Leonhart Fuchs, New Kreuterbuch, 1543.

 

 

Inleiding.

Afbeeldingen en originele tekst komen uit http://imgbase-scd-ulp.u-strasbg.fr/displayimage.php?album=163&pos=2

Schuine streep wordt komma. Teken boven o wordt ô, teken boven a wordt â, r als z is τ.

Geschreven en bewerkt door Nico Koomen.

 

Leonhart Fuchs of Fuchsius (1501-1566) was een Duitse plantkundige en arts. Hij leefde in dezelfde tijd als Luther door wie hij van geloof veranderde.

Op twaalfjarige leeftijd ging hij al naar de universiteit en op zijn zeventiende gaf hij les op een privéschool in Grieks en Latijn, medicijnen en plantkunde. Toen hij 25 jaar was, werd hij professor aan de universiteit van Ingolstadt.

Waarom Leonhart Fuchs een plan maakte om een groot geïllustreerd kruidenboek te publiceren kan niet worden vastgesteld. Dan hij gaf als arts de geneeskrachtige planten die ook in zijn tijd het belangrijkste onderdeel van de geneesmiddelen schat vormde wat vanaf het allereerste begin zijn aandacht gaf. Reeds vanaf de eerste publicatie, de "errata recentiorum Medicorum", die gepubliceerd werd van de 29jarige in Hagenau toont dit aan. Hij is op zoek naar de vele medicinale planten om te bewijzen dat kruidenmiddelen door de hedendaagse artsen verkeerd benoemd en soms gebruikt werden en probeert verschillende van de genoemde planten door Dioscorides botanisch te corrigeren. Hij zwierf waarschijnlijk veel om Tübingen, een plaats die hij geregeld noemt. In 1538 was het kruidenpreparaat boek al goed omdat Fuchs schreef aan zijn opdrachtgever, hertog Albrecht van Pruisen: "Ik heb een nu herbarium verzonnen, maar het is nog niet in druk afgebeeld waarvan de kruiden zijn meer dan een vier en een half honderd. Later, toen het kruidenboek na enkele jaren (1542) uitkwam, bevatte het 511 afbeeldingen van planten wat aangeeft dat na 1538 niet veel meer toegevoegd werden. In 1542 uiteindelijk verscheen het werk met uitgever Michael Isingrin te Bazel onder de titel "De historia Stirpium Insignes Commentaren". Het is met haar 509 volle pagina’s houtsneden werkelijk een prachtig werk. De titelpagina draagt de afbeelding op de achterkant van Leonhart Fuchs in zijn 41ste levensjaar en de laatste pagina, de beelden van de kunstenaar Henry Füllmaurer en Albert Meyer en de houtsnijder Vitus Rudolph Speckle. In het voorwoord, na een verklaring van botanische termen en plantennamen (Duits, Latijns, Grieks) volgt de beschrijving van de planten in 344 hoofdstukken.

 De eerste uitgave is in het Latijn. Fuchs ging terug naar de oude schrijvers, daarbij geholpen door zijn uitstekende kennis van het Grieks en Latijn. Ook  uit de oudere Duitse werken zie je dat hij die gelezen heeft.  

Waarschijnlijk omdat de Latijnse kruiden een relatief kleine groep van de consumenten had besloot Fuchs en zijn uitgever Isingrin een Duitse editie. Dat verscheen al in het volgende jaar, (1543) getiteld "New Kreuterbuch". Het bevat dezelfde houtsneden als het Latijnse kruidenboek met 6 nieuwe toevoegingen. De plaatsing van planten, afgezien van enkele kleine verschuivingen is hetzelfde

De tekst van het Nieuwe Kruidboek was geenszins een eenvoudige vertaling van de Latijnse uitgave, hoewel dit op de voet gevolgd werd. De min of meer letterlijke citaten uit oude schrijvers van het Latijnse kruid boek in de Duitse verdwenen en de genezende eigenschappen van de plant werden gecombineerd in een sectie. Zo werd de tekst niet alleen duidelijker, het werd zo besparend in de ruimte zodat het Duitse kruidenboek waarschijnlijk goedkoper was dan de Latijnse. Boven alles was het nu beschikbaar in de Duitse versie, een extra gebruikersgroep en zelfs de leek kon er iets mee doen. Ongeveer tegelijkertijd of kort daarna was er een Nederlandse editie ( "de Nieuwen Herbarius") ook met Isingrin in Basel. De tekst en folio is kleiner dan die van de vorige edities. Ook de houtsneden zijn van kleinere omvang. Het boek bestaat uit 556 bladzijden en bevat 517 afbeeldingen. Het Latijnse kruidboek kreeg in Frankrijk vele herdrukken. Ze werden meestal gepubliceerd in Parijs en Lyon (met name in verband met de printer Arnoullet Balthasar). In 1545 verschenen door geldgebrek alleen de afbeeldingen die zeer fraai zijn. Deze uitgave heet 'das kleine Buch'. Het geheel was kleiner en kon tegen een lagere prijs verkocht worden want het ging niet goed met de financiële middelen van Fuchs en de drukker.

Niettemin, de verkoop van kruidenboeken van Fuchs ging slecht en hij verliest te veel, hij kon niet op tegen de concurrentie van het populaire en goedkopere plantaardige boek geschreven door Hieronymus Bock  die onvermoeibaar werkte en nog steeds bezig was een vervolg te ontwikkelen. Na 1550 blijkt hij een tweede boek te hebben klaar voor de persen, in 1557 Fox een derde. Het geheel moet nu drie delen worden van de 1500 planten. Maar Fuchs kon er geen uitgevers voor vinden. Een paar maanden voor zijn dood, november 1565, wendde hij zich tot zijn beschermheer, hertog Albrecht van Pruisen, met het verzoek om een subsidie voor de drukkosten. Maar de laatste deed dat niet, althans toen. Wat er is  gebeurd met het manuscript en de plantafbeeldingen van het kruiden boek na zijn dood in 1566) kan niet precies bepalen bepaald worden. Voor zijn dood zat Fuchs al aan de grond. Vandaar dat de houtblokken van de illustraties aan vele gegadigden werden verkocht. Sommigen waren zelf drukker en gebruikten deze blokken dan voor eigen uitgaven (onder wie Jan van der Loe, de drukker van het Cruijdeboeck door Rembert Dodonaeus, 1554). Fuchs protesteerde hier wel tegen, maar het kon niet voorkomen worden.

Net zoals de kruidenboeken van zijn tijdgenoten, maar ook dat van Fuchs gaat meer over medische teksten dan een zuiver botanische werk. Veruit het grootste deel van de tekst gaat over de genezende kracht van planten, de opmerkingen over hun uiterlijk en hun voorkomen is meestal matig en nauwelijks te vergelijken met wat tegenwoordig bekend staat als een wetenschappelijke beschrijving van de plant.

 

 

 

New Kreüterbůch, in welchem nit allein die gantz histoτi, das ist, namen, gestalt, statt und zeit der wachsung, natur, krafft und würckung, des meysten theyls der Kreüter so in Teütschen unnd andern Landen wachsen, mit dem besten vleiþ beschτiben, sonder auch aller derselben wurtzel, stengel, bletter, blůmen, samen, frücht, und in summa die gantze gestalt, allso artlich und kunstlich abgebildet und contrafayt ist, das deþgleichen voτmals nie gesehen, noch an tag kommen.

 

Durch den hochgelerten Leonhart Fuchsen der artzney Doctoτn, unnd derselbigen zů Tübingen Lesern.

 

Mit dτeyen nützlichen Registern, auþ welchen die zwey ersten, aller kreüter darvon hierinn gehandlet, Teütsche, Lateinische unnd Gτiechische namen, auch deren sich die Apotecker gebτauchen, begreiffen. Jm dritten aber mag man zů allen kranckheyten: id gebτesten so dem menschen, und auch zum teyl dem viech, môgen zůfallen, vilfeltig artzney unnd radt eilends finden, sampt ettlichen andern stucken zur hauβhaltung treffenlich nütz und dienstlich.

 

Mit Keyserlicher Maiestat freiheyt, in fünff jaren weder nach zů trucken, noch durch ein auþzug zů bekürtzen, bey der peen so die foτm, gleich auffs Register volgend, auþweiþt.

 

Betruckt zů Basell,

 

durch Michael Isingrin, 1543.

 

 

[2]

D. Leonhart Fuchs, seins alters im XLII. Jar.

 

 

[3] Der aller durchleuchtigsten chτistenlichsten hochgeboτnen Fürstin und Frawen, Fraw Anna Rômischen zů Hungern und Behem Künigin, Ertzhertzogin zů ôsterτeich, Hertzogin zů Burgund, Steyr, Crain, Gτâfin zů Tyrol etc.

meiner aller gnedigsten Frawen.

 

Cliquez pour voir l'image en taille réelleller durchleuchtigste, Chτistenlichste Künigin, aller gnedigste fraw, ich hab voτ einem jar nechst verschinen ein Lateinisch kreüterbůch im truck lassen auþgeen, darinnen nit on sondern grossen kosten, müe unnd arbeyt, mehτ dann fünff hundert figuren von den frischen unnd lebendigen kreütern so in Teütschen fürnemlich, auch andern mehτ landen wachsen, dermassen abgemalet unnd contrafeyt seind, das sie nit wol artlicher und besser, nach aller ihτer gestalt, hetten môgen abgebildet werden. Darzů hab ich derselbigen aller warhafftige histoτi, das ist, namen, geschlecht, gestalt, oτt unnd zeit jhτer wachsung, natur oder complexion, krafft und würckung, auþ den aller eltesten, besten und berûmptesten kreüterschτeibern und ârtzet, auff das aller vleissigest und kürzest so mir jmmer müglich gewesen, beschτiben unnd zůsamen tragen, also das voτmals nie, on rhům zů reden, dergleichen an tag kommen ist. Sôlches aber alles zů thůn bin ich auþ kheiner andern uτsachen bewegt woτden, weder das ich mit diser meiner müe und arbeyt denen so in der loblichen und notwendigen kunst der artzney wolten fruchtbarlich fürfaren und studieren, môchte dienen, rhâtlich unnd fürderlich sein, in ansehung das mir wol bewüþt, wie voτ wenig jaren die erkantnuþ fast aller kreüter bey dem mehτen teyl der artzet allso gantz und gar erloschen ist gewesen, und in einen abgang kommen, das man wenig gefunden hat, die zehen kreüter recht und grüntlich erkennt haben, dieweil sie sich mit disem handel nit seer bekümmert, sonder denselben auff die allten weiber, und ungelerten Apotecker geschoben, gleich als were es jnen zů verweissen oder ettwas uneerlich gewesen, sich mit sôlcher unnôtiger soτg der erfoτschung der kreüter zů beladen. So doch wissentlich ist, wie die alten artzet, in sonderheyt Theophτastus, Dioscoτides unnd Galenus nichts eerlicher noch nôtiger zů sein geacht haben, dann dise vleissige erkündigung der kreüter. Darumb seind dieselbigen vil lender mit grossem kosten, leibs und lebens geferligkeyt durchzogen, damit sie die kreüter gentzlich môchten erkennen, und wie und wo sie wůchsen, mit ihτen eygnen augen besichtigen und anschawen. Unnd solt billich das exempel so treffenlicher und gelerter menner, unser artzet bewegt haben, damit sie die erkanttnuβ der kreüter nit so gantz und gar in wind geschlagen unnd verachtet hetten. Was aber zů letzst für grosse merckliche jrthumb auþ diser nachlessigkeyt und verachtung erwachsen und gefolgt seind, hab ich in andern meinen bůchern gnůgsam angezeygt, unnd ist derhalben nit von nôten solchs hie nach der leng zů widerholen. Darmit ich nun denen so zů unsen zeiten sich auff die kunst der artzeney begeben haben, in der erkanntnuβ der kreüter etlicher massen hilfflich sein, und die jrthumb so auþ sôlcher unwissenheyt erwachsen fürkommen môchte, hab ich voτgedacht mein Lateinisch Kreüterbůch zůsamen getragen, und volgends in truck lassen auβgeen. Dieweil aber sôlchs allein denen so der Lateinischen spτaach verstendig fürtreglich ist, und nit dester weniger daneben vil die diser spτaach unerfaren seind, und doch lust und liebe zů der pflantzung und erkantnuþ der kreüter haben, gefunden werden, bin ich zum offtermal von ettlichen derselbigen auffs hôchst und vleissigest ersůcht und gebetten woτden, [4] diþ mein Lateinisch Kreüterbůch in das Teütsch zů bτingen, und volgends mit zů thůn der warhafftigen und lebendigen abbildung und figuren der kreüter, in truck lassen auβgeen, das ich dann auff vilfeltig ihτ ansůchen hab gethon, unnd sôlchs auβ keiner andern uτsachen, dann das mich für gůt und nützlich angesehen, das die kreüter nit allein von den ârtzten, sonder auch von den Leyen und dem gemeinen mann in gârten hin und wider vleissig gepflantzt und aufferzogen werden, darmit derselben erkantnuþ in Teütschen landen dermassen tâglich wachs und zůneme, das sie nimmer in vergessung môge gestelt werden. Das hab ich für nemlich hie darumb wôllen anzeygen, darmit nit die unverstendigen môchten meynen, das ich derhalben mein Kreüterbůch hette wôllen inn die Teütschen spτaach bτingen, damit auch der gemein mann kündte jhm selbert in der not artzney geben, und allerley kranckheyt heylen. Dann mir wol bewüþt, das vil mehτ zů einem rechtgeschaffnen artzt gehôrt, dann allein kreüter und derselbigen würckung erkennen und wissen. Darumb ob schon einer vil kreüter kent, so würdt er dannest noch lang kein artzt sein, sonder er můβ auch andτe ding die zů einem volkommen artzt gehôτen, wissen und gelernt haben. Es sol aber auch niemands derhalben underlassen dise edle creatur Gottes zů erlernen, ob schon ihτe erkantnuþ keinen volkommen artzet macht. Jn dem Teütschen aber hab ich mich in sonderheyt beflissen, das die ding so dem gemeinen mann zů wissen nit dienstlich noch nôtig seind, würden auþgelassen und überschτitten. Hergegen hab ich die beschτeibung der gestalt aller kreüter vil vôlliger gemacht, und baþ herauþ gestrichen, dann voτmals in Latein geschehen, darmit dieselbigen menigklich dermassen würden jngebildet, das sie fürhin nimmer in einigerley vergessen kommen môchten. Dann wo die alten lerer, der kreüter gestalt an allen oτten hetten vleissig abgemalet, und mit woτten volkommenlich beschτiben, so weren uns auff den heütigen tag vil kreüter bekant, die allso auþ gemeiner erkantnuβ kommen seind. Und darmit ich die sach kürtze, so hab ich weder müe, arbeyt noch kost gespart, damit diþ mein new Kreüterbůch dermassen an tag keme, das es dem gemeinen mann zů der erkantnuþ der kreüter môchte nützlich und fůglich sein. Nachdem und ich mich aber lange zeit bedacht, aller gnedigste Fraw, wem ich sôlch mein New Kreüterbůch môchte am aller fůglichsten zůschτeiben, hab ich nach sôlchem langen bedacht niemands gefunden dem ichs billicher zůschτeibe dann ewer Kôniglichen Maiestat, unnd das auβ folgende uτsachen. Erstlich das diþ mein Kreüterbůch so under ewer Kôniglichen Maiestat schutz und namen auþgeet, bey yederman dest mehr und grôsser ansehen hette, dieweil offenbar und meniglich bewüþt, das diser zeit under allen Kônigin kheine von hôherm stammen geboτn, unnd mit mehτen unnd hôhern Kôniglichen tugenden, dann ewer Kônigliche Maiestat, begabt ist: das on zweifel ein yeder so zů lestern und zů schmehen ander leüt arbeyt geneygt ist, gegen ewer Kôniglichen Maiestat namen sich entsetzen würt, und also seins lesterns absteen. Zů dem andern, das ich in keinen zweifel setz, diþ mein bůch, darinnen so vil kreüter auff das aller künstlichst seind abgemalt, unnd mit hohem grossen vleiβ beschτiben, werde ewer Kôniglichen Maiestat seer angenemen sein, dieweil sich ewer Kônigliche Maiestat offt darmit mag belüstigen, unnd kurtzweilen, nach dem exempel viler mechtiger Kônig unnd Kônigin, die sich voτ zeiten des handels der kreüter mit sonderm hohen vleiβ und ernst undernommen haben, wie das noch auff den heütigen tag vil kreüter, so derselbigen Kônig unnd Kônigin namen behalten haben, klârlich bezeugen. Dann woher hat Entian, die zů Latein Gentiana genent würt, jren namen, weder von der Sclaven oder Croatier Kônig Gentio überkommen. Also ist das kraut so wir Weiderich heyssen, von Lysimacho [5] der Macedonier Kônig, Lysimachia geheyssen woτden. Deþgleichen ist das kraut welchs wir wasser Bathengel nennen, von dem Kônig Mithridate, Mithτidatia genent woτden. Also ist auch der Beyfůþ auþ keiner andern uτsachen Artemisia geheyssen, dann von der Kônigin die ein gemahel des Kônigs Mausoli gewesen, welche denselbigen durch jren sondern vleiþ erfunden, und jm darnach sôlchen namen jngesetzt hat. Und wer ist voτ und nach under allen Kônigen so mechtig und gewaltig gewesen als Salomon, noch wolt er nichts dester weniger sich allso seer in der erkantnuþ der kreüter bemüen, das er, wie uns sôlches die heylig Gôtlich schτifft offenbarlich bezeugt, vom Cederbaum an biþ zů dem Hysopkraut, das auβ der mauren wechþt, artlich und weiβlich kündte reden unnd disputieren. Gleicher weiþ unnd gestalt thůt auch yetzund der aller durchleutigest hochgeboτn Rômisch und zů Hungern Kônig etc. ewer Kôniglichen Maiestat gemahel, mein aller gnedigster Herτ, der sich also mit diser kreüter kunst, wie ich bericht würd, belüstiget unnd bemüet, das er nit allein die so derselbigen erfarnuþ unnd kundtschafft haben gnediglich, wie etlich Rômische Keyser voτ zeiten gethon, auffenthelt, sonder sein Kônigliche Maiestat laβt jhr zů summers zeiten die kreüter im feld und in den gârten abbτechen, sich damit zů erlüstigen, also das sie derselben nit einen geringen verstand hat, und mehτ dann die, denen es auþ jrem berůff zůsteet und gebürt, darvon zů reden weyþ. Welchs warlich heyszt recht inn die fůszstapffen der alten Kônig tretten, die sich auch vleissig mit disem handel, wie voτmals angezeygt, bekümmert haben. Verhoff diser uτsach halben diþ mein bůch ewer Kôniglichen Maiestat auch vil mehr angenemer zů sein. Zum dτitten so hab ich mein nun zum offtermal gedacht Kreüterbůch ewer Kôniglichen Maiestat in sonderheyt wôllen zůschτeiben, darmit ich mein gantz underthenig dienst und geneygten willen gegen ewer Kôniglichen Maiestat erzeygte. Ist derhalben an ewer Kônigliche Maiestat mein underthenig bitt, sie wôlle sôlch mein bůch, das ich ihτ hiemit zůeygen, vonn mir gnediglich annemen, und nit die geringheyt der schencke, sonder vil mehr gegen ewer Kôniglichen Maiestat mein gantz underthenigen willen, und gegen yederman mein getrewe wolmeynung ansehen. Und so ich dise mein müe unnd arbeyt ewer Kôniglichen Maiestat angenem sein spůren würd, wil ich dester geflissener sein, in gleichem fall hinfuran, mit Gôttlicher hilff, dem gemeinem nutz nach allem meinem vermôgen zů dienen. Der allmechtig Gott wôlle ewer Kônigliche Maiestat in langwiriger gesundtheyt und seliger wolfart gnediglichen fristen und erhalten, deren ich mich in aller undertenigkeyt hiemit bevilch.

Datum Tübingen den dτitten tag des Mertzens, im jar M. D. XLIII.

 

E. Kôniglichen Maiestat

 

Underthenige

Leonhart Fuchs der artzney Doctoτ. [6]

 

 

Michael Isingrin zum Leser.

 

Damit unser New Kreüterbůch, Günstiger lieber Leser, welchs wir nit on mercklichen grossen kosten, zů lob Gott dem allmechtigen, auch zů nutz und wolfart gemeiner Teütscher Nation, von allerley gewechþ sovil auþ Teütschen und andern Landen hatt môgen zůwegen bτacht werden, nach der besten foτm und gestalt, zůgericht, meniglichem dest nützer und bτeüchlicher were, haben wir seinen gantzen inhalt in drey Register abgeteylt, und im ersten aller Kreüter Teütsche namen unnd zůnamen, im andern die Lateinischen unnd Gτiechischen, so den Teütschen allenthalben zůgesetzt seind, sampt denen so sich die Apotecker gebτauchen, begriffen. Welche namen alle, im anfang der Capitel, oder under den geschlechten, so zů zeiten den namen gleich nachgond, gefunden werden. In das dτitt Register aber, darinn der Kern des gantzen handels berüet, haben wir verfaþt aller kranckheyten und gebτesten so dem menschen, und zů zeiten auch dem viech, môgen zůfallen, artzney unnd rath, sampt etlichen andern stucken zur hauþhaltung fast nützlich unnd dienstlich. Sôlche krafft aber und würckung der kreüter haben wir nit von uns selbs, oder auβ ungegründten bůchern, sonder allein was von den uτeltesten, hochberůmpften und solcher künsten erfarnen ârtzten, als Dioscoτide, Theophτasto, Galeno, Plinio etc.deren keiner in vierzehen hundert und mehτ jaren gelebt, jnen zůgeschτiben und auch gewiβlich erfarn ist, darmit an sôlchem niemandt nüt zůstraffen hette. Und so wir werden spûren das disz unser werck dir angenem sein würdt, wie wir nit unbillich verhoffen, alszdann wôllen wir, so es Gott gesellig, nit nachlassen, biβ alles so noch überig hiezů dienstlich môchte gefunden werden, gleicher foτm und gestalt auff das aller schônst abgebildet und contrafayt, wie wir hierinn auch gethon, und in ein besonder bůch, darmit niemandt etwas das er voτhin hette, widerumb zů kauffen beschwert würde, zůsamen tragen, unnd dasselbig auch mengklichem, wie yetz geschehen, früntlich mitteylen. Dann uns ye Gott sôlchen kostlichen schatz und überfluþ der kreüter darumb geben, dieweil er uns vilen zůfallenden kranckheyten underwoτffen, das wir sie zur notturfft bτauchten, uns damit zůhilff kemen, und hierinn, wie auch auþ andern geschôpffen, sein unergrüntliche vâtterliche gůte lerten erkennen, unnd danckbarlich gegen jhm alle zeit erzeygten. Wôllest sôlchen unsern getrewen fleiþ unnd wolmeynen zů danck annemen.

Nieuw kruidenboek waarin niet alleen de ganse historie, dat is, namen, gestalte, plaats en groeitijd, natuur, kracht en werking, het meeste deel van de kruiden zo in Duitse en andere landen groeien met de beste vlijt beschreven, maar ook al hun wortels, stengels, bladeren, bloemen, zaden, vrucht en in summa de ganse gestalte, alzo aardig en kunstig afgebeeld en geschilderd is dat desgelijks hiervoor niet gezien, noch aan dag gekomen is.

 

 

Door de zeer geleerde Leonhart Fuchsen, de arts doctor en die te Tubingen lezer.

 

 

Met drie nuttige registers, waarin de twee eerste alle kruiden waarvan hierin gehandeld Duitse, Latijnse en Griekse namen, ook die de apothekers gebruiken, omvatten. In het derde echter mag men tot alle krenkingen: dat zijn gebreken zo de mensen en ook voor een deel het vee mogen toevallen, veelvuldige artsenij en raad ijlend te vinden, samen met ettelijke andere stukken voor huishouding voortreffelijk nuttig en dienstig .

 

 

Met keizerlijke majesteit vrijheid, in vijf jaren weer na te drukken, noch door een uittreksel te bekorten bij de pijn zo die vorm gelijk uit het register volgt uitwijst.

 

 

Gedrukt te Bazel,

 

door Michael Isingrin, 1543.

 

[2]

D . Leonhart Fuchs, zijn ouderdom in 42ste jaar.

 

[3] De aller doorluchtigste christelijke hooggeboren vorstin en vrouw, vrouw Anna Roomse te Hongarije en Bohemen koningin, aartshertogin te Oostenrijk, hertogin te Bourgondië, Steyr, Kraïn, gravin te Tirol etc.

mijn aller genadigste vrouw.

 

 

Aller doorluchtigste, christelijke koningin, aller genadigste vrouw, ik heb voor een jaar net geleden een Latijns kruidenboek in druk laten uitgaan daarin niet zonder bijzondere grote kosten, moeite en arbeid, meer dan vijf honderd figuren van de frisse en levende kruiden zo in Duitsland voornamelijk, ook in andere en meer landen groeien dermate afgebeeld en geschilderd zijn zodat ze niet goed kunstiger en beter, naar al hun gestalte hadden mogen afgebeeld worden. Daartoe heb ik van diezelfde alle ware historie, dat is, namen, geslacht, gestalte, oord en tijd van hun groei, natuur of samengesteldheid, kracht en werking uit de alleroudste, beste en beroemdste kruidbeschrijvers en artsen op het allervlijtigste en kortste zo me immer mogelijk is geweest beschreven en tezamen gedragen alzo zodat hiervoor niet, zonder roem te reden, dergelijke aan de dag gekomen is. Zulks echter alles te doen ben ik uit geen andere oorzaken bewogen worden dan dat ik met deze mijn moeite en arbeid diegene zo in der loffelijke en noodwendige kunst der artsenij willen vruchtbaar doorvaren en studeren, mag dienen raadzaam en bevorderlijk te zijn, in aanzien dat me wol bewust hoe voor weinig jaren die bekendheid vast alle kruiden bij het meerdere deel der artsen alzo gans en geheel verloren is geweest en in een afgang gekomen zodat men weinig gevonden heeft die tien kruiden recht en grondig herkend hebben omdat ze zich met deze handel niet zeer bekommerden, maar diezelfde op de oude wijven en ongeleerde apothekers geschoven gelijk als was het hen te verwijten of wat oneerlijks geweest zich met zulke onnodige zorg der onderzoeking der kruiden te beladen. Zo toch bekend is hoe de oude artsen en vooral Theophrastus , Dioscorides en Galenus niets eerlijker noch nodiger voor hen geacht hebben dan deze vlijtige verkondiging der kruiden. Daarom zijn diezelfde in vele landen met grote kosten, lijf en leven gevaarlijkheid doortrokken waarmee ze die kruiden gans mochten herkennen en hoe en waar ze groeiden met hun eigen ogen bezichtigden en aanschouwden. En zal billijk dat voorbeeld van zo treffelijke en geleerde mannen onze artsen bewogen hebben waarmee ze de herkenning der kruiden niet zo gans en geheel in wind geslagen en veracht hebben. Wat echter tenslotte voor grote opmerkelijke dwaling uit deze nalatigheid en verachting gegroeid en gevolgd zijn heb ik in andere mijn boeken voldoende aangetoond en is derhalve niet nodig zulks hierin het lang te herhalen. Daarmee ik nu diegenen zo in onze tijden zich op de kunst der artsenij begeven hebben in de herkenning der kruiden ettelijke mate behulpzaam ben en die dwaling zo uit zulke onwetendheid gegroeid voorkomen mag heb ik voorgedacht, mijn Latijns kruidenboek, tezamen gedragen en vervolgens in druk laten uitgaan. Omdat echter zulks alleen diegenen zo de Latijnse spraak verstandig voortreffelijk is en niet des te minder daarnaast veel die deze spraak onervaren zijn en toch lust en liefde tot de planting en bekendheid der kruiden hebben gevonden worden ben ik vaak van ettelijke van diezelfde op zijn hoogst en vlijtigst verzocht en gebeden geworden [4] dit mijn Latijnse kruidenboek in dat Duits te brengen en vervolgens mee te doen de ware en levende afbeelding en figuren der kruiden in druk laten uitgaan zodat ik dan op veelvuldige hun aanzoeken heb gedaan en zulks uit geen andere oorzaak dan dat het me voor goed en nuttig aanzag, zodat de kruiden niet alleen van de artsen, maar ook van de leken en de gewone man in hof her en der vlijtig geplant en opgekweekt worden waarmee hun bekendheid in Duitse landen dermate dagelijks groeit en toeneemt zodat ze nimmer in vergetelheid mogen gesteld worden. Dat heb ik voornamelijk hier daarom willen aantonen, waarmee niet die onverstandige mochten menen dat ik derhalve mijn kruidenboek had willen in de Duitse spraak brengen daarmee ook de gewone man kan hemzelf in de nood artsenij geven en allerlei ziekte helen. Dan me wel bewust dat het veel meer tot een rechtschapen arts behoort dan alleen kruiden en van diezelfde de werking herkennen en weten. Daarom ofschoon iemand veel kruiden kent dan zal hij dan noch lang geen arts zijn, maar hij moet ook andere dingen die tot een volkomen arts behoren weten en geleerd hebben. Er zal echter ook niemand derhalve achterlaten om deze edele creaturen God te leren, ofschoon zijn kennis geen volkomen arts maakt. In het Duits echter heb ik me vooral druk gemaakt dat de dingen zo de gewone man te weten niet dienstig noch nodig zijn worden weggelaten en niet beschreven. Daartegen heb ik de beschrijving van de vorm alle kruiden veel vollediger gemaakt en beter uitgewerkt dan hiervoor in Latijn geschiedde daarmee diezelfde velen dermate worden ingebeeld dat ze verder nimmer in enige vergeten komen mogen. Dan zo die oude leraars de kruiden gestalte aan alle oorden hadden vlijtig afgebeeld en met woorden volkomen beschreven dan waren ons op de huidige dag veel kruiden bekend die alzo uit algemene bekendheid gekomen zijn. En daarmee ik die zaak bekort zo heb ik nog moeite, arbeid nog kosten gespaard waarmee dit mijn nieuw kruidenboek dermate aan de dag komt zodat het de gewone man tot de bekendheid der kruiden mag nuttig en gevoeglijk zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nadat en ik me echter lange tijd bedacht, aller genadigste vrouw, wie ik zulke mijn nieuwe kruidenboek mag het allerbeste toeschrijven heb ik na zulke lange gedachte niemand gevonden die ik het billijker toeschrijf dan u, koninklijke majesteit, en dat uit volgende oorzaken. Eerst zodat dit mijn kruidenboek zo onder uwe koninklijke majesteit beschutting en naam uitgaat bij iedereen des te meer en grotere aanzien heeft omdat openbaar en menigeen bewust dat deze tijd onder alle koningin geen van hogere stam geboren en met meer en hogere Koninklijke deugden dan u Koninklijke majesteit begaafd is: zodat zonder twijfel iedereen zo te lasteren en te smaden ander lieden arbeid geneigd is tegen uw koninklijke majesteit naam zich zetten wil en alzo zijn laster afstaat. Als andere zodat ik in geen twijfel zet dit mijn boek waarin zoveel kruiden op het aller kunstigste zijn getekend en met hoge grote vlijt beschreven zal u koninklijke majesteit zeer aangenaam zijn zodat zich u koninklijke majesteit vaak daarmee mag verlustigen en plezier hebben naar het voorbeeld van vele machtige koningen en koningen die zich voor tijden de handel van de kruiden met bijzondere hoge vlijt en ernst ondernomen hebben zoals noch op de huidige dag veel kruiden zo van diezelfde koningen en koninginnen hun namen behouden hebben duidelijk getuigen. Dan vanwaar heeft gentiaan, die in Latijn Gentiana genoemd wordt, zijn naam, of van de Slavische of Kroatische koning Gentio gekregen. Alzo is dat kruid zo we wederik noemen van Lysimacho, [5] der Macedonische koning Lysimachia genoemd worden. Desgelijks is dat kruid wat we water Bathengel (Teucrium scordium) noemen van de koning Mithridates Mithτidatia genoemd geworden. Alzo is ook de bijvoet uit geen andere oorzaak Artemisia geheten dan van de koningin die een gemaal van koning Mausoleum geweest is welke diezelfde door zijn bijzondere vlijt gevonden en hem daarna zulke namen ingezet heeft. En wie is voor en na onder alle koningen zo machtig en geweldig geweest als Salomon, noch wilde hij niet des te minder zich alzo zeer in de bekendheid der kruiden bemoeien zodat hij, zoals ons zulks de heilige Goddelijke schrift openbaar aantoont, van cederboom aan tot het hysopkruid dat uit de muren groeit kunstig en wijs kon reden en disputeren. Gelijke wijze en gevormd doet ook nu de aller doorluchtigste en hoog geboren Roomse en te Hongarije koning etc. uw koninklijke majesteit gemaal, mijn aller genadigste heer die zich alzo met deze kruidenkunst, zoals ik bericht wordt, verlustigt en bemoeit zodat hij niet alleen die zo van diezelfde ervaring en kennis zijn begenadigd, zoals ettelijke Romeinse keizers voor tijden gedaan, ophoudt, maar zijn koninklijke majesteit laat hem in zomerse tijden die kruiden in veld en in de hof afbreken om zich daarmee te verlustigen alzo zodat hij van die niet een gering verstand heeft en meer dan die diegene het uit hun beroep toestaat en behoort daarvan te reden weet. Wat waarlijk heet recht in de voetstappen der oude koningen te treden die zich ook vlijtig met deze handel, wie hiervoor aangetoond, bekommerd hebben. Hoop vanwege deze oorzaak dit mijn boek uw koninklijke majesteit ook veel meer aangenamer te zijn. Als derde zo heb ik mijn nu het vaak gedachte kruidenboek u koninklijke majesteit vooral willen toeschrijven daarmee ik mijn ganse onderdanige diensten en geneigdheid tegen u koninklijke majesteit aantonen en is derhalve aan u koninklijke majesteit mijn onderdanige bede ze wil zulks mijn boek, dat ik u hiermee toeeigen, van me genadig aannemen en niet de geringheid van het geschenk, maar veel meer tegen uw koninklijke majesteit mijn ganse onderdanige wil en tegen iedereen mijn trouwe goed bedoelde mening aanzien. En zo ik deze mijn moeite en arbeid u koninklijke majesteit aangenaamheid bespeuren zal wil ik des te vlijtiger zijn in gelijk geval verder, met Goddelijke hulp, de algemene nut naar al mijn vermogen te dienen. De almachtige God wil uw koninklijke majesteit in langdurige gezondheid en zalige welvaart genadig verfrissen en behouden die ik me in alle onderdanigheid hiermee aanbeveel.

Datum, Tubingen de derde dag van maart in het jaar 1543.

 

 

 

 

 

 

 

Uw koninklijke majesteit,

 

Onderdanige

Leonhart Fuchs de arts doctor. [6]

 

 

Michael Isingrin tot de lezer.

 

Daarmee ons nieuwe kruidenboek, gunstige lieve lezer, wat we niet zonder merkelijke grote kosten, tot lof God de almachtig en ook tot nut en welvaart algemene Duitse Natie, van allerlei gewas zoveel uit Duitse en andere landen zal mogen teweeg gebracht worden naar de beste vorm en gestalte ingericht menigeen des te nuttiger en gebruikelijker zal zijn hebben we zijn ganse inhoud in drie registers ingedeeld en in de eerste alle kruiden met Duitse namen en toenamen, in andere de Latijnse en Griekse zo de Duitse overal toe gezet zijn samen met diegenen zo zich de apothekers gebruiken, begrepen. Welke namen alle in de aanvang van het kapittel of onder de geslachten zo soms de namen gelijk zijn gevonden worden. In dat derde register echter waarin de kern van de ganse handels berust hebben we vervat aller krenkingen en gebreken zo de mensen en soms ook het vee mogen toevallen, artsenij en raad samen met ettelijke andere stukken tot huishouding erg nuttig en dienstig. Zulke kracht echter en werking der kruiden hebben we niet van ons zelf of uit ongegronde boeken, maar alleen wat van de oeroudste, meest beroemde en zulke kunsten ervaren artsen zoals Dioscorides, Theophrastus, Galenus, Plinius etc., diegene in veertien honderd en meer jaren geleefd hebben hen toegeschreven en ook zeker ervaren is daarmee aan zulks niemand nut te straffen heeft. En zo we zullen bespeuren dat dit ons werk u aangenaam zijn zal, wat we niet onbillijk hopen, alsdan willen we, zo het God gezellig is, niet nalaten tot alles zo noch overig hiertoe dienstig mag gevonden worden gelijke vorm en gestalte op dat aller schoonste afgebeeld en getekend zoals we hierin ook gedaan en in een apart boek waarmee niemand, wat hij voorheen had wederom te kopen bezwaard wordt, tezamen gedragen en datzelfde ook veel zoals nu geschiedt vriendelijke meedelen. Dan ons steeds God zulke kostbare schat en overvloed der kruiden daarom gegeven omdat hij ons vele toevallende krenkingen heeft onderworpen zodat we ze nu tot nooddruft gebruiken en ons daarmee te hulp komt en hierin, zoals ook uit andere scheppingen, zijn ondoorgrondelijke vaderlijke goedheid leren herkennen en dankbaarheid tegen hem alle tijd tonen. Wil u zulke onze trouwe vlijt en goed bedoelde mening in dank aannemen.

 

 

 

 

Von Wermůt. Das erst Capitel.

 

Namen. (A)

Beschrijving: Cliquez pour voir l'image en taille réelleermůt, oder Weremůt, würdt diþ kraut von unsern Teütschen geheyssen darumb, das seer bitter ist, und derhalben freud und můt weret und vertreibt. Jn Gτiechischer unnd Lateinischer spτaach würdt es genent Absinthium, welcher nammen biþ auff den heutigen tag in den Apotecken bliben ist.

 

Geslecht.

Des Wermůts find mann dτeierley geslecht, wie das Dioscoτides und Galenus klârlich anzeygen. Das erst nent man Rômisch, oder gemeyn Wermůt. Das ander geschlecht würt zů Latein Seriphium genent, auff Teütsch aber Welsamen. Das dτitt würdt im Latein genent Santonicum, darumb das es gern wechst bey den vôlckern in Franckreich so Santones geheyssen werden. Daher kompts das etlich auþ miþverstandt diþ woτts, seinen samen, der in der artzney seer gebτaucht würt, Sanctum, das ist, heylig nennen. Wiewol so sie demselbigen disen nammen geben um seiner grossen krafft willen, die er in tôdtung der würm so imm leib wachsen erzeygt, seind sie darumb (B) nit zůstraffen. Jn den Apotecken würt gedachter same genennet, Semen lumbricorum, das ist, wurmsame.

 

Gestalt.

Der gemeyn Wermůt ist eyn kraut mit vilen zincken und âsten, an welchen seind âschenfarbe bletter, vilfeltig zerspalten, und goltgeele blůmen, runder same, welcher als die kleinen treublin zůsamen getrungen ist. Das ander gslecht Seriphium genent, hat zarte zincken und âstlin, der kleinen Staubwurtz nit unânlich, und bτingt vil kleines samens, darzů auch ist es bitter und eines starcken geruchs. Und wiewol diþ kraut fürnemlich an dem meer wechst, und in Teütschen landen nit gefunden würt, doch môgen wir Teütschen wol und recht dafür gebτauchen das kraut so man Welsamen nennet, dann es der krafft, auch zum teyl der gestalt nach, dem rechten Seriphio gantz gleich ist. Santonicum ist dem gemeynen Wermůt an der gestalt nit ungleich, doch an samen nit so reich, noch am geschmack so bitter.

 

Statt irer wachsung.

(C) Wermůt wechst gern an gebawten, birgigen, und steynigen oτten. Das aller beste aber und fürtrefflichst, wechst in Ponto, Cappadocia, und auff dem berg Taurus genent. Welsamen ist an etlichen oτten Teütschlandþ gantz gemeyn, dann es wechst an den wegen, mauren, und zeünen. Santonicum in Franckreich, wie oben angezeygt ist.

 

Die zeit.

Jm Heümonat bτingt Wermůt blůmen und samen.

 

Die natur und complexion.

Der gemeyn Wermůt ist im ersten grad warm, und im dτitten trucken. Der safft aber ist vil hitziger dann das kraut. Diþ erst geschlecht ist bitter, scharpff, und zeucht zůsamen. Das ander aber ist vil hitziger dann das erst. Das dτitt macht subtil und dünne, wermet, und dôτret minder dann das ander geschlecht.

 

Die krafft und würckung.

Wermůt hitziget, zeücht zůsamen, ist bitter, scharpff oder râþ, seubert, sterckt [36] (D) unnd trücknet auþ. Derhalben treibt er auþ durch den stůlgang unnd harn, die gallen so sich in dem magen, oder desselbigen schlundt, auch in den adern gesamlet hat. So man Wermůt nüchter jnnimbt, fürkommet man die trunckenheyt, und würt einer denselbigen tag nit voller weins. Wermůt mit Seselsamen getruncken, vertreibt die winde und blâste im bauch, auch weetagen des magens, dergleichen den unwillen, und das grawen. Wermůt in wasser gesotten, oder geweycht, unnd darvon getruncken alle tag biþ in die viij lot, nimbt hinweg die geelsucht. So er aber mit hônig würt getruncken, oder an den heimlichen oτten zů sich gethan, bτingt er den frawen jhre kranckheyt. Mit essig getruncken, ist er gůt für die gifftige schwammen. Mit wein aber ist er krefftig wider das gifft des wutzerlings, spinnen, und anderer gifftigen thier. So man denselbigen mit hônig anstreichet, ist er nützlich den duncklen augen, und vertreibt darinnen das undergerunnen blůt. Wermůt gesotten, und alþdan den dampff darvon in den mund glassen, lindert das zanwee, und weetagen der oτen. Wermůt mit süessem wein gesotten, und übergestrichen, benimbt den schmertzen der augen. Wermůt mit rosenôl vermengt und übergelegt, ist dem magen seer dienstlich und nützlich. Mit feigen, salpeter, und radten meel vermischet und übergeslagen, kompt er (E) den wassersüchtigen, und miltsüchtigen zůhilff. Wann Wermůt in die gewandt kasten unnd truchen gelegt würdt, bewaret er die kleyder voτ den schaben. Mit ôl angestrichen, vertreibt er die schnacken, und mucken. Wann man wasser darinne Wermůt gesotten oder geweychet ist in die dinten geüþt, so zerfressen die meüþ die bůchstaben nit. Solche krafft und tugent hat auch sein safft. Doch sol derselbig nit in den leib genommen werden, dann er schadet dem magen, und bτingt mit sich das hauptwee. Seriphium allein, oder mit reiþ gesotten, und mit hônig jngenommen, tôdtet die würm des bauchs, und lindert den stůlgang. Solche tugent hat er auch, so er mit süessem wein würt jngenommen. Santonicum hatt gleiche krafft dem Seriphio, aber es ist am allerbτeüchlichsten wider die würm, mit hônig jngenommen, oder mit einem andern süessen tranck.

(Wermůt wein) Der Wermůtwein bekompt treffenlich wol dem magen, dann er stercket seine dewung, macht auch lust zů essen. Bτingt den frawen jhre blôdigkeyt. Jst gůt den lebersüchtigen und geelsüchtigen, auch den so würm haben.

Van alsem. Dat eerste kapittel. (Artemisia absinthium, tweede is Sisymbrium sophia.)

 

Namen.

Alsem of weermoed wordt dit kruid van onze Duitsers geheten daarom dat het zeer bitter is en derhalve vreugde en moed weert en verdrijft. In Griekse en Latijnse spraak wordt het genoemd Absinthium welke naam het tot op de huidige dag in de apotheken gebleven is.

 

 

 

 

Geslacht.

Van de alsem vindt men drie geslachten zoals dat Dioscorides en Galenus duidelijk aantonen. De eerste noemt men Roomse of gewone alsem. Dat andere geslacht wordt in Latijn Seriphium genoemd, (Seriphidium maritimum) op Duits echter Waalse zaden. Dat derde wordt in Latijn genoemd Santonicum, (Artemisia santonica) daarom dat het graag groeit bij de volkeren in Frankrijk zo Santones geheten worden. Vandaar komt het dat ettelijke uit misverstand dit woord en zijn zaden die in de artsenij zeer gebruikt worden Sanctum, dat is heilig noemen. Hoewel zo diezelfde deze naam geven vanwege zijn grote kracht die het in doden der wormen zo in lijf groeien toont zijn ze daarom niet te straffen. In de apotheken wordt gedacht zaad genoemd Semen lumbricorum, dat is wormzaad.

 

 

Gestalte.

De gewone alsem is een kruid met vele scheuten en takken waaraan zijn askleurige bladeren, veelvuldige gespleten en goudgele bloemen, rond zaden welke als de kleine druifjes tezamen gedrongen zijn. Dat andere geslacht, Seriphium genoemd, heeft zachte scheuten en takjes, dat kleine staafkruid niet ongelijk en brengt veel klein zaad, daartoe ook is het bitter en een sterke reuk. En hoewel dit kruid voornamelijk aan de zee groeit en in Duitse landen niet gevonden wordt toch mogen wij Duitsers goed en recht daarvoor gebruiken dat kruid zo men Waalse zaden noemt, dan het de kracht en ook voor een deel naar de gestalte de echte Seriphio gans gelijk is. Santonicum is de gewone alsem aan de gestalte niet ongelijk, doch aan zaden niet zo rijk, noch aan smaak zo bitter.

 

 

Hun groeiplaats.

Alsem groeit graag aan gebouwde, bergachtige en steenachtige oorden. Dat allerbeste echter en voortreffelijkste groeit in Pontus, Cappadocië en op de berg Taurus genoemd. Waalse zaden is aan ettelijke oorden Duitsland gans algemeen, dan het groeit aan de wegen, muren en tuinen. Santonicum in Frankrijk zoals boven aangetoond is.

 

De tijd.

In juli brengt alsem bloemen en zaden.

 

De natuur en samengesteldheid.

De gewone alsem is in eerste graad warm en in de derde droog. Dat sap echter is veel heter dan dat kruid. Dit eerste geslacht is bitter, scherp en trekt tezamen. Dat andere echter is veel heter dan dat eerste. Dat derde maakt subtiel en dun, warmt en droogt minder dan dat andere geslacht.

 

De kracht en werking.

Alsem verhit, trekt tezamen, is bitter, scherp of zuur, zuivert, versterkt [36] en droogt uit. Derhalve drijft het uit door de stoelgang en plas de gal zo zich in de maag of diens mond, ook in de aderen verzameld heeft. Zo men alsem nuchter inneemt voorkomt men de dronkenschap en wordt een diezelfde dag niet vol wijn. Alsem met Seseli zaden gedronken verdrijft de winden en opblazen in buik, ook pijnen van de maag, dergelijke de onwil en dat gruwen. Alsem in water gekookt of geweekt en daarvan gedronken alle dagen tot in de 8 lot neemt weg de geelzucht. Zo het echter met honing wordt gedronken of aan de heimelijke oorden tot zich gedaan brengt het de vrouwen hun ziekte. Met azijn gedronken is het goed voor de giftige zwammen. Met wijn echter is het krachtig tegen dat gif der scheerling, spinnen, en andere giftige dieren. Zo men diezelfde met honing aanstrijkt is het nuttig de donkere ogen en verdrijft daarin dat onderhuids gestolde bloed. Alsem gekookt en alsdan de damp daarvan in de mond gelaten verzacht de tandpijn en pijnen der oren. Alsem met zoete wijn gekookt en overgestreken beneemt de smarten der ogen. Alsem met rozenolie vermengt en opgelegd is de maag zeer dienstig en nuttig. Met vijgen, salpeter en Agrostemma meel vermengt en omgeslagen komt het de waterzuchtige en miltzuchtige te hulp. Wanneer alsem in de klerenkasten en kisten gelegd wordt bewaart het de kleren voor de motten. Met olie aangestreken verdrijft het de vliegen en muggen. Wanneer men water waarin alsem gekookt of geweekt is in de tinten giet dan bevreten de muizen de boeken niet. Zulke kracht en deugd heeft ook zijn sap. Doch zal datzelfde niet in de lijf genomen worden dan het schaadt de maag en brengt met zich de hoofdpijn. Seriphium alleen of met rijst gekookt en met honing ingenomen doodt de wormen van de buik en verzacht de stoelgang. Zulke deugd heeft het ook zo het met zoete wijn wordt ingenomen. Santonicum heeft gelijke kracht met de Seriphio, echter het is het aller gebruikelijkste tegen de wormen, met honing ingenomen of met een andere zoete drank.

(Alsem wijn) De alsemwijn bekomt voortreffelijk goed de maag, dan het versterkt zijn verduwen en maakt ook lust tot eten. Brengt de vrouwen hun bloederigheid. Is goed de leverzieke en geelzuchtige, ook die zo wormen hebben.

 

 

 

 

Von Staubwurtz. Cap II.

 

Namen.

(A) Diþ kraut, welches würt genent zů Teütsch Staubwurtz, Garthagen, Schoþwurtz, Gertwurtz, Kuttelkraut, Affrusch, heyssen die Griechen und Lateinischen Abrotonum, darumb das es anzůsehen zart, weych, und lustig ist. Oder das es einen starcken und scharpffen geruch hat. Disen nammen haben die Apotecker behalten.

 

Geschlecht.

Der Staubwurtz sein zweyerley geschlecht, groþ und klein, oder mennlin und weiblin. Die groþ, oder mennlin, nennet man heimische Staubwurtz, oder schlechts, Staubwurtz. Die kleiner, oder weiblin, würt geheyssen Weiþgarthan, oder wilder Cypreþ.

 

Gestalt.

Das mennlin hat vil gertlin oder zweiglin, mit kleinen blettlin bekleydet, ist minder weiþ dann das weiblin, hat vil kleins samens, wie der Wermůt.  Das [37, 38, 39] (B) weiblin ist ein staud einem beümlin gleich, mit weissen und âschenfarben bletlin, seer klein, wie des Seriphij, zerspalten, voller blůmen, welche goltgeelen knôpffen oder beeren gleich seind. Hat auch einen zimlichen gůten geruch.

 

Statt irer wachsung.

Die grôsser wechst allenthalben in gârten. Die kleiner aber würt gefunden an den büheln, und gegen den bergen, auf den sandigen wegstrassen.

 

Die zeit.

Staubwurtz blüet gegen dem Augstmonat. Der sam aber würt im Herbstmonat gesamlet.

 

Die natur und complexion.

Staubwurtz ist warm unnd trucken im dτitten grad.

 

Die krafft und würckung.

(C) Beyder Staubwurtz blůmen und samen mit wasser gesotten unnd getruncken, seind seer dienstlich den keichenden, gebτochnen, weetagen der hüfft, und denen so schwârlich harnen. Bτingen auch den frawen jre kranckheyt. Staubwurtz mit wein getruncken, ist krefftig wider allerley tôdtlich gifft. Sie ist auch gůt den so frostig seind, und welchen die haut schaudert, mit ôl vermischt über gestrichen. Tôdtet die würm im leib. Staubwurtz zertreibt und zerteylt die zâhe feüchte, darumb sie gůt ist zů allerley geschwulsten. Das kraut zů âschen gebτent, und mit Wunderbaum oder Rettich ôl vermengt, ist gůt für das auþfallen der har. Und so man damit das kyne bestreicht, macht es den bart seer und schnell wachsen. Das kraut under das bett oder küssen gelegt, bτingt lust zů den frawen, und vertreibt auch allerley zauberey so disen lust unnd begird verhindern. Staubwurtz aber ist dem magen gantz und gar widerwertig.

Van staafkruid, beter stofkruid. Kapittel 2. (Artemisia abrotanum, Artemisia pontica)

 

Namen.

Dit kruid wat wordt genoemd in Duits stofkruid, gaarde of twijgenhagen, scheutkruid, gaardkruid, reukkruid en averuit heten de Grieken en Latijnen Abrotonum, daarom dat het aan te zien zacht, week en lustig is. Of dat het een sterke en scherpe reuk heeft. Deze namen hebben de apothekers behouden.

 

Geslacht.

Van het staafkruid zijn twee geslachten, groot en klein of mannetje en wijfje. Dat grote of mannetje noemt men geteeld staafkruid of slechts staafkruid. De kleinere of wijfje wordt geheten witte gaarde of wilde cipres. (Santolina chamaecyparissus of Artemisia pontica)

 

Gestalte.

Dat mannetje heeft veel gaarden of twijgjes met kleine blaadjes bekleedt, is minder wit dan dat wijfje, heeft veel klein zaad zoals de alsem. Dat [37, 38, 39] wijfje is een heester en een boompje gelijk met witte en askleurige blaadjes, zeer klein zoals van de Seriphium, gespleten, vol bloemen welke goudgele knoppen bessen gelijk zijn. Heeft ook een tamelijk goede reuk.

 

Hun groeiplaats.

De grotere groeit overal in de hof. De kleinere echter wordt gevonden aan de heuvels en tegen de bergen op de zanderige wegstraten.

 

 

De tijd.

Staafkruid bloeit tegen augustus. Het zaad echter wordt in herfstmaand verzameld.

 

De natuur en samengesteldheid.

Staafkruid is warm en droog in derde graad.

 

 

De kracht en werking.

Beide staafkruiden bloemen en zaden met water gekookt en gedronken zijn zeer dienstig de kuchende, gebrokene, pijnen der voeten en diegenen zo zwaar plassen. Brengt ook de vrouwen hun ziekte. Staafkruid met wijn gedronken is krachtig tegen allerlei dodelijk gif. Ze is ook goed die zo koud zijn en welke de huid schudt, met olie vermengt over gestreken. Doodt de wormen in lijf. Staafkruid verdrijft en verdeelt die taaie vochten, daarom ze goed is tot allerlei gezwellen. Dat kruid tot as gebrand en met wonderboom of radijs olie vermengt is goed voor dat uitvallen van het haar. En zo men daarmee de kin bestrijkt maakt het de baard zeer en snel groeien. Dat kruid onder dat bed of kussen gelegd brengt lust tot de vrouwen en verdrijft ook allerlei toverij zo deze lust en begeerte verhinderen. Staafkruid echter is de maag gans en geheel tegenstrijdig.

 

 

 

(A) Von Haselwurtz. Cap. III.

 

Namen.

Haselwurtz würdt in Gτiechischer unnd Lateinischer spτaach genennt Asarum, welcher name inn den Apotecken ist beliben biþ auff den heütigen tag.

 

Gestalt.

Haselwurtz hat bletter gleich dem Ephew, doch vil linder und runder. Zwischen den blettern nach bey der wurtzel wachsen herfür bτaun purperfarb blůmen, und wolriechend, in hülsen gleich dem Bilsenkraut, in welchen ist same nit unâlich den weinberkôτnern. Seine wurtzeln seind vil, knodecht, zart, krumb, wie des graþ, doch vil dünner, unnd haben einen freüntlichen lieblichen geruch, seind râþ und scharpff auff der zungen.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Wechst gern an duncklen oτten, in sonderheyt aber an den schattechten bergen und wâlden. Sie liebt rauch und dürτ erdtrich, würt doch zů zeiten in feüchten wâlden auch gefunden, und in zâhem erdtrich.

 

Die zeit.

Haselwurtz blüet zwey mal im jar, nemlichen im früeling unnd herbst. Sol gesamlet werden vonn dem fünffzehenden tag an des Augstmonats, biþ auff den achten tag des Herbstmonats.

 

Die natur und complexion.

Haselwurtz ist hitzig und trucken im dτitten grad, fürnemlich sein wurtzel, welche am meysten gebτaucht würt. [40, 41]

 

(B) Die krafft und würckung.

Die wurtzel von disem kraut treibt den harn. Dienet auch wol den wassersüchtigen, unnd den weetagen der hüfft. Bτingt den frawen jre kranckheyt mit wein und hônig gesotten, unnd darvon getruncken. Treibt auþ durch den stůlgang, wie die weiþ Nieþwurtz. Die wurtzel vertreibt auch das keichen, und hůsten. Mit wein getruncken ist sie nützlich denen so von gifftigen thiern gebissen seind. Die bletter ziehen zůsammen. Der safft darvon angestrichen ist gůt zů dem weetagen des haupts, und den hitzigen augen, auch dem rotlauff. Haselwurtz in laugen gesotten, und damit getzwagen, sterckt das hirn, und gedechnuþ. Jr safft mit bereyter Tutia vermengt, ist ein gůt artzney zů den duncklen augen.

Van mansoor. Kapittel 3. (Asarum europaeum)

 

Namen.

Hazelaarwortel wordt in Griekse en Latijnse spraak genoemd Asarum welke naam in de apotheken is gebleven tot op de huidige dag.

 

Gestalte.

Hazelaarwortel heeft bladeren gelijk de klimop, doch veel zachter en ronder. Tussen de bladeren nabij de wortel groeien voort bruin purperkleurige bloemen en welriekend in hulzen gelijk het bilzekruid, waarin is zaad niet ongelijk de wijnbeskorrels. Zijn wortels zijn veel, knopachtig, zacht en krom zoals dat gras, doch veel dunner en hebben een vriendelijke lieflijke reuk, zijn zuur en scherp op de tong.

 

Zijn groeiplaats.

Groeit graag aan donkere oorden en vooral echter aan de beschaduwde bergen en wouden. Ze houdt van ruw en dor aardrijk, wordt doch soms in vochtige wouden ook gevonden en in taai aardrijk.

 

De tijd.

Hazelaarwortel bloeit twee maal in jaar, namelijk in voorjaar en herfst. Zal verzameld worden van de vijftiende dag aan augustus tot op de achtste dag van de herfstmaand.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Hazelaarwortel is heet en droog in derde graad en voornamelijk zijn wortel welke het meeste gebruikt wordt. [40, 41]

 

De kracht en werking.

De wortel van dit kruid drijft de plas. Dient ook goed de waterzuchtige en de pijnlijke tenen. Brengt de vrouwen hun ziekte met wijn en honing gekookt en daarvan gedronken. Drijft uit door de stoelgang zoals dat witte nieskruid. Die wortel verdrijft ook dat kuchen en hoesten. Met wijn gedronken is ze nuttig diegenen zo van giftige dieren gebeten zijn. Die bladeren trekken tezamen. Het sap daarvan aangestreken is goed tot de hoofdpijnen en de hete ogen, ook de rode huiduitslag. Hazelaarwortel in loog gekookt en daarmee gedweild versterkt de hersens en gedachtes. Zijn sap met bereide thucia vermengt is een goede artsenij tot de donkere ogen.

 

 

 

Von Dτachenwurtz.

 

Namen.

(A) Diþ kraut so im Teütschen landt würdt genent Dτachenwurtz, Geel schwertel, oder Ackerwurtz, ist nit das so von den Griechischen und Lateinischen Acorus geheyssen würt, wie wir nach der leng in unserm lateinischen Kreüterbůch haben angezeygt, und yetz zůerzelen dem gmeynen mann on von nôten. Dann von solchen span und jrrungen, gebüret allein den gelerten und spτaachverstendigen zůreden. Derhalben wir sôlche disputation an allen oτten diþ bůchs wôllen überschτeitten unnd underlassen.

 

Gestalt.

Seine bletter seind lang, gleich der Veielwurtz, doch etwas schmaler und spitziger, gegen der wurtzel etwan rotbτaun geferbet. Die stengel so herauþ dringen seind glatt, rund, und hol, auff welchen wachsen die geelen Gilgen. Jn einer yeden blůmen seind die dτey erste bletter undersich gebogen, dargegen wachsen dτey andτe bletter übersich, schmaler dann die understen. So gedachte blůmen auþfallen, folgen dicke und dτeyeckete schotten hernach, die seind inwendig mit geelem bτeyttem samen auþgefüllet, ein yedes koτn als ein zertruckte wicken anzůsehen. (B) Die wurtzel wechst überzwerch hin und her über einander, mit vilen angehenckten zaselen, ist inwendig rot leibfarb, am geschmack seer herb. Jre gstalt ist vast einem Dτachen gleich, daher sie würt Dτachenwurtz genennet.

 

Statt irer wachsung.

Die geelen Gilgen haben jre wonung bey den wassern und weyhern, an den feüchten stetten, als in den feüchten wisen, und wasser gestaden.

 

Die zeit.

Jm Lentzen ehe und die blůmen herfur kommen, pflegt man die wurtzel zů graben. Blüet im Meyen und anfang des Bτachmonats.

 

Die natur und complexion.

Dτachenwurtz trücknet auþ on hitz, dann der herb geschmack zeygt klârlich an das dise wurtzel in kheinen weg hitzig sey, sonder vil mehr kalt, wie das die gelerten, so Galenum gelesen haben, wol wissen, und on von nôten dem Leyen vil darvon zůschτeiben.

 

Die krafft und würckung.

(C) Die Dτachenwurtz zeücht über die massen seer zůsamen, darumb sol sie gebτaucht werden zů allerley stellung des blůts, und andτer bauchflüþ. Sie ist aber fürtreffenlich gůt zůr stellung den frawen gebτaucht, so zůvil fliessen. Man mag [42, 43] (D) sie auch wol zů dem Ackerman gebτauchen, doch nit allein, sonder mit zůthůn etlicher gewürtz, als zimmet, negelen, kalmus, yngber, und dergleichen. Dann sie also vermischt, von wegen jhrer adstriction, oder zůsamenziehung, dem magen seer nützlich ist. Aber allein sol mann dise wurtzel, wie etlich pflegen zethůn, für den Acorum nit bτauchen, sonder dafür nemen ein wurtzel die man yetzund schier bey allen Apoteckern findt, und geheyssen würt Groþ galgat. Dann dieselbig hat alle würckung des rechten Acori, dieweil sie scharpff, unnd in keinen weg, wie die Dτachenwurtz, herb am geschmack gefunden würt.

Van lis. Kapittel. 4. (Iris pseudoacorus)

 

Namen.

Dit kruid zo in Duitsland wordt genoemd drakekruid, geel zwaard of akkerkruid is niet dat zo van de Griekse en Latijnse Acorus geheten wordt zoals we in het lang in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond en nu te vertellen de gewone man onnodig. Dan van zulke twist en verwarringen behoort alleen de geleerden en spraakverstandige te reden. Derhalve we zulke disputatie aan allen oorden van dit boek willen voorbij gaan en weg laten.

 

 

 

Gestalte.

Zijn bladeren zijn lang gelijk het vioolkruid, doch wat smaller en spitser, tegen de wortel wan roodbruin geverfd. De stengels zo eruit dringen zijn glad, rond en hol op welke groeien de gele lelies. In elke bloem zijn die drie eerste bladeren omlaag gebogen, daartegen groeien drie andere bladeren omhoog, smaller dan de onderste. Zo gedachte bloemen uitvallen, volgen dikke en driekantige schotten erna, die zijn inwendig met geel breed zaad opgevuld, elke korrel als een verdrukte wikke aan te zien. De wortel groeit overdwars heen en weer over elkaar met vele aanhangende vezels, is inwendig rood lijfkleurig, aan smaak zeer wrang. Zijn gestalte is vast een draak gelijk en vandaar ze wordt drakekruid genoemd.

 

 

 

Hun groeiplaats.

De gele lelies hebben hun woning bij de wateren en vijvers, aan de vochtige plaatsen zoals in de vochtige weiden en waterkanten.

 

 

De tijd.

In lente eer en die bloemen voort komen pleegt men die wortel te graven. Bloeit in mei en aanvang van juni.

 

De natuur en samengesteldheid.

Drakekruid droogt uit zonder hitte, dan de wrange smaak toont duidelijk aan dat deze wortel in geen weg heet is, maar veel meer koud zoals dat de geleerden zo Galenus gelezen hebben goed weten en onnodig de leken veel daarvan te schrijven.

 

De kracht en werking.

De gele waterlis trekt overmatig zeer tezamen, daarom zal ze gebruikt worden tot allerlei stelpen van bloed en andere buikvloed. Ze is echter voortreffelijk goed te stelpen de vrouwen gebruikt die teveel vloeien. Men mag [42, 43] ze ook goed tot de akkerman gebruiken, doch niet alleen, maar met toedoen van ettelijke specerijen zoals kaneel, nagelen, kalmoes, gember en dergelijke. Dan ze alzo vermengt vanwege hun adstringerende of tezamen trekking de maag zeer nuttig is. Echter alleen zal men deze wortel, zoals ettelijke plegen te doen voor de Acorus, niet gebruiken maar daarvoor nemen een wortel die men nu schier bij allen apothekers vindt en geheten wordt groot galigaan. Dan diezelfde heeft alle werking van de echte Acorus omdat ze scherp en op geen manier zoals het drakenkruid wrang aan smaak gevonden wordt.

 

 

 

Von Eibisch. Cap. V.

 

(A) Namen.

Das kraut so auff Teütsch würt genennet Eibisch, Ybisch, groþ oder wild pappeln, heyssen die Griechischen und Lateinischen Altheam, von wegen seiner heylsamen krafft. Dann Althea auff Griechisch ist nichts anders dann Heylwurtz. Die Apotecker nennen diþ kraut Bismalvam, und Malvaviscum, haben allwegen gern etwas besunders.

 

Gestalt.

Eibisch wechst mannþ hoch, hat bletter erstlich wie Schweinbτot, darnach wie die weinreben, doch lenger, aber harig oder wollecht, und lind wie sammet. (B) Zwüschen den weychen blettern und runden stengeln, wachsen die blůmen wie weiþ rôþlin herfür. Bτinget samen wie die gemeynen pappeln, einem kâþlin geleich. Die wurtzel ist weiþ, inwendig, zâh, und klâberig.

 

Statt seiner wachsung.

Eibisch wechst am liebsten an den feüchten und feyþten oτten, als in den awen nahe bey den wassergrâben. Jst auch gemeyn worden fast inn allen gârten, da si hin gepflantzt würdt.

 

Die zeit.

Blüet im Hewmonat unnd Augstmonat, zů welcher zeit die blůmen, unnd darnach der same sollen gesamlet werden. Die wurtzel aber im Herbst.

 

Die natur und complexion.

Die bletter und blůmen seind warm unnd trucken im ersten grad. Die wurtzel aber im anfang des andern grads.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die wurtzel in wein oder hônigwasser gesotten, oder allein getruncken, heylet wunden, ormützel, krôpff, beulen, entzündung der bτüst, zerknischung des affterdarmþ. Jst auch gůt zů den blâsten, und starrenden geâder. Dann sie zerteylt und zeitiget, bτicht auff, und heylet widerumb zů. Gesotten wie angezeigt, und mit genþ oder schweinem schmaltz, oder mit Terpentin vermengt, ist sie gůt zů der entzündung der můter, so mans in das weiblich glid thůt. Die wurtzel in wasser gesotten und getruncken, treibt auþ das bürdlin, und andere überflüssikeyt so nach der gebůrt ist in můter leib beliben. Eibisch wurtzel in wein gesotten und getruncken, treibt den harn, und stein, ist auch gůt denen so die rot rhůr haben, das hüfftwee, und die so zittern, und gebτochen seind. Mit essig gesotten, und den mund damit gewâschen, lindert das zanwee. Der samen darvon grüen und dürτ gepulvert, und mit essig angestrichen, vertreibt die schwartzen [44, 45] (D) und weissen masen under dem angesicht. Wer sich mit disem samen mit ôl und essig vermischt schmiert, den beiþt kein gifftig thier. Er ist auch gůt zů der roten rhůr, zů dem blůt auþspeien, und allerley bauchflüþ. Der same in wasser unnd essig, oder wein gesotten und getruncken, heylet alle stich der Jmmen und dergleichen thier. Die bletter mit ôl vermischt, sollen auff die bisse derselbigen thier übergelegt werden, dergleichen auff den bτandt.

Van witte heemst. Kapittel. 5. (Althaea officinalis)

 

Namen.

Dat kruid zo op Duits wordt genoemd witte heemst, Ybisch, groot of wild kaasjeskruid noemen het de Grieken en Latijnen Althea vanwege zijn heilzame kracht. Dan Althea op Grieks is niets anders dan heelkruid. De apothekers noemen dit kruid Bismalvam en Malvaviscum, hebben altijd graag wat bijzonders.

 

Gestalte.

Witte heemst groeit mans hoog, heeft bladeren eerst zoals het zwijnenbrood, (Cyclamen) daarna zoals de druiven, doch langer, echter harig of wolachtig en zacht zoals fluweel. Tussen de weke bladeren en ronde stengels groeien de bloemen zoals witte roosjes voort. Brengt zaden zoals het gewone kaasjeskruid, een kaasje gelijk. De wortel is wit, inwendig taai en kleverig.

 

Zijn groeiplaats.

Witte heemst groeit het liefste aan de vochtige en vette oorden zoals in de kanten nabij de watersloten. Is ook algemeen geworden vast in alle hoven daar ze heen geplant wordt.

 

De tijd.

Bloeit in juli en augustus in welke tijd de bloemen en daarna de zaden zullen verzameld worden. De wortel echter in herfst.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De bladeren en bloemen zijn warm en droog in eerste graad. De wortel echter in aanvang van de andere graad.

 

De kracht en werking.

De wortel in wijn of honingwater gekookt of alleen gedronken heelt wonden, oorzweren, krop, builen, ontsteking der borst, kneuzing van de achterdarm. Is ook goed tot de opgeblazen en verstarde aderen. Dan ze verdeelt en rijpt, breekt open en heelt wederom toe. Gekookt zoals aangetoond en met ganzen of zwijnenvet of met terpentijn vermengt is ze goed tot de ontsteking der baarmoeder zo men het in dat vrouwelijke lid doet. De wortel in water gekookt en gedronken drijft uit de nageboorte en andere overvloedigheid zo na de geboorte is in baarmoeder lijf gebleven. Witte heemst wortel in wijn gekookt en gedronken drijft de plas en steen en is ook goed diegenen zo de rode loop hebben, de voetenpijn en die zo sidderen en gebroken zijn. Met azijn gekookt en de mond daarmee gewassen verzacht het de tandpijn. De zaden daarvan groen en dor gepoederd en met azijn aangestreken verdrijft de zwarte [44, 45] en witte mazelen onder het aangezicht. Wie zich met deze zaden met olie en azijn vermengt smeert die bijt geen giftig dier. Het is ook goed tot de rode loop, tot het bloed uitspuwen en allerlei buikvloed. Dat zaad in water en azijn of wijn gekookt en gedronken heelt alle steek der bijen en dergelijke dieren. De bladeren met olie vermengt zullen op de beten van diezelfde dieren opgelegd worden, dergelijke op de brand.

 

 

 

Von Gauchheyl. Cap. VI.

 

(A) Namen.

Dise kreüter haben die alten aberglaubischen Teütschen Gauchheyl darumb geheyssen, das sie geglaubt haben, wo mans im jngang des voτhofs auff hencke, das sie allerley gauch und gespenst vertreiben. Sonst nennt mans auch Colmarkraut. Auff Griechisch und Lateinisch werden sie genent Anagallides.

 

Geschlecht.

Dises krauts seind zweyerley geschlecht, weiblin und mennlin. Das mennlin hat ein rot zinoberfarbs blüemlin. Das weiblin aber hat ein schôn himelblaw blüemlin, ist sonst dem mennlin aller gestalt nach gleich.

 

Gestalt.

Gauchheyl seind steudlin auff der erden auþgespτeyet, mit vierecketen stengelin, und kleinen blettlin, ein wenig rund, wie Tag unnd nacht, oder Meyeron. So jre rote unnd himelblaw blüemlin abfallen, werden gantz runde knôpfflin als Coτiander samen darauþ, in welchen ist kleiner dτeyecketer geeler same.

 

(B) Statt irer wachsung.

Wachsen beyde in den weingarten, âckern, gemeynlich aber in den stupffelfeldern.

 

Die zeit.

Blüen vonn dem Meyen an, durch den gantzen sommer, fürnemlich aber im Augstmonat. Seind über die massen schône blüemlin, in sonderheyt des weiblins.

 

Die natur und complexion.

Beyde Gauchheyl seind warmer unnd truckner natur, seübern und ziehen an sich.

 

(C) Die krafft und würckung.

Gauchheyl legen den schmertzen, seübern, ziehen auþ doτn und spτeissen übergelegt. Seind gůt den unreynen wunden, dann sie seübern dieselbigen, und heylen. Jhτ safft reyniget das haupt, und zeücht auþ die zâhen feüchtigkeyt, so er in die nasen empfangen würdt. Er lindert auch diser gestalt gebτaucht das zanwee. Der safft mit dem allerbesten hônig vermenget, und in die trüeben augen gelassen, macht dieselbigen klar unnd lauter. So er mit wein vermischt getruncken würdt, heylet er die naterbiþ, und ist gůt zů der bτesthafftigen lebern, und nieren. Das weiblin treibt hindersich den auþgetruckten affterdarm, aber das mennlin treibt und zeücht denselbigen herauþ. [47, 48]

Van guichelheil. Kapittel. 6.(Anagallis arvensis)

 

Namen.

Deze kruiden hebben de oude bijgelovige Duitsers guichelheil daarom geheten dat ze geloofd hebben waar men ze in de ingang van de voorhof ophangt dat ze allerlei onheil en gespenst verdrijven. Verder noemt men het ook Colmar kruid. Op Grieks en Latijns wordt ze genoemd Anagallides.

 

Geslacht.

Dit kruid is er in twee geslachten, wijfje en mannetje. Dat mannetje heeft een rode zinober kleurig bloempje. Dat wijfje echter heeft een schoon hemelsblauw bloempje, is verder het mannetje alle gestalte na gelijk.

 

Gestalte.

Guichelheil zijn heestertjes op de aarde uitgespreid met vierkantige stengeltjes en kleine blaadjes, een weinig rond zoals glaskruid of majoraan. Zo hun rode en hemelsblauw bloempje afvallen worden gans ronde knopjes als koriander zaden daaruit waarin is klein driekantig geel zaad.

 

Hun groeiplaats.

Groeien beide in de wijntuinen en akkers, gewoonlijk echter in de stoppelvelden.

 

De tijd.

Bloeien van de mei aan door de ganse zomer, voornamelijk echter in augustus. Zijn overmatige schone bloempje en vooral dat wijfje.

 

De natuur en samengesteldheid.

Beide guichelheil zijn warme en droge natuur, zuiveren en trekken aan zich.

 

De kracht en werking.

Guichelheil legt de smarten, zuivert, trekken uit dorens en splinters, opgelegd. Zijn goed tot de onreine wonden, dan ze zuiveren diezelfde en helen. Hun sap reinigt dat hoofd en trekt uit de taaie vochtigheid zo het in de neus ontvangen wordt. Het verzacht ook deze gestalte gebruikt de tandpijn. Het sap met de allerbeste honing vermengt en in die troebele ogen gelaten maakt diezelfden klaar en helder. Zo het met wijn vermengt gedronken wordt heelt het de adderbeet en is goed tot de gebrekkige lever en nieren. Dat wijfje drijft terug de uitgedrukte achterdarm, echter dat mannetje drijft en trekt diezelfde eruit. [47, 48]

 

 

 

Von Hünerdârm. Cap. VII.

 

(A) Namen.

Hûnerdârm nent man auch Vogelkraut, Genþkraut, und Hûnerbiþ. Jn Gτiechischer unnd Lateinischer spτaach würt diþ kraut geheyssen Alsine. Zů unsern zeiten nent mans Moτsum galline. Dise namen aber alle hat es überkommen derhalben, das sôlches die hûner und vôgel gern essen, und das jhnen seer dienstlich ist so sie kranck seind.

 

Geschlecht.

Dises krauts findt man viererley geschlecht, welche wir mit disen namen haben underscheydenlich genennet. Das erst, welches das recht Alsine ist, haben wir geheyssen Hûnerdârm. Das ander geschlecht würdt von uns genennet Hûnerferb. (B) Das dτitt aber Kleinvogelkraut. Das vierdt, Hûnerbiþ. Welche namen môgen wol verwandelt werden, aber damit mann dise vier geschlecht recht künde underscheyden, ist es gůt das mans diser gstalt, wie wir, nenne, und also gedachte namen im bτauch behalte.

 

Gestalt.

Das erst geschlecht kreücht und fladert auff der erden, mit runden stenglen, auþ welcher gleychlin oder gewerblin kleine âstlin wachsen, mit kleinen blettlin den meüþôτlin gleich, wie an dem Tag und nacht, bekleydet, doch nit so rauch. Zwüschen den blettlin wachsen kleine blûmlin, doch auþwendig grůn. Und zwar wo mann die kleine blettlin so an dem Tag unnd nacht gesehen werden, gegen dises krauts blettlin helt, seind sie einander so gleich, das manþ nicht wol underscheyden mag. Das ander so Hûnerferb genent würt, hat blettlin seind ein wenig raucher unnd ringþumbher zerkerfft, die stengel purpurrot. (C) Die blûmlin liechtblaw, zwüschen den flügeln der âstlin. Der samen ist in zweyen bτeytten tâschlin verschlossen. Das dτitt so wir Vogelkraut heyssen, hat über die massen kleine stenglin unnd blettlin, vast dem Thym gleich, den man sunst welschen Quendel nent. Die blûmlin seind weiþfarb. Der same geel, in kleinen runden knôpfflin, oder tâschlin verschlossen. Das vierdt, Hûnerbiþ geheyssen, hat auch runde unnd harige stenglin, ist safftig, hat blettlin schier dem ersten gleich, doch nit so lang, unnd das mehτteyl zerkerfft und harig, gewint kleine purpurbτaune blûmlin zwüschen den blettlin und stenglin, darauþ werden kleine beschlossene knôpfflin, darinn findt mann dτey kôτner.

 

Statt irer wachsung.

Dise geschlecht findt man über jar in allen krautgârten, und weingârten, in wâlden, und in feyþten âckern.

 

Zeit.

Dise kreüter kriechen auch mitten in dem winter herfür, und haben alle blettlin wie die kleine meüþôτlin. Jm sommer doτren sie zum teyl auþ.

 

(D) Die natur und complexion.

Hûnerdârm seind alle kalter und feüchter natur, doch ziehen sie nit zusammen.

 

Die krafft und würckung.

Dise kreüter kûlen seer, derhalben seind sie gůt zů enzündung der augen, und zů allerley grosser hitz, dann sie leschen dieselbigen, so manþ  voτhin zerknütscht, oder aber jhτen safft überlegt unnd anstreicht. Sie dienen auch seer wol zů allen hitzigen wunden, mit gersten meel vermengt. Das Klein vogelkraut ist nützlich denen so das fieber haben, so es in wasser gesotten würt, unnd getruncken, derhalben es auch von ettlichen würt fieberkraut genent. [49, 50, 51, 52, 53]

Van muur. Kapittel 7. (Stellaria media)

 

Namen.

Hoenderdarm noemt men ook vogelkruid, ganskruid en hoenderbeet. In Griekse en Latijnse spraak wordt dit kruid geheten Alsine. In onze tijden noemt men het Morsum galline. Deze namen echter alle heeft het overkomen derhalve dat zulks de hoenders en vogels graag eten en dat hun zeer dienstig is zo ze krank zijn.

 

Geslacht.

Van dit kruid vindt men vier geslachten welke we met deze namen hebben apart genoemd. De eerste welke de echte Alsine is hebben we geheten hoenderdarm. (Stellaria media) Dat andere geslacht wordt van ons genoemd hoenderverf. (Veronica agrestis) Dat derde echter klein vogelkruid. (Arenaria serpyllifolia) Dat vierde hoenderbeet. (Veronica hederifolia) Welke namen mogen goed veranderd worden, echter waarmee men deze vier geslachten recht kan onderscheiden is het goed dat men ze deze gestalte zoals wij noemen en alzo gedachte namen in gebruik behouden.

 

Gestalte.

Dat eerste geslacht kruipt en fladdert op de aarde met ronde stengels uit welke lidjes of werveltjes kleine takjes groeien met kleine blaadjes de muizenoortjes gelijk zoals aan glaskruid, bekleedt, doch niet zo ruw. Tussen de blaadjes groeien kleine bloempjes, doch uitwendig groen. En wel zo men de kleine blaadjes zo aan het glaskruid gezien worden tegen dit kruid zijn blaadjes houdt zijn ze elkaar zo gelijk dat men ze niet goed onderscheiden mag. Dat andere zo hoenderverf genoemd wordt heeft blaadjes die zijn een weinig ruwer en ringsom gekerfd, de stengels purperrood. Die bloempjes lichtblauw tussen de vleugels der takjes. Dat zaad is in twee brede tasjes gesloten. Dat derde zo we vogelkruid heten heeft overmatig kleine stengeltjes en blaadjes, vast de tijm gelijk die man soms Waalse tijm noemt. De bloempjes zijn witkleurig. Dat zaad geel en in kleine ronde knopjes of tasjes gesloten. De vierde, hoenderbeet geheten, heeft ook ronde en harige stengeltjes, is sappig, heeft blaadjes schier de eerste gelijk, doch niet zo lang en dat meeste deel gekerfd en harig, gewint kleine purperbruine bloempjes tussen de blaadjes en stengeltjes, daaruit worden kleine besloten knopjes, daarin vindt men drie korrels.

 

 

 

Hun groeiplaats.

Dit geslacht vindt men door het jaar in alle kruidhoven en wijnhoven, in wouden en in vette akkers.

 

Tijd.

Deze kruiden kruipen ook midden in de winter voort en hebben alle blaadjes zoals de kleine muizenoortjes. In de zomer drogen ze voor een deel uit.

 

De natuur en samengesteldheid.

Hoenderdarmen zijn alle koude en vochtige natuur, toch trekken ze niet tezamen.

 

De kracht en werking.

Deze kruiden verkoelen zeer, derhalve zijn ze goed tot de ontsteking der ogen en tot allerlei grote hitte, dan ze lessen diezelfde zo men ze daarvoor kneust of echter hun sap oplegt en aanstrijkt. Ze dienen ook zeer goed tot alle hete wonden, met gerstemeel vermengt. Dat kleine vogelkruid is nuttig diegenen zo de koorts hebben zo het in water gekookt wordt en gedronken, derhalve het ook van ettelijke wordt koortskruid genoemd. [49, 50, 51, 52, 53]

 

 

Von Chamillen. Cap. VIII.

 

(A) Namen.

Diþ kraüt so wir Teütschen Chamillen heyssen, is in Griechischer und Lateinischer spτaach genent Chamemelum, derhalben das sie ein lieblichen geschmack hat, wie ein ôpffel. Welchs zwar von der weissen Chamillen fürnemlich zůverston ist.

 

Geschlecht.

Der Chamillen, wie Dioscoτides klârlich anzeygt, seind dτeierley geschlecht. Das erst hat weiþ blůmen, unnd würt der uτsachen halben von den Gτiechen Leucanthemum geheyssen. Wir Teütschen môgens gebürlich nennen weiþ Chamillen. Das ander geschlecht bτingt goldgeel blůmen, darumb die Gτiechen sôlchs kraut Chτysanthemum nennen. Auft Teütsch würdt es geheyssen Goldtblům, Streichblům, oder geele Chamill. Das dτitt geschlecht hat purpurfarb (B) blůmen, würt vom Diosoτide genent Eranthemon, derhalben das es in warmen landen im Lentzen am meysten blüet. Die Teütschen heyssens Ritterspoτn, darumb das seine blům einem ritterspoτn nit ungleich ist. Die Apotecker nennen diþ kraut Consolidam regalem, derhalben das es wunden heylet.

 

Gestalt.

Diser kreüter âst seind selten über ein spannen hoch, jhτe stengel haben vil flügel, die âst aber seind dün, auff welchen gewinnen sie runde blůmen, welche inwendig goldgeel seind, aussen aber ringþumbher mit weissen, oder geelen, oder purpurfarben blettlin, in der Rautten bletter grôsse, gezieret. Die bletter an den stenglen der zweyer geschlecht seind dem Dyllen nit unânlich. Das ander geschlecht aber hat bletter dem Reinfar oder Garbkraut gleich.

 

(C) Statt irer wachsung.

Wachsen gern im herten, trucknen, unnd magern erdtrich bey den wegen. Doch des erste unnd dτitt, welche an den blettern einander auch nit ungleich seind, wachsen gemeynlich auff den feldern in den früchten.

 

Zeit.

Das erste und dτitt geschlecht blüen in warmen landen und jaren, in Lentzen, und darnach auch widerumb im Herbst. Das ander geschlecht aber blüet in Bτachmonat, da es auch die weiber samlen zů bestreichung unnd sterckung der betten, daher es auch Streichblům genent würt.

 

Die natur und complexion.

Die Chamillen alle wermen unnd trücknen im ersten grad, in sonderheyt die weisse.

 

(D) Die krafft und würckung.

Die wurtzel, blůmen, unnd kraut wermen, machen subtil, unnd verzeren. Wann man darvon trinckt, oder darinn badet, so bτingen sie den frawen jre zeit, und treiben den harn, und stein. Sie vertreiben die blâst und wind, auch den schmertzen der kleinen dârm. Reynigen die geelsuchtigen, und seind nützlich den lebersüchtigen. Chamillen gesotten in wasser, und über die blasen gelegt, linderen jren schmertzen. Das krefftigst under allen geschlechten, ist das mit den purpurfarbe blůmen. Das erst aber unnd ander, treiben den harn krefftigleich. Chamillen übergestrichen, heylen die fistel der augen. Jn wasser gesotten, und im mund behalten, vertreiben sie die mundfeule. Chamillen ôl würt auch nützlich gebτaucht zů den clystiern die man im fieber gebτaucht. Es lindert auch allerley schmertzen, und nimpt hinweg die mûde der glider. Was spannet und [54, 55, 56] (E) getânet ist, dasselbig macht es luck, und was verhertet ist, dasselbig linderts und erweychts widerumb. Alles auch das verstopfft und dick ist, das erôffnets und machts dünn. Man mag aber auch die Chamillen eins quintlin schwer zetrincken geben denen so von den natern gebissen seind, dann sie jhnen seer nützlich ist. Das geschlecht mit den purpurfarben blůmen ist fürteffenlich gůt und krefftig zů dem stein, unnd den blôden dunckeln augen. Heylet auch die allten wunden und schâden, zerstossen und darüber gelegt.

Van kamille. Kapittel 8.

 

Namen.

Dit kruid zo we Duitse kamille heten is in Griekse en Latijnse spraak genoemd Chamemelum, derhalve dat ze een lieflijke geur heeft zoals een appel. Welke zeker van de witte kamille voornamelijk te verstaan is.

 

 

Geslacht.

Van de kamille zoals Dioscorides duidelijk aantoont zijn drie geslachten. De eerste heeft witte bloemen en wordt vanwege die oorzaak van de Grieken Leucanthemum geheten. Wij Duitsers mogen het daarom noemen witte kamille. (Matricaria recutita) Dat andere geslacht brengt goudgele bloemen, daarom de Grieken zulks kruid Chrysanthemum noemen. Op Duits wordt het geheten goudbloem, strijkbloem of gele kamille (Anthemis tinctoria). Dat derde geslacht heeft purperkleurige bloemen en wordt van Dioscorides genoemd Eranthemon, derhalve dat het in warme landen in de lente het meeste bloeit. De Duitsers heten het ridderspoor, daarom dat zijn bloem een ridderspoor niet ongelijk is. De apothekers noemen dit kruid Consolidam regalem, derhalve dat es wonden heelt. (Consolida ajacis)

 

Gestalte.

Deze kruiden takken zijn zelden over een zeventien cm hoog, hun stengels hebben veel vleugels, de takken echter zijn dun op welke gewinnen ze ronde bloemen welke inwendig goudgeel zijn, van buiten echter ringsom met witte of gele of purperkleurige blaadjes in de ruit bladeren grootte versierd. De bladeren aan de stengels van het tweede geslacht zijn de dille niet ongelijk. Dat andere geslacht echter heeft bladeren de reinvaarn of duizendblad gelijk.

 

Hun groeiplaats.

Groeien graag in hard, droog en mager aardrijk bij de wegen. Doch dat eerste en derde, welke aan de bladeren elkaar ook niet ongelijk zijn, groeien gewoonlijk op de velden in de vruchten.

 

Tijd.

Dat eerste en derde geslacht bloeien in warme landen en jaren in de lente en daarna ook wederom in herfst. Dat andere geslacht echter bloeit in juni, dan het ook de wijven verzamelen tot bestrijken en versterking der bedden vandaar het ook strijkbloem genoemd wordt.

 

De natuur en samengesteldheid.

De kamillen alle warmen en drogen in eerste graad en vooral de witte.

 

De kracht en werking.

De wortel, bloemen en kruid warmen, maken subtiel en verteren. Wanneer men daarvan drinkt of daarin baadt dan brengen ze de vrouwen hun tijd en drijven de plas en steen. Ze verdrijven dat opblazen en winden, ook de smarten der kleine darm. Reinigen de geelzuchtige en zijn nuttig de leverzieke. Kamille gekookt in water en over die blaas gelegd verzacht zijn smarten. Dat krachtigste onder alle geslachten is dat met de purperkleurige bloemen. De eerste echter en andere drijven de plas krachtig. Kamille overgestreken heelt de lopend gaten der ogen. In water gekookt en in mond gehouden verdrijven ze de mond vuilheid. Kamille olie wordt ook nuttig gebruikt tot de klysma’ s die men in koortsen gebruikt. Het verzacht ook allerlei smarten en neemt weg de vermoeidheid der leden. Wat spant en [54, 55, 56] taai (?) is datzelfde maakt het los en wat verhard is, datzelfde verzacht en weekt het wederom. Alles ook dat verstopt en dik is dat opent het en maakt het dun. Men mag echter ook de kamille een quinten zwaar te drinken geven diegenen zo van de adder gebeten zijn, dan het hun zeer nuttig is. Dat geslacht met de purperkleurige bloemen is voortreffelijk goed en krachtig tot de steen en de zwakke donkere ogen. Heelt ook de oude wonden en schaden, gestoten en daarover gelegd.

 

 

Von Dyllen. Cap. IX.

 

(A) Namen.

Dyll, oder Dyllkraut würdt zů Latein und auff Gτiechisch Anethum genent, welchen namen es in den Apotecken behalten hat biþ hieher.

 

Gestalt.

Dyll wechst hoch über sich, mit runden stengeln, unnd vilen gewerblin unnd zweiglin, bτingt kleine schmale bletter einem bτeyten faden nit ungleich, wie der Fenchel, darzů schône geele gekrônte blůmen. Der same ist bτeyt, einem kleinen blettlin gleich. Die wurtzel ist holtzecht, nit seer lang, unnd weiþ. Jn summa, Dyll ist dem Fenchel der gestalt nach gantz gleich, also das sie nit leichtlich von einem yeden môgen underscheydet werden.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Wechst allenthalben in den gârten do mans hin pflantzt. Kompt auch von sich selbs, wie der Fenchel.

 

Zeit.

Blüet fürnemlich im Bτachmonat unnd Hewmonat.

 

Die natur und complexion.

Dyll ist warm im andern grad, oder im anfang des dτitten, unnd im ersten trucken, oder im anfang des andern grads. Der gebτent Dyll ist warm unnd trucken im dτitten grad.

 

Die krafft und würckung.

(C) Dyll samen und die ôbersten gipffelin an den stengeln und zweiglin in wasser gesotten, bτingen den frawen die versigene milch wider, stillet das grimmen, zerteylt die blâst unnd wind im bauch, stelt das würgen unnd den stůlgang. Treibt den harn. Miltert das hexgen und auffstossen des magens. Macht die augen dunckel und finster. So man Dyll offt trinckt und stâtigs neüþt, tilgt er auþ den samen der geburt dienstlich. Ein dampff bad auþ Dyllen gemacht, oder gesotten und darauff gesessen, benimpt das auffsteigen der můter. Dyll samen zů âschen gemacht und gepulvert, heylet die knôpff oder runtzel am hindern, condylomata genent. Dyll in ôl gesotten, verzeret, lindert die schmertzen, macht schlaffen, und zeitiget die groben geschwulst. Gebτent Dyll ist gůt zů den feüchten geschwâren, und in sonderheyt heylet es die geschwâr an den heimlichen oτten. [58, 59]

Van dille. Kapittel 9. (Anethum graveolens)

 

Namen.

Dille of dillenkruid wordt in Latijn en op Grieks Anethum genoemd welke naam het in de apotheken behouden heeft tot hier.

 

Gestalte.

Dille groeit hoog omhoog met ronde stengels en vele werveltjes en twijgjes, brengt kleine smalle bladeren een brede vezel niet ongelijk zoals de venkel, daartoe schone gele gekroonde bloemen. Het zaad is breed, een klein blaadje gelijk. De wortel is houtachtig, niet zeer lang en wit. In summa, dille is de venkel naar de gestalte gans gelijk alzo dat ze niet licht van iedereen mogen onderscheiden worden.

 

 

 

Zijn groeiplaats.

Groeit overal in de hof waar men het heen plant. Komt ook van zichzelf zoals de venkel.

 

 

Tijd.

Bloeit voornamelijk in juni en juli.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Dille is warm in andere graad of in aanvang van de derde en in eerste droog of in aanvang van de andere graad. De gebrande dille is warm en droog in derde graad.

 

De kracht en werking.

Dille zaden en die bovenste topjes aan de stengels en twijgjes in water gekookt brengen de vrouwen de opgehouden melk weer, stilt dat grommen, verdeelt de opblazingen en winden in buik, stelpt dat wurgen en de stoelgang. Drijft de plas. Mildert dat ophitsen en opstoten van de maag. Maakt de ogen donker en duister. Zo men dille vaak drinkt en steeds geniet delgt het uit de zaden de geboorte dienstig. Een dampbad uit dille gemaakt of gekookt en daarop gezeten beneemt dat opstijgen der baarmoeder. Dille zaden tot as gemaakt en gepoederd heelt de knop of rimpel aan achterste, condylomata genoemd. Dille in olie gekookt verteert en verzacht de smarten, maakt slapen en rijpt de grove zwellingen. Gebrande dille is goed tot de vochtige zweren en vooral heelt het de zweren aan de heimelijke oorden. [58, 59]

 

 

 

Von Hauszwurtz. Cap. X.

 

(A) Namen.

Hauþwurtz nent man auch Donderbar, darumb das man vermeynet wo das kraut auff einem hauþ wachse, da môge das wetter keinen schaden thůn, noch der blitz unnd donder darin schlagen. Jn Gτiechischer spτaach würdt es genent Aizoum, in Lateinischer Sedum und Sempervivum, derhalben das es allwegen sommer unnd winter grûn bleibt, und von keinem wetter verseert würt. Diser nam ist in den Apotecken bliben.

 

Geschlecht.

Der Hauþwurtz, wie Dioscoτides anzeygt, seind dτeierley geschlecht. Das erst würt genent groþ Hauþwurtz, darumb das es grôssere bletter hat dann die andern geschlecht. Das ander nent man klein Hauþwurtz. Bey den Gτiechischen würt es genent Trithales, darumb das im jar dτeymal blüet. Jn Apotecken und bey den gemeynen kreütlern nent mans Vermicularem, darumb das (B) jhτe bletter rund seind, einem wurm nit ungleich, und Crassulam minoτem. Dises andern aber geschlechts findt man zweyerley, eins mit geelen blůmen, welches das mennlin ist. Das ander mit weissen blůmen, ist das weiblin. Das dτitt geschlecht nent man Katzentreüblin, oder Maurpfeffer, ettlich heyssen es Vermicularem minorem, darumb das seine blettlin einem kleinem runden kûgelechten würmlin gleich seind.

 

Gestalt.

Die groþ Hauþwurtz bτingt ein stengel eines elnbogen hoch, feyþt und dick, jre bletter feyþt, eines daumens dick, und auþgespitzt wie ein zünglin, ettlich biegen sich zů der erden, etlich stond gestrackt unnd hart ineinander, machen einen circkel anzusehen wie ein aug, oder ein gefüllter stern. Auff den stenglen bτingt es bτaun blůmen neben einander gesetzt, die vergleichen sich einer offnen flachþbollen. Klein hauþwurtz hat vil klein stengel von einer wurtzeln, voller kleiner, (C) runden, feyþten, und auþgespitzten blettlin, einer spannen hoch, die tragen oben geele und weisse gestirnte blûmlin. Das dτitt geschlecht der Hauþwurtz, genent Maurpfeffer, hat gar kleine blettlin, der gestalt nach dem wilden Burtzelkraut nit fast ungleich, doch mehτ einen weytzenkoτn gleich, harig, nit so seer spitzig als das ander geschlecht, gewindt auch geele gestirnte blûmlin.

 

Statt irer wachsung.

Die groþ Hauþwurtz wechst auff den heüsern, und allten mauren, tâchern, und hohen gebirgen. Die klein wechst auch auff den mauren, unnd alten tâchern, in den hohen wâlden, dergleichen auff etlichen sandigen heyssen feldern und heyden. Das dτitt an den steinigen oτten bey den wassern, in den grůben, schattechten und sandigen oτten.

 

Zeit.

Die groþ Hauþwurtz blüet im Bτachmonat und Hewmonat. Die kleine im Meyen und Bτachmonat. Deþgleichen auch das Katzentreüblin.

 

(D) Die natur und complexion.

Die groþ und klein hauþwurtz trücknen gar wenig, seind aber kalt im dτitten grad. Das dτitt geschlecht, wie Dioscoτides unnd alle allte bewârte ârtzet anzeygen, ja wie das auch klârlich der geschmack, der do scharpff unnd râþ ist, auþweiþt, ist warmer natur. Und zwar dieweil es genent würt Maurpfeffer, [60, 61, 62, 63, 64] (E) zeygt auch der name gnůgsam an, das diþ kraut râþ sey wie pfeffer. Dieweil es aber an den mauren unnd felsen wechst, so heyþt es derhalben Maurpfeffer. Und kompt sôlcher irthumb, on zweifel, daher, das die ungelerten kreütler die kleinen hauþwurtz, mennlin genent, von disem Maurpfeffer nit haben künden underscheyden, dieweil sie beyde geel gestirnte blůmen tragen.

 

Die krafft und würckung.

Hauþwurtz beyde groþ und klein kulen seer, und ziehen zůsamen zimlicher weiþ. Derhalben seind sie gůt zů dem rotlauf, entzündung der augen, bτandt, podagra, und geschwâr die umb sich fressen, so man jre bletter allein, oder mit gerstenmaltz überlegt. Der safft mit gersten maltz und rosen ôl vermengt und angestrichen, benimt das hauptwee. Der safft getruncken, stellet die rot rhůr, unnd den durchlauff oder bauchfluþ. Mit wein jngenomen, treibt er auþ die runden langen würm. Stellet den frawen jhτe kranckheyt, an den heymlichen (F) oτten zůsich genomen. Das dτitt geschlecht Maurpfeffer genent, wermet, zerzert die haut, unnd friþt dieselbigen auff. So man seinen safft mit schmaltz vermengt anstreicht, vertreibt er geschwulst und krôpff. Mich wundert aber seer das die gemeynen kreütler, ja auch ettlich der gelerten ârtzt, disem kraut die würckung der andern hauþwurtzen zůschτeiben, dieweil es doch scharpff und râþ auff der zungen ist, wie oben angezeygt, und derhalben jhτe krafft und würckung zů kûlen nit haben mag.

Van huislook. Kapittel 10. (Sempervivum tectorum)

 

Namen.

Huislook noemt men ook donderbaard, daarom omdat men meent waar dat kruid op een huis groeit daar mag dat weer geen schade doen, noch de bliksem en donder daarin slaan. In Griekse spraak wordt het genoemd Aizoum, in Latijnse Sedum en Sempervivum, derhalve dat het altijd zomer en winter groen blijft en van geen weer bezeerd wordt. Deze naam is in de apotheken gebleven.

 

 

 

Geslacht.

Van de huislook, zoals Dioscorides aantoont, zijn drie geslachten. De eerste wordt genoemd grote huislook, daarom dat het grotere bladeren heeft dan de andere geslachten. De andere noemt men klein huislook. (Sedum reflexum) Bij de Grieken wordt het genoemd Trithales, daarom dat het in jaar drie maal bloeit. In de apotheken en bij de gewone kruidenkenners noemt men het Vermicularem, daarom dat zijn bladeren rond zijn, een worm niet ongelijk, en Crassulam minorem. Van dit andere geslacht vindt men er echter twee, een met gele bloemen welke dat mannetje is. Dat andere met witte bloemen is dat wijfje. (Sedum album) Dat derde geslacht noemt men kattedruifjes of muurpeper, ettelijke heten het Vermicularem minorem, daarom dat zijn blaadjes een klein rond kogelachtig wormpje gelijk zijn. (Sedem acre)

 

 

Gestalte.

Dat grote huislook brengt een stengel een ellenboog hoog, vet en dik, zijn bladeren vet, een duim dik en toegespitst zoals een tongetje, ettelijke buigen zich tot de aarde, ettelijke staan gestrekt en hard in elkaar, maken een cirkel aan te zien zoals een oog of een gevulde ster. Op de stengels brengt het bruine bloemen naast elkaar gezet, die vergelijken zich een open vlasbol. Klein huislook heeft vele kleine stengels van een wortel vol kleine, ronde, vette en toegespitste blaadjes, een zeventien cm hoog, die dragen boven gele en witte gesterde bloempjes. Dat derde geslacht van de huislook, genoemd muurpeper, heeft erg kleine blaadjes, naar de gestalte het wilde posteleinkruid niet erg ongelijk, doch meer een tarwekorrel gelijk, harig, niet zo zeer spits zoals dat andere geslacht, gewint ook gele gesterde bloempjes.

 

 

 

Hun groeiplaats.

Dat grote huislook groeit op de huizen en oude muren, daken en hoge bergen. De kleine groeit ook op de muren en oude daken, in de hoge wouden, desgelijks op ettelijke zanderige hete velden en heide. Dat derde aan de stenige oorden bij de wateren, in de groeven, beschaduwde en zanderige oorden.

 

 

Tijd.

Dat grote huislook bloeit in juni en juli. De kleine in mei en juni. Desgelijks ook dat kattendruifje.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De grote en kleine huislook drogen erg weinig, zijn echter koud in derde graad. Dat derde geslacht, zoals Dioscorides en alle oude beweerde artsen aantonen, ja zoals dat ook duidelijk de smaak die daar scherp en vurig is uitwijst is warme natuur. En wel omdat het genoemd wordt muurpeper [60, 61, 62, 63, 64] toont ook de naam voldoende aan dat dit kruid vurig is zoals peper. Omdat het echter aan de muren en rotsen groeit zo heet het derhalve muurpeper. En komt zulke verwarring zonder twijfel vandaar dat de ongeleerde kruidenkenners de kleine huislook, mannetje genoemd, van deze muurpeper niet hebben kunnen onderscheiden omdat ze beide gele gesterde bloemen dragen.

 

De kracht en werking.

Huislook beide groot en klein verkoelen zeer en trekken tezamen op tamelijke wijze. Derhalve zijn ze goed tot de rode huiduitslag, ontsteking der ogen, brand, podagra en zweren die om zich vreten zo men hun bladeren alleen of met gerstemout oplegt. Het sap met gerstemout en rozenolie vermengt en aangestreken beneemt de hoofdpijn. Het sap gedronken stopt de rode loop en de doorloop of buikvloed. Met wijn ingenomen drijft het uit de ronde lange wormen. Stopt de vrouwen hun ziekte, aan de heimelijke oorden tot zich genomen. Dat derde geslacht, muurpeper genoemd, warmt, verteert de huid en vreet diezelfden op. Zo men zijn sap met vet vermengt aanstrijkt verdrijft het zwellingen en krop. Me verwondert echter zeer dat de gewone kruidenkenners, ja ook ettelijke der geleerden artsen dit kruid de werking der andere huisloken toeschrijven terwijl het toch scherp en vurig op de tong is zoals boven aangetoond en derhalve hun kracht en werking te verkoelen niet hebben mag.

 

 

 

Von Wegerich. Cap. XI.

 

(A) Namen.

Wegerich oder Schaafzungen, würt auff Gτiechisch und Lateinisch Arnoglossum genent. Es würt auch diþ kraut zů Latein Plantago geheyssen, welcher name inn den Apotecken bliben ist. Schaaffzung aber würdt es genent derhalben das sein blatt einer schaaffzungen gleich ist.

 

Geschlecht.

Nach anzeygung Dioscoτides, und aller allten so von den kreütern geschτiben haben, seind des Wegerichs zwey geschlecht, groþ und klein. Aber bey uns werden gefunden dτey geschlecht, der groþ, mittelst, und der spitzig wegerich, den man auch den schmalen nent. Den grossen nent man roten wegerich. Den mittelsten, bτeyten. Den dτitten aber spitzigen wegerich, darumb das er spitzige und schmale bletter hat, wie der groþ, bτeyte. Würt aber roter wegerich der uτsach halben geheyssen, das seine âher mit dem samen ein wenig rotbτaun seind.

 

(B) Gestalt.

Der groþ Wegerich hat bτeyte bletter wie der Mangolt, die haben auþwendig siben ripp, die sich alle am ende des blats gegen der wurtzel zůsamen tragen. Gewindt runde, oder zů zeiten, wie auch Dioscoτides meldet, eckete harige stengel, einer spannen hoch, rotfarb, die seind von der mitte an biþ an der gipffel zů ringþumb mit samen umbgeben und bedeckt. An seinen âhern findt man zů zeiten geele, unnd etwan auch grûne, blûmlin. Sein wurtzel ist zart, zaserechtig, weiþ, in der grôsse eins fingers. Der mittelst unnd bτeyt Wegrich ist ein wenig kleiner. Seine bletter, die auff der erden als ein stern auþgebτeyt ligen, seind rauch unnd harig, mit siben gefalten rippen, ein yedes blatt so es volkomen ist [65, 66, 67, 68] (C) einer zungen gleich. Die stengel seind rund, harig, spannen hoch, die tragen zů oberst weisse, mit purpurbτaun vermischt, geâherte wolriechende blůmen. Die wurtzel ist der voτigen gleich. Des spitzigen Wegerichs bletter seind schmeler, kleiner, weycher, gletter, und zarter.  Seine stengel seind ecket, neygen sich zur erden, tragen zů oberst bleychfarb geâherte blůmen.

 

Statt seiner wachsung.

Der groþ Wegrich wechst gern an feüchten oτten. Deþgleichen auch der spitzig, doch auch an den rheynen, in gârten, und wisen.

 

Zeit.

Blüen alle sampt gegen dem Meyen unnd Brachmonat. Der sam mag im Augstmonat gesamlet werden.

 

(D) Die natur und complexion.

Wegrich kûlet unnd trücknet im andern grad.

 

Die krafft und wurckung.

Wegrich bletter trücknen auþ, unnd ziehen zůsamen. Darumb werden sie nützlich gebτaucht zů allerley bôsen, flüssigen unnd unreynen wunden. Wegerich stellet das blůt, unnd die rote rhůr, in sonderheyt der samen mit wein getruncken. Die bletter übergelegt heylen den wolff, unnd alle fliessende schâden. Môgen auch nützlich übergelegt werden denen so von wûtenden unnd rasenden hunden gebissen seind. Jtem dem bτand, den hitzigen apostemen, ohτmützel, unnd geschwulsten der dτûþ. Mit saltz übergelegt, vertreiben sie die krôpff. Der safft von den blettern ist gůt zů der mundfeule, so man den mund zum offtermal (E) im tag darmit wâscht. Jn die fistel gethan, heylet er dieselbigen. Er ist auch seer bequem den keichenden gegeben, unnd denen so den fallenden siechtagen haben. Jn die ohτen gethan, nimpt er hinweg ihτen schmertzen. Jn die augen gethan, leschet er die hitz derselbigen. Dienet auch wol denen so das zanfleysch blůtet, und stâts blůt auþspeien. Gemellter safft getruncken, oder in die weiblichen scham gethan, stopfft der weiber kranckheyt. Wegerich same mit wein getruncken, stellet das blůt auþspeien. Die wurtzel von Wegrich gesotten und mit dem wasser den mund auþgespûlet, oder die wurtzel under den zenen kewet, benimpt das zanwee. Die wurtzel auch sampt den blettern in sûssem wein getruncken, heylen die geschwâr der blasen unnd nieren. Seind auch gůt zů der verstopffung der leber unnd nieren. Dτey diser wurtzel in vier lot wein unnd sovil wasser getruncken, vertreiben das dτittâglich feber. Dergleichen vier, das viertâglich. Ettlich hencken Wegrich wurtzel an den hals, vermeynen die krôpff darmit zůvertreiben. [69, 70]

Van weegbree. Kapittel 11.

 

Namen.

Weegbree of schaapstong wordt in Grieks en Latijns Arnoglossum genoemd. En wordt ook dit kruid in Latijn Plantago geheten welke naam in de apotheken gebleven is. Schaapstong echter wordt het genoemd derhalve dat zijn blad een schaapstong gelijk is.

 

Geslacht.

Naar aantonen van Dioscorides en alle ouden zo van de kruiden geschreven hebben zijn van de weegbree twee geslachten, groot en klein. Echter bij ons worden gevonden drie geslachten, de grote, middelste en de spitse weegbree die men ook de smalle noemt. De grote noemt men rode weegbree. (Plantago major) De middelste brede. (Plantago media) De derde echter spitse weegbree, daarom dat het spitse en smalle bladeren heeft zoals de grote brede. (Plantago lanceolata) Wordt echter rode weegbree vanwege de oorzaak geheten dat zijn aren met de zaden een weinig roodbruin zijn.

 

Vorm.

De grote weegbree heeft brede bladeren zoals de biet, die hebben uitwendig zeven ribben die zich alle aan einde van het blad tegen der wortel tezamen dragen. Gewint ronde of soms, zoals ook Dioscorides meldt, kantige harige stengels van een zeventien cm hoog en roodkleurig, die zijn van het midden aan tot aan de top en ringsom met zaden omgeven en bedekt. Aan zijn aren vindt men soms gele en soms ook groene bloempjes. Zijn wortel is zacht, vezelachtig, wit en in de grootte een vinger. De middelste en brede weegbree is een weinig kleiner. Zijn bladeren die op de aarde als een ster uitgespreid liggen zijn ruw en harig, met zeven gevouwen ribben en elk blad zo het volkomen is [65, 66, 67, 68] een tong gelijk. De stengels zijn rond, harig, zeventien cm hoog, die dragen in het bovenste witte met purperbruine vermengde geaarde welriekende bloemen. De wortel is der vorige gelijk. De spitse weegbree bladeren zijn smaller, kleiner, weker, gladder en zachter. Zijn stengels zijn kantig, neigen zich tot de aarde, dragen in het bovenste bleekkleurige geaarde bloemen.

 

Zijn groeiplaats.

De grote weegbree groeit graag aan vochtige oorden. Desgelijks ook de spitse, doch ook aan de akkerkanten, in hof en weiden

 

Tijd.

Bloeien alle samen tegen mei en juni. Dat zaad mag in augustus verzameld worden.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Weegbree koelt en droogt in andere graad.

 

De kracht en werking.

Weegbree bladeren drogen uit en trekken tezamen. Daarom worden ze nuttig gebruikt tot allerlei boze vloeiende en onreine wonden. Weegbree stelpt dat bloed en de rode loop en vooral het zaad met wijn gedronken. De bladeren opgelegd helen de vretende schade en alle vloeiende schaden. Mogen ook nuttig opgelegd worden diegenen zo van razende honden gebeten zijn. Item de brand, de hete gezwellen, oorzweren en gezwellen der klieren. Met zout opgelegd verdrijven ze de krop. Het sap van de bladeren is goed tot de mondvuilheid zo men de mond vaak per dag daarmee wast. In de lopende gaten gedaan heelt het diezelfde. Het is ook zeer bekwaam de kuchenden gegeven en diegene zo de vallende ziekte hebben. In de oren gedaan neemt het weg hun smarten. In de ogen gedaan lest het de hitte van diezelfde. Dient ook goed diegenen zo dat tandvlees bloedt en steeds bloed uitspuwen. Gemeld sap gedronken of in de vrouwelijke schaam gedaan stopt de wijven ziekte. Weegbree zaad met wijn gedronken stopt dat bloed uitspuwen. De wortel van weegbree gekookt en met de water de mond uitgespoeld of de wortel onder de tanden gekauwd beneemt de tandpijn. De wortel ook samen met de bladeren in zoete wijn gedronken heelt de zweren der blaas en nieren. Zijn ook goed tot de verstopping der lever en nieren. Drie van deze wortels in vier lot wijn en zoveel water gedronken verdrijft de driedaagse malariakoorts. Dergelijke vier, de vierdaagse. Ettelijke hangen weegbree wortel aan de hals, menen de krop daarmee te verdrijven. [69, 70]

 

 

 

Von Wasserwegerich. Cap. XII.

 

(A) Namen

Der Wasserwegerich würt auch zů Teütsch Frôschlôffelkraut genent, darumb das die bletter wie lôffel formiert seind, unnd die frôsch allzeit jhτ wonung bey disem gewâchþ haben. Dieweil er aber dem Wegerich gleich ist, und in wâsserigen oτten gern wechst, nent man jn auff Lateinisch, Plantaginem aquaticam. Ob er aber den allten Gτiechen unnd Lateinischen sey bekant gewesen, kan ich noch zůr zeit nit wissen.

 

Gestalt.

Wasserwegerich ist ein schôn kraut mit feyþten grûnen blettern, dem Wegerich, wie angezeygt, nit seer ungleich, das gewindt lange stengel, mit vil nebenzincken inn der hôhe, die tragen kleine weisse, mit wenig purpurfarb vermengt, blûmlin, auþ welchen so sie abfallen werden schône knôpfflin, darinn bτingt es seinen samen.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Wechst in den seehen, lachen, sümpffen und grâben allenthalben.

 

Zeit.

Blüet im sommer, in sonderheyt im Bτachmonat, und im Hewmonat.

 

Die natur und complexion.

Die wurtzel ist kalter und truckner natur wie der Wegerich, dann sie dem geschmack nach der Wegerich wurtzel nit ungleich ist.

 

Die krafft und würckung.

Frôschlôffel oder Wasserwegerich würt für andere kreüter gelobt und herfür gezogen hitz zůleschen, und geschwulst nider zůlegen, darauþ man wol abnemen kan, das diþ kraut der krafft nach auch dem Wegerich nit ungleich ist. Derhalben on von nôten von seiner würckung mehτ zůschτeiben.

Van waterweegbree. Kapittel 12. (Alisma plantago-aquatica)

 

Namen.

De waterweegbree wordt ook in Duits kikkerlepelkruid genoemd, daarom dat die bladeren zoals een lepel gevormd zijn en de kikkers altijd hun woning bij dit gewas hebben. Omdat het echter de weegbree gelijk is en in waterige oorden graag groeit noemt men het op Latijn Plantaginem aquaticam. Of het echter de oude Grieken en Latijnen is bekend geweest kan ik noch deze tijd niet weten.

 

Gestalte.

Waterweegbree is een schoon kruid met vette groene bladeren en de weegbree, zoals aangetoond, niet zeer ongelijk is, dat gewint lange stengels met veel zijscheuten in de hoogte, die dragen kleine witte met weinig purperkleur vermengde bloempjes waaruit zo ze afvallen worden schone knopjes, daarin brengt het zijn zaden.

 

Zijn groeiplaats.

Groeit in de meren, plassen, moerassen en sloten overal.

 

Tijd.

Bloeit in zomer en vooral in juni en in juni.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De wortel is koude en droge natuur zoals de weegbree, dan ze naar de smaak de weegbree wortel niet ongelijk is.

 

De kracht en werking.

Kikkerlepel of waterweegbree wordt voor andere kruiden geloofd en ervoor getrokken hitte te lessen en zwellingen neer te leggen waaruit men goed afnemen kan dat dit kruid naar de kracht ook de weegbree niet ongelijk is. Derhalve onnodig van zijn werking meer te schrijven.

 

 

 

Von Beyfůsz. Cap.XIII.

 

(A) Namen.

Onder disem namen wôllen wir begriffen haben alle kreüter so von den Gτiechen und Lateinischen Artemisiæ genent werden. Welchem kraut aber fürnemlich diser nam zugehôτe, wôllen wir bald hernach, so wir die geschlecht underscheyden, anzeygen. Warumb aber disem kreütern der nam Artemisia auffgesetzt, ist nit not hie zůerzelen, wir haben aber sôlchs nach der leng in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Geschlecht.

Nach anzeygung Dioscoτidis, so seind diþ krauts Artemisia genent dτeierley geschlecht. Das erst würdt in sonderheyt geheyssen Beyfůþ, Bucke, S. Johans gürtel, welchen namen es auþ einem aberglauben der Teütschen überkomen hat. Dann sich ettlich damit an S. Johans des Teüffers tag gegürtet haben, unnd darnach in das S. Johans fewτ gewoτffen, mit zůthůn ettlicher spτüch und reymen. Es würdt auch genent Sonnenwend gürtel, auþ gleicher uτsach, das man zů gedachter zeit, da die Sonne sich voτ zeiten gewendt, sich [71, 72, 73, 74, 75] (B) damit gegürtet hat. Es heyssen auch diþ geschlecht ettliche grossen Reinfarn. Und seind dises krauts auch zweyerley ardt, eins mit einem gantz bτaunroten stengel, und blůmen, derhalben es genent würt Rot bucken, oder Rotbeyfüþ.

Das ander gewindt weiþ grûn stengel und blůmen, darumb es Weiþbucke oder Beyfůþ genent ist. Diþ geschlecht würt auff Lateinisch genent Artemisia latifolia. Das ander geschlecht heyst zů Latein Artemisia tenuifolia, umb der zarten bletter willen. Jn Apotecken würts Matricaria, und zů Teütsch Můterkraut, oder Mettram, oder Metter genent.

Das dτitt geschlecht Artemisia monoclonos, unnd Tagetes auff Lateinisch genent, und von ettlichen Tanacetum, würdt in Teütscher spτaach Reinfarn unnd wurmkraut geheyssen, darumb das es die würm im bauch tôdtet und auþtreibt. Under disem dτitten geschlecht môgen begriffen werden die lieblichen schônen blůmen, so man yetz vast an allen oτten in den gârten unnd scherben zeühet, und genent werden Jndianische negelin, dann den blettern nach seind sie dem Reinfarn gantz gleich, doch etwas zarter. Riechen auch starck wie die bletter an dem Reinfarn. (C)

 

Gestalt.

Beyfůþ hat vil zincklin oder gesteüd, ist dem Wermůt gleich, doch hat der Beyfůþ grôssere bletter, unnd feyþter, welche oben satt grůn, unden aber gantz weiþfarbig seind, seer zerschnitten unnd zerspalten, gleich wie hândlin anzůsehen. Sein blůmen seind klein unnd zart, unnd der same rund. Můterkraut, hat kleiner und zârtere bletter, schweitzer grûn, sein blůmen seind der Chamillen gleich, inwendig geel, unnd zů ringþumbher mit kleinen weissen blettlin bekleydet, doch kleiner unnd zârter. Jhτ, ja des gantzen krauts geruch ist starck. Reinfar hat gemeinlich einen stengel bτaunrot, etwan zweyer elen hoch, mit vil neben zincken, daran wachsen bletter nit tieff zerkerft. Auff dem stengel aber wachsen vil geeler blůmen, nit gestirnet, sonder gleich einem knopff. Die Jndianische negelin bτingen stengel rotbτaun, gleich dem Reinfarn, mit vilen âsten (D) unnd zincken, daran seind auch vil zarter bletter, allenthalben zerkerfft, eines starcken geruchs, an den stengeln wachsen schône blůmen den negelen nit ungleich, welche der farb nach môgen dem geelen charmesin sammet wol vergleichet werden.

 

Statt irer wachsung.

Beyfůþ wechst gern an wâsserigen, ungebawten rauhen oτten. Mettram aber an trucknen oτten, bey den mauren, umb die zeün, unnd in den gârten.

Reinfar wechst gemeynlich auff den wasser gestaden, neben den weingârten, unnd an den reinen, daher er auch seinen namen hat.

Die Jndianische negelin zeühet man in den gârten und scherben, ist newlich (E) in unser Teütschland gebτacht woτden, voτmals gar unbekant.

 

Zeit.

Blüen alle mit einander im sommer, in sonderheyt im Hewmonat und Augstmonat. Die Jndianische negelin so sie in der stůben, und warmen kamern behalten werden, bτingen sie auch jhτe blůmen umb Weyhenecht, und den gantzen winter.

 

Die natur und complexion.

Dise geschlecht seind warm im andern grad, und in dem ersten volkommen [76] (F) lich trucken, darzů auch einer zarten substantz.

 

Die krafft und würckung.

Dise kreüter gesotten seind seer dienstlich den weiberen zů dampff oder schweyþbâdern, dann sie bτingen jnen jhτe kranckheyt, treiben auþ das bürdlin und die todten frucht. Sie erôffnen auch die verschlosse můter, bτechen und zermalen den stein, und bτingen wider den verstandnen harn. Der safft von dem kraut mit Myτrhen vermengt, unnd in die můter gethon, fûret auþ allerley feüchtigkeit der weiber. Wer dise kreüter bey jhm hat, dem kan khein gifftig thier, noch andere schedliche ding, nachteyl unnd schaden bτingen. So einer der über land reyþt, Beyfůþ bey jhm tregt, so vertreibt es die mûde.

Mettram gestossen unnd mit mandel ôl vermengt, unnd wie ein pflaster über den magen gelegt, heylet desselbigen schmertzen und weetagen. Vertreibt auch den schmertzen des geâders dergestalt übergelegt, oder aber so man seinen (G) safft mit rosen ôl vermischt darüber streicht, oder darmit reibet, oder salbet. Die blůmen aber von dem Reinfarn, haben ein sondere krafft wider die würm, so sie mit wein oder milch, oder mit hônig werden jngenomen, dann sie dieselbigen krefftigklich auþtreiben. Von den Jndianischen negelin, hab ich khein sondere erfarung, acht sie aber der krafft nach dem Reinfarn vast gleich zů sein.

Van bijvoet. Kapittel 13.

 

Namen.

Onder deze naam willen we begrepen hebben alle kruiden zo van de Grieken en Latijnen Artemisia genoemd worden. Welk kruid echter voornamelijk deze naam toebehoort willen we gauw hierna zo we de geslachten onderscheiden aantonen. Waarom echter deze kruiden de naam Artemisia gekregen hebben is niet nodig hier te vertellen, we hebben echter zulks in het lang in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Geslacht.

Naar aantonen van Dioscorides zo zijn van dit kruid Artemisia genoemd drie geslachten. Dat eerste wordt vooral geheten bijvoet, Bucke en St. Johannis gordel, welke namen het uit een bijgeloof der Duitsers overkomen heeft. (Artemisia vulgaris) Dan zich ettelijke daarmee aan St. Johannis de Dopers dag omgord hebben en daarna in dat St. Johannis vuur werpen met toedoen van ettelijke spreuken en rijmen. Het wordt ook genoemd zonnewende gordel uit gelijke oorzaak dat man in gedachte tijd daar de zon zich voor tijden wendt zich [71, 72, 73, 74, 75] daarmee omgord heeft. Er heten ook dit geslacht ettelijke grote reinvaarn. En zijn van dit kruid ook twee vormen, een met een gans bruinrode stengels en bloemen, derhalve het genoemd wordt rode bucken of rode bijvoet. (Artemisia campestris) De andere gewint witgroene stengels en bloemen, daarom het witte bucke of bijvoet genoemd is. Dit geslacht wordt op Latijn genoemd Artemisia latifolia. Dat andere geslacht heet in Latijn Artemisia tenuifolia vanwege de zachte bladeren. In apotheken wordt het Matricaria en in Duits moederkruid of Mettram of Metter genoemd. (Tanacetum parthenium)

Dat derde geslacht, Artemisia monoclonos en Tagetes op Latijns genoemd en van ettelijke Tanacetum, wordt in Duitse spraak reinvaarn en wormkruid geheten, daarom dat het de wormen in buik doodt en uitdrijft. (Tanacetum vulgare) Onder dit derde geslacht mogen begrepen worden die lieflijke schone bloemen zo men nu vast aan allen oorden in de hof en potten teelt en genoemd worden Indiaanse nageltjes, dan naar de bladeren zijn ze de reinvaarn gans gelijk, doch wat zachter. Ruiken ook sterk zoals de bladeren aan de reinvaarn. (Tagetes patula)

 

 

Gestalte.

Bijvoet heeft veel twijgjes of takken, is de alsem gelijk, doch heeft de bijvoet grotere bladeren en vetter, welke boven donker groen, onder echter gans witkleurig zijn, zeer ingesneden en gespleten gelijk zoals handjes aan te zien. Zijn bloemen zijn klein en zacht en het zaad rond. Moederkruid heeft kleinere en zachtere bladeren, Zwitsergroen, zijn bloemen zijn de kamille gelijk, inwendig geel en ringsom met kleine witte blaadjes bekleed, doch kleiner en zachter. Zijn, ja het ganse kruid reuk is sterk. Reinvaarn heeft gewoonlijk een stengel bruinrood, ongeveer twee ellebogen hoog met veel zijscheuten, daaraan groeien bladeren niet diep gekerfd. Op de stengels echter groeien veel gele bloemen, niet gesterd, maar gelijk een knop. De afrikaantjes brengen stengels roodbruin, gelijk de reinvaarn, met vele takken en scheuten, daaraan zijn ook veel zachte bladeren en overal gekerfd, een sterke reuk, aan de stengels groeien schone bloemen de nagels niet ongelijk welke naar de verf mogen goed met het gele karmozijn fluweel vergelijken worden.

 

 

Hun groeiplaats.

Bijvoet groeit graag aan waterige, ongebouwde ruwe oorden. Moederkruid echter aan droge oorden, bij de muren, om de tuin en in de hof.

Reinvaar groeit gewoonlijk op de waterkanten, naast de wijnhof en aan de akkerranden waarvan het ook zijn naam heeft.

De Indiaanse nagels teelt men in de hof en potten, is net in ons Duitsland gebracht geworden, hiervoor geheel onbekend.

 

 

 

Tijd.

Bloeien alle met elkaar in zomer en vooral in juli en augustus. De Indiaanse nagels zo ze in de vertrekken en warme kamers behouden worden brengen ze ook hun bloemen om Kerstmis en de ganse winter.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Deze geslachten zijn warm in andere graad en in de eerste volkomen [76] droog, daartoe ook een zachte substantie.

 

De kracht en werking.

Deze kruiden gekookt zijn zeer dienstig de wijven tot damp of zweetbaden, dan ze brengen hen hun ziekte, drijven uit de nageboorte en de dode vrucht. Ze openen ook die gesloten baarmoeder, breken en vermalen de steen en brengen weer de opgehouden plas. Het sap van het kruid met mirre vermengt en in de baarmoeder gedaan voert uit allerlei vochtigheid der wijven. Wie deze kruiden bij hem heeft die kan geen giftig dier, noch andere schadelijke dingen nadeel en schade brengen. Zo een die over land reist bijvoet bij hem draagt dan verdrijft hij de vermoeidheid.

Moederkruid gestoten en met amandelolie vermengt en als een pleister over de maag gelegd heelt diens smarten en pijnen. Verdrijft ook de smarten der aderen, die gestalte opgelegd of echter zo men zijn sap met rozenolie vermengt daarover strijkt of daarmee wrijft of zalft. De bloemen echter van de reinvaarn hebben een bijzondere kracht tegen de wormen zo ze met wijn of melk of met honing worden ingenomen, dan ze diezelfden krachtig uitdrijven. Van de Indiaanse nageltjes heb ik geen bijzondere ervaring, acht ze echter naar de kracht de reinvaarn vast gelijk te zijn.

 

 

Von Klebkraut. Cap. XIIII.

 

(A) Namen.

Klebkraut hat seinen namen daher, das es allenthalben sich anhenckt, unnd gern an den kleydern klebt, dann es seer rauch ist unnd kleberig. Auff Gτiechisch unnd Lateinisch würdt es Aparine genent, unnd Omphalocarpon, darumb das sein same einem nabel gleich ist.

 

Gestalt.

Klebkraut hat vil zarter, kleiner viereckender, rauher âst und stengel, umb welche ringþumbher gestirnte blettlin von einander gesetzt, wie an der Rodte wachsen. Auþ den gewerblin wachsen auch neben zincklin mit weissen blûmlin, welche so sie abfallen, kompt der samen herfür, welcher graw, hert, rund, unnd in der mitten ein wenig hol, als ein nabel, und rauch ist. Das kraut, stengel, und same, hencken sich an die kleyder, wie oben angezeygt.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Das rauch Klebkraut wechst under dem flachþ, und andern früchten, hinder den zeünen unnd hecken allenthalben.

 

Zeit.

Würdt durch das gantz jar gefunden, in sonderheyt aber im Meyen. Sol gesamlet werden im sommer, so es samen bτingt.

 

Die natur und complexion.

Klebkraut ist warmer unnd truckner natur, und seübert waþ unrein ist. [77, 78]

 

(C) Die krafft und würckung.

Der safft vom kraut, stengel, unnd samen auþgetruckt, unnd mit wein getruncken, widersteet dem gifft der natern, unnd anderer gifftigen thieren. So man in die ohτen thůt, vertreibt er den schmertzen derselbigen. Das kraut mit schmaltz gestossen und vermengt, zerteylet unnd verzeret die krôpff. Die bletter über die wunden gelegt, stellen das blůt.

Van kleefkruid. Kapittel 14. (Galium aparine)

 

Namen.

Kleefkruid heeft zijn namen daarvan dat het overal zich aanhangt en graag aan de klederen kleeft, dan het zeer ruw is en kleverig. Op Grieks en Latijns wordt het Aparine genoemd en Omphalocarpon, daarom dat zijn zaad een navel gelijk is.

 

 

Gestalte.

Kleefkruid heeft veel zachte, kleine vierkantige, ruwe takken en stengels om welke ringsom gesterde blaadjes van elkaar gezet zijn zoals aan de meekrap groeien. Uit de werveltjes groeien ook zijtwijgjes met witte bloempjes uit welke zo ze afvallen komen de zaden voort, welke grauw, hard, rond en in de midden een weinig hol als een navel en ruw zijn. Dat kruid, stengel en zaad hangen zich aan de kleren zoals boven aangetoond.

 

 

Zijn groeiplaats.

Dat ruwe kleefkruid groeit onder het vlas en andere vruchten, achter de tuinen en hagen overal.

 

Tijd.

Wordt door dat ganse jaar gevonden en vooral echter in mei. Zal verzameld worden in zomer zo het zaden brengt.

 

De natuur en samengesteldheid.

Kleefkruid is warme en droge natuur en zuivert wat onrein is. [77, 78]

 

De kracht en werking.

Het sap van kruid, stengel en zaden uitgedrukt en met wijn gedronken weerstaat het gif der adders en andere giftige dieren. Zo men het in de oren doet verdrijft het de smarten van diezelfde. Dat kruid met vet gestoten en vermengt verdeelt en verteert de krop. Die bladeren over de wonden gelegd stelpen dat bloeden.

 

 

Von Bernklaw. Cap. XV.

 

(A) Namen.

Bernklaw würt auch genent Berentatz, darumb das sein blatt einen Berenfůþ gleich ist. Daher es auch in den Apotecken noch geheyssen würdt Bτanca uτsina. Auff Gτiechisch unnd Lateinisch würt es Acantha genent.

 

Geschlecht.

Diþ krauts, welches Acantha genent würt, seind zweyerley geschlecht, wie das Plinius im xxij.bůch, am xxij.capitel klârlich anzeygt. Eins mit stechenden oder rauhen unnd krausen blettern, und kürtzer dann das ander geschlecht, welchs der beschτeibung Dioscoτidis nit gleich ist, unnd ist das so in unnsern landen allenthalben in wisen wechst. Darumb es billich Teütsch bernklaw genent würdt. Das ander ist glatt unnd lenger, ja wie Dioscoτides anzeygt, zweyer elnbogen hoch, unnd diþ ist der recht Acanthus, welches wir Welsch bernklaw genent haben.

 

(B) Gestalt.

Das welsch und recht Bernklaw hat bletter wie Lattich, doch bτeyter und lenger, zerspalten wie des weissen Senffs, schwartz, feyþt, unnd glatt. Sein stengel ist hoch, fingers dick, welcher ist mit langen stechenden blettern, die schûpenweiþ herfür kommen, biþ oben an bekleydet. Auþ denselbigen geet herfür ein schône weisse blům. So sie abfallen, würdt darauþ ein hülþ, in welcher ist langer und geeler same, in der grôsse einer welschen erbþ. Seine wurtzel seind zâh und leymechtig, rotfarb, und lang. Unser Teütsch Bernklaw ist ein schwartz rauch kraut, seine bletter seind auch zerspalten unnd zerteylt gemeinlich in fünff neben bletter, der stengel auch rauch, lang, hol, etwan fingers dick, mit bτaunen âderlin durchzogen, mit knôpffen undersetzt wie des Fenchels, am obersten der stengel bτingt sie schône kronen die blüen weiþ, vast wie der Holder. Der same so sich von der blüet erzeygt, würt bτeyter dann der Dyll samen, ye zwey bτeytter kôτnlin zůsamen gesetzt, wie es dann das gemâl klârlich an tag gibt. Die wurtzel würdt zů zeiten elen lang, inwendig weiþ, an geschmack scharpff.

 

(C) Statt irer wachsung.

Welsch Bernklaw wechst in gârten, steinigen unnd feüchten oτten. Unser Bernklaw hat jre statt in den graþgârten, und sandigen wisen.

 

Zeit.

Blüen im Bτachmonat und Hewmonat, zů zeiten im end des Meyen.

 

Die natur und complexion.

Die bletter der Bernklawen zerteylen, und verzeren, die würtzel aber seind einer subtilen substantz, darauþ leicht ist abzůnemen, das sie warmer und trückner natur seind. [79, 80]

 

(C) Die krafft und würckung.

Die wurtzeln von der rechten Bernklawen, seind nutzlich zum bτand, und denen, welchen die gleych verruckt unnd auþ einander seind, so mans überlegt. Gesotten in wasser, unnd getruncken, treiben den harn, unnd stellen den stůlgang. Dise wurtzel ist auch treffenlich gůt den schwindsichtigen, und gebτochnen, so mans mit der speiþ kochet, fürnemlich mit gersten. Man mag auch sôlche wurtzel gestossen im podagra überschlagen. Unser Bernklaw vertreibt geschwulst, so sie gesotten würt und übergelegt. Jn summa, hat vast alle eygenschafft wie das recht Bernklaw. Fürnemlich aber so verzeret und trücknet auþ alle überige feüchtigkeyten.

Van berenklauw. Kapittel 15.

 

Namen.

Berenklauw wordt ook genoemd berenpoot, daarom dat zijn blad een berenvoet gelijk is. Vandaar het ook in de apotheken noch geheten wordt Branca ursina. Op Grieks en Latijns wordt het Acantha genoemd.

 

Geslacht.

Van dit kruid welke Acantha genoemd wordt zijn twee geslachten zoals dat Plinius in 12de boek in het 22ste kapittel duidelijk aantoont. Een met stekende of ruwe en gekroesde bladeren en korter dan dat andere geslacht welke de beschrijving van Dioscorides niet gelijk is en is dat zo in onze landen overal in weiden groeit. (Heracleum sphondylium) Daarom het billijk Duitse berenklauw genoemd wordt. De andere is gladder en langer, ja zoals Dioscorides aantoont twee ellebogen hoog en dit is de echte Acanthus welke we Waalse berenklauw genoemd hebben. (Acanthus spinosus)

 

Vorm.

De Waalse en echte berenklauw heeft bladeren zoals sla, doch breder en langer en gespleten zoals de witte mosterd, zwart, vet en glad. Zijn stengel is hoog en vingers dik welke is met lange stekende bladeren die schubsgewijs voortkomen tot boven aan bekleed. Uit diezelfde gaat voort een schone witte bloem. Zo ze afvallen wordt daaruit een huls waarin is lang en geel zaad in de grootte een Waalse erwt. Zijn wortels zijn taai en lijmachtig, roodkleurig en lang. Onze Duits berenklauw is een zwart ruw kruid, zijn bladeren zijn ook gespleten en verdeeld gewoonlijk in vijf zijbladeren, de stengel ook ruw, lang, hol, ongeveer vinger dik en met bruine adertjes doortrokken en met knoppen bezet zoals de venkel, aan bovenste der stengel brengt het schone kronen en die bloeien wit, vast zoals de vlier. Dat zaad zo zich van de bloei toont wordt breder dan de dille zaden, elke twee brede korreltjes tezamen gezet zoals het dan de tekening duidelijk aan dag geeft. De wortel wordt soms elleboog lang, inwendig wit, aan smaak scherp.

 

 

Hun groeiplaats.

Waalse berenklauw groeit in hof, stenige en vochtige oorden. Onze berenklauw heeft zijn plaats in de grashoven en zanderige weiden.

 

Tijd.

Bloeien in juni en juli, soms in eind van mei.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De bladeren der berenklauwen verdelen en verteren, de wortels echter zijn een subtiele substantie waaruit licht is af te nemen dat ze warme en droge natuur zijn. [79, 80]

 

De kracht en werking.

De wortels van de echte berenklauw zijn nuttig tot brand en diegenen welke de leden verrekt en uit elkaar zijn, zo men ze oplegt. Gekookt in water en gedronken drijven de plas en stelpen de stoelgang. Deze wortel is ook voortreffelijk goed de duizelige en gebrokene zo men ze met de spijs kookt, voornamelijk met gerst. Men mag ook zulke wortel stoten en in podagra omslaan. Onze berenklauw verdrijft zwellingen zo ze gekookt wordt en opgelegd. In summa, heeft vast alle eigenschappen zoals de echte berenklauw. Voornamelijk echter zo verteert en droogt uit alle overige vochtigheden.

 

 

 

Von Weisz distel. Cap. XVI.

 

(A) Namen.

Weiþ distel werden zů Latein Spinæ albæ genent, von wegen der weissen flecken damit die bletter bespτengt seind.

 

Geschlecht.

Der Weissen distel haben wir hie zweyerley geschlecht. Das erst würt auff Teütsch geheyssen Mariendistel, Frawendistel, Stechkraut, und Vehdistel. Zů unsern zeiten würt es in den Apotecken genent Carduus Mariæ. Das ander geschlecht aber heyssen unnsere Teütschen Weiþwegdistel.

 

Gestalt.

Mariendistel hat einen hohen stengel, fingers dick, rund, seine bletter seind groþ, bτeyter dann kein Lattich, unnd stâchelecht mit vilen scharpffen dôτnlin, durchauþ wit weissen flecken bespτengt, auff den stengeln und neben âstlin wachsen scharpffe stâchelechte runde ygels kôpfflin, die seind zů ringþumbher als (B) râdlin, mit seer langen spitzigen dôτnern versorgt, blüen purpurτot, nach der blüet, bτingen sie samen dem wilden garten Saffran gleich, doch runder.

Weiþ wegdistel gewindt seer bτeyte und stâchelechte lange bletter, darzů auch einen vast langen unnd dicken stengel, mit zarter weisser wollen überzogen, an allen oτten vol dôτn und distel, bτingt auch neben âstlin, die tragen all scharpffe stâchelechte runde ygels kôpfflin, wie die Mariendistel, die blüen auch purpurrot, nach der blüet, bτingen sie schwartzgrawen samen, wie der wild garten Saffran, doch etwas kleiner und runder.

 

Statt irer wachsung.

Mariendistel wechst in den krautgârten, dahin sie gepflantz würt. Weiþ wegdistel aber findt man an ungebawten und sandigen oτten, und etwan hinder den zeünen.

 

(C) Zeit.

Dise disteln blüen im Hewmonat und auch im Augstmonat. Etwan auch im Bτachmonat.

 

Die natur und complexion.

Die wurtzel trücknet, und zeücht ein wenig zůsamen. Der sam ist einer subtilen substantz, und warmer natur.

 

Die krafft und würckung.

Die wurtzel gesotten und getruncken ist gůt denen so blůt auþreüspern, auch [81, 82, 83] (D) denen so einen blôden magen haben, und die speiþ nit wol behalten môgen. Sie treibt auch den harn. So mans überstreicht vertreibt sie die geschwulst. Das wasser darinn die wurtzel gesotten ist, im mund gehalten, legt das zanwee. Der sam getruncken ist gůt den jungen kindern, so mit dem gicht oder freysch beladen, unnd denen so von den natern gebissen seind. Er widerstehet auch allem andern gifft.

Van witte distel. Kapittel. 16.

 

Namen.

Witte distel wordt in Latijn Spinae albae genoemd vanwege de witte vlekken waarmee de bladeren besprengd zijn.

 

Geslacht.

Van de witte distel hebben we hier twee geslachten. De eerste wordt op Duits geheten Maria distel, vrouwendistel, steekkruid en vee distel. (Silybum marianum) In onze tijden wordt het in de apotheken genoemd Carduus Mariae. Dat andere geslacht echter heten onze Duitse witte wegdistel. (Onopordum acanthium)

 

Gestalte.

Maria distel heeft een hoge stengel, vingers dik en rond, zijn bladeren zijn groot, breder dan geen sla en stekelachtig met vele scherpe doorntjes, dooruit wit witte vlekken gesprengd, op de stengels en zijtakjes groeien scherpe stekelachtige ronde egelkopjes, die zijn ringsom als een radje met zeer lange spitse dorens verzorgd, bloeien purperrood, na de bloei brengen ze zaden de saffloer gelijk, doch rond.

Witte wegdistel gewint zeer brede en stekelachtige lange bladeren, daartoe ook een vaste lange en dikke stengel met zachte witte wol overtrokken, aan alle oorden vol doorns en distels, brengt ook zijtakjes, die dragen alle scherpe stekelachtige ronde egelkopjes zoals de Maria distel, die bloeien ook purperrood, na de bloei brengen ze zwartgrauwe zaden zoals de saffloer, doch wat kleiner en ronder.

 

 

Hun groeiplaats.

Maria distel groeit in de kruidhof waarheen ze geplant wordt. Witte wegdistel echter vindt men aan ongebouwde en zanderige oorden en wat achter de tuinen.

 

Tijd.

Deze distels bloeien in juli en ook in augustus. Wat ook in juni.

 

De natuur en samengesteldheid.

Die wortel droogt en trekt een weinig tezamen. Het zaad is een subtiele substantie en warme natuur.

 

De kracht en werking.

De wortel gekookt en gedronken is goed diegenen zo bloed uitspuwen, ook [81, 82, 83] diegenen zo een zwakke maag hebben en de spijs niet goed behouden mogen. Ze drijft ook de plas. Zo men ze overstrijkt verdrijft ze de zwellingen. Dat water waarin de wortel gekookt is in mond gehouden legt de tandpijn. Dat zaad gedronken is goed de jongen kinderen zo met de jicht of stuipen beladen en diegenen zo van de adder gebeten zijn. Het weerstaat ook alle andere gif.

 

 

Von Spargen. Cap. XVII.

 

(A) Namen.

Spargen werden zů Latein Asparagi geheissen. Die Apotecker bτechen disem woτt einem bůchstaben ab, unnd nennen sie Sparagos.

 

Gestalt.

Jm Meyen erstlich thůn sich von der wurtzel herfür die langen schlechten dolden, fingers dick, rund, feyþt, on alle bletter, oben auff aber geschůpt zůgespitzt, wie die hopffen dolden. Neben den selben wachsen lange stengel herauþ, die bτeyten sich auþ in vil âste, daran seind seer kleine bletter als das har, oder wie des Fenchels, welche mit der zeit gantz hart unnd stechend  werden. Dise Spargen stengel tragen auch frucht und kôτner einer erbiþ groþ, welche erstlich grien seind, darnach aber werden sie geelrot, als die coτallen, voller samens. Die wurtzeln seind geflochten, lang und rund.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Spargen wachsen gern an steynigen zâhen und leymechten oτten, werden auch in den gârten gezilet.

 

Zeit.

Die dolden, wie angezeygt, kommen im frûling herfür, die seüdt man, unnd bereyts mit essig, saltz, und ôl zů einem salat. Der sam sol im sommer gesamlet werden.

 

Die natur und complexion.

Spargen die seübern, doch geschicht solchs om das sie kelten oder wermen.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die jungen dolden gesotten und geessen, erweychen den bauch, und treiben den harn. Die wurtzel in wasser gesotten unnd getruncken ist gůt denen so nit leichtlich harnen künden, denen auch so die geelsucht haben, reyniget die nieren, und ist dienstlich denen so mit den hüfftwee beladen seind. Jn wein aber gesotten, bekompt sie wol denen so von den gifftigen thiern gebissen seind. So mans im mund, oder auff den zenen haltet, benimpts das zanwee. Der sam gesotten und jngenomen, hat aller ding gleich würckung. Die wurtzel und same, erôffnen die leber und nieren, darumb treiben sie auch den lenden stein. Bτingen den frawen jhτe blôdigkeyt, und mehτen den lust zů den weibern. [84, 85]

Van asperges. Kapittel 17. (Asparagus officinalis)

 

Namen.

Asperges worden in Latijn Asparagi geheten. De apothekers breken dit woord een letter af en noemen ze Sparagos.

 

Gestalte.

In mei eerst doen zich van der wortel voort de lange rechte spruiten, vingers dik, rond, vet, zonder alle bladeren, bovenop echter geschubd toegespitst zoals de hopspruiten. Naast dezelfde groeien lange stengels eruit die breiden zich uit in veel twijgen, daaraan zijn zeer kleine bladeren zoals dat haar of zoals de venkel welke met de tijd gans hard en stekend worden. Deze asperge stengels dragen ook vrucht en korrels een erwt groot welke eerst groen zijn, daarna echter worden ze geelrood zoals de koralen en vol zaad. De wortels zijn gevlochten, lang en rond.

 

Zijn groeiplaats.

Asperges groeien graag aan steenachtige taaie en leemachtige oorden, worden ook in de hof geteeld.

 

Tijd.

De spruiten, zoals aangetoond, komen in voorjaar voort, die ziedt men en bereidt ze met azijn, zout en olie tot een salade. Dat zaad zal in zomer verzameld worden.

 

De natuur en samengesteldheid.

Asperges die zuiveren, doch geschiedt zulks omdat ze koelen of verwarmen.

 

De kracht en werking.

De jonge spruiten gekookt en gegeten weken de buik en drijven de plas. De wortel in water gekookt en gedronken is goed diegenen zo niet licht plassen kunnen, diegenen ook zo de geelzucht hebben, reinigt die nieren en is dienstig diegene zo met de voetenpijn beladen zijn. In wijn echter gekookt, bekomt ze goed diegene zo van de giftige dieren gebeten zijn. Zo men ze in mond of op de tanden houdt beneemt ze de tandpijn. Dat zaad gekookt en ingenomen heeft alle dingen gelijk werking. De wortel en zaad openen de lever en nieren, daarom drijven ze ook de lendensteen. Brengen de vrouwen hun bloederigheid en meer de lust tot de wijven. [84, 85]

 

 

Von Hawheckel. Cap. XVIII.

 

(A) Namen.

Diþ kraut hat vilerley nammen, dann es heyst Hawheckel, darumb das es so tieff einwurtzelt, das manþ mit hauwen můþ auþreüten. Es würt auch genent Hawhechel, von wegen seiner dôτn, die sie zwischen den blettern hat, die einen hechel, so man zů dem flachþ bτaucht, gleich seind. Es nennens auch ettlich Ochsenbτech, darumb das seine würtzel ein pflůg etwan dôτffen halten, unnd die ochsen oder die pferd daran im gang verhindern. Es würt auch Stalkraut von den reüttern geheyssen, darumb das es die pferde stallen macht, so es gesotten würt, unnd den pferden jngegossen. Auff Gτiechisch unnd Lateinisch würt es Ononis oder Anonis genent. Etlich neüw kreütler nennen diþ kraut Restam bovis, und Remoτam aratri. Uτsachen aller diser namen haben wir in unserm Lateinischen kreüter bůch nach der leng angezeygt.

 

(B) Gestalt.

Hawheckel hat âst anderhalb spannen hoch, und lenger, mit vilen reiþlin, die haben vil gewerblin, und seind geflüglet, oben an dem gipffel rund. Die bletter klein, den Rauten oder klee blettern gleich, ein wenig rauch, eins gůten geruchs, an den âsten bτingt es gantz spitzig und herte dôτn. Seine blůmen seind leibfarb rot, der welschen Bonen oder Erbsen blůmen so gar ânlich, das man sie kaum von einander scheyden kan. Auþ den blůmen werden klein schotlin als der Lynsen, darinn findt man bτeyten samen, an der gestalt und geschmack gleich den Wicken. Die wurtzel ist weiþ und seer lang.

 

Statt seiner wachsung.

Diþ kraut wechst gern in den gebawten, feyþten, und leymechtigen feldern, ein verhinderung der frucht, unnd jrτung der pflûgen, darumb die bawτþleüt disem kraut seer feind seindt.

 

(C) Zeit.

Hawheckel kompt im sommer herfür, unnd ist im Herbst volkomenlich gewachsen. Blüet im Hewmonat und Augstmonat.

 

Die natur und complexion.

Die wurtzel ist vast biþ in den dτitten grad warm, und seübert.

 

Die krafft und würckung.

Die alten haben diþ gewechþ in seiner jugent ehe das es seine scharpffe dôτn bτacht hat in saltz gebeiþt, und zůr speiþ über jar behalten. Seine wurtzel warmet, macht subtil und dünn. Die rind darvon in wein gesotten und getruncken bτingt den harn, bτicht den stein, unnd heylet die ruckader. Die wurtzel in wasser unnd essig gesotten, unnd im mund behalten, lindert das zanwee. Sie vertreibt auch bald die rufen darüber gelegt oder gestrichen. [86, 87]

Van hauwhakkel. Kapittel 18. (Ononis repens subsp. spinosa)

 

Namen.

Dit kruid heeft velerlei namen, dan het heet hauwhakkel daarom dat het zo diep inwortelt zodat men met hauwen moet uitroeien. Het wordt ook genoemd hauwhekel vanwege zijn doorns die ze tussen de bladeren heeft die een hekel zo men tot het vlas gebruikt gelijk zijn. Er noemen het ook ettelijke ossenbreek, daarom dat zijn wortels een ploeg wat durven ophouden en de ossen of de paarden daaraan in gang verhinderen. Het wordt ook plaskruid van de ruiters geheten, daarom dat het de paarden plassen maakt zo het gekookt wordt en de paarden ingegoten. Op Grieks en Latijns wordt het Ononis of Anonis genoemd. Ettelijke nieuwe kruidenkenners noemen dit kruid Restam bovis en Remoram aratri. Oorzaken al deze namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek in het lang aangetoond.

 

 

Vorm.

Hauwhakkkel heeft takken vijf en twintig cm hoog en langer met vele twijgjes, die hebben veel werveltjes en zijn gevleugeld, boven aan de top rond. De bladeren klein, de ruit of klaverbladeren gelijk, een weinig ruw, een goede reuk, aan de takken brengt het gans spitse en harde doorns. Zijn bloemen zijn lijfkleurig rood, de Waalse bonen of erwten bloemen zo geheel gelijk zodat men ze nauwelijks van elkaar scheiden kan. Uit de bloemen worden klein schotjes zoals de lens, daarin vindt men brede zaden, aan de vorm en smaak gelijk de wikke. Die wortel is wit en zeer lang.

 

Zijn groeiplaats.

Dit kruid groeit graag in de gebouwde, vette en leemachtige velden, een verhindering der vrucht en hindering der ploeg, daarom de boerenlieden dit zeer vijandig zijn.

 

 

Tijd.

Hauwhakkkel komt in de zomer voort en is in herfst volkomen gegroeid. Bloeit in juli en augustus.

 

De natuur en samengesteldheid.

De wortel is vast tot in de derde graad warm en zuivert.

 

De kracht en werking.

De oude hebben dit gewas in zijn jeugd eer dat het zijn scherpe doorns brengt in zout geweekt en als spijs over jaar behouden. Zijn wortel warmt, maakt subtiel en dun. De bast daarvan in wijn gekookt en gedronken brengt de plas, breekt de steen en heelt de rugader. De wortel in water en azijn gekookt en in de mond behouden verzacht de tandpijn. Ze verdrijft snel de korsten, daarover gelegd of gestreken. [86, 87]

 

 

Von Enisz. Cap. XIX.

 

(A) Namen.

Der Eniþ oder âniþ, würdt auff Gτiechisch unnd Lateinisch Anisum geheyssen, welchen namen er biþ auff den heütigen tag in den Apotecken behalten hat.

 

Gestalt.

Eniþ ist ein kraut erstlich mit dem stengel, blatter unnd blůmen dem Eppich gantz ânlich. Dann sein stengel ist ein wenig mit holkâlen underscheyden, rund, und hat vil âst. Sein bletter aber die erstmals herfür kommen, seind rund, aber darnach werden sie zerspalten wie des Eppichs. Auff dem stengel gewindt es vil schône weisse blûmlin, und einen kolben dem Fenchel gleich. Das gantz kraut, gleicher gestalt wie der same, ist eines gůten geruchs unnd geschmacks.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Diser sam kompt erstlich auþ Syτia, ist yetzund gemeyn woτden, also das er vast in allen gârten wechst.

 

Zeit.

Blüet im Bτachmonat unnd Hewmonat, zů welcher zeit man auch seinen samen samlen mag.

 

Die natur und complexion.

Diser same ist warm und trucken im dτitten grad.

 

Die krafft und würckung.

Eniþ samen macht ein geringen, und wolschmeckenden athem. Legt schmertzen und weetagen, treibt den harn. Jst nutz jngenomen den wassersüchtigen, unnd vertreibt das auffbleen des bauchs. Er ist auch gůt zů den gifftigen thieren, auff jhτe biþ gelegt. Verstelt den stůlgang, unnd den weissen flůþ der weiber. (C) Weiter so bτingt Eniþ den weibern die milch, unnd mehτet den lust zůr unkeüscheyt. Ein rauch von Eniþ samen gemacht, und in die nasen empfangen, vertreibt das hauptwee. Diser same gestossen, unnd mit rosen ôl vermengt, unnd in die ohτen gethan, heylet jhτe verwundung. Eniþ inn ein küssen oder secklin gethan, unnd für die nasen gehenckt, und daran geschmeckt, vertreibt die bôse traum. Diser same macht lust zů essen, unnd stilt das hechsen und auffstossen des magens, bτingt den schlaaf, treibt den nieren stein, und so man denselbigen doτret ist er gůt zů der roten rhůr. Er ist auch sonderlich gůt den kindern so das vergicht haben. Unnd seind ettlich die schτeiben, so man disen samen nur in der hand halte, das er das vergicht unnd den fallenden siechtagen verhalte. Er ist auch gůt gessen, oder übergelegt den weibern, so die můter über sich steigt. Mit wein getruncken, bτingt er den schweyþ, und nimpt hinweg allerley verstopffung. Das kraut unnd der sam vertreiben die schaben vonn den kleydern. [88, 89]

Van anijs. Kapittel 19. (Pimpinella anisum)

 

Namen.

Der anijs of anijs wordt op Grieks en Latijns Anisum geheten welke naam het tot op de huidige dag in de apotheken behouden heeft.

 

 

Gestalte.

Anijs is een kruid eerst met de stengels, bladeren en bloemen de selderij gans gelijk. Dan zijn stengel is een weinig met groeven onderscheiden, rond en heeft veel takken. Zijn bladeren echter die de eerste keer voort komen zijn rond, echter daarna worden ze gespleten zoals de selderij. Op de stengel gewint het veel schone witte bloempjes en een kolf de venkel gelijk. Dat ganse kruid, gelijk gesteld zoals het zaad is een goede reuk en smaak.

 

 

Zijn groeiplaats.

Dit zaad komt eerst uit Syrië, is nu algemeen geworden alzo dat het vast in alle hoven groeit.

 

Tijd.

Bloeit in juni en juli in welke tijd men ook zijn zaden verzamelen mag.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Dit zaad is warm en droog in derde graad.

 

 

De kracht en werking.

Anijszaden maken een geringe en goed ruikende adem. Legt smarten en pijnen, drijft de plas. Is nuttig ingenomen de waterzuchtige en verdrijft dat opblazen van de buik. Het is ook goed tot de giftige dieren, op hun beet gelegd. Stopt de stoelgang en de witte vloed der wijven. Verder zo brengt anijs de wijven de melk en vermeerdert de lust tot onkuisheid. Een rook van anijszaden gemaakt en in de neus ontvangen verdrijft de hoofdpijn. Dit zaad gestoten en met rozenolie vermengt en in de oren gedaan heelt hun verwonding. Anijs in een kussen of zakje gedaan en voor de neus gehangen en daaraan geroken verdrijft de boze droom. Dit zaad maakt lust te eten en stilt dat ophalen en opstoten der maag, brengt de slaap, drijft de niersteen en zo man diezelfde dort is het goed tot de rode loop. Het is ook bijzonder goed de kinderen zo de jicht hebben. Er zijn ettelijke die schrijven zo men deze zaden maar in de hand houdt dat het de jicht en de vallende ziekte tegenhoudt. Het is ook goed gegeten of opgelegd de wijven zo de baarmoeder omhoog stijgt. Met wijn gedronken brengt het de zweet en neemt weg allerlei verstopping. Dat kruid en het zaad verdrijven de motten van de klederen. [88, 89]

 

 

 

Von Holder. Cap. XX.

 

(A) Namen.

Der Holder würt von den Gτiechen geheyssen Acte, von den Lateinischen aber Sambucus. Er ist aber Holder genent woτden darumb, das seine zweig inwendig hol, und voller marck seind.

 

Geschlecht.

Des Holders findt man zweyerley geschlecht. Eins wechst auff wie andere bâum, und würt in den Apotecken genent Sambucus, unnd auff Teütsch Holder. Das ander geschlecht würdt von den Gτiechen Chameacte geheyssen, das ist auff Teütsch sovil als kurtzer oder nidτer Holder. Lateinisch würt dise Holder Ebulus, und Teütsch Attich genent.

 

Gestalt.

Der Holder scheüþt baumsweiþ auff, mit runden, holen, starcken und weiþgrawen âsten und zweigen, dem Roτ gleich. An den âsten bτingt er dτey, vier, (B) fünff, sechs, oder siben bletter, die underscheydenlich von einander steen, den Welschen nuþ bletter nit ungleich, eins starcken geruchs, ringþumbher zerkerfft. Am gipffel der âst tregt er seine gekrônte, oder einen schatthůt gleich, weisse blûmlin, auþ welchen werden runde beer, schwartz mit purpur vermischt, gleich wie die trauben zů hauffen verfügt, safftig, unnd am geschmack schier dem wein gleich. Der Attich ist niderechtiger unnd kleiner, mehτ einem kraut dann einem baum gleich, hat einen vierecketen stengel, mit vilen gleychen unnd gewerblin, auþ welchen wachsen lange bletter den mandelbaum blettern gleich, wie flügel auþgebτeyt, ringþumb zerkerfft, eins starcken geruchs. Am gipffel der stengel bτingt er blůmen unnd beer, wie der Holder. Die wurtzel ist lang, unnd fingers dick.

 

Statt irer wachsung.

(C) Beyde der Holder und Attich wachsen gern an schattechten unnd rauhen oτten, auch neben den wassern. Doch der Attich wechst auch auff ettlichen fâldern und âckern.

 

Zeit.

Der Holder blüet im Bτachmonat, ein wenig voτ der Sonnenwend. Der Attich aber spâter, nemlich im ende des Bτachmonats, unnd im Hewmonat. Seine beer sollen im Augstmonat gesamlet werden.

 

Die natur und complexion.

Beyde Holder unnd Attich seind warme unnd trückner natur unnd complexion.

 

(D) Die krafft und würckung.

Der Holder unnd Attich haben einerley würckung, trücknen unnd treiben auþ das wasser, doch seind sie dem magen schâdlich. Die jungen dolden unnd bletter gleich wie andere kreüter gesotten, und in der speiþ genossen, treiben auþ den rotz, pituitam genent, und die gallen. Die wurtzel in wein gesotten, und in der speiþ genossen, ist den wassersüchtigen seer gůt, dann sie treibt gewaltig das wasser auþ dem leib. Dergleichen getruncken, ist nützlich denen so von den natern, viperæ geheyssen, gebissen seind. Wann man die wurtzel in wasser seüdt, und darin sitzt, so erweycht sie und erôffnet die hertten und verschwollne můter. Sôlche krafft haben auch die beer, so sie mit wein getruncken werden. Der safft von den beeren angestrichen, macht das har schwartz. Die frischen unnd [90, 91, 92] (E) zarten bletter mit gerstenmaltz vermengt, miltern die überige hitz. Sie seind auch gůt zů dem bτand, und denen so von einem wûtenden hund gebissen seind, wann mans überlegt. Sie heylen auch die tieffen und holen wunden. Mit ochsen oder bocks schmaltz vermischt und übergestrichen, lindern den schmertzen des podagrams. Jn wasser gebeiþt oder gesotten, unnd darnach das oτt mit dem selbigen wasser bespτengt, vertreiben unnd tôdten die flôhe und mucken. Der rauch vom Attich, vertreibt die schlangen und natern.

Van vlier. Kapittel 20.

 

Namen.

De holle wordt van de Grieken geheten Acte, van de Latijnen echter Sambucus. Het is echter holle genoemd geworden daarom dat zijn twijgen inwendig hol en vol merg zijn.

 

 

Geslacht.

Van de vlier vindt men twee geslachten. Een groeit op zoals andere bomen en wordt in de apotheken genoemd Sambucus en op Duits holle. (Sambucus nigra) Dat andere geslacht wordt van de Grieken Chameacte geheten, dat is op Duits zoveel als kortere of lagere holle. Latijns wordt deze vlier Ebulus en in Duits kruidvlier genoemd. (Sambucus ebulus)

 

Gestalte.

De vlier schiet boomvormig op met ronde, holle, sterke en witgrauwe takken en twijgen, het riet gelijk. Aan de takken brengt het drie, vier, vijf, zes of zeven bladeren die apart van elkaar staan, de walnoot bladeren niet ongelijk, een sterke reuk, ringsom gekerfd. Aan de top der takken draagt het zijn gekroonde of een schaduwhoed gelijk witte bloempjes waaruit worden ronde bessen, zwart met purper vermengt, gelijk zoals de druiven in hopen gevoegd, sappig en aan smaak schier de wijn gelijk. De kruidvlier is lager en kleiner, meer een kruid dan een boom gelijk, heeft een vierkantige stengel met vele leden en werveltjes waaruit groeien lange bladeren de amandelboom bladeren gelijk en als vleugels uitgespreid, ringsom gekerfd en een sterke reuk. Aan de top der stengels brengt het bloemen en bessen zoals de vlier. De wortel is lang en vingers dik.

 

 

 

Hun groeiplaats.

Beide, vlier en kruidvlier, groeien graag aan beschaduwde en ruwe oorden, ook naast de wateren. Doch de kruidvlier groeit ook op ettelijke velden en akkers.

 

Tijd.

De vlier bloeit in juni, een weinig voor de zonnewende. De kruidvlier echter later, namelijk in eind van juni en in juli. Zijn bessen zullen in augustus verzameld worden.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Beide, vlier en kruidvlier, zijn warme en droge natuur en samengesteldheid.

 

De kracht en werking.

De vlier en kruidvlier hebben een en dezelfde werking, drogen en drijven uit dat water, doch zijn ze de maag schadelijk. De jonge spruiten en bladeren gelijk zoals andere kruiden gekookt en in de spijs genoten drijven uit de rot, pituita genoemd, en de gal. De wortel in wijn gekookt en in de spijs genoten is de waterzuchtige zeer goed, dan ze drijft geweldig dat water uit het lijf. Dergelijke gedronken is nuttig diegenen zo van de adders, viperae geheten, gebeten zijn. Wanneer men de wortel in water ziedt en daarin zit dan weekt ze en opent de harde en gezwollen baarmoeder. Zulke kracht hebben ook de bessen zo ze met wijn gedronken worden. Het sap van de bessen aangestreken maakt dat haar zwart. De frisse en [90, 91, 92] zachte bladeren met gerstemout vermengt milderen de overige hitte. Ze zijn ook goed tot de brand en diegene zo van een woedende hond gebeten zijn, wanneer men ze oplegt. Ze helen ook de diepe en holle wonden. Met ossen of boksvet vermengt en overgestreken verzachten ze de smarten der podagra. In water geweekt of gekookt en daarna dat oord met datzelfde water gesprengd verdrijven en doden de vlooien en muggen. De rook van kruidvlier verdrijft de slangen en adders.

 

 

 

Von Ammey. Cap. XXI.

 

(A) Namen.

Das kraut so wir von seinem Gτiechischen und Lateinischen namen her Ammi, haben auff Teütsch genent Ammey, würt in den Apotecken Ameos geheyssen.

 

Gestalt.

Ammey hat einen runden unnd grûnen stengel, mit vil kleinen zweigen unnd schossen. Seine bletter seind lang, und ringþumbher zerkerfft, am gipffel bτingt es kleine gestirnete weisse blûmlin, welche zusamen sich einem schatthůt vergleichen, darauþ würdt ein kleines sâmlin, das ist am geschmack zum theil scharpff, unnd zum theil auch bitter. Die wurtzel ist weiþ, unnd hat vil kleine zâserlin.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Das Ammey wechst vonn jhm selbs nit im Teütschen land. Aber so mans pflantzt und sâht in gârten, kompt es gern, unnd zeühet sich alle jar selbs durch den abgefallen samen widerumb.

 

Zeit.

Blüet im Augstmonat am meysten, und bτingt darnach seinen samen, der in der artzney gebτaucht würdt.

 

Die natur und complexion.

Der sam dises krauts ist warm und trucken, volkomenlich im dτitten grad.

 

(C) Die krafft und würckung.

Der sam vertreibt die blâst unnd grimmen im leib. Treibt den harn, unnd bτingt den frawen jhτe blôdigkeyt, ist nützlich denen so von einem gifftigen thier gebissen seind, wann man denselbigen mit wein seüdt und darnach trinckt. Diser sam ist nützlich das man jhn mit den kleinen goldwürmlin, welche Cantharides genent werden, vermische, dann er wendet jhτen schaden, den sie sonst wo mans allein nimpt, mit sich bτingen. Wann man disen samen mit hônig vermischt überstreicht, so verzert er das undergerunnen blůt. Mit hartz vermengt und angezündt, oder auff ein glůt gelegt, unnd von unden auff den dampff zů sich genomen, reyniget er die můter. Man sagt auch wann die weiber, so sie mit den mannen zůschaffen haben, daran schmecken, das sie destleichter empfangen. [93, 94]

Van ammi. Kapittel 21. (Ammi majus)

 

Namen.

Dat kruid zo we vanuit zijn Griekse en Latijnse namen Ammi noemen hebben we op Duits genoemd ammi, wordt in de apotheken Ameos geheten.

 

Gestalte.

Ammi heeft een ronde en groene stengel met veel kleine twijgen en scheuten. Zijn bladeren zijn lang en ringsom gekerfd, aan de top brengt het kleine gesterde witte bloempjes welke tezamen zich een schaduwhoed vergelijken, daaruit wordt een klein zaadje, dat is aan smaak voor een deel scherp en voor een deel ook bitter. De wortel is wit en heeft veel kleine vezeltjes.

 

Zijn groeiplaats.

De ammi groeit van zichzelf niet in Duitsland. Echter zo men het plant en zaait in de hof komt het graag en teelt zich alle jaren zelf door de afgevallen zaden wederom.

 

 

Tijd.

Bloeit in augustus het meeste en brengt daarna zijn zaden die in de artsenij gebruikt worden.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Dat zaad van dit kruid is warm en droog, volkomen in derde graad.

 

De kracht en werking.

Dat zaad verdrijft de opblazingen en grommen in lijf. Drijft de plas en brengt de vrouwen hun bloederigheid, is nuttig diegenen zo van een giftig dier gebeten zijn wanneer men diezelfde met wijn ziedt en daarna drinkt. Dit zaad is nuttig dat men het met de kleine Spaanse vlieg welke Cantharides genoemd worden vermengt, dan het verandert hun schaden die ze anders wanneer men ze alleen neemt met zich brengen. Wanneer men deze zaden met honing vermengt overstrijkt dan verteert het dat onderhuids gestolde bloed. Met hars vermengt en aangestoken of op een gloed gelegd en van onder op de damp tot zich genomen reinigt het de baarmoeder. Men zegt ook wanneer de wijven zo ze met de mannen te doen hebben daaraan ruiken dat ze des te lichter ontvangen. [93, 94]

 

 

Von Aron. Cap. XXII.

 

(A) Namen.

Aron, würt sonst in Teütschen spτaach auch Pfaffenpint, unnd Teütscher Jngber genent. Jn Gτiechischer aber unnd Lateinischer zungen, würt er Arum unnd Aris geheyssen. Bey den gemeinen kreütlern nent manþ auch Pedem vituli. Virile sacerdotis, welcher aller namen uτsachen wir genůgsam haben angezeygt in unserm Lateinischen kreüterbůch, und ist hie on not dieselbigen zůerzelen.

 

Gestalt.

Aron bτingt bletter wie Schlangenkraut, doch bτeyter und lenger, und nit so seer mit flecken bespτengt. Zwüschen den selbigen schleüfft ein stengel herfür spannen lang, welcher ein wenig purpurbτaun würt, auff seinem gipffel wechst ein lang spitzig ding, einer hülsen oder getrungen frucht âhτ nit ungleich, darinnen als in einer scheyden verboτgen ligt ein kôlblin, einem môτselstôssel seer gleich. (B) Wann sich aber die gedachte scheyde auffthůt, welches im Apτilen geschicht, so kan man das kôlblin, welchs purpurbτaun ist, volkomenlich sehen. Unter dem kôlblin wechst har, und so es abfallet, so besetzt es sich underhalb des hars ringþumher mit grûnen beeren oder kôτnern, die werden mit der zeit grôsser, unnd einer trauben gleich. Jm Herbst würt gedacht treüblin rot, als die schônen Corallen. Seine wurtzel ist weiþ, erstlich lengelt, einer Oliven gleich, mit vilen harechten zaselen besetzt, darnach aber so die kôτner zeitig werden, würt sie rund, einem zwibel koppf nit ungleich.

 

Statt seiner wachsung.

Aron wechst gern in wâlden, hecken, und an schattechten, kalten und feüchten oτten.

 

Zeit.

(C) Die bletter komen und stechen im Mertzen unnd Apτilen, vast mit den aller ersten kreütern herfür. Jm Bτachmonat verwelcken die bletter, unnd bleibt allein das nacket treüblin, welchs kôτner im Hewmonat und Augstmonat grûn bleiben, aber im Herbst so werden sie bleichrot.

 

Die natur und complexion.

Galenus hat das Aron im ersten grad warm unnd trucken gesetzt. Aber das ist von unserm Aron nit zů verstan, der seer scharpff ist. Dann der selbig on zweifel biþ in dτitten grad warm und trucken ist. Und ist sôlches kein wunder nit, dann der Aron wechst in einem oτt schârpffer an der wurtzel, dann an dem andern. Demnach würdt auch sein complexion verwandelt, wie wir nach der leng in unserm Lateinischen kreüterbůch haben angezeigt.

 

(D) Die krafft und würckung.

Aron verzeret, macht subtil, und seübert. Darumb ist er gůt zů den geschwulsten, in sonderheit der ohτen. Die grûne bletter des Aron übergelegt, heilen die alten bôsen schâden, unnd fisteln. Dan erstlich seübern sie, darnach aber so heylen sie und trücknen die übτige feüchtigkeit auþ. Dergleichen thůt auch die wurtzel, dann wo sie gepulvert würt und jngestrewt, so reiniget sie alle unseüberkeit der alten wunden, unnd fürderts zur heylung. Sie vertreibt auch das faule fleisch so in den wunden wechst. Beide bletter und wurtzel auff die pestilentz blater gelegt, benemen das gifft der selbigen, und heylen sie. Die wurtzel gepulvert [95, 96] und mit rosen ôl vermengt, macht das angesicht sauber. Aron kraut mit der wurtzel in ôl gesotten, unnd warm darauff gesessen heylet die feig blattern. Wann man die auffwerffende kâþ, in die Aron bletter wickelt, so weichen hinweck die maden, und bleibt der kâþ gůt unnd wârhafftig.

Van Arum. Kapittel. 22. (Arum maculatum)

 

Namen.

Arum wordt soms in Duitse spraak ook papenpint en Duitse gember genoemd. In Griekse echter en Latijnse tong wordt het Arum en Aris geheten. Bij de gewone kruidenkenners noemt men het ook Pedem vituli. Virile sacerdotis, welke alle namen oorzaken we voldoende hebben aangetoond in ons Latijnse kruidenboek en is hier onnodig diezelfde te vertellen.

 

Gestalte.

Arum brengt bladeren zoals slangekruid, doch breder en langer en niet zo zeer met vlekken gesprengd. Tussen dezelfde sluipt een stengel voort van zeventien cm lang welke een weinig purperbruin wordt, op zijn top groeit een lang spits ding, een huls of gedrongen vruchtaar niet ongelijk en daarin zoals in een schede verborgen ligt een kolfje, een morzelstoter zeer gelijk. Wanneer zich echter die gedachte schede open doet wat in april geschiedt dan kan man dat kolfje, welke purperbruin is, volkomen zien. Onder de kolfje groeit haar en zo het afvalt dan bezet het zich onder dat haar ringsom met groene bessen of korrels, die worden met de tijd groter en een druif gelijk. In de herfst wordt gedacht druifje rood zoals de schone koralen. Zijn wortel is wit, eerst langachtig en een olijf gelijk en met vele haarachtige vezels bezet, daarna echter zo die korrels rijp worden wordt ze rond een uienkop niet ongelijk.

 

 

Zijn groeiplaats.

Arum groeit graag in wouden, hagen en aan beschaduwde, koude en vochtige oorden.

 

Tijd.

De bladeren komen en steken in maart en april, vast met de allereerste kruiden, voort. In juni verwelken de bladeren en blijft alleen dat naakte druifje welke korrels in juni en augustus groen blijven, echter in herfst zo worden ze bleekrood.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Galenus heeft de Arum in eerste graad warm en droog gezet. Echter dat is van onze Arum niet te verstaan die zeer scherp is. Dan dezelfde zonder twijfel tot in derde graad warm en droog is. En is zulks geen wonder niet, dan de Arum groeit in een oord scherper aan de wortel dan aan de andere. Daarnaar wordt ook zijn samengesteldheid veranderd zoals we in het lang in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond.

 

De kracht en werking.

Arum verteert, maakt subtiel en zuivert. Daarom is het goed tot de gezwellen en vooral der oren. De groene bladeren van Arum opgelegd helen die oude boze schaden en lopende gaten. Dan eerst zuiveren ze, daarna echter zo helen ze en drogen de overige vochtigheid uit. Dergelijke doet ook die wortel, dan wanneer ze gepoederd wordt en opgestrooid dan reinigt ze alle onzuiverheid der oude wonden en bevordert ze tot heling. Ze verdrijft ook dat vuile vlees zo in de wonden groeit. Beide bladeren en wortel op de pest blaren gelegd benemen dat gif daarvan en helen ze. De wortel gepoederd [95, 96] en met rozenolie vermengt maakt dat aangezicht zuiver. Arum kruid met de wortel in olie gekookt en warm daarop gezeten heelt de aambeien. Wanneer men de uitwerpende kaas in de Arum bladeren wikkelt dan weken ze weg de maden en blijft de kaas goed en duurzaam.

 

 

 

Von Gτosz kletten. Cap. XXIII.

 

(A) Namen.

Groþ kletten werden von den Gτiechen geheyssen Arcium, Prosopium, von den Lateinischen aber Personatia. Die Apotecker nennen sie Lappam maioτem, und Bardanam. Uτsachen sôlcher namen, haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch gnůgsam angezeygt.

 

Gestalt.

Gτoþ kletten haben bletter dem Kürbs gleich, doch grôsser, hârter, schwârtzer, und harig, auff der andern seiten gegen der erden âschenfarb. Der stengel ist rund, weiþ mit purpurrot vermischt, hat vil neben zweig, daran wachsen groþ Kletten, die seind erstlich grûn, und gewinnen vil gebogner hâcklin, darmit sie sich an die kleyder hencken. Sôlche Kletten blüen schôn liechtbτaunrot. Die wurtzel ist schlecht, lang, auþwendig schwartz, unnd jnwendig weiþ, eins bittern geschmacks.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Groþ kletten wachsen gern hinder den zeünen, an den reinen der âcker, bei den alten hôfen, und ungebawten oτten.

 

Zeit.

Gegen dem Hewmonat bτingt diþ kraut seine kletten, unnd die purpurrot blüen.

 

Die natur und complexion.

Die grossen Kletten ziehen zusamen, trücknen und verzeeren.

 

Die krafft und würckung.

Die wurtzel eins quintlins schwer mit Zirbel nüþlin zerstossen und getruncken, ist ein kôstlich artzney denen so blůt unnd eyter auþwerffen. Sie ist auch gůt gestossen unnd übergelegt, denen so grossen schmertzen der gleych haben, von wegen der zerbτechung oder zerknütschung der beyn und glider. Die grûnen bletter übergelegt, seind nützlich zů den alten schaden, dann sie heylen die selbigen. Die bletter zerstossen, und mit saltz vermischt übergelegt, seind seer gůt denen so von den natern, wůtenden hunden, und anderen gifftigen thiern gebissen seind. Deþgleichen auch die wurtzel zerstossen und übergelegt. Sie vertreibt auch die krôpff, so sie mit schmaltz vermengt würdt übergelegt. Die bletter zerstossen, unnd mit dem weissen von einem eye vermengt, unnd über gelegt, heylen den bτandt. [97, 98, 99]

Van grote klis. Kapittel 13. (Arctium lappa)

 

Namen.

Grote klis wordt van de Grieken geheten Arcium en Prosopium, van de Latijnen echter Personatia. De apothekers noemen ze Lappam maiorem en Bardanam. Oorzaken zulke namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek voldoende aangetoond.

 

Gestalte.

Grote klis heeft bladeren de kouwoerde gelijk, doch grotere, harder, zwarter en harig, op de andere zijde tegen de aarde askleurig. De stengel is rond, wit met purperrood vermengt, heeft veel zijtwijgen en daaraan groeien grote klissen, die zijn eerst groen en gewinnen veel gebogen hakkels waarmee ze zich aan de kleren hangen. Zulke klis bloeien schoon lichtbruinrood. De wortel is recht, lang en uitwendig zwart en inwendig wit, een bittere smaak.

 

 

Zijn groeiplaats.

Grote klis groeit graag achter de tuinen, aan de kanten der akkers, bij de oude hoven en ongebouwde oorden.

 

Tijd.

Tegen juli brengt dit kruid zijn klissen en die purperrood bloeien.

 

De natuur en samengesteldheid.

De grote klis trekt tezamen, droogt en verteert.

 

De kracht en werking.

De wortel een quinten zwaar met dennennootjes gestoten en gedronken is een kostbare artsenij diegenen zo bloed en etter uitwerpen. Ze is ook goed gestoten en opgelegd diegenen zo grote smarten der leden hebben vanwege breken of kneuzen der benen en leden. De groene bladeren opgelegd zijn nuttig tot de oude schaden, dan ze helen diezelfde. De bladeren gestoten en met zout vermengt opgelegd zijn zeer goed diegenen zo van de adders, woedende honden en andere giftige dieren gebeten zijn. Desgelijks ook de wortel gestoten en opgelegd. Ze verdrijft ook de krop zo ze met vet vermengd wordt opgelegd. De bladeren gestoten en met het witte van een ei vermengt en overgelegd helen de brand. [97, 98, 99]

 

 

Von Harthaw. Cap. XXIIII.

 

(A) Namen.

Harthaw würt in Gτiechischer und Lateinischer spτaach genent Ascyron, hat in den Apotecken keinen bτauch.

 

Gestalt.

Harthaw ist dem Sant Johanþkraut nit ungleich, doch grôsser an den âsten, und blettern, die stengel seind purpur oder bτaunrot geferbt, die blůmen geel, der same ist gleich dem Sant Johanþkraut, am geruch aber wie der hartz, und so man jhn mit den fingern zerreibt, gibt er von sich einen bτaunenroten safft.

 

Statt seiner wachsung.

Harthaw wechst gern an rauhen ungebawten oτten.

 

Zeit.

Harthaw blüet im Hewmonat und Augstmonat.

 

(B) Die natur und complexion.

Diþ kraut ist subtiler substantz, wermet und trücknet.

 

Die krafft und würckung.

Harthaw samen zweyer quintlin schwer in honig wasser gesotten und getruncken, stillet den weetagen der hüfften, und treibt auþ die cholerische überflüssigkeit. Man můþ aber sôlchs offt und so lang thůn, biþ die krancken genesen. Harthaw leschet und heylet den bτandt zerstossen, unnd darüber geschlagen. Die bletter in wein gesotten, und mit dem selbigen die wunden gewâschen heylen krefftiglich.

Van harshooi. Kapittel 24. (Hypericum ascyron)

 

Namen.

Harshooi wordt in Griekse en Latijnse spraak genoemd Ascyron, heeft in de apotheken geen gebruik.

 

Gestalte.

Harshooi is het St. Johanneskruid niet ongelijk, doch groter aan de takken en bladeren, de stengels zijn purper of bruinrood geverfd, de bloemen geel, het zaad is gelijk St. Johanneskruid, aan reuk echter zoals de hars en zo man het met de vingers wrijft geeft het van zich een bruinrood sap.

 

 

Zijn groeiplaats.

Harshooi groeit graag aan ruwe ongebouwde oorden.

 

 

Tijd.

Harshooi bloeit in juli en augustus.

 

De natuur en samengesteldheid.

Dit kruid is subtiele substantie, warmt en droogt.

 

De kracht en werking.

Harshooi zaden twee quinten zwaar in honingwater gekookt en gedronken stilt de pijnen der voeten en drijft uit die galachtige overvloedigheid. Men moet echter zulks vaak en zolang doen tot de zwakke genezen. Harshooi lest en heelt de brand gestoten en daarover geslagen. De bladeren in wijn gekookt en met dezelfde de wonden gewassen helen krachtig.

 

 

Von Kunrath. Cap. XXV.

 

(A) Namen.

Kunrath würt von den Gτiechen unnd Lateinischen genent Andτosemon der uτsachen halben, das die bletter oder blůmen so sie mit den fingern zerriben werden, einen bτaunroten safft, dem blůt gleich, von sich geben. Würt in den Apotecken nit gebτaucht.

 

Gestalt.

Kunrath ist ein staud mit kleinen unnd zarten âsten unnd zweigen, welche bτaunrot geferbet seind, die bletter seind dτey oder viermal grôsser dann der Rautten, welche so sie zerriben werden, geben sie von sich einen safft dem blůt gleich. Sie seind auch auþgebτeytet in der hôhe wie zwen flûgel. Bτingt geele (B) blůmen wie Sant Johanþkraut, der samen in dem hûlþlin oder schifflin ist dem schwartzen Magsamen gleich, unnd hat vil tipfflin, am geschmack dem hartz nit ungleich.

 

Statt seiner wachsung.

Diþ kraut wechst gern an rauhen ungebawten oτten, wie das Harthaw.

 

Zeit.

Blüet auch im Hewmonat unnd Augstmonat. [100, 101]

 

(C) Die natur und complexion.

Wermet unnd trücknet aller gestalt wie das Harthaw.

 

Die krafft und würckung.

Kunrath hat einerley würckung mit dem Harthaw. Doch stellet es auch das blůt, und ist seer gůt denen so das podagra haben, wann mans überlegt.

Van Koenraad. Kapittel 25. (Hypericum androsaemum)

 

Namen.

Koenraad wordt van de Grieken en Latijnen genoemd Androsemon, vanwege de oorzaak dat de bladeren of bloemen zo ze met de vingers gewreven worden een bruinrood sap, het bloed gelijk, van zich geven. Wordt in de apotheken niet gebruikt.

 

Gestalte.

Koenraad is een heester met kleine en zachte takken en twijgen, welke bruinrood geverfd zijn, de bladeren zijn drie of viermaal groter dan de ruit welke zo ze gewreven worden geven ze van zich een sap het bloed gelijk. Ze zijn ook uitgespreid in der hoogte zoals twee vleugels. Brengt gele bloemen zoals St. Johanneskruid, de zaden in de hulsjes of scheepjes is het zwarte papaverzaad gelijk en heeft veel topjes, aan smaak de hars niet ongelijk.

 

Zijn groeiplaats.

Dit kruid groeit graag aan ruwe ongebouwde oorden zoals dat harshooi.

 

Tijd.

Bloeit ook in juni en augustus. [100, 101]

 

De natuur en samengesteldheid.

Warmt en droogt aller vorm zoals dat harshooi.

 

De kracht en werking.

Koenraad heeft een en dezelfde werking met de harshooi. Doch stopt het ook dat bloed en is zeer goed diegene zo dat podagra hebben wanneer men het oplegt.

 

 

Von Weckholder. Cap. XXVI.

 

(A) Namen.

Weckholder welchen ettlich Kramatstauden heyssen, würt von den Gτiechen Arceuthos, von den Lateinischen aber Juniperus genent. Seine frücht nennet man Kramatbeer, darumb das die Kramatvôgel dise beer gern essen.

 

Geschlecht.

Des Weckholders seind zweyerley geschlecht, groþ unnd klein. Der groþ scheüþt auff baums weiþ, sein stamme ist hoch, die âste bτeyt, unnd die beer vil grôsser dann an dem kleinern. Der klein ist nidertrechtig, sein âst ligen auff der erden, und hat kleinere beer.

 

Gestalt.

Beyde Weckholder seind allzeit grûn, und haben schmale spitzige stechende scharpffe bletter. Sein stamme hat ein dünne rinden, die sich leichtlich zerreiþt, das holtz ist leberfarb. Zů sommer zeiten so rinnet auþ dem holtz ein hartz oder (B) gummi dem weyτauch gleich, welcher in den Apotecken Vernix genent würt. Sie bτingen auch mit sich beer, die seind erstlich grûn, darnach wann sie zeitigen, so werdens schwartz, bedôτffen zweyer jar biþ sie zeitig werden.

 

Statt irer wachsung.

Weckholder wachsen gern umb das meer, unnd auff den dürτen bergen. Seind ein feldgewechþ, das sich nit in der eben noch an den gebawten oτten pflantzen laþt.

 

Zeit.

Weckholder beer sol man im Herbst samlen, doch nit ehτ biþ sie zweyer jar alt seind.

 

(C)  Die natur und complexion.

Der Weckholder ist warm unnd trucken im dτitten grad. Aber seine beer seind warm im dτitten grad, unnd trucken im ersten. Sein gummi ist im andern grad warm und trucken.

 

Die krafft und würckung.

Beide geschlecht der weckholder seind scharpff und råþ, treiben den harn. Der rauch davon, veriagt die schlangen, und den vergifften lufft. Derhalben wo die pestilentz regiert, sol man stâtz von weckholdeer holtz rauch machen in allen gemachen darinnen man wonet. Die beer seind dem magen gůt, dann sie krefftigen unnd stercken den selbigen. Sie vertreiben den hůsten, das bauchblehen, unnd allerley gifft. Weckholder beer reinigen unnd erôffnen die leber, und die nieren, dan sie zerteilen und machen dünn die grobe und zâhe feüchtigkeyt. [102, 103] (D) Treiben zimlich den harn. Sie seind auch gůt den weibern, denen die můter übersich steigt, so mans zerstoþt unnd trinckt. Die rinden von dem Weckholder holtz zů âschen gebτent, und mit wasser angestrichen, vertreibt die rauden. Weckholder hartz oder gummi mit dem weissen eines eyes an den schlaaff und stirn gestrichen, verstelt das blůten der nasen. So man das gummi mit weyrauch und eyerklar vermengt auff den magen legt, so stellet es das würgen und speyen. Dergleichen stellet es auch den bauchfluþ. Zů pulver gestossen, unnd in einem lindgesotnem eye jngenomen, verstellet es auch das würgen, und die roten rhůr. Der rauch von disem gummi stellet die schnupffen. Es tôdt die würm im leib, heylet unnd trücknet auþ die unreinen fisteln, stellet der weiber kranckheyt. So einem die hând oder fûþ zerschτunden seind, sol er sie mit disem gummi bestreichen, so heylen sie wider. Weckholder ôl ist seer gůt denen so den krampff haben, und das hüfftwee, dienet auch wol zů allerley kranckheyten, so von kalten flüssen entsteen.

Van jeneverbes. Kapittel 26. (Juniperus communis)

 

Namen.

Jeneverbes, welke ettelijke kramsheester heten wordt van de Grieken Arceuthos, van de Latijnen echter Juniperus genoemd. Zijn vrucht noemt men kramsbes, daarom dat de kramsvogels deze bessen graag eten.

 

Geslacht.

Van de jeneverbes zijn twee geslachten, groot en klein. De grote schiet op boomvormig, zijn stam is hoog, de takken breed en de bessen veel groter dan aan de kleine. De klein is lager, zijn takken liggen op de aarde en heeft kleinere bessen.

 

Gestalte.

Beide jeneverbessen zijn altijd groen en hebben smalle spitse stekende scherpe bladeren. Zijn stam heeft een dunne bast die zich licht stuk wrijft, dat hout is leverkleurig. In zomerse tijden zo rent uit het hout een hars of gom de wierook gelijk welke in de apotheken vernis genoemd wordt. Ze brengen ook met zich bessen, die zijn eerst groen en daarna wanneer ze rijpen dan worden ze zwart, behoeven twee jaar tot ze rijp worden.

 

 

Hun groeiplaats.

Jeneverbes groeit graag om dat zee en op de dorre bergen. Zijn een veldgewas dat zich niet in de vlakte, noch aan de gebouwde oorden planten laat.

 

Tijd.

Jeneverbes bessen zal man in herfst verzamelen, doch niet eer dat ze twee jaar oud zijn.

 

De natuur en samengesteldheid.

De jeneverbes is warm en droog in derde graad. Echter zijn bessen zijn warm in derde graad en droog in eerste. Zijn gom is in andere graad warm en droog.

 

De kracht en werking.

Beide geslachten der jeneverbessen zijn scherp en zuur, drijven de plas. De rook daarvan verjaagt de slangen en de vergiftige lucht. Derhalve waar de pest regeert zal man steeds van jeneverbes hout rook maken in alle kamers daarin men woont. De bessen zijn de maag goed, dan ze krachtigen en sterken dezelfde. Ze verdrijven de hoest, dat buik opblazen en allerlei gif. Jeneverbes bessen reinigen en openen de lever en de nieren, dan ze verdelen en maken dun die grove en taaie vochtigheid. [102, 103] Drijven tamelijk de plas. Ze zijn ook goed de wijven diegenen die de baarmoeder omhoog stijgt zo men ze stoot en drinkt. De bast van de jeneverbes hout tot as gebrand en met water aangestreken verdrijft de ruigtes. Jeneverbes hars of gom met het witte van een ei aan de slaap en voorhoofd gestreken stopt dat bloeden der neus. Zo men die gom met wierook en het heldere van een ei vermengt op de maag legt dan stopt het dat wurgen en spuwen. Dergelijke stopt ook de buikvloed. Tot poeder gestoten en in een zacht gekookt ei ingenomen stopt het ook dat wurgen en de rode loop. De rook van deze gom stopt dat snuffen. Het doodt de wormen in lijf, heelt en droogt uit de onreine lopende gaten, stopt de wijven ziekte. Zo een de hand of voet met kloven zijn zal hij ze met deze gom bestrijken dan helen ze weer. Jeneverbesolie is zeer goed diegene zo de kramp hebben en de voetenpijn, dient ook goed tot allerlei krenkingen zo van koude vloeden ontstaan.

 

 

 

Von Sigmarszwurtz. Cap. XXVII.

 

(A) Namen.

Sigmarþwurtz, oder Simons wurtzel, oder Hochleüchten, würt von den Gτeichen und Lateinischen Alcea genent.

 

Gestalt.

Sigmarþwurtz hat bletter zerkerfft unnd tief zerschnitten, wie das Eisenkraut, dτey oder vier stengel, rund, und elen hoch, welcher schôle dem Hanff gleich ist. Sein blůmen seind wie die rôþlin, rot, leibfarb, und so sie abfallen, so kompt hernach der sam, welcher ist wie kâþlin rund zusamen getrungen, wie an den Pappeln. Die würtzel seind weiþ, unnd eines elenbogen lang.

 

Statt seiner wachsung.

Diþ kraut findt man auff ungebawten feyþten feldern.

 

Zeit.

Blüet im Hewmonat fürnemlich, und im Augstmonat.

 

Die natur und complexion.

Sigmarþwurtz trücknet, doch on sondere werme, oder kelte, wie wir in unserm Lateinischen kreüterbůch nach der leng haben angezeygt.

 

Die krafft und würckung.

Sigmarþwurtzel, mit kraut und wurtzel in wein oder wasser gesotten, und getruncken, stellet die roten rhůr, heylet die innerliche bτüch. Die wurtzel sol auch ein sondτe eygenschafft haben zů den duncklen augen, also das etlich seind die vermeinen, so gedachte wurtzel an hals gehenckt werd, und getragen, das sie das gesicht stercke, und die augen klar und lauter mache. [104, 105, 106]

Van Sigmaartskruid. Kapittel 27. (Malva alcea)

 

Namen.

Sigmaartskruid of Simons wortel of zeer lichtend wordt van de Grieken en Latijnen Alcea genoemd.

 

Gestalte.

Sigmaartskruid heeft bladeren gekerfd en diep ingesneden zoals dat ijzerkruid, drie of vier stengels, rond en ellenboog hoog welke zeer de hennep gelijk is. Zijn bloemen zijn zoals de roosjes, rood of lijfkleurig en zo ze afvallen dan komt erna het zaad welke is zoals kaasje rond tezamen gedrongen zoals aan het kaasjeskruid. De wortels zijn wit en een elleboog lang.

 

Zijn groeiplaats.

Dit kruid vindt men op ongebouwde vette velden.

 

 

Tijd.

Bloeit in juli voornamelijk en in augustus.

 

De natuur en samengesteldheid.

Sigmaartskruid droogt, toch zonder bijzondere warmte of koelte zoals we in ons Latijnse kruidenboek in het lang hebben aangetoond.

 

 

De kracht en werking.

Sigmaartskruid met kruid en wortel in wijn of water gekookt en gedronken stopt de rode loop en heelt die innerlijke breuk. De wortel zal ook een bijzondere eigenschap hebben tot de donkere ogen alzo dat er ettelijke zijn die menen zo gedachte wortel aan hals gehangen wordt en gedragen dat ze dat gezicht sterkt en de ogen helder en zuiver maakt. [104, 105, 106]

 

 

Von Frawenhar. Cap. XXVIII.

 

(A) Namen.

Frawenhar, oder Junckfrawenhar, würdt von den Gτiechen unnd Lateinischen Adiantum genent, in den Apotecken Capillus veneris. Uτsachen aber aller diser namen, haben wir nach der leng in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt. Frawenhar ist es aber darumb genent, das es dick unnd schône har macht, so manþ in der laug bτaucht.

 

Gestalt.

Frawenhar hat bletter dem Coτiander gleich, so er noch jung ist, und nit in die stengel gestigen, weiþlecht, geringþ umbher zerkerfft. Seine stengel seind (B) zart, und bτaunschwartz glitzend. Bτingt weder blůmen noch samen.

 

Statt seiner wachsung.

Wechst gern an schattechten und feüchten oτten, bey den mauren und bτunnen. Doch sovil und mir bewüþt, so wechst diþ kraut nit in Teütsch land, sonder in frembden oτten, als Jtalia und Franckreich.

 

Zeit.

Jm sommer ist es grûn, doch verwelckt es nit gar zů winters zeit.

 

Die natur und complexion.

Frawenhar ist gantz temperiert sovil unnd die werme unnd kelte betrifft, trücknet aber zimlich.

 

(C) Die krafft und würckung.

Diþ kraut gesotten, unnd getruncken ist nützlich denen so einen schwâren athem haben, unnd keichen, den miltzsüchtigen, unnd denen so die geelsucht haben, treibt den harn, zermalt den stein, und stillet den bauchfluþ. Jst gůt denen so von einem gifftigen thier gebissen seind mit wein jngenomen. Es bτingt den frawen jhτe blôdigkeit, unnd treibt auþ das bürdlin. Stellet das blůt speyen. Das kraut rauch übergelegt, ist gůt denen so von einem gifftigen thier gebissen seind. Macht das har widerumb wachssen. Vertreibt und verzeret die krôpff. So manþ in die laug legt, vertreibt es die schûpen auff dem kopff. Es treibt auch auþ den zâhen schleim der sich umb die bτust und lungen gelegt hat.

Van vrouwenhaar. Kapittel 28. (Adiantum capillus-veneris)

 

Namen.

Vrouwenhaar of jonkvrouwenhaar wordt van de Grieken en Latijnen Adiantum genoemd, in de apotheken Capillus veneris. Oorzaken echter al deze namen hebben we in het lang in ons Latijnse kruidenboek aangetoond. Vrouwenhaar is het echter daarom genoemd omdat het dik en schoon haar maakt zo men het in de loog gebruikt.

 

Gestalte.

Vrouwenhaar heeft bladeren de koriander gelijk zo het noch jong is en niet in de stengels gestegen, witachtig, ringsom gekerfd. Zijn stengels zijn zacht en bruinzwart glinsterend. Brengt nog bloemen nog zaden.

 

Zijn groeiplaats.

Groeit graag aan beschaduwde en vochtige oorden, bij de muren en bronnen. Doch zoveel en me bewust zo groeit dit kruid niet in Duitsland, maar in vreemde oorden zoals Italië en Frankrijk.

 

Tijd.

In zomer is het groen, toch verwelkt het niet geheel in winters tijd.

 

De natuur en samengesteldheid.

Vrouwenhaar is gans getemperd zoveel de warmte en koudheid betreft, droogt echter matig.

 

De kracht en werking.

Dit kruid gekookt en gedronken is nuttig diegenen zo een zware adem hebben en kuchen, de miltzuchtige en diegenen zo de geelzucht hebben, drijft de plas, vermaalt de steen en stilt de buikvloed. Is goed diegene zo van een giftig dier gebeten zijn, met wijn ingenomen. Het brengt de vrouwen hun bloederigheid en drijft uit de nageboorte. Stopt dat bloed spuwen. Dat kruid ruw opgelegd is goed diegenen zo van een giftige dier gebeten zijn. Maakt dat haar wederom groeien. Verdrijft en verteert de krop. Zo men het in de loog legt verdrijft het de schubben op de kop. Het drijft ook uit de taaie slijm die zich om de borst en longen gelegd heeft.

 

 

 

Von Weinreben. Cap XXIX.

 

(A) Namen.

Weinreb würt von den Gτiechen geheyssen Ampelos œnophoros, von den Lateinischen Vitis vinifera.

 

Geschlecht.

On zal findt man Weinreben geschlecht, an welchen auch mancherley art wein wechst, hie on not zůerzelen.

 

Gestalt.

Weinreb hat einen stammen der teilet sich in vil âst, seine rinde ist allenthalb zerschτunden, er henckt sich mit seinen langen fâden oder gâblin an die pfâl, an den ruten bτingt er bletter die seind bτeit, an oτten zerkerfft und zerschnitten. Die blůst, die etwas wollâchtig ist, gat zůringþ herumb die frucht. Die trauben seind auþ vilen beeren zusamen geheüffet, welchen zů zeiten bτaun yetzund aber [107] (B) rotlecht, zů zeiten, und das mehτer teyl, grûn seind. Ein yetliche beer, hat jnwendig seine kôτner und samen.

 

Statt irer wachsung.

Die Weinreben wachsen an vilen oτten unsers Teütschen lands hauffenweiþ, als in Francken, Wirtenberger land, am Reinstrom, und Elzas. Deþgleichen auch in andern landen mehτ.

 

Zeit.

Der Weinreben blůst erzeygt sich am meysten umb die Sonnenwend, und fürnemlich umb S. Medardi tag. Aber im Herbst so bτingen sie zeitig trauben.

 

Die natur und complexion.

Die natur aller ding so an den Weinreben seind, kan man auþ jhτer würckung erkennen, die wir hernach erzelen wôllen. Die trauben dieweil sie noch hart und unzeitig seind, kûlen und trücknen. Nach dem aber sie nun zeitig woτden, seind sie warm und feücht im ersten grad.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die Rebbletter unnd zincken zerstossen, unnd übergelegt, lindern den weetagen des haubts. Mit gersten maltz vermengt, miltern sie die entzündung und die überige hitz des magens. Sôlche würckung haben auch die bletter allein unnd für sich selbst übergelegt. Der safft von den blettern jngenomen ist gůt denen so die roten rhůr haben, blůt auspürtzen, unnd einen schwachen magen haben. Auch den weibern die seltzam ding zů essen gelüstet. So man die rebfâden odern zincken in wasser einweycht unnd darvon trinckt, haben sie gleiche krafft und würckung. Das wasser so auþ den Reben tropfft, mit wein jngenomen treibt den stein. So mans anstreicht, heylet es geflecht, rauden, unnd allerley grind, doch sol man den oτt voτhin mit Salpeter reiben. Gedacht wasser ist auch gůt den augen, dann es die gesicht seer scherpfft. Der safft so auþ den Rebenzweigen wan sie angezündet werden, gat, vertreibt das har, unnd macht glatt. Die âsch von dem abgeschnitnen Rebholtz, unnd trâstern, mit essig angestrichen heylet die blatter unnd runtzel am hindern. Sie ist auch gůt mit rosen (D) ôl, rautten, unnd essig vermengt, den verruckten glidern. Die trauben weil sie frisch seind gessen, bleet den magen, und macht den bauchfluþ. So manþ aber auffhenckt unnd ein wenig dürτ laþt werden, seind sie dem magen dienstlich, bτingen lust zů essen, krefftigen die swachen. Die trâster gesotten unnd getruncken seind gůt denen so die roten rhůr, unnd den bauchfluþ haben. Sie stellen auch der weiber blôdigkeit. Weinbeer kôτner ziehen zusamen, und seind dem magen angenem. So sie gedoτret und zerstossen werden und übergelegt, seind sie gůt denen so die roten rhůr, unnd kein speis behalten. Die kleine weinbeerlin seind dienstlich dem hůsten, nieren und blasen. So manþ im mund hat unnd keüwet, ziehen sie die zâhen kalten feüchtigkeyten an sich, unnd reynigen das haubt. [108, 109]

Van wijngaard. Kapittel 29. (Vitis vinifera)

 

Namen.

Wijngaard wordt van de Grieken geheten Ampelos oenophoros, van de Latijnen Vitis vinifera.

 

Geslacht.

Zonder getal vindt men druivenstok geslachten waarvan ook vele soorten wijn groeit, hier onnodig te vertellen.

 

Gestalte.

Druivenstok heeft een stam die deelt zich in veel takken, zijn bast is overal gespleten, het hangt zich met zijn langen vezels of gaffels aan de palen, aan de roeden brengt het bladeren die zijn breed, aan oorden gekerfd en ingesneden. De bloei die wat wolachtig is gaat ringsom de vrucht. De druiven zijn uit vele bessen tezamen gehoopt, welke soms bruin, dan echter [107] roodachtig, soms en dat meeste deel groen zijn. Elke bes heeft inwendig zijn korrels en zaden.

 

 

Hun groeiplaats.

De druivenstok groeit aan vele oorden van ons Duitse land in hopen zoals in Franken, Wurtenburger land, aan Rijnstroom en Elzas. Desgelijks ook in andere landen meer.

 

Tijd.

De druivenstok bloei vertoont zich het meeste om de zonnewende en voornamelijk om St. Medardus dag. Echter in herfst zo brengen ze rijpe druiven.

 

De natuur en samengesteldheid.

De natuur aller dingen zo aan de druivenstok zijn kan men uit hun werking herkennen die we erna vertellen willen. De druiven terwijl ze noch hard en onrijp zijn verkoelen en drogen. Nadat echter ze nu rijp worden zijn ze warm en vochtig in eerste graad.

 

 

De kracht en werking.

De klimbladeren en scheuten gestoten en opgelegd verzachten de pijnen der hoofd. Met gerstemout vermengt milderen ze de ontsteking en de overige hitte der maag. Zulke werking hebben ook de bladeren alleen en op zich zelf opgelegd. Het sap van de bladeren ingenomen is goed diegene zo de rode loop hebben, bloed uitspuwen en een zwakke maag hebben. Ook de wijven die zeldzame dingen te eten lusten. Zo man de klimvezels of scheuten in water weekt en daarvan drinkt hebben ze gelijke kracht en werking. Dat water zo uit de druivenranken druppelt met wijn ingenomen drijft de steen. Zo men ze aanstrijkt heelt het chronische huiduitslag, ruigtes en allerlei schurft, doch zal men dat oord daarvoor met salpeter wrijven. Gedacht water is ook goed de ogen, dan het dat gezicht zeer scherpt. Het sap zo uit de druiventwijgen wanneer ze aangestoken worden gaat verdrijft dat haar en maakt glad. De as van de afgesneden druivenhout en klimranken met azijn aangestreken heelt de blaren en rimpels aan achterste. Ze is ook goed met rozenolie, ruit en azijn vermengt de verrekte leden. De druiven terwijl ze fris zijn gegeten blaast de maag op en maakt buikvloed. Zo men ze echter ophangt en een weinig dor laat worden zijn ze de maag dienstig, brengen lust te eten en bekrachtigen de zwakke. De klimranken gekookt en gedronken zijn goed diegenen zo de rode loop en de buikvloed hebben. Ze stelpen ook de wijven bloederigheid. Druivenkorrels trekken tezamen en zijn de maag aangenaam. Zo ze gedroogd en gestoten worden en opgelegd zijn ze goed diegene zo de rode loop en geen spijs behouden. De kleine druivenbessen zijn dienstig de hoest, nieren en blaas. Zo men ze in mond heeft en kauwt trekken ze de taaie koude vochtigheden aan zich en reinigen dat hoofd. [108, 109]


 

 

Von Wolffswurtz. Cap XXX.

 

(A) Namen.

Wolffswurtz würt von den Gτiechen und Lateinischen Aconitum genent. Die uτsachen aber diþ namens haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Geschlecht.

Dises krauts seind zweyerley geschlecht. Das erst heyst auff Gτiechisch Pardalianches, vonn den gemeynen kreütlern aber zů Latein Uva versa, oder Vulpina, oder Lupina genent. Auff Teütsch Wolffsbeer, und Dolwurtz. Das ander geschlecht würdt von den Gτiechen genent Lycoctonum, darumb das es die wôlff tôdt. Daher würt es auch auff Teütsch Wolffswurtz geheyssen. Des andern geschlechts seind auch, wie Dioscoτides anzeygt, dτeyerley geschlecht, einander seer gleich. Under welche gehôτen auch, die man zů Teütsch Eisenhûtlin nennet.

 

(B) Gestalt.

Wolffsbeer hat dτey oder vier bletter dem Schweinbτot, oder wilder Cucumern nit ungleich, doch kleiner, die seind wie ein stern von einander gesetzt, mitten auþ den selbigen wechst ein schôns gestirnts blûmlin mit dτeyerley farben zerteylet, erstlich mit vier schwartz grûnen blettlin, darnach acht kleiner geeler strâmlin oder hârlin, und in der mitte des blûmlins sicht man ein gantz purpurbτauns viereckets knôpfflin, wie ein âuglin anzusehen, darauþ würt ein schon bτaun beer, eins wilden, doch sûssen geschmacks. Sein stengel ist rund, on alle knôpff, spannen hoch. Die wurtzel ist lang, vergleicht sich einem Scoτpionschwantz, ist glat, und glitzend. Die Wolffswurtz aber hat bletter wie der Wunderbaum zerschnitten, ein yedes blatt mit fünff underscheyden als der Sanickel, unnd farben schwartz grûn. Die stengel seind einer oder zweyer elen hoch, die tragen bleichgeele spitzige hûtlin, darauþ werden klein schotten, in welchen (C) ist schwartzer ecketer samen. Die würtzel seind schwartz mit vilen zaseln, als die Chτistwurtz.

 

Statt irer wachsung.

Wolffsbeer wechst gern in schattechten und dicken wâlden, deþgleichen an ettlichen bûheln, bey den hecken. Wolffswurt aber würt in den wilden tieffen tâlern, unnd wâlden gefunden.

 

Zeit.

Wolffsbeer gewindt seine blůmen im end des Apτilen, und im anfang des Meyen. Wolffswurtz aber blüet im Meyen, Bτachmonat unnd Hewmonat, nach gelegenheyt des jars.

 

(D) Die natur und complexion.

Dise kreüter seind einer bτennenden natur, fressen umb sich, sollen in den leib nit genomen werden, wie ettlich vermeynen.

 

Die krafft und würckung.

Wolffsbeer tôdtet die wôlff, gleich als die Wolffswurtz, so manþ in das rowhe fleysch steckt, und jnen zů essen fürwürfft. Sie tôdten auch andere thier so sie von jhnen gessen werden. Unnd wie wol Dioscoτides schτeibt, man môge die Wolffsbeer zů den weetagen der augen von auþwendig bτauchen unnd überlegen, doch ists besser, man gehe sôlche gifftigen kreüter mûssig, es erfoτdere [110, 111, 112] (E) sie dann ein grossen not zů bτauchen. Jhτ gebτauch aber mag sein zů tôdtung der leüþ unnd nissen, so man das kraut, samen, oder wurtzel grûn zerstosset, oder gedoτt zů pulver macht, und mit ôl vermengt, unnd ein salben darauþ macht. Die wurtzel inn wasser oder laug gesotten, unnd das har mit gewâschen, hat gleiche würckung. Es soll sich aber ein yetlicher mit vleiþ hûten, das er dise kreüter nit jnnerlich bτauch, und in den leib neme, dan sie tôdtlich seind, in sonderheyt die Wolffswurtz.

Van wolfskruid. Kapittel 30.

 

Namen.

Wolfkruid wordt van de Grieken en Latijnen Aconitum genoemd. De oorzaken echter van deze naam hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Geslacht.

Dit kruid is er in twee geslachten. Dat eerste heet op Grieks Pardalianches, van de gewone kruidenkenners echter in Latijn Uva versa of Vulpina of Lupina genoemd. Op Duits wolfsbes en dolkruid. (Paris quadrifolia) Dat andere geslacht wordt van de Grieken genoemd Lycoctonum, daarom dat het de wolf doodt. Vandaar wordt het ook in Duits wolfkruid geheten. (Aconitum lycoctonum) Van dat andere geslacht zijn ook, zoals Dioscorides aantoont drie geslachten en elkaar zeer gelijk. Onder welke behoren ook die men in Duits ijzeren hoedje noemt. (Aconitum anthora, Aconitum napellus)

 

 

Vorm.

Wolfsbes heeft drie of vier bladeren het zwijnbrood of wilde komkommer niet ongelijk, doch kleiner, die zijn zoals een ster van elkaar gezet, midden uit dezelfde groeit een schoon gesternd bloempje met drie verven verdeelt, eerst met vier zwartgroene blaadjes, daarna acht kleine gele strepen of haartjes en in het midden van het bloempje ziet men een gans purperbruin vierkantig knopje als een oogje aan te zien, daaruit wordt een schone bruine bes, een wilden, doch zoete smaak. Zijn stengel is rond zonder alle knoppen en zeventien cm hoog. De wortel is lang, vergelijkt zich een schorpioenstaart, is glad en glinsterend. Dat wolfkruid echter heeft bladeren zoals de wonderboom ingesneden, elk blad met vijf onderscheiden zoals de sanikel en van verf zwartgroen. De stengels zijn een of twee ellebogen hoog die dragen bleekgele spitse hoedjes, daaruit worden klein schotten waarin is zwart kantig zaad. De wortels zijn zwart met vele vezels zoals het kerstkruid.

 

 

Hun groeiplaats.

Wolfsbes groeit graag in beschaduwde en dikke wouden, desgelijks aan ettelijke heuvels en bij de hagen. Wolfskruid echter wordt in de wilde diepen dalen en wouden gevonden.

 

 

Tijd.

Wolfsbes gewint zijn bloemen in eind van april en in aanvang van de mei. Wolfkruid echter bloeit in mei, juni en juli, naar gelegenheid van het jaar.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Deze kruiden zijn een brandende natuur, vreten om zich, zullen in het lijf niet genomen worden zoals ettelijke menen.

 

De kracht en werking.

Wolfsbes doodt de wolf, gelijk zoals het wolfkruid zo men in dat rauwe vlees steekt en hen te eten voorwerpt. Ze doden ook andere dieren zo ze van hun gegeten worden. En hoewel Dioscorides schrijft men mag de wolfsbes tot de pijnen der ogen uitwendig gebruiken en opleggen, doch is het beter men gaat zulke giftige kruiden moeizaam, het is dan nodig [110, 111, 112] ze in een grote nood te gebruiken. Hun gebruik echter mag zijn te doden de luis en neten zo men dat kruid, zaden of wortel groen stoot of gedroogd tot poeder maakt en met olie vermengt en een zalf daaruit maakt. De wortel in water of loog gekookt en dat haar mee gewassen heeft gelijke werking. Er zal zich echter iedereen met vlijt hoeden dat hij deze kruiden niet innerlijk gebruikt en in het lijf neemt, dan ze dodelijk zijn en vooral dat wolfkruid.

 

 

 

Von Holwurtz. Cap. XXXI.

 

(A) Namen.

Holwurtz würdt auch Osterlucey genent, welchen namen sie hat von dem Gτiechischen und Lateinischen wôτtlin Aristolochia, dann also würdt sie in beyden spτaachen geheyssen, auþ was uτsachen aber, haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Geschlecht.

Der Osterlucey seind dτeierley geschlecht, wie das Dioscoτides unnd andere mehτ klârlich anzeygen. Das erst rund Holwurtz genent, das weiblin, mit dem Ephew blettern, ist nit unser runde Holwurtz die bletter hat der Rautten nicht ungleich, wie wir sôlches nach der leng inn unserm Lateinischen kreüterbůch haben bewert. Sôlche Holwurtz, acht ich, wachst nit in unsern landen. Aber der so bey uns würdt gefunden, seind auch zweyerley geschlecht, dann ettlich (B) haben gantz rund, und nit hol würtzel, die andern aber seind alzeit jnwendig hol, unnd auþgeholdert, sonst seind sie an den blettern unnd blůmen einander gar gleich, wie wir hernach wôllen weiter anzeygen. Das ander geschlecht welches würt auff Lateinisch Aristolochia longa, und nit rotunda, wie durch jrthumb in unserm Lateinischen kreüterbůch neben hinzů getruckt ist, auff Teütsch aber lang Holwurtz genent, ist das mennlin. Das dτitt würt zů Latein Clematitis geheyssen, ist uns noch nit bekant.

 

Gestalt.

Die rund Holwurtz hat einen runden glatten stengel, etwan spannen hoch, unnd daran schweitzer grûne bletter, welche sich der zammen Rautten blettern vergleichen, am gipffel eins yeden stenglins bτingt sie blůmen, der gestalt nach, den Ritterspoτn seer gleich, ettlich bτaun, die andern schneweiþ. Nach der blůst folgen kleine schottlin, darinn ist kolschwartzer samen, als kleine wicken (C) linþlin verschlossen. Die wurtzel ist zů zeiten hol, bey der weil auch gantz unnd nit auþgeholdert, an der farb jnwendig geel, eins bittern und zum theil scharpffen geschmacks. Die lang Holwurtz hat zarte zweiglin, bletter als der Ephew, ein wenig rund, die blůmen bleychgeel unnd lang, wie spitzige hûtlin, die starck reüchen, welch so sie verblüen, werden sie einer pirn gleich. Die wurtzel ist lang an ettlichen oτten eins fingers dick, jnwendig geel, reücht starck, ist bitter, unnd ein wenig scharpff. [113, 114, 115] (D)

 

(D) Statt irer wachsung.

Unser runde Holwurtz wechst gern in wâlden, unnd schattechten oτten. Die lang aber findt man zů zeiten in weingârten und hohen wildtnüssen, und in gârten da manþ hin pflanzt.

 

Zeit.

Die runde Holwurtz stechen gar bald im anfang des Lentzen und Mertzen herfür, im anfang aber des Apτilens blüen sie volkomenlich, und darnach verwelcken jre stengel und würt nicht mehτ gesehen. Die lang Holwurtz blüet im Bτachmonat und Hewmonat.

 

Die natur und complexion.

Beide geschlecht der Holwurtz seind warm unnd trucken im andern grad volkomenlich.

 

(E) Die krafft und würckung.

Die Holwurtzeln eines quintlins schwer mit wein getruncken, seind gůt für gifft unnd die pestilentz. Sie heylen auch die schlangen biþ, so manþ überlegt. Mit Myτrhen und pfeffer gesotten und getruncken, bτingen sie den frawen jre blôdigkeit, treiben auþ das bürdlin, und allen unrat so in der můter ist. So ein zâpflin oder pessarium darauþ gemacht würt, haben sie gleiche würckung. Weiter dienen sie auch zů dem keichen, heschen, fallende siechtagen, krampff und  weetagen der seitten in wasser gesotten und getruncken. Dise wurtzeln wann sie noch grûn seind zerknischt und übergelegt, ziehen auþ dôτn, spτeissen, und pfeil. Sie seind auch gůt zů allerley fliessenden und faulen schâden, dann sie reinigen trücknen, und heylen dieselbigen. Jn sonderheit aber seübern und heylen sie die schâden an den heimlichen oτten, in wein gesotten, und damit gewâschen, und das pulver von den gedoτten wurtzeln darein gestrewt. So man die zâne damit reibt, so seübern die die selbigen. Jn summa die Holwurtzeln wermen, reinigen, seübern, machen subtil, und zerteilen alle grobe feüchtigkeit im leib.

Van holwortel, Kapittel 31.

 

Namen.

Holkruid wordt ook oosterlucie genoemd welke naam ze heeft van het Griekse en Latijnse woordje Aristolochia, dan alzo wordt ze in beide spraken geheten, uit welke oorzaken echter hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

 

Geslacht.

Van de oosterlucie zijn drie geslachten zoals dat Dioscorides en andere meer duidelijk aantonen. De eerste, rond holkruid genoemd, dat wijfje met de klimop bladeren is niet ons ronde holkruid die bladeren heeft de ruit niet ongelijk zoals we zulks in het lang in ons Latijnse kruidenboek hebben beweerd. Zulk holkruid acht ik groeit niet in onze landen. (Aristolochia boetica) Echter die zo bij ons worden gevonden zijn ook twee geslachten, dan ettelijke hebben gans ronde en geen holle wortels, de andere echter zijn altijd inwendig hol en uitgehold, verder zijn ze aan de bladeren en bloemen elkaar erg gelijk zoals we erna willen verder aantonen. (Corydalis cava, Corydalis solida) Dat andere geslacht welke wordt op Latijn Aristolochia longa en niet rotunda wat door dwaling in ons Latijnse kruidenboek ernaast bij gedrukt is, op Duits echter lang holkruid genoemd is dat mannetje. (Aristolochia rotunda)De derde wordt in Latijn Clematitis geheten, is ons noch niet bekend. (Aristolochia clematitis)

 

 

Gestalte.

Dat ronde holkruid heeft een ronde gladde stengel ongeveer zeventien cm hoog en daaraan Zwitsergroene bladeren welke zich de tamme ruit bladeren vergelijken, aan top van elk stengeltje brengt ze bloemen die naar de gestalte de ridderspoor zeer gelijk zijn, ettelijke bruin, de andere sneeuwwit. Na de bloei volgen kleine schotjes, daarin is koolzwart zaad als kleine wikke lensjes gesloten. De wortel is soms hol, soms ook gans en niet uitgehold, aan de verf inwendig geel, een bittere en voor een deel scherpe smaak. Dat lange holkruid heeft zachte twijgjes, bladeren als de klimop en een weinig rond, de bloemen bleekgeel en lang als spitse hoedjes die sterk ruiken welke zo ze verbloeien worden ze een peer gelijk. De wortel is lang en aan ettelijke oorden een vinger dik, inwendig geel, ruikt sterk, is bitter en een weinig scherp. [113, 114, 115]

 

 

Hun groeiplaats.

Ons ronde holkruid groeit graag in wouden en beschaduwde oorden. De lange echter vindt men soms in wijnhof en hoge wildernissen en in de hof daar men ze heen plant.

 

 

Tijd.

Dat ronde holkruid steekt erg gauw in aanvang van de lente en maart voort, in aanvang echter van april bloeien ze volkomen en daarna verwelken hun stengels en worden niet meer gezien. Dat lange holkruid bloeit in juni en juli.

 

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Beide geslacht der holkruiden zijn warm en droog in andere graad volkomen.

 

De kracht en werking.

De holkruiden een quinten zwaar met wijn gedronken zijn goed voor gif en de pest. Ze helen ook de slangenbeet zo men ze oplegt. Met mirre en peper gekookt en gedronken brengen ze de vrouwen hun bloederigheid, drijven uit de nageboorte en alle onraad zo in de baarmoeder is. Zo een klysma of pessarium daaruit gemaakt wordt hebben ze gelijke werking. Verder dienen ze ook tot het kuchen, heesheid, vallende ziektes, kramp en pijnen der zijden, in water gekookt en gedronken. Deze wortels wanneer ze noch groen zijn gekneusd en opgelegd trekken uit doorns, splinters en pijl. Ze zijn ook goed tot allerlei vloeiende en vuile schaden, dan ze reinigen, drogen en helen diezelfde. En vooral echter zuiveren en helen ze de schaden aan de heimelijke oorden, in wijn gekookt en daarmee gewassen en dat poeder van de gedroogde wortels daarin gestrooid. Zo men de tanden daarmee wrijft dan zuiveren ze diezelfde. In summa, de holkruiden warmen, reinigen, zuiveren, maken subtiel en verdelen alle grove vochtigheid in lijf.

 

 

Von Stickwurtz. Cap. XXXII.

 

(A) Namen.

Stickwurtz hat auch vil andere namen. Dann sie würt auch genent Schieþwurtz, Raswurtz, Hundskürbs, wild oder Rômisch růb, Wilder zitwen, und Teüffelskirþ, umb der roten beerlin willen. Auff Gτiechisch Bτyonia, zů Latein Vitis alba. Die Apotecker haben den Gτiechischen namen Bτyonia behalten.

 

Gestalt.

Stickwurtz stengeln wachsen bald hoch, hencken und hefften sich mit jren zincken oder fâden an die zeün, hecken, mauren, stauden, und was sie erτeychen môgen, wie der hopffen. Jre zweig, bletter, und zincken, seind den Weinreben (B) gleich, doch etwas hâriger und rauher. Bτingt kleine schône weisse blûmlin, auþ welchen werden runde beerlin, die seind erstlich grûn, darnach so sie zeitigen gantz rot. Die wurtzel ist weiþ, dick und groþ.

 

Statt seiner wachsung.

Stickwurtz wechst allenthalben an den zeünen und hecken, an welchen sie übersich steigt, wie angezeygt. [116, 117]

 

(B)  Zeit.

Stickwurtz blüet den gantzen sommer biþ in Herbst hinein, fahet aber bald an zů blüen im end des Meyens.

 

Die natur und complexion.

Die jungen dolden seind zum theil bitter, und ein wenig scharpff, ziehen auch zusamen. Die wurtzel trücknet, und wermet zimlich.

 

Die krafft und würckung.

Die jungen dolden gesotten und gessen, treiben den harn, unnd lindern den stůlgang. Die bletter, frucht und wurtzel seind scharpff, derhalben seind sie gůt zů allerley unreynen wunden und geschweren, dann sie sôlche faule schâden reynigen, seübern, und auþtrücknen. Die wurtzel seübert den leib, und vertreibt die runtzel. Darumb mit Erven unnd Fœnogræco Bockþhoτn genent, vermengt und angestrichen, macht sie ein hüpsch angesicht, vertreibt unnd verzert die flecken,(C) und roþmucken, und andere schwartze mâler. Gleiche würckung hat sie so manþ in ôl seüdt biþ sie weych würdt. Sie verzert auch das undergerunnen blůt, und das überig fleisch so die negel der finger unnd fûþ bedeckt. So manþ mit wein überlegt, zerbτicht sie geschwer. Diþ wurtzel zerstossen und übergelegt, zeücht auþ die zerbτochnen beyn. Sie ist auch gůt denen so mit der fallenden sucht, dem schlag, schwindel, unnd dergleichen kranckheyten beladen seind, so man zum offtermal im jar eins quintlins schwâr darvon einnimbt. So yemants von schlangen gestochen würdt, der mag dise wurtzel dergleichen auch jnnemen. Die schwangern frawen sollen sich voτ diser wurtzel hûten, dann sie tôdtet die frucht inn můter leib. So man ein dünne latwerg mit honig auþ diser wurtzel macht, ist sie gůt denen so ersticken wôllen, hůsten, unnd im leib zerbτochen seind. Dτeissig tag von diser wurtzel mit essig getruncken, macht das (D) miltz klein. Mit feigen zerstossen und übergelegt, hat sie gleiche krafft und würckung. Man bτaucht auch dise wurtzel zů den lenden baden, dann sie reyniget die můter. Deer safft im Lentzen auþ der wurtzel getruckt, unnd mit Meth getruncken, treibt auþ die zâhe feüchtigkeit, phlegma genent. Sein frucht zerstossen unnd angestrichen ist gůt zů allerley grind und rauden. Der safft von disen beeren, mit Weytzen gekocht und gessen, mehτet die milch.

Van stikkruid. Kapittel 32. (Bryonia dioica)

 

Namen.

Stikkruid heeft ook veel andere namen. Dan ze wordt ook genoemd schijtkruid, zuurkruid, honden kouwoerde, wilde of Roomse raap, wilde zedoar en duivelskers vanwege de rode bessen. Op Grieks Bryonia, in Latijn Vitis alba. De apothekers hebben de Griekse naam Bryonia behouden.

 

Gestalte.

Stikkruid stengels groeien snel hoog, hangen en hechten zich met hun scheuten of vezels aan de tuinen, hagen, muren, heesters en wat ze bereiken mogen zoals de hop. Hun twijgen, bladeren en scheuten zijn de druivenstok gelijk, doch wat hariger en ruwer. Brengt kleine schone witte bloempjes waaruit worden ronde besjes, die zijn eerst groen en daarna zo ze rijpen gans rood. De wortel is wit, dik en groot.

 

Zijn groeiplaats.

Stikkruid groeit overal aan de tuinen en hagen waaraan ze omhoog stijgt zoals aangetoond. [116, 117]

 

Tijd.

Stikkruid bloeit de ganse zomer tot in herfst door, vangt echter gauw aan te bloeien in eind van mei.

 

De natuur en samengesteldheid.

Die jonge spruiten zijn voor een deel bitter en een weinig scherp, trekken ook tezamen. De wortel droogt en warmt matig.

 

De kracht en werking.

De jonge spruiten gekookt en gegeten drijven de plas en verzachten de stoelgang. De bladeren, vrucht en wortel zijn scherp, derhalve zijn ze goed tot allerlei onreine wonden en zweren, dan ze zulke vuile schaden reinigen, zuiveren en uitdrogen. De wortel zuivert het lijf en verdrijft de rimpels. Daarom met Erven en Trigonella foenum-graecum, bokshoorn genoemd, vermengt en aangestreken maakt ze een hups aangezicht, verdrijft en verteert de vlekken en sproeten en andere zwarte tekeningen. Gelijke werking heeft ze zo men ze in olie ziedt tot ze week worden. Ze verteert ook dat onderhuids gestolde bloed en dat overige vlees zo de nagel der vingers en voeten bedekt. Zo men ze met wijn oplegt breekt ze zweer. Deze wortel gestoten en opgelegd, trekt uit dat gebroken been. Ze is ook goed diegenen zo met de vallende ziekte, de slag, duizeligheid en dergelijke krenkingen beladen zijn, zo men vaak in jaar een quinten zwaar daarvan inneemt. Zo iemand van slangen gestoken wordt die mag deze wortel dergelijke ook innemen. De zwangere vrouwen zullen zich voor deze wortel hoeden, dan ze doodt de vrucht in moeders lijf. Zo men een dunne likkepot met honing uit deze wortel maakt is ze goed diegenen zo verstikken willen, hoesten en in lijf gebroken zijn. Dertig dagen van deze wortel met azijn gedronken maakt de milt klein. Met vijgen gestoten en opgelegd heeft ze gelijke kracht en werking. Men gebruikt ook deze wortel tot de lenden baden, dan ze reinigt de baarmoeder. Dat sap in lente uit de wortel gedrukt en met mede gedronken drijft uit de taaie vochtigheid, flegma genoemd. Zijn vrucht gestoten en aangestreken is goed tot allerlei schurft en ruigtes. Dat sap van deze bessen met tarwe gekookt en gegeten vermeerdert de melk.

 

 

 

Von Lynen. Cap. XXXIII.

 

(A) Namen.

Diþ gewechþ welchs Lynen, oder Lenen heyþt würt auch Waldreb genent. Jn Griechischer spτaach würt es Ampelos melena, in Lateinisch aber Vitis nigra geheyssen.

 

Gestalt.

Lynen hat bletter wie Ephew, doch mehτ gleich den Welschen bonen, der stamm vergleicht sich auch mit denselbigen. Henckt sich mit seinen fâden an die bâum. Hat schneweiþ blůmen, wolriechend, auþ welchen werden gefiderte unnd wollâchte kôpfflin, wie ein grawer bart anzusehen, der sam ist traubens weiþ zusamen getrungen, erstlich grün, darnach, so er zeitig würt, schwartzbτaun. Die wurtzel ist auþwendig schwartz, inwendig aber geel als Buchþbaum. [118, 119]

 

(B) Statt seiner wachsung.

Lynen wechsen gern an den hecken und boschen, kreücht übersich an den beumen, wie angezeygt.

 

Zeit.

Blüet im Hewmonat, und bτingt samen im Hewmonat.

 

Die natur und complexion.

Sein natur und complexion ist der Stickwurtz gleich.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die jungen dolden mag man essen wie andere kreüter, treiben den harn und bτingen den frawen jhτe blôdigkeit. Sie machen auch das miltz klein. Seind auch gůt denen so den fallenden siechtagen haben, den schwindel, unnd in den glidern erlâmet. Die wurtzel hat gleiche würckung mit der Stickwurtz, doch nit so gantz krefftig. Die bletter mit wein angestrichen, heylen die rauden an dem hals der unvernünfftigen thiern. Man mag sie auch diser gestalt überlegen, do die glider verruckt seind.

Van lijnen. Kapittel 23. (Clematis vitalba)

 

Namen.

Dit gewas wat lijnen of Lenen heet wordt ook woudklimmer genoemd. In Griekse spraak wordt het Ampelos melena, in Latijns echter Vitis nigra geheten.

 

 

Gestalte.

Lijnen heeft bladeren zoals klimop, doch meer gelijk de Waalse bonen, de stam vergelijkt zich ook met diezelfde. Hangt zich met zijn vezels aan de bomen. Heeft sneeuwwitte bloemen en welriekend waaruit worden geveerde en wolachtige kopjes als een grauwe baard aan te zien, het zaad is druifachtig tezamen gedrongen, eerst groen en daarna zo het rijp wordt zwartbruin. De wortel is uitwendig zwart, inwendig echter geel zoals Buxus. [118, 119]

 

 

Zijn groeiplaats.

Lijnen groeien graag aan de hagen en bossen, kruipt omhoog aan de bomen zoals aangetoond.

 

Tijd.

Bloeit in juli en brengt zaden in juli.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Zijn natuur en samengesteldheid is de Bryonia gelijk.

 

De kracht en werking.

De jonge spruiten mag men eten zoals andere kruiden, drijven de plas en brengen de vrouwen hun bloederigheid. Ze maken ook de milt klein. Zijn ook goed diegenen zo de vallende ziekte hebben, de duizeligheid en in de leden verlamt. De wortel heeft gelijke werking met de Bryonia, doch niet zo gans krachtig. De bladeren met wijn aangestreken helen die ruigtes aan de hals der onverstandige dieren. Men mag ze ook deze gestalte opleggen die de leden verrekt zijn.

 

 

Von Amarant. Cap. XXXIIII.

 

(A) Namen.

Dise kreüter hab ich Amarant vonn den Gτiechischen namen her genent, darumb das jhτe blûmlin nit verwelcken wie der andern kreüttern, dann auch mitten im winter mag man sôlche blůmen zů den krântzen bτauchen.

 

Geschlecht.

Der Amaranten seind zweyerley geschlecht. Das erste hat schôn goldtgeele blůmen, würdt auff Teütsch geheyssen Rheinblům, darumb das es umb den Rheinstrom zwüschen Speyer und Woτmbs gern wechst. Von etlichen aber Mottenblům, darumb das die schaben und motten dem gewandt nit schaden, (B) so die blůmen darbey ligen. Es seind auch ettlich die heyssens Jünglin. Jn den Apotecken würdt es Stichas citrina genent. Das ander geschlecht hat schôn schwartzbτaun blůmen dem sammet gleich, daher nent manþ Sammetblům, Tausent schôn, Floτ amoτ, von dem Lateinischen namen, dann es Flos amoτis geheyssen würdt.

 

Gestalt.

Rheinblům hat zarte stengel und âstlin, lange und schmale bletter, wie Jspen,  am geschmack bitter, und weiþ wie Stabwurtz das weiblin. Ein yedes rundes âschenfarbs stenglin tregt im gipffel goldgeele runde knôpffechte blûmlin, welche nimmer verwelcken sonder alzeit jhτe farb behalten. Die wurtzel ist kurtz, (C) dün, und schwartz. Samatblům aber hat runde bτaunfarbe stengel, mit neben zincken unnd âsten oben aussen besetzt, bletter wie das groþ Basilickraut, doch grôsser und lenger. Am obersten des stengels stehn die schwartzbτaune und zůsamen getrungen blůmen als ein âher, die bτingen in der blůst jren schwartzen, glatten, unnd glitzenden kleinen samen in kleinen heüþlin jngeschlossen. Diþ gantz kraut wiewol es lustig ist an zůsehen, doch hat es gar keinen geschmack.

 

Statt irer wachsung.

Rheinblůmen wechst gern auff rauhen, trucknen, sandigen oτten, und dür- [120, 121, 122[ (D) ren heyden, bey den wassern gelegen. Floτamoτ aber würdt in den gârten und scherben gepflantzt.

 

Zeit.

Rheinblům blüet im Bτachmonat und Hewmonat. Floτamoτ aber im sommer, fürnemlich im Augstmonat.

 

Die natur und complexion.

Die Rhein oder Mottenblům ist on zweifel warmer unnd truckner natur, das kan man abnemen an dem geschmack, der da bitter ist. Floτamoτ oder Sammetblům trücknet auþ, unnd wie die neüwe kreütler vermeynen, so kûlet es auch.

 

(E) Die krafft und würckung.

Rheinblůmen in wein gesotten und getruncken seind gůt denen so schwârlich harnen, von den schlangen gebissen seind, dem hüfftwee, und denen so gebτochen seind. Sie bτingen auch den frawen jr blôdigkeyt, zertreiben das knollecht unnd zusamen gerunnen blůt im bauch, und in der blasen, so sie mit honig und essig vermischt getruncken werden. So auff anderhalb quintlin schwer mit geringem weissen wein nûchter genossen werden, stellen sie die schnuppen. Dise blůmen zů den kleydern gelegt, bewaren sie dieselbigen voτ den schaben und motten. Gedachte blůmen in wein gesotten unnd getruncken, treiben auþ die würm. So manþ in der laug seüdt, so tôdten sie die leüþ. Sie verzeren auch und zerteylen allerley herte. Seind gůt zů dem bτandt, mit honig übergelegt. Floτ amoτ, dieweil es seer trücknet, wo es mit wein genommen würt, so stellet es den bauchfluþ. Jst auch sonst nütz und gůt zů allem das trücknens bedarff.

Van amarant. Kapittel 24.

 

Namen.

Deze kruiden heb ik amarant vanuit de Griekse naam genoemd, daarom dat hun bloempjes niet verwelken zoals de andere kruiden, dan ook midden in winter mag men zulke bloemen tot de kransen gebruiken.

 

Geslacht.

Van de amaranten zijn twee geslachten. Dat eerste heeft schone goudgele bloemen, wordt op Duits geheten Rijnbloem, daarom dat het om de Rijnstroom tussen Speyer en Worms graag groeit. Van ettelijke echter mottebloem, daarom dat de schaven en motten het gewand niet schaden zo die bloemen daarbij liggen. Er zijn ook ettelijke de heten het jongeling. In de apotheken wordt het Stichas citrina genoemd. (Helichrysum stoechas) Dat andere geslacht heeft schone zwartbruine bloemen het fluweel gelijk, vandaar noemt men het fluweelbloem, duizendschoon, Flor amor van de Latijnse naam, dan het Flos amoris geheten wordt. (Amaranthus caudatus)

 

Gestalte.

Rijnbloem heeft zachte stengels en takjes, lange en smalle bladeren zoals hysop, aan smaak bitter en wit zoals dat staafkruid dat wijfje. Elke rond askleurig stengeltje draagt in top goudgele ronde knopachtige bloempjes welke nimmer verwelken maar altijd hun verf behouden. De wortel is kort, dun en zwart. Fluweelbloem echter heeft ronde bruinkleurige stengels met zijscheuten en takken boven van buiten bezet, bladeren zoals dat groot basielkruid, doch groter en langer. Aan bovenste der stengels staan de zwartbruine en tezamen gedrongen bloemen als een aar, die brengen in der bloei hun zwarte, gladde en glinsterende kleine zaden in kleine huisjes ingesloten. Dit gans kruid hoewel het lustig is aan te zien, doch heeft het geheel geen reuk.

 

 

 

Hun groeiplaats.

Rijnbloemen groeit graag op ruwe, droge, zanderige oorden en dorre [120, 121, 122[ heide bij de wateren gelegen. Floramor echter wordt in de hof en potten geplant.

 

 

Tijd.

Rijnbloem bloeit in juni en juli. Floramor echter in zomer, voornamelijk in augustus.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De Rijn of mottebloem is zonder twijfel warme en droge natuur, dat kan men afnemen aan de smaak die daar bitter is. Floramoτ of fluweelbloem droogt uit en zoals de nieuwe kruidenkenners menen zo koelt het ook.

 

 

De kracht en werking.

Rijnbloemen in wijn gekookt en gedronken zijn goed diegenen zo zwaar plassen, van de slangen gebeten zijn, voetenpijn en diegenen zo gebroken zijn. Ze brengen ook de vrouwen hun bloederigheid, verdrijven dat knolachtige en tezamen gestolde bloed in buik en in de blaas, zo ze met honing en azijn vermengt gedronken worden. Zo ze op anderhalf quinten zwaar met geringe witte wijn nuchter genoten worden stelpen ze dat snuffen. Deze bloemen bij de klederen gelegd bewaren ze diezelfden voor de schaven en motten. Gedachte bloemen in wijn gekookt en gedronken drijven uit de wormen. Zo men ze in der loog ziedt dan doden ze de luizen. Ze verteren ook en verdelen allerlei hardheid. Zijn goed tot de brand, met honing opgelegd. Flor amor, omdat het zeer droogt, wanneer het met wijn genomen wordt dan stopt het de buikvloed. Is ook verder nuttig en goed tot alles dat drogen behoeft.

 

 

Von Agley. Cap. XXXV

 

(A) Namen.

Agley oder Ageley würt auff den heütigen tag nit anders zů Latein genent dann Aquilegia, hat noch, so vil unnd mir bewüþt, keinen nam bey den Gτiechen und alten Lateinischen gefunden.

 

Gestalt.

Die Agley hat bletter wie die groþ Scholwurtz, doch runder unnd weycher. Die stengel seind über elen hoch, rund unnd glatt, darauff wachsen vil schôner blůmen, die seind zweyfeltig gefült, und gewinnen an den schellen fünff gebogne spitz, fast wie die Ritterspoτn. Dise blůmen seind gemeynlich purpurbτaun, doch findt man auch gantz weiþ, ettlich seind rotbτaun. Auþ disen blůmen so sie abfallen, wachsen kôpfflin oder schefflin mit vier oder (B) fünff spitzen aneinander, wie an dem schwartzen Coτiander, darinn ist schwartzer langer same. Die würtzel ist etwan fingers dick met neben zaseln.

 

Statt seiner wachsung.

Diþ kraut wechst gemeynlich in den gârten, darin es gepflantzt würt. Man findts aber auch in feyþten wisen, und in den wâlden die in der hôhe ligen, ettwan an dem gemeür und felsen.

 

Zeit.

Blüet im Meyen unnd Bτachmonat. [123, 124]

 

(C) Die natur und complexion.

Dieweil der geschmack diþ gantzen krauts zůr süesse geneygt ist, so můþ es von nôten einer mittelmâssigen warmen complexion sein.

 

Die krafft und würckung.

Der Agley würckung ist gleich der würckung der Eibisch bletter. Darumb so verzert sie, und zerteylet mittelmâssig, weitert, lindert den schmertzen, unnd zeitiget die geschwer. So man weytzen oder gersten meel mit Agley vermischt, so würt jhτe krafft gesterckt und trücknet derhalben mehτ dann voτ. Darumb sie diser gestalt zů den rauden und andern geschweren unnd unreynen schaden mag gebτaucht werden. Es werden der Agley von den neüwen kreütlern vyl erdichte falsche eygenschafft und würckung zůgelegt.

Van akelei. Kapittel 35. (Aquilegia vulgaris)

 

Namen.

Akelei of Ageley wordt op de huidige dag niet anders in Latijn genoemd dan Aquilegia, heeft noch zoveel en me bewust geen naam bij de Grieken en oude Latijnen gevonden.

 

Gestalte.

De akelei heeft bladeren zoals de grote stinkende gouwe, doch ronder en weker. De stengels zijn over ellebogen hoog, rond en glad, daarop groeien veel schone bloemen, die zijn tweevoudig gevuld en gewinnen aan de schellen vijf gebogen spitsen vast zoals de ridderspoor. Deze bloemen zijn gewoonlijk purperbruin, doch vindt man ook gans witte en ettelijke zijn roodbruin. Uit deze bloemen zo ze afvallen groeien kopjes of scheepjes met vier of vijf spitsen aan elkaar zoals aan het zwarte koriander, daarin is zwart lang zaad. De wortels is ongeveer vingers dik met zijvezels.

 

Zijn groeiplaats.

Dit kruid groeit gewoonlijk in de hof waarin het geplant wordt. Men vindt het echter ook in vette weiden en in de wouden die in de hoogte liggen, wat aan de muren en rotsen.

 

Tijd.

Bloeit in mei en juni. [123, 124]

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Omdat de smaak van dit ganse kruid tot zoetheid geneigd is zo moet het nodig een middelmatige warme samengesteldheid zijn.

 

De kracht en werking.

De akelei werking is gelijk de werking der witte heemst bladeren. Daarom zo verteert ze en verdeelt middelmatig, verwijdert, verzacht de smarten en rijpt de zweren. Zo men tarwe of gerstemeel met akelei vermengt dan wordt zijn kracht gesterkt en droogt derhalve meer dan daarvoor. Daarom ze in deze gestalte tot de ruigtes en andere zweren en onreine schaden mag gebruikt worden. Er worden van de akelei van de nieuwe kruidenkenners veel verdichte valse eigenschappen en werkingen toegelegd.

 

 

Von Knoblochkraut. Cap. XXXVI.

 

(A) Namen.

Knoblochkraut würt zů Latein Alliaria genent, darumb das am geschmack dem knobloch gleich ist. Sonst nent manþ auch Leuchel und Saþkraut.

 

Gestalt.

Das kraut so es erstlich herfür kreücht, hat es runde bletter, dem Mertzen Vyelkraut ânlich, doch bτeyter und grôsser. Wann sie aber elter werden so gewinnens ecken. Es schüft hoch übersich fast zweyer elen hoch, gewindt einen runden stengel, bletter fast als die Nessel, doch nit so tieff zerkerfft, unnd umb den styl vyl bτeyter, welche, so sie zerriben werden, eines Knobloch geschmack haben. Am gipffel der stengel, gewindt sie kleine weisse blůmlin, darauþ (B) werden lange schôtlin wie an der Schelwurtz, doch kleiner, in welchen ist schwartzer samen. Die wurtzel ist schlecht, dünn, holtzecht, eins gleichen geschmacks mit den blettern.

 

Statt seiner wachsung.

Wechst gern auff ungebawten ôτtern, als bey den zeünen, mauren und an den reinen der feldern.

 

Zeit.

Die bletter kreüchen am anfang des Lentzen, und im Mertzen herfür. Blüet aber im Meyen und Bτachmonat, und bτingt darnach den samen.

 

(C) Die natur und complexion.

Diþ kraut wermet und trücknet.

 

Die krafft und würckung.

Knoblochkraut ist gantz dienstlich zů den grünen saltzen, dann es wermet, zerteilt, und macht subtil die groben und zâhe füchtigkeyten. Auþ dem gestossenen samen ein pflaster gemacht, mit essig temperiert, und ünd ůber die můter gelegt, weret das auffsteigen der selbigen, und bτingt die weiber wider zů jnen selber. Hat fast einerley würckung wie der kreþ. [125, 126]

Van knoflookkruid. Kapittel 36. (Alliaria petiolata)

 

Namen.

Knoflookkruid wordt in Latijn Alliaria genoemd, daarom dat het aan smaak de knoflook gelijk is. Soms noemt men het ook Leuchel en sauskruid.

 

Gestalte.

Dat kruid zo het eerst voort kruipt heeft het ronde bladeren, het maartse vioolkruid gelijk, doch breder en groter. Wanneer ze echter ouder worden dan gewinnen ze hoeken. Het schuift hoog omhoog vast twee ellebogen hoog, gewint een ronde stengel, bladeren vast zoals de netels, doch niet zo diep gekerfd en om de steel veel breder welke zo ze gewreven worden een knoflook geur hebben. Aan top der stengels gewint ze kleine witte bloempjes, daaruit worden lange schotjes zoals aan stinkende gouwe, doch kleiner waarin is zwart zaad. De wortel is recht, dun en houtachtig, een gelijke geur met de bladeren.

 

Zijn groeiplaats.

Groeit graag op ongebouwde oorden zoals bij de tuinen, muren en aan de kanten der velden.

 

 

Tijd.

De bladeren kruipen aan aanvang van de lente en in maart voort. Bloeit echter in mei en juni en brengt daarna de zaden.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Dit kruid warmt en droogt.

 

De kracht en werking.

Knoflookkruid is gans dienstig tot de groene sausen, dan het warmt, verdeelt en maakt subtiel de grove en taaie vochtigheden. Uit de gestoten zaden een pleister gemaakt, met azijn getemperd en onder over de baarmoeder gelegd weert dat opstijgen van dezelfde en brengt de wijven weer tot zichzelf. Heeft vast een en dezelfde werking zoals de kers. [125, 126]

 

 

 

Von Nessel. Cap. XXXVII.

 

(A) Namen.

Nessel würdt auff Gτiechisch Acalyphe oder Cnide, Lateinisch Uτtica geheyssen. Uτsachen aber diser namen, haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Geschlecht.

Dioscoτides schτeibt das der Nesseln zweyerley geschlecht seind. Das erst ist gantz rauch, und eben die Nessel, so man yetzunder auff Lateinisch Romanam, zů Teütsch Welsch nessel nennet. Das ander geschlecht ist nit so rauch, und etwas linder, das ich noch nit gesehen hab. Dise zwey geschlecht seind heymisch, unnd wachsen nit von sich selbst, man pflantzt sie dann voτhin. Plinius erzelet aber noch ettliche wilde geschlecht der Nessel, auþ welchen auch seind unsere bτennende Nessel so in unserm Teütschen land allenthalben wachsen, deren zwey geschlecht seind. Ein ist seer groþ, und würdt zů Latein Uτtica maioτ, auff Teütsch Heiternessel genent. Die ander ist kleiner, Uτtica minoτ (B) geheyssen, auff Teütsch Bτennende oder Habernessel. Plinius erzelet auch under den wilden Nesseln eine die reücht starck, die heyst er Herculaneam, bτent nicht.

 

Gestalt.

Die Welschnessel hat einen runden unnd rauhen stengel, ist gantz scharpff,  jre bletter seind lengelet unnd tieff zerkerfft, gewindt weisse blůmen, so sie abfallen wachsen hernach runde knôpfflin oder bôllin, auþ vilen kleinen hülþlin zusamen gesetzt, darinn ist samen dem Leinsamen gantz gleich, doch kleiner. Die wilde, die man Bτennend nessel nennet, wâchst hoch übersich, hat bletter der Welschen nessel nit seer ungleich, seind doch nit so vast zerkerfft. Jhτ stengel ist rauch, und harig, an welchen wechst der same mit auþgepτeyten purpurbτaunen fâslin, welcher so man auþreibt, ist er weiþ, dem Hirþ nit ungleich, doch vil kleiner. Die wurtzel ist lang, flichtet sich hin und wider in der erden, von farben (C) geel. Heiternessel ist ein kraut mit stengel, blatter und wurtzel der Bτennende nessel gleich, doch kleiner. Der samen aber ist grôsser dann der voτigen, auch schwertzer, dem Leinsamen nit ungleich.

 

Statt irer wachsung.

Die Welschnessel wechst nirgent im Teütschen land von sich selbst, sonder man můþ sie pflantzen. Die wilden Bτennende nessel findt man hinder den zeünen, hecken und mauren.

 

Zeit.

Der same sol im schnitt gesamlet werden.

 

Die natur und complexion.

Die Nesseln seind subtiler substantz, warm unnd trucken. Doch seind si nit überauþ hitzig.

 

(D) Die krafft und würckung.

Nessel bletter mit saltz zerstossen und übergelegt, heylen die biþ der unsinnigen hünd, und die grossen geschwer. Deþgleichen über faule schâden, als Krebs unnd dergleichen, gelegt, reynigen sie die selbigen, unnd heylens. Jn gleicher massen zerteylen sie auch allerley geschwulst, als oτmützel, und dergleichen beülen. Sie seind auch gůt zů dem geschwollen miltz, so man ein pflaster darauþ macht, unnd überlegt. Gedachte bletter mit dem safft gestossen unnd über die [127, 128, 129, 130] (E) stirn gelegt, stellen das schweyssen zů der nasen auþ. So mans mit Myτrhen stoþt, und zâpfflin darauþ macht, und in die weiblichen scham thůt, bτingen sie den frawen jr blôdigkeit. Wann sie aber frisch werden über die můter gelegt die herauþ begert, so treiben sie dieselbigen wider hindersich. Der sam auþ sûssem wein getruncken, reitzet zur unkeüscheyt, und erôffnet die můter. Gedachter sam mit honig vermengt, unnd ein latwerglin darauþ gemacht, ist gůt für das keichen, seiten oder rippen, unnd lungen geschwer. Er macht auch auþwerffen, und reyniget die bτust. Die bletter mit meerschnecken gesotten und getruncken, lindern den stůlgang, und treiben den harn. So man das wasser von den gesotnen blettern, mit wenig Myτrhen vermischt, trinckt, so bτingen sie den frawen (F) jhτ kranckheyt. Der safft von genanten blettern im mund gehalten unnd gurgelt, ist gůt zů dem geschwollen zepfflin. Der sam ist auch gantz zuwider dem wutzerling, und gifftigen schwammen. Diser sam macht leichtlich speyen, so er nach dem abend essen würdt mit Meth eins halben quintlins schwer jngenommen. Mit sûssem wein getruncken, ist er gůt zů dem auffbleen des magens. Nessel in die laug gelegt, vertreibt das har auþfallen, unnd den bôsen grind, deþgleichen auch der sam. Die bletter mit Beeren schmaltz gestossen und übergelegt, ist gůt zů dem podagra, und allerley weetagen der glider.

Van netel. Kapittel 37.

 

Namen.

Netel wordt op Grieks Acalyphe of Cnide, Latijns Urtica geheten. Oorzaken echter van deze namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Geslacht.

Dioscorides schrijft dat de netels twee geslachten zijn. De eerste is gans ruw en gelijk die netel zo men nu op Latijns Romanam, in Duits Waalse netel noemt. (Urtica pilulifera) Dat andere geslacht is niet zo ruw en wat zachter wat ik noch niet gezien heb. Deze twee geslachten worden geteeld en groeien niet van zichzelf, men plant ze dan daarvoor. Plinius verhaalt echter noch ettelijke wilde geslachten der netels waaronder ook zijn onze brandende netel zo in ons Duitse land overal groeit van die twee geslachten zijn. Een is zeer groot en wordt in Latijn Urtica maior, op Duits hete netel genoemd. (Urtica dioica) De andere is kleiner, Urtica minor geheten, op Duits brandende of havernetel. (Urtica urens) Plinius verhaalt ook onder de wilde netels een die ruikt sterk, die noemt hij Herculaneam, brandt niet.

 

 

Gestalte.

De Waalse netel heeft een ronde en ruwe stengel, is gans scherp, zijn bladeren zijn langachtig en diep gekerfd, gewint witte bloemen en zo ze afvallen groeien erna ronde knopjes of bolletjes uit vele kleinen hulsjes tezamen gezet, daarin is zaad de vlaszaden gans gelijk, doch kleiner. De wilde die men brandende netel noemt groeit hoog omhoog en heeft bladeren de Waalse netel niet zeer ongelijk, zijn doch niet zo erg gekerfd. Zijn stengel is ruw en harig waaraan groeit het zaad met uitgespreide vezels welke zo men uitwrijft is het wit, de hirs niet ongelijk, doch veel kleiner. De wortel is lang, vlecht zich her en der in de aarde, van verf geel. Hete netel is een kruid met stengels, bladeren en wortels de brandende netel gelijk, doch kleiner. Dat zaad echter is groter dan de vorige, ook zwarter, de vlaszaden niet ongelijk.

 

 

 

Hun groeiplaats.

De Waalse netel groeit nergens in Duitsland van zichzelf, maar men moet ze planten. De wilde brandende netel vindt men achter de tuinen, hagen en muren.

 

 

Tijd.

Dat zaad zal in snijden verzameld worden.

 

De natuur en samengesteldheid.

De netels zijn subtiele substantie, warm en droog. Doch zijn ze niet overmatig heet.

 

 

De kracht en werking.

Netelbladeren met zout gestoten en opgelegd helen de beten der dolle honden en de grote zweren. Desgelijks over vuile schaden zoals kanker en dergelijke gelegd reinigen ze diezelfde en helen ze. In gelijke mate verdelen ze ook allerlei zwellingen zoals oorzweren en dergelijke builen. Ze zijn ook goed tot de gezwollen milt zo men een pleister daaruit maakt en oplegt. Gedachte bladeren met het sap gestoten en over het [127, 128, 129, 130] voorhoofd gelegd stelpen dat zweten uit de neus. Zo men ze met mirre stoot en klysma’s daaruit maakt en in de vrouwelijke schaam doet brengen ze de vrouwen hun bloederigheid. Wanneer ze echter fris worden over de baarmoeder gelegd die eruit begeert dan drijven ze diezelfde weer terug. Dat zaad in zoete wijn gedronken wekt op tot onkuisheid en opent de baarmoeder. Gedacht zaad met honing vermengt en een likkepotje daaruit gemaakt is goed voor dat kuchen, zijde of ribben en longenzweer. Het maakt ook uitwerpen en reinigt de borst. De bladeren met zeeslakken gekookt en gedronken verzachten de stoelgang en drijven de plas. Zo men dat water van de gekookte bladeren met weinig mirre vermengt drinkt dan brengen ze de vrouwen hun ziekte. Dat sap van genoemde bladeren in mond gehouden en gegorgeld is goed tot de gezwollen huig. Dat zaad is ook gans tegen de scheerling en giftige zwammen. Dit zaad maakt licht spuwen zo het na het avondeten wordt met mede een halve quinten zwaar ingenomen. Met zoete wijn gedronken is het goed tot het opblazen van de maag. Netel in de loog gelegd verdrijft dat haar uitvallen en de boze schurft, desgelijks ook het zaad. De bladeren met berenvet gestoten en opgelegd is goed tot de podagra en allerlei pijnen der leden.

 

 

 

Von wilden Wicken. Cap. XXXVIII.

 

(A) Namen.

Wild Wicken würdt sonst auch bey den Teütschen S. Chτistoffelþkraut genent, auff Gτiechisch und Lateinisch Aphace. Von den gemeynen kreütlern Os mundi, und Vitia sylvestris.

 

Gestalt.

Wild Wicken ist ein kleiner staud, hôher dann die Linsen, mit zarten, unnd zů beyden seiten des stengels gefiderte blettlin, henckt sich mit seinen fâden an. Die blůmen seind purpurbτaun, vergleichen sich der blüet an den Erbsen, doch kleiner. Dise blůmen werden zů schotten, grôsser dann an den Linsen, darinnen seind dτey oder vier Wicken, schwertzer unnd kleiner dan die Linsen.

 

Statt seiner wachsung.

Dise Wicken wachsen von sich selbst in feldern und hecken.

 

(B) Zeit.

Diþ gewechþ blüet im Meyen, und nachfolgendts so bτingts seinen schwartzen samen in den schotten.

 

Die natur und complexion.

Die wilden Wicken haben ein zimliche unnd mittelmâssige werme, aber sie trücknen seer.

 

Die krafft und würckung.

Gedachte Wicken ziehen zusamen, derhalben so mans doτret, stoþt, unnd überlegt, oder trinckt darvon, das wasser, darinn sie gesotten seind, stellen sie das würgen unnd  den bauchfluþ. Diser Wicken dτey oder vier gessen, stillen den sodt, und das sawτauffstossen des magens. Jn summa dise Wicken seind im stellen krefftiger dann die Linsen, sonst haben sie fast einerley bτauch unnd würckung. [131, 132]

Van wilde wikke. Kapittel 38. (Vicia sepium)

 

Namen.

Wilde wikke wordt soms ook bij de Duitsers St. Christoffelkruid genoemd, op Grieks en Latijns Aphace. Van de gewone kruidenkenners Os mundi en Vitia sylvestris. (zie Osmunda)

 

Gestalte.

Wilde wikke is een kleine heester, hoger dan de linzen met zachte en aan beide zijde der stengel geveerde blaadjes, hangt zich met zijn vezels aan. De bloemen zijn purperbruin en vergelijken zich met de bloei aan de erwten, doch kleiner. Deze bloemen worden tot schotten, groter dan aan de linzen en daarin zijn drie of vier wikken, zwarter en kleiner dan de linzen.

 

Zijn groeiplaats.

Deze wikke groeit van zichzelf in velden en hagen.

 

Tijd.

Dit gewas bloeit in mei en daarna zo brengt het zijn zwarte zaden in de schotten.

 

De natuur en samengesteldheid.

De wilde wikken hebben een tamelijke en middelmatige warmte, echter ze drogen zeer.

 

De kracht en werking.

Gedachte wikke trekken tezamen, derhalve zo man ze droogt, stoot en oplegt of drinkt daarvan dat water waarin ze gekookt zijn stelpen ze dat wurgen en de buikvloed. Deze wikken drie of vier gegeten stillen het maag koken en dat zure opstoten van de maag. In summa, deze wikke zijn in stelpen krachtiger dan de linzen, verder hebben ze vast een en hetzelfde gebruik en werking. [131, 132

 

 

Von Burtzelkraut. Cap. XXXIX.

 

(A) Namen.

Burtzelkraut, würt auch genent, Saubon, Gτensel, und Sewburtzel. Auff Gτiechisch Andτachne, Lateinisch aber Poτtulaca, welcher nam in den Apotecken bliben ist biþ auff den heütigen tag.

 

Geschlecht.

Des Burtzelkrauts findt man zweyerley geschlecht, zamm und wild, also underscheydts auch Dioscoτides. Die zamm würdt in den gârten gepflantzt. Die wild wechst vonn jhτ selbþ, wie wir darnach wôllen anzeygen, würdt auff Teütsch wild oder Ackerburtzel geheyssen.

 

Gestalt.

Das zamm Burtzelkraut hat dick, feyþt, rund, und ein wenig bτaunrot stengel, die wachsen übersich spannen hoch, und zů zeiten auch hôher. Seine bletter seind feyþt, und in die leng rundiert. Die stengel tragen zwüschen den gewerben der (B) bletter, unnd an den gipffeln bleychgeele blûmlin, darauþ werden kleine runde bedeckte hâfelin, voller kleins schwartzen samens. Das Ackerburtzel hat feyþte stengel und bletter wie die zamm, doch kleiner, zarter unnd schmâler, die stengel seind auch bτeüner. Ligt allzeit auff der erden auþgebτeyt, ist gantz schlüpfferig, safftig, und ein wenig sawτ, als were es gesaltzen. Die geele blûmlin seind auch kleiner dann an der zamme.

 

Statt irer wachsung.

Das zamm Burtzelkraut wechst in den gârten dahin mans pflantzen, unnd sâhen můþ. Das wild aber wechst von jhm selb auff den felsen, in den weingârten und feyþten âckern.

 

Zeit.

Burtzelkraut zamm und wild, fahen an zů blüen im Bτachmonat, unnd treiben (C) sôlchs biþ gegen dem Herbst. Die bletter sollen im Bτachmonat und Hewmonat gesamlet werden, nachfolgends aber der sam.

 

Die natur und complexion.

Burtzelkraut zamm und wild seind von natur kalt im dτitten grad, feücht aber im andern. Sie seind auch ein wenig sawτ, als werens gesaltzen, daher es die alten haben eingemacht wie die Oliven unnd Capern. Die Walhen bτauchens biþ auff den heütigen tag hefftig im salat.

 

Die krafft und würckung.

Burtzelkraut mit gersten maltz vermengt und überlegt, vertreibt das haubtwee, hitz unnd rôte der augen, weetagen der magens, unnd der blasen, leschet das rotlauff. So man Burtzelkraut keüwet, nimpt es das einügelen der zân, (D) überige hitz des magens, und der dârm, unnd stellet den bauchfluþ. Es heylet die verseerten nieren, und blasen. Vertreibt die unkeüscheyt. Gleicherley würckung hat auch der safft, unnd ist krefftig im fieber. Es tôdtet auch die runden würm im bauch, stelt das blůt speyen, die roten rhůr, die ruckader, unnd allerley blůt flüþ. Er sol auch under die augen salben vermischt werden. So einem der kopff von der sonnen weethůt, soll diser safft mit rosenôl vermengt, angestrichen, oder von oben an auff den kopff herab gelassen werden. Jn summa Burtzelkraut kûlet seer allerley hitzige gebτechen, und die weil es auch ein wenig rauch ist, so ist es auch gůt zur stellung allerley flüþ. So einem die mandel ver- [133, 134, 135] seeret seind, sol man Burtzelkraut süeden, und das wasser darvon gurgeln, befestiget auch die waggelten zân so mans keüwet. Bekrefftiget den magen, so mans mit essig und ôl wie ein salat bereit, jþt.

Van postelein kruid. Kapittel 39.

 

Namen.

Posteleinkruid wordt ook genoemd zeugboon, Grensel en zeugborstel. Op Grieks Andrachne, Latijns echter Portulaca welke naam in de apotheken gebleven is tot op de huidige dag.

 

Geslacht.

Van het posteleinkruid vindt men twee geslachten, tam en wild, alzo onderscheidt ze ook Dioscorides. De tamme wordt in de hof geplant. (Portulaca oleracea) De wilde groeit van zichzelf zoals we daarna willen aantonen, wordt op Duits wilde of akkerpostelein geheten. (wilde vorm)

 

Gestalte.

Dat tamme posteleinkruid heeft dikke, vette, ronde en een weinig bruinrode stengels, die groeien omhoog zeventien cm hoog en soms ook hoger. Zijn bladeren zijn vet en in de lengte rondvormig. De stengels dragen tussen de wervels der bladeren en aan de topjes bleekgele bloempjes, daaruit worden kleine ronde bedekte potjes vol klein zwart zaad. De akkerpostelein heeft vette stengels en bladeren zoals de tamme, doch kleiner, zachter en smaller, de stengels zijn ook bruiner. Ligt altijd op de aarde uitgespreid, is gans slijmerig, sappig en een weinig zuur alsof het is gezouten. De gele bloempjes zijn ook kleiner dan aan de tamme.

 

 

Hun groeiplaats.

Dat tamme posteleinkruid groeit in de hof waarheen men ze planten en zaaien moet. De wilde echter groeit van zichzelf op de rotsen, in de wijnhof en vette akkers.

 

Tijd.

Posteleinkruid tam en wild vangen aan te bloeien in juni en drijven zulks heen tegen de herfst. De bladeren zullen in juni en juli verzameld worden, daarna echter het zaad.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Posteleinkruid, tam en wild, zijn van natuur koud in derde graad, vochtig echter in andere. Ze zijn ook een weinig zuur als waren ze gezouten, vandaar dat de ouden het hebben ingemaakt zoals olijven en kappers. De Walen gebruiken het tot op de huidige dag heftig in salade.

 

De kracht en werking.

Posteleinkruid met gerstemout vermengt en opgelegd verdrijft de hoofdpijn, hitte en roodheid der ogen, pijn der maag en de blaas, lest de rode huiduitslag. Zo men posteleinkruid kauwt beneemt het dat beven der tanden, overige hitte der maag en de darm en stopt de buikvloed. Het heelt de bezeerde nieren en blaas. Verdrijft de onkuisheid. Gelijke werking heeft ook het sap en is krachtig in koorts. Het doodt ook de ronde wormen in buik, stelpt dat bloed spuwen, de rode loop, de rugader en allerlei bloedvloed. Het zal ook onder de oogzalven vermengd worden. Zo een de kop van de zon pijn doet zal hij dit sap met rozenolie vermengt aanstrijken of van bovenaan op de kop afgelaten worden. In summa, posteleinkruid koelt zeer allerlei hete gebreken en omdat het ook een weinig ruw is zo is het ook goed tot stelpen van allerlei vloeden. Zo een de amandelen [133, 134, 135] bezeerd zijn zal men posteleinkruid zieden en dat water daarvan gorgelen, bevestigt ook de waggelende tanden zo men het kauwt. Bekrachtigt de maag zo men het met azijn en olie zoals een salade bereidt eet.

 

 

 

Von Goldwurtz. Cap. XL.

 

(A) Namen.

Das kraut davon wir in disem capitel handlen, würt auff Teütsch Goldwurtz genent, die Gτeichischen unnd Lateinischen heyssens Asphodelum, in den Apotecken nent mans Affodillum.

 

Geschlecht.

Des krauts so von den Gτiechen unnd Lateinischen würt Asphodelus genent, seind zweyerley geschlecht, wie das Plinius im xxj.bůch in dem xvij.capitel klârlich anzeygt, und wir in unserm Lateinischen kreüterbůch mit vilen woτten bewert haben. Das erst ist das mennlin, welches auff Teütsch mag Heydnisch blům, oder Heydnische Gilg geheissen werden. Das ander geschlecht ist das weiblin, welchs die weil es in der blůst einem küniglichen scepter (B) nit ungleich ist, würt es zů Latein genent Hastula regia. Wir Teütschen nennens  Goldwurtz, darumb das sein wurtzel gantz goldgeel ist.

 

Gestalt.

Das mennlin würt von dem Dioscoτide beschτyben das es bletter hab wie der groþ Lauch, einen glatten stengel, welcher am gipffel bτingt ein schône blůmen. Die würtzel seind etwas lang, rund, oder knôpffecht, als die Eicheln, der Peonien blůmen oder Gichtwurtz nit ungleich, am geschmack gantz scharpff. Diþ geschlecht haben wir noch nicht môgen bekommen, sonst wolten wir sein contrafactur hie auch nit eingemischt haben. Uns ist aber der same zůgeschickt woτden, den wôllen wir sâhen unnd pflantzen, unnd so er uns auffkompt als (C) dann das gantz kraut lassen abmalen. Das weiblin hat runde stengel, zůringþumbher mit schmalen und langen blettern, dem spitzigen Wegrich nit ungleich, besetzt, die seind etwas zâch, und on scharten. Am gipffel des stengels wachsen vil blůmen, die seind etwas dick und feyþt, leibfarbτot, mit seer kleinen bτaunen tipffeln bespτengt, deren blettlin seind hindersich gebogen gegen dem letzten oτt. Jn der mitte hat ein yeglich blům sechs oder siben fâþlin, an welchen in der hôhe wachsen klôpfflin, eins lieblichen geruchs. Nach der blüet sicht man daran lange kôpfflin mit bτeyten geelen samen auþgefült. Die wurtzel ist goldgeel, gleich den weissen Gilgen zwibel, mit vil zaseln dem Knobloch nit unânlich.

 

(D) Statt irer wachsung.

Das mennlin wechst nit von sich selbst in unsern landen, sonder man můþ es in gârten pflantzen. Das weiblin aber wechst allenthalben in hohen wâlden, und zů zeiten auff den wisen so auff den hohen bergen ligen, als zů Tûbingen am Osterberg genent, da es mit hauffen wechst.

 

Zeit.

Das weiblin blüet im Bτachmonat. Das mennlin ist uns noch nit zů sehen woτden.

 

Die natur und complexion.

Die wurtzel von dem mennlin, ist warm unnd trucken. Deþgleichen das weiblin, doch nit so seer als das mennlin. [136, 137]

 

(E) Die krafft und würckung.

Die wurtzel des mennlins treibt den harn, bτingt den weibern jhτe zeit, ist gůt zů dem schmertzen der seiten, unnd hůsten, so sie eins quintlins schwer im wein zerstossen getruncken würt. So einer von den schlangen oder natern gebissen were, der sol die bletter, wurtz, und blůmen nemen, unnd dieselbigen mit wein vermischt zerstossen, unnd überlegen. Dise wurtzel ist auch gůt zů allerley unreynen geschweren, die umbsich fressen, fürnemlich aber zů der geschwollne brust, so sie in wein hessen gesotten würdt übergelegt. Jn summa dise wurtzel hat fast einerley würckung mit der Haselwurtz, und Schlangenkraut, dann sie seübert unnd zerteylt, ist einer subtilen substantz, unnd verzert, sie erôffnet auch (F) alles so verstopfft ist, derhalben ist kaum ein bessere artzney zů der geelsucht, dann dise wurtzel in wein gesotten und getruncken. Zů âschen aber gebτandt, unnd ein salb mit honig darauþ gemacht, unnd angestrichen, macht das auþfallend har wider wachsen. Das weiblin, welchs wurtzel und bletter zâch und bitter seind, heylet geschwer und wunden, rauden, und ander alt schâden. Die wurtzel ist auch gůt, so mans mit gersten kocht, denen so am leib abnemen, und schwindsüchtig seind. Man mag sie auch mit meel vermengen, unnd bτot darauþ machen, unnd essen. Darumb haben die alten dise wurtzel, wie Hesiodus und ander mehτ anzeygen, tâglich in der speiþ gebτaucht.

Van goudkruid. Kapittel 40.

 

Namen.

Dat kruid waarvan we in dit kapittel handelen wordt op Duits goudkruid genoemd, de Grieken en Latijnen heten het Asphodelum, in de apotheken noemt men het Affodillum.

 

 

Geslacht.

Dat kruid zo van de Grieken en Latijnen wordt Asphodelus genoemd zijn twee geslachten zoals dat Plinius in 21ste boek in het 17de kapittel duidelijk aantoont en we in ons Latijnse kruidenboek met vele woorden beweerd hebben. Dat eerste is dat mannetje welke op Duits mag heidense bloem of heidense lelie geheten worden. (Lilium martagon) Dat andere geslacht is dat wijfje welke omdat het in de bloei een koninklijke scepter niet ongelijk is wordt het in Latijn genoemd Hastula regia. Wij Duitsers noemen het goudkruid, daarom dat zijn wortel gans goudgeel is. (Lilium bulbiferum)

 

Gestalte.

Dat mannetje wordt van Dioscorides beschreven dat het bladeren heeft zoals de grote look, een gladde stengel welke aan de top brengt een schone bloem. De wortels zijn wat lang, rond of knopachtig zoals de eikels, de pioen bloemen of jichtkruid niet ongelijk, aan smaak gans scherp. Dit geslacht hebben we noch niet mogen bekomen, daarom willen we zijn afbeelding hier ook niet ingemengd hebben. Ons is echter het zaad toe geschikt geworden, dat willen we zaaien en planten en zo het ons opkomt als dan dat ganse kruid laten tekenen. Dat wijfje heeft ronde stengels, ringsom met smalle en lange bladeren, de spitse weegbree niet ongelijk, bezet, die zijn wat taai en zonder kerven. Aan de top van de stengels groeien vele bloemen, die zijn wat dik en vet, lijfkleurigrood met zeer kleine bruine stippeltjes gesprengd, de blaadjes zijn teruggebogen tegen het laatste oord. In het midden heeft elke bloem zes of zeven vezeltjes waaraan in de hoogte groeien klepeltjes, een lieflijke reuk. Na der bloei ziet men daaraan lange kopjes met brede gele zaden opgevuld. De wortel is goudgeel, gelijk de witte lelie bol met veel vezels, de knoflook niet ongelijk.

 

 

Hun groeiplaats.

Dat mannetje groeit niet van zichzelf in onze landen, maar men moet het in de hof planten. Dat wijfje echter groeit overal in hoge wouden en soms op de weiden zo op de hoge bergen liggen als te Tubingen aan Osterberg genoemd daar het met hopen groeit.

 

 

Tijd.

Dat wijfje bloeit in juni. Dat mannetje is ons noch niet te zien geworden.

 

De natuur en samengesteldheid.

De wortel van het mannetje is warm en droog. Desgelijks dat wijfje, toch niet zo zeer als dat mannetje. [136, 137]

 

De kracht en werking.

De wortel van het mannetje drijft de plas, brengt de wijven hun tijd en is goed tot de smarten der zijde en hoesten zo ze een quinten zwaar in wijn gestoten gedronken wordt. Zo een van een slang of adder gebeten wordt die zal de bladeren, kruid en bloemen nemen en diezelfde met wijn vermengt stoten en opleggen. Deze wortel is ook goed tot allerlei onreine zweren die om zich vreten, voornamelijk echter tot de gezwollen borst zo ze in wijndroesem gekookt wordt opgelegd. In summa, deze wortel heeft vast een en dezelfde werking met de Asarum en slangekruid, dan ze zuivert en verdeelt en is een subtiele substantie en verteert, ze opent ook alles zo verstopt is, derhalve is nauwelijks een betere artsenij tot de geelzucht dan deze wortel in wijn gekookt en gedronken. Tot as echter gebrand en een zalf met honing daaruit gemaakt en aangestreken maakt dat uitvallende haar weer groeien. Dat wijfje welke zijn wortels en bladeren taai en bitter zijn heelt zweren en wonden, ruigtes en andere oude schaden. De wortel is ook goed zo men het met gerst kookt diegene zo aan lijf afnemen en duizelig zijn. Men mag ze ook met meel vermengen en brood daaruit maken en eten. Daarom hebben de ouden deze wortel, zoals Hesiodus en andere meer aantonen, het dagelijks in de spijs gebruikt.

 

 

 

Von Molten. Cap. XLI.

 

(A) Namen.

Molten würdt auff Gτiechisch Atraphaxis unnd Chτysolachanon, zů Latein Atriplex geheyssen, welcher nam ist in den Apotecken bliben. Uτsachen sôlcher namen haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Geschlecht.

Der Molten, wie Dioscoτides schτeibt, seind zweyerley geschlecht, ein zamm, das ander wild, das man auch acker Molten, oder klein Scheiþmolten nent.

 

Gestalt.

Zam Molten hat von unden auff einen runden, zum ôbersten aber einen vierecketen stengel, mit vilen zweigen und âsten, seine bletter seind meelbecht, in sonderheyt in der jugent ehe das sie in die stengel steigen, lang und bτeyt, des Arons blettern nit seer ungleich. Die blůmen seind geel, und seer klein, darnach bτingt es (B) samen in dünnen heütlin verschlossen, der  ist bτeytt, wie ein kleins blettlin. Die wurtzel ist etwas lang, nit glatt, sonder hat vil zaseln, unnd kleine wurtzeln an einander hangen. Diser aber zammen Molten seind auch dτeyerley geschlecht, doch ist der underscheyd alleyn in de blettern und stengeln. Dann ettliche haben schwartzgrûne bletter und stengel, die anderen und besten, tragen weiþgrûne, die dτitten bτaunrote, seind sonst einander aller ding gleich.

Die wild Molten wechst seer in die hôhe, also das die vier elenbogen hoch würdt, hat ein ecketen stengel wie die zamm, der ist mit purpurbτaun bespτengt, sein bletter seind der zammen nit ungleich doch kleiner und meelbechter, die blůmen geel, der sam ist hart unnd überflüssig bey einander getrungen, als die kleinen treüblin, die wurtzel ist etwas lang, hat vil zaseln. [138, 139, 140] (C)

 

(C) Statt irer wachsung.

Die zamm wechst allenthalben in gârten. Die wild würt auch in den gârten gefunden, und andern oτten, doch wechst sie von jhτ selbþ.

 

Zeit.

Beyde zamm und wild Molten blüen den gantzen summer, fürnemlich aber im Bτachmonat und Hewmonat.

 

Die natur und complexion.

Die Molten seind kalt im ersten grad, unnd feücht im andern. Doch ist die zamm kelter und feüchter dann die wild.

 

(D) Die krafft und würckung.

Molten in der speiþ wie andere grûne kreüter genossen und gesotten, erweychen den bauch. Molten rawch zerstossen, oder gesotten, und übergeschlagen, vertreibt die geschwulst an den dτůsen. Jhτ sam mit honig wasser getruncken, vertreibt die geelsucht. Die Molten seind auch gůt allen den so hitziger natur seind. Die zamm ist besser zů den hitzigen geschwulsten und apostemen, so erst anfangen wachsen, und zůnemen. Die wild aber ist mehτ bequâm denen do yetzunder volkomen seind, oder widerumb abnemen. Sie erweychen auch allerley verhertung, rawch, und gesotten, übergeschlagen.

Van melde. Kapittel 41.

 

Namen.

Melde wordt op Grieks Atraphaxis en Chrysolachanon, in Latijn Atriplex geheten welke naam is in de apotheken gebleven. Oorzaken van zulke namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Geslacht.

De melde, zoals Dioscorides schrijft, zijn twee geslachten, een tamme en dat andere wild dat men ook akker melde of kleine schijtmelde noemt. (Atriplex hortensis, Chenopodium album)

 

Gestalte.

Tamme melde heeft van onder uit een ronde, in het bovenste echter een vierkantige stengel met vele twijgen en takken, zijn bladeren zijn meelachtig en vooral in de jeugd eer dat ze in de stengels stijgen lang en breed, de Arum bladeren niet zeer ongelijk. De bloemen zijn geel en zeer klein, daarna brengt het zaden in dunne hoedjes gesloten, dat is breed zoals een klein blaadje. De wortel is wat lang, niet glad, maar heeft veel vezels en kleine wortels aan elkaar hangen. Van de tamme melde zijn ook drie geslachten, doch is het onderscheid alleen in de bladeren en stengels. Dan ettelijke hebben zwartgroene bladeren en stengels, de andere en beste dragen witgroene, die derde bruinrode, zijn verder elkaar in alle dingen gelijk.

De wilde melde groeit zeer in de hoogte alzo dat die vier ellebogen hoog wordt, heeft een kantige stengel zoals de tamme, die is met purperbruin gesprengd, zijn bladeren zijn de tamme niet ongelijk, toch kleiner en meliger, de bloemen geel, het zaad is hard en overvloedig bij elkaar gedrongen als kleine druifjes, de wortel is wat lang en heeft veel vezels. [138, 139, 140]

 

 

Hun groeiplaats.

De tamme groeit overal in de hof. De wilde wordt ook in de hof gevonden en andere oorden, doch groeit ze van zichzelf.

 

Tijd.

Beide tamme en wilde melde bloeien de ganse zomer, voornamelijk echter in juni en juli.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De melden zijn koud in eerste graad en vochtig in de andere. Doch is de tamme kouder en vochtiger dan de wilde.

 

De kracht en werking.

Melde in de spijs zoals andere groene kruiden genoten en gekookt weken de buik. Melde rauw gestoten of gekookt en omgeslagen verdrijft de zwellingen aan de klieren. Hun zaad met honingwater gedronken verdrijft de geelzucht. De melden zijn ook goed allen die zo van hete natuur zijn. De tamme is beter tot de hete gezwellen en lopende gezwellen zo net aanvangen te groeien en toenemen. De wilde echter is meer bekwaam diegenen die nu volkomen zijn of wederom afnemen. Ze weken ook allerlei verharding, rauw en gekookt omgeslagen.

 

 

 

Von wildem Feldsaffran. Cap. XLII.

 

(A) Namen.

Dise Disteln von welchen wir in disem capitel handlen, werden von den Gτiechen Atractylides geheyssen, Lateinisch werden sie genent Cnicus sylvestris, das ist wilder Feldsaffran.

 

Geschlecht.

Diser Distel so zů Latein Cnicus sylvestris genent ist, seind zweyerley geschlecht. Das erst ist nicht seer rauch, sonder mild, unnd dem wilden Saffran so in gârten gepflantzt würt, gleicher. Desselbigen stengel, der da starτig ist und hart, haben voτ zeiten die weiber für rocken gebτaucht, und daran gespunnen. Auff Teütsch mag er billich wilder Feldtsaffran genent werden, das ein underscheyd sey under dem wilden garten Saffran, und diser gegenwertigen Distel. Das ander geschlecht ist rauher, und würt in den Apotecken, und von den newen kreütlern Carduus benedictus, das ist gesegneter Distel, umb seiner grossen und heylsamen krafft willen, geheyssen. Sonst gemeynlich würt er Cardobenedickt, und Boτnwurtz genent.

 

(B) Gestalt.

Wilder Feldsaffran, ist dem wilden garten Saffran nit seer ungleich, doch hat er am gipffel der stengel lengere bletter. Sein stengels ist zů Herbstzeiten zum theil bloþ, dann dazumal die bletter seer abfallen, rauch, und starrig, doch dünn und klein. Auff dem stengel gewindt er stachelechte kôpfflin, die blüen bleychgeel. Die wurtzel ist schmal, unnd hat in der artzney keinen bτauch. Der samen ist schmal, langlechtig klein, und schwartz. Cardobenedict ist gantz rauch und harig, seine stengel seind dem Genþdistel oder Hasenkôl gleich, kreüchen auff der erden jnher, darumb das sie gantz weych und zart seind. Die stengel stossen runde wollechte kôpfflin herfür, die blüen bleychgeel. Nach der blůst findt man in den beschloþnen kôpfflin langen und bleychgeelen samen in weissen wollen ver- [141, 142, 143] (C) schlossen, der ist bitter, und hat zů oberst ettlich har, die sich einem bard vergleichen. Die wurtzel ist zimlich lang, zart, mit vilen zaseln.

 

Statt irer wachsung.

Der Wild feldsaffran wechst in feldern, und auff den bergen. Cardobenedict würdt yetzunder in den gârten allenthalben schier gepflantzt.

 

Zeit.

Der Wild feldsaffran blüet im Augstmonat, und bleiben seine kôpfflin den gantzen winter stan. Der sam würt erst im Herbst zeitig. Cardobenedict blüet im Bτachmonat oder Hewmonat. Sein sam würt auch spat reiff.

 

Die natur und complexion.

Beyde geschlecht, nach dem sie bitter am geschmack erscheinen, seind wermer und trückner natur, und verzeren.

 

(D) Die krafft und würckung.

Die bletter diser Distel, und der sam zerstossen, und mit pfeffer unnd wein getruncken, seind nützlich denen so von den Scoτpion gestochen werden. Es seind auch ettlich die schτeiben, das sie so von den scoτpion gestochen seind, keinen schmertzen empfinden, als lang sie dise kreüter in der hand haben. Der wild feldsaffran aber ist in sonderheyt gůt zů den alten schâden und fisteln, dann er heylet dieselbigen. Cardobenedict benimpt allerley jnnerliche verstopffung, treibt den harn, bτicht den stein, heylet die geschwer, fürnemlich der lungen. Jst auch gůt denen so von den gifftigen thiern gebissen seind. Diþ kraut ist bewert wider allerley gifft. Darumb ist es zur zeit der pestilentz seer nutzlich zů bτauchen, dann es bewart voτ diser kranckheyt, unnd macht gesund dise so mit gedachter pestilentz behafft seind. Man mag aber inn allen gedachten fâlern das kraut sieden in wein oder wasser nach gelegenheit der kranckheit, oder aber das pulver von disem kraut jngeben. Es ist auch Cardobenedict auch seer dienstlich zů den faulen schâden, fürnemlich zů dem Krebs an der bτust, so man das pulver darein strewt. Darauþ aber wol zů mercken ist, das dise zwo Distel eynerley geschlecht seind.

Van wilde veldsaffraan. Kapittel 42.

 

Namen.

Deze distels van welke we in dit kapittel handelen worden van de Grieken Atractylides geheten, Latijns worden ze genoemd Cnicus sylvestris, dat is wilde veldsaffraan.

 

 

Geslacht.

Deze distel zo in Latijn Cnicus sylvestris genoemd is zijn twee geslachten. De eerste is niet zeer ruw, maar mild en de wilde saffraan zo in hof geplant wordt meer gelijk. Diens stengel die er star is en hard hebben voor tijden de wijven voor rokken gebruikt en daarvan gesponnen. Op Duits mag het billijk wilde veldsaffraan genoemd worden, dat een onderscheid is onder de wilde hof saffraan en deze tegenwoordige distel. (Carlina vulgaris) Dat andere geslacht is ruwer en wordt in de apotheken en van de nieuwe kruidenkenners Carduus benedictus, dat is gezegende distel, vanwege zijn grote en heilzame kracht geheten. Verder gewoonlijk wordt het Cardobenedickt en bronkruid genoemd. (Cnicus benedictus)

 

 

Vorm.

Wilde veldsaffraan is de wilde hof saffraan niet zeer ongelijk, doch heeft het aan top der stengel langere bladeren. Zijn stengel is in herfsttijden voor een deel bloot omdat dan de bladeren zeer afvallen, ruw en star, doch dun en klein. Op de stengel gewint het stekelige kopjes, die bloeien bleekgeel. De wortel is smal en heeft in de artsenij geen gebruik. Dat zaad is smal, langachtig, klein en zwart. Cardobenedict is gans ruw en harig, zijn stengels zijn de ganzedistel of hazekool gelijk, kruipen op de aarde her, daarom dat ze gans week en zacht zijn. De stengels stoten ronde wolachtige kopjes voort, die bloeien bleekgeel. Na de bloei vindt men in de besloten kopjes lange en bleekgele zaden in wit wol [141, 142, 143] gesloten, die is bitter en heeft in het bovenste ettelijke haren die zich een baard vergelijken. De wortel is matig lang, zacht en met vele vezels.

 

 

 

Hun groeiplaats.

De wilde veldsaffraan groeit in velden en op de bergen. Cardobenedict wordt nu in de hof overal schier geplant.

 

 

Tijd.

De wilde veldsaffraan bloeit in augustus en blijven zijn kopjes de ganse winter staan. Dat zaad wordt eerste in herfst rijp. Cardobenedict bloeit in juni of juli. Zijn zaad wordt ook laat rijp.

 

De natuur en samengesteldheid.

Beide geslacht, nadat ze bitter aan smaak verschijnen, zijn warme en droge natuur en verteren.

 

De kracht en werking.

De bladeren van deze distel en het zaad gestoten en met peper en wijn gedronken zijn nuttig diegene zo van de schorpioen gestoken worden. Er zijn ook ettelijke die schrijven dat ze zo van de schorpioen gestoken zijn geen smarten ontvangen als lang ze dit kruid in de hand hebben. De wilde veldsaffraan echter is vooral goed tot de oude schaden en lopende gaten, dan het heelt diezelfde. Cardobenedict beneemt allerlei innerlijke verstopping, drijft de plas, breekt de steen, heelt de zweren, voornamelijk van de longen. Is ook goed diegene zo van de giftige dieren gebeten zijn. Dit kruid is beweerd tegen allerlei gif. Daarom is het in tijd der pest zeer nuttig te gebruiken, dan het bewaart voor deze ziekte en maakt gezond die zo met gedachte pest behept zijn. Men mag echter in alle gedachten falen dat kruid zieden in wijn of water naar gelegenheid der ziekte of echter dat poeder van dit kruid ingeven. En is ook Cardobenedict ook zeer dienstig tot de vuile schaden, voornamelijk tot de kanker aan de borst zo men dat poeder daarin strooit. Daaruit echter goed te merken is dat deze twee distels een geslacht zijn.

 

 

 

Von Angelick. Cap. XLIII.

 

(A) Namen.

Diþ nutzlich kraut so auff Teütsch Angelick genent würt, oder des Heyligen Geysts wurtzel, oder Bτustwurtz, wissen wir mit seinem rechten Lateinischen oder Gτiechischen namen, ist es anders den alten bekant gewesen, nit zůnennen. Darumb hat es noch bey den Lateinischen keinen andern namen gefunden, dann das sie es Angelicam heyssen, darbey lassens wir zů diser zeit auch berůwen und bleiben.

 

Geschlecht.

Der Angelik findt man zwey geschlecht. Eine zamm, welche eins gůten unnd edlen geruchs ist an der wurtzel. Die ander wild, welcher wurtzel am geruch nit so lieblich und starck ist. Seind doch sonst einander nit seer ungleich.

 

Gestalt.

Die zam Angelick hat einen stengel der ist zweyer elnbogen hoch, dick unnd knôpffecht wie ein starcke rhoτ, jnwendig hol, die bletter seind zerspalten, unnd zů ringþumbher zerkerfft, wie die ôbersten bletter an dem Teütschen Bernklaw, [ 144, 145, 146) (B) aber zarter, an dem stengel gewindt es dünne flemen, als auffgeblasene hole secklin, auþ den selbigen kreüchen die schône kronen nit anderst dann am Fenchel, die tragen weisse blûmlin mit purpurbτaun vermengt, darauþ würt ein bτeyter sam, am geschmack und geruch gleich der wurtzel, welche ist dick, unnd lang, mit vilen neben zincken und zaseln, auþwendig schwartz, jnwendig aber weiþ. Die wild ist der zammen etwas gleich, doch seind die bletter gantz, unnd nit zerspalten, auch etwas lenger, die blůmen etwas weisser, der samen auch bτeyter. Die wurtzel ist am geruch und geschmack vil schwâcher.

 

Statt irer wachsung.

Die zam Angelick zeücht man in gârten, doch wechst auch an ettlichen gebirgen von jhτ selbþ, wie die wild, welch würdt in duncklen, und schattechten oτten, etwan an den wasser gestaden, und in ettlichen wâlden gefunden.

 

Zeit.

Beyde geschlecht der Angelick blüen in Hewmonat und Augstmonat.

 

Die natur und complexion.

Die wurtzel beyder geschlecht seind warm und trucken im dτitten grad.

 

Die krafft und würckung.

Angelick erôffnet, macht subtil, und verzert. Die wurtzel ist fürnemlich gůt wider allerley gifft. Jn sonderheyt aber für die vergifftung des pestilentzischen luffts, dann so man sie nur in dem mund helt, so bewart unnd behüt sie den menschen voτ der pestilentz. Dise wurtzel gepulvert unnd auff ein quintlin jngenomen winters zeit in wein, im summer aber mit rosen wasser, nidergelegt unnd zů gedeckt, macht schwitzen, unnd erlediget von gedachtem presten. So yemants moτgen früe nûchter von diser wurtzel jnnimpt, so ist er den selbigen tag sicher voτ der pestilentz, dann sie treibt auþ das gifft durch den schweyþ unnd (D) harn. Sie zerteylt auch die zâhen feüchte so sich umb die bτust hat gesamlet, unnd ist gůt zů dem hůsten, der sich von kelte erhebt hat. Man mag aber die wurtzel zů obgedachtem pτesten sieden in wein oder wasser, nach gelegenheit der kranckheit, unnd den dτanck als dann bτauchen. Oder aber das pulver darvon jnnemen. Das kraut inn wein oder wasser gesotten, heylet die jnwendigen wunden. Es zerteylt auch das zůsamen gerunnen blůt. Krefftiget den magen, unnd das hertz. Vertreibt das grawen, und den widerwillen zů essen, unnd bτingt widerumb die begir unnd lust zů der speiþ. So yemandts von einem wůtenden hund, oder schlangen gebissen were, der sol dises krauts bletter mit Rauten unnd honig zerstossen inn die wunden, oder darauff legen, und darnach sol mans inn wein sieden unnd darvon zů trincken geben. So man diþ kraut im mund halt, leschetes auþ die überige begir zur unreynigkeit. Diþ kraut bey sich getragen, sol gůt für allerley zauberey sein. [147, 148]

Van engelwortel. Kapittel 43.

 

Namen.

Dit nuttig kruid zo op Duits engelwortel genoemd wordt of de Heilige Geest wortel of borstkruid weten we met zijn rechte Latijnse Griekse naam of het anders bij de ouden bekend geweest niet te noemen. Daarom heeft het noch bij de Latijnen geen andere naam gevonden dan dat ze Angelicam heten, daarbij laten we het deze tijd ook rusten en blijven.

 

 

 

Geslacht.

Van de engelwortel vindt men twee geslachten. Een tamme welke een goede en edele reuk heeft aan de wortel. (Angelica archangelica) De andere wild welke wortel aan reuk niet zo lieflijk en sterk is. Zijn doch verder elkaar niet zeer ongelijk. (Angelica sylvestris)

 

Gestalte.

De tamme engelwortel heeft een stengel die is twee ellebogen hoog, dik en knopachtige zoals een sterke riet, inwendig hol, de bladeren zijn gespleten en ringsom gekerfd zoals de bovenste bladeren aan de Duitse berenklauw, [144, 145, 146) echter zachter, aan de stengel gewint het dunne blaasjes als opgeblazen holle zakje, uit dezelfde kruipen de schone kronen niet anders dan aan venkel, die dragen witte bloempjes met purperbruin vermengt, daaruit wordt een breed zaad, aan smaak en reuk gelijk de wortel welke is dik en lang met vele zijscheuten en vezels, uitwendig zwart, inwendig echter wit. De wilde is de tamme wat gelijk, doch zijn de bladeren gans en niet gespleten, ook wat langer, de bloemen wat witter, de zaden ook breder. De wortel is aan reuk en smaak veel zwakker.

 

 

 

Hun groeiplaats.

De tamme engelwortel teelt men in de hof, doch groeit ook aan ettelijke bergen van zichzelf zoals de wilde, welke wordt in donkere en beschaduwde oorden, wat aan de waterkanten en in ettelijke wouden gevonden.

 

Tijd.

Beide geslachten der engelwortels bloeien in juli en augustus.

 

De natuur en samengesteldheid.

De wortels van beide geslachten zijn warm en droog in derde graad.

 

De kracht en werking.

Engelwortel opent, maakt subtiel en verteert. De wortel is voornamelijk goed tegen allerlei gif. En vooral echter voor die vergiftiging der pestachtige lucht, dan zo men ze maar in de mond houdt dan bewaart en behoedt ze de mensen voor de pest. Deze wortel gepoederd en op een quinten ingenomen en winterstijd in wijn, in de zomer echter met rozenwater, neergelegd en toegedekt maakt zweten en leegt van gedachte gebreken. Zo iemand ‘s morgens vroeg nuchter van deze wortel inneemt zo is hij dezelfde dag zeker voor de pest, dan ze drijft uit dat gif door de zweet en plas. Ze verdeelt ook de taaie vochten zo zich om de borst heeft verzameld en is goed tot het hoesten die zich van koudheid verheven heeft. Men mag echter de wortel tot gedachte gebreken zieden in wijn of water, naar gelegenheid der ziekte en de drank alsdan gebruiken. Of echter dat poeder daarvan innemen. Dat kruid in wijn of water gekookt heelt de inwendige wonden. Het verdeelt ook dat tezamen gestolde bloed. Bekrachtigt de maag en dat hart. Verdrijft dat gruwen en de weerzin van eten en brengt wederom de begeerte en lust tot de spijs. Zo iemand van een woedende hond of slang gebeten is die zal dit kruid bladeren met ruit en honing gestoten in de wonden of daarop leggen en daarna zal men het in wijn zieden en daarvan te drinken geven. Zo men dit kruid in mond houdt lest het uit de overige begeerte tot onreinheid. Dit kruid bij zich gedragen zal goed voor allerlei toverij zijn. [147, 148]

 

 

Von Radten. Cap. XLIIII.

 

(A) Namen.

Die Radten, so man auch Koτnnegelin nennet, werden auff Gτiechisch Aera, unnd zů Latein Lolium geheyssen. Von ettlichen würt es auch Pseudomelanthium genent, und nit unbillich, dann es nit das recht und warhafftig Melanthium oder Nigella ist, wie ettlich ungelerte Apotecker meynen, wie wir dan sôlchs an seinem oτt wôllen anzeygen.

 

Gestalt.

Der Radten bletter seind langlecht, schmal, spitzig wie Lauch, doch kürtzer, feyþt und harecht âschenfarb grûn, mit einer schônen bτaunroten blůmen, darauþ würt ein langs, eckets, rauchs, harechts kôpfflin, darinnen ist schwartzer (B) samen. Diþ kôpfflin gewint in der ersten, ehe die blům herfür gaht, vier oder fünff grûner spitzen, wie sôlchs das gemâl klârlich anzeygt.

 

Statt seiner wachsung.

Die Radten wachsen nit allein im Weytzen, unnd Gersten, sonder auch in allem andern treyd und koτn, welches es schâdlich ist.

 

Zeit.

Blüet fürnemlich im Bτachmonat, und folgends bτingt es seinen samen.

 

Die natur und complexion.

Jst warm im anfang des dτitten grads, und trucken im end des andern.

 

(C) Die krafft und würckung.

Radten gemalen, mit schwebel, wein und essig angestrichen, heylet allerley rauden, grind, und bôse faule geschwer. Radten meel mit Tauben kot und Leinsamen in wein gesotten, und übergeschlagen, vertreibt und verzert die krôpff. Mit honigwasser gekocht und übergelegt, ist es treffenlich gůt zů dem hüfftwee. Mit honig und essig vermengt, unnd übergelegt, lindert es allerley schmertzen, in sonderheyt aber ist es gůt zů dem podagra. Gedachtes Radten meel, zeücht herauþ die spτeiþlin von den gebτochnen beynen. Reyniget und heylt allerley alte schâden. Mit Rettich, saltz und essig angestrichen, heylet es die geflecht. Mit genþ schmaltz vermengt unnd an die stirn gestrichen, oder übergelegt, benimpt es das hauptwee. Diþ kraut ist wunderbarlich im blůt stellen, heylet auch wunden und fistel, darumb es die wundârtzt in hohen eeren halten sollen.

Van korenroos. Kapittel 44. (Agrostemma githago)

 

Namen.

De raden zo men ook korennageltje noemt wordt op Grieks Aera en in Latijn Lolium geheten. Van ettelijke wordt het ook Pseudomelanthium genoemd en niet onbillijk, dan het niet dat echte en ware Melanthium of Nigella is zoals ettelijke ongeleerde apothekers menen zoals we dan zulks aan zijn oord willen aantonen.

 

Gestalte.

De raden bladeren zijn langachtig, smal, spits zoals look, doch korter, vet en haarachtig askleurig groen met een schone bruinrode bloem daaruit wordt een lang, kantig, ruw, haarachtig kopje, daarin is zwart zaad. Dit kopje gewint in het eerste eer de bloem voort gaat vier of vijf groene spitsen zoals zulks de tekening duidelijk aantoont.

 

Zijn groeiplaats.

De raden groeien niet alleen in tarwe en gerst, maar ook in alle andere graan en koren welke het schadelijk is.

 

Tijd.

Bloeit voornamelijk in juni, en vervolgens brengt het zijn zaden.

 

De natuur en samengesteldheid.

Is warm in aanvang der derde graad en droog in eind van de andere.

 

De kracht en werking.

Raden gemalen met zwavel, wijn en azijn en aangestreken heelt allerlei ruigtes, schurft en boze vuile zweren. Radenmeel met duivenmest en vlaszaden in wijn gekookt en omgeslagen verdrijft en verteert de krop. Met honingwater gekookt en opgelegd is het voortreffelijk goed tot de voetenpijn. Met honing en azijn vermengt en opgelegd verzacht het allerlei smarten en vooral echter is het goed tot de podagra. Gedacht radenmeel trekt uit de splinters van de gebroken benen. Reinigt en heelt allerlei oude schaden. Met radijs, zout en azijn aangestreken heelt het de chronische huiduitslag. Met ganzenvet vermengt en aan dat voorhoofd gestreken of opgelegd beneemt het de hoofdpijn. Dit kruid is wonderbaarlijk in bloed stelpen, heelt ook wonden en lopende gaten, daarom het de wondartsen in hoge ere houden zullen.

 

 

Von Schwalbenwurtz. Cap. XLV.

 

(A) Namen.

Schwalbenwurtz hat jhτen namen daher, das die spitzigen auffgethone schâfen mit der weissen wollen oder haren, den fliegenden schwalben nit ungleich seind. Auff Gτiechisch und Lateinisch würt sie genent Asclepias, und von ettlichen Hirundinaria. Die Apotecker aber heyssen diþ kraut Vincetoxicum. Uτsachen diser namen haben wir im Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Gestalt.

Schwalbenwurtz hat einen hohen, glatten, runden, unnd dünnen stengel, mit vil zweigen, die bletter seind lang, den Ephew nit seer ungleich, schwartz grûn. Die blûmlin seind bleychweiþ, eins starcken geruchs, darauþ werden lange [149, 150] (B) spitzige schotten oder schâfen, jnwendig gefült mit gefiderten oder harechten, rotlechten, bτeyten samen, welche so sie sich auff thůn, seind sie einem schwalben nit ungleich. Die wurtzel ist gantz zasecht durch einander geflochten, mit vilen kleinen runden wurtzeln, schier wie die Chτistwurtz, unnd hat einen starcken geruch.

 

Statt irer wachsung.

Schwalbenwurtz wechst in den rauhen, hohen, sandigen bergen unnd wâlden, fast allenthalben.

 

Zeit.

Blüet im Bτachmonat, unnd seine blůst weret biþ in Augstmonat, bτingt doch in mitler zeit lange schotten, wie oben angezeygt.

 

Die natur und complexion.

Schwalbenwurtz ist warm und trucken, und einer subtilen substantz, das ist gůt abzůnemen von dem geschmack der wurtzel, der da bitter ist.

 

(C) Die krafft und würckung.

Schwalbenwurtz in wein gesotten und getruncken, stilt das grimmen im bauch, ist auch gůt denen so von einem gifftigen thier gebissen seind. Die bletter zerstossen unnd übergelegt seind nützlich zů allerley bôsen geschwulst unnd geschweer der bτust und můter. Die wurtzel ist seer nützlich den weibern, so jr blôdigkeyt nit haben, dann sie erfoτdert die selbigen. Sie ist auch gůt denen so von einem wůtenden hund gebissen seind jnwendig und auþwendig genützt. Diser würtzel auff ein halb pfund übernach in einer maþ weissen weins gebeyþt, darnach über das dτittheyl jngesotten, unnd alle moτgen nûchtern, ein warmen dτunck im beth gethan, und darauff geschwitzt, bekompt wunderbârlich wol den wassersüchtigen. Die blůmen und bletter gedoτret, und zů pulver gemacht, und in die alten wunden und schâden gestrewt, heylen die selbigen.

Van zwaluwkruid. Kapittel 45. (Vincetoxicum hirundinaria)

 

Namen.

Zwaluwkruid heeft zijn namen daarvan dat de spitse opengedane scheepjes met het witte wol of haar de vliegende zwaluwen niet ongelijk zijn. Op Grieks en Latijns wordt ze genoemd Asclepias en van ettelijke Hirundinaria. De apothekers echter heten dit kruid Vincetoxicum. Oorzaken deze namen hebben we in Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Gestalte.

Zwaluwkruid heeft een hoge, gladde, ronde en dunne stengel met veel twijgen, de bladeren zijn lang, de klimop niet zeer ongelijk, zwartgroen. De bloempjes zijn bleekwit, een sterke reuk en daaruit worden lange [149, 150] spitse schotten of scheepjes, inwendig gevuld met geveerde of haarachtige roodachtige brede zaden welke zo ze zich open doen zijn ze een zwaluw niet ongelijk. De wortel is gans vezelig door elkaar gevlochten met vele kleine ronde wortels, schier zoals dat Kerstkruid en heeft een sterke reuk.

 

Hun groeiplaats.

Zwaluwkruid groeit in de ruwe, hoge zanderige bergen en wouden, vast overal.

 

 

Tijd.

Bloeit in juni, en zijn bloei duurt tot in augustus, brengt doch ondertussen lange schotten zoals boven aangetoond.

 

De natuur en samengesteldheid.

Zwaluwkruid is warm en droog en een subtiele substantie, dat is goed af te nemen van de smaak der wortel die daar bitter is.

 

De kracht en werking.

Zwaluwkruid in wijn gekookt en gedronken stilt dat grommen in buik, is ook goed diegene zo van een giftig dier gebeten is. De bladeren gestoten en opgelegd zijn nuttig tot allerlei boze zwellingen en zweren der borst en baarmoeder. De wortel is zeer nuttig de wijven zo hun bloederigheid niet hebben, dan ze bevordert diezelfde. Ze is ook goed diegene zo van een woedende hond gebeten zijn, inwendig en uitwendig genuttigd. Deze wortels op een half pond overnacht in een maat witte wijn geweekt, daarna over dat derde deel ingekookt en alle morgens nuchter een warme dronk in bed gedaan en daarop gezweten bekomt wonderbaarlijk goed de waterzuchtige. De bloemen en bladeren gedroogd en tot poeder gemaakt en in de oude wonden en schaden gestrooid helen diezelfde.

 

 

 

Von Erdnussen. Cap. XLVI.

 

(A) Namen.

Erdnussen werden auch genent Erckelen, Erdfeygen, und Erdmandel, darumb das an der wurtzel schwartze langlechte gewechþ hangen, die sich den Haselnussen, oder zeytigen feygen, oder den mandlen vergleichen.

 

Gestalt.

Erdnuþ hat zwey, dτey oder vier âstlin unnd stengelin, zů zeiten auch mehτ, die seind gantz klein und zart, gegen der erden rotlecht, oder bτaunfarb, wachsen nit hoch übersich, aber die weil sie auch jhτe fâden haben, darmit sie sich anhencken, kreüchen sie mit hilff der selbigen übersich in die hôhe. Die bletter vergleichen sich der gestalt nach den Rautten blettern, doch seind sie lenger, unnd (B) gantz grûn. Die blůmen rosenfarb, eins lieblichen geruchst, nit ungleich, der gestalt nach, der Wicken oder Erven blůmen. Nach den blůmen gewindt sie schâflin, darinn ist kleiner samen. Die wurtzel ist lang, unnd dünn, unnd wachsen daran kleine rûblin oder nüþlin, welch den kleinen pirn gleich seind, erdenfarb, jnwendig weiþ, eins sûssen geschmacks, fast wie die Castanien.

 

Statt seiner wachsung.

Erdnuþ wechst in dem treyd, in sonderheyt in den Weytzen, Gersten, und [151, 152] (C)  Spelten feldern, welche die sew so sie darinn kommen, unnd dise nüþlin sůchen, seer zerwûlen, dann sie seind derselbigen artzney.

 

Zeit.

Blüet im Bτachmonat, zů welcher zeit man die liebliche wolriechende blûmlin sůchen soll.

 

Die natur und complexion.

Die Erdtnussen seind zimlich warm unnd trucken, das man leichtlich auþ jrem sûssen geschmack kan abnemen.

 

(D) Die krafft und würckung.

Der oberst teyl an der wurtzel jngenomen, treibt auþ die gallen, unnd kalte schleimige feüchte, Phlegmata genent, durch das würgen unnd speyen. Der underst teyl aber, durch den stůlgang. So sie aber gantz genomen würt, so treibt sie unden und oben. Diser wurtzel safft ungevârlich biþ auff den dτitten teyl eins quintlins jngenommen und getruncken, purgiert unden und oben. Den safft můþ man aber diser gestalt samlen. Die nüþlin oder würtzlin soll man stossen, und in ein becken voller wasser legen, unnd wol durcheinander rûren, unnd mit einer federn den safft so auff dem wasser schwimmet samlen, und trucken lassen werden, unnd bτauchen. Man mag auch gedachten safft den wassersüchtigen jngeben. Die erfarnuþ gibts auch zůerkennen, das dise nüþlin machen unwillen, und begir zů speien.

Van aardnoten. Kapittel 46. (Lathyrus tuberosus)

 

Namen.

Aardnoten worden ook genoemd eikels, aardvijgen en aardamandel, daarom dat aan de wortel zwart langachtig gewas hangt die zich de hazelnoot of rijpe vijgen of de amandelen vergelijken.

 

Gestalte.

Aardnoot heeft twee, drie of vier takjes en stengeltjes, soms ook meer, die zijn gans klein en zacht, tegen de aarde roodachtig of bruinkleurig, groeien niet hoog omhoog, echter de tijd ze ook hun vezels hebben waarmee ze zich aanhangen kruipen ze met hulp daarvan omhoog in de hoogte. De bladeren vergelijken zich naar de gestalte de ruit bladeren, doch zijn ze langer en gans groen. De bloemen rozenkleurig, een lieflijke reuk, niet ongelijk naar de gestalte de wikke of erven bloemen. Na de bloemen gewint ze scheepjes en daarin is klein zaad. De wortel is lang en dun en groeien daaraan kleine raapjes of nootjes welke de kleine peren gelijk zijn, aardkleurig, inwendig wit en een zoete smaak, vast zoals de kastanjes.

 

Zijn groeiplaats.

Aardnoot groeit in de granen en vooral in de tarwe, gerst en [151, 152] speltvelden welke de zeugen zo ze daarin komen en deze nootjes zoeken zeer doorwoelen, dan ze zijn van die een artsenij.

 

Tijd.

Bloeit in juni, in welke tijd men de lieflijke welriekende bloempjes zoeken zal.

 

De natuur en samengesteldheid.

De aardnoten zijn matig warm en droog dat men licht uit hun zoete smaak kan afnemen.

 

 

De kracht en werking.

Dat bovenste deel aan de wortel ingenomen drijft uit de gal en koude slijmerige vocht, Phlegmata genoemd, door dat wurgen en spuwen. Dat onderste deel echter door de stoelgang. Zo ze echter gans ingenomen worden dan drijven ze onder en boven. Deze wortel zijn sap ongeveer tot op het derde deel van een quinten ingenomen en gedronken purgeert onder en boven. Het sap moet men echter deze gestalte verzamelen. De nootjes of worteltjes zal men stoten en in een beker vol water leggen en goed door elkaar roeren en met een veer het sap zo op het water zwemt verzamelen en droog laten worden en gebruiken. Men mag ook gedacht sap de waterzuchtige ingeven. De ervaring geeft ook te kennen dat deze nootjes maken onwil en begeerte tot spuwen.

 

 

Von Sternkraut. Cap. XLVII.

 

(A) Namen.

Sternkraut würt auff Gτiechisch und Lateinisch Aster Atticus, Bubonium und Jnguinalis genent. Uτsachen derselbigen namen haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt. Aber Sternkraut würt es daher geheyssen, das die bletter am kraut, und fürnemlich an den blůmen, einem stern gantz gleich seind.

 

Gestalt.

Sternkraut hat ein holtzechten stengel, welcher mit langlechten, dicken und harechten blettern bekleydet ist. Am gipffel der stengel bτingt es ein schône purpurbτaune geele blůmen, dann der apffel ist jnwendig geel, und ringþumbher mit purpurbτaunen blettlin, die einem stern gleich seind, geziert, die werden zů letzt zů grawem haar, und fliegen darvon. Die wurtzel hat vil zaseln.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Es wechst an den hohen reynen, bûheln unnd bergen, zů zeiten auch inn den wâlden.

 

Zeit.

Blüet fürnemlich im Augstmonat, und werden die blůmen noch im Herbstmonat gefunden.

 

Die natur und complexion.

Sternkraut kûlet gleich wie die Rosen, doch nit seer. Es verzert auch unnd trücknet auþ, wie das sein geschmack, der do bitter ist, klârlich anzeygt.

 

Die krafft und würckung.

Sternkraut übergelegt bekompt wol dem hitzigen magen. So eim die dτûþ [153, 154] (C) so bey den gemechten seind geschwollen, soll er diþ kraut noch grûn zerstossen unnd überschlagen, so vertreibt es die geschwulst. Es ist auch nützlich zů überiger hitz unnd rôte der augen. So einem der hinder auþgeet, soll er diþ kraut darüber legen, so geniþt er widerumb. Man sagt auch das diþ kraut soll den weetagen der gemechten stillen, so es nur an dieselbigen oτt unnd statt würdt angebunden.

Van sterrenkruid. Kapittel 47. (Aster amellus)

 

Namen.

Sterrenkruid wordt op Grieks en Latijns Aster Atticus, Bubonium en Inguinalis genoemd. Oorzaken van diezelfde namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond. Echter sterrenkruid wordt het daarom geheten dat de bladeren aan kruid en voornamelijk aan de bloemen een ster gans gelijk zijn.

 

 

Gestalte.

Sterrenkruid heeft een houtachtige stengel welke met langachtige, dikke en haarachtige bladeren bekleed is. Aan top der stengel brengt het een schone purperbruine gele bloem, dan de appel is inwendig geel en ringsom met purperbruine blaadjes die een ster gelijk zijn gesierd, die worden tenslotte tot grauw haar en vliegen daarvan. De wortel heeft veel vezels.

 

 

Zijn groeiplaats.

Het groeit aan de hoge akkerkanten, heuvels en bergen, soms ook in de wouden.

 

Tijd.

Bloeit voornamelijk in augustus en worden de bloemen noch in herfstmaand gevonden.

 

De natuur en samengesteldheid.

Sterrenkruid koelt gelijk zoals de rozen, doch niet zeer. Het verteert ook en droogt uit zoals dat zijn smaak die er bitter is duidelijk aantoont.

 

De kracht en werking.

Sterrenkruid opgelegd bekomt goed de hete maag. Zo een de klieren [153, 154] zo bij de geslachten zijn gezwollen zal hij dit kruid noch groen stoten en omslaan dan verdrijft het de zwellingen. Het is ook nuttig tot overige hitte en roodheid der ogen. Zo een het achterste uitgaat zal hij dit kruid daarover leggen dan geneest hij wederom. Men zegt ook dat dit kruid zal de pijnen der geslachten stillen zo het maar aan diezelfden oord en plaats wordt aangebonden.

 

 

 

Von Grasz. Cap. XLVIII.

 

(A) Namen.

Graþ würt von den Gτiechischen Agrostis, zů Latein Gτamen genent.

 

Geschlecht.

Es seind mancherley geschlecht der Gτaþ, auþ welchen auch eins ist diþ gegenwertig, wie wir hernach wôllen anzeygen.

 

Gestalt.

Das Gτaþ kreücht auff der erden mit seinen stengeln oder âstlin, die do vil gewerb oder knoden haben, unnd auþ denselbigen kommen die sûssen und knodechten wurtzeln. Die bletter seind auþgespitzt, hert, unnd ein wenig bτeyt, wie der kleinen roτ. Also beschτeibt das graþ der  Dioscoτides. Aber auþ disen woτten ist leichtlich abzenemen, das diþ kraut welchs bildung und contrafactur wir hie darstellen, auch ein geschlecht des Graþ sey, dann es hat seine runden stengelin und âstlin, mit jren gewerblin gleychþweit von einander gesetzt, die auff der (B) erden kriechen. Die kleine würtzelin seind dün und sûþ. Die bletter, deren zwey allewegen auff den seiten bey den gewerblen gegen einander gesetzt, seind auþgespitzt, hert, und etwas bτeyt. Seine blůmen seind weiþ, gleich wie das Gτaþ hat so auff dem berg Parnaso wechst, gestirnt, zů ringþumbher mit fünff bletlin gezieret, die in der mitte ein auþgeschnitten kerflin haben. So sie abfallen wechst ein runds knôpfflin hernach, den bollen an dem Flachþ nit ungleich, das ist voller kleins samens.

 

Statt seiner wachsung.

Diþ Gτaþ darvon wir hie handlen, wechst gern an den schattechten oτten, unnd in den hecken.

 

Zeit.

Am end des Apτilles, so bτingt es seine schône weisse blůmen.

 

(C) Die natur und complexion.

Die wurtzel der Gτaþ ist zimlich kalt und trucken. Das kraut aber ist im ersten grad kalt, und in dem trucknen unnd feüchten gantz mittelmâssig. Der same ist etwas schwach, doch trücknet er auþ.

 

Die krafft und würckung.

Die wurtzel und kraut des Gτaþ grûn zerstossen und übergelegt, heylet die wunden. Dise wurtzel in wein gesotten unnd getruncken, stillet nit allein das bauchwee, sonder treibt auch den harn, und zermalet den stein. Der sam treibt auch den harn, und trücknet auþ den bauchfluþ. Er ist auch nützlich zů dem biþ der gifftigen thiern. [155, 156]

Van gras. Kapittel 48. (Stellaria holostea)

 

Namen.

Gras wordt van de Grieken Agrostis, in Latijn Gramen genoemd.

 

Geslacht.

Er zijn vele geslachten van gras waaruit ook een is dit tegenwoordige zoals we hierna willen aantonen.

 

Gestalte.

Dat gras kruipt op de aarde met zijn stengels of takjes die er veel wervels of knopen hebben en uit diezelfde komen de zoete en knoopachtige wortels. De bladeren zijn toegespitst, hard en een weinig breed zoals dat kleine riet. Alzo beschrijft dat gras Dioscorides. Echter uit deze woorden is licht af te nemen dat dit kruid welke zijn afbeelding en figuur we hier voorstellen ook een geslacht van het gras is, dan het heeft zijn ronde stengeltjes en takjes met zijn werveltjes gelijk wijdt van elkaar gezet die op de aarde kruipen. De kleine worteltjes zijn dun en zoet. De bladeren waarvan er twee altijd op de zijde bij de wervels tegen elkaar gezet zijn toegespitst, hard en wat breed. Zijn bloemen zijn wit gelijk zoals dat gras heeft zo op de berg Parnassus groeit, gesterd en ringsom met vijf blaadjes versierd die in het midden een uitgesneden kerfje hebben. Zo ze afvallen groeit een rond knopje erna, de bollen aan het vlas niet ongelijk en dat is vol klein zaad.

 

 

 

Zijn groeiplaats.

Dit gras daarvan we hier handelen groeit graag aan de beschaduwde oorden en in de hagen.

 

 

Tijd.

Aan eind van april dan brengt het zijn schone witte bloemen.

 

De natuur en samengesteldheid.

De wortel van dit gras is matig koud en droog. Dat kruid echter is in eerste graad koud en in de droogte en vochtigheid gans middelmatig. Dat zaad is wat zwak, doch droogt het uit.

 

 

De kracht en werking.

De wortel en kruid van het gras groen gestoten en opgelegd heelt de wonden. Deze wortel in wijn gekookt en gedronken stilt niet alleen de buikpijn, maar drijft ook de plas en vermaalt de steen. Dat zaad drijft ook de plas en droogt uit de buikvloed. Het is ook nuttig tot de beet der giftige dieren. [155, 156]

 

 

Von Aloen. Cap. XLIX.

 

(A) Namen.

Aloen hat seinen Teütschen namen von dem Gτiechischen und Lateinischen, dann es in beyde spτaachen würt Aloe genent.

 

Gestalt.

Aloe hat fast ein blatt wie der Meerzwibel, dick unnd feyþt, ein wenig bτeyt, rund, und hindersich gebogen. Die bletter haben zů beyden seiten stachel oder spitzle die seind kurtz, unnd weit von einander gesetzt. Der stengel ist der Goldwurtz mennle genant gleich, deþgleichen auch der sam. Aber die blům ist weiþ. Das gantz kraut reucht starck, unnd ist an geschmack bitter. Hat ein einige wurtzel, welch gleich ist einem pfaal der ins erdtrich gesteckt ist.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Aloen wechst mit grosser menge in Jndia. Es würt auch in Arabia unnd Asia gefunden, unnd würdt auch yetzund an ettlichen oτten des Teutschlands gepflantz in gârten. Doch so vil mir bewüþt, ist es noch keinem zů der volkomenheyt gewachsen, hat auch noch nie blůmen gebτacht.

 

Zeit.

Dieweil wir, wie voτ angezeygt, die blůmen nie gesehen haben, künnen wir auch niemands gründlich berichten wann es blüe.

 

Die natur und würckung.

Des zůsamen gerunnen saffts des Aloen, seind zweyerley geschlecht. Der erste ist seer sandecht, und der aller unreynest. Der ander ist on allen sand, glitzerig, (C) ettwas goldfarb, laþt sich auch gern zerreiben, ist zůsamen gerunnen gleich als ein leber, und seer bitter. Diser ist der beste, und zeücht zůsamen, macht schlaffen, trücknet, treibt zum stůlgang, unnd reyniget den magen. Zweyer quintlin schwer mit wasser getruncken stillet das blůtspeien. Eins quintlins schwer aber jngenomen, heylet die geelsucht. Mit hônig jngenomen, bτingt er den stůlgang. Dτeyer quintlin schwer jngenomen, purgiert er volkomenlich. So Aloen mit andern purgierenden artzneyen vermischt würt, so macht es das sie dem magen weniger nachteil bτingen, dann es dem magen sonderlich dienstlich und angenem ist. So Aloen würt gedôτret, und in die wunden und schâden gestrewt, heylet dieselbigen. Jn sonderheyt aber ist es dienstlich zů den verserten gemechten, unnd so die voτhaut derselbigen schadhafft unnd zerbτochen ist. So (D) der hinder zerschτunden ist, wo es mit sûssem wein vermengt würt übergelegt, heylet es denselbigen. Deþgleichen so die ruckader zůseer geet, stellet es dieselbigen so es übergelegt würdt. Es heylet auch den wurm an den fingern. Mit hônig vermischt, verzeret es das undergerunnen blůt. Wann einem die heütlin welche die augen decken etwas rauch und grindig werden, so es angestrichen würt, miltert es den schmertzen, und heylet das jucken derselbigen. Mit rosenôl unnd essig vermischt, und alþdann an die stirn unnd schlaaff gestrichen, lindert es den schmertzen des haubts. Mit wein vermischt und angestrichen, verhûtet es das die haar nit auþfallen. Aloen ist auch gůt zů den geschwollen mandeln, zanfleysch, unnd allen geschwâren, im mund mit wein unnd hônig vermischt, gehalten. Es ist auch ein nützliche artzney zů allerley gebτechen der augen, sonderlich aber zur rôte derselbigen. Aloe ist auch ein gůt artzney zů allerley rauden der kynen. Mit essig vermischt, stillet es das blůt so auþ den wunden, und anderþwoher fleüþt. [157, 158]

Van aloë. Kapittel 49. (Aloë perryi)

 

Namen.

Aloë heeft zijn Duitse naam van de Grieken en Latijnen, dan het in beide spraken wordt Aloë genoemd.

 

Gestalte.

Aloë heeft vast een blad zoals de zeeui, dik en vet, een weinig breed, rond en teruggebogen. De bladeren hebben aan beide zijden stekels of spitsen, die zijn kort en wijd van elkaar gezet. De stengel is het goudkruid mannetje genoemd gelijk, desgelijks ook het zaad. Echter de bloem is wit. Dat ganse kruid ruikt sterk en is aan smaak bitter. Heeft een enkele wortel welke gelijk is een paal die in het aardrijk gestoken is.

 

 

Zijn groeiplaats.

Aloë groeit met grote menigte in India. Het wordt ook in Arabië en Azië gevonden en wordt ook nu aan ettelijke oorden van Duitsland geplant in de hof. Doch zo veel me bewust is er noch geen tot de volkomenheid gegroeid, heeft ook noch geen bloemen gebracht.

 

Tijd.

Omdat we, zoals voor aangetoond, die bloemen niet gezien hebben kunnen we ook niemand grondig berichten wanneer het bloeit.

 

De natuur en werking.

Het tezamen gestolde sap van aloë zijn twee geslachten. De eerste is zeer zandachtig en de aller onreinste. De andere is zonder alle zand, glinsterend, wat goudkleurig, laat zich ook graag wrijven, is tezamen gestold gelijk als een lever en zeer bitter. Deze is de beste en trekt tezamen, maakt slapen, droogt, drijft tot stoelgang en reinigt de maag. Twee quinten zwaar met water gedronken stilt dat bloed spuwen. Een quinten zwaar echter ingenomen heelt de geelzucht. Met honing ingenomen brengt het de stoelgang. Drie quinten zwaar ingenomen purgeert het volkomen. Zo aloë met andere purgerende artsenijen vermengd wordt dan maakt het dat ze de maag minder nadeel brengen, dan het de maag bijzonder dienstig en aangenaam is. Zo aloë wordt gedroogd en in de wonden en schaden gestrooid heelt ze diezelfde. En vooral echter is het dienstig tot de bezeerde geslachten en zo de voorhuid van diezelfde beschadigd en gebroken is. Zo het achterste ontveld is en waar het met zoete wijn vermengd wordt opgelegd heelt het diezelfde. Desgelijks zo de rugkader te zeer gaat stopt het diezelfden zo het opgelegd wordt. Het heelt ook de worm aan de vinger. Met honing vermengt verteert het dat onderhuids gestolde bloed. Wanneer een de hoedjes welke de ogen bedekken wat ruw en schurftig worden, zo het aangestreken wordt mildert het de smarten en heelt dat jeuken van diezelfde. Met rozenolie en azijn vermengt en alsdan aan dat voorhoofd en slaap gestreken verzacht het de smarten van het hoofd. Met wijn vermengt en aangestreken verhoedt het dat de haren niet uitvallen. Aloë is ook goed tot de gezwollen amandelen, tandvlees en alle zweren in de mond met wijn en honing vermengt gehouden. Het is ook een nuttige artsenij tot allerlei gebreken der ogen, bijzonder echter tot de roodheid van diezelfde. Aloë is ook een goede artsenij tot allerlei ruigtes der kin. Met azijn vermengt stilt het dat bloed zo uit de wonden en ergens anders vloeit. [157, 158]

 

 

Von Roszhůb. Cap. L.

 

(A) Namen.

Roþhůb würdt diþ kraut darumb genent, das die linden bletter mit jhτen strâmlin, ecken, und âderlin, einem Roþfůþ gleich und ânlich seind. Ettlich heyssens Bτandtlattich der uτsach halben das es den bτandt leschet. Auff Gτiechisch würt es Bechion, und zů Latein Tussilago genent. Uτsachen diser namen haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Gestalt.

Roþhůb hat bletter dem Ephew gleich, doch grôsser, welcher sechs oder siben von einer wurtzel kommen, die seind gegen der erden weiþlecht oder âschenfarb, auff der andern seiten aber grûn, haben auch vil ecken und âderlin. Sein stengel, welcher weiþ unnd harig ist, spannen hoch, bτingt schône geele gefüllte (B) blůmen, verleûrt denselbigen bald. Die blůmen vergon auch schnell, dann darauþ werden graw wollechte kôpfflin die fliegen darvon. Die wurtzel ist weiþ unnd lang.

 

Statt seiner wachsung.

Roþhůb wechst gern bey den wassern, und an den feyþten ungebawten ôτtern, auff den feüchten âckern und gründen.

 

Zeit.

Jm anfang des Mertzen, Apnillen und Meyen, so bτingt die Roþhůb jhτe wollechten stengel, und auff denselbigen die geelen blůmen, on alle bletter. Daher kompt es daþ dise blůmen wenig kennen, dann so die bletter herfür kommen, darbey diþ kraut leichtlich zůerkennen ist, so seind stengel und blůmen schon vergangen, (C) und werden bletter, stengel und blůmen nimmer bey einander gefunden. Darumb seind auch vil gewesen die geglaubt haben, das diþ kraut habe weder stengel noch blůmen, das doch fals und erlogen ist, dieweil sie beyde im Mertzen, Apτillen unnd Meyen, wie yetz angezeygt ist, gefunden werden. Welcher aber diþ nit glauben wil, der grab die blůmen auþ mit der wurtzel und setzes jn, so würt er sehen das mit der zeit die bletter herfür kriechen werden, die er nit leügnen kan das sie der Roþhůben seind. Diselben aber bleiben darnach durch den gantzen summer.

 

Die natur und complexion.

Roþhůben bletter so sie noch grûn seind, kûlen und trücknen. Wann sie aber dürτ werden, so gewinnen sie ein scherpffe, und seind derhalben warmer natur.

 

(D) Die krafft und würckung.

Die bletter so sie noch grûn zerstossen unnd übergelegt werden, leschen allerley hitz, und heylen das rotlauff. So sie aber gedôτt werden, und auff ein glůt gelegt, und der rauch darvon durch ein rhoτ in den mund empfangen würt, heylen sie den trucknen hůsten, unnd das keichen oder enge des athembs. Sie bτechen auch die apostem der bτust. Gleiche krafft hat auch die wurtzel, wann sie angezündt würt, und der rauch so darvon übersich geet in halþ empfangen würt. Es ist auch zůmercken das die grûne bletter des Roþhůbs ein sondere artzney seien zů dem bτandt so von dem fewτ beschicht, darüber gelegt, und yederweilen von newen erfrischt. [159, 160]

Van paardenhoef. Kapittel 50. (Tussilago farfara)

 

Namen.

Paardenvoet wordt dit kruid daarom genoemd dat de zachte bladeren met hun strepen, hoeken en adertjes een paardenvoet gelijk en aanlijk zijn. Ettelijke noemen het brandsla vanwege de oorzaak dat het de brand lest. Op Grieks wordt het Bechion en in Latijn Tussilago genoemd. Oorzaken deze namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Gestalte.

Paardenvoet heeft bladeren de klimop gelijk, doch groter, welke zes of zeven van een wortel komen, die zijn tegen de aarde witachtig of askleurig, op de andere zijde echter groen, hebben ook veel kanten en adertjes. Zijn stengel, welke wit en harig is en zeventien cm hoog, brengt schone gele gevulde bloemen, verliest diezelfde gauw. De bloemen vergaan ook snel, dan daaruit worden grauwe wolachtige kopjes die vliegen daarvan. De wortel is wit en lang.

 

Zijn groeiplaats.

Paardenvoet groeit graag bij de wateren en aan de vette ongebouwde oorden, op de vochtige akkers en gronden.

 

Tijd.

In aanvang van maart, april en mei dan brengt de paardenvoet zijn wolachtige stengels en op diezelfde de gele bloemen, zonder alle bladeren. Vandaar komt het dat deze bloemen weinig kennen, dan zo die bladeren voort komen waarbij dit kruid licht te herkennen is, dan zijn stengel en bloemen reeds vergaan en worden bladeren, stengel en bloemen nimmer bij elkaar gevonden. Daarom zijn ook veel geweest die geloofd hebben dat dit kruid heeft noch stengel noch bloemen, dat toch vals en gelogen is omdat ze beide in maart, april en mei, zoals net aangetoond is, gevonden worden. Welke echter dit niet geloven wil die graaft de bloemen uit met de wortel en zet ze in dan zal hij zien dat met de tijd de bladeren voort kruipen worden die niet verloochenen kunnen dan ze paardenhoeven zijn. Diezelfde echter blijven daarna door de ganse zomer.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Paardenhoeven bladeren zo ze noch groen zijn verkoelen en verdrogen. Wanneer ze echter dor worden zo gewinnen ze een scherpte en zijn derhalve warme natuur.

 

De kracht en werking.

De bladeren zo ze noch groen gestoten en opgelegd worden lessen allerlei hitte en helen de rode huiduitslag. Zo ze echter gedroogd worden en op een gloed gelegd en de rook daarvan door een riet in de mond ontvangen wordt helen ze de droge hoest en dat kuchen of enge van de adem. Ze breken ook de gezwellen der borst. Gelijke kracht heeft ook de wortel wanneer ze aangestoken wordt en de rook zo daarvan omhoog gaat in hals ontvangen wordt. Er is ook te merken dat de groene bladeren van de paardenhoef een bijzondere artsenij zijn tot de brand zo van het vuur geschiedt, daarover gelegd en elke keer opnieuw verfrist. [159, 160]

 

 

Von Burτetsch. Cap. LI.

 

(A) Namen.

Das kraut so auf Teütsch würdt Burτetsch genent, ist eben das so die Gτiechen Buglossum, unnd die Apotecker Boτraginem nennen, wie wir das mit vilen woτten in unsern Paradoxis haben bewârt, hie on not zů erzelen.

 

Gestalt.

Burτetsch hat einen rauhen feyþten stengel, seine bletter seind auch rauch, stechelecht, bτeyt, runtzelecht, schwartz wie des Wulkrauts, und neygen sich zů der erden. Der gestalt nach einer küezungen nit ungleich. Der stengel würt oben auþ in vil zweig oder âstlin zerteylt, die tragen liebliche gestirnte gantz himelblaw, ettliche auch schneeweisse blûmlin. So die auffallen, wachsen schwartze kôτnlin darnach, etwan zwey, dτey, oder vier neben einander in hülþlin, die oben offen seind.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Burτetsch wechst an ebnen und sandigen oτten, würt aber yetzund allenthalb in gârten gefunden.

 

Zeit.

Blüet im Bτachmonat, und weret den gantzen summer.

 

Die natur und complexion.

Burτetsch ist wermer unnd feüchter natur.

 

Die krafft und würckung.

Die blûmlin von der Burτetsch in wein gelegt und darvon getruncken, machen frôlich, unnd vertreiben die traurigkeyt, unnd allerley schwermûtigkeyt. So sie mit hônigwasser gesotten werden, seind sie seer bequemlich unnd nützlich (C) denen so im hals rauch seind, unnd derhalben hůsten. Der Burτetsch staud so dτey stengel oder zweiglin bτingt, sol gůt sein zů dem dτittâglichen feber, mit wurtzel unnd samen in wein gesotten und getruncken. Welcher stock aber vier zweiglin hat, sol zů dem viertâglichen feber dienen, in maþ unnd gestalt wie yetzunder angezeygt ist bereyt unnd genützt. Man mag aber auch zů gedachten febern den zucker vonn den blûmlin bτauchen. Das Burτetsch kraut zů âschen gebτent, unnd mit hônigwasser vermengt, gibt ein heylsam mundwasser für allerley geschwâr unnd verserung des hals, der zungen und zanfleysch, stâts damit gewâschen. Burτetsch treibt auch den harn, und benimpt den durst. Das kraut darvon gekocht und gessen, ist gůt zů den gebτesten der leber. [161, 162, 163]

Van bernagie. Kapittel 51. (Borago officinalis)

 

Namen.

Dat kruid zo op Duits wordt bernagie genoemd is even dat zo de Grieken Buglossum en de apothekers Borraginem noemen zoals we dat met vele woorden in onze Paradoxis hebben beweerd, hier onnodig te vertellen.

 

 

Gestalte.

Bernagie heeft een ruwe vette stengel, zijn bladeren zijn ook ruw, stekelachtig, breed, rondachtig en zwart zoals dat wolkruid en neigen zich tot de aarde. Naar de gestalte een koeientong niet ongelijk. De stengel wordt bovenuit in veel twijgen of takjes verdeeld, die dragen lieflijke gesterde gans hemelsblauwe, ettelijke ook sneeuwwitte bloempjes. Zo die afvallen groeien zwarte korreltjes daarna ongeveer twee, drie of vier naast elkaar in hulsjes die boven open zijn.

 

 

Zijn groeiplaats.

Bernagie groeit aan vlakke en zanderige oorden, wordt echter nu overal in hof gevonden.

 

Tijd.

Bloeit in juni en duurt de ganse zomer.

 

De natuur en samengesteldheid.

Bernagie is warme en vochtige natuur.

 

De kracht en werking.

De bloempjes van bernagie in wijn gelegd en daarvan gedronken maken vrolijk en verdrijven de treurigheid en allerlei zwaarmoedigheid. Zo ze met honingwater gekookt worden zijn ze zeer bekwaam en nuttig diegene zo in hals ruw zijn en derhalve hoesten. De bernagie heester zo drie stengels of twijgjes brengt zal goed zijn tot de derdedaagse malariakoorts, met wortel en zaden in wijn gekookt en gedronken. Welke stek echter vier twijgjes heeft zal tot de vierdaagse malariakoorts dienen, in maat en gestalte zoals net aangetoond is bereidt en genuttigd. Men mag echter ook tot gedachten koortsen de suiker van de bloempjes gebruiken. Dat bernagie kruid tot as gebrand en met honingwater vermengt geeft een heilzaam mondwater voor allerlei zweren en bezering van de hals, de tong en tandvlees, steeds daarmee gewassen. Bernagie drijft ook de plas en beneemt de dorst. Dat kruid daarvan gekookt en gegeten is goed tot de gebreken der lever. [161, 162, 163]

 

 

Von Rindszaug. Cap. LII.

 

(A) Namen.

Rindþaug oder Kůaug, würdt auff Teütsch Kůdill genent, darumb das seine bletter dem Dyllen nit unânlich seind. Rindþaug aber oder Kůaug ist es derhalben geheyssen, das seine blůmen den Kûaugen gleich seind. Und daher habends auch die Gτiechen und Lateinischen Buphthalmum genent. Sonst würt es auch Cotula non fœtida geheyssen.

 

Gestalt.

Rindþaug hat einen zarten stengel, seine bletter seind dem Fenchel gleich, die blůmen seind der Chamillen gantz gleich, doch vil grôsser, wie wir nach der leng in unserm Lateinischen kreüterbůch haben angezeygt. Die wurtzel ist dick, und lang, mit vilen nebenwurtzeln und zaseln.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Es wechst das Rindþaug nit allenthalben. Wo es aber würt gefunden, da wechst es auff dem feld, und nach bey den stetten.

 

Zeit.

Blüet im Hewmonat und Augstmonat, und weret hinein biþ in den Herbst.

 

Die natur und complexion.

Die blůmen von dem Rindþaug seind ettwas scherpffer und râsser dann der Chamillen, darumb auch vil hitziger.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die zerknitschte blůmen mit zerschmoltzenem wachþ vermischt, zerteylt und verzert allerley herte und geschwulst so von kalten feüchtigkeyten entsteen. Man sagt auch, so einer auþ dem bad komme, und von disem blůmen ettlich tag trincke, zůvoτ in wein gesotten, das sie die geelsucht vertreiben, und widerumb ein schône farb machen.

Van rundsoog. Kapittel 52. (Anthemis arvensis)

 

Namen.

Rundsoog of koeienoog wordt op Duits koedille genoemd, daarom dat zijn bladeren de dille niet ongelijk zijn. Rundsoog echter of koeienoog is het derhalve geheten dat zijn bloemen de koeienogen gelijk zijn. En vandaar hebben ook de Grieken en Latijnen het Buphthalmum genoemd. Soms wordt het ook Cotula non foetida geheten.

 

Gestalte.

Rundsoog heeft een zachte stengel, zijn bladeren zijn de venkel gelijk, de bloemen zijn de kamille gans gelijk, doch veel groter zoals we in het lang in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond. Die wortel is dik en lang met vele zijwortels en vezels.

 

Zijn groeiplaats.

En groeit dat rundsoog niet overal. Waar het echter wordt gevonden daar groeit het op het veld en nabij de plaatsen.

 

Tijd.

Bloeit in juli en augustus en duurt door tot in de herfst.

 

De natuur en samengesteldheid.

De bloemen van de rundsoog zijn wat scherper en zuurder dan de kamille, daarom ook veel heter.

 

De kracht en werking.

De gekneusde bloemen met gesmolten was vermengt verdeelt en verteert allerlei hardheide en zwellingen zo van koude vochtigheden ontstaan. Men zegt ook zo een uit het bad komt en van deze bloemen ettelijke dagen drinkt, tevoren in wijn gekookt, dat ze de geelzucht verdrijven en wederom een schone kleur maken.

 

 

Von Maszlieben. Cap LIII.

 

(A) Namen.

Die kreüter so wir Maþlieben heyssen, seind von dem Plinio und Lateinischen Bellius oder Bellis genent.

 

Geschlecht.

Der Maþlieben seind zweyerley geschlecht, groþ und klein. Das klein ist auch zweyerley, dann eins ist zam, das ander aber wild. Das zam heyþt man Monatblûmle, unnd seind desselbigen auch vilerley geschlecht, dann ettlich seind gefüllt, die ander aber ungefüllt, ettlich weiþ, die andern aber gantz blůtrot. Herwiderumb seind ettlich rot und weiþ durcheinander gespτengt. Diþ geschlecht würt zů Latein geheyssen Bellis minor hoτtensis. Das wild würt in sonderheyt genent Maþlieblin, oder klein zeitlôþlin, zů Latein aber Bellis minoτ sylvestris, unnd von ettlichen Pτimula veris, unnd Consolida minoτ. Das Groþ würt mit seinem rechten namen Genþblům genent, zů Latein aber Bellis maioτ. Jn unserm Lateinischen kreüterbůch ist auþ jrthumb Minoτ für Maioτ gesetzt. [164, 165, 166, 167]

 

(A) Gestalt.

Die kleinen Maþlieben so sie erstlich herfür kriechen, seind sie auff der erden auþgebτeyt, anzůsehen wie ein schôner stern, die bletter aber seind lind unnd weych, rund und langlecht, dem Nagelkraut nit ungleich, doch ein wenig zerkerfft, unnd nit so harig. Stoþt zum ersten grûne knôpfflin als flachþbollen, die steigen auff dünnen runden stengelin übersich spannen hoch oder weniger, unnd thůn sich auff zů blůmen, die seind weyþ, oder rot, oder mit beyden farben bespτengt wie angezeygt, unnd der blettlin so umb den apffel zů ringþumbher steen seind gemeinlich dτey oder fünff unnd fünfftzig. Die wurtzel ist filzecht oder zasecht, unnd weiþlecht. Die Genþblům wechst übersich anderhalb elenbogen (B) hoch, mit einem zarten stengel. Die bletter seind der kleinen Maþlieblin blettern nit ungleich, doch tieffer zerkerfft. Die blům ist auch der blůmen an dem Maþlieblin, oder aber der Chamillen, gleich, doch vil grôsser. Der apffel ist geel, das râdle aber weiþ. Die wurtzel ist auch zasecht, unnd etwas schwertzer dann der kleine Maþlieblin.

 

Statt irer wachsung.

Die zamen Maþlieblin oder Monatblûmlin pflantzt man fast in allen gârten. Das wild wechst allenthalben auff den heyden, unnd bey den wassern. Die Genþblům aber würt in den wisen gefunden in grosse menge.

 

(C) Zeit.

Die zamen Maþlieblin findt man schier durch gantz jar in gârten, wie das wild auff dem feld, doch am meysten gegen dem frûling. Die Genþblům blüet im Meyen fast in allen wisen.

 

Die natur und complexion.

Die Maþlieben seind on zweifel truckner natur, das man klârlich auþ dem kan abnemen, das sie zů den wunden zeheylen gebτaucht werden, unnd das sie wie auch Plinius anzeygt, verzeren unnd zerteylen die krôpff. Darumb jrτen die seer so sagen das dise kreüter seind feüchter natur. Nach dem aber das wild etwas saur ist, so halten wirs darfür das es auch kelte, doch nit seer. Die andern aber alle seind warmer natur, doch mittelmâssig, und zerteylen.

 

(D) Die krafft und würckung.

Das klein Maþlieblin ist ein recht wundkraut, heylet allerley blâterlin, und die zerbτochnen hirnschalen. Sein safft getruncken ist gůt denen so verwundt seind. Die bletter grûn zerstossen, unnd auff die hitzigen wunden gelegt, heylet dieselbigen. Die Genþblům ist fürtreffenlich gůt zů den lamen glidern, verzeret auch die krôpff, ist gůt zů dem Podagra, unnd hüfftwee, dann es zerteylt unnd verzert allerley grobe feüchtigkeyt. [168, 169]

Van madelieven. Kapittel 53.

 

Namen.

De kruiden zo we madelieve heten zijn van Plinius en Latijnen Bellius of Bellis genoemd.

 

 

Geslacht.

Van de madelieve zijn twee geslachten, groot en klein. De kleine is ook twee, dan een is tam en de andere echter wild. De tamme noemt men maandbloem en zijn van die ook vele geslachten, dan ettelijke zijn gevuld, de anderen echter ongevuld, ettelijke wit, de andere echter gans bloedrood. Daartegen zijn ettelijke rood en wit door elkaar gesprengd. Dit geslacht wordt in Latijn geheten Bellis minor hortensis. (Bellis perennis) De wilde wordt vooral genoemd madeliefje of klein tijdeloosje, in Latijn echter Bellis minor sylvestris en van ettelijke Primula veris en Consolida minor. De grote wordt met zijn echte naam ganzebloem, in Latijn echter Bellis major. In ons Latijnse kruidenboek is uit dwaling Minor voor Maior gezet. [164, 165, 166, 167] (Leucanthemum vulgare)

 

 

Vorm.

De kleine madelieven zo ze net voort kruipen zijn ze op de aarde uitgespreid, aan te zien zoals een schone ster, de bladeren echter zijn zacht en week, rond en langachtig, het nagelkruid niet ongelijk, doch een weinig gekerfd en niet zo harig. Stoot als eerste groene knopjes zoals vlasbol die stijgen op dunne ronde stengeltjes omhoog zeventien cm hoog of minder en doen zich open tot bloemen, die zijn wit of rood of met beide verven gesprengd zoals aangetoond en de blaadjes zo om de appel ringsom staan zijn gewoonlijk drie of vijf en vijftig. De wortel is viltachtig of vezelig en witachtig. De ganzebloem groeit omhoog anderhalf ellebogen hoog met een zachte stengel. De bladeren zijn de kleine madeliefjes bladeren niet ongelijk, doch dieper gekerfd. De bloem is ook de bloem aan het madeliefje of echter de kamille gelijk, doch veel groter. De appel is geel, dat radje echter wit. De wortel is ook vezelig en wat zwarter dan de kleine madelief.

 

 

 

Hun groeiplaats.

De tamme madeliefje of maandbloem plant men vast in alle hoven. De wilde groeit overal op de heide en bij de wateren. De ganzebloem echter wordt in de weiden gevonden in grote menigte.

 

Tijd.

De tamme madeliefjes vindt men schier door ganse jaar in hof zoals de wilde op het veld, toch het meeste tegen het voorjaar. De ganzebloem bloeit in mei vast in alle weiden.

 

De natuur en samengesteldheid.

De madelieven zijn zonder twijfel droge natuur dat men duidelijk uit dat kan afnemen dat ze tot te wonden helen gebruikt worden en dat ze zoals ook Plinius aantoont verteren en verdelen de krop. Daarom dwalen die zeer zo zeggen dat deze kruiden zijn vochtige natuur. Nadat echter de wilde wat zuur is zo houden we het daarvoor dat het ook koud is, doch niet zeer. De anderen echter alle zijn warme natuur, doch middelmatig en verdelen.

 

 

De kracht en werking.

Dat kleine madeliefje is een echt wondkruid, heelt allerlei blaartjes en de gebroken hersensschalen. Zijn sap gedronken is goed diegenen zo gewond zijn. De bladeren groen gestoten en op de hete wonden gelegd heelt diezelfde. De ganzebloem is voortreffelijk goed tot de lamme leden, verteert ook de krop, is goed tot de podagra en voetenpijn, dan het verdeelt en verteert allerlei grove vochtigheid. [168, 169]

 

 

 

Von Sevenbaum. Cap. LIIII.

 

(A) Namen.

Sevenbaum würt von den Gτiechen Bτathys, und den Lateinischen Sabina oder Savina genent, welcher namen in den Apotecken bliben ist.

 

Geschlecht.

Des Sevenbaum seind zweyerley geschlecht, wie das Dioscoτides klârlich anzeygt. Einer hat bletter wie Cipτeþ, und ist der so gemeinlich an allen oτten unsers Teütschen lands wechst. Der ander ist etwas seltzamer, hat bletter wie Tamariscken, welchen wir noch nit gesehen haben.

 

Gestalt.

Sevenbaum des ersten geschlechts, welchen wir hie contrafayt geben, bτingt bletter wie Cipτeþ, doch hat er mehτ dôτn, und ist eins starcken geruchs, scharpff (B) und hitzig. Er ist auch nit hoch, bτeytet sich aber auþ in die weite, und darumb so mag man darunder sitzen, wie under einer hütten, oder einem gewelb. Jst stâts grûn, und auþgebτeytet, wie der Weckholder.

 

Statt seiner wachsung.

Der Sevenbaum wechst fast in allen gârten.

 

Zeit.

Sevenbaum mag zů aller zeit gesamlet werden, doch ist er fürnemlich im Herbst zůsamlen wann er samen hat.

 

Die natur und complexion.

Sevenbaum ist warm und trucken im dτitten grad, unnd einer subtilen substantz.

 

(C) Die krafft und würckung.

Sevenbaum bletter seind gůt unden auff zůreüchen, dann sie bτingen den frawen jhτe blôdigkeyt. Sie heylen auch die geschwâr, so umb sich fressen. Mit hônig vermischt reynigen sie alles was schwartz und unreyn ist. Mit wein getruncken treiben sie das blůt mit dem harn, und die todten frucht auþ můter leib. Gedachte bletter werden auch under die salben gebτaucht, die wermen. Es bτauchends auch ettliche für zimmet, so sie in zweyfeltigem gewicht genommen werden. Man mag auþ disen blettern einen gůten rauch machen, unnd für weyrauch bτauchen. Mit dem rauch diser bletter heylet man auch den zipff der hûner. Mit wein und hônig getruncken, vertreiben sie die geelsucht.

Van zevenboom. Kapittel 54. (Juniperus sabina)

 

Namen.

Zevenboom wordt van de Grieken Brathys en de Latijnen Sabina of Savina genoemd welke naam in de apotheken gebleven is.

 

Geslacht.

Van de zevenboom zijn twee geslachten zoals dat Dioscorides duidelijk aantoont. Een heeft bladeren zoals cipres en is die zo gewoonlijk aan alle oorden van ons Duitse land groeit. De andere is wat zeldzamer, heeft bladeren zoals tamarisk welke we noch niet gezien hebben.

 

 

Gestalte.

Zevenboom het eerste geslacht welke we hier afgebeeld geven brengt bladeren zoals cipres, doch heeft het meer doorns en heeft een sterke reuk, scherp en heet. Het is ook niet hoog, breidt zich echter uit in de wijdte en daarom zo mag men daaronder zitten zoals onder een hut of een gewelf. Is steeds groen en uitgebreid zoals de jeneverbes.

 

 

Zijn groeiplaats.

De zevenboom groeit vast in allen hoven.

 

Tijd.

Zevenboom mag in alle tijd verzameld worden, toch is het voornamelijk in herfst te verzamelen wanneer het zaden heeft.

 

De natuur en samengesteldheid.

Zevenboom is warm en droog in derde graad en een subtiele substantie.

 

De kracht en werking.

Zevenboom bladeren zijn goed van onder op te roken, dan ze brengen de vrouwen hun bloederigheid. Ze helen ook de zweren zo om zich vreten. Met honing vermengt reinigen ze alles was zwart en onrein is. Met wijn gedronken drijven ze de bloed met de plas en de dode vrucht uit moeders lijf. Gedachte bladeren worden ook onder die zalven gebruikt die warmen. Het gebruiken ook ettelijke voor kaneel zo ze in tweevoudig gewicht genomen worden. Men mag uit deze bladeren een goede rook maken en voor wierook gebruiken. Met de rook van deze bladeren heelt man ook de zip der hoenders. Met wijn en honing gedronken verdrijven ze de geelzucht.

 

 

Von Bτombeer. Cap. LV.

 

(A) Namen.

Brombeer würt von den Gτiechen Batus genent, zů Latein Rubus oder Sentes. Die frücht aber werden geheyssen vonn den Gτiechen Batinia, vonn den Lateinischen aber Vacinia, unnd von ettlichen Moτa vaticana, wie wir das gnůgsam in unserm Lateinischen kreüterbůch haben angezeygt.

 

 

Geschlecht.

Wiewol der geschlecht des Rubi vil seind, doch findt man der Bτombeer zweyerley, das ein mit grossen blüen, das ander aber mit kleinen, wie das gemâl klârlich beweiþt. [170, 171]

 

(B) Gestalt.

Die Bτombeer seind zwar yederman bekant. Hencken sich gern an die kleyder deren so fûrübergeen. Die stengel oder zweig seind allenthalben mit herten und stechenden doτn verwart. Die bletter seind vilfeltig zerschnitten, an eim oτt schwartzlecht, am andern weiþferbiger. Die blům ist erstlich rotlecht, darnach aber würt sie schneeweiþ, auþ welcher ein frucht herfür kompt den Maulbeern nit ungleich, schwartzbτaun, die ist inwendig voller rotes saffts.

 

Statt seiner wachsung.

Bτombeer wechst allenthalben in den hecken, und begârt von stundan undersich gegen der erden, und würtzelt widerumb jn, hegt sich also selber.

 

Zeit.

Die bletter sollen im frûling gesamlet werden. Die blůmen im anfang des summers, im Bτachmonat unnd Hewmonat. Die frucht aber umb die ernd, dann umb dieselbigen zeit würt sie zeitig.

 

Die natur und complexion.

Die bletter so erst herfür kommen seind etwas kelter unnd grôber natur, oder substantz, haben inn sich ein wâsserige substantz, sie ziehen auch ein wenig zůsamen. Die frucht so sie noch unzeitig ist, und herb, trücknet seer, und ist kalter natur. Aber wann sie zeitig würt, so überkompts ein mittelmâssige werme, zeücht doch noch zůsamen.

 

(D) Die krafft und würckung.

Bτombeer âstlin oder zweiglin gesotten und getruncken, stellen den bauchfluþ und der frawen kranckheyt. Seind gůt für der gifftigen würm biþ. Stercken das zanfleysch. Die bletter gekeüwet, heylen die mundfeulen, den grind des haupts, die augen so auþ dem kopff fallen wôllen, geschwâr des affters, und die ruckadern, so mans überlegt. Sie seind auch nützlich denen so groþ weetagen des magens haben, unnd derhalben in onmacht fallen, wann mans zerstoþt unnd überschlecht. Der safft aber auþ den stengeln und blettern getruckt und an der sonnen folgends zůsamen bτacht und gedôτrt, ist krefftiger in heylung der obgemelten gebτesten. Der safft von der frucht, so sie zeitig würdt, ist bequemlich zů allerley gebτesten des munds. So die frucht aber halb zeitig ist, (E) unnd sie oder der safft darauþ getruckt gessen würdt, stillens den bauchfluþ. Sein blům in wein gesotten unnd getruncken hat gleiche krafft. Jn summa, die bletter unnd zweig so sie gessen unnd gekeüwet werden, heylen die mundfeule, unnd allerley geschwâr des munds. Heylen auch die andern wunden. Die blům hat gleiche krafft unnd würckung mit der unzeitigen frucht. Seind aber beyde nützlich zů der roten rhůr, dem bauchfluþ, unnd blůt speyen. Die wurtzel in wein gekocht und getruncken, bτicht den lendenstein. Die bletter gedôτret und zů pulver gestossen, seind nützlich den geschwaren des vichþ. Die neüwen schôþlin in rauhem wein gesotten, krefftigen unnd stercken die wacklenden zân. [172, 173]

Van bramen. Kapittel 55. (Rubus fruticosus en Rubus caesius)

 

Namen.

Braam wordt van de Grieken Batus genoemd, in Latijn Rubus of Sentes. De vrucht echter worden geheten van de Grieken Batinia, van de Latijnen echter Vacinia en van ettelijke Mora vaticana zoals we dat voldoende in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond.

 

 

Geslacht.

Hoewel van het geslacht der Rubi veel zijn, doch vindt man van de bramen twee, de ene met grote bloemen, de andere echter met kleine zoals de tekening duidelijk bewijst. [170, 171]

 

 

Vorm.

De bramen zijn wel iedereen bekend. Hangen zich graag aan de kleren van die zo voorbij gaan. De stengels of twijgen zijn overal met harde en stekende dorens bewaard. De bladeren zijn veelvuldig ingesneden, aan een oord zwartachtig, aan andere witter gekleurd. De bloem is eerst roodachtig, daarna echter wordt ze sneeuwwit uit welke een vrucht voort komt de moerbei niet ongelijk, zwartbruin, die is inwendig vol rood sap.

 

Zijn groeiplaats.

Bramen groeien overal in de hagen en begeert van stond aan omlaag tegen de aarde en wortelt wederom in hecht zich alzo zelf.

 

 

 

Tijd.

De bladeren zullen in voorjaar verzameld worden. Die bloemen in aanvang van de zomers in juni en juli. De vrucht echter om de oogst, dan om diezelfde tijd wordt ze rijp.

 

De natuur en samengesteldheid.

De bladeren zo eerst voort komen zijn wat koudere en grovere natuur of substantie, hebben in zich een waterige substantie, ze trekken ook een weinig tezamen. De vrucht zo ze noch onrijp is en wrang droogt zeer en is koude natuur. Echter wanneer ze rijp wordt dan krijgt ze een middelmatige warmte, trekt doch noch tezamen.

 

 

De kracht en werking.

Bramen takjes of twijgjes gekookt en gedronken stelpen de buikvloed en de vrouwen ziekte. Zijn goed voor de giftige wormen beet. Sterken dat tandvlees. De bladeren gekauwd helen de mondvuilheid, de schurft van het hoofd, de ogen zo uit de kop vallen willen, zweren van het achterste en de rugader zo men ze oplegt. Ze zijn ook nuttig diegenen zo grote pijn in de maag hebben en derhalve in onmacht vallen, wanneer men ze stoot en omslaat. Dat sap echter uit de stengels en bladeren gedrukt en aan de zon vervolgens tezamen gebracht en gedroogd is krachtiger in heling der opgenoemde gebreken. Dat sap van de vrucht zo ze rijp wordt is bekwaam tot allerlei gebreken van de mond. Zo die vrucht echter half rijp is en ze of het sap daaruit gedrukt gegeten wordt stilt ze de buikvloed. Zijn bloemen in wijn gekookt en gedronken heeft gelijke kracht. In summa, de bladeren en twijgen zo ze gegeten en gekauwd worden helen de mond vuilheid en allerlei zweren van de mond. Helen ook de andere wonden. De bloem heeft gelijke kracht en werking met de onrijpe vrucht. Zijn echter beide nuttig tot de rode loop, de buikvloed en bloed spuwen. De wortel in wijn gekookt en gedronken breekt de lendensteen. De bladeren gedroogd en tot poeder gestoten zijn nuttig de zweren van het vee. De nieuwe scheutjes in rauwe wijn gekookt bekrachtigen en versterken de wakkelende tanden. [172, 173]

 

 

Von Schwartz Andoτn. Cap. LVI.

 

(A) Namen.

Den schwartzen Andoτn, der allso vonn wegen seiner schwartzen stengel und bletter genent ist, heyþt man sonst Andoτn das weible. Bey den Gτiechen würt er Ballote genent, zů Latein aber Marrubium nigrum, Marrubiastrum, unnd Prasium fœtidum, umb seines starcken und stinckenden geschmacks willen.

 

Gestalt.

Der schwartz Andoτn hat einen vierecketen stengel, schwartz unnd harig. Die bletter seind dem Marobel seer gleich, inn sonderheyt so sie zum ersten herfür kommen, doch grôsser, mehτ zerkerfft, und etwas rund, harig, unnd underscheydlich vonn einander gesetzt, eins starcken geruchs. Die blůmen steen umb den stengel ringþumbher als ein râdle, an der farb purpurbτaun.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Diþ kraut wechst bey den wegen, alten gebeüwen, zeünen, kirchhôfen, und andern ungebawten oτten.

 

Zeit.

Blüet im end des Bτachmonats, und im anfang des Hewmonats.

 

Die natur und complexion.

Schwartz Andoτn ist warm im andern grad volkommenlich, unnd trucken im dτitten.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die bletter grûn zerstossen und übergelegt, seind gůt denen so von einem wûtenden hund gebissen werden. So mans aber in eyner heyssen âschen dôτt, und alþdann mit hônig vermischt, heylen sie die unreynen geschwâr. Die laug darinn schwartzer Andoτn gesotten, ist nützlich den grindigen auþgebτochnen kôpffen, damit gewâschen.

Van zwarte andoorn. Kapittel 56. (Ballota nigra)

 

Namen.

De zwarte andoorn die alzo vanwege zijn zwarte stengels en bladeren genoemd is noemt men soms andoorn dat wijfje. Bij de Grieken wordt het Ballote genoemd, in Latijn echter Marrubium nigrum, Marrubiastrum en Prasium foetidum vanwege zijn sterke en stinkende reuk.

 

Gestalte.

De zwarte andoorn heeft een vierkantige stengel, zwart en harig. De bladeren zijn de malrove zeer gelijk en vooral zo ze als eerste voort komen, doch groter, meer gekerfd en wat rond, harig en apart van elkaar gezet, een sterke reuk. De bloemen staan om de stengels ringsom als een rad, aan de verf purperbruin.

 

 

 

Zijn groeiplaats.

Dit kruid groeit bij de wegen, oude gebouwen, tuinen, kerkhoven en andere ongebouwde oorden.

 

Tijd.

Bloeit in eind van juni en in aanvang van juli.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Zwarte andoorn is warm in andere graad volkomen en droog in derde.

 

De kracht en werking.

De bladeren groen gestoten en opgelegd zijn goed diegene zo van een woedende hond gebeten worden. Zo men ze echter in een hete as droogt en alsdan met honing vermengt helen ze de onreine zweren. De loog waarin zwarte andoorn gekookt is, is nuttig de schurftige uitgeslagen koppen, daarmee gewassen.

 

 

Von Hanenfůsz. Cap. LVII.

 

(A) Namen.

Hanenfůþ würdt von den Gτiechen genent Batrachium, zů Latein aber Ranunculus. Von ettlichen würt diþ kraut Flammula, umb seiner scharpffen und bτennenden krafft willen, geheyssen. Der Apuleius nent es Sceleratam, das ist, ein schalckhafftig oder boþhafftig kraut, von wegen der schalckhafftigen bettlern, welche mit disen gewechsen die füþ unnd arm auff etzen, darmit sie die leüt bewegen jhnen zegeben. Aber mit sôlchen bôsen bůben die mit disem betrug das gelt von den leüten bτingen, sol man zů dem hencker eilen, darmit sie fürhin sôlchen falsch nit mehτ treiben künden.

 

Geschlecht.

Es seind zwar vil geschlecht der Hanenfůþ, aber die fürnemsten, und so gemeinlich gefunden werden, wie Dioscoτides unnd Galenus anzeygen, seind viererley. Der erst Hanenfůþ ist auch zweyerley, einer zam, der ander wild. Der zam ist auch zweyerley art, einer gefüllt, der ander ungefüllt. Des wilden werden zweyerley von den allten erzelt. Einer hat geele blůmen, den haben wir [174, 175, 176, 177, 178, 179, 180, 181] (B) wisen Hanenfůþ genent, darumb er gern in den wisen und graþgârten wechst. Jn unserm Lateinischen kreüterbůch ist durch jrthumb, weisser für wisen gesetzt. Der ander hat purpurbτaun blůmen, den haben wir noch nit môgen sehen. Den andern Hanenfůþ, welcher fast bletter hat wie der Epffich, und derhalben von ettlichen wilder Epffich genent würt, haben wir wasser Hanenfůþ geheyssen. Der dτitt Hanenfůþ ist klein, darumb wir jhn auch kleinen Hanenfůþ genent haben. Das vierdt geschlecht der Hanenfůþ ist das aller kleinst, und würt auff Teütsch genent Waldhenle. Diþ ist auch, wie Plinius schτeibt, zweyerley, eins mit weissen, das annder mit geelen blůmen. Darumb wir das ein, weiþ Waldhenle, das ander geel Waldhenle genent haben.

 

(C) Gestalt.

Der erst Hanenfůþ, wie Dioscoτides schτeibt, hat bletter dem Coτiander gleich, doch bτeyter, unnd, wie Plinius meldt, die fast in der bτeyte der Pappeln bletter seind, weiþlecht, und feyþt. Die blům ist geel, zů zeiten auch purperbτaun. Der stengel ist nit dick, doch elnbogens hoch. Die wurtzel ist klein, weiþ, bitter, mit vilen anhangenden kleinen zaseln, wie an der Nieþwurtz. Auþ welchen woτten Dioscoτides klârlich vermerckt würt, das der wise Hanenfůþ ein gschlecht ist des ersten Hanenfůþ, dann er hat bletter die seind erstlich rund, ungespalten, die andern aber so nach den ersten kommen, seind zerspalten und gefoτmiert wie der Hûnerfůþ, und ye hôher am stengel, ye gleicher sie dem Hûner oder Rappenfůþ werden, unnd ye schmeler, wie an dem Coτiander kraut. Die blůmen seind (D) geel, die wurtzel hat vil zaseln, wie die Nieþwurtz. Deþgleichen auch der ungefüllt Hanenfůþ hat allenthalben bletter, wie die andern Hanenfůþ allein am obersten teyl des stengels haben, gantz schmal, doch seind sie oben auff in zwey teyl zerspalten. Seine blûmlin seind dunckelgeel, gewindt ein stachelechts kôpflin, wie ein Ygel, darinn ist der sam. Die wurtzel ist auch zasecht, wie an der weissen Nieþwurtz. Der gefüllt garten Hanenfůþ hat auch zerspalten bletter wie der wisen Hanenfůþ, einen dünnen und langen stengel, darauff steen schône gefüllte geele blůmen, die wurtzel ist auch zasecht, wie der voτigen. Der wasser Hanenfůþ gewindt ein hohen stengel, und daran bletter die seind tieff zerkerfft wie des Epffichs, hat auch schône bleychgeel blûmlin, so die selbigen abfallen gewindt (E) er kôpfflin wie die trauben zůsamen getrungen, darinn ist sein same. Die wurtzel hat auch vil zaseln. Der kleiner Hanenfůþ hat zerspalten und auþgeteylte bletter, ist ein wenig harig, der stengel rund, und auff demselbigen schôn geel blůmen. Die wurtzel rund wie ein kleiner zwibel, mit kleinen anhangenden zaseln. Das vierdt geschlecht, das man Waldhenle heyþt, hat auch zerspaltene bletter wie die andern Hanenfůþ, sein stengel würt nit hoch, auff demselbigen gewindt es blůmen die seind weisþ leibfarb, unnd an ettlichen hübsch geel. Die wurtzel ist überzwerch geflochten, langlecht, unnd etwas knôpffecht. Bτent auff der zungen, wie der klein Hanenfůþ.

 

Statt irer wachsung.

(F) Das erst geschlecht des geelen Hanenfůþ wechst von jm selbs bey den lachen, pfûlen, feüchten wisen und graþgârten. Der gefüllt würdt allein in den gârten von den junckfrawen zů den krentzen gepflantzt. Der ungefüllt wechst auch in den gârten, und zů zeiten auff den nassen feldern, sonderlich wann feüchte jar seind. Der wasser Hanenfůþ wechst bey den wassern und bâchen. Der kleiner in den graþgârten, wisen, unnd heyden allenthalben. Die Waldhenlin findt man in den wâlden, inn sonderheyt das weiþ. Das geel aber wechst in hecken unnd awen an dem wasser gelegen. [182]

 

(G) Zeit.

Der wisen Hanenfůþ blüet im anfang des Apτillen, und vergeet darnach im Meyen. Die garten Hanenfůþ gefüllt unnd ungefült, deþgleichen der wasser unnd klein Hanenfůþ blüen den gantzen summer. Das Waldhenlin kompt im frûling, nemlich im Mertzen und Apτillen herfür, und blüet in den wâlden und feüchten awen, darnach vergeet es auch, wie der erst Hanenfůþ.

 

Die natur und complexion.

Die Hanenfůþ alle zůgleich seind zeer warmer und truckner natur, doch der wisen Hanenfůþ ist nit sonderlich scharpff wie die andern, darumb er auch nit so krefftig ist in der würckung wie die andern geschlecht der Hanenfůþ.

 

(H) Die krafft und würckung.

Aller Hanenfůþ stengel und bletter so sie noch zart seind zerstossen und übergelegt, etzen auff, bτennen, und machen rufen. Derhalben nemen sie hinweg die rauhen und unglatten negel, allerley rauden, und masen so am leib seind, wartzen, und andere ungeschickte gewechþ. So mans ein kleine weil denen so das haar auþfallet überlegt, bτingen sie denselbigen grossen nutz. Doch soll mans bald wider dannen thůn, dann sie sonst die haut auff etzen. Die wurtzel gedôτret macht seer niesen.

Van hanenvoet. Kapittel 57.

 

Namen.

Hanenvoet wordt van de Grieken genoemd Batrachium, in Latijn echter Ranunculus. Van ettelijke wordt dit kruid Flammula vanwege zijn scherpe en brandende kracht geheten. Apuleius noemt het Sceleratam, dat is een schalkachtige of boosaardig kruid vanwege de schalkachtige bedelaars welke met deze gewassen de voeten en armen uitbranden waarmee ze de lieden bewegen hen te geven. Echter met zulke boze knapen die met dit bedrog dat geld van de lieden brengen zal men tot de galg ijlen waarmee ze verder zulke valsheid niet meer bedrijven kunnen.

 

 

Geslacht.

Er zijn wel veel geslachten der hanenvoet, echter de voornaamste en zo gewoonlijk gevonden worden zoals Dioscorides en Galenus aantonen zijn vier. De eerste hanenvoet is ook twee, een tamme, de andere wild. De tamme is ook twee vormen, een gevulde, de andere ongevuld. Van de wilden worden twee van de oude verhaald. Een heeft gele bloemen en die hebben we [174, 175, 176, 177, 178, 179, 180, 181] weiden hanenvoet genoemd, daarom het graag in de weiden en grashoven groeit. (Ranunculus auricomus) In ons Latijnse kruidenboek is door dwaling witte voor weide gezet. De andere heeft purperbruine bloemen, die hebben we noch niet mogen zien. (Ranunculus arvensis) De andere hanenvoet welke vast bladeren heeft zoals de eppe en derhalve van ettelijke wilde eppe genoemd wordt hebben we water hanenvoet geheten. (Ranunculus sceleratus) De derde hanenvoet is klein, daarom we die ook kleine hanenvoet genoemd hebben. (Ranunculus bulbosus) Dat vierde geslacht der hanenvoet is dat allerkleinste en wordt op Duits genoemd woudhennetje. Dit is ook, zoals Plinius schrijft, twee, een met witte en de andere met gele bloemen. Daarom we dat ene wit woudhennetje en de andere geel woudhennetje genoemd hebben. (Anemone nemorosa, Anemone ranunculoides)

 

Vorm.

De eerste hanenvoet, zoals Dioscorides schrijft, heeft bladeren de koriander gelijk, doch breder en, zoals Plinius meldt, die vast in de breedte der kaasjeskruid bladeren zijn, witachtig en vet. De bloem is geel en soms ook purperbruin. De stengel is niet dik, doch ellebogen hoog. De wortel is klein, wit, bitter, met vele aanhangende kleine vezels zoals aan dat nieskruid. Uit welke woorden Dioscorides duidelijk gemerkt wordt dat de witte hanenvoet een geslacht is van de eerste hanenvoet, dan het heeft bladeren die zijn eerst rond, niet gespleten, de andere echter zo na de eerste komen zijn gespleten en gevormd zoals de hoendervoet en hoe hoger aan stengel hoe meer gelijk ze de hoenders of ravenvoet worden en meer smaller zoals aan het koriander kruid. De bloemen zijn geel, de wortel heeft veel vezels zoals dat nieskruid. Desgelijks ook de ongevulde hanenvoet heeft overal bladeren zoals de andere hanenvoet alleen aan het bovenste deel van de stengels hebben, gans smal, doch zijn ze bovenop in twee delen gespleten. Zijn bloempjes zijn donkergeel, gewint een stekelachtig kopje zoals een egel, daarin is het zaad. De wortel is ook vezelig zoals aan het witte nieskruid. De gevulde hof hanenvoet heeft ook gespleten bladeren zoals de weiden hanenvoet, een dunne en lange stengel, daarop staan schone gevulde gele bloemen, die wortel is ook vezelig zoals de vorige. De water hanenvoet gewint een hoge stengel en daaraan bladeren die zijn diep gekerfd zoals de Apium, heeft ook schone bleekgele bloempjes en zo diezelfde afvallen gewint het kopjes als de druiven tezamen gedrongen, daarin is zijn zaad. De wortel heeft ook veel vezels. De kleine hanenvoet heeft gespleten en uitgedeelde bladeren, is een weinig harig, de stengel rond en op dezelfde schone gele bloemen. De wortel rond zoals een kleine ui met kleine aanhangende vezels. Dat vierde geslacht dat men woudhennetje heet heeft ook gespleten bladeren zoals de andere hanenvoet, zijn stengel wordt niet hoog, op dezelfde gewint het bloemen, die zijn wit lijfkleurig en aan ettelijke mooi geel. De wortel is overdwars gevlochten, langachtig en wat knopachtige. Brandt op de tong zoals de kleine hanenvoet.

 

Hun groeiplaats.

Dat eerste geslacht van de gele hanenvoet groeit van zichzelf bij de plassen, poelen, vochtige weiden en grashof. De gevulde wordt alleen in de hof van de jonkvrouwen tot de kransen geplant. De ongevulde groeit ook in de hof en soms op de natte velden, vooral wanneer vochtige jaren zijn. De water hanenvoet groeit bij de wateren en beken. De kleine in de grashof, weiden en heide overal. Dat woudhennetje vindt men in de wouden en vooral de witte. Dat gele echter groeit in hagen en kanten aan het water gelegen. [182]

 

 

Tijd.

De weiden hanenvoet bloeit in aanvang van april en vergaat daarna in mei. De hof hanenvoet gevuld en ongevuld, desgelijks de water en kleine hanenvoet bloeien de ganse zomer. Dat woudhennetje komt in voorjaar, namelijk in maart en april voort en bloeit in de wouden en vochtige kanten, daarna vergaat het ook zoals de eerste hanenvoet.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

De hanenvoeten alle tegelijk zijn zeer warme en droge natuur, doch de weiden hanenvoet is niet bijzonder scherp zoals de andere, daarom het ook niet zo krachtig is in de werking zoals de andere geslachten der hanenvoet.

 

 

De kracht en werking.

Alle hanenvoet stengels en bladeren zo ze noch zacht zijn gestoten en opgelegd eten op, branden en maken korsten. Derhalve nemen ze weg de ruwe en ruwe nagels, allerlei ruigtes en mazelen zo aan lijf zijn, wratten en andere ongeschikt gewas. Zo men ze een kleine tijd diegene zo dat haar uitvalt oplegt brengen ze diezelfde grote nut. Doch zal men ze gauw daar vandaan doen, dan ze anders de huid opeten. De wortel gedroogd maakt zeer niezen.

 

 

Von Hopffen. Cap. LVIII.

 

(A) Namen.

Hopffen würdt von den Gτiechen Bτyon genent, zů latein Lupus salictarius, in den Apotecken Lupulus, unnd zů zeiten auch Humulus. Die uτsachen gedachter namen findt man in unserm Lateinischen kreüterbůch.

 

Geschlecht.

Des Hopffen seind zweyerley geschlecht, zam unnd wild, wie wir hernach weiter wôllen anzeygen. Der zam würt mit grossem vleiþ an ettlichen oτten gepflantzt. Der wild kompt von jm selbs.

 

(B) Gestalt.

Der zam Hoppf stoþt erstlich junge spargen oder dolden herfür gantz rund, bτaunrot, on laub. So bald dieselbigen manþ hoch übersich kommen, werden die stengel gantz rauch, durchauþ mit kleinen dôτnen und stacheln besetzt. Die bletter seind rauch, schwartzgrûn, dem Stickwurtz laub gleich. An dem stengel gewindt er dτauschelechte getrungne weiþgeele blûmle, beynach als die weinreben, aber volkommenlicher und grôsser. Auþ gemellten blûmlin wachsen gantz lucke, gefüllte, leichte secklin, zwüschen welchen ligt der bτaun, rund samen verboτgen. Der wild Hopff ist aller ding dem zamen Hopffen gleich.

 

(C) Statt irer wachsung.

Der zam Hopff würt im Teütschen land, an den oτten da nit wein wechst, in den gârten und âckern gepflantzt, zů dem bier. Der wild wechst allenthalben hinder den zeünen, an den doτnhecken, in den grâben, und an den mauren, und waran er sich anhencken kan.

 

Zeit.

Gegen dem Lentzen stoþt der Hopff sein junge dolden, darnach wechst er an den langen stangen hoch übersich, und im Hewmonat fahet er an zů blüen. Jm Augstmonat aber, und im anfang des Herbstmonats würt es gesamlet. [183, 184]

 

(C) Die natur und complexion.

Es seind ettlich die schτeiben der Hopff sei kalter natur. Die andern, er sey mittelmâssig, weder kalt noch warm. Aber beyde teyl jrτen, dann dieweil der Hopff seer bitter ist, und eins starcken geruchs, so můþ er von not wegen warm unnd trucken sein im andern grad. Deþgleichen ist auch die wurtzel warmer natur.

 

(D) Die krafft und würckung.

Hopffen reynigen das geblůt, treiben auþ beyderley gallen. Sie verzeren auch allerley geschwulst. Seind gůt den wassersüchtigen. Der safft von Hopffen row jngenommen, treibt krefftig durch den stůlgang. So er aber gesotten würdt, ist er treffenlich gůt zů allerley verstopffung der inwendigen glidern, aber treibt weniger zum stůlgang. Gedachter safft in die ohτen gethon, enthelt sie voτ allerley feülung, und vertreibt den gestanck darinnen. Der Hopff erôffnet auch die můtter, macht harnen, und in summa, hat alle würckung, so vom Galeno den bittern dingen seind zůgeeygnet. Die wurtzel nimpt hinweg allerley verstopffung, in sonderheyt aber der leber und des miltzes.

Van hop. Kapittel 58. (Humulus lupulus)

 

Namen.

Hop wordt van de Grieken Bryon genoemd, in Latijn Lupus salictarius, in de apotheken Lupulus en soms ook Humulus. De oorzaken gedachte namen vindt men in ons Latijnse kruidenboek.

 

Geslacht.

Van de hop zijn twee geslachten, tam en wild zoals we hierna verder willen aantonen. De tamme wordt met grote vlijt aan ettelijke oorden geplant. De wilde komt van zichzelf.

 

 

Vorm.

De tamme hop stoot eerst jonge scheuten of spruiten voort, gans rond, bruinrood en zonder loof. Zo gauw diezelfde mans hoog komen worden de stengels gans ruw, dooruit met kleinen dorens en stekels bezet. De bladeren zijn ruw en zwartgroen, het Bryonia loof gelijk. Aan de stengels gewint het bossige gedrongen witgele bloempjes, bijna zoals de druivenstok, echter meer volkomen en groter. Uit gemelde bloempjes groeien gans losse, gevulde, lichte zakje, waartussen ligt het bruine ronde zaad verborgen. De wilde hop is aller dingen de tamme hop gelijk.

 

 

Hun groeiplaats.

De tamme hop wordt in Duitsland aan de oorden daar geen wijn groeit in de hof en akkers geplant tot het bier. De wilde groeit overal achter de tuinen, aan de dorenhagen, in de sloten en aan de muren en waaraan het zich aanhangen kan.

 

Tijd.

Tegen de lente stoot de hop zijn jonge spruiten, daarna groeit het aan de lange stangen hoog omhoog en in juni vangt het aan te bloeien. In augustus echter en in aanvang van de herfstmaand wordt het verzameld. [183, 184]

 

De natuur en samengesteldheid.

Er zijn ettelijke die schrijven de hop is koude natuur. De anderen het is middelmatig, noch koud noch warm. Echter beide delen zijn fout, dan omdat de hop zeer bitter is en een sterke reuk zo moet het van nood wegen warm en droog zijn in andere graad. Desgelijks is ook die wortel warme natuur.

 

 

Die kracht en werking.

Hop reinigt dat bloed, drijft uit beide gallen. Ze verteren ook allerlei zwellingen. Zijn goed de waterzuchtige. Het sap van hop rauw ingenomen drijft krachtig door de stoelgang. Zo het echter gekookt wordt is het voortreffelijk goed tot allerlei verstopping der inwendige leden, echter drijft minder tot stoelgang. Gedacht sap in de oren gedaan behoudt ze voor allerlei vervuiling en verdrijft de stank daarin. De hop opent ook de baarmoeder, maakt plassen en in summa, heeft alle werking zo van Galenus de bittere dingen zijn toegeëigend. De wortel neemt weg allerlei verstopping en vooral echter de lever en de milt.

 

 

 

Von Erenbτeisz. Cap. LIX.

 

(A) Namen.

Erenbτeiþ würdt sonst auch Gτundtheyl genent, von wegen seiner treffenlichen krafft unnd würckung, so es hat in heylung der wunden und geschwâren. Zů Latein würt es yetzund allenthalben Veronica geheyssen.

 

Geschlecht.

Des Erenbτeiþ ist zweyerley geschlecht, mennle unnd weible. Beyder aber underscheyd wôllen wir in der beschτeibung jhτer gestalt, gnůgsam anzeygen.

 

Gestalt.

Erenbτeiþ mennle fladert hin und wider auff der erden mit seinen dünnen rotlechten rûtlin, unnd harigen stengelin. Die bletter seind langlecht, schwartzgrûn, harig, und mit reynen zarten kerflin zerschnitten. Die blûmlin seind klein, blaw milchfarb, und ein wenig mit purpur vermengt. So die vergangen, (B) gewindt es kleine tâschlin, darinn ist seer kleiner samen verschlossen. Die wurtzel ist dünn mit vilen zaseln. Das weible kreücht auch mit seinen dünnen harigen stengeln auff der erden, die bletter seind nit zerkerfft, grûner, linder und weycher, gefoτmiert beynach wie die bletter am Pfennig oder Egelkraut. Die blůmen seind etwas anders gestalt dann an dem mennle, und vergleichen sich ettlicher massen den blûmlin so am grossen Bathengel wachsen, vonn farben purpurbτaun mit geelem vermischt. So die abfallen, werden kleine runde hůlþlin oder tâschlin darauþ, inn welchen es den samen bτingt. Die wurtzel ist grawlecht, ein wenig dicker dann des mennlins.

 

Statt irer wachsung.

Erenbτeiþ wachsen an ungebawten oτten, fürnemlich in wâlden under den Eychbeumen, und dürren, sandigen, und leymechten bergen.

 

Zeit.

Blüen im Hewmonat, und folgends bτingen sie auch samen. [185, 186, 187]

 

(C) Die natur und complexion.

Beyde Erenbτeiþ seind etwas bitter am geschmack, und ziehen seer zůsamen, derhalben mûssen sie warmer und truckner natur sein.

 

Die krafft und würckung.

Erenbτeiþ seind nützlich zů frischen und allten wunden, dann sie heylen dieselbigen. Man sol sie auch zů allerley rauden unnd unsauberkeyt der haut bτauchen, als seind zittermâler, flechten, und dergleichen. Sie seind aber fürtreffenlich gůt zů der verseerten lungen, so man ein tranck darauþ macht, oder ein latwerg. Die hirten haben ein sondere erfarung von dem Erenbτeiþ, dann sie bτauchen dieselbig gepulvert mit saltz vermischt zum hůsten des vichs. Jn summa, Erenbτeiþ ist auch ein recht wundtkraut, soll derhalben hoch geachtet werden von menigklich.

Van ereprijs. Kapittel 59.

 

Namen.

Ereprijs wordt soms ook grondheil genoemd vanwege zijn voortreffelijke kracht en werking zo het heeft in heling der wonden en zweren. In Latijn wordt het nu overal Veronica geheten.

 

Geslacht.

Van de ereprijs zijn twee geslachten, mannetje en wijfje. Beide echter onderscheid willen we in de beschrijving van hun gestalte voldoende aantonen.

 

Gestalte.

Ereprijs mannetje fladdert her en der op de aarde met zijn dunne roodachtige roedjes en harige stengeltjes. De bladeren zijn langachtig, zwartgroen, harig en met reine zachte kerfje ingesneden. De bloempjes zijn klein, blauw melkkleurig en een weinig met purper vermengd. Zo die vergaan gewint het kleine tasjes, daarin is zeer klein zaad gesloten. De wortel is dun met vele vezels. (Veronica officinalis) Dat wijfje kruipt ook met zijn dunne harige stengels op de aarde, de bladeren zijn niet gekerfd, groener, zachter en weker, gevormd bijna zoals de bladeren aan penning of egelkruid. De bloemen zijn wat anders gevormd dan aan dat mannetje en vergelijken zich ettelijke mate de bloempjes zo aan grote Teucrium chamaedrys groeien, van verf purperbruin met geel vermengt. Zo die afvallen worden kleine ronde hulsjes of tasjes daaruit waarin het de zaden brengt. De wortel is grauwachtig en een weinig dikker dan dat mannetje. (Kickxia spuria)

 

 

Hun groeiplaats.

Ereprijs groeit aan ongebouwde oorden, voornamelijk in wouden onder de eikenbomen en droge zanderige en leemachtige bergen.

 

Tijd.

Bloeien in juli en vervolgens brengen ze ook zaden. [185, 186, 187]

 

De natuur en samengesteldheid.

Beide ereprijzen zijn wat bitter aan smaak en trekken zeer tezamen, derhalve moeten ze warme en droge natuur zijn.

 

 

De kracht en werking.

Ereprijzen zijn nuttig tot frisse en oude wonden, dan ze helen diezelfde. Men zal ze ook tot allerlei ruigtes en onzuiverheid der huid gebruiken zoals zijn littekens, chronische huiduitslag en dergelijke. Ze zijn echter voortreffelijk goed tot de bezeerde longen zo men een drank daaruit maakt of een likkepot. De herders hebben een bijzondere ervaring van de ereprijs, dan ze gebruiken diezelfde gepoederd met zout vermengt tot hoesten van het vee. In summa, ereprijs is ook een echt wondkruid, zal derhalve hoog geacht worden van menigeen.

 

 

Von Feldzwibel. Cap. LX.

 

(A) Namen.

Diþ kraut welchs Feldzwibel genent würt, heyssen ettlich Acker zwibel, oder Wild zwibel. Die Gτiechen nennen es Bolbon agrion, die Lateinischen nennens Bulbum sylvestrem. Es seind auch ettlich von welchen es Cepa sylvestris geheyssen würt.

 

Gestalt.

Des Feldzwibels stengels ist einer spannen lang, rund, und hol. Die bletter vergleichen sich den Lauch blettern, deren hat er selten über zwey. Auff den stengeln bτingt er geele gestirnte blůmen, deren ein yegliche sechs bletlin hat neben einander, und ist ein yedes blûmlin umbher gebogen, wie ein sternlin anzůsehen, und inwendig hat es sechs saffrangeele kôlblin. Dise blûmen werden zů kleinen dτeyecketen kôpflin, die seind voller samen. Die wurtzel ist rund, dem Knoblauch, oder garten zwibel nit ungleich.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Diser zwibel wechst auff den sandigen oτten und tâlern, bey den wassern, etwan auch under den hecken, und wisen so an bergen ligen.

 

Zeit.

Blüet im Mertzen und anfang des Apτilles, und alþdan bτingt er auch samen, und im Meyen verschwindt er, unnd würt durchs jar nit mehτ gesehen.  Bτingt aber den samen nit allein an dem stengel, sonder auch bey der wurtzel, an welcher vil kleiner kôτnlin hangen.

 

Die natur und complexion.

Die Feldzwibel, wie auch fast alle andere runde zwibelwurtz, seind am geschmack etwas bitter und rauch, darumb seübern sie, trücknen, und heylen, in sonderheyt diser Feldzwibel, wie wir yetzund wôllen anzeygen.

 

Die krafft und würckung.

Die Feldzwibel ist ein treffenliche artzney zů allerley feüchten, fliessenden, und umbfressenden schâden, so er in heysser âschen gebτaten, und darnach mit hônig gestossen, unnd auff ein tůch gestrichen übergelegt würt. Es haben die allten dise unnd andere Zwibel wurtzel in der speiþ gebraucht, zů erwecken die begird zů essen. So sie zwey mal gesotten werden, also das sie alle bitterkeyt von [188, 189] (D) sich legen, werden sie sûþ und ettwas lieblicher zů essen, geben auch dem leib ein zimliche narung. Es ist aber doch vil besser das mans gantz mit essig und saltzbτüe vermischt esse, dann also werden sie vil lieblicher zů essen, neeren auch mehτ, und machen weniger wind und blâst im leib, werden auch leichter gekocht im magen und gedewet. Sie machen aber auch lust unnd begird zů den weibern. Man sol aber gedachter Zwibel nit zůvil essen, dann sie dem geâder und nerven schâdlich seind. Môgen aber auþwendig zů den herten geschwulsten, allerley geschwâren, und masen des angesichts und der gantzen haut genützt unnd gebτaucht werden.

Van veldui. Kapittel 60. (Gagea lutea)

 

Namen.

Dit kruid welke veldui genoemd wordt heten ettelijke akker ui of wilde ui. De Grieken noemen het Bolbon agrion, de Latijnen noemen het Bulbum sylvestrem. Er zijn ook ettelijke waarvan het Cepa sylvestris geheten wordt.

 

Gestalte.

De veldui stengel is een zeventien cm lang, rond en hol. De bladeren vergelijken zich de look bladeren en daarvan heeft het zelden over twee. Op de stengels brengt het gele gesterde bloemen waarvan elke zes blaadjes heeft naast elkaar en is elk bloempje omgebogen en zoals een sterretje aan te zien en inwendig heeft het zes saffraangele kolfjes. Deze bloemen worden tot kleine driekantige kopjes, die zijn vol zaad. De wortel is rond en de knoflook of hofui niet ongelijk.

 

 

Zijn groeiplaats.

Deze ui groeit op de zanderige oorden en dalen, bij de wateren en wat ook onder de hagen en weiden zo aan bergen liggen.

 

 

Tijd.

Bloeit in maart en aanvang van april en alsdan brengt het ook zaden en in mei verdwijnt het en wordt door het jaar niet meer gezien. Brengt echter de zaden niet alleen aan de stengel, maar ook bij de wortel aan welke veel kleine korreltjes hangen.

 

De natuur en samengesteldheid.

Die veldui zoals ook vast alle andere ronde uienkruiden zijn aan smaak wat bitter en ruw, daarom zuiveren ze, drogen en helen en vooral deze veldui zoals we nu willen aantonen.

 

 

 

De kracht en werking.

De veldui is een voortreffelijke artsenij tot allerlei vochtige, vloeiende en om zich vretende schaden zo het in hete as gebraden en daarna met honing gestoten en op een doek gestreken opgelegd wordt. En hebben de ouden deze en andere uienwortels in de spijs gebruikt tot opwekken der begeerte te eten. Zo ze twee maal gekookt worden alzo dat ze alle bitterheid van [188, 189] zich leggen worden ze zoet en wat lieflijker te eten, geven ook het lijf een tamelijke voeding. Het is echter doch veel beter dat men ze gans met azijn en zoutbrei vermengt eet, dan alzo worden ze veel lieflijker te eten, voeden ook meer, en maken minder wind en opblazingen in het lijf, worden ook lichter gekookt in maag en verduwd. Ze maken echter ook lust en begeerte tot de wijven. Men zal echter gedachte ui niet teveel eten, dan ze de aderen en nerven schadelijk zijn. Mogen echter uitwendig tot de harde gezwellen, allerlei zweren en mazelen des aangezicht en de ganse huid genuttigd en gebruikt worden.

 

 

Von Wicken. Cap. LXI.

 

(A) Namen.

Die Wicken haben jhτen namen her von dem Gτiechischen wôτtlin Bicion, wie wir in unserm Lateinischen kreüterbůch gnůgsam haben angezeygt. Zů Latein aber werden sie Viciæ genent, unnd nit Oτobi, wie ettlich meynen.

 

Gestalt.

Wicken, oder mit einem zůsatz, zame Wicken, wachsen eins elenbogen hoch mit jhτen stengeln, haben zů beyden seiten bletter, gleichþlang von einander gesetzt, dieselbigen steen übersich, unnd hencken sich an mit zarten fâdmen, wie die wilden Wicken. Die blûmlin so sie bτingen seind purpurbτaun, unnd werden zů runden schotten, in welchen ist verschlossen der sam, welcher ist schwartzgraw, den Linsen nit ungleich.

 

(B) Statt irer wachsung.

Wichen wachsen allenthalben in den früchten, sonderlich aber in Habern unnd Gersten.

 

Zeit.

Die Wicken blüen im Bτachmonat, und folgends den gantzen summer in früchten.

 

Die natur und complexion.

Die Wicken seind in der werme mittelmâssig, und trucken im andern grad.

 

(C) Die krafft und würckung.

Wicken seind gantz unlieblich zůessen, unnd hartdewig, unnd gebûren derhalben dem vich mehτ zum fůter, dann den menschen zů der speiþ. Stellen den bauchfluþ, unnd geben vonn sich ein bôse narung, machen auch ein bôþ grobs melancholisch blůt. Die andere würckung so von den andern kreütlern werden den Wicken zůgeschτiben, gehôτen jhnen nit zů, sonder den Erven, von welchen wir hernach an seinem oτt schτeiben wôllen. [190, 191, 192]

Van wikke. Kapittel 61. (Vicia sativa)

 

Namen.

De wikken hebben hun naam van het Griekse woordje Bicion zoals we in ons Latijnse kruidenboek voldoende hebben aangetoond. In Latijn echter worden ze Viciae genoemd en niet Orobus zoals ettelijke menen.

 

 

Gestalte.

Wikken of met een toevoeging tamme wikken groeien een ellenboog hoog met hun stengels, hebben aan beide zijde bladeren gelijk lang van elkaar gezet, diezelfde staan omhoog en hangen zich aan met zachte vezels zoals de wilde wikke. De bloempjes zo ze brengen zijn purperbruin, en worden tot ronde schotten waarin is opgesloten het zaad welke is zwartgrauw, de lens niet ongelijk.

 

 

Hun groeiplaats.

Wikken groeien overal in de vruchten, vooral echter in haver en gerst.

 

Tijd.

De wikken bloeien in juni, en vervolgens de ganse zomer in de vruchten.

 

De natuur en samengesteldheid.

De wikken zijn in de warmte middelmatig en droog in andere graad.

 

De kracht en werking.

Wikken zijn gans onlieflijke te eten en slecht te verteren en behoren derhalve het vee meer tot voer dan de mensen tot de spijs. Stelpen de buikvloed en geven van zich een boze voeding, maken ook een boos grof melancholisch bloed. De andere werking zo van de andere kruidenkenners worden de wikken toegeschreven behoren hen niet toe, maar de erven waarvan we hierna aan zijn oord schrijven willen. [190, 191, 192]

 

 

Von Maier. Cap. LXII.

 

(A) Namen.

Hier nach aller seiner art und natur, mag wol in unserm Teütschen land für das kraut gebτaucht werden, das auff Gτiechisch unnd Lateinisch würdt Blitum genent, wie wir nach der leng sôlchs in unserm Lateinischen kreüterbůch haben angezeygt.

 

Gestalt.

Maier wechst schnell in die hôhe, hat bletter wie der Mangolt, doch kleiner, on alle scherpffe gar ungeschmack. Sein blûmlin, die rotbτaun seind, und der samen, seind gantz hauffecht zůsamen getrungen, als die kleinen treüble, wie an der wilden Molten. Die wurtzel, welche nit eine allein, sonder vilfeltig zerteylt ist, steet überzwerch und nit gerad im erdtrich.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Wiewol diþ kraut fast an allen oτten in unserm land gefunden würt, doch hat es auch dise art, wo es ein mal inn einen garten kompt, laþt sich nit gern auþreüten, sonder besamet sich selbs alle jar.

 

Zeit.

Maier blüet den gantzen summer, biþ in Herbst hinein, zů welcher zeit es auch den samen am meysten bτingt.

 

Die natur und complexion.

Maier ist gleich wie das Blitum feücht und kûl im andern grad.

 

(C) Die krafft und würckung.

Maier ist ein unschâdlich kraut, mag mit andern kochkreütern in den küchen zur speiþ bereyt werden. Lindert den stůlgang, doch nit seer, neeret auch nit fast. Jst dem magen nit sonderlich nütz. Mag auþwendig zů allerley weetagen des haubts so von hitz entsteen übergelegt werden, wie der Nachtschatt.

Van maier. Kapittel 62. (Amaranthus blitum)

 

Namen.

Hiernaar al zijn aard en natuur mag goed in ons Duitse land voor dat kruid gebruikt worden dat op Grieks en Latijns wordt Blitum genoemd zoals we in het lang zulks in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond.

 

 

Gestalte.

Maier groeit snel in de hoogte, heeft bladeren zoals de biet, doch kleiner en zonder alle scherpte erg onsmakelijk. Zijn bloempjes die roodbruin zijn en de zaden zijn gans hoopachtig tezamen gedrongen zoals die kleinen druifjes en zoals aan de wilde melde. De wortel welke niet een alleen maar veelvuldig verdeeld is staat overdwars en niet recht in aardrijk.

 

Zijn groeiplaats.

Hoewel dit kruid vast aan alle oorden in ons land gevonden wordt, doch heeft het ook deze aard waar het eenmaal in een hof komt laat het zich niet graag uitroeien maar zaait zichzelf alle jaar.

 

Tijd.

Maier bloeit de ganse zomer tot in de herfst door in welke tijd het ook de zaden het meeste brengt.

 

De natuur en samengesteldheid.

Maier is gelijk zoals dat Blitum vochtig en koel in andere graad.

 

De kracht en werking.

Maier is een onschadelijk kruid, mag met andere kookkruiden in de keuken tot spijs bereid worden. Verzacht de stoelgang, doch niet zeer, voedt ook niet erg. Is de maag niet bijzonder nuttig. Mag uitwendig tot allerlei pijnen der hoofd zo van hitte ontstaan opgelegd worden zoals de nachtschade.

 

 

 

Von Steckrüeben. Cap. LXIII.

 

(A) Namen.

Steckrûben werden von den Gτiechen Buniades, von den Lateinischen Napi genent. Welcher namen uτsach wir in unserm Lateinischen kreüterbůch haben angezeygt.

 

Geschlecht.

Der Steckrůben findt man zweyerley geschlecht. Etlich seind zam, die nent man trucken Steckrůben. Die andern wild, welche werden naþ Steckrůben geheyssen.

 

Gestalt.

(B) Trucken Steckrůben haben bletter fast wie die weissen Rûben, doch gletter, mit einem runden stengel, elenbogens hoch, unnd auch lenger. Die blůmen seind geel, darauþ werden schotten, und darinn samen. Und ist das gantz gewechþ dem kleinen Kôl seer gleich. Die wurtzel ist gantz lang. Nasse Steckrůben seind den yetzgedachten nit seer ungleich, doch die bletter seind mehτ zerkerfft, von unden an des stengels biþ in die hôhe. Die wurtzel ist nit so lang, sonder einer wilden birn gleich, rund, und mit vilen zaseln.

 

Statt irer wachsung.

Steckrůben wachsen gern an kalten oτten, werden an etlichen oτten seer gebawt. [193, 194, 195]

 

(C) Zeit.

Die trucken Steckrůben werden spaat gesâet, darumb sie auch gar spaat blüen. So mans aber zeitlich sâet, so blüen sie im Bτachmonat, ja zů zeiten im Meyen, wie die nasse Steckrůben.

 

Die natur und complexion.

Die Steckrůben seind warm im andern grad, und feücht im ersten.

 

Die krafft und würckung.

Steckrůben gesotten machen vil wind und blâst, neeren minder dann die růben. Der sam gestossen und getruncken, widersteet allem gifft, und macht dieselbigen unkrefftig. Würt derhalben zů den artzneyen genommen die man wider das gifft bτaucht. Die Růben saltzt man auch jn, wie andere ding. Die Steckrůben machen auch begird zur unkeüscheyt. Sonst haben sie fast gleiche würckung mit den andern Růben, von welchen wir an seinem oτt schτeiben wôllen.

Van stekrapen. Kapittel 63.

 

Namen.

Stekrapen worden van de Grieken Buniades, van de Latijnen Napi genoemd. Welke namen oorzaak we in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond.

 

Geslacht.

De stekrapen vindt men twee geslachten. Ettelijke zijn tam en die noemt men droge stekrapen. (Brassica rapa var. rapifera amylacea) De andere wild welke worden natte stekrapen geheten. (Brassica var. rapifera succosa)

 

Gestalte.

Droge stekrapen hebben bladeren vast zoals de witte rapen, doch gladder, met een ronde stengel ellenbogen hoog en ook langer. De bloemen zijn geel en daaruit worden schotten en daarin zaden. En is dat ganse gewas de kleine kool zeer gelijk. De wortel is gans lang. Natte stekrapen zijn de net genoemde niet zeer ongelijk, doch de bladeren zijn meer gekerfd, van onderaan de stengels tot in de hoogte. De wortel is niet zo lang, maar een wilde peer gelijk, rond en met vele vezels.

 

Hun groeiplaats.

Stekrapen groeien graag aan koude oorden, worden aan ettelijke oorden zeer gebouwd. [193, 194, 195]

 

Tijd.

De droge stekrapen worden laat gezaaid, daarom ze ook erg laat bloeien. Zo men ze echter op tijd zaait dan bloeien ze in juni, ja soms in mei zoals de natte stekrapen.

 

De natuur en samengesteldheid.

De stekrapen zijn warm in andere graad en vochtig in eerste.

 

De kracht en werking.

Stekrapen gekookt maken veel wind en opblazen, voeden minder dan de rapen. Dat zaad gestoten en gedronken weerstaat alle gif en maakt diezelfde onschadelijk. Wordt derhalve tot de artsenijen genomen die men tegen dat gif gebruikt. De rapen zout men ook in zoals andere dingen. De stekrapen maken ook begeerte tot onkuisheid. Verder hebben ze vast gelijke werking met de andere rapen van welke we aan zijn oord schrijven willen.

 

Von Traubenkraut. Cap. LXIIII.

 

(A) Namen.

Diþ kraut so wir Traubenkraut heyssen, würt auff Gτiechisch und Lateinisch Botrys genent, derhalben das sein sam an den stengelen gantz zůsamen getrungen, wie die treüblin, hanget.

 

Gestalt.

Das gantz kraut ist geelgrûn, hat vil steüdlin, unnd ist auþgebτeyt mit vilen flûgeln. Die bletter seind den Wegwarten blettern seer ânlich, die ersten so herfür kommen seind gantz rot. Der sam hangt allenthalben an den stengeln traubenweiþ heüffig zůsamen getrungen. Es reucht auch das gantz kraut auþ der massen wol, und würt derhalben zů den kleydern gelegt.

 

Statt seiner wachsung.

Traubenkraut wechst gern bey den fliessenden wassern. Aber in unsern landen würt es nit gefunden, so vil mir bewüþt, sonder man můþ in gârten pflantzen. Wo es ein mal würt hin gesâet, da besamet sich alle jar selbs widerumb.

 

(B) Zeit.

Jm Augstmonat und Herbstmonat würt diþ Traubenkraut zeitig, darumb soll man alþdan den samen darvon samlen. Zů gedachter zeit tregt mans zů Pariþ in Franckreich, wie Ruellius schτeibt, in der gantzen statt umbher, und würt von vilen gekaufft der uτsach halben, das sie sôlchs zů dem gewandt legen. Jn unserm Teütschen land ist es noch in keinem bτauch und ansehen, der uτsachen das es gar newlich darinn ist gebτacht worden, und noch wenig bekant.

 

Die natur und complexion.

Traubenkraut ist warm und trucken, wie wir des uτsachen in unserm Lateinischen kreüterbůch haben angezeygt.

 

(C) Die krafft und würckung.

Diþ kraut ist einer subtilen substantz, und zerteylt die groben und zâhen feüchtigkeyten. Darumb es nützlich ist in wein jngenomen, denen so schwârlich athmen. Es treibt aber auch den harn, bringt den frawen jre kranckheyt, und hat andere krafft und würckung mehτ, so den bittern dingen werden zůgeschτiben, von welchen wir an andern oτten offt gesagt haben, derhalben on not yetzund widerumb zůerzelen. [196, 197]

Van druifkruid. Kapittel 64. (Chenopodium botrys)

 

Namen.

Dit kruid zo we druifkruid heten wordt op Grieks en Latijns Botrys genoemd, derhalve dat zijn zaad aan de stengels gans tezamen gedrongen zoals de druifjes hangt.

 

Gestalte.

Dat ganse kruid is geelgroen, heeft veel takjes en is uitgespreid met vele vleugels. De bladeren zijn de cichorei bladeren zeer gelijk, de eerste zo voort gekomen zijn gans rood. Dat zaad hangt overal aan de stengels druifvormig in hopen tezamen gedrongen. En ruikt ook dat gans kruid uitermate goed en wordt derhalve bij de klederen gelegd.

 

Zijn groeiplaats.

Druifkruid groeit graag bij de vloeiende wateren. Echter in onze landen wordt het niet gevonden zoveel me bewust, maar men moet het in de hof planten. Waar het eenmaal wordt heen gezaaid daar zaait het zich alle jaren zelf wederom.

 

Tijd.

In augustus en herfstmaand wordt dit druifkruid rijp, daarom zal men alsdan de zaden daarvan verzamelen. In gedachte tijd draagt men het te Parijs in Frankrijk, zoals Ruellius schrijft, in de ganse stad om en wordt van velen gekocht vanwege de oorzaak dat ze zulks bij de kleren leggen. In ons Duitsland is het noch in geen gebruik en aanzien, de oorzaak dat het net daarin is gebracht geworden en noch weinig bekend.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Druifkruid is warm en droog zoals we de oorzaken in ons Latijnse kruidenboek hebben aangetoond.

 

De kracht en werking.

Dit kruid is een subtiele substantie en verdeelt die grove en taaie vochtigheden. Daarom is het nuttig in wijn ingenomen diegene zo zwaar ademen. Het drijft echter ook de plas, brengt de vrouwen hun ziekte en heeft andere krachten en werkingen meer zo de bittere dingen worden toegeschreven van welke we aan andere oorden vaak gezegd hebben, derhalve onnodig nu wederom te vertellen. [196, 197]

 

 

Von Geyszbart. Cap. LXV.

 

(A) Namen.

Diþ kraut so wir Geyþbart nennen, hat seinen namen daher, das seine blůmen der gestalt nach zottet seind, und eim geyþbart gleich. Zů Latein würt es Barba capτi, auch diser uτsach halben geheyssen. On aber diser Geyþbart sey Pycnocomum Dioscoτides, zweifeln noch vil, was aber unser meynung sey, wôllen wir folgends anzeygen.

 

Geschlecht.

Des Geyþbarts seind zweyerley geschlecht, einer wechst in den finstern wâlden, welchen wir von mehτer underscheyds wegen haben wald Geyþbart genent. Der ander aber, welcher in feüchten wisen wechst, ist von uns wisen Geyþbart geheyssen woτden. Würt auch genent gemeyner Geyþbart.

 

(B) Gestalt.

Der wald Geyþbart ist ein staud dτeyer elenbogen hoch, sein stengel ist ecket, die bletter haben zů ringþumbher vil scharten, als Kesten, oder Haselstauden laub. Die blůmen seind weiþ, zasecht, dτauschelecht, einem schneeweissen bart gleich. Auþ welchen werden lange zapffen, wie an den Haselstauden, welchs ist sein sam. Die wurtzel ist schwartz, holtzecht, und inwendig weiþ. Auþ welchem menigklich kund ist das diþ gewechþ nit Pycnocomum Dioscoτides sein kan, die weil die beschτeibung mit demselbigen nit überein kompt. Der wisen Geyþbart hat stengel inwendig hol, vierecket, bτaun, unnd etwan manþ hoch. Die bletter hart, runtzlecht, mit seinen falten dem jungen Birckenlaub gleich, ein yedes (C) haubtblatt zerschnitten mit seinen nebenblettern wie Odermenig, doch grôsser und lenger. Die blůmen sein zůsamen getrungen, mehτ dann des Attichs, von farben weiþ, wie ein traub anzůsehen, eins lieblichen geruchs. So bald die verwelcken, würt ein samen, dem Lauch samen gleich, oder wie kleine spitzige wârtzlin, ein yedes mit dτeyen zâpflin. Die wurtzel lang, aller ding wie Naterwurtz das weible, auþwendig schwartz, inwendig leberfarb bτaun, eins starcken geruchs. Auþ welcher beschτeibung menigklich wol abnemen kan, das diþ geschlecht dem Pycnocomo Dioscoτidis nit seer unânlich ist, welches stengel ist vierecket, die bletter rauch und hart, die blůmen weiþ, als des Basilien, der samen dem Lauch samen gleich, die wurtzel schwartz, rund, einem kleinen apffel (D) gleich, inwendig geel. Und dieweil die die wurtzel bitter ist, seind sie der würkung halben auch nit weit von einander.

 

Statt irer wachsung.

Der wald Geyþbart wechst in finstern dicken wâlden, zů zeiten auch in den schattechten tâlern. Der ander in den wisen, etwan zwüschen den doτnen und hecken.

 

Zeit.

Sie blüen im Hewmonat, und bτingen folgends jhτen samen.

 

Die natur und complexion.

Beyde Geyþbart seind warmer und truckner natur, das man leichtlich mag abnemen von jhτem geschmack, der do bitter ist.

 

(E) Die krafft und würckung.

Beyderley geschlecht Geyþbart, fürnemlich aber der wald Geyþbart, seübern und reynigen, und zerteylen auch grobe feüchtigkeyt so sich in den adern gesamlet hat, und anderþwo im leib. Bτingen den frawen jhτe kranckheyt. Machen auþwerffen. Das kraut zerstossen und übergelegt, verzeret die geschwulst. Jn summa, hat alle würckung so den bittern dingen werden zůgelegt. [198, 199]

Van geitenbaard. Kapittel 65.

 

Namen.

Dit kruid zo we geitenbaard noemen heeft zijn namen vandaar dat zijn bloemen naar de gestalte bossig zijn en een geitenbaard gelijk. In Latijn wordt het Barba capri, ook vanwege deze oorzaak geheten. Maar echter of deze geitenbaard is Pycnocomum Dioscorides twijfelen noch veel, wat echter onze mening is willen we vervolgens aantonen.

 

Geslacht.

Van de geitenbaard zijn twee geslachten, een groeit in de donkere wouden welke we vanwege meer onderscheid hebben woud geitenbaard genoemd. (Aruncus dioicus) De andere echter welke in vochtige weiden groeit is van ons weiden geitenbaard geheten geworden. Wordt ook genoemd gewone geitenbaard. (Filipendula ulmaria) 

 

Vorm.

De woud geitenbaard is een heester van drie ellebogen hoog, zijn stengel is kantig, de bladeren hebben ringsom veel schaarden zoals kastanje of hazelaar loof. Die bloemen zijn wit, vezelig, bossig, een sneeuwwitte baard gelijk. Waaruit worden lange kegels zoals aan de hazelaar struiken welke is zijn zaad. De wortel is zwart, houtachtig en inwendig wit. Uit welke velen bekend is dat dit gewas niet Pycnocomum Dioscorides zijn kan omdat de beschrijving met dezelfde niet overeen komt. De weiden geitenbaard heeft stengels inwendig hol, vierkantig, bruin en ongeveer mans hoog. De bladeren hard, rondachtig en met zijn vouwen het jonge berkenloof gelijk, elk hoofdblad ingesneden met zijn zijbladeren zoals Agrimonia, doch groter en langer. De bloemen zijn tezamen gedrongen, meer dan van de kruidvlier, van verf wit en zoals een druif aan te zien, een lieflijke reuk. Zo gauw die verwelken wordt een zaad, de look zaden gelijk of zoals kleine spitse wratjes elke met drie stokjes. De wortel lang, aller ding zoals adderkruid dat wijfje, uitwendig zwart, inwendig leverkleurig bruin, een sterke reuk. Uit welke beschrijving menigeen goed afnemen kan dat dit geslacht de Pycnocomo Dioscorides niet zeer ongelijk is welke stengel is vierkantig, de bladeren ruw en hard, de bloemen wit zoals het basiel, de zaden de look zaden gelijk, de wortel zwart, rond en een kleine appel gelijk, inwendig geel. En omdat de wortel bitter is zijn ze vanwege de werking ook niet ver van elkaar.

 

 

 

 

Hun groeiplaats.

De woud geitenbaard groeit in donkere dikke wouden, soms ook in de beschaduwde dalen. De andere in de weiden en soms tussen de dorens en hagen.

 

Tijd.

Ze bloeien in juli en brengen vervolgens hun zaden.

 

De natuur en samengesteldheid.

Beide geitenbaarden zijn warme en droge natuur dat men licht mag afnemen van hun smaak die daar bitter is.

 

De kracht en werking.

Beide geslachten van geitenbaard, voornamelijk echter de woud geitenbaard, zuiveren en reinigen en verdelen ook grove vochtigheid zo zich in de aderen verzameld heeft en ergens anders in het lijf. Brengen de vrouwen hun ziekte. Maken uitwerpen. Dat kruid gestoten en opgelegd verteert de zwellingen. In summa, heeft alle werking zo de bittere dingen worden toegelegd. [198, 199]

 

 

Von Schabenkraut. Cap. LXVI.

 

(A) Namen.

Schabenkraut, welchs seinen namen daher hat, das es die schaben zů sich zeücht, würt von Plinio Blattaria geheyssen. Es gedencken sein sonst weder Dioscoτides noch Galenus.

 

Gestalt.

Schabenkraut ist den Wollkraut ânlich, doch seind die bletter nit so weiþ und harig, sonder grûn, unnd ringþumbher zerkerfft, hat auch vil stengel. Die blůmen seind bleichgeel, wie an dem Wollkraut. So bald sie verwelcken, werden bollen darauþ gar nach wie dem Flachþ, in welchen der same ist. Die wurtzel ist grawlecht, mit vilen zaseln.

 

Statt seiner wachsung.

Schabenkraut wechst gern neben den fliessenden wassern.

 

(B) Zeit.

Blüet im Bτachmonat unnd Hewmonat.

 

Die natur und complexion.

Diþ kraut ist on zweifel warm und trucken, welchs sein geschmack, der do bitter ist, klârlich anzeygt.

 

Die krafft und würckung.

So diþ kraut würt an die erden gewoτffen, so kriechen die schaben daran. Nit mehτ krafft schτeiben die allten disem kraut zů. Aber es hat auch alle die würckung so den andern bittern kreüter, als dem Geyþbart, werden zůgeschτiben, welche wir im voτgeenden Capitel haben erzelt, und in andern mehτ.

Van mottenkruid. Kapittel 66. (Verbascum blattaria)

 

Namen.

Mottenkruid, welke zijn naam vandaar heeft dat het de motten tot zich trekt wordt van Plinius Blattaria geheten. En gedenken hem verder noch Dioscorides noch Galenus.

 

Gestalte.

Mottenkruid is het wolkruid gelijk, doch zijn die bladeren niet zo wit en harig, maar groen en ringsom gekerfd, heeft ook veel stengels. De bloemen zijn bleekgeel zoals aan het wolkruid. Zo gauw ze verwelken worden bollen daaruit erg na zoals het vlas waarin het zaad is. De wortel is grauwachtig met vele vezels.

 

Zijn groeiplaats.

Mottekruid groeit graag naast de vloeiende wateren.

 

Tijd.

Bloeit in juni en juli.

 

De natuur en samengesteldheid.

Dit kruid is zonder twijfel warm en droog welke zijn smaak die daar bitter is duidelijk aantoont.

 

De kracht en werking.

Zo dit kruid wordt in de aarde geworpen zo kruipen de motten daaraan. Niet meer krachten schrijven de ouden dit kruid toe. Echter het heeft ook al de werking zo de andere bittere kruiden zoals de geitenbaard worden toegeschreven welke we in voorgaande kapittel hebben verhaald en in andere meer.

 

 

Von Habern. Cap. LXVII.

 

(A) Namen.

Habern würdt auff Gτiechisch Bτomus, unnd zů Latein Avena geheyssen.

 

Gestalt.

Der Habern ist mit graþ, helm und knôpffen dem Weytzen gleich. Die âhern schlieffen auþ den graþechten scheyden, thůn sich auþ einander. Der spitzig sam hangt ledig, zwüschen auffgethanen flûglen der âhern, ye zwey kôτnlin neben einander auþgebτeyt unnd zerspalten, anzůsehen wie die Hewschτecken. Die wurtzel ist vilfeltig auþgebτeyt.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Der Habern würt allenthalben im Teütschen land gebawet, zum fůter der pferd mehτ dan zů der speiþ des menschen.

 

Zeit.

Habern würdt gegen dem Lentzen im end des Hoτnungs und anfang des Mertzens gesâet, und im Augstmonat jngesamlet.

 

Die natur und complexion.

Der Habern als ein artzney, wie das Galenus klârlich anzeygt, ist kalter natur, aber als ein speiþ ist er warmer complexion. Trücknet auþ in beyderley weiþ betrachtet. [200, 201]

 

(C) Die krafft und würckung.

Habern ist gůt überzůlegen, gleicherweiþ wie die Gerst. Haberbτey wol bereyt unnd gesotten, stopfft den stůlgang. Die bτüe von gesotten Habern gesupfft, ist gůt denen so stâts hůsten. Habernmeel mit essig vermischt, vertreibt die masen. Jn summa, Habern als ein artzney hat gleiche würckung mit der Gersten, dann er trücknet, zerteylt oder verzeert mittelmâssig, unnd zeücht auch ettlicher maþ zůsamen.

Van haver. Kapittel 67. (Avena sativa)

 

Namen.

Haver wordt op Grieks Bromus en in Latijn Avena geheten.

 

Gestalte.

De haver is met gras, helmen en knoppen de tarwe gelijk. De aren sluipen uit de grasachtige scheden, doen zich uit elkaar. Het spitse zaad hangt leeg tussen open gedane vleugels van de aren, elke twee korreltjes naast elkaar uitgespreid en gespleten, aan te zien zoals de sprinkhanen. De wortel is veelvuldige uitgespreid.

 

 

Zijn groeiplaats.

De haver wordt overal in Duitsland gebouwd tot voer der paarden meer dan tot de spijs der mensen.

 

Tijd.

Haver wordt tegen de lente in eind februari en aanvang van maart gezaaid en in augustus ingezameld.

 

De natuur en samengesteldheid.

De haver als een artsenij zoals dat Galenus duidelijk aantoont is koude natuur, echter als een spijs is het warme samengesteldheid. Droogt uit in beide wijze betracht. [200, 201]

 

De kracht en werking.

Haver is goed over te leggen gelijkerwijze zoals de gerst. Haverbrei goed bereidt en gekookt stopt de stoelgang. De brei van gekookte haver gezopen is goed diegene zo steeds hoesten. Havermeel met azijn vermengt verdrijft de mazelen. In summa, haver als een artsenij heeft gelijke werking met de gerst, dan het droogt, verdeelt of verteert middelmatig en trekt ook ettelijke mate tezamen.

 

 

 

Von Krüselbeer. Cap. LXVIII.

 

(A) Namen.

Krauþbeer oder Krüselbeer ist villeicht den allten unbekant gewesen, dieweil es noch keinen rechten Lateinischen namen hat überkommen. Dann der nam Uva crispa, darbey mans yetzund nent, ist jm von dem Teütschen her gegeben woτden.  Dann dieweil es krause bletter hat, und bτingt schône beerlin, haben die Teütschen dise zween namen zůsamen gesetzt, und das gewechþ Krauþbeer, oder Krüselbeer geheyssen.

 

Gestalt.

Krauþbeer ist ein staud mit vilen âsten und zweigen, an welchen allenthalben vil spitzig und stechend dôτn herauþ wachsen. Die bletter seind rund, krauþ, zerkerfft und zerschnitten wie des Epffichs laub. Die blůmen haben fünff (B) purpurbτaune blettlin zů ringþumbher umb den apffel, welcher grûn ist. Auþ den selbigen werden schône weiþ glitzende beer, erstlich herb, darnach aber wann sie zeitigen, sûþ.

 

Statt seiner wachsung.

Krauþbeer wachsen an den zeünen, und in den stauden, hecken, aber nit allenthalben. Doch umb Tûbingen wechst diþ gewechþ mit grosser menge, und mit hauffen.

 

Zeit.

Jm anfang des frûlings, nemlich im Mertzen, facht diser staud an zů grůnen, und im Apτillen bτingt er seine blůmen, volgends aber die frucht.

 

(C) Die natur und complexion.

Diþ gewech ist kalt im ersten grad volkommenlich, oder im anfang des andern, und trucken im andern.

 

Die krafft und würckung.

Die bletter grûn zerstossen unnd übergelegt seind nützlich denen so das rotlauff haben. Man sagt auch das die âste von den Krüserlbeern für die thûr und fenster gestrewet oder gelegt, allerley zaubereyen unnd vergifftung vertreiben. Und daher kompt es on alle zweifel, das man die zeünen mit disem gewechþ verwaret, dann es nit allein verhûtet mit seinen dôτnen das niemands hinein inn die gûter kommen kan, sonder auch vertreibt allerley zauberey und vergifftung, so den gârten schaden bτingen kan. Mehτ erfarung haben wir auff diþ mal nit von den Krüselbeeren. [202, 203]

Van kruisbes. Kapittel 68. (Ribes uva-crispa)

 

Namen.

Kruisbes of kruisbes is mogelijk de ouden onbekend geweest omdat het noch geen echte Latijnse naam heeft overkomen. Dan de naam Uva crispa waarbij men het nu noemt is hem vanuit het Duits gegeven geworden. Dan omdat het gekroesde bladeren heeft en brengt schone besjes hebben die Duitsers deze twee namen tezamen gezet en dat gewas kruisbes of kruisbes geheten.

 

Gestalte.

Kruisbes is een heester met vele takken en twijgen waaraan overal veel spitse en stekende doorns uit groeien. De bladeren zijn rond, gekroesd gekerfd en ingesneden zoals het selderij loof. De bloemen hebben vijf purperbruine blaadjes ringsom om de appel welke groen is. Uit dezelfde worden schone witte glinsterende bessen, eerst wrang, daarna echter wanneer ze rijpen zoet.

 

 

Zijn groeiplaats.

Kruisbes groeit aan de tuinen en in de heesters, hagen, echter niet overal. Doch om Tubingen groeit dit gewas met grote menigte en met hopen.

 

Tijd.

In aanvang van het voorjaar, namelijk in maart, vangt deze heester aan te groenen en in april brengt het zijn bloemen, vervolgens echter de vrucht.

 

De natuur en samengesteldheid.

Dit gewas is koud in eerste graad volkomen of in aanvang van de andere en droog in andere.

 

 

De kracht en werking.

De bladeren groen gestoten en opgelegd zijn nuttig diegenen zo de rode huiduitslag hebben. Men zegt ook dat de twijgen van de kruisbessen voor de deuren en venster gestrooid of gelegd allerlei toverijen en vergiftiging verdrijven. En vandaar komt het zonder alle twijfel dat men de tuinen met dit gewas bewaart, dan het niet alleen behoedt met zijn dorens dat niemand in de goederen komen kan, maar ook verdrijft allerlei toverij en vergiftiging zo de hof schaden brengen kan. Meer ervaring hebben we deze keer niet van de kruisbessen. [202, 203]

 

 

Von Balsamkraut. Cap. LXIX.

 

(A) Namen.

Dise gewechþ haben wir Balsamkraut genent, von dem Lateinischen namen her Balsamine, dann also würdt es auff den heütigen tag geheyssen, hat auch noch keinen andern namen gefunden, der uτsachen halben, als ich vermeyne, das es den allten ist unbekant gwesen.

 

Geschlecht.

Des Balsamkrauts seind zweyerley geschlecht, eins das mennlin, welches würt an etlichen oτten des Welschlands Hierosolymitanum pomum, das ist Hierusalem apffel, genent. An andern oτten aber des Welschlands heyþt diþ geschlecht Charantia und Balsamina. Jn Franckreich nent mans Mirabile pomum. Das ander geschlecht, weiblin genent, würt in Welschland Balsaminum geheyssen, welchs frucht dem ersten etwas gleich ist, doch kleiner. Sonst (B) ist es aber jhm gantz unânlich. Seind zwey schône gewechþ, deþgleichen man kaum finden kan. Haben keinen sonderlichen bτauch in der artzney, doch vonn jhτer schône wegen, haben wir sie lassen contrafeyten.

 

Gestalt.

Das erst geschlecht des Balsamkrauts kreücht mit seinen zarten und langen zincken hin und wider, hat bletter zerschnitten wie an der Stickwurtz, neben  denselbigen bτingt es seine fâden, damit bindt es sich an die stecken so darzů gesteckt werden, gleich den Reben. Die blůmen seind gantz bleychgeel, wie an den wilden Cucumern, unnd bτingen ettlich frucht, unnd ettlich nit, wie an den geschlechten der Cucumern. Die frucht aber ist rund, unnd oben zůgespitzt, gantz rauch, wie die frucht der wilden Cucumern, an der farb erstlich grûn, darnach (C) aber rot. Jn diser frucht ist beschlossen der same, welcher gantz bτeyt ist, rauch,  und schwartz grawlecht, vergleicht sich der gestalt nach den Kürbþkôτnern und samen. Die wurtzel bτeytet sich auþ, wie an einem beumlin. Das ander geschlecht hat einen dicken stengel, wie das zam Burtzelkraut, welcher an der farb grûn ist und rotlecht. Seine bletter seind schmall, lang, zů ringþumb zerkerfft, den Felber blettern seer gleich. Bτingt über die massen schôn leibfarb blûmen, welche hinden gekrümmet seind und herumb gebogen, wie an der Ritterspoτn. Wann die blůmen abfallen, so bτingt es ein frucht die ist gantz harig, rund, unnd oben zůgespitzt wie ein kegel, an der farb erstlich grûn, darnach bleychgeel, welche so sie zeitig würt, thût sie sich auff, und fellt alþdan der sam so darinn ist herauþ, welcher den kleinen Wicken nit seer ungleich ist. Die wurtzel bτeytet sich auch auþ mit vilen zincken und zaseln.

 

(D) Statt irer wachsung.

Die Balsamkreüter darvon wir yetzund handlen, wachsen nit in unnsern landen von sich selbs, sonder mûssen vleissig gepflantz werden. Seind frembde gewechþ, und newlich in das Teütschland gebτacht.

 

Zeit.

Dise gewechþ bτingen jhτe blûmen und frucht im Augstmonat und Herbstmonat. Es bτingt aber das weiblin wil ehe zeitige frucht, dann das mennlin.

 

Die natur und complexion.

Meins erachtens so seind beyderley geschlecht, fürnemlich aber das weible, trucken im andern grad volkommenlich, und warm im ersten. [204, 205, 206]

 

(E) Die krafft und würckung.

Man hat von disen kreütern, sovil und mir bewüþt, noch nit vil erfarung. Aber auþ dem ersten geschlecht macht man ein ôl diser gestalt: Die frucht beytzt man ettlich tag jn inn ôl, unnd stelts an die sonnen, darnach bedeckt mans mit mist, oder erdtrich, so lang biþ sie erfault. Sôlch ôl sol darnach die krafft des Balsams haben, und allerley wunden heylen. Und daher kompt es das mans Balsamkraut heyþt. Jn summa, es werden beyde geschlecht wundkreüter sein, und gleiche krafft unnd würckung haben wie das kraut so Wundtkraut unnd Fotzzwang genent würdt, von welchen wir an seinem oτt schτeiben wôllen.

Van balsemkruid. Kapittel 69.

 

Namen.

Dit gewas hebben we balsemkruid genoemd vanuit de Latijnse naam Balsamine, dan alzo wordt het op de huidige dag geheten, heb ook noch geen andere namen gevonden vanwege de oorzaken, zoals ik meen, dat het de ouden is onbekend geweest.

 

 

Geslacht.

Van het balsemkruid zijn twee geslachten, ene dat mannetje welke wordt aan ettelijke oorden van het Waalse land Hierosolymitanum pomum, dat is Jeruzalem appel genoemd. Aan andere oorden echter van het Waalse land heet dit geslacht Charantia en Balsamina. In Frankrijk noemt men het Mirabile pomum. (Momordica balsamina) Dat andere geslacht, wijfje genoemd, wordt in Waals land Balsaminum geheten welke vrucht de eerste wat gelijk is, doch kleiner. Verder is het echter hem gans ongelijk. Zijn twee schone gewassen wiens gelijke men nauwelijks vinden kan. Hebben geen bijzonder gebruik in de artsenij, doch vanwege hun schoonheid hebben we ze laten afbeelden. (Impatiens balsamina)

 

Gestalte.

Dar eerste geslacht der balsemkruiden kruipt met zijn zachte en lange scheuten her en der, heeft bladeren ingesneden zoals aan de Bryonia, naast diezelfde brengt het zijn vezels en daarmee bindt het zich aan die staken zo daartoe gestoken worden gelijk de druivenranken. De bloemen zijn gans bleekgeel zoals aan de wilde komkommers en brengen ettelijke vrucht en ettelijke niet zoals aan de geslachten der komkommers. De vrucht echter is rond en boven toegespitst, gans ruw zoals de vrucht der wilde komkommer, aan de verf eerst groen, daarna echter rood. In deze vrucht is besloten het zaad welke gans breed is, ruw en zwart grauwachtig, vergelijkt zich naar de gestalte de kouwoerde korrels en zaden. De wortel breidt zich uit zoals aan een boompje. Dat andere geslacht heeft een dikke stengel zoals het tamme posteleinkruid welke aan de verf groen is en roodachtig. Zijn bladeren zijn smal, lang en ringsom gekerfd, de wilgen bladeren zeer gelijk. Brengt overmatige schone lijfkleurig bloemen welke achter gekromd zijn en omgebogen zoals aan de ridderspoor. Wanneer de bloemen afvallen dan brengt het een vrucht en die is gans harig, rond en boven toegespitst zoals een kegel, aan de verf eerst groen en daarna bleekgeel welke zo ze rijp wordt doet ze zich open en valt alsdan het zaad zo daarin is eruit welke de kleine wikke niet zeer ongelijk is. De wortel breidt zich ook uit met vele scheuten en vezels.

 

 

Hun groeiplaats.

De balsemkruiden waarvan we nu handelen groeien niet in onze landen van zichzelf maar moeten vlijtig geplant worden. Zijn vreemde gewassen en net in dat Duitsland gebracht.

 

 

Tijd.

Deze gewassen brengen hun bloemen en vrucht in augustus en herfstmaand. En brengt echter dat wijfje wel eerder rijpe vruchten dan dat mannetje.

 

De natuur en samengesteldheid.

Mijn gedachte zo zijn beide geslachten en voornamelijk echter dat wijfje droog in andere graad volkomen en warm in eerste. [204, 205, 206]

 

De kracht en werking.

Men heeft van deze kruiden zoveel en me bewust noch niet veel ervaring. Echter uit het eerste geslacht maakt men een olie in deze gestalte: De vrucht weekt men ettelijke dagen in olie, en stelt het aan de zon, daarna bedekt men het met mest of aardrijk zolang totdat ze vervuilt. Zulke olie zal daarna de kracht van balsem hebben en allerlei wonden helen. En vandaar komt het dat men het balsemkruid heet. In summa, het zullen beide geslachten wondkruiden zijn en gelijke kracht en werking hebben zoals dat kruid zo wondkruid en hemelsleutel genoemd wordt van welke we aan zijn oord schrijven willen.

 

 

Von Süeszholtz. Cap. LXX.

 

(A) Namen.

Sueþholtz würt von den Gτiechischen Glycyrτhiza, von den Lateinischen Dulcis radix, in den Apotecken Liquiritia geheyssen. Seinen namen aber hat es von dem sussen safft, der in der wurtzel begriffen ist.

 

Gestalt.

Sůþholtz ist ein staud, welche vil âst oder stengel hat zweyer elen hoch, und seind sôlche holtzechte gertlin mit schwartzgrûnen, dicken unnd feyþten blettern bekleydet, welche im angriff zâch seind, als weren sie mit gummi beschmiret. Zwüschen dem laub und stengel bτingt es purpurbτaun blûmlin, dem Hyacintho gleich. So sie auþfallen, tringen kleine rauhe kurtze schôttlin hernach, in welchen zwey oder dτey kôτner verschlossen seind, den Linsen nit ungleich. Die wurtzel ist lang, inwendig geel als Buchþbaume holtz, oder Entzian wurtzel, etwas herb, doch sûþ, auþ welcher zwingt man einen dicken safft.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Das allerbest Sûþholtz wechst in Cappadocia und Ponto. Und zwar es wechst nit das ergest und geringst in unserm Teütschen land. Dann der Babenbergisch acker würt sonderlich gelobt das er uns Sûþholtz gnůgsam mitteylen kan. Wo es ein mal würt hin gepflantzt, do kreücht es hin und wider, und mag nit wol mehτ auþgereütet werden.

 

Zeit.

Blüet im Hewmonat, und würt sein same im Herbst gesamlet.

 

Die natur und complexion.

Sûþholtz ist der menschlichen natur gantz angenem unnd gleichfôτmig. Darumb es ein zimliche werme hat, ja ist gar nach mittelmâssig der werme halben. Sonst ist es feüchter natur.

 

(C) Die krafft und würckung.

Der safft von Sûþholtz, so man densellbigen in den mund nimpt, und laþt jn selber zerschmeltzen und im hals hinab schleichen, miltert und lindert die rauhe kelen. Er bekompt auch wol dem hitzigen magen, und allerley gebτesten der bτust, und der leber. So er mit sûssem wein getruncken würt, heylet er die verseerten blasen, und allerley gebτesten der nieren. So man gedachten safft zerlaþt, lescht er den durst. Bekompt auch wol den wunden, so er darumb gestrichen würt. Die wurtzel frisch in wasser gesotten, hat allerley würckung wie der safft. So sie aber gedôτrt würt und zů pulver gestossen, und in die wunden gestrewt, heylet [207, 208]  sie dieselbigen. Man mag auch Sûþholtz, dieweil es dem magen gantz dienstlich ist, zů allerley artzney, dem magen, der lungen, leber, blasen und nieren zůgehôτig, bτauchen. Soll demnach billich von menigklich das Sûþholtz werdt geacht und gehalten werden.

Van Zoethout. Kapittel.70. (Glycyrrhiza glabra)

 

Namen.

Zoethout wordt van de Grieken Glycyrrhiza, van de Latijnen Dulcis radix en in de apotheken Liquiritia geheten. Zijn namen echter heeft het van het zoete sap dat in de wortel begrepen is.

 

Gestalte.

Zoethout is een heester welke veel takken of stengels heeft twee ellebogen hoog en zijn zulke houtachtige gaardjes met zwartgroene, dikke en vette bladeren bekleed welke in aangrijpen taai zijn als waren ze met gom besmeerd. Tussen het loof en stengel brengt het purperbruine bloempjes, de Hyacinthus gelijk. Zo ze uitvallen dringen kleine ruwe korte schotjes erna waarin twee of drie korrels gesloten zijn, de lens niet ongelijk. De wortel is lang en inwendig geel als Buxus hout of gentiaan wortel, wat wrang, doch zoet, uit welke dwingt men een dik sap.

 

Zijn groeiplaats.

Dat allerbeste zoethout groeit in Cappadocië en Pontus. En zeker het groeit niet dat ergste en geringste in ons Duitse land. Dan de Babenbergse akker wordt bijzonder geloofd dat het ons zoethout voldoende mededelen kan. Waar het eenmaal wordt heen geplant daar kruipt het her en der en mag niet goed meer uitgeroeid worden.

 

Tijd.

Bloeit in juli en wordt zijn zaad in herfst verzameld.

 

De natuur en samengesteldheid.

Zoethout is de menselijke natuur gans aangenaam en gelijkvormig. Daarom het een tamelijke warmte heeft, ja is geheel naar   middelmatig vanwege de warmte. Verder is het vochtige natuur.

 

De kracht en werking.

Het sap van zoethout zo men datzelfde in de mond neemt en laat het smelten en in hals afzakken mildert en verzacht het de ruwe kelen. Het bekomt ook goed de hete maag en allerlei gebreken der borst en de lever. Zo het met zoete wijn gedronken wordt heelt het de bezeerde blaas en allerlei gebreken der nieren. Zo men gedacht sap oplost lest het de dorst. Bekomt ook goed de wonden zo het daarom gestreken wordt. De wortel fris in water gekookt heeft allerlei werking zoals het sap. Zo ze echter gedroogd wordt en tot poeder gestoten en in die wonden gestrooid heelt [207, 208] ze diezelfde. Men mag ook zoethout omdat het de maag gans dienstig is tot allerlei artsenij, de maag, de longen, lever, blaas en nieren toebehorend gebruiken. Zal daarna billijk van menigeen dat zoethout waard geacht en gehouden worden.

 


 

Von Bτaunwurtz. Cap. LXXI.

 

(A) Namen.

Braunwurtz würt sunst auch Sauwurtz, und groþ Feigwartzenkraut geheyssen. Auff Gτiechisch würt sie Galeopsis genent, zů Latein Uτtica labeo. Jn Apotecken heyþt mans Scrophulariam maioτem, Ficariam, und Castrangulam. Uτsach sôlcher namen haben wir zum theyl in unnserm Lateinischen kreüterbůch erzelet.

 

Gestalt.

Die Bτaunwurtz ist mit seinem stengel und blettern der Nessel nit ungleich, doch seind die bletter ettwas gletter, und eins starcken geruchs, in sonderheyt so mans zerreibt. Die stengel tragen jhτe kleine bτaune blûmlin am gipffel, wie die hole schneckenheüþlin, oder helm, die werden zů runden gespitzten kôpfflin, voller samen. Die wurtzel ist weiþ, mit vilen knoden und zincken.

 

Statt seiner wachsung.

Bτaunwurtz wechst gern hinder den zeünen, an alltem gemeür, unnd bey den wassern.

 

Zeit.

Bτaunwurtz blüet im Bτachmonat und Hewmonat, zů welcher zeit man sie samlen mag.

 

Die natur und complexion.

Bτaunwurtz ist subtiler substantz, trücknet, zerteylt, macht dünn.

 

(C) Die krafft und würckung.

Die bletter, safft, stengel und samen zerteylen allerley geschwulst, verzeren die herte krôpff, und oτmützel, so mans mit essig vermischt unnd zerstoþt, des tags zweymal lawlecht übergelegt. Man mag auch gedachte bletter, stengel und samen sieden, und die geschwulst darmit bâen. Die bletter zerstossen unnd mit saltz übergelegt, heylen die faulen unnd umb sich fressende geschwâr, unnd den krebs. Der safft von Bτaunwurtz vertreibt die rôte des angesichts, auch deren so schier für auþsetzig gehalten werden, so man das angesicht darmit wâscht. Das pulver von Bτaunwurtz heylet unnd trücknet die feigwartzen. Der sam auff ein quintlin schwer jngenomen, tôdtet und treibt auþ die würm. [209, 210, 211]

Van Bruinkruid. Kapittel. 71. (Scrophularia nodosa)

 

Namen.

Bruinkruid wordt soms ook zeugkruid en groot aambeienkruid geheten. Op Grieks wordt ze Galeopsis genoemd, in Latijn Urtica labeo. In apotheken noemt men het Scrophulariam maiorem, Ficariam en Castrangulam. Oorzaken zulke namen hebben we voor een deel in ons Latijnse kruidenboek verhaald.

 

Gestalte.

Dat bruinkruid is met zijn stengels en bladeren de netel niet ongelijk, doch zijn die bladeren wat gladder en een sterke reuk en vooral zo men het wrijft. De stengels dragen hun kleine bruine bloempjes aan top zoals de holle slakkenhuisjes of helmen, die worden tot ronde spitse kopjes vol zaden. De wortel is wit met vele knopen en scheuten.

 

Zijn groeiplaats.

Bruinkruid groeit graag achter de tuinen, aan oude muren en bij de wateren.

 

Tijd.

Bruinkruid bloeit in juni en juli in welke tijd men ze verzamelen mag.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Bruinkruid is subtiele substantie, droogt, verdeelt en maakt dun.

 

De kracht en werking.

De bladeren, sap, stengel en zaden verdelen allerlei zwellingen, verteren de harde krop en oorzweren zo men ze met azijn vermengt en stoot en per dag tweemaal lauwachtig opgelegd. Men mag ook gedachte bladeren, stengels en zaden zieden en de zwellingen daarmee baden. De bladeren gestoten en met zout opgelegd helen die vuile en om zich vretende zweren en de kanker. Het sap van bruinkruid verdrijft de roodheid van het aangezicht, ook die zo schier voor huiduitslag gehouden worden zo men dat aangezicht daarmee wast. Dat poeder van bruinkruid heelt en droogt de aambeien. Dat zaad op een quinten zwaar ingenomen doodt en drijft uit de wormen. [209, 210, 211]

 

 

 

Von Walstro. Cap. LXXII.

 

(A) Namen.

Walstro würdt auch unser Frawen Weg oder Bettstro genent. Auff Gτiechisch und Lateinisch würt es Gallion, Galation, und Galerium geheyssen, darumb das es die milch als ein renne zůsamen tringt.

 

Gestalt.

Walstro hat dünne runde und ebene stengelin, umb welche wachsen schmalle spitzige blettlin als ein râdle zů ringþumbher gesetzt, von unden an biþ oben auff, ye ein sternlin gleychþlang von dem andern, wie am Klebkraut. Bτingt vil kleine, geele, dicke und dτauschelechte blûmlin, deren vil bey einander wachsen, und seer wol und starck riechen. Die wurtzel ist zeer zasecht, und kreücht hin und wider.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Walstro wechst auff den gebawten feldern, wisen, unnd in ettlichen feüchten graþgârten.

 

Zeit.

Blüet im Bτachmonat und Hewmonat, am meysten und volkomlichsten.

 

Die natur und complexion.

Walstro ist trucken, und etwas scharpff.

 

Die krafft und würckung.

(C) Die blůmen von dem Walstro zerstossen und übergelegt, leschen den bτant, unnd heylen was vom fewτ verseret ist. So mans in die nasen, zůvoτ zerknütschet, stoþt, stellen sie das blůten derselbigen. Sie stellen auch das blůt so an andren oτten des leibs herauþ fleüþt. Sein auch gůt den vermûten glidern, so mans mit rosenôl und wachs vermischt, unnd ein pflaster darauþ macht. Darumb mag man wol den mûden ein fůþ wasser auþ gedachten blůmen machen. Die wurtzel erregt lust zur unkeüscheyt.

Van walstro. Kapittel 72. (Galium verum)

 

Namen.

Walstro wordt ook onze vrouwen weg of bedstro genoemd. Op Grieks en Latijns wordt het Gallion, Galation en Galerium geheten, daarom dat het de melk als een stolsel tezamen dringt.

 

Gestalte.

Walstro heeft dunne ronde en vlakke stengeltjes om welke groeien smalle spitse blaadjes zoals een rad ringsom gezet, van onder aan tot bovenop, elk een sterretje gelijk lang van de andere zoals aan kleefkruid. Brengt veel kleine gele, dikke en bossige bloempjes die er veel bij elkaar groeien en zeer goed en sterk ruiken. De wortel is zeer vezelig en kruipt her en der.

 

 

Zijn groeiplaats.

Walstro groeit op de gebouwde velden, weiden en in ettelijke vochtige grashof.

 

Tijd.

Bloeit in juni en juli het meeste en volkomen.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Walstro is droog en wat scherp.

 

De kracht en werking.

De bloemen van walstro gestoten en opgelegd lessen de brandt en helen wat van vuur bezeerd is. Zo men ze in de neus, tevoren gekneusd, stoot stelpen ze dat bloeden van diezelfde. Ze stelpen ook dat bloed zo aan andere oorden des lijf eruit vloeit. Zijn ook goed de vermoeide leden zo men ze met rozenolie en was vermengt en een pleister daaruit maakt. Daarom mag men goed de vermoeiden een voetwater uit gedachte bloemen maken. Die wortel wekt op lust tot onkuisheid.

 

 

Von Poley. Cap. LXXIII.

 

(A) Namen.

Poley würt von den Gτiechen Blechon, und Glechon, von den Lateinischen aber Pulegium genent. Uτsach sôlcher namen haben wir in dem Lateinischen gnůgsam angezeygt, und ist nit von nôten denen so diser zweyer spτaach nit verstendig seind, sôlche anzůzeygen.

 

Geschlecht.

Plinius und Apuleius schτeiben das zweyerley geschlecht seind des Poleys. Eins das mennle, das ander aber das weible. Dise beyde seind einander gleich, und haben keinen underscheyd dann in den blûmlin, welche am mennle weiþ,  an dem weible aber purpurbτaun seind. Die andern machen auch zweyerley geschlecht des Poleys, zam unnd wild. Der zam Poley ist der den Plinius das mennlin macht. Der wild ist ein geschlecht der Müntzen, zů Latein Calaminthæ geheyssen, wie wir an seinem oτt wôllen anzeygen. Und das ist das die demûtigen schâflin zů blerren, so sie das blüend kraut versûcht unnd gessen haben, bewegt und reytzt. [212, 213]

 

(C)  Gestalt.

Poley mennle flicht sich hin und her auff der erden, steigt in die hôhe eins elenbogen hoch, so er anderst ettwas hat daran er sich enthelt. Die bletter seind dem Maioτan gleich, die zweiglin unnd stengelin seind harig, rotlecht, die blůmen umb die stengel geringþumbher wie an den dem Marobel, purpurbτaun. Die wurtzel ist gantz zasecht. Das weiblin blüet weiþ, sonst aller gestalt nach dem mennlin gleich.

 

(D) Statt seiner wachsung.

Poley wechst gern an gebawten und feüchten oτten, und wo es ein mal hinkompt, do bleibt es hangen, unnd kreücht hin und wider, unnd überzeücht ein gantz feld.

 

Zeit.

Poley blüet im summer, nemlichen im Hewmonat und Augstmonat, so ander kreüter der hitz halben doτren und welcken, zů welcher zeit man es samlen sol.

 

Die natur und complexion.

Dieweil Poley scharpff und etwas bitter ist, so můþ er warm und trucken im dτitten grad sein.

 

(E) Die krafft und würckung.

Poley in wein gesotten und getruncken bτingt den frawen jhτe kranckheyt, treibt auþ das bürdlin, und die gebůrt. Mit hônig und Aloe getruncken, reyniget er die lungen, und steüret dem krampff. Mit wasser und essig genommen, legt er den unwillen und das grimmen und nagen im magenschlund. Die schwartzen gallen treibt er durch den stůlgang auþ. Jn wein getruncken, kompt er zůhilff denen so von den gifftigen thiern gebissen seind. Poley gestossen und mit essig für die nasen gehalten, bτingt herwider die so in onmacht fallen. Poley gedôτrt und zů pulver gestossen, oder zů âschen gebτent sterckt das zanfleysch. Mit gersten maltz gestossen und übergelegt, miltert er allerley bτand. Poley auff die podagrische glider gelegt biþ das sie rot werden, stilt den schmertzen. So man Poley mit saltz überlegt, bekompt es wol den miltzsüchtigen. Poley in wasser gesotten, (F) und die glider darmit gewâschen, legt das iucken derselbigen. So man Poley in wasser seüdt, und darinnen sitzt, benimpt er das blâen, herte, und den krampff der můtter. Ein krentzlin auþ Poley gemacht, und auff das haubt gesetzt, vertreibt den weetagen desselbigen, unnd den schwindel. An Poley gerochen, ist gůt denen so ein kalt und feücht hirn haben. Mit wein gesotten und getruncken, treibt den harn, und den stein der nieren. Mit essig genommen, ist er treffenlich gůt denen so die fallenden sucht haben. So man ungesund wasser trincken můþ, sol man Poley darinn legen, oder das pulver darvon darinn werffen, so macht er das mans on schaden trincken kan. Poley mit saltz, essig unnd hônig vermengt, ist gůt denen so den krampff haben, wann sie sich darmit reiben lassen. Er bekompt auch treffenlich wol dem hüfftwee, so er auþwendig über die hüfft gelegt würt. [214, 215]

Van polei. Kapittel 73.

 

Namen.

Polei wordt van de Grieken Blechon en Glechon, van de Latijnen echter Pulegium genoemd. Oorzaak zulke namen hebben we in het Latijn voldoende aangetoond en is niet nodig diegene zo deze twee spraken niet verstandig zijn zulke aan te wijzen.

 

Geslacht.

Plinius en Apuleius schrijven dat er twee geslachten zijn van de polei. Een dat mannetje en de andere echter dat wijfje. Deze beide zijn elkaar gelijk en hebben geen onderscheid dan in de bloempjes welke aan mannetje wit, aan het wijfje echter purperbruin zijn. De anderen maken ook twee geslachten van polei, tam en wild. De tamme polei is die wat Plinius dat mannetje maakt. (Teucrium montanum) De wilde is een geslacht der munten, in Latijn Calaminthae geheten zoals we aan zijn oord willen aantonen. En dat is dat de deemoedige schaapjes te blèren zo ze dat bloeiende kruid verzocht en gegeten hebben bewogen en opwekt. [212, 213] (Mentha pulegium)

 

Vorm.

Polei mannetje vlecht zich heen en weer op de aarde, stijgt in de hoogte een elleboog hoog zo het anders wat heeft waaraan het zich aan ophoudt. De bladeren zijn de majoraan gelijk, de twijgjes en stengeltjes zijn harig en roodachtig, die bloemen om de stengels ringsom zoals aan de malrove, purperbruin. De wortel is gans vezelig. Dat wijfje bloeit wit, verder naar alle gestalte het mannetje gelijk.

 

Zijn groeiplaats.

Polei groeit graag aan gebouwde en vochtige oorden en waar het eenmaal heen komt daar blijft het hangen en kruipt her en der en overtrekt een gans veld.

 

Tijd.

Polei bloeit in zomer, namelijk in juni en augustus zo andere kruiden vanwege de hitte verdorren en verwelken in welke tijd men het verzamelen zal.

 

De natuur en samengesteldheid.

Omdat polei scherp en wat bitter is zo moet het warm en droog in derde graad zijn.

 

 

De kracht en werking.

Polei in wijn gekookt en gedronken brengt de vrouwen hun ziekte, drijft uit de nageboorte en de geboorte. Met honing en aloë gedronken reinigt het de longen en stuurt de kramp. Met water en azijn genomen legt het de onwil en dat grommen en knagen in maagmond. De zwarte gal drijft het door de stoelgang uit. In wijn gedronken komt het te hulp diegene zo van de giftige dieren gebeten zijn. Polei gestoten en met azijn voor die neus gehouden,brengt weer die zo in onmacht vallen. Polei gedord en tot poeder gestoten of tot as gebrand versterkt dat tandvlees. Met gerstemout gestoten en opgelegd mildert het allerlei brand. Polei op de podagrische leden gelegd totdat ze rood worden stilt de smarten. Zo men polei met zout oplegt bekomt het goed de miltzuchtige. Polei in water gekookt en de leden daarmee gewassen legt dat jeuken van diezelfde. Zo men polei in water ziedt en daarin zit beneemt het dat opblazen, hardheid en de kramp der baarmoeder. Een kransje uit polei gemaakt en op het hoofd gezet verdrijft de pijnen daarvan en de duizeligheid. Aan polei geroken is goed diegene zo een koude en vochtig hersens hebben. Met wijn gekookt en gedronken drijft de plas en de steen der nieren. Met azijn genomen is het voortreffelijk goed diegene zo de vallende ziekte hebben. Zo men ongezond water drinken moet zal men polei daarin leggen of dat poeder daarvan daarin werpen dat maakt het dat men het zonder schade drinken kan. Polei met zout, azijn en honing vermengt is goed diegene zo de kramp hebben wanneer ze zich daarmee wrijven laten. Het bekomt ook voortreffelijk goed de voetenpijn zo het uitwendig over de voet gelegd wordt. [214, 215]

 

 

Von Entzian. Cap. LXXIIII.

 

(A) Namen.

Entzian, welche auch sonst würdt geheyssen Bitterwurtz, ist auff Gτiechisch und Lateinisch genent woτden Gentiana, von dem Kûnig Gentio, der sie erfunden hat.

 

Gestalt.

Die bletter des Entzian kommen erstlich bey der wurtzel herfür, und vergleichen sich den Nuþbaum blettern, oder dem Wegerich, seind ein wenig rotlecht, doch die mitten am stengel, fürnemlich aber in der hôhe desselbigen, steen, seind ein wenig zerkerfft. Der stengel ist rund, hol, glat, fingers dick, knôpffecht, zweyer elnbogen hoch. Die blůmen seind geel, erstlich in hûlþlin verschlossen, darnach aber so sie gar herauþ schlieffen, thůn sie sich auff. So die blůmen abfallen, gewindt er kleine schâflin, darinn ist der bτeyt glat samen, der geelen Veiel samen seer ânlich. Die wurtzel ist lang, dick, auþwendig erdenfarb, inwendig geel, am geschmack bitter.

 

(B) Statt seiner wachsung.

Entzian wechst auff den hohen lüfftigen bergen, auch in den schattechten und wâsserigen tâlern, und ist seer gemein in unserm Teütschen land.

 

Zeit.

Entzian blüet am vesten im Bτachmonat, aber im Hewmonat bτingt er seine schâflin, und darinn den samen.

 

Die natur und complexion.

Entzian wurtzel ist warm und trucken, wie man sôlchs auþ dem geschmack, der do bitter ist, wol kan abnemen.

 

(C) Die krafft und würckung.

Gedôττte Entzian wurtzel zů pulver gestossen, und zwey quintlin darvon mit ein wenig Pfeffer und Rauten vermischt in wein getruncken, ist treffenlich gůt denen so von den gifftigen thiern gebissen seind. Ein quintlin des auþgetruckten safft auþ den grûnen wurtzel getruncken, vertreibt das seitenwee, bekompt wol denen so hoch heraber gefallen, oder inwendig gebτochen seind, dann er zerteylt und füret auþ das gerunnen blůt. Er ist auch gůt mit wasser getruncken den lebersüchtigen, und denen so einen schwachen magen haben. Ein zâpflin auþ der wurtzel gemacht, und in die můter gethon, treibt auþ die todten gebůrt. Die wurtzel ist auch nützlich zů den wunden, fürnemlich zů denen so seer tieff seind, und umb sich fressen. Deþgleichen auch der safft, welcher so er in einem tüchlin über die augen geschlagen würdt, leschet er die hitz derselbigen. Der safft dienet (D) auch zů allerley ungestalt und befleckung der haut, darmit bestrichen. Jn summa, Entzian wurtzel und der safft darvon, zerteylen, reynigen, seubern, und nemen hinweg allerley verstopffung. Seind ein treffenliche artzney für allerley gifft, und bekommen seer wol dem schwachen magen. Der safft sol aber also gemacht werden: Man sol die grûne wurtzel stossen, und fünff tag in frischem wasser beytzen, darnach mit einander recht wol sieden, biþ die wurtzel obsteet und fürauþ geet. Nachdem so das erkaltet ist, sol mans durch ein sauber reyn tüchlin seihen, und von newen sieden, biþ es dick würt als hônig, und in einem gebachnen und glasierten steinigen geschirτ behalten und verwaren. [216, 217]

Van gentiaan. Kapittel 74. (Gentiana lutea)

 

Namen.

Gentiaan welke ook soms wordt geheten bitterkruid is op Grieks en Latijns genoemd geworden Gentiana van de koning Gentio die ze gevonden heeft.

 

Gestalte.

De bladeren van de gentiaan komen eerst bij der wortel voort en vergelijken zich de walnoot bladeren of de weegbree, zijn een weinig roodachtig doch die in het midden aan de stengel en voornamelijk echter in de hoogte ervan staan zijn een weinig gekerfd. De stengel is rond, hol, glad, vingers dik, knopachtige en twee ellebogen hoog. De bloemen zijn geel, eerst in hulsjes gesloten daarna echter zo ze erg eruit sluipen doen ze zich open. Zo de bloemen afvallen gewint het kleine scheepjes en daarin is het brede gladde zaad de gele vioolzaden zeer gelijk. De wortel is lang, dik, uitwendig aardkleurig, inwendig geel, aan smaak bitter.

 

Zijn groeiplaats.

Gentiaan groeit op de hoge luchtige bergen, ook in de beschaduwde en waterige dalen en is zeer algemeen in ons Duitse land.

 

 

Tijd.

Gentiaan bloeit het beste in juni, echter in juli brengt het zijn scheepjes en daarin de zaden.

 

 

De natuur en samengesteldheid.

Gentiaan wortel is warm en droog zoals men zulks uit de smaak die daar bitter is goed kan afnemen.

 

Die kracht en werking.

Gedorde gentiaan wortel tot poeder gestoten en twee quinten daarvan met een weinig peper en ruit vermengt in wijn gedronken is voortreffelijk goed diegenen zo van de giftige dieren gebeten zijn. Een quinten van het uitgedrukte sap uit de groene wortel gedronken verdrijft de zijdepijn, bekomt goed diegene zo hoog afgevallen of inwendig gebroken zijn, dan het verdeelt en voert uit dat gestolde bloed. Het is ook goed met water gedronken de leverzieke en diegene zo een zwakke maag hebben. Een pessarium uit de wortel gemaakt en in de baarmoeder gedaan drijft uit de dode geboorte. De wortel is ook nuttig tot de wonden, voornamelijk tot diegene zo zeer diep zijn en om zich vreten. Desgelijks ook het sap welke zo het in een doekje over de ogen geslagen wordt lest het de hitte van diezelfde. Het sap dient ook tot allerlei ongesteldheid en bevlekking van de huid, daarmee bestreken. In summa, gentiaanwortel en het sap daarvan verdelen, reinigen, zuiveren en nemen weg allerlei verstopping. Zijn een voortreffelijke artsenij voor allerlei gif en bekomen zeer goed de zwakke maag. Het sap zal echter alzo gemaakt worden: Men zal de groene wortel stoten en vijf dag in fris water weken, daarna met elkaar recht en goed zieden tot de wortel opstaat en vooruit gaat. Nadat het zo verkoeld is zal men het door een zuiver rein doekje zeven en opnieuw zieden tot het dik wordt als honing en in een gebakken en geglaasde stenen pan behouden en bewaren. [216, 217]

 

 

Von Gichtwurtz. Cap. LXXV.

 

(A) Namen.

Gichtwurtz nent man sonst auch Peonien blůmen, Benedicten rosen, Benignen rosen, Pfingst rosen, Peonien rosen, Venedisch rosen, Künigþblům. Bey den Gτiechen würdt sie Glyciside geheyssen, auff lateinisch Pæonia, und Casta herba. Uτsachen diser namen haben wir in unserm Lateinischen kreüterbůch angezeygt.

 

Geschlecht.

Der Gichtwurtz seind zwey geschlecht, weible und mennle. Das mennle  nent man Ninivenwurtz, welches wir noch nit gesehen haben. Das weible hat die namen so wir voτmals haben erzelt.

 

Gestalt.

Gegen dem frûling stossen sie die schônen roten dolden herfür, welche so sie sich auff thůn, werden darauþ stengel elen hoch. Die bτaunrote bletter so erstlich erscheinen, ferben sich dann ye mehτ mit grûner farb. Dieselbigen aber an dem (B) mennle seind dem Nuþbaum laub gleich. Am weible aber seind sie zerschnitten, wie an dem Liebstôckel. Auff dem ôbersten teyl der stengel kommen schône runde knôpff, die thůn sich auff, unnd werden zů schônen roten rosen, deren ettlich einer hand weit seind, inwendig mit gantz geelem har oder zaseln geziert. So diser rosen bletter abfallen, wachsen hernach hülsen den Mandeln gleich, welche so sie sich auff thůn, sicht man darinnen schône rote kôτner, den Granatôpffel kôτnern nit unânlich. Sôlche so sie zeitig und alt werden, gewinnen sie ein andere farb, und werden gar schwartz auþwendig, inwendig aber weiþ. Die wurtzel des mennlins ist fingers dick, und spannen lang, weiþ, und zeücht zůsamen. Des weiblins wurtzel ist knôpffecht, unnd die knôpff so daran seind, vergleichen sich etwas den eycheln, wie an der Goltwurtz mennle genant.

 

(C) Statt irer wachsung.

Gichtwurtz wachsen in hohen gebirgen, aber das weible würdt in unsern landen in allen gârten gepflantzt.

 

Zeit.

Das weible blüet im Meyen. Das mennle ist mir noch nit zůsehen woτden.

 

Die natur und complexion.

Peonien rosen ziehen zůsamen, und seind etwas süþ. Und so mans ein zeit lang im mund helt, befindt man das sie auch ein scherpffe hat die ettwas bitter ist. Jst derhalben einer subtilen substantz, trücknet auþ, und hat ein mittelmâssige werme.

 

(D) Die krafft und würckung.

Die wurtzel der peonien rosen gedôτrt, gestossen, und einer Mandel groþ mit wein jngegeben, reynigt die weiber nach der gebůrt, und bτingt jhn jre blôdigkeyt. Sie lindert auch diser gestalt getruncken den schmertzen unnd weetagen des bauchs. Jst nützlich denen so die geelsucht haben, schmertzen der nieren und blasen. Benimpt auch die verstopffung der leber unnd nieren. Herwiderumb aber stopfft sie den stůlgang so sie mit wein getruncken würt. Zehen oder zwôlff roter Peonien kôτner in rawhem schwartzroten wein gesotten, stillen der weiber kranckheyt. So sie von den jungen kindern gessen oder getruncken werden, lassen sie den stein nit wachsen. Fünffzehen schwartzen Peonien kôτner zerstossen, und in Meth oder wein jngegeben, seind treffenlich gůt denen, so vermey [218] (E) nen sie werden von einem andern im schlaff getruckt, und den weibern welche die můter übersich steigt. Die wurtzel sol man an hals hencken für die fallende sucht, welches Galenus erstlich, unnd nach jhm vil haben bewâret, und war genommen.

Van jichtkruid. Kapittel 75.

 

Namen.

Jichtkruid noemt men soms ook pioen bloemen, Benedicten rozen, pioen rozen, Pinksterrozen, pioenrozen, Venetië rozen, koningsbloem. Bij de Grieken wordt ze Glyciside geheten op Latijns Paeonia en Casta herba. Oorzaken van deze namen hebben we in ons Latijnse kruidenboek aangetoond.

 

Geslacht.

Van het jichtkruid zijn twee geslachten, wijfje en mannetje. Dat mannetje noemt men Ninive kruid welke we noch niet gezien hebben. Dat wijfje heeft de namen zo we hiervoor hebben verhaald. (Paeonia corallina, Paeonia clusii)

 

 

Gestalte.

Tegen het voorjaar stoten ze die schone rode spruiten voort welke zo ze zich open doen worden daaruit stengels ellebogen hoog. De bruinrode bladeren zo eerst verschijnen verven zich dan steeds meer met groene verf. Diezelfde echter aan het mannetje zijn de walnotenbomen loof gelijk. Aan wijfje echter zijn ze ingesneden zoals aan de maggi. Op het bovenste deel der stengels komen schone ronde knoppen, die doen zich open en worden tot schone rode rozen waarvan ettelijke een hand wijd zijn, inwendig met gans geel haar of vezels gesierd. Zo deze rozen bladeren afvallen groeien erna hulzen de amandelen gelijk welke zo ze zich open doen ziet men daarin schone rode korrels, de granaatappel korrels niet ongelijk. Zulke zo ze rijp en oud worden gewinnen ze een andere verf en worden erg zwart uitwendig, inwendig echter wit. De wortel van het mannetje is vingers dik en zeventien cm lang, wit en trekt tezamen. Het wijfjes wortel is knopachtig en de knoppen zo daaraan zijn vergelijken zich wat de eikels zoals aan het goudkruid mannetje genoemd.

 

Hun groeiplaats.

Jichtkruid groeit in hoge bergen, echter dat wijfje wordt in onze landen in alle hoven geplant.

 

Tijd.

Dat wijfje bloeit in mei. Dat mannetje is me noch niet te zien geworden.

 

De natuur en samengesteldheid.

Pioenen rozen trekken tezamen en zijn wat zoet. En zo men ze een tijd lang in mond houdt bevindt men dat ze ook een scherpte hebben die wat bitter is. Is derhalve een subtiele substantie, droogt uit en heeft een middelmatige warmte.

 

De kracht en werking.

De wortel der pioenen rozen gedord, gestoten en een amandel groot met wijn ingegeven reinigt de wijven na de geboorte en brengt hen hun bloederigheid. Ze verzacht ook deze gestalte gedronken de smarten en pijnen der buik. Is nuttig diegene zo de geelzucht hebben, smarten der nieren en blaas. Beneemt ook de verstopping der lever en nieren. Daartegen echter stopt ze de stoelgang zo ze met wijn gedronken wordt. Tien of twaalf rode pioenkorrels in rauwe zwartrode wijn gekookt stilt de wijven ziekte. Zo ze van de jonge kinderen gegeten of gedronken worden laten ze de steen niet groeien. Vijftien zwarte pioenen korrels gestoten en in mede of wijn ingegeven zijn voortreffelijk goed diegenen zo menen [218] ze worden van een andere in slaap gedrukt en de wijven welke die baarmoeder omhoog stijgt. De wortel zal men aan hals hangen voor de vallende ziekte welke Galenus eerst en na hem veel hebben beweerd en waargenomen.

 

 

Von Stoτckenschnabel. Cap. LXXVI.

 

(A) Namen.

Stoτckenschnâbel seind von den Gτiechen unnd Lateinischen genent woτden Gerania, darumb das sie am obersten teyl des stengels bτingen ein kôpfflin mit