorsse bedeckt. De bladeren die uyt yeder lidt twee tegen malkander over spruyten zijn groot, breedt, rontom wat geschaert, de Elsen-bladers seer wel gelijckende, maer grijs-achtigh ende sacht in ít aentasten. De witte bloemkens wassen tros-wijs by een, hier na volgen platte ende lanckwerpige Besien, de welcke eerst groen, daer na root, ende eyndelijck rijp geworden zwart zijn. De wortelen sincken niet diep, maer verspreyden sich wijdt en breedt langhs de Risch der Aerde.

 

Plaetse.

Dit Gewas wordt in Nederlant in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

In de Lente spruyten de bladeren uyt. In de Somer brengt het sijn bloemen voort, ende omtrent de Herfst worden de Besien rijp.

 

Oeffeningh.

Dit Boom-gewas wordt door sijn wortel-spruyten, die in groote menighte opwassen, voort geset, ende in de Maent February ofte Maert verplant.

 

Aert en Krachten.

De bladeren ende besien van de Viurna zijn verkoelende ende verdroogende van aert, ende daer by t'samentreckende van krachten. Dodonaeus, Lobel

 

Medicinael gebruyck

Voor ontstekinge ende geswel der Amandelen ende des Keels: Neemt van de bladeren een hant vol, van de besien een halve hant vol, koockt dit in wrange ofte suure Wijn, Garsten-water van elcks een half pint, tot dat een derden deel versoden is, ende gorgelt daer mede. Dodonaeus.

Om het Hayr swart te maken: Neemt de bladeren ende besien van Viurna, ende koocktse in Looge ende wascht het Hayr hier mede. Dodonaeus.

Om alderhande Buyck-loopen, Bloedt-gangen ende Vloeden te stelpen: Neemt van de onrijpe ende fijn ghestooten besien een vierendeel loots, ende geeft dit met roode Wijn in. Dodonaeus.

Viurna van de Fransen. (Viburnum lantana)

 

Vorm.

De stengels van dit heesterachtig gewas zijn zeer taai en met een witachtige schors bedekt. De bladeren die uit elk lid twee tegenover elkaar uitspruiten zijn groot, breed en rondom wat geschaard, ze lijken zeer veel op de elzenbladeren maar zijn grijsachtig en zacht in het aanvoelen. De witte bloempjes groeien trosgewijze bijeen, hierna volgen platte en langwerpige bessen die eerst groen, daarna rood en eindelijk als ze rijp worden zwart zijn. De wortels zinken niet diep, maar verspreiden zich wijd en zijd langs de oppervlakte van de aarde uit.

 

Plaats.

Dit gewas wordt in Nederland in de hoven onderhouden.

 

Tijd.

In de lente spruiten de bladeren uit. In de zomer brengt het zijn bloemen voort en omtrent de herfst worden de bessen rijp.

 

Teelt.

Dit boomgewas wordt door zijn wortelscheuten die in grote hoeveelheid groeien voortgeteeld en in de maand februari of maart verplant.

 

Aard en krachten.

De bladeren en bessen van de Viorna zijn verkoelend en verdrogend van aard en daarbij tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus, Lobel

 

Medicinaal gebruik.

Tegen ontsteking en gezwollen amandelen en de keel: Neem van de bladeren een hand vol, van de bessen een halve hand vol en kook dit in wrange of zure wijn en gerstewater, van elk een half pint totdat een derde deel verkookt is en gorgel daar mee. Dodonaeus.

Om het haar zwart te maken: Neem de bladeren en bessen van Viorna en kook ze in loog en was het haar hier mee. Dodonaeus.

Om allerhande buiklopen, bloedgang en vloeden te stelpen: Neem van de onrijpe en fijn gestampte bessen een vierendeel lood en geef dit met rode wijn in. Dodonaeus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kapper-boom, in ít Latijn Capparis.

 

Geslachten.

De Kapper-boom onderscheydt den nauwkeurigen kruydt-beschrijver Lobel in twee soorten, de eene met botte en díander met spitse bladeren.

 

Gedaente.

De Kapper-boom wordt onder de heesters gerekent, om dat hy hem sonder steunsel niet oprichten kan. De tacken zijn met scherpe ende kromme doornen beset. De bladeren zijn ront, breedt, voor bot ofte spits toeloopende. Omtrent de oorsprongh der bladeren komen kleyne knopkens, die men Kappers noemt, op lange steelkens te voorschijn, uyt de welcke daer (32) na witte bloemen, die van de Que-appels, doch kleynder, niet ongelijck. Het kleyn ende rosch zaet groeyt in lanckwerpige vruchten ofte bollekens. De wortel is met een witachtige schorsse bedeckt.

 

Plaetse.

In de Nederlanden siet men nergens geen Kappers groeyen, dan alleen in de hoven van curieuse Lief-hebbers.

 

Tijd.

Dit Boomachtigh gewas draegt sijn bloemen tot diep in de Somer, maer de knopkens moeten, eerse open-gaen, vergadert ende bewaert worden.

 

Oeffeningh.

De Kapper-boom wordt van oploopen ofte wortel-spruyten aengewonnen, in potten geplant, ende voor de koude des Winters nauw bewaert.

 

Aert en Krachten.

De Kappers zijn warm van aert, verwecken appetijt, door diense de taye slijm, die in de Maeg leght, scheyden ende verteeren, openen de verstoptheden van Lever en Milt. Dodonaeus.

De schorsse van de wortels, die meest van de Genees-meesters gebruyckt wordt, verwarmt ende verdrooght, doet scheyden, opent, vaeght af, ende treckt een weynigh te samen. Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verharde ofte verstopte Milt: Neemt schorsse van Kapper-wortelen vier loot, koockt dit in genoeghsaem Water tot een pint, door gezegen zijnde, doetíer ses loot Syroop van Azijn by, ende geeft hier twee ofte driemael daegs een roemerken vol van te drincken, uytwendigh besmeert de lincker-zijde met Olie van Kappers. Dodonaeus.

Voor Klieren ende harde geswellen aen den Hals: Neemt de groene bladeren ende schorsse van de wortelen, stootse te samen ende leghtse op. Dioscorides.

Voor Wormen in de Ooren: Neemt het sap uyt de versche bladeren geparst, ende druypt het in de Ooren. Dioscorides, Galenus.

Voor Lammigheyt, ende die sich van binnen beseert hebben: Neemt gepulveriseerde schorsse van de wortelen een vierendeel loots, ende geeft het met Wijn ofte Bier in. Ravelingius.

Kapperboom, in het Latijn Capparis. (Capparis spinosa)

Geslachten.

De kapperboom onderscheidt de nauwkeurige kruidbeschrijver Lobel in twee soorten, de ene met botte en de andere met spitse bladeren.

 

Vorm.

De kapperboom wordt onder de heesters gerekend omdat hij zich zonder steun niet oprichten kan. De takken zijn met scherpe en kromme dorens bezet. De bladeren zijn rond en breed, voor bot of lopen spits toe. Omtrent de oorsprong van de bladeren komen kleine knopjes die men kappers noemt op lange steeltjes te voorschijn waaruit daarna witte bloemen volgen die op die van de kweeappel lijken, maar kleiner zijn. Het kleine en roze zaad groeit in langwerpige vruchten of bolletjes. De wortel is met een witachtige schors bedekt.

 

Plaats.

In Nederland ziet men nergens kappers groeien dan alleen in de hoven van curieuze liefhebbers.

 

Tijd.

Dit boomachtig gewas draag zijn bloemen tot diep in de zomer, maar de knoppen moeten voor ze open gaan verzameld en bewaard worden.

 

Teelt.

De kapperboom wordt van uitlopers of wortelspruiten voort geteeld, in potten geplant en tegen de kou van de winter zeer goed beschermd.

 

Aard en krachten.

De kappers zijn warm van aard, verwekken appetijt doordat ze het taaie slijm dat in de maag ligt scheiden en verteren, ze openen de verstopping van lever en milt. Dodonaeus.

De schors van de wortel die meestal door de geneesmeesters gebruikt wordt verwarmt en verdroogt, laat scheiden en opent, veegt af en trekt wat tezamen. Schroderus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verharde of verstopte milt: Neem van de schors van kapperwortels vier loot, kook dit in voldoende water tot een pint en als dit doorgezeefd is doe er zes lood siroop van azijn bij en geef hier twee of driemaal per dag een roemertje vol van te drinken. Uitwendig besmeert men de linkerzijde met olie van kappers. Dodonaeus.

Tegen klieren en harde gezwellen aan de hals: Neem de groene bladeren en schors van de wortels, stamp ze tezamen en leg ze op. Dioscorides.

Tegen wormen in de oren: Neem het sap dat uit de verse bladeren geperst is en druip het in de oren. Dioscorides, Galenus.

Tegen lamheid en die zich van binnen bezeerd hebben: Neem van de verpoederde schors van de wortels een vierendeel lood en geef het met wijn of bier in. Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tamarisch-boom, in ít Latijn Tamariscus.

 

Geslachten.

Van dese Boom zijn de volgende soorten: France ofte Languedockse Tamarisch, Duytsche Tamarisch-boom, Hollantse Zee Tamarisch van Clusius.

 

Gedaente.

De France Tamarisch-boom wast op omtrent een Mans lengte in de hooghte, wiens stam niet heel dick is, met een rouwe schorsse bekleet, uyt de welcke veel zijde-tackskens voort spruyten, die met een effen ende bruyn-achtige schorsse omvat zijn. De bladeren zijn kleyn, asch verwigh, rondt, die van de Cypres-boom ofte gemeene leege Heyde niet ongelijck, hy draeght kleyne ronde ende lijf verwige bloemkens, waer na de beskens ofte spitse huyskens (33) volgen, in de welcke volgens getuygenisse van Lobel een wormken beslooten leyt

De Duytse Tamarisch-boom blijft veel leger als de voorgaende, wolachtige ende purpen-verwige bloemen, van groote ende gedaente die van de gemeene Lampsana gelijck, voort brengende, die met het zaet verstuyven

De Hollantsche Tamarisch van Clusius is anders niet dan een seer teer struycksken, niet veel langer als een vinger, in korte tackskens verdeelt, de gedaente van heyde hebbende, ende aen de Schelpen van de Oesters ofte Mosselen vast groeyende.

 

Plaetse.

De Tamarisch-boom bloeyt van May of de geheel Somer door.

 

Oeffeningh.

Deze Boomen worden van wortel-spruyten aengeteelt, en begeert in een vochtige ende gruys-achtige Gront geplant te zijn.

 

Aert en Krachten.

De Tamarisch-boom verwarmt en verdrooght tot in den tweeden graet, opent, vaeght af, maeckt dun ende treckt een weynigh te samen. Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verherde ende verstopte Milt: Neemt bladeren ofte jonge scheutkens van dese Boom twee handen vol, koockt die in Wijn tot een pint, en laet hier dickwils van drincken, andere nemen teere bladekens en de jonge scheuten een hant vol, en parssen met Wijn het sap daer uyt, ít welck sy in geven. Dioscorides.

Lobel betuyght oock dat tot die eynde in Italien kroesen ende koppen om uyt te drincken gemaeckt werden.

Voor Schurftheyd ende de swart aengebrande Gal te bedwingen: Neemt schorsse van Tamarisch-wortelen vier loot, lange Rosijnen daer de steen uyt gedaen zijn drie loot, koockt dit te samen in Water tot anderhalf pint, doet Ďby vier loot Syroop van Fumarie ofte Eert-rook, ende laet hier twee ofte mael des daeghs van drincken. Schroderus.

Om Luysen te dooden ende te verdrijven: Maeckt een Loge van assche van Tamarisch-hout, ende wascht u daer mede. Ravelingius.

Voor ít Graveel ende den Urijn af te drijven: Neemt van de bloemen ende bladeren soo veel genoegh is, koockt het in water ende laet hier van een tijdt langh drincken. C. Durantus.

Tamarix, in het Latijn Tamariscus. (Tamarix gallica, de Duitse Myricaria germanica en Salicornia)

Geslachten.

Van deze boom zijn de volgende soorten: Franse of Languedock Tamarix, Duitse tamarisboom, Hollandse zeetamarix van Clusius.

 

Vorm.

De Franse Tamarix groeit op tot ongeveer een mans lengte in de hoogte, wiens stam niet zo dik is en met een ruwe schors bekleed waaruit veel zijtakjes voort spruiten die met een effen en bruinachtige schors bekleed zijn. De bladeren zijn klein, askleurig en rond, ze lijken op die van de cypres of de gewone lage heide. Hij draagt kleine ronde en vleeskleurige bloempjes waarna de besjes of spitse huisjes volgen waarin volgens getuigenis van Lobel een wormpje zit

De Duitse tamaris blijft veel lager dan het voorgaande, heeft wolachtige en purperkleurige bloemen die van grootte en vorm op die van de gewone Lampsana lijken en met het zaad weg vliegen

De Hollandse tamaris van Clusius is niet anders dan een zeer teer struikje die niet veel langer is dan een vinger en in korte takjes verdeeld is die de vorm van heide heeft en aan de schelpen van de oesters of mossels vast groeit.

 

Plaats.

Tamarix bloeit van mei of de gehele zomer door.

 

Teelt.

Deze boom wordt door wortelspruiten voortgeteeld en wil in een vochtige en kiezelachtige grond geplant worden.

 

Aard en krachten.

Tamarix verwarmt en verdroogt tot in de tweede graad, opent, veegt af, maakt dun en trekt een weinig tezamen. Matthiolus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verharde en verstopte milt: Neem van de bladeren of jonge scheutjes van deze boom twee handen vol, kook die in wijn tot een pint en laat hiervan dikwijls drinken. Anderen nemen van de tere blaadjes en de jonge scheuten een hand vol, persen met wijn het sap daar uit wat ze ingeven. Dioscorides.

Lobel getuigt ook dat tot dat doel in ItaliŽ kroezen en koppen (uit dit hout) om uit te drinken gemaakt worden.

Tegen schurft en om zwarte aangebrande gal te bedwingen: Neem van de schors van Tamarixwortels vier lood, lange rozijnen waar de steen uit gedaan is drie lood, kook dit tezamen in water tot anderhalf pint, doe er vier lood siroop van Fumaria of aardrook bij en laat hiervan twee maal per dag drinken. Schroderus.

Om luizen te doden en te verdrijven: Maak een loog van de as van Tamarixhout en was u daar mee. Ravelingius.

Tegen de nierstenen en om de urine af te drijven: Neem van de bloemen en bladeren zoveel als genoeg is, kook het in water en laat hiervan een tijd lang drinken. C. Durantus.

 

 

Smack-ofte Sumach-boom, in Latijn Rus, Sumach.

 

Gedaente.

Dit Boom-gewas schiet op tot een tamelijck hoogh Boomken, Ďt welck in verscheyde zijde tacxkens verdeelt is. De bladeren zijn langhwerpig, breetachtigh, rontom de kanten saegh-wijs geschaert, ende staen negen ofte elf aen een rootachtige middel-ribben gevoeght. De bladeren ende tacken zijn met een hayrige ruyghte bekleet.

De witte bloemkens komen tusschen de bladeren aen lange steelkens tros-wijs te voorschijn, de welcke van kleyne ronde besien, plat zaet in zich besluytende, gevolght worden. De wortel kruypt langhs het opperste der Aerde.

 

Plaetse.

Hier te lande wordt het alleen in sommige Hoven gevonden.

 

Tijdt.

Het bloeyt in July, maer het zaet wordt in dese koude Landen selden rijp.

 

Oeffeningh.

Het wort van vreemt zaet in savelachtige Aerde gezaeyt, voort geteelt, ende moet op een wel ter Sonne gelegen Plaetse geplant zijn.

 

Aert en Krachten.

De Sumach is verkoelende in den tweeden graet, ende daerom sterckelijck Ďtsamen-treckende van krachten. Galenus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor alderhande Buyck-lopen, ende Vrouwelijcke Vloeden: Bereydt een afsiedsel van de bladeren ofte het zaet in Wijn ofte Water, ende laet (34) hier van drincken, ende bereydt van de selve een Badt, waer in de Siecken eenige tijdt sitten sal. Dodonaeus, Matthiolus.

Voor Speenen: Neemt Sumach-zaedt, Eycken koolen van elcks even veel, stoot het tot een fijn Poeyer, ende stroy het op. Ravelingius.

Om het Hayr swart te maken: Bereydt een afziedsel van de bladeren, ende wascht het Hooft daer mede. Dodonaeus.

Voor vuyl Tandt-vleesch ende losse Tanden: Wascht de Mont met het afziedsel van de bladeren ofte het zaet bereyt. C. Durantus.

Voor de Vijt aan de Vingers: Neemt de gestooten bladeren, met Azijn ende Honingh vermenght, ende leght het daer op. Dodonaeus.

Voor Bloet-spouwen: Neemt Sumach-zaet 40 greyn, Arabische Gom 20 greyn, maeckt hier van met Roosen-water Pillen, om op een reys in te nemen. Ravelingius.

Smack of Sumachboom, in Latijn Rus, sumach. (Rhus coriaria)

 

Vorm.

Dit boomgewas schiet op tot een tamelijk hoog boompje dat in verscheidene zijtakken verdeeld is. De bladeren zijn langwerpig, breedachtig en rondom de kanten zaagsgewijs geschaard en met negen of elf aan een roodachtige middensteel gevoegd zijn. De bladeren en takken zijn met een harige ruigheid bekleed.

De witte bloempjes komen tussen de bladeren aan lange steeltjes trosgewijze te voorschijn die gevolgd worden door kleine, ronde bessen waarin plat zaad ligt. De wortel kruipt langs het opperste van de aarde.

 

Plaats.

Hier te lande wordt het alleen in sommige hoven gevonden.

 

Tijd.

Het bloeit in juli, maar het zaad wordt in deze koude landen zelden rijp.

 

Teelt.

Het wordt van vreemd zaad in zavelachtige aarde gezaaid en voort geteeld, het moet op een goed in de zon staande plaats geplant worden.

 

Aard en krachten.

Sumach is verkoelend in de tweede graad en daarom sterk tezamen trekkend van krachten. Galenus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen allerhande buiklopen en vrouwelijke vloeden: Maak een afkooksel van de bladeren of de zaden in wijn of water en laat hiervan drinken, maak van hetzelfde een bad waarin de zieke enige tijd in zitten zal. Dodonaeus, Matthiolus.

Tegen aambeien: Neem sumachzaad, eikenkolen en van elk even veel, stamp het tot een fijn poeder en strooi het erop. Ravelingius.

Om het haar zwart te maken: Maak een afkooksel van de bladeren en was het hoofd daar mee. Dodonaeus.

Tegen vuil tandvlees en losse tanden: Was de mond met het afkooksel van de bladeren of dat van het zaad gemaakt is. C. Durantus.

Tegen fijt aan de vingers: Neem de gestampte bladeren dat met azijn en honing vermengd is en leg het daar op. Dodonaeus.

Tegen bloedspuwen: Neem 40 grein sumachzaad, van Arabische gom 20 grein en maak hiervan met rozenwater pillen die in een keer ingenomen worden. Ravelingius.

 

 

Sorben-boom, in ít Latijn Sorbus.

 

Gedaente.

De stam van dese Boom schiet recht ende hoogh op, is in veel tacken ghedeelt, ende met een bruyne effene schorsse bekleet. De bladeren zijn die van de Haver-esschen ofte Qualster-boom seer gelijck. De kleyne witte bloemkens komen tros- ofte druyf-wijs te voorschijn, ende daer na volgen bleecke, ronde, ofte paers-wijse vruchten, die wat wrangh van smaeck zijn.

 

Plaetse.

Dese Boom wordt hier te Lande in de Hoven gevonden.

 

Tijdt.

De Sorben-boom bloeyt in April, maer de vruchten worden voor de Herfst niet rijp.

 

Oeffeningh.

Hy wordt door sijn wortel-spruyten aengeteelt, ende op de selve ofte op Doornen, Que-Appel, ofte Peer-boomen verent.

 

Aert en Krachten.

De Sorben zijn kout in den eersten, ende droogh in den derden graet, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. Sy komen in wercking ende gebruyck met de Mispelen eenighsins over een. Brunfelsius, Ravelingius.

Sorbenboom, in het Latijn Sorbus. (Sorbus aria)

 

Vorm.

De stam van deze boom schiet recht en hoog op en is in veel takken gedeeld en met een bruine, effen schors bekleed. De bladeren zijn die van de onechte es of lijsterbes zeer gelijk. De kleine witte bloempjes komen tros- of druifgewijs te voorschijn en daarna volgen bleke, ronde of paarsachtige vruchten die wat wrang van smaak zijn.

 

Plaats.

Deze boom wordt hier te lande in de hoven gevonden.

 

Tijd.

De sorbenboom bloeit in april, maar de vruchten worden voor de herfst niet rijp.

 

Teelt.

Hij wordt door zijn wortelspruiten voortgeteeld en op dezelfde of op doren, kweeappel of perenboom geŽnt.

 

Aard en krachten.

De sorben zijn koud in de eerste en droog in de derde graad en sterk tezamen trekkend van krachten. Ze komen in werking en gebruik met de mispel enigszins overeen. Brunfelsius, Ravelingius.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Myrten-boom, in ít Latijn Myrtus.

 

Geslachten.

Na de verscheydenheydt der bladeren wordt den eenen grooten ofte groven Myrthus, ende den anderen kleyne ofte edelen Myrthus genaemt. Lobel heeft in de Hoven van Nederlandt 10 soorten van Myrthus gepluckt, waer van de 6 specien van groote Myrthus, ende de 4 anderen van kleyne Myrthus waren.

 

Gedaente.

De Myrrhe-boom is een Heesterachtigh gewas, somtijdts door oeffeningh als een boomken opschietende, wiens tacken buyghsaem ofte tay, ende met een doncker-rootachtige bast bedeckt zijn. De (35) bladeren, die aen de eene soort groot ende aen díander kleyn voort spruyten, zijn wat breedtachtigh ende boven spits toeloopende, effen ende blinckende, den bladeren van Maeghde-palm seer wel gelijckende. Tusschen de bladeren komen de witte bloemen, met witte draedkens van binnen verciert te voorschijn. De vruchten zijn zwarte besien, die van de Klim-op gelijck, waer in het zaet beslooten is.

 

Plaetse.

Dese Boomen worden in de Nederlanden, als oock in andere koude gewesten alleen in de Hoven onderhouden.

 

Tijdt.

De Myrrhe-boom bloeyt hier te lande seer spade, ende sijn vruchten komen selden tot volkomen rijpigheyt.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen werden van afgescheurde tacken, die onder een weynigh gekneust, ende in tobbens in savelachtige Aerde geplant zijn, vermenighvuldigt, hoewelse oock hier de lande van vreemt Zaedt voort gekomen zijn. Sy moeten by Somer tijdt voor de Noorden-wint, ende des Winters voor koude ende Vorst sorghvuldigh bewaert worden.

 

Aert en Krachten.

De bladeren ende de besien van de Myrrhe-boom zijn kout in den eersten ende droogh in den derden graet, ende sterckelijck tísamen-treckende van krachten. Matthiolus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor Bloet-spouwen ofte Bloet-pissen: Neemt Myrrhen-besien een vierendeel loots, fijn gestooten zijnde, geeft se met gestaelt Water in. Dioscorides.

Voor sweeringe der Nieren en Blase: Hier tegen gebruyckt de besien op de selfde manier, als voor het Bloet-spouwen ofte Bloet-pissen geseyt is. Dodonaeus.

Voor sweeringe ende quade zeeren van uytwendige Leden: Neemt Myrthen-besien ende bladeren, koocktse in Wijn ende wascht de zweeren ende zeeren hier mede. C. Durantus.

Voor de Roode Loop: Neemt Myrthen-besien ende bladeren van elcks een handt vol, koocktse in gestaelt Water tot een pint, menght hier by ses loots Syroop van Myrthen-besien, ende geeft den siecken hier van te drincken. Matthiolus.

Voor het uytsincken des Lijfs-moeders: Gebruyckt het water daer Myrthen-bladeren ende Besien in gesoden tot een stoving. Dioscorides.

Mirt, in het Latijn Myrtus. (Myrtus communis, met de grootbladige var.)

 

Geslachten.

Naar de verschillen in de bladeren wordt de ene grote of grove Myrthus en de andere kleine of edele Myrthus genoemd. Lobel heeft in de hoven van Nederland 10 soorten van Myrthus geplukt waarvan 6 vormen van de grote Myrthus en de 4 andere van kleine Myrthus waren.

 

Vorm.

De mirreboom is een heesterachtig gewas die soms door teeltwijze als een boompje opschiet, wiens takken buigzaam of taai en met een donker roodachtige bast bedekt zijn. De bladeren, die aan de ene soort groot en aan de andere klein zijn, zijn wat breedachtig en lopen boven spits toe, effen en blinkend die zeer goed op de bladeren van de maagdenpalm lijken. Tussen de bladeren komen de witte bloemen die met witte meeldraadjes van binnen versiert zijn te voorschijn. De vruchten zijn zwarte bessen die gelijk zijn als die van de klimop waarin het zaad zit.

 

Plaats.

Deze bomen worden in Nederland, als ook in andere koude gewesten, alleen in de hoven onderhouden.

 

 

Tijd.

De mirreboom bloeit hier te lande zeer laat en zijn vruchten komen zelden tot volkomen rijpheid.

 

Teelt.

Deze bomen worden van afgescheurde takken vermeerderd die van onder wat verwond zijn en in tobben in zavelachtige aarde geplant hoewel ze ook hier de lande van vreemd zaad kunnen voort komen. Ze moeten in de zomertijd tegen de noordenwind en ís winters tegen koude en vorst zeer goed beschermd worden.

 

 

Aard en krachten.

De bladeren en de bessen van de mirreboom zijn koud in de eerste en droog in de derde graad en sterk tezamen trekkend van krachten. Matthiolus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen bloedspuwen of bloedplassen: Neem van mirte bessen een vierendeel lood die fijn gestampt worden en met gestaald water ingegeven worden. Dioscorides.

Tegen zweren van de nieren en blaas: Hiertegen gebruikt men de bessen op dezelfde manier als voor het bloedspuwen of bloedplassen gezegd is. Dodonaeus.

Tegen zweren en kwade zeren van uitwendige leden: Neem mirte bessen en bladeren, kook ze in wijn en was de zweren en zeren hier mee. C. Durantus.

Tegen rode loop: Neem mirte bessen en bladeren, van elk een hand vol en kook ze in gestaald water tot een pint, meng hierbij zes lood siroop van mirte bessen en geef de zieke hiervan te drinken. Matthiolus.

Tegen het uitzinken van de baarmoeder: Gebruik het water waar mirte bladeren en bessen in gekookt zijn als een stoving. Dioscorides.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kuysch-boom, in ít Latijn Agnus Castus.

 

Geslachten.

Hier van vint men in de Hoven van Nederlandt drie soorten: de eerste is boomachtigh met witachtige ofte bleeckpaersse bloemen, de tweede blijft leger met bruyn-paerssche bloemen, maer de bladeren zijn witter ende ruyger als de voorgaende, de derde is de leege soorte wel gelijck van groote, maer heeft breeder en om de kant gekerfde bladeren, die oock veel groender zijn. (36)

 

Gedaente.

Dit Boom-gewas heeft veel taye ende lanckwerpige tacken, waer aen de bladeren een vinger lanck zijnde, op een steelken seven by een wassen, waer van de middelste grooter ende langer is als de anderen. De bloemen groeyen op ít opperste van de tackens in verscheyde knoopen ofte bosjens verdeelt, van coleur bleeck-paers ofte oock witachtigh. De zaden zijn ront, ende vergelijcken sich in groote met Coliander-zaet. De andere soorten komen lichtelijck door de boven-verhaelde onderscheydt bekent worden.

 

Plaetse.

De Kuysch-boom werdt in Nederlandt alleen van de Lief-hebbers in de kruydt-hoven onderhouden.

 

Tijdt.

Dit gewas brenght hier te Lande niet voor Augustus sijn bloemen te voorschijn.

 

Oeffeningh.

Dese Boomen worden in backen geplant ende aengequeeckt, sy moeten op een warme plaetse gestelt, des Somers wel begoten ende des Winters voor de koude wel bewaert zijn.

 

Aert en Krachten.

Galenus stelt dese tackachtige plant warm ende droogh te zijn in den derden graet. Avicenna seyt dat dit gewas maer warm is in den eersten, ende droogh in den tweeden graet, doet de winden scheyden, verweckt de Maent-stonden, ende opent de verstopte Milt en Lever.

 

Medicinael gebruyck.

Voor een verstopte ende verherde Lever ende Milt, Water-sucht ende winden in de Maegh, Darmen ofte Lijf-moeder beslooten te doen scheyden: Neemt Agnus-Castus-zaet een vierendeel loots, ende laet dit met Wijn in nemen. Dioscorides.

Voor opgestopte Maent-stonden, ontvloeyinge des zaets, ende om de melck in de Vrouwen-Borsten te Vermeerderen: Het zaet op de voor-verhaelde manier gebruyckt is daer toe dienstigh. Dioscorides.

Voor verstoptheydt- verhertheyt, ende sweeringe van de Lijf-moeder: Neemt het zaet ende bladeren van de Kuysch-boom soo veel genoegh is, ende bereydt met water een Badt daervan, waer in de patient eenige tijdt sitten moet. Dodonaeus.

Voor swellinge van de Mannelijcke Leden: Neemt de bladeren van dit gewas, Wijngaerts-bladeren van elcks twee handen vol, fruytse in versche Boter, ende slaetse pap-wijs om het Gemacht. Dodonaeus, Dioscorides.

Voor de koude Pisse: Neemt van de bladeren twee handen vol, koocktse in Water ende Wijn tot een pint, geeft hiervan te drincken, ende slaet het kruydt warm om het Gemacht. Ravelingius.

Kuisboom, in het Latijn Agnus Castus. (Vitex agnus-castus)

Geslachten.

Hiervan vindt men in de hoven van Nederland drie soorten: de eerste is boomachtig met witachtige of bleek paarse bloemen, de tweede blijft lager met bruinpaarse bloemen, maar de bladeren zijn witter en ruiger dan het voorgaande, de derde is de lage soort die wel gelijk van grootte is, maar bredere en om de kant gekerfde bladeren heeft die ook veel groener zijn.

 

 

Vorm.

Dit boomgewas heeft veel taaie en langwerpige takken waaraan de bladeren een vinger lang zijn en op een steeltje met zeven bij elkaar groeien waarvan de middelste groter en langer is dan de anderen. De bloemen groeien op het opperste van de takjes die in verscheidene knopen of bosjes verdeeld zijn en van kleur bleek paars of ook witachtig. De zaden zijn rond en vergelijken zich in grootte met korianderzaad. De andere soorten kunnen gemakkelijk door de boven verhaalde verschillen herkend worden.

 

 

Plaats.

De kuisboom wordt in Nederland alleen door de liefhebbers in de kruidhoven onderhouden.

 

 

Tijd.

Dit gewas brengt hier te lande niet voor augustus zijn bloemen te voorschijn.

 

Teelt.

Deze bomen worden in bakken geplant en voort geteeld, ze moeten op een warme plaats gezet worden, in de zon staan en Ďs winters goed tegen de koude beschermd zijn.

 

Aard en krachten.

Galenus stelt dat deze takachtige plant warm en droog is in de derde graad. Avicenna zegt dat dit gewas maar warm is in de eerste en droog in de tweede graad. Het laat de winden scheiden, verwekt de maandstonden en opent de verstopte milt en lever.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen een verstopte en verharde lever en milt, waterzucht en om winden die in de maag, darmen of baarmoeder opgesloten zijn te laten scheiden: Neem van Agnus-Castus zaad een vierendeel lood en laat dit met wijn in nemen. Dioscorides.

Tegen opgestopte maandstonden, ontvloeien van zaad en om de melk in de vrouwenborsten te vermeerderen: Het zaad op de voor verhaalde manier gebruiken is daar toe dienstig. Dioscorides.

Tegen verstopping, verharding en zweren van de baarmoeder: Neem van het zaad en bladeren van de kuisboom zoveel als genoeg is en maak daar met water een bad van waarin de patiŽnt enige tijd zitten moet. Dodonaeus.

Tegen zwelling van de mannelijke leden: Neem de bladeren van dit gewas en druivenbladeren, van elk twee handen vol, fruit ze in verse boter en sla het papgewijze om het geslacht. Dodonaeus, Dioscorides.

Tegen de koude plas: Neem van de bladeren twee handen vol, kook ze in water en wijn tot een pint en geef hier van te drinken en sla het kruid warm om het geslacht. Ravelingius.

 

 

Mont-hout, in ít Latijn Ligustrum.

 

Gedaente.

Dese boomachtige Heester is met lanckachtige, sachte ende doncker-groene bladeren bewassen, de bladeren van de Maeghde-palm hoewelse langer zijn, niet ongelijck. Aen de toppen van de rijskens komen witte wel-rieckende bloemen, troswijs als de speensel van Druyven te voorschijn, hier op volgen besien die eerst groen, ende rijp geworden zwart zijn, in sich behoudende een bruyn-root ofte paersachtigh sap.

 

Plaetse.

Dit Gewas wordt meest in de Lust-hoven van Nederlandt aen Heggen ende Prieelen geplant, gevonden.

 

Tijdt.

De bladeren spruyten in het begin van de Lente uyt, de bloemen in het laetste van May ofte begin van Juny, ende de besien worden laet in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De Ligustrum wort door sijn zaet hier te Lande vermenighvuldight, ende in santachtige Aerde ghezaeydt, daer na twee ofte drie jaren out geworden, plant men het op een vochte gront.

 

Aert en Krachten.

De bladeren van Mont-hout zijn kout ende droogh van aert, ende tísamen-treckende van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ontstekinge, swellinge ende puysten van de Keel: Neemt van de bladeren twee handen vol, koocktse in schoon water en gorgelt daer mede, dit (37) selfde is mede goet voor stinckend ende bedorven Tant-vleesch. Fuchsius.

Voor Tant-pijn: Neemt van de bladeren een hant vol, ziedse in een half pintje Azijn ende spoelt de Mont daer mede. Dodonaeus.

Voor Scheur-buyck: Neemt van de bladeren drie handen vol, koocktse in Wijn tot een pint, om twee of drie reysen daeghs daer van te drincken. Schroderus.

Voor ontstekinge ende loopinge der Oogen: Gebruyckt hier tegen het gedistilleerde Water van de bloemen, waer mede ghy de Oogen dickwils betten sult. J. Schroderus.

Mondhout, in het Latijn Ligustrum. (Ligustrum vulgare)

 

Vorm.

Deze boomachtige heester is met langachtige, zachte en donker groene bladeren begroeid. De bladeren lijken op die van de maagdenpalm, hoewel ze langer zijn. Aan de toppen van de twijgen komen witte en wel riekende bloemen troswijs als de bloemen van druiven te voorschijn. Hierop volgen bessen die eerst groen zijn en bij rijpheid zwart worden waarin een bruinrood of paarsachtig sap zit.

Plaats.

Dit gewas wordt meestal in de lusthoven van Nederland in heggen en priŽlen geplant gevonden

 

Tijd.

De bladeren spruiten in het begin van de lente uit, de bloemen in het laatste van mei of in het begin van juni, de bessen worden laat in de herfst rijp.

 

Teelt.

Ligustrum wordt door zijn zaad hier te lande vermenigvuldigd en in zandachtige aarde gezaaid en als ze daarna twee of drie jaar oud zijn geworden plant men ze op een vochtige grond.

 

Aard en krachten.

De bladeren van mondhout zijn koud en droog van aard en tezamen trekkend van krachten. Dodonaeus.

 

Medicinaal gebruik.

Tegen ontsteking, zwelling en puisten van de keel: Neem van de bladeren twee handen vol, kook ze in schoon water en gorgel daarmee, hetzelfde is ook goed tegen stinkende en bedorven tandvlees. Fuchsius.

Tegen tandpijn: Neem van de bladeren een hand vol, kook het in een half pintje azijn en spoel de mond daar mee. Dodonaeus.

Tegen scheurbuik: Neem van de bladeren drie handen vol, kook ze in wijn tot een pint om twee of drie maal per dag daar van te drinken. Schroderus.

Tegen ontsteking en lopen van de ogen: Gebruik hier tegen het gedistilleerde water van de bloemen waar mee ge de ogen dikwijls betten zal. J. Schroderus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(= Philadelphus coronarius)

 

Syringa.

 

Geslachten.

De Syringa wordt onderscheyden in Syringa met witte, ende Syringa met blaeuwe bloemen, welcke laetste soorten van de nieuwe kruyt-beschryvers Lillach genaemt wordt.

 

Gedaente.

De witte Syringa spreyt zich verre en wijdt uyt, wiens tacken met ledekens onderscheyden, met een bruynachtige schorsse bekleedt, ende van binnen met wit ende voos merg vervult zijn. De bladeren, die uyt yeder lidt altijdt twee tegen malkanderen over voort spruyten, zijn breedt, aen de kanten een weynigh gesneden, ende met zenuwen ofte ribben door loopen. De witte bloemen, uyt vier bladekens tísamen geset, spruyten op de toppen van de steelkens vier ofte vijf by een voort. Het lanck-werpigh zaet leydt in veel verscheyden zaethuyskens by een hangende beslooten.

De blaeuwe Syringa heeft grooter, breeder, voor spitser, gladder ende groender bladeren als de witte ofte oprechte Syringa. Oock zijn sijn licht-blaeuwe wel-rieckende (38) bloemen tros-wijs vergadert, en sijn bruyn ros zaet is in lanckwerpige hauwkens, die in ít midden door een vliesken afgescheyden zijn, beslooten.

 

Plaetse.

De Hoven in Nederlandt zijn veeltijdts met dese gewassen om haer lieffelijcke bloemen verciert.

 

Tijdt.

De witte Syringa bloeyt in ít laetste van May ofte in het begin van Juny, maer de blaeuwen in ít laetste van April ofte wat later, het zaet wordt in Augustus ofte September volkomen rijp.

 

Oeffeningh.

De Syringa wordt van sijn op-loopen ofte wortel-spruyten aengeteelt en willen bequaemse op vochte plaetsen geplant staen.

 

Aert en Krachten.

De eygenschappen ende krachten van dit Boom-gewas is tot noch toe onversocht gebleven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

=Syringa vulgaris

 

Syringa. (Syringa vulgaris en Philadelphus coronarius)

 

Geslachten.

Syringa wordt onderscheiden in Syringa met witte (Philadelphus) en Syringa met blauwe bloemen, welk laatste soort door de nieuwe kruidbeschrijvers lilak genoemd wordt.

 

Vorm.

De witte Syringa spreidt zich ver en wijd uit, wiens takken leden hebben die met een bruinachtige schors bekleed is en van binnen met wit en voos merg gevuld zijn. De bladeren die uit ieder lid altijd twee tegen over elkaar uitspruiten zijn breed en aan de kanten wat ingesneden en met zenuwen of ribben doorlopen. De witte bloemen die uit vier blaadjes zijn samen gesteld spruiten op de toppen van de steeltjes met vier of vijf bijeen uit. Het langwerpige zaad ligt in veel verschillende zaadhuisjes die bijeen hangen besloten.

De blauwe Syringa heeft grotere, bredere en voor spitsere, gladdere en groenere bladeren dan de witte of echte Syringa. Ook zijn zijn licht blauwe wel riekende bloemen trosgewijze samen gesteld en zijn bruinroze zaad zit in langwerpige hauwtjes die in het midden door een vliesje afgescheiden zijn.

 

 

 

Plaats.

De hoven in Nederland zijn vaak met deze gewassen vanwege hun lieflijke bloemen versierd.

 

Tijd

De witte Syringa bloeit op het eind van mei of in het begin van juni, maar de blauwe op het eind van april of wat later. Het zaad wordt in augustus of september volkomen rijp.

 

 

Teelt.

Syringa wordt van zijn uitlopers of wortelscheuten voortgeteeld, ze willen het liefst op vochtige plaatsen staan.

 

Aard en krachten.

De eigenschappen en krachten van dit boomgewas is tot noch toe niet onderzocht.

 

 

Bucx- ofte Palm-boom, in ít Latijn Buxus.

 

Geslachten.

Hier te lande vint men tweederley soorten van dit Gewas, het eene is groote ende het andere kleyne Bucx-boom genaemt.

 

Gedaente.

De houtachtige struyck soo wel van de groote als kleyne Palm-boom is seer hart, vast, ende bleeck-geel van verwe, de kleyne tackens zijn met seer veel dicke, breede, effene ende doncker-groene bladeren verciert. De gras-verwige bloemen komen tusschen de bladeren ende de dunne rijskens te voorschijn, maer hier te Lande brenght dit Gewas geen zaet voort.

 

Plaetse.

De hedendaeghse Lust-hoven van Nederlandt zijn overvloedigh genoegh met de Palm-boom versien.

 

Tijdt.

Hoewel de Bucx-boom het geheele Jaer door groen staet, nochtans soo verkrijght hy in April nieuwe uytspruytsels ofte botten, ende als dan is hy oock somtijdts met bloemen beladen.

 

Oeffeningh.

De kleyne Palm wert door ít scheuren der wortelen aengeteelt, ende in Maert ofte April aen de kanten van de Bedden ende Bloem-parcken geplant. De groote Palm wert tot een Boompje opgequeeckt, van het welcke verscheyde ghedaente door het scheeren gemaeckt konnen werden, oock moet mense beyde soorten eens des jaers ofte om het tweede jaer met een Palm-schaer afscheeren.

 

Aert en Krachten.

Hoewel de Bucx-boom in Medicijne weynigh gebruyck heeft, nochtans kan men uyt de smaeck bespeuren, dat de selve verdroogende ende tísamen-treckende van krachten is. Lobel betuyght dat de rijskens, ít hout ende bladeren in water gesoden, op de maniere van Pock-hout, sterckelijck doen zweeten, ende dat door dit middel een arme Engelsche Dienst-maeght van de Pocken genesen is geweest. Sommige zieden de Bucx-boom in Loge om het Hayr geel te maken.

Buxus of Palmboom, in het Latijn Buxus. (Buxus sempervirens)

 

Geslachten.

Hier te lande vindt men twee soorten van dit gewas, het ene wordt de grote en het andere kleine buxus genoemd. (cv.)

Vorm.

De houtachtige struik van zowel de grote als de kleine palmboom is zeer hard, vast en bleek geel van kleur, de kleine takjes zijn met zeer veel dikke, brede, effen en donker groene bladeren versierd. De graskleurige bloemen komen tussen de bladeren en de dunne twijgen te voorschijn, maar hier te lande brengt dit gewas geen zaad voort.

 

 

Plaats.

De tegenwoordige lusthoven van Nederland zijn overvloedig genoeg met de palmboom voorzien.

 

Tijd.

Hoewel de buksboom het gehele jaar door groen staat, nochtans krijgt het in april nieuwe uitspruitsels of knoppen en dan is het ook soms met bloemen bezet.

 

 

Teelt.

De kleine palm wordt door het scheuren van de wortels voortgeteeld en in maart of april aan de kanten van de bedden en bloemperken geplant. De grote palm wordt tot een boompje opgekweekt waarvan verschillende vormen door het scheren gemaakt kunnen worden, ook moet men beide soorten eens per jaar of om het tweede jaar met een palmschaar afscheren.

 

Aard en krachten.

Hoewel de buksboom in de medicijnen weinig gebruik wordt, toch kan men uit de smaak nagaan dat die verdrogend en tezamen trekkend van krachten is. Lobel getuigt dat de twijgen, het hout en bladeren die in water gekookt worden op de manier van pokhout, sterk laten zweten en dat door dit middel een arme Engelse dienstmaagd van de pokken genezen is geweest. Sommige koken de buksboom in loog om het haar geel te maken.

 

 

Stekende Palm, in ít Latijn Ruscus, Bruscus.

 

Gedaente.

Dit Gewas schiet op tot de hoogte van een halve ofte heele voet, wiens tackens rondt ende met een doncker-groene ende dicke schorsse bedeckt zijn. De bladeren zijn de Myrte-bladeren niet ongelijck, maer stijver bruynder groen, boven spits ende met een scherp stekende doornken versien. Op het midden van yder bladt groeyt een besie, de welck rijp geworden schoon root is, in sich bevattende een seer harde kern, waer in het zaet beslooten leyt. De wortelen zijn witachtigh, wijdt en zijdts sich uytspreydende.

 

Plaetse.

De stekende Palm werdt hier te Lande in de Hoven geplant.

Tijdt.

Dit Heesterachtigh Gewas blijft des Winters ende Somers groen, nochtans in de Lente verkrijgt het nieuwe uytspruytsels, ende de besien worden in de Herfst rijp.

 

Oeffeningh.

De stekende Palm wordt (39) door zaedt en wortel-spruyten aengeteelt.

 

Aert en Krachten.

De wortel ende het zaet zijn matelijck verwarmenden ende verdroogende van aert, andere houdense voor warm in den tweeden ende droogh in den eersten graet, openende, den Urijn afsettende, ende de taye vochtigheden scheydende van krachten, waerom de wortelen in de Apotheken onder de vijf openende wortelen bekent zijn. Dodonaeus, Schroderus.

 

Medicinael gebruyck.

Voor ít Graveel ende Droppel-pisse: Neemt van de wortelen twee loot, van de bladeren een hant vol, van de besien een loot, koockt dit te samen in Wijn tot een pint en geeft hiervan twee mael daeghs een roemerken vol van te drincken. Dioscorides.

Voor Bloedt-spouwen, Graveel en Geelsucht: Neemt het sap uyt de bladeren gheparst twee loot, menght hier by soo veel Suycker als van noden is, ende geeft hier van dickwils een lepel vol in. Ravelingius.

Voor ít Colijck ofte Buyck-pijn: Neemt van de wortelen, Anijs ende Venckel-zaet van elcks een derde part van een vierendeel loots, tísamen fijn gestoten zijnde, sult ghy het met warme Wijn ofte Bier in geven. Ravelingius.

Stekende palm, in het Latijn Ruscus of Bruscus. (Ruscus aculeatus)

 

Vorm.

Dit gewas schiet op tot de hoogte van een vijftien of dertig cm. De takken zijn rond en met een donker groene, dikke schors bedekt. De bladeren zijn vrijwel gelijk als de myrtebladeren, maar stijver en bruiner groen, boven spits en van een scherp stekende doren voorzien. Op het midden van elk blad groeit een bes die bij rijpheid mooi rood wordt en in zich een zeer harde kern heeft waarin het zaad zit. De wortels zijn witachtig die zich wijd en zijd uitspreiden.

 

 

Plaats.

De stekende palm wordt hier te lande in de hoven geplant.

 

Tijd.

Dit heesterachtig gewas blijft Ďs winters en zomers groen, toch krijgt het in de lente nieuwe scheuten en de bessen worden in de herfst rijp.

 

Teelt.

De stekende palm wordt door zaad en wortelspruiten voort geteeld.

 

Aard en krachten.