Otto Brunfels, Kreuterbuch. 1534. 

Otto Brunfels, Brunsfels of Braunfels zou geboren zijn in 1488 bij Mainz, 23 december en overleden in 1534 te Bern, Zwitserland.
Nadat hij theologie en filosofie studeerde aan de universiteit van Mainz kwam hij bij een Kartuizer klooster te Mainz en vestigde zich later in een ander Kartuizer klooster te K嗜igshofen bij Straatsburg. Daar kwam hij in contact met de geleerde advocaat Nikolaus Gerbe die zijn aandacht vestigde op de helende krachten van planten en gaf hem zo een stimulans tot verdere botanische onderzoekingen.
Na zijn bekering tot het protestantisme werd hij  het hoofd van een school.

Toen zijn vriend Ulrich von Hutten stierf brachten zijn religieuze overtuigingen hem in conflict met Martin Luther en Huldrych Zwingli. Later begon hij een medicijnenstudie aan de universiteit van Bazel. In 1532 werd hij stadsgeneesheer te Bern waar hij tot aan het eind van zijn leven bleef.
Hij schreef vele theologische werken, pedagogische verhandelingen, Arabische taal, farmacie en plantkunde. Hij wordt ook een vader van de botanie genoemd omdat hij in zijn werken niet allen keek wat de ouden ervan zeiden, maar ook eigen observaties had. In zijn Herbarium vivae icones (1530 en 1536, in drie delen) en Contrafayt Kr隔terbuch (1532-1537, in twee delen) worden de Duitse planten die hij vond op zijn botanische reizen afgebeeld door houtsneden die gemaakt werden door Hans Schotten. Hij noemt dan nog een naam, mogelijk zijn Duitse naam; ヤEerst, omdat we ons voornemen daarheen gezet hebben de kruiden kunst weer voort te helpen en op de baan te brengen hebben we zulks niet kunnen teweeg brengen dan door de afbeeldingen en de echte ware beschrijvingen van Dioscorides, Plinius en de ouden. Is daarom aan mogelijke vlijt niets gespaard geworden wat zich ook de vorm van dit boek goed laat aanzien door de zeer beroemde meester [27] Hans Wyditz van Straatsburg ingewreven en afgebeeld.ユ Toch zie je bij de afbeelding die naam van Hans Schotten.

Echter Duane Isely vestigt meer de aandacht op Brunfels populariteit door Wyditz omdat zijn houtsneden een nieuwe technische standaard neerzetten die naar het leven getekend waren. Dat geloof ik eigenlijk ook wel, hij tekent en zet zijn planten ook in de volgorde zoals hij zelf aangeeft nadat die afgeleverd zijn. Het lijkt er dan ook meer op dat er mooie houtsneden aanwezig waren en er een schrijver bij gezocht is. Hij zegt dan ook; メHet is ook mijn mening niet alle kruiden te beschrijven (dan me niet mogelijk) maar ettelijke die dan op deze keer van de meester en afbeelding makers ons hebben te handen mogen staan welke we in dit werk, zoals hierna vaak betuigt, veel hebben moeten toe en nageven omdat de willekeur bij diezelfde staat, te graveren wat ze wilden of ook mochten ons voornemen en beschrijvingen verstrooid wordt zodat we geen goede ordening hebben mogen houden.. Dat ik ook niet alle kruiden gezet en beschreven heb is deze oorzaak geweest dat de tijd te kort, maar aan mijn beschrijving toch geheel niets mankeert.

Uit gelijke oorzaak is hier zonder ordening voort gevaren in de kruiden en elke de naaste zo bereidt van de schilder voor de hand genomen waardoor me mogelijk ettelijk van mijn beschrijvingen in de war, ettelijke der kruiden geslacht verstrooid zijn die zo bij elkaar zouden staan, veel ook open bleven onbeschilderd die ik in de beschrijvingen aantoon. Alles zonder mijn schuld, mag ook (zoals in dit kleine kruidenboek reeds geschiedt) met de tijd in nakomende druk uitgegeven wordenユ.

Sommige teksten zijn heel klein, waarschijnlijk omdat er wel een afbeelding is en er tekst bij gezocht moet worden. De inleiding is wel zeer groot, hij was dus wel bezig met een groot boek en wilde later een betere uitbrengen. In deze is de tekst meestal matig en weinig, er komen weinig nieuwe feiten aan het licht en laat veel vragen onbeantwoord of gaat terug op von Braunschweig. Dan is de tekst slecht vanwege de drukfouten en taalgebruik. Dat heb ik nog niet zo slecht gezien. Neem bijvoorbeeld de naam van zijn vriend von Braunschweig, buiten de letter B wordt elke letter wel anders gespeld en somt met meer of andere letters. Zo ook andere woorden, ze veranderen telkens waardoor de vertaling dan ook moeizaam gaat.

Het lijkt er meer op dat er tekeningen klaar waren en hij gevraagd werd om er tekst naast te zetten. Hij zal er wel mee bezig geweest zijn want in sommige kapittels is de tekst uitvoerig terwijl er bij andere lijkt alsof hij een plaatje had en er nog wat tekst bij moest zetten.

Het planten geslacht Brunfelsia (Solanaceae) is genoemd naar hem.

Nico Koomen.

Zie voor originele informatie en afbeeldingen; http://www.biodiversitylibrary.org/item/33581#1

 

 

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

[2] Vorτed.

 

Introductoτium: das ist, Ein gemeyne Jnleytung zů lob, uτspτ殤gklicher alterfarn殱sz, gebτauch, und erkantn殱sz der Kre殳er,

 

Durch Otho Bτunfelþ newlich beschτiben.

 

iewol mancherley uτsachen darthon m冂hten werden, deren halben billich die Ke殳er artzeneyet, d schlechten einfeltigen dingen, andern kostbarlichen, unnd zůsammen gesetzten artzneyen solt f殲gesetzt werden, yedoch dieweil solichs můhsam, und wol ein eygen bůch erfoτderet, w冤len wir uff diþmal solichs underlassen, unnd allein uff das aller einf瑛tigest, damit wir nit gar mit ungew鋭chenen h穎den (wie man sagt) in diþ werck platzten, voτ in einer summa anzeygen, wie ein herτlich hoch ding es ist umb die kre殳er und gew営hþ. Doch zůvoτ ehe ich solichs anfange, unnd handele, die Doctoτes und Apotheckeren, gebetten haben, ob sye vileicht vermeynten, das ich dem handel zů vil th液e, mir solichs in keiner massz uffnemmen w冤len, als ob ich yemants ettwas zů leyd redte, yemants gewerbe, oder kauffmanschatz sch穎tzellyerte, schmitzte, unnd verw殲ffe, sond soll des Gott mein zelig sein, was ich hye in diþem gesch映ft gehandelet, n盈lich in der Latinischen spτach, das ich allewegen uff den gemeynen nutz gesehen, dem almechtigen Gott zů eeren, damit seine werck m冂htent an tag kummen, welche als sye ger枸pt werden in Sonn, Mon, Hymmel und Erden, also vilfaltiger weiþe gesehen und gepτeiþet werden in den wunderbarlichen seltzame gew営hþen, welche sonder allen zweiffel, und zů nutz und frommen geschaffen, dz wir der selbigen auch erkantn殱sz und gebτauch m冂hten erτeychen. Und ob sich des selbigen halben etwas sch詠pffere woτt w殲de zůtragen, w冤len solichs nicht uff sich de殳en, sonder uff die schuldigen, uff die landtschwτmer, uff die gete歿ften Juden, und was solichs v冤cklins sich d artzeney underze歡ht, on Gott, on wissen, on kunst, on alle erfarn殱sz. Es ist auch menigklich wol zů wisszen, wz nachtheyl der kunst, und schaden den menschen, von solichen hympeleren zů handen gestanden, und wie uff den he殳gen tag, die welt mit solichen le殳en wil ge映fet, und geblendet sein. Es sol hye eines yeden nammes verschont werden, wer unschuldig ist, d neme sich des handels nicht an. Dieweil auch yederman zůgelassen, seine kauffmansch液z zů rh枸en, und alle b枋her voll seind der compositionen, w冤len wir auch nicht abschlagen, die kre殳er zů rh枸en. Begib mich dessen auch gegen menigklich, ob ich ettwan ein kraut nit recht gede殳tet, od sunst dem selbigen zů vil th液e, mich des selbigen halb gern weiszen lasszen, und und richten. Dann ich diþes werck deren halber (A ij) [3] auch uff mich genommen, nitt ein rhům dardurch zůerjagen, sonder das ich den gelerten, und erfarenden uτsach geb, von diþen kre殳eren weiter synnen und zůgedencken. Und was von mir underlassen, nit gewisszt, oder uns unm殀lich, sye das selbig w冤le erstatten, n盈lich auþ den b枋heren der Alten, als Theophτasti, Plinij, und Dioscoτide, dahyn dann unser gr冱tes f殲nemen strebte. Es ist auch mein meynung nit, alle kre殳er zů beschτeiben (dann mirs nit m冏lich) sonder etliche, die dann auff diþmal von den meystern und contrafactyreren uns haben zů handen m冏en ston, welchen wir in diþem werck, wie hernach mals offt beze殀et, vil haben můsszen, zů, und nach geben, dieweil die wilk殲 bey den selbigen gestanden, zůreisszen was sye gew冤t, oder auch verm冂ht, unser f殲nemen unnd beschτeibungen zerτ殳tet, und zerstτet woτden, das wir nit satte oτdenung haben m冏en halten. Davon dann an andern oτten weiter.

[2] Voorrede.

 

Introductie: dat is een algemene inleiding tot lof van oorspronkelijke oude ervaringen, gebruik en bekendheid van de kruiden.

 

Door Otho Brunfelsz opnieuw beschreven.

 

Hoewel menigvuldige oorzaken daar gesteld mogen worden vanwaar de kruiden artsenij van de echte enkelvoudige dingen en andere kostbare en tezamen gezette artsenijen billijk zal voorgezet worden, toch omdat zulks moeizaam en wel een eigen boek vereist willen we het deze keer nalaten en alleen op het aller eenvoudigste zodat we niet geheel met ongewassen handen (zoals men zegt) in dit werk plaatsen voorheen een summa aantonen wat een heerlijk hoog ding het is om de kruiden en gewassen. Doch voor en eer ik zulks aanvang en behandel heb ik de doctors en apothekers gebeden of ze mogelijk meenden dat ik de handel teveel deed het me zulks in geen maat opnemen wil alsof ik iemand wat tot leed sprak, iemands ambacht of koopmanschap schond, besmeurde en verwierp, maar zal God me zalig zijn wat ik hier in dit werk behandel, namelijk in de Latijnse spraak dat ik altijd op de algemene nut gezien heb om de almachtige God te eren waarmee zijn werk mocht aan dag komen welke zoals ze geroemd worden in zon, maan, hemel en aarde alzo veelvuldige wijze gezien en geprezen worden in de wonderbaarlijke zeldzame gewassen welke zonder alle twijfel en tot nut en godvruchtigheid geschapen zodat we diezelfde ook herkennen en tot het gebruik mogen rijken. En of zich diezelfde vanwege wat scherpe woorden worden toegedragen willen zulks niet op zich duiden, maar op de schuldigen, op de landzwervers, op de gedoopte Joden en wat voor volk zich de artsenij onderneemt, zonder God , zonder weten, zonder kunst en zonder alle ervaring. Het is ook menigeen goed te weten welke nadeel de kunst en schade de mensen van zulke hampels in handen staan en hoe op de huidige dag de wereld met zulke lieden wil nageaapt en verblind zijn. Er zal hier ieder zijn naam verschoond worden wie onschuldig is die neemt zich de handel niet aan. Omdat ook iedereen toegelaten zijn koopmanschap te roemen en alle boeken vol zijn van de composities willen we ook niet afslaan de kruiden te roemen. Begeef me in deze ook tegen menigeen of ik soms een kruid niet recht aangeduid of soms dezelfde teveel deed, me daarom van diezelfde graag wijzen laat en onderrichten. Dan ik dit werk daarom (A ij) [3] ook op me genomen niet om een roem daardoor te bejagen, maar omdat ik de geleerden en ervarene oorzaak geef van deze kruiden betere zin te bedenken en wat van mij weggelaten, niet geweten of ons onmogelijk was datzelfde willen verbeteren, namelijk uit de boeken der ouden zoals Theophrastus, Plinius en Dioscorides waarheen dan onze grootste voornemen naar streeft. Het is ook mijn mening niet alle kruiden te beschrijven (dan me niet mogelijk) maar ettelijke die dan op deze keer van de meester en afbeelding makers ons hebben te handen mogen staan welke we in dit werk, zoals hierna vaak betuigt, veel hebben moeten toe en nageven omdat de willekeur bij diezelfde staat, te graveren wat ze wilden of ook mochten ons voornemen en beschrijvingen verstrooid wordt zodat we geen goede ordening hebben mogen houden. Daarvan dan aan andere oorden verder.

 

 

Welche G冲ter die kre殳er erstmals den menschen anzeygt.

 

Nun vom dem lob der Kre殳er ettwz zůsagen, duncket mich nit das aller geringst lob sein, das ire erfindungen, und erste anzeygunge, den Abg冲teren, den groþm営htigen K殤igen, unnd Herren, als iren erfinderen, erstlich seind zů geschτiben woτden, nit allein bey den Heyden, sonder auch bey den Hebτeyeren, unnd Chτisten. Dann ein yedes ding so vil dester w殲diger ist, so vil sein anfang, ein meyster und erfindung w殲diger. Moly ist ein herτlich hoch ber枸pt kraut bey dem Po奏en Homero gepτyþen, solichs hatt zů allererst dem Hertzog Ulyssi angezeygt d Abgott Mercurius, damit er sich erw决en m冂ht, der hexen Circe, uff das er nicht von ir verzauberet w殲de. Aber in unseren landen nit bekant.dann es w営hþt allein in Arcadia mit einer ronden, schwartzen wurtzelen, einer zyblen gleich, soll vast můgsam und schw詠lich zůgraben sein. Darnach ist Panace ettwan heylig genant, und f殲 ein heyligthumb gehalten, als ein artzeney zů aller kranckheyten dyenstlich, w殲t auch zůgeschτeiben dem Chironi, Herculi, und Esculapio. Genantem Herculi w殲t auch zůgeschτiben dz Bilsamkraut. Und noch eins Heraclion syderion genant, ein auþbundt f殲 ein wundtkraut zů allen wunden so von yþen, oder messzer geschehen. Bingelkraut tr曳t uff den he殳igen tag seinen nammen von dem Mercurio Mercurialis genannt.darumb, das es von dem Mercurio den menschen erstlich anzeygt. Der groþ held Achilles hatt auch ein kre殳lin anzeygt mit seinen nammen Achillis, unnd Achillion. Und deren kre殳er findet man in Plinio vil, von mir wol m冂htent anzeygt werden, wo es dem te殳schen einfaltigen leþer nit beschw詠lich mit diþe unbekanten nammen der kre殳ter, und der erfinderen, yn damit zůbede歟en. Aber das ich von den unseren, und bekanteren dingen rede, ist es nicht auch den G冲teren zů geschτiben? Als so wir noch he殳beytag ettliche kre殳er und bl枸en nennen, Dτeyfaltigkeyt blůmlin, Unser Frawen rþel, Heyligen geysts bl枸lin, Heyligen geysts wurtz, Ma- [4] rien Magdalenen blůmen, S. Jacobs kraut, S. Chτistoffels kraut, Marien dystelen, S. Peters kraut, S. Loτentzen kraut, S. Johannes kraut, und deren unz瑛ich vil, die bey uns ettwas besonders ger枸et, und kr映ftig gerechnet, auþ keiner andern uτsach, dann das die genanten Heyligen (wie menigklich nennt) erfunden sollen haben, anzeygt, und gesegnet. Von dem kre殳lin Hysop sagt man, das unser Herτ Jesus dz selbig mit seiner G冲tlichen handt selb soll gepflantzt haben. Jst wol l営herlich zů reden, und auch zů glauben, thůt aber deren halb zů dem lob der Kre殳er, das unsere voτfaren und Alten, die kre殳ter so hoch geachtet unnd gepτyþen, dz ire anzeygungen, und kr映fte, die G冲teren, und allerheyligesten ynen haben zůgeben. Und h液ten sye etwz gr冱szers gewisszt, und gegla枌et dann Gott, es were durch sye den kre殳eren auch zůgeben. Dannnethar durch sye Esculus dem Jupiter geheyliget, d Loτb决baum Apolllini, Minerve der 冤ebaum, die Weinrebe Baccho, Veneri Mirtus, Herculi der Alberbaum, wie man bey den Poeten lyeþt.

Welke Goden de kruiden de eerste maal de mensen aantoonde.

 

Nu van de lof der kruiden wat te zeggen dunkt me niet dat allergeringste lof te zijn dat hun vinders en eerste aanwijzing de afgoden, de grote machtige koningen en heren als hun vinders het eerste zijn toegeschreven geworden, niet alleen bij de heidenen, maar ook bij de Hebree喪s en Christenen. Dan elk ding zoveel het des te waardiger is zoveel zijn aanvang een meester en vinder waardiger. Moly is een heerlijk hoog beroemd kruid bij de po粗t Homerus geprezen, zulks heeft als allereerste de hertog Ulyssus aangetoond de afgod Mercurius waarmee hij zich verweren mocht tegen de heks Circe zodat hij niet van haar betoverd wordt. Maar in onze landen niet bekend. Dan het groeit alleen in Arcadi met een ronde, zwarte wortel, een uien gelijk, zal vast moeizaam en zwaar te graven zijn. Daarna is Panace wat heilig genoemd en voor een heiligdom gehouden, als een artsenij tot alle ziektes dienstig, wordt ook toegeschreven Chiron, Hercules en Aesculapius. Genoemde Hercules wordt ook toegeschreven dat bilzekruid en noch een Heraclion syderion genoemd, een uitbanning voor een wondkruid tot alle wonden zo van ijzer of messen geschieden. Bingelkruid draagt op de huidige dag zijn naam van de Mercurius Mercurialis genoemd. Daarom omdat het van de Mercurius de mensen eerste aangetoond is. De grote held Achilles heeft ook een kruidje aangetoond met zijn naam Achillea en Achillion. En die kruiden vindt men in Plinius veel, van mij wol mochten aangetoond worden was het de Duitse eenvoudige lezer niet bezwaarlijk met deze onbekende namen der kruiden en de vinders hen daarmee te bedroeven. Maar dat ik van de onze en bekendere dingen spreek, is het niet ook de Goden toegeschreven? Zoals zo we noch tegenwoordig ettelijke kruiden en bloemen noemen, Drievuldigheid bloempje, Onze Vrouwen roosje, Heilige Geest bloempje, Heilige Geest kruid, [4] Maria Magdalena bloem, St. Jacobs kruid, St. Christoffel kruid, Maria distels, St. Peters kruid, St. Laurentius kruid, St. Johannes kruid en van die ontelbaar veel die bij ons wat bijzonder geroemd en krachtig gerekend worden uit geen andere oorzaak dan dat die genoemde Heiligen (zoals menigeen noemt) gevonden zouden hebben, aangetoond en gezegend. Van het kruidje hysop zegt men dat onze Heer Jezus datzelfde met zijn Goddelijke hand zelf zal geplant hebben. Is wel lachwekkend te spreken en ook te geloven, doet echter vanwege de lof der kruiden dat onze voorvaders en ouden de kruiden zo hoog geacht en geprezen dat hun aanwijzingen en kracht de Goden en allerheiligste hen hebben gegeven. En hadden ze wat groter geweten en geloofd dan God het werd ze door de kruiden ook gegeven. Vandaar door is Esculus de Jupiter geheiligd, laurier Apollo, Minerva de olijf, de druif Bacchus, Venus de mirt, Hercules de abeel zoals men bij de po奏en leest.

 

 

Wer die allersten kre殳er hab anzeygt, nach anzeyge der histoτien b枋her.

 

Welche aber under solichen Abg冲teren d allererst sey gesein, da entzweyen sich die histoτien mit den Poeten. Diodoτus Siculus, einer von den allereltesten, der haltet, das Mercurius der erst sey gesein. Die anderen aber geben dar den Apis, ein k殤ig von Egypten. Ettliche andere, den Arabo, ein sůn Apollinis, und Babylonis. Ettliche den Apollinem selber. Unnd nach dem den Esculapium. Doch stimmen ir der meertheyl, das die Egyptier solicher kunst ein anfang seyen geweþt, dz auch von den selbigen kummen uff die Kryechen, und zů letst gar spat, zů den zeiten Marci Catonis Censoτij, erstlich uff die R冦er, welche dann solich schw詠lich angenommen, auch vil male alle 詠tzet uþ Rom getriben.angesehen den betrug, und fynantz, den die Kryechischen 詠tzet mit ynen triben, unnd dieweil sye die R冦er f殲 Barbaros hyelten, on dauren zů dem kirchoff abfertigeten. Es haben auch dazůmal freilich die 詠tzt kein grossz erfarnþ gehebt, auch keinen rechten bτauch der kre殳er gewisszt.mag man an vilen oτten bey dem Plinio abnemen, welcher sey hencker und mτder nennet.doch das voτtheyl voτ anderen mτderen gehebt, dz sye mit verhengknþ des Magistrats und oberkeit t囘teten, unnd man ynen darzů lonet.

Wie de allereerste kruiden heeft aangetoond naar aantonen van de historische boeken.

 

Welke echter onder zulke afgoden de allereerste is geweest, daar scheiden zich de histori創 met de po奏en. Diodorus Siculus, een van de aller oudste, die houdt dat Mercurius de eerste is geweest. De anderen echter geven daar de Apis, een koning van Egypte. Ettelijke andere de Arabo, een zoon van Apollo en Babylonis. Ettelijke de Apollo zelf en na hem Aesculapius. Doch overeenstemmen van hen het meeste deel dat de Egyptenaren zulke kunst een aanvang zijn geweest en dat ook van dezelfde gekomen op de Grieken, en tenslotte erg laat in de tijden van Marcus Cato Censor eerst bij de Romeinen welke dan zulks zwaar aangenomen en ook veel malen alle artsen uit Rome verdreven hebben. Aangezien het bedrog en vijandschap die de Griekse artsen met hen dreven en omdat ze de Romeinen voor Barbaren hielden onafgebroken naar het kerkhof brachten. En hebben ook toen wel zeker de artsen geen grote ervaring gehad, ook geen recht gebruiken der kruiden geweten. Mag men aan vele oorden bij Plinius afnemen welke ze hangers en moordenaars noemt. Doch dat voordeel voor andere moordenaars gehad dat ze met hangen van de magistraten en overheid doodden en men hen daartoe beloonde.

 

 

Wer die Artzeney zů allererst in ein oτdenung bτacht.

 

Wie soliche erfarn殱szen und warnemmens der kunst sey in ein oτdennng bτacht woτden, beschτeiben Strabo unnd Plinius, und spτechen, das das selbig hab gethon Hippocrates ein hochberůmpter mann, geboτen uþ d inselen Co.welcher als es der bτauch was bey den ynwonern der selbigen insulen, alle die in den tempel Esculaij zůverzeychenen so von kranckheiten waren gesundt gemacht woτden, und durch was mittel, hatt er die selbigen erfarnen st歡k zůsam (Aii) [5]man tragen, und in geschτifft bτacht, und darnach von ym selb weiter erstreckt. Jst wol zů glauben, das solich, oder der gleichen anf穎g seyendt gesein, allein warnemungen und uffmerkungen deren ding, wz sye in den menschen geschafft. Welche, dieweil sye sich on undlaþ ver穎dert, und noch veranderen, haben sich zůtragen so mancherley meynungen, dz auch uff den he殳igen tag nichts satts, noch bestendigs in der artzeney, unnd auch kaum ein kunst ist, die meer warnemens unnd uffsehens bedτff. Also schτeiben auch Herodotus, und Strabo von den Babyloniern.die selbigen als sye noch kein 詠tzet gehabt, haben sye alle ire krancken uff die gasszen, unnd uff die m詠ckt getragen.damit menigklich zů ynen m冂ht reden, und sye auch yderman m冂hten rhats fragen, n稽lich die so ettwan mit gleicher kranckheit behafftet gewesen, unnd durch artzeney erlediget. Es hat auch soliche krancken nyemants dτffen 歟ergeen, sonder yederman m枹szen das best rhaten, und also ist man mit erst der artzeneyen ynnen woτden. Hyezů hat auch geholffen die influentz des hymmels, sonderliche neygung von d geburt. Dann diþes wisszen und kunst vilen von natur angeboτen (wie die Astrologi darvon reden) das sye von wegen irer neyglicheit solichs de殳lich leeren, vil ding von ynen selber erfinden, auþ speculieren, on zůthůn anderer.wie wir noch he殳beytag bey vilen sehen, die mit den kre殳eren und erfarn殱szen der dinge, ettwan meer erkantn殱sz haben weder mancher hochberůmpter artzet.

Wie de artsenij als allereerste in een ordening bracht.

 

Hoe zulke ervaringen en waarnemen der kunst is in een ordening gebracht is geworden beschrijven Strabo en Plinius en spreken dat datzelfde heeft gedaan Hippocrates een zeer beroemde man, geboren uit het eiland Cos. Welke als er toen het gebruik was bij de inwoners van diezelfde eilanden allen die in de tempel van Aesculapius te verzoeken zo van ziektes waren gezond gemaakt geworden en door welk middel heeft hij diezelfden ervaren stukken tezamen (Aii) [5]gedragen en in geschrift gebracht en daarna van hem zelf verder verstrekt. Is goed te geloven dat zulke of dergelijke aanvang is geweest alleen waarnemingen en opmerkingen van die dingen wat ze in de mensen doet. Welke, omdat ze zich onophoudelijk verandert en noch veranderen, hebben zich toegedragen zo menigvuldige meningen zodat ook op de huidige dag niets voldoende, noch bestendig in de artsenij en er ook nauwelijks een kunst is die meer waarnemen en opzien behoeft. Alzo schrijven ook Herodotus en Strabo van de Babyloni喪s. Diezelfden als ze noch geen artsen hadden hebben ze al hun zieken in de gaten en op de markt gedragen daarmee menigeen tot hen mocht spreken en ze ook iedereen mochten raad vragen, namelijk die zo wat met gelijke ziekte behept geweest en door artsenij kwijt geworden. En heeft ook zulke zieken niemand durven voorbij gaan, maar iedereen moest dat beste aanraden en alzo is men met de eerste der artsenijen bekend geworden. Hiertoe heeft ook geholpen de invloed der hemel, bijzonder neiging van de geboorte. Dan dit weten en kunst vele van natuur aangeboren (zoals de astrologen daarvan zeggen) dat ze vanwege hun genegenheid zulks duidelijk leren, vele dingen van hen zelf uitvinden, uitspeculeren zonder toedoen van anderen. Wat we noch tegenwoordig bij velen zien die met de kruiden en ervaringen der dingen wat meer bekendheid hebben dan vele zeer beroemde artsen.

 

 

Wie das auch durch die tr殷m und yngebens der G冲ter vil kre殳er erstlich anzeygt.

 

Plinius spτichts, unnd ist auch wol zů glauben, das zům theyl auch erkantn殱sz der Kre殳er sey kummen durch yngeben der G冲ter, im schlaff, unnd in den tr検men. Gleich wie wir von unseren Pτopheten sagen, das die zůk殤fftige ding gesehen, auch durch yngeben des heyligen Geystes. Zeygt an darvon ein history von einen Kryegþmann welcher als er von einen tobenden hund gebisszen, unnd ym nyemants gehelffen m冂ht, hatt sein můter in der nachtrůe ein wurtzel gesehen, von den wylden hunds roþen, welche ir noch yngedenckt vom gesycht des voτderigen tags, sye solt die selbigen wurtzel bτauchen. Das sye als dann thett, unnd die ym in geyþmilch zů trincken gab, und ward gemeltem kryegþmann irem sůn darvon geholffen. Diþ ist nun die allerbeste meynung. Unnd also acht ich, das d geyst Gottes Adam unnd Hevah, die Altv荊ter und Patriarchen, erstlich geleert habe, darnach sye ire kinder weiter darvon berichtet. Es haben auch Adam und Hevah die erkantn殱sz der gew慶hþ gehebt, des gleichen der Thyer, denen er ire nammen geben, unnd yngesetzt. Wir leþen auch vom Salomone, das ym der geyst Gottes geben hatt die recht ware kunst, von beschaffung der welt, welches wir nennen, Philosophiam naturalem, die kunst des hymmels lauffs, der gestyrn, der thyer, unnd der wind, gedancken der menschen, unnd der gew慶hs, und der wurtzeln, von welchen [6] dingen allen, er im K殤ig bůch vom ym beschτiben, gedisputiert, ja von allen gew慶hþen, wz natur und weþlicheit sye seind, von dem Ceder baum an, bitz uff den Hysop, der uþ der wandt w慶hþt.

Hoe dat ook door die droom en ingeven der Goden veel kruiden eerst aangetoond.

 

Plinius spreekt en is ook wel te geloven dat voor een deel ook bekendheid der kruiden is gekomen door ingeven der Goden, in slaap en in de dromen. Gelijk zoals we van onze profeten zeggen dat die toekomende dingen zien, ook door ingeven van de Heilige Geest. Toont aan daarvan een historie van een soldaat welke toen hij van een dolle hond gebeten en hem niemand helpen mocht heeft zijn moeder in de nachtrust een wortel gezien van de wilde honds rozen welke haar noch bedacht van gezicht van de vorige dag, ze zou diezelfde wortel gebruiken. Dat ze als dan deed en die hem in geitenmelk te drinken gaf en werd gemelde soldaat, haar zoon, daarvan geholpen. Dit is nu de allerbeste mening en alzo acht ik dat de geest God Adam en Eva, de oudvaders en patriarchen eerst geleerd heeft en daarna zij hun kinderen verder daarvan bericht. En hebben ook Adam en Eva de bekendheid der gewassen gehad, desgelijks de dieren en die hen hun namen gegeven en ingezet. We lezen ook van Salomon dat hem de geest God gegeven heeft de echte ware kunst van de schepping der wereld welke we noemen Philosophiam naturalem, de kunst van de hemelloop, de sterren, de dieren en de wind, gedachten der mensen en de gewassen en de wortels van welke [6] dingen allen hij in Koningen boek van hem beschreven, gedisputeerd, ja van alle gewassen welke natuur en wezenlijkheid ze zijn, van de ceder boom aan tot de hysop die op de wanden groeit.

 

 

Welche K殤ig, unnd Gτoþm慶htige f殲 kre殳er erfunden.

 

Die K殤ig unnd groþm慶htigen haben voτzeiten den kre殳eren auch nammen yngesetzt die selbigen erfaren, und den menschen anzeygt, unnd wie Plinius darvon schτeibt, so haben sye solichs f殲 ein grosse f殲stliche that gehebt, vil meer, dann so sye durch kryeg gesygten, unnd ire feind gedemmeten. Gencius ein K殤ig von Jllyrien, hat zů aller erst die Entzian, und iren bτauch den menschen anzeygt, spτicht Plinius, unnd desszen ein gτ冱sere fre歸 gehebt, weder hette er hundert st荊t, land und le殳 erobert. Clymenes, unnd Lysimachia seind auch von den K殤igen erfunden. Scoτdion das edel kraut erfand erstlich K殤ig Mithτidates von Ponto. Euphoτbiam auch der selb K殤ig Mithτidates. Den Beyfůssz, oder Buck, Artemisia die K殤igin, ein hauþfraw des K殤igs Mausoli. Servilius Democrates Hiberidam genannt. Des gleichen Avicenna, Razes, Hali, Messias, Abτaham, was seins es anders gesein, weder K殤ig, und m慶htige le殳, ja viler K殤ig unnd herτen nammen? Wo weren sye yetzunt, wann sye nicht in den kre殳eren, welche von ynen also uffgesetzt, werent erhalten woτden? Was wisszt man von Gencio, Lysimacho, Clymene, Mithτidate, wann sye sich der artzeney nicht bek殞mert hetten, den menschen gůts gethon, unnd dardurch in ein unsterblicheit weren kummen? Desszhalb sye auch uff den he殳igen tag meer leben, dann da sye uff erdtrich gyengen.

Welke koning en zeer machtige voor kruiden gevonden heeft.

 

De koningen en zeer machtigen hebben in voorgaande tijden de kruiden ook namen ingezet en diezelfden ervaren en de mensen aangetoond en zoals Plinius daarvan schrijft, zo hebben ze zulks voor een grote vorstelijke daad gehad e veel meer dan zo ze door oorlog overwonnen en hun vijanden verdoemd. Gencius, een koning van Illyri, heeft als aller eerste de gentiaan en zijn gebruik de mensen aangetoond spreekt Plinius en die een grotere vreugde had dan als hij honderd steden, landen en lieden verovert. Clymenes en Lysimachia zijn ook van de koningen gevonden. Scordium, dat edele kruid, vond eerst koning Mithridates van Pontus. Euphorbia ook dezelfde koning Mithridates. De bijvoet of Buck Artemisia de koningin, een huisvrouw van koning Mausoleus, Servilius Democrates Hiberidam genoemd. Desgelijks Avicenna, Razes, Hali, Messias, Abraham, wat zijn het anders geweest dan koningen en machtige lieden, ja vele koning en heren namen? Waar waren ze nu wanneer ze niet in de kruiden welke van hen alzo gezet waren behouden geworden? Wat weet men van Gencius, Lysimachius, Clymenus, Mithridates wanneer ze zich om de artsenij niet bekommerd hadden, de mensen goeds gedaan en daardoor in een onsterfelijkheid waren gekomen? Vandaar ze ook op de huidige dag meer leven dan dat ze op aardrijk gingen.

 

Welche v冤cker, was kre殳er sey den andern anzeygt, unnd mittheylt.

 

Von den K殤igen unnd groþm慶htigen ist solich kunst h罫nachmals kummen uff die gemeyn, unnd haben also die v冤cker diþer herτlichen wunderbarlichen gesch冪fft Gottes auch war genommen. Erstlich die Scythe, von welchen das kraut Scythice, in Scotia wachþend. Darnach die Thτacier das kraut Ischneumon, ein gewaltig blůtstopffung, nit allein so einem ein ader gesch慧iget, sonder auch wann sye auch gar abgehawen were. Die Vetones in Hispanien, haben war genommen des krauts Betonica, welches uff den he殳igen tag, auch seinen alten nammen behalten von genanten v冤ckeren. Die Jllyrier aber, Irim Jllyricam. Da von allem magstu leþen Plinium, Dioscoτidem, unnd Theophτastum.

Welke volkeren en welke kruiden ze de anderen aangetoond en medegedeeld.

 

Van de koningen en zeer machtigen is zulke kunst daarna gekomen op de algemene en hebben alzo de volkeren deze heerlijke wonderbaarlijke scheppingen Gods ook waargenomen. Eerst de Scythen van welke dat kruid Scythice, in Scotia groeiend. Daarna de Thraci喪s dat kruid Ischneumon, een geweldig bloedstelpend, niet alleen zo iemand een ader beschadigt, maar ook wanneer ze ook erg afgehouwen waren. De Vetones in Spanje hebben waar genomen dat kruid Betonica welke op de huidige dag ook zijn oude naam behouden heeft van genoemde volkeren. De Illyri喪s echter hun Illyricam. Daarvan alles mag u lezen Plinius, Dioscorides en Theophrastus.

 

Das auch die unvern殤fftigen thyer vil kostlicher kre殳er anzeygt haben.

 

Es haben auch die unvern歿ftigen thyer ettlich kre殳er anzeygt, und nicht die minsten, welches so vil zů der eere der kre殳er dyenet, wie vil meher hie [7] Gottes wunder gerůmpt w殲t, so auch den thyeren ire artzeney beschaffen, welche, so sye gleiche, und ettwan schwerere kranckheit anfallen weder die menschen, soliche durch eintzige kre殳lin heylen, unnd vertreiben. Es meynent auch die 畦testen 罫tzet, wo wir in etlichen dingen, unnd artzeneyen, oder auch leibs und gesundtheit pflegungen, nicht anweiþung gehebt hetten von den thyeren, das wir nymmer zů solcher erkantn殱sz kommen weren. Also sagt Plinius von den Hippotamo, ist ein mτ thyer, wann es zů feyþt w殲t, und zů blůtreich, also das es ym deren halben kranckheit besoτgt, so lasset es sich uff den staden in das roτ, und wo es etwan einen spitzigen doτn oder stengel findt, so reisszt es ym selb ein ader uff, lasset dz blůt, unnd verstreicht darnach die selbig mit moþ. Wer wolt den menschen gesagt haben, wie dz es so ein kostlich artzeney were, den leib uffthůn durch Clystyer, wann nicht dz selbig erstlich war hetten genommen die alten Egyptier bey den Stτcken? deren in Egypten wunderbarlich vil seind, unnd bey einer hohen straff, kein stoτck ettwan ist ged冲et woτden. Die stτcke wann sye sich selb ettwz 歟el entpfinden, so fassen sye iren halþ vol mτ wasszers, und lasszen das selbig mit irem langen schnabel in den hynderen, purgieren sich der massen.

Pfeil, yþen, dτne, stahel ausser dem fleysch zyehen, mit 歟ergelegten kre殳eren, ist auch nicht allwegen bewisszt, sonder von den hirtzen wargenommen, welche wann sye geschossen, sůchen sye den Diptam, und damit thůn sye ynen rat. Des gleichen, wann sye von einer gyfftigen spynnen gesch慧iget, Phalangion genennt, oder sonst von einem anderen, geen sye in die bach, unnd essen krebs, so seind sye wol beh柎et. Unnd solichs thůnd die Egglessen auch, wann sye von den schlangen gesch嬰iget.

Von der Sch冤wurtz, oder Chelidonien, schτeibet Aristoteles und Plinius, das die Schwalben iren jungen die augen darmit uffetzen.dann es hefftig scharpff ist. Dah詠 haben wir Chelidonien nicht f殲 das mynst augen kraut.

Was ist verachtlichers, weder ein Schn営k, und dannest hat ym Gott auch sein Cunilam anzeigt, damit er sich voτ dem schlangen gyfft beh柎et? Also dz Wyselin, wann es meþ will fahen, so beschawet es umb die Rauten, die selbig ist sein theriacks. Die stτcke lieben den Dost, oder wolgemůt. Die Beren den Ebhewe. Die Schlangen den Fenchel, und Wecholter. Mit dem Fenchel bτingen sye ynen wider ir veraltet gesycht, mit dem Wecholter sch柝en sye sich, und reynigen den balgk. Des gleichen auch die grewlichen Trachen, wann sye im Glentzen unwillen, verstellen sye ynen selb solichen unlust mit wyldem Lattich safft. Die Partherthyer faht man mit dem gyfft Cicuta.dargegen aber haben sye des menschen kodt, wo sye solichen bekommen m冏en, ist ynen das gyfft on schaden, seind der selbigen artzneney so gef詠de, unnd begirlich, das wann man den selbigen kodt in die h冑e hencket, also das sye yn nit erτeychen m冏en, sye sich zů todt darnach spτengen. Chameleon das kraut ist der Helffanten gyfft, [8] aber mit wylde 冤b疫men bletter helffen sye ynen wider. Es seind auch die Mandτager 冪ffelin den Beren sch嬰lich, dargegen hatt ynen die natur anzeygt die omeyssen. Wann ein Hirtz ettwz schadhaffugs gesszen hatt, bτauchet er ein kraut Cinnaris genannt, so mag ym auch kein gyfft nicht schaden. Reph柤er, Důlen, Feldtauben, unnd die H栄er, purgieren sich mit den Loτber bletteren. Blochtauben, Durtteltauben, und die H穎 mit dem kraut, Tag unnd Nacht. Also die wylden Entten, G穎þ, unnd was meer des wassers gev冏els ist, helffen ynen mit dem kraut Sideritis, Sternkraut genannt. Kr穎ch, und was desselbigen geschlechts und art, die haben die Bintzen in dem ryet.

Man sagt von dem Rappen, wann er das thyer Chameleom umbbτingt, so w殲t er vergyfft, dem selbigen aber kompt er zů, mit Loτber bletter.

Helianus ein nammhaffter histoτicus, schτeibet von den Eberen, wann sye ungef詠 essen dat Bilsam kraut, so gewinnen sye gegycht darvon.dargegen hat ynen die natur ynbildet, das sye in die b営h geend, und fischen krebs.zeygen darmit an, das auch dem menschen dz genannt Bilsam kraut vast sch嬰lich ist. Also purgieren sich die Hund mit dem graþ. Diþer dingen allsament haben die Alten fleissig war genommen, und dar bey erachtet, was den thyeren sch嬰lich, dz das auch freylich den menschen nit gesundt, seind dar durch also in erkantnþ kummen der gesunden unnd der gyfftigen kre殳er

Dat ook de onverstandige dieren veel kostelijke kruiden aangetoond hebben.

 

En hebben ook die onverstandige dieren ettelijke kruiden aangetoond en niet de minsten welke zoveel tot de eer der kruiden dient, hoeveel meer hier [7] Gods wonder geroemd wordt zo ook de dieren hun artsenij geschapen welke zo ze gelijke en wat zwaardere ziektes aanvallen dan de mensen zulke door enkele kruidjes helen en verdrijven. En menen ook de oudste artsen wanneer we in ettelijke dingen en artsenijen of ook lijf en gezondheid pleging geen aanwijzing gehad hadden van de dieren dat we nimmer tot zulke bekendheid gekomen waren. Alzo zegt Plinius van het nijlpaard, is een waterdier, wanneer het te vet wordt en te bloedrijk alzo dat het hem daarom ziekte bezorgt zo laat het zich op de kanten in dat riet en waar het wat een spitse doren of stengel vindt dan wrijft het zichzelf een ader open, laat dat bloed en bestrijkt daarna datzelfde met mos. Wie zal de mensen gezegd hebben hoe dat het zoユn een kostelijke artsenij was het lijf open te doen door klysma ヤs wanneer niet datzelfde eerst waar had genomen de oude Egyptenaars bij de ooievaars? Die er in Egypte wonderbaarlijk veel zijn en bij een hoge straf geen ooievaar wat is gedood geworden. Die ooievaars wanneer ze zichzelf wat slecht vinden zo vatten ze hun hals vol zeewater en laten datzelfde met hun lange snavel in het achterste, purgeren zich dermate.

Pijl, ijzer, doren en staal uit het vlees trekken met opgelegde kruiden is ook niet altijd bewust, maar van de herten waargenomen welke wanneer ze geschoten worden zoeken ze de Dictamnus en daarmee doen ze hun raad. Desgelijks wanneer ze van een giftige spin beschadigt, Phalangion genoemd, of soms van een andere, gaan ze in de beek en eten kreeft dan zijn ze goed behoed. En zulks doen de hagedissen ook wanneer ze van de slangen beschadigd worden.

Van de stinkende gouwe of Chelidonia schrijft Aristoteles en Plinius dat de zwaluwen hun jongen de ogen daarmee open eten. Dan het heftig scherp is. Vandaar hebben we Chelidonia niet voor dat minste ogenkruid.

Wat is verachtelijker dan een mug en toch heeft hem God ook zijn Cunilam aangetoond waarmee het zich voor de slangengif behoedt? Alzo dat wezeltje wanneer het muizen wil vangen dan schouwt het om de ruit, datzelfde is zijn teriakel. Die ooievaars houden van de marjolein of welgemoed. De beren de klimop. De slangen de venkel en jeneverbes. Met de venkel brengen ze zich weer hun verouderde gezicht, met de jeneverbes schuren ze zich en reinigen den huid. Desgelijks ook die gruwelijke draken waanneer ze in lente onwil hebben verstellen ze zichzelf zulke onlust met het wilde sla sap. Dat panter dier vangt men met het gif Cicuta. Daartegen echter hebben ze de mensen vuil en wanner ze zulks bekomen mogen is hen dat gif zonder schaden, zijn diezelfde artsenij zo aangenaam en begeerlijk dat wanneer men dezelfde vuilheid in die hoogte hangt alzo dat ze het niet bereiken mogen ze zich ter dood daarna springen. Chameleon dat kruid is de olifanten gift, [8] echter met wilde olijfbomen bladeren behelpen ze hen weer. En zijn ook de mandraak appeltjes de beren schadelijk, daartegen heeft hen de natuur aantoont de mieren. Wanneer een hert wat schadelijks gegeten heeft gebruikt het een kruid Cinnaris genoemd, dan mag hem ook geen gif niet schaden. Patrijs, de uilen, veldduiven en de kraaien (?) purgeren zich met de laurier bladeren. Holduiven, tortelduiven en de haan met het glaskruid. Alzo de wilde eenden, ganzen en wat meer van watervogels is behelpen zich met het kruid Sideritis, sterkruid genoemd. Kraanvogels en wat van hetzelfde geslacht en aard die hebben de biezen in het riet.

Men zegt van de raven wanneer het dat dier Chameleom ombrengt dan wordt het vergiftigd, dezelfde echter komt terug met laurier bladeren.

Helianus, een bekende historicus, schrijft van de wilde zwijnen wanneer ze ongeveer eten dat bilzekruid dan gewinnen ze jicht daarvan. Daartegen heeft hen de natuur ingebeeld dat ze in de beek gaan en vissen kreeft. Tonen daarmee aan dat ook de mensen dat genoemde bilzekruid erg schadelijk is. Alzo purgeren zich de honden met het gras. Deze dingen alle samen hebben de ouden vlijtig waar genomen en daarbij verwacht wat de dieren schadelijk dat dit ook zeker den mensen niet gezond is, zijn daardoor alzo in herkenning gekomen der gezonde en de giftige kruiden.

 

Von den Ersten beschτeiberen der Kre殳er.

 

Diþe erfarn殱sen seind ein zeitlang in den menschen gesein, und hatt ye ein geburt der anderen solichs anzeygt, zů der zeyt da die bůchstaben noch nicht erfunden.wie noch he殳beytag die ungeleerten, und unerfarnen der gschτifft, vil geheymn殱szen haben der kre殳er und wurtzelen, welche sye zům theyl von iren voτfaren ererbet, zům theyl ynen von natur angeboτen, und uþ nat柮licher neygung solicher ding, bald warnement, on wisszen der bůchstaben. Hernachmals aber da die geschτifft erfunden, hat man anfangen soliche kr映fte, unnd naturen der ding in die bůcher zů verzeichenen, dieweil menschliche gedechtn殱sz bl囘e, das soliche mit der zeyt nicht in vergessz gestelt w殲den, sonder auch die nachkommenen etwas darvon wisszten, und eben vil, zům theyl den gemeynen nutz angesehen, zům theyl eygens růms halb zů eryagen, darvon geschτiben haben. Es seind auch zů den selbigen zeyten die kre殳er bůcher nit gemeyn gesein, auch nicht so vil kre殳er bekant, sonder hatt ym einer diþes, ein and ein anders f殲 die handt genommen. Also leþen wir von k殤ig Juba, das er die Euphoτbiam zů erst beschτiben hab, Themison den Wegerich, Muscus und Hesiodus Polium, Chτysippus den K冤. Deþ gleichen Dieuches und Cato auch die K冤. Zeno ein stoicus die Capτesszen, Antinomachus Cytisum, Moτchio den Rettich, Apuleius die Betomen, Virgilius Ebenum, Erasistratus Lisimachiam, Homerus den Saffran, Lotum und Hia (B) [9] cynthum, Hesiodus die Bappelen, Archigenes den Bibergeyl, Aristomachus die Weinreb, Asclepiades die Chamillen blůmen.

Nach diþen seind kommen ettliche andere, als Theophτastus, Bithinus Jolas, Heraclides Tarentinus, Julius Bassus, Niceratus, Petronius Niger, Didotus, Cratevas, Andreas, und zů letst Dioscoτides und Plinius, welche die voτderigen experimenten, und sonderliche beschτeibungen, zůsamen getragen, gantze b枋her darauþ gemacht.welche wiewol etwas verloschen und von lenge der zeyt abgangen, ist doch ein anzeyg, das sye vil gr冱szeren fleyþ gehebt haben uff die kre殳er, weder wir, die kaum darzů bτacht m冏en werden, das wir die Alten b枋her doch leþen, ich will geschweigen, dz wir solichen fleiþ solten darauff legen, 歟er der alten erfarung ettwas weitters underston zů erfinden, und unseren nachkommen verlassen. Es haben auch die Alten so grossz uff die krafft der kre殳er gehalten, dz sye sich einen eintzigen kraut nit genůgsam geacht, alle sein tugenden zů beschτeiben, unnd deren halber ein yeder hoch verstendiger, ein eintzig kraut f殲 sich genummen zů beschτeiben.

Van de eerste beschrijvers der kruiden.

 

Deze ervaringen zijn een tijd lang in de mensen geweest en heeft elke geboorte de andere zulks aangetoond tot de tijd dat de boekletters noch niet gevonden. Zoals noch tegenwoordig de ongeleerde en onervaren der schrift veel geheimen hebben der kruiden en wortels welke ze voor een deel van hun voorvaders ge喪fd, voor een deel van hun natuur aangeboren en uit natuurlijke neiging van zulke dingen snel waarnemen zonder weten van de boekletters. Hierna echter toen de geschrift gevonden is is men aangevangen met zulke krachten en naturen der dingen in de boeken aan te tonen omdat menselijke gedachten zwak zodat zulks met de tijd niet in vergeten gesteld wordt, maar ook de nakomelingen wat daarvan weten en evenveel voor een deel de algemene nut aangezien, voor deel vanwege eigen roem te najagen daarvan geschreven hebben. En zijn ook in dezelfde tijden die kruidenboeken niet algemeen geweest, ook niet zoveel kruiden bekend, maar heeft elke een deze en een andere een andere voor de hand genomen. Alzo lezen we van koning Juba dat hij de Euphorbia als eerste beschreven heeft, Themison de weegbree, Muscus en Hesiodus Polium, Chrysippus de kool. Desgelijks Dieuches en Cato ook de kool. Zeno, een sto苗us, de cipres, Antinomachus Cytisus, Morchio de radijs, Apuleius de betonie, Virgilius Ebenus, Erasistratus Lysimachia, Homerus de saffraan, Lotus en (B) [9] Hyacinthus, Hesiodus de kaasjeskruiden, Archigenes de bevergeil, Aristomachus de druif, Asclepiades de kamille bloemen.

Na deze zijn gekomen ettelijke andere zoals Theophrastus, Bithinus Jolas, Heraclides Tarentinus, Julius Bassus, Niceratus, Petronius Niger, Didotus, Cratevas, Andreas en tenslotte Dioscorides en Plinius welke de vorige experimenten en aparte beschrijvingen tezamen gedragen en ganse boeken daaruit gemaakt. Welke hoewel wat verloren en van de lengte der tijd afgegaan is doch een aanwijzing dat ze veel grotere vlijt gehad hebben op de kruiden dan wij die nauwelijks daartoe gebracht mogen worden dat we de oude boeken toch lezen, ik wil zwijgen dat we zulke vlijt zouden daarop legen en boven de oude ervaring wat verder begrijpen uit te vinden en onze nakomelingen nalaten. En hebben ook de ouden zo groot op de krachten der kruiden gehouden dat ze zich een enkel kruid niet voldoende geacht al zijn deugden te beschrijven en vandaar elke zeer verstandige een enkel kruid voor zich genomen heeft te beschrijven.

 

 

Das die wissenheyt der kre殳er oder kre殳lerey die aller 瑛test kunst ist.

 

Die wolredener wann sye ettwas loben, oder schelten w冤len, haben sye f殲 ein sonderlichen grundt, die 瑛te eins dings. Demnach w冤len auch wir sehen uff die 瑛te, und langs h詠tkommen diþer kunst so ist sye ungefarlich mit den aller 瑛testen, von der zeyt an, da die obgenanten schτeiber gelebt, lange voτ den zeyten des 瑛testen Poeten Oτphei, Musci, Hesiodi, Homeri, und Pythagoτe.nit das darvoτ solich loblich kunst nicht gewest sey, sonder das sye von der selbigen zeyt h詠 angefangen, beschτiben woτden. Hye wer wol z sagen von dem Apolline, Peone, Esculapio, Machone unnd Podalirio. Jtem von dem Hippocrate, und anderen ersten erfindern der loblichen kunst der artzeney, ist aber nicht diþes oτts, auch von mir an einem anderen oτt beschτiben in dem histoτien bůch der 詠tzet, unnd k殤fftiger zeyt weiter vonn mir erstreckt soll werden.

Dat de wetenschap der kruiden of kruiderij de alleroudste kunst is.

 

De wel bespraakte wanneer ze wat loven of schelden wilden hebben ze voor een bijzondere grond de ouden een ding. Daarnaar willen ook we zien op de ouden en hierlangs komen tot deze kunst en zo is ze ongeveer met de aller oudsten, van de tijd aan dat die opgenoemde schrijver leefden, lang voor de tijden der oudste po奏en Orpheus, Muscius, Hesiodus, Homerus, en Pythagoras. Niet dat daarvoor zulke loffelijke kunst er niet geweest is, maar dat ze van diezelfde tijd af aangevangen en beschreven is geworden. Hier was goed te zeggen van Apolus, Peonus, Aesculapius, Machonus en Podalirius. Item van Hippocrates en andere eerste vinders van de loffelijke kunst der artsenij is echter niet deze plaats en ook van mij aan een andere oord beschreven in de histori創 boeken der artsen die in komende tijd verder van mij verstrekt zal worden.

 

 

Von den wunderzeychen unnd mirakelen der kre殳er.

 

Wiewol vil wunderwerck uff erden t曳lich geschehen, unnd zwar alle die werck des almechtigen Gottes, auch die allermynsten deren wir nit achten, nichts dann eytel wunderwerck seind, yedoch so scheinen die selbigen nyergent bassz, dan in den gew営hþen, welche wiewol unz瑛icher geschlecht und gestalt, seind sye noch vil hundertfaltiger kr映ften unnd eygenschafften. Wo die uns bewisszt, wir auch den selbigen so geflisszen weren, wie die Alten, nachzůgr殤den, so w殲den wir noch he殳beytag gleich auch den Alten, wunderweck thůn, nit uþ hexen werck, oder zauberey, sonder auþ lauterer eygenschafften der gesch冪fften, sampt den ynfl殱szen des hymmels und gestyrn darzů dyenend. [10] Dann vil ding seind, die wir verlachen, und f殲 unm殀lich achten, so wir soliche bey Plinio, und den alten histoτien schτeiberen leþen, die doch eytel n殳z seind, und solichs zů w殲cken in anbegin d welt schaffung von Gott darzů veroτdenet. Und haben soliche kunst der Alten genennt Magiam naturalem, ist etwann in einen grosszen werdt gesein, nit yederman zů gelassen, noch bewisszt, sond allein den philosophis, den weiþen, und grosszm営htigen herτen. Diþe heylige kunst ist hernachmals, wie auch unser Gots woτt, in einen miþbτauch kommen, und habents die nachkommende, abg冲tische, mit vilen stempeneyen und abergl疫bischen werck, mit zaubereyen, und der schwatzen kunst vermischt, ist damit bey den Juden, und bey den Chτisten, ja auch bey den Alten R冦eren, als ein abergl疫bische kunst verdampt, und nidergelegt woτden. Dabey wol zů erachten, dz wir hinf殲t nit als bald zů solicher erkantnþ der ding und gesch冪fften kommen werden. Damit man aber sehe, was die Alten mit den kre殳eren auþgericht haben, will ich dan nest d selbigen etliche anzeygung thůn.uff das menigklich bey solichen wennigen sehe, wz der gantz hauff verm冏e, wo wir soliche wisszten zů bτauchen.

Lotus ist ein gew営hþ, wechþt in der ynsulen Circe, wie Homerus sagt, hat soliche starcke krafft, das, wer darvon ysset, vergisset seines vatters landts, seiner kinder, und alles was er liebs hat, begert darvon nit zů weichen.

Xanthus, zů seinen zeiten ein berůmpter histoτien schτeiber, schτeibt von eim kre殳lin Bali genannt, durch welches voτ zeiten ein mensch von einen Dτachen get囘tet, widerumb erweckt, unnd zů dem leben bτacht sey. Und solchs ist nicht ein mal, sonder offtermals, wie Plinius sagt, beschehen. Do h液 wir abnemen, ob wir schon nit gl疫big weren dem woτt Gottes, dz es dannest nat殲lich, kein fabel ist, mit dem holtz des lebens, do von wir haben im bůch der gesch冪fft. Und mag sein, das soliche oder der gleichen kr映fte, noch he殳 bey tag in vilen kre殳eren und gew営hþen sey, wir sollens aber nit wisszen unser s殤d halb, und seind solchs nit werdt zů wissen.

Es schτeibt Theophτastus, und hats auch geglaubt Democritus, das ein kre殳lin sey das voτ zeiten die hirten an einen baum gehebt, in welchem geschlagen wz ein wecke, oder ein keyl, der sey uff stund herauþ gespτungen, durch kraffts des kre殳lins.

Der gleichen sagt man von der Betonien, wann man ein ring darauþ mach, unnd in den selbigen ring schlangen th枡, so k殤nen sye nicht ausser kommen, sunder erw殲gen einander selbst.

Es ist nit wol gl疫blich, findt man aber dannocht geschτiben in den historien, das die Scythier ein kre殳lin haben gehebt, Scythice, oder Spartanica genant, von welchem, wann sye nur ein wentzig gesszen, oder das selbig im mundt gehebt, haben sye daruff on hunger unnd durst m殀en beharτen zw冤ff tag.

Noch vil ungl疫blicher lautet es, dz ein kre殳lin soll sein das gantze wasszer und sehe auþdτ歡knet, und alles uff th歹 was es anrůret, die oτdenungen trenne, [11] unnd zů ruck treiben, so mans und sye wirfft.und welcher solchs bey jm tregt, alles keins dings mangel soll haben. Diþer kre殳lins eins ist Ethiopis genent.

Van de wondertekens en mirakels der kruiden.

 

Hoewel veel wonderwerk op aarde dagelijks geschiedt en zeker alle werken der almachtige God, ook de allerminste die we niet achten en niets dan enkel wonderwerk zijn, toch zo schijnen diezelfden nergens beter dan in de gewassen welke, hoewel er ontelbaar geslachten en gestalten zijn, zijn ze noch veel honderdvoudige krachten en eigenschappen. Waren die ons bewust en we ook in dezelfde zo vlijtig waren zoals de ouden na te gronden dan zouden we noch tegenwoordig gelijk ook de ouden wonderwerk doen en niet uit heksenwerk of toverij, maar uit zuivere eigenschappen der scheppingen, samen met de invloeden der hemel en sterren daartoe dienend. [10] Dan er veel dingen zijn die we uitlachen en voor onmogelijk achten zo we zulke bij Plinius en de oude historie schrijvers lezen die doch enkel nuttig zijn en zulks te werken in het begin der wereld schepping van God daartoe verordent. En hebben zulke kunst de ouden genoemd Magiam naturalem, is wat in een grote waarde geweest en niet iedereen toegelaten, noch bewust, maar alleen de filosofen, de wijzen en zeer machtige heren. Deze heilige kunst is daarna zoals ook ons Gods woord in een misbruik gekomen en hebben de nakomelingen, afgodische met vele stampei en bijgelovige werken, met toverijen en de zwarte kunst vermengt, is daarmee bij de Joden en bij de Christenen, ja ook bij de ouden Romeinen als een bijgelovige kunst verdampt en neergelegd geworden. Daarbij wel te verwachten dat we verder niet zo gauw zulke herkenning der dingen en scheppingen komen zullen. Daarmee men echter ziet wat de ouden met de kruiden uitgericht hebben wil ik dan naast dezelfde ettelijke aanwijzingen doen. Zodat menigeen bij zulke weinige ziet wat de ganse hoop vermag wanner we zulks wisten te gebruiken.

Lotus is een gewas groeit in het eiland Circe, zoals Homerus zegt, heeft zulke sterke kracht dat wie daarvan eet vergeet zijn vaderland, zijn kinderen en alles wat hij lief heeft en begeert daarvan niet te wijken.

Xanthus in zijn tijden een beroemde historie schrijver schrijft van een kruidje Bali genoemd door welke voor tijden een mens van een draak gedood wederom opgewekt en tot het leven gebracht is. En zulks is niet eenmaal maar meermaals, zoals Plinius zegt, geschiedt. Dan hadden we het afnemen ofschoon we niet gelovig waren aan het woord God dat het daarna natuurlijk en geen fabel is met het hout des leven waarvan we hebben in boek der scheppingen. En mag zijn, dat zulke of dergelijke kracht, noch tegenwoordig in vele kruiden en gewassen is, we zullen het echter niet weten vanwege onze zonden en zijn zulks niet waardig te weten.

En schrijft Theophrastus en heeft ook geloofd Democritus dat er een kruidje is dat voor tijden de herder aan een boom heft waarin geslagen was een wrik of een keil en dat is op stond eruit gesprongen door kracht van het kruidje.

Dergelijke zegt men van de betonie wanneer men een ring daaruit maakt en in dezelfde ring slangen doet dan kunnen ze er niet uit komen, maar wurgen elkaar zelf.

Het is nieterg geloofwaardig vindt men echter dan noch geschreven in de histori創 dat de Scythi喪s een kruidje hebben gehad, Scythice of Spartanica genoemd van welke wanneer ze nu een weinig eten of datzelfde in mond gehad hebben ze daarop zonder honger en dorst mogen volharden twaalf dagen. (Cannabis?)

Noch veel ongelofelijker luidt het dat er een kruidje zal zijn dat ganse water en zee uitdroogt en alles open doet wat het aanroert, de ordening verbreekt [11] en terug drijft zo men het werpt. En welke zulks bij hem draagt in alle dingen geen mangel zal hebben. Dit kruidje een is Ethiopis genoemd. (Salvia aethiopis)

 

 

Von ettlichen andern widerwertigen kr映ften der kre殳er, unnd einfachen Artzeneyen.

 

Und dieweil wir ye uff die wunderwerck kummen, w冤len wir auch ettwas von iren widerwertigen kr映ften sagen.

Die K殲bs, Cucumeren, hasszen das 冤e so 歟el, das sye sich auch abziehen in irem gew営hþ, von dem oτt da sye des 冤s entpfinden. Den Geyssen ist nichts sch嬰lichers dann Basilien, nichts ist das sye auch meer feinden. Dost, und R冦ische Bτassica zůsamen gepflantzt, dulden sich bey ein nicht, sonder verderben einander.

Eringion ist ein kraut, wann solichs ein Schaff uffzerthalb d herdt et sycht, so steet es stille, unnd die gantze herdt mit jm, und glaurend mit starτenden augen dz kraut an, also hefftig, und st液igs, dz sye der weyde vergessen und nicht ehe uff hτen sich zů verwunderen, der hirt neme jnen solichs dann von den augen.

Mengelkraut, dz kraut darvon gessen, laxiret, der som aber der stopffet.

Dz safft aber von R冦ischer Bτassica genosszen mit eines alten Hanen bτůe, unnd mτschnecken, laxieret. Dz kraut aber darvon mit anderem fleysch gesszen, stopffet.

Aloe, und Hamerschlag, ausszerthalb des leibs stopffen, inwendig lexieren sye. Der Klee d dem Hiacintho gleich ist, gekocht und 歟er gelegt, heylet die gifftigen spynnen und schlangen stih. Aber 歟er ein gesundt oτt oder glyd gelegt, vergifftet das selbig in alles massz wie ein schlang, oder spynne.

Cicuta ist ein gyfft, welches die Staren gern essen, und ist ir speyþe, einem menschen und anderen thier ist es gyfft, und t囘tlich. Deþ gleichen die Chτistwurtz ist ein sondlicher schleck d wachtlen, den anderen thieren ist sye sch嬰lich.

Von diþen wunderbarlichen dingen wer wol ein b枋h z schτeiben, wie zům theyl auch Solinus gethon, hatt aber hye kein stadt, die wir allein in einer eil den handel 歟erlauffen, dieweil soliche wunderbarliche w殲ckung zů den pτeyþ und rům dyenen der kre殳er, allein in einer summa von mir angezogen. Von der krafft und wunderen der edelgestein wer wol hye auch ettwz anzůzeygen, befylhe ich uþ gleicher uτsach bey dem Alberto magno unnd Plinio zů leþen.

Van ettelijke andere tegengestelde krachten der kruiden en enkelvoudige artsenijen.

 

En omdat we weer op dat wonderwerk komen willen we ook wat van hun tegengestelde krachten zeggen.

De kouwoerde en komkommers haten de olie zo erg dat ze zich ook wegtrekken in hun gewas van het oord daar ze de olie bevinden. De geiten is niets schadelijker dan basiel en niets is er dat ze ook meer vrezen. Marjolein en Romeinse Brassica tezamen geplant dulden zich bijeen niet, maar bederven elkaar.

Eryngium is een kruid wanneer zulks een schaap buiten de kudde het eet dan staat het stil en de ganse kudde met hem en gluren met starre ogen dat kruid aan en alzo heftig en steeds dat ze de weide vergeten en niet eerder ophouden zich te verwonderen als de herder neemt hen zulks dan van de ogen.

Melde, dat kruid daarvan gegeten laxeert, dat zaad echter dat stopt.

Dat sap echter van Romeinse Brassica genoten met een ouden hanenbrei en zeeslakken laxeert. Dat kruid echter daarvan met ander vlees gegeten stopt.

Alo en hamerslag, buiten het lijf stoppen, inwendig laxeren ze. De klaver die de Hyacinthus gelijk is, gekookt en opgelegd, heelt die giftige spinnen en slangen steek. Echter over een gezond oord of lid gelegd vergiftigt datzelfde in alle mate zoals een slang of spin.

Cicuta is een gift welke de spreeuwen graag eten en is hun spijs, een mens en andere dieren is het gift en dodelijk. Desgelijks dat Kerstkruid is een bijzondere lekkernij der kwartels, de anderen dieren is ze schadelijk. Van deze wonderbaarlijke dingen was wel een boek te schrijven wat voor een deel ook Solinus gedaan, heeft echter hier geen plaats omdat we alleen in een snelheid de handel overlopen omdat zulke wonderbaarlijke werking tot de prijs en roem dienen der kruiden en alleen in een summa van mij aangehaald. Van de kracht en wonderen der edelstenen was wel hier ook wat aan te tonen, beveel ik uit gelijke oorzaak bij de Albertus Magnus en Plinius te lezen.

 

Das die Alten allein kre殳er gebτaucht, unnd kein zůsammen gesetzte artzeneyen.

 

Angesehen nun diþe gewaltige kr映ften, und wunderbarliche w殲ckungen, haben sich die Alten allein diþer kre殳er artzeneyen auch beholffen, auþgeschlosszen die grosszen compositionen die he殳e noch in dem bτauch seind, auch zů den selbigen zeytten nicht bewisszt, hernachmals durch den giytz, und unerfarn殱sz der kre殳er erdichtet, unnd zů letst dahyn geradten, das sye die recht war kre殳lerey gar verdunckelt. Doτan dann [12] schuldig die letsten 詠tzet, welche als sye verlassen haben die recht warhafftig erkantn殱sz der ding, auch von den rechten Alten beschτeiberen der kre殳er gedτetten, und auff Avicennam und seins gleichen gefallen, seind sye in soliche dicke finstern殱sz gef柮t woτden. Und wo solichs lenger solt gew詠t haben, w殲den wir in kurtzen jaren bald nichts rechts, nit allein von den kre殳eren, sonder auch von der gantzen rechtgeschaffenen, und erst beschτibenen artzeneyen gewisszt haben. Hye solt ich anzeygen den miþbτauch des gantzen handels, auch vil spτ歡h anzyehen uþ dem Plinio und den Alten, von dem lob der einfachigen kre殳er und wurtzel artzeneyen, ich besoτg aber, werd wenig dancks erlangen. Auch hab ich mich des im anfang beze殀t, dz ich mit nyemants w冤 streitten. Wer nichts wisszen und versteen will, d bleib f殲 sich wie er ist. Davon durch mich verstendiger unnd weytle歿figer gnůgsam gehandelet in meinem Latinischen Herbario. Auch wisszents die gelerten wol, und seind desse spat beredt in irem gewisszen. Es tragen aber die composita meer gelts, bedτffen keiner so grosszen kunst, so tyeffer erfarn殱sz, noch erkantn殱sz der ding, wie die kre殳er, darumb so můsszen alle die mit kre殳eren pτacticieren hympeler sein.

Dat de ouden alleen kruiden gebruiken en geen tezamen gezette artsenijen.

 

Aangezien nu deze geweldige krachten en wonderbaarlijke werkingen hebben zich de ouden alleen met deze kruiden artsenijen ook geholpen, uitgesloten de grote composities die tegenwoordig noch in gebruik zijn, ook in dezelfde tijden niet bewust, hierna door de gok en onervarenheid der kruiden gedicht en tenslotte daarheen gekomen dat ze de echte ware kruiderij geheel verdonkerde. Daaraan dan [12] schuldig de laatste artsen welke als ze verlaten hebben de echte ware bekendheid der dingen en ook van de echte oude beschrijvers der kruiden zijn getreden en op Avicenna en zijn gelijke gevallen zijn ze in zulke dikke duisternis gevoerd geworden. En wanner zulks langer zou geduurd hebben zouden we in korte jaren snel niets echts en niet alleen van de kruiden, maar ook van de ganse rechtsgeschapene en eerst beschreven artsenijen geweten hebben. Hier zal ik aantonen de misbruiken der ganse handel, ook veel spreuken aantonen uit Plinius en de ouden van de lof der enkelvoudige kruiden en wortelartsenijen, ik bezorg echter zal weinig dank verkrijgen. Ook heb ik me zo in aanvang aangetoond dat ik met niemand wil strijden. Wie niets weet en verstaan wil die blijft voor zich wie hij is. Daarvan door mij verstandig en wijdlopig voldoende is behandeld in mijn Latijnse Herbaria. Ook weten die geleerden het goed en zijn des te later bereed in hun geweten. En dragen echter de composities meer geld en behoeven niet zoユn grote kunst, zoユn diepe ervaring, noch bekendheid der dingen zoals de kruiden, daarom zo moeten allen die met kruiden praktiseren hampels zijn.

 

 

Wie ettliche der Alten den gew営hþen das leben zůgeben.

 

Empedocles und Anaxagoτas seind des synns gewest, das sye auch den gew営hþen das leben zůgeben, und thyer darauþ gemacht, haben ynen zůgeben weyter, entpfindtlicheit der fre歸en, d traurigkeit, der begirde. Sye auch auþteylet wie die thyer, die wurtzel gehalten f殲 das haubt, die 冱t f殲 die arm, das laub f殲 die 歟erfl殱sigkeyten, die blůmen und fr歡ht f殲 ires leibs fr歡ht, welche ire uτsach haben uþ der erden, ire zůsammen haltung uþ dem wasszer, die einigkeyt und bestenntnþ uþ dem fewτ. Diþes aber alle sampt widerfechtet Aristoteles in dem bůch das er geschτiben von den gew営hþen.

Hoe ettelijke der ouden de gewassen dat leven toegeven.

 

Empedocles en Anaxagoras zijn de zin geweest dat ze ook de gewassen dat leven toegeven en dieren daaruit gemaakt, hebben hen toegeven verder ontvankelijkheid der vreugde, de treurigheid en de begeerte. Ze ook ingedeeld zoals de dieren, de wortel gehouden voor dat hoofd, die takken voor de armen, dat loof voor de overvloedigheden, die bloemen en vrucht voor hun lijfvrucht welke hun oorzaak hebben uit de aarde, hun tezamen houding uit het water, de eenheid en bestandheid uit het vuur. Dit echter alles samen weerspreekt Aristoteles in het boek dat hij geschreven heeft van de gewassen.

 

 

Von auþteylung der Gew営hþ.

 

Theophτastus theylet alle Gew営hþ in dτey theyl, als b疫m, kre殳er, unnd hoch stenglecht gew営hþ, das ist das mittel zwischen b疫men und kre殳eren. Seind gemeynklich, etliche wenig auþgenommen, zweyerley geschlecht, m穎nlich, und weiblich. Darnoch so wachþent ettliche selb, ettlich von somen, wurtzelen, zweigen, stammen, und zerhacktem holtz. Uþ diþen auch seind ettliche zamm, ettliche wylde, fruchtbar, unfruchtbar, fremde und heymische, werden underscheyden von wegen der bletter, blůmen, fr歡ht, somen, wurtzelen, rinden, materien unnd stammen. Wer desse weiter underscheydt will wisszen, der leþe Theophτastum.

Alle yrτdische b疫m seind w詠hafter weder die in den wasszern.

Und alle wylde b疫m w詠hafftiger weder die zammen.

Alle feldtb疫m seind gemeyngklich volkommener und feyþter, aber bleycher, unnd nit so gůt als uff den geb殲gen. (B ij) [13]

Die b疫m gegen Mitternacht seind einer starcken materien und fruchtbar.

Welche an schadtechten τteren gepflantzet, wachþent bald auff, seind auch gryener, unnd werden nit so bald gesch嬰iget von den w殲men.

Wz bald w営hþt, verdyrbt auch bald.

M冏en aber alle von den w殲men gesch嬰iget werden.

Ettliche b疫m werden uns曳lich alt, als man lyþt von dem 冤e baum zů Athenis, Palmen baum in der ynsulen Delo, under welchen die G冲tin Latona geberet, und geweret bisz uff die zeyten Ciceronis. Der wylde 冤e baum in Olympia, d Bůchbaum zů Troya, uff den grabe Jli, Platanus in Delphis. Von diþen und der gleichen, lyþt man in den historien und fabulen der Poeten vil.

Van indeling der gewassen.

 

Theophrastus deelt alle gewassen in drie deel zoals boom, kruiden en hoog stengelachtig gewas, dat is dat midden tussen bomen en kruiden. Zijn gewoonlijk, ettelijke weinige uitgezonderd, tweevormig geslachten, mannelijk en vrouwelijk. Daarna zo groeien ettelijke zelf, ettelijke van zaden, wortels, twijgen, stammen en gehakt hout. Uit deze ook zijn ettelijke tam, ettelijke wilde, vruchtbaar, onvruchtbaar, vreemde en inlandse, worden onderscheiden vanwege de bladeren, bloemen, vruchten, zaden, wortels, basten, materi創 en stammen. Wie dat verdere onderscheidt wil weten die leest Theophrastus.

Alle aardse bomen zijn duurzamer dan die in de wateren.

En alle wilde bomen duurzamer dan de tamme.

Alle veldbomen zijn gewoonlijk meer volkomen en vetter, echter bleker en niet zo goed als op de bergen. (B ij) [13]

De bomen tegen middernacht zijn een sterke materie en vruchtbaar.

Welke aan schaduwrijke oorden geplant zijn groeien snel op, zijn ook groener, en worden niet zo snel beschadigd van de wormen.

Wat snel groeit bederft ook snel.

Mogen echter alle van de wormen beschadigd worden.

Ettelijke bomen worden ontzaglijk oud zoals men leest van de olijfboom te Athene, palmboom in het eiland Delos onder welke de Godin Latona baarde en duurde tot op de tijden Cicero. De wilde olijfboom in Olympia, de buksboom te Troje op het graf Ili, Platanus in Delphi. Van deze en dergelijke leest men in de histori創 en fabelen der po奏en veel.

 

 

Wie lang die z殱ammen setzung der artzeneyen gew詠t.

 

Die zůsammen setzung viler kre殳er, wurtzelen, samen, unnd gummi, sampt anderen gebτe歡hlichen dingen, hat angefangen zů den zeyten des K殤igs Mithτidatis, unnd Andτomachi. Diþe haben die erste Composition erfunden von dem Theriacks, welche doch zů den zeyten Plinij vilen verachtlich, von welchen auch gar schimpfflich Plinius redet, an allen enden wo er verursacht, grþlich die selbigen zů verwerffen unnd schentzellyeren. Jst also mit der zeyt ye meer unnd weyter yngerisszen, bitz uff die zeyt Galeni, unnd van Galeno an bitz uff Avicennam, Messzuen, Avenrunst, unnd seins gleichen Arabier, dah詠 der pl殤der gar 歟erhandt genommen, unnd ist ye der gelertst geachtet woτden, welcher am meysten hatt k殤nen zůsammen setzen, kalt und warm, fe歡ht unnd trucken, sawτ und sþ, alles zůsammen gemischt, unnd das nit auþ diþen unseren landen, sonder auþ Arabien unnd Jndien. Dann was nit da h詠 bτacht, hat auch nit golten. Hye verw殲ff ich nit die compositionen die man hatt in den Apothecken, deren vil kostlich, n殳zlich, und wolgesetzt seind, deren man auch nicht wol entberen und geradten mag. Dargegen aber seind auch vil unn殳zer, deren man wol geradten m冂ht, und durch die simplicia auþrichten. Massz soll gehalten werden in allen dingen. Es seind auch der alten composiones (auþ genommen den Thiriacks) nicht 歟er fyer oder f殤ff stuck gangen, da h詠 noch die nammen terra pharmacum, diatessaron, unnd deren gleichen. Und wer noch zů leiden, wo man bey den gemeynen syrupen, laxativen, electuarijs, und unguenten blibe so man in der Apothecken hatt. Es will aber hye ein yeder sein meysterschafft beweiþen, unnd ettwas newes erfinden, welches nit allein den syechen beschwerlich, sonder auch die Apothecker selb sich des hoch beklagen und beschw詠en.

Hoe lang die tezamen zetting der artsenijen duurt.

 

Die tezamen zetting van vele kruiden, wortels, zaden en gommen, samen andere gebruikelijke dingen is aangevangen in de tijden van koning Mithridates en Andromachus. Deze hebben de eerste composities gevonden van het teriakel welke doch in de tijden van Plinius van velen veracht, van welke ook erg schimpachtig Plinius spreekt aan alle einden waar hij veroorzaakt zeer diezelfde te verwerpen en te schenden. Is alzo met de tijd steeds meer en wijder ingegrift tot op de tijd van Galenus en van Galenus aan tot op Avicenna, Mesue, Averrois en zijn gelijke Arabieren, vandaar de plundering erg overhand genomen en is steeds de geleerdste geacht geworden welke het meeste heeft kunnen tezamen zetten, koud en warm, vochtig en droog, zuur en zoet, alles tezamen gemengd, en dat niet uit deze onze landen, maar uit Arabi en Indien. Dan was het niet vandaar gebracht was het ook niets waard geweest. Hier verwerp ik niet de composities die men heeft in de apotheken die veel kostelijke nuttige en goed gezet zijn en die men ook niet goed ontberen en aankomen mag. Daartegen echter zijn er ook veel minder nuttige die men goed aankomen mag en door de simplicia uitrichten. Maat zal gehouden worden in alle dingen. En zijn ook de ouden composities (uitgenomen de teriakel) niet over vier of vijf stuk gegaan vandaar noch de namen terra pharmacum, diatessaron en dergelijke. En was noch te lijden wanner men bij de gewone siropen, laxatieven, likkepotten en zalven bleef zo men in de apotheken heeft. En wil echter hier elk zijn meesterschap bewijzen en wat nieuws vinden welke niet alleen de zieken bezwaarlijk, maar ook de apotheker zelf zich dus hoog beklagen en bezwaren.

 

Nutzbarkeyt drr heymischen bekanten kre殳er, und artzeneyen.

 

Es wer nit wid die Apothecker, auch nit wider die Doctoτes, das man gemeyne, bekante, erfarne, und gůt zůbekommene artzeneyen bτauchte, ja wer [15] auch mit den syechen hoch daran. Dann uþ was uτsach sollen unsere kre殳er nit als gůt sein als uþ Asien und Africa? Wie hat man gethan, do man solich noch nit in diþe land bracht? Unnd wie kumpt es uff den he殳igen tag, das die am allerlengsten leben, mynder kranckheyt haben, so deren ding am allermynsten bτauchen? Wie wir das gegen theyl sehen, das die so on underlassz in der aptothecken seind, auch am aller syechsten unnd bτesthafftigsten seind. Haben die frembden kre殳er krefftiger naturen, so seind sye aber dannocht nit uff unser Clima attemperiert. Hatt Gott der Allmechtig unseren landen eygenen wein, eygene fr歡ht, und leibs narung geben, wie kompt es dann, das er uns nicht auch die kre殳er temperiert das wir sye bτauchen m冏en? Aber das gegen theyl ist war. Darzů so weren soliche einfachen artzeneyen, ettwas besszers zůbekommen, und hette ettwan einer in seinem garten wachþen, dτ液te solichs mit f枹sen, damit er m冂ht sein leben retten. Es w殲d auch vil grosszer kosten gespart der sonst uff gat, dadurch menigklich beschw詠t w殲t. Und solt uns bye zů auch bewegen die anm柎igkeit des volcks, und gemeynen manns, welcher den kre殳eren unnd den gew営hþen geneygt, und aber alles schw詠 was auþ der Apothecken kompt, kein Doctoτ sehen, oder hτen will. Warumb aber? Darumb, das sye den kosten fτchten, und nicht allein das sebig, sonder auch ire natur darwider sich sperτet, unnd sche殄et solichs ynzůnemen, also, das iren vil auch ehe den todt leiden, ehe sye ein artzet berůffen, oder etwas ynnemen w冤len, welche, wann man ynen anb殳te die bekannten kre殳ter, weren inye willig, unnd m冂htent damit etwan erτettet werden. Solichs were darumb nicht wider die Apothecker, und f殲derte die Doctoτes, das sye gebτaucht w殲den, unnd der gemeyn nit so abschewlich. W冤len aber die reichen yeden kosten darauff wenden, so m冂ht man ynen radt thůn auþ Jndien unnd Arabien. Wer wolt darwider sein? Und were nur ein m営htig, frey unnd n殳zlich ding, das man simplicia unnd composita so beyeinnander hette, unnd aber die Doctores die simplicia auch uff d ban lyessen lauffen.

Nuttigheid der inlandse bekende kruiden en artsenijen.

 

Het is niet tegen de apotheker, ook niet tegen de doctors dat men gewone, bekende, ervaren en goed te bekomen artsenijen gebruikt, ja is [15] ook met de zieken zeer goed daaraan. Dan uit welke oorzaak zullen onze kruiden niet alzo goed zijn als uit Azi en Afrika? Hoe heeft men gedaan toen men zulke noch niet in dit land bracht? En hoe komt het op de huidige dag dat die het allerlangste leven minder ziektes hebben zo die dingen het allerminste gebruiken? Hoe we dat tegendeel zien dat die zo zonder oponthoud in de apotheken zijn ook het aller ziekste en gebrekkigste zijn. Hebben die vreemde kruiden krachtige naturen dan zijn ze echter dan noch niet op ons klimaat aangepast. Heeft God de Almachtige onze landen eigen wijn, eigen vruchten en lijf voeding gegeven, hoe komt het dan dat hij ons niet ook de kruiden tempert zodat we ze gebruiken mogen? Echter dat tegendeel is waar. Daartoe zo zijn zulke enkelvoudige artsenijen wat beter te bekomen en heeft wat iedereen in zijn hof groeien, treed zulks met voeten waarmee hij mocht zijn leven redden. En worden ook veel grote kosten gespaard die aders opgaan waardoor menigeen bezwaard wordt. En zal ons hierbij ook bewegen de aanmoediging van het volk en gewone man welke tot de kruiden en de gewassen geneigd en echter alles moeilijk wat uit de apotheken komt, geen doctor zien of horen willen. Waarom echter? Daarom dat ze de kosten vrezen en niet alleen datzelfde, maar ook hun natuur daartegen zich spant en schuwt zulke in te nemen alzo dat van hen veel ook eerder de dood lijden eer ze een arts roepen of wat innemen willen welke wanneer men hen aanbood de bekende kruiden waren ze gewillig en mochten daarmee wat gered worden. Zulks is daarom niet tegen de apothekers en bevordert de doctors dat ze gebruikt worden en de gewone man niet zo afschuwelijk. Willen echter de rijken de kosten daarop wenden dan mag men hen raad doen uit Indien en Arabi. Wie zal daar tegen zijn? En is het nu niet een machtig, vrij en nuttig ding dat men simplicia en composities zo bij elkaar heeft en echter die doctors de simplicia ook op de baan laten lopen.

 

Die meynung Herophilo von den kre殳teren.

 

Bey den 詠tzten ist ein hochgelerter gewest nicht des mynsten nammens und erfarnþ, wiewol abzůnemmen uþ Coτnelio Celso und Plinio, der selbige der hyelte, das man alle kranckheyten mit den kre殳eren m冂ht abwenden, unnd auch andere wunderbarliche ding darmit zů wegen bτingen, unnd gemeyngklich, die wir f殲 die allermynsten und nachg殕tigesten achten, das die selbigen am allermersten krefft haben, und auch ire kreffte auþw殲cken, so man nur ungef詠 mit f枹sen daruff dτitte. Man hat noch solichs in erfarnussz, das die so 歟er feld h詠 kommen, zů denen so bτesthafft und verwundt, das ire sch嬰en dardurch verwundt werden. Diþes hab ich in einer erfarn殱sz von einem herτlichen mann, welcher so oft er spaciert 歟er [15] ein heyde, so mit Wolffs milch, Esula genannt, bewachþen, das yn der stůlgang ankumpt, allein das er dτ歟er geht. Was verm冏en erst die anderen? Es seind auch nicht vergebens die magica, deren Albertus Magnus etlich anzeygt wiewol er der untrew gespylt, und nicht anzeygt wie er wol gewisszt.

De mening van Herophilus van den kruiden.

 

Bij de artsen is een zeer geleerde geweest en niet de minste van naam en ervaring, hoewel af te nemen uit Cornelius Celsus en Plinius, diezelfde die hield dat men alle ziektes met de kruiden mocht afwenden en ook andere wonderbaarlijke dingen daarmee teweeg brengen en gewoonlijk die we voor de allerminste en goedkoopste achten dat diezelfden het allermeeste kracht hebben en ook hun kracht uitwerken zo men nu ongeveer met voeten daarop treedt. Men heeft noch zulks in ervaring dat die zo over veld heen komen tot diegenen zo gebrekkig en verwondt dat hun schaden daardoor verwond worden. Dit heb ik in ene ervaren van een heerlijke man welke zo vaak hij wandelde over [15] een heide zo met wolfsmelk, Esula genoemd, begroeid dat hem de stoelgang aankomt, alleen maar omdat hij er erover gaat. Wat vermogen eerst die anderen? En zijn ook niet vergeten de magica waarvan Albertus Magnus ettelijke aantoont hoewel hij de ontrouwe speelt en niet aantoont wat hij goed weet.

 

Uτsach warumb die kre殳er Artzeney abgangen.

 

Hye w殲t erfoτderet gr殤dtliche uτsach, warumb doch solche ke殳erey so gar abgangen. Wer wol mancherley dar zů thůn ist aber in einer summa darvon zůreden, wie hernach volgt. Erstlich, dz die Schůlen, von den rechten Alte lereren, der Kryechen und Latinischen abgefallen, sich begeben haben uff die Arabier, welche wiewol sye von den Kryechen gestolen, unnd gewechþelet, so seind sye doch mit solicher untrew, so unverstendig, so verwyrτet und f瑛schlich in unser Latin bτacht uþ den Arabischen, und Hebτaischen, dz wir nichts gewisses, oder standthafftiges m冏en sch冪ffen uþ iren b枋heren. Darzů, dieweil sye geschτiben haben in frembden landen, haben sye auch ires landts kre殳er unnd artzeney gepflegt. Jst des selbigen halb nicht unrecht gesein.dann gew殲tz, und allerley specerey, ist ynen so leichtlich zůbekommen, wie uns laub und graþ. Hat auch solichs erfoτderet ire complexionen, unnd landtschafften. Dann gleicher weiþ wie es uns sp冲tlich, das wir unsere artzeney bey ynen holen, also were es ynen nachteylig, solten sye ire b枋her uþ unseren gew営hþen zůsammen gesetzt haben, unnd die iren veracht.

Da ist aber der f瑛e, das wir uff jre bůcher gefallen, unnd dieweil sye nun eittel k冱tliche ding, von specereyen und edelen gesteynen geschτiben, so meynen wir, das wir solichs eben wie die affen m枹szen nach thůn, unnd hetten in unseren landen nit auch, das unseren complexionen gem鋭sz, gleich wol helffen m冂hte, und auch nicht leben m冂hten wir hetten dann frembde materialia. Nun mag sein, und ist die warheit, das unsere gew営hþ nit so scharpff, so kr映ftig, unnd so wol ryechend wie die so 歟er meer und uþ hitzigen landen h詠bτacht werden. Jst auch nit von n冲en, sonder wie wir des leibs halben, auch einer andeeen art, und temperament seind, weder die Arabier, also hatt uns Gott die kre殳er auch getemperiet uff unsern leib, uff unsere qualiteten, gleicher weiþe wie alle andere speiþ unnd dτ穎cke, das sye eben das jhenig w殲cke in unseren leiben, das bey den frembden landts kre殳ern. Desse vil exempel zů geben, ist nicht von n冲en, man versteet mich wol. Es haben voτ zeyten die Alten mit einem eyntzigen kre殳lin hundert kranckheyten geheylet. Als Apollonius mit seinen Tausen gulden, Themison mit seinem Wegerich, Antonius Musa mey seiner Betonien. Yetzundt bτauchen wir wol zů einer kranckheyt hunder kre殳er, und ettwan die gantz Calekutt, unnd hylfft dannocht nit. Es seind zwar unsere Baldτian, Haselwurtz, Betonica, Jsenkraut, Jsop, Maioτan, Roþmarin, Basilien, Kyenlin, Thimian, Heylige geystwurtz, Meysterwurtz, Liebst冂kel.τc. [16] Und deren gleichen, mit grosszen m営htigen krefften begabet, welches sye auch ze殀nþ haben von allen Alten, die weil sye aber nicht 歟er mτ h詠 kommen, und wir sye t曳lich voτ den augen sehen wachþen, so gelten sye nichts. Do h詠 dann entspτingt die andere uτsach, darumb die kre殳er abgangen, das wir der selbigen nicht achten, Dioscoτidem, und Plinium so von den kre殳eren geschτiben nit leþen, nit nach synnen, auch kein synn oder fleyþ daruff haben.da straffet uns dann Gott mit unserer eygenen unwisszenheyt, dz wir uns grosszer k殤st der artzeneyen ber枸en, und so man uns fraget umb dz mynst kre殳lin, so wisszen wirs nicht zů de殳en, unnd wo dann nicht die specereyen von Calekutt weren, so wisszen mir weder zů helffen nach zů radten.

Oorzaak waarom de kruiden artsenij afgegaan.

 

 

Hier wordt aangetoond de grondige oorzaak waarom toch zulke kruidenkunst zo erg afgegaan is.

Hoewel menigvuldig daartoe te doen is echter in een summa daarvan te spreken zoals hierna volgt. Eerst dat de scholen van de rechte oude leraren der Grieken en Latijnen afgevallen en zich begeven hebben op de Arabieren welke, hoewel ze van de Grieken gestolen en gewisseld, zo zijn ze doch met zulke ontrouw, zo onverstandig en zo verward en vals in ons Latijn gebracht uit het Arabische en Hebreeuwse zodat we niets zeker of standvastigs mogen scheppen uit hun boeken. Daartoe omdat ze geschreven hebben in vreemde landen hebben ze ook hun land kruiden en artsenij gepleegd. Is vandaar uit diezelfde niet onterecht geweest. Dan kruiderij en allerlei specerij is hen zo licht te bekomen zoals ons loof en gras. Heeft ook zulks bevordert hun samengesteldheden en landschappen. Dan gelijke wijze zoals het bij ons bespottelijk is dat we onze artsenij bij hen halen alzo zou het hen nadelig zijn zouden ze hun boeken uit onze gewassen tezamen gezet hebben en die van hun veracht.

Dat is echter het geval dat we op hun boeken vallen en omdat ze maar enkel kostbare dingen, van specerijen en edele stenen schreven, zo menen we dat we zulks even zoals de apen moeten nadoen en hebben in onze landen niet ook dat onze samengesteldheden gematig en gelijk goed helpen mochten en ook niet leven mochten we hadden dan vreemde materialia. Nu mag zijn en is de waarheid dat onze gewassen niet zo scherp, zo krachtig en zo goed ruiken zoals die zo over zee en uit hete landen hier gebracht worden. Is ook niet nodig, maar we vanwege het lijf ook een andere aard en temperament zijn dan die Arabieren, alzo heeft ons God die kruiden ook getemperd op ons lijf, op onze kwaliteiten op gelijke wijze zoals alle andere spijs en drank dat ze even datgene bewerken in onze lijven als dat bij de vreemde landen kruiden. Daarvan veel voorbeelden te geven is niet nodig, men verstaat me goed. En hebben voor tijden de ouden met een enkel kruidje honderd ziektes geheeld. Zoals Apollonius met zijn duizend gulden, Themison met zijn weegbree, Antonius Musa mey zijn betonie. Nu gebruiken we wel tot een ziekte honderd kruiden en ongeveer de ganse Calcutta en helpt dan noch niet. En zijn zeker onze valeriaan, mansoor, betonica, ijzerkruid, hysop, majoraan, rozemarijn, basiel, bonenkruid, Thimian, Heilige Geestkruid, meesterkruid, maggi etc. [16] en dergelijke met grote machtige krachten begaafd welke ook getuigenis hebben van alle ouden, omdat ze echter niet over zee hier komen en we ze dagelijks voor de ogen zien groeien, zo gelden ze niets. Vandaar dan ontspringt de andere oorzaak waarom die kruiden afgegaan dat we diezelfde niet achten, Dioscorides en Plinius zo van den kruiden geschreven niet lezen, niet naar zin, ook geen zin of vlijt daarop hebben. Daar straft ons dan God met onze eigen onwetendheid dat we ons de grote kunst der artsenijen beroemen en zo men ons vraagt om dat minste kruidje dan weten we het niet aan te duiden en waren er dan niet de specerijen van Calcutta dan wisten wij nog te helpen nog aan te raden.

 

Uτsach warumb die kre殳er nit meer so bekant.

 

Unnd das ist auch die uτsach, warumb die kre殳er uþ gemeyner erkantnþ kommen. Dar zů hatt gethon unnd macht noch he殳beytag yrτig, manchfaltigkeit der kre殳er nammen, in allen spτachen, welche ye meer unnd meer 歟er handt nympt, und ein yeder ein kraut nennet wie er will, nit wie es den Alten gefallen, und zům ersten yngesetzt. Auch ein landt die kre殳er anders nennet dann das ander, welche alle zů wisszen unnd zůerfaren ist unm殀lich. Uþ welchem auch so mancherley opinionen, und haltungen entspτungen, das under zehen nit eyner mit dem anderen stympt, unnd ir wisszen also kein wissen ist, sonder mer ein ungewisszer r液hers. Und wo schon ettwan einer ein kre殳lin, oder zwey gewisszlich kennt, so ist doch die untrew d kre殳ler so grossz, dz sye entweders verle殀nen sye wissens nit, oder nennents anders dann es ist. Welches mir offt in meinem latinischen Herbario widerfaren, an ettlichen enden gr冀lich verf柮et, bitz dz ich ein mal den schalck und betrug vermerckt, durch conferierungen, und gegenhaltung Dioscoτide mir den kre殳eren, mir selb hab m枹sen helffen. Was vermag auch hye nit die langwyrigkeit der zeit, welche, wie sye all ding ver穎dert, und in einen vergessz stellet, also auch der kre殳er nammen, namlichen, so die Alten so untrew, den jungen iren nachkummenden soliche geheymnþsen, sampt vilen experimenten verboτgen, unnd ee mit ynen in die hell fůren, ee dann sye es ein anderen leerten, wiewol wir auch gleichen fleiþ wie die Alten gethon, auch nit mer darauff legen. Es saget von jm selber Dioscoτides, wie das er vil land durchzogen, vil gewyldtnuþ berg und thal, damit er der kre殳er gestalt und art erlernet. Yetzundt begeren wir seiner b枋her kaum zů leþen, unnd bek殞meren uns meer anderer 殫piger dinge. Hyerzů hat auch geholffene, der kre殳er gleichnþ, das vil kre殳er ettwann ein description haben, ettwann auch der gestalt halben einander gleich.als exempels weiþ, Meisterwurtz und Heyligen geysts wurtz, Schirling, Peterlin und Epffig, und deren nur unz瑛ich vil.w殲t also eyns f殲 das ander versehen, und wann wir vermeynen wir haben gleich dz recht, so haben wir dz letz.

Es haben auch die Alten ettlich kre殳 ゥ  [17] er f殲 so gewissz, und menigklich bekantlich geacht, das sye soliche gar nit abgemalet, sonder allein ire kr映fte anzeygt haben, vermeynt, sye seyen in anderen landen, oder yedermann so bekant als ynen, was sye vil beschτeibens dτffen, so doch yedermann wol weysszt, was knoblauch und zybelen seind. Haben aber nit uff die nachkummen gesehen, das soliche kre殳er uþ mancherley uτsach, hond m冏en abgon, und auch abgangen, und also gantz und gar unbekant werden, dz man auch bey den Alten kein fůþstapff findet wider daruff zů kummen. Mag sein, das sye auch nit alle ding gewisszt haben, gleicher weiþ, wie wir dann sehen, dz sich die anderen ding ver穎deren, und ye die geberung eynþe, ein zerstτung ist des anderen (wie Aristoteles geschτiben) also auch mitt den kre殳eren. So wachþent auch nit alle kre殳er in allen landen, sonder in einem diþes, im anderen das. Es hatt auch Dioscoτides nit uff alle land geschτiben, sonder uff Kryechen land, Galenus deþgleichen seine kre殳er gradiert uff Kryechen land, und zům theyl Jtalien, nit uff Te殳sch land.

Jtem es wachþsent auch die Kre殳er einander nit gleich in einem land wie in dem anderen, sonder in einem feyþter, gr冱ser, h冑er, wolryechender, bassz gef詠bter.in einem anderen, gelegenheit halb des hymmels, z詠ter, m曳erer, und mynder krefftiger. Und soll wol einer ein kraut kennen in Te殳schem land, in Jtalien aber und Gτecia nit.darumb, das yne die obgenanten umbst穎d betryegen. Und thůt auch vil darzů, die anzeygung deren die solche kennen unnd erfaren, welche, dieweil sye von tag zů tag abgeet, und wenig seind so die kre殳er recht kennen, m冏en wirs nit alles erτhaten ausser den b枋heren, und n盈lichen so die ersten abcontrafeyten b枋her nit mer voτhanden. Diþe, und der geleichen uτsachen vil mer, hab ich angezeygt in einem Latinischen b枋hlin genannt, De icnertitudine et difficultate artis medice, welches ich den geleerten hab zůgeschτiben, zů einer verantwoτtung meiner Latinischen Kre殳er bůcheren kurtzlich im Truck uþgangen.

Oorzaak waarom de kruiden niet meer zo bekend zijn.

 

En dat is ook de oorzaak waarom de kruiden uit algemene herkenning komen. Daartoe heeft gedaan en maakt noch tegenwoordig onzeker de veelvuldigheid der kruiden namen in alle spraken welke hoe meer en meer overhand neemt en iedereen een kruid noemt zoals hij wil en niet zoals het de ouden bevalt en als eerste ingezet. Ook een land de kruiden anders noemt dan de andere welke alle te weten en te ervaren is onmogelijk. Uit welke ook zo menigvuldige opinies en houdingen ontsprongen dat onder tien er niet een met de andere overeen stemt en hun weten alzo geen weten is, maar meer een ongewisse raad. En wie reeds wat een kruidje of twee zeker kent zo is toch de ontrouw der kruidenkenners zo groot dat ze of verloochenen ze weten het niet of noemen het anders dan het is. Welke mij vaak in mijn Latijnse Herbario overkomen aan ettelijke einden zeer bedrogen totdat ik eenmaal de schalk en bedrog bemerkte door confereren en tegenhouden van Dioscorides me de kruiden mij zelf heb moeten helpen. Wat vermag ook hier niet de lengte der tijd welke, hoe ze alle dingen verandert en in een vergeet stelt, alzo ook de kruiden namen namelijk zo de ouden zo ontrouw de jongen hun nakomelingen zulke geheimenissen samen met vele experimenten verborgen en eerder met hen in de hel voeren eer dat ze het een anderen leerden hoewel we ook gelijke vlijt zoals de ouden gedaan hebben ook niet meer daarop leggen. En zegt van zichzelf Dioscorides hoe dat hij veel land doortrokken, veel wildernissen, berg en dal waarmee hij de kruiden gestalte en aard leerde. Nu begeren we zijn boeken nauwelijks te lezen en bekommeren ons meer op andere liefelijke dingen. Hiertoe heeft ook geholpen de kruiden gelijkenis dat veel kruiden wat een beschrijving hebben en wat ook vanwege de gestalte elkaar gelijk zijn. Zoals in een voorbeeldachtige wijze meesterkruid en Heilige Geest kruid, scheerling, peterselie en selderij en van die nu ontelbaar veel. Wordt alzo de ene voor de andere gezien en wanneer we menen we hebben gelijk de echte zo hebben we de laatste.

En hebben ook de ouden ettelijke kruiden ゥ [17] voor zo zeker en menigeen bekend geacht dat ze zulke geheel niet getekend, maar alleen hun kracht aangetoond hebben en meenden ze zijn in andere landen of iedereen zo bekend als hen wat ze veel beschrijven behoeven zo toch iedereen goed weet wat knoflook en uien zijn. Hebben echter niet op de nakomelingen gezien dat zulke kruiden uit menigvuldige oorzaak  zouden mogen afgaan en ook afgegaan en alzo gans en geheel onbekend geworden zodat men ook bij de ouden geen voetstap vindt weer daarop te komen. Mag zijn dat ze ook niet alle dingen geweten hebben, gelijke wijze zoals we dan zien dat zich de anderen dingen veranderen en elke geboorte van de ene een verstoring is van de anderen (zoals Aristoteles schrijft) alzo ook met de kruiden. Zo groeien ook niet alle kruiden in alle landen, maar in de ene deze en in andere dat. En heeft ook Dioscorides niet van alle landen geschreven, maar uit Griekenland, Galenus desgelijks zijn kruiden gradeert op Griekenland en voor een deel Itali, niet op Duitsland.

Item, er groeien ook die kruiden elkaar niet gelijk in het ene land zoals in de andere, maar in een vetter, groter, hoger, meer welriekende, beter geverfd. In een andere gelegenheid vanwege de hemel zachter, magerder en minder krachtig. En zal wel ene een kruid kennen in Duitsland, in Itali echter en Griekenland niet. Daarom dat hem de opgenoemde omstandigheden bedriegen. En doet ook veel daartoe de aanwijzingen van die zulke kennen en ervaren welke, omdat ze van dag tot dag afgaan en weinig zijn zo de kruiden recht kennen, mogen we niet alles raden uit de boeken en namelijk zo de eerste getekende boeken niet meer voorhanden. Deze en dergelijke oorzaken veel meer heb ik aangetoond in een Latijnse boekje genoemd ヤDe icnertitudine et difficultate artis mediceユ welke ik de geleerden heb toegeschreven tot een verantwoording van mijn Latijnse kruidenboek die net in druk is uitgegaan.

 

Wie lang die gemalten Kre殳erb冂her gew詠t.

 

Kre殳erb枋her malen, und darzů beschτeiben, ist nicht newlichen uffkummen, sonder hatt auch angefangen zů den zeiten Mitridatis, wie Plinius davon schτeibt, und seind n盈mlich die ersten gesein, Evax ein k殤ig von Arabien, welcher sein bůch zůgeschτiben hatt Neroni dem Keiþer zů Rom. Darnach da seind kunnem Crateias, Dionysius, und Methτodoτus. Dieweil aber solichs m枷sam gesein, die Kre殳er mit iren fyer alteren zů beschτeiben, und da zůmal der Truck noch nit gesein, hat solichs kein bestandt m殀en haben. Dann gleich wie die menschen ire glydmaþ, ire eygene complexionen, ire eygen alter haben.als die kindtheit, jugent, mannschafft, und das alter, also auch die kre殳er, welche sich auch der massz von einer zeit in die ander verwandelen, unnd ynen selb gar nicht gleich, noch 穎lich seind.bτingt deþhalb grossz yrτthumb, das wir vil kre殳er in irer jugent kennn [18] en, die uns im alter entwachþen, unnd unbekant woτden.und so auch h詠widerumb. Kindtheit nenn ich, wann sye erstlich uffgen in den Meyen. Jugent, wann sye blůen. Mannheit, wann sye anfahen sich besamen. Alter, wann sye im abnemen seind. Und diþe ding verlauffen sich alle in fyer monaten. Solicher altrr der kre殳er warzůnemen, wer wol ein kostlich ding, ist aber můgsam, und můst man ein yedes kraut wol fyer mal abcontrafeyten, m冂ht mit der zeit sich mit unserem Kre殳erbůch zů tragen.

Angesehen nun solche grossze arbeit und kunst der malerey, auch wenig deren so kosten hetten m冏en darauff wenden, seind die ersten contrafeytung abgangen.wiewol man noch ettliche gemalet findt, doch nicht 歟er zwey, oder dτey hundert jar. Diþes f殲nemen der Alten, haben ynnerthalb f殤fftzig jaren ja auch wider angefangen, eins theyls bey ynen selber, ettliche grosszm営htige, reiche, gewaltige, welche sich keinen kosten haben dauren lasszen, und ynen eygene besonder b枋her lasszen malen, welche sye f殲 ein grosszen schatz gehabt, unnd noch haben.deren ich zům theyl bey ettlichen gesehen, bey ettlichen aber habe hτen rh枸en, und in solichen werdt gehalten sein, das sye nyemants m冏en zů sehen werden. Die anderen aber haben solichs in dem Truck understanden, wie wir der selbigen vilf瑛tig, und mancherley gattung gesehen, aber dieweil sye den kosten gespart, und vileicht auch der waren kunst nicht bericht, alle verhymplet, und nichts rechtgeschaffens woτden, so der figuren halben, die blþlich gefiþyert, so der beschτeibung welche des meerern theyls falsch, unnd uþ nachg殕tigen, verachtlichen b枋heren gezogen. Da h詠 man dann mag abnemen, das es nicht so ein schlecht verachtlich ding ist, umb Kre殳erb枋her wie ettliche darvon schτeiben, sye geben nit ein pfyfferling umb alle Kre殳erbůcher, so recht unnd ausser den Alten warhafftig beschτiben, sye m枹ten sunst von Dioscoτide und Plinio auch nichts halten, ja es m枹ten ire eygene beschτeibungen von den Theriacks kre殳eren auch nichts gelten, die sye doch uþ dem Dioscoτide und Plinio anzyehen.

Hoe lang de getekende kruidenboeken duren.

 

Kruidenboeken tekenen en daartoe beschrijven is niet nieuw opgekomen, maar heeft ook aangevangen ten tijden Mithridates zoals Plinius daarvan schrijft en zijn namelijk de eerste geweest Evax, een koning van Arabi, welke zijn boek toegeschreven heeft Nero, de keizer te Rome. Daarna daar zijn gekomen kunnem Crateivas, Dionysius en Methrodorus. Omdat echter zulks moeizaam geweest die kruiden met hun vier ouderen te beschrijven en daar toen de druk noch niet geweest is heeft zulks geen bestand mogen hebben. Dan gelijk zoals de mensen hun ledematen, hun eigen samengesteldheden, hun eigen ouderdom hebben zoals de kindsheid, jeugd, volwassenheid en de ouderdom alzo ook de kruiden welke zich ook dermate van de ene tijd in de andere veranderen en zichzelf geheel niet gelijk, noch aanlijk zijn. Brengt derhalve grote verwarring dat we veel kruiden in hun jeugd kennen [18] die ons in ouderdom ontgroeid en onbekend geworden zijn en zo ook weer terug. Kindsheid noem ik wanneer ze eerst opgaan in mei. Jeugd wanneer ze bloeien. Volwassen wanneer ze aanvangen zich te bezaden. Ouderdom wanneer ze in afnemen zijn. En deze dingen verlopen zich alle in vier maanden. Zulke ouderdom der kruiden waar te nemen is wel een kostelijk ding, is echter moeizaam en moet men elk kruid wel vier maal afbeelden, mag met de tijd zich met ons kruidenboek toedragen.

Aangezien nu zulke grote arbeid en kunst der schilderen, ook weinig die zo kosten hebben mogen daarop wenden zijn de eersten afbeeldingen afgegaan. Hoewel men noch ettelijke getekend vindt, doch niet meer dan twee of drie honderd jaar. Dit voornemen der ouden hebben binnen vijftig jaren ja ook weer aangevangen, een deel bij zichzelf van ettelijke zeer machtige rijke geweldigen welke zich geen kosten hebben duren en hun eigen bijzondere boeken laten tekenen welke ze voor een grote schat hadden en noch hebben. Die ik voor een deel bij ettelijke gezien, bij ettelijke echter heb horen roemen en in zulke waarde gehouden zijn dat ze niemand mogen te zien worden. De anderen echter hebben zulks in de druk gedaan zoals we diezelfde veelvuldig en menigvuldige vorm gezien, echter omdat ze de kosten spaarden en mogelijk ook de ware kunst niet bericht, alle verfrommeld en niets goed geschapen geworden zo vanwege de figuren die zwak uitgevoerd, zo de beschrijving welke het meeste deel vals en uit nageschreven, verachtelijke boeken getrokken. Vandaar men dan mag afnemen dat het niet zoユn een slecht verachtelijk ding is om kruidenboeken, zoals ettelijke daarvan schrijven, ze geven niet een cent om alle kruidenboeken zo recht en uit de ouden waar zijn beschreven, ze moeten verder van Dioscorides en Plinius ook niet houden, ja het moeten hun eigen beschrijvingen van de teriakel kruiden ook niets gelden die ze toch uit Dioscorides en Plinius aantonen.

 

Wie die Alten G詠ten gepflantzet haben, damit sye k盈en z warer erkantnussz der Kre殳er.

 

Es seind noch ettlich andere gewest dieweil (wie ob gesagt) kre殳er malen, genůgsam und gef詠lich zů treffen, haben sye ynen eygene G詠ten gepflantzet. Als Antonius Castoτ zů Rom, und darauff eygen bawle殳 gehalten, und allerley geschlecht der kre殳er darinn geplantzet, damit sye soliche nit mit todten linien abcontrafayt, sonder lebendig und augenscheinlich wachþen sehen. Und diþe meynung wer zwar die beste, wo ym noch he殳e bey tag gefolget m冂hte werden, wer auch ein sonderliche kurtzweil und wollust den reichen, sich darinn zů ergetzen, und solt auch sein, das sye soliche G詠ten hetten. Es solten darzů auch die grosszen, K殤ig, F殲sten, und Herτen, L穎der und St液t, yede landtschafft und statt f殲 sich selb zům wenigsten einen garten haben, doτan  (C ij) [19] auch keinen kosten sparen, und uþ frembden landen frembde kre殳er darein bτingen, eygen g詠tenmeyster haben, die solcher kre殳er art und naturen wisszeten, damit soliche wisszten zůhalten.und dessen ampts soltent pflegen die 詠tzet des selbigen lands, die solten darzů helffen und rhaten.oder wolt solichs nyemants anfahen, so solten sye es f殲 sich selber haben. Das wer dann ein lust, da m冂ht man wider kre殳er leeren kennen, das man solichs nit alles uþ den b枋heren m枹te erτhaten und pτophetisyeren, sonder w殲d auch augenscheinlich gede殳et und gezeyget. Eines solchen f殲nemens ist ettwann mitt mir gesein der hochber枸pt Aldus Manutius zů Venedig, aber durch den todt (welcher alle ding betrůbt) verhyndert und verk殲tzet. Nun, gib aber zů, das ettwann nit alle kre殳er uþ anderen landen allenthalben gern wachþen, angesehen die unngehe殲e und re殄e des luffts unnd des erdtreichs.f殲 die selbigen m冂hte man dann bτauchen die contrafayten Herbaria, damit der sach ein mal geholffen.

Hoe de ouden hoven geplant hebben waarmee ze kwamen tot ware herkenning der kruiden.

 

Er zijn noch ettelijke andere geweest omdat (zoals boven gezegd) kruiden tekenen en voldoende en ongeveer te treffen hebben ze hun eigen hoven geplant. Als Antonius Castor te Rome en daarop eigen bauwlieden gehouden en allerlei geslachten der kruiden daarin geplant waarmee ze zulke niet met dode lijnen afbeelden, maar levendig en ogenschijnlijk groeiend gezien. En deze mening was zeker de beste zoals noch tegenwoordig gevolgd mag worden, wie ook een bijzondere tijdverdrijf en wellust de rijken zich daarin te vergeten en zal ook zijn dat ze zulke hoven hadden. En zouden daartoe ook de grote koningen, vorsten en heren, landen en steden, elk landschap en stad voor zichzelf tenminste een hof hebben waaraan (C ij) [19] ze ook geen kosten sparen en uit vreemde landen vreemde kruiden daarin brengen, eigen hoveniers hebben die zulke kruiden aard en naturen weten daarmee zulke weten te behouden. En dit ambt zouden plegen de artsen van diezelfde landen en die zouden daartoe helpen en raden. Of wil zulks niemand aanvangen dan zouden ze het voor zichzelf hebben. Dat was dan een lust, daar mag men weer kruiden leren kennen zodat men zulks niet alles uit de boeken moest raden en profetiseren, maar wordt ook ogenschijnlijk aangeduid en getoond. Een zulke voornemen is wat met mij geweest de zeer beroemde Aldus Manutius te Veneti, echter door de dood (welke alle dingen bedroeft) verhindert en verkort. Nu, geef echter toe dat ongeveer niet alle kruiden uit andere landen overal graag groeien vanwege de ongedierte en rust der lucht en het aardrijk. Voor diezelfden mag men dan gebruiken de getekende Herbaria daarmee de zaak eenmaal geholpen.

 

 

Wie die Kre殳eτ gebτaucht sollen werden.

 

Wie aber nun genant hochberůmpt kre殳er gebτaucht sollent werden, da ist vil angelegen. Dann nit gleich ist der ein artzt, so ein Kre殳erbůch hat, und ettlicher kre殳er krafft wissens hat, sonder geleich wie ettliche roτbereytschafften gehτen zů der zůsammen gesetzten artzneyen, also auch hye. Es yrτent auch grþlich die Experimentatoτes, die mit ettlichen erfarnen st歡klin sich des handels underzyehen, welche, wenn sye ein mal f瑛en, so wisszent sye darnach nit meer wo hynauþ, meynen, darumb das sye einem oder zweyen mit einem kre殳lin geholffen, es soll darumb yedermann helffen, sehen nit an gelegenheit der personen, des geschlechts, des alters, der zeit, der statt, der kranckheit, haben kein wissens der natur, eygentschafften des leibs, der anatomey, sonder gebens gerad an hyn, geradts, so geradts.dah詠 dann vil verderbnþ kummen, und zerstτung der natur, das man ettwann meynet man w冤l wol helffen, so enthilfft man. Darumb so sollen hye alle regel der artzney, wie sye die Doctoτes bτauchen, sampt allen umbst穎den darzů gehτend gleich wol gehalten werden. Oder wo man solichs nit wisszens hat, allweg rhat pflegen eins verst穎digen Doctoτs, unnd n盈mlich den bauch zů laxieren, od etwz mercklicher kranckheiten angreiffen. Wider die landtschwτmer, so dann ein p殕verlin umbf柮en, den bauch uff zůthůn, f殲 alle humoτes, welches sye yedermann geben, ein pfl鋭terlin haben 歟er alle sch嬰en, und ein wurtzel f殲 alle kranckheyt, und ist aber ettwann nur eitel beschissz und betrug, und auch mercklicher schad dardurch den menschen zůgef枷t. Welches ich der Oberkeyt befylch, weiter solichs mit rhat geleerter 詠tzt zů rechtfertigen. Es ist wol woτ, das ein yede kauffmanschafft freye soll sein, aber nochdann dieweil hye der leib gesch嬰iget, und mancher den todt erkaufft, soll billicht ein ynsehen geschehen.

Von diþen Regelen, was die Element seyen, von der complexion, von den fyer [21] fe歡htigkeiten, von den glyderen, von den kr映ften und geysteren, nat殲lichen w殲ckungen. Jtem von den dingen die da gemeynsame haben mit den voτgesagten syben nat殲lichen dingen.als, das alter, farben, gestalten des leibs, von wesenlicheit des leibs, von den dingen die nicht nat殲lich seind, und ettlich wider die natur. Und dieweil soliche ding ein besonders bůch erfoτderen, so liþ darvon das erst bůch D. Loτrentzen Freyeþen, genennt, Spyegel der artzney, von mir newlich gebessert unnd 歟erleþen, darinn w殲stu alles finden, so vil dir not ist zů diþem handel. Es seind auch daselbst alle ding kl詠lich gehandelet, der massen, dz es on not hye wid repetieren.

Hoe de kruiden gebruikt zullen worden.

 

Hoe echter nu genoemde zeer beroemde kruiden gebruikt zullen worden daar is veel aan gelegen. Dan niet gelijk is de ene arts zo een kruidenboek heeft en ettelijke kruiden kracht weten heeft, maar gelijk zoals ettelijke rietbereidingen behoren tot de tezamen gezette artsenijen, alzo ook hier. En dwalen ook zeer de experimentatoren die met ettelijke ervaren stukjes zich de handel ondernemen welke wanneer ze eenmaal falen dan weten ze daarna niet meer waarheen en menen, daarom dat ze een of twee met een kruidje geholpen, het zal daarom iedereen helpen, zien niet aan gelegenheid der personen, het geslacht, de ouderdom, de tijd, de plaats, de ziekte en hebben geen weten van de natuur, eigenschappen van het lijf, de anatomie, maar geven direct aan hen, raadt het, dan raadt het. Vandaar dan veel verderving komt en verstoring der natuur omdat men wat meent men wil wel helpen, zo onthelpt men. Daarom zo zullen hier alle regels der artsenij zoals ze de doctors gebruiken, samen alle omstandigheden daartoe behorend gelijk goed gehouden worden. Of  wanner men van zulke geen weten heeft altijd raad plegen van een verstandige doctor en namelijk de buik te laxeren of wat merkelijke ziektes aan te grijpen. Tegen de landzwervers die dan een poedertje rondvoeren om de buik open te doen, voor alle humoren welke ze iedereen geven een pleistertje hebben over alle schaden en een wortel voor alle ziektes en is echter wat maar enkel schijterij en bedrog en ook merkelijke schade daardoor de mensen toegevoegd. Welke ik de overheid beveel verder zulks met raad geleerde artsen te rechtvaardigen. Het is wel waar dat elke koopmanschap vrij zal zijn, echter toch omdat hier het lijf beschadigt en velen de doodt kopen zal billijk een inzien geschieden.

 

Von deze regels wat de elementen zijn, van de samengesteldheid, van de vier [21] vochtigheden, van de leden, van de krachten en geesten en natuurlijke werkingen. Item van de dingen die daar gemeenzaam hebben met de voorgezegde zeven natuurlijke dingen zoals de ouderdom, verven, gestalten van het lijf, van wezenlijkheid van het lijf, van de dingen die niet natuurlijk zijn en ettelijke tegen de natuur. En omdat zulke dingen een bijzonder boek vereisen zo lees daarvan dat eerst boek van D. Lorrentzen Freyetzen, genoemd ヤSpiegel der artsenijユ, van mij opnieuw verbeterd en overlezen, daarin zal u alles vinden zoveel u nodig is tot deze handel. Er zijn ook daar zelf alle dingen klaar behandeld, dermate dat het onnodig is hier weer te repeteren.

 

Zů was zeiten yede kre殳er sollen gesammlet werden.

 

Es ist auch nit genůg, das man der kre殳er so schlecht anhyn bτauch, wie es in den b枋heren geschτiben, sye m枹sen auch zůvoτ rechter zeit yngesammlet sein. Dann wo solichs verachtet, od verwarlasszet, dτffen sye wol kein krafft haben. Und sonderlich sollen die kre殳ler, und apothecker ynen diþen puncten lassen be befolhen sein, w冤len sye anders irem ampt fleisszig voτsteen. Erstlich sollen sye gesammlet werden, wann der hymmel klar und sch冢 wetter ist, nit im regen, nit im nebel.dann davon werden sye faul und schymmelecht. Auch im anfang des monats. Man soll auch der zeit des jares wol warnemen, und standts ires gew営hþs.dann solche etwann fr枡, etwann sp液er im jar zeitigen. Des gleichen ires alters warnemen. Dann ir etlich in irer  jugent gesammlet werden, etlich wann sye bl枡n, ettlich wann sye sich besamen. Diþ warnemung der alter, deweil sye von ettlichen verachtet, von ettlichen nicht bewisszt, seind sye deþhalben in grosse yrτthumb gefallen, das sye von vilen kre殳eren geschτiben und gehalten, als ob sye kein blůmen und kein stengel haben, die doch zů ir zeit blůmen und stengel bτingen, ist uτsach, dz sye uff ir kindtheit und jugent gesehen, darnach sye beschτiben, und nit nach irem alter. Es were auch g柎, das die so kre殳er bτauchen wolten, ettwas bericht hettent des hymmels ynflusszs und gestyrn, wissztent auch, welche kre殳er, was planeten und zeychen sye underwoτffen, und under welchem constellation sye solten gesammlet werden, ja in welchem grad unnd minuten.dann solichs haben die alten fleissig war genommen, und deþhalb mit den kre殳eren vil uþgericht, die wir yetzund nymmermer kennen, und haben doch die selbige Kre殳er. Darvon hatt geschτiben Marsilius Ficinus in dem dτitten bůch, da er schτeibt, wie man uþ des hymmelslauff, soll die kranckheiten und artzneyen regieren. Unnd dieweil solcher he殳 auch verdolmetscht in te殳sche spτach, ber枅f ich mich uff genante scribenten des selbigen oτts.binn auch des synns, davon in einem anderen b枋hlin zůhandelen, wo Gott mit der zeit gnad gibt. Es ist auch sunst ein Apothecker b枋hlin gemacht, genant, Dispensarium magistri Nicolai Pτepositi, darinn findest u wie man ein yedes kre殳lin in sonderheit sammlen und bereyten soll, m冂ht mit der zeit verdolmetscht werden. Ab (C iij) [21] er in einer summa, so soll man alle blůmen sammlen ee dann sye abfallen, und die fr歡ht wenn sye zeitig werden, und noch nit von ynen selbst abgefallen, die somen wenn sye d殲τ werden, unnd noch nit spτingen, oder reiþen. Safft soll man auch sammelen und uþdτucken dieweil die kre殳er noch grůn und safftig seind. Also auch der kre殳er milch, und schwitz ende tr冪flin, und gummi, alle dieweil ire stengel noch safftig und jung seind.

In welke tijden elk kruid zal verzameld worden.

 

Het is ook niet genoeg dat men de kruiden zo slecht tot zich gebruikt zoals het in de boeken geschreven is, ze moeten ook tevoren in rechte tijd ingezameld zijn. Dan wanneer zulks veracht of verwaarloost zullen ze wel geen kracht hebben. En vooral zullen de kruidenkenners en apothekers hen deze punten laten bevolen zijn willen ze anders hun ambt vlijtig voorstaan. Eerst zullen ze verzameld worden wanneer de hemel klaar en schoon weer is, niet in regen en niet in nevel. Dan daarvan worden ze vuil en schimmelachtig. Ook in aanvang van de maand. Men zal ook de tijd van het jaar goed waarnemen en stand van hun gewas. Dan zulke wat vroeg, soms later in jaar rijpen. Desgelijks hun ouderdom waarnemen. Dan van hen ettelijke in hun jeugd verzameld worden, ettelijke wanneer ze bloeien, ettelijke wanneer ze zich bezaaiden. Deze waarneming der ouden, omdat ze van ettelijke veracht en van ettelijke niet bewust zijn ze daarom in grote dwaling gevallen dat ze van vele kruiden geschreven en gehouden hebben alsof ze geen bloemen en geen stengel hebben die toch in hun tijd bloemen en stengels brengen, is oorzaak dat ze op hun kindsheid en jeugd gezien hebben en daarna beschreven en niet naar hun ouderdom. Het was ook goed dat die zo kruiden gebruiken willen wat bericht hadden van de hemel invloeden en sterren, weten ook welke kruiden, welke planeten en tekens ze onderworpen en onder welke constellatie ze zouden verzameld worden, ja in welke graad en minuten. Dan zulks hebben de ouden vlijtig waargenomen en vandaar met de kruiden veel uitgericht die we nu nimmermeer kennen en hebben doch diezelfde kruiden. Daarvan heeft geschreven Marsilius Ficinus in het derde boek daar hij schrijft hoe men uit de hemelloop zal de ziektes en artsenijen regeren. En omdat zulks tegenwoordig ook verduitst in Duitse spraak beroep ik me op genoemde scribent van datzelfde oord. Ben ook de zin daarvan in een ander boekje te handelen als God met de tijd genade geeft. En is ook verder een apotheker boekje gemaakt, genoemd ヤDispensarium magistri Nicolai Prepositiユ, daarin vindt u hoe men elk kruidje apart zamelen en bereiden zal, mag met de tijd verduitst worden. (C iij) [21] Maar in een summa, zo zal men alle bloemen verzamelen eer dan ze afvallen en de vruchten wanneer ze rijp worden en noch niet van zichzelf afvallen, de zaden wanneer ze droog worden en noch niet springen of vallen. Sap zal men ook verzamelen en uitdrukken terwijl die kruiden noch groen en sappig zijn. Alzo ook de kruidenmelk en zweet en druppeltjes en gom, alle omdat hun stengels noch sappig en jong zijn.

 

Wie man die Kre殳er behalten soll.

 

Zůvoτ ee man die Kre殳er gehalten thůt, soll man sye se歟eren von den erdtrich und grund.darnach dτren an den schatten, an einem truckenen oτt. Ettliche kn殫ffen sye zůsammen in b殱chlin, und henckent sye der oτdnung nach an die w穎d. Ettlich streyffen die bl液tlin ab, thůnd sye in ein s営klin, und henckens in gleiche oτdnung, ist auch ein gůtter gebτauch. Voτ allen dingen soll man soτg haben, dz das oτt, oder kammer sauber sey, das die kre殳er nit uff der erden ligen, nit faulen, nit schymmelich werden, nit von katzen und ratten beseychet, nit besteubet, sonder wie ein kostlich kleynot bewart werden. Was von blůmen und wolryechenden kre殳eren seind, soll man in beschlosszenen l嬰lin thůn von lynden holtz gemacht.damit sye iren geschmack behalten, doch auch nit ersticken. Die samen seind gůt in papyr gewicklet, damit sye nit schymmlecht werden. Was von fe歡hte ist, als von gummi, und s映ften, in sylberin, zynncnin, glþenen, und zům theyl auch yrdenen geschyrτen. Was zů den augen gehτt, ist gůt in τinen gef鋭szen behalten. Schmaltz und marck gehτen in das zynn. Wurtzelen solle man zůvoτ w殲ffelecht, oder rond wie Rettich zerschneiden, darnach durch ein faden zyehen, und tr歡knen lassen.doch soll man soliche zůvoτ wol se歟eren und weschen. Wermůt, Jsop, Quendel, Stabwurtz, Sticaden, und was der gleichen seind, soll man mit iren somen sammelen, und also in dem schatten dτren.

Hoe men de kruiden behouden zal.

 

Tevoren eer men de kruiden houden zal, zal men ze zuiveren van het aardrijk en grond. Daarna drogen aan de schaduw aan een droog oord. Ettelijke knopen ze tezamen in bosjes en hangen ze naar de ordening aan de wand. Ettelijke strijken die blaadjes af en doen ze in een zakje en hangen het in gelijke ordening, is ook een goed gebruik. Voor alle dingen zal men zorg hebben dat het oord of kamer zuiver is, dat de kruiden niet op de aarde liggen, niet vuil en niet schimmelig worden, niet van katten en ratten beseiken, niet bestoven, maar zoals een kostelijk kleinood bewaard worden. Wat van bloemen en welriekende kruiden zijn zal men in besloten laatjes doen van lindehout gemaakt daarmee ze hun smaak behouden, doch ook niet verstikken. De zaden zijn goed in papier gewikkeld daarmee ze niet schimmelig worden. Wat van vocht is zoals van gom en sappen in zilveren of zinken glazen en voor een deel ook aarden vaten. Wat tot de ogen behoort is goed in urnievaten behouden. Vet en merg behoren in dat zink. Wortels zal men tevoren dobbelsteenachtig of rond zoals radijs versnijden, daarna door een vezel trekken en drogen laten. Doch zal men zulke tevoren goed zuiveren en wassen. Alsem, hysop, tijm, staafkruid, Sticaden en wat dergelijke zijn zal men met hun zaden verzamelen en alzo in de schaduw drogen.

 

Wie lang sich die Kre殳er halten und werhafft seind.

 

Alle Kre殳er haltent sich gemeynklich ein jar, bitz das sye wider wachþen, etliche meer.

Chτistwurtz beyd halten sich lange jar

Chameleon fyertzig jar

Tausent guldin zw冤ff jar.

Schwebelwurtz f殤ff jar.

Holwurtz sechs jar.

Stickwurtz ein jar.

Sunst der meerer teyl w詠et nit 歟er dτey jar.wz dar歟er, hat kein krafft.

Alle kre殳er die nit zů rechter zeit yngesammlet, halten sich auch die lenge nit.

Sch冤wurtz w詠et dτey jar.

Alantwurtz gedτret zwey jar.

Besych hyevon das Dispensarium magistri Nicolai, und an vil oτten Plinium.

Hoe lang zich de kruiden houden en duurzaam zijn.

 

Alle kruiden houden zich gewoonlijk een jaar totdat ze weer groeien, ettelijke meer.

Kerstkruid, beide, houden zich lange jaren.

Chameleon veertig jaar.

Duizend gulden twaalf jaar.

Zwavelkruid vijf jaar.

Holkruid zes jaar.

Bryonia een jaar.

Verder het meerder deel duurt niet over drie jaar, wat daarover heeft geen kracht.

Alle kruiden die niet in rechte tijd ingezameld houden zich ook die lengte niet.

Stinkende gouwe duurt drie jaar.

Alantkruid gedroogd twee jaar.

Bezie hiervan dat ヤDispensarium magistri Nicolaiユ en aan veel oorden Plinius.

 

Wo die aller besten kre殳er wachþen.

 

Die allerbesten kre殳er wachþen uff den bergen, in den gewyldtn殱szen, an den reynen und b殄elen, uff dem freyen feld, an den l歿ftigen, sonnechten unnd heyteren oτten. F殲 unkrefftig, oder myn [22] der gůt werden geacht, so in den g詠ten gepflantzt, an dem schatten, in den gefangenen und verschlossenen l歿ften, bey den wasseren und fe歡hten stetten, uff den kirchh冉fen. Darumb seind allweg die wylden kre殳er krefftiger weder die zammen, und halten sich auch lenger. Es werden auch die kre殳er ettwann pτobyret nach der landtschafft.als Violwurtz von Jllyria, und Macedonien, Cypirus uþ Cilicien und Syrien, und von den Cycladier ynsulen, der Saffron uþ Coτyceo, Lycio, und Cyrene. Diþe ding alle sampt beschτeiben gar fleissig Dioscoτides und Plinius, von uns auch wargenommen, und gehalten in diþem bůch.

Waar de allerbeste kruiden groeien.

 

De allerbeste kruiden groeien op de bergen, in de wildernissen, aan de kanten en heuveltjes, op het vrije veld, aan de luchtige, zonnige en hetere oorden. Voor zwak of minder [22] goed worden geacht zo in de hoven geplant, aan de schaduw, in de gevangen en gesloten luchten, bij de wateren en vochtige plaatsen en op de kerkhoven. Daarom zijn altijd de wilde kruiden krachtiger dan de tamme en houden zich ook langer. Er worden ook de kruiden wat geprobeerd naar het landschap zoals vioolkruid van Illyri en Macedoni, Cyperus uit Cilici en Syri en van de Cycladen eilanden, de saffraan uit Coryceus, Lyci en Cyrene. Deze dingen alle samen beschrijven erg vlijtig Dioscorides en Plinius, van ons ook waargenomen en gehouden in dit boek.

 

Wie man die Kre殳er und wurtzelen pτobieren soll, ob sye gefelscht.

 

Wie man die kre殳er, wurtzel, somen, gew殲tz und specereyen pτobyeren soll, ist auch gar ein h歟sche kunst.darvon ich auch ein besonders b枋hlin geschτiben. Dieweil mir aber uff diþ mal von diþen dingen nit zů handlen, so 歟er mτ h詠 bτacht werden, so bedarff es in gegenwertigkeit nicht, und so yemants das selbig zů wissen begert, der leþ Plinium an dem zw冤fften bůch, Dioscoridem an dem ersten, da findet er bey eiem yeden frembde gew営hþ, sein pτobe nach der lenge, uff das aller fleissigest. Es ist auch solichs meer den Apotheckeren, und Kauffle殳en befolhen, so mit diþen materialen werben und mercantyeren, dann dem gemeynen mann. Was f殲 heymische kre殳er seind, haben wir in unserem Kre殳erbůch fleisszig angezeygt in einer summa. So ist allweg das m穎nlin krefftiger dann das weiblin, wylde mer dann die gartenkre殳er, das frisch und erst gewachþen krefftiger dann das d殲τe. Wo mit man auch die simplicia felschet, findet man klarlichen bey genantem Plinio am zw冤fften bůch, item w詠schafft, unnd kostbarlicheite der specereyen.

Hoe men de kruiden en wortels proberen zal of ze vervalst zijn.

 

Hoe men de kruiden, wortels, zaden, kruiderij en specerijen proberen zal is ook erg een hupse kunst waarvan ik ook een bijzonder boekje geschreven heb. Omdat me echter op deze maal van deze dingen niet te handelen zo over zee hier gebracht worden zo behoeft het in tegenwoordigheid niet en zo iemand datzelfde te weten begeert die leest Plinius in het twaalfde boek, Dioscorides in de eerste, daar vindt hij bij een elk vreemd gewas zijn proberen naar de lengte op dat allervlijtigste. En is ook zulks meer de apotheken en kooplieden bevolen zo met deze materialen werven en handelen dan de gewone man. Wat voor inlandse kruiden zijn hebben we in ons kruidenboek vlijtig aangetoond in een summa. Zo is altijd dat mannetje krachtiger dan dat wijfje, wilde meer dan de hofkruiden, de frisse en eerst gegroeide krachtiger dan de droge. waarmee men ook de simplicia vervalst vindt men duidelijk bij genoemde Plinius in het twaalfde boek, item duurzaamheid en kostbaarheid der specerijen.

 

Vom gyfft und schad ettlicher Kre殳er.

 

Es ist auch zů bedencken, dz wer mit kre殳eren will umb geen, er wol wissz, was schadens ir ettliche m冏en bτingen, so man sye nit bessert, coτrigiert, od ynen zůsatz thůt, oder iren zůvil bτaucht. Dann vil kre殳er der art, was sye an einem glyd nutzen, das schaden sye an einem anderen.Meu, Cardomůmlin, weissz Chτistwurtz seind kostliche wurtzelen, schaden aber dem haubt. Ringelkraut, und Engels枹sz laxieren wol, sch嬰igen aber den magen. Sehblůmen k柩en und erquicken das entz殤dt hertz und leber, dargegen t囘ten sye den m穎nlichen somen. Violwurtz, und Balsam thůnd des gleichen, seind sunst 歟er die massz kostliche kre殳er. Burtzelkraut, und Dyll seind hochber枸pt zů vilen glyderen, sch嬰igen aber die augen. Andoτn schadet der verwundten bloþen, und den nyeren. Vil haltent den Saffron den haubt auch sch嬰lich. Wo mit aber solche sch嬰en hyngenommen haben wir, so vil uns m殀lich, in unseren beschτeibungen auch anzeygt, werden allemal von Dioscoride und Plinio gemeldt. [23]

Van gif en schade ettelijke kruiden.

 

Het is ook te bedenken dat wie met kruiden wil omgaan hij goed weet welke schaden van hen ettelijke mogen brengen zo men ze niet verbetert, corrigeert of hen een toevoeging doet of hen teveel gebruikt. Dan veel kruiden zijn van die aard wat ze aan een lid nuttig zijn dat schaden ze aan een andere. Meum, Cardomum en wit Kerstkruid zijn kostelijke wortels, schaden echter het hoofd. Ringelkruid en engelzoet laxeren goed, beschadigen echter de maag. Waterlelies bloemen verkoelen en verkwikken dat ontstoken hart en lever, daartegen doden ze de mannelijke zaden. Vioolkruid en balsemmunt doen desgelijks, zijn verder overdadige kostelijke kruiden. Postelein kruid en dille zijn zeer beroemd tot vele leden, beschadigen echter de ogen. Andoorn beschadigt de verwonde blaas en de nieren. Veel houden de saffraan het hoofd ook schadelijk. Wie echter zulke schaden ingenomen hebben we zoveel ons mogelijk in onze beschrijvingen ook aangetoond, worden allemaal van Dioscorides en Plinius gemeld. [23]

 

Mit was cerimonien, und abst殳zlerey, die alten Heyden ettlich kre殳er gesammlet.

 

Jch můssz hye auch eins anzeygen, von den abergl疫bischen Cerimonien, oder handtgeb詠den (wie ichs nennen soll) so die alten ettwan zů solicher versammlung der kre殳er gebτaucht.nit das wir den selbigen sollen nachfolgen, sonder das wir sehen, wie mit gr冱szerem fleissz sye ire kre殳er gehandelt, und was glauben daran gehabt. Doch in dem gef瑛et, das sye die schwartz kunst darmit vermengt haben, und das sye solten ges枋ht haben bey der natur und bey gott, haben sye zůgebenden den bþen geysteren, sye dar歟er anger枅ft, ein aberdienst darzů gebτaucht, und auch deþhalb ire w殲ckung erlangt, und zů wegen gebτacht.nit das solichs kramantzen und beschwτen sondere krafft geb, sonder das der te歿fel sein gespenst darmit treibet, und lasszt es gelingen, damit man vil uff soliche abste殳zlerey und falsche religion halte. Solichs auch Gotte verhengt unsers unglaubens halben.dieweil wir der warheit nit glauben geben, das wir durch die lugen 瑛so ge映fet, und gebe殳elt wurden. Dann wann wir mit Gott wol st柤den, Gott glaubten, so dτffte es der Ceremonien allersampt nit o, snder wie Moseh dz holtz in dz wasszer warff in dem nammen des Herτen, und es sůþ ward, Helias und Heliseus mit den meel die gyfftige speiþ gebessert, Naaman von der maltzereyen gereyniget met lauterem flyesszendem wasser, das yþen haben machen schwymmen im wasser, die Apostelen durch das baum冤e vil gesundt haben gemacht, alles in den nammen des Herτen, also w殲den wir uff den he殳igen tag mitt den kre殳eren und wurtzelen auch wunderzeychen thůn. Die wurtzel Tapsum zů graben, haben sich die Heyden mitt baum冤e durch den gantzen leib gesalbet, und wargenommen, das der wynd nit darzů w栄e, sunst haben sye sich besoτgt geschwulsst des leibs.

Hundtsdoτn haben sye auch mit abgekoτtem wynd gesammetl, damit sye nit in den augen gesch嬰iget w殲den.

Jtem ein geschlecht der Wynde haben sye gegraben am moτgen ee dann die sonn uffgieng.

Chτistwurtz zů graben, můst man zůvoτ ein circkel darumb machen mitt einem blossen schwerdt.darnach můst sich der kre殳ler gegen uffgang der sonnen keren, und ein gebett spτechen, dz er solichs mit g殕ckseligen v冏elen m冂hte thůn. Darnach so můst er eygentlichen warnemen uff den Adeler, welcher gemeynklich allweg zůgegen da man soliche wurtzel grůbe. Der selbig Adeler wann er sich zů vil n栄eret dem gr叡er, bede殳et es ym den todt. Es můst auch genanter gr叡er zůvoτ knoblauch essen und wein daruff trincken, und auch eilents solich wurtzel graben.

Peonien wurtzel hatt mann auch bey nacht m枹sen graben.wo das nit, hatt der specht, welcher der wurtzel ein h柎ter gesetzt, den graber die augen uþpickt.

Jn gleicher massz welche haben w冤len graben das Fyeberkraut, die haben sich m枹szen besoτgen des Habichs und des Sperbers. [24]

Die wurtzel Panax, die man nennet Asclepia, hat man nit k殤nen zů wegen bτingen, man hette dan zůvoτ mancherley geschlecht der fr歡ht in das erdtrich gewoτffen, und vil fladen, der Erden zů einem opffer, und widerbesoldung.und darnach hat man mit einen zweyschneidigen schwerdt, einen dτeifachen circkel m枹sen darumb schneiden in das erdtreich, und zů letst sye entboτ heben.

Mandτagoτa ist auch dτey mal mit eim schwerdt umbcirculiert woτden, hat aber der selbige beschwτer unnd kre殳ler gegen nidergang der sonnen sich m枹szen keren, darnach darumb dantzen, und vil schamperer unnd unt歡htiger woτt spτechen, so sich nit zymmen zůschτeiben.

Violwurtz zů graben hatt grossze arbeyt genommen. Zůvoτ můst man dτey monat das erdtrich mit honig wasszer bespτengen, wie mit den gr叡eren, und den pauren uff dem kirchhoff das weyhwasser geben, und durch diþes bespτengen dz erdtrich zů friden setzen. Darnach erst hat man circkel darumb gef柮et mit schwerdteren, und die uþgezogen wurtzel gen hymmel m枹szen heben. Es haben auch die kre殳ler, oder gr叡er, zů der selbigen zeit sich ke殱ch m枹szen halten.

Polium zů graben, hatt man ein h殳tlin darzů můsszen bawen, und wann sye solichs gethon, so soll diþ kraut vil kostlicher kr映fte gewynnen, so man es bey ym tregt.

Die das bech bτennen, die gantze lange zeit dieweil sye mitt dem schmeltzen umbgon, opfferen, und betten sye, das das bech wol geradt.

Noch vil wunderbarlicher ist, dz Scriboius Largus sagt von dem Jsenkraut und spitzem Klee, die selbigen kre殳er des ersten tages so sye erfunden, můssz man das oτt verzeychnen, und mit dem lyncken oτ ein circkel darumb machen, unnd ettliche fr歡ht legen.des anderen tags, voτ uffgange der sonnen, mit der lyncken handt uþyetten.

Von der Hirtzung, Scolopendτia genant, halten sye, dz es die geburt treibe den frawen in kindts n冲en angehencket mit den miltz eins manlesels.es můssz aber solich kraut zů nacht bey dem monschein gegraben werden.

Hye solt ich noch sagen von d M殤tz, von der wylden Violwurtz, Kymmich, Basilien, item der abergl疫bischen s栄ung viler kre殳er, dieweil aber soliches on frucht, und nit nach zůvolgen, befylhe ichs beym Theophτasto, Plinio, Dioscoτide, Apuleio, und den Alten zů leþen. Wer will nit glauben, das diþe genant v冏el, so die le殳 gesch嬰igt, der leiblich te歿fel gewest seye?welcher da zůmal die gantz welt gen詠τet und umbgef柮t mit seinem falschen gottsdyenst. Es geschehen ye solche sachen bey uns gar nicht, dieweil wir weit eins anderen synns und glaubens. Dah詠 haben auch unsere gauckler gelernet den Farensomen beschw决en, die Buck, und das Iþsenkraut. Es můssz doch der te歿fel sein v冤cklin allzeit 枌en, damit er sein kurtzweil auch habe.

Met welke ceremonies en afstotelijkheid de ouden heidenen ettelijke kruiden verzameld.

 

Ik moet hier ook eens aantonen van de bijgelovige ceremonies of handgebaren (zoals ik ze noemen zal) zo die ouden wat tot zulke verzameling der kruiden gebruiken. Niet dat we dezelfde zullen navolgen, maar dat we zien hoe met grote vlijt ze hun kruiden gehandeld en welke geloven daaraan gehad. Doch als het gebeurt dat ze de zwart kunst daarmee vermengd hebben en dat ze zouden gezocht hebben bij de natuur en bij God hebben ze toegegeven de boze geesten, ze daarover aangeroepen, een afgodendienst daartoe gebruikt en ook vandaar hun werking verlangt en teweeg gebracht. Niet dat zulke flauwekul en bezweren bijzondere kracht geeft, maar dat de duivel zijn gespenst daarmee drijft en laat het toe zodat men veel op zulke flauwekul en valse religie houdt. Zulks ook aan God opgehangen vanwege ons ongeloof omdat we de waarheid geen geloof geven zodat we door de leugen alzo na-apen en gebonden worden. Dan wanneer we met God goed stonden en God geloofden dan behoeven de ceremonies alle samen niet of zoals Mozes dat hout in dat water wierp in de naam des Heren en het zoet werd, Helias en Heliseus met het meel de giftige spijs verbeterden, Naaman van de huidziekte gereinigd met zuiver vloeiend water, dat ijzer hebben maken zwemmen in water, de apostels door de olijfolie velen gezond hebben gemaakt en alles in de naam der Heer, alzo zullen we op de huidige dag met de kruiden en wortels ook wondertekens doen. De wortel Tapsum te graven hebben zich de heidenen met olijfolie door het ganse lijf gezalfd en waargenomen dat de wind niet daartoe waait, verder hebben ze zich bezorgd om de gezwellen der lijf.

Hondsdoren hebben ze ook met weinig wind verzameld daarmee ze niet in de ogen beschadigd worden.

Item, een geslacht der winde hebben ze gegraven aan morgen eer dan de zon opging.

Kerstkruid te graven moet men tevoren een cirkel daarom maken met een bloot zwaard. Daarna moet zich de kruidenkenners tegen opgang der zon keren en een gebed spreken dat hij zulks met gelukzalige vogels mag doen. Daarna zo moet er eigenlijk waarnemen op de adelaar welke gewoonlijk altijd daar is waar men zulke wortel graaft. Diezelfde adelaar wanneer hij zich teveel nadert de graver beduidt het hem de dood. En moet ook genoemde graver tevoren knoflook eten en wijn daarop drinken en ook snel zulke wortels graven.

Pioen wortel heeft men ook bij nacht moeten graven, doe je dat niet heeft de specht, welke de wortel een hoeder gezet, de graver de ogen uitgepikt.

In gelijke maat welke hebben willen graven dat koortskruid die hebben zich moeten bezorgen de havik en de sperwer. [24]

De wortel Panax, die men noemt Asclepia, heeft men niet kunnen teweeg brengen, men heeft dan tevoren menigvuldige geslachten der vruchten in dat aardrijk geworpen en veel vlaaien, de aarde tot een offer en terug betaling. En daarna heeft men met een tweesnijdend zwaard, een drievoudige cirkel moeten daarom snijden in dat aardrijk en tenslotte ze tevoren heffen.

Mandragora is ook drie maal met een zwaard omcirkelt geworden, heeft echter diezelfde bezweerder en kruidenkenner tegen neergang der zon zich moeten keren, daarna daarom dansen en veel schamperijen en ontuchtige woorden spreken zo zich niet betamen te schrijven.

Vioolkruid te graven heeft grote arbeid genomen. Tevoren moet men drie maanden dat aardrijk met honigwater besprengen zoals met de gravers en de boeren op het kerkhof dat weiwater geven en door dit besprengen dat aardrijk tevreden zetten. Daarna eerst heeft men cirkel daarom gevoerd met zwaarden en de uitgetrokken wortel tegen hemel moeten heffen. En hebben ook de kruidenkenners of gravers in diezelfde tijd zich kuis moeten houden.

Polium te graven heeft men een hutjes daartoe moeten bouwen en wanneer ze zulks gedaan dan zal dit kruid veel kostelijke kracht gewinnen zo men het bij hem draagt.

Die dat pek branden die de ganse lange tijd omdat ze met het smelten omgaan offeren en bidden ze dat het pek goed aankomt.

Noch veel wonderbaarlijker is wat Scribovius Largus zegt van het ijzerkruid en spitse klaver, diezelfde kruiden de eerste dag zo ze gevonden worden moet men dat oord aantekenen en met de linker oor een cirkel daarom maken en ettelijke vruchten leggen. De andere dag, voor opgang der zon, met de linker hand uithalen.

Van de hertstong, Scolopendria genoemd, houden ze dat het de geboorte drijft de vrouwen in kinds nood, aangehangen met de milt van een mannelijke ezel. Er moet echter zulk kruid in nacht bij de maneschijn gegraven worden.

Hier zou ik noch zeggen van de munt, van het wilde vioolkruid, kummel, basiel, item het bijgelovige zaaien van vele kruiden, omdat echter zulks zonder vrucht en niet na te volgen beveel ik het bij Theophrastus, Plinius, Dioscorides, Apuleius en de ouden te lezen. Wie wil niet geloven dat deze genoemd vogel zo de lieden beschadigt de lijfelijke duivel geweest is? Welke daar toenmaals de ganse wereld genart en omgevoerd met zijn valse Godsdienst. Er geschieden nu zulke zaken bij ons geheel niet omdat we wijdt een andere zin en geloof hebben. Vandaar hebben ook onze goochelaars geleerd de varenzaden te bezweren, de bijvoet en dat ijzerkruid. En moet toch de duivel zijn volkje altijd oefenen daarmee hij zijn tijdverdrijf ook heeft.