Konrad Megenberg. Buch der Natur, 1330.

 

Vergelijk hier ook met Maerlant, der Naturen Bloeme.

Inleiding.

 

Van het leven van Megenberg weten we weinig meer dan wat hij in zijn boeken zegt en dan nog weinig. Zijn geboortejaar is te ontlenen aan zijn gedicht Planctus ecclesiac in Hermania; op zijn 28ste jaar zo in 1337. Naar J. Trithemius zou hij zijn geestelijke vorming op het gymnasium te Erfurt ontvangen hebben en ging daarnaar naar de universiteit te Parijs waar hij tijdens die acht jaar filosofie, theologie leerde en openbare lezingen hield voor het de doctorshoed kreeg.

Over zijn oponthoud in Erfurt en Thringen geeft hij in het Buche der Natur zelf zijn verklaring; des krautes sandix ist in Dr gen vil umb Ertfurt 419, 28. den siehtum, der mclancoUa haizet, daz haizent die Drgen rasen 400, 7. dar umb macht man in (den spat) fr die vcnster an den busern in clleichen landen, sam in Drgen. Ook zo spreekt hij enkele malen van zijn Parijse verblijf.

Ook heeft Trithemus zich wel bemoeit met de infula doctaratus omdat Konrad in de voorrede van de statuten van het Regenburgse Domkapittel staat van hem en andere collegas Primo in Gymnasio Erfordensi rudimenta liberalium artium hauriens, se deinde ad universitatem Parieiensem contulit. ubi philosophiam et saeras literas publice per oetennium scholaribus leetitans, doetoratus. infulam consecutus est." Trithemius e. a. Ook vaak met de titel magister meegedeeld zoals in de oorkonde van 1474 (door Ried) meester genoemd werd.

Nog in de loop van 1337 keerde hij weer van Parijs naar Duitsland wel naar zijn woonplaats. Vandaar is hij al gauw naar Wenen gegaan waar hij hoofd van de school bij St. Stephanus werd. Sommige zeggen dat hij daar een 15 jaar gebleven is wat volgens Schmeller op een misverstand berust. Hij moet hoogstens tot 1341 daar geweest zijn omdat we hem in 1342 al in Regensburg vinden. Werd hij daar al goed aangezien of wat het wonder wat hij aan het graf van de H. Erhart bewerkte of de roep van geleerdheid en zijn beduidende persoonlijkheid of alles tezamen wat de aandacht op hem trok, het was genoeg en hij vond zijn werk zodat hij Regensburg als zijn vaste woonplaats verkoos. Het schijnt dat hij als een pater in de kerk van St. Ulrich werkte en vervolgens wegens zijn bijval en zijn prediken in meerdere hoofdkerken die hem door de domdecaan Konrad von Heimnerg overgedragen werd. Door een oorkonde van 16 maart 1342 staat dat ; Meister Konrad von Megenberg de Roomse keizer Ludwig en zijn kinderen trouw te dienen en vanwege de genade die hem van de Roomse stoel geschied is meester Otto von Rain, keizers schrijver bij de prove te Regensburg waar die leefde niet te ergeren. Kort daarna is hij wel tot canoniek aan de Regensburger Dom benoemd. Daar bleef hij tot aan zijn dood. Hij stierf op 14 april 1473 op zijn 65ste levensjaar.

Konrad behoorde tot de vruchtbaarste schrijvers van zijn tijd. Hij bleef hierin niet in de enge grenzen van zijn stand en beroep maar ontvouwde naar verschillende zijden en opmerkelijke daadkracht. De heersende kerk met het politieke kamp daartegenover die toen de wereld in oproer en beweging zette hield hem niet tegen als moedige goedige toeschouwer maar nam daar door woord en schrift levendig aan deel. Ofschoon hij, zoals te verwachten, aan de christelijke kant stond, maar hij had toch meer een onpartijdig oog voor beide partijen.

Er zijn meer dan 20 schriften die aan hem toegeschreven worden, meestal over de kerk en recht.

 

Het Buch der Natur.

Dat is niet vanzelf ontstaan. Al in de jaren 1349-1350 van het geschreven boek trad Eonrad, de eerste op dit gebied van weten naar voren die de poorten van de tot dan toe gesloten geleerde stand opende. Reeds had men al vanaf de 12de eeuw geprobeerd om de Duitse geschreven boeken en handelingen over enkele delen van de natuurgeschiedenis en natuurleer over hemellichamen en natuurverschijningen, dieren en planten de natuurhistorische kennis onder het volk te verspreiden. Daartoe behoort de zgn. Physiologus, Lucidarius of de Aurea gemma, de Meinauer Natuurleer en een aantal artsenboeken waarin de kruiden en hun krachten een voorname rol speelden. Maar dat in een kleine ruimte wat geen verdere gevolgen had. De geest en ontvankelijkheid voor natuurlijke dingen was echter elke tijd bij het volk levendig voorhanden. Konrad gaf gehoor aan de roep van zijn tijd dat hij die enge ruimtes doorbrak en verdeelde aan iedereen en een voor iedereen toegankelijk boek voorlegde. Dat bewijst zijn enorme verspreiding en men kan wel zeggen dat tot in de 16de eeuw op natuurhistorisch gebied in Duitsland geschreven werd min of meer uit Konrad zijn werk terug te voeren is. Zelf het beroemde werk van Albertus Magnus dat ontelbare malen herdrukt is; von Weibern und Geburten der Kinder samt denen dazu gehrigen Arzneien; nebst einer Erklrung von den Tugenden der vornehmsten Kruter, und von Kraft und Wirkung der Edelsteine, von der Art und Natur etlicher Thiere is niets anders dan een uittreksel uit het Buche der Natur. Dat komt omdat Konrads boek geen origineel werk is, maar uit het Latijn bewerkt en alles beschrijft wat de Middeleeuwse wetenschappers onderzocht en gedaan hebben, een afspiegeling van het licht van de kennis van grote volkeren uit de oudheid. Op verschillende plaatsen zegt hij zelf, in het begin en aan het eind, dat het een Latijns boek is dat hij in het Duits zet. Voor de maker daarvan hield hij aanvankelijk Albertus Magnus (also trag ich ain puoch von latein in dutscheu wort, daz hat Albertus maisterlch gesamnet von den alten 2, 6 ff. vgl. 251, 16). Tegen het eind komt hij in twijfel, bij de edelstenen (427, 20 ff.) komt hij tot het besluit dat Albertus toch wel moeilijk de schrijver kan zijn; dar umb sprich ich Megenbergoer, daz ich zweifei, ob Albertus daz puoch hab gemacht ze lalciti. wem er in andern pcchern verr anders redet von den Sachen dan daz puoch redet, er hab ez dann gemacht in der jugent, e ' er seinem aigen sin volgt, wan daz puoch, daz ich auz der Intei n in daz dutsch hn prcht, daz ist ain gesamnet dinch der alten maister, sam der maister selber bckent an dem ende des puochs 430, 5—13. Deze twijfel was wel zo gevestigd als de verwarring omdat het boek synoniem verscheen maakte het mogelijk dat het werk aan Albertus toegeschreven werd.

De titel was; Lber de natura rerum. De schrijver bleef lang verborgen en eerst Echard (Script. ord. pracd. l, 251 a) heef bewezen dat de schrijver van de bekende en vaak gedrukte Bonum universale de apibus", Thomas Cantimpratensis (zo genoemd van de oever Chambray gelegen abdij Cantimpre") ook de auteur van dit boek is en die zich in de voorrede zichzelf bekend maakt.

Thomas was een leerling van Albertus Magnus, behoorde eerst tot de Augustijnen en dan tot de Dominicanen orde. Is in 1202 bij de stad Leuwis (Leuven) bij Brussel geboren, maakte reizen naar verschillende landen en ook naar Duitsland, stierf rond 1270. De Natura Rerum zal tussen 1230 en 1244 geschreven zijn. Het is niet in zijn vaderlandse taal geschreven, maar het grootste deel nam Vincentius Bellovacensis in zijn verschillende verzamelwerken op, namelijk in Speculum naturale.

Alzo heeft Thomas 15 jaar onvermoeibaar gewerkte kennis uit zijn tijd te verzamelen en een compendium samen te stellen. Hij kon ook niet verbergen dat hem vele boeken gedeeltelijk onbekend en deels ontoegankelijk gebleven zijn, zo troostte hij zich toch dat hij geen moeit en kosten gespaard heeft om dat boek de grootst mogelijke kennis te geven en met tevredenheid en echte trots zou hij erop wijzen dat er geen werk bestaat dat in zo n kleine ruimte zo n rijke en menigvuldige stof in zich verenigde.

Om dit boek voor de Duitsers toegankelijk te maken had Konrad zich die opgave gesteld dit te maken.

 

Al in de indeling deden zich wezenlijke afwijkingen af van het originele. In plaats van 19 boeken vinden we bij Konrad 8 hoofdstukken met enige onderafdelingen zodat gelijkvormige tezamen gezet en in logische volgorde zijn gebracht.

Dat eerste stuk handelt van mensen en zijn natuur. Maar bij de tweede wijkt hij af van zijn bron, hij zal het 16-19de boek, de planeten, elementen en natuurverschijningen in een deel verenigen. Het 4-9de boek van de viervoetige, vogels, ongehoorde zeedieren, vissen, slangen en insecten zijn bij hem het derde stuk met zes onderafdelingen. Het vierde stuk met twee onderafdelingen van de bomen en struiken is het 10de en 11de boek , de vijfde van de kruiden het 12de, de zesde van de edelstenen het 14de, de zevende van de metalen het 15de, de achtste en laatste van de wonderen en genezende bronnen uit het 13de boek. Op het eind daarvan zegt hij dat hij het geheel verbeterd heeft en met een derde aangevuld. Dan zegt hij ook dat hij nog zon boek heeft gevonden waarin de wondermensen voorkomen. Dat beschrijft hij dan als laatste als een soort aanhangsel.

Onder de bomen vermeldt Megenberg in het begin de paradijs boom en de wonderlijke boom. Op het eind van de wonderlijke boom zegt hij; von dem paum und von dem vodern sagt unser puoch ze latein niht, ich hn si genomen auz grzern pechern von der ntr, als ich willen hn ze tuon an vil paumen und krutern; d twinget mich zuo gar guoter will. Toch heeft Maerlant die twee bomen ook, maar veel uitgebreider. Vergelijken we hem met Maerlant heeft hij meer aangevuld op het theologische vlak. Maar Maerlant is uitgebreider in het onderwerp van de kapittels en heeft ook meer kapittels. Dat vooral in de eerste kapittels, bij kruiden is hij veel minder en vervolgens is het min of meer gelijk met Megenberg.

 

Uitgegeven te Hagenau / Werkstatt Diebold Lauber rond 1442-1448?

Het in 1348/50 gemaakte BUCH DER NATUR, boek van de natuur van Conrad van Megenberg telt met ongeveer 150 teksten tot de meest populaire volkstaal encyclopedien van de late Middeleeuwen. In de jaren 1475 tot 1495 is het een zes tot zeven maak nagedrukt geworden waarna de belangstelling inzakte, hoewel het nog eenmaal in 1540 door Egenolf in Frankfurt nog eenmaal uitgebracht werd. Sindsdien lag het handschrift verscholen in het stof van de grote bibliotheken. Dat tot een nieuwe opleving door Schmeller en vanwege zijn vroege dood verder uitgewerkt door Franz Pfeiffer.

 

 

Ik heb hier de handgeschreven tekst van het boek voorhanden, dat is een uitdaging en heb al ettelijke paginas opgeschreven totdat ik in Google het boek vond van Dr. Franz Pfeiffer uit 1861, Das Buch der Natur: die erste Naturgeschichte in deutscher Sprache - Resultaten voor Zoeken naar boeken met Google. Die beschrijft het in zijn tijd. Om nu weer het wiel uit te vinden gaat me te ver, dit is gemakkelijker. Dus ik neem dit boek als handleiding en vergelijk die met de originele tekst.

Zie verder de inleiding bij van Maerlant, Der Naturen Bloeme.

Google geeft een aantal richtlijnen voor gebruik, lijkt me wat overbodig, wie kan het toch nog lezen? Ik wil het toch proberen en het zo net als bij Google voor iedereen toegankelijk maken.

 

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

 

Zie ook oorspronkelijke tekst met afbeeldingen die in dit werk gebruikt worden;

http://diglit.ub.uni-heidelberg.de/diglit/cpg300/0773?sid=1896943cdd7e1f2271976119612412b1

 

Konrad von Megenberg: Das Buch der Natur (Hagenau - Werkstatt ...

Voorwoord, [72, 73]

 

Ain wirdig weibes krn,

in welhem klaid man die ansiht,

s sint ir tugentleicheu werc an kainem end verhandelt;

si stt geladen schn

(diu wrhait pilleich ir des giht)

reht als ain engadischer reb, ob der sein fruht niht wandelt.

 

2. Sam tuot diu edel kunst:

in welher sprch man sei durchkift,

doch ist si unverhawen an ir selben mit der zungen;

geit ir diu red ir gunst,

s vingerzaigt auf si diu schrift,

diu red schol unverschertet sein, mit clrhait schn umbslungen.

 

3. In herzen ligt gedanch

beslozzen gar mit guoter tr,

das sloz wirt aufgeslozzen ganz mit rehter rede slzzel.

kain red vht redens vanch:

ob ich der wrhait fezel spr,

sleutzt si nicht auf gedenke gar, si rert ombsunst den drzzel. [74]

 

4. Ez sprichet manig man,

mein tummer sin sei, daz ich trag

die kunst von lateinischer sprch in dutscheu wort behllet

ich wrk das ich d kan.

Wen des verdriez, der sei n clag

Und vlieh mein wunderleicheu werch, seit im dar ab nu wllet.

 

5. Ez truog Jeronimus

von hebraisch in lateines wort

ganz waz diu wibel sinnes ht und auch von andern zungen;

sam truog Boethius

von kriechisch in lateines hort

mit fleiz waz Aristotiles het in die kunst gedrungen.

 

6. Als trag ich ain puoch

von latein in dutscheu wort,

daz ht Albertus maisterleich gesamnet von den alten.

gelust dich des, daz suoch:

ez ist von manger dingen hort,

diu uns gar wirdicleichen sint in der ntr behalten. [75]

 

 

 

1.

VON DEM MENSCHEN IN SEINER GEMAINEN NATUR.

 

Got beschuof den menschen an dem sehsten tag nch andern cratren und ht in beschaffen als, daz seins wesens stk und seins leibes gelider sint gesetzet nch dem satz der ganzen werlt, wan in dem menschen ist vernunft als in dem engel und kain ander cratr ht vernunft n dem engel und den menschen, und dar umb ist kain tier gelernich mit rehter kunst als der mensch ist.auch wegt diu sl des menschen leib von stat ze stat recht als der himelweger tout den himel.mit dem geleicht der mensch dem himel.auch als diu sunn ze mittelst stt under andern planten, dar umb, daz si irn schein gestrewen mg auf die andern stern ber sich und under sich, als stt des menschen herz ze mittrist in dem leib, dar umb, daz ez andern glidern craft gesenden mg.auch nimt der mensch sein narunge mit ezzen und mit trinken und wechst auf und ab.mit dem geleicht er den paumen und den krutern und allen den dingen, die narunge pflegent. auch ist der mensch gemischet auz den vier elementen, die d haizent feur, luft, wazzer und erd.mit dem geleicht er stainen und gesmeid und allem dem, daz auz den elementen wirt.dar umb als Aristotiles spricht: s der mensch ain kindel ist, s gt er auf den henden, dar nch [76] gt er aufreht auf den fezen unz an daz letzt alter, s pckt er sich dan wider zou der erden, d mit bezeugt er im selber, daz er von der erden komen sei und wider zou erden werden muoz.

N hn ich kurz begriffen, wie der mensch der ganzen werlt sei geleich.dar umb haizt er in kriechischer sprch microcosmus, daz ist als vil gesprochen als die clain werlt.dar umb sprechent hbsch leut: ich sag alle werlt in ainem rock.

1.

VAN DE MENS IN ZIJN GEWONE NATUUR.

 

God schiep de mensen op de zesde dag na andere creaturen en heeft hem geschapen alzo dat zijn wezen stukken en zijn lijf leden zijn gezet naar de positie van de ganse wereld want in de mensen is verstand zoals in de engelen en geen ander creatuur heeft verstand uitgezonderd de engelen en de mensen en daarom is geen dier geleerd met rechte kunst zoals de mens is. Ook beweegt de ziel van het mensen lijf zich van plaatst tot plaats recht als de hemelweg doet aan de hemel. Met die gelijkt de mens de hemel. Ook als de zon in het midden staat onder andere planeten daarom dat ze haar schijn strooien mag op die andere sterren boven zich en onder zich alzo staat de mensen hart in het midden in het lijf daarom dat het andere leden kracht zenden mag. Ook neemt de mens zijn voeding met eten en met drinken en groeit op en af en met die gelijkt hij de bomen en de kruiden en al die dingen die voeding plegen. Ook is de mens gemengd uit de vier elementen die daar heten vuur lucht water en aarde. Met die gelijkt het stenen en metalen en alles dat uit de elementen wordt. Daarom zoals Aristoteles spreekt: zo de mens een kind is zo gaat hij op de handen, daarna [76]gaat hij rechtop op de voeten tot aan de laatste oudheid dan bukt hij zich dan weer tot de aarde en daarmee betuigt hij zichzelf dat hij van de aarde gekomen is en weer zou aarde worden moet.

Nu heb ik kort omvat hoe de mens de ganse wereld is gelijk. Daarom heet het in Griekse spraak microcosmus dat betekent als de kleine wereld. Daarom spreken knappe lieden: ik zag de hele wereld in een rok.

 

 

1.

VON DER HIRNSCHAL.

 

N schll wir sagen von allen den stucken und gelidern, die an dem menschen sint, und des rsten von dem haupt. Des menschen hirnschal ist auz hertem pain gemacht, dar inn sint vil nt und allermaist in der manne hirnschal.aber ain nt die umbgeit daz antltz.iedoch ist etswenn ain menschen haupt gesehen, d nindert ain nt an was, und daz bedut des menschen gar langez leben, wan von dem alter druckt sich diu hirnschal zesamen und wirt dik.der kindlein haupt sint niht volkomen daz si redent, als wir her nch sagen, wenn wir von dem hirn sagen. Diu hirnschal ht dreu kmerlein.daz ain ist vorn in dem haupt, und in dem ist der sl kraft, die d haizt fantastica oder imaginaria, daz ist als vil gesprochen sam due pilderinne, dar umb daz si aller bekantleicher ding pild und geleichung in sich samnet.daz ander kmerlein ist ze mittelst in dem haupt und in dem ist der sl kraft, die d haizt intellectualis, daz ist vernunft.daz dritt kmerlein ist ze hinderst in dem haupt und in dem ist der zl kraft, die d haizt memorialis, daz ist gedchtnss.die drie kreft der sl die behaltent den schatz aller bekantnss. Diu rst wirt swanger, wenne si zou gevht diu pild und geleichnss aller bekantleicher ding und diu pild antwrtend ir die [77] fnf auzwendigen sinn, die d haizend gesicht, gehrd, smeckende kraft, versuochende kraft und gererd.diu ander kraft in dem andern kmerlein die aht und schatzt diu dinch der vorenpfangen ebenpilde reht als ain witzigeu fraw.die dritt kraft in dem hindersten kmerlein behet und besleuzt getriuleich diu dinch und durchbreft und durchmerkt si reht als ain sichereu slzzeltragerin.dar umb sicht man oft, daz ein mensch sein gedchtnss verleust, wenne ez sr gewunt wirt hinden in daz haupt, oder daz ez sein beschaidenhait verleust, wenne ez gewundet wirt oder hart geslagen vorn an daz haupt. Aristotiles spricht, daz ain iegliech tier hab ain hert hirnschal recht als ain iegleich paum ht hert wurz, wan der paumen wurzen ziehent ir narung auz der erden reht als der mensch sein narung nimpt mit den mund.und dar umb haizt der mensch in kriechisch antropos, daz ist an verkrter paum, wan der mensch ht sein haupt gekret gn dem himel und die fez auf dei erd; s ht der paum sein haupt gekret in die erd und die fez gegen dem himel. Daz haupt ist oft siech von mangerlai sachen und sunderleich von hitz oder von kelten oder von vasten und von grzer arbait.ist ez siech von hitz der sunnen in dem sumer, s scholt d ez twahen und salben mit populeon, daz vindest d in der apotcken und kmpt von den paum populus, als wir her nch melden, wenn wir von den paumen sagen.d scholt auch sitzen in den schaten, d der wint zuo dir mg, und mach daz prunnwazzer kalt mit stahel, d mit kel dein haupt.ist aber daz haupt siech von kelten, s wasch ez lang und wol mit warmem wazzer und salb ez mit dyaltea, daz vindest d auch in der apotken (wan sen dich nit dar nch, daz ich dir von iedem wort ain halbez plat schreib), oder nim galgan und izz die und keuw die lang und verhab die nasen und den munt, daz dir der dunst in daz haupt g.ist aber daz haupt siech von vasten und arbait, s scholt d oft ezzen und ie ain klain und twah dich mit [78] warm wazzer und izz alle dat muscht und halt negellein zuo der nasen und smack oft dar an und slf dit gnuog.

1.

VAN DE HERSENPAN .

 

Nu zullen we zeggen van alle stukken en leden die aan de mensen zijn en als eerste van het hoofd. De mensen hersenpan is uit hard been gemaakt, daarin zijn veel naden en allermeest in de mannen hersenpan. Maar een naad die omgaat dat aanzicht. Toch is soms een mensenhoofd gezien daar niet een naad aan was en dat betekent dat de mensen erg lang leven want van de ouderdom drukt zich de hersenpan tezamen en wordt dik. De kinderhoofdjes zijn niet volkomen eer dat ze spreken zoals we hierna zeggen wanneer we van de hersens zeggen. De hersenpan heeft drie kamertjes. De ene is voor in het hoofd en in die is de ziel kracht die daar heet fantastica of imaginaria dat betekent zoveel als de afbeelding daarom dat ze alle bekende dingen afbeeldt en gelijkenis in zich verzamelt. Dat andere kamertjes is in het midden in het hoofd en in die is de ziel kracht die daar heet intellectualis dat is verstand. Dat derde kamertje is achter in het hoofd en in die is de ziel kracht die daar heet memorialis, dat is gedachte. De drie krachten van de ziel die behouden de schat van alle kennis. De eerste wordt zwanger wanner ze ontvangt dat beeld en gelijkenis van alle bekende dingen en dat beeld antwoordt haar die [77] vijf uitwendige zintuigen die daar heten gezicht, gehoor, proevende kracht, verzoekende kracht en ontroeren. De andere kracht in de andere kamertjes die acht en schat de dingen van de voor ontvangen evenbeeld recht als een slimme getrouwde vrouw. De derde kracht in het achterste kamertjes behoedt en besluit getrouw de dingen en brieft het door en merkt het op recht als een zekere sleuteldraagster. Daarom ziet men vaak dat een mens zijn gedachte verliest wanneer hij zeer gewond wordt achter in dat hoofd of dat het zijn bescheidenheid verliest wanneer hij gewond wordt of hard geslagen voren aan dat hoofd. Aristoteles spreekt dat elk dier heeft een harde hersenpan recht als elke boom heeft harde wortels want de bomen wortels trekken hun voeding uit de aarde recht zoals de mens zijn voeding neemt met de mond en daarom heet de mens in Grieks antropos, dat is een verkeerde boom want de mens heeft zijn hoofd gekeerd tegen de hemel en de voeten op de aarde; zo heeft de boom zijn hoofd gekeerd in de aarde en de voeten tegen de hemel. Dat hoofd is vaak ziek van menigvuldige zaken en vooral van hitte of van koude of van vasten en van grote arbeid. Is hij ziek van hitte van de zon in de zomer dan zal u zich dweilen en zalven met populeon dat vindt u in de apotheken en komt van de boom Populus zoals we hierna melden wanneer we van de bomen zeggen. U zal ook zitten in de tot schaduw daar de wind tot u mag en maak dat bronwater koud met staal, daarmee koel uw hoofd. Is echter dat hoofd ziek van koude zo was het lang en goed met warm water en zalf het met Malva, dat vindt u ook in de apotheken (want ziet u niet daarna dat ik u van elk woord een halve plaat schrijf) of neem galigaan en eet die en kauw die lang en hef het tot de neus en de mond zodat u de damp in dat hoofd gaat. Is echter dat hoofd ziek van vasten en arbeid dan zal u vaak eten en telkens een klein en dweil u met [78] warm water en eet al dat muskaatnoot en hou kruidnagels tot de neus en ruik vaak daaraan en slaapt u genoeg.

 

2.

VON DEM HIRN.

 

Dar nch schll wir sagen von dem hirn.daz hirn ist kalter ntr, als Aristotiles spricht, und daz herz ist haizer ntr, und dar umb ist daz hirn gesetzt ber daz herz, daz des herzen hitz des hirns kelten senftig.als sint auch andreu glider an dem menschen widerwrtig, wan ainz ist veucht, daz ander trucken, ainz kalt, daz ander warm.deu ntr macht daz herz des allerrsten und dar nch daz hirn und macht daz hirn allermaist auz erd und auz wazzer.dar umb ist ez kalt an im selber. Galinus der spricht, daz sich daz hirn tail in zwai stuk.daz ain stuk ist gegen der rehten seiten, daz ander stuk gegen der lenken, und sprechent die maister van der ntr, daz due zwai stuk underschaiden sein mit ainem wndlein.d mit sint deu mitlisten kmerlein underschaiden.daz hirn ist niht ain berflzzikait in dem menschen, sam die gerben sint, die von dem menschen koment, noch ist von starken werhaftigen stken.iedoch s ist ez geleich alt den andern glideren in des menschen leib.daz hirn ht minner pluotes wan kainerlai ander vuhten, die in dem menschen sint, wan man sicht kain pluot in im; iedoch vleuzt colera von im in die rn und melancolica datz den augen und fleuma datz der nasen.daz hirn ist ain tail trucken als ein waicher taik, und dar umb daz ez nit pluotes ht ist kain der in im klain noch grz, die ain pluottragerin sei. Daz hirn ht des fnften sinnes niht, der d haizt gererde, reht als daz pluot oder als ain berflzzikait in den menschen.und dar umb wenne d mit dem vinger rerst den wunden menschen auf sein plz hirn, s enpfint ez sein niht, reht als d im sein hr rerst oder sein zehennagel.doch [79] wellent etleich maister, daz daz hirn hab enpfinden seins gepruches, wenne man ez zepricht; ez habe aber niht enpfindens seinr verendrung, wenn ez sich verendert von warm in kalt und von truken in fuht. Daz hirn ist in dem menschen neur durch ain behaltung der ntr, reht als due kelten in dem kelr ist durch die behaltung des weins.daz mensch ht ain grzer hirn nch seinr grzen wan kain ander tier, und ain man ht ain grzer hirn wan die fraw, und des menschen hirn ht in im vil clainr painlein, als Plinius spricht.ez spricht auch Aristotiles, daz des menschen hirn niht gar fuht noch gar trucken sei, und ist umbvangen mit zwain hutlein, der ainz ist ze nsht pei der hirnschal, und daz ist daz sterker und daz enpfint versrung; daz ander niht, dar umb, daz daz sterker etleich dern ht, die pluottragerinne sint, daz ist an der stat, d sich der hals veraint mit dem haupt. Plinius spricht, daz kain tier slf, daz niht hirns habe.

2.

VAN DE HERSENS.

 

Daarna zullen we zeggen van de hersens. De hersens zijn koude natuur zoals Aristoteles spreekt en dat hart is hete natuur en daarom zijn de hersens gezet boven dat hart zodat het de hart hitte de hersens koude verzacht. Alzo zijn ook andere leden aan de mensen tegen gesteld want een is vochtig en de andere droog, een koud en de andere warm. De natuur maakt dat hart het aller eerste en daarna de hersens en maakt de hersens allermeest uit aarde en uit water. Daarom is het koud aan zichzelf. Galenus die spreekt dat de hersens zich deelt in twee stukken. Dat ene stuk is tegen de rechter zijde en dat andere stuk tegen de linker en spreken de meesters van de natuur dat die twee stukken onderscheiden zijn met een wandje. Daarmee is het middelste kamertjes onderscheiden. De hersens is niet een overvloedigheid in de mensen zoals de stront is die van de mensen komt, noch is van sterke duurzame stukken. Toch zo is het gelijk oud de andere leden in het mensen lijf. De hersens hebben minder bloed dan geen enkele andere vocht die in de mensen zijn want men ziet geen bloed in hem; toch vloeit gal van hem in die oren en melancholie, dat zijn de ogen en flegma, dat is de neus. De hersens is een deel droog als een weke dijk en daarom dat het geen bloed heeft is er geen ader in hem, klein noch groot die een bloeddrager is. De hersens hebben dat vijfde zintuig niet die daar heet ontroeren recht zoals dat bloed of als een overvloedigheid in de mensen is. En daarom wanneer u met de vinger roert de verwonde mensen op zijn blote hersens zo bevindt het die niet echt zoals u hem zijn haar roert of zijn tandnagel. Toch [79] willen ettelijke meesters dat de hersens voelt zijn breuk wanneer man het breekt; het heeft echter geen gevoel van zijn verandering wanneer het zich verandert van warm in koud en van droog in vochtig. De hersens is in de mensen maar door een behoud van de natuur recht zoals de koude in de keel is door het behouden van de wijn. De mens heeft grotere hersens naar zijn grootte dan geen ander dier en een man heeft grotere hersens dan die vrouw en de mensen hersens heeft in zich veel kleine beentjes zoals Plinius spreekt. En spreekt ook Aristoteles dat de mensen hersens niet erg vochtig noch erg droog zijn en is omvangen met twee huidjes de ene is dicht bij de hersenpan en dat is dat sterker en dat ontvangt bezering; die andere niet, daarom dat die sterker ettelijke aderen heeft die bloeddragers zijn, dat is aan de plaats daar zich de hals verenigt met het hoofd. Plinius spreekt dat geen dier slaapt dat geen hersens heeft.

 

3.

VON DEM HAR.

 

Des menschen hr auf dem haupt wechst auz irdischem groben rauch und haizem, der mit zher fuhte ist gemischt.daz hr grwet von der kelten des hirns, wenne die ntrleich hitz s krank wirt, daz si des hirns kelten nicht mag gesenftigen, es sei von alter oder von sorgen oder von unfuor.daz hr reiset auz von berigem gepresten der kost oder vom fauler fuhten in dem haupt oder in dem leib, als wir sehen an den auzsetzigen luten und mr an den mannen wan an den frawen und an den mannen, die maiden sint und ir gezeug niht habent, und daz ist von der kelten an den paiden.dar umb auch werdent die haizen man kal wenne si unkusch pflegent, aber die frawen kalwent niht, d von daz si kelterr ntr sint wan die man. Aristotiles spricht, daz die lut und [80] diu tier in den kalten landen habent gestracktez hr und langez und oft weizez und hertez, aber in haizen landen als in mrnlant habent si kraus hr und swarz.daz ist dar umb, daz die kelten den irdischen rauch strecket, d daz hr auz wirt, aber die hitz krimpt den selben rauch und krmpt in. Aristotiles spricht, daz ein iegeleich tier, daz vil hrs habe, und ein iegleich mensch unkuscher sei dann ain anderz und auch ain eigleich vogel, der mr vedern habe denn ain ander.der mensch ht mr hrs auf dem haupt denn andersw, dar umb, daz sein hirn verhllt sei vor starker kelten und vor beriger hitz. Plinius spricht, daz etleichen alten luten, die d tt sint, in etswie vil tagen hr whst.daz ist dar umb, daz in den tagen sgtner rauch pei inen belaip, d daz hr auz wehst.

3.

VAN HET HAAR.

 

Het mensen haar op het hoofd groeit uit aardse grove rook en hete die met taaie vocht is gemengd. Dat haar groeit van de koude van de hersens wanneer de natuurlijke hitte zo zwak wordt dat ze de hersens koude niet mag verzachten, het is van ouderdom of van zorgen of van onheil. Dat haar rijst uit van overige gebreken van de kost of van vuile vochten in het hoofd of in het lijf zoals we zien aan de huiduitslag lieden en meer aan de mannen dan aan de vrouwen en aan de mannen die meiden zijn en hun werktuig niet hebben en dat is van de koude aan hen beiden. Daarom ook worden de hete mannen kaal wanneer ze onkuisheid plegen, maar die vrouwen kalen niet daar van omdat ze koudere natuur zijn dan de mannen. Aristoteles spreekt dat die lieden en [80] de dieren in de koude landen hebben gestrekt haar en lang en vaak witachtig en hard, maar in hete landen zoals in Morenland hebben ze gekruld haar en zwart. Dat is daarom dat die koude de aardse rook strekt waar dat haar uit, maar de hitte krimpt diezelfde rook en kromt het. Aristoteles spreekt dat elk dier dat veel haar heeft en elk mens onkuiser is dan een ander en ook elke vogel die meer veren heeft dan een ander. De mens heeft meer haar op het hoofd dan ergens anders, daarom dat zijn hersens gehuld zijn voor sterke koude en voor overige hitte. Plinius spreekt dat ettelijke oude lieden die er dood zijn in ongeveer veel dagen haar groeit. Dat is daarom dat in de dagen zodanige rook bij hen blijft waar dat haar uit groeit.

 

4.

VON DEM SLAF.

 

Der slf ist niht anders wan ain einzug der sle auf sich selber, als spricht Plinius.daz verstn ich als, daz der slf sei ain einzug der werk der auzwendigen kreft der sl.diu werk sint hren, sehen, smecken und der andern sinne werk.und der einzug kmpt von dem, daz die gaist betrebt sint oder sich inziehent von der glider meden, und dar umb slft der mensch gern von rauchigem ezzen, als knoblouch, pfarr, aschlouch und sgtnem ding oder von tunstigem tranch, ez sei stark wein oder ander tranch, wan der rauch, der auf gt von dem magen in daz haupt, betrebt die gaist, daz der sl kreft si nicht gewaltigen mgent in irn werken; dar umb vallent die lut nider in den kelern, d mst inne gerent.auch wann der mensch gearbait ht, daz er med ist, s slft er auch gern.ich hn gesprochen, der slf sei ein einzug der auzwendigen kreft der sl, dar umb, daz in dem slf oft die inwendigen kreft der sl wachent, als [81] wir enpfinden in den treumen und als wir sehen an den luten, die in dem slf auf stnt und klimment auf die dcher.den kinden treumet nicht vor dem dritten jr oder vor dem vierden.ez spricht auch Aristotiles, daz man leut funden hab, den nie getraumt hab, und etleich, den neur getraumt hab in dem alter, und dar nch sturben si oder wurden gar siech.etleich macht und des menschen enzucken sint dem slf geleich.

4 .

VAN DE SLAAP.

 

De slaap is niets anders dan een intrekken van de ziel op zichzelf, alzo spreekt Plinius. Dat versta ik alzo dat de slaap is een intrekken van het werk der uitwendige kracht van de ziel. Dat werk zijn horen, zien, proeven en andere zintuiglijk werk. En het intrekken komt van die dat de geest bedroefd is of zich intrekt van de leden vermoeidheid en daarom slaapt de mens graag van rookachtig eten zoals knoflook, prei, sjalot en dusdanige dingen of van wazige drank, het is sterke wijn of andere drank, want de rook die opgaat van de maag in dat hoofd bedroeft de geest zodat de ziel kracht ze niet overweldigen mag in zijn werken; daarom vallen die lieden neer in de kelders daar most in rijpt. Ook wanneer de mens gearbeid heeft zodat hij moe is dan slaapt hij ook graag. Ik heb gesproken dat de slaap is een intrekken van de uitwendige kracht van de ziel daarom dat in de slaap vaak de inwendige kracht van de ziel waakt zoals [81] we bevinden in de dromen en zoals we zien aan de lieden die in de slaap opstaan en klimmen op de daken. De kinderen dromen niet voor het derde jaar of voor de vierde. En spreekt ook Aristoteles dat men lieden gevonden heeft de niet gedroomd hebben en ettelijke die maar gedroomd hebben in de oudheid en daarna stierven ze of werden erg ziek. Ettelijke onmachtig en die mensen inzakken zijn de slaap gelijk.

 

5.

VON DEN AUGEN.

 

Diu augen sint zwai edleu glider an dem menschen, wan daz gesicht, daz in den augen sitzet, gibt uns ze erkennen mr ding denn kain ander auzwendich sin. Aristotiles spricht, daz gesicht ist nhen pei dem hirn, wan des gesihtes ntr ist kalt und fuht, reht als des hirns ntr, und daz vint man an kainen andern glidern des leibes.daz gesiht ist von vorn in dem haupt, wan daz tier schol sehen waz vor im ist.ain holeu der gt von dem hirn zuo den augen, diu haizt opticus, diu tregt die sinnelichen gaist zuo den augen, und wirt diu verschopt, s mag daz aug nicht gesehen.die augen an dem menschen sint nher pei anander denne an kainem andern tier nch seiner grzen.ain weg ze sehen ist gegeben paiden augen offen, dar umb daz icht ain aug sehe des daz ander niht sehe.daz aug versrt oft den luft und die tier, die ez ansiht, dar umb daz in dem leib des augen fauleu fuhten ist und vergiftiger dunst.als seh wir an frawen, die irn mntganch habent, daz zi die newen spiegel fleckot machent, und wenne si ainem in sein siecheu augen sehent, s werdent oft pltern dar inn.dar umb spricht Avicenna, daz ain weip mit irm gesicht warf ain kmlein in ainen graben.des menschen gesicht bedarf liehtes.iedoch schreibt man, daz Titus der kaiser in der vinster sh, wenn er wacht, reht als an dem liehten tag und wurden auch seineu augen niht krenker, wenn si lang in der vinster wren, als an andern leuten geschiht.

Der augen gestalt und ir varb sint zaichen der guoten und der psen siten in des menschen sl.als schreibent uns die maister in ainer sunderleicher kunst von den zaichen, dar an man siht, ob der mensch mzik oder unmzik sei, vorchtig oder trstig, hazzend oder minnend, traurig oder frleich.dar umb spricht Plinius, daz der muot wone in den augen. Daz aug ist gesetzt in siben rcke, daz sint siben hutel, d mit ist diu cristallisch fuht verhllt, dar an des gesihtes kraft ligt.kalteu ding sint den augen gesunt, aber diu hitz ist in schad, wan diu hitz entsleutzt der augen kraft.der augen spiegel ist s frei, daz daz clain augpfelein nimpt ain pild aines ganzen menschen oder ains grzern dinges. Diu augen sint als zart, daz man si leiht betreben mag, daz si niht mr oder krnkleich gesehent.iedoch ht man leut funden, den ir gesiht ber zehen jr wider wart.

5.

VAN DE OGEN.

 

De ogen zijn twee edele leden aan de mensen want dat gezicht dat in de ogen zit geeft ons te herkennen meer dingen dan geen ander uitwendig zintuig. Aristoteles spreekt dat gezicht is nabij de hersens want dat gezicht natuur is koud en vochtig recht zoals des hersens natuur en dat vindt men aan geen ander lid van het lijf. Dat gezicht is van voren in het hoofd want dat dier zal zien wat voor hem is. Een holle ader gaat van de hersens tot de ogen, de heet opticus, die draagt die zintuiglijke geest tot de ogen en wordt die verstopt dan mag oog niet zien. De ogen aan de mensen zijn dichter bij elkaar dan geen andere dier naar zijn grootte. Een weg te zien is gegeven beide ogen open, daarom dat iets een oog ziet wat dat ander niet ziet. Dat oog bezeert vaak de lucht en de dieren die het aanziet, daarom dat in het lijf van het oog vuile vochten zijn en vergiftige damp. Alzo zien we aan vrouwen die hun maandgang hebben dat ze de nieuwe spiegels bevlekt maken en wanneer ze een in zijn zieke ogen zien zo worden vaak blaasjes daarin. Daarom spreekt Avicenna dat een wijf met haar gezicht werpt een (kammetje) kamertje in een graf. De mensen gezicht behoeft licht. Toch schrijft men dat Titus de keizer in het duister zag wanner hij waakte recht zoals aan de lichte dag en werden ook zijn ogen niet zwakker wanneer ze lang in de duisternis waren zoals aan andere lieden geschiedt.

De ogen gestalte en zijn kleur zijn teken van de goede en de boze zeden in de mensen ziel. Alzo schrijven ons de meesters in een bijzondere kunst van de tekens waaraan men ziet of de mens matig of onmatig is, vochtig of dorstig, hatend of minnend, treurig of vrolijk. Daarom spreekt Plinius dat het gemoed woont in de ogen. Dat oog is gezet in zeven rokken, dat zijn zeven huidjes en daarmee is het kristalachtig vocht verhuld waaraan het gezicht kracht ligt. Koude dingen zijn de ogen gezond, maar de hitte is het schadelijk want de hitte ontsluit de ogen kracht. De oogspiegel is zo vrij dat het kleine oogappeltje neemt een beeld van een gans mens of een groter ding. De ogen zijn alzo zacht dat man ze gemakkelijk betroeven mag zodat ze niet meer of zwak zien. Toch heeft men lieden gevonden die hun gezicht na tien jaar weer werd.

 

6.

VON DEN AUGENPRAWEN.

 

Die augenprwe sint den augen ntdrftig, dar umb, wenn daz tier slf, daz kain auzwendigz dinch in daz aug valle.dar umb sprechent die maister, daz die augenprw sein reht als die zeun umb ainen garten, die des garten hetend.aber als ich wn, die berprwe ht die ntr gemaht zou ainer zierd der augen an dem menschen, und allerzierleichst sint die praunen berprwe an den frawen, wenn si clain gekraizelt sint, reht als si ain mler gepinselt hab.an den mannen schllent si grzer sein und ruher.

6.

VAN DE WENKBRAUWEN.

 

De wenkbrauwen zijn de ogen noodzakelijk, daarom wanneer dat dier slaapt zodat geen uitwendige dingen in dat oog vallen. Daarom spreken de meesters dat die wenkbrauwen zijn recht als die haag om een tuin die de tuin behoeden. Maar zoals ik waan, die wenkbrauwen heeft de natuur gemaakt tot een sier van de ogen aan de mensen en allersierlijkst zijn die bruinen wenkbrauwen aan de vrouwen wanneer ze kleine gekroesd zijn, recht alsof een schilder ze gepenseeld heeft. Aan de mannen zullen ze groter zijn en ruwer.

 

7.

VON DEN OREN.

 

Daz r an dem menschen ist ain venster, hin und her gekrmpt inwendig, und haizent ez die maister ain tr [83] oder ain porten der sl, und an des fensters ende gegen dem hirn ist ein lindez hutlein, dar inn ist des gehrdes kraft und kmpt alliu stimme d hin, und wenn daz verwarlset wirt, s wirt daz mensch ungehrnde. Ain iegleich tier, daz ren ht, daz mag si gewegen hin und her, n den menschen.daz verstn ich an den tiern, die ir rn erhebt habent von dem haupt.iedoch hn ich ainen menschen gesehen, der sein rn wegt und die swarten auf dem haupt. Die vorgenant sidel des gehrdes ist gegen dem hindertail des haupts, dar umb daz daz selb tail vol lufts ist und ist niht flaisch d noch hirns.daz vorgenant hutel ist vol ntrleichs lufts und der luft nimpt die ebenpild aller stimme. Ez geschiht auch ze stunden von siechtum oder von ezzen oder von trinken, daz ain fremder rauch beslozzen wirt in dem plglein, der vert hin end her und stzt an die wend.wenn daz geschiht, s dunkt den menschen, wie im ainz in den rn pauk.des gehrdes ntr ist sinbel gesetzet vil nh ze mitelst in dem haupt; dar umb hrt der mensch die stimm, von welhen satz si het kmpt, si kom von oben oder von unten, von hinden oder von vorn.der auzwendich luft, der die stimm fert, muoz rern den inwendigen luft in dem plglein, dar umb daz er die stimm unz dar geferen mg.

7.

VAN DE OREN.

 

Dat oor aan de mensen is een venster, heen en weer gekromd inwendig en noemen het die meesters een deur [83] of een poort van de ziel en aan de vensters einde tegen de hersens is een zacht huidjes, daarin is het gehoor kracht en komen alle stemmen daar heen en wanneer dat verwaarloosd wordt dan wordt dat mens doof. Elk dier dat oren heeft dat mag ze bewegen heen en weer, uitgezonderd de mensen. Dat versta ik aan de dieren die hun oren verheven hebben van het hoofd. Toch heb ik een mens gezien de zijn oren bewoog en de zwarten op het hoofd. Die voor genoemde zadel van het gehoor is tegen het achterste deel van het hoofd, daarom dat datzelfde deel vol lucht is en is geen vlees daar noch hersens. Dat voor genoemde huidje is vol natuurlijke lucht en de lucht neemt dat evenbeeld van alle stemmen. Het geschiedt ook soms van ziektes of van eten of van drinken dat een vreemde rook besloten wordt in dat balgje die vaart heen en weer en stoot aan de wand. Wanneer dat geschiedt zo denkt de mens hoe hem een in de oren slaat. Het gehoor natuur is rond gezet veel nabij het middelste in het hoofd; daarom hoort de mens de stem van welke zijde het komt, het komt van boven of van onder, van achter of van voren. De uitwendig lucht de die stem voert moet roeren de inwendige lucht in de balgje, daarom dat het de stem tot daar voeren mag.

 

8.

VON DER NASEN.

 

Die nase ist ain sidel der smeckende kraft der sl, die derkent ainen smach vor dem andern.der nasen nutz ist auch, daz der mensch den tem zeuht durch die nasen und daz er d mit niest und sich saubert von der westikait des hirns.daz niesen geschiht von dem, daz sich der luft wegt in dem hirn und die fuhten auztreibt, es ist auch ain unverschrten weg des auzwendige lufts mit dem inwendigen ntrleichen luft, der beslozzen [84] ist in den behenden dern, die entspringent in dem herzen und gnt auf in daz hirn. D scholt auch wizzen, daz des smackes sidel ist oben in der nasen gegen dem hirn in zwain muslein; wenn die berladen werdent mit beriger vuhten, die d her ab fleuzt von dem hirn oder die kmpt von vuhtem luft, s smekt der mensch niht s wol sam .dar umb wenn der mensch die strauchen ht, s smekt er niht s leiht sam .auch wenn die dorn plent, s smeckent die jagenden hund niht s leiht sam zuo andern zeiten.ez ist auch manich mensch, daz nmmer nihtes gesmecket, dar umb, daz im die vorgenanten muslein von ntr sint verdorben.

8.

VAN DE NEUS.

 

De neus is een zetel der geurende kracht, de ziel die herkent een geur voor de andere. De neus nut is ook dat de mens de adem trekt door de neus en dat hij daarmee niest en zich zuivert van de woestheid van de hersens. Dat niezen geschiedt van die dat zich de lucht beweegt in de hersens en de vochten uitdrijft, het is ook een pratende weg van de uitwendige lucht met die inwendige natuurlijke lucht die besloten [84] is in de behendige aderen die ontspringen in het hart en gaan op in de hersens. U zal ook weten dat de geur zetel is boven in de neus tegen de hersens in twee muisjes; wanneer die overladen worden met overige vochten die daar afvloeien van de hersens of die komt van vochtige lucht zo ruikt de mens niet zo goed zoals eerder. Daarom wanneer de mens die verstopping heeft zo ruikt hij niet zo gemakkelijk zoals eerder. Ook wanneer de dorens bloeien zo ruiken de jagende honden niet zo gemakkelijk zoals in andere tijden. Er is ook menig mens dat nimmer iets proeft, daarom dat hem die voor genoemde muisjes van natuur zijn bedorven.

 

9.

VON DEM PART.

 

Der part an dem menschen bedut mannes geslht.er wechst von rauchiger berflzzichait als daz hr auf dem haupt, und ist grzer part an den haizen mannen dann an den kalten dar umb, daz mr dunst und rauchs in den haizen ist wan in den kalten.iedoch vint man etleich frawen, die part habent oben an dem mund, und daz ist ain zaichen, daz si gar haizer ntr sint und gchzornig.ain man, der ain maiden ist von jugent auf, der ht niht parts, dar umb, daz er der hitz beraubet wirt, d von der part wechst, ist auch, daz ain man beraubet wirt seiner gezeuglein, s reiset im der part und verleust seinen mnleichen mout und gewinnet ainen weibleichen sin.

9.

VAN DE BAARD.

 

De baard aan de mensen betekent mannen geslacht. Het groeit van rokerige overvloedigheid zoals dat haar op het hoofd en er is een grotere baard aan de hete mannen dan aan de koude, daarom dat meer damp en rook in de hete is dan in de koude. Toch vindt men ettelijke vrouwen die baard hebben boven aan de mond en dat is een teken dat ze erg hete natuur zijn en gauw vertoornd. Een man de een maagd is van jongs af aan die heeft geen baard, daarom dat er van de hitte beroofd wordt waarvan de baard groeit, is het ook dat een man beroofd wordt zijn geslacht zo valt hem de baard en verliest zijn mannelijke gemoed en wint een vrouwelijk zintuig.

 

10.

VON DEM MUND.

 

Der munt ist ain sidel und ain geschirr der versuochenden kraft der sl, d mit daz tier ein narung nimpt.der mensch ht den klainsten munt under allen tiern nch seiner grzen, aber diu andern tier habent weit giner und [85] prait und der mensch ht ainen engen sinbeln munt.daz ist ain zaichen, daz er mziger sol sein an ezzen und an trinken dann alliu andreu tier, wie daz laider sei, daz er sich vrziger macht mit pser gewonheit dann andriu tier. Die versuochende kraft der sl und daz gererd habent irn grunt in dem herzen; aber die andern drei sinn sitzent in den haupt, und ist diu smeckende kraft der sl ze mitlist zwischen den andern zwain und daz gesiht ist ob der selben kraft in allen tiern und daz gehrd ist an der seiten.aber daz gesiht ist ob dem gehrd an allen tiern.diu versuochende kraft der sl ligt aller maist an dem rachen des mundes und sunderleich an ainr dern, die gespannen ist durch die zungen.

10.

VAN DE MOND.

 

De mond is een zetel en een gerei der verzoekende kracht van de ziel daarmee dat dier een voeding neemt. De mens heeft de kleinste mond onder alle dieren naar zijn grootte, maar de andere dieren hebben wijder gaande en [85] breder en de mens heeft een enge rond mond. Dat is een teken dat hij matiger zal zijn aan eten en aan drinken dan alle andere dieren, hoe dat jammer genoeg is dat er zich meer vretend maakt met boze gewoonheid dan andere dieren. Die verzoekende kracht van de ziel en dat ontroeren hebben hun grond in het hart; maar die andere drie zintuigen zitten in het hoofd en is de proevende kracht van de ziel de middelste tussen die andere twee en dat gezicht is van dezelfde kracht in alle dieren en dat gehoor is aan de zijde, maar dat gezicht is boven het gehoor aan alle dieren. De verzoekende kracht van de ziel ligt allermeest aan de keelholte van de mond en vooral aan een ader die gespannen is door de tong.

 

11.

VON DEN ZENDEN.

 

Die zend sint auz hertem pain und dar umb verprinnent si niht s schier in dem feur sam die andern glider an dem tier, als spricht Plinius.ez spricht auch Ambrosius, daz ain iegleich wazzertier, daz zend hab, dick und ze samen gestaint und scharph zend hab, dar umb daz ez sein ezzen schier getailn mg mit dem mund und leihticleichen n grz weil verslinden dar umb, daz der wazzer waschen und ir fluz in daz ezzen niht nem, wan kain visch der ydrukt wan in visch, der haizet scaurus.

Aristotiles spricht, daz alliu tier, die hrner auf dem haupt habent, mangeln der zend in dem obern kinpacken, dar umb habent si zwn leib.in den vodern legent si daz ezzen des rsten unz er dar inn derwaicht, s nement si ez dann her wider und kewent ez dann anderwaid, und daz haizt ydrucken, als sicht man an den rindern unt an den schfen und an andern tiern wilden und zamen.

Plinius der spricht, daz dreierlai zend sein: sagler oder strler, als die naternzend und der hund und der [86] visch zend, wann die sint scharf und stnd oben von ainander als ainr sagen zend oder sam die weiten zend an ainem strl.der andernlai zend sint geleichsetzel, als des menschen, des pferds und des affen zend, dar umb daz si geleich nch ainander gezinelt stnt.der drittenlai zend sint hawer oder auzkrmler, als der hawenden swein und der helphant zend, d mit si andreu tier verhawent.diu tier, die hrner habent, die habent niht sagler,kain tier verndert sein stockzend.des menschen letzsten zend, die d zwinlein haizent, werdent gemacht von der ntr umb daz zwaintzigist jr und etleich umb daz achzehent jr, dar nch und daz alter kurz oder lang ist von ntr.des hundes zend verlorn wachsent niht wider.die mnlein habent mr zend wan die frulein und daz ist allain an dem menschen und an den gaizen. Aristotiles spricht, daz ain iegleich landestier, daz sagler hab als ain hunt, daz izzet flaisch, und wenn es trinken wil, s schpfet ez daz wazzer mit der zungen.aber diu tier, die gleichsetzler habent, die saugent daz wazzer in sich, als diu rinder.diu tier, die vil zend habent, die sint langes lebens.

11 .

VAN DE TANDEN.

 

De tanden zijn uit hard been en daarom verbranden ze niet zo schier in het vuur zoals de andere leden aan de dieren, alzo spreekt Plinius. En spreekt ook Ambrosius dat elk waterdier dat tanden heeft vaak en tezamen staande en scherpe tanden heeft, daarom dat het zijn eten schier verdelen mag met de mond en gemakkelijk zonder een grote tijd verslinden, daarom dat de water wassen en hun vloed hen dat eten niet neemt want geen vis die droogt herkauwt, uitgezonderd een vis die heet scaurus.

Aristoteles spreekt dat alle dier die horens op het hoofd hebben het mangelt de tanden in de bovenste kinnebak en daarom hebben ze twee lijven. In de voorste leggen ze dat eten het eerste tot het daarin weekt dan nemen ze het dan weer terug en kauwen het dan een andere keer en dat heet herkauwen, alzo ziet man aan de runderen en aan de schapen en aan andere dieren, wilde en tamme.

Plinius de spreekt dat drie soorten tanden zijn: zagend of spiesachtig zoals die addertanden en de hond en de [86] vis tanden want die zijn scherp en staan boven van elkaar zoals een zaagtand of zoals de wijde tanden aan een spies. De andere soort tanden zijn gelijk gezet zoals de mensen, de paarden en de apentanden, daarom dat ze gelijk naast aan elkaar gesteld staan. De derde soort tanden zijn houwen of omkrommers zoals de houwende zwijn en de olifant tanden waarmee ze andere dier verhouwen. De dieren die horens hebben die hebben geen zagende, geen dier verandert zijn stoktand. De mensen laatste tanden die daar tweeling heten worden gemaakt van de natuur om dat twintigste jaar en ettelijke om dat achttiende jaar daarna en dat de ouderdom kort of lang is van natuur. De honden tanden verloren groeien niet weer. De mannen hebben meer tanden dan de vrouwen en dat is alleen aan de mensen en aan de geiten. Aristoteles spreekt dat elk landdier dat zagende heeft als een hond dat eet vlees en wanneer het drinken wil zo schept het dat water met de tong. Maar de dieren die gelijk gezette hebben die zuigen dat water in zich zoals de runderen. De dieren die veel tanden hebben die zijn lang leven.

 

 

12.

VON DER ZUNGEN.

 

Diu zung ht zwaierlai ampt.daz rst ist, daz si erkennt allez daz, daz versuochen und gererd erkennen mag, wann si erkent warm und kalt, fuht und trucken, hert und waich an allen irn stucken.daz ander ampt ist, daz si der rede slzzel ist, wann kain mensch gereden mag n die zungen. Aristotiles spricht, daz diu zung diu pest sei, die weder ze prait noch ze smal sei noch ze dik noch ze dnn.ain lbleich zung ist mitelmzich, wann die mag der mensch leichticleichen fern nch seim willen.ain ledig zung, die niht haft, wirt gehindert an der sprche oft von pser gewonhait.als geschiht an [87] den kinden, die in ir kinthait zrtlent, die lispent gern wenn si gewachsent. Diu zung wirt ain stumminn von zwairlai sachen.des rsten daz der mensch ungehrnd ist von seinr gepurt.dar umb mag ez kain sprch gevesten und dar umb missagent die juden, die d sprechent: zg man ain kint an ainer aind, s knd ez hebraisch.wr dem also, s knd ain stumme von gepurt hebraischen sprechen, und daz ist niht wr.diu ander sach ist, daz diu zung geheft ist in den munt oder daz ireu pant, d mit si der mensch zeuht, verwarlst werdent.sam geschiht wann so daz parilis sleht,diu zung, die gar ze dick ist, macht lispend leut, und die ze dnn ist macht stamelnd und verzuckend sprch.

Aristotiles spricht, daz kain tier s vil gir hab sam der mensch, dar umb ist den menschen die sprch ntz und ntdrftig, d mit ez mangerlai aisch; aber ain taub oder ain ander tier aischt mit ainer stimm wes ez begert.diu zung verleust oft irn ganch und ir sprch.daz geschiht von dem geprechen der wegenden kraft der sl, und der geprech kmpt oft von dem hirn, wenn daz ain geswr ht, oder von kalter vergift, die di dern besleuzt, oder von andern sachen.

12.

VAN DE TONG.

 

De tong heeft twee soorten ambten. De eerste is dat ze herkent alles dat het proeft en roert herkennen mag want ze herkent warm en koud, vochtig en droog, hard en week aan al zijn stukken. Dat ander ambt is dat ze de rede sleutel is wanneer geen mens reden mag zonder de tong. Aristoteles spreekt dat de tong de beste is die nog te breed noch te smal is, noch te dik en noch te dun. Een loffelijke tong is middelmatig want die mag de mens gemakkelijk voeren naar zijn wil. Een losse tong die niet hecht wordt gehinderd aan de spaak en vaak van boze gewoonheid zoals geschiedt aan [87] de kinderen die in hun kindsheid teer zijn die lispelen graag wanneer ze opgroeien. De tong wordt een stomme van twee soorten zaken. De eerste dat de mens doof is van zijn geboorte. Daarom mag het geen spraak vestigen en daarom mis zeggen de Joden die daar spreken: groeit men een kind op in een wilde plaats dan kan het Hebreeuws. Was dat alzo zo kan een stomme van geboorte Hebreeuws spreken en dat is niet waar. De andere zaak is dat de tong gehecht is in de mond of dat zijn band, waarmee het de mens trekt, verwaarloosd wordt zoals geschiedt wanneer zo de parilis slaat in de tong die erg te dik is en maakt lispelende lieden en die te dun is maakt stamelend en stommelend zoekende spraak.

Aristoteles spreekt dat geen dier zo veel gang heeft zoals de mens en daarom is de mensen de spraak nuttig en noodzakelijk waarmee hij menigvuldig eist; maar een duif of een ander dier eist met een stem wat het begeert. De tong verliest vaak zijn gang en zijn spraak. Dat geschiedt van de gebreken der bewegende kracht van de ziel en het gebrek komt vaak van de hersens wanneer dat een zweer heeft of van koud vergif die de aderen besluit of van andere zaken.

 

13.

VON DER STIMM.

 

Diu stimm ist ain behender luft, geslagen oder geprochen zwischen zwain herten leibhaftigen dingen, der ainz sleht und daz ander den slak aufhebt.dar umb gehrnt dreu dinch zuo der stimm.von rsten der luft und dar nch zwai leibhaftigeu dinch, die hert sein; dar umb der wollen auf den wollen sleg, d wrd kain stimm auz.si mezent auch geslagen werden auf ainander; dar umb wer ain hant gemach legt auf die andern, d wirt kain stimm auz.si mezent auch ain praiten haben; dar umb wer ain ndelspitz auf die andern stiez, d wrd kain stimm.zuo lustiger stimm gehrt rscher luft, und [88] dar umb wenn der luft fuht ist, s sprechent die orgeln und die saitenspil niht s sezleich sam wenn daz weter haiter ist.auch wenn diu kindlein fuht pfel und pirn ezzent, s hangt in die zheu fuhten in den rrn, d der luft innn gt von der lungen in den hals, und dar umb sint si dan haiser.ez gehrt auch zuo sezer stimm, daz daz leibig dinch eben sei an allen seinen stucken, daz sich der luft wider stze.dar umb spricht ain rauheu videl niht s wol sam ain wol palierteu fidel.

Die stimm sint zwaierlai: aineu ist hinlaufend, diu ander herwiderlaufend.diu hinlaufend ist die von dem gestimten tier gt hindan; diu widerlaufend die haizet ze latein echo, und geschiht wenn der gestimt luft sich widerstzt an paumen oder an husern, die in ainem tal derhht sint und s gelegen sint, daz si den gestimten luft ze samen haltent, daz er under der stimm form beleiben muoz.wann s lauft er kreizesweise wider zou dem tier, daz die rsten stimm macht, und bringt im ain geleich stimm wider.als siht man diu kindlein schreien vor den wlden, wan die wnent, ain holtzman antwrt in auz dem wald.der stimm ietwedreu ist zwairlai: schreibleich und unschreiblich,diu schreibleich ist die man geschreiben mag und mit puochstaben gevazzen sam diu wort Ave Mar.diu unschreibleich stimm ist die man niht geschreiben mag, sam der wainenden lut stimm end samen der voglein und der tier stimm.des menschen stimm sterkt sich von dem vierzehenden jr unz an daz alter; s krenkt si sich dann.diu stimm an dem menschen ht des antltzes weis, wan als ie der mensch sein selbes antltz ht und dem andern niht gar geleich ist, als ht ie der mensch sein aigen stimm.

13.

VAN DE STEM.

 

De stem is een handige lucht, geslagen of gebroken tussen twee harde lichamelijke dingen, de ene slaat en dat ander de slag opheft. Daarom behoren drie dingen tot de stem. Als eerste de lucht en daarna twee lichamelijke dingen die hard zijn; daarom die wol op de wol slaat daar wordt geen stem uit. Ze moeten ook geslagen worden op elkaar; daarom wie een hand rustig legt op de andere, daar wordt geen stem uit. Ze moeten ook een breedte hebben; daarom wie een naaldspits op die andere stoot, daar wordt geen stem. Tot lustige stem behoort frisse lucht en [88] daarom wanneer de lucht vochtig is zo spreken de orgels en de citer spel niet zo zoetjes dan wanneer dat weer heter is. Ook wanneer de kindjes vochtige appels en peren eten zo hangt hen die taaie vochten in de pijpjes daar de lucht in heen gaat van de longen in de hals en daarom zijn ze dan heser. Het behoort ook tot zoete stem dat de levende dingen gelijk zijn aan al zijn stukken zodat zich de lucht weerstoot. Daarom spreekt een ruwe viool niet zo goed zoals een goed gepolijste viool.

De stemmen zijn tweevormig: een is heen lopend en de ander terug lopend. De heen lopende is die van de gestemde dieren gaat vandaan; de terug lopende, die heet in Latijn echo, en geschiedt wanneer de gestemde lucht zich terug stoot aan bomen of aan huizen die in een dal verhoogd zijn en zo gelegen zijn dat ze de gestemde lucht tezamen houden zodat het onder de stemvorm blijven moet. Want zo loopt het cirkelvormig weer tot het dier dat de eerste stem maakt en brengt hem een gelijke stem weer. Alzo ziet man de kindjes schreeuwen voor de wouden want die wanen een houtman beantwoord hen uit het woud. De stem ongeveer is tweevormig : te beschrijven en niet te beschrijven, de te beschrijven is die men schrijven mag en met boekletters vatten zoals het woord Ave Maria. De niet te beschrijven stem is die men niet schrijven mag zoals de wenende lieden stem en zoals de vogels en de dieren stemmen. De mensen stem sterkt zich van het veertiende jaar tot aan de ouderdom; zo verzwakt het zich dan. De stem aan de mensen heeft de aanzicht wijze want zoals de mens zijn eigen aangezicht heeft en de andere niet geheel gelijk is alzo heeft ieder mens zijn eigen stem.

 

14.

VON DEM AICHEL ODER WEINPERL.

 

Daz aichelein oder daz weinperl ist ain klainez flaischel hinten in dem mund und ist sinbel als ain aichel [89] oder ain weinper.dar umb haizet es ze latein uvula, daz spricht weinper; aber die laien haizent ez daz plat und ist kain ander dinch. Aristotiles spricht, daz daz weinperl zuo der stimm ntz sei, wenn ez niht ze grz noch ze klain sei.ez geswillt auch ze stunden als, daz ez daz tier erstecket, und verbietent die rtzt, daz man ez niht versneid noch gar absneid, wan s strb der mensch.iedoch lrent etleich, daz man zuogewachsen flaisch abgesneiden mg.aber ez ist mit sorgen.

14.

VAN DE EIKEL OF WIJNBES.

 

De huig of de wijnbes is een klein vleesje achter in de mond en is rond als een eikel [89] of een wijnbes. Daarom heet het in Latijn uvula, dat spreekt wijnbes; maar de leken noemen het dat plat en is geen ander ding. Aristoteles spreekt dat de huig tot de stem nuttig is wanneer het niet te groot noch te klein is. Het zwelt ook soms alzo dat het dat dier verstikt en verbieden het de artsen dat man het niet versnijdt, noch geheel afsnijdt, want zo sterft de mens. Toch leren ettelijke dat man aangegroeid vlees afsnijden mag, maar het is met zorgen.

 

15.

VON DEM BERVALL.

 

Der berval haizt ze latijn epiglotis und spricht daz puoch, daz ich ze deutsch hie mach, daz ez niht anderz sei wann daz plat, d von ietzunt gesait ist, und daz ez st pei der zungen ursprunch.ez spricht auch, daz sein ampt sei, daz ez wechselleich bedeck die sluntrrn, die daz ezzen und daz trinken in den magen tregt, und die luftrrn, die den luft zuo der lungen tregt, und tuot daz wechselleich; wan s ez die sluntrrn bedekt, s ist diu luftrr unbedackt, und s die luftrr offen ist, s ist diu ander bedackt: ez mag si paid mit anander niht gedecken.aber Rasis und Avicenna redent anders von dem bervall und spricht Rasis, daz epiglotis gesament sei auz drein kruspeln, die sint als geschikt, daz si ntz sint zuo allerlaie stimm ze machen.

15.

VAN DE OVERVAL.

 

Dat strotklepje heet in Latijn epiglotis en spreekt dat boek dat ik te Duits hier maak dat het niets anders is dan de huig daarvan iets gezegd is en dat het staat bij de tong oorsprong. Het spreekt ook dat zijn ambt is dat het afwisselend bedekt de slokdarm die dat eten en dat drinken in de maag draagt en de luchtpijpjes die de lucht tot de longen draagt en doet dat afwisselend; want zo het de slokdarm bedekt zo zijn de luchtpijpjes onbedekt en zo het luchtpijpje open is zo is de ander bedekt: het mag ze beiden met elkaar niet bedekken. Maar Rasis en Avicenna spreken anders van het strotklepje en spreekt Rasis dat epiglotis verzameld is uit drie kraakbenen en die zijn alzo geschikt dat ze nuttig zijn om allerlei stem te maken.

 

16.

VON DER SLUNTROERN.

 

Diu sluntrr haizt ze latein ysophagus oder mery und ligt hinden gegen dem hals.die rrn haizt Aristotiles des magen munt, dar umb, daz si rert unz an der zungen ursprunch und nimt daz ezzen und daz trinken und tregt ez in den magen, daz ez diu ntr kocht und beraitt, daz ez ntz allen gelidern. [90]

16.

VAN DE SLOKDARM.

 

De slokdarm heet in Latijn ysophagus of mery en ligt achter tegen de hals. Die pijpjes noemt Aristoteles de maagmond, daarom dat ze roert tot aan de tong oorsprong en neemt dat eten en dat drinken en draagt het in de maag zodat het de natuur kookt en bereidt zodat het nuttig is alle leden. [90]

 

17.

VON DER LUFTROERN.

 

Die luftrr ist ain grziu der und haizt ze latein trachea, und haizent si die wundertzt die lungrr, dar umb, daz si vorn in dem hals gt von der zungen ursprinch unz an die lungen und tregt den luft auz und ain von des menschen mund zuo der lungen.die rrn bedeckt die ntr oben, daz ihts von ezzen oder von trinken dar in vall, wan ez geschicht oft, daz etwaz dar in velt von ezzen oder von trinken: s huost daz mensch als lang unz ez her wider auz kmpt.beleibt aber ez dar inn, s stirbt der mensch,diu pest hilf d wider ist, daz man den menschen mit der faust vast hinden auf den hals slach, unz daz daz ezzen her auz var.dar umb redent witzig lut wnig ob dem tisch, daz si daz beheten wellent.

17.

VAN DE LUCHTPIJPJES.

 

De luchtpijp is een grote ader en heet in Latijn trachea en noemen de wondartsen het longpijpjes, daarom dat ze voren in de hals gaat van de tong oorsprong tot aan die longen en draagt de lucht uit en in van de mensen mond tot de longen. Die pijpjes bedekt die natuur boven dat niets van eten of van drinken daarin valt, want het geschiedt vaak dat wat daarin valt van eten of van drinken: zo hoest dat mens zo lang tot het er weer uitkomt. Blijft echter het daarin zo sterft de mens. De beste hulp daartegen is dat men de mensen met de vuist erg achter op de hals slaat totdat dat eten eruit vaart. Daarom spreken slimme lieden weinig aan de dis dat ze dat behoeden willen.

 

18.

VON DER KELN.

 

Diu kel ist neur in dem menschen, in den sweinen und in den vogeln und in den tiern, die den geleich sint.diu kel ht oben ain pain ze mitelst durchhlert an der stat, d daz haupt veraint ist mit dem hals.daz pain scheint aller maist an den mannen under dem kinn, aber man siht ez an den frawen selten oder nmmer.diu kel ist voller kruspeln und knoden und ht geleich staffeln.die staffeln steigt und gt diu stimm auf und schikt si d, daz si worten werden mg.diu kel ht die kraft, daz si mnzet und stellet die stimm und das gesanch, wie daz sei, daz si der wort nicht formier.

18.

VAN DE KEEL.

 

De keel is maar in de mensen, in de zwijnen en in de vogels en in de dieren die de gelijk zijn. De keel heeft boven een been in het middelste doorgaat aan de plaats daar dat hoofd verenigd is met de hals. Dat been schijnt allermeest aan de mannen onder de kin, maar men ziet het aan de vrouwen zelden of nimmer. De keel is vol kraakbeen en knoppen en heeft gelijk treden. Die treden stijgen en gaan de stem op en schikt ze daar dat ze woorden worden mag. De keel heeft de kracht dat ze vormt en stelt de stem en dat gezang, hoe dat is dat ze de woorden niet vormt.

 

19.

VON DEM HALS.

 

Der hals ist ain sul, diu daz haupt aufhelt und veraint daz haupt mit dem leib.der hals ist auz kru [91] spelischem flaisch gemacht aller maist inwendich, und stt auch der hals ze nhst nch der keln gegen dem ruck.der hals ht vil dern, durch die vliezent die gaist und daz pluot von dem herzen und von der lebern in daz haupt und in die sideln aller sinnen und aller kreften der sl.

19.

VAN DE HALS.

 

De hals is een zuil de dat hoofd ophoudt en verenigd dat hoofd met het lijf. De hals is uit kraakbeenachtig [91] vlees gemaakt en allermeest inwendig en staat ook de hals het naast bij de keel tegen de rug. De hals heeft veel aderen en door die vloeien de geest en dat bloed van het hart en van de lever in dat hoofd en in die zetelen alle zintuigen en alle krachten van de ziel.

 

20.

VON DEN ACHSELN.

 

Der mensch ht grzer achseln dann kain ander tier nch seiner grzen, daz ez d mit trag und hab sein prd.die achseln sint gemacht von sterken painen, dar umb, daz der mensch ntdrftig ist, daz er an der stat stark sei.die schuldern sint den achseln zuo gesellt und die schuldern sint praiteu pain dnneu dar umb, daz si daz flaisch vast halden auf den achseln, und sint dar umb mzicleichen dnne, daz si der prust schnhait mit irr beriger dicken iht unschnen, wann ez unschnt den menschen wenne im die achseln her fr hangent gegen der prust.

20.

VAN DE OKSELS.

 

De mens heeft grotere oksels dan geen ander dier naar zijn grootte dat het daarmee draagt en heeft zijn baard. Die oksels zijn gemaakt van sterke benen, daarom dat de mens noodzakelijk is dat er aan die plaats sterk is. De schouders zijn de oksels toe gesteld en de schouders zijn brede benen en dun, daarom dat ze dat vlees vast houden op de oksels en zijn daarom matig dun zodat ze de borst schoonheid met hun overige dikte niet ontsieren want het ontsiert de mensen wanneer hem de oksels naar voren hangen tegen de borst.

 

21.

VON DEN ARMEN.

 

Der mensch ht sein arm her fr gepogen und andreu tier nhent elleu habent ir arm hin hinder sich gepogen, n den affen und die im geleich sint. Die arm sint gemacht auz starken painen und daz voder tail des arms, daz veraint ist mit der hant, ist auz zwain painen, der ainz grzer ist wann daz ander.aber daz hinder tail, daz veraint ist mit der achseln, daz ht neur in starkez kreftigez pain.doch wizz, das diu glider an dem menschen aigenleich achsel haizent und an den tiern haizent si peg.die arm sint gemacht stark und piegleich geschikt zuo allen werken.in den armen sint vil dern und rrlein, auz den man aller gemachsamist daz schedlich pluot geziehen mag in dem menschen. [92]

21.

VAN DE ARMEN.

 

De mens heeft zijn armen naar voren gebogen en andere dieren bijna allen hebben hun armen achter zich gebogen, uitgezonderd de apen en die hem gelijk zijn. De armen zijn gemaakt uit sterke benen en dat voorste deel van de armen dat verenigd is met de hand is uit twee benen, de ene groter is dan de andere. Maar dat achterste deel dat verenigd is met de oksels dat heeft maar een sterk krachtig been. Doch weet dat de leden aan de mensen eigenlijk oksel heten en aan de dieren heten ze peg. De armen zijn gemaakt sterk en buigbaar en geschikt tot allen werken. In de armen zijn veel aderen en pijpjes waaruit men aller gemakkelijkst dat schadelijke bloed zien mag in de mensen. [92]

 

22.

VON DEN MUSLEIN. handbal

 

Etleich maister sprechent, daz sechs muslein in dem menschen sein, zwai in den henden, zwai in den armen und zwai in den painen.den sechsen gesellent etleich noch vier stuck, die haizent si auch muslein, diu vier stuck sint daz herz, das hirn und diu zwai gezeuglein an den mannen, und diu letzsten dreu setzt Galinus.aber daz hirn haizt er niht ain muslein. Nu sprechent die andern maister, daz ez niht zimleich sei, das man diu edeln stuck des leibs muslein haiz, wan ain muslein, als wir ez hie nemen, ist ain geschirr der willicleichen wegung an den glidern uns ist gesamnet auz flaisch und auz dern und auz ntrleichen panden, und spricht Rasis, daz ir fnfhundert und aht und zwainzig sein nch der lr Galini. Nu schreibt unser buoch nuer von den grzen muslein.d scholt auch wizzen, das diu zwai muslein an den armen pei den elnpogen niht wunden geleiden mgen: werden si aber verwunt, s stirbt der mensch.iedoch leidet daz leben, daz man den arm absneidet mit den muslein.daz selb spricht man auch von den muslein an den painen und an den henden.iedoch sprechent si, das der tt niht s gewis sei an den muslein sam in den armen.

22.

VAN DE HANDBAL.

 

Ettelijke meesters spreken dat zes gewrichtsmuizen in de mensen zijn, twee in de handen, twee in de armen en twee in de benen. Die zes vergezellen ettelijke noch vier stuks, die noemen ze ook gewrichtsmuizen. Die vier stuks zijn dat hart, de hersens en de twee geslachten aan de mannen en de laatste drie zet Galenus. Maar de hersens noemt hij niet een gewrichtsmuis. Nu spreken de andere meesters dat het niet betamelijk is dat man de edele stukken van het lijf gewrichtsmuizen noemt, want een gewrichtsmuis zoals we ze hier nemen is een gerei der gewillige beweging aan de leden van ons en is verzameld uit vlees en uit aderen en uit natuurlijke banden en spreekt Rasis dat van hun vijf honderd en acht en twintig zijn naar de leer van Galenus. Nu schrijft ons boek maar van de grote gewrichtsmuizen. U zal ook weten dat de twee gewrichtsmuizen aan de armen bij de ellebogen geen wonden lijden mogen: worden ze echter verwond zo sterft de mens. Toch heeft dat leven dat men de arm afsnijdt met de gewrichtsmuizen. Datzelfde spreekt men ook van de gewrichtsmuizen aan de benen en aan de handen. Toch spreken ze dat de dood niet zo gewis is aan de gewrichtsmuizen zoals in de armen.

 

23.

VON DEN HENDEN.

 

Die hend an dem menschen sint an der vordern feze stat gemacht, als Aristotiles spricht.seind der mensch vernunft ht und witz ber alliu toer, s ht im die ntr die hend geben, d mit er vil gewrken mag, und dar umb sprechent die weisen, daz man des menschen sin aller maist bref an den augen und an den henden. Plinius spricht, daz man der rehten hant [93] wnsch in angsten und in nten und daz man si raich in trewen.

23.

VAN DE HANDEN.

 

De handen aan de mensen zijn aan de voorste voeten plaats gemaakt, alzo Aristoteles spreekt. Sinds de mens verstand heeft en kennis over alle dieren zo heeft hem de natuur de handen gegeven waarmee hij veel bewerken mag en daarom spreken de wijzen dat man de mensen zintuig het allermeest beproeft aan de ogen en aan de handen. Plinius spreekt dat man de rechterhand [93] wenst in angsten en in noden en dat man ze reikt in trouw.

 

24.

VON DEN VINGERN.

 

Die vinger sint in die hend gepelzet dar umb, daz die hend geschickt und gemachsam sein zuo allen werken, wan Aristotiles spricht, daz der vinger adel gemachsam sei ze nemen, ze behalten, ze geben und aller maist ze underschaiden.des dauwen kraft ist geleicht den kreften aller anderr vinger.

24.

VAN DE VINGERS.

 

Die vingers zijn in die handen gespleten, daarom dat die handen geschikt en gemakkelijk zijn tot alle werken, want Aristoteles spreekt dat de vinger adel gemakkelijk is te nemen, te behouden en te geven en allermeest te onderscheiden. De duwkracht is gelijk de krachten van alle andere vingers.

 

25.

VON DEN NEGELN.

 

Der negel ist ntdrft, dar umb daz si der vinger end bedecken an den henden und an den fezen.der negel ntr ist ein mitel zwischen dem pain und der kruspeln, wan der nagel ist waicher dan ain pain und ist herter dan ain kruspel.der nagel enpfindet niht, wenn man in versneit, dann an der stat, d er dem flaisch ist zuogesellet; daz ist dar umb, daz er der gesinten kreft der sl niht ht, recht als daz hr.die negel verwandelnt ir varb in dem tde und in etleichen wtagen.der andern tier negel sint scharf und hert, dar umb daz si ir waffen sint und daz si d mit andreu dinch reizent.des menschen negel, wenn die klain sint, daz bedut des menschen leichtikait, und wenn si dnn sint rtvar durch weiz gemischet, das bedut des menschen behenden sin.ain iegleich vogel, der krump klen ht, der trinket niht wazzers dar umb, daz er flaisch izzet, daz fuhter ist wan daz ezzen anderr vogel.all vogel krummer klen sint scherphers gesihts und fliegent hher dan ander vogel, dar umb, daz si ir ezzen von vern mgen gesehen, wan die vogel lebent neur raubens. [94]

25.

VAN DE NAGELS.

 

De nagel is nodig, daarom dat ze de vinger eind bedekt aan de handen en aan de voeten. De nagel natuur is een middel tussen het been en het kraakbeen want de nagel is weker dan een been en is harder dan een kraakbeen. De nagel ontvindt niet wanneer man in versnijdt dan aan de plaats daar er het vlees is toe gezet; dat is daarom dat het de gezonden kracht van de ziel niet heeft recht zoals dat haar. De nagel verandert zijn kleur in de dode en in ettelijke ziekdagen. De andere dieren nagels zijn scherp en hard, daarom dat ze hun wapen zijn en dat ze daarmee andere dingen verwonden. De mensen nagel wanneer die klein zijn dat betekent de mensen lichtheid en wanneer ze dun zijn rood gekleurd door wit gemengd dat betekent de mensen handig zijn. elke vogel die kromme klauwen heeft de drinkt geen water, daarom dat het vlees eet dat vochtig is want dat eten andere vogels. Alle vogels met kromme klauwen zijn scherp van gezicht en vliegen hoger dan ander vogels, daarom dat ze hun eten van ver mogen zien want die vogels leven alleen van roven. [94]

 

26.

VON DEN PAINEN IN DEN GLIDERN.

 

Galinus spricht, daz daz pain der rsten glider ainz sei, diu geleicher stuck sint, und ist dat pain hert gemacht von ntr dar umb, daz ez ain aufhaltung sei des leibs und der waichen gelider, wenn sich die von stat ze stat wegent, wie daz sei, daz ain pain herter sei wan daz ander in dem leib.dar umb sint diu pain des kranken flaischer aufhaltung, recht als die pfl in ainer klnten want den laim aufhaltent.die herten pain sint inwendig hol, weiz und gar werhaft.der manne pain sint sterker wan der frawen pain, n allain an den frawen, die Amazne haizent: d sint der frawen pain sterker wann der manne und der frawen lant haizt von etleichen der maide lant.

26.

VON DE BENEN IN DE LEDEN.

 

Galenus spreekt dat het been een van de eerste leden is die van gelijke stukken zijn en is dat been hard gemaakt van natuur, daarom dat het een ophouden is van het lijf en de weke leden wanneer zich die van plaats tot plaats bewegen, hoe dat is dat een been harder is dan dat andere in het lijf. Daarom zijn de been voor het zwakke vlees ophouden recht zoals de palen in een wand wat de leem ophoudt. De harde benen zijn inwendig hol, wit en erg duurzaam. De mannen benen zijn sterker dan de vrouwen benen, uitgezonderd alleen aan de vrouwen die Amazones heten: daar zijn de vrouwen benen sterker dan de mannen en dat vrouwen land heet van ettelijke het maagden land.

 

27.

VON DEM MARK.

 

Daz mark ist ain berflzzichait des pluots und ist in den painen, diu hol sint nch Galini lre, und daz bezaichent uns, daz ain iegleich tier, daz vil nslits ht und vaizten, daz ht vil markes, als wir allermaist sehen an den kinden: wenn diu gesterbent, s vint man vil pluotes in irn painen und wnigs marks.daz ist dar umb, daz daz pluot niht wol gekocht mag werden ze mark, wan diu hitz ist noch niht s stark in den kinden, daz si daz kocht pluot weiz mg gemachen und in mark mg verkrn.dar umb ist daz mark ain berflzzichait des pluots, das diu pain speist und fuoret.daz bezaichent uns, daz daz mark warm ist und fuht und diu pain sint kalt und trucken.und dar umb ist verseheleich, daz daz mark mr sei ain berflzzichait in den painen wann daz ez ir narung sei.daz ist bezaichent d mit, daz man vil marks vindet in den painen der kalten tier, wann diu hitz mag in den painen niht vaizten gemachen noch enmag daz mark verzern, und dar umb ht der leb niht marks, [95] wann ez wirt verzert von der brigen ntrleichen hitz, die in des lewen painen ist.iedoch bringt daz mark den painen die hilf, daz ez si fuhtet und waicht oder zch macht, dar umb, daz si niht zerbrechent.brigeu wegung und arbait trckent diu pain und macht si alle ze drr.daz mark ist rt in den jungen leuten und ist weiz in den alten.als spricht Plinius. Diu wazzertier habent niht markes.

27 .

VAN HET MERG.

 

Dat merg is een overvloedigheid van het bloed en is in de benen die hol zijn naar Galenus leer en dat betekent ons dat elk dier dat veel talg heeft en vetten dat heeft veel merg zoals we allermeest zien aan de kinderen: wanneer die sterven zo vindt men veel bloed in hun benen en weinig merg. Dat is daarom dat het bloed niet goed gekookt mag worden tot merg want de hitte is noch niet zo sterk in de kinderen dat ze dat gekookte bloed wit mag maken en in merg mag veranderen. Daarom is dat merg een overvloedigheid van het bloed dat het been spijst en voert. Dat betekent ons dat dit merg warm is en vochtig en de benen zijn koud en droog en daarom is te voorzien dat dit merg meer is een overvloedigheid in de benen dan dat het zijn voeding is. Dat betekent daarmee dat men veel merg vindt in de benen der koude dieren want de hitte mag in de benen geen vet maken, noch mag dat merg verteren en daarom heeft het leeuw geen merg [95] want het wordt verteerd van de overige natuurlijke hitte die in de leeuwen benen is. Toch brengt dat merg de benen die hulp dat het die bevochtigt en weekt of zacht maakt, daarom dat ze niet breken. Overige beweging en arbeid drogen het been en maakt ze alle te droog. Dat merg is rood in de jongen lieden en is wit in de ouden, alzo spreekt Plinius. De waterdieren hebben geen merg.

 

 

28.

VON DEM FLAISCH.

 

Daz flaisch ist krank, waich und zart und wirt leicht zerbrochen.diu pest schickung des flaischs ist, daz ez niht ze mager noch ze vaizt sei und daz breft man dar an, daz diu glider mzik sint und zimleichen dervollet.des flaischs vaizten ist pei dem nabel und pei den lenden.wir brefen auch dar an wol, wenn daz flaisch wol geschickt ist, daz der leip leicht enpfint wol oder w.aber ungeschickt flaisch ist daz niht leicht enpfint. Galinus spricht, daz daz flaisch dar zuo ntz sei, daz ez die klunsen zwischen den painen und den dern derflle und daz ez diu gelider ze samen hab.daz flaisch daz ht mangerlai gestalt in mangerlai glidern, wann daz flaisch in der lungen ist von rter rsenvarb und ist satrt in dem herzen, in der lebern ist ez purpervar, in der milz ist ez swarz oder zwarzlot.

28.

VAN HET VLEES.

 

Dat vlees is zwak, week en zacht en wordt licht gebroken. De beste schikking van het vlees is dat het niet ze mager noch te vet is en dat proeft men daaraan dat de leden matig zijn en tamelijk gevuld. Dat vlees is vet bij de navel en bij de lenden. We beproeven het ook daaraan wel wanneer dat vlees goed geschikt is dat het lijf licht ontvangt, goed of slecht. Maar ongeschikt vlees is dat niet licht ontvangt. Galenus spreekt dat het vlees daartoe nuttig is dat het de spleten tussen de benen en de aderen opvult en dat het de leden tezamen heeft. Dat vlees dat heeft menigvuldige gestalte in menigvuldige leden want dat vlees in de longen is van rode rozen kleur en is donker rood het de hart, in de lever is het purper gekleurd en in de milt is het zwart of zwartachtig.

 

29.

VON DER HAUT.

 

Diu haut oder daz vel an dem tier ist gestrecket ber alliu glider, dar umb, daz ain als grzue samnung der glider mit einer decke gepunden sei.des menschen vel ist dnn und mag leicht versrt werden.daz ist dar umb, daz der mensch kan im selber ander decke machen, d mit er sich bewart, des andreu tier niht knnen. Galinus spricht, daz daz vel mangerlai sei an dem men [96] schen, wann ainz ist dnn, daz ander dik.w daz vel dik ist, d ist ez sleht und ains senften griffs, w ez dnn ist und zestrut auz einander, d ist ez oft gar rauch und hertgriffig.das trckner vel ist ruher und daz fuht ist senftiger an dem griff.

29.

VAN DE HUID.

 

De huid of dat vel aan het dier is gestrekt over alle leden, daarom dat een alzo grote verzameling van de leden met een dek gebonden is. Het mensen vel is dun en mag licht bezeerd worden. Dat is daarom dat de mens kan zichzelf ander dek maken waarmee hij zich bewaart wat andere dieren niet kunnen. Galenus spreekt dat het vel menigvuldig is aan de mensen [96] want de ene is dun en de andere dik. Waar dat vel dik is daar is het recht en een zacht aangrijpen en waar het dun is en verstrooit uit elkaar daar is het vaak erg ruig en hard aan te grijpen. Dat droge vel is ruwer en dat vochtig is zachter aan te grijpen.

 

30.

VON DEM RUCKEN.

 

Der ruck ht seinen anvanch an dem hals und strecket sein leng unz an die mistporten, und der dorn, der den rucken zesamen helt, ist auz vil painen, diu sint alliu ze mitelst durchlchert, und den selben painen sint diu ripp ze paiden seiten zuo gesellt.diu selben pain in dem rucken sint gezalt nch der zal der ripp, und gt ain langez mark durch diu pain oben in dem ruck von dem hals unz an daz end geleich ainem strick.

30.

VAN DE RUG.

 

De rug heeft zijn aanvang aan de hals en strekt zijn lengte tot aan de mestpoorten en de doren van de rug tezamen houdt en is uit veel benen de zijn alle in het middelste doorgaat en dezelfde benen zijn de ribben aan beide zijden toe gesteld. Dezelfde benen in de rug zijn geteld naar het getal der ribben en gaat er een lang merg door het been boven in de rug van de hals tot aan dat eind gelijk een strik.

 

31.

VON DER PRUST.

 

Diu prust an dem menschen ist zart, als daz zi niht wol arbait mag geleiden n irn schaden, und daz ist des rsten von des herzen wegen, daz in der prust sitzet, und ist auch von der gaistleichen ding wegen, die ir sideln habent etswie vil in der prust.ez ist ain praitz pain voller rrlein in im selber ze mitelst in der prust, dem sint die ripp und die dern zuo gesellt, und under dem selben pain entspringent die vodersten dern, d daz pluot inne lauft und die ze latein vene haizent.die selben dern estent sich beral zuo den andern glider reht als die est an ainem weinreben.aber von den dern werden wir her nch sagen. Aristotiles spricht, daz der mensch ainr praiten prust sei in seiner grze gegen andern tiern.dar umb, lieber mensch, strek dein prust gegen deinem schpfer, und mach dein gir prait und grz gegen im. [97]

31.

VAN DE BORST.

 

De borst aan de mensen is zacht alzo dat ze niet goed arbeid mag lijden zonder het te schaden en dat is het eerste vanwege het hart dat in de borst zit en is ook vanwege de geestelijke dingen die zijn zetel hebben wat veel in de borst. Het is een breed been vol pijpjes in zichzelf, in het middelste van de borst zijn de ribben en de aderen toe gesteld en onder datzelfde been ontspringt die voorste aderen waar dat bloed in loopt en die te Latijn vene heten. Diezelfde aderen breiden zich takvormig uit overal tot de andere leden, recht zoals de takken aan een druivenboom. Maar van de aderen zullen we hierna zeggen. Aristoteles spreekt dat de mens een brede borst heeft naar zijn grootte tegenover andere dieren. Daarom lieve mens strek uw borst tegen uw schepper en maak uw verlangen breed en groot tegen hem. [97]

 

32.

VON DEN PRSTLEIN.

 

Diu prstel an den frawen sint gemacht von der ntr auz waiche lindem flaisch und die schllent an den juncfrawen klain sein end tapfer.ez spricht auch Aristotiles, wenn die juncfrawen habent prstel zwaier twerhvinger lang, s beginnent si die man liep haben.der swarzen frawen milch ist pezzer wan der weizen.aber an den gaizen ist ez anders; wan der weizen gaize milch ist pezzer wan der swarzen.daz verstn ich also.die frawen, die swarz sint von grzer hitz, habent pezzer milch wan die frawen, die weiz sint von kalter ntr.wilt aber d gemainleich wizzen, welher frawen milch pezzer sei, s nim ain glas oder ain glate tafeln von holz und l des gespns tropfen dar auf: sint si dann dick und zevliezent niht, s ist das gespnn guot, zevliezent si aber, s ist ez niht guot.d scholt auch wizzen, daz der umvernnftigen tier milchwppel aigenleichen uter haizent, aber an der frawen haizent si prstel oder ttel.iedoch ist ez underschaiden, wan an den juncfrawen, die noch niht swanger sint gewesen, haizent si aigenleichen prstel von der prust, d si an stnt, und an den frawen, die kindlein genesen sint, haizent si aigenleich ttel oder fruhttragerlein, dar umb, daz si den kinden ir fruht tragent und ir narung.kain tier hat seineu uter vorn an der prust sam der mensch ht seineu prstel.

32.

VAN DE BORSTEN.

 

De borsten aan de vrouwen zijn gemaakt van de natuur uit week zacht vlees en die zullen aan de jonkvrouwen klein zijn en dapper. En spreekt ook Aristoteles wanneer die jonkvrouwen hebben borsten van twee vingers lang zo beginnen ze de man lief te hebben. De zwarte vrouwen melk is beter dan die van de witte. Maar aan de geiten is het anders; want de witte geiten melk is beter dan de zwarte. Dat versta ik alzo, die vrouwen die zwart zijn van grote hitte hebben betere melk dan die vrouwen die wit zijn van koude natuur. Wil u echter in het algemeen weten welke vrouwenmelk beter is, zo neem een glas of een gladde tafel van hout en laat de moedermelk druppelen daarop: zijn ze dan dik en vloeien niet uit zo is das moedermelk goed, vloeien ze echter uit zo is het niet goed. U zal ook weten dat de onverstandige dieren melkuiers eigenlijk uter heten, maar aan de vrouwen heten ze prstel of tutel. Toch is het onderscheiden, want aan de jonkvrouwen die noch niet zwanger zijn geweest heten ze eigenlijk prstel, van de borst daar ze aan staan, en aan de vrouwen die van een kindje genezen zijn heten ze eigenlijk tutel of vruchtdraagster, daarom dat de kinderen hun vrucht dragen en hun voeding. Geen dier heeft zijn uiers voren aan de borst zoals de mens heeft zijn borsten.

 

33.

VON DEM HERZEN.

 

Daz herz ist ain anvanch des lebens, und der anvanch ainr iegleichen wegung ist in dem herzen. Plinius spricht, daz daz herz sie ain lucern des leibes, wan diu ntr ht daz herz gesetzt ze mitelst in den leip, dar umb, daz ez [98] ain prunn und ain ursprinch ist der kreften aller andern glider, und ist ain schatzldlein des lebens.dar umb ht ez diu ntr ze mitelst verporgen.daz herz ist daz rst, das an dem tier lebt in der muoter leib, und ist daz letzst, daz stirbt.ez ist auch kain glit, d s vil pluots inne sei unflzzich und beleibend stn in im selber denn neur daz herz.wan daz herz ht zwai kmerlein, daz ain gegen der rehten seiten und daz ander gegen der denken, und dar inne ist edelz pluot und die edeln gaist, dar an daz leben ligt.und die gaist und daz pluot laufent in den dern von dem herzen in die andern glider, als wir her nch sagen von den dern.daz herz ist gesetzt zuo der lungen, dar umb, daz diu lung waich ist und luftvngik, dar umb s gibt si dem herzen an keln, daz ez iht erstick von seiner aigen hitz, wann daz herz ist daz allerhaizist glid, daz in dem tier ist.ez ist auch daz herz oben prait und unden spitzik und ist ze mitelst in der prust, n daz ez sich ain klain naigt gegen dem denken prstlein, ez wr anders diu tenk seit gar ze kalt.daz herz ist auz hertem dickem flaisch und ist in aim menschen grzer denn in dem andern.des menschen herz ist waicher denn anderr tier herz, welhez tier ain grz herz ht gegen seinem leib, daz ist vorhtich, und welhez ain mitelmzigz herz ht, daz ist drstig.daz ist dar umb, daz diu ntrleich hitz und kraft ain grz herz niht erfllen mag sam ain mitelmzigz.seind nun diu kelten ist ain sach der vorht, s ist der spruch wr, und dar umb sint die hirz und die esel und die hasen vorhtiger wan andreu tier, wann si habent vil grzereu herz nch irn leiben wan andreu tier. Daz herz mag niht geleiden als andreu inwendigeu glider, wann man sicht an der tten herz kain versrung als an andern glidern, wunden, genagung, swern, stain und smleich dinch,iedoch beleibt daz leben in dem tier s lang daz herz lebet, daz aber daz herz leit auch sam diu andern glider, des entuot ez niht, wann der tt vrkmpt des her [99] zen siehtagen.als spricht daz puoch ze latein und etleich ander sprch der alten maister, die mir zweivelhaftig sint. Plinius spricht, daz der menschen herz niht verprant mg werden, die d sterbent von des herzen siehtagen, der d haizt des herzen suht, und haizt ze latein cardiaca und kmpt von brigem zorn und von briger vorht.ez sprechent auch etleich maister, daz der menschen herz, die d sterbent von wrer vergift, niht verprant mgen werden, und dar umb strft der maister Vitellus den arzt, der d hiez Ps, und spricht, daz der deutsch kaiser pei im tt sei von vergift, wan des kaisers herz wolt niht prinnen.s spricht Ps her wider, daz daz niht sei von vergift, ez sei von des herzen suht gewesen, die der kaiser het.wrleich der arzt Ps missagt, und d wr gar lang von ze reden, daz wil ich under wegen lzen. Egiptii die weisen lut, die vil weishait funden habent, wnten, daz daz herz alliu jr auf nm an klain grzin und daz daz werte uns in daz fnfzigist jr, und daz es dann als vil abnm alliu jr unz in daz hundrist jr, und sprchen, das wnig lut lebten mit ganzen sinnen unz in daz hundrist jr, dar umb, daz daz herz als sr abnm.daz aufnemen der grzen des herzen und daz abnemen ist niht redleich, wann daz herz wrd in fnftzig jren als grz als ain grzeu pzkogel und wrd in den andern fnftzigen jren als klain als ain pn.daz envindet man niht.daz herz ist gesetzt in ain plglein, daz ist wol als dicke sam aines menschen haut, und daz haizt des herzen huot oder sein kasel, und ht diu ntr daz herz d mit verhllet durch ain sicherhait, daz ez niht leichticleichen leid.

33.

VAN HET HART.

 

Dat hart is een aanvang van het leven en de aanvang van elke beweging is in het hart. Plinius spreekt dat het hart is een lamp van het lijf, want de natuur heeft dat hart gezet in het middelste in het lijf daarom dat het [98] een bron en een oorsprong is van de krachten van alle andere leden en is een schatkamer van het leven. Daarom heeft het de natuur in het middelste verborgen. Dat hart is dat eerste dat aan de dieren leeft in het moeder lijf en is dat laatste dat sterft. Er is ook geen lid daar zoveel bloed in is niet vloeiend en blijft staan in zichzelf dan alleen dat hart. Want dat hart heeft twee kamertjes, de ene tegen de rechter zijde en de andere tegen de linker en daarin is edel bloed en de edele geest waaraan dat leven ligt. En die geest en dat bloed lopen in de aderen van het hart in de andere leden zoals we hierna zeggen van de aderen. Dat hart is gezet tot de longen, daarom dat de long week is en lucht vangt, daarom zo geeft ze het hart een koelte zodat het niet stikt van zijn eigen hitte, want dat hart is dat aller heetste lid dat in de dieren is. En is ook dat hart boven breed en onder spitsachtig en is in het middelste van de borst uitgezonderd dat het zich een klein beetje nijgt tegen de linker borst, het was anders de linker zijde erg te koud. Dat hart is uit hard dik vlees en is in de ene mens groter dan in de andere. Het mensen hart is weker dan andere dieren harten. Welk dier een groot hart heeft tegen zijn lijf dat is vreesachtig en welke een middelmatig hart heeft dat is beheerst. Dat is daarom dat de natuurlijke hitte en kracht een groot hart niet vervullen mag zoals een middelmatige. Zo nu de koude is een zaak van de vrees zo is de spreuk waar en daarom zijn die herten en de ezels en die hazen vreesachtiger dan andere dieren want ze hebben veel grotere harten naar hun leven dan andere dieren. Dat hart mag niet lijden zoals andere inwendige leden want men ziet aan het dode hart geen bezering zoals aan andere leden wonden, knaging, zweren, steen en dergelijke dingen. Toch blijft dat leven in dat dier zo lang dat hart leeft, dat echter dat hart lijdt ook zoals de andere leden, dat doet het niet wanneer de dood voorkomt in de erge [99] ziekdagen. Alzo spreekt dat boek in Latijn en ettelijke ander spreuken van de oude meesters die me twijfelachtig zijn. Plinius spreekt dat het mensen hart niet verbrand mag worden die er sterven van de hart ziekdagen de daar heet de hartziekte en heet in Latijn cardiaca en komt van overige toorn en van overige vrees. Er spreken ook ettelijke meesters dat het mensen hart die daar sterven van echt vergif niet verbrand mogen worden en daarom straft de meester Vitellus de arts die daar heet Piso en spreekt dat de Duits keizer door hem gedood is van vergif want de keizer hart wilde niet verbranden. Zo spreekt Piso daartegen dat dit niet is van vergif, het is van de hartziekte geweest die de keizer had. Waarlijk, de arts Piso zeht het verkeerd en daar is erg lang van te spreken en dat wil ik weg laten. Egyptenaren, die wijze lieden die veel wijsheid gevonden hebben, willen dat het hart elk jaar toenam een klein beetje en dat duurt tot het vijftigste jaar en dat het dan alzo veel afnam elk jaar tot in dat honderdste jaar en spraken dat weinig lieden leefden met ganse zintuigen tot in dat honderdste jaar, daarom dat het hart alzo zeer afnam. Dat toenemen van de grootte van het hart en dat afnemen is niet redelijk want dat hart wordt in vijftig jaar alzo groot als een grote kogel en wordt in de andere vijftig jaar alzo klein als een boon. Dat bevindt men niet. Dat hart is gezet in een balgje dat is wel zo dik zoals een mensenhuid en dat heet de harthoeder of zijn kasteel en heeft de natuur dat het hart daarmee omhult voor een zekerheid dat het niet gemakkelijk lijdt.

 

34.

VON DER LEBERN.

 

Diu leber ligt gegen der rehten seiten in dem tier und daz milz gegen der lenken seiten, und daz ist wr [100] in allen tiern, die lebern habent.ist aber, daz sich der satz verendert, daz ist gar wunderleich, sam Aristotiles spricht.diu leber ist sez und ir ntr ist ainr senftigen gestalt und ainr milten schickung.des menschen leber ist sinbel reht als ains ochsen leber ist. Clemens der maister spricht, daz diu leber dar umb in der rehten seiten ligt, daz si hitz geb dem magen, dar umb, daz daz ezzen in den magen wol gekocht werd; auch dar umb, daz diu leber pluot gesenden mg allen andern glidern.wann s daz ezzen nu gekocht ist in dem magen, s wirt daz weiz und klr gestalt sam ain weiz gerstenwazzer und daz schait diu ntr von den gerben und fert ez in sunderleich dern in daz flach tail der lebern, d wirt ez dann anderweit gekocht und schait diu ntr daz klr von den gerben und sent die gerben ab zuo den niern und zuo der plsen; s vrbt diu ntr daz klr in der lebern, daz ez suo pluot wirt und sent ez dann allen andern glidern, die kochent ez dann frbaz, iegleich glid nch seiner art. unz daz ez im eben wirt.von dem kochen sag wir mr, wenn wir von den magen schreiben.

34.

VAN DE LEVER.

 

De lever ligt tegen de rechter zijde in de dieren en de milt tegen de linkerzijde en dat is waar [100] in alle dieren die lever hebben. Is echter dat zich de plaats verandert dat is erg wonderlijk zoals Aristoteles spreekt. De lever is zoet en zijn natuur is een zachte gestalte en een milde schikking. De mensen lever is rond recht als een ossen lever is. Clemens, de meester, spreekt dat de lever daarom in de rechterzijde ligt dat het hitte geeft de maag, daarom dat het dar eten in de maag goed gekookt wordt; ook daarom dat de lever bloed zenden mag aan alle andere leden. Wanneer zo dat eten nu gekookt is in de maag zo wordt dat wit en helder gesteld zoals een wit gerstewater en dat scheidt de natuur van de afscheiding en voert het in aparte aderen in dat vlakke deel der lever daar wordt het dan een volgende keer gekookt en scheidt de natuur dat heldere van de afscheiding en zendt de afscheiding af tot de nieren en tot de blaas; zo verft de natuur dat helder de lever zodat het tot bloed wordt en zendt het dan alle andere leden en die koken het dan voor beter elk lid naar zijn aard tot het hen gelijk wordt. Van het koken zeggen we meer wanneer we van de maag schrijven.

 

35.

VON DER GALLEN.

 

Diu gall ist haiz und trucken und feureinr ntr.daz ist als vil gesprochen, daz diu gall die kraft ht, daz si hitzt und trckent reht sam ain feur, und dar umb ht si got der lebern zuo gesellt, daz si ir helf kochen daz ezzen, daz ir gesant wirt von dem magen.der gallen aigenkait ist unsttichait, tobung, behendichait, scherpfen der sinn, newvindichait, gedrstichait, hhvart, gir, unkusch, gedhtnss, snell antwrt, und ganz der leib des menschen, der ain grz gallen ht, ist hitzig und trucken. Plinius der spricht, dat etsleich leut niht gallen haben (iedoch vinde man ir wnig) und daz si lang leben und lange stark sein. Aristotiles spricht, dat et [101] leich leut ir gallen haben gesetzt von der lebern, und die sint snftiger von ntr wan die ir gallen habent pei der lebern.iedoch gewonhait verndert vil der ntr an dem menschen zou guotem oder zuo psem, und dar umb list man, daz ein alter maister von der ntr frgt ainen andern grzen maister in ntrleichen dingen und sprach sag mir, waz menscheleicher ntr hab ich an mir.d antwurt im der grz maister und sprach ich hn kainen psern noch scherpfern menschen gesehen von ntr wann dich und hn kainen pezzern gesehen von ebung der tugend und von gewonhait guoter siten wann dich.ich hn auch kainen menschen niet gesehen, der psleicher geschickt wr zuo kunst und zuo weishait wann d, und der durchsihticleicher und behendicleicher alliu dinch durchbreft wann d.dar umb ist der spruch wr, der d spricht: diu gewonhait ist ain wechslerin der ntr. Aristotiles spricht, daz ain iegleich tier, daz niht gallen hab, lang leb, als der helfant, der hirz, daz kamel, der delphin oder daz merswein.

35.

VAN DE GAL.

 

De gal is heet en droog en vurige natuur. Dat betekent dat de gal de kracht heeft dat ze verhit en verdroogt recht zoals een vuur en daarom heeft God het de lever toe gesteld dat ze haar helpt koken dat eten dat haar gezonden wordt van de maag. De gal eigenschap is onbestendig, verdoven, handigheid en scherpen van de zintuigen, nieuwe vindingrijkheid, dorstigheid hovaardigheid, verlangen, onkuisheid, gedachte en snel beantwoorden en gans het lijf van de mensen die een grote gal heeft is heet en droog. Plinius die spreekt dat ettelijke lieden geen gal hebben (toch vindt men die weinig) en dat ze lang leven en lang sterk zijn. Aristoteles spreekt dat [101] ettelijke lieden hun gal hebben gezet van de lever die zijn zachter van natuur dan die hun gal hebben bij de lever. Toch gewoonheid verandert veel de natuur aan de mensen tot goede of tot boze en daarom leest men dat een oude meester van de natuur vraagt een andere grote meester in natuurlijke dingen en sprak; zeg me welke menselijker natuur heb ik aan me. Toen antwoordde hem de grote meesters en sprak; ik heb geen bozere noch scherper mens gezien van natuur dan u en heb geen betere gezien van beoefening van de deugd en van gewoonheid goede zeden dan u. Ik heb ook geen mens gezien die kwader geschikt was tot kunst en tot wijsheid dan u en die duidelijker en handiger alle dingen doorzoekt dan u. Daarom is de spreuk waar die daar spreekt: de gewoonheid is een afwisseling van de natuur. Aristoteles spreekt dat elk dier dat geen gal heeft lang leeft zoals de olifant, het hert, de kameel, de dolfijn of dat zeezwijn (dolfijn).

 

36.

VON DER LUNGEN.

 

Aristotiles spricht, daz diu lung sei ain wintvanch, der den luft auz und ain fert, d von daz herz erkelt wirt.und dar umb ist diu lung lind sam ain padswamp, daz si den luft gevhen mg; und wenn si den luft in sich zeucht, s grzt si sich, wenn aber si den luft von ir sleht, s klaint si sich.ain iegleich tier ht ain lungen daz auf dem lant gt und den luft in sich zeucht zuo ainer kelung des herzen.aber andriu tier, sam die visch in dem wg, bedrfent der lungen niht.iedoch habent etleich mervisch lungen, die haiz pluot habent.dar umb merk, daz ain iegleich tier, daz im sein geleich gepirt mit swanger machen sein zuozuht, ht ain lungen von der [101] grzen hitz wegen seiner ntr, und ist diu lung grz und fuht mit pluot; aber die tier, die d airnt, als die vogel, die habent an klain lungen und trucken an ir selber, und dar umb drst si wnig und mgent ungetrunken sein lange zeit, wan si klain ntrleich hitz habent in irm leib und erkelent sich mit der wegung der lungen; wann diu zeuht grzen luft zuo ir.ez sint auch diu selben tier klainer dann andriu tier, dar umb daz diu ntrleich hitz ist ain sach der grzen und diu mrung des pluots ist ain zaichen der ntrleichen hitz.diu ntrleich hitz rechtvertigt die leib der tier, und dar umb ist der mensch ains aufgerihten leibes gegen dem himel, wan er mr pluots und hitz ht nch seiner grzen denn andreu tier.diu lung ht mr pluots wann andreu glider, dar umb, daz si von waichem linden flaisch ist.als spricht unser puoch, aber ich wn, daz si truckner sei und plzer von pluot wan diu leber, dar umb, daz si den luft in sich gevazzen mg. Plinius spricht, der ein holz reib mit etleicher mervisch lungen, daz prnn sam l.man macht auch gar lauter schn l von etlicher mervisch lungen. Aristotiles spricht, daz ain iegleich tier, daz der lungen mangelt, mez auch rehter stimm mangeln.iedoch ht manik tier niht stimm, daz doch ain lungen ht.

36.

VON DE LONGEN.

 

Aristoteles spreekt dat de long is een windvanger die de lucht uit en in voert waarvan het hart verkoelt wordt en daarom is de long zacht zoals een paddestoel zodat het de lucht vangen mag; en wanneer ze de lucht in zich trekt zo vergroot het zich, wanneer echter ze de lucht van haar slaat zo verkleint ze zich. Elk dier heeft een long dat op de land gaat en die lucht in zich trekt tot een verkoeling van het hart. Maar andere dieren zoals de vissen in de vliedende waters behoeven de longen niet. Toch hebben ettelijke zeevissen longen die heet bloed hebben. Daarom merk dat elk dier en zijn gelijke baart met zwanger maken zijn toevlucht heeft een long vanwege de [101] grote hitte van zijn natuur en is de long groot en vochtig met bloed; maar de dieren die er eieren leggen zoals de vogels die hebben een kleine long en droog aan zichzelf en daarom dorsten ze weinig en mogen zonder drinken zijn lange tijd wan ze hebben een kleine natuurlijke hitte in hun lijf en verkoelen zich met de beweging van de longen; want die trekt grote lucht tot hen. Er zijn ook dezelfde dieren kleiner dan andere dieren daarom dat de natuurlijke hitte een zaak is van de grootte en de vermeerdering van het bloed een teken is van de natuurlijke hitte. De natuurlijke hitte rechtvaardigt het lijf der dieren en daarom heeft de mens een opgericht lijf tegen de hemel want hij meer bloed en hitte heeft naar zijn grootte dan andere dieren. De long heeft meer bloed dan andere leden, daarom dat ze van week zacht vlees is. Alzo spreekt ons boek, maar ik waan dat ze droger is en bloter van bloed dan de lever daarom dat ze de lucht in zich vangen mag. Plinius spreekt die een hout wrijft met ettelijke zeevis longen dat branden zal zoals olie. Men maakt ook erg heldere schone olie van ettelijke zeevis longen. Aristoteles spreekt dat elk dier dat de longen mangelt moet ook echte stem ontbreken. Toch hebben vele dieren geen stem die toch een long hebben.

 

37.

VON DEM MILZ.

 

Ez spricht Aristotiles, daz der mensch hab ain milz sam ain swein, lang und smal.daz milz ligt in der denken seiten und zeuht in etleicher mz an sich die unsauberkait des pluotes, und daz geschiht aller maist in den menschen, die den viertgleichen riten habent.daz milz leidet oft und beswrt den menschen, ez sei dan, daz man auf der denken hant oder auf dem denken arm d fr lz. Galinus spricht, daz melancolica ir sideln hab in dem milz, und wenn diu melancoli ain oberhant [103] nimpt und sich zeucht zuo dem haupt, s kmpt dem menschen sweigen und betrahten, und swrikait, wainen und trkheit, vorht und sorg und klainmetichait.under den vint man etleich, die wnent, si sein tt, und ander die wnent, si sein glesein. Plinius spricht, daz daz milz ain hindernss sei des laufens, und dar umb sleht man den laufern die milzdern.ez sint auch etleich lut, die wnent, daz sich des menschen lachen mre nch des milzen grzen und sich minder nch des milzen klainen.

37.

VAN DE MILT.

 

Er spreekt Aristoteles dat de mens heeft een milt zoals een zwijn, lang en smal. De milt ligt in de linker zijde en trekt in ettelijke mate aan zich die onzuiverheid van het bloed en dat geschiedt allermeest in de mensen die de vierdaagse malariakoorts hebben. De milt lijdt vaak en bezwaart de mensen, tenzij dan dat men op de linkerhand of op de linkerarm daarvoor laat. Galenus spreekt dat melancholie zijn zetel heeft in de milt en wanneer de melancholie een overhand [103] neemt en zich trekt tot het hoofd zo komt de mens te zwijgen en beraden en zwaarheid, wenen en traagheid, vrees en zorg en kleinmoedigheid. Onder die vindt man ettelijke die wanen ze zijn dood en ander die wanen ze zijn glazig. Plinius spreekt dat de milt een hindernis is bij het lopen en daarom slaat men de lopers de miltaderen. Er zijn ook ettelijke lieden die wanen dat de mensen meer lachen naar de milt grootte en minder naar de milt kleine.

 

 

38.

VON DEM PAUCH.

 

Der pauch ze latein ist gehaizen zwairlai.des rsten haizt daz der pauch, daz wir haizen den magen oder den sack, d daz ezzen des rsten eingt.iedoch nimpt Plinius den pauch in der weis ze vierlai sinnen und spricht als.ain iegleich tier, daz pluot ht und vier fez ht, daz ht vier puch.der rst pauch nimpt daz ezzen als rch, der ander nimpt ez gekocht, der dritt kocht ez paz, der vierd nimpt daz ezzen wol gekocht end lzt ez auz.dar umb nimpt Plinius den pauch fr den magen und fr die andern seck, die under dem magen sint, dar ein daz ezzen gt ie von aim in den andern.aber aigenleich ze nemen s haizt der pauch die ganz samnung auz den ecken allen mit der haut bedackt, die oben her ab gt ber den nabel.der pauch ist ze stunden s brig vaizt, daz der mensch d von sterben muoz. Aristotiles spricht, daz die menschen geleich sein den hunden an dem obern pauch end den sweinen an dem undern pauch. Plinius spricht, daz die unbehender und unvindiger sein, die grz geitig puch haben, wann die andern leut; aber die mzig puch haben die sein behend, weis, frsihtig, kndig oder sinnreich.die ripp sint dem pauch zuo gesellt zuo ainr huot und zuo ainr sicherheit, daz er iht leichticleich versrt werd. [104]

38.

VAN DE BUIK.

 

De buik te Latijn is geheten tweevormig. De eerste heet de buik wat we noemen de maag of de zak waar dat eten het eerste ingaat. Toch neemt Plinius de buik in die wijze tot vier soorten zintuigen en spreekt alzo. Elk dier dat bloed heeft en vier voeten heeft dat heeft vier buiken. De eerste buik neemt dat eten alzo rauw, de ander neemt het gekookt, de derde kookt het beter en de vierde neemt dat eten goed gekookt en laat het uit. Daarom neemt Plinius de buik voor de maag en voor die andere zak die onder de maag zit waarin dat eten gaat zo van de ene in de andere. Maar eigenlijk te nemen zo heet de buik de ganse verzameling uit de hoeken allen met de huid bedekt die van boven af gaat over de navel. De buik is soms zo over vet dat de mens daarvan sterven moet. Aristoteles spreekt dat de mensen gelijk zijn aan de honden aan de bovenste buik en de zwijnen aan de onderste buik. Plinius spreekt dat die onhandige en niet vindingrijk zijn die grote grage buik hebben dan die andere lieden; maar die een matige buik hebben die zijn handig, wijs, voorzichtig, kundig of zintuigen rijk. De ribben zijn de buik toe gesteld tot een hoede en tot een zekerheid zodat het niet licht bezeerd wordt. [104]

 

39.

VON DEM MAGEN.

 

Der mag ist der rst haven, dar inn daz ezzen gekocht wirt in den menschen.der mag nimpt daz rch ezzen von der sluntrrn und kocht ez in im selber, wie daz sei, daz ez etswie vil geschickt werd in dem mund und in der sluntrrn.der mag ht inwendig vil hutelvasen reht sam klaineu pltlein an ainem pechlein, dar umb, daz von der selben hutlein hitz daz ezzen dester paz gekocht werd, und auch dar umb, daz daz ezzen dester lenger in dem magen beleib; wan wr der mag sleht und glat, s sliff daz ezzen der zeit ze tal und belib ungekocht.ain gedrm n ander grz gedrm gt von dem magen ze tal, daz haizt daz vastend gedirm, dar umb, daz ez alle zeit wan ist von den gerben des ezzens, wan ez nimpt allein die klren fuhten von dem magen, aber die gerben gnt irn weg zuo der mistporten.in dem vastendem gedirm sint fnf dern gestecket, die haizent die prmleichen dern, dar umb, daz si mit allen andern dern mitleident.die selben dern streckent sich unz an die lebern und ziehent die klren fuhten unz an die lebern von dem vorgenanten gedirm, und s kocht diu leber denn die fuhten und sendet daz wazzer ab zuo den niern und von den niern in die plsen, und diu leber behelt daz bezzer und kocht ez zuo pluot und gibt d von allen andern glidern narung, und daz lautrer tail des bluots wirt gesant dem herzen und der lebern in ainer dern, die sich streckt von der lebern an daz herz, d wirt dann zwaierlai auz dem lautern pluot: daz ain ist ntrleich hitz, daz ander lebleicher gaist.daz scholt d verstn als.der gaist und diu sl sint underschaiden, wan diu sl ist ain selpwesigeu form, der werk lebentigue werk sint, und d von ain iegleich dinch d mit geformt frmleich sein leven ht.als lrt uns Aristotiles in dem andern puoch von der sl.verstst d des [105] niht, gib dir die schult, daz d in den dingen niht geebt pist.wan wer daz deutsch zuo der latein mizzet gnzleich und reht, s beleib ich n strf.aber als wir ez hie nemen, s ist der gaist ain ntrleich luftig dunst, dar an daz leben stt, und der gaist haizt in dem herzen lebleich, in der lebern ntrleich, in dem hirn tierleich.ich verstn daz als.der gaist haizt in der lebern ntrleich, wan als vor gesprochen ist, diu leber geit der ganzen ntr aller glider ir narung; und in dem herzen haizt der gaist lebleich, wan daz herz ist ain schatzldlein und ain anvanch des lebens; in dem hirn haizt der gaist tierlich dar umb, daz ains iesleichen tiers sinn in dem haupt sint, und daz der gaist ain wgenlein ist, dar auf diu ebenpild anderr ding varnt von ainem sinn und von ainr sle kraft hintz der andern.der gaist ist ain pant, d mit leib und sl zesamen sint gepunden.

39.

VAN DE MAAG.

 

De maag is de eerste haven waarin dat eten gekookt wordt in de mensen. De maag neemt dat ruwe eten van de slokdarm en kookt het in zichzelf, hoe dat is dat het wat veel geschikt wordt in de mond en in de slokdarm. De maag heeft inwendig veel huidvezels recht zoals kleine blaadjes aan een boekje, daarom dat van dezelfde huidjes hitte dat eten des te beter gekookt wordt en ook daarom dat het eten des te langer in de maag blijft; want was de mag recht en glad zo slipt dat eten eer de tijd naar het dal en blijft ongekookt. Een darm zonder andere grote darm gaat van de maag naar het dal en dat heet de vaste darm, daarom dat het altijd leeg is van de afscheiding van het eten, want het neemt alleen die heldere vochten van de maag, maar die afscheidingen gaan hun weg tot de mestpoorten. In de vaste darm zijn vijf aderen gestoken die heten de barmhartige aderen, daarom dat ze met alle andere aderen mee lijden. Diezelfde aderen strekken zich tot aan de lever en trekken de heldere vochten tot aan die lever van de voor genoemde darm en zo kookt de lever dan die vochten en zendt dat water af naar de nieren en van de nieren in de blaas en de lever behoudt dat betere en kookt het tot bloed en geeft daarvan allen andere leden voeding en dat zuivere van het bloed wordt gezonden naar het hart en de lever in een ader die zich strekt van de lever aan dat hart, daar worden dan twee soorten uit het t zuivere bloed: de ene is een natuurlijke hitte, de ander levende geest. Dat zal u alzo verstaan, de geest en de ziel zijn onderscheiden, want de ziel is een zelfstandige vorm diens werk levend werken zijn waarvan elk ding daarmee gevormd vormelijk zijn leven heeft. Alzo leert ons Aristoteles in het andere boek van de ziel. Verstaat u dat [105] niet, geef je de schuld dat u in die dingen niet geoefend bent. Wan wie dat Duits in het Latijn mengt gans en recht dan blijf ik zonder straf. Maar zoals we het hier nemen zo is de geest een natuurlijke luchtige damp waaraan dat leven staat en de geest heet in de hart levend en in de lever natuurlijk en in de hersens dierlijk. Ik versta dat alzo, de geest heet in de lever natuurlijk want, zoals voor gesproken is, de lever geeft de ganse natuur alle leden hun voeding; en in het hart heet de geest levend want dat hart is een schatkamer en een aanvang van het leven; in de hersens heet de geest dierlijk, daarom dat elk dier zintuigen in het hoofd zijn en dat de geest een wagentje is waarop het evenbeeld en andere dingen varen van het ene zintuig en van de ene ziel kracht achter de andere. De geest is een band waarmee lijf en ziel tezamen zijn gebonden.

 

40.

VON DEM NABELN.

 

Der nabel ist ain mitel oder nhent pei der mitel menschleichs leibs.mit dem nabeln ist daz kindel an gepunden in der muoter leib und nimt sein narung mit dem nabeln in der muoter leib und diu narung ist pluot und dar umb ist der mntleich fluz verslozzen an den swangern frawen, es zei dann daz kint tt oder diu fraw hab gar vil brigs pluots.der hn ich ain gesehen, diu mit lebentigem kind ir gewonhait het.iedoch lebten iriu kint niht lang nch der gepurt.ez sprechent etleich, daz ain der g von der kindenpfherin unz an des kindleins nabel, und mit der dern oder mit dem pand zeuht daz kint in sich daz pluot von der muoter lebern, und von dem selben pluot nert sich daz kint in der muoter und nimpt kain speise mit dem mund.noch ain grzer wunder ist, daz daz kint niht tempt in der muoter leib und doch, wenn ez geporn wirt, s mag ez ain klain zeit un [106] getempt niht beleiben noch geleben.daz sint diu wunder gots.seit nun daz kint nimt sein narung, daz pluot, von der muoter lebern, dar umb bedarf ez niht auzgeng seiner gerben, wan ez der niht ht.als spricht unser puoch.aber ander maister sprechent, daz sich daz kint frb und sauber von wzzriger berflzzichait in ainem gnglein, daz ht diu ntr gemacht zwischen dem plglein, d mit si daz kint umbhllet in der muoter leib.

40.

VAN DE NAVEL.

 

De navel is een midden of dichtbij het middel van het menselijk lijf. Met de navel is dat kindje gebonden aan het moeder lijf en neemt zijn voeding met die navel in het moeders lijf en de voeding is bloed en daarom is de maandelijkse vloed gesloten aan de zwangere vrouwen, het is dan dat kind dood of de vrouw heeft erg veel overig bloed. Die heb ik een gezien die met levend kind haar gewoonheid had. Toch leefde haar kind niet lang na de geboorte. Er spreken ettelijke dat een ader gaat van de kindvanger tot aan het kindjes navel en met de aderen of met de band trekt dat kind in zich dat bloed van de moeders lever en van datzelfde bloed voedt zich dat kind in de moeder en neemt geen spijs met de mond. Noch een groter wonder is dat het kind niet ademt in het moeder lijf en toch wanneer het geboren wordt zo mag het een kleine tijd zonder [106] adem niet blijven noch leven. Dat zijn de wonderen van God. Omdat nu dat kind neemt zijn voeding, dat bloed, van de moeder lever daarom behoeft het geen uitgang van zijn afscheiding omdat het dat niet heeft. Alzo spreekt ons boek. Maar andere meesters spreken dat zich dat kind reinigt en zuivert van waterige overvloedigheid in een gangetje dat heeft de natuur gemaakt tussen het balgje waarmee ze dat kind omhult in het moeder lijf.

 

41.

VON DER PLASEN.

 

Diu plse oder diu plter ist ain vaz des harmprunnens und ist gesetzt zwischen der hff und dem aftern, und ist diu plse gesament auz zwain rcken oder auz zwain huten. Rasis spricht, daz auf der plsen mund sein zwai muslein, diu sich ze samen ziehen und wern, daz der prunn iht unwillicleich auz der plter g.der prunn vleuzt von den niern durch zwn hls oder durch zwo dern, und d die dern die plsen begreifent, d durchgnt si den obern rok der plsen und dar nch gnt si s lang zwischen den zwain rcken der plsen, unz daz si koment zuo der plsen hals.d durchgnt si dann den andern rok und koment in daz hol tail der plsen.als tragent si daz wazzer in die plsen.allez gefgel mangelt der plsen, wan si prunnent niht, dar umb, daz ir fuhten sich verkrt in der vedern ntr.aber ain iegsleich tier vierfzig ht ain plsen.

41.

VAN DE BLAAS.

 

De blaas of de blaar is een vat van de urine bron en is gezet tussen het hoef en het achterste en is de blaas verzameld uit twee rokken of uit twee huiden. Rasis spreekt dat op de blaasmond zijn twee gewrichtsmuizen de zich tezamen trekken en weren dat de bron niet onwillig uit de blaas gaat. De bron vloeit van de nieren door twee halzen of door twee aderen en waar die aderen de blaas grijpen daar doorgaan ze de bovenste rok van de blaas en daarna gaan ze zo lang tussen die twee rokken van de blaas totdat ze komen tot de blaashals. Daar gaan ze dan door de andere rok en komen in dat holle deel van de blaas. Alzo dragen ze dat water in de blaas. Alle vogels ontbreekt de blaas want ze drinken niet, daarom dat hun vochten zich veranderen in de veren natuur. Maar elk dier viervoetig heeft een blaas.

 

42.

VON DEN NIERN.

 

Die niern sint pei der lebern gesetzet, und der reht nier ist hher gesetzt wan der denke; ez ist aber der denke vaizter denn der reht.der niern ietweder ht zwn hls oder zwuo dern.der hls ainen streckt der nier [107] auf in der seiten, d er inne ligt, unz an die grzen dern, diu d ist an dem auzwendigen tail der lebern, und den andern hals streckt er ze tal unz an die plsen, als vor gesait ist von der plsen. Aristotiles spricht, daz des menschen niern geleich sein den niern ains rindes.der unkusch sidel ist den mannen in den niern sam den frawen in dem nabeln. Nu wil ich fr paz niht mr sagen von den glidern, wan guot siten und zuht mahten ez niht geleiden in gemainer sprch, daz si doch wol leident in seltsamer sprch.

42.

VAN DE NIEREN.

 

De nieren zijn bij de lever gezet en de rechter nier is hoger gezet dan de linker; het is echter de linker vetter dan de rechter. De nieren ongeveer hebben twee halzen of twee aderen. De hals van de ene strekt de nier [107] op in die zijde daar het in ligt tot aan die grote ader die daar is aan het uitwendige deel van de lever, de andere hals strekt er te dal tot aan de blaas zoals voor gezegd is van de blaas. Aristoteles spreekt dat de mensen nieren gelijk zijn met de nieren van een rund. De onkuisheid zetel is de mannen in de nieren zoals bij de vrouwen in de navel. Nu wil ik voor beter niet meer zeggen van de leden want goede zeden en omstandigheid mogen het niet lijden in algemene spraak wat ze toch wol lijden in zeldzame spraak.

 

43.

VON DEN ADERN.

 

Nun schll wir sagen von den dern, als daz puoch sagt, wie daz sei, daz der rzt pecher anders d von reden; wan hie ist ain krieg zwischen den rzten und den maistern von der ntr, und daz man daz dester paz verst daz unser puoch sagt, s schol man wizzen, daz dreierlai dern sint in den menschen.die rsten sint runstdern, d daz pluot inne rint und fleuzt von dem herzen oder von der lebern in alliu andriu glider, und daz sint rrn nuer van ainem rock und haizent ze latein vene.die andern dern sint gaistdern und haizent ze latijn arterie, daz ist als vil gesprochen sam eng weg, und in den vliezent die ntrleichen gaist und die lebleichen gaist, und sint von zwain rcken und sint auch klainer dann die runstdern.wie auch daz sei, daz in den zwairlai dern pluot vlieze etswie vil und auch gaist, doch nenne ich si ze deutsch nch der mrung.ez sprichet auch Rasis, daz die runstdern irn ursprinch haben von dem auzwendigen tail der lebern, und daz die gaistdern alle entspringen von dem lenken tail des herzen.die dritten dern sint pantdern und haizent ze latein nervi.mit den pint diu ntr diu herten pain in den glidern zesamen.nun spricht unser puoch als. [108] die runstdern sint die, d durch daz pluot vleuzt von dem herzen in alliu glider, wan Aristotiles wil, daz si ursprinch haben von dem herzen, wann s der mensche sich frht, s lauft daz pluot zuo dem herzen sam zuo seint enthaltung, und s des menschen vel beraubet wirt des pluotes, s rimpft ez sich und gt im daz hr ze perg und wirt der mensch plaich.die runstdern gleichent den gaistdern an etleichen dingen, sam Galinus spricht.iedoch slahent die runstdern niht sam die gaistdern, dar umb haizent si auch die gerewigen dern.der runstdern sint zwuo frstinne, daz sint die zwuo, die in dem herzen entspringent, sam Aristotiles spricht, oder in der lebern, als Galinus spricht und die andern rzt, und ist der zwair dern ainiu grzer, diu ander klainer.ietwedriu der runstdern ist ain wurzel vil anderr runstdern, wan, sam Plinius spricht, die zwuo dern estent sich ber all den leib und fuhtent in mit lebleichem pluot ber al.si sendent ir este zuo dem hirn und von dem hirn estent si sich zuo den rn und auch zuo den augen, zuo der nasen und zuo dem munde.als estent si sich auch onder sich. Galinus spricht, daz zuo aim iegleichen geampten glid, daz ain ampt ht, sich estent zwuo slahend der, der slahen man enpfint auzwendig auf etleichen glidern sam auf den armen, pei den henden und auf dem slf pei den rn.daz slahen der dern bezaichent uns des herzen krankhait und sein sterken, auch des leibes hitz und sein kelten.aber ander der, die niht slahend sint, tragent daz pluot in diu glider, daz diu glider d von fuht werdent.daz geschiht der ntr zuo ainer hilf und dem leib zuo ainer narung, und sint die este der dern klain dar umb, daz daz pluot von seiner klainhait dester sneller werde verkrt in der glider ntr, und auch dar umb, daz sich daz pluot dester paz dar inn enthalt und niht leiht auzfliez. Ez gnt auch dern durch die rrloten mitten der prust unz in des hauptes spitzen, und von der spitzen gnt wider ab durch [109] die arm drei fuht dern mit pluot, diu ain von dem haupt und diu haizet diu hauptder und ze latein cephalica; diu ander von der leber, deu haizt ze latein epatica.aber als daz puoch spricht haizet si basilica, daz ist gesprochen diu gruntder, dar umb, daz diu leber ain grunt ist und ain ursprinch des pluotes; diu dritt der gt von dem herzen und ist ze mitelst zwischen den zwain in dem arm.dar umb haizt si ze latein mediana, daz spricht diu mitlerinne.von den vodersten dern des herzen estent sich ander dern ze tal zuo den niern, von den niern zuo dem manstab, dar umb, daz des herzen lust gesant werd zuo den zwain steten und d gemrt werd und mit werken volprht.d scholt auch wizzen, daz all dern gemainschaft habent mit den dern, die sich sament in dem manstab, und der dern sint vil und gar manig, die sich d sament.von den steten des obersten tails des herzen gnt auch dern ze tal in diu pain und in die fez, dar umb, daz die feze gemaistert werden von dem herzen, w hin si gn schllen.

43.

VAN DE ADEREN.

 

Nu zullen we zeggen van de aderen zoals dat boek zegt, hoe dat is dat de artsen boeken anders daar van spreken; want hier is een oorlog tussen de artsen en de meesters van de natuur en dat men dat des te beter verstaat dat ons boek zegt zo zal men weten dat er drie soorten aderen zijn in de mensen. De eerste zijn renaderen daar dat bloed in rent en vloeit van het hart of van de lever in alle andere leden en dat zijn pijpjes maar van een rok en heten in Latijn vene. De andere aderen zijn geestaderen en heten in Latijn arterie, dat betekent zoals enge weg en in die vloeien de natuurlijke geesten en die levende geest en is van twee rokken en die zijn ook kleiner dan de ren aderen. Hoe ook dat is dat in de twee soorten aderen bloed vloeit wat veel en ook geest, toch noemt ik ze in Duits naar de grootte. Er spreekt ook Rasis dat die renaderen hun oorsprong hebben van het uitwendige deel van de lever en dat de geestaderen alle ontspringen van het linker deel van het hart. De derde aderen zijn bandaderen en heten in Latijn nervi. Met die bindt de natuur de harde benen in de leden tezamen. Nu spreekt ons boek alzo, [108] de renaderen zijn die waardoor dat bloed vloeit van het hart in alle leden, want Aristoteles wil dat ze oorsprong hebben van het hart want zo de mens zich vreest zo loopt dat bloed tot het hart zoals tot zijn ophoud en zo het mensenvel beroofd wordt van het bloed zo krimpt het zich en gaat hem dat haar te bergen en wordt de mens bleek. De renaderen lijken op de geestaderen aan ettelijke dingen, zoals Galenus spreekt. Toch slaan die renaderen niet zoals de geestaderen en daarom heten ze ook de rustige aderen. De renaderen zijn twee vorstinnen, dat zijn die twee die in het hart ontspringen, zoals Aristoteles spreekt, of in de lever, zoals Galenus spreekt en de andere artsen, en is van de twee aderen een grotere en de andere kleiner. Ergens is bij de renaderen een wortel van veel andere renaderen want, zoals Plinius spreekt, die twee aderen breiden zich takvormig uit zich overal het lijf en bevochtigen hem met levend bloed overal. Ze zendt haar takken tot de hersens en van de hersens breiden ze zich takvormig uit tot de oren en ook tot de ogen, tot de neus en tot de mond. Alzo breiden ze zich takvormig uit en trekken ook naar beneden. Galenus spreekt dat tot elk lid met en ambt dat een ambt heeft zich takvormig uitbreiden twee slaande aderen, die slagen bevindt men uitwendig op ettelijke leden zoals op de armen, bij de handen en op de slaap bij de oren. Dat slaan van de aderen betekent ons de hart zwakte en zijn sterkte en ook van de lijf hitte en zijn koude. Maar andere aders die niet slaan dragen dat bloed in de leden zodat de leden daarvan vochtig worden. Dat geschiedt de natuur tot een hulp en het lijf tot een voeding en zijn die takken van de aderen klein, daarom dat het bloed van zijn kleinheid des te sneller wordt veranderd in de leden natuur en ook daarom dat zich dat bloed des te beter daarin ophoudt en niet gemakkelijk uitvloeit. Er gaan ook aderen door die roerpijpjes midden in de borst tot in het hoofd spits en van die spits gaan weer af door [109] de armen drie vochtige aderen met bloed, de ene van het hoofd die heet de hoofdader en in Latijn cephalica; de ander van de lever en die heet in Latijn epatica. Maar zoals dat boek spreekt heet ze basilica, dat is gesproken de grondader, daarom dat de lever een grond is en een oorsprong van het bloed; de derde ader gaat van het hart en is de middelste tussen de twee in de armen. Daarom heet ze in Latijn mediana, dat spreekt de middelste. Van de voorste ader van het hart vertaken zich andere aderen naar het dal tot de nieren en van de nieren tot de manstaf, daarom dat de hart lust gezonden wordt naar de twee plaatsen en daar vermeerderd worden en met werken volbracht. U zal ook weten dat alle aderen gemeenschap hebben met de aderen die zich verzamelen in de manstaf en die aderen zijn veel en erg verschillend die zich daar verzamelen. Van de plaats van het bovenste deel van het hart gaan ook aderen naar het dal in de benen en in de voeten, daarom dat de voeten geregeerd worden van het hart waarheen ze gaan zullen.

 

44.

VON DEN PANTADERN.

 

Die pantdern pindet diu pain zesamen in allen glidern.etleich sprechent, daz si entspringen in dem hirn.in den pantdern ist niht pluotes sam in den runstdern.die pantdern sint van ntr lang und niht dick.die runstdern verainent sich wider, wenn si gezwaiet werdent mit sniten oder mit slegen, aber die pantdern niht.kain pantder ist in des menschen haupt, si sint aber in den henden und in den fezen.ain iegleich tier, daz pluot ht, daz ht pantdern.die pantdern werdent beraubt ze stunden irr zimleichen fuhten: s ziehent si sich zesamen, und daz ziehen martert den menschen jmerleichen.die pantdern sint auch dar zuo ntz, daz si die sinnleichen und die wegenden krft tragent von [110] dem hirn in alliu andriu glider und daz si den ganzen leip sterkent.etleich tier habent der dern niht, sam die visch, die der gaistdern niht habent.d scholt auch wizzen, daz man in den reden von den dern oft ain fr die andern nimt, als daz man die gaistdern nimt fr die pantdern und daz man ze latein nervos arterias haizet.als ht unser puoch ietzo gerett von den pantdern an vil sprchen, wan die rehten pantdern, die Galinus ligamenta haizt, entspringent in den painen und dar umb s enpfindent si als wnich als diu pain, die si zesamen pindent.

44.

VAN DE BANDADEREN.

 

De bandaderen (spieren) binden de benen tezamen in alle leden. Ettelijke spreken dat ze ontspringen in de hersens. In de bandaderen is geen bloed zoals in de renaderen. De bandaderen zijn van natuur lang en niet dik. De renaderen verenigen zich weer wanneer ze gedeeld worden met snijden of met slagen, maar de bandaderen niet. Geen bandader is in het mensen hoofd, ze zijn echter in de handen en in de voeten. Elk dier dat bloed heeft dat heeft bandaderen. De bandaderen worden soms beroofd van hun matige vochten: zo trekken ze zich tezamen en dat trekken martelt de mensen jammerlijk. De bandaderen zijn ook daartoe nuttig dat ze de geestachtige en de bewegende kracht dragen van [110] de hersens in alle andere leden en dat ze het ganse lijf versterken. Ettelijke dieren hebben de aderen niet zoals de vissen die de geestaderen niet hebben. U zal ook weten dat men in de spraak van de aderen vaak de ene voor de andere neemt, alzo dat men de geestaderen neemt voor de bandaderen en dat men ze in Latijn nervos arterias noemt. Alzo heeft ons boek iets gesproken van de bandaderen aan veel spreuken want de echte bandaderen, die Galenus ligamenta noemt, die ontspringen in de benen en daarom zo bevindt het alzo weinig als de benen die ze tezamen bindt.

 

45.

VON DEN ZAICHEN, OB AIN FRAW SWANGER SEI ODER NIHT.

 

Wir haben nu gesait von des menschen glidern, nu schll wir ain tail sagen, wie er in die werlt kom, und von der underschait, diu ist in der muoter leib zwischen dem degenkind und dem diernkind.des rsten scholt d wizzen diu zaichen, d von man waiz, ob ain fraw swanger sei worden.der zaichen setzt Avicenna vil.daz rst zaichen ist diu zuost paider smen weibes und mannes; aber daz dunket mich ain ungewiss zaichen, wan daz oft geschiht, daz doch diu frawe niht zwanger wirt.daz ander zaichen ist, daz diu wnschelruot oben trucken ist an dem haupt und daz si die muoter vast seugt.daz dritte zaichen ist daz vest besliezen des mundes an der muoter, wan der munt wirt s vast beslozzen, daz ain ndelspitz niht dar ein mchte.daz vierd ist, daz sich diu muoter ber sich hebt und fr sich in der frawen leib.daz fnft ist, daz diu frawe den mntleichen fluz niht ht dar nch und si swanger wirt.geschiht aber der fluz, daz ist gar selten.daz sehst, daz diu fraw ainen klainen smerzen zwischen dem nabeln und dem pschlein ht.daz sibend ist, daz diu frawe irn prunnen ze stunden niht wol gehaben mag; doch ist daz niht [111] allen frawen.daz aht ist an etleichen frawen dar nch und si swanger werdent, daz si der manne geselschaft hazzent oder ir haimlichait fliehent.daz wn ich, daz daz wr sei an den selben frawen in der rsten new irs zuovhens.daz neund zaichen ist, daz diu fraw trg wirt und swr an irm leib.daz zehend ist, daz ir ain klain wllet.daz ainleft ist, daz etleich frawen kppelnt und daz kppeln ezzicht in der keln.daz zwelft ist, daz der frawen diu haut kruzelt und daz ir swindelt in dem haupt.daz dreizehend zaichen ist, daz etleicher frawen diu augen vinster werdent und tief.daz vierzehend ist, daz diu frawe nch ainem mnt oder nch zwain ps gelust ht.daz fnfzehend ist, daz daz weiz in den augen plaichet und gelbet. Daz sint diu zaichen, die Avicenna setzt.

45.

VAN DE TEKENS OF EEN VROUW ZWANGER IS OF NIET.

 

We hebben nu gezegd van de mensen leden en nu zullen we een deel zeggen hoe hij in de wereld komt en van het onderscheidt die er is in het moeder lijf tussen het jongentje en het meisje. Als eerste zal u weten het teken waarvan men weet of een vrouw zwanger is geworden. Dat teken zet Avicenna veel. Dat eerste teken is de samen zetting van beide zaden, wijven en mannen; maar dat lijkt me een onzeker teken want dat het vaak geschiedt dat toch de vrouw niet zwanger wordt. Dat andere teken is dat de wensroede boven droog is aan het hoofd en dat ze de baarmoeder erg zuigt. Dat derde teken is dat vast besluiten van de mond aan de baarmoeder, want de mond wordt zo vast besloten dat een naaldspits niet daarin mag. De vierde is dat de baarmoeder zich omhoog heft voor zich in het vrouwen lijf. De vijfde is dat de vrouw de maandelijkse vloed niet heeft daarna en ze zwanger wordt. Geschiedt echter de vloed, dat is erg zelden. De zesde dat de vrouw een kleine pijn tussen de navel en de borst heeft. De zevende is dat de vrouw haar bronnen in stonden niet goed hebben mag; toch is dat niet [111] alle vrouwen. De achtste is aan ettelijke vrouwen daarna en dat ze zwanger worden dat ze het mannen gezelschap haten of hun heimelijkheid vlieden. Dat waan ik dat dit waar is aan dezelfde vrouwen in het begin van hun ontvangen. Het negende teken is dat de vrouw traag wordt en zwaar aan hun lijf. De tiende is dat ze wat woelen. De elfde is dat ettelijke vrouwen koppelen en dat koppelen ziet men in de keel. De twaalfde is dat de vrouwen de huid kroest en dat het ze duizelt in het hoofd. Dat dertiende teken is dat ettelijke vrouwen de ogen duister worden en diep. Dat veertiende is dat de vrouw na een maand of na twee boze lust heeft. Dat vijftiende is dat het witte in het oog verbleekt en wordt geel. Dat zijn de tekens die Avicenna zet.

 

46.

VON WELHEN SACHEN AIN FRAW SWANGER WERDE AINS KNBLEINS.

 

Wilt auch d wizzen, von welhen sachen ain fraw swanger werde ains knbleins und welhez diu zaichen sein, ob diu fraw ain knblein trag, s scholt d wizzen, wenn des mannes sm haiz ist und daz sein vil ist, s ht er die kraft und den sig, daz er ain knblein machet.diu ander sach ist, wenn des mannes sm nch den maisten tail kmpt aus dem rehten gezeuglin des mannes und genomen wirt in der muoter rehten seiten; daz ist dar umb daz diu reht seit hitziger ist wan diu lenke, und der sm auz dem rehten gezeuglein ist kreftiger wan der auz den denken.dar umb ist mein rt, daz sich die frawen auf die rehten seiten naigen zehant nch dem werch, ob si gern knblein tragen.ez sprechent auch etleich, sei daz des mannes sm springe auz seim rehten gezeuglein in die rehten seiten der muoter, s werd ain knblein dar auz, als vor gesprochen ist; spring aber der sm auz dem lenken gezeuglein des mannes in die rehten [112] seiten der muoter, s werde dar auz ain mnleich weib oder ain mnninne; spring aber der sm auz dem rehten gezeuglein in die lenken seiten, s werd dar auz an weibisch man; spring aber er auz dem lenken gezeuglein in die lenken seiten der muoter, s werd dar auz ain frwlein oder ain dirnkint.dar zuo hilft auch diu kelten des luftes und diu kelten des landes und der wint, der von dem wagen an dem himel fleugt gegen mittem tag ber, der haizet ze latein aquilo.daz ist dar umb, daz diu kelten die ntrleichen hitz hin ein treibt in den leib und si inwendig sterkt, wan ez muoz daz knblein haizer haben zuo einer machung wan daz dirnlein.

46.

VAN WELKE ZAKEN EEN VROUW ZWANGER WORD VAN EEN KNAAPJE.

 

Wil ook u weten van welke zaken een vrouw zwanger wordt van een knaapje en wat de tekens zijn of de vrouw een knaapje draagt zo zal u weten wanneer het mannenzaad heet is en dat er veel van is zo heeft het de kracht en de zegen dat het een knaapje maakt. De andere zaak is wanneer het mannenzaad naar het meeste deel komt uit de rechter staf van de man en genomen wordt in de baarmoeder aan de rechter zijde; dat is daarom dat de rechter kant heter is dan de linker en het zaad uit de rechter geslacht is krachtiger dan die uit de linker. Daarom is mijn raad dat de vrouwen zich op de rechter zijde neigen gelijk na het werk als ze graag een knaapje dragen. Er spreken ook ettelijke is het dat het mannenzaad springt uit zijn rechter geslacht in de rechter zijde van de baarmoeder zo wordt een knaapje daaruit zoals voor gesproken is; springt echter het zaad uit het linker geslacht van de man in de rechter [112] zijde van de baarmoeder zo wordt daaruit een mannelijk wijf of een mannin; springt echter het zaad uit het rechter geslacht in de linker zijde zo wordt daaruit aan wijfachtige man; springt het echter uit het linker geslacht in de linker zijde van de moeder zo wordt daaruit een vrouwtje of een meisje. Daartoe help ook de koude van de lucht en de koude van het land en de wind die van de wagen die aan de hemel vliegt tegen midden dag over, die heet in Latijn aquilo. Dat is daarom dat de koude de natuurlijke hitte heen drijft in het lijf en ze inwendig sterkt, want knaapje moet het heter hebben tot het maken dan het meisje.

 

47.

VON DEN ZAICHEN, OB AIN FRAW AIN KNBLEIN TRAGE.

 

Wenne nu ain fraw swanger ist worden, wilt d wizzen, ob si ain knblein trag, s merk disiu zaichen.daz rst ist, daz diu fraw paz gevar ist wann s si ain dirnlein tregt.daz ander zaichen ist, daz ir daz reht prstel grzer wirt wan daz lenk.daz dritt zaichen ist, daz daz huptlein an dem prstel rter wirt und auch die dern an dem selben huptlein werdent rter wan zuo dem dirnlein.daz vierd, daz der frawen der leib sinweller ist.daz fnft ist, daz diu frawe sterker und sneller ist wan mit dem dirnlein.daz sechst ist, daz si niht pse lst ht als mit dem dirnlein.daz sibend ist, daz der frawen diu reht seit swrr ist wan diu lenke. Daz aht ist, daz sich daz kindlein wegt in der rehten seiten.daz neund ist, daz sich daz knblein wegt in der muoter leib nch dreien mnden und daz dirnlein nch viern.daz zehend ist, wenn diu frawe von stat gt, s hebt si des rsten den rehten fuoz.daz ainleft ist, wenn si auf stt, s steurt si sich auf die rehten hant.daz zwelft ist, daz sich daz reht aug sanfter und snellicleicher wegt.daz driezehend ist, daz daz derslahen des rehten [113] arms grzer und vollekumener ist.daz vierzehend ist, daz diu frawe mr hazzt daz slfen mit den mannen wenne si ain knblein trgt wann s si ain dirnlein trait.daz verstn ich wr sein an etleichen frawen, niht an allen, und aller maist in der neuw irs zuovhens.daz fnfzehend ist, daz auz dem rehten prstel milich gt wanne auz dem lenken,daz sehzehend ist, daz der frawen milich dick ist und zh, als der si sprengt auf ein glas, s stnt die tropfen dar auf als die arwaiz und fliezent niht.aber s diu frawe mit aim dirnlein gt, s ist ir milich dnn und wzzrig und zerfliezent ir tropfen.von den zaichen allen maht d wol erkennen, ob diu fraw mit ainem knblein g oder mit aim dirnlein.

47.

VAN HET TEKEN OF EEN VROUW EEN KNAAPJE DRAAGT.

 

Wanneer nu een vrouw zwanger is geworden wil u weten of ze een knaapje draagt, zo merk deze tekens. De eerste is dat het vrouw beter gaat dan dat ze een meisje draagt. Dat andere teken is dat haar de rechter borst wat groter wordt dan de linker. Dat derde teken is dat het hoofdje aan de borst roder wordt en ook de aderen aan datzelfde hoofdje worden roder dan bij een meisje. De vierde dat de vrouwen hun lijf ronder is. De vijfde is dat de vrouw sterker en sneller is dan met een meisje. De zesde is dat ze geen boze lusten heeft zoals met een meisje. De zevende is dat bij de vrouwen de rechter zijde zwaarder is dan de linker. De achtste is dat zich dat kindje beweegt in de rechter zijde. De negende is dat zich dat knaapje beweegt in het moeder lijf na drie maanden en dat meisje na vier. De tiende is wanneer de vrouw van plaats gaat zo heft ze als eerste de rechter voet. De elfde is wanneer ze opstaat zo steunt ze zich op de rechter hand. De twaalfde is dat zich dat rechter oog zachter en sneller beweegt. Dat dertiende is dat het ader slaan van de rechter [113] arm groter en meer volkomen is. De veertiende is dat de vrouw meer haat dat slapen met de mannen wanneer ze een knaapje draagt dan zo ze een meisje draagt. Dat versta ik waar te zijn aan ettelijke vrouwen en niet aan allen en allermeest in het begin van haar ontvangen. De vijftiende is dat uit de rechter borst eerder melk gaat dan uit de linker. Dat zestiende is dat de vrouwen melk dik is en taai, alzo dat ze sprengt op een glas zo staan de druppels daarop zoals de erwten en vloeien niet, echter zo de vrouw met een meisje gaat zo is haar melk dun en waterig en vloeit uit tot druppels. Van de tekens allen mag u goed herkennen of de vrouw met een knaapje gaat of met een meisje.

 

48.

WIE DIU GEPURT AN DIE WERLT KOME.

 

S nun diu fruht zeitig ist in der muoter leib, s entsliezent sich die dern und diu pant, diu vor die fruht hielten, reht ze geleicher weis als diu derlein an den frhten auf den pumen, und s naigt sich danne diu fruht in der muoter leib ze tal gegen der porten in die werlt, sam Aristotiles spricht, mit offem mund und daz kindlein besleuzt den offenen munt mit seim handlein, daz ist sein rstez menschleichez werch.ez gt auch daz kindel in die werlt des rsten mit dem haupt.aber ez gt wider auz der werlt des rsten mit den fezen, wan man krt im die fez fr, s man ez ze grab tregt.ist auch, daz daz kint zuo der porten niht kmpt des rsten mit dem haupt, s kmpt ez gar swrleichen in die werlt und mit der muoter grzem leiden, als daz diu muoter oft stirbt an dem kindlein.daz geschiht dar umb, daz sich diu fraw niht auf gerihtes helt in den gepern.man hrt auch des kindes kain stimm, daz ez ganz her fr km auz der muoter leib.ez geschiht auch oft, daz die frawen der kindlein genesent der zeit; daz [114] geschiht von mangerlai sachen, von derschrecken, von slegen, daz man die swangern frawen vast sleht, und von grzen sprngen, die die frawen tuont, von swren schtteln, von reiten oder von varn, wan von den sachen allen prechent diu pant der zeit, d mit daz kint gepunden ist in der muoter leib, reht sam der ain pirn der zeit wirft mit ainem stain ab dem paum.ez sprechent auch etleich, daz der frawen daz kindlein ab g von dem gestanch ainr erleschten kerzen.daz verstn ich gar von zarten frawen, die gar clrer ntr sint.man spricht auch, ob diu frawe irn tem halt in der gepurt, daz si dester leihticleicher geper.

48.

HOE DE GEBOORTE TER WERELD KOMT.

 

Zo nu de vrucht rijp is in het moeder lijf zo ontsluiten zich de aderen en de band die daarvoor de vrucht hielden recht in gelijke wijze zoals de adertjes aan de vruchten op de bomen en zo nijgt zich dan de vrucht in het moeder lijf naar het dal tegen de poort in de wereld, zoals Aristoteles spreekt, met open mond en dat kindje sluit die open mond met zijn handje, dat is zijn eerste menselijke werk. Er gaat ook dat kindje in de wereld het eerste met het hoofd. Echter het gaat weer uit de wereld het eerste met de voeten, want men keert hem de voeten naar voren zo men hem te graf draagt. Is ook dat dit kind tot de poort niet komt het eerste met het hoofd dan komt het erg zwaar in de wereld en moet de moeder erg lijden, alzo dat de moeder vaak sterft aan dat kindje. Dat geschiedt daarom dat de vrouw zich niet op gericht hield in de geboorte. Men hoort ook van het kindje geen stem eer dat het gans voort komt uit het moeder lijf. Het geschiedt ook vaak dat de vrouwen van de kindjes genezen voor de tijd; dat [114] geschiedt van menigvuldige zaken, van schrikken, van slaan, dat men de zwangere vrouwen erg slaat en van grote sprongen die de vrouwen doen, van zwaar schudden, van rijden of van varen, want van die zaken allen breken de band voor de tijd waarmee dat kind gebonden is in het moeder lijf recht zoals men de ene peer voor de tijd afwerpt met een steen van de boom. Er spreken ook ettelijke dat de vrouwen de kindjes afgaat van de stank van een gebluste kaars. Dat versta ik geheel van zachte vrouwen die erg heldere natuur zijn. Men spreekt ook als de vrouw haar adem inhoudt in de geboorte dat ze des te lichter baart.

 

49.

VON DEN ZAICHEN DER NATRLEICHEN SITEN.

a. Und des ersten von dem har.

 

Seind wir nu haben gesait von des menschen leibs glidern, s schll wir nu sagen, wie des menschen gestalt und seiner glider schickung uns bezaichent sein ntrleich siten, und die lr wil ich setzen als si Rasis ht gesetzt in seiner rznei.in diser lr solt d des rsten merken, wilt d gewisleichen prefen, was neigung und waz siten der mensch von seiner aigenr ntr hab, s scholt d niht an in zaichen sehen, d solt der zaichen samnen s d maist maht und vindest d si widerwrtig gegen ainander, s volg dem sterkern und den, die mr kreft habent.d solt auch wizzen, daz daz maist prefen und daz gewist ist an den augen und an den ganzen antltz; dar nch vil an den henden.

Nun schll wir anheben an dem hr auf dem haupt und an andern stcken des leibs, slehtez hr und lindez bedut ainen vorchtigen menschen.des nem wir ain geleichnss an dem hasen und an dem hirzen.aber kraus hr bedut kuonheit.vil hrs an dem pauch daz bedut ainen unkuschen menschen.ist aber vil hrs auf den [115] rippen, daz bedut kuonhait, und vil hrs auf den schultern und auf den hals bedut klainmetichait und widerstreben oder widerspenichait, als daz den menschen niemd leiht bekrt von seinem frsatz.vil hrs an dem pauch und an der prust bedut klain weishait.aufragendez hr sam die sweinporsten auf dem haupt oder ber al den leib bedut vorht.

 

b. Von der varb.

Rtiu varb oder rtlotiu bedut vil hitz und vil pluots, aber mitelvarb zwischen rt und weiz bedut ain geleich ntr, deu niht ze vil noch ze wnig ht hitz noch pluots, ist daz diu haut niht rauch ist mit hr.welhes menschen varb ist feurein als ain flamme, der ist unstt und tbig.aber welher mensch rt ist und clr, der ist schamich.welhes menschen varb gren ist oder zwarz, der ist pser site.

 

c. Von den augen.

Welher mensch grz augen ht, der ist trg, und welher mensch tief augen ht vast hin ein gesetzt in daz haupt, der ist kndig oder hinderlistig und ain betrieger.welhes augen her fr pauzent auz dem haupt, der ist unschmich und kleppenisch und ain tr.aber wenne diu augen nch der lengen gesetzt sint, s ist der mensch hinderlistich und ain betrieger.welhes augen vil swerzen habent, der ist vrhtig, und welher gaizaugen ht nch der varb, der ist ain tr.welhes augen snell varend sint und scharpfsihtig, der ist ain betrieger, ain hinderlister und ain diep.welhes augen s gar still stnde sint als die stain, der ist listig, und welhes anplick geleicht ains weibs anplick, der ist unkusch und unschmig.ist aber sein anplick kintleich und ist allez sein antltz und seineu augen sam si lachen oder lcherleich gestalt, s ist der mensch frleich und ist von ntr ains langen lebens.welhes menschen augen grz sint und [116] zittrend und manigvirbig, der ist trg und ht die frawen liep.aber welhes augen klain sint und bidmend und manigvirbig, der ist gar zornik und ht auch die frawen liep.welhes augen an der rten dem feur geleichent, daz ist ain gruntpsez mensch und gar widerprechig oder ungevlgig.ist des selben auapfel swarz, daz bedut ainen trgen und ainen stumpfen menschen.manigvirbig augen, deu ain gelb varb habent zou geselt sam ob si mit safrn geverbt sein, bedutent durchpse siten.vil fleken pei den augapfeln bedutent psen menschen, und sint sein augen d mit manigverbig, s ist er dester pser.sint diu augen klain und her fr pauzend auz dem haupt, sam ains krebs augen, diu bezaichent trhait und nrrischait und ainen menschen, der seinen flaischeleichen gelsten nch volget.klaineu ugel vil hin und her varend, der augenprwe sich oft auf und zuo tuont, bedutent ainen gruntpsen menschen.welhes menschen augpfel in irs endes umbganch habent ainen geleichen umbkraiz, die bedutent ainen hzzigen menschen, ainen claffer, ainen vorchtigen und durchpsen menschen.welhes augen rindesaugen geleichent, die bezaichent krankmetichait.s der augapfel swarz ist und ain gelb varb ht sam ob er bergoldet sei, der bedut ainen psen menschen, ainen morder, der menschleich pluot gern vergeuzt.ber sich aufkapfend augen als der ochsen augen und diu auch rt sint und gar grz, diu bezaichent ainen gar psen menschen, ainen trn, ainen narren, ainen trunkenpolt,diu pesten augen sint die zwischen zwarz und manigvirbig ain mitel habent und die niht gar scheinplitzent sint und daz kain rten noch kain gelb varn in in scheint: diu augen bedutent ain guot ntr.manigvirbig augen mit ainer gelben varb scheinplitzend oder der varb gren sint als ains stains varb bedutent ainen psen menschen, und die lut, die dar zuo fleckot in den augen, die sint die psten under allen menschen und die grsten betrieger. [117]wer sein augpfel her fr pauzend ht mit der ganzen grzen der augen, der ist klainmetig.wem diu augen tief sint und klain, der ist listig, ain betrieger und ain hzziger mensch.wem daz hr der berprw her nider gekrmt ist oder an ain stat getwungen von ntr, der ist ain lieger, ain listiger und ain tr.wer gar sr zitternd augen ht, der ist ps.wer klain augen ht, der ist ps und ain tr.sint aber diu augen grz, s ist der mensch niht s ps, aber er ist ain grzer tr wan der mit den klainen augen.wer manigvirbig augen ht oder gren augen, der ist ps und ain diep.welhes menschen augenprw sich gar oft auf und zuo tuont, der ist vorhtig und ain tbig mensch.

 

d. Von den berprawen.

Welhes menschen berprwe vil hrs habent und rauch sint, der ht vil gednk und tief trahten und vil traurichait und ist sein sprch unrain und grob, wer lange berprwe ht, der ist hchvertig und unschmig.wes berprwe sich ze tal naigent gegen der nasen und sich oben aufrihtent gegen dem slf, der ist unschmig und ains stumpfen sinnes.

 

e. Von den naslchern.

Wer spitzig dnneu naslcher ht, der ist ain krieger und kriegt gern.wer grzeu naslcher ht und weiteu, der ht klain weishait.wer an der nasen langeu naslcher ht und dnneu, der ist gch und ain tr und leiht.wer praiteu naslcher ht, der ist unkusch.wem die naslcher sr offen sint, der ist zornig von ntr.

 

f. Von der stirn.

Welhes stirn sleht ist und niht gerunzelt, der ist kriegik und macht gern krieg.welhes menschen stirn sich gesammnet ht auf ir mitel, der ist zornich.wer ain klain stirn ht, der ist ain tr, und wer ain grz stirn ht, der [118] ist gar trg.wer ain gar gerunzelt stirn ht, der ist unschmig.

 

 

g. Von dem munde.

Wer ainen grzen munt ht, der ist ain vrz und ist ken.wes lefsen grz sint, der ist ain tr und stumpfes sinnes.wes lefsen niht wol geverwt sint, der ist hchvertig.wes zend krank sint, dnn und klain, des ganzer leib ist krank.wes zend hndisch zend sint, lang und stark, der ist ain vrz und ps.

 

h. Von des menschen antltz.

Welhes menschen antltz geleicht aines trunken menschen antltz, der ist ain trunkenpolt von ntr.aber welher menschen antltz geleicht aines zornigen menschen antltz, der ist von ntr zornig, und wenn des menschen antltz geleicht ains schmigen antltz, der ist von ntr schmig.welhes antltz vol flaischs ist, der ist trg und ain tr.welhes wangen grobez flaisch habent, der ist ainr groben ntr.wer ain behendez antltz ht, daz ist ain antltz niht zerplsen und niht mit grobem flaisch, der ht vil gednk.wer gar ain sinwel antltz ht, der ist ain tr, wer gar ain grz antltz ht, der ist trg.wer gar ain klainz antltz ht, der ist pslistig und ain smaicher.wes antltz niht wol geschicket ist noch wol geformet, der mag niht guoter siten gehaben, ez sei danne gar selten.wes antltz lanch ist, der ist schmich, und wer diezend oder zeblt slf ht pei den rn und grz dern, der ist zornich von ntr.

 

i. Von den orn.

Wes rn grz sint, der ist ain tr und langes lebens.

 

k. Von der stimm.

Wer ain grzeu stimme ht, der ist ken.wes red eilt und snell ist, der ist in seinen werken snell und eilend [119] und ist zornich und pser siten.wes tem lang ist, der ist ps.wer ain swr stimm ht, der ist ain diener seins aigenen pauchs.wer ain scharpf stimm ht, der ist hzzig und tregt ainen widerdriez lang in seinem herzen haimleichen.ain schneu stimm bedut trhait und kleine weishait.

 

l. Von dem flaisch.

Welher mensch vil flaisch ht und daz selb hert ist, daz bedut groben sin und hert vernunft.aber welhes menschen flaisch lind ist, daz bedut ain guot ntr und ainen guoten sin und aine guot verstntnss.

 

m. Von dem lachen.

Wer vil lachet der ist snftmetig und wolkumend allen luten und sorgt niht vil umb kainerlai dinch.aber wer wnig lacht, der ist hertmetig und misvelt im allez, daz ander leut tuont.wer mit lauter stimme lacht, der ist unschmig.wer huost wenne er lacht oder swrleichen temt, der ist unschmig und ain wetreich.

 

n. Von der wegung.

Wer swr wegung ht, daz bedut ain stumpfhait und ain trghait an dem menschen.aber snell wegung bedut ain leihtichait an dem menschen.

 

o. Von dem hals.

Wer ainen kurzen hals ht, der ist listig und sinnreich.aber der ainen langen hals ht, der ist ain tr, klppisch und vorchtig.wer aber ainen vaizten hals ht, herten und starken, der ist zornich und gch.

 

 

Von der prust.

Wer ain stark prust unden ht und auch dar an vil flaisches, der ist ain tr.wer ainen behenden leip ht, daz bedut vil kndichait.wer ainen grzen pauch ht,[120] daz bedut brigen glust des leibs.wer auf dem leib umb die prust klain ist und behend, daz bedut des herzen kranchait.

 

q. Von den rippen.

Wer weiteu ripp ht, daz bedut sterken und hhvart und vil zorns.wer aber krummeu ripp ht, daz bedut ps siten, und wer geleicheu ripp ht, daz ist ain guot zaichen, wer klaineu ripp ht, daz bedut ain klainichait des sinnes.wer aber weiteu oder braiteu ripp ht, daz bedut guoten sin.

 

r. Von den ahselen.

Wer ber sich auferhebt ahseln ht gegen dem haupt, daz bedut trhait.

 

s. Von den armen.

Wem die arm s lank sint, daz er stnd mit den henden auf diu knie geraichen mag, daz bedut edeln sin und hchvart und ain grz begir ze reichsen ber andreu lut.wem aber die arm krump sint, daz bedut ainen vorchtigen und ainen psen menschen.

 

 

t. Von den henden.

Lind hend und behent bedutent vil weishait und guot vernunft.gar kurz hend bedutent trhait.klain hend und gar lang bedutent ainen wetereich und ainen trn.

 

u. Von den fezen.

An welhen fezen vil flaisches ist und daz flaisch gar hert ist, daz bedut ain ps vernunft an dem menschen.kurz und leutslig fez bedutent ainen unkuschen menschen und einen frlichen.wem diu verse klain ist, daz bedut ainen vorhtigen menschen.wenne aber si grz sint und stark, daz bedut ain kenhait und vestikait an dem menschen.wem die fez unden ze paiden seiten und diu pain grz sint, daz bedut ainen stumpfen menschen und unschmigen.wem die lend vol flaischs auzwendig sint, daz bedut der sterken gesunthait und ir genuhtsam.wem der dieher pain her fr pauzelnt, daz bedeut kenhait.wem aber der afterpell pain her fr raichent, daz bedut vil sterk und manhait.wem der afterpell pain klain sint, daz bedut ainen liebhaber der frawen und des leibs krankhait und vorht.

 

v. Von de schritte.

Wes schritt grz sint und trg, der ist trg, aber wes schritt snell sint und kurz, der ist gch und umb alliu dinch gar sorgsam, diu er doch niht auzrihten kan.

 

w. Welher ken sei.

Der ist ain ken man, der starkez hr ht und hertez und ainen aufgerihten leib und starkiu pain und wem die hend und die fez und diu prust unden und diu samnung der glider starch sint und dem diu prust und der pauch und die ahseln starch sint und der hals starch und grz und niht vil flaischs an ist.als ist auch der mensch ken, der ain behend prust ht mit weiter behendikait und dem die lend klain sint und daz flaisch, daz an den waden ist seiner pain, sich ze tal senket und wem diu haut und sein flaisch etswie vil trucken sint und dem die dern scheinent an der stirn und diu stirn niht gerunzelt ist und dar zuo rauch estwie vil.ez sint auch die ken, die gleichez flaisch habent, niht ze vil noch ze wnig, und ainen aufgerihten leib und der glider knoden und die vinger starch sint und der pauch klain en dem die lend klain sint oder zeml unscheinend und dem zwischen paiden schultern ain grz weiten ist, und dem die berprwe aufgerekt sint und diu stirn niht gerunzelt ist und der dar zuo gar zornik ist und seinen zorn gar lang haltet und der an seiner prust und auf seinen achseln rauch is. [122]

 

x. Welher vorthik sei.

Der ist vorhtik, der ain slehtez hr ht und dar zuo ainen krumben oder gepuckten leib und dem diu muslein an den painen inwendich ber sich erhebt sint, der ain gelb varb ht und krank augen und der die snell auf und zuo tout und des hend und fez behend sint und mager und des anplick geleich ist dem anplick ains traurigen menschen.

 

y. Welher guots sinnes sei.

Der ist ains snellen sinnes und ainer guoten behenden ntr, der lindez flaisch ht an seinem leib und des wnich ist und dar zuo trucken und der ain mittel ht zwischen mager und vaizt und der an dem antlzt niht vil flaischs ht und im die ahseln derhebt sint und seineu ripp etswie vil flaisches habent und sein varb ain mittelvarb ist zwischen rt und weiz und behend und scheinend und klr.dar zuo ist im diu hant behend, sein hr ist niht hert, noch ist sein vil und ist niht swarz: es ht ain mittelvarb zwischen gel und swarz.

 

t. Wer ainen wol gestalten leip hab.

Der ist ains geleichen leibs und ainer guoten ntr, der ain mitel ht zwischen lang und kurz und zwischen mager und vaizt, und der weiz ist und dar ain clain rten ist gemischet, und des hend und fez ain mitel habent zwischen grz und klain und zwischen vil und wnig flaisches.des selben haupt schol in seiner grzen des leibs grzen eben antwrten und der hals under dem haupt schol ain klain grzen haben.sein hr schol under lindem und hertem hr ain mitel haben und schol ain wnig rt sein.sein antltz schol sinbel sein und gar schn, die naslcher aufgereckt, niht ze grz noch ze klain.sein augen schllen ain mittelvarb haben zwischen swarz und gren und schllen etswie vil fuht sein und klr. [123]

 

aa. Wer die weishait liep hab.

Der ist ain weishait minnent man, des leib oder persn aufgerekt ist und der flaisch geleich ist, niht ze vil noch ze klain, und der weiz ist und ht ain klain rt dar zuo gemischet.sein hr ht ain mittel zwischen vil und wnig, zwischen sleht und kraus, zwischen weiz und zwarz und ist lind.sein anplick geleicht ainem lachenden oder frliechen anplick.sein hend habent ain mittel zwischen grz und klain und er ht auch getailt vinger.daz verstn ich als, daz der vinger glider sich hinder sich piegen vil nh als si entzwai sein.sein stirn ist grz, sein augen habent ain mittelvarb zwischen gren und zwarz.

 

bb. Wer stumpfes sinnes sei.

Der ist ainr stumpfen ntr, der gar weiz ist oder gar praun und ht ainen grzen pauch und krump vinger.sein antltz ist gar sinbel und ht vil flaisches auf den wangen.der ist auch stumpf, der vol flaisches auf dem hals ist und auf den fezen und an den stucken des leibes, diu d zwischen sint.sein pauch ist sinbel und pauzet her fr.sein ahseln sint erhebt gegen dem haupt.sein stirn ist sinbel geleich ainem pallen, als ob si hofrot sei, und ht vil flaischs.sein kinpacken sint grz und seineu pain lank, sein antltz ist lank und der hals grz.

 

cc. Wer unschmik sei.

Der ist unschmik, der gar offen augen ht und her fr pauzend und scharp sehend.sein berprw sint grz, sein persn ist niht gar lanch.wenn auch er gt, s riht er sein prust vorn auf.sein ahseln sint aufderhebt, sein wegung ist snel, sein varb ist rt und ht vil pluots, sein antltz ist sinbel, sein prust ist klain oder behend und ist dar zuo derhebt oder ain wnig hoferot.ez ist auch der unschmig, der sein augen weit auf tuot und scharp siht und gar klffig ist. [124]

 

dd. Welher mensch zornik sei.

Der ist ain zornich man, der ain ungeschaffen antltz ht und ain tunkelrtez an der varb und dem diu haut an dem antltz trucken oder drr ist und der an allem seim leib mager ist.sein antltz ist voller runzeln, sein hr ist zwarz und lind.

 

ee. Wer unkusch sei.

Der ist ain unkusch man und ain frawenminner, der weiz ist und ht ain rten dar zuo gemischet, des hr vil und grz ist, lind und zwarz, und der auf den slfen gn den rn vil hrs ht und dar zuo grz augen ht.

 

ff. Wer ainen weibischen muot hab.

Der ht ainen weibischen muot, der ungedultig ist und niht wol geleiden mag und der schier verkrt mag werden und bekrt und der schier zrnt und auch schier ablzt.wann in allen tiern daz maist tail habent diu weib ainen verworfenen muot von ntr.si habent auch mr hinderlist wan die manne und sint vervhend oder frsnell und unschmik in haimleichen sachen.als spricht Rasis.die frawen habent auch klaineu haupt, behend hls und behend antltz.ir prust ist eng und auch ir schultern sint eng und habent auch die prust undern oder die abseiten nh der prust behend.aber si habent grz lend ze paiden seiten und grz aftern.iriu pain sint klain und ir hend und ir fez behend.si sint auch vorhtiger under allen tiern wan die man.

 

gg. Von den maiden.

Ain maiden oder ain cappaun (daz ist ain man, der seinr gezeuglein niht ht) der ist pser siten, wan er ist trocht und geitich und bernemend, als daz er sich mr ding underwint wann er volmag.der aber niht gemaident ist mit kunst und doch geborn ist n gezeuglein oder der gar klain gezeuglein ht, der ist ainem cappaun [125] geleich und wehset im nmmer kain part.s ist er der pst under derlai leuten.

 

50. Von den trmen.

Nun schll wir durch ain kluoghait sagen ain clain, waz etleich trum bedutent an dem menschen.wem vil trumt von regen und daz er daz mer sehe und fliezendue wazzer, der ht vil wzzeriger fuhtin in seim leib und sint im diu pat guot und smleicheu frbung.aber wem trumt von fewer und von plitzen und von kriegen, der ht vil materi in im, die d haizt diu rt colera.wem trumt vil von rter varb und von hhzeiten und sūezem ezzen und von lustigen oder dem trumt von des pluots flzzen, der ht brigez pluot in seinem leib.und wem trumt, daz er vil swarzer ding sehe oder prauner ding oder der im vil frht und vil derschricket in dem slf, der ht vil in im der materi, diu d haizt diu swarz colera oder melancolia.wem aber trumt, daz er st auf ainer snstat oder an ainer kelten, der ht brig kelten in im.und wem trumt, daz er in ainem haizen pat sei oder an der haizen sunnen sei oder pei aunem haizen feur, der ht brig hitz in im.wem trumt, daz er flieg, daz bedut berig trcken an im und behendikait und leihtikait seins pluots und anderr seinr fuhten.wem trumt, daz er swr trag oder beswrt sei, der ist ze vol.wem aber trumt, daz er durch unsauber stinkende stet g, der ht vil fauler stinkender fuhten in seinem leib.wem trumt, daz er g in grten oder durch stet, die wol smeckent, daz bedut ain gleichait und ain klrhait seinr fuhten und daz si niht faulkait pei ir ht.wem aber trumt, daz er sich wind durch eng stet und fenster, daz bedut, daz die rrn und diu glider in dem leib siech sint und beswrt, die der ntr den luft zuo ziehen slten und daz si ir niht s vil luftes zuo geziehen mgent sam ir nt wr. [126]

Daz ist diu lr Rasis von den trumen, die von inwendiger schickung des menschen koment, und mag ain weiser mensch an im selber prefen von den trumen, wenne im lzens nt ist oder tranch ze nemen nch der rzt rt.aber ander trum die koment von gedenken, die der mensch wachend ht, und etleich von dem einfluz der stern kreft und etleich von dem einfluz des gtleichen gaistes und auch etleich von dem einplsen des psen gaistes, von den trumen ist ain sunderleicheu kunst lanch genuog, d mit well wir unser red niht betreben.

Mit der red hab daz rst stuck diss puochs ain end.daz ander stuck sol sagen von den vier elementen, von den winden, von regen, taw, sn, reif, tonr, plitzen und von andern sachen, die in den elementen geschehent, und auch von den siben planten,daz dritt stuck wirt sagen von aller tier ntr, si gn oder si slingen sich auf der erd, si swimmen in dem wazzer oder si fliegen in dem luft.daz vierd stuck van allen paumen und von irr art.daz fnft stuck von allen krutern und edeln wurzen.daz sehst von allen edeln stainen.daz sibent von allem gesmeide.daz aht und daz lezst von mangen wunderleichen prunnen.wenn wir daz alles volpringen, s hab wir mangen haimleichen nutz volprcht ze dienst der werden muoter und dar nch guoten freunden. [127]

49.

VAN DE TEKENS VAN DE NATUURLIJKE ZEDEN.

a. En het eerste van het haar.

 

Omdat we nu hebben gezegd van het mensen lijf en zijn leden zo zullen we nu zeggen hoe de mensen gesteld en wat zijn leden schikking ons betekent in zijn natuurlijke zeden en die leer wil ik zetten zoals Rasis ze heeft gezet in zijn artsenei. In deze leer zal u als eerste merken, wil u zeker beproeven welke neiging en welke zeden de mens van zijn eigen natuur heeft, dat zal u niet aan een teken zien, u zal de tekens verzamelen zo u het meeste kan en vindt u ze tegengesteld aan elkaar zo volg de sterkere en die meer kracht hebben. U zal ook weten dat het meeste beproeven en dat zekerste is aan de ogen en aan het ganse aanzicht; daarna veel aan de handen.

 

Nu zullen we aanheffen aan het haar op het hoofd en aan andere stukken van het lijf. Slecht haar en zacht betekent een vreesachtig mens. Dus nemen we een gelijkenis aan de hazen en aan de herten. Maar gekruld haar betekent koenheid. Veel haar aan de buik dat betekent een onkuise mens. Is echter veel haar op de [115] ribben, dat betekent koenheid en veel haar op de schouders en op de hals betekent klein moedigheid en weerstreven of weerspannigheid alzo dat de mensen niet gemakkelijk verandert van zijn voornemen. Veel haar aan de buik en aan de borst betekent kleine wijsheid. Opstaand haar zoals de zwijnenstekels op het hoofd of overal aan het lijf, betekent vrees.

 

b. van de kleur.

Rode kleur of roodachtig betekent veel hitte en veel bloed, echter midden gekleurd tussen rood en wit betekent een gelijke natuur die niet te veel noch te weinig heeft hitte noch bloed heeft, is dat de huid niet ruig is met haar. Welke mensen kleur vurig is als een vlam, die is onbestendig en tobbend. Maar welke mens rood is en helder, die is beschaamd. Welk mens kleur groen is of zwart, die is boze zede.

 

c. van de ogen.

Welk mens grote ogen heeft, die is traag, en welk mens diepe ogen heeft erg ingezet in dat hoofd, die is kundig of argwanend en een bedrieger. Welke ogen naar voren puilen uit het hoofd, die is onbeschaamd en een klapper en een dwaas. Echter wanneer de ogen naar de lengte gezet zijn, zo is de mens argwanend en een bedrieger. Welke ogen veel zwart hebben, die is vreesachtig, en welke geitenogen heeft naar de kleur, die is een dief. Welke ogen snel varend zijn en scherp ziet, die is een bedrieger, een achterbakse en een dief. Welke ogen zo erg stil staan zoals de stenen, die is listig, en welke aanblik gelijkt een wijven aanblik, die is onkuis en onbeschaamd. Is echter zijn aanblik kinderlijk en is al zijn aangezicht en zijn ogen zoals ze lachen of lachwekkend gesteld, zo is die mens vrolijk en is van natuur een lang leven. Welke mensen ogen groot zijn en [116] trillend en veel kleurig, die is traag en heeft de vrouwen lief. Echter welke ogen klein zijn biddend en veelkleurig, die is erg toornig en heeft ook de vrouwen lief. Welke ogen het rode vuur lijken, dat is een erg boos mens en erg obstinaat of ongevoelig. Is dezelfde oogappel zwart, dat betekent een trage en een stomme mens. Veel kleurige ogen die een gele kleur hebben toe gesteld alsof ze met saffraan geverfd zijn, betekent door boze zeden. Veel vlekken bij de oogappel betekenen boze mensen en zijn zijn ogen daarmee veel kleurig zo is hij des te bozer. Zijn de ogen klein en vooruit stekend uit het hoofd zoals een kreeftoog, dat betekent dwaasachtig en narrigheid en een mens die zijn vleselijke lusten na volgt. Kleine ogen die veel heen en weer gaan en de wenkbrauwen zich vaak open en dicht doen, betekenen een zeer boze mens. Welke mensen oogappel in hun eind een omgang hebben een gelijke cirkel, dat betekent een hatend mens, een klapper en een vreesachtige en door boze mens. Welke ogen runderen ogen lijken, dat betekent zwak gemoed. Zo de oogappel zwart is en een gele kleur heeft alsof het verguld is, dat betekent een boze mens en een moordenaar die menselijk bloed graag vergiet. Over zich overkappende ogen zoals de ossen ogen en die ook rood zijn en erg groot, dat betekent een erg boos mens, een dwaas, een nar, een drinker. De beste ogen zijn die tussen zwart en veel gekleurd een midden hebben en die niet erg bliksemend zijn en dat geen roodheid noch geen gele kleur in schijnt: die ogen betekenen een goede natuur. Veel kleurige ogen met een gele kleur bliksemend of de kleur groen is zoals een steen kleur, betekenen een boze mens, en die lieden die daartoe bevlekt in de ogen zijn, die zijn de kwaadste onder alle mensen en de grootste bedriegers. [117] Wie zijn oogappel naar voren stekend heeft met gans grote ogen, die is klein gemoed. Wie de ogen diep zijn en klein, die is listig, een bedrieger en een hatend mens. Wanneer dat haar van de wenkbrauwen naar beneden gekromd is of aan een plaats gedrongen van natuur, die is een leugenaar, een listige en een dwaas. Wie erg zeer trillende ogen heeft, die is boos. Wie kleine ogen heeft, die is boos en een dwaas. Zijn echter de ogen groot zo is de mens niet zo boos, echter hij is een grotere dwaas dan die met de kleine ogen. Wie veel kleurige ogen heeft of groene ogen, die is boos en een dief. Welk mens wenkbrauwen zich erg vaak open en dicht doen, die is vreesachtig en een tobbend mens.

 

 

 

 

 

 

d. van de wenkbrauwen.

Welk mens wenkbrauwen veel haar heeft en ruig zijn, die heeft veel gedachten en diep onderzoeken en veel treurigheid en is zijn spraak onrein en grof. Wie lange wenkbrauwen heeft, die is hovaardig en onbeschaamd. Wiens wenkbrauwen zich ter dal nijgen tegen de neus en zich boven oprichten tegen de slaap, die is onbeschaamd en een stompe geest.

 

 

e. van de neusgaten.

Wie spitse dunne neusgaten heeft, die is een krijger en strijdt graag. Wie grote neusgaten heeft en wijde, die heeft kleine wijsheid. Wie aan de neus lange neusgaten heeft en dunne, die is snel en een dwaas en gemakkelijk. Wie brede neusgaten heeft, die is onkuis. Die de neusgaten zeer open zijn, die is vertoornd van natuur.

 

f. van het voorhoofd.

Welk voorhoofd recht is en niet gerimpeld, die is oorlogszuchtig en maakt graag strijd. Welk mensen voorhoofd zich verzameld heeft in het midden, die is toornig. Wie een klein voorhoofd heeft, die is een dwaas en wie een groot voorhoofd heeft, die [118] is erg traag. wie een erg gerimpeld voorhoofd heeft, die is onbeschaamd.

 

g. van de mond.

Wie een grote mond heeft, die is een vraat en is koen. Wiens lippen groot zijn, die is een dwaas en stompe zin. Wiens lippen niet goed gekleurd zijn, die is hovaardig. Wiens tanden zwak zijn en dun en klein, het ganse lijf is zwak. Wiens tanden hondstanden zijn en lang en sterk, die is een vraat en boos.

 

h. van het mensen aangezicht.

Welk mensen aangezicht gelijkt een dronken mensen aangezicht, die is een drinker van natuur. Echter welk mensen aangezicht lijkt op een toornig mensen aanzicht, die is van natuur vertoornd, en wanneer het mensen aangezicht lijkt op een beschaamd aangezicht, die is van natuur beschaamd. Welk aangezicht vol vlees is, die is traag en een dwaas. Welke wangen grof vlees hebben, die is een grove natuur. Wie een handig aangezicht heeft, dat is een aangezicht niet opgeblazen en niet met grof vlees, die heeft veel gedachten. Wie erg een rond aangezicht heeft, die is een dwaas, wie erg een groot aangezicht heeft, die is traag. Wie een erg klein aangezicht heeft, de is kwaad listig en een opschepper. Wiens aangezicht niet goed geschikt is niet goed gevormd, die mag geen goede zeden hebben, tenzij dan erg zelden. Wiens aangezicht lang is, die is beschaamd en wie golvend op opgeblazen slapen heeft bij de oren en grote aderen, die is vertoornd van natuur.

 

i van de oren.

Wiens oren groot zijn, die is een dwaas en lang leven.

 

k. van de stem.

Wie een grote stem heeft, die is koen. Wiens spraak vlug en snel is, die is in zijn werken snel en vlug [119] en is toornig en boze zeden. Wiens adem lang is, die is boos. Wie een zware stem heeft, die is een dienaar van zijn eigen buik. Wie een scherpe stem heeft, de is hatend en draagt een ergernis lang in zijn hart heimelijk. Een schone stem betekent dwaasheid en kleine wijsheid.

 

l. van het vlees.

Welke mens veel vlees heeft en datzelfde hard is, dat betekent grove zintuig en hard verstand. Echter welk mensen vlees zacht is dat betekent een goede natuur en een goede geest en een goed verstand.

 

m. van het lachen.

Wie veel lacht, die is zacht moedig en welkom alle lieden en zorgt niet veel om geen enkel ding. Echter wie weinig lacht, die is hard gemoed en misvalt hem alles dat andere lieden doen. Wie met heldere stem lacht, die is onbeschaamd. Wie hoest wanneer hij lacht of zwaar ademt, die is onbeschaamd en een woedende.

 

n. van de beweging.

Wie zware beweging heeft, dat betekent een stomheid en een traagheid aan de mensen. Echter snelle beweging betekent een lichtheid aan de mensen.

 

o. van de hals.

Wie een korte hals heeft, die is listig en geestig. Echter die een lange hals heeft, die is een dwaas, klapper en vreesachtig. Wie echter een vette hals heeft, hard en sterk, die is vertoornd en snel.

 

p. van de borst.

Wie een sterke borst onder heeft en ook daaraan veel vlees, die is een dwaas. Wie een handig lijf heeft, dat betekent veel kundigheid. Wie een grote buik heeft, [120] dat betekent overige lust van het lijf. Wie op het lijf om die borst klein is en handig, dat betekent de hart zwakte.

 

q. van de ribben.

Wie wijdere ribben heeft, dat betekent sterkte en hovaardigheid en veel toorn. Wie echter kromme ribben heeft, dat betekent boze zeden, en wie gelijke ribben heeft, dat is een goed teken, wie kleine ribben heeft, dat betekent een kleinheid van geest. Wie echter wijdere of brede ribben heeft, dat betekent goede geest.

 

r. van de oksels.

Wie omhoog opgeheven oksels heeft tegen het hoofd, dat betekent dwaasheid.

 

s. van de armen.

Wie de armen zo lang zijn zodat hij staande met de handen op de knien rijken mag, dat betekent edele geest en hovaardig en een groot begeerte te heersen over andere lieden. Wie echter de armen krom zijn, dat betekent een vreesachtige en een boze mens.

 

t. van de handen.

Zachte handen en handige betekenen veel wijsheid en goed verstand. Erg korte handen betekenen dwaasheid. Kleine handen en erg lang betekenen een woedende en een dwaas.

 

u. van de voeten.

Aan welke voeten veel vlees is en dat vlees erg hard is, dat betekent een boos verstand aan de mensen. Korte en sierlijke voeten, betekenen een onkuis mens en een vrolijke. Wie de voet klein is, dat betekent een vreesachtige mens. Wanneer echter ze groot zijn en sterk, dat betekent een koenheid en vastigheid aan de mensen. Wie de voeten onder aan beide zijde en de benen groot zijn, dat betekent een stomme mens en onbeschaamd. Wie de lenden vol vlees uitwendig zijn, dat betekent een sterke gezondheid en hun nuttigheid. Wie er die benen naar voren steken, dat betekent koenheid. Wie echter de achterbenen naar voren rijken, dat betekent veel sterkte en mannelijkheid. Wie de achterbenen klein zijn, dat betekent een liefhebber der vrouwen en het lijf zwakte en vrees.

 

 

v. van de schrede.

Wiens schrede groot zijn en traag, de is traag, echter wiens schrede snel zijn en kort, die is snel en om alle dingen erg zorgzaam wat hij toch niet uitrichten kan.

 

w. welke koen is.

Die is een koene man de sterk haar heeft en hard en een opgericht lijf en sterke benen en wie de handen en die voeten en de borst onder en de verzameling der leden sterk zijn en de borst en de buik en de oksels sterk zijn en de hals sterk en groot en niet veel vlees aan is. Alzo is ook de mens koen de een handige borst heeft met wijde en hij handig is en de lenden klein zijn en dat vlees dat aan de dijen van zijn benen zich te dal zinkt en wie de huid en zijn vlees wat veel droog zijn en die de aderen schijnen aan het voorhoofd en het voorhoofd niet gerimpeld is en daartoe ruig wat veel. Het zijn ook die koene die gelijk vlees hebben, niet te veel noch te weinig en een opgericht lijf en de leden knopen en de vingers sterk zijn en de buik klein en de lenden klein zijn of helemaal niet doorschijnend en die tussen beide schouders een grote breedte is en die wenkbrauwen opgerekt zijn en het voorhoofd niet gerimpeld is en die daartoe erg vertoornd is en zijn toorn erg lang behoudt en aan zijn borst en op zijn oksels ruig is. [122]

 

 

 

x. welke vreesachtig is.

Die is vreesachtig die een recht haar heeft en daartoe een krom of pukkelig lijf en die de gewrichtsmuizen aan de benen inwendig omhoog verheven zijn, die een gele kleur heeft en zwakke ogen en die ze snel open en dicht doet en die handen en voeten handig zijn en mager en diens aanblik gelijk is de aanblik van een treurige mens.

 

y. welke goede geest zijn.

Die is een snelle geest en een goede handige natuur die zacht vlees heeft aan zijn lijf en wat weinig is en daartoe droog en die een middel heeft tussen mager en vet en die aan het aangezicht niet veel vlees heeft en hem de oksels verheven zijn en zijn ribben wat veel vlees hebben en zijn kleur een midden kleur is tussen rood en wit en handig en schijnend en helder. Daartoe is hem de hand handig, zijn haar is niet hard, noch is het veel en is niet zwart: het heeft een midden kleur tussen geel en zwart.

 

t. Wie een goed gesteld lijf heeft.

Die heeft een gelijk lijf en een goede natuur die een middel heeft tussen lang en kort en tussen mager en vet en die wit is en daar een klein roodheid in is gemengd en diens handen en voeten een middel hebben tussen groot en klein en tussen veel en weinig vlees. Datzelfde hoofd zal in zijn grootte van het lijf grootte gelijk beantwoorden en de hals onder het hoofd zal een kleine grootte hebben. Zijn haar zal onder zacht en hard haar een midden hebben en zal een weinig rood zijn. Zijn aangezicht zal rond zijn en erg schoon, de neusgaten opgerekt en niet te groot noch te klein. Zijn ogen zullen een midden kleur hebben tussen zwart en groen en zullen wat veel vochtig zijn en helder. [123]

 

 

 

aa. Wie de wijsheid lief heeft.

Dat is een wijsheid minnend man diens lijf of persoon opgerekt is en het vlees gelijk is, niet te veel noch te klein en die wit is en heeft een klein roodheid daartoe gemengd. Zijn haar heeft een middel tussen veel en weinig, tussen recht en gekroesd, tussen wit en zwart en is zacht. Zijn aanblik gelijkt een lachende of vrolijke aanblik. Zijn handen hebben een middel tussen groot en klein en hij heeft ook gedeelde vingers. Dat versta ik alzo dat de vinger leden zich achter zich buigen bijna of ze in twee zijn. Zijn voorhoofd is groot en zijn ogen hebben een midden kleur tussen groen en zwart.

 

 

bb. Wie stomme geest is.

Die is een stomme natuur die erg wit is of erg bruin en heeft een grote buik en kromme vingers. Zijn aangezicht is erg rond en heeft veel vlees op de wangen. Die is ook stom die vol vlees op de hals is en op de voeten en aan de stukken van het lijf die daar tussen zijn. Zijn buik is rond en stoot naar voren. Zijn oksels zijn verheven tegen het hoofd. Zijn voorhoofd is rond gelijk een bal alsof ze hoog rood is en heeft veel vlees. Zijn kinnebak is groot en zijn benen lang, zijn aangezicht is lang en de hals groot.

 

 

cc. Wie onbeschaamd is.

Die is onbeschaamd die erg open ogen heeft en naar voren steken en scherp ziet. Zijn wenkbrauwen zijn groot en zijn persoon is niet erg lang. Wanneer ook hij gaat zo richt hij zijn borst voren op. Zijn oksels zijn opgeheven en zijn beweging is snel, zijn kleur is rood en heeft veel bloed, zijn aangezicht is rond, zijn borst is klein of handig en is daartoe verheven of een weinig verhoogd. Hij is ook onbeschaamd die zijn ogen wijder open doet en scherp ziet en erg klappend is. [124]

 

dd. welke mens toornig is.

Dat is een toornig man de een ongeschapen aangezicht heeft en donker rood aan de kleur en de huid aan het aangezicht droog of dor is en die aan al zijn lijf mager is. Zijn aangezicht is vol rimpels, zijn haar is zwart en zacht.

 

ee. Wie onkuis is.

Die is een onkuise man en een vrouwenminnaar de wit is en heeft een roodheid daartoe gemengd, het haar veel en groot en is zacht en zwart en de op de slapen tegen de oren en veel haar heeft en daartoe grote ogen heeft.

 

ff. Wie een vrouwelijk gemoed heeft.

Die heeft een vrouwelijk gemoed die ongeduldig is en niet goed lijden mag en die schier veranderd mag worden en verandert en schier vertoornd en ook schier afblaast. Want in alle dieren dat meeste deel hebben de wijven een te verwerpen gemoed van natuur. Ze hebben ook meer achterbaks dan de man en zijn snel of voortvarend en onbeschaamd in heimelijke zaken, alzo spreekt Rasis. De vrouwen hebben ook kleine hoofden en handig hals en handig aanzicht. Hun borst is eng en ook hun schouders zijn eng en hebben ook de borst onder of de zijden na de borst handig. Echter ze hebben grote lende aan beide zijden en groot achterste. Hun benen zijn klein en hun handen en hun voeten handig. Ze zijn ook vreesachtiger onder alle dieren dan de man.

 

gg. van de maagden.

Een maagd of een kapoen (dat is een man de zijn geslacht niet heeft) die is boze zeden want hij is dwaasachtig en gretig en overnemend alzo dat hij zich meer ding onderneemt dan hij volbrengt. Die echter niet gecastreerd is met kunst en toch geboren is zonder geslacht of die erg klein geslacht heeft die is een kapoen [125] gelijk en groeit hem nimmer een baard. Zo is hij de kwaadste onder die lieden.

 

50. van de dromen.

Nu zullen we door een verstandigheid een beetje zeggen wat ettelijke droom betekent aan de mensen. Wie veel droomt van regen en dat hij de zee ziet en vloeiend water, die heeft veel waterige vochten in zijn lijf en zijn hen de baden goed en dergelijke handelingen. Echter wie droomt van vuur en van bliksem en van oorlogen, die heeft veel materie in hem die daar heet de rode gal. Wie droomt veel van rode kleur en van hoge feesten en zoet eten en van lustige of de droomt van het bloed vloeien, die heeft overig bloed in zijn lijf. En wie droomt dat hij veel zwarte dingen ziet of bruine dingen of die hem veel vreest en veel verschrikt in de slaap, die heeft veel in hem die materie die daar heet de zwarte gal of melancholie. Wie echter droomt dat hij staat op een besneeuwde plaats of aan een koude, die heeft overige koude in hem. En wie droomt dat hij in een heet bad is of aan de hete zon is of bij een heet vuur, die heeft overige hitte in hem. Wie droomt dat hij vliegt, dat betekent overige droogte aan hem en handigheid en lichtheid van zijn bloed en andere van zijn vochten. Wie droomt dat hij zwaar draagt of bezwaard is, die is te vol. Wie echter droomt dat hij door onzuiver stinkende plaats gaat, die heeft veel vuile stinkende vochten in zijn lijf. Wie droomt dat hij gaat in tuin of door een plaats die goed geurt, dat betekent een gelijkheid en een zuiverheid van zijn vochten en dat hij geen vuilheid bij zich heeft. Wie echter droomt dat hij zich wringt door enge plaatsen en duister, dat betekent dat die pijpjes en de leden in het lijf ziek zijn en bezwaart die de natuur de lucht tot zich trekken zullen en dat ze hen niet zo veel lucht toe trekken mogen zoals het hen nodig is. [126]

Dat is de leer van Rasis van de dromen die van inwendige schikking van de mensen komen en mag een wijs mens aan zichzelf beproeven van de dromen wanneer het hem tenslotte nodig is of drank te nemen naar de artsen raad. Echter andere dromen die komen van gedachten die de mens wakend heeft en ettelijke van de invloed van de sterren kracht en ettelijke van de invloed van de goddelijke geest en ook ettelijke van het inblazen van de boze geest, van die dromen is een bijzondere kunst en lang genoeg, daarmee willen we onze taal niet bedroeven.

Met die taal heeft dat eerste stuk van dit boek een eind. Dat andere stuk zal zeggen van de vier elementen, van de winden, van regen, dauw, sneeuw, rijp, donder, bliksem en van andere zaken die in de elementen geschieden en ook van de zeven planeten. Dat derde stuk zal zeggen van alle dieren natuur, ze gaan of ze slingeren zich op de aarde, ze zwemmen in het water of ze vliegen in de lucht. Dat vierde stuk van alle bomen en van hun aard. Dat vijfde stuk van alle kruiden en edele specerijen. De zesde van allen edele stenen. De zevende van alle metalen. Dat achtste en dat laatste van vele wonderlijke bronnen. Wanneer we dat alles volbrengen zo hebben we veel heimelijke nut volbracht tot dienst der waardige moeder en daarna goede vrienden. [127]

 

Dit laatste stuk komt niet voor bij Maarlant, ook niet wat ervoor staat. Wel lijkt het wat op de volgende;

 

 

(61) NOTA, nota. Meester ypocras hiet sinen discipulen dat si hen souden wachten (62) iegen die gene die hebben naturelike bleecheit. want si siin gereet ter quaetheit enten sonden. Ende sonderlinge vore die gene die verminct siin in enech let. want si siin nidech in allen dingen. ende quaet sprekende achter die gene die wel haer vrient wanen sijn. Ende oec sonderlinge vore die vleyen ende smeken Nu wijst ypocras den mensce te bekenne bi vele tekenen. ende ierst biden hare ende seit aldus. So wies haer slecht ende lanc es. bediet van quader onthoudenissen. ende van cranken herssenen. Ende dicke haer an den top ende achter dunne. bediet sotheit ende gusheit. Dic haer ende haren alse borstelen. b. simpelheit ende onachtsamheit alre dinge. Vele haers ane die borst hebbende .b. ondadech ende luttel ontsiende te doene .1. quade bedarve. ende starc van leden. ende minnende die onsuverheit. Swart haer .b. minne te wiven. ende in allen dingen gerechtech. Rode varwe. es .1. teken van dulheiden. ende van gramscapen ende van scalcheiden ende van verradenissen. Die tusscen roet ende swart siin sonder bleecheit wel blosende .b. paysibel Die grote ogen heeft pullende uutwert ende van leleker gedane hi es nidech. onscamel. ende ongehorsam Ogen die te maten siin. no te groet no te cleine binnen wit alse wolken met enen cleinen ommeringe ende swart. bediet goede verstannisse ende hoefsch ende getrouwe. Die den scedel van den ogen wijt heeft. ende .1. lanc ansichte .b. malicioes ende quaet. Die dogen gelijc den ezel heeft. hi es sot ende hard van naturen (63) Dien die ogen hart siin met ere scarper zie roerende .b. dief. ongetrouwe ende loes. Die rode berrende ogen heeft .b. quaetmoedech ende luxurieus. Die dogen root heeft ende swartte plecken daer in .b. smekende roemachtech ende quaet van hertten Witte wintbrauwen ende dicke van hare .b. onbequemelecheit van spraken Wintbrauwen die siin in die middewert opwert streckende .b. nidecheit. gierechheit ende vergetelheit. Wintbrauwen te maten dunne ende slecht .b. hoefscheit getrouwecheit. ende goede verstennisse Scerpe naze voren .b. lichte gram wesen. Lange nazen over den mont hangende .b. scalcheit. hoverde ende stoutheit. Camuse neze .b. subtile malicie. druustecheit in gramscapen ende haestecheit van sinne. Die de nezegate lanc heeft ende niet wijt. hi es goet van sinne ende van verstennissen. Die den neze breet heeft. hijs logenachtech ende vele clappende Die dat ansichte mager heeft ende bleec .b. cregel. overmoedech. ende gerne vechtende ende minnere der valscheit. ende onsuverheit van lichamen. Die dansichte ront heeft niet te mager no niet te vet .b. vroetheit. waerachtech. ende minnende. ende hem selven wel verstaende. hoefsch ende wel gemaniert. Die vette lieren heeft. hi es sot ende van ruder naturen. Die danschijn herde cleine heeft .b. smekere ende quaet. Die danschijn lelijc heeft. hine mach nemmermeer wesen wel gemaniert noch van goeden seden. Die danschijn lanc heeft .b. scamel. blode ende haestech Die den (64) mont groet ende wijt heeft .b. vechtere stout. ende bedriegere. Die de lippen groet heeft .b. sot ende in allen dingen trage. Die de oren groet of lanc heeft .b. dul ende onverstendech. maer dat hi ontfaet dat hout hi wel Die de oren herde cleine heeft .b. dief ende luxurieus Die de stemme groet of lude clijsterende heeft .b. clappende. vechtere. ende wel geredent Die de stemme no te claer no te donker en heeft .b. vroet. waerachtech ende gerne gerechtech. Die haestech es in sinen worden eist dat hi heeft cleine stemme .b. dul. onnutte ende onscamel. Clijstrende stemme .b. nidecheit ende niement wel betrouwende. ende ydel van sinne. ende van sconen gelate. ende quaet peinsende. Die de stemme heeft claer sonder clijstren .b. sot ende in vele dingen onscamel ende roekeloes Die sine hande roert alse hi sprect .b. nidech. bedriechlijc ende achter sprekende. Ende die niet en roert hande als hi sprect noch oec ander lede hi es volmaect in verstennissen. ende wel gedisponeert ende van goeden vasten rade. Die den hals heeft lanc ende smal .b. sot. vergetel. blode. ende vervaert. Die den hals crom heeft .b. behendech ende van vele sins. Maer hi es .1. deel crigel Die den hals cort heeft .b. malicieus bedriegere ende quaet. Die den hals cort ende dicke heeft .b. sot ende cranc van herssenen. van sterker borst. ende groet eetere. ende hi mach wel pinen Die den buuc groet heeft van naturen .b. dul ende onbehendech ende oec luxurieus. Die den buuc te maten heeft .b. verstendech ende van gansen rade Die nauwe es tusscen sine .2. mammen .b. van edelre naturen te sine ende hoefsch in al siin doen. Wijtheit van borsten bediet edelheit ende stoutheit ende (65) goede verstannisse ende wijsheit. Die hoge borst heeft .b. starc ende getrouwe ende milde van sinen goede Dien die scouderen breet opheffende siin. bediet fel. vrec. wantrouwel Die de arme heeft reckende toten knien. bediet stout ende milde ende edel van sinne. Sijn die arme dicke ende stijf ende cort. dat bediet. piinlec ende onwetende Die de palmen lanc heeft .b. wel gedisponeert tote vele consten ende van goeden hantgedade ende vroet in allen sinen werken Vingere die cort siin .b. sotheit ende zere minnende gerechtecheit Die cleine voeten heeft .b. hartheit ende starcheit van naturen Die de been groet heeft. bediet stout ende starc van lichamen ende van naturen Die de knien ront ende vet heeft. hi es cranc in dogeden ende moru van complexien. Die den ganc wijt ende snel heeft .b. geluckech in al siin doen. Ende wies ganc trage es ende cort of nauwe. hi es bedruftech twivelec ende onmachtech in allen stucken ende geerne van quaden wille Die donker swart es of eerdachtech. bediet heldende ten gebreken ende ter luxurien sonderlinge

(61) NOTA. Meester Hippocrates zegt tegen zijn discipelen dat ze zich zouden wachten (62) voor diegene die een natuurlijke bleekheid hebben want ze zijn gereed voor kwaadheid en zonden. En vooral voor diegene die in enig lid verminkt zijn want ze zijn nijdig in alle dingen en spreken kwaad achter diegene die menen dat ze hun vriend zijn. En ook vooral voor die vleien en smeken.

Nu wijst Hippocrates de mens te herkennen aan vele tekens en als eerste bij het haar en zegt aldus; Zo wiens haar recht en lang is betekent van slecht te onthouden en van zieke hersens. En dik haar aan de top en achter dun betekent zotheid en beschaamdheid. Dik haar en haren als borstels betekent simpelheid en onachtzaamheid in alle dingen. Veel haar aan de borst hebben betekent niet daadkrachtig en weinig ontziend in het doen om kwaad te veroorzaken en sterk van leden en bemint de onzuiverheid. Zwart haar betekent minne tot vrouwen en in alle dingen gerechtigheid.

Rode kleur is een teken van dolheid en van gramschap en van schalksheid en van verraad. Die tussen rood en zwart zijn zonder bleekheid en goed blozen betekent deugdelijk.

Die grote ogen heeft die uitpuilen en van lelijke gedaante, hij is nijdig, schaamteloos en ongehoorzaam. Ogen die de maat hebben en niet te groot en niet te klein en van binnen wit als wolken met een kleine pupil en zwart betekent goed verstand en hoofs en getrouw. Die de schedel van de ogen wijd heeft en een lang aangezicht betekent gemeenheid en kwaad. Die de ogen heeft gelijk een ezel is zot en hard van naturen. (63) Die de ogen hard zijn met een scherp zicht en zich roeren betekent een dief, ongetrouwe en loze. Die rode brandende ogen heeft betekent kwaadaardig en onkuis. Die de ogen rood heeft en zwarte plekken er in betekent. smekend grootsprekerig en kwaad van hart.

Witte wenkbrauwen en dik van haar betekent onbekwaamheid van spreken. Wenkbrauwen die zich in het midden naar boven strekken betekent nijdigheid, gierigheid en vergeetachtigheid. Wenkbrauwen die in de maat dun en recht zijn betekenen hoofsheid, trouwheid en goed verstand.

Scherpe neus voor betekent dat die gauw gram is. Lange neuzen die over de mond hangen betekenen schalksheid, hovaardig en dapperheid. Geitachtige neuzen betekenen subtiele boosheid, onstuimigheid in gramschap en haastigheid van geest. Die het neusgat lang heeft en niet wijd is goed van geest en van verstand. Die de neus breed heeft is leugenachtig en kletst veel.

Die het aanzicht mager en bleek heeft betekent kregel, overmoedig en vecht graag en bemint de valsheid en onzuiverheid van lichaam. Die het aanzicht rond heeft, niet te mager en niet te vet, betekent kennis, waarachtig en minnend en die zichzelf goed begrijpt, hoofs en goed gemanierd. Die vette wangen heeft is zot en van ruwe natuur. Die het aanschijn zeer klein heeft betekent een mooiprater en kwaad. Die het aanschijn lelijk heeft mag nimmermeer goed gemanierd zijn of van goede zeden. Die het aanschijn lang heeft betekent schamel, bang en haastig.

Die de (64) mond groot en wijd heeft betekent een dappere vechter en bedrieger. Die de lippen groot heeft betekent zot en in alle dingen traag.

Die de oren groot of lang heeft betekent dol en onverstandig, maar dat hij ontvangt dat behoudt hij goed.

Die de oren zeer klein heeft betekent een dief en onkuis.

Die de stem groot of luid klinkend heeft betekent een kletser, vechter en goed bespraakt. Die de stem niet helder en niet te donker heeft betekent kennis, waarachtig en graag rechtvaardigheid. Die haastig is in zijn woorden en als hij een zachte stem heeft betekent dol, onnut en schaamteloos. Schelle stem betekent nijdigheid en niemand vertrouwt en leeg van geest en van mooi gelaat en slecht denkt. Die de stem helder heeft zonder schelheid betekent zot en in vele dingen onbeschaamd en roekeloos.

De zijn handen roert als hij spreekt betekent nijdig, bedrieglijk en dat hij achter de rug spreekt. En die zijn handen niet roert als hij spreekt en ook de andere leden niet is volmaakt in verstand en goed gedisponeerd en van goeden vaste raad.

Die de hals lang en smal heeft betekent zot, vergeetachtigheid, bang en bevreesd. Die de hals krom heeft betekent behendig en van vele geesten. Maar hij is voor een deel kregel. Die de hals kort heeft betekent kwaadachtig, bedrieger en kwaad. Die de hals kort en dik heeft betekent zot en ziek van hersens, van sterke borst en een grote eter en hij kan goed werken.

Die de buik van naturen groot heeft betekent dol en onhandig en ook onkuis. Die de buik in de maat heeft betekent verstandig en van ganse raad.

Die nauw is tussen zijn 2 borsten betekent van edele naturen te zijn en hoofs in al zijn doen. Wijdheid van borsten betekent edelheid en dapperheid en (65) goed verstand en wijsheid. Die een hoge borst heeft betekent sterk en trouw en mild van zijn goed.

Die de schouders breed opheffend heeft betekent fel, vrek en wantrouwen.

Die de arme heeft die tot de knien strekken betekent dapperheid en mild en edel van geest. Zijn die arme dik en stijf en kort dat betekent pijnlijk en onwetend.

Die de palmen lang heeft betekent goed gedisponeerd tot vele kunsten en een goede handswerkman en verstandig in al zijn werken.

Vingers die kort zijn betekent zotheid en zeer beminnend de gerechtigheid.

Die kleine voeten heeft betekent hardheid en sterkte van naturen.

Die de benen groot heeft betekent dapperheid en sterk van lichaam en van natuur.

Die de knien rond en vet heeft, hij is ziek in deugden en murw van samengesteldheid.

Die de gang wijd en snel heeft betekent gelukkig in al zijn doen. En wiens gang traag is en kort of nauw, hij is bedroefd, twijfelachtig en onmachtig in alle stukken en graag van kwade wil.

Die donker zwart is of aardachtig betekent dat hij overhelt naar gebreken en vooral tot onkuisheid.

 

VON DEN HIMELN UND VON DEN SIBEN PLANETEN.

 

 

 

 

2.

VON DEN HIMELN UND VON DEN SIBEN PLANTEN.

 

1.

DES RSTEN VON DEM SATJAR.

 

Ich lz des puoches ordnung ze latein, wan ez ist hie gar ungeordent, und wil anheben des rsten von den himeln und von den planten, und dar nch von den elementen. Manik maister und aller maist der christen und der juden lrer setzent zehen himel ob ainander.der rst und der obrist stt still und welzt niht.der haizt ze latein empireum, daz ist der feurein himel, dar umb, daz er glestent und scheint mit wunderleichem grzem glast.dar inne ruowet got mit seinen auzlieben.der ander himel ze tal gegen uns haizt der rst walzer oder der cristallisch himel, dar umb, daz er klr und lauter ist sam ain cristall, und kain stern ist an dem selben himel.der welzt in tag und in naht, daz ist in vierundzwainzig stunden, ains mls umb und umb daz ertreich.der dritt himel haizt ze latein firmamentum, daz ist der vest himel, dar umb, daz er ain vest und ain grunt ist aller gesteckten stern.der welzt widerwarts von der sunnen underganch gegen der sunnen aufganch und volpringt seinen lauf in sehsunddreizigtausent jren ains mls.er haizet auch der gestirnt himel.

Dar nch sint die siben himel der siben planten [128] der ht iegleicher neur ainen stern.

der rst haizt ze latein Saturnus, daz ist der Satjr, dar umb, daz er den frhten und dem leben wider ist, und slt er ze reht haizen der Strjr oder der Hungerjr; s haizt man in sptleichen Satjr (wann er verderbt wein und korn) reht als der ainen ungestalten menschen engel hieze.der stern ist von seiner kraft kalt und trucken und ist sein lieht tunckel und volpringt seinen lauf in dreizig jrn. Plinius der spricht: alle planten gnt ir kraiz zuo der lenken hant ne dr stern, der gt alle zeit snell zuo der rehten hant.daz verstn ich als, daz er alle zeit stt daz mrer tail gegen der sunnen underganch ber, wan er volgt der sunnen trgleich.der nun sein antltz krt gegen dem himelwagen und den ruck gegen mittem tag, dem ist der stern ze rehten hant.krst aber d den sin umb in anderr weise, s ist er auch wr, wan ez ist anders niht gesprochen denne daz der stern trg ist.daz ist dar umb, als Plinius spricht, daz, in der gestirnt himel hindert in seinem umblauf, und dar umb, daz er trg ist, s ist er dester kelterr krefte, seins snelliu wegung ist ain sach der hitz.aber Augustnus der spricht ber genesim daz puoch, daz der stern dar umb kalt sei von den wazzern, die ob den himeln sint.wrleich mit urlaub, daz ist ain spot, wann kain wazzer ob den himeln ist.wr aber wazzer d, daz den stern frrt, daz frrot allermaist den gestirnten himel, und s wr er dann z kalt, daz er daz ertreich s gar durchfrret, daz kain fruht noch kain leben dar auf wol beleiben mht.und wenn diu hailig geschrift spricht, daz wazzer ob den himeln sei, daz verstn ich von dem cristallischen himel, der lauterm wazzer geleich ist, wan der ist ob dem gestirnten himel.gedenk niht, daz ich pezzer well sein wann Augustnus, wann er ht an seinem anvanch vil gesprochen, daz er hinden nch widersprochen ht.dar umb sprich ich, daz der stern Satjr an seinr aigenr ntr kalt ist, d mit in got beschaffen ht. [129]

2.

VAN DE HEMEL EN VAN DE ZEVEN PLANETEN.

 

1.

DE EERSTE VAN DE SATJAR (Saturnus).

 

Ik verlaat dat boek ordening in het Latijn, want het is hier geheel ongeordend en wil aanheffen als eerste van de hemels en van de planeten en daarna van de elementen. Vele meesters en allermeest de Christen en de Joden leraars zetten tien hemels boven elkaar. De eerste en de bovenste staat stil en walst niet. Die heet in Latijn empireum, dat is de vurige hemel, daarom dat het glinstert en schijnt met wonderlijke grote glans. Daarin rust God met zijn uitverkorenen. De andere hemel ter dal tegen ons heet de eerste walser of de kristal hemel, daarom dat het helder en zuiver is zoals een kristal en geen ster is aan dezelfde hemel. Die walst in een dag en in een nacht, dat is in vier en twintig stonden, eenmaal om en om dat aardrijk. De derde hemel heet te Latijn firmamentum, dat is de vaste hemel, daarom dat het een vesting en een grond is van alle zeer vele sterren. Die walst heen en weer van de zon ondergang tegen de zonsopgang en volbrengt zijn loop in zes en dertigduizend jaar een mal. Het heet ook de gesterde hemel.

Daarna zijn de zeven hemels der zeven planeten, [128] die hebben elk maar een ster. De eerste heet in Latijn Saturnus, dat is de Satjr, daarom dat het de vruchten en het leven tegen is en zal het terecht heten de Strjr of het hongerjaar; zo noemt men het in spot Satjr (want het verderft wijn en koren) recht als de een ongestelde mens engel heet. De ster is van zijn kracht koud en droog en is zijn licht donker en volbrengt zijn loop in dertig jaren. Plinius die spreekt: alle planeten gaan hun cirkel tot de linkerhand, uitgezonderd die ster die gaat altijd snel tot de rechterhand. Dat versta ik alzo dat het altijd staat dat grootste deel tegenover de zonsondergang, want het volgt de zon traag. Die nu zijn aangezicht keert tegen de hemelwagen en de rug tegen middendag die is de ster aan de rechterhand. Keert echter u de geest om in andere wijze zo is het ook waar, want het is niet anders gesproken dan dat de ster traag is. Dat is daarom, zoals Plinius spreekt, dat hem de gesterde hemel hindert in zijn omloop en daarom omdat het traag is zo is het des te koudere kracht, zijn snelle beweging is een zaak van de hitte. Echter Augustinus die spreekt over Genesis, dat boek, dat de ster daarom koud is van de wateren die boven de hemel zijn. Waarlijk, met verlof, dat is een spot want er geen water boven de hemel is. Was er echter water daar zodat de ster bevriest, dan bevriest allermeest de gesternde hemel en zo was het er dan zo koud zodat het dat aardrijk zo erg doorvroor dat geen vrucht noch geen leven daar op wil blijven mag. En wanneer het heilige schrift spreekt dat water boven de hemel is, dat versta ik van de kristallen hemel die het zuivere water gelijk is want die is boven de gesterde hemel. Denk niet dat ik beter wil zijn dan Augustinus want die heeft in zijn aanvang veel gesproken dat hij daarna tegen gesproken heeft. Daarom spreek ik dat de ster Saturnus aan zijn eigen natuur koud is waarmee hem God geschapen heeft. [129]

 

 

2.

VON DEM HELFVATER.

 

Der ander plant haizet Jupiter ze latein, daz ist ze dutsch helfvader, dar umb, daz der stern snftig ist, warm und trucken, niht sr, daz ist snftfuht.und diu zwai, wirm und snftfuhten, sint ain ursprinch und ain beschirmung des lebens.dar umb macht er allez ertreich frhtig und pringt guoteu jr, wenne er in seiner magenkraft ist und in seiner besten wonung.seind er nun dem Satjr wider ist mit seinen kreften, der sein vater haizt, dar umb, daz er ze nhst ob im ist, s haizt man in spttischen den helfvater, wan er hindert seinen vater mit seinen werken, oder er haizt dar umb der helfvater, daz er ain vater ist und ain helfer der frhten und des lebens auf erden.wan als der beduter spricht auf die sternkunst Marciani des maisters: wr kain ander stern wann der helfvater, s wrn alle menschen unttleich.daz verstn ich nch der ntr lauf, niht nch gotes willen. Marcianus spricht, daz der stern zuo allen dingen hailsam sei und ttlichen dingen gesunthait pring.der stern volpringt seinen lauf in zwelf jrn.

2.

VAN DE HELPVADER.

 

De andere planeet heet Jupiter in Latijn, dat is in Duits helpvader, daarom dat de ster zacht, warm en droog is niet zeer, dat is zacht vochtig. En die twee, warmte en zachte vochten, zijn een oorsprong en een bescherming van het leven. Daarom maakt het gehele aardrijk vruchtbaar en brengt goede jaren wanneer het in zijn verwante kracht is en in zijn besten woning. Sinds het nu Saturnus tegen is met zijn krachten die zijn vader heet, daarom omdat die er naast boven hem is zo noemt men hem in spot de helpvader want hij hindert zijn vader met zijn werken of het heet daarom de helpvader omdat hij een vader is en een helper der vruchten en het leven op aarden. Want zoals de verklaarder spreekt op de sterrenkunst Marciani, de meester: was er geen andere ster dan de helpvader dan waren alle mensen onsteferlijk. Dat versta ik naar de natuur loop en niet naar Gods wil. Marcianus spreekt dat de ster tot alle dingen heilzaam is en dodelijke dingen gezondheid brengt. De ster volbrengt zijn loop in twaalf jaren.

 

 

3.

VON DEM STREITGOT.

 

Der dritt plant haizt ze latein Mars, daz ist ze dutsch gehaizen der streitgot, dar umb, daz er von seinen kraft gar heiz und trucken ist.und wenn er in seinem aigenn satz ist, s hitzt er den menschen herz und ir ntr und macht si zornich.der stern ist rt reht als ain glender kol und volpringt seinen lauf in zwain jren.

3.

VAN DE STREID GOD.

 

De derde planeet heet in Latijn Mars, dat is in Duits geheten de streid god, daarom dat het van zijn kracht erg heet en droog is. En wanneer het in zijn eigen plaats is zo verhit hij het mensenhart en hun natuur en maakt ze toornig. De ster is rood recht als een gloeiende kool en volbrengt zijn loop in twee jaar.

 

4.

VON DER SUNNEN.

 

Der vierd plant haizt ze latein sol und ze dutsch diu sunne.der stern ist scheinend und leuhtend ber [130] all ander stern, als daz er mit seinem leiht des tages aller anderr stern lieht vertiligt, daz man ir niht siht.diu sunn vollepringt irn lauf in drein hundert tagen und in fnfundsehzig tagen und in ainem viertail ains tages.wenne diu sunne in irm aufganch des morgens rt scheint oder tunkel oder wenne si verporgen ist under den wolken, daz bezeichent regentage.wenne aber si des bendes rt scheint, s bedut ez den andern tag schn. Daz ist dar umb, daz si des bendes durch die wolken scheinet, die si mit ir under ht gezogen von unserm luft und ht den gerainget; aber wenne si des morgens durch die wolken scheinet, s ht si in unserm luft wolken vor ir und ist der luft treb.ist aber, daz si flach dunket als daz si mittelst scheint und daz si iren schein wirfet beseits gegen mittem tag und gegen den himelwagen, daz beut ain fuhtez weter windigez.ist si plaich n swerzen, daz bedut wint n regen. Diu sunne ht fnfzehen aigenchait.si ist scheinend an ir selber und strwet irn schein von ir auf andreu dinch.si ist ain prunn oder ain ursprinch der hitz.si zeuht die wolken an sich.si ist ain form oder ain gestalt der varb.si derluht den mnen.si pringt naht und tag.si macht die fruht zeitig.si trckent fuht gemachteu ding.si gt ein, tuost d auf.si zerflzet daz eis.si gefrwet gesundeu augen und betrebet krankeu augen.si gt auf und unter.si steigt hch und nider, wann in den sumer ist si hch, in dem winter ist si nider.die fnfzehen aigenchait vind wir an der auzerwelten sunnen, unserr frawen von himelreich.der Salomn spricht in der minne puoch: si ist auzderwelt als diu sunne.unser frawe ist scheinend an ir selber mit aller tugent, mit aller klrheit und mit aller slichait.dar umb spricht der minne puoch: wer ist diu dort her gt als der morgenrt, der des morgens aufprehend ist?ze dem ander ml strut unser frawe iren schein mit wunderleichen werken und mit guottten irr milten snftichait.des dritten mls ist si ain prunne der [131] hitz, daz ist der haizen liebe, wan wir werden entzunt von ir als von ainem ebenpild der lieb, seit wir wizzen, daz si ir kint s lieb het, als Ambrosius spricht: d si ir kint sach hangen vor ir an dem cruz, scholt ez sein gewesen, si het sich fr ez lzen cruzigen und martern und was berait under dem cruz ze sterben umb irn aingepornen sun.des vierden mls zeuht si die wolken an sich, daz sint die menschen, die d fliegent sam die wolken mit irn guoten werken und die d schreiend: zeuch mich nch dir!des fnften mls ist si ain gestalt der varb, wann in der vinster mag niemd verb erkennen, dar umb gibt daz lieht der varb ir gestalt und ir form.als tuot unser frawe, diu gibt den rewern und den pezern violisch varb, den martern rter rsen varb, den junkfrawen lielienvarb.ze dem sehsten ml erluht unser fraw den mnen, daz ist diu cristenhait, die d stt in irm geprechen, und d von singt diu christenhait von ir: d hst alle pshait und ketzrei allain verderbet.ze dem sibenden ml pringt unser fraw tag und naht, daz ist gend und gete den guoten, die widerkrn wellent, und ungend den, die irn namen unrent, als die verfluochten juden.des ahten mls macht unser frawe die fruht zeitich, wenn wir uns vleizen, daz wir mit tugenden ir geleichen.die tugent pringt si uns zuo ganzem guotem end.ze dem neunden ml trckent si fuhtgemachteu dinch, wenn wir von irn genden hert und std werden in unserm guoten frsatz und wir und grten mit der grteln der kuschait und der rainikait.des zehenden mls gt unser fraw ein, ist daz d auf tuost.wann tuost d den munt auf mit piten und mit loben, s gt si in dein sl und in dein herz mit genden und mit sezikait.ich waiz niemant, der si niht lob, wann den, der irr gnden und irr gb niht enpfangen ht.wizz daz gb und zuottichait vil lieb und lobs enzndet.ze den ainlften ml zerflzet si daz eis, daz ist si die trghait unserr gewizzen waicht und unser unrainez [132] herz in zher und in wainen ganzer rewe zerflzet.ze dem zwelften ml gefrwet si gesunden augen, daz ist, daz si die guoten gesunden christen derluht zuo der gend der himelischen frud.des dreizehenden mls betrebet si siu psen kranken augen, daz si niht mgen gesehen ir klrhait, daz sint die iren gedank und allen iren fleiz auf irdischen wollst legent, die mgent ir berflzzig gend und ir sez miltikait niht angesehen.ze dem vierzehenden ml gt si auf und under.wan in der gepurt irs rsten aingepornen suns unsers herren Js Christi gieng si auf in den tag der slichait allem menschleichem geslht und gieng under mit dem grzen mitleiden, daz si het in dem tde und in der marter irs lieben kindes.d naigt si sich und naigt sich heit zuo allen den herzen, diu ir leiden under dem cruz betrahtent.ze dem fnfzehenden ml swebt unser fraw hch und nider.si swebt des rsten hch, d si enpfangen wart von irm lieben kind in die wigen frud, und swebt d nch nider alle tag und alle zeit, wenne si ir gend uns armen sndern het nider geuzet auf ertreich, seind si unser frsprecherin ist vor dem obristen rihter.noch ist ain aigenchait der sunnen, daz si verr grzer ist wann daz ganz ertreich. Alfragnus der sternseher spricht, daz si hundert stunt und sehzig stunt grzer sei wann daz ganz ertreich.als ht unser frawe siben wirdichait an ir, d mit si alle irdische junkfrawen bertrift und d mit si derhht ist ber die kr der engel.die rst wirdichait diu ist, daz si kusch gelobte in der antwurt zuo dem englischen gruoz, wan d der engel sprach: sich, d zuogefchst und gepirst ain kindlein, d sprach si: wie geschiht daz, seind ich kainen man erkenne?daz ist s vil gesprochen, sam die lrer sagent, ich wil kainen man nmmer derkennen.als setz wir oft den spruch der gegenwrtichait fr den spruch der knftichait, als wenn d mich ladest auf den knftigen samstag zuo flaisch, s sprich ich: ich izz niht flaisch an dem samstag, daz ist: [133] ich wil sein niht ezzen an dem knftigen samstag.diu ander wirdichait ist, daz si raineu magt swanger was.dar umb sprach der engel zuo ir: der hailig gaist der kmpt in dich, als er sprch: d von wirst d swanger n mnleich gesellschaft.diu dritt wirdichait ist, daz si got gepar, und d von sprach Ovidius von ir und von irm kind: ain nieuwez kindel wirt iezund her ab gelzen von dem hhen himel.nu schaw, wie gar slicleichen sich unser fraw fr ht gesehen, daz si ir selber ht daz pest tail auzerwelt von zwain wesen, von der und von der kuschait.diu ht zwuo aigenchait an ir selber: si ist fruhtpr und ist unsauber in den werken irr frhten.s ht diu kuschait auch zwuo aigenchait, wan si ist unfruhtpr und ist sauber oder rain.nu ht unser fraw auz der genomen frhtichait und von der kusch reinikait.die andern zwai ht si gelzen,diu vierd wirdichait ist, daz si alle ir tag belaib n mail, wann d si ain arch was und ain auzerwelter sal des obristen gotes, d was pilleich, daz daz gtleich vaz all zeit smekt nch dem schatz, der d inne was.und d von spricht sant Augustn in dem puoch van der gete der : alle die geporn werden von Adam und Even, die sint gepunden ze sprechen: vergib uns unser schuld, n die sligen junkfrawen.d wil ich nihts von sprechen noch wil ir gedenken, wenne man von den snden sagt, durch die re unsers herren, die er an si ht gelegt.diu fnft wirdichait ist, daz si gesliget ist mit allen tugenden, dar umb sprach der engel: gegrezt pist d voller genden, und spricht auch Salomn von ir, als ob si von ir selber sprch: in mir ist alliu gend des rehten weges und der wrhait.diu sehst wirdichait ist, daz si irm sun gepeut als ain muoter irm kind gepieten schol, und d von spricht maister Adam von Sant Victor in seiner sequenzien von unser frawen: ora patrem, jube nato, daz spricht: pit den vater, gepeut dem sun.diu sibend wirdichait ist entsprungen von den allen und ist, daz si [134] derhhet ist ber all himel, d si enpfangen wart mit leib und mit sl in die wigen frud.dar umb spricht Johannes in der taugen puoch von ir: der mn ist under irn fezen, daz ist alliu wandeleicheu cratr.

4.

VAN DE ZON.

 

De vierde planeet heet in Latijn sol en in Duits de zon. Die stern is schijnend en lichtend over [130] alle andere sterren alzo dat het met zijn licht op de dag alle andere sterren licht verdelgt zodat man ze niet ziet. De zon volbrengt zijn loop in drie honderd dagen en in vijf en zestig dagen en in een vierde deel van een dag. Wanneer de zon in zijn opgang s morgens rood schijnt of donker of wanneer ze verborgen is onder de wolken, dat betekent regendag. Wanneer echter ze s avonds rood schijnt zo betekent het de andere dag schoon. Dat is daarom dat ze s avonds door die wolken schijnt die ze met hen onder heeft getrokken van onze lucht en heeft het dan geregend; echter wanneer ze s morgens door die wolken schijnt zo heeft ze in onze lucht wolken voor zich en is de lucht troebel. Is echter dat ze vlak donker wordt alzo dat ze midden schijnt en dat ze haar schijn werpt bezijden tegen midden dag en tegen de hemelwagen dat betekent een vochtig weer en winderig. Is ze bleek zonder zwartheid, dat betekent wind zonder regen. De zon heeft vijftien eigenschappen. Ze is schijnend aan zichzelf en strooit haar schijn van haar op andere dingen. Ze is een bron of een oorsprong van de hitte. Ze trekt die wolken aan zich. Ze is een vorm of een gestalte van de kleur. Ze verlicht de maan. Ze brengt nacht en dag. Ze maakt de vruchten rijp. Ze droogt vochtig gemaakte dingen. Ze gaat in, doet u open. Ze vloeit dat ijs. Ze verheugt gezonde ogen en vertroebelt zwakke ogen. Ze gaat op en onder. Ze stijgt hoog en neer want in de zomer is ze hoog en in de winter is ze neer. Die vijftien eigenschappen vinden we aan de uitverkoren zon, onze vrouw van hemelrijk. Salomon spreekt in het minnen boek: ze is uitverkoren als de zon. Onze vrouw is schijnend aan zichzelf met alle deugden, met alle helderheid en met alle zaligheid. Daarom spreekt het minnen boek: wie is die daarheen gaat zoals het morgenrood die s morgens oplicht? In de andere keer strooit onze vrouw haar schijn met wonderlijke werken en met weldaden van haar milde zachtheid. De derde keer is ze een bron der [131] hitte, dat is de hete liefde, want we worden ontstoken van haar zoals van een evenbeeld der liefde sinds we weten dat ze haar kind zo lief heeft zoals Ambrosius spreekt: toen ze haar kind zag hangen voor haar aan dat kruis, zal het geweest zijn, ze heeft zich voor hem laten kruisigen en martelen en was bereid onder het kruis te sterven vanwege haar een geboren zoon. De vierde maal trekt ze de wolken aan zich, dat zijn de mensen die daar vliegen zoals de wolken met haar goede werken en die daar schreien: trek me naar u! De vijfde keer is ze een gestalte van de kleur want in het duister mag niemand kleur herkennen, daarom geeft dat licht de kleur haar gestalte en haar vorm. Alzo doet onze vrouw, die geeft de berouwen en boetelingen vioolachtige kleur, de martelaren rode rozenkleur, de jonkvrouwen lelies kleur. De zesde maal verlicht onze vrouw de maan, dat is de christenheid die daar staat in zijn gebreken en daarvan zingt de christenheid van haar: u heeft alle boosheid en ketterij alleen verdorven. De zevende maal brengt onze vrouw dag en nacht, dat is genade en goedheid de goede die terugkeren willen en ongenade die haar naam onteren zoals die vervloekte Joden. De achtste keer maakt onze vrouw die vruchten rijp wanneer we ons vlijen dat we met deugden op haar lijken. De deugd brengt ze ons tot een erg goed einde. De negende maal droogt ze vochtig gemaakte dingen wanneer we van haar genaden hard en standvastig worden in onze goede voornemens en we ons omgorden met de gordels der kuisheid en de reinheid. De tiende maal gaat onze vrouw in, is het dat u open doet. Want u doet uw mond open met bidden en met loven ze gaat ze in uw ziel en in uw hart met genaden en met zoetheid. Ik weer niemand die haar niet looft dan die die haar genaden en haar gaven niet ontvangen heeft. Weet dat gaven en goede daden veel liefde en lof ontsteken. Als de elfde maal lost ze op dat ijs, dat is ze de traagheid van ons geweten weekt en ons onreine [132] hart in taaiheid en in wenen ganse berouw oplost. Als twaalfde maal verheugt ze gezonde ogen, dat is dat ze de goede gezonde christen verlicht tot de genade der hemelse vreugde. De dertiende keer vertroebelt ze boze zwakke ogen zodat ze niet mogen gezien haar helderheid, dat zijn die hun gedachten en al hun vlijt op aardse wellust leggen, die mogen haar overvloedige genade en haar zoete milddadigheid niet aanzien. Als veertiende maal gaat ze op en onder. Want in de geboorte van haar eerste en een geboren zoons onze heer Jezus Christus ging ze op in de dag der zaligheid van alle menselijke geslacht en ging onder met dat grote medelijden dat ze had in de dood en in de marteling haar lieve kind. Toen neigde ze zich en neigt zich heden tot allen die harten die haar leiden onder het kruis betrachten. Als vijftiende keer zweeft onze vrouw hoog en neer. Ze zweeft als eerste hoog toen ze ontvangen werd van haar lieve kind in de eeuwige vreugde en zweeft daarna neer alle dagen en alle tijden wanneer ze haar genade op ons arme zondaars neer giet op het aardrijk sinds dat ze onze voorspreekster is voor de hoogste rechter. Noch is er een eigenschap van de zon dat ze ver groter is dan dat ganse aardrijk. Alfraganus, de sterziener, spreekt dat ze honderd en zestig maal groter is dan dat ganse aardrijk. Alzo heeft onze vrouw zeven waardigheden aan haar waarmee ze alle aardse jonkvrouwen overtreft en waarmee ze verhoogd is boven het koor van de engelen. De eerste waardigheid die is dat ze kuisheid beloofde in het antwoord op de engel groet want toen de engel sprak: zie, u ontvangt en baart een kindje, toen sprak ze: hoe geschiedt dat sinds dat ik geen man beken? Dat is zoveel gesproken zoals de leraars zeggen, ik wil geen man nimmer erkennen. Alzo zetten we vaak de spreuk der tegenwoordigheid voor de spreuk der toekomendheid als wanneer u me verlaadt op de komende zaterdag tot vlees dan spreek ik: ik eet geen vlees op de zaterdag, dat is: [133] ik wil dat niet eten de komende zaterdag. De andere waardigheid is dat ze reine maagd zwanger was. Daarom sprak de engel tot haar: de Heilige Geest die komt in u, toen hij sprak: daarvan wordt u zwanger zonder mannelijk gezelschap. De derde waardigheid is dat ze God baarde en daarvan sprak Ovidius van haar en van haar kind: een nieuw kindje wordt nu hier af gelaten van de hoge hemel. Nu zie hoe erg zalig zich onze vrouw voor heeft gezien dat ze zichzelf heeft dat beste deel uitverkoren van twee wezen, van de eer en van de kuisheid. De eer heeft twee eigenschappen aan zichzelf: ze is vruchtbaar en is onzuiver in de werken van haar vruchten. Zo heeft de kuisheid ook twee eigenschappen want ze is onvruchtbaar en is zuiver of rein. Nu heeft onze vrouw uit de eer genomen vruchtbaarheid en van de kuisheid reinheid. Die andere twee heeft ze gelaten. De vierde waardigheid is dat ze al haar dagen bleef zonder man, want toen ze een ark was en een uitverkorene getal der hoogste God toen was billijk dat de goddelijke vader altijd smeekte naar de schat die daarin was. En daarvan spreekt sint Augustinus in het boek van het goede van de eer: alle die geboren worden van Adam en Eva die zijn gebonden te spreken: vergeef ons onze schuld, zonder die zalige jonkvrouw. Daar wil ik niets van spreken, noch wil haar gedenken wanneer man van de zonden zegt door de eer van onze heer die hij aan haar heeft gelegd. De vijfde waardigheid is dat ze gezaligd is met alle deugden, daarom sprak de engel: gegroet bent u volle genade en spreekt ook Salomon van haar alsof ze van zichzelf sprak: in mij is alle genade van de rechte weg en de waarheid. De zesde waardigheid is dat ze haar zoon gebood als een moeder haar kind gebieden zal en daarvan spreekt de meester Adam van Sint Victor in zijn vervolg van onze vrouw: ora patrem jube nato, dat spreekt: bid de vader, gebiedt de zoon. De zevende waardigheid is ontsprongen van die allen en is, dat ze [134] verhoogd is over alle hemels toen ze ontvangen werd met lijf en met ziel in de eeuwige vreugde. Daarom spreekt Johannes in het deugden boek van haar: de maan is onder haar voeten, dat zijn alle wandelende creaturen.

 

5.

VON DEM MORGENSTERN.

 

Der fnft plant haizt Venus ze latein und haizt ze dutsch der morgenstern, wenn er des morgens aufgt vor der sunnen, oder haizt der mettenstern dar umb, daz er ze mettenzeit gar mit klrem lieht durch die wolken her prehet.er haizt auch der bentstern, wenne er des bendes auf gt nch der sunnen underganch, und haizt auch dann der tierstern, dar umb, daz diu wilden tier dann her fr gnt auz den wlden und auz den hlnr und ir waid dann suochent, diu des tages niht her fr getorsten.er haizt auch der minnenstern dar umb, daz er seineu kint, ez sei fraw oder man, minnenzm macht, und dar umb haizent die hofierer der minnen gtinne Venus.daz ist des rsten von dem stern genommen.dar umb spricht manger: Venus hilf auz!der niht waiz, waz Venus ist.er haizt auch ze latein Lucifer, daz ist ze dutsch liehttrager, dar umb, daz er ain minnecleichez lieht pringt, daz ain iegleich herz gefrwet, daz in eben an siht.der stern volpringt seinen lauf in dreinhundert tagen und in ahtundvierzig tagen, vil nch geleich der sunnen.der stern ht aht edel aigenchait.diu rst ist, daz er ain schn lieht tregt.diu ander, daz er taw pringt.diu dritt, daz er von seinen schnen lieht der menschen herz gefrwet, die in an sehent.diu vierd ist, daz er wacht, daz ist, daz er wachend macht und die lut aufstnt gegen dem tag.diu fnft ist, daz er zimleich ist und lustig an ze sehen.diu sehst ist, daz er vor der sunnen aufgt des morgens.diu sibent ist, daz er dem mnen volgt in seinem scheingeprechen, wenn der [135] mn von der sunnen hindan kmpt fr den morgenstern.die aht ist, daz er in dem winter scheint und in dem sumer niht scheint des morgens. Pei dem morgenstern verstn wir ainen iegleichen hailigen lrer, der den luten daz gotswort vorsagt und dar nch wrket und lebt.der ht die aht aigenchait an im.des rsten tregt er ain schn lieht, dar umb spricht unser herre zuo seinen zwelf boten und allen seinen jungern: ir seit ain lieht der werlt, und sprcht auch zuo in: ewer werk diu slnt scheinen, und mr spricht er: prinnend luhter slnt sein in ewern henden.dar umb sint die hailigen lrer luhtend an in selber mit allen tugenden.diu ander aigenchait ist, daz si taw pringent met dem hailigen gotswort, daz tawet in die andhtigen herzen und pringt dar ainne pluomen und frht der wigen slichait.dar umb spricht sanctus Gregorius: daz vinster wazzer in den wolken des luftes ist diu vinster kunst in den sprchen der weissagen.die dritt aigenchait ist, daz die hailigen lrer mit irm schnem lieht, daz ist mit irm rainen leumund und mit irm rhaften wandel fr machent den, der d sitzet in der vinster der snden und der trhait.die vierd ist, daz si wachent alle stunt gegen gotes vorht.dar umb spricht unser herre: slig ist der kneht, den sein herre wachend vindet, wenn er zuo ime kmpt.die fnft ist, daz er lustig ist an ze sehen ain iegleich hailiger lrer von menschleicher vernunft, wann er plet herzecleichen schn in tugenden und in werken reht als ain wolgeladen mandelpaum in dem maien.die sehst ist, daz er vor der sunnen aufgt, wann ain iegleich hailiger lrer gt vor der gtleichen sunnen der obristen gerehtikait reht sam ain ritter vor seinem herren, der seins herren veint ttt mit ainem zwischarpfen swert, daz ist, daz die hailigen lrer die menschen ttent in die werltleichen werken und si lebendig machent in got.diu sibent ist, daz der hailig lrer dem mnen volget in seinem scheingeprechen, daz ist, daz er mitleidend ist der christenhait in irer krankhait. [137] dar umb spricht sant Paulus: wer siht und ich niht sihe?die aht ist, daz der hailig lrer in dem winter scheint und in dem sumer niht, daz ist: in den leiden durch gotes willen scheint er mit der hitz des starken gtleichen gelauben und der selb schein ist oft verporgen gegen den luten, wenn die hailigen lrer in gemacht sint n anvehtung.

5.

VAN DE MORGENSTER.

 

De vijfde planeet heet Venus in Latijn en heet in Duits de morgenster, want het s morgens opgaat voor de zon of heet de mettenster, daarom dat het met mettentijd geheel met helder licht door de wolken brandt. Het heet ook de avondster, want het s avonds opgaat na de zonsondergang en heet ook dan de dierster, daarom omdat de wilde dieren dan voortkomen uit de wouden en uit de holen en hun weide dan zoeken die op de dag niet voort durfden. Het heet ook de minnester, daarom dat het zijn kind, hetzij vrouw of man, minzaam maakt en daarom noemen die hofmakers het de minnen godin Venus. Dat is het eerste van de ster genomen. Daarom spreken velen: Venus help ons er uit! die niet weten wat Venus is. Het heet ook in Latijn Lucifer, dat is in Duits lichtdrager, daarom dat er een minnelijk licht brengt dat elk hart verheugt dat het even aanziet. De ster volbrengt zijn loop in drie honderd dagen en in acht en veertig dagen, bijna gelijk de zon. De ster heeft acht edele eigenschappen. De eerste is dat het een schoon licht draagt. De andere dat het dauw brengt. De derde dat het van zijn schoon licht het mensen hart verheugt die hem aanzien. De vierde is dat hij waakt, dat is dat hij wakker maakt en de lieden opstaan tegen de dag. De vijfde is dat het matig is en lustig aan te zien. De zesde is dat hij voor de zon opgaat s morgens. De zevende is dat het de maan volgt in zijn glansloosheid wanneer de [135] maan achter de zon komt voor de morgenster. De achtste is dat het in de winter schijnt en in de zomer niet schijnt s morgens. Bij de morgenster verstaan we elke heilige leraar die de lieden dat Gods woord voorzeggen en daarnaar werkt en leeft. Die hebben die acht eigenschappen aan hen. Als eerste draagt het een schoon licht, daarom spreekt onze heer tot zijn twaalf boden en al zijn jongeren: u bent een licht der wereld, en spreekt ook tot hen: uw werk die zal schijnen, en meer spreekt hij: brandende lichten zullen zijn in uw handen. Daarom zijn die heilige leraars lichtend aan zichzelf met alle deugden. De andere eigenschap is dat ze dauw brengen met het heilige Gods woord dat dauwt in de aandachtige harten en brengt daarin bloemen en vruchten van de eeuwige zaligheid. Daarom spreekt sint Gregorius: dat duistere water in de wolken van de lucht is de duistere kunst in de spreuken die wijs zeggen. De derde eigenschap is dat de heilige leraars met hun schoon licht, dat is met hun reine roep en met hun eerbare wandel vrolijk maken diegene die daar zit in het duister der zonden en de dwaasheid. De vierde is dat ze waken alle stonden tegen Gods vrees. Daarom spreekt onze heer: zalig is de knecht die zijn heer wakend vindt als hij tot hem komt. De vijfde is dat het lustig is aan te zien elk heilige leraar van menselijk verstand want hij bloeit hartelijk schoon in deugden en in werken net zoals een goed geladen amandelboom in mei. De zesde is dat hij voor de zon opgaat, want elke heilige leraar gaat voor de goddelijke zon de hoogste gerechtigheid net zoals een ridder voor zijn heer die zijn heers vijand doodt met een twee snijdend zwaard. Dat is, dat de heilige leraars die mensen doden in de wereldse werken en ze levend maken in God. De zevende is dat de heilige leraren de maan volgen in zijn glansloosheid, dat is dat hij medelijdend is de christenheid in zijn zwakte. [137] Daarom spreekt sint Paulus: wie ziet en ik niet zie? De achtste is dat de heilige leraars in de winter schijnen en in de zomer niet, dat is: in het leiden door Gods wil schijnen ze met de hitte van het sterke goddelijke geloof en diezelfde schijn is vaak verborgen tegen de lieden, want die heilige leraars zijn er in gemaakt onder aanvechting.

 

6.

VON DEM KAUFHERREN.

 

Des sehst plant ist ze latein gehaizen Mercurius, daz ist ze dutsch der kaufherre oder der kaufleut herre, dar umb, daz sein kint, die er macht in der muoter leib, wol gesprch sint, wann wolgesprchikait gehrt die kauflut an.er haizt auch in kriechisch stilbn, daz ist ze dutsch guot trpfel, dar umb, daz er guot gend geuzet und eintropft den kinder, der herr er ist.der stern volpringt seinen lauf in dreinhundert tagen und in sehsunddreizig tagen oder vil nhen d pei.ez sprechent auch etleich, daz er gelck hab ze geben auf kaufmanschaft.

6 .

VAN DE KOOPHEER.

 

De zesde planeet is in Latijn geheten Mercurius, dat is in Duits de koopheer of de kooplieden heer, daarom dat zijn kind die hij maakt in het moeder lijf goed bespraakt is, want welbespraaktheid behoort de kooplieden toe. Het heet ook in Grieks stilbon, dat is in Duits goede druppel, daarom dat het goede genade giet en indruppelt in de kinderen diens heer hij is. De ster volbrengt zijn loop in drie honderd dagen en in zes en dertig dagen of dicht daarbij. Er spreken ook ettelijke dat hij geluk heeft te geven op koopmanschap.

 

7.

VON DEM MONEN.

 

Der sibend plant und der aller niderst gegen uns haizt ze latein Luna und ist ze dutsch als vil gesprochen als ain frmdliehter, dar umb, daz der mn sein lieht nimpt von der sunnen und an im selber kain aigen lieht ht.iedoch sprechent etleich alt maister, daz des mnen kugel ain halbtail schein hab mit inwendigen aigem lieht und daz ander halptail vinster, und daz sich diu kugel n underlz umbreid, unz daz uns daz lieht halptail schein, und dar nch werd daz vinster tail gegen uns gekrt.daz is falsch und widersprechent ez die grzen maister und sant Augustn in ainem sendprief, den er sant seinem [137] freund Januario, spricht, daz der mn erluht werd von der sunnen.der mn verleust seinen schein, wenn daz ertreich gerihts ist gesatzt zwischen dem mn und der sunnen: s mag diu sunne irn schein niht gewerfen auf den mnen.dar umb muoz er denn n schein sein.wenne der mn geleich gegen der sunnen ber ist, s ist er vol; wenn aber in diu sunn beseits an schilhet, s ist er niht ganz vol, und wenn er gar under der sunnen ist, s ht er niendert kain lieht an dem tail, daz gegen uns gekrt ist, dar umb, daz des mnen kugel dicke ist und vinster und mag der sunnen lieht niht genemen durch sich, als ain glas oder ain ander durchscheinendes dinch.der mn volpringt seinen lauf in dreizig tagen, als spricht unser puoch, oder in sibenundzwainzig tagen und in aht stunden, als die sternseher sprechent, der mn ist verr klainer denne diu sunne, aber er scheint uns als grz dar umb, daz er uns verr nhender ist wan diu sunne, dar umb, daz zwn himel zwischen der sunnen himel sint und des mnen himel, als hie vor gesait ist, wann des morgenstern himel und des sprechherren himel sint d zwischen.der mn ht in im zwarz flecken, und sprechent die laien, ez sitz ain man mit ainer dornprd in dem mnen.daz ist aber niht wr; ez ist dar umb, daz der mn an den stucken dicker ist an seinem antltz wann an andern enden, und dar umb nimt er d selben der sunnen schein niht, d von scheinent uns diu selben stuck vinster.der mn ist ain vater und ain maister aller fuhten, und dar umb sint etsleich wazzer gegen der sunnen aufganch, die aufnement und abnement nch des mnen aufnemen und abnemen, wann alliu fuhten wehst wenn der mn wehst, si sie an gesellten dingen oder an ungesellten dingen.auch all fuht wtagen mrent sich, als diu wazzershte und smleich siehtum, und dar umb sint etleicher tier leip sterker wann der mn aufnimt wan s er abnimt, als man siht an den wolfen, wann si jagent denne mr wan ander zeit, und die [138] slingenden wrm, die vergiftich sint, die sint denne schedleicher wan ander zeit.daz hr wechst auch zder zeit mr wan zuo ander zeit, und als lang der mn gt von der sunnen aufganch unz an dat mittel tail des himels, als lang gnt alliu mertier und alliu slingendiu tier auz iren wonungen, und wenn der mn sich naigt zuo seinem undervallen, s verpergent si sich.wizze, daz diu naht, als Aristotiles spricht, wermer ist s der mn vol ist wann ander nht; daz ist dar umb, daz der mn denne grzern schein ht. Albumasar der sternseher spricht: ist daz ain mensch lang sitzt oder slft des nahtes an dem mnschein, s wirt ez trg und swr und wirt huostend und wirt oft im daz haupt flzzich und wtuond.ist auch daz der mnschein tter tier flaisch begreift, daz macht er unsmeckend. ez spricht auch unser puoch, ist daz des mnen schein durch ain engez fenster gt auf ains zerprochen pfrdes geswer auf dem rucken, ez stirbt, und strb niht, stend ez an der weiten in dem mnschein.des menschen haupt und sein hirn verwandelnt sich auch vast nch des mnen lauf, als wir sehen an den, die ir unsinne gewinnent und verliesent nch des mnen lauf.der mn rt und plaich bedut mangerlai weter, als vor gesprochen ist von der sunnen.der mn kelt der sunnen hitz und erluht die naht und ist der erden aller nhst under allen sternen.iedoch mgen wir alle aigenchait des mnen besliezen mit zehen dingen, diu an unser frawen sint.

Daz rst ist, daz der mn ist ain vater aller fuhten; als ist unser frawe ain muoter aller genden, als vor gesprochen ist von der sunnen.daz ander ist, daz der mn kelt der sunnen hitze; als fuhtigt unser frawe den zorn des obristen rihters, als wir vinden geschriben von Theophilo, der sich dem teuvel het ergeben und gotes verlaugent, den prht unser frawe wider, als si mangen snder widerprht ht.daz dritt ist, daz der mn seinen schein verleust wenn er die sunnen verleust; als ver [139] ls unser frawe iren schein kintleicher gegenwrtichait und kintleicher fruden, d ir kint, diu wr sunn der gerehtikait, starb an dem crusz.dar umb schreibt Lucas daz Simeon hinz ir sprach in dem tempel: ain swert wirt dringen durch dein sl.d maint er daz swert des pittern smerzen, den si d lait.daz vierd ist, daz diu sunn dem mnen schein gibt; als gab unser herr unserr frawen schein und gend, d er ir seinen hailigen gaist sant, und d von sprechent etleich lrer, daz Josep ir antltz niht entorst angesehen die weil si swanger was, und spricht auch Mathus, daz Jesep si niht erkante unz daz si genas ires rstgepornen suns.daz fnft ist, daz der mn die naht erluht; als erluht unser frawe die hailigen christenhait, als man von ir singet: frewe dich, Mari rianeu magt, wan d hst allain alle ketzerei vertilgt.daz sehst ist, daz der mn die werlt erluht wenne diu sunne hin ist, wann wenne die sunne under der erden ist und der mn dar ob, s verstt der mn der sunnen stat.als tet unser frawe, d unser herr ze himel fuor: d liez er unser frawen hie niden seinen jungern zuo ainem trst und zuo ainer luhtenden anweisung.dar umb sprechent die hailigen lrer, daz Lucas von irem mund hab geschriben die wangeli.daz sibent ist, daz der mn under allen planten dem ertreich aller nhst ist; als ist unser frawe under allen hailigen uns aller gendigst und ist ain mittlerin und ain fridsprecherin zwischen got und dem snder.daz aht ist, daz der mn wehst und aufnimpt; als wuohs unser frawe und nam auf von der zeit als ir got geknt wart, und daz aufnemen wart volprht, d si sein genas.si nam auch ab, als vor gesprochen ist, an gegenwrtigen trst irs kindes, d si daz verls auf erden.d nch nam si nmmer mr ab unz daz si enpfangen wart in die wigen frud, wann d ist si diu allerschnist ob allen frawen und diu allerliebst dem obristen kaiser n allen geprechen in ganzer volkumenkait.daz neund ist, daz der mn scheint und [140] luht; als scheint unser frawe mit kuschhait und mit klrhait des leibes und der sl, daz ist mit zwairlai klrhait, und dar umb haizt si ir lieb zwirschn in der minnen puoch, d er zuo ir spricht: wie gar schn d pist mein freundin, wie gar schn d pist!daz zehend ist, daz der mn tailt die zeit mit seinem lieht; als tailt unser frawe die zeit der genden und der ungenden, wann si ht uns prht die zeit der genden und ht vertilgt die zeit der ungenden.

7.

VAN DE MAAN.

 

De zevende planeet en de aller laagste tegen ons heet in Latijn Luna en is in Duits zoveel gesproken als een vreemd licht, daarom dat de maan zijn licht neemt van de zon en van zichzelf geen eigen licht heeft. Toch spreken ettelijke oude meesters dat de maankogel een haf deel schijn heeft met inwendig eigen licht en dat andere halve deel duister en dat zich de kogel zonder te stoppen omdraait totdat ons dat lichte halve deel schijnt en daarna wordt dat duistere deel tegen ons gekeerd. Dat is vals en weerspreken het de grote meesters en sint Augustinus in een zendbrief die hij zond naar zijn [137] vriend Januario en spreekt dat de maan verlicht wordt van de zon. De maan verliest zijn schijn wanneer dat aardrijk recht is gezet tussen de maan en de zon: dan mag de zon zijn schijn niet werpen op de maan. Daarom moet het dan zonder schijn zijn. Wanneer de maan gelijk tegenover de zon is zo is het vol; wanneer echter hem de zon bezijden aan schuilt zo is het niet gans vol en wanneer hij geheel onder de zon is zo heeft hij nergens een licht aan dat deel dat tegen ons gekeerd is, daarom dat de maankogel dik is en duister en mag het zonlicht niet nemen door zich zoals een glas of een ander doorschijnend ding. De maan volbrengt zijn loop in dertig dagen, alzo spreekt ons boek, of in zeven en twintig dagen en in acht stonden zoals die sterzieners spreken. De maan is ver kleiner dan de zon, echter hij schijnt ons alzo groot, daarom dat er ons ver dichterbij is dan de zon, daarom dat er twee hemels tussen de zonhemel zijn en de maan hemel, zoals hiervoor gezegd is, want de morgenster hemel en de spreekheer hemels zijn daartussen. De maan heeft in hem zwarte vlekken en spreken de leken er zit een man met een dorenbos in de maan. Dat is echter niet waar; het is daarom dat de maan aan die stukken dikker is aan zijn aangezicht dan aan andere einden en daarom neemt het daar de zon schijn niet, daarvan verschijnt ons datzelfde stuk duister. De maan is een vader en een meester van alle vochten en daarom zijn ettelijke wateren tegen de zonsopgang die toenemen en afnemen naar de maan toenemen en afnemen, want alle vochten groeien wanneer de maan groeit, ze zijn aan bezielde of aan onbezielde. Ook alle vochtig pijndagen vermeerden zich zoals de waterzucht en dergelijke ziektes en daarom zijn ettelijke dieren lijven sterker wanneer de maan toeneemt dan het afneemt zoals men ziet aan de wolven want ze jagen dan meer dan andere tijd en die [138] slingerende wormen die vergiftig zijn die zijn dan schadelijker dan andere tijd. Dat haar groeit ook in die tijd meer dan in andere tijd en zolang de maan gaat van de zonsopgang tot aan dat middelste deel van de hemels, zolang gaan alle zeedieren en alle slingerende dieren uit hun woningen en wanneer de maan zich neigt tot zijn neervallen zo verbergen ze zich. Weet dat de nacht zoals Aristoteles spreekt warmer is zo de maan vol is dan andere nachten; dat is daarom dat de maan dan grotere schijn heeft. Albumasar, de sterrenkijker spreekt: is dat een mens lang zit of slaapt s nachts aan de maanschijn zo wordt hij traag en zwaar en wordt hoestend en wordt vaak hem dat hoofd vloeiend en pijn doet. Is ook dat de maanschijn dood dieren vlees begrijpt dat maakt het onsmakelijk. Er spreekt ook ons boek is het dat de maanschijn door een eng venster en gaat op een gebroken paardenzweer op de rug, hij sterft en sterft niet stond hij aan de weiden in de maanschijn. Het mensenhoofd en zijn hersens veranderen zich ook vast naar de maan loop zoals we zien aan diegene die hun onzin winnen en verliezen naar de maanloop. De maan rood en bleek betekent menigvuldige weer zoals voor gesproken is van de zon. De maan koelt de zon hitte en verlicht de nacht en is de aarde aller naast onder alle sterren. Toch mogen we alle eigenschappen van de maan besluiten met tien dingen die aan onze vrouw zijn.

De eerste is dat de maan een vader is van alle vochten; alzo is onze vrouw een moeder alle genaden, zoals voor gesproken is van de zon. De andere is dat de maan koelt de zon hitte; alzo bevochtigt onze vrouw de toorn van de hoogste rechter zoals we vinden geschreven van Theophilo die zich het euvel heeft begeven en God verloochende, die bracht onze vrouw weer zoals ze vele zondaars weer gebracht heeft. De derde is dat de maan zijn schijn verliest wanneer het de zon verliest; alzo verloor [139] onze vrouw haar schijn kinderlijke tegenwoordigheid en kinderlijke vreugde toen haar kind, de ware zon der gerechtigheid, stierf aan het kruis. Daarom schrijft Lucas dat Simeon tot haar sprak in de tempel: een zwaard zal dringen door uw ziel. Daar bedoelde hij dat zwaard der bittere smarten die ze daar leed. De vierde is dat de zon de maan schijn geeft; alzo geeft onze heer onze vrouw schijn en genade toen hij zijn Heilige Geest zond en daarvan spreken ettelijke leraren dat Jozef haar aangezicht niet durfde aan te zien die tijd dat ze zwanger was en spreekt ook Matthes dat Jozef haar niet bekende totdat ze genas van haar eerst geboren zoon. De vijfde is dat de maan die nacht verlicht; alzo verlicht onze vrouw de heilige christenheid zoals men van haar zingt: verheug u Maria, reine maagd, want u heeft alleen alle ketterei verdelgd. De zesde is dat de maan de wereld verlicht wanneer de zon weg is want wanneer de zon onder de aarde is en de maan daarboven zo staat de maan in de zon zijn plaats. Alzo deed onze vrouw toen onze heer naar de hemel voer: toen liet hij onze vrouw hier beneden bij zijn jongeren tot een troost en tot een lichtende aanwijzing. Daarom spreken die heilige leraars dat Lucas van haar mond heeft geschreven het evangelie. De zevende is dat de maan onder alle planeten het aardrijk aller naast is; alzo is onze vrouw onder alle heilige ons aller genadigste en is een bemiddelaarster en een vrede spreekster tussen God en de zondaar. De achtste is dat de maan groeit en afneemt; alzo groeide onze vrouw en nam op van de tijd toen haar God aangekondigd was en dat afnemen werd volbracht toen ze van hem genas. Ze nam ook af, zoals voor gesproken is, aan tegenwoordige troost van haar kind toen ze die verloor op aarde. Daarna nam ze nimmer meer af totdat ze ontvangen werd in de eeuwige vreugde want daar is ze de allerschoonste boven alle vrouwen en de allerliefste de hoogste keizer zonder alle gebreken in ganse volkomenheid. De negende is dat de maan schijnt en [140] verlicht; alzo schijnt onze vrouw met kuisheid en met helderheid van het lijf en de ziel, dat is met twee soorten helderheid en daarom noemt haar geliefde haar tweemaal schoon in het minnen boek daar hij tot haar spreekt: hoe erg schoon u bent mijn vriendin, hoe erg schoon u bent! Dat tiende is dat de maan deelt de tijd met zijn licht; alzo deelt onze vrouw de tijd der genade en de ongenade want ze heeft ons gebracht de tijd der genade en heeft verdelgd de tijd der ongenade.

 

8. VON DEN PLANTEN IN AINER GEMAIN.

 

Daz sint die siben planten, als si nch ainander hie gesetzt sint, reht als ir siben himel ob ainander stnt, und ist ain plant als vil gesprochen in kriechischer sprch als ain irrgnder stern oder als ain selbwalzender stern dar umb, daz die siben stern von in selber walzend sint in irn aigen himelu und niht gesetzt sint an den gestirnten himel.

Nu wil ich niht mr d von sagen, wann wer mr d von well wizzen, der zeug im und les daz dutsch puoch, daz ich hn gemacht von der gestalt der welt, und haizet die dutsch Spera, und hebt sich an:

flzz in mich aller gnden runst,

D vint man vil hbscher dinge inn.

8. VAN DE PLANETEN IN EEN ALGEMEEN.

 

Dat zijn de zeven planeten zoals ze na elkaar hier gezet zijn, recht zoals hun zeven hemels boven elkaar staan en is een planeet zoveel gesproken in Griekse spraak als een verkeerd gaande ster of als een zelf walsende ster, daarom dat de zeven sterren van zichzelf walsend zijn in hun eigen hemel en niet gezet zijn aan de gesterde hemel.

Nu wil ik niets meer daarvan zeggen want wie meer daarvan wil weten die trekt tot hem en leest dat Duitse boek dat ik heb gemaakt van de gestalte van de wereld en heet de Duits Spera en heft zich aan:

Vloei in mij alle genaden bronnen.

Daar vindt men veel mooie dingen in.

 

9. VON DEM VEUR.

 

Nu ist zeit, daz wir sagen von den vier elementen.der element sint viereu; feur, luft, wazzer und erd.daz feur ist haiz und trucken und ist sein sinwelliu huot gnd umb und umb ze nhst nch des mnen himel.aber daz selb fuer ist unsihtich reht als der luft unsihtich ist, dar umb, daz ez an der selben stat verre behender ist wann [141] der luft, ez verprennet auch niht diu dinch, die hie niden sint, dar umb, daz ez verr von in ist, und auch dar umb, daz ez der luft mit seinr aigenchait snftigt.des feures aigenchait mg wir krzleichen begreifen mit aht dingen. daz rst ist, daz ez zestrt oder zepricht, als wir sehen an den dingen, diu ez verprennet.daz ander ist, daz ez waich macht, als wir sehen an dem plei und an anderm gesmeid.daz dritt ist, daz ez zesamen zeucht, als wir sehen an den fuhten huten oder an dem leder.daz vierd ist, daz ez sterkt oder starch macht, als wir sehen an den waichen vazzen, die die hafner von tahen oder laime machent.daz fnft ist, daz ez die vinster erluht, als wir sehen an dem feur, daz flammen ht,daz sehst ist, daz ez derschrekt, als wir sehen an dem plitzen.daz sibend ist, daz ez anzndet, als wir sehen an mangen dingen.daz aht ist, daz ez gefrewet oder fr macht, als wir sehen in der kelten winters zeiten. Die acht aigenchait des fewers geleichent den werken des hailigen gaistes.dar hailig gaist haizt wol ain feur, dar umb spricht unser herr Jsus Christus: ich pin komen ain feur ze senden.daz selb feur verzert des rsten den rost der snden.dar umb spricht diu geschrift: unser herr ist ain verzernder feur.daz ander werch des hailigen gaistes ist, daz er herteu dinch waich macht, als herteu staineineu herzen.dar umb spricht Ezechiel auz gotes mund: ich wil ain stainein herz von euch nemen.daz dritt werck ist, daz der hailig gaist zesamen zeuht die flzz der unkusch, reht als diu sunne, die ain prunn ist der hitz, dar umb sprichet Salomn in dem puoch der weishait: diu sunn ist aufgangen und macht daz ertreich drr.daz vierd werch ist, daz der hailig gaist unsriu waichiu krankeu werch und unsern kurzen frsatz sterkt und lengt.dar umb spricht diu geschrift: diu vaz des hafners besttigt der haiz oven.daz fnft werch ist, daz der hailig gaist die vinster erluht, daz sint diu dunkeln herzen.dar umb spricht Moyses in dem puoch von der welt anvanch: got [141] sach daz lieht, daz ez guot was, und tailt daz lieht und die vinster.daz sehst werch ist, daz der hailig gaist erschrecket die snder und si strfet.d von spricht diu geschrift in dem puoch von dem zwelfpoten: d diu stimm des hailigen gaistes an dem pfingstag wart gehrt, d derschrken unsers herren junger alle; und spricht auch daz wangeli, daz der hailig gaist die werlt strf umb ir snd.daz sibend werch ist, daz der hailig gaist den menschen entznt zuo gotes minne und zuo des nhsten lieb.daz aht werch ist, daz der hailig gaist die traurigen herzen trst, und gefrewet die armen waisen in dirr werlt.d von spricht diu geschrift: der hailig gaist ist paraclitus, daz ist ain trster.

Noch sint siben aigenchait an dem feur.die rst ist, daz ez snell wegleich ist.diu ander, daz ez trucken ist.diu dritt ist, daz ez rain ist.die vierd ist, daz man ez behelt und beschirmt mit eseln und mit luftigem aschen.diu fnft ist, daz ez leihticleichen wehst.diu sehst ist, daz ez von seinr ntr ber sich auf gt.diu sibend ist, daz ez von ain klain wazzers geminnert wirt.

Die siben aigenchait des fewers mgen wir auch geleichen den werken des hailigen gaistes.daz rst werch ist, daz der hailig gaist wegleich ist und snell in die geschikten sl kmpt und macht si gnd von tugent in tugent.daz ander werch ist, daz er trucken ist in seinem wrken, wann er trckent unsttikait, diu d fliezend ist von pshait in erger und pringet kusch und auch sttikait.daz dritt ist, daz er rain ist, wann er mag niht verunraint werden.d von spricht Salomn in dem puoch der weishait: er rert allen enden an von seinr rainikat wegen.daz vierd werch des hailigen gaistes ist, daz man in bedecket und behelt mit eseln und mit aschen, daz ist dmetichait, d von spricht Isaias: d gevangneu tohter Syn, sitz in der aschen, daz ist in dmetichait.daz fnft ist, daz der hailig gaist leihticleichen wechst.d von spricht diu geschrift von im: der [143] gaist ist snell varnd.daz sibend ist, daz der hailig gaist geminnert wirt von ain klain wazzers, daz ist mit ain klain wolgelustes und unkusch, wann d wonet Vehemoth der teufel, d des wazzers vil ist; s fleuht der hailig gaist von danne, wan er ist z zart, daz er niht unrainikait pei im leidt.d von spricht sant Bernhart: der gtleich trst ist zart. Aristotiles sprichet auch von dem feur: waz verr von dem feur ist, daz mag erluht werden, ez mag aber niht enznt werden.

Ez ist dreierlei fuer.daz rst ist ain lieht, daz ander ist ain flamme.daz dritt ist ain kol.daz lieht ist sam an den sternen nch der alten maister sag, wann die wnten, daz die stern feurein wrn.diu flamm ist ain angeznter rauch, der d gt von holz oder von andern prinnenden dingen.ain kol ist ain prinnend dinch, daz niht flammen gibt, als wir sehen an den glenden koln.

Daz feur ht die art, daz ez sein materi, dar ein ez aribaitet, ze aschen macht, si sei im dann gehorsam.daz feur mag niht n materi gesein, dar ein ez wrk, denn allain in seiner aigenn ntrleichen stat ze nhst under dem mnen.daz feur verzert niht daz ez selber ist, aber ez verzert daz, des ez niht enist.als sprechent die weisen maister.reht sam tuot der hailig gaist: der verzert die snd, der er niht ist.s daz feur ie in ainer hertern materi ist, s ez ie sterker und hitziger ist, wann ez ist hitziger in eisen wann in aim hlzin koln und ist in ainem koln hitziger wann in dem str oder in den stupfeln.als ist der hailig gaist sterker in den, die dicke sint in tugenden, wann die dnne sint dar inne.daz feur, enprant in grenem holz, prennet vester wann in drrem, wan ez muoz srer arbaiten in grenez wann in drrez.als tuot der hailig gaist, der arbait vester in die sl der jungen lut, die sich in der jugent ebent mit tugent unz an ir end, dann in der alten sle, die den guoten wain verkauft habent und gebent die gerben durch got.daz feur macht ainen verpranten stain zuo [144] aschen.als tuot der hailig gaist, der macht den snder, der verprant ist mit der hitz der rewe, zuo aschen der dmetichait.daz bezeugt uns wol Mar Magdaln und Affr und vil ander grz hailigen, die vor grz snder wren.daz feur macht mit seiner prunst etleich weiziu dinch swarz.als tuot der hailig gaist, der macht die schein und die glst diser werlt swarz und unlustig der gtleichen sl.d solt auch wizzen, daz ain hailiger mensch vol des hailigen gaistes geleicht ainer prinnenden kerzen, wann diu kerz ist mit irm lieht ntzpr andern dingen und ir selber schad, wann si nimpt ab in der flammen.als tuot der hailig mensch: s er ie mr guoter werch der werlt erzaigt, s er ie mr hazzes und leides gewinnet gegen der werlt.dar umb sprach unser herre zuo seinen jungern: ir werdet slig, wenn euch diu werlt hazzet.diu flamme an der kerzen wirt erlechschet von dem wind.als fleuht der hailig gaist oft van dem anplsen und von strfen der werlt, d von manig mensch verkrt wirt.ez verlischet auch oft diu flamm von briger materi, dar ein si wrkt, als wir sehen in den ampeln, die ze vil ls habent.als erlischt der hailig gaist oft in dem menschen, der ze vil reichtums ht und sein herz d von niht gewenden mag.daz feur erlischt oft von brigem plsen und wirt wider enzunt von mzigen plsen.als derlischet oft der gaist der hailigen hoffenung von grzer briger puoz, d mit der peihtiger den snder erschreckt, und wirt wider enzunt von ringer snfter anweisung.wenn des feurs lieht erlisch, s stinket der rauch, der d nch gt.als wenn der hailige gaist fleuht von dem menschen, s ugent sich der rauch.daz feur mag sein hitz und sein trucknen niht gelzen: als mag der hailig gaist niht unsauberkait geleiden.daz feur wirt von verrens gesehen und macht, daz man ez selber siht und andreu dinch.als tuot der hailig gaist: der kmt von dem obristen got in des menschen sl und macht, daz der mensch in selber erkennet und andreu [145] dinch.d von singt man von dem hailigen gaist, daz er die kunst und die stimm hab aller ding.ain prinnent kerz dunket ainen trunken zwuo: als geschicht dem menschen, der trunken ist in dem hailigen gaist, als daz er die ppichait diser werlt niht erkennen wil, der ht zwivltig frud von ainer gb des hailigen gaistes.der wint derweckt daz feur, als derweckt diu lr der hailigen lrer den hailigen gaist in der menschensl.daz feur wirt enprant oder prinnet, wenn man die kerzen aufriht, und verlischt, wenne si ze tal krt.als wirt enzunt der hailig gaist, wenne sich der mensch aufriht zuo got, und verlischt in des selben menschen sl, wenn er sich naigt under sich in die pshait diser werlt.daz feur wert s lang als daz dinch wert, daz d prennet und dar auf ez sitzt, als lang wert diu lieb gegen got und gegen den menschen, als lang daz werd daz man lieb ht, ez sei dann daz der liebhaber sein liep verlies oder im enpfrmdet werd.daz feur ist hitziger in grzer materi, wann ob der selbenlai materi klainer wr.als sint des hailigen gaistes werch sterker in dem menschen, der grzer ist an tugenden, wann der niht s vil tugent ht. Alfragnus spricht, daz daz feur snftig den smerzen, der d kmpt von prunst,daz seh wir, wenne ainz seinen vinger verprent und in wider zuo dem feur habt, s smirtzet er niht s sr sam .als snftigt der hailig gaist den smerzen der sl, den diu prunst diser werlt ht prht.

9. VAN HET VUUR.

 

Nu is het tijd dat we zeggen van de vier elementen. De elementen zijn vier; vuur, lucht, water en aarde. Dat vuur is heet en droog en is zijn ronde jagen (hoed) gaat om en om naast naar de maan hemel. Echter datzelfde vuur is onzichtbaar recht zo als de lucht onzichtbaar is, daarom dat het aan dezelfde plaatst ver handiger is dan [141] de lucht. Het verbrandt ook niet de dingen die hier beneden zijn, daarom dat het ver van hen is en ook daarom dat het de lucht met zijn eigenschappen verzacht. De vuur eigenschappen mogen we kort omvatten met acht dingen. Dat eerste is dat het verstoort of verbreekt zoals we zien aan de dingen die het verbrandt. Dat andere is dat het week maakt zoals we zien aan lood en aan andere metalen. Dat derde is dat het tezamen trekt zoals we zien aan de vochtige huiden of aan het leer. Dat vierde is dat het sterkt of sterk maakt zoals we zien aan de weken vaten die de pottenbakker van klei of leem maakt. De vijfde is dat het dat duister verlicht zoals we zien aan het vuur dat vlammen heeft. Dat zesde is dat het verschrikt zoals we zien aan de bliksem. De zevende is dat het aansteekt zoals we zien aan vele dingen. Dat achtste is dat het verheugt of blij maakt zoals we zien in de koude winterse tijden. De acht eigenschappen van het vuur lijken op de werken van de Heilige Geest. De Heilige Geest heet wel een vuur en daarom spreekt onze heer Jezus Christus: ik ben gekomen een vuur te zenden. Datzelfde vuur verteerd als eerste de roest der zonden. Daarom spreekt de schrift: onze heer is een verterend vuur. Dat andere werk van de Heilige Geest is dat het harde dingen week maakt zoals harde steenachtige harten. Daarom spreekt Ezechil uit Gods mond: ik wil een stenen hart van u nemen. Dat derde werk is dat de Heilige Geest tezamen trekt de vloed der onkuisheid recht zoals de zon die een bron is van hitte, daarom spreekt Salomon in de boek der wijsheid: de zon is opgegaan en maakt dat aardrijk dor. Dat vierde werk is dat de Heilige Geest onze weke zwakke werken en ons korte voornemen versterkt en verlengt. Daarom spreekt de schrift: dat vat van de pottenbakker maakt hard de hete oven. Dat vijfde werk is dat de Heilige Geest het duister verlicht, dat zijn de donkere harten. Daarom spreekt Mozes in het boek van de wereld aanvang: God [142] zag dat licht en dat het goed was en verdeelde dat licht en de duisternis. Dat zesde werk is dat de Heilige Geest verschrikt de zondaar en ze straft. Daarvan spreekt de schrift in het boek van de twaalf apostels: toen de stem des Heilige Geest aan Pinksterdag werd gehoord toen schrokken onze heers jongen alle; en spreekt ook dat evangelie dat de Heilige Geest de wereld straft om zijn zonden. Dat zevende werk is dat de Heilige Geest de mensen ontsteekt tot Gods minne en tot naastenliefde. Dat achtste werk is dat de Heilige Geest de treurige harten troost en verheugt de armen wezen in hun wereld. Daarvan spreekt de schrift: de Heilige Geest is paraclitus, dat is een trooster.

Noch zijn zeven eigenschappen aan het vuur. De eerste is dat het snel beweeglijk is. De andere dat het droog is. De derde is dat het rein is. De vierde is dat men het behoudt en beschermt met vonken en met luchtige as. De vijfde is dat het gemakkelijk groeit. De zesde is dat het van zijn natuur omhoog gaat. De zevende is dat het van een weinig water verminderd wordt.

Die zeven eigenschappen van het vuur mogen we ook vergelijken met de werken van de Heilige Geest. Dat eerste werk is dat de Heilige Geest beweeglijk is en snel in de geschikte ziel komt en maakt ze gaan van deugd in deugd. Dat andere werk is dat het droog is in zijn werken, want het droogt onbestendigheid die daar vloeiend is van boosheid in erger en brengt kuisheid en ook standvastigheid. Dat derde is dat het rein is, want het mag niet verontreinigd worden. daarvan spreekt Salomon in het boek der wijsheid: het roert alle einden aan vanwege zijn reinheid. Dat vierde werk der Heilige Geest is dat men het bedekt en behoudt met vonken en met as, dat is deemoedigheid en daarvan spreekt Jesaja: u gevangen dochter Syon zit in de as, dat is in deemoedigheid. Dat vijfde is dat de Heilige Geest gemakkelijk groeit. Daarvan spreekt het schrift van hem: de [143] geest is snel varend. De zevende is dat de Heilige Geest vermindert wordt van een klein water, dat is met een kleine gelust en onkuisheid want daar woon Vehemoth de duivel daar dat water veel is; zo vliegt de Heilige Geest vandaan want hij is zo zacht dat er geen onreinheid bij hem ligt. Daarvan spreekt sint Bernhart: de goddelijke troost is zacht. Aristoteles spreekt ook van het vuur: wat ver van het vuur is dat mag verlicht worden, het mag echter niet ontstoken worden.

Er zijn drie soorten vuur. De eerste is een licht, de andere is een vlam, de derde is een kool. Dat licht is zoals de sterren naar het oude meesters zeggen, want die waanden dat de sterren vurig waren. De vlam is een aangestoken rook die daar gaat van hout of van andere brandende dingen. Een kool is een brandend ding dat geen vlammen geeft zoals we zien aan de gloeiende kolen.

Dat vuur heeft die aard dat het zijn materie waarin het werkt tot as maakt, ze is hem dan gehoorzaam. Dat vuur mag niet zonder materie zijn waarin het werkt, dan alleen in zijn eigen natuurlijke plaats naast onder de maan. Dat vuur verteert niet dat het zelf is, echter het verteert dat wat het niet is. Alzo spreken de wijze meesters. Recht zo doet de Heilige Geest: die verteert de zonder die hij niet is. Zo dat vuur meer in een harde materie is zo het steeds sterker en heter is, dan het is heter in ijzeren dan in een houten kool en is in een kool heter dan in stro of in de stoppels. Alzo is de Heilige Geest sterker in diegene die dik zijn in deugden dan die dun zijn daarin. Dat vuur ontbrandt in groen hout brandt vaster dan in droog want het moet zeer werken in groener dan in droge. Alzo doet de Heilige Geest die werkt vaster in de ziel der jonge lieden die zich in de jeugd oefenen met deugden tot aan hun eind dan in de oude zielen die de goede wijn verkocht hebben en geven die afscheiding door God. Dat vuur maakt een verbrande steen tot [144] as. Alzo doet de Heilige Geest, die maakt de zondaar die verbrand is met de hitte van de berouw tot as der deemoedigheid. Dat betuigt ons wel Maria Magdalena en Affra en veel andere grote heilige die daarvoor grote zondaars waren. Dat vuur maakt met zijn gloed ettelijke witte dingen zwart. Alzo doet de Heilige Geest, die maakt de schijn en de lust van deze wereld zwart en onlustig de goddelijke ziel. U zal ook weten dat een heilige mens vol op de Heilige Geest lijkt en op een brandende kaars, want die kaars is met zijn licht nuttig andere dingen en is zichzelf schadelijk, want het neemt af in de vlammen. Alzo doet de heilige mens: zo die meer goede werken de wereld vertoont zo die meer haat en leed wint tegen de wereld. Daarom sprak onze heer tot zijn jongeren: u wordt zalig wanneer u de wereld haat. De vlam aan de kaars wordt gelest van de wind. Alzo vliegt de Heilige Geest vaak van het aanblazen en van de straffen van de wereld waarvan menig mens veranderd wordt. Hij verliest ook vaak de vlam van overige materie waarin ze werkt zoals we zien in de lonten die te veel olie hebben. Alzo verliest de Heilige Geest vaak in de mensen die te veel rijkdom hebben en zijn hart daarvan niet wenden mag. Dat vuur lest vaak van overige blazen en wordt weer ontstoken van matig blazen. Alzo lest vaak de geest de heilige hoop van grote overige boete waarmee de boete de zondaar verschrikt en wordt weer ontstoken van geringe zachte aanwijzing. Wanneer het vuur licht verliest zo stinkt de rook die daarna gaat. Alzo wanneer de Heilige Geest vliegt van de mensen zo manifesteert zich de rook. Dat vuur mag zijn hitte en zijn droogte niet laten: alzo mag de Heilige Geest geen onzuiverheid lijden. Dat vuur wordt van ver gezien en maakt dat men het zelf ziet en andere dingen. alzo doet de Heilige Geest: die komt van de hoogste God in de mensen ziel en maakt dat de mens zichzelf herkent en andere [145] dingen. Daarvan zingt men van de Heilige Geest dat hij die kunst en de stem heeft aller dingen. Een brandende kaars denkt een dronkaard twee: alzo geschiedt de mens die dronken is in de Heilige Geest alzo dat hij de lichtvaardigheid van deze wereld niet erkennen wil, die heeft tweevoudige vreugde van een gave van de Heilige Geest. De wind wakkert dat vuur aan en alzo wakkert de leer der heilige leraars de Heilige Geest in de mensenziel. Dat vuur wordt ontbrand of brandt wanneer men de kaarsen opricht en lest wanneer ze te dal keert. Alzo wordt ontstoken de Heilige Geest wanneer zich de mens opricht tot God en verliest dezelfde mensen ziel wanneer hij zich neigt onder zich in de boosheid van deze wereld. Dat vuur wordt zo lang als dat ding wordt dat daar brandt en waarop het zit, alzo lang wordt de liefde tegen God en tegen de mensen, alzo lang dat wordt dat man lief heeft, het is dan dat de liefhebber zijn lief verliest of hem ontvreemd wordt. Dat vuur is heter in grote materie dan of dezelfde soort materie kleiner was. Alzo zijn de Heilige Geest werken sterker in de mensen die groter is aan deugden dan die niet zoveel deugd heeft. Alfraganus spreekt dat het vuur verzacht de smarten die daar komen van gloed, dat zien we wanneer een zijn vinger verbrandt en die weer tot het vuur heft, dan doet het niet zo zeer pijn zoals eerder. Alzo verzacht de Heilige Geest de smarten der ziel die de gloed van deze wereld heeft gebrand.

 

10.

VON DEM LUFT.

 

Der luf ist von ntr warm und fuht, aber diu wirm ist gaistleicher an dem luft denne an dem feur, als daz man ir minner enpfint an dem luft wann an dem feur.ez ist auch diu fuhten an dem luft gaistleich, als daz man ir minner enpfint an dem luft wann an dem wazzer.der luft ist daz nhst element nch dem feur [146] wann d feurs huot ain end ht, d hebt sich des luftes huot an und gt umb und umb daz mer und umb die erden, reht als daz weiz in ainem ai gt umb den totern.als ht got diu element geordent, wann daz aller leihtest, sam daz feur ist, ht die obristen stat.dar nch ist der luft leihter wann daz wazzer oder die erd; dar umb ht er die nhsten stat nch dem feur. Der luft ht dreu reich.daz rst ist ze nhst dem feur und ist warm und etswie vil trckner dan diu andern reich des luftes, dar umb, daz daz reich dem feur nhen ist.daz ander reich des luftes ist gar kalt, dar umb, daz ez dem feur verr ist und auch dar umb, daz der sunnen schein und der ander stern d selben gar gestrwet ist.daz dritt reich ist pei der erden und pei dem wazzer und daz ist wermer verr dan daz mitel reich dar umb, daz sich der sunnen schein widerpricht auf der erden und auf dem wazzer, reht als auf ainem spiegel.

Nu solt d wizzen, daz in den drein reichen des luftes vil wunderleicher ding geschehent, wann in dem obristen, daz hher ist wan alle perge, siht man ze stunden ainen newen stern, der ainen schopt ht oder ainen sterz.in dem andern reich siht man des nahtes mangerlai feur, der etsleichez vert als ain langer wispaum, und haizent ez die laien den trachen.etsleichez prinnet auch als ain kerz, etsleichez hupft als ain gaiz.man siht auch oft, als ob in den himel ain tiefez grzez hol g, dar zuo siht man regen und sn, hagel und plitzen und hrt man donren und her ab vallent stain mit dem donren.und ze stunden siht man, daz ez frschlein regent oder klainen vischlein.dar zuo siht man taw und reif und wildez hnich her ab vallen.man siht auch mangerlai wint fliegen in dem luft und siht den regenpogen und des mnen und des sunnen hof und siht auch ze stunden zwuo sunnen oder drei.von den allen wel wir sagen s wir krzleichest mgen, wie daz sei, daz daz lateinisch puoch hie hinke. [147]

10.

VAN DE LUCHT.

 

De lucht is van natuur warm en vochtig, echter de warmte is geestelijker aan de lucht dan aan het vuur, alzo dat men die minder bevindt aan de lucht dan aan het vuur. Er is ook het vocht aan de lucht geestelijk, alzo dat man die minder bevindt aan de lucht dan aan het water. De lucht is dat naaste element na het vuur [146] want daar vuur bereik een eind heeft daar heft zich het lucht bereik aan en gaat om en om de zee en om de aarde, recht zoals dat witte in een ei gaat om de dooier. Alzo heeft God de elementen geordend want dat allerlichtste zoals dat vuur is heeft de hoogste plaats. Daarna is de lucht lichter dan dat water of de aarde; daarom heeft het de naaste plaats na het vuur. De lucht heeft drie rijken. De eerste is naast het vuur en is warm en wat veel droger dan de andere rijken van de lucht, daarom dat het dat rijk van het vuur nabij is. Dat andere rijk van de lucht is erg koud, daarom dat het ver van het vuur is en ook daarom dat de zonneschijn en de ander sterren daar erg verstrooid is. Dat derde rijk is bij de aarde en bij het water en dat is ver warmer dan dat midden rijk, daarom dat zich de zonneschijn reflecteert op de aarde en op het water, recht als op een spiegel.

Nu zal u weten dat in de drie rijken van de lucht veel wonderlijke dingen geschieden want in het hoogste dat hoger is dan alle bergen ziet man soms een nieuwe ster die een schep heeft of een staart. In het andere rijk ziet men s nachts menigvuldig vuur die ongeveer vaart als een lange huisbalk (komeet) en noemen het de leken de draken. Ettelijke branden ook als een kaars, ettelijke huppen als een geit. Men ziet ook vaak alsof in de hemel een diep groot hol gaat, daartoe ziet men regen en sneeuw, hagel en bliksem en hoort men donderen en afvallende stenen met die donder. En soms ziet men dat het kikkertjes regent of kleine visjes. Daartoe ziet men dauw en rijp en wilde honing afvallen. Men ziet ook veel wind vliegen in de lucht en ziet de regenbogen en de maan en de zonnehof en ziet ook soms twee zonnen of drie. Van die allen willen we zeggen zo we het korst mogen, hoe dat is dat het Latijnse boek hier faalt. [147]

 

11.

VON DEM GESCHOPFTEN STERN.

 

Der geschopft stern haizet ze latein cometa und ist niht ain rehter stern: er ist ain flamm und ain feur prinnend in dem obristen reich des luftes.dar umb scholt d wizzen, daz daz hitzig gestirn an den himel zeuht irdischen dunst auz der erden und wzzerigen dunst auz dem wazzer und die dnst paide gnt auf in den luft, dar umb daz si leiht sam der luft, wenne nu daz ist, daz ain irdischer vaizter rauch aufgezogen wirt in den luft, s enzndet er sich oben in dem luft pei dem feur ze nhst, und ist des dunstes vil, s wert diu flamm lang, und gt der materi ze stunden vil zuo auz dem ertreich, s wert diu flamm lang und scheint uns des nahtes als ain stern, der an dem himel stt, reht als ainer, der pei dunkelr naht reitt und verren siht ain lieht, den dunket daz lieht ain stern sein.diu flamm ist gehaizen von den maistern der geschopt stern, dar umb, daz funken von im vliegent und daz er zinzelt gegen dem tail der werlt, d im der dunst zuo gt, der in nert und fuort.der stern bedut hungerjr in dem land, d er den schopf hin krt, dar umb, daz diu fuhten auz dem ertreich ist gezogen und diu vaizten, dar auz sez wein und korn und ander frht schlten auz der erden gewachsen sein, und koment oft d mit vil kefern und huschrecken.als sach ich ainen comten ze Pareis, d man zalt von gotes geprt dreuzehenhundert jr und siben und dreizig jr, der werte mr denne vier wochen und stuont gegen dem himelwagen und het den sterz gekrt gegen dutschen landen und wegt sich mit ainr berwertigen wegung gegen mittem tag, unz er verschiet.d was ich gar junk und preft doch allez, daz d nch geschach, wann d nch krzleich kom ich her auz in dutscheu lant, d kmen s vil huschrecken geflogen von Ungern durch Oesterreich und durch Paiern auf ber den Sant [148] den Main ab gegen dem Rein, daz si s vil getraides verderbten auf dem veld, daz manich guman verdarb.daz geschach d von, daz der stern kraft daz west lant in Preuzen und an etsleichen steten in Ungern, d ez helich was und mosich, beraubte seiner behenden fuhten und liez die gerben d, auz den wart ain fuhten und ain sm, dar auz die huschrecken wurden, wan ain iegleich tier ht sein aigen materi, dar auz ez wirt, dar umb ist ain wazzer vischreich, daz ander frschreich.

Der comt bedut auch streit und verrterei und untrew und etleicher grzen frsten tt und gemaincleich vil pluotbergiezens.als huoben sich d nch in den nhsten jren vil krieg und streit zwischen dem kng in Frankenreich und dem kng in Engellant, wan der von Engellant dertrankt dem von Frankenreich vierzigtausent man auf dem mer, und ains anders jrs dar nch gesigt er im an aines grzen veltstreites, d kng Johannes von Pehaim inne derslagen wart und vil rbriger ritterschaft.daz geschach allez pei kaiser Ludweiges zeiten, dem vierden seines namens.nu maht d frgen, war umb der stern streit bedut und pluotvergeizen?daz ist dar umb, daz ze den zeiten der stern kreft die lebleichen gaist auz dem menschen ziehent und machent daz behend pluot auzdnstend auz dem menschen.s nu der mensch trucken ist und hitzig, s ist er zornig und vicht gern, als wir sehen an haizen luten: wenne si vastent, s sint si unmuotig und zornich; iedoch mht man daz wol understn mit guoten rten.daz aber die maister sprechent, daz der stern bedut der frsten tt mr denn armer lut tt, daz ist dar umb, daz die frsten namhafter sint dann arm lut und ir tt weiter erschillet denn armer lut tt.

11..

VAN DE GESCHOPTE STER.

 

De geschopte ster heet in Latijn cometa en is geen echte ster: het is een vlam en een vuur branden in het hoogste rijk van de lucht. Daarom zal u weten dat die hete ster aan de hemel trekt aardse damp uit de aarde en waterige damp uit het water en die stoffen beide gaan op in de lucht, daarom dat ze licht gaan zoals de lucht, wanneer nu dat is dat een aardse vaste rook opgezogen wordt in de lucht zo ontsteekt het zich boven in de lucht bij het vuur er naast en is de damp veel zo wordt de vlam lang en gaat de materie soms veel tot het aardrijk en zo wordt de vlam lang en schijnt ons s nachts als een ster die aan de hemel staat recht zoals een de bij donkere nacht rijdt en ver ziet een licht die denkt dat licht een ster te zijn. De vlam is geheten van de meesters de geschopte ster, daarom dat vonken van hem vliegen en dat het straalt tegen dat deel der wereld waarin de damp toegaat die hem voedt en voert. De ster betekent hongerjaren in het land daar de schop heen keert, daarom dat de vochten uit de aardrijk zijn getrokken en het vette waaruit zoete wijn en koren en andere vruchten zouden uit die aarde gegroeid zijn en komen vaak daarmee veel kevers en sprinkhanen. Alzo zag ik een komeet te Parijs daar men telde van Gods geboorte dertienhonderd jaar en zeven en dertig jaar, die duurde meer dan vier weken en stond tegen de hemelwagen en had de staart gekeerd tegen Duitsland en bewoog zich met een over dwarse beweging tegen midden dag tot het verschoot. Toen was ik erg jong en beproefde toch alles dat daarna geschiedde want daarna kort kwam ik terug in Duitsland en toen kwamen zo veel sprinkhanen gevlogen van Hongarije door Oostenrijk en Beieren op over de Sant [148] de Mainz af tegen de Rijn dat ze zoveel koren bedorven op het veld dat het vele landman verdierf. Dat geschiedde daarvan dat de sterren kracht dat woeste land in Pruisen en aan ettelijke plaatsen in Hongarije waar het vochtig was en mosachtig beroofde van zijn handige vochten en liet de afscheiding, daaruit werd een vocht en een zaad waaruit de sprinkhanen worden, want elk dier heeft zijn eigen materie waaruit het wordt, daarom is een water visrijk en de ander kikkerrijk.

De komeet betekent ook strijd en verraderij en ontrouw en ettelijke grote vorsten dood en gewoonlijk veel bloed vergieten. Alzo verhieven zich daarna in het volgende jaar veel oorlog en strijd tussen de koning in Frankrijk en de koning in Engeland, want die van Engeland verdronken die van Frankrijk veertig duizend man op de zee en een ander jaar daarna wonnen ze in een grote veldstrijd daar koning Johannes van Pehaim in verslagen werd en veel eerbare ridderschap. Dat geschiedde alles bij keizer Ludweiges tijden, de vierde van zijn naam. Nu mag u vragen waarom de ster strijd betekent en bloed vergieten? Dat is daarom dat sommige tijden de sterren kracht de levende geest uit de mensen trekken en maken dat handig bloed uitstuift uit de mensen. Zo nu de mens droog is en heet zo is hij vertoornd en vecht graag zoals we zien aan hete lieden: want als ze vasten zo zijn ze zonder moed en toorn; toch mag men dat goed daartussen verhinderen met goede raad. Dat echter de meesters spreken dat de ster betekent de vorsten dood meer dan arme lieden dood, dat is daarom dat die vorsten dapperder zijn (p.s. oorlogszuchtiger zal hij bedoelen) dan arme lieden en hun dood ver verschilt van de arme lieden dood.

 

12.

VON DEN FEWERN IN DEN LFTEN.

 

Ez werdent auch andreu feur in dem miteln reich des luftes, diu sint mangerlai, wann ez velt oft ain flamm [149] her ab von den lften auf die erden sam si vall von ainem stern, und haizent ez die laien die sternfrb.daz geschiht d von, daz ain langer klainer dunst vaizter aufgt von dem ertreich in daz mitel reich des luftes, d ez gar kalt ist.seind nu der dunst warm ist an im selber, s widerstt im der kalt luft und treibt in snell und ghlingen her wider ab, und in der snellen wegung wirt ez entzunt und prinnet unz zuo der erden.dar umb vint man ain vaizt ziternd dinch, sam d die frsch auz werdent in den pchen maienzeiten, d diu flamm nider velt.und daz ain solich dunst entznt werd und flammen geb, daz pref an zwain unsliteinn kerzen: der ain derlesch und hab die prinnende oben an den rauch, s entznt sich der rauch und luft diu flamm her ab und entznt die derloschen kerzen wider.als sengent auch die schintfezzel und die puoben die vaizten dnst, die durch ir niderhemd fliehend, und als siht man oft pei der naht flammen auf der tten greber, von des s vaizter dunst auf gt und denne der luft von der naht kel ist, s wirt der entzunt und gibt ain flammen.oft geschiht denne, daz die wahter daz sehent und wnent, ain englisch kerz prinne auf ains hailigen menschen grab.ez wirt auch oft gesehen ain langer rauch in den lften sam ain wispaum und krmt sich ze mitelst und prinnet vorn sam ob aim tracken flammen auz dem hals gn.daz is d von, daz der vaizt rauch zh ist an im selber und sich streckt nch der leng,wirt er dann gejagt von dem luft, s entznt er sich, und w er krenker ist, d peugt er sich sam ain slang.ez stt auch oft in dem stillen kalten luft ain dunst, der unden swrr ist und dicker denn oben, und dar umb ist er unden prait und oben spitzig und wirt oben entznt; dar umb stt er in den luft als ain prinnend kerz.ez geschiht auch oft, daz der vaizt dunst zestrwet ist in vil stuck, die doch nhent pei ainander swebent in dem luft, und springt denne diu flamm von ainem an daz ander wol snell, reht als der mit ainem [150] prinnenden schaub fer ber vil kerzen und die snell nch einander entznte.s dunkt uns denne, daz ain flamm spring in dem lufte sam ain gaiz.dar umb haizt daz feur diu springend gaiz.ez kmpt auch ze stonden, daz der vaizt dunst zesamen gewalzen ist als ain kugel, und daz er an den enden umb umb leihter ist und behender dann an seiner mitter, dar umb entznt er sich umb und umb nch ainem kraiz und prinnet ze mittelst niht.dar umb scheint uns der dunst als ain liehtiu krn,wenne der feur vil scheinent in den lften, s wizz, daz der erden frhte niht s wol gertent sam andreu jr.

12.

VAN HET VUUR IN DE LUCHT.

 

Er zijn ook andere vuren in het middelste rijk van de lucht. Die zijn menigvuldige want er valt vaak een vlam [149] af van de lucht op de aarde zoals ze valt van een ster en noemen het de leken de sterrenkleur. Dat geschiedt daarvan dat een lange kleine damp vet opgaat van het aardrijk in dat middelste rijk van de lucht daar het erg koud is. Omdat nu die damp warm is aan zichzelf zo weerstaat hem de koude lucht en drijft hem snel en vlug weer af en in die snelle beweging wordt het ontstoken en brandt tot aan de aarde. Daarom vindt men een vet sidderend ding zoals daar de kikkers uit worden in de beken in de mei tijden daar de vlam neer valt. En dat een zulke damp ontstoken wordt en vlammen geeft dat beproeft men aan twee vette kaarsen: de ene lest en heeft het brandende boven aan de rook zo ontsteekt zich de rook en loopt de vlam af en ontsteekt de gebluste kaars weer. Alzo verzengt ook de ongetrouwe en die schijnvoet die vette damp die door haar neer vliegen en alzo ziet men vaak bij de nacht vlammen op de doodsgraven die van de as van vette damp opgaan en dan als de lucht van de nacht koel is zo wordt het ontstoken en geeft een vlam. Vaak geschiedt dan dat de wachters dat zien en wanen een engel kaars brandt op een heilige mensen graf. Er wordt ook vaak gezien een lange rook in de lucht zoals een huidbalk en kromt zich in het middelste en brandt voren alsof een draak vlammen uit de hals gaan. Dat is daarvan dat de vette rook taai is aan zichzelf en zich strekt naar de lengte en dan gejaagd van de lucht zo ontsteekt het zich en waar het zwakker is daar buigt het zich zoals een slang. Er staat ook vaak in de stille koude lucht een damp die onder zwaar is en dikker dan boven en daarom is het onder breed en boven spits en wordt boven ontstoken; daarom staat het in de lucht als een brandende kaar. Het geschiedt ook vaak dat de vette damp verstrooid is in veel stukken die doch dichtbij elkaar zweven in de lucht en springt dan de vlam van de ene aan de andere wel snel net zoals of die met een [150] brandende schoof over veel kaarsen gaat en die snel na elkaar ontsteekt. Zo lijkt het ons dan dat een vlam springt in de lucht zoals een geit. Daarom heet dat vuur de springende geit. Er komt ook soms dat de vette damp tezamen gewalst is als een kogel en dat aan de einden om en om lichter is en handiger dan aan zijn middel, daarom ontsteekt het zich om en om als een cirkel en brandt in het midden niet. Daarom schijnt ons de damp als een lichtende corona als het vuur veel schijnt in de lucht. Zo weet dat de aardse vruchten niet zo goed geraken zoals andere jaren.

 

13.

VON DER HERSTRAZ AN DEM HIMEL.

 

Wir sehen oft an dem himel ainen praiten halben kraiz weiz und klr reht ain klreu strz.der kraiz haizt von den laien die herstrz.d von habent die weisen mangerlai geschriben.iedoch sprich ich nu, als ich oft gesprochen hn ber Aristotiles puoch von den dingen, daz diu herstrz kmt von zwairlai sachen.diu rst sach ist, daz an dem tail des gestirnten himels, d diu strz scheint, vil zesamen gester stern sint, und der aller lieht prehent in ainander.wenne der luft rain ist vor wolken, s scheint unz daz widerprehen der gesamten stern sam ain weizeu varb.diu ander sach ist, daz der vorgenanten stern kraft under sich gerichtes zeuht klren erdischen dunst und scheint der stern schein dar durch weiz.mit dem hn ich weder Aristotil widersprochen noch Ptolom noch andern maistern, die den volgent.

13.

VAN DE HERENSTRAAT AAN DE HEMEL.

 

We zien vaak aan de hemel een brede halve cirkel, wit en helderachtig zoals een heldere straat. Die cirkel heet van de leken de herenstraat. Daarvan hebben die wijzen menigvuldige geschreven. Toch spreek ik nu zoals ik vaak gesproken heb over Aristoteles boek van de dingen dat de heerstraat komt van twee soorten zaken. De eerste zaak is dat aan het deel van de gesterde hemel waar de straat schijnt veel tezamen gezaaide sterren zijn en die het allerlichtste branden in elkaar. Wanneer de lucht rein is van wolken zo schijnt ons dat weerschijnen der gezamenlijke sterren zoals een witte kleur. De andere zaak is dat de voor genoemde sterren kracht onder zich gericht trekt heldere aardse damp en schijnt de sterrenschijn daardoor wit. Met die heb ik nog Aristoteles weersproken, noch Ptolomeus, noch andere meesters die dat volgen.

 

14.

VON DES HIMELS ABGRUNT.

 

Man siht auch oft des nahtes, als ob ain gruntls tiefen g in den himel.daz ist dar umb, daz vinsterr [151] dicker rauch sich gesament ht zuo ainem kraiz, und dar umb gt umb und umb ain liehter dnner dunst, der scheint weiz von des mnen lieht oder von andern stern lieht.wenne man nu swarz in weiz setzet, s scheint daz swarz vil verrer von uns stnde wann daz weiz.dar umb wenne die mler beschetigung oder vensterwerck mlen wellent, s setzent si weiz klr varb zuo swarzer: s scheint uns diu swarz sam ainen tiefen pei der weizen.reht als ist in den lften, wenn der himel den wahtern des nahts offen scheint.ez scheint uns auch der himel in mangerlai varb, rt, gel, gren und mit andern varben, dar umb, daz die ruch zwischen uns und den himeln mangerlai geschickt sint, dnne und dicke, klr und treb, wzzrig und erdisch.

14.

VAN DE HEMELSE AFGROND.

 

Men ziet ook vaak s nachts alsof een grondeloze diepte gaat in de hemel. Dat is daarom dat duistere [151] dikke rook zich verzameld heeft tot een cirkel en daarom gaat om en om een lichte dunne damp, die schijnt wit van het maanlicht of van andere sterren licht. Wanneer men nu zwart in wit zet zo schijnt dat zwart veel verder van ons te staan dan dat witte. Daarom wanneer de schilder afscheidingen of vensterwerk verven willen zo zetten ze witte heldere kleur tot het zwarte: zo schijnt ons dat zwarte zoals een diepte bij het witte. Recht alzo is het in de lucht wanneer de hemel de wachter s nachts open schijnt. Het schijnt ons ook de hemel in menigvuldige kleur rood, geel, groen en met andere verven, daarom dat de rook tussen ons en de hemel menigvuldige geschikt zijn, dun en dikke, heldere en troebel, waterig en aards.

 

15.

VON DEN WINDEN.

 

Die winde koment auch von irdischen rauch.dar umb schll wir nu von den winden sagen.der wint ist ain erdischer dunst gesament in dem luft, der sich wegt mit berwrtiger wegung von ainem end des luftes gegen dem andern.dar umb sint all wind an in selber trucken und warm von ntr: trucken von der irdischen ntr, dannen der dunst aufgt oder den rauch; warm von der sunnen hitz, diu den rauch macht auz dem ertreich.iedoch verndert die wind ir ntr in den steten, d si durch fliegent, als daz ainer fuht ist, der ander trucken, ainr warm, der ander kalt. Der wind sint vier, die frsten sint aller anderr wind.der rst haizt der sudenwint oder der sudener, dar umb, daz er von sudem fleugt, daz ist von mittem tag her gegen norden oder gegen den himelwagen.der wint haizt ze latein auster und ist fuht und warm, dar umb ist er fruhtpr und den frhten ntz.der ander haizet der nordenwint oder der nordener, dar umb daz er von norden fleugt, daz ist von den himelwagen auz der Sahsen lant her von Pomerni.der wint [152] ist kalt und fuht, denne als vil ob er sich verkrt mit gar verr fliegen.der wint haizt ze latein aquilo.der dritt wint haizet der sterwint oder der stener, dar umb, daz er von sten fleugt, daz ist von der sunnen aufganch, durch Ungern von Preuzen her.der wint ist warm in seinem ursprinch, wann diu sunn ist warm in irm aufgang.der vierd wint haizet der westenwint oder der westener, dar umb, daz er von westen fleugt, daz ist von der sunnen underganch.der wind iegleicher ht zwn gesellen oder zwn volger: ainen ze der rehten seiten und den ander ze der tenken.die mag man haizen nch der vodern wind namen, als daz des sudenwindes gesellen haizent der reht sudnr, und der tenk sudnr.also haizent auch die andern nch iegleichs namen.als hab wir ber al vierstunt drei wind, daz sint zwelif.ez geschiht oft, daz die widerwrtigen wind begegent ainander, als der sudner dem nordner oder der stner dem westner.welher denne sterker ist, der wirft den andern zuo der erden oder in ain wazzer als vesticleich ze stunden, daz er scheff under krt.ist aber, daz si gleich starch sint, s ringent si mit ainander s vast, daz si paid zuo der erden vallent und varnt in ainer snellen werbeln weise und zuckent oft mit in auf grzen stain oder ainen menschen oder ain ander swrez dinch und ferent daz mit in auf in die lft.wenne aber si als vallent in daz mer, s werfent si daz merwazzer auf und giezent ez an daz lant und verderbent lut und guot.der winde flug wirt gesetzt, als daz zi niht fliegent, von zwairlai sachen ze vorderst.diu rst ist, daz der sunne und der stern kraft den irdischen dunst mit briger hitz zestrwet auz ainander, als daz er sich niht gesamnen mag zuo ainem gar merkleichen stz oder flug; fleugt aber er, daz ist ain klain.diu ander sach ist, daz den dunst der regen mit im her ab zeuht auf die erden. er sich dan wider auf swingt in die lft und daz wazzer in lz, daz er wider leiht wirt, s sint die lft indes still und preft [153] man wnig wind.dar umb ist der luft oft still nch dem regen, wenne vor dem selben regen wind gewt habent.

15.

VAN DE WINDEN.

 

De winden komen ook van aardse rook. Daarom zullen we nu van de winden zeggen. De wind is een aardse damp verzameld in de lucht die zich beweegt met naar boven gerichte beweging van het ene einde der lucht tegen de andere. Daarom zijn alle wind aan zichzelf droog en warm van natuur: droog van de aardse natuur waarvan de damp opgaat of de rook; warm van de zonnehitte die de rook maakt uit het aardrijk. Toch verandert de wind zijn natuur in de plaatsen daar ze door vliegt, alzo dat een vochtig is en de ander droog, een warm en de ander koud. De wind zijn vier die vorsten zijn van alle andere winden. De eerste heet de zuidenwind of de zuidenaar, daarom dat het van vliegt, dat is van middendag weg tegen noorden of tegen de hemelwagen. Die wind heet in Latijn auster en is vochtig en warm, daarom is het vruchtbaar en de vruchten nuttig. Die andere heet de noordenwind of de nordenaar, daarom dat het van noorden vliegt, dat is van de hemelwagen uit het Saksen land weg van Pommeren. De wind [152] is koud en vochtig, dan zoveel als het zich verandert met erg ver vliegen. Die wind heet in Latijn aquilo. De derde wind heet de oostenwind of de oostenaar, daarom dat het van het oosten vliegt, dat is van de zonsopgang door Hongarije vanaf Pruisen. Die wind is warm in zijn oorsprong want de zon is warm in zijn opgang. De vierde wind heet de westenwind of de westenaar, daarom omdat het van westen vliegt, dat is van de zonsondergang. Elke wind heeft twee gezellen of twee volgers: een aan de rechterzijde en de andere aan de linker. Die mag men noemen naar de voorste wind namen, alzo dat de zuidenwind gezellen heten de recht zuidenaar en de linker zuidenaar. Alzo heten ook de andere naar elk zijn naam. Alzo hebben we overal in vier stonden drie winden, dat zijn twaalf. Het geschiedt vaak dat de tegengestelde winden raken aan elkaar zoals de zuidelijke de noordelijk of de oostelijke de westelijke. Welke dan sterker is die werpt de andere tot de aarde of in een water alzo vast soms dat het schepen omdraait. Is echter dat ze gelijk sterk zijn zo ringelen ze aan elkaar zo vast dat ze beide tot de aarde vallen en varen in een snelle wervels wijs en trekken vaak met hen op grote stenen of een mens of een ander zwaar ding en voeren dat met hen op in de lucht. Wanneer echter ze alzo vallen in de zee zo werpen ze dat zeewater op en gieten het aan dat land en verderven lieden en goed. De wind vlucht wordt gezet alzo dat ze niet vliegen van twee soorten zaken verder. De eerste is dat de zon en de sterrenkracht de aardse damp met overige hitte verstrooit uit elkaar alzo dat het zich niet verzamelen mag tot een erg merkelijke stoot of vlucht; vliegt het echter dat is een kleine. De andere zaak is dat de damp de regen met zich optrekt op de aarde. Eer het zich dan weer opswingt in de lucht en dat water laat zodat het weer licht wordt zo zijn de lucht einden stil en proeft [153] men weinig wind. Daarom is de lucht vaak stil na de regen wanneer voor dezelfde regen wind gewaaid heeft.

 

16.

VON DEM REGEN.

 

Der regen kmpt von wzzrigem dunst, den der sunnen htz auf ht gezogen in daz mitel reich des luftes, wann von der kelten, diu d ist, entsleuzt sich der dunst wider in wazzer, als wir sehen an dem dunst, der von dem wallende hafen gt ob dem feur: wenn der dunst die kalten eisneinne hafendecken rert, s entsleuzt er zich in wazzers tropfen.als geschiht auch dem dunst, der d kmt von rsen prennenoder von wein prennen: wenne der den kalten pleienne huot rert, s entsleuzt er sich auch in wazzer, und smeckt daz selbig wazzer von dem ding, d von der dunst kmt.dar umb wizz, wenn dich der dunst gesament in den luft, s gestt er zesamen und wirt dicke, des rsten von der kelten, und scheint uns dann als ain hauf weizer wollen oder swarzer.daz haiz wir wolken.wan s vil erdisches rauches ist gemischt zuo dem wzzerigen dunst oder s der wzzerig dunst gar dicke zesamen stt, s scheint daz wolken swarz; wenne aber der dunst clr ist, s scheint ez weiz; ist aber der erdisch rauch dnner etswie vil, s scheint daz wolken rt, und als ndert ez sich an der varb, reht als der dunst sich ndert an im selber.s nu diu kelten vast arbaitt in daz wolken, s entsleuzt ez sich in wazzer, und d von seind diu kelten snfticleichen anrert diu wolken, s macht si klaineu trpflein auz gar klainen stkleinn des dunstes, und vellet daz wazzer das umb her ab in tropfen weise.ist aber diu kelten gar grz, s verkrt si grzeu stkel des dunstes ze ml mit ainander, s vallent gar grz tropfen.dar umb seh wir sumerzeiten ze stunden gar grz tropfen vallen.daz [154] ist dar umb, daz diu grz hitz die kelten ht vertriben an ain stat der wolken, und ist diu kelten denn gar starch an ir selber, dar umb daz si veraint ist, und wil der hitz widerstn, s entsleuzt si dann die wzrigen dnst in grz tropfen.von den sachen geschiht auch oft, daz ain grz wazzer ze ml mit ainander her ab vellet, als daz ez ain haus oder ain ganz dorf hin fert.ez geschiht auch ze stunden, daz rtez wazzer regent sam pluotstropfen.daz ist d von, daz vil verprunnens erdisches rauchs gemischet ist zuo dem wzrigen dunst: d von verbt sich daz regenwazzer rt,als vindet man auch oft, daz sich daz wazzer verbt in der erden und gar rt her fr vleuzt; s wnent die ainvltigen lut, daz ain hailtum d sei.als pauten Kelhaimer ain hlzen cappeln ber ainen rten wazzerfluz an der Tuonaw oberhalb Regenspurch.ez geschiht auch oft, daz ez klaineu frschel regent oder klaineu vischel.daz ist d von, daz der wzzrig dunst als an im selb geschickt ist, wenn er sich in wazzer entsleuzt, sam die wzzrig pruot, dar auz die frschleu werdent oder die vischel, und der stern kraft wrkt diu tierl auz der geschickten materi und geuzt ain leben dar ein.ich rt aber niht, daz d der vischel ezzest, wann si sint von rher materi und sint vergiftig.dar umb geschiht auch oft, daz ain stain oder ain eisen her nider vellt; daz wirt aich paides auz dem erdischem rauch und auz dem wzrigen dunst als zesamen gemischt, als ez der ntr der dingen eben kmt.und als viel ain eisen oben her ab hie vor, daz was s hert, daz ain kng ain swert dar auz wolt haben gemacht.d wolt daz eisen von feur nie derwaichen, dar umb, daz es niht reht nch eisens ntr gemischt was auz den vier elementen.regenwazzer, gesament in den zistern, s ez gestt, s vellet diu erd ze podem, diu dar zuo gemischt was von irdischem rauch, s wirt ez denn gar lauter und sez und ist guot zuo der ruor, daz diu verst, und zuo dem rten fluz.die visch werdent vaizt von regenwazzer und dar umb swimment si [155] ob gegen dem regen und frwent sich des.d solt auch wizzen, daz des luftes reich, d daz wolken stt und der regen wirt und der wint wt und d allez weter geschiht, niderr ist dann die hhsten perg, die auf erden sint, wan man vindet perg s hch, d nie kain regen auf kom noch kain wint noch taw noch kain ander werch des weters.daz habent die alten maister an etleichen hhen pergen versuocht, als daz si nmen ainen padswamp und fuhten den mit wazzer und hielten in fr den munt, wenn si s hch kmen an den pergen, daz si nit mr fuhtes luftes heten, der in daz herz erkuolte, und schriben mit den vingern an die erden auf den pergen.wenn si dann ber ain jr hin wider kmen, s funden si die geschrift ganz sam an dem rsten tag.daz mht niht gesein, wr regen oder wint dar auf gewesen.

16.

VAN DE REGEN.

 

De regen komt van waterige damp die de zon hitte op heeft gezogen in dat middelste rijk van de lucht want van de koude die daar is ontsluit zich de damp weer in water zoals we zien aan de damp die van de wellende pot gaat boven het vuur: wanneer de damp de koude ijzeren potdeksel roert zo ontsluit het zich in water druppels. Alzo geschiedt ook de damp die daar komt van rozen branden of van wijn branden: wanneer die het koude loden hoed beroert zo ontsluit het zich ook in water en smaakt datzelfde water van de dingen waarvan de damp komt. Daarom weet wanneer zich de damp verzameld in de lucht zo stijft het tezamen en wordt dik, het eerste van de koude en schijnt ons dan als een hoop witte wol of zwarte. Dat noemen we wolken. Wanneer zoveel aardse rook is gemengd tot de waterige damp of zo de waterige damp erg dik tezamen staat zo schijnen die wolken zwart; wanneer echter de damp helder is zo schijnt het wit; is echter de aardse rook dunner wat veel zo schijnen die wolken rood en alzo verandert het zich de kleur recht zoals de damp zich verandert aan zichzelf. Zo nu de koude erg werkt in de wolken zo ontsluit het zich in water en daarvan als de koude zachtjes aanroert de wolken zo maakt ze kleine druppeltjes uit erg kleine stukjes van de dampen en valt dat water dat er af in druppel vorm. Is echter de koude erg groot zo veranderen de grote stukken van de dampen helemaal met elkaar tot vallende erg grote druppels. Daarom zien we zomer tijden soms erg grote druppels vallen. Dat [154] is daarom dat de grote hitte de koude heeft verdreven aan een plaats van de wolken en is de koude dan erg sterk aan zichzelf, daarom dat ze verenigd is en wil de hitte weerstaan, zo ontsluit ze dan de waterige damp in grote druppels. Van die zaken geschiedt ook vaak dat een groot water helemaal met elkaar afvalt alzo dat het een huis of een gans dorp heen voert. Het geschiedt ook soms dat het rood water regent zoals bloeddruppels. Dat is daarvan dat veel verbrande aardse rook gemengd is tot de waterige damp: daarvan verft zich dat regenwater rood. Alzo vindt men ook vaak dat zich dat water verft in de aarde en erg rood voort vloeit; zo wanen de eenvoudige lieden dat een relikwie daar is. Alzo bouwden Kelhaimer een houten kapelletje over een rode watervloed aan de Donau bij Regensburch. Het geschiedt ook vaak dat het kleine kikkertjes regent of kleine visjes. Dat is daarvan dat de waterige damp alzo aan zichzelf geschikt is wanneer het zich in water ontsluit zoals het waterige broedsel waaruit die kikkertjes worden of die visjes en de sterren kracht werkt de diertjes uit de geschikte materie en giet een leven daarin. Ik raad echter niet dat u de visjes eet want ze zijn van ruwe materie en zijn vergiftig. Daarom geschiedt ook vaak dat een steen of een ijzer neervalt; dat wordt ook beide uit de aardse rook en uit de waterige damp alzo tezamen gemengd zoals het de natuur die dingen even voorkomt. En alzo viel een ijzer van boven af hiervoor, dat was zo hard dat een koning een zwaard daaruit zou willen maken. Toen wilde dat ijzer van vuur niet weken, daarom dat het geen echt ijzer was dat naar ijzer natuur gemengd was uit de vier elementen. Regenwater verzameld in de regenbak zo het stijft zo valt de aarde naar de bodem die daartoe gemengd was van aardse rook zo wordt het dan erg helder en zoet en is goed tot de loop, dat u verstopt en tot de rode vloed. De vissen worden vet van regenwater en daarom zwemmen ze [155] op tegen de regen en verheugen zich dat. U zal ook weten dat het lucht rijk daar de wolken staan en de regen wordt en de wind waait en daar alle weer geschiedt lager is dan de hoogste bergen die op aarde zijn want men vindt bergen zo hoog dat daar geen regen op komt, noch geen wind, noch dauw, noch geen ander werk van het weer. Dat hebben de oude meesters aan ettelijke hoge bergen verzocht, alzo dat ze namen een paddestoel en bevochtigen die met water en hielden het voor de mond wanneer ze zo hoog komen aan de bergen dat ze geen vochtige lucht meer hadden die hen dat hart verkoelde en schreven met de vingers aan de aarde op die bergen. Wanneer ze dan na een jaar daar weer komen zo vonden ze dat geschrevene gans zoals aan de eerste dag. Dat mag niet zijn was er regen of wind daar op geweest.

 

17.

VON DEM TAWE.

 

Taw wirt auz gar behendem zartem wzrigem luft, der s lind und s zart ist, daz er die kelten des miteln reichs des luftes niht erleiden mag.dar umb beleibt er oben in dem nidristen reich des luftes, d der luft snft und lind ist.s nu der naht kelten sumerzeiten kmt, s entsleuzt sich die gar edel dunst in s zartez wazzer und in s unsihtigeu trpfel, daz man sein nidervallen niht preft unz daz diu lckel na sint auf dem haupt den, die des nahtes der naht dienent.dem zarten wazzer ist s behendez ertreich zuo gemischt und s zrtleich wirm, daz alle die paum, kruter und pluomen grenent und zuonement, dar auf ez gevellt.d maht sein zarthait prefen dar an.nim ain gar rain leinen tuoch und prait ez auf ain rainez gras in ainem garten sumerzeiten, unz d des nahtes daz taw gevhst; s twing ez dann mit rainen henden in ain lr airschaln, auz der ir toter und allez ir weiz daz ainem klainen lchlein gezogen sei, [165] und lain ez denn des tages an ain aufgestecktez sper an der stat, d diu sunn an schein.s ez denn derwarmet, s wirt ez s leiht, daz ez die schaln ze perg fert an dem sper.

Ach wie schn mht man daz geleichen den gben des hailigen gaistes, die die pluomen Christum machten grenend in der zarten schaln unser frawen und si derhht habent an dem sper der sttikeit!pref auch des tawes edel ntr dar an, daz ez menschleicher ntre s eben kmt und getleich zuolacht, wenn ez reudik ist worden in dem lenzen; s ez sich dan wescht mit tawe und dar inne welzet des morgens, diu sunne den taw benem, s wirt ez sleht an seiner haut und frlich an seinem muot. Ach helferinne, hilf und tawe mit deinen genden auf uns rudig snder, himelischeu frawe, gotes geprerinne!

17.

VAN DE DAUW.

 

Dauw wordt uit erg handige zachte waterige lucht die zo week en zo zacht is zodat het de koude van het midden rijk van de lucht niet lijden mag. Daarom blijft het boven in het laagste rijk van de lucht daar de lucht week en zacht is. Zo nu de nacht van koude zomertijden komt zo ontsluit zich die erg edele damp in zulk zacht water en in zulke onzichtbare druppels zodat men zijn neervallen niet proeft totdat de lokken nat zijn op het hoofd van die s nachts de nacht dienen. Dat zachte water is zo handig aardrijk toe gemengd en zo zachtjes warm zodat alle bomen, kruiden en bloemen groenen en toenemen waarop het valt. U mach zijn zachtheid beproeven daaraan. Neem een erg reine linnen doek en spreidt het op een rein gras in een tuin zomertijden tot u s nachts de dauw vangt; zo dwing het dan met reine handen in een lege eierschaal waaruit de dooier en al het witte dat uit een klein gaatje getrokken is [165] en leg het dan op de dag aan een opgestoken speer aan de plaats daar de zon aan schijn. Zo het dan verwarmt zo wordt het zo licht dat het die schaal te berg voert aan die speer.

Ach, hoe mooi mag men dat vergelijken met de gaven van de Heilige Geest die de bloemen van Christus maakt groeien in de zachte schaal van onze vrouw en ze verhoogd heeft aan de speer der bestendigheid! Proef ook de dauw zijn edele natuur daaraan zodat het menselijke natuur zo even komt en goedig toelacht wanneer het ruig is geworden in de lente; zo het zich dan wast met dauw en daarin walst s morgens eer de zon de dauw beneemt dan wordt het recht aan zijn huid en vrolijk aan zijn gemoed. Ach helpster, help en dauw met uw genaden op onze ruige zondaars, hemelse vrouw God baarster !

 

18.

VON DEM SNWE.

 

Sn wirt auz wssrigem dunst recht als der regen in dem miteln reich des luftes, aber ez muoz der luft s kalt sein, daz er s kreftig sei, wanne daz wolken sich zesamen zeuht und wirt dick sam die wollenstckel, daz in diu kelten zehant durchg und derfrr und mach in hert mit ainer linden herten, daz er zuo wazzer werd oder wazzers form gevh.dar umb vellt der sn her ab in wollen weis.wizz, daz etleich perg durch daz lang jr sn habent, dar umb daz si gar hch sint und an dem gar kalten tail des luftes.ez sint auch etleich, d nmmer kain sn auf kmt, reht als kain regen.als schreibent die kriechischen maister von dem perg in Kriechenland, der d haizt Olympus. [157]

18.

VAN DE SNEEUW.

 

Sneeuw wordt uit waterige damp recht zoals de regen in het middelste rijk van de lucht, maar het moet de lucht zo koud zijn dat het zo krachtig is dat de wolken zich tezamen trekken en wordt dik zoals de wollen stukjes zodat de koude er gelijk doorgaat en bevriest en maakt het hard met een zachte hardheid eer dat het tot water wordt of watervorm ontvangt. Daarom valt de sneeuw af in wollen wijze. Weet dat ettelijke bergen door het lange jaar sneeuw hebben, daarom dat ze erg hoog zijn en aan het erg koude deel van de lucht. Er zijn ook ettelijke waar nimmer geen sneeuw op komt net zoals als geen regen. Alzo schrijven de Griekse meesters van de berg in Griekenland die daar heet Olympus. [157]

 

19.

VON DEM REIFEN.

 

Der reif wirt auz der selbenlai dunst, der auz daz taw wirt, iedoch muoz diu kelten verr grzer sein, diu den reifen macht, wan diu daz taw macht.wan ze gleicher weis als sich der sn zuo dem regen ht, als ht sich der reif zuo dem tawe, und als daz taw allen frhten ntz ist und frumen pringet, als ist in der reif schad und verderbt die frht auf den paumen und auf den weinreben und durchgt si s gar, daz si vallent oder swarzent sam si verprant sein.daz ist dar umb, daz der reif von gar behendem dunst ist und gar kalt, und d von durchgt er diu klainen luftlchlein an den frhten und erleschet die ntrleichen hitz dar inn.s daz geschiht, s mezent die fruhtpluomen sterben und swarzen.ez ist auch der reif hertgriffiger dan der sn, dar umb, daz den dunst, dar auz der reif wirt, diu grz kelten herticleicher durchgt und sich tiefer dar ein senket wann in den sn und machet gar klaineu krnlein in dem reifen und gar herteu; dar umb lt sich der reif niht schn pallen sam der sn.d scholt auch wizzen, daz daz reimeln an de paum esten winterszeiten kmt von den selben sachen, wann der fuht warm dunst, der von der esten ntr gt, verkrt sich von der grzen kelten in reifes gestalt, und seind der dunst klain ist, s wirt er zehant verkrt, s er neur her fr kmt,dar umb beleibt er auf den esten hangend.als bereimelt ainem menschen auch sein part oder hr oder ander dinch auf dem haupt von dem fuhten tem, der im von dem mund und von der nasen gt, s der luft gar kalt ist.ez vallent auch oft krnlein, allermaist in dem lenzen, diu sint sinbel sam die arwaiz und sint herter an dem griff wan der sn und waicher wan der reif, die koment d von, daz diu kelten grzer ist wan zuo dem sn und klainer wan zuo dem reifen, als daz si den dunst niht s gar [158] durchgt sam in dem reifen.diu krnlein haizent ze latein granula.

19.

VAN DE RIJP.

 

De rijp wordt uit dezelfde soort damp waaruit de dauw wordt, toch moet de koude ver groter zijn die de rijp maakt dan wat de dauw maakt. Want op gelijke wijze zoals zich de sneeuw tot de regen houdt alzo houdt zich de rijp tot de dauw en zoals de dauw alle vruchten nuttig is en vruchten brengt alzo is in de rijp schadelijk en verderft de vruchten op de bomen en op de druiven en doorgaat ze zo erg zodat ze vallen of zwart worden alsof ze verbrand zijn. Dat is daarom dat de rijp van erg handige damp is en erg koud en daarvan doorgaat het de kleine luchtgaatjes in de vruchten en lest de natuurlijke hitte daarin. Zo dat geschiedt zo moeten die vruchtbloemen sterven en zwart worden. En is ook de rijp harder aan te grijpen dan de sneeuw, daarom dat de damp waaruit de rijp wordt de grote koude harder doorgat en zich dieper daarin zinkt dan in de sneeuw en maakt erg kleine korreltjes in de rijp en erg harde; daarom laat zich de rijp niet schoon ballen zoals de sneeuw. U zal ook weten dat de rijp aan de boomtakken winterstijden komt van dezelfde zaken want de vochtig warme damp die van de takken natuur gaat verandert zich van de grote koude in rijp gestalte en omdat de damp klein is zo wordt het gelijk veranderd tot het weer tevoorschijn komt. Daarom blijft het op de takken hangen. Alzo berijmt een mens ook zijn baard of haar of andere dingen op het hoofd van de vochtige adem die hem van de mond en van de neus gaan tot de lucht erg koud is. Er vallen ook vaak korreltjes allermeest in de lente en die zijn rond zoals de erwten en zijn harder aan te grijpen dan de sneeuw en weker dan de rijp, die komen daarvan dat de koude grotere is dan bij de sneeuw en kleiner dan bij de rijp alzo dat de damp het niet zo erg [158] doorgaat zoals in de rijp. Die korreltjes heten in Latijn granula.

 

20.

VON DEM SCHAWR.

 

Der schaur haizt in ander dutsch der hagel, und kmt d von, daz der wzzrig dunst des rsten sich entsleuzt in regentropfen an ainer niht brig kalter stat in dem luft, d der regen wirt, und die tropfen dar nch vallent durch ain gar kalte stat, d diu hitz in dem sumer die kelten zesamen ht getriben, wan diu selb brig kelten verkrt die tropfen in eis, reht als si daz wazzer tuot hie niden winterzeiten.dar umb sint des schaurn krner gestalt sam die cristallen und sint sinbel, dar umb, daz si sich sleifent durch den luft her ab zuo allen enden.ez kmt auch oft, daz regentropfen vallent mit dem schaurn; daz ist d von, daz der schaur her nider paz in seinem vallen linden luft begreift: dar umb zefleuzt er an den enden und die tropfen vallent mit im her ab in regens weis.

20.

VAN DE HAGEL.

 

De schaur heet in ander Duits de hagel en komt daarvan dat de waterige damp in het eerste zich ontsluit in regendruppels in een niet over koude plaats in de lucht waar het regen wordt en die druppels daarna vallen door een erg koude plaats daar de hitte in de zomer die koude tezamen heeft gedreven, want diezelfde overige koude verandert die druppels in ijs net zoals ze dat water doet hier beneden winterstijden. Daarom zijn de hagelkorrels gevormd zoals het kristal en zijn rond, daarom dat ze zich slepen door de lucht af tot aan alle einden. Het komt ook vaak dat regendruppels vallen met die hagel; dat is daarvan dat de hagel hier beneden beter in zijn vallen zachte lucht grijpt: daarom vervloeit het aan de einden en die druppels vallen met die af in regen wijze.

 

21.

VON DEM MILTAWE.

 

Er haizet ains miltaw, daz verderbt deu hopfen oft und daz korn und ander getraid.daz kmpt d von, daz der erdisch dunst, dar auz daz miltaw wirt, gar behend ist an im selber und daz er sr geprant ist von der sunne, diu in auf ht gehebt von der erden.dar umb wenn sich der dunst entsleuzt in haimleichez nidertropfen mit regen oder n regen und er gevellt auf die plet der frhten, s verprent er daz fruhtpr march der frhten, reht sam ain nazzer wolgepranter asch tt, ob man in dar auf legt.und daz dem als sei, daz er kome von erdischen dunst, daz vind ich als.wenne daz [159] miltaw gevallen ist, s preft man ez aller rst an dem dritten tag oder an dem vierden und ist danne daz gel oder swarz worden, dar auf ez sitzet, und diu varb bedut prunst der materi.ez geschiht oft, daz daz selb getraid, dar auf ez vellt, steubt, wenn ez gedorret, sam ez mit aschen sei bestrut.daz wr alles niht, kme daz miltaw niht von erdischen verprantem dunst, der daz getraid als negt.d scholt auch wizzen, daz ez den frhten aller maist schadet, s si plent, wan ir plet ist lind und zart.wenne aber ir frht von den pluomen koment und ain tail erstarkt sint, s schat ez in niht als vil.ez haizt auch miltaw niht von miltikait, wan ez ist ark und bel: ez ist gehaizen von milwen miltaw, wan als die milwen daz gewant frezzent und verderbent, als verderbt ez die fruht.dar umb hieze ez wol milwentaw, wan man vint an vil dingen klaineu wrmlein swarzeu nch etleichen tagen, dar auf daz miltaw gevallen ist.iedoch wizz, daz ich den sin von dem miltaw von andern maistern niht hn genomen.

21.

VAN DE MEELDAUW.

 

Het heet een meeldauw dat verderft de hop vaak en dat koren en andere graan. Dat komt daarvan dat de aardse damp waaruit de meeldauw wordt erg handig is aan zichzelf en dat het zeer verbrand is van de zon die het op heeft geheven van de aarde. Daarom wanneer zich de damp ontsluit in heimelijke neer druppelen met regen of zonder regen en het valt op de bloemen der vruchten zo verbrandt het dat vruchtbaar merg van de vruchten net zoals aan nat goed verbrande as doet als men het daarop legt. En dat dit alzo is dat het komt van aardse damp dat bevind ik alzo. Wanneer de [159] meeldauw gevallen is zo proeft men het allereerste aan de derde dag of aan de vierde en is dan dat geel of zwart geworden daar het opzit en die kleur betekent gloed van de materie. Het geschiedt vaak dat hetzelfde graan waarop het valt stuift wanneer het droogt alsof het met as bestrooid is. Dat was alles niet kwam die meeldauw niet van aardse verbrande damp die dat koren alzo neigt. U zal ook weten dat het de vruchten allermeest schaadt zo ze bloeien, want hun bloei is week en zacht. Wanneer echter de vruchten van de bloemen komen en een deel versterkt zijn zo schaadt het hen niet zoveel. Het heet ook meeldauw, niet van mildheid want het is erg en kwaad: het is geheten van mijt meeldauw, want als de mijten dat kleed vreten en verderven, alzo verderft het de vruchten. Daarom heet het wel mijtendauw want men vindt aan veel dingen kleine zwarte wormpjes na ettelijke dagen waarop de meeldauw gevallen is. Toch weet dat ik de zin van de meeldauw van andere meesters niet heb genomen.

 

 

2.

VON DEM HONIG.

 

Ez kmt auch ze stunden in dem sumer, daz hnig vellet von den lften auf die paum und auf daz gras, und fliegent die peinen dar auf und sament daz.daz haizt man trr.daz kmpt d von, daz der fuht dunst von der sunnen aufgezogen wirt sumerzeiten auz den pluomen, auz den krutern und auz den frhten unz in daz reich des luftes, daz ob den wolken stt.d wirt der dunst dan aber gedicket an im selber von der snften kelten, die d ist gar nhent pei dem obristen reich des luftes, und von der dicken und von dem frost entsleuzt sich der dunst in seze fuhten und vellt her wider ab auf die frht und auf die pluomen, und daz haiz wir wildez honig.iedoch scholt d wizzen, daz zwairlai honig [160] ist; ains ist ntrleich, daz ander maisterleich.daz ntrleich ist d von wir ietz gesagt haben.daz maisterleich ist daz der pein maisterschaft ze haufen tregt in ir wonung.d scholt auch wizzen, daz des ntrleichen hnigs in unserr wonung wnig vellet, sein vellt aber vil in den landen gegen der sunnen aufganch.daz ist dar umb, daz der behend zart dunst, dar auz daz hng wirt, von den pluomen und von den frhten in unserr wonung niht mag aufgn durch den zhen slipfrigen luft unz an sein reht stat, d er zuo hng wrd.wan unser luft, d wir wonen, der ist vol wzriger wolken und der verkrt den selben dunst und verderbt in.iedoch vellt daz honig sumerzeiten pei uns auch, wenn unser luft rain und schn ist, und daz geschiht in dem prchmnn, der ze nhst nch dem maien ist, allermaist pei den sumerleichen snwenden.wenne daz geschiht, s sterbent diu schf und die gaiz gern, dar umb, daz daz hong coleram macht in der tier leib.des vindest d ain zaichen: wenne si tt sint und man si aufsneidet, s sint si inwendig gel von der prunst colera.aber in den landen gn der sunnen aufganch ist der luft gar lauter und still durch daz ganz jr gar vil; dar umb velt ez in den landen oft.wenn ez gevallen ist, s schol man daz vich d heim lzen und schol den kinden wern, daz si ez niht ab den paumpletern saugen.iedoch hn ich des vil gezzen auf dem geu, d ich ain kindel was; d nch tet mir mein leibel gar w und west niht, w von daz wr.waz kraft daz hnig hab, daz sag wir her nch, wenn wir von den peinn sagen.

2 .

VAN DE HONING.

 

Er komt ook soms in de zomer dat honing valt van de lucht op de bomen en op dat gras en vliegen die bijen daarop en verzamelen dat. Dat noemt men hemels sap. Dat komt daarvan dat de vochtig damp van de zon afgetrokken wordt zomertijden uit de bloemen, uit de kruiden en uit de vruchten tot in dat rijk van de lucht dat boven de wolken staat. Daar wordt de damp dan echter verdikt aan zichzelf van de zachte koude die daar is erg dichtbij het hoogste van het rijk der lucht en van die dikte en van de vorst ontsluit zich de damp in zoete vochten en valt weer af op de vruchten en op de bloemen en dat noemen we wilde honig. Toch zal u weten dat er twee soorten honing [160] zijn; ene is natuurlijk, de ander kunstmatig. De natuurlijke is waarvan we iets gezegd hebben. De kunstmatige is dat de bijen kunst in hopen draagt in hun woning. U zal ook weten dat de natuurlijke honing in onze woningen weinig valt, dat valt echter veel in de landen tegen de zonsopgang. Dat is daarom dat de handige zachte damp waaruit de honing wordt van de bloemen en van de vruchten in onze woningen niet mag opgaan door de taaien slibberige lucht tot aan zijn rechte plaats daar het tot honing wordt. Want onze lucht daar we wonen die is vol waterige wolken en die verandert diezelfde damp en bederft het. Toch valt die honing zomertijden bij ons ook wanneer onze lucht rein en schoon is en dat geschiedt in de juni, dat is naast mei, en is allermeest bij de zomerse zonnewende. Wanneer dat geschiedt zo sterven de schapen en de geiten graag, daarom dat deze honing gal maakt in het dieren lijf. Dus vindt u een teken: wanneer ze dood zijn en man ze open snijdt zo zijn ze inwendig geel van de gloed gal. Echter in de landen tegen de zonsopgang is de lucht erg helder en stil door dat ganse jaar erg veel; daarom valt het in die landen vaak. Wanneer het gevallen is zo zal man dat vee thuis laten en zal de kinderen weren dat ze het niet van de boombladeren zuigen. Toch heb ik dat veel gegeten op de gaw toen ik een kindje was; daarna deed me mijn lijf erg pijn en wist niet waarvan dat was. Welke kracht die honing heeft dat zeggen we hierna wanneer we van de bijen zeggen.

 

23. VON DEM HIMELFLAD.

 

Ainz haizt ze latein ladanum und mag ze dutsch haizen himelflad oder himeltrr, reht sam daz vorder hiez honigtrr.daz himeltrr vellt auch nider sam daz hong [161] trr, dann daz ez ain wnich hher vellt, uns kmt von dem selben dunst, denne daz der dunst dicker ist und zher an im selber.wenne daz himeltrr vellt auf diu kruter, s tailt man daz kraut mit riemen und underschait ez, s behanget diu edel fuhten an den riemen; s diu gehertt wirt, s haizt si ladanum.daz vellt in unsern landen niht, durch der sach willen, die wir vor gesagt haben von dem honigtrr, s daz himeltrr lauter ist und niht gemischt mit andern dingen, s ist ez gar edel smeckend und zelt man ez zuo den edelsmeckenden dingen, diu man ze latein aromata haizt.daz ist gar schatzpr, aber man velscht ez mit gaiztmist und mit slchen swarzen dingen, diu man wol kewen mag.man velscht ez auch s sr, daz man in zehen pfunden kaum ain unz vint.aber man schol daz auzweln fr daz pest, daz swr ist und swarz und daz man kewen mag und daz wol smecket.aber daz rtlot ist und zwischen den henden zerpricht oder zereiset, daz bedeut, daz ez veraltet ist oder alze sr gevelschet.das himeltrr ht die kraft, daz ez die flzz verstnd macht, die wzrig sint, und daz ez hitzt.diu zwai ht ez von seiner ntr adel, dar umb geit man ez fr die huosten und fr den fluz der von dem hirn gt zuo der prust, ist daz der huost kmt von kalter sach, wan s habt man ez fr die nasen und smeckt dar zuo, s hilft ez fr den fluz.ist auch, daz man daz himeltrr mischt zuo rsen und wellet ez in ainem regenwazzer und deckt daz vaz unz daz ez wider lw wirt, wem denn die zend wagent, nimt er des wazzers in den munt und tweht man im die fez d mit, als daz sich die dern entsliezent, s werdent die zend gevestent d von.als geschiht auch, ob man ladanum mischt mit dem kraut, daz d haizt mastix.ob man daz gemischt legt inwendig und auzwendig an daz zandflaisch und an die zend, s werdent die zend gevestent.daz himeltrr sterkt auch der frawen muoter und hilft der fruht in dem leib.ez ist auch guot dem, der ainen kranken [162] magen ht von kalter sach, und wer den magen sterken well, daz er wol gekochen mg sein ezzen, der nem fnf pillulas, daz sint fnf kgellein, in der apoteken gemacht von ladano und nem die in kswazzer oder in molken, daz haiz ich allz ainz.

23.VAN DE HEMELVLOED.

 

Een heet in Latijn laudanum en mag in Duits heten hemelvloed of hemelsap, net zoals die vorige heet honing hemelsap. Dat hemelsap valt ook neer zoals dat honing [161] hemelsap, dan dat het een weinig hoger valt. Bij ons komt dezelfde damp dan dat de damp dikker is en taaier aan zichzelf. Wanneer dat hemelsap valt op de kruiden zo deelt men dat kruid met riemen en onderscheidt het, dan hangt dat edele vochten aan de riemen; zo die verhard wordt dan heet het laudanum. Dat valt in onze landen niet vanwege de zaak die we voor gezegd hebben van het honing hemelsap, zo dat hemelse sap helder is en niet gemengd met andere dingen dan is het erg edel smakend en telt man het tot de edel smakende dingen die man in Latijn aromata heet. Dat is erg kostbaar, echter men vervalst het met geitenmest en met zulke zwarte dingen die men goed kauwen mag. Men vervalst het ook zo zeer dat man in tien ponden nauwelijks een ons vindt. Echter men zal dat uitzoeken voor dat beste dat zwaar is en zwart en dat men kauwen mag en dat goed smaakt. Echter dat roodachtig is en tussen de handen breekt of trekt dat betekent dat het oud geworden is of al te zeer vervalst. Dat hemelsap heeft de kracht dat het de vloed staan maakt die waterig zijn en dat het verhit. Die twee heeft het van zijn natuur adel en daarom geeft men het voor het hoesten en voor de vloed die van de hersens gaan tot de borst en is dat de hoest komt van koude zaak dan zo heft man het voor de neus en ruikt daartoe dan helpt het voor de vloed. Is ook dat men dat hemelse sap mengt bij rozen en welt het in een regenwater en bedek dat vat totdat het weer lauw wordt en die dan de tanden waggelen die neemt het water in de mond en dweilt men hem de voeten daarmee alzo dat zich de aderen ontsluiten dan worden die tanden vast daarvan. Alzo geschiedt ook als men laudanum mengt met dat kruid dat daar heet mastiek. Als men dat gemengd legt inwendig en uitwendig aan dat tandvlees en aan de tanden zo worden de tanden bevestigd. Dat hemelse sap sterkt ook de vrouwen baarmoeder en helpt de vrucht in het lijf. Het is ook goed die een zwakke [162] maag heeft van koude zaak en wie de maag versterken wil zodat die goed koken mag zijn eten die neemt vijf pillen, dat zijn vijf kogeltjes in de apotheken gemaakt van laudanum en neemt die in kaaswater of in molken, dat noem ik alles een.

 

24.

VON DEM HIMELPROT.

 

Manna haizt ze dutsch himelprt und vellt auch oben her ab von den lften, iedoch ain wnig hher wann daz himeltrr, sam etleich maister sprechent.ez wirt auch auz der selbenlai dunst, dar auz daz himeltrr wirt, denn daz sein dunst auz den elementen gleicher oder zimleicher gemischt ist und sein fuhten pas gekocht ist, und vellt auch in tawes weis her ab des nahtes auf die kruter oder auf die vels und wirt d hert, d sament ez die lut dann.aber dar umb, daz sein wnig vellt, velscht man ez gar sr.wizz, daz ez in unsern landen niht vellt von der selben sach wegen, diu gesagt ist von dem honigtrr und von dem himeltrr.wenne daz himelprt lauter ist und niht gemischt mit andern dingen, s ist ez edel smeckend und gar schatzpr.man derkennet aber daz lauter von den unlautern als, daz daz lauter weizlot ist und inwendich etleich hlr ht sam der honigsaim, und daz gar lauter ist, daz ist sez und gar lustig und zimleich in dem mund.nu maht d frgen, ob ez daz himelprt sei, daz got dem glubischen volk sante in der westen hie vor, d er vlch auz Egipt.s sprich ich: nain, wann got der speist daz volk vierzig jr von dem selben himelprt in berntrleichen werken, s kmt daz himelprt, d ich nu von sag, von ntrleichen werken.auch het der alten vter himelprt vil aigenchait an im, der ditz niht ht.ob aber ez an dem smach und in dem mund wr sam ditz, daz widersprich ich nit.daz himelprt, d wir hie von [163] reden, daz wirt of gevelscht mit honig, oft mit lekritzen, diu gepulvert ist.aber wenne man ez velscht, s ist ez unlustichleichen sez, als daz dem menschen dar ab wllet.daz himelprt ht die kraft, daz es daz pluot lutert und rainigt, und dar umb ist ez guot in hitzigen shten, die d koment von der colera, und schol man ez den siechen beraiten in warm wazzer, sam man ainz berait in der apoteken, haizt cassia fistula.iedoch gehrt daz den rtzen, wan ain mensch mht sich leiht vergreifen.km daz von meinen schulden, daz wr mir lait.

24.

VAN HET HEMELBROOD.

 

Manna heet in Duits hemelbrood en valt ook van boven af van de lucht, toch een weinig hoger dan dat hemelse sap zoals ettelijke meesters spreken. Het wordt ook uit dezelfde soort damp waaruit dat hemelse sap wordt, dan dat zijn damp uit de elementen meer gelijk of beter gemengd is en zijn vochten beter gekookt is en valt ook in dauw wijze af s nachts op de kruiden of op de rotsen en wordt daar hard en daar verzamelen het de lieden dan. Echter daarom dat het weinig valt vervalst men het erg zeer. Weet dat het in onze landen niet valt vanwege dezelfde zaak die gezegd is van het honig hemelse sap en van het hemelse sap. Wanneer dat hemelbrood helder is en niet gemengd met andere dingen dan is het edel smakend en erg kostbaar. Men herkent echter dat heldere van de onzuivere alzo dat het heldere witachtig is en inwendig ettelijke holen heeft zoals de honingzeem en dat erg heldere is dat is zoet en erg lustig en goed in de mond. Nu mag u vragen of het dat hemelbrood is dat God het gelovige volk zond in de woestijn hiervoor toen het vloog uit Egypte. Zo spreek ik: neen, want God die spijsde dat volk veertig jaar van hetzelfde hemelbrood in bovennatuurlijke werken, zo komt dat hemelbrood, waar ik nu van zeg, van natuurlijke werken. Ook heeft het oude vaderlijke hemelbrood veel eigenschappen aan zich die dit niet heeft. Of het echter aan de smaak en in de mond was zoals dit, dat weerspreek ik niet. Dat hemelbrood waar we hier van [163] spreken dat wordt vaak vervalst met honing, vaak met zoethout dat gepoederd is. Echter wanneer man het vervalst zo is het onlustig zoet alzo dat de mensen daarvan woelen. Dat hemelbrood heeft de kracht dat het dat bloed zuivert en reinigt en daarom is het goed in hete ziektes die daar komen van de gal en zal man het de zieken bereiden in warm water zoals men een bereidt in de apotheken die heet Cassia fistula. Toch behoort dat de artsen want een mens mag zich gemakkelijk vergrijpen. Komt dat door mijn schuld dat was me leed.

 

25.

VON DEM DONR UND VON DEN PLITZEN.

 

Der donr kmt von erdichem vaiztem dunst, d von diu feur in den lften werdent, als vor gesait ist, und kmpt in dr weis.seind der dunst an im selber warm ist und der wolken stat kalt, s er dann kmt an die stat der wolken, s wellt er ber zich auf zuo dem feur oder in daz obrist reich des luftes, dar umb, daz er leiht ist und warm, sam daz feur leiht ist und haiz.wenn er denne an diu kalten wolken stzt, s stzent si in her wider ab.von dem stzen vert er snell hin wider, s stzt den dunst diu kelten noch vester her wider.daz geschiht s lang, unz daz er s gar snell und vesticleichen wirt her nider geworfen, sam ain geschz, daz man auz phsen scheuzet.d von wirt der vaizt dunst enprant in seinem snellen flug, als daz er flammen geit, und die flammen haiz wir plitzen.aber daz reizen, daz der dunst tuot in den wolken und in den lften, daz haizt der tonr.dar umb koment diu zwai mit enander donr und plitzen.iedoch siht man den plitzen, wir den tonr hrn, wann daz gesiht streckt sich verrer und sneller dan daz gehrd, als seh wir oft auf den peheln ob den pchen, d die weschen waschent, den slag mit den [164] pleueln, wir den galm hren.nu mhst d sprechen: wir sehen oft plitzen n den donr und hrn oft den donr n plitzen.daz ist dar umb, daz oft die wzzrigen wolken gar vinster und dicke sint und derlechent die flammen ob der dicken, als daz wir ir niht sehen.wenne daz geschiht, s hr wir donr n plitzen.ez geschiht auch, wenn ez gar haiz ist gewesen des tages in sumerzeiten, daz die vaizten dnst verr von uns entznt werdent, als daz sich der galm verstzt, daz er niht zuo uns kmt: s seh wir den himelitzen oder den plitzen n donr.iedoch sint lut, die wnent, daz der donr ain stain sei, dar umb, daz oft ain stain her ab vellt mit de donr in grzem weter.daz ist niht wr, wan wr der donr ain stain, s machte er wunden den luten uud den tiern, die er dersleht, sam ander vallend stain tuont.des geschiht doch niht, wan wir sehen, daz die lut, die der donr sleht, kain wunden habent.si sint aber swarz an dem slag, daz ist dar umb, daz der haiz dunst si verprent und verprent in daz pluot in dem herzen, dar umb erstickent si n wunden.ez krt auch der mensch daz antltz gegen dem slag, dar umb, wenn ez der donr sleht, s wil ez warten, waz daz sei, und krt daz antltz umb, und in dem kren stirbt ez.wizz auch, daz der donr allermaist schat hertem ding sam stahel ist und vels und stain.daz ist dar umb, daz diu selben dinch den dunst niht durch varn lzent, dar umb zerpricht er si und zekleubt si oft ze stucken.aber lindem ding schadet er niht s sr, dar umb zerpricht er oft daz swert in der schaiden und die spn, als daz daz leder ganz beleibt an der schaiden.der donr ist mangerlai, wann oft gillt er sam der ainem ain pltern voller luftes auf dem haupt zersleg.daz ist dar umb, daz daz wolken sich umb und umb ht gesament umb den donrigen dunst, s mag er nindert auz, unz er daz wolken zerpricht an ainer seiten sam der luft die pltern tuot.er hillt auch oft sam der ain leinein tuoch nch der leng rizze, daz [165] ist, wenn er nch der tiefen diu wolken und den luft reizt.er prastelt auch oft sam d tnnein holz prastelt in ainem feur.daz ist dar umb, daz der dunst stckelot oder in stuckes weise beslozzen ist und in mangen stcken nch ainander auz prichet, reht sam der haiz luft in dem feur auz luftigem holz oder sam der luft tuot auz vil castanien oder auz aicheln, die man ganz in ain feur richt.der plitzen wirkt auch gar wunderleicheu werch und ist schdleich gar an vil dingen.daz rst ist, daz er dem menschen diu augen oft verplendet, daz in reht ansiht.daz ist d von, daz er im die cristallischen fuhten verprent in dem augapfel, dar an des gesihtes kraft ligt.daz ander ist, daz er die plet verderbt auf den paumen und aller maist die zarten plet an dem weinreben; dar umb verhllet die ntr diu fruhttragerlein, daz sint die frhtigen kndel auf den paumen, mit pletern, sam d ain amme ir kint verhllet mit windeln, und macht dem weinreben gar praiteu pleter, daz er sein weintrauben d mit verhll vor dem plitzen.daz dritt ist, daz er oft dem menschen daz hr verprent under den ehsen und andersw und doch seinem leib niht schadet.daz ist dar umb, daz der dunst niht s vast vert, daz er dem menschen schad; seind aber er prinnet und hin und her lauft an dem menschen gar snell, s verprennet er daz drr lind hr an im n des menschen versrung.als geschach, daz Marcia, der Rmer frstinne, von ainem donr geslagen wart und starp daz kint in irm leib.aber ir geschach niht.daz was dar umb, daz diu fruht in dem leib dannoch kranch was und daz von der frawen derschrecken diu pant sich rizzen, d mit daz kint gepunden was, und daz selb reizen raiz auch dem kind sein dern und sein herzlein ab.ez spricht unser puoch, daz der donr oder der plitzen niemant schad, der in vor hr oder sehe, der slag zuo im kom.wrleich daz dnket mich ain leihter spruch n maisterschaft, wan unser vorsehen hilft niht dar zuo, sich mht dann der mensch s [166] snell vor dem slag verpergen.ez spricht auch daz puoch mr, daz der plitzen oder den donr niht alle zeit den menschen ertd, wanne er ez trift; aber er td ander gesellteu dinch wenn er si trift, ez sei paum oder tier, und under den tiern srt er allermaist den adlarn, aber under den paumen allermaist den lorpaum, als spricht Plinius. Seneca spricht, daz ze seinen zeiten der donr ain vaz voller weins zesleg, als daz der wein ain kurzer stndel stend pei ainander ne vaz, sam er in dem vaz gestanden was.daz was dar umb, daz der slag s snell was, daz der wein niht s snell zervliezen moht.als seh wir, daz ainr ain offen glas mit wein oder mit wazzer s snell umbslingt in ainer slingen oder on der hant, daz nihts her auz fleuzt.auch ist der wein leiht zh gewesen, daz ht auch dar zuo geholfen.

Nu maht d frgen, seind der dunst, dar auz der donr und der plitzen wirt, aufgt winterszeiten und sumerzeiten, war umb donrt ez niht in dem winter sam in dem sumer?daz ist dar umb, daz in dem winter diu hitz niht s grz ist, daz si starken vesten rauch aufgeheben mg sam zuo dem donr gehrt, und mag in auch s hch niht geheben in die lft, daz er mit s grzer ungestemikait her nider valle.dar umb hebt diu sunne in dem winter neur dunst auf, der zuo regen gehrt, oder zuo sn oder zuo winden und zuo feurn, diu niht plitzen haizent.diu selb sach ist auch in dem herbst und in dem lenzen, ez sei dann gar selten.ez sprechtent auch etleich, daz in den landen pei der sunnen aufganch sumerzeiten niht donr werden, aber si werdent d selben winterszeiten.daz ist dar umb, daz in den landen sumerzeiten diu hitz s gar brigs grz ist, das kain dunst in den lften zuo wolken getwungen wirt, wan diu grz hitz diu zerstrut den dunst und lzt in niht dick werden.aber winterszeiten s ist diu hitz in den landen snft, reht sam si ist in dem sumer mit uns.dar umb s donrt ez in dem winter in dem selben landen.ez ist auch in den [167] landen gegen der sunnen underganch sam mit uns, wan d ist ez niht brigs haiz sumerzeiten. Plinius spricht, daz dreierlai donr sein oder plitzen.die rsten sint die niht spaltent, aber si prennent und die sint trucken an in selber.die andern dnr sint fuht, die prennent niht, aber si spaltent und swerzent diu dinch, dar auf si vallent.die dritten haizt man clr oder behend dnr, die sint aller selzeinst und aller wunderleichst und gar haimleicheu dinch der ntr: diu verstelnt und schpfent den wein haimleichen aus den vazzen, als daz si der vaz niht rernt mit ainem merkleichen schall, si lzent aber ir fuozstapfen an den vazzen.

25

VAN DE DONDER EN VAN DE BLIKSEM.

 

De donder komt van aardse vette damp waarvan het vuur in de lucht wordt, zoals voor gezegd is, en komt in die wijze. Omdat de damp aan zichzelf warm is en de wolken plaats koud zo het dan komt aan die plaats der wolken zo welt het omhoog op tot het vuur of in dat bovenste rijk van de lucht, daarom dat het licht is en warm zoals dat vuur licht is en heet. Wanneer het dan aan de koude wolken stoot zo stoten ze hem weer af. Van het stoten vaart het snel heen en zo stoot de damp de koude noch vaster terug. Dat geschiedt zo lang totdat het zo erg snel en vast wordt neergeworpen zoals een geschut dat men uit bussen schiet. Daarvan wordt de vette damp ontbrandt in zijn snelle vlucht alzo dat het vlammen geeft en die vlammen noemen we bliksem. Echter dat reizen dat de damp doet in de wolken en in de lucht dat heet de donder. Daarom komen die twee met elkaar, donder en bliksem. Toch ziet man de bliksem eerder dan we de donder horen want het gezicht strekt zich verder en sneller dan dat gehoor, alzo zien we vaak op de poelen of de beken waar gewassen groeien de slag met de [164] ogen eer we de galm horen. Nu mag u spreken: we zien vaak bliksem zonder donder en horen vaak de donder zonder bliksem. Dat is daarom dat vaak de waterige wolken erg duister en dik zijn en verlichten die vlammen boven het dikke alzo dat we ze niet zien. Wanneer dat geschiedt zo horen we donder zonder bliksem. Het geschiedt ook wanneer het erg heet is geweest op de dag in zomertijd dat de vette damp ver van ons ontstoken wordt alzo dat zich de galm verstoot zodat het niet tot ons komt: zo zien we de hemellichten of de bliksem zonder donder. Toch zijn er lieden die wanen dat de donder een steen is, daarom dat vaak een steen er afvalt met de donder in slecht weer. Dat is niet waar, want was de donder een steen dan maakte het wonden de lieden en de dieren die het verslaat zoals andere vallende stenen doen. Dat geschiedt toch niet want we zien dat de lieden die de donder slaat geen wonden hebben. Ze zijn echter zwart van de slag, dat is daarom dat de hete damp ze verbrandt en verbrandt hen dat bloed in het hart, daarom stikken ze zonder wonden. En keert ook de mens dat aangezicht tegen de slag, daarom wanneer hem de donder slaat dan wil hij weten waar dat is en keert dat aangezicht om en in het keren sterft hij. Weet ook dat de donder allermeest schaadt harde dingen zoals staal is en rotsen en steen. Dat is daarom dat dezelfde dingen de damp niet doorgaan laten, daarom verbreekt het ze en klieft ze vaak in stukken. Echter zachte dingen schaadt het niet zo zeer, daarom breekt het vaak dat zwaard in de schede en de spaan alzo zodat het leer gans blijft aan de schede. De donder is menigvuldige want vaak gilt het zoals die een blaas vol lucht op het hoofd slaat. Dat is daarom dat de wolken zich om en om hebben verzameld om de donderige damp en zo mag het er niet uit tot het de wolken breekt aan een zijde zoals de lucht die blaas doet. Het huilt ook vaak zoals die een linnen doek naar de lengte scheurt, dat [165] is wanneer het naar de diepte der wolken en de lucht rijst. Het knettert ook vaak zoals daar dennen hout knetter in een vuur. Dat is daarom dat de damp stukachtig of in stukjes wijze besloten is en in vele stukken na elkaar uitbreekt net zoals de hete lucht in het vuur uit luchtig hout of zoals de lucht doet uit veel kastanjes of uit eikels die man gans in een vuur reikt. De bliksem bewerkt ook erg wonderlijk werk en is schadelijk erg aan veel dingen. De eerste is dat het de mensen de ogen vaak verblindt die het recht aanzien. Dat is daarvan dat het hem de kristalachtige vochten verbrandt in de oogappel waaraan de gezicht kracht ligt. De andere is dat het de bloei bederft op de bomen en allermeest die zachte bloei aan de druiven; daarom hult de natuur de vruchtdragers, dat zijn die vruchtknoppen op de bomen met bladeren zoals daar een voedster haar kind hult met windsels en maakt de druif erg brede bladeren zodat het zijn wijndruiven daarmee omhult voor de bliksem. Dat derde is dat het vaak de mensen dat haar verbrandt onder de oksels en ergens anders en toch zijn lijf niet schaadt. Dat is daarom dat de damp niet zo erg gaat zodat het de mensen schaadt; omdat het echter brandt en heen en weer loopt aan de mensen erg snel zo verbrandt het dat droge zachte haar aan hem zonder de mensen te bezeren. Alzo geschiedde dat Marcia de Roomse vorstin van een donder geslagen werd en stierf dat kind in haar lijf. Echter haar geschiedde niets. Dat was daarom dat de vrucht in het lijf dan noch zwak was en dat van de vrouw verschrikken de band zich rees waarmee dat kind gebonden was en met datzelfde reizen rees ook de kind zijn aderen en zijn hartje af. En spreekt ons boek dat de donder of de bliksem niemand schaadt die hem voor hoort of ziet eer de slag tot hem komt. Waarlijk dat lijkt me een lichte spreuk zonder kunst want ons voorzien helpt niet daartoe, dan mocht dan de mens zo [166] snel voor de slag verbergen. En spreekt ook dat boek meer dat de bliksem of de donder niet altijd de mensen doodt wanneer het ze treft; echter het doodt andere bezielde dingen wanneer het ze treft, het is een boom of dier en onder de dieren bezeert het allermeest de adelaar, echter onder de bomen allermeest de laurier, alzo spreekt Plinius. Seneca spreekt dat in zijn tijden de donder een vat vol wijn sloeg, alzo dat de wijn een korte tijd stond bij elkaar zonder vat net zoals het in het vat gestaan had. Dat was daarom dat de slag zo snel was dat de wijn niet zo snel vervloeien mocht. Alzo zien we dat iemand een open glas met wijn of met water zo snel omslingert in een slinger van de hand dat niets eruit vloeit. Ook is de wijn licht taai geweest, dat heeft ook daartoe geholpen.

Nu mag u vragen omdat de damp waaruit de donder en de bliksem wordt opgaat winterstijden en zomertijden, waarom dondert het niet in de winter zoals in de zomer? Dat is daarom dat in de winter de hitte niet zo groot is dat ze sterke vaste rook opheffen mag zoals tot de donder behoort en mag zich ook zo hoog niet opheffen in de lucht zodat het met zon grote onstuimigheid neervalt. Daarom heft de zon in de winter maar damp op dat tot regen behoort of tot sneeuw of tot winden en tot voeten de geen bliksem heten. Dezelfde zaak is ook in de herfst en in de lente, het is dan erg zelden. En spreken ook ettelijke dat in de landen bij de zonsopgang zomertijden geen donder wordt, echter ze worden daar in winterstijden. Dat is daarom dat in de landen zomertijden de hitte zo erg over groot is dat geen damp in de lucht tot wolken gedwongen wordt, want de grote hitte die verstrooit de damp en laat het niet dik worden. Echter winterstijden zo is de hitte in die landen zacht net zoals ze is in de zomer bij ons. Daarom zo dondert het in de winter in die landen. En is ook in de [167] landen tegen de zonsondergang net zoals bij ons want daar is het niet over heet in zomertijden. Plinius spreekt dat er drie soorten donder zijn of bliksem. De eerste zijn die niet splijten, echter ze branden en die zijn droog aan zichzelf. De andere donder is vochtig en die brandt niet, maar ze splijten en zwart de dingen waarop ze valt. De derde noemt men heldere of handige donder en zijn aller zeldzaamst en aller wonderlijkste en erge heimelijke dingen van de natuur: die verstellen en schoppen de wijn heimelijk uit de vaten alzo dat ze het vat niet aanroeren met een merkelijke schal, ze laten echter hun voetstappen aan de vaten.

 

26.

VON DEM NEBEL.

 

Der nebel kmt von wzzrigem groben dunst, d vil swrs erdisches rauchs zuo gemischt ist, als daz in diu sunne niht aufgeheben mag hch von der erden in die lft, dar umb sint die nebel gern des morgens oder des bends, wenn diu sunne niht gar starch ist, und allermaist in dem herbst, in dem winter und in dem lenzen mr denn in dem sumer.ist, daz der nebel aufgt in die lft, s kmt gern ain regen dar nch, dar umb, daz sich der dunst in regenwolken verkrt in den lften.ist aber, daz er auf die erden vellt, daz bedutet schn weter und frhtigs dem ertreich in dem sumer, wan s mag taw gevallen, daz den frhten kraft gib, wan daz taw vellt niht denn s der luft schn und rain ist.sich legt der nebel gern zuo den wazzern und zuo den fuhten steten, dar umb, daz er auch fuht ist, dar umb frut er sich der gesellschaft seins geleichen.aber auf hhen steten zerstrut in der sunnen schein gar schier, dar umb wonten die alten gern auf hhen trucknen steten.s wonent nu die newen lut gern in genaigten steten durch gemach der wazzer und pawent pei den wazzern; daz ist gar schad und pringt vil siehtums und vil unzeitiger td. [168] der nebel stinkt oft und ist dicke.daz ist dar umb, daz der dunst, dar auz er wirt, kmt von fauler fuhten und von unrainen ertreich, und dar umb von dem nebel kmt oft grzer siehtum und manigem der tt, dar umb, daz der nebel die prust versrt und daz hirn und macht oft ainen unrainen fluz von dem hirn in die prust, der s unrain ist, daz er oft zuo ainem swern oder zuo ainem apostem wirt in der prust.dar umb schol man sich inn halten und besliezen schn die slfkamern und die wonung zuo den zeiten.muoz aber der mensch auz gn, der schol vor ezzen und trinken, daz der luft den leib iht lrn begreif.der nebel ist aller schdest in dem humn und pei den sumerleichen snwenden und in dem andern augst, daz ist dar umb, daz der dunst dann gar verprant ist, daz er des menschen inwendig gng durchsleuft und durchizzet.

26.

VAN DE NEVEL.

 

De nevel komt van waterige grove damp daar veel zware aardse rook toe gemengd is alzo dat het in de zon niet opheffen mag hoog van de aarde in de lucht, daarom zijn die nevels graag s morgens of s avonds wanneer de zon niet erg sterk is en allermeest in de herfst, in de winter en in de lente meer dan in de zomer. Is het dat de nevel opgaat in de lucht zo komt graag een regen daarna, daarom dat zich de damp in regenwolken verandert in de lucht. Is echter dat het op de aarde valt dat betekent schoon weer en bevrucht het aardrijk in de zomer, want zo mag dauw vallen dat de vruchten kracht geeft want die dauw valt niet dan zo de lucht schoon en rein is. Zo legt de nevel graag tot het water en tot de vochtige plaatsen, daarom dat het ook vochtig is en daarom verheugt het zich het gezelschap zijn gelijken. Echter op hoge plaatsen verstrooit het de zonneschijn erg schier, daarom woonden die ouden graag op hoge droge plaatsen. Zo wonen nu de nieuwe lieden graag in gematigde plaatsen door het gemak van het water en bouwen bij de wateren; dat is erg schadelijk en brengt veel ziektes en veel ontijdige dood. [168] De nevel stinkt vaak en is dik. Dat is daarom dat de damp waaruit het wordt komt van vuile vochten en van onrein aardrijk en daarom van de nevel komen vaak grote ziektes en bij velen de dood, daarom dat de nevel de borst bezeert en de hersens en maakt vaak een onreine vloed van de hersens in de borst die zo onrein is dat het vaak tot een zweer of tot een open zweer wordt in de borst. Daarom zal man zich binnen houden en besluiten goed de slaapkamers en de woning in die tijden. Moet echter de mens uit gaan die zal ervoor eten en drinken zodat de lucht het lijf niet leeg grijpt. De nevel is allerschadelijkst in juli en bij de zomerse zonnewenden en in september, dat is daarom dat de damp dan erg verbrand is zodat het de mensen inwendige gangen doorsluipt en dooreet.

 

27.

VON DER SUNNEN HOF.

 

Man siht oft ainen plaichen kraiz umb die sunnen oder umb dem mnen und haizent in die laien der sunnen oder des mnen hof.der kraiz kmt d von, daz diu sunne oder der mn ainen clren dunst ht under sich gezogen, durch den wir die stern sehen, als daz der sterns schein ze mitelst durch den dunst ain luog ht gemacht mit seiner wirm und mit seinem schein und stt der dunst umb und umb etswie vil gedicket; dar auf scheint des sterns schein, sam ain plaicher kraiz umb den stern g.ist, daz der kraiz ie lenger ie dicker wirt und ie swerzer, s bedut er zehant ainen knftigen regen, dar umb, daz sich der dunst dicket und in wolken verkrt, diu sich zehant in regen entsliezent.ist aber, daz er ie lenger ie liehter wirt und daz er sich tailt und lucken gewint oben oder beseits, s bedut der hof wint.der hof haizet kriechischen halo.[169]

27.

VAN DE ZONNEHOF.

 

Men ziet vaak een bleke cirkel om de zon of om de maan en noemen het de leken de zon of de maan hof. De cirkel komt daarvan dat de zon of de maan een heldere damp onder zich heeft getrokken waardoor we die ster zien alzo dat de sterrenschijn in het middelste door de damp een gat heeft gemaakt met zijn warmte en met zijn schijn en staat de damp om en om wat veel verdikt; daarop schijnt de sterren schijn zoals een bleke cirkel om de ster gaat. Is dat de cirkel iets langer en iets dikker wordt en iets zwarter zo betekent het gelijk een komende regen, daarom dat zich de damp verdikt en in wolken verandert die zich gelijk in regen ontsluiten. Is echter dat het iets langer iets lichter wordt en dat het zich deelt en losheid wint boven of bezijden dan betekent het de hof wind. De hof heet in Griekse halo. [169]

 

28. VON DEN ZUOSUNNEN.

 

Ez geschiht auch oft, daz uns der sunnen dunket mr dan aineu.daz geschiht d von, daz under der rehten sunnen beseits sint gar dickeu wolken und daz diu sunne an etleichen dnnen stcken der selben wolken irn schein durchpricht und daz der warm schein dselbs diu wolken umb und umb von im treibt in kraizes weise, reht sam ain sinbelz fensterlein in diu wolken g, d diu sunne her durch scheint.wenn daz geschicht, s dunket uns an der selben stat ain sunne sein.daz haiz wir ain zuosunnen, und geschiht ez an mr steten, s wirt der sunnen mr denn aineu.diu zuosunne haizt kriechisch parelius.

28. VAN DE BIJZON.

 

Het geschiedt ook vaak dat ons de zon lijkt meer dan een. Dat geschiedt daarvan dat onder de rechter zon bezijden erg dikke wolken zijn en dat de zon aan ettelijke dunne stukken van dezelfde wolken hun schijn doorbreekt en dat de warme schijn daar de wolken om en om van hem drijven in cirkel wijze, recht zoals een rond venstertje in de wolken gaat daar de zon daardoor schijnt. Wanneer dat geschiedt zo denken we aan dezelfde plaats een zon te zijn. Dat noemen we een bijzon en geschiedt het aan meer plaatsen zo wordt de zon meer dan een. Die bijzon heet in Grieks parelius.

 

29.

VON DEN SUNNENSTRICKEN.

 

Wir sehen auch oft, daz in den lften lange strenge scheinent, sam strick umb und umb von der sunnen gn gegen der erden, reht sam die stricke sint, d mit man ain gezelt aufriht in raisen.daz geschiht ze stunden wenn sich diu wolken mangerlai schickent under der sunnen in den lften, oder wenn si sich entsliezent in regen, s durchprechent si der sunnenschein straimen und widerprechent sich in den selben spiegeln der wolken.wenne daz geschiht, s seh wir die schein sam streng oder strik gn von den lften und von der sunnen.die strick scheinent auch in mangerlai varb, gren, rt, gel, nch der wolken mangerlai schickung.

29.

VAN DE ZONNESTRIKKEN.

 

We zien ook vaak dat in de lucht lange strengen verschijnen zoals een strik om en om die van de zon gaan tegen de aarde, recht zoals die strikken zijn waarmee men een getal opricht in binden. Dat geschiedt soms wanneer zich de wolken menigvuldige schikken onder de zon in de lucht of wanneer ze zich ontsluiten in regen dan doorbreken ze de zonneschijn striemen en reflecteren zich in dezelfde spiegels der wolken. Wanneer dat geschiedt zo zien we die schijn zoals een streng of strik tegen de lucht en van de zon. Die strik schijnt ook in menigvuldige kleuren, groen, rood en geel naar de wolken menigvuldige schikking.

 

 

 

30.

VON DEM REGENPOGEN.

 

Der regenpog kmt von wunderleichem widerprechen des sunnenscheins in den wolken, d von schll wir ain [170] clain sagen sam die maister von der ntr d von sagent.aber sam die maister d von schreibent, die perspectivi haizent, die all ir kunst legent auf spiegelwerch und auf scheinprechen, daz gehrt niht hie her zuo unserm schimpf.der regenpoge scheint alzeit sam ain halber kraiz oder sam ain stuck ains kraizes und ist zwairlai.der ain ist weiz, der ander ist manigverbig.den weizen siht man selten.iedoch hn ich ir mein tag ainen gesehen in dem Riez pei der stat ze Nrdlingen in dem maien des morgens, d diu sunn auf was, der het ainen volkomenn halben kraiz und het ain horn gegen mittem tag und daz ander gegen norden oder gegen der himelspitz gekrt.der selb weiz regenpog kmt d von, daz der wolken dunst an dem himel gleich gezaist ist und dnn mit ainer gaistleichen fuhten, als daz dar auz gar klain riselndiu trpflein wrden, ob er sich in wazzer entslzze.iedoch entsleutzt er sich noch niht in wazzer.s denn diu sunn iren schein gleichs d gegen wirft, s widerpricht er sich in den wolken als geschikt und sament sich alliu eklein des widerprechends in ain dicke des scheins zuo ainem stuck ains kraizes, d von scheint daz stuck clr und weiz.niht mr mag ich d von gesagen, daz verstntleich sei dann wolgelrten luten die etwaz von der werlt gestalt wizzent und von des scheins ntr und von andern sachen.der mangverbig regenpog ht dreirlai varb.ze voderst diu aller uzerst und diu obrist ist apfelrt oder rter, die nhst dar nch ist gren, diu dritt ist wahsvar und tailt sich oft in zwai, als daz diu ain weiz scheint oder plaich und diu ander gel.die varb sint s wunderleich und allermaist die mitelsten, daz si kain mler ganz gemlen mag.die drei varb kment von der schickung der wolken, dar ein diu sunn scheint, wann diu wolken mezent als gestalt sein, daz si klain und dicke riseln vil klainr trpflein in ainen dicken haufen und daz hinder dem riseln swarzeu wolken sein und diu sunn gleichs gegen [171] dem riseln schein.der spiegel ist nt, dar umb, daz diu sunn iren schein und ir ebenpild dar ein werf und auch dar inn widerpreche, und muoz daz selb riseln der selben spiegel gereik sein und die spiegel rain, daz si der sunnen schein in sich gemenen mgen.s ist der vinstern wolken hinder dem riseln nt, dar umb, daz si wern, daz der schein durch die spiegel iht prech und auf den spiegeln iht best, als wir sehen, daz die spieglr die spiegelglas hinten bedeckent mit plei und mit pech.ez muoz auch diu sunne gerihtes stn gegen den spiegeln, daz die spiegel ir ebenpild genemen mgen, und diu swarzen wolken hinder den spiegeln werfent der sunnen schein her wider, reht sam etleichen luten geschiht, die ps augen habent: die sehent des nahtes, s der mn scheint, ir aigen pild vor in stn, daz ht daz antltz gegen in gekrt, und wenn die lut gnt fr sich, s gt ir pild rklingen hinder sich.daz geschicht dar umb, daz ain fuhten gesament ist vorn pei des menschen augapfeln, dar an der luft rert, und von den zwain gesellten widerprecht sich des menschen pild gegen dem gesiht, daz tiefer hin ain ligt in dem augen wan diu fuhten tuo.und dar umb geschicht oft ainem trunken sam.seind nu diu sunn verr hher ist wan diu wolken, s wirft si ir ebenpild neur oben in die spiegel nch ains kraizes form.dar umb scheint diu varb und der regenpog oben in den spiegel und niht ber al sam grz und prait daz riseln ist, anders ez schine diu varb an dem regenpogen sam ain halbiu scheib an den himel oder sam ain stuck ainer scheiben.wizz auch, daz in den wolken das leihtist ze obrist kmt, daz allermaist erdisch leihtes rauches ht, dar umb scheint diu obrist varb an dem regenpogen clr und rt, dar nch ist wzzriger dunst, der ain wnig grzereu trpfel macht; d von ist diu ander varb gren, wan durch wzrigen dunst scheint daz lieht gren, als wir oft sehen in ainer warmen stuben, d nazzeu techer inne truckent, d ist der luft wzzrig und fuht: [172] s danne ain kerzenlieht dar inn prinnet, s scheint ain grener kraiz umb die flammen.ist aber der luft niht gar wzrig, s scheint der kraiz weiz oder plaich.dar nch sint aber swrer tropfen und grzer, d von scheint diu varb an der selben stat liehter, wan die grzen spiegel mgent der sunnen lieht paz genemen in seinr aigen form wan die klainen, und dar umb der grenen varb spiegel sint klainer wan der gelben varb und grzer wan der rten varb.

Der regenpog wirt in dem summer niht, s diu sunn in mittem tag stt, dar umb, daz daz widerprechen niht mag geschehen in den zerstruten dnsten und hch aufgezogen ber unser gesiht; wan daz uns der regenpog schein, daz zuo gehrnt diu dreu: diu sunn ain seit, daz geschickt riseln ander seit und daz gesiht ze mitlist.wenn aber diu sunn stt s hch ob unserm haupt, s mag des niht geschehen in ebner weise, aber in dem winter s ist diu sunn in mittem tag gar genaigt und gar nider: dar umb mag der regenpog in dem winter werden ze aller stund.wenn der regenpog in mittem tag scheint, s bedut er grzen knftigen regen, wan er bedut, daz vil wzriger wolken in den lften sint ze mittelst in unserr wonung.wenn aber er scheint gegen der sunnen underganch, so bedut er snften regen und sumerzeiten donr, s aber er scheint gegen der sunnen aufganch, s bedut er schn weter.als spricht unser puoch ze latein.

Nu hab wir gesait von dem andern element, von dem luft, und von den wunderleichen dingen, diu dar inn geschehent.fr paz schll wir sagen von dem dritten element, daz ist daz wazzer.

30.

VAN DE REGENBOGEN.

 

De regenboog komt van wonderlijke reflectie van de zonneschijn in de wolken en daarvan zullen we een [170] weinig zeggen zoals de meesters van de natuur daarvan zeggen. Echter zoals die meesters daarvan schrijven die perspectief heten die al hun kunst leggen op spiegelwerk en op schijn breken dat behoort niet tot onze schimp. De regenboog schijnt altijd zoals een halve cirkel of zoals een stuk van een cirkel en is er in twee soorten. De ene is wit en de ander is veel kleurig. De witte ziet men zelden. Toch heb ik die mijn dag een gezien in de Riez bij de stad te Nordlingen in mei s morgens toen de zon op was, die heeft een volkomen halve cirkel en heeft een horen tegen middendag en de andere tegen noorden of tegen de hemelspits gekeerd. Diezelfde witte regenboog komt daarvan dat de wolkendamp aan de hemel gelijk gezaaid is en dun met een geestelijk vocht alzo dat daaruit erg kleine ritselende druppeltjes worden of het zich in water ontsluit. Toch ontsluit het zich noch niet in water. Zo dan de zon zijn schijn gelijk daar tegen werpt zo reflecteert het zich in de wolken alzo geschikt en verzamelen zich alle hoekjes van de reflectie in een dikte van de schijn tot een stuk van een cirkel en daarvan schijnt dat stuk helder en wit. Niet meer mag ik daarvan zeggen dat begrijpelijk is de wel geleerde lieden die wat van de wereld gestalte weten en van de schijn van de natuur en van andere zaken. De veelkleurige regenboog heeft drie soorten kleur. De voorste, de aller uiterste en de bovenste is appelrood of roder, die naaste daarna is groen, de derde is waskleurig en deelt zich vaak in twee alzo dat de ene wit schijnt of bleek en de andere geel. Die kleuren zijn zo wonderlijk en allermeest de middelste zodat geen schilder ze gans tekenen mag. Die drie kleuren komen van de schikking der wolken waarin de zon schijnt want de wolken moeten alzo gestald zijn dat ze klein en dikke druppeltjes vol kleine druppeltjes in een dikke hoop en dat achter die druppeltjes zwarte wolken zijn en de zon gelijk tegen [171] de druppeltjes schijnt. De spiegel is nodig daarom dat de zon zijn schijn en zijn evenbeeld daarin werpt en ook daarin reflecteert en moet dezelfde druppeltjes dezelfde spiegel rustig zijn en die spiegel rein zodat ze de zonneschijn in zich nemen mag. Zo is de duistere wolk achter de druppeltjes nodig, daarom dat ze weren dat de schijn door die spiegel niet breekt en op de spiegel niet staat zoals we zien dat die spiegelaars het spiegelglas achter bedekken met lood en met pek. En moet ook de zon gericht staan tegen de spiegel zodat die spiegel zijn evenbeeld nemen mag en de zwarte wolken achter de spiegel werpen de zonneschijn weer terug recht zoals ettelijke lieden geschiedt die boze ogen hebben: die zien s nachts zo de maan schijnt hun eigen beeld voor hen staan, dat heeft dat aangezicht tegen hen gekeerd en wanneer die lieden gaan naar voren zo gaat hun beeld rugwaarts achter zich. Dat geschiedt daarom dat een vocht verzameld is voor bij de mensen oogappel waaraan de lucht roert en van de twee bezielde reflecteert zich het mensenbeeld tegen het gezicht dat dieper weg ligt in de ogen dan de vochtige doen. En daarom geschiedt het vaak of iemand dronken is. Omdat nu de zon ver hoger is dan de wolken zo werpt het zijn evenbeeld maar boven in de spiegel naar een cirkel vorm. Daarom schijnt de kleur en de regenboog boven in de spiegel en niet overal even groot en breed zodat druppeltjes is, anders schijnt de kleur aan de regenbogen zoals een halve schijf aan de hemel of zoals een stuk van een schijf. Weet ook dat in de wolken dat lichtste bovenste komt en dat allermeest aardse lichte rook heeft, daarom schijnt de bovenste kleur aan de regenbogen helder en rood, daarna is waterige damp die een weinig grotere druppels maakt; daarvan is de ander kleur groen want door waterige damp schijnt dat licht groen zoals we vaak zien in een warme kamer daar natte doeken in drogen, daar is de lucht waterig en vochtig: [172] zo dan een kaarsenlicht daarin brandt zo schijnt een groene cirkel om die vlammen. Is echter de lucht niet erg waterig dan schijnt die cirkel wit of bleek. Daarna zijn echter zware druppels en grotere, daarvan schijnt de kleur aan dezelfde plaats lichter, want die grote spiegels mogen het zonnelicht beter nemen in zijn eigen vorm dan de kleine en daarom de groene kleur spiegels zijn kleiner dan de gele kleur en groter dan de rode kleur.

De regenboog wordt in de zomer niet zo de zon in middendag staat, daarom dat de reflectie niet mag geschieden in de verstrooide dampen en hoog opgetrokken boven ons gezicht; want dat ons de regenboog schijnt dat toebehoort die drie: de zon enerzijds, de geschikte druppeltjes anderzijds en dat gezicht in het midden. Wanneer echter de zon staat zo hoog boven ons hoofd dan mag dat niet geschieden in gelijke wijze, echter in de winter zo is de zon in midden dag erg geneigd en erg neer is: daarom mag de regenboog in de winter worden in alle stonden. Wanneer de regenboog in middendag schijnt zo betekent het grote komende regen want het betekent dat veel waterige wolken in de lucht zijn in het midden van onze woning. Wanneer het echter schijnt tegen de zonsondergang zo betekent het zachte regen en zomertijden donder, zo het echter schijnt tegen de zonsopgang zo betekent het schoon weer. Alzo spreekt ons boek te Latijn.

Nu hebben we gezegd van de andere elementen, van de lucht en van de wonderlijke dingen de daarin geschieden. Voor beter zullen we zeggen van het derde element, dat is dat water.

 

31.

VON DEM WAZZER.

 

Daz wazzer ist kalt und fuht und gt umb und umb daz ertreich, n als vil daz ertreich enzplzt ist von [173] dem wazzer an den steten, d die lut wonent und andreu tier, die n luft niht geleben mgent.daz grz mer, daz daz ertreich umbfluezet, haizt ze latein amphitrites, daz ist ze dutsch daz umbgnd mer.daz selb mer fleuzt von norden gegen suden.daz ist dar umb, daz daz ertreich hher ist ze norden dann ze suden.von dem mer fleuzt manig arm in manig stck des ertreiches.diu merwazzer sint gesalzen und ungesmach ze trinken, dar umb, daz diu sunn und die andern stern sich die mrern zeit dar ber streckent und ziehent erdischen dunst auz dem grund und auz dem ertreich und mischent in zuo dem wazzer.d von wirt ez pitter und gesalzen.und daz daz wr sei, daz vint man als.wenne die marner sez wazzer machen wellent, daz si trinken und d mit si ir ezzen kochen, s nement si ainen grzen kopf von wahs gemacht und ziehent den s lang in dem mer, unz daz sich daz wazzer d durch seiht und diu zuogemischt erd hie auzen beleibet.s trinkt man ez dann wol.auch preft man daz dar an, daz ain grz geladen schif in gesalzem wazzer ob gt, daz in sezem wazzer undergieng, daz ist dar umb, daz daz gesalzen wazzer von der zuogemischten erden dicker ist danne daz sez wazzer.auch preft man daz an dem tten mer, daz s dick ist von den selben sachen, wer ain mensch mit gepunden henden und fezen oder ain ander tier gepunden dar ein wirft, daz swimt ob.ez mag auch kain visch noch kain wazzertier lebendik dar inne beleiben; dar umb haizt ez daz tt mer.etleicheu mer flliezent auz und ain in naht und in tag ains mls oder zwir.daz ist von dem mn, der ain vater ist der wazzer: der derhebt daz dnstig wazzer, sam daz merwazzer ist und daz dem geleich ist, wann s der mn aufgt in etsleichem reich oder in etsleicher wonung, d ain mer ist, s wirft er seinen schein schelchs auf daz mer, d von derhebt der schein den irdischen dunst und wirmt in, daz er daz wazzer mit im aufhebt gegen der praiten des mers, und [174] s der mn kmt an die miteln stat des himels, s wirft er seinen schein gerichtes auf daz mer und zestrwet die erdischen dnst nch der lengen des mers.d von fleuzt daz wazzer wider ein und fleuzt nch der lengen des mers und stinkt ez dann vast von den erdischen gepranten dnsten, die ez in dem luft gelzen ht.s denne der mn komen ist unz an den punkt seins undergangs, s wirft er seinen schein aber schelchs auf daz mer und s fleuzt ez aber auz, dar umb, daz der schein denn krenker ist wan d der mn ze mitelst an dem himel was.wenn er dann den dunst niht het auz geziehen mag, s derhebt er in under dem wazzer und daz wazzer d mit.dar umb muoz daz merwazzer dann auz fliezen.alleu grzeu wazzer fliezent ze letzt in daz mer, etleicheu gegen der sunnen underganch, als diu Nab, der Regen, diu Iser und diu Tuonawe und andreu wazzer, etleicheu gegen der sunnen underganch, sam der Meun, der Rein, und der Roden und andreu wazzer.d von maht d wundern, w von daz mer niht allzeit merkleichen wahs.daz ist dar umb, daz daz mer prait ist und sich der sunnen und der andern stern kraft gar in grzer mengen dar auf streckt, und des merwazzers macht si vil ze dnst.auch vleuzt des merwazzers vil in des ertreichs hlr, d von dicke die grzen s koment und diu stilstenden mer.iedoch wizz, daz niht elleu schefreicheu wazzer von dem auzfluz des mers koment, wann etleicheu habent irn ursprinch in dem grzen holn geperg, daz kalt und velsik ist, wann d entsleuzt sich der wzzrig dunst in wazzers tropfen, der dem ertreich zuo gemisch ist von tgleichem weter und von den snen, die durch daz jr auf etleichem geperg ligent, und samnent sich die tropfen ze samen von ainem hol zuo dem andern, unz daz ain pchlein dar auz wirt und auz vil pchleinne wirt ain grzer pach, der wehset s lang, unz daz er suocht seinen auzganch auz dem geperg, w er danne auzpricht, d wirt ain ursprinch ains vliezenden wazzers oder aines prunnens [175] auf dem perg oder ains ses auf dem perg.ez pricht auch oft der ursprinch auzher von dem perg ain meil oder zwuo oder mr oder minner auf ainer eben.als entspringent die pch und die prunnen.iedoch well wir von den wunderleichen prunnen sagen in dem letzten stuck diss puochs.

D scholt auch wizzen, daz daz wazzer seinen smack und sein art nimt von dem ertreich, d durch ez fleuzt.dar umb vint man manich wazzer gesalzen, das durch gesalzend ertreich fleuzt, und anderz saur, das dritt mosik, daz durch mos fleuzt, und nimt daz wazzer auch gar sr seinen gesmack von dem gesmeid und von dem swebel, der in dem ertreich ist.dar umb stinkent diu haizen pat sam der swebel, diu man diu wilden pat haizt, d von, daz daz selb wazzer vleuzt durch prinnend sweblichez ertreich, d von daz wazzer haiz wirt und stinkend.daz waiz man d von, daz dick swebelstck vliezent her auz mit dem wazzer, und dar umb zeuht daz wazzer die fuhten auz, diu zwischen vel und flaisch ist.ez geschiht auch oft, daz gar nhent pei enander entspringent zwai wazzer, der ains haiz ist und daz ander kalt, dar umb, daz der paider wazzerdern in dem perg verr von ainander sint und hie vorn zesamen koment.ez sint auch etsleich prunn, d von die lut kropfoht werdent, sam in Krnden vil kropfoter lut ist; daz kmt d von, daz der zuogemischt erdisch dunst zh ist an im selber und als gestalt, daz er sich zesamen zeuht in den halsdern und zedeuzt si und macht den hals kropfot.d von ist ez gar trleich, wer ber lant raist und iegleich wazzer versuocht.wizz auch, daz die tiefen prunnen sumerzeiten kalt sind und winterszeiten warm, daz ist dar umb, daz winterzeiten die warmen dnst hin ein daz ertreich slahent und machent die erden warm inwendig; aber sumerzeiten slahent si her auz und beleibt daz ertreich kalt.daz wazzer ist daz pest ze trinken,daz durch velse fleuzt und durch sandigs ertreich, wan daz ist leiht und [176] lauter und entsleuzt den leip und macht dem harmwazzer weg.aber daz wazzer, das man in kupfer laitet, ist gar ps und schad, und daz man in plei laitet, ist pezzer; daz in hlzein rrn von vrhem holz gelaitet wirt, ist aller pest, wan daz holz ist gar luftig.under allen wazzern ist rainz regenwazzer daz gesndist, dar umb, dat ez leiht ist und sez und daz es leiht gekocht wirt in den magen.ez wirt auch leiht kalt und leiht warm.ez widerzeuht des leibs stuolflzz und wenn ez in ainer zistern gestt und lauter wirt, s sterket ez den magen und schadet im nihts.welches wazzer entspringt gegen mittem tag oder gegen der sunnen aufganch oder die vallent von warmen pergen, diu gleichent den regenwazzern und sint gesunt.welhiu aber entspringent gegen der sunnen underganch oder gegen dem himelwagen, diu sint die psten, wann die machent stain in der plsen und in den niern und machent die frawen unperheft.si machent auch dem menschen trg und unlustig und werent dem siechen seinen hailsamen swaiz und pringent des leibs flzz und machent den menschen widergebend und undwend.daz gemain wazzer ht vil aigenchait an im.ez wescht und tregt die unsauberkait hin, ez fleuzt ze tal, ez lzt sein muoter niht, wann ez fleuzt wider in daz mer, ez volgt dem grzen fluz der grzen samnung der wazzer, ez ist der erden zuogemischt, ez macht die strz horwig, ez ist armer lut trank, ez ist lauter, ez ist ain spiegel, dar inne man sich dersiht, ez behelt der scheff fuostapfen niht, ez erlescht daz feur, ez vertreibt den durst, ez wirt niht vaizt wenn ez ainig ist und niht gemischt mit andern dingen.die aigenchait sint all an ainer rewigen bekrten sl, die geleich selber ain weiser mensch!

Daz lbleich wazzer ht zwuo aigenchait an im.die rsten von seinem selbwesen und von seiner aigen ntr; die andern von dem lauf seines urspringes.von seinen selbwesen ht ez, daz ez lauter ist und fuht und kalt [177] und ht kain varb noch kainen smack noch kainen geruch, wann hiet ez der ainz, s wr ez niht lauter wazzer, ez wr gemischt mit andern elementen,von dem lautern wazzer spricht Galinus, daz man ez derkenne mit drein sinnen.mit den gesiht, dar umb, daz ez gar durchsihtig ist und gar lauter; mit den versuochen, wan ez weder saur noch sez ist noch kains andern versuochens dan neur daz ez kalt und fuht ist; mit der smeckenden kraft, diu in anderr sprch haizt der geruch, derkennet man ez auch, wan ez ht kainen smack, den man mit der nasen pref, noch kainen geruch. Isaac der maister lrt, wie man schll derkennen, welhez wazzer leihter sei und welhez swrer sei, und spricht: wer ain leinein tuoch enzwai tailt gleiches und dauht si in zwairlai wazzer und druckent si dar nch zwischen den henden und hht si denn paideu zuo enander unz si getruckent, welhez danne trucken wirt, des wazzer ist leihter. Ipocras spricht, welhez wazzer schier kalt wirt und schier warm, daz ist daz aller leihtist. Galinus spricht, under allen dingen ist aller schedist sez wazzer wazzershtigen luten.welhez wazzer still stt, daz ist ungesnder wan daz vliezend, wan ez nimt ps dnst von der erden, dar auf ez stt. Galinus spricht auch, daz kaltez wazzer die geswern durchpeiz.wenn man von kalten wazzer well machen gar kaltez, s schol man ez wermen und dar nch lzen stn, s wirt ez gar kalt. Isaac spricht, wazzer gekeltet auf dem sn ist verr pezzer ze niezen wan der sn und ist minner schad.der prunn ht die art, daz ez andreu dinch vegt und bedarf doch oft, daz man in auch veg.als ist mangem gelrten manne, der ander lut strft, der bedarf oft, daz man in auch strf.gewermtez wazzer gefreuset sneller zuo eis wan kaltez.daz ist dar umb, daz daz warm wazzer derhebt ist in seinen stucken und gezaist von der hitz, dar umb lzet ez die kelten snell ein.dar umb wenne die vischer ir segen wellen beswrn an den enden mit eis winterszeiten, [178] s begiezent si ir segen oder die netz mit warm wazzer. Galnus spricht, daz sez wazzer ziterndeu und waicheu glider mach, als wir sehen an den padknehten und an den padmaiden.

31.

VAN HET WATER.

 

Dat water is koud en vochtig en gaat om en om dat aardrijk uitgezonderd alzo veel waar aardrijk ontbloot is van [173] het water aan de plaatsen daar de lieden wonen en andere dieren die zonder lucht niet leven mogen. Die grote zee dat het aardrijk omvloeit heet in Latijn amphitrites, dat is in Duits de omgaande zee. Dezelfde zee vloeit van noorden tegen zuiden. Dat is daarom dat het aardrijk hoger is in het noorden dan in het zuiden. Van de zee vloeien vele armen in vele stukken van het aardrijk. De zeewateren zijn gezouten en onsmakelijk te drinken, daarom dat de zon en de andere sterren zich de grootste daarover strekken en trekken aardse damp uit de grond en uit het aardrijk en mengen het in het water. Daarvan wordt het bitter en gezouten. En dat dit waar is dat bevindt men alzo. Wanneer die scheepslieden zoet water maken willen dat ze drinken en waarmee ze hun eten koken zo nemen ze een grote kop van was gemaakt en trekken die zo lang in de z