Jacob van Maerlant, ca. 1261; koning Arthur.

Met Merlijn, de graal en ridderavonturen.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

 

Klik hier voor de samenvatting van de  Heilige Graal.

Klik hier voor de samenvatting van koning Arthur.

Klik hier voor de samenvatting van de avonturen van de ridders.

Klik hier voor de index.

( ) zijn opmerkingen te zien in het algemene deel.

 

1 Alle de gene die dese tale

Horen willen van den Grale,

Wanen dat hi eersten quam,

Als ick in den Walsche vernam

5 So zal ickt dichten in dietsche woert;

Ick en zalt niet laten doer hoer voert

Die benyden mijn gedichte;

Want doch alle quade wichte

Toter doghet dragen altoes nijt.

10 Hier omme so wil ick in aller tijt

Dat doen dat si my benyden

Dus sullen si vele te min verblyden

Alse si van my dan horen tale.

Dese historie van den Grale

15 Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,

Den Heer van Vorne, wael met rechte;

Want hoge liede met hoger historie

Menechfouden zoecken hoer glorie

Ende korten daer mede hoer tijt.

20 Ick wille dat gy des zeker zijt,

Dat ick die historie vele valsch

Gevonden hebbe in dat Walsch,

Daer si van Gode, Onsen Here, sprack

Datten dat volck van Rome wrack;

25 Daer ombe merket dese zake:

Een dichte van Onses Heren wrake

Leset men, dat is wyde becant,

Ende makede een pape in Vlaenderlant;

Dat seghet dat boeck in sijn beginne;

30 Maer ick wane in mynen sinne,

Dat [een] pape dat niet en dichte,

Want men mochte gescriven lichte

Hoe vollick dat gelogen zij;

Ende dat sal ick iu proven waer by

35 In der historie die koemt hier naer.

Ende nu biddick, dat is waer,

Jacob, die coster van Maerlant,

Dien gy te voren hebbet becant

In des konincx Alexanders Jeesten,

40 Dat gy biddet, dat hi volleesten

Moete dat hi hevet begonnen,

Ende hi den ghenen moete onnen

In des ere hi dit began,

Dat hi moete werden alsulck een man,

45 Dat des al dat volck ende Onse Heer

Moete hebben loff ende eer,

Ende wy met hem moeten komen

In die eere die men genomen

Noch gescriven niet en mach,

50 Daer 't sonder nacht es altoes dach.

(1) Al diegene die deze taal

Horen willen van de Graal,

Waarvan dat hij eerst kwam,

Zoals ik in Waals vernam

5 Zo zal ik het dichten in Dietse woord;

Ik zal het niet laten door hen voort

Die benijden mijn gedicht;

Want toch alle kwade wichten

Tot de deugd altijd dragen nijd.

10 Hierom zo wil ik in alle tijd

Dat doen zodat ze me benijden

Dus zullen ze veel minder verblijden

Als ze van mij dan horen taal.

Deze historie van de Graal

15 Dichtte ik ter eer van Heer Alabrecht,

De Heer van Voorne, wel met recht;

Want hoge lieden met hoge historie

Vaak zoeken hun glorie

En korten daarmee hun tijd.

20 Ik wil zodat ge dus zeker bent,

Dat ik in de historie vaak vals

Gevonden heb in het Waals,

Daar het van God, Onze Heer, sprak

Dat het dat volk van Rome wraakte;

25 Daarom bemerk deze zaak:

Een gedicht van Onze Heren wraak

Leest men, dat is wijd bekend,

Maakte een paap in Vlaanderen land;

Dat zegt het dat boek in zijn begin;

30 Maar ik meen in mijn geest,

Dat een paap dat niet dicht,

Want men kon schrijven licht

Hoe volledig dat het gelogen zij;

En dat zal ik u bewijzen waarmee

35 In de historie die komt hierna.

En nu bid ik, dat is waar,

Jacob, de koster van Maarland,

Die ge te voren hebt gekend

In de koning Alexanders verhalen,

40 Dat ge bidt dat hij geheel eindigt

Met dat hij heeft begonnen,

En hij diegene moet gunnen

In diens eer hij dit begon,

Dat hij moet worden zo’ n man,

45 Dat dus al dat volk en Onze Heer

Moet hebben lof en eer,

En wij met hem moeten komen

In de eer die men noemen

Nog niet schrijven mag,

50 Daar het zonder nacht altijd is dag.


 

Waer ombe Onse Here wart geboren.

 

Beyde vrouwen ende man

Die horen zin zetten daeran,

Dat zi die waerheit willen weten,

Ende proeven, dat God die propheten

55 Hier in eertrike vorsende,

Die vorseiden met genende

Onses Heren komst in eertrike.

In dien tyden sekerlike,

Daer wy nu hier af tellen,

60 So voer dat volck al toter Hellen,

Alle propheten ende patriarchen;

Hieran moghen wy alle mercken

Dat die Duvele alle twaren

Waenden hebben wael gevaren.

65 Dat zi die menschen hadden bedrogen;

2 Maer die goede mochten hem verhogen,

Want zi Onses Heren komst ontbeiden.

Onse Here ontfarmede hoer droefheiden

Ende quam in dit arme ellende;

70 An Marien die nye man en kende

Ontfinck hi menschelike gedane;

Grote minne leide hi daer ane:

Omme te verlosene den sondaer

So nam hi an hem vleesch an haer

75 Sine dochter wart zijn moeder;

Aldus wart hi onse broeder.

Dat was recht, want dat ierste wijf

Makede den mensche keytijf;

Hier ombe moste by den wive

80 Die mensche weder werden te live;

Verstaet wael, dat God hevet gesent

Tot ons zijn enege kint;

Dat hebbewy dicke wael vereest.

Maria, by den heilghen gheest

85 Ontfincken met heilicheden;

Aldus rastede binnen horen leden

Allegader die Drievoudicheit,

Dat is eene volmaeckte Godheit.

Aldus wart geboren van Marien

90 Die Godes sone, des moetwy lien;

Sonder smette ende sonder zonde

Wart hi mensche, als hi wael konde;

Dat was herde grote oetmoet,

Dat hi storten woude zijn bloet

95 Ombe dat hantgewerck zijns vader,

So wart die Drivoudicheit alle gader.

Hi makede Adame den jersten man,

Die by des Duvels rade began,

Dat hi die eerste sonde dede

100 Ende by Even rade oeck mede.

Ende doe si sonde hadden gedaen,

Quam hem een lust van vleesche saen,

Ende worden, van groten goede,

Geworpen in die armoede,

105 In dit arme krancke leven,

Daer groet geslachte af is gebleven;

Ende wat van hem wart geboren

Voer toter Hellen ende wart verloren;

Toter tijt, dat Godes sone quam,

110 Ende hi zijn hantgewercke annam

Ute Lucifers quader gewelt.

Als ons dat Ewangelium telt,

Wart hi te Betlehem geboren,

Dat Effrata hiet daer te voren,

115 Van Marien zijnre moeder;

Hier af es die historie te vroeder

Die wt den Ewangelien spreket;

Hier ombe es 't dat hiet gebreket.

Onse Here wanderde achter lande twaren,

120 Ende was te zinen dertich iaren

Gedopet hier in eertrike

In der Jordane geweldelike

Van Sinte Johanne Baptisten;

Aldus wart Onse Here een cristen.

125 Dat alle die hem doepen deden

In die ere der Drivoudicheden,

Ende hem dan hoeden wouden van zonden,

Dat zi den Duvelen waren ontfonden -

130 Dese macht gaf God den clerken

Die meester zijn der heiliger kerken.

Aldus dwoech hi Adames sonden,

Ende dus verloes te dien stonden

Lucifer al zijn gewelt,

135 Daer hi den mensche mede helt,

En waer of hi zonde dade;

Ende God, die altoes Zijne genade

Toten mensche keert tot allen stonden,

Want hi gheerne valt in sonden,

140 So hevet Hi een ander dope geset,

Opdat hi in sonden niet ne let,

Maer hi ga te biechten ghereet,

Ende doe dat hem zijn priester heet;

Dus mach hi in desen eertrike

145 Gewinnen wael dat Hemelrike.

Oeck is dat kont hem sonder waen,

Die die Ewangelien nu verstaen,

Doe Jhesus Crist ginck achter lande,

Dat die van Rome ginck in hande

150 Altemale die werelt ront;

Hier ombe zo was ter selver stont

Der Joden lant in hoer gewelt;

Daer woende een die dat gerechte helt

Te Jherusalem, ende hiet Pilaet,

155 Ende eest alset in den Walsche staet,

So hadde hi in ziner meisenien

Enen ridder, daer wy af lien

Ju zullen herde vele hier na,

3 Ende heet Josep van Aromathia.

160 Maer dat hi zijn ridder iet was

En zegge ick niet dat ick nye las

In ander historien dan in dese;

Die waerste die ick daeraf lese

Seghet, dat Pilatus was heidijn,

165 Ende oeck alle die ridder zijn,

Die doe waren van ziner meisenieden

Waren onbesnedene liede.

Joseph was Jode ende herde rike,

Hi zach Jhesum sekerlike

170 Doen menege tekene goet;

Des minde hi hem in zinen moet,

Maer hi en dorste dat niet openbaren

Vor den anderen Joden t'waren.

Onse Here hadde viande vele,

175 Ende luttel die hem jonden wele,

Want ziner jongeren daer af een

Hatede hem, alset wael sceen;

Maer Jhesus wiste dat wael te voren,

Wat doet dat hi zoude becoren,

180 Alse God, dien alle dinck was kont,

Dat was oeck vorgeseght lange stont;

Ende Judas was ziner jongeren een,

Onses Heren drossate, alset wael sceen,

Ende plach te dragene dat men hem gaf.

185 Sinte Johan hi screef daer aff,

Dat dese zake waer was al,

Ende hi des den jongeren vele stal;

Maer dat Walsch zeghet, ende niet Latijn,

Dat die tiende daer af was zijn

190 Van allen, dat men gaf onsen Heer;

Daer af quam hem grote onneer,

Alse iu dat boeck wael zeggen sal,

Dat hierna nu volget al.

Waarom Onze Heer werd geboren.

 

Beide, vrouwen en man

Die hun geest zetten daaraan,

Dat ze de waarheid willen weten,

En beproeven dat God de profeten

55 Hier in het aardrijk voor zond,

Die voorzeiden met dat doel

Onze Heren komst in het aardrijk.

In die tijden zekerlijk,

Waar we nu van vertellen,

60 Zo voer dat volk alle tot de hel,

Alle profeten en patriarchen;

Hiervan mogen we allen merken

Dat de duivel alle te waren

Waande te hebben goed gevaren.

65 Dat ze de mensen hadden bedrogen;

(2) Maar de goede mochten zich verhogen,

Want ze op Onze Heer komst wachten.

Onze Heer ontfermde hun droefheid

En kwam in deze arme ellende;

70 Aan Maria die geen man bekende

Ontving hij menselijke gedaante;

Grote minne legde hij daaraan:

Om te verlossen de zondaar

Zo nam hij het vlees aan van haar

75 Zijn dochter werd zijn moeder;

Aldus werd hij onze broeder.

Dat was recht, want dat eerste wijf

Maakte de mens ellendig;

Hierom moest via een wijf

80 Die mens weer worden tot lijf;

Begrijp het goed, dat God heeft gezonden

Tot ons zijn enige kind;

Dat hebben we vaak vernomen.

Maria, door de Heilige Geest

85 Ontving hem met heiligheid;

Aldus rustte binnen haar leden

Alle tezamen de Drievuldigheid,

Dat is een volmaakte Godheid.

Aldus werd geboren van Maria

90 De zoon van God, dus moeten we belijden; Zonder smet en zonder zonde

Werd hij mens, zoals hij wel kon;

Dat was zeer grote ootmoed,

Dat hij storten wou zijn bloed

95 Vanwege dat handwerk van zijn vader, Zo werd de Drievoudigheid al tezamen. Hij maakte Adam, de eerste man, Die bij des duivels raad begon,

Zodat hij de eerste zonde deed

100 En bij Eva ‘s raad ook mee.

En toen ze zonde hadden gedaan,

Kwam hem een lust van vlees gelijk,

En worden van het grote goed,

Geworpen in de armoede,

105 In dit arme zwakke leven,

Daar groot geslacht van is gebleven;

En wat van hen werd geboren

Voer tot de hel en werd verloren;

Tot de tijd, dat Gods Zoon kwam,

110 En hij zijn handwerk aannam

Uit Lucifers kwade geweld.

Zoals ons dat Evangelie vertelt,

Werd hij te Betlehem geboren,

Dat Effrata heette daar te voren,

115 Van Maria zijn moeder;

Hiervan is die historie bekender

Die uit het Evangelie spreekt;

Hierom is 't dat iets ontbreekt.

Onze Heer wandelde in achter land, te waren

120 En werd met zijn dertig jaren

Gedoopt hier in aardrijk

In de Jordaan geweldig

Van Sint Johannes de Doper;

Aldus werd Onze Heer een christen.

125 Dat alle die hem dopen deden

In de eer van de Drievuldigheid,

En hem dan hoeden wilden van zonden,

Zodat ze de niet van de duivel worden gevonden

130 Deze macht gaf God de klerken

Die meester zijn van de heilige kerk.

Aldus waste hij Adams zonden,

En dus verloor te die stonden

Lucifer al zijn geweld,

135 Daar hij de mens mee hield,

Tenzij dat hij zonde deed;

En God, die altijd Zijn genade

Tot de mens keert te alle stonden,

Want hij valt graag in zonden,

140 Zo heeft Hij een andere doop gezet, Als hij niet op zonden let,

Maar hij gaat te biechten gereed,

En doet dat hem zijn priester zegt;

Dus mag hij in dit aardrijk

145 Winnen wel dat hemelrijk.

Ook is dat bekend zonder waan,

Die het Evangelie nu verstaan,

Toen Jezus Christus ging in achter land,

Dat die van Rome ging in handen

150 Helemaal de wereld rond;

Hierom zo was terzelfder stond

Het Joden land in hun geweld;

Daar woonde er een die dat gerecht hield Te Jeruzalem en heet Pilatus,

155 En is het zoals het in het Waals staat,

Dan had hij in zijn manschappen

Een ridder waar we van bekennen

U zal er veel van horen hierna,

(3) En heet Joseph van Arimathia.

160 Maar dat hij zijn ridder iets was

Zeg ik niet dat ik het niet las

In andere historiën dan in deze;

De waarste die ik daarvan lees

Zegt, dat Pilatus was heiden,

165 En ook al de ridders van hem,

Die toen waren van zijn manschappen

Waren onbesneden lieden.

Joseph was Jood en erg rijk,

Hij zag Jezus zekerlijk

170 Doen menige tekens goed;

Dus minde hij hem in zijn gemoed,

Maar hij durfde dat niet te openbaren

Voor de andere Joden te waren.

Onze Heer had vijanden veel,

175 En weinig die hem gunden wel,

Want zijn jongeren daarvan een

Haatte hem, zoals het wel scheen;

Maar Jezus wist dat wel van tevoren,

Welke dood hij zou verkiezen,

180 Als God, die alle dingen was bekend,

Dat was ook voorzegd lange stond;

En Judas was van zijn jongeren een,

Onze Heers drost, zoals het wel scheen,

En plag te dragen dat men hem gaf.

185 Sint Johannes hij schreef daar af,

Dat deze zaak waar was al,

En hij van de jongeren veel stal;

Maar dat Waalse zegt het en niet Latijn,

Dat de tiende daarvan was van hem

190 Van alles, dat men gaf Onze Heer;

Daarvan kwam hem grote oneer,

Zoals u dat boek wel zeggen zal,

Dat hierna nu volgt al.

 

 

Hoe Judas Jhesum verkochte.

 

Thomaes zeghet waer by dat was,

195 Dat die verrader Judas

Sinen Here omme dertich penninge gaf;

Die Ewangeliste zeghet hier af;

Doe Jhesus' Cristus zat ende at

Ende Sancta Maria wiste dat,

200 Die was geheten Magdalene,

Si kochte diere zalve rene

Ende storte ze op Onses Heren hovet.

Judaes toernde daerombe, des gelovet,

Ende woude hebben zinen tiende,

205 Daer hi die Helle an verdiende.

Hi seide, alse Sancte Johan bescrivet:

"Hoe eest, dat men dese cost nu drivet?

Waer ombe is dese salve verloren?

Hadde mense verkocht te voren,

210 Ende hadde daermede dertich penninge genomen,

o waert den armen te hulpe komen".

Dit sprack hi, seide sancte Johan,

Niet dat hi sinen zin leide daeran,

Dat hi die armen iet hadde lief,

215 Maer omdat hi was een dief,

Ende hi die alemosen droech,

Daer hi te stelene af plach genoech.

Thomaes zeghet, dat hi was gram,

Dat men hem zinen tiende nam,

220 Die doe dertich penninge was waert;

Hier omme verkochte hi daer ter vaert

Sinen schepper ende zinen here

Om dertich penninge te siner onneren.

Darombe zeghet dat Walsche van der Wrake

225 Eene zeer logentlike zake,

Dat die penninge zonderlingen

Waren van goudenen ringen.

Die redene zi es al gelogen,

Ende die des gelovet, hi es bedrogen.

230 Hier latick oeck van den Walsche bliven,

Dat ick niet en wil bescriven

Judaes' gedinge, die hem verkochte,

Denselven Here, die hem gewrochte,

Wanten docht my niet waer;

235 Maer dat zegge ick wael openbaer,

Hi was verkocht opten Goensdach;

Des andren dages, die daerna gelach,

Des avendes was hi spade gegaen.

In Romans zach ick oeck staen,

240 Dat God met zinen jongeren sat,

Opten witten Donredach, ende at,

Te Symons hues, die lazarus was;

Maer dat es logene ende gedwas:

Symon woende in Bethania.

245 Oeck scrivet ons dat Walsch hierna,

Dat hi aldaer wart gevaen;

Want die 't dichte, hi haddet verstaen

Ende meende wael geweten dat,

Dat Symon woende in der stat.

4 250 Symon was, dat mogewy lesen,

Van syner laserheit genesen,

Lange eer Onse Here was gevaen;

Maer ick late die historie staen

Van den Romanse, ende telle iu voert

255 Der waren Ewangelien woert.

Eens witten donredages sat

Onse Here tener tafelen ende at,

Te sinen jongeren sprack hi met staden:

"Juwer een sal my verraden".

260 Doe waren si droevich, ende elck riep zeer:

"Bin ick dat? bin ick dat, lieve Heer?"

Doe sprack Judaes: "bin ick dat, rabbi?"

"Dat seghestu!" antworde hi.

Daer leerde hi mede den apostelen sine,

265 Van water, van brode, ende van wine

Synen lichaem maken ende zijn bloet,

Ende seyde: "zo wanneer gy dit doet,

So zult gy ember mijns gedinken".

Doe hi hem hadde gegeven drinken

270 Sijn bloet, ende doe si hadden gegeten,

Doe gingen zi ten berge tOliveten,

In enen wael schonen hof fijn,

Daer hi met den jongeren zijn

Dicke wile wanderde ende was.

275 Hoe wel wiste dat Judas;

Hi quam aldaer met ener schaer.

Die jongeren worden zeer in vaer,

Want Judas daer, ter zelver stont,

Jhesum cussede an zinen mont;

280 Dus verriet hi den Here zijn,

Dat cussen was dat littekijn;

Te dier stede wart, sonder waen,

Onse Here al te hant gevaen

Van den Joden lasterlike,

285 Ende si leiden hem dorperlike;

Dat was so spade, dat zi te samen

Met vackelen ende lanternen quamen,

Ende leiden hem in dat gedinge,

Daer die Joden saten tot eenen ringe,

290 Die alle rieden an synen hals;

Daer was menege logene valsch.

Des morgens brachten sine Pilaten,

Ende clageden over hem wtermaten.

Pylatus zeyde: "gy nemeten bet,

295 Ende ordelten na uwer wet".

"Neen, wy en mogen nieman doet slaen",

Spraken si. "So laet icken gaen",

Sprack Pilatus, "willick dan?"

"Neen, laetstu gaen desen man,

300 So en bistu des Keysers vrint niet wael,

Want hi seyde dese tael,

Dat hi der Joden koninck waer;

Dus wederseyde hi openbaer

305 Tiberius, sines zelves Heer".

Dit woert ontsach Pilatus zeer;

Al wasset hem leet, hi moeste nochtan

Jhesum, den onsculdegen man,

Doen gheselen, ende crucen mede,

310 Toten berge Calvarien ter stede.

Hoe Judas Jezus verkocht.

 

Thomas zegt het waarbij dat het was,

195 Dat de verrader Judas

Zijn Heer om dertig penningen gaf;

De Evangelist zegt hiervan;

Toen Jezus Christus zat en at

En Sint Maria wist dat,

200 Die was geheten Magdalena,

Ze kocht dure zalf rein

En stortte op Onze Heren hoofd.

Judas vertoornde daarom, dus geloof het, En wou hebben zijn tiende,

205 Daar hij de hel aan verdiende.

Hij zei, zoals Sint Johannes beschrijft:

"Hoe is het, dat men deze kost nu drijft?

Waarom is deze zalf verloren?

Had men ze verkocht tevoren,

210 En had daarmee dertig penningen genomen,

O was de armen te hulp gekomen".

Dit sprak hij, zei Sint Johannes,

Niet dat hij zijn zin legde daaraan,

Dat hij de armen iets had lief,

215 Maar omdat hij was een dief,

En hij de aalmoezen droeg,

Daar hij van plag te stelen genoeg.

Thomas zegt het, dat hij was gram,

Dat men hem zijn tienden nam,

220 Die toen dertig penningen was waard;

Hierom verkocht hij daar ter vaart

Zijn schepper en zijn heer

Om dertig penningen tot zijn oneer.

Daarom zegt dat Waalse van de Wraak

225 Een zeer leugenachtige zaak,

Dat die penningen bijzonderling

Waren van gouden ringen.

Die reden is alles gelogen,

En die het gelooft, hij is bedrogen.

230 Hier laat ik het ook van het Waals blijven,

Dat ik niet wil beschrijven

Judas gedingen die hem verkochten,

Dezelfde Heer, die zich wreekte,

Want dat leek me niet waar;

235 Maar dat zeg ik wel openbaar,

Hij was verkocht op de woensdag;

De volgende dag die daarna lag,

‘s Avonds was hij laat gegaan.

In Romeinen zag ik ook staan,

240 Dat God met zijn jongeren zat,

Op Witte Donderdag, en at,

Te Simons huis, die melaats was;

Maar dat is leugen en dwaas:

Simon woonde in Bethania.

245 Ook schrijft ons dat Waals hierna,

Dat hij aldaar werd gevangen;

Want die het dichtte, hij had dat verstaan En meende wel te weten dat,

Dat Simon woonde in die stad.

(4) 250 Simon was, dat mogen we lezen,

Van zijn melaatsheid genezen,

Lang eer Onze Heer was gevangen;

Maar ik laat die historie staan

Van de Romeinen, en vertel u voort

255 Het ware Evangelie woord.

Eens op Witte Donderdag zat

Onze Heer te ene tafel en at,

Tot zijn jongeren sprak hij met stade:

"Een van u zal mij verraden".

260 Toen waren ze droevig, en elk riep zeer:

"Ben ik dat? ben ik dat, lieve Heer?"

Toen sprak Judas: "ben ik dat, rabbi?"

"Dat zegt u!" antwoordde hij.

Daar leerde hij mede de apostelen van hem,

 265 Van water, van brood, en van wijn

Zijn lichaam maken en zijn bloed,

En zei: "zo wanneer gij dit doet,

Dan zal ge me immer gedenken".

Toen hij hen had gegeven te drinken

270 Zijn bloed, en toen ze hadden gegeten,

Toen gingen ze naar de Olijfberg,

In een wel mooie hof fijn,

Daar hij met de jongeren van hem

Vaak wel wandelde en was.

275 Hoe goed wist dat Judas;

Hij kwam aldaar met een schaar.

De jongeren worden zeer in gevaar,

Want Judas daar, terzelfder stond,

Jezus kuste aan zijn mond;

280 Dus veraadde hij de Heer van hem,

Dat kussen was dat teken;

Te die plaats waart, zonder waan,

Onze Heer direct gevangen

Van de Joden lasterlijk,

285 En ze leiden hem burgerlijk;

Dat was zo laat, zodat ze tezamen

Met fakkels en lantarens kwamen,

En leiden hem in dat geding,

Daar de Joden zaten in een ring,

290 Die allen aanraadden om zijn hals;

Daar was menige leugen vals.

‘s Morgens brachten zij hem bij Pilatus,

En klaagden over hem uitermate.

Pilatus zei: "gij neemt hem beter,

295 En beoordeel hem naar uw wet".

"Neen, wij mogen niemand dood slaan",

Spraken ze. "Dan laat ik hem gaan",

Sprak Pilatus, "wil ik hem dan?"

"Neen, laat u gaan deze man,

300 Dan bent u de keizers vriend niet goed,

Want hij zei deze taal,

Dat hij de Joden koning waar;

Dus weersprak hij openbaar

305 Tiberius, zijn eigen heer".

Dit woord ontzag Pilatus zeer;

Al was het hem leed, hij moest nochtans

Jezus, de onschuldige man,

Laten geselen, en kruisigen mede,

310 Tot de berg Calvarië ter plaatse.

 

 

Hoe God gecrucet wart, ende hoe die Helle tebrack.

 

Nu waren fel ende quaet die Joden

Ende onreine valsche roden:

Sine verrieden mede onsen Here,

Bydien meenden zi metten kere

315 Van synen dode onsculdech wesen.

Dor al dat wi van hem lesen,

Dat Pilatus was wael leet,

Riepenzi daer tegen gereet,

Beide meerre ende minder:

320 "Sijn bloet moete op onse kinder

Ende op ons allen gewroken zijn!"

Te dien tiden liet die zonne horen scijn,

Ende wert donker alse die nacht,

Ende die aerde bevede met groter kracht,

325 Ende die doden die verresen,

Die steene scheurden; ende binnen desen

Sprack een ridder die daer stont:

"Dit wert alder werelt kont,

"Dat dit die Godes Zone es".

330 Die Jode dien zere duchte des,

Die hiet Joseph van Aramathia;

Hi ginck tot Pilate daerna,

Want hi was ryke ende milde

Ende hadde onder hem tien schilde.

335 Hi was een jonger van Jhesu Criste,

Al wast dat des die Joden en wisten,

Hi hopede, datten God dancken soude,

Ende bat Pilatuse also houde,

5 Dat hi hem den doden gaf.

340 Pilatus daer oeck zeghet af

Dat Romans, dat hi hem gaf

Eenen nap, daer ick iu af

Hierna zal tellen wonder groet;

Dat was daer, vor sine doet,

345 Jhesus die eerste misse in sanck;

Dien gaf Pilatus daer ombe danck

Een Jode, diene aldaer gewan,

Daer Jhesus, die onnosel man,

Met zinen lieven jongeren sat,

350 Ten lesten etene, ende met hem at,

Eer hi te syner passien ginck.

Joseph was blide van desen dinck;

Hi quam, ende Nycodemus mede,

Daer Jhesus hinck terselver stede;

355 Si dadenen van den cruce zachte.

Een diere cleet, dat Joseph brachte,

Spreiden si vor hem aldaer,

Dat seghe ick iu al openbaer,

Daer men Jhesum sachte in want;

360 Een steenen graf hadden si te hant,

Dat Joseph hadde doen maken,

Daer groeven zi en, dit zijn waer zaken,

Jhesus, in een hof daerby.

Maer dat Romans seghet mi,

365 Dat Joseph nam Onses Heren bloet,

Dat wt synen wonden vloet,

Ende dat hi dat in dien nap dede,

Ende hieldet met groter werdichede.

Die Joden quamen toten rechter doe,

370 Ende zeiden: "Here, hoert ons toe:

Dese mare sprack dese drogenare,

Doe hi levede al openbare,

Dat hi soude sonder saghe

Verrijsen in den derden daghe;

375 Hier ombe doet hoeden zijn graf".

Pilatus zeide: "nu doet daeraf

Al dat iu dunket wesen goet".

Mettien hebben si dat graf behoet

Alombe met gewapenden lieden,

380 Nochtan mochtet hem luttel dieden.

Ende God voer hierna ter Hellen,

Daer hi verloste sine gesellen,

Die hem lieflick hadden gedient,

Adame ende ander sine vrient

385 Hi stont op an den derden dach,

So datten nymant en sach

Van den genen diene wachten;

Die Ingele quamen daer met crachten,

Ende diene hoeden worden in vaer;

390 Ende doe dat dach was openbaer,

Liepen si alle enwech mettien,

Ende zeiden wat si hadden gesien.

Doe die Joden dat vernamen

Waren si droevich; te samene zi quamen

395 Ende sochten te hant nuwen raet.

Nu hert wat in den Walsche staet;

Daer staet gescreven, dat zi zeiden,

Dat zise wouden vangen beide,

Joseph ende Nicodemus;

400 Ofte ieman vragede: "waer es Jhesus?"

So zouden zi antworden dan:

Gevet ons die selve man,

Diene leiden in dat graf.

Wy zeggen iu noch daer af,

405 Zi woudent doen aldaer met liste,

Dat men daer nemmer af en wiste; diep.

Maer Nicodemus hi ontliep,

Ende Joseph moeste in den kerker

Dat zeght dat Romans, dat hi daer ynne lagh,

410 Tot an denselven dach

Datten Vaspasianus wt dede;

Maer dat es altemale logene mede:

So zoude hi daerinne xlij iaer

Hebben gelegen, dat is waer;

415 Oeck zeghet dat Romans hier af,

Dat hi hem in den kerker gaf

Sinen nap, dien hi te voren

Ene stonde hadde verloren,

Ende leerde hem daer heimelike woert,

420 Die hi niet en woude brengen voert.

Dat Walsch scrivet, na mynen wane,

So zijn die woert daer noch ane,

Daer dat heilege sacrament an leghet,

Dat men in der stille zeghet;

425 Van den nappe mochtet waer wesen

Ende van den woerden; nu moetwy lesen

Van den personen die waerheit al,

Daer ick iu niet an liegen en sal,

Hoe gram dat joedsche volck doe was,

430 Beide Annas ende Cayfas,

6 Doe Joseph Jhesum hadde begraven,

Rikelike met diere haven,

Zi vingenen, zeghet die ware lesse,

Ende leiden hem in gevancknesse.

435 Daer lach hi tot in Paeschedach nachte,

Dat Gd opstont met zijnre crachte;

Doe quam hi aldaer Joseph lach

Ende tallereerst dat hi hem sach,

Meende hi dattet Elias waer;

440 Maer Jhesus dede al openbaer

Josepe daer die waerheit verstaen,

Dat hi dat was, al zonder waen,

Dien hi van den cruce dede;

Hi voerdene danen, dat es waerhede,

445 Wt den kerker beslotener dueren;

En wondert iu niet der aventueren,

Want God mach doen al dat Hi wille;

Hi voerdene wt den kerker stille

Al tote Aramathia;

450 Ende doe die Joden quamen daerna,

Ende zi hem doe niet en vonden,

Twivelden zi tenzelven stonden.

Doe quamen die wachters openbaer,

Ende zeiden, dat Jhesus verresen waer;

455 Die Joden zeiden: "gy zulten ons geven

So waer dat hi iu es ontbleven,

Of zo wat gy daermede hebbet gedaen".

Die wachters antworden saen:

"Gevet ons Josepe, dien gy vinget,

460 Wy geven in Jhesum, dien gy hinget;

Maer gy ne kondet en niet gewachten,

Hi ontginck iu by Godes krachten;

Wy en kondent Jhesum verbieden niet,

Hi stont op al sonder verdriet,

465 Als hi woude, van dode te live".

Doe antworden die kaytive:

"Segget dat hi iu was verstolen

Van sinen jongeren, so blivet verholen;

Wy zullen iu geven groten scat".

470 Si namen 't ghelt ende loveden dat;

Nochtan zeiden si dat openbaer

Pilatus, dat Jhesus verresen waer.

Was een Keyser, die hiet Tiberius,

475 Die daer die Keiser [was] van beginne;

Es dat als ick 't bescreven kinne,

So lach die Keiser ende qual,

Ende die fisiciene daden al

Daertoe, dat hem gehelpen mochte;

480 Nochtan hielten dat oevel onsochte,

Ende die fisike en halp hem niet.

Doe was daer een, die hem riet,

Dat hi zoude al te hant

Senden in der Joden lant

485 Ombe Jhesum van Nazarene,

Die alle oevele gemene

Met zinen woerden kan genesen,

Entie menschen gesont doet wesen

Sonder ienege arcedie;

490 Ende Tiberius, die Keiser vrie

Belovede wael al te hant das.

Eenen, die hem heimelic was,

Riep hi tot hem al te hant,

Daer hi hem van verren was bekant;

495 Diegene ginck tot hem aldaer,

Hi sendene in der Joden lant vorwaer

Ombe Jhesum, onsen scepper fijn;

Die bode gereide hem mettien

Ende voer doe tot in Syrien

500 Ombe Jhesum den vrien,

Dat hi quame van Jherusalem.

Pilatus was blide met hem,

Ende makede met hem grote gome.

Doe zeide die bode van Rome,

505 Waerombe hi daer komen waer.

Pilatus wart zere in vaer,

Ende zeide: "Jhesus, die es doet".

Des hadde den bode wonder groet,

Ende groten rouwe daerombe dreef,

510 Doe hi vereeste hoe dat hi doet bleef,

Ende datten Pilatus verdede;

Met groter overmoedichede

Leide hi op hem al den moert,

Dat hi zonder des Keysers woert,

515 Ende zonder recht der Senaet,

Hadde gedaen dese overdaet;

Want zulck een man mochte vele vromen

An dat keyserike van Romen.

Pilatus zeghet, ende hevet gesworen,

520 Dat hi des gerne hadde ontboren,

Maer dat die Joden met horen tongen

Op hem verriepen ende daertoe dwongen.

Dus claerde hi hem van den moert,

Ende gaf dat op die Joden voert.

7 525 Indien vertelde men daer den bode

Vele tekene groet van Gode,

Ende men zeide hem, zonder waen,

Doe sprack die bode: "men mach wel zien

530 Dat dit ne was geen visicien,

Maer hi was een geweldich God,

Die over den doet hadde gebot".

Den Joden teech hi daer al bloet,

Dat zi Gode hadden gedoet,

535 Ende zi en mochten hem niet ontsculden,

Ende hi zwoer, by der roemscher hulden,

Dat zi haer goet zouden verliesen

Ende quaden doet alle kiesen.

Die Joden waren [zere] in vaer,

540 Want zi hem kenden openbaer

Schuldech zere van der sonde;

Zi namen verste ene stonde,

Want zi hem beraden wouden,

Hoe zi hem ontsculden zouden.

545 Kinder, dit was ember waer,

Dat die Joden hadden vaer,

Hoe zi hem ontsculden mochten.

Hier binnen des boden vriende zochten,

Of zi van Jhesus iet mochten vinden

550 Onder degene die hem minden.

Doe vernamen zy van ener vrouwen,

Die onsen Here was getrouwe,

Want hi hadde dat wijf genesen

Van der bloetsucht, daer wy af lesen

555 Dat zi xviij iaer ane qual;

Si hadde een beelde, dat zi al

Gewonden te zamen hadde in een cleet.

Dat leet, nadat men weet,

Van gedane na onsen Here;

560 Daer ombe pijnde die bode zere,

Eer hi dat van der vrouwen gewan.

Hierenbinnen hebben die joedsche man

Hen beraden in haer gedochte,

Ende zeiden, dat niet wesen en mochte,

565 Dat men mochte doden Gode.

Dus latewy dat bliven van den bode

Ende van den Joden al den pleit;

Te lanc te tellen hier ter stede.

570 Die bode voer enwech, ende voerde mede

Ende brachte te Rome dat beelde.

Want eerst dat hi dat beelde sach,

575 Vloe van hem al zijn ongmack;

Doe liet hi halen al den Senaet,

Ende hiet hem, dat zi hoer toeverlaet

Alle souden zetten an dien God;

Maer zi ontseiden zijn gebot.

580 Des dade hi ze doden ende versenden

In verren landen ende in ellenden;

Nochtan en was hi kersten niet

Want die eerste kerstene keiser hiet

Philippus, ende dat was oeck daernaer

585 Over herde menech jaer.

Ombe dese dinck quam eerst die nijt

Op die Joden van langer tijt

Dat stont, eer God gewroken wart.

Nu lieget vele van deser vaert

590 Dat Dietsch van Onses Heren Wrake;

Want dat seghet, in ware sake,

Dat Titus diegene was,

Die by den beelde daer genas,

Ende dat Vaspasianus waer

595 Van Aquitanigen die koninck maer,

Ende dat Herodes, zonder waen,

Die die kinder doet dede slaen,

Leefde doe die roemsche Heren

Die Joden begonden onteren,

600 Ende hi hemselven oeck versloech,

Ende Archelaus crone droech,

Doe men wan die heilege stat;

Maer dat gelogen es al dat,

Wil ick proeven hier vorwaer:

605 Na des Heren geboerte myn dan drie jaer

Leefde Herodes diene woude verslaen;

Achte jaer oeck mede, zonder waen,

Ofte min droech Archelaus krone,

Na zinen vader te lone,

610 Ende hi starf oeck in ellenden;

Dus mach ment in Josephus vinden.

Oeck en es dat Romans

In die redene niet wel gans,

Dat zeghet, dat Vaspasiaen

615 Van lazerscepe hadde ontfaen

By den beelde zine gesonde,

Ende hi daerna in korter stonde

Onsen Here wrack algader,

Ende dat Titus was zijn vader.

8 620 Hierne sal ik iu proeven ter stede,

Dat dit algader gelogen es mede.

Hoe God gekruisigd werd en hoe de hel brak.

 

Nu waren fel en kwaad de Joden

En onreine valse groepen:

Ze verrieden mede Onze Heer,

Omdat ze meenden met een keer

315 Van zijn dood onschuldig te wezen.

Door alles dat we van hem lezen,

Dat het Pilatus wel was leed,

Riepen ze daartegen gereed,

Beide meer en minder:

320 "Zijn bloed moet op onze kinderen

En op ons allen gewroken zijn!"

In die tijden liet die zon haar schijn,

En het werd donker zoals de nacht,

En de aarde beefde met grote kracht,

325 En de doden die verrezen,

De stenen scheurden; en binnen deze

Sprak een ridder die daar stond:

"Dit wordt de hele wereld bekend,

"Dat dit Gods Zoon is".

330 De Jood die zeer vreesde ditdis,

Die heet Joseph van Aramathia;

Hij ging tot Pilatus daarna,

Want hij was rijk en mild

En had onder hem tien schilden.

335 Hij was een jongere van Jezus Christus,

Al was het dat dit de Joden wisten,

Hij hoopte, dat God hem bedanken zou,

En bad Pilatus alzo te houden,

(5) Dat hij hem de doden gaf.

340 Pilatus daar ook zegt van

De Romeinen, dat hij hem gaf

Een nap, daar ik u van

Hierna zal vertellen een wonder groot;

Dat was daar, voor zijn dood,

345 Jezus die eerste mis in zong;

Die gaf Pilatus daarom dank

Een Jood, die hem aldaar won,

Daar Jezus, die onschuldige man,

Met zijn lieve jongeren zat,

350 Tenslotte eet, en met hen at,

Eer hij tot zijn lijden ging.

Joseph was blij met dit ding;

Hij kwam, en Nicodemus mede,

Daar Jezus hing terzelfder stede;

355 Ze deden hem van het kruis zacht.

Een duur kleed, dat Joseph bracht,

Spreiden ze voor hem aldaar,

Dat zeg ik u al openbaar,

Daar men Jezus zacht in wond;

360 Een stenen graf hadden ze gelijk,

Dat Joseph had laten maken,

Daar begroeven ze hem, dit zijn ware zaken,

Jezus, in een hof daarbij.

Maar de Romeinen zegt mij,

365 Dat Joseph nam Onze Heren bloed,

Dat uit zijn wonden vloeit,

En dat hij dat in die nap deed,

En hield het met grote waardigheid.

De Joden kwamen tot de rechter toen,

370 En zeiden: "Heer, hoor ons toe:

Dit bericht sprak deze bedrieger,

Toen hij leefde al openbaar,

Dat hij zou zonder sage

Verrijzen in de derde dag;

375 Hierom laat u behoeden zijn graf".

Pilatus zei: "nu doe daarvan

Alles dat u denkt te wezen goed".

Meteen hebben ze dat graf behoed

Alom met gewapende lieden,

380 Nochtans mocht het hen weinig beduiden. En God voer hierna ter hel,

Daar hij verloste zijn gezellen,

Die hem lieflijk hadden gediend,

Adam en anderen zijn vrienden

385 Hij stond op de derde dag,

Zodat niemand het zag

Van diegene die hem bewaakten;

De engelen kwamen daar met krachten,

En die hem behoeden worden in gevaar;

390 En toen het dag was openbaar,

Liepen ze alle weg meteen,

En zeiden wat ze hadden gezien.

Toen de Joden dat vernamen

Waren ze droevig; tezamen ze kwamen

395 En zochten gelijk nieuwe raad.

Nu hoor wat in het Waals staat;

Daar staat geschreven, dat ze zeiden,

Dat ze hen wilden vangen beide,

Joseph en Nicodemus;

400 Als iemand vroeg: "waar is Jezus?"

Zo zouden ze antwoorden dan:

Geef ons diezelfde man,

Die hem legde in dat graf.

Wij zeggen u noch daarvan,

405 Ze wilden het doen aldaar met list,

Zodat men daar nimmer van wist; diep

Maar Nicodemus hij ontkwam,

En Joseph moest in de kerker

Dat zeggen Romeinen, dat hij daarin lag,

 

 

410 Tot aan dezelfde dag

Dat Vespasianus hem er uit deed;

Maar dat is allemaal leugen mede:

Dan zou hij daarin zijn 42 jaar

Hebben gelegen, dat is waar;

415 Ook zegt Romeinen hier van,

Dat hij hem in de kerker gaf

Zijn nap, die hij tevoren

Een tijdje had verloren,

En leerde hem daar heimelijke woorden,

420 Die hij niet wou brengen voort.

Dat Waals schrijft, naar mijn mening,

Zo zijn die woorden daar nog aan,

Daar dat heilige sacrament aan ligt,

Dat men in stilte zegt;

425 Van de nap mocht het waar wezen

En van de woorden; nu moeten we lezen

 

Van de personen de waarheid al,

Daar ik u niets van liegen zal,

Hoe gram dat Joodse volk toen was,

430 Beide Annas en Cayfas,

(6) Toen Joseph Jezus had begraven,

Rijkelijk met dure gaven,

Ze vingen hem, zegt de ware les,

En legden hem in gevangenis.

435 Daar lag hij tot in Paasdag nacht,

 

Dat God opstond met zijn kracht;

Toen kwam hij aldaar Joseph lag

En ten allereerste dat hij hem zag,

Meende hij dat het Elias was;

440 Maar Jezus liet al openbaar

Joseph daar de waarheid verstaan,

Dat hij dat was, al zonder waan,

Die hij van het kruis deed;

Hij voer er vandaan, dat is waarheid,

445 Uit de kerker besloten deuren;

En verwondert u niet de avonturen,

Want God mag doen al dat Hij wil;

Hij voerde hem uit de kerker stil

Al tot Aramathia;

450 En toen die Joden kwamen daarna,

En ze hem toen niet vonden,

Twijfelden ze dezelfde stonde.

Toen kwamen die wachters openbaar,

En zeiden, dat Jezus verrezen waar;

455 De Joden zeiden: "ge zal hem ons geven

Zo waar dat hij u is ontsnapt,

Of zo wat ge daarmee hebt gedaan".

Die wachters antwoorden gelijk:

"Geef ons Joseph, die gij ving,

460 Wij geven u Jezus, die gij hing;

Maar ge kan het niet verwachten,

Hij ontging u bij Gods krachten;

Wij konden het Jezus verbieden niet,

Hij stond op al zonder verdriet,

465 Zoals hij wilde, van dood tot leven".

Toen antwoorden die ellendigen:

"Zeg het dat hij u was ontstolen

Van zijn jongeren, zo blijft het verborgen;

Wij zullen u geven een grote schat".

470 Ze namen 't geld en beloofden dat;

Nochtans zeiden dat openbaar

Pilatus, dat Jezus verrezen was.

Er was een keizer, die heet Tiberius,

475 Die daar de keizer was van het begin;

Is dat zoals ik 't beschreven ken,

Zo lag die keizer aan een kwaal,

En de geneesheren deden al

Daartoe, dat hem helpen mocht;

480 Nochtans behield hij dat euvel hard,

En de geneesheer hielp hem niet.

Toen was er een, die hem aanraadde,

Dat hij zou al gelijk

Zenden in het Joden land

485 Om Jezus van Nazarene,

Die alle euvels algemeen

Met zijn woorden kan genezen,

En de mens gezond laat wezen

Zonder enige geneesmiddel;

490 En Tiberius, de keizer vrij

Beloofde wel gelijk dat.

Een, die hem vertrouwd was,

Riep hij tot hem al gelijk,

Daar hij hem van ver was bekend;

495 Diegene ging tot hem aldaar,

Hij zond hem in het Joden land voorwaar

Om Jezus, onze schepper fijn;

Die bode bereidde zich meteen

En voer toen tot in Syrië

500 Om Jezus de vriend,

Dat hij kwam van Jeruzalem.

Pilatus was blij met hem,

En maakte hem grote eer.

Toen zei de bode van Rome,

505 Waarom hij daar gekomen waar.

Pilatus werd zeer in gevaar,

En zei: "Jezus, die is dood".

Dus had de bode verwondering groot,

En grote rouw daarom dreef,

510 Toen hij hoorde hoe dat hij dood bleef, En dat Pilatus hem verdeed

Met grote overmoedigheid

Legde hij op hem geheel deze moord,

Dat hij zonder keizers woord,

515 En zonder recht van de senaat,

Had gedaan deze overdaad;

Want zo’n man mocht veel voordeel doen

Aan dat keizerrijk van Rome.

Pilatus zegt het, en heeft gezworen,

520 Dat hij dit graag had ontbeerd

Maar dat de Joden met hun tongen

Op hem riepen en daartoe dwongen.

Dus zuiverde hij hem van de moord,

En gaf dat op de Joden voort.

(7) 525 Dan vertelde men daar de bode

Veel tekens groot van God,

En men zei hem, zonder waan,

Toen sprak de bode: "men mag wel zien

530 Dat dit was geen geneesheer,

Maar hij was een geweldige God,

Die over de dood had gebod".

De Joden rekende hij daar al bloot,

Dat ze God hadden gedood,

535 En ze mochten zich niet verontschuldigen,

En hij zwoer, bij de Roomse hulde,

Dat ze hun goed zouden verliezen

En kwade dood alle kiezen.

Die Joden waren zeer in gevaar,

540 Want ze bekenden hen openbaar

Schuldig zeer van de zonde;

Ze namen uitstel een stonde,

Want ze zich beraden wilden,

Hoe ze zich verontschuldigen zouden.

545 Kinderen, dit was immer waar,

Dat de Joden hadden gevaar,

Hoe ze zich verontschuldigen mochten.

Hierbinnen bij de boden vrienden ze zochten,

Of ze van Jezus iets mochten vinden

550 Onder diegene die hem minden.

Toen vernamen ze van een vrouw,

Die Onze Heer was trouw,

Want hij had die vrouw genezen

Van de bloedziekte, waar we van lezen

555 Daar ze 18 jaar aan leed;

Ze had een beeld, dat ze geheel

Gewonden tezamen had in een kleed.

Dat leek, naar dat men weet,

Van gedaante naar Onze Heer;

560 Daarom dacht die bode zeer,

Eer hij dat van de vrouw won.

Hierna hebben die Joodse mannen

Zich beraden in hun gedachte,

En zeiden, dat het niet wezen mocht,

565 Dat men mocht doden God.

Dus laten we dat blijven van de bode

En van de Joden het hele pleit;

Te lang te vertellen hier te stede.

570 Die bode voor weg, en voerde het mede

En bracht te Rome dat beeld.

Want ten eerste dat hij dat beeld zag,

575 Vloog van hem al zijn ongemak;

Toen liet hij halen de hele senaat,

En zei hen, dat ze hun toeverlaat

Alle zouden zetten aan die God;

Maar ze ontzeiden zijn gebod.

580 Dus liet hij ze doden en zenden

In verre landen en in ellenden;

Nochtans was hij christen niet

Want de eerste christen keizer heette

Filippus, en dat was ook daarna

585 Na zeer veel jaar.

Vanwege dit ding kwam eerst de nijd

Op de Joden van lang geleden

Dat stond, eer God gewroken werd.

Nu lieg veel van deze vaart

590 Dat Dietse van Onze Heren wraak;

Want dat zegt, in ware zaak,

 

 

 

Dat Titus diegene was,

Die via het beeld daar genas,

En dat Vespasianus waar

595 Van Aquitanië de koning maar,

En dat Herodes, zonder waan,

Die de kinderen dood liet slaan,

Leefde toen de Roomse heren

Die de Joden begon te onteren,

600 En hij zichzelf ook versloeg,

En Archelaus de kroon droeg,

Toen men won de heilige plaats;

Maar dat gelogen is al dat,

Wil ik bewijzen hier voorwaar:

605 Na de Heer geboorte minder dan drie jaar

Leefde Herodes die hem wilde verslaan;

Acht jaar ook mede, zonder waan,

Of minder droeg Archelaus de kroon,

Na zijn vader te loon,

610 En hij stierf ook in ellende;

Aldus mag men het in Josephus vinden.

Ook is dat Romeinen

In die reden niet goed geheel,

Dat zegt dat Vespasianus

615 Van melaatsheid had ontvangen

Bij het beeld zijn gezondheid,

En hij daarna in korte stonde

Onze Heer wreekte allemaal,

En dat Titus was zijn vader.

(8) 620 Hierna zal ik u bewijzen ter stede,

Dat dit allemaal gelogen is mede.

 

 

Hoe God gewroken wart van Tytus ende van Vaspasianus.

 

Die aventure zeghet hier naer,

Dat leet wael xlij jaer,

Van dat gemarteret was Jhesus,

625 Aldus bescrivet Josephus,

Die was doe binnen Jherusalem,

Dat Titus lach, ende met hem

Dat roemsche heer, voer der stede,

Eer God die wrake komen dede.

630 Hi gaf den Joden tijt ende stonde,

Dat si beteren mochten hoer sonde,

Die si an Jhesum hadden gedaen;

Maer zi en wouden, zonder waen.

Hier ombe dade Onse Here wreken

635 Over hem hoer valsche treken

Ende al der heileger liede bloet.

Dat joedsche volck was al verwoet,

Want si alle versamelt waren

Op den Paeschen, zonder sparen,

640 Tot Jherusalem in der stede;

Want zi wouden, na haren sede

..........

..........

Die my verkochte ombe goet,

955 Ende hi met my ter tafelen zat;

Doe ginck hy heen zinen pat,

Ende nembermeer was hi met my.

Mine apostelen doe deden zy

Eenen anderen in sine stede.

960 Nu zalstu gedencken mede

Der tafelen, daer ick toe sat;

Dor die ere, dat ick daer op at,

So zalstu ene ander tafel zetten,

Ende roepet Broen sonder letten,

965 Dinen zwager, die een goetman es,

Ende zine kinder, des zijt gewes,

Sijn goet ende oeck ander mede

Sal hi winnen hier ter stede,

Die men goet zal bekinnen;

970 Sech hem, dat hi ga met mynnen

Daer du hem wises een rivier,

Ende vange enen visch wael scier,

Ende dat hi brenge den eersten visch;

Als hi enwech es, gerede dinen disch,

975 Ende decken ende neem dit vat,

Ende in midden der tafelen zet dat,

Ende deck dat met enen clede;

Dan so neem den visch gerede,

Ende leggen den vate by;

980 Dan roep dijn volck, waer dat sy,

Ende zech, zi zullen weten saen,

Wie van hem allen hevet mesdaen;

Dan zalstu in mynen name zitten

Alzo als ick opten witten

985 Donredage ter tafelen zat.

Neem Broen ende merke dat

Wie hem daer achter trecken zal;

Als dat volck es geseten al,

Sal daer bliven een idele stat,

990 Ende die zal bedieden dat,

Dat Judaes zine stat verloes;

Die stat zal idel bliven altoes,

Tote dat Broens zone hevet een kint,

Die die stat met rechte wint;

995 Ende alse dan Broen geseten es,

So doe dan kondich dinen volke des,

Wat manne dat hi es die gone

Die an den Vader ende an den Zone

Gelovet ende an den Heilghen Geest;

1000 Ende die dan gedaen hevet meest,

Dat ick met di met mynen monde

9 Hem geboet, hi come ter stonde

Ende zitte ende neme die gracie

Totter tafelen sonder tribulacie.

1005 Recht alse hem Onse Here hiet

Dede Joseph ende anders niet;

Hi zat ter tafelen ende Broen;

Ende alzo hiet hi den anderen doen.

Een groot deel zat daer neder,

1010 Maer vele meer keerde daer weder,

Die totter tafelen niet en quamen.

Doe zi vervullet was altezamen

Sonder die stat die idel bleef,

Daer ick iu te voren af screef,

1015 Die tusschen Broen ende Josepe lach

Die so idel bleef wel menegen dach.

Doe die liede, die daer zaten

Te Josepes tafelen ende aten,

Vernamen der groter soetecheit,

1020 Ende si worden vervullet gereit

Van al dat haer herte woude

Ende hadden al vergeten boude

Der anderen, die daer niet en zaten;

Doe sprack een van dien die daer aten

1025 Tot dengenen die daer stonden;

Hi vraechde hem of zy iet konden

Gevoelen des si hadden daer;

Si zeiden: "neen wy, niet een haer".

Peter hiet hi, die des vraechde;

1030 Hoe wel hem des woerdes behaechde,

Hi zeide doe: "nu moochdy verstaen,

Dat gy die zonde hebbet gedaen,

Daer gy Josepe ombe vraget;

Herde oevele hem dat woert behaget;

1035 Si scaemden hem ende gingen wt

Haerder een meende noch overluet

Noch wel gebeteren zijn leven;

Ende diegene es noch daer gebleven

Hi en woude nergen gaan.

1040 Doe die dienst was al gedaen,

Doe hiet Joseph daer elken bi namen,

Dat zi daer alle dage quamen

Ombe die gracie te ontfane.

Doe gingen zi allegader dane,

1045 Daer die ander liede waren.

Dus kende Joseph die sondaren

By der kracht van Onsen Heer,

Ende dit was noch min noch meer

Dan van den vate die eerste proevinge;

1050 Dit zijn doch wonderlike dinge.

Ende welke tijt dat was die getyde

Gingen zi daer in alle wel blyde,

Ende degene die daerin niet quamen

Vraechden, wat zi daer vernamen;

1055 Si zeiden: "dat en mach tongevertellen,

Noch herte gedichten noch verspellen

Onse grote blijtscap, dat es waer,

Die wile dat wi sitten daer,

Ende alse wy opstaen dueret soe

1060 Tote des anderen morgens vroe".

Si vraechden: "wanen mach dat iu komen

Die gracie, die men genomen

Noch vulprysen niet en kan?"

Peter sprack, die goede man:

1065 "Die Here gevet ons gevoech,

Die Josepe wt den kerker droech".

Si zeiden: "wat mach zijn dat vat?

Wy en zagen nie te voren dat".

Peter sprack: "dat hevet versceden

1070 Die gezelscap van ons beiden;

Want dat en laet in zijn covent

Negenen sonder ongescent;

Dat moget gy nu wel bekinnen;

Maer zegget wat gy [voeldet] van binnen

1075 Doe Joseph iu daerin sitten hiet?"

Ende zeiden si en wistens niet.

Degene zeide: "gy moget mede

Merken wel wie sonde dede

Daer wi die pine af ontfaen".

1080 Die ander zeide: "wy moeten gaen,

Ende rumen dat lant gelijck keytiven;

Maer waer latewi iu bliven?

Wat zulwy zeggen, of men ons vraget,

"Segget, dat ghy ons achterst zaget,

1085 Ende lyet mede in der genaden

Der Drivoudicheit, die ons beraden

Ende helpen zal wt alre scout

Ende in den gelove dat Joseph hout".

Die quade zeiden: "wi gaen onser strate;

1090 Wat mogewy zeggen van den vate?

Hoe zulwy dat heten waer wy gaen?"

Hi zeide: "dat vat, daer wy af ontfaen

Hebben gracie ende joye,

10 Ende dat wy leven sonder vernoye,

1095 Daer wy af eten dat soete mael,

Dat sal van genaden hieten die Grael,

Dat het dengenen so wel gereit

Die hem in sine geselscap meit.

So grote blijtscap hebbewy te dische

1100 Dat ons te moede es alse vische

Die in enen groten vloet saen

Des menschen handen zijn ontgaen".

Die quade seiden: "met rechte ende wale

Hevet dat den name van den Grale;

1105 Dus zulwi dat hieten waer wy gaen".

Ende die daer bleven, sonder waen,

Seiden Josepe dat hiete also.

Des was Joseph herde vro;

Ende welke tijt dat tercietijt was

1110 So plagen die goede das,

Dat zi dan seiden sonder hale:

"Gawy totten dienste van den Grale".

Dus was die Grael dat selve vat,

Daer God zijn leste mael wt at

1115 Vor dat hi zine pine doechde,

Daer hi ons allen mede verhoechde,

Ende hier ombe zo heet altemale

 Dit boek die Historie van den Grale.

Hoe God gewroken werd van Titus en van Vespasianus.

 

Het verhaal zegt het hierna,

Dat geleden was wel 42 jaar,

Na dat gemarteld was Jezus,

625 Aldus beschrijft Josephus,

Die was toen binnen Jeruzalem,

Daar Titus lag, en met hem

Dat Romeinse leger, voor de stad,

Eer God de wraak komen deed.

630 Hij gaf de Joden tijd en stonde,

Dat ze verbeteren mochten hun zonde,

Die ze aan Jezus hadden gedaan;

Maar ze niet wilden, zonder waan.

Hierom deed Onze Heer wreken

635 Over hem hun valse streken

En alle heilige lieden bloot.

Dat Joodse volk was geheel verwoed,

Want ze allen verzameld waren

Op Pasen, zonder sparen,

640 Te Jeruzalem in die stede;

Want ze wilden, naar hun zede

..........

..........

Die mij verkocht om goed,

955 En hij met mij ter tafel zat;

Toen ging hij heen zijn pad,

En nimmermeer was hij met mij.

Mijn apostelen en toen deden zij

Een andere in zijn plaats.

960 Nu zal u denken mede

De tafel, daar ik aan zat;

Door de eer, dat ik daarop at,

Zo zal u een andere tafel zetten,

En roep Broen zonder letten,

965 Uw zwager, die een goede man is,

En zijn kinderen, dus zij gewis,

Zijn goed en ook andere mede

Zal hij winnen hier ter stede,

Die men goed zal bekennen;

970 Zeg hem, dat hij gaat met minnen

Daar u hem wijst een rivier,

En vang een vis erg snel,

En dat hij brengt de eerste vis;

Als hij weg is, bereid uw dis,

975 En dek het en neem dit vat,

En in het midden van de tafel zet dat,

En bedek dat met een kleed;

Dan zo neem de vis gereed,

En leg het vat erbij;

980 Dan roep uw volk, waar dat is,

En zeg, ze zullen het weten samen,

Wie van hen allen heeft misdaan;

Dan zal u in mijn naam zitten

Alzo als ik op de Witte

985 Donderdag ter tafel zat.

Neem Broen en merk dat

Wie zich achteruit trekken zal;

Als dat volk gezeten is al,

Zal daar blijven een lege plaats,

990 En die zal betekenen dat,

Dat Judas zijn plaats verloor;

Die plaats zal leeg blijven altijd,

Totdat Broens zoon heeft een kind,

Die de plaats met recht wint;

995 En als dan Broen gezeten is,

Laat dan uw volk verkondig dit,

Welke man dat hij is diegene

Die aan de Vader en aan de Zoon

Gelooft en aan de Heilige Geest;

1000 En die dan gedaan heeft meest,

Dat ik met die met mijn mond

(9) Hem gebood, hij komt ter stonde

En zit en neemt de genade

Tot de tafel zonder rampen.

1005 Recht zoals hem Onze Heer zei

Deed Joseph en anders niet;

Hij zat ter tafel en Broen;

En alzo zei hij de anderen te doen.

Een groot deel zat daar neder,

1010 Maar veel meer keerden daar weer,

Die tot de tafel niet kwamen.

Toen ze gevuld was al tezamen

Uitgezonderd de plaats die leeg bleef,

Daar ik u te voren van schreef,

1015 Die tussen Broen en Joseph lag

Die zo leeg bleef wel menige dag.

Toen de lieden, die daar zaten

Te Joseph‘s tafel en aten,

Vernamen de grote zoetigheid,

1020 En ze worden vervuld gereed

Van al dat hun hart wou

En hadden geheel vergeten onbeschroomd

De anderen die daar niet zaten;

Toen sprak een van die daar aten

1025 Tot diegenen die daar stonden;

Hij vroeg zich al of zij iets konden

Voelen dat ze hadden daar;

Ze zeiden: "neen wij niet een haar".

Petrus heette hij, die aldus vroeg;

1030 Hoe goed hem het woord behaagde,

Hij zei toen: "nu mag u verstaan,

Dat ge de zonde hebt gedaan,

Daar ge Joseph om vraagt;

Erg kwaad hen dat woord behaagt;

1035 Ze schaamden zich en gingen uit

Daar een meende noch overluid

Nog wel te verbeteren zijn leven;

En diegene is nog daar gebleven

Hij wilde nergens gaan.

1040 Toen die dienst was geheel gedaan,

Toen noemde Joseph daar elk bij de naam, Dat ze daar alle dagen kwamen

Om die genade te ontvangen.

Toen gingen ze er allen vandaan,

1045 Daar de andere lieden waren.

Zo herkende Joseph de zondaren

Met de kracht van Onze Heer,

En dit was min of meer

Dan van het vat de eerste beproeving;

1050 Dit zijn toch wonderlijke dingen.

En welke tijd dat waten de getijden

Gingen ze daarin alle wel blijde,

En diegene die daarin niet kwamen

Vroegen, wat ze daar vernamen;

1055 Ze zeiden: "dat kan men niet vertellen,

Nog erg gedichten noch voorspellen

Onze grote blijdschap, dat is waar,

De tijd dat we zitten daar,

En als we opstaan duurt het zo

1060 Tot de volgende morgen vroeg".

Ze vroegen: "waarvan mag het u komen

De genade, die men noemen

Nog en niet volprijzen kan?"

Petrus sprak, die goede man:

1065 "Die Heer geeft ons genoegen,

Die Joseph uit de kerker droeg".

Ze zeiden: "wat mag zijn dat vat?

We zagen niet te voren dat".

Petrus sprak: "dat heeft gescheiden

1070 Het gezelschap van ons beiden;

Want dat het laat in zijn convent

Nee geen zonder schande;

Dat mag ge nu wel bekennen;

Maar zeg  wat ge voelt van binnen

1075 Toen Joseph u daarin te zitten zei?”

Ze zeiden ze wisten het niet.

Diegene zei: "ge mag het mede

Merken goed wie zonde deed

Daar we de pijn van ontvangen".

1080 De ander zei: "we moeten gaan,

En ruimen dat land gelijk ellendige;

Maar waar laten we u blijven?

Wat zullen we zeggen, als men ons vraagt, "Zeg, het dat ge ons laatst zag,

1085 En belij mede in de genade

De Drievuldigheid, die ons beraden

En helpen zal uit alle schuld

En in het geloof dat Joseph houdt".

De kwade zei: "we gaan onze straat;

1090 Wat mogen we zeggen van het vat? Hoe zullen we dat noemen waar we gaan?"

Hij zei: "dat vat daar we van ontvangen

Hebben genade en vreugde,

(10) En dat we leven zonder verdriet,

1095 Daar we van eten dat zoete maal,

Dat zal van genade heten de Graal,

Dat het diegenen zo goed bereid

Die hem in zijn gezelschap ontmoet.

Zo grote blijdschap hebben we te dis

1100 Dat het ons te moede is als een vis

Die in een grote vloed gelijk

De mensen handen zijn ontgaan".

Die kwade zei: "met recht wel

Heeft dat de naam van de Graal;

1105 Dus zullen we dat zo noemen waar we gaan".

En die daar bleven, zonder waan,

Zeiden Joseph dat het heette alzo.

Dus was Joseph zeer vrolijk;

En welke tijd dat het 9 uur was

1110 Zo deden die goede dat,

Dat ze dan zeiden zonder haal

"Gaan we tot de dienst van de Graal".

Dus was de Graal datzelfde vat,

Daar God zijn laatste maal uit at

1115 Voordat hij zijn pijn gedoogde,

Daar hij ons allen mee verhoogde,

En hierom zo heet het allemaal

Dit boek de Historie van de Graal.

 

 

Van Moyses ende van der ydeler stat die tuschen Josep ende Brone was.

 

Totten tiden dat zi verschieden

1120 Die quade van den goeden lieden,

Was daer een die Moyses hiet,

Ende hi en woude altoes niet

Dat geselscap laten van den Grale.

Hi was geraket in zine tale

1125 Ende ter werelt herde vroet

Ende van buten sceen hi goet;

Hi zeide: "ic en scheide niet hen

Want ic in den wille ben

Te wesene met desen volke goet,

1130 Dat God met Sijnre genaden voet".

Hi weende ende dreef misbaer,

Alse of dat hem wel leet waer,

Ende bleef daer met Josepes lieden,

Ende die ander doe danen schieden,

1135 Welker tijt dat hi der eenen zach,

Riep hi ember: "owi, o wach!

Soete vrint, bidde vor my

Dat mi Joseph genadec zy

Dat ik die gracie hebben moete

1140 Die iu aldus zere es zoete".

Dit riep hi in dier gebaer

Oftet hem in ernste waer

So lange bat hi des den lieden

Dat zi hem daerop berieden

1145 Te biddene Josepe ombe Moyses,

So zere ontfermede hem des,

Zi namen Moyses met hem allen

Ende gingen tote Josepe vallen,

Ende genade bidden altezamen.

1150 Josepe wonderde waerombe zi quamen,

Ende zeide: "zegget, wat gy begert".

Zi zeiden: hoert, here, herwert:

Een groot deel van onsen lieden,

Die met ons van den Joden schieden,

1155 Zijn gegaen hoerre strate

Seder dat wi van dinen vate

Die gracie eerstwerf ontfingen;

Nu es hier een, in waren dingen,

Die hetet Moyses, als wy scouwen,

1160 Dien zere zine sonden rouwen;

Hi en wille ons nu niet laten,

Hi biddet ons allen wtermaten,

Dat dijn covent tot dy gae

Ende bidde, dat hi mede ontfae

1165 Die gracie, die ons gevet dijn vat;

Here, nu biddewy iu alle dat

Dit dijn wille moete wesen".

Josep antwoerde tot desen:

"Die gracie en es niet mijn;

1170 Maer die hemelsche drochtijn

Gevet ze, daer 't Hem dunket goet,

Dat es dengenen, die hoeren moet

Totten dogeden zetten altoes;

Maer es dese in dat herte loes

1175 Ende hi hem buten maket scone

So vruchte ick dat hi my hone;

Hierombe ben ick een deel gevreest,

Maer hi hoent hem zelven meest,

Es dat hi ons wil bedriegen".

1180 "Neen", zeiden zi, "kan dese man liegen

Zone gelovewy man nimmermeer,

Maer doet dat doer God, lieve Heer,

Ende laeten in der genaden wesen!"

11 Joseph sprack: "provet an desen,

1185 Of hi zulck zij als hi ons toent,

Dat hi hemselven niet en hoent;

Ick sal vor hem ende vor iu

Onsen Here bidden nu".

Syne gesellen ende Moyes

1190 Seiden: "Here, God loen iu des!"

Vor die scotele, die men heet den Grael,

Ginck Joseph allene staen,

Totter erden zeech hi neder zaen

Op ellenbogen ende op knien

1195 Ende bat onsen Here met dien,

Dat Hi hem daer makede openbaer

Ofte Moyses al zulck waer

Alse hy buten togede wale?

Doe sprack van den heilgen Grale

1200 Eene stemme ende zeide:

"Nu is komen die waerheide,

Daer ick iu af zeide hier te voren

Du zals zien die stede koren

Die tusschen Broen es ende dy:

1205 Ombe Moyses biddes du my;

Menestu, dat hi is zulck man

Als hi buten togen kan,

Gy ende uwe gesellen gaet

Ter tafelen zitten, dat is mijn raet,

1210 Wan dat is tercietijt;

Doet Moyses komen, daer gy zijt,

Ende zegget oft hi mynnet alremeest

Die gracie van den heilgen Gheest,

1215 So ga hi dan zitten zonder waen

In die idele stede beneven dy,

Daer zalstu zien wael wat hi zij".

Also alzet hem Onse Here hiet,

Dede Joseph, ende anders niet.

1220 Hi quam weder te zinen gesellen,

Ende zeide: "moget gy my vertellen,

Of Moyses es zulck van binnen,

Dat hi die gracie mach gewinnen,

Nyeman en mach ze hem ontseggen;

1225 Maer wil hi ons te voren leggen

Ander sake dan al waer,

Dat zal hem selven wesen zwaer".

Zi zeiden dit tot Moyses alzo.

Hi antwoerde daer ende was vro:

1230 "Ick ne ontsie lude noch stille

Negene dinge, die Joseph wille.

Ick wane wel waerdich zijn daerof".

Zi zeiden: "du heves den orlof

Sie dattu does zinen wille".

1235 Hy zeide, hy en lietes lude noch stille.

Met hem waren zi alle blyde

Ende gingen totten getyde,

Aldaer men diende van den Grale.

Joseph sprack ten zelven male:

1240 "Moyses, du zals niet genaken

Eneger dinck oft eneger zaken

Daer du af onwerdich zijs;

Want dune machs, in gener wijs,

Nyeman honen alzo wel

1245 Alse dy selven, bistu fel,

Sie dattu zijs alzo goet,

Alse dit volck; want in zijnen moet

Moyses sprack: "oft ick goet ben

Sone late my God nimmer hen

1250 Van iu scheiden"; - "nu komet voert",

Sprack Joseph: "zeggestu waer woert,

Dat zullewy alle nu wel zien".

Joseph sat weder met dien

Totter tafelen, ende sijn zwager Broen;

1255 Ende alzo begonsten die anderen

doen

Ekerlyck op zine stat,

Daer hi plach zittene vor dat;

Ende alse zi waren geseten daer,

Stont Moyses ende hadde vaer.

1260 Die tafele ginck hi al ontrent,

Hi ne zach onder al dat covent

Negene stat te zinen doene

Dan tusschen Joseph ende Broene;

Ten eersten dat hi was zitten gaen,

1265 Daer sanck hi neder alzo saen,

Men mochte niet gemerken dat,

Dat hi totter stede ie sat;

Ende Joseph was t ongemake

Entie ander van der sake,

1270 Ende haddens alle groten toren,

Dat Moyses dus was verloren.

Alse die dienst was gedaen,

Ende zi op waren gestaen

Sprack in groten rouwen ende leide

1275 Een die hiet Peter, ende seide

Tot Josepe: "wy zijn t ongemake,

Wy bidden iu, Here, ombe ene zake

12 Doer Hem, daer wy an geloven,

Dat is Onse Here van hier boven,

1280 Dat gy ons zegget zonder sparen,

Waer Moyses nu es gevaren"

Joseph sprack: "des en wetick niet,

Maer ick bidde Hem die dat al beziet,

Of dat Zijn wile nu zij

1285 Dat Hi dat doch vertoge my".

Joseph quam ten heilgen Grale

Oetmoedelike, ende rechte wale

Kniede hy neder, ende zere bat:

"Here God, die in meneger stat

1290 Menege scone miracule tones,

Daer Du Dijn volck mede verscones;

Al dat Du does, Here, dat es goet,

Want Du ware vleesch ende bloet

Ontfinges an Sancta Maryen,

1295 Ende wy des oeck wael gelyen

Dat zi, maget, van iu genas,

Ende Gy gehengen woudet das

Doer ons te dogene menech leet,

Ende Gy tot my quamet gereet,

1300 Ende my voerdet in myne stat

Ende my mede geloefdet dat,

Wat dat ick iu bade hier voren,

Dat Gy my des soudet gehoren;

Ombe dese zaken so bid ick iu,

1305 Dat Gy rechte desen lachter nu

Van my doet van desen wane,

Ende Gy my brenget die waerheyt ane,

Waer dese man gebleven zij;

Alzoe dat dat volck an my,

1310 Die met mi die gracie ontfaen,

Die waerheit mogen verstaen".

Binnen dien, dat Joseph lach opter aerde

Antwoerde hem die stemme waerde;

"Joseph, dat ick iu voerseide

1315 Dat es nu worden waerheide,

Doe du die tafele makedes eerst

Dine wijsheit is daerby gemeerst,

Want die stat, die idel was,

Die bediedet, dat Judas

1320 Sijn erve verloes ende zine stat;

Doch zeide ick dy te voren dat,

Dat die stat soude idel staen

Totten vierden, sonder waen,

Van Eugenien ende Broene,

1325 Die sal sijn waert van desen doene,

Die in deser stat sal wesen,

Ende negeen ander na desen

Geset sal zijn in deser eer,

Ende daer du ombe vrages so zeer

1330 Die by dy zat, ick salt dy tellen:

Alze enwech gingen zine gesellen,

So en bleef hy ombe niet el

Dan hy dy woude honen wel;

Want hy nye gelovede niet,

1335 Dat gy levet sonder verdriet;

Hier ombe ginck hy alzo liegen

Ombe dat hy dy woude bedriegen,

Ende es versoncken in abisse;

Van hem, des zijt wel gewisse,

1340 Ne werdet nimmermeer tale gemaket

Eer diegene tot hem geraket

Die dese stat vervullen sal,

Ende hy hem vint in dat diepe dal

Want hy sal leven sonder macht

1345 Tote dien, dat dit toe es gebracht.

Dus eret Onse Here sine steden.

Van Moyses is die tale geleden,

Tote dattene vint die selve mede,

Die zitten sal in dese stede;

1350 Ende dat volck, dat dan zal zijn

In zine geselschap ende in die dijn

Sulne heten lichame Moyses.

Doe kondech dinen volcke des.

Nu siet, oft iu wel behaget

1355 Wat gy hebbet ane my bejaget".

Dus makede kondech Onse Here

Josepe Moyses van valschen kere,

Ende Joseph zeidet Broene voert,

Ende Peter mede dese woert,

1360 Ende sinen jongeren alle gader.

Doe seiden zi alle: "Here Vader!

Hy is dul, die dor dit cranke leven

Juwen dienst wil begeven.

Van Moyses en van de lege plaats die tussen Joseph en Broen was.

 

Tot de tijd dat ze scheidden

1120 Die kwade van de goede lieden,

Was er daar een die Mozes heet,

En hij wou altijd niet

Dat gezelschap verlaten van de Graal.

Hij was goed geraakt in zijn taal

1125 En ter wereld zeer verstandig

En van buiten scheen hij goed;

Hij zei: "ik schei niet van hen

Want ik in de wil ben

Te wezen met dit volk goed,

1130 Dat God met Zijn genaden voedt".

Hij weende en dreef misbaar,

Alsof dat het hem wel leed was,

En bleef daar met Joseph ‘s lieden,

Toen de anderen er vandaan scheidden,

1135 Welke tijd dat hij er een zag,

Riep hij immer: "o wi, o wag!

Lieve vriend, bid voor mij

Dat me Joseph genadig zij

Dat ik de genade hebben moet

1140 Die u aldus zeer is zoet".

Dit riep hij in die gebaren

Of het hem in ernst was

Zo lang bad hij dus de lieden

Dat ze zich daarop berieden

1145 Te bidden Joseph om Mozes,

Zo zeer ontfermde hen dit,

Ze namen Mozes met hen allen

En gingen tot Joseph vallen,

En genade bidden alle tezamen.

1150 Joseph verwonderde waarom dat ze kwamen,

En zei: "zeg het, wat ge begeert".

Ze zeiden: hoort, heer, hierheen:

Een groot deel van onze lieden,

Die met ons van de Joden scheiden,

1155 Zijn gegaan hun straat

Sinds dat we van uw vat

Die genade de eerste keer ontvingen;

Nu is hier er een, in ware dingen,

Die heet Mozes, zoals we aanschouwen,

1160 Die zeer zijn zonde berouwt;

Hij wil ons nu niet verlaten,

Hij bidt ons allen uitermate,

Dat uw convent tot u gaat

En bidt, dat hij mede ontvangt

1165 De genade, die ons geeft uw vat;

Heer, nu bidden we u alle dat

Dit uw wil moet wezen".

Joseph antwoordde tot deze:

"De genade is niet van mij;

1170 Maar van het hemelse hoofd

Geeft ze het, daar 't Hem denkt goed,

Dat is diegenen, die hun moed

Tot de deugden zetten altijd;

Maar is deze in dat hart vals

1175 En hij zich van buiten maakt schoon Dan vrees ik dat hij me hoont;

Hierom ben ik een deel bevreesd,

Maar hij hoont zichzelf het meest,

Is dat hij ons wil bedriegen".

1180 "Neen", zeiden zij, "kan deze man liegen

Dan geloven we een mens nimmermeer,

Maar doe dat door God, lieve Heer,

En laat hem in de genade wezen!"

(11) Joseph sprak: "bewijs het aan deze,

1185 Of hij zulks is zoals hij ons toont,

Zodat hij zichzelf niet hoont;

Ik zal voor hem en voor u

Onze Heer bidden nu".

Zijn gezellen en Mozes

1190 Zeiden: "Heer, God loont u dit!"

Voor de schotel, die men noemt de Graal, Ging Joseph alleen staan,

Tot de aarde zonk hij neer gelijk

Op ellenbogen en op knieën

1195 En bad Onze Heer met die,

Dat Hij hem daar maakte openbaar

Of Mozes al zulks waar

Zoals hij van buiten getuigde wel?

Toen sprak van de heilige Graal

1200 Een stem en zei:

"Nu is gekomen de waarheid,

Daar ik u van zei hier te voren

U zal zien die plaats uitverkoren

Die tussen Broen is en u:

1205 Om Mozes bidt u mij;

Meent u, dat hij is zulke man

Zoals hij buiten tonen kan,

Gij en uw gezellen gaat

Ter tafel zitten, dat is mijn raad,

1210 Want dat is 9 uur;

Laat Mozes komen, daar gij bent,

En zeggen of hij mint het allermeest

De genade van de heilige Geest,

1215 Dan gaat hij dan zitten zonder waan

In de lege plaats naast u,

Daar zal u wel zien wat hij is".

Alzo zoals hem Onze Heer zei,

Deed Joseph, en anders niet.

1220 Hij kwam weer tot zijn gezellen,

En zei: "mag ge mij vertellen,

Of Mozes zulks is van binnen,

Dat hij de genade mag winnen,

Niemand mag het hem ontzeggen;

1225 Maar wil hij ons te voren leggen

Andere zaken dan geheel waar,

Dat zal hem zelf wezen zwaar".

Ze zeiden dit tot Mozes alzo.

Hij antwoordde daar en was vrolijk:

1230 "Ik ontzie luid nog stil

Geen dingen, die Joseph wil.

Ik meen wel waardig zijn daarvan".

Ze zeiden: "u hebt verlof

Zie dat u doet zijn wil".

1235 Hij zei, hij liet het luid nog stil.

Met hem waren ze alle blij

En gingen tot de getijde,

Al daar men diende van de Graal.

Joseph sprak dezelfde maal:

1240 "Mozes, u zal niet aanraken

Enige ding of enige zaken

Daar u onwaardig van bent;

Want u mag, op geen wijze,

Niemand honen alzo wel

1245 Dan u zelf, bent u fel,

Zie dat u bent alzo goed,

Als dit volk; want er in zijn moet

Mozes sprak: "of ik goed ben

Zo laat me God nimmer hen

1250 Van u scheiden"; - "nu komt voort",

Sprak Joseph: "zegt u waar woord,

Dat zullen we allen nu wel zien".

Joseph zat weer met dien

Tot de tafel, en zijn zwager Broen;

1255 En alzo begonnen de anderen te doen

Elk op zijn plaats,

Daar hij plag te zitten voor dat;

En toen ze gezeten waren daar,

Stond Mozes en had angst.

1260 De tafel ging hij al omtrent,

Hij zag onder al dat convent

Geen plaats tot zijn doen

Dan tussen Joseph en Broen;

Ten eerste dat hij was zitten gegaan,

1265 Daar zonk hij neer alzo gelijk,

Men mocht het niet merken dat,

Dat hij op de plaats iets zat;

En Joseph was te ongemak

En de anderen van de zaak,

1270 En hadden alle grote toorn,

Dat Mozes dus was verloren.

Toen de dienst was gedaan,

En ze op waren opgestaan

Sprak in grote rouw en leed

1275 Een die heet Petrus, en zei

Tot Joseph: "we zijn te ongemak,

We bidden u, Heer om een zaak

(12) Door Hem, daar we aan geloven,

Dat is Onze Heer van hier boven,

1280 Dat ge ons zegt zonder sparen,

Waar Mozes nu is gevaren"

Joseph sprak: "dat weet ik niet,

Maar ik bid Hem die dat alles beziet,

Of dat Zijn wil nu zij

1285 Dat Hij dat toch toont aan mij".

Joseph kwam tot de heilige Graal

Ootmoedig, en echt wel

Knielde hij neer, en zeer bad:

"Heer God, die in menige plaats

1290 Menige mooie mirakels vertoont,

Daar U Uw volk mee verschoont;

Al dat U doet, Heer, dat is goed,

Want U was vlees en bloed

Ontving van Sint Maria,

1295 En wij dus ook wel belijden

Dat zij, maagd, van u genas, (geboorte)

En Gij toestaan wilde dat

Door ons te gedogen menig leed,

En Gij tot mij kwam gereed,

1300 En mij voerde in mijn plaats

En mij mede beloofde dat,

Wat dat ik u bad hier voren,

Dat Gij mij dat zou verhoren;

Om deze zaak zo bid ik u,

1305 Dat Gij echt dit lachen nu

Van me doet van deze waan,

En Gij me brengt de waarheid aan,

Waar deze man gebleven is;

Alzo dat het volk van mij,

1310 Die met mij de genade ontvangen,

De waarheid mogen verstaan".

In de tijd, dat Joseph lag op de aarde

Antwoordde hem de stem waardig;

"Joseph, dat ik u voorzei

1315 Dat is nu geworden waarheid,

Toen u de tafel maakte eerst

Uw wijsheid is daarbij vermeerderd,

Want de plaats, die leeg was,

Die betekent, dat Judas

1320 Zijn erfrecht verloor en zijn plaats;

Toch zei ik u te voren dat,

Dat die plaats leeg zou staan

Tot de vierde, zonder waan,

Van Eugenie en Broen,

1325 Die zal waard zijn van dit doen,

Die in deze plaats zal wezen,

En geen andere na deze

Gezet zal zijn in deze eer,

En daar u om vraagt zo zeer

1330 Die bij u zat, ik zal het u vertellen:

Toen weg gingen zijn gezellen,

Zo bleef hij er om niets anders

Dan dat hij u wou honen wel;

Want hij geloofde niet,

1335 Dat ge leeft zonder verdriet;

Hierom ging hij alzo liegen

Om dat hij u wou bedriegen,

En is verzonken in afgrond; (hel)

Van hem, dus wees zeker,

1340 Wordt nimmermeer taal gemaakt

Eer diegene tot hem raakt

Die deze plaats vervullen zal,

En hij hem vindt in dat diepe dal

Want hij zal leven zonder macht

1345 Tot die, dat dit toe is gebracht.

Dus erft Onze Heer zijn plaats.

Van Mozes is de taal geleden,

Totdat hem vindt dezelfde mede,

Die zitten zal in deze plaats;

1350 En dat volk, dat dan zal zijn

In zijn gezelschap en in die van u

Zullen heten lichaam Mozes.

Toe verkondig uw volk dit.

Nu zie, of het u wel behaagt

1355 Wat ge hebt aan mij gevraagd".

Dus maakte bekend Onze Heer

Joseph Mozes van valse keer,

En Joseph zei Broen voort,

En Petrus mede deze woord,

1360 En zijn jongeren alle tezamen.

Toen zeiden ze alle: "Heer Vader!

Hij is dol, die door dit zwakke leven

Uw dienst wil begeven.

 

 

Van Broene ende van sinen xij zonen, ende wat daer af komen zal.

 

Dus waren lange in dit doen

1365 Eugenie ende hoer man Broen

13 Ende zi hadden twalef sonen,

Die nyeman en mochte versconen,

Daer si mede waren verladen,

So dat die vrouwe begonste raden

1370 Broene hoeren manne, ende zeide:

"Here, wy zijn verladen beide

Met onsen kinderen herde zeer;

Vraget Josepe, onsen Heer,

Want hy is mijn lieve broeder,

1375 Wat wy mogen doen; hi es vroeder

Dan wy, ende wy en zullen niet doen

Dan sinen raet, Here Broen;

Dat hi zeghet, dat loven wy al".

""Dunket iu goet, ick wane, ick zal

1380 Te Josepe gaen ende zoecken

raet"".

Die Vrouwe zeide: "Here, jaet".

Doe ginck Broen al te hant

Daer hi Heren Josepe vant,

Ende zeide: "lieve Here mijn,

1385 Hier moet iu goede raet toe zijn:

Iu suster, Here, ende oeck ick

Hebben te samene gesijn dick,

Ende wy hebben twalef sonen,

Die schoenste die in den lande wonen,

1390 Daer bidden wy iu ombe raet".

Joseph sprack: "daer dat al aen staet

Hi moetse te sinen dienste staden,

Ende ick willes my oeck beraden".

Dit lieten zi staen tot den dage,

1395 Dat Joseph in stilre lage

Allene by zinen vate stoet,

Ende hem quam in sinen moet

Van sinen neven, ende hi bat

Onsen Here voer sijn vat;

1400 Al wenende zeide hi: "lieve Heer!

Waer dat Dijn wille, ende doer Dijn eer,

So bidde ick gerne vor myne neven

Dat Iu hem gracie woudes geven,

Ende doet my, Here, nu te verstane,

1405 Ofte daer iet geleghet ane".

Doe Josepes bede was gedaen,

Quam die Ingel daer gegaen,

Ende zeide: "ick ben hier gesent,

Dine bede die es vollent;

1410 Dat du biddes vor dine neven

Hevet dy God al gegeven:

Hi wil dat zi totten dienste horen,

Ende Sine jongeren zijn verkoren,

Ende zi sonder meester leven;

1415 Ende men hem wijf sal geven,

Dengenen, die ze willen ontfaen,

Ende dengenen, die daer weder staen,

Die sullen hoer aller meester bliven

Van dengenen metten wiven;

1420 Ende alsi wijf hebben die broeder,

So bidde vader ende moeder

Dat zi dy dengenen geven,

Die zonder wijf daer es gebleven;

Ende als du hem heves, kom ten Grale,

1425 Daer suldy horen Onses Heren tale,

Die zal van dinen neven zeggen".

Die Ingel liet die tale leggen

Ende voer weder danen hi quam;

Ende alse Joseph dat vernam,

1430 Was hi des utermaten vro,

Dat dat komen soude also.

Te Broene quam hi ende zeide:

Ombe raet badet gy my beide

Van uwen kinderen, minen neven;

1435 Ick rade, dat men hem wijf zal geven,

Die zullen zi houden met trouwen

Ende winnen kinder entie werlt bouwen,

Dien gy niet daertoe konnet dwingen

Dien zuldy tot my bringen".

1440 Broen zeide: "al uwen wille

Willen wy doen lude ende stille".

Doe zeide Broen zinen wive voert

Josepes tale ende zyne woert,

Ende zi sprack doe met sinne:

1445 "Haestet daertoe, lieve mynne".

Broen sprack sinen kinderen toe,

Ende zeide: "nu zeghet my, hoe

Dat gy iu leven nu wilt leiden".

Si zeiden: "wat duncket goet iu beiden,

1450 Onser moeder ende oeck iu,

Ende onsen ome, dat doewy nu,

Op dat zij die wille Onses Heren".

Broen zeide: "ick wille daertoe keren,

Dat ghy huweleck alle doet

1455 Dien daertoe staet zijn moet,

14 Ende gy dat hout met trouwen,

Also ick doe met myner vrouwen".

Doe zi dit hoerden, waren zi blide,

Ende zeiden doe: "tallen tide

1460 Willen wy doen dat gy gebiet,

Ende des en willen wy laten niet".

Ende mettien dat Broen vernam,

Waerheen dat hoer wille quam,

Bejaechde hi dat zi hadden wijf,

1465 Ende beval hem, op hoer lijf,

Voert te houdene als die kerke gebiet,

Entie twelfste en woude niet

In gener wijs huweleck doen

Ombe al dat mochte bidden Broen,

1470 Ende die hiet Alein die Groes

Ende aldus bleef hi wiveloes.

Des wonderde zere den vader,

Ende zeide doe dat allegader

Sine broeder hadden wijf,

1475 "Waerombe makestu des een blijf?

Hoene doedy als uwe broeder doen?"

"Ick en mach, lieve vader Broen,

Negene van desen joncfrouwen".

Aldus dade Broen daer trouwen

1480 Wijf sine elve kinder;

Die twelfste bleef doe ginder.

Des loech Joseph, ende zeide: "dit kint

Willick dat men my toe sint,

Ende gy my dat gevet ende iu wijf".

1485 Broen zeide: "wy doen zonder blijf".

 

Dus gaven zi Josepe hoer kint;

Ende alse Alein dat hadde bekint,

Dat men hem Josepe gaf also,

Was hi des utermaten vro,

1490 Ende zeide dattet hem waer lief.

Joseph nam hem - seget die brief -

In zinen arm ter zelver stont

Ende kusten an synen mont,

Ende zeide: "ick minne dy zeer".

1495 Doe zeide hy te zinen Heer

Ende te ziner zuster mede:

"Gaet te huys, deze blivet ter stede".

Zi gingen ewech, dat kint bleef daer;

Joseph zeide doe, dat is waer:

1500 "Lieve neve, iu sal groet eer

Gescien, dat iu Onse Heer

Te Zinen dienste hevet verkoren;

Ende ghy sult oeck als te voren

Boven iu broeder wesen man;

1505 Hierombe blivet met my dan,

Ghy zult horen Onses eren kracht,

Ende bidden Hem, doer Zine macht

Dat Hi my Zine stemme sende,

Ende Hi my zegge van iu dat ende,

1510 Hoe gy leiden zult iu leven".

Doe hi der tale hadde begeven,

Antworde hem een stemme allene:

"Dijn neve is sempel ende rene

Ende van wael goeden sinne,

1515 Wat zo du hem makes inne,

Des gelovet hi wael te voren;

Telle hem hoe ick was geboren,

Ende hoe ick eerst die werelt zochte,

Ende hoe dat men my verkochte,

1520 Ende an den cruce was verheven,

Ende hoe ick dy was gegeven

Ende hoe du my leides in dat graf,

Ende ick dy myne scotele gaf,

Ende hoe du waers gevaen,

1525 Ende ick dy dede ontgaen,

Ende wat gave ick dy gaf,

Ende wat dy quam daer af,

Ende ember meer sal komen

Die my sal dienen te siner vromen,

1530 Ende dat ick dy hebbe gegeven

Eerdeschen wille in dit leven,

Ende oeck allen dinen gesellen,

Ende allen dengenen die daer af tellen

Volmakelike zullen konnen,

1535 Dien sal ick myner gracien gonnen,

Ende behouden haer erve,

Noch zi en zullen in gener werve

In hogen hoven vor landesheren

Ontwiset zijn van zyner eren;

1540 Hoeren lichaem sal ick bevreden,

Gelonen der Dryvoudicheden;

Ende als du hem heves geseit,

So toeg hem mijn vat gereit,

Ende sech hem, dat mijn bloet

1545 Daer inne es ende oeck stoet;

15 Des sal hi dy geloven te bet;

Wijs hem hoe die Duvel let

Die gerne willen dienen my;

Sech hem dat hi hem wael besie,

1550 Ende van quaetheden wael wachte,

Ende hi merke ende achte

Ombe die saken die hem oeck leren

Hoe quade gedachten van hem keren;

Hevet hi dit in hem gevest,

1555 Dit zijn zaken, die hem best

Van den Duvelen sullen vreden;

Ende dat hy van onsuverheden

Sinen lichame wael wachte

By dage ende oeck by nachte;

1560 Logene sech hem, dat hi scuwe

Ende die waerheit vernuwe

Van my tot sinen gesellen;

Waer dat zi henen willen,

Oft in wat lande dat hi se leet

1565 Dat hi van mi spreke gereet;

Als hi van my spreken begint,

Es dat sake dat hi mi mint,

So hi meer te sprekene vint.

Sech dat hi winnen sal een kint,

1570 Dat mijn vat sal achterwaren;

Dus saltu hem dit openbaren,

Hoe hi sal leren mijn covent;

Ende als hi dit al hevet bekent,

Sech hem dat hi wese hoeder

1575 Siner suster ende siner broeder,

Ende ten Westen ga te hant

In dat alre woeste lant,

Ende dat hi tot elker stede

Minen name verhoge mede,

1580 Ende heten geven sinen vader

Aleine sine gracie alle gader.

Morgen, als dat is tercietijt

Ende ghy alle versamelt zijt,

So zult gy ene claerheit zien,

1585 Een brief sal komen met dien,

Die iu die claerheit brengen sal

He sal verluchten iu covent al;

Dien brief salstu Peter geven

Vor dijn convent vor dynen neven,

1590 Ende heten hem, dat hi gaet

Daer hem dat herte meest toe staet,

Ende dat hi hem niet ontziet;

Ick en begeve hem niet.

Vraget hem, waer hi begaert,

1600 Hy salt dy zeggen ter vaert,

Dat es in dat lant van Avaroen,

Ten westen waert draget dat doen,

Daer sal hy beiden Aleyns kint;

Die doet en wert hem niet gesint

1605 Eer hy hevet denselven man,

Die hem den brief bedieden kan;

Die zal hem zeggen al wt ende wt

Van den vate die virtuet,

Ende van Moyses al die maer,

1610 Als hy dit weet openbae

Sal hy sterven ende komen my;

Sech dynen neve, dat hetick dy,

Si zullen te bet ten dogeden staen

Ende des te meer gracien ontfaen".

1615 Ene stemme sprack alzo;

Des was Joseph herde vro

Ende zeidet synen neve Aleyne

Dat hy wiste, groet ende cleyne.

Robrecht zeide van Borroen,

1620 Die in dat Walsche screef dit doen:

Die dat bescriven soude al,

Dat hy hem leerde groet ende smal,

Dat daer alzoe vele an waer twewerf

Alse nu t' al den boeke bederf;

1625 Maer elck man merke, die dat bevroet,

Dat hy hem leerde menech goet,

Ende als hy hem hadde geleert,

Seide hy: "neve, ziet dat gy keert

Iu te Gode al dat gy levet,

1630 Die iu zoe vele gracien gevet".

Hy leidene weder tot den vader,

Ende Joseph zeide hem algader,

Beide den susteren ende den broeder:

"Sijns vaders kynt ende sijnre moeder

1635 Sullen alle wesen onder desen;

Secht hem dat zi onderhorech wesen

Hem, alsof hy waer hoer vader;

God sal hem helpen allegader,

Es dat zi goeder zeden plien;

1640 Daer zi alle toe zullen zien.

Geef dyne gracie Aleyne,

Zi zullen hem al gemeine

16 Geloven daerna vele te bet,

Ende houden oeck sine wet.

1645 Hy sal ze wel mede behoeden

Alzo lange als si bevroeden

Dat si sinen wille doen".

Dit sprack Joseph tote Broen.

Des anderen dages te tercietyde

1650 Quamen zy tot den dienste blyde,

Daer zaghen si eene claerheit,

Die een brief brachte gereit;

Ende alssine op hadden genomen,

Soe is Joseph daertoe gekomen,

1655 Ende nam den brief in sijne hant;

Peter riep hy al te hant,

Ende zeide: "wel lieve vrient,

Jhesus, dien ghy hebbet gedient

Die iu kochte met synen bloede

1660 Dat is onze Vader die goede,

Daertoe hevet hy verkoren iu

Dat ghy dese boetscap nu

Sullet doen die hy gebiet".

Peter sprack: "ick en meende niet

1665 Waerdich zijn van desen rade,

Dat ick dese boetscap dade".

"God", zeide hy, "kent bet iu doget

Dan gy iu selven kennen moget;

Maer ick bidde iu ombe Gode

1670 Die iu coes te Sinen gebode

Dat ghy ons zegget, waer ghy zult gaen".

Peter die antworde saen:

"Nie en zach men man in stede

Noch messelgier so scier gerede,

1675 Ick sal mijne boetscap doen

In dat lant van Avaroen;

In eene herde woeste stat,

Ten westen waert so lecht dat,

Ende ontbeiden daer der Godes genaden

1680 Ick bidde iu of ghy des sijt beraden,

Dat ghy biddet, dat ick volbringe

Ende ick altoes in genen dinge

Onses Heren wille en moete begeven,

Alzoe lange als ick sal leven,

1685 Ende my die Duvel niet en verriese,

Dat ick die minne Godes verliese

Want dat waer my een groet verlies.

Si zeiden alle: "God gonne iu dies!"

Haer aller sprake was alsoe,

1690 Ende gingen te samen doe

Beide meerre ende mynder,

Ende Broen ende syne kynder.

Broen seide: "ick ben iu vader

Ende ghy myne kynder alle gader,

1695 Ghy moet onderhorich sijn,

Wilt ghy komen daer der sonnen schijn

Ewelike is sonder nacht;

Des sijt alle wel bedacht.

Hier is Aleyn die groes, iu broeder,

1700 Doet sinen raet, hy is vroeder;

Ick geve hem, al daer ick sta beneven,

Al de gracie die ick mach geven,

Ende ick bidde hem, naest Onsen Heer,

Dat hy iu hoede ende beheer,

1705 Ende zijt hem alle onderdaen

Alse uwen Here, dat is wel gedaen;

Soecket synen raet in alre tijt

Daer ghy af in twyfel zijt,

Want hy sals iu wel berechten;

1710 Doet gelike goeden knechten

Ende werket vroe ende spade

Altoes by synen rade".

Zi zeiden: "lieve vader Broen,

Wy zullen dat herde gerne doen".

1715 Aldus verschieden si alle ginder

Die Here Broen ende sine kinder.

Aleyn die groes, haer broeder,

Al was hy jonger hy was vroeder,

Ende was haer meester; Joseph hiet

1720 Dat zi alle en lieten niet,

Zi en daden dat hy gebode.

Aldus leide hy ze, naest Gode,

In vremden lande Aleyn die groes

Sine broeder, sine genote;

1725 Ende in wat lande dat zi quamen,

Daer si goede liede vernamen,

Sprack hy van Onses Heren doet,

Ende hadde die genade so groet,

Dat men gaerne hoerde spreken.

1730 Aldus sijn die kynder enwech gestreken,

Ende nemmer en werden zi hier genoemt

Eer die redene weder koemt;

Hier moet daeraf die tale bliven,

Ende moet van anderen dingen scriven.

Van Broen en van zijn 12 zonen en wat daarvan komen zal.

 

Dus waren lang in dit doen

1365 Eugenie en haar man Broen

(13) En ze hadden twaalf zonen,

Die niemand mocht verschonen,

Daar ze mee waren verladen,

Zodat die vrouw zich begon te beraden

1370 Broen haar man, en zei:

"Heer, we zijn verladen beide

Met onze kinderen erg zeer;

Vraag het Joseph, onze Heer,

Want hij is mijn lieve broeder,

1375 Wat we mogen doen; hij is verstandiger

Dan wij, en wij zullen niets doen

Dan zijn raad, heer Broen;

Dat hij zegt, dat beloven we al".

""Denkt u goed, ik meen, ik zal

1380 Tot Joseph gaan en zoeken raad"".

De vrouw zei: "Heer, ja".

Toen ging Broen al gelijk

Daar hij heer Joseph vond,

En zei: "lieve heer van mij,

1385 Hier moet uw goede raad toe zijn:

Uw zuster, heer, en ook ik

Zijn tezamen zijn geweest vaak,

En we hebben twaalf zonen,

De mooiste die in het land wonen,

1390 Daar bidden wij u om raad".

Joseph sprak: "daar dat al aan staat

Hij moet ze tot zijn dienst brengen,

En ik wil me ook beraden".

Dit lieten ze het staan tot de dag,

1395 Dat Joseph in stilte lag

Alleen bij zijn vat stond,

En hem kwam in zijn gemoed

Van zijn neven, en hij bad

Onze Heer voor zijn vat;

1400 Al wenende zei hij: "lieve Heer!

Was dat Uw wil, en door Uw eer,

Zo bid ik graag voor mijn neven

Dat U hen genade wou geven,

En laat me, Heer, nu verstaan,

1405 Of daar iets ligt aan".

Toen Joseph ‘s gebed was gedaan,

Kwam de engel daar gegaan,

En zei: "ik ben hier gezonden,

Uw gebed die is vervuld;

1410 Dat u bidt voor uw neven

Heeft u God geheel gegeven:

Hij wil dat ze tot de dienst behoren,

En Zijn jongeren zijn uitverkoren,

En ze zonder meester leven;

1415 En men hen een vrouw zal geven,

Diegene, die ze willen ontvangen,

En diegene, die er tegen staat,

Die zal hun aller meester blijven

Van diegenen met de wijven;

1420 En als ze een vrouw hebben de broeders,

Zo bidt vader en moeder

Dat ze diegene geven,

Die zonder vrouw is gebleven;

En als u hem heeft, kom tot de Graal,

1425 Daar zal ge horen Onze Heren taal,

Die zal van uw neven zeggen".

De engel liet die taal liggen

En voer weer vandaar hij kwam;

En toen Joseph dat vernam,

1430 Was hij dus uitermate vrolijk,

Dat dit komen zou alzo.

Tot Broen kwam hij en zei:

Om raad bad ge mij beide

Van uw kinderen, mijn neven;

1435 Ik raad aan, dat men hen vrouw zal geven,

Die zullen ze houden met trouw

En winnen kinderen en de wereld bouwen,

Die gij niet daartoe kan dwingen

Die zal ge tot mij brengen".

1440 Broen zei: "al uw wil

Willen wij doen luid en stil".

Toen zei Broen zijn vrouw voort

Joseph’s taal en zijn woord,

En ze sprak toen met zin:

1445 "Haast u daartoe, lieve min".

Broen sprak zijn kinderen toe,

En zei: "nu zeg het mij, hoe

Dat ge uw leven nu wilt leiden".

Ze zeiden: "wat lijkt u goed beiden,

1450 Onze moeder en ook u,

En onze oom, dat doen wij nu,

Opdat het de wil is van Onze Heer".

Broen zei: "ik wil daartoe keren,

Dat ge alle huwelijk doet

1455 Die daartoe staat zijn gemoed,

(14) En dat ge het houdt met trouw,

Alzo ik doe met mijn vrouw".

Toen ze dit hoorden, waren ze blijde,

En zeiden toen: "te allen tijde

1460 Willen we doen dat gij gebiedt,

En dit willen we laten niet".

En meteen dat Broen vernam,

Waarheen dat hun wil kwam,

Bejaagde hij dat ze hadden wijf,

1465 En beval hem, op hun lijf,

Voort te houden zoals de kerk gebiedt,

En de twaalfde wilde niet

Op geen manier huwelijk doen

Om al dat mocht bidden Broen,

1470 En die heette Alein de Grote

En aldus bleef hij vrouwenloos.

Dat verwonderde zeer de vader,

En zei toen dat al tezamen

Zijn broeders hadden een wijf,

1475 "Waarom laat u dat achter?

En doe zoals uw broeders doen?"

"Ik mag, lieve vader Broen,

Geen van deze jonkvrouwen".

Aldus liet Broen daar trouwen

1480 Vrouwen met zijn elf kinderen;

De twaalfde bleef toen ginder.

Dus lachte Joseph, en zei: "dit kind

Wil ik dat men mij toe zendt,

En ge mij dat geeft en uw wijf".

1485 Broen zei: "wij doen het zonder wachten".

Dus gaven ze Joseph hun kind;

En toen Alein dat had bekend,

Dat men hem Joseph gaf alzo,

Was hij dus uitermate vrolijk,

1490 En zei dat het hem was lief.

Joseph nam hem - zegt de brief -

In zijn arm terzelfder stond

En kusten hem aan zijn mond,

En zei: "ik bemin u zeer".

1495 Toen zei hij tot zijn heer

En tot zijn zuster mede:

"Ga naar huis, deze blijft ter plaatse".

Ze gingen weg, dat kind bleef daar;

Joseph zei toen, dat is waar:

1500 "Lieve neef, u zal grote eer

Geschieden, dat u Onze Heer

Tot Zijn dienst heeft verkoren;

En ge zal ook al te voren

Boven uw broeder wezen man;

1505 Hierom blijf met mij dan,

Ge zal horen Onze Heren kracht,

En bidden Hem, door Zijn macht

Dat Hij mij Zijn stem zendt,

En Hij mij zegt van u dat einde,

1510 Hoe gij leiden zal u leven".

Toen hij de taal had begeven,

Antwoordde hem een stem alleen:

"Uw neef is eenvoudig en rein

En van er goede geest,

1515 Wat zo u bij hem maakt in,

Dat gelooft hij wel te voren;

Vertel hem hoe ik was geboren,

En hoe ik eerst de wereld bezocht,

En hoe dat men mij verkocht,

1520 En aan het kruis was verheven,

En hoe ik aan u was gegeven

En hoe u me legde in dat graf,

En ik u mijn schotel gaf,

En hoe u was gevangen,

1525 En ik u liet ontgaan,

En welke gave ik u gaf,

En wat er u kwam daaraf,

En immer meer zal komen

Die me zal dienen tot zijn voordeel,

1530 En dat ik u heb gegeven

Aardse wil in dit leven,

En ook alle uw gezellen,

En al diegenen die daarvan vertellen

Volmaakt zullen kunnen,

1535 Die zal ik mijn genade gunnen,

En behouden hun erf,

Nog ze zullen op geen manier

In hoge hoven voor landsheren

Ontwezen zijn van zijn eren;

1540 Hun lichaam zal ik bevredigen,

Belonen met de Drievuldigheid;

En als u hem het heeft gezegd,

Toon hem mijn vat gereed,

En zeg hem, dat mijn bloed

1545 Daarin is en ook stond

(15) Dan zal hij u geloven beter;

Wijs hem hoe de duivel belet

Die graag willen dienen mij;

Zeg hem dat hij zich goed beziet,

1550 En van kwaadheden wel wacht,

En hij merkt en acht

Om de zaken die hem ook leren

Hoe kwade gedachten van hem te keren;

Heeft hij dit in hem gevestigd,

1555 Dit zijn zaken, die hem best

Van de duivel zullen bevrijden;

En dat hij van onzuiverheden

Zijn lichaam wel wacht

Bij dag en ook bij nacht;

1560 Leugen zeg hem, dat hij schuwt

En de waarheid vernieuwt

Van mij tot zijn gezellen;

Waar dat ze heen willen,

Of in welke landen dat hij ze leidt

1565 Zodat hij van me spreekt gereed;

Als hij van mij te spreken begint,

Is dat zaak dat hij me bemint,

Zo hij meer te spreken vindt.

Zeg dat hij winnen zal een kind,

1570 Dat mijn vat daarna zal bewaren;

Dus zal u hem dit openbaren,

Hoe hij zal leren mijn convent;

En als hij dit alles heeft bekend,

Zeg hem dat hij is hoeder

1575 Van zijn zusters en zijn broeders,

En te westen ga gelijk

In dat aller woeste land,

En dat hij te elke plaats

Mijn naam verhoogt mede,

1580 En zeg hem te geven zijn vader

Al zijn genade alle tezamen.

Morgen, als het is 9 uur tijd

En ge alle verzameld bent,

Dan zal ge een helderheid zien,

1585 Een brief zal komen met die,

Die u die helderheid brengen zal,

Het zal verlichten uw convent al;

Die brief zal u Petrus geven

Voor uw convent voor uw neven,

1590 En zeg hem, dat hij gaat

Daar hem het hart het meest toe staat,

En dat hij zich niet ontziet;

Ik begeef hem niet.

Vraag hem, waar hij begeert,

1600 Hij zal u zeggen ter vaart,

Dat is in dat land van Avallon (1)

Ten westwaarts draagt dat doen,

Daar zal hij wachten op Aleins kind;

De dood wordt hem niet gezonden

1605 Eer hij heeft dezelfde man,

Die hem de brief uitleggen kan;

Die zal hem zeggen al uit en uit

Van het vat de kracht,

En van Moyses al de berichten,

1610 Als hij dit weet openbaar

Zal hij sterven en komen tot mij;

Zeg uw neef, dat zeg ik u,

Ze zullen beter ter deugden staan

En des te meer genade ontvangen".

1615 Een stem sprak alzo;

Dus was Joseph zeer vrolijk

En zei het zijn neef Alein

Dat hij wist, groot en klein.

Robert zei van Borron,

1620 Die in dat Waals schreef dit doen:

Die dat beschrijven zou al,

Dat hij hem leerde groot en smal,

Dat daar alzo veel aan was tweemaal

Als nu het hele boek nodig heeft;

1625 Maar elke man merkt, die dat bevroedt,

Dat hij hem leerde menig goed,

En toen hij het hem had geleerd,

Zei hij: "neef, ziet dat ge keert

U tot God al dat ge leeft,

1630 Die u zo veel genade geeft".

Hij leidde hem weer tot de vader,

En Joseph zei hen allemaal,

Beide de zusters en de broeders:

"Zijn vaders kind en zijn moeder

1635 Zullen allen wezen onder deze;

Zeg hen dat ze onderdanig wezen

Hem, alsof hij was hun vader;

God zal hen helpen allemaal,

Is het dat ze goede zeden plegen;

1640 Daar ze alle toe zullen zien.

Geef uw genade Alein,

Ze zullen hem algemeen

(16) Geloven daarna veel beter,

En houden ook zijn wet.

1645 Hij zal ze mede behoeden

Alzo lang als ze bevroeden

Dat ze zijn wil doen".

Dit sprak Joseph tot Broen.

De volgende dag te 9 uur

1650 Kwamen ze tot de dienste blijde,

Daar zagen ze een helderheid,

Die een brief bracht gereed;

En toen ze die op hadden genomen,

Zo is Joseph daartoe gekomen,

1655 En nam de brief in zijn hand;

Petrus riep hij al gelijk,

En zei: "wel lieve vriend,

Jezus, die ge hebt gediend

Die u kocht met zijn bloed

1660 Dat is onze Vader die goede,

Daartoe heeft hij uitverkozen u

Dat ge deze boodschap nu

Zal doen die hij gebiedt".

Petrus sprak: "ik meen niet

1665 Waardig te zijn van deze raad,

Dat ik deze boodschap deed".

"God", zei hij, "kent beter uw deugd

Dan ge u zelf kennen mag;

Maar ik bid u om God

1670 Die u koos tot Zijn gebod

Dat ge ons zegt, waar ge zal gaan".

Petrus die antwoordde gelijk:

"Niet zag men een man in de plaats

Nog bode zo vrijwel gereed,

1675 Ik zal mijn boodschap doen

In dat land van Avallon;

In een zeer woeste plaats,

Ten westwaarts zo licht dat,

En wachten daar op Gods genaden

1680 Ik bid u of ge dus bent beraden,

 

 

 

Dat ge bidt, dat ik volbreng

En ik altijd in geen ding

Onze Heren wil moet opgeven,

Alzo lang als ik zal leven,

1685 En me de duivel niet zot maakt,

Dat ik de minne van God verlies

Want dat was me een groot verlies.

Ze  zeiden alle: "God gunt u dit!"

Hun aller spraak was alzo,

1690 En gingen tezamen toen

Beide groter en kleiner,

En Broen en zijn kinderen.

Broen zei: "ik ben uw vader

En gij mijn kinderen allemaal,

1695 Gij moet onderdanig zijn,

Wil ge komen daar de zonneschijn

Eeuwig is zonder nacht;

Dus wees alle wel bedacht.

Hier is Alein de Groes, uw broeder,

1700 Doe zijn raad, hij is verstandig;

Ik geef hem, al daar ik sta benevens,

Alle genade die ik mag geven,

En ik bid hem, naast Onze Heer,

Dat hij u behoed en beheert,

1705 En wees hem alle onderdanig

Zoals uw Heer, dat is goed gedaan;

Zoek zijn raad in alle tijd

Daar ge van in twijfel bent,

Want hij zal u goed berechten;

1710 Doe gelijk goede knechten

En werk vroeg en laat

Altijd met zijn raad".

Ze zeiden: "lieve vader Broen,

We zullen dat zeer graag doen".

1715 Aldus verscheidden ze alle ginder

Die heer Broen en zijn kinderen.

Alein de Groes, hun broeder,

Al was hij jonger hij was verstandiger,

En wat hun meester; Joseph zei

1720 Dat het ze alle lieten niet,

Ze deden dat hij gebood.

Aldus leidde hij ze, naast God,

In vreemde landen Alein de Grote

Zijn broeder, zijn echtgenote;

1725 En in welke landen dat ze kwamen,

Daar ze goede lieden vernamen,

Sprak hij van Onze Heren dood,

En had de genade zo groot,

Dat men graag hoorde spreken.

1730 Aldus zijn die kinderen weg getrokken,

En nimmer worden ze hier genoemd

Eer de reden weer komt;

Hier moet daar van die taal blijven,

En moet van andere dingen schrijven.

Mythisch gelukzalig eiland, hetzelfde als Atlantis van Plato; Canarische eilanden.

 

17 Van den riken vischer, ende van den Grale; waer dat hy quam.

 

1735 Die aventure zeghet, doe dese kinder

Van daer schieden alle ginder

Riep Peter Josepe ende alle die ander,

Ende zeide: "dat is tijt, dat ick wander

Daer dat Onsen Here duncket goet".

1740 Doe quam in haer alre moet

Dat si baden, dat hy noch bleve

Totter tijt dat hem God gracie geve.

Peter sprack: "my en lustes niet,

Maer ombe dat ghy dat gaerne ziet,

1745 So blive ick hier hudenmeer

Ende morgen zoe en scheide ick niet eer

Dan die dienst es al gedaen".

Dus bleef Peter, sonder waen,

Ende God, die dat al te voren wiste,

1750 Eer dat gesciede met zijnre liste,

Zende hy tot Josepe enen bode,

Die hem zeide daer van Gode,

Ende sprack: "ick kome hier te dy stille,

God wil dattu does sinen wille.

1755 Weetstu wanen quam dese moet,

Dat men Peter bliven doet,

Dat was ombe dat Onse Here woude,

Dat hy waerheit zeggen soude

Tot hem, die enwech gaen hoerre strate;

1760 Al dat koemt van dinen vate

Ende daertoe van anderen saken,

Die ick iu wael condech sal maken;

Want alle die saken die beginnen,

Si moeten emmer ende gewinnen.

1765 Onse Here weet wel, dat Broen

Een volmaeckt man es in zijn doen,

Want hy moet den visch noch vaen,

Die tot uwen dienst sal staen.

Ick wille, dat hy al te male

1770 Die hoede hebbe van den Grale;

Dijn leven saltu hem dan leren

Hoe hy hem sal te Gode keren,

Ende hoe dy God minde entu Gode,

Ende hoe hy dy sende sine gebode.

1775 Geboetscapet was hy an ene maget

Ende al dat dijn herte draget

An wijsheden, dat lere hem al,

Ende hoe dat hy geloeven zal;

Tel hem, hoe dat God tot dy quam

1780 Ende hy dy wten kerker nam,

Ende hy dy gaf zijn heilge vat;

Ende daertoe leer hem al dat

Dat dy God leerde in stiller hale

Dat Sacrament van den Grale;

1785 Kenlecke leer hem al dat,

Ende dan gef hem dijn vat,

Dat moet hy houden ende dragen

Ende wie dat hy hoert vragen,

1790 Ombe dat noch die tijt sal comen

Dat hy eenen visch zal vaen;

Ende dit moet wesen sonder waen,

Recht alse die werelt vaert

1795 Dan moeten dine liede west

Daer hem dat herte draget best,

Ende tot ener stat daer Broen sal tyen

Moet hy zijns kindes kint ontbyen

Ende die hoede van den vate,

1800 Die hem komen es ter bate,

Sal hy dan al opgeven

Die van sinen zone es gebleven.

Dus wert by iu drien gereit

Beteekent ene Dryvoudecheit;

1805 Als hy dat vat hevet ontfaen,

Ende dyne leringe mede verstaen,

Ende du daeraf bist ontset,

So mach Peter seggen bet,

Overwaer ende sonder waen,

1810 So waer hy dan sal hene gaen,

Dat hy den Grael besitten zach

Den rijcken vischer op enen dach.

Hier ombe bleef hy tot morgen vroe.

Ende als den vischer daer alsoe

1815 Beset es die heilige Grael,

Over berch ende over dael,

Over zee ende over lant,

Sal hy gaen dan al te hant,

Ende den Grael dragen te zijnre zijden,

1820 Entie Here, die tot allen tijden

Ende altoes es metten goeden,

Die sal hem herde wel behoeden.

Ende alstu dit heves gedaen,

Saltu die werelt wisselen saen,

1825 Ende komen totten Paradyse,

18 Ende dat geslechte van Eugenise,

Dat ember meer daer af sal komen,

Sal ick te mijnre bliscap nomen,

Ende wie so hier af spreken kan

1830 Sal zijn een geminnet man.

Ende met al den lieden lief;

Dus tellet die historie ende die brief".

Langer en sprack die Ingel niet,

Ende Joseph was die niet en liet

1835 Algader dat hy hem beval.

Des morgens quamen si ten dienste al,

Ende Joseph zeide hem gereit

Al dat die Ingel hadde geseit

Sonder die heymelike woert,

1840 Daer gy nu af hebbet gehoert;

Den rijcken vischer hevet hy die gegeven

Alsoe als mense hem gaf bescreven,

Ende hy leerde se hem heimelike.

1845 Dat si van Josepe zouden varen,

Bedroeveden zi hem des twaren;

Ende ten eersten dat Peter sach dat,

Dat Joseph opgaf sijn vat,

Daer God sijn leste mael wt at,

1850 Ende zine gracie mede ombe dat,

So stont hy op ende nam oerlof,

Ende rumede doe Josephs hof;

Te dien gescheede was groet geween,

Ende versuchten mede over een,

1855 Ende oetmoedecheit ende bede;

Ende Joseph bleef noch toter stede

Met den riken vischer drie dage,

Ten vierden, dat en es gene sage,

Seide hy tot Josepe: "lieve Heer,

1860 My lustet nu te wanderne zeer

Es dat iu lief?" Hy zeide: "jaet,

Nadien dat es Ons Heren raet;

Ende wetegy wat gy draget daer,

Ende wat iu sal volgen naer?

1865 Nyeman en weet dat also wel

Als gy ende ick ende nyeman el.

Nu gaet alset iu duncket goet

Ick ben, die hier blyven moet".

Aldus schieden zi ginder beide.

1870 Die rijcke vischer ginck enwech gerede

Ende hoer covent hoerre straten,

Daer menech scone woert wtermaten

Seder af vertellet was;

Ende Joseph, zijt zeker das,

1875 Die bleef dus in vremden lande.

Ick wane, men nye man bekande

No wijf, die dat lant genomen konde.

Dus scrivet Robrecht wt zinen monde,

Mijn Heer Robrecht van Borroen,

1880 Die in dat Walsch screef al dit doen,

Ende sonder rime algader dichte;

Die seghet, dat men niet mach lichte

Al verstaen dese aventure,

Hy en moet dat weten wel ter cure

1885 Waerheen ginck Aleyn die grote,

Broens zone, ende sine genote,

En wat geslechte van hem quam,

Ende wat levene hi an nam,

Ende wat daer oeck afkomen sal

1890 Van Peter ende sijn leven al,

Ende in wat steden men hem vant,

Ende waer Moyses was bewant;

Want hy die den Grael ontfinck

Van Broene, dat es ware dinck,

1895 Hi vant Moyses onverscheiden.

Hiertoe sal ons Robrecht leiden,

So dat wy dat sullen verstaen.

Oeck moet hy weten sonder waen,

Waer die rijcke vischer ginck,

1900 Dese redene ende dese dinck

Hevet hy al in viven gedeelt,

Ende t enen boeke al verheelt,

Ende en mach nyeman, zeghet hy,

Geweten hy en ware daerby,

1905 Dat hy overleze dan al te male

Dat grote boeck van den Grale.

Ende eer dat van hem wert geopenbaert,

Wetick wel, datter pinen waert,

Ende zo ne wiste nyeman twint die tale,

1910 Dan in dat grote boeck van den Grale.

Aldus hevet hy ze een deel bescreven

Des dankede hy Gode die dat al mach geven.

Hier laet hy dat blyven van desen vieren

Toter wilen dat hy by manieren

1915 Weder sal komen an die tale,

Dan sal hy dat openbaren wale

Ende liete hy dat, en waer nye man

19 Die dat wel geopenbaerde dan

Waer heen al dat volck quam;

1920 Ende Jacob, die te dichtene nam,

Secht, vint hy dat also veer in dat Walsch,

Dat hy dat in ryme sonder valsch

Also verre oeck dichten zal,

Dat dit boeck wert versamelt al,

1925 Want hem der pinen nie verdroet.        Aldus so endet dat ierste boeck.

(17) Van de rijke visser en van de Graal; waar dat hij kwam.

 

735 Het avontuur zegt het, toen deze kinderen

Van daar scheidden alle ginder,

Riep Petrus Joseph en al de anderen

En zei: "dat is tijd, dat ik wandel

Daar dat Onze Heer denkt goed".

1740 Toen kwam in hun aller gemoed

Dat ze baden, dat hij nog bleef

Tot de tijd dat hem God genade geeft.

Petrus sprak: "me lust het niet,

Maar omdat ge dat graag ziet,

1745 Zo blijf ik hier heden meer

En morgen zo scheid ik niet eerder

Dan de dienst is geheel gedaan".

Dus bleef Petrus, zonder waan,

En God, die dat al te voren wist,

1750 Eer dat geschiedde met zijn list,

Zond hij tot Joseph een bode,

Die hem zei daar van God,

En sprak: "ik kom hier tot u stil,

God wil dat u doet zijn wil.

1755 Weet u waarvan kwam deze moed,

Dat men Petrus blijven doet,

Dat was omdat Onze Heer wilde,

Dat hij de waarheid zeggen zou

Tot hem, die weg gaan hun straten;

1760 Al dat komt van uw vat

En daartoe van andere zaken,

Die ik u wel bekend zal maken;

Want alle zaken die beginnen,

Ze moeten immer einde winnen.

1765 Onze Heer weet wel, dat Broen

Een volmaakte man is in zijn doen,

Want hij moet de vis noch vangen,

Die tot uw dienst zal staan.

Ik wil, dat hij helemaal

1770 De hoede heeft van de Graal;

Uw leven zal u hem dan leren

Hoe hij hem tot God zal keren,

En hoe u God mint en u God,

En hoe hij u zendt zijn gebod.

1775 Geboodschapt was hij aan een maagd En al dat uw hart draagt

Aan wijsheden, dat leer hem al,

En hoe dat hij geloven zal;

Vertel hem, hoe dat God tot u kwam

1780 En hij u uit de kerker nam,

En hij u gaf zijn heilig vat;

En daartoe leer hem al dat

Dat u God leerde in stille halen

Dat Sacrament van de Graal;

1785 Kennelijk leer hem al dat,

En dan geef hem uw vat,

Dat moet hij houden en dragen

En wie dat hij hoort vragen,

1790 Omdat nog de tijd zal komen

Dat hij een vis zal vangen;

En dit moet wezen zonder waan,

Recht zoals de wereld vaart

1795 Dan moeten uw lieden west

Daar hen dat hart draagt het best,

En tot een plaats daar Broen zal gaan

Moet hij op zijn kind wachten

En behoeder van het vat,

1800 Die hem gekomen is ter baat,

Zal hij dan geheel opgeven

Die van zijn zoon is gebleven.

Dus wordt u drieën bereid

Betekent een Drievuldigheid;

1805 Als hij dat vat heeft ontvangen

En uw lering mede verstaan,

En u er daarvan bent ontzet,

Dan mag Petrus zeggen beter,

Voor waar en zonder waan,

1810 Zo waar hij dan zal heen gaan,

Dat hij de Graal bezitten zag

De rijke visser op een dag.

Hierom bleef hij tot morgen vroeg.

En als de visser daar alzo

1815 Bezet is met de heilige Graal,

Over berg en over dal,

Over zee en over land,

Zal hij gaan dan al gelijk,

En de Graal dragen te zijn zijden,

1820 En de Heer, die te alle tijden

Altijd is met de goeden,

Die zal hem zeer goed behoeden.

En als u dit hebt gedaan,

Zal u de wereld verwisselen gelijk,

1825 En komen tot het Paradijs,

(18) En dat geslacht van Eugenie,

Dat immer meer daarvan zal komen,

Zal ik tot mijn blijdschap noemen,

En wie zo hiervan spreken kan

1830 Zal zijn een bemind man.

En bij alle lieden lief;

Aldus vertelt de historie en die brief".

Langer sprak de engel niet,

En Joseph was die het niet liet

1835 Allemaal dat hij hem beval.

‘s Morgens kwamen ze te dienst al,

En Joseph zei hen gereed

Alles dat de engel had gezegd

Uitgezonderd de geheime woorden,

1840 Daar ge nu van hebt gehoord;

De rijke visser heeft hij die gegeven

 

Alzo zoals men hem gaf beschreven,

En hij leerde ze hem heimelijk.

1845 Dat ze van Joseph zouden varen,

Bedroefde ze hem dus te waren;

En ten eerste dat Peter zag dat,

Dat Joseph opgaf zijn vat,

Daar God zijn laatste maal uit at,

1850 En zijn genade mede omdat,

Zo stond hij op en nam verlof,

En ruimde toen Josephs hof;

Tot diens scheiden was groot geween,

En verzuchten mede overeen,

1855 En ootmoedigheid  en bede;

En Joseph bleef nog tot de stede

Met de rijke visser drie dagen,

Te vierde, dat is geen sage,

Zei hij tot Joseph: "lieve heer,

1860 Me lust het nu te wandelen zeer

Is dat u lief?" Hij zei: "ja,

Nadien dat het is Onze Heer raad;

En weet ge wat ge draagt daar,

En wat u zal volgen na?

1865 Niemand weet dat alzo goed

Als gij en ik en niemand anders.

Nu ga zoals het u denkt goed

Ik ben, die hier blijven moet".

Aldus scheidden zij ginder beide.

1870 De rijke visser ging weg gereed

 

En hun convent hun straten,

Daar menig mooi woord uitermate

Sinds van te vertellen was;

En Joseph, zij het zeker dat,

1875 Die bleef dus in vreemde landen.

Ik meen, men nooit man kende

Nog vrouw, die dat land noemen kon.

Aldus schreef Robert uit zijn mond,

Mijn heer Robert van Borron,

1880 Die in dat Waals schreef al dit doen,

En zonder rijm allemaal dichtte;

Die zegt het, dat men niet mag licht

Geheel verstaan dit avontuur,

Hij moet dat weten goed ter keur

1885 Waarheen ging Alein die grote,

Broens zoon, en zijn echtgenote,

En welk geslacht van hem kwam,

En welk leven hij aannam,

En wat daar ook van komen zal

1890 Van Petrus en zijn leven al,

En in welke plaatsen men hem vond,

En waar Mozes was gegaan;

Want hij die de Graal ontving

Van Broen, dat is een waar ding,

1895 Hij vond Mozes niet verscheiden.

Hiertoe zal ons Robert leiden,

Zodat we dat zullen verstaan.

Ook moet hij weten zonder waan,

Waar de rijke visser ging,

1900 Deze redenen en dit ding

Heeft hij geheel in vijven gedeeld,

En tot een boek al verhaald,

Er kan niemand, zegt hij,

Weten tenzij hij was daarbij,

1905 Dat hij overleest dan allemaal

Dat grote boek van de Graal.

En eer dat het hem werd geopenbaard,

Weet ik wel, dat het te pijnen waard,

Zo niemand iets wist van die taal,

1910 Dan in dat grote boek van de Graal.

Aldus heeft hij het een deel beschreven

Dus bedankt hij God die dat al mag geven.

Hier laat hij dat blijven van deze vier

Tot de tijd dat hij bij manieren

1915 Weer zal komen aan die taal,

Dan zal hij dat openbaren wel

En liet hij dat, en was er niemand

(19) Die dat goed openbaarde dan

Waarheen al dat volk kwam;

1920 En Jacob, die het te dichten nam,

Zegt, vindt hij dat alzo ver in dat

Waals,

Dat hij dat in rijm zonder valsheid

Alzo ver ook dichten zal,

Dat dit boek wordt verzamelt al,

1925 Want hem de pijn niet verdroot.       

 

Aldus zo eindigt dat eerste boek.

 

 

Hier begint dat boeck van Merlyne. Boek van Merlijn.

Hier begint dat boeck van Merlyne. Ende hoe die Duvele benyden, dat God die Helle tebrack, ende syne vrient daerwt verlosede.

 

Nu hoert, gy Heren, al bysonder

Van onsen Here een groet wonder

Want na ziner pine ende ziner doet

1930 Voer Onse Here totter Hellen oeck;

Hieraf spreket dit boeck voertmeer.

Hy dade den Duvelen groet onneer;

Want hy hem hoer zielen nam,

Des worden zi wonderlike gram,

1935 Ende hadden des wonder herde groet;

Doe makeden zi onder haer genoet

Ene sameninge, des gelovet;

Zi zeiden: "wie hevet ons berovet,

Ende onse veste aldus tebroken,

1940 Wy en meenden niet, al was dat voersproken,

Dat hy van wive mochte komen,

Die onse macht hevet genomen;

Wy meenden hebben alle die liede;

Maer dese, daer ons dat af gesciede,

1945 Hoe es hy ter werelt komen,

Wy en hebben niet vernomen,

Dat sijn moeder nie gewan

Wille of lust t ienigen man,

Alse daer vrouwen kint af ontfaen".

1950 Doe antworde daer een Duvel saen:

"Dat wy tot onser vromen daden

Is ons komen al te scaden;

Gedenket iu niet, dat die Propheten

Lange wile hebben beheten,

1955 Dat God sal zijn geboren

Ende verlosen dat oeck verloren

Hevet gewesen menech jaer;

Die dit zeiden, vorwaer

Dien dadewy alremeest verdriet;

1960 Maer zi en achtent met alle niet,

Ende zi troesteden die sondaren,

Ende zeiden, al sonder sparen,

Dat hi emmer zoude komen

Dese Here, tot hoerder vromen.

1965 So lange zeiden zi dat es gesciet,

Ende hevet ons alle, als gy wel ziet,

Berovet al met sinen listen;

Hoe quam dat wy des niet en wisten?

Nu doet hi die sondaren dwaen

1970 In een water, sonder waen,

Als zi komen van vrouwen leden,

In die ere der Drievoudicheden;

Dus hebbewy die kinder verloren,

Die onse waren hier te voren,

1975 Dat en zij, dat zy in sonden vallen.

Noch heeft hy meer ontrecket ons allen,

Want hy hevet papen gelaten

Die ze gewisen ter rechter straten,

Zi en mogen niet zoe vele sneven,

1980 Maer willen zi der sonden begeven

Ende doen dat zi castien horen

Wy en hebben ze al verloren;

Seer hadde hi die menschen lief

Dat hine vaen liet als een dief

1985 Ombe te quitene den man,

Ende menschenforme dade an

Sonder man van eener maget;

Ick wane, gy dat provet ende saget,

In al dien, dat gy proven mochtet;

1990 Gy wetet wel, dat gy besochtet

Sine manier in menigen stonden,

Ende ghy en vondeten nye in sonden;

Maer dor die man koes hi die doet,

Als hi woude ende geboet.

1995 wi!" (zeiden die viande dan)

"Nu hadde hi herde lief die man

Nadien dat hi dat dor hem dede;

Wy mogen gerne pinen mede

Ombe die menschen te hebbene echt.

2000 Hy zeghet dat hi geen onrecht

Ons an den menschen en doet;

Wy moeten setten onsen moet

Ombe den mensche te werpen neder

Zo dat hi nemmer meer weder

2005 Van onsen dienste moge keren

Noch gespreken die kercheren,

Die hem raden van den sonden".

20 Doe spraken ander die daer stonden:

"Machmen lieden aldus vergeven

2010 Hoer misdaet als zi sneven

By rade van der heilger kercken,

So verliesen wy al onse wercken".

Hier begint dat boek van Merlijn. En hoe de duivel benijdde dat God de hel brak en zijn vrienden daaruit verloste.

 

 

Nu hoort, gij heren, al bijzonder

Van Onze Heer een groot wonder

Want na zijn pijn en zijn dood

1930 Voer Onze Heer tot de hel ook;

Hiervan spreekt dit boek voort meer.

Hij deed de duivels grote oneer;

Want hij hun hun zielen ontnam,

Dus worden ze verwonderlijk gram,

1935 En hadden dus verwondering zeer groot;

Toen maakten ze onder hun verwanten

Een samenzwering, dus geloof het;

Ze zeiden: "wie heeft ons beroofd,

En onze vesting aldus gebroken,

1940 We meenden het niet, al was dat voorsproken,

Dat hij van een vrouw mocht komen,

Die onze macht heeft genomen;

We meenden te hebben alle lieden;

Maar deze, daar ons dat van geschiedt,

1945 Hoe is hij ter wereld gekomen,

We hebben niet vernomen,

Dat zijn moeder niet won

Met wil of lust of van enige man,

Zoals daar vrouwen kind van ontvangen".

1950 Toen antwoordde daar een duivel gelijk:

"Dat we tot onze dappere daden

Is ons gekomen geheel te schaden;

Bedenkt u niet, dat de profeten

Lange geleden hebben gezegd,

1955 Dat God zal zijn geboren

En verlossen dat ook verloren

Heeft geweesd menig jaar;

Die dit zeiden, voorwaar

Die deden we het allermeest verdriet;

1960 Maar ze achtten het geheel niet,

En ze troostten de zondaren,

En zeiden, al zonder sparen,

Dat hij immer zou komen

Deze Heer, tot hun geluk.

1965 Zo lang zeiden ze dat het is geschied,

En heeft ons alle, zoals ge wel ziet,

Beroofd geheel met zijn listen;

Hoe kwam het dat wij dat niet wisten?

Nu laat hij de zondaren wassen

1970 In een water, zonder waan,

Als ze komen van vrouwen leden,

In de eer van de Drievudigheid;

Dus hebben we die kinderen verloren,

Die de onze waren hier te voren,

1975 Dat tenzij, dat ze in zonden vallen.

Nog heeft hij meer ontrokken aan ons allen, Want hij heeft priesters gelaten

Die ze wijzen in rechte straten,

Ze mogen niet zoveel sneven,

1980 Maar willen ze de zonden opgeven

En doen dat ze te kastijden horen

We hebben ze geheel verloren;

Zeer had hij die mensen lief

Dat hij zich vangen liet als een dief

1985 Om kwijt te schelden de mens,

En mensenvorm deed aan

Zonder man van een maagd;

Ik meen, ge dat beproefde en zag,

In al dien, dat ge bewijzen mocht;

1990 Ge weet het wel, dat ge bezocht

Zijn manier in menige stonden,

En ge vond hem niet in zonden;

Maar door die man koos hij de dood,

Zoals hij wilde en gebood.

1995 wi!" (zeiden die vijanden dan)

"Nu had hij zeer lief die man

Nadien dat hij dat door hem deed;

Wij mogen graag pijnigen mede

Om de mensen te hebben echt.

2000 Hij zegt het dat hij geen onrecht

Ons aan de mensen doet;

Wij moeten zetten onze moed

Om de mens te werpen neer

Zodat hij nimmer meer weer

2005 Van onze dienst mag keren

Nog spreken de kerkheren,

Die zich beraden van de zonden".

20 Toen spraken anderen die daar stonden:

"Mag men lieden aldus vergeven

2010 Hun misdaad als ze sneven

Bij raad van de heilige kerk,

Dan verliezen we al ons werk".

 

 

Hoe die Duvele alle vergaderden, ende kosen enen procureere.

 

Doe die Duvele zagen daernaren

Dat zy aldus bespottet waren,

2015 Doe riepen zi te samene gereede

Alle die hellesche quaethede,

Ende koren onder hem allen daer

Enen procureere scalck ende zwaer,

Die was geheten Masceroen;

2020 Dien wart bevolen al hoer doen

Ende dat hi soude varen mede

In Onses Heren jegenwordichede,

Gelijck dat procureere plegen.

Nu mochte ieman zeggen daer tegen,

2025 Hoe een verdoemde hem mochte togen

In die jegenwordicheit des Scheppers ogen,

Daerop antworde ick in tween saken:

Dat eerste mach zijn met spraken

By gelijcken in enigen dingen,

2030 Dat wy mogen zeggen zonderlingen,

Alse van boven tote beneden,

Es dat al in ons Heren jegenwordicheden.

Die ander es, zijt zeker des,

Die pine, die in den Duvelen es,

2035 Dat die van hem niet gaet in scijn

Sy en blivet met hem waer zi zijn

Gelijck dat die zieke niet hevet baet

Al waer hy in koninckleker staet

Sine pine en waer des minre niet;

2040 Aldus es dat met den Duvele, nu ziet

Waer dat ze God gehenget te syne,

Altoes volget hem na hoer pyne.

Ende dit was die eerste procureere met,

Dien die Duvele nu hebben geset,

2045 Die vor niet en was, maer na desen stonden

Hevet men procureere altoes gevonden.

Dese procureere treckede sonder beiden

In die jegenwordicheit Godes, ende zeide "O schepper, ende aller dinge gerechtecheit,

2050 Ick ben procureere alre quaetheit

Van der Hellen, dy moet genoegen des,

Want dy van der Gerechticheit angeboren es

My te hoeren, alse bode der Hellen".

Onse Here antworde den fellen:

2055 "Bistu procureere, toge dine brieve nu".

Masceroen zeide: "ick wille eer iu

Bevroeden op een punte wel hoge,

Die roert die gene al onse vermoge

Die in der Hellen zijn, ende op dat

2060 Beziet onse procuracie nu ter stat".

Onse Here sprack: "hier vormaels wal

So kende ick dyne scalcheit al,

Ende onderwint iu nu niet, gy,

Met uwen woerden te leidene my;

2065 Want du en heves hier gene perty

Jegen my, dat duncket my;

Nu toge dyne procuracie al hier,

Of men sal dy wtwerpen scier".

Dese ontsach den rechter doer das

2070 Ombe dat hy des onwillech was;

Dus toende hy die procuracie, zijn teken

Daer wy af gemeenleke spreken,

Dat herde wel gedichtet was dan,

Dat daer niet te beterne was an.

2075 Doe zeide Onse Here: "wiltu iet spreken,

So spreeck vaste op dijn teken".

Die viant clagede ende antworde mede

Als een procureere van zijnre heerlichede:

"Want ick, ende degene daer ick voer spreke,

2080 Hebben gehat wel ende stilleke,

Ja, by ongeendeden tyden, sonder verlaten,

Ende alle gescrevene achter gelaten,

Alse in rasten te hebbene mede

Te pinene ende te tormenten gerede

2085 Ende te berechtene, al onse Helle duere,

Alle menschelike creatuere;

Ende nu niewinge es achtergelaten

Alle rechte ende alle baten

Ende negene partye es geropen daertoe,

2090 Ende wy zijn berovet, wy en weten hoe,

Met crachte van onser hebbinge nu;

Dat clagewy wenende voor iu;