Johan van Beverwijck, Heelkunst.

Lof der geneeskunst.

 

1664.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de Schat der ongezondheid.

Klik hier voor de Schat der Gezondheid.

 

Wat is in dit stuk te vinden. Index.

267. Lof der geneeskunst. Van het eerste boek van de algemene doling.

268. lof der geneeskunst.
269. Montaigne.
270. Heelkunst of derde deel van geneeskunst.
271. Lof van chirurgie of gesprek over de waardigheid, oudheid en noodzakelijkheid van heelkunst.
272. eerste boek van de heelmiddelen van de enkele verkoelende heelmiddelen.
273. Terug drijvende heelmiddelen.
274. Plakkende of toe klevende heelmiddelen.
275. Pijnstillende middelen door verzachtende kracht.
276. Pijnstillende middelen door verdovende kracht.
277. Verzachtende, ontdoende, lucht gevende en verterende heelmiddelen.
278. Verdunnende heelmiddelen.
279. Verterende heelmiddelen.
280. Trekkende heelmiddelen.
281. Verterende en verslindende middelen.
282. Rijpende en etter makende heelmiddelen.
283. Zuiverende en afvegende middelen drievormig.
284. Bloedstelpende heelmiddelen viervormig.
285. Dicht helende middelen.
286. Vlees makende heelmiddelen.
287. Vel makende heelmiddelen.
288. Af etende middelen.
289. Korst makende middelen zoals as van es en van savelboom.
290. Verbranding heelmiddelen.

291. Tweede deel van de heelkunst die aanwijzen ligging van de uitwendige delen van het menselijke lichaam, beschrijving van de delen die in de heelkunst voornamelijk te pas komen. Opperhuid of vliesje, huid, vet, vlezig vlies, spiervlies.
292. Spieren.
293. Bijzondere omvangende delen als haar;
294. Aderen.
295. Slagaders.
296. Zenuwen.

301. Het tweede boek van vlekken, blaren, puisten, zweren en zeren, verbranding van de zon.
302. Verbranding door vuur en andere brandende oorzaken.
303. Sproeten.
304. Gezwel in het algemeen.
305. Bloedgezwel.
306. Vleesgezwellen.
307. Boezem of holte.
308. Fistel of lopend gat.
309. Roos.
310. Springvuur.
311. Haarworm.
312. Koud gezwel, oidema genoemd.
313. Hard gezwel of Scirrhus.
314. Kanker.
315. Fijt.
316. Waterhoofd.
317. Zweren in het algemeen.
318. Zweer met ongesteldheid.
319. Zweer met toevloeien van vochtigheid.
320. Vervuilde verrotte in etende en voortlopende zweer.
321. Kwaadaardige en slecht dicht sluitende zweren, namen en naamredenen.
322. Zweren met uitgespannen aderen of krampaderen.
323. Zweren met gedierte of luisziekte.
324. Wennen. (uitgroeisels)
325. Wratten en eksterogen.
326. Horens.

330. Het derde boek van wonden en hardheid.
331. Wonden in oudheid en algemeenheid.
332. Hoe en op welk grond een geneesmeester de rechter een bericht zal geven of de gekwetste een dodelijke wonde ontvangen heeft en daarvan noodzakelijk gestorven is.
333. Of als er bij het lijk van de neergeslagen iemand bij komt en dan begint te bloeden die daarom te houden zou zijn voor handdadigheid van die manslag?
334. Wat  vereist wordt tot verband van de wonden.
335. Vreemde genezing van de wonden in afwezigheid en zonder verbinden door;
336. Genezing door toverij dat gebruikelijk was bij de ouden met enige verzen te zingen.
337. Wonderlijke beschutting tegen het kwetsen en hoe sommige voor alle steken en schoten gehard zijn.
338. Wonden met verplettering.
339. Geschoten wonden. Begin en oorsprong van buskruit en geschut.
340. Vergiftige wonden.
341. Koudvuur.

351.Het vierde boek van beenderen, haar ontleding en breuken, noodzakelijkheid van de kennis van de beenderen.
352. Hoofdbeenderen en overeenstemming van die met de andere.
353. Verdeling van de romp.
354. Verdeling van de uiterlijke ledematen.
355. Tezamen voeging van beenderen.
356. Ontleding met symptomen.
357. Gebroken been.
358. Beenbreuk met kwetsing in het vlees.

 

MYN HEER

LAURENS JOUBERT,

RAET ENDE GENEES-MEESTER DES KONINCX,

 

[317] In sijn Eerste Boeck van de Misslagen van ユt gemeene volck, nopende de Genees-konst ende Genees-meesters; Hooft-Deel XVI.

Van ユt Eerste Boeck der gemeene dolinge.

 

Tekstvak:  aer zijn Mensch die gantsch geen kennisse en hebben van de redene of oorsaeck der Genees-konst, gelijck als zijn onwetende vrouwen, die selfs lese noch schrijve en konnen: maer hebben eenige opmerckinge en regels, konnende wel een goet Moes maecken, een Vlees-nat, verquick-drancxken, of gerste-water; die wel een bedt schudden, mutsen de Siecken wel, weet eenige kleene raedt tegen den haer-worm, gebrantheyt, ingeslagen rood-honde, wormen, Opstijgingh van de Lijf-moeder, en soo voorts, van daer meenense alles te weten: Ende doen veel dingen naer haer eygen hoofdigheyt, boven insicht van de Genees-meester: en soo het qualijck luckt wachtenzer wel daer van te roemen. Den lange rock van de Genees-meester deckt het al. Het soude goet zijn, en wel kome, dat de bystanders gantsch niet en wisten, als maer te gehoorsamen de Ordonnantie des Geneesmeesters, dats een wetenschap voor den Siecke vorderlijck. Want die van sijn selven niet laetdunckende is, en sal nooyt yet ondernemen, als maer te volbrengen het gene hem voor-geschreven, versocht ende geboden is. De andere die meenen te weten, doender by, veranderen, vervalschen, oft en doender gantsch niet van, gelijck als de quade Apoteekers, die nae haer welgevalle de ordonantie van de Genees-meester voltrecken, meenende de Sieckte oft de natuure der Sieckte beter te weten, droncken zijnde van laetdunckenheyt, om datse diergelijcke Sieckte veel gesien, met veel Geneesmeesters omgaen, en het eynde van sulcke ordonantie waergenomen hebben. Ach! Gevaerlijcke laetdunckenheyt, sien daer het gene de meeste Sieckte verslint. Het waer by Godt veel beter daer gants niet, als soo met redeloose ondervindingh, yets af te weten: ach! wat ongeval voor het leven van den Siecken, en de eere van den Geneesmeester, soo eenen onbedachte roukeloose en allers onderwesen Apoteker te hebben. In Italie en is Spanien, soo ヤk versta, zijn de Siecken vry beter gedient, want den Apoteeker en gaet den Siecke niet besien, ten waer door beleeftheyt en vrientschap, en niet [328] als Apoteeker. Ende de Geneesmeesters en schrijve niet onder dユordonantie voor waer toe de middelen dienen, soo dat den Apoteeker alsoo weynigh de meyninge des Geneesmeesters weet, als of hyユer gantsch niet van en sagh. Door dese middelen en kan hy niet vermisse in de ordonantie des Genees-meesters, oft veel minder als onse Apoteekers, aen de welcke alles te veel bekent gemaeckt wort. Na de Apoteekers, (ick spreke van de quade, en niet van de goede, wijse, statige, eerlijcke luyden, die haer niet en bemoeyen, als met haer werck) zijn die waakers oft dienstmeyden het alder-gevaerlyckste, die meer meenen te weten als de Geneesmeesters (selfs al zynse out in ユt ambacht) insonderheyt nopende het voedsel, alhoewel het van onwaerdeerlijcke gewichte is, soo de hoedanigheyt, ure en mate. Het is waer, van de hoedanigheyt geloovense de Genees-meester genoegh, maer de ure en mate doense naer haer welgeval, behalven noch de droogen, diese in ユt heymelijck gebruycken, ende de onachtsaemheydt van onse ordonantie. Kortom, van alles hebbense het bewint, en gebruycken ユt naer haer hooft, soose de Siecke mede soo vinden: sodanige lieden zyn seer gevaerlyck: Ende het waer veel beter sulcke te hebben die nooyt yets en hebben gesien, ende geen ander les en weten als de gehoorsaemheyt.

MIJN HEER

LAURENS JOUBERT

RAAD EN GENEESMEESTER VAN DE KONING.

 

[317] In zijn eerste boek van de misslagen van het gewone volk die betrekking heeft op de geneeskunst en geneesmeesters, Hoofdstuk XVI.

Van het eerste boek van de algemene doling.

 

Er zijn mensen die gans geen kennis hebben van de redenen of oorzaak van de geneeskunst zoals er zijn onwetende vrouwen die zelfs niet lezen noch schrijven kunnen maar enige opmerkingen en regels hebben en die kunnen wel een goede moes maken, een vleesnat, verkwikdrankjes of gerstewater, die wel een bed schudden, mutsen de zieken goed, weten enige kleine raad tegen de haarworm, verbranding, ingeslagen rode hond, wormen, opstijging van de baarmoeder en zo verder en vandaar menen ze alles te weten. En doen veel dingen naar hun eigen inzicht zonder inzicht van de geneesmeester en als het slecht lukt wachten ze wel er van te roemen. De lange rok van de geneesmeester bedekt het allemaal. Het zou goed zijn en welkom dat de omstanders gans niets wisten dan alleen maar de bevelen van de geneesmeesters te gehoorzamen wat een wetenschap is die voor de zieke bevorderlijk is. Want die van zichzelf niet laatdunkend is zal nooit iets ondernemen dan alleen maar te volbrengen hetgeen hem voorgeschreven, verzocht en geboden is. De andere die menen het te weten doen er bij, veranderen, vervalsen of doen er gans niets van, net zoals de kwade apothekers die naar hun welgevallen de bevelen van de geneesmeester voltrekken en menen de ziekte of de natuur van de ziekte beter te weten en zijn dronken van laatdunkendheid omdat ze dergelijke ziekten veel gezien hebben en met veel geneesmeesters omgaan en het einde van zulke orders waargenomen hebben. Ach! gevaarlijke laatdunkendheid, zie daar hetgeen de meeste ziekte verslindt. Het ware bij God veel beter dat ze er gans niets dan met redeloze ondervinding er iets van af te weten, ach! Welk ongeval voor het leven van de zieke en de eer van de geneesmeester, zoユ n onbedachte roekeloze en in alles onderwezen apotheker te hebben. In Itali en is Spanje, zo ik begrijp, zijn de zieken behoorlijk beter gediend want de apotheker gaat de zieke niet bezien, tenzij door beleefdheid en vriendschap en niet [328] als apotheker. En de geneesmeesters schrijven niet onder de bevelen voor waartoe de middelen dienen zodat de apotheker alzo weinig van de mening van de geneesmeesters weet alsof hij er gans niets van zag. Door deze middelen kan hij niets missen in de bevelen van de geneesmeesters of veel minder dan onze apothekers waaraan alles te veel bekend gemaakt wordt. Na de apothekers (ik spreek van de kwade en niet van de goede, wijze, statige, eerlijke lieden die zich niet bemoeien dan met hun werk) zijn die wakers of dienstmeiden het aller gevaarlijkste die meer menen te weten dan de geneesmeesters (zelfs al zijn ze oud in het ambacht) en vooral ten aanzien van het voedsel, alhoewel het van ondergewaardeerd gewicht is, zo de hoedanigheid, uur en maat. Het is waar, van de hoedanigheid geloven ze de geneesmeester genoeg, maar het uur en maat doen ze naar hun welgevallen en behalve noch de drogen die ze heimelijk gebruiken en de onachtzaamheid van onze bevelen. Kortom, over alles hebben ze het bewind en gebruiken het naar hun zin zoals ze de zieke zo vinden, zodanige lieden zijn zeer gevaarlijk. En het zou veel beter zijn er zulke te hebben die nooit iets hebben gezien en geen andere les weten dan de gehoorzaamheid.

 

Lof der Geneeskunst.

 

Lof der

Genees-konste.

 

Tekstvak:  en siet, dat eenighe aerdige ende kloecke verstanden, om een proef van haren geest ende wel-sprekentheydt te geven, slechte ende verachte dinghen weten op te proncken, ende met uyt-gelesene woorden, ende geloof-weerdighe redenen tot den Hemel verheffen. Soo is het Lof van ユt Hayr, van een Worm, van het Flerecijn, van een Schaduwe, van een Hondt, van een Gans, ende ick weet niet waer al van, by verscheyden beschreven: ten lesten oock van een Vliegh by Lucianus, die weynigh scheelt, of hy maeckt, gelijck het Grieksche spreeck-woort seyt, van een Vliegh een Olifant. Op de selfde manier heeft de onsterffelicke roem van Hollandt, Erasmus van Rotterdam, seer cierlick gepresen de Sotheyt, ende aen-gewesen hoe de selve in de werelt onder alle staten van menschen haer personagie speelt. Het welck onlangs met onuytsprekelicke geleerheyt, ende wonderbaerlicke aerdigheydt gevolght is by de eeuwighe eere van de Ridderlicke, ende Geleerde ordre, dユHeere Daniel Heinsius, in het Lof van den Esel, waer in de Esels met twee beenen lustigh door-gestreken werden, te weten de gene, die selver geen wetenschap hebbende, al haer lomp ende plomp verstant gestadigh wetten, om de geleerden ende de geleertheyt met scherpe lasteringhe te verachten. Het en is voorwaer niet swaer noch moeyelick geweest alsulke treffelicke mannen, door haren kloecken geest te overwinnen de soberheydt van de stoffe, diese voor hadden, maer voor my, die de Nature soo wel niet voorsien en heeft, zoude niet moghelick zijn een slechte stoffe cierlick voor te stellen; zal daerom ユt gene aen de geest ontbreeckt, in de stoffe zoucken, ende wat daer te kort komt met den overvloet van de Genees-konste vervullen. Dit is soo breeden velt, om ruym te gaen weyden, dat men geen uytkomst en siet. Hier is sulcken overvloet van stoffe, dat men veel siet om te beginnen, maer naulicx yet vinden kan om af te laten, want voor-genomen hebbende van den Lof der Genees-konste te spreken, komen my soo veel getuygenissen te voren van treffelicke mannen, soo veel redenen ende bewijsen, dat indien ickse allegader, ofte oock alleen de voornaemste zoude willen by-brengen, den inckt en ユt papier my eer ontbreken zouden, als de sake. Derhalven zal ick sommighe dinghen in ユt voor by gaen aenroeren, om uyt de Klauw, als het spreeck-woort seyt, den Leeuw te doen kennen: versoeckende, uyt het weynige, dat ick hier van een vollen bergh af neme, oordeel gestreken mag werden van het overige op dat de Konst, door gebreck van geest ende welsprekentheydt, niet en kome te verliesen van sijnen luyster ende weerdigheyt.

De wel-sprekenste van de Romeynen M. Cicero rekent de Medicine onder de eerlickste Konsten, daer groot verstant ende geen kleyn voordeel in en steeckt. De wijse Seneca stelpt haer onder de vryste konsten: ende Plutarchus schrijft, datse geen van de selve en wijckt in fraeyigheyt, luyster ende vermakelickheyt. Lucianus seyt datse achtbaerder is, als de andere. Hippocrates, die na het oordeel van Macrobius, niet en konde bedriegen, noch bedrogen werden, roemt haer voor de edelste van alle de Konsten, ende voor de gene, die by de Ouden soo weerdigh ende treffelick geacht is, datse haren oorspronck de Goden hebben toe-geschreven. Soo oock de Poeeten, die gemeenlick de beginselen van haer vercieren uyt de waerheyt trecken, hebben om den oorsproncke van dese konste den Hemel toe te eygenen, hare vinders onder de Goden gestelt: het welck daer nae, het decksel van de fabulen, af-getrocken zijnde, met vollen monde van de Philosophen bevestight is. Sy hadden voorwaer groot gelijck. Want indien de Goden de goetheyt selve sijn, (gelijck sy van de selve, ende wy van den eenighen Godt gelooven) wie en zoude dan niet toe-staen, dat sy den menschen alles goets-gunnende, haer uyt sonderlinge genegentheyt gegeven hebben soodanigen konst, diese nimmermeer en konden misschen. Wel te pas te zijn is altijdt van nooden. Ende dese nootsakelickheyt kan ons betoonen, dat de Konste, die de gesontheyt waerneemt, niet alleen de oudtste is van al de konsten, maer datse by-na met de menschen selve geboren is. Want een waer woordt heeft Aristoteles gesproken, doen hy seyde, dat die konsten eerst gevonden waren, sonder welcke de menschen niet leven en konden: ende dat dユander, die ofte tot wellust, ofte cieraet, ende meer tot vermaeck, als nootwendigheydt des levens behooren, daer nae by gelegentheyt zijn versonnen geweest. Alsoo dan de gelegentheyt des Menschelicken lichaems, terstont nae den val, swack ende broos was, ende verscheyden oorsaken der Siekten [2], die anders niet te mijden en zijn, gestadigh onderworpen; wie zoude derven twijffelenen, dat de eerste Menschen alsse gewaer wierden den overlast van alderhande Siekten, alsse sagen dat de edele treffelicke wercken, waer toe sy geboren waren, door ongesontheyt ende kranckheden verhindert wierden; wie zoude dan segh ick, in twijffel treckende, dat de Menschen, die altijdt genegen zijn om wat nieuws te vinden, met alle andere dinghen aen een zijde stellende, haer best gedaen hebben om te vinden, ende Godt af te bidden soodanighen konst, door de welcke sy een ghesonden geest in een gesont lichaem behouden zouden, ende een wel-gestelt leven, ende van alle pijn bevrijdt leyden? Ten zy wy misschien gelooven willen, dat de wijste ende verstandigste lieden, als de Goddelicke Scheppingh soo veel naerder waren, overslaende de sorge van haer swack Lichaem, ende niet eens lettende op de pijnelickheydt der Sieckten, al haer sinnen in de Wetten gescherpt hebben; ofte eerst met de Letter-konst, Reden-kaveling, Musijck-singen, Sterre-kijcken, ofte yet anders bekommert zijn geweest, als met het Lichaem, het welck gestadigh by haer was, ende welckers gebreken sy dickwils moesten uytstaen? Ofte dat yemant die de Keel toe wilde gaen, erghens anders om dachte, als om ras genesen te zijn? Den grooten Orateur Demosthenes geeft hier van getuygenis. Want om een saeck die hy daeghs te voren bepleyt hadde, niet ten eynde te brenghen, heeft sijn onschult op pijn in de keel genomen, ende oock gevonden, al werden hem van anderen kant tegen-geworpen, dat hy een silvere Squynancye hadde, dat is, dat hy omgekost was. Waer uyt men siet, dat de sieckte allesins voor gaet. Maer om klare saken niet wijdtloopigh te bewijsen: de redenen openbaren ons, ende de Hebreeusche leeraers, als oock de Arabiers leeren, het welck mede de aensienlickheyt van de H. Schrifture versterckt, dat Adam, den eersten Mensche, den eersten is geweest, die de konste der Medicine geoeffent heeft. Want waerom zoude hy van Godt almachtigh met wetenschap van alle dinghen versien zijn geweest, als om het goede aen te nemen, ende het quade te vlieden, ende sijn Lichaem van de Sieckten, de welcke het door de sonde was onderworpen geworden, te bevrijden ende te beschermen.

Indien dese onser allen Vader, nae den even-beelde Godes geschapen, ende met alle heerlickheytdt des Lichaems ende der Zielen verciert, die groote weldaden erkent hadde met gehoorsame danckbaerheydt, ende het gebodt van sijnen Schepper onderhouden hadde: soo soude hy sonder Sieckten ende Doot hier in de werelt geleeft hebben. Maer om dat hy door des duyvels listigheydt bedroghen zijnde, in schandelicke ongehoorsaemheydt verviel, soo is hy door ユt rechtveerdigh oordeel Godts, van den welcken hy onsterffelick geschapen was, de Doot ende de Sieckten, die tot de Doot brengen, deel-achtigh geworden. Hierom heeft hy sonder twijffel alle middelen gesoght, om de plagen, so veel mogelick was, van sijnen hals te schuyven: ende is over sulcx de eerste geweest, om die Konst te vinden, daer toe hy in ユt gebreck oorsaeck gegeven hadde.

Van desen voor-vader des Menschelicken geslachts, ende Medicine, is de konst gelijck hant over hant voortgeteelt: gelijck wy sien dat al in de boecken van Moses, Salomon, ende andere van de Medicijns gewagh gemaeckt wert. Van dese Hebreeusche Doctoren is de Genees-konste door de andere Oostersche landen allencxkens verspreyt, ende insonderheydt door Egypten, het welck oock by den po粗t Homerus over sijn vruchtbaerheydt van Kruyden ende genees-middelen vermaert is. Voorwaer de Egyptenaers (die van de ouden History-schrijver Herodotus gestelt werden de oudtste ende wijste onder alle Menschen) hebben niet alleen de Medicine van de Hebreeen, maer oock andere dinghen de Besnijdenis: hoe-wel Diodorus schrijft dat sy dユeerste sonder voorhuyt geweest zijn. Dese is even-wel, gelijck oock de Medicine, seer oudt by de Egyptenaers: want wy lesen, datse door raedt van een Medicijn Iacchenus de Pest verjoeghen. Welcke Iacchenus leefde twee hondert ende seventigh jaer nae de Sondt-vloet. Nae desen quam Osiris, ende nae hem sijn sone Orus, die voor Apollo van de Griecken gehouden wert, ende daer na zijn vele treffelicke Medicijns in Egypten vermaert gheweest: met soo grooten menichte, dat Gryllus by Plutarchum seyt, al de Egyptenaers Genees-meesters te wesen, Herodotus verhaelt, dat in dese natie elcke sieckte sijn eygen Genees-meesters hadt: ende by den selven lesen wy dat Cyrus, den grooten Monarch van Perssen, versocht op Amasis den Koningh van Egypten, om een van de beste Oogh-meesters te hebben. Den Egyptenaer Orus Apollo heeft de Konst; die hy van zijn Voor-ouders ontfangen hadde, eerst in Griecken-landt gebracht: ende wert daerom by Plato, ende dユander Griecken voor den vinder van de Medicijne gehouden, hoe-wel dat by anderen sijnen sone Aesculapius, gelijck Galenus ende Celsus getuygen, voor den oudsten auteur van de Medicine geroemt wert. Desen, om dat hy de wetenschap der gesontheydt noch rou zijnde, wat beschaefden, is meer sijn vader Apollo in ユt getal der Goden van de Heydenen, door verkeerde danckbaerheydt, gestelt geweest. Van hem zijn vele exempelen van dooden, die hy levendigh gemaeckt heeft: waerom hy van Iupiter, op dat de ordre van de Nature niet gebroken zoude werden, met den blixem geslaghen is: gelijck de Po奏en vertellen. Evenwel en heeft [3] de eere van Aesculapius oock na sijn overlijden niet op-gehouden: de welcke vermeerdert is, door dat de Siecken ユs nachts in sijnen tempel bleven slapen: als of Aesculapius, ghelijck Cicero seyt, haer in den droom raet geven zouden. Aesculapius liet nae twee sonen, ende erfgenamen van de Konst, Podalirius ende Machaon, beyde Princen in haer landt, die in de Troyaensche oorlogen de Griecken niet alleen met haer konst, maer oock met haer macht te hulpe quamen. Want sy brachten thien schepen voor Troyen, gelijck Homerus beschrijft: waer in de Doctoren van onsen tijdt haer naeulicx en konnen volghen. Door dese voor-treffelicke mannen, ende hare naekomelinghen, onder de welcke oock is den grooten Hippocrates, heeft dese heylsame konst allencxkens toe-genomen. Die even-wel de selve niet gemeen gemaeckt en hebben, maer als een erf-goet haer kinderen over gaven: soo dat de Medicine in dit edele geslacht van Aesculapius twaelf hondert jaren gebleven is, ende niet alleen door Griecken-landt, maer over den gantschen aerdt-bodem verspreyt is. Want om de nootsackelickheydt, de welcke eerst doen vinden heeft, gelijck Hippocrates getuyght, is sy van een yeghelick met groote begeerte aengenomen. Wy lesen van de oude Volckeren van Oosten, dat sy plegen haer krancken op de straet te brenghen, ende aen de voor-by gaende raet te vraghen. De gene dan, die selver sulcken sieckte gehadt, ofte aen een ander gesien hadden, gaven de eyghen Genees-middelen, daer sy mede geholpen waren. Waer uyt wy sien, dat oock de gene die geen Medicijns en hadden, de Medicijns niet en konden misschen. Ende voorwaer daer en is geen landt, genen tijdt van ユt jaer van ons leven, geen ordre van menschen, die sonder den heylsamen dienst van dese Konste haer kan behelpen. Hare wetten gelijckse alle volckeren even gemeen zijn, soo zijnse alle even nut en dienstigh. Dese moeten Keysers ende Koningen, die haer aen andere wetten niet en verbinden, onderdanigh zijn; indiense de straffe van wederspannigheydt niet en willen op haer vleesch aen laten komen. Dese wetten moeten de Moeders, eerse verlossen, alsse verlost zijn, jae de Ouders in het telen waer nemen, gelijck behalven de Medicijns, ende den Spaenschen doctor Huarte, onlanghs in zijn treffelick Houwelick aenghewesen heeft, ick en weet niet met beter verssen, ofte redenen, de E. Heere ende Mr. Iacob Cats, Ridder, eerste Raedt-Pensionaris deser Stede. Hoe vele, seyt de wel-gemelte Erasmus, duysende van menschen zijnder levendユende wel-varende, die niet eens geboren zouden geweest hebben, indien de Konst der Medicine niet gevonden hadde de behulp-middelen voor soo veel gevaerlickheden, die in de geboorte, ende ontrent den arbeyt staen waer te nemen? Alsoo roept de barende Vrouw, ende het kint selve in de geboorte om de hulpe der Medicine. Dese geeft het leven aen de gene, die noch niet en leven; te weten als het mis-dragen belet wert, als de losse nature versterckt wert om te ontfangen, ende te behouden: ende oock alsse den arbeyt verlicht, ende sonder hinder ofte letsel van vrouw ende kint, doet af-loopen. Noch verder, als de onvruchtbaerheyt wech genomen wert: waer van wy een aenmerckens waerdigh exempel hebben in Catharina de Medicis, de welcke thien jaren ghetrouwt was met Henrick, nae sijn Vaders doot de II. van dien naem, Koningh van Vranckrijck, sonder eenighe kinderen te krijgen. Ende om dat men gemeenlick siet groote onrust, ende sware oorlogen ontstaen als een Koningh sonder kinderen, ofte na-erfgenamen sterft (die hier niet en waren) soo werde beraetslaeght tot vrede ende eenigheydt van ユt Rijck de gemelte Catharina tユhuys te senden: het welck oock soude geschiet hebben, ten ware sulcx door konste van den vermaerden Doctor Fernelius hadde belet geweest. Desen Fernelius heeft den bant des Houwelicx, daer men aen begost te tornen, onverbrekelick vast gebonden, ende door sijn konste te weegh gebracht, ユt gene van de nature scheen geweygert te wesen, (het sijn de woorden van den Franschen History-schrijver Sanmarthus) de hatelicke onvruchtbaerheydt uyt het Koninghs huys gestooten, ende den naem van Valois met ghewenste spruyten van fraeye kinderen voort-geset. Wien behoefden de Koninginne te bedancken, datse dien naem en staet behiel? Alleen Fernelius. Dat de Koningh, in plaetse van sijn vrouw te verlaten, veel kinderen by haer kreegh? Hy en hadt niemant ter werelt sulcx te wijten, als Fernelius. Het heele Koninckrijck was mede aen Fernelius gehouden over drie Koningen, die uyt dat Houwelick nae malkanderen geleeft hebben, Francoys de II. Carel de IX. ende Henrick de III. Als oock van Francoys, den hertogh van Anjou, de hertogh van Brabant, &c. gehult is, Elisabeth Koninginne van Spaengjen, huysvrouwe van Coning Philips de I.I ende moeder van de Infante Isabelle hertoginne van Brabant, &c. Claude hertoginne van Loreynen, ende Marguerite koninginne van Navarre. Wat kander treffelicker ofte wonderbaerlicker konst zijn, als de gene die den mensche nootsakelick is eer hy geboren, ja eer hy ontfangen is? Wat isser aengenamer voor de gene, die geboren sijn, als het Licht, in ユt welck wy leven, sweven, ende met een aengename gemeenschap met malkanderen om-gaen? Wat isser dat alle menschen liever hebben als haer leven? Even-wel de gene, die met pijnlicke sieckten gemartelt wert, die van langdurige quelling uyt-teert, vergaet wel haest den lust van ユt leven, ende en doet niet als om de doot roepen, dewijl hy in de doot, gelijk Iulius Caesar by Sallustium spreeckt, de ruste en ユt eynde verhoopt van [4] sijne ellendigheyt. Want wat soetigheyt kan yemant in sijn leven hebben, die gestadigh met graveel ofte steen gepijnight wert? wiens leden ende gewrichten door de gicht als op een pijn-banck van een getrocken werden? wie en zal niet liever sterven, als soo ellendigh leven? Wy lesen in de Natuerlicke Historye van Plinius, dat onder de alderscherpste pijn gerekent wert, de pijn van de steen, daer nae van de Maegh, ten derden van het Hooft, ende dat de lieden naeulicx om andere haer selven het leven benomen hebben. Soo heeft de Keyser Claudius eens voor gehadt sijn selven door over-groote pijne van de Maegh te kort te doen, gelijck Suetonius vertelt. Maer behalven dese isser noch verscheyde andere pijn, die oock lieden van soorte tot een willighe doot gebracht heeft. Plinius de Neef van den gemelten, verhaelt in sijn Brieven, dat de voornamen mannen, Corellius Rufus om schrickelicke pijn, die hem eerst alleen in de beenen sat, daer nae alle de leden door liep, ende Silius Italicus, die om een ongeneselicken Lijck-doren, beyde haer selven uyt-hongerden. O groote wreetheydt van pijne, dat hy hem niet en ontsiet in de doot, het schrickelickste, gelijck Aristoteles meynt, van al dat schrickelick is, uyt mismoedigheyt te verwerpen! Ick heb selve gesien dat lieden van vroom leven, die gantsch niet bedreven hadden (op dat men niet en dencke, datse uyt vreese van straffe de selve voor quamen) uyt louter swaermoedigheyt eenige haer selven verdroncken, andere met een mes ende strop haer swarigheyt, ende leven geeyndight hebben: de welcke, indiense by goede Doctoren geweest waren, sy zouden haer leven, ende gesontheyt door goede Genees-middelen hebben konnen af-koopen. Ick en sal niet langh blijven in ユt verhalen van de gene, die door versuym van een Genees-meester te halen, levendigh voor doot begraven zijnde, haer ziele onder dユaerde met kermen ende huylen ellendighlick uyt-gestort hebben. De diepsinnighste van alle de Wijsgerige Scotus, op een sekeren tijt van de Popelsy (een sieckte die alle gevoelen ende bewegen beneemt) geslagen zijnde, werde voor doot in ユt graf geleyt: daer na wederom bekomende, ende geen uytkomst vindende, stiet sijn hooft tegen de serck om stucken, gelijk daer na in ユt openen van ユt graf bevonden werde. Hoe veel exempelen soude ick by konnen brenghen van Vrouwen, die in de opstijging voor doot gehouden, begraven ende so gestickt zijn? Al dit quaet komt de Genees-konste te hulpe, sy bewaert het leven ende gesontheyt: sy brengt alleen de menschen dat goet aen, sonder het welcke ander goet naeulicx voor goet te achten en is. Darius die machtighe Monarch, als hy aen een verstuyckt ende ontledet been, met groote pijn, te bedde lagh, en konde hem door geen macht, geen rijckdom, geen Koningrijcken (die hy met hoopen besat) genesen werden: maer alleen door de konst van een Medicijn Democedes, die sijn gevangen was, gelijck Herodotus beschrijft. Alexander de Groote, door de kou van de riviere Cydnus, daer hy in gebaedt hadde, in groot gevaer zijnde van te sterven, als Curtius ende Iustinus verhalen, en werde niet door den kostelicken schat, die hy verscheyde volckeren ontnomen hadde, maer alleen door de hulpe van sijnen getrouwen Genees-meester Philippus, die weerdigh was soo wel-vertrouwende sieckten te ontmoeten, met een drancxken, dat by al dユander, behalven by de genen op wiens gevaer het aen quam, in achterdencken gehouden werden, tot sijn vorige gesontheyt ende sterkte gebracht. Ende gelijck noch rijckdom, noch staet, noch yet anders, dat by de Menschen in groote waerden gehouden wert, den Mensche gesont kan maken: soo valt oock al het besit van het selve voor de sieckten onnut, ende verdrietigh. Wat zal yemant vermaken een tafel van de beste spijse, die een quade ende walgende Maegh heeft? Wat genuchte kan yemant hebben in een schoone vrouw, die voor ofte achter lam is? Wat helpen de kisten vol gelt, voor een die sieck te bedde leyt? Want gelijck de Po粗t Horatius seer wel seyt.

Het vat moet eerst gesuyvert zijn, Of soete most wort suyre wijn: Wat baet doch rijckdom eenigh man, Als hy die niet gebruycken kan.

Ende het goet en is niet alleen geen Goet, ende het gebruyck van het selve ongebruyckelick, sonder de gesontheyt, maer het leven, dat soet is, valt geheel onsoet: also niet het leven, maer wel te varen, gelijck de poeet Martialis seyt, het rechte leven is. Dit en is Pyrrhus den grooten Koningh van Lpirus, niet onbekent geweest. Desen gelijck Lucianus verhaelt, als hy de Goden offerde, en badt niet om meerder Koninckrijcken, om Victorye over sijne vyanden, om eere, gelt, goet, ofte andere dingen, daer de menschen gemeenlick seer nae haken: maer vereyschte alleen Gesontheyt, gelijck of hy die hebbende, het vordere wel volgen zoude. Want of de Fortuyne uyt een vollen schoot al haer gaven mildelik op ons uytstorte, ende de Gesontheyt alleen ontbrack, soo en zoude van al het anderen geen volkomen gebruyck, ofte vermaeck konnen voort-komen. Hierom en plagh de philosooph (de eerste die sulcken naem gevoert heeft) Pythagoras in sijn brieven anders geen groetenisse te gebruycken, als Vaert wel. Het welck oock daer nae sijne Leeringen gevolght hebben, als het Lichaem ende de Ziele niet bequamer sijnde, ende waer in al den tijdelicken voorspoet van den mensche gelegen is.

Maer daer de sake selve spreeckt, en behoeft men niet veel woorden te maken: also een yegelick geerne bekennen en zal, dat hy in de werelt niet liever, niet [5] aengenamer en heeft, niet kostelicker en acht, als dien verborgen Schat der Gesontheyt. By al dien dan sulcx soo lichtelick toegestaen wert van de Gesontheyt des Lichaems: soo veel te meer moet het plaets hebben in het wel varen van het Gemoet, ende de Ziele, ende soo veel te hooger moet de Genees-konste, die beyde bestiert, onderhout en bewaert, by een yegelick geacht, ende ge-eert wesen. Daer is soo groote gemeenschap tusschen ons Lichaem ende Ziele, datse malkanderen al haer goet ende quaet gestadigh mede deelen. De Beweginge des Zielen, ofte Ontroeringen des Gemoets maken verandering in het Lichaem, ende aen de ander zijde, het Lichaem, gelijck de wijse Koningh Salomon seyde, de verdervinge onderworpen zijnde beswaert de Ziele, ende de aerdtsche woonplaets, onderdruckt den Geest. Sulcx en siet men niet alleen in dulle ende rasende Koortsen, ende andere Sieckten, maer oock in de Droncke luyden; van de welcke de gemelte Po粗t Horatius seer geestigh geschreven heeft in dese verssen.

Wat leert de Dronckenschap al vremde kueren drijven! Sy melt dat niet en dient, sy doet de vrienden kijven. Sy maeckt dat menig mensch oock sonder wapens vecht, En doet ヤk en weet niet wat al isset tegen recht. Sy weet een bleycken angst, en droefheyt af te breken, Sy kan een trage tongh bevalligh leeren spreken. Sy weckt de geesten op, en gunt een schamel man. Dat hy geweldigh rijck en vrolick schijnen kan.

Hierom vermaent Plato met groote reden, dat men het Leven der Menschen dient te bewaren in een gelijke mate ende over-een-stemminge van de Ziele ende Lichaem, beyde gelijckelick ende een paerlick moet onderhouden, op dat het eene niet wassende boven het ander, de Gesontheyt daer van kome schade te lijden. Dit doet de Genees-konste, die niet alleen het Lichaem, maer oock de Ziele in den toom houdt. De maniere ende  genegentheden van ons Gemoet volgen de gematigheyt van het Lichaem, gelijck nae Aristotelem onsen Galenus met een bysonder boeck geleert heeft. Nu al ユt gene wat de gematigheyt des Lichaems kan veranderen, wert in de Genees-konste aen-gewesen, soo dat de selve niet alleen de gebreken van ユt Lichaem, maer oock van de Ziele verbetert. Sy recht de manieren, scherpt het verstant, versterckt de heugenisse, ende maeckt dat alle werckinghen van de Ziele vlijtiger geschieden. Indien de koning Cambyses door de vallende sieckte, gelijck Herodotus schrijft, ontstelt van herssenen zijnde, den raet van een trouw Genees-meester gedaen hadde, hy en zoude niet geraest hebben tot dootslaen van een suster, broeder, vrouw, ende andere huys-genooten. Indien by Caligula, swack van lichaem ende verstant, een goet Genees-meester geweest hadde, om sijn herssenen te matigen, gelijck hy selve, nae het getuygenis van Suetonius, voor hadde, hy en zoude soo veel treffelicke mannen niet door vergif, ende beuls handen om-gebracht hebben

Dewijl dan, gelijck nu verhaelt is, de Genees-konst soo wel ons Ziele ende Gemoet, als ons Lichaem in een goeden ende geluckigen stant kan bewaren, ofte herstellen: soo is meer als te verwonderen, dat sommige dese Hemelsche konste kleyn achten, ende de nootsakelickheyt van de selve verwerpen. Indien onsen tijdt seggense eens vast gestelt is, ende dat wy niet onder ofte over en konnen leven, waer toe is dan de Genees-konste? Maer men moet weten, dat de gene dien onsen tijdt gestelt heeft, oock met eenen bestelt de middelen, om tot sulcken tijt te geraken. Soo dat het gebruyck van middelen gantsch niet en strijdt tegen Gods voor-schickingh. Daer van hebben wy een levendユexempel in den koningh Hiskia, 2. Chron. de welke al was hy versekert door de boodtschap van den Propheet, dat hy niet sterven zoude, geboodt even-wel een plaester van Vijghen op sijn geswel te leggen. Den Apostel schip breuck lijdende ontrent het eylandt Maltha, ende wel wetende dat niemant van de gene, die in ユt schip waren, blijven zoude, ofte een hayr van sijnen hoofde krencken; siende evenwel dat de Boots-gesellen sochten uyt het schip te loopen, seyde hy tot den Hooft-man, ende de Crijghs-knechten: Soo dese in het schip niet behouden en blijven, soo en kont ghy-lieden niet behouden werden Acto. 27. Also seyt Cicero tot ons voor-nemen, in sijn boeck van ユt Noot-lot. Indien het vast gestelt is, dat de Mensche niet van een sieckte zal sterven, dat het oock met eenen vast gestelt is, dat hy den raedt van een goet Genees-meester moet gebruycken. Op de eygen manier spreeckt de wijse Philosooph Seneca in de 36. Natuerlicke Vrage, van sijn 2. Boeck: Al schijnt de Gesontheyt door het Nootlot, ofte Godes schickinge te wesen: soo moetse nochtans den Genees-meester toe-geschreven werden, om dat door sijne hant de weldaet van Gods schickinghe ons gegeven is. Wy leven niet na Godts besluyt, dat ons verborgen is, maer nae sijn gebodt. Die de Genees-konste veracht, ende sijn sieckten niet en gebruyckt, daer op staende, dat niemant voor sijn tijdt en kan sterven, die versoeckt Godt, ende veracht de middelen die hy tot bewaringe van ユt Menschen leven gegeven heeft; even gelijck, of yemant seyde, Ick en wil eten, noch drincken, ende en sal daerom niet te eerder sterven, alsoo mijnen tijdt vast gestelt is: dan hy soude wel haest vernemen de straffe van sijn dwaesheyt.

Het schijnt van meerder gewicht, ユt gene sommige seggen, dat vele Siecken die geen Genees-meester en halen, wederom bekomen, ende andere die raedt gebruycken, van hare sieckte sterven. Op alle beyde is eertijts by den Prince der Genees-meesters geantwoort. Ende voor-eerst, dat sommige sonder raedt [6] van de Genees-meesters genesen, is de oorsaeck, om dat van haer selven yet by ユt geval gedaen ofte gelaten is, dat anders de Genees-meester nae de konst zoude bevolen hebben. Het welck seyt hy, in sijn Boeck van de Konste, grootelijcx bewijst, datter soo een Konst is, ende datse onder de voornaemste moet gehouden werden: dewijl oock de geene, diese onbekent is, door haer hulpe de gesontheydt verkrijgen. Wat belanght  het ander, datse niet al genesen en werden, die Genees-meesters gebruycken: om niet te seggen het gemeene, Dat die Veegh is, van een Luys kan door gebeten werden, sulcx en komt dickwils door den schult van den Siecken selve, dat hy den raedt van sijnen Genees-meester niet en volght, noch de Middelen, hem voor geschreven, niet en gebruyckt. Waer op seer aerdig slaet ユt gene Celsus verhaelt van twee Genees-heeren, die van den Koning Antigonus by een water-suchtige gesonden waren, van de welcke den eenen oirdeelde, de Sieckte geneeslick te wesen, den anderen on-geneeslick. Waer over de Koning verwondert zijnde, kreegh van den laetsten tot antwoort: Dat sijnen mede-broeder gesien hadde op de Sieckte, die wel te helpen was, maer dat hy sagh op den Siecken, wel wetende, dat de selve niet gesint en was om in te nemen soodanighe Genees-middelen, als hem nut, ende heel-saem zouden wesen. Dat de Sieckte niet altijdt op en komt, geschiet oock veeltijdts door versuym van de gene, die hem dienen, soo dat hy daer door dickwils laet dat hem geboden is,  ende doet dat hem wel uyt-druckelick verboden wert: ユt En is niet genoegh, seydt Hipp. 1. Aph. 1. dat de Medicijn sijn ampt wel waer neemt: maer het moet oock geschieden van den siecken selve, ende die daer by zijn, ende de uyterlicke oirsaeken, als wint, regen, geraes, droevige of blijde tijdinge, ende duysent andere, moeten oock wel gereguleert zijn. Daer-en-boven segge ick noch met den gemelten Hippocrates, dat men van de Konste niet vereysschen en moet het gene sy niet voor en geeft. Want de macht, seyt hy, die wy door het werck-tuygh van de Nature, ofte van de Konste verkrijgen, daer konnen wy ons meesters of rekenen, maer van andere dingen niet. Indien dan de Mensche wat over-komt, dat het werck-tuygh van de Medicine te boven gaet, sulcx en is niet te hopen, dat van de Genees-meesters overwonnen zal werden. Derhalven als de saeck niet nae wensch en gaet, soo moet de schult op de felligheyt van de sieckte, de kracht van de middelen te boven gaende, niet op de konst der Medicine geleyt werden. Dat een hooft, ユt welck van het lichaem geslagen is, niet wederom geheelt en kan werden, en is niet te wijten op de onwetenheyt van den Meester, maer op de quetsure, die de macht van de Heel-konste te boven gaet. Het welck de po粗t Ovidius seer aerdigh aengewesen heeft, in dese verssen, by den eer-weerdigen, ende wel-geleerden D. Iacobus Lydius aldus overgeset.

ユt En is niet in de macht van konst noch medicijnen De sieckte van den mensch altijd te doen verdwijnen, Het quaet dat binnen schuylt is menigmael te groot En met een stalen bandt geketent aen de doot. Een vyant die sich hout besloten in de wallen, Heeft voordeel tegen hem die buyten aen komt vallen, Indien de longh verrot het is verloren werck Laet komen wie daer wil de vyandt is te sterck, De wonden in het hert, den oorspronck van het leven, En werden door geen kruyt nog heylsaem sap verdreven. De bose water-sucht, en ユt quaestigh flerecijn, En willen door geen raedt noch konste genesen zijn. Al heeft een geestigh breyn sijn sinnen in-gespannen, Om haer met alle macht de leden uyt te banne; De konst is sonder konst, daer helpt geen wijsheyt aen De wijsheyt met de konst die moeten stille staen.

Want alsoo en zoude de Nature selve geen rechte konstenaersche wesen: de welcke oock somtijdts in haer ooge-merck belet wert, te weten, alsse monsters, ofte wanschapen lichamen voort-brengt. Soo mogen dan de lasteraers haer qualick spreken wel nae-laten, dat de Medicijns niet altijdt de siecken op de been en helpen, ende derhalven verachten de gene, die Godt geboden heeft te eeren, ende welckers konste in de H. Schrifture geseyt wert van den Alderhooghsten gekomen te zijn. Ende willen sy hier niet aen hooren, soo laetse tot de Beesten loopen, die door in-geven van de nature haer selven genesen, ende alsoo de nootsaeckelickheydt der Medicine bewijsen. Siet men niet dat de Honden, als haer Maegh overladen is, de selvige ontlasten met Gras te eten; dat de Catten haren troost soecken in de wilde Calaminthe, daerom Catte-kruydt genoemt? De Swijnen loopen nae de Rivier-kreeften, met welcke te eten sy de Hooft-pijn genesen, gelijck Plutarchus schrijft in zijn Natuerlicke Vragen. De Schilt-padden eten Orego, ende de Wesels Wijn-ruyt, als sy van een slangh gegeten hebben. Den Draeck verklaert zijn duyster gesicht met het wrijven van het quaet oogh teghen Venckel. Soo wert oock geschreven, dat de Swaluwen het gesicht van haer blinde jonghen beteren met Stinckende Gouwe, daerom χελιδόυιν, Hirundinaria, Swaluwe-kruydt geheeten. Den Beer eerst uyt zijnen hol komende, eet Wilde Calfs-voet, welckers scherpigheydt hem den derm opent, die toe-gegroeyt was. De selfde, als hy onlustigh ende walgende is, begeeft hem tot de holen van de Mieren, ende steeckt daer een vette, ende met soetigheyt bestreken tonge uyt, tot dat de selvige vol van Mieren komt, ende die door-slickende, blijft hy geholpen, gelijk Plutarchus, beschrijft, [7] op de verhaelde plaets, als mede in sijn boeck van de Gauwigheydt der Dieren. Alwaer hy oock vermaent, (gelijck mede Plinius) van een vogel in Egypten, gelijckende eenen Oyevaer, met namen Ibis, de welcke als hy hartlijvigh is, met sijnen krommen ende langen beck sijn selven van achteren water in speut; het welck by de Egyptenaren gesien ende gemerckt zijnde, hebben daer van de Clysteren in ユt gebruyck gebracht. In het selfde Egypte is het Water-paert, het welck te seer overladen zijnde, hem rolt in ユt scherpe riet tot dat hy een ader quetst, ende ontlast alsoo sijn lichaem, (dat anders qualick te pas zoude wesen) door het af-loopen van ユt bloet, ende sluyt dan de openingh met slick van de riviere: gelijck, behalven Plinius, de huyden-daeghse vaerten in die landen getuygen. Dit dier wijst aen met sijn exempel, ユt selve dat Hippocrates leert in sijn korte Spreucken, te weten dat een opgevolde gestaltenis des lichaems seer gevaerlick is, ende daerom sonder uyt-stel moet ontlast zijn: waer uyt de nootsakelickheydt van ユt Ader-laten bewesen wert. Sommighe behelpen haer met Vasten, het welck mede een goet Genees-middel is. Soo verhaelt Plutarchus, dat de Wolven, ende Leeuwen, als sy overladen zijn van te veel vleesch en eten, stil, ende werm by malkanderen gaen leggen, om soo sonder  eten beter te verteren ユt gene sy vratigh ingeslockt hadden. Ja men seyt oock, dat de Heel-konste, die met het werck der handen geschiet, geoeffent wert van de Olyfanten, die staende by de gequetste beesten, schichten, pijlen, spiessen, ofte yet anders uyt hare wonden trecken, ende sulcx sonder eenigh scheuren ofte beschadigen. Mizaldus schrijft dickwils gesien te hebben, dat de Muysen dapper loopen nae de Wortels van Marioleyne, als tot een heylsaem Genees-middelen, maer bekent, niet te weten, tot wat gebreck sy die eygentiick eten. De Geyten in het Eylandt Candyen (het welck in oude tijden Dictaeum plach te heeten, daer dit kruydt sijnen naem van heeft) om dat sy gegeten hebbende den Dictamnus, de flitsen, ofte pijlen, daer sy mede geschoten waren, lichtelick uytwierpen (want soo drae sy voelen gequetst te zijn, loopen sy terstont nae dat kruydt toe) hebben swangere Vrouwen gelegentheydt ende oirsaeck gegeven, om te letten ende aen te mercken, dat het selve kracht hadde, om de vrucht af-te-drijven. Dewijl dit in onredelicke Dieren aen te mercken is, hoe meenen dan sulcken Menschen, dat sy met verstant ende reden versien zijn, om teghen het gebodt van de H. Schifture te spartelen, ende de werelt soecken wijs te maecken, dat de nature ofte liever Godt, soo veel kruyden te vergeefs heeft laten wassen, ofte dat hy den Mensche, nae sijn even-beeldt geschapen zijnde, aen de qualen ende quellingen van soo vele sieckten overgegeven zoude hebben, sonder eenige troost ofte verlichtinghe? Laet teghen dese dit oock een groot bewijs zijn van de nootsakelickheyt der Genees-konste, datter naeulicx eenigh volck gevonden wert, in wat hoeck van de werelt het oock zy, dat haer niet met eenige wetenschap van kruyden, ende genesinge en bemoeyt. Hoe zoude nu elck soo veerdigh tot dese wetenschap sijn, ユt en ware hy door een verborgen Ingeven van de nature om het gebruyck ende de nootsaeckelickheydt gedwonghen was daer over bekommert te sijn? Elck mensche wil een Genees-meester wesen, elck wil al raet geven: soo datter geen staet van menschen meerder in de werelt en is, als Genees-meesters. Waer van ick een genuchlijcke History sal verhalen. Men seyt dat den Hertogh van Ferrare, Alphonse da Lsie, eens in gemeene praet op de baen bracht, van wat staet ofte ambacht de meeste gevonden werden. Den eenen seyde Snijders, den anderen Schoen-maeckers, den derden Timmer-lieden, ende soo voort, elck wat anders. Gonel de Geck, daer by staende, seyde datter meer Doctoren waren als eenige andere soorten van menschen: ende wedde daer over met den Hertogh zijn meester (die sulcx seer verde wierp) dat hy ユt binnen 24. uren bewijsen zoude. ユs Anderendaeghs ヤs morghens gaet Gonel uyt sijn huys met een groote slaep-muts op ユt hooft, ende een servet om zijn kin, den hoet daer boven op, de mantel om dユooren geslagen, ende neemt soo zijnen wegh, door de Engel-straet nae het Hof. Den eersten die hem teghen komt (gelijck de Gecken veel kennis, vrienden, ende maeghschap hebben) vraeght wat hem let, hy antwoort een dulle pijn in de tanden. Ha cammeraet (seyt den anderen) ick weet den besten raedt van de werelt, die hy hem oock geeft. Gonel teyckent den naem in een tafel-boecxken, hem veynsende of hy den raedt op-schreef. Een stap van daer vint hy der twee drie by een, die van gelijcken vragen, ende elck geeft hem een Genees-middel. Hy schrijft haer namen op, gelijck van den eersten. Ende soo al voortgaende, en ontmoete hy niemant, die hem niet een besondere raet en gaf: elck seggende dat de zijnen den besten was. Hy teyckent al de namen aen. Komende in ユt beneden Hof, een yegelick loopt rontsom zijn lijf, en geeft al raedt van boven neer. Hy bedancktse, ende teyckentse al mede op. Als hy in de kamer van den Hertogh komt, soo roept zijn Hoogh. van verde, Gonel wat schort u? Hy antwoordt heel verdrietigh, de grootste pijn in de tanden van de wereldt. Waer op zijn Hoogh. seyt, Ick heb een raet van mijnen Doctor, die de pijn terstont over zal doen gaen, al was den tant heel bedorven. Doet dit, ende dat, ende ghy sult op staende voet gebetert sijn. Terstont wierp Gonel zijn muts ende doeck op de vloer, roepende: Mijn heer, ghy zijt oock een Doctor: Siet hier mijnen rol, [8] hoe veel dat ickユer gevonden heb van mijn huys tot het uwe. Daer zijnder by-na twee hondert, ende ick hebbe noch maer door een straet gegaen. Ick wil wedden, dat ickユer meer als thien duysent in dese stadt vinde, indien ick over-al zoude gaen. Brenght my eens soo veel personen van eenigh ambacht, ofte staet. Aldus heeft de Geck het wedt-spel gewonnen. Ende de waerheyt hier van, wert mede onder ons alle daegh ondervonden.

Maer het gene dat tot hooger lof der Genees-konste streckt, is dat de selve van alle oudtheyt weerdigh geacht is geweest, om by de treffelickste Luyden van verstant, ende hoogen staet geoeffent te werden. Wijsgierige Princen, Koningen ende Keysers. De eerste Genees-meesters waren de Philosophen, ofte Wijsen, ende eertijts werde de Medicine, gelijck Celsus schrijft, voor een deel van de Wijsheyt gehouden, soo dat het genesen der Sieckten, ende het ondersoeck der natuerlicke dingen onder de selve autheuren geboren is. Homerus, die by vele de fonteyne van alle wijsheyt gehouden wert, heeft hem veel bemoeyt met de kennisse der Genees-konste, gelijck Plutarchus getuyght, ende uyt sijn schriften selfs volkomentlick blijckt: ende den andere Prince der po奏en Virgilius, wert van Donatus beschreven veel arbeydts in de Genees-konste gedaen te hebben. Onder de oude Princen ende Koningen, die in dese konste geoeffent zijn geweest, vinden wy Iason, Achilles, Hermes, Zoroaster, Chriron, Salomon, de Keysers Antonini, &c. Van Alexander de Groote schrijft Plutarchus, dat hy niet alleen door sijn meester Aristoteles eenige kennisse hadde van de Genees-konste: maer dat hy oock selve sommige van sijn vrienden genas. Dan alle dese ginck te boven de grootste Koningh naest Alexander, gelijck hem Cicero noemt. Mithridates, den welcken noch de sorge, noch de moeyten om soo veel Koningrijcken te regeren, om so groote oorloghen tegen de Romeynen te voeren, van de Medicine niet en hebben konnen af-trecken. De vrome daden van desen Helt werden misschien in de Historyen van weynige gelesen: maer om sijn vinden van tegen-giften, van de welcke noch een op den huydigen dagh zijnen naem ende faem draeght, wert hy door de geheele werelt by alle Menschen vermaert. De selfde onsterffelickheyt des naems, de welcke de Koningrijcken niet en konde geven, hebben van de kruyden ontfangen, Gentius, Lysimachus, Artemisia, ende andere. Wy vinden noch van verscheyden andere Koninghen, die de Genees-konste door haer vondinge voort-geplant hebben: gelijck de koning der Meden Sabor, van welcken Mesue vele genees-mengelingen beschreven heeft, die wy noch alle daeghs geluckelick gebruycken. Ende desen Mesue selve, was een Konings soon van Damascus. Euox de Koningh der Arabiers, heeft aen den Keyser Nero geschreven van de kracht der kruyden. Maer de geheele Genees-konste is in een groot boeck vervat by Avicenna, Prince van Cordua. Ende gelijck het geen kleyne eere en is voor dese Konste;datse altijt by de Wijste volckeren Wijs-gerige, ende Princen in eere gehouden is: soo is die noch ongelijck grooter, dat oock de Engelen des Heeren haer met de selve bemoeyt hebben. Hier toe lesen wy, dat den jonghen Tobias van den Engel leerde verlichten de oogen van zijn vader met de gal van een visch, een middel noch heden gebruyckelick: ende by de Euangelist Iohannes beroert den Engel het water, van het welcke den eerst in-komende genesen werde. Ende om nu over te slaen den Euangelist Lucas, de Apostelen, Propheten, ende andere heylige mannen, so is ユt den grootste roem, dat onsen Heere ende Salighmaker uyt alle andere konsten dese alleen gekosen heeft, om zijn Goddelicke kracht daer mede te betoonen. Want een groot deel van de tijdt, die hy hier op de aerde wandelde, heeft hy by de krancken besteedt, ende de felle vyanden des Menschelicken geslachts, Dulligheyt, Vallende-sieckte, Beroertheyt, Blintheyt, Rood-loop, overwonnen. Ende daer zijnder, die seggen dat den soeten naem Iesus in de welcke alle knyen buygen, zijn benamingh in ユt Griecx zoude hebben van een woordt, dat genesen beteyckent, om dat hy onse swackheyt ende gebreken geneest ende te hulpe komt.

Het en is oock de Genees-konste niet genoegh geweest selve hooglick vereert te zijn: maer brengt mede haer voester-kinderen tot de grootste eere ende rijckdommen. Democedes, van wien verhaelt is, nae dat hy den koningh Darium genesen hadde, werde van een gevangen, gelijck hy was, een heel rijck ende wel gestelt man, ende sat met den Koning aen tafel, als by Herodotum te lesen is. Ende ユt gene dat Galenus van sijn selven verhaelt, dat hy met vier hondert goude kroonen vereert werde, doen hy des Borgemeesters Boethius huysvrouw genesen hadde, en is so wonder niet, als dat doctor Thaddaeus van Florence buyten reysende, alle daegh vijftigh kroonen ontfingh, ende den Paus Honorius genesen hebbende thien duysent kroonen mede bracht. Soo vele gaf onder andere geschencken Lodewijck de elfde, Koning van Vranckrijck aen zijne Genees-meester Iacques Coctier, ende daer beneffens noch ampten voor zijn vrienden (het welck oock by Prins Maurits Lof. Mem. gevolght is) gelijck Philips de Commines in zijn Historye verhaelt. Als wy lesen dat Carpensis ende Capivaccius soo grooten schat uyt de Pocken alleen vergadert hebben, verwonderen wy ons dan dat den knoddigen doctor Rabelais die tappige vogels heel kostelick noemt? Verolez tres-precieux. Het en is soo langh niet geleden, dat Philips de tweede, Koningh van Spaengjen, van een koorts van seven dagen genesen zijnde, zijnen Medicijn Fracisxo Vallesio, boven de jaerlicksche weddens, toestont [9) ses duysent kroonen, welcke gift hy niet en versmade, (men zouder wel meer vinden) maer geerne aen-nam, daer by doende;Dat so grooten Koningh machtigh genoegh was, om noch meer te konnen geven. Catharina de Medicis, koninginne van Vranckrijck, vruchtbaer gemaeckt zijnde, (gelijck wy hier voor verhaelt hebben) door Dr. Fernelius, schonck hem boven andere gaven voor elck kint dat sy kreegh thien duysent kroonen, dat is, van ons gelt, dertigh duysent gulden, ende dit gebeurde thien-mael, soo dat het even op een tonne gouts uyt-quam. Derhalven wel waer is, ユt gene men gemeenlick seyt, Dat Galenus opus, De Genees-konste rijck en maeckt. Daer-en-boven is oock de deure van eer ende staet voor de Medicene niet gesloten. De grootste eere by de Heydenen was onder het getal der Goden gestelt te werden. De Romeynen hebben ユt hare Keysers gedaen. By al de oudtheyt zijn de gene, die door de Genees-konste van het menschelicke geslacht wel verdient hadden, nae haer overlijden voor Goden ge-eert geweest, gelijck oock van Apollo ende Aesculapius hier voren geseyt is. Hippocrates komende tot Abdera om Democritus te genesen, werden van al de Borgery ontmoet, ende voor een beschermer ende vader van ユt vaderlandt begroet. Den selfden is over-groote ende Goddelicke eere van den raedt ende ユt volck van Athenen bewesen. Galenus is in seer groot aensien te Romen by de Keysers, ende den Raedt gehouden geweest: ende nae sijn doot by vele voor een God gehouden, gelijck Eusebius getuyght. Iulius Caesar heeft al de Genees-meesters, die te Romen waren, om datse, gelijck Suetonius schrijft, selve so veel te liever in de stadt woonen zouden, ende dat anderen daer door gelockt souden werden, het Borgers-recht geschoncken: het welck doen ter tijt een groote eere was, ende die aen weynige gedaen werde, als wy uyt Tacito weten. Antonio Musae, om dat hy den keyser Augustus van een sware sieckte verlost hadde, hebben de Romeynen een kopen beeldt op-gerecht, ende het selve benevens het beelt van Aesculapius gestelt. Plinius verhaelt noch van verscheyden andere Genees-meesters, die te Romen in groote eere en weerde sijn gehouden geweest. Maer om op de Ouden niet te langh te blijven staen, in wat een achtinge zijn de Doctoren in Engelant, Vranckrijck, ende Spaengien: in de moeder van de geleertheydt Italyen? In de welcke ick verscheyde gekent hebbe van de ordre der Ridderen, ende de Historyen verhalen datter onder de Hertogen van Genua seven Doctoren geweest zijn. Petraeus, die na sijn vaderlandt, den Spaengjaert genoemt wierdt, vermaert door eenighe Schriften in dese Konste, is eerst Bisschop, ende daer nae Paus geworden, met den naem van Iohannes de een-en-twintighste, tot de selve hoogheyt van de Genees-konste verheven geweest Nicolaes de vijfde, door wiens toe-doen, ende gesagh de langh begraven letteren, ende geleertheyt in Italien eerst op-gekomen zijn: soo dat wy niet en behoeven hier nu by te brenghen Lodewijck den Patriarch van Aquilegien, ende van Eugenius de vierde Cardinael gemaeckt, noch Paulus Iovius Medicijn ende vermaerden History-schrijver, met het Bisdom van Nocera, noch verscheyde Genees-heeren in Engelandt met den Bisschoppelicken staf vereert, ofte andere met andere weerdigheyt versien. Jae by de Turcken selfs en ontbreken de Medicijns geen groote Staten: gelijck over eenige jaren gesien is in eenen Bartholomeus het Hert, Medicijn van den Turckschen Keyser, ende uyt sijn zijnen naem voor Ambasadeur gesonden aen Henrick de vierde, koningh van Vranckrijck: sulcx oock lange te voren gedaen was van den keyser Iustianus aen den koningh van Persen, gelijck Procopius verhaelt. Maer wat behouf ick veel van de uytheemsche by te brengen: daer wy sien dat in ons eyghen Vaderlant de Doctoren, Schouten, Borgemeesters, Schepenen, Raden van Staten, Gecommitteerde Raden van Hollandt werden, ende verscheyden andere hooge staten bekleeden? Het welck in onsen stadt sedert ontrent hondert jaren na Mr. Willem  Stoop, Schepen ende Borgemeester, ende Mr. Pieter van Foreest, Raedt, om dat de Medicijns hier meest vreemdelingen waren, is blijven steken, tot dat de oude eere der Medicijns wederom op-gehaelt is in den persoon van desen Autheur, ende den wel-achtbaren ende vermaerden heere Dr. Cornelis van Someren.

Hier en behoeft geen nijdigaert met een vergalde tongh te werpen, dat de Genees-meesters te groote gaven gegeven, ende te groote eere wert aen-gedaen. Want daer en is geen eere met het leven, geen gave met de gesontheyt te vergelijcken. Ende dat zijn de gaven, die de Menschen door de handen van de Medicijns ontfangen. Gaven daer voor een yegelick niet licht aen te komen is om uyt te deelen: maer die alleen van sommige, ende noch met groote moeyten ende arbeyt verkreghen werden. Die daer niet aen en wil, ende meent dat het met een praetghen bij de wijfs te doen is, bedrieght niet alleen zijn selven; maer, dat noch erger is, oock sijnen even-naesten, met welckers gesontheyt ende leven hy lichtveerdigh, ende godtlooslick speelt, niet anders, gelijck men gemeenlick seyt, als de Kat met de Muys. Sulcke Doctoren heeft Hippocrates eertijdts vergeleken by de Camer-speelders, die de persoon van Koningen ende Princen spelen, sonder nochtans soodanige te wesen: even-eens, seyt hy, sommige onder de Doctoren gerekent, spelen alleen de persoon van den selve, ende en zijn niet meer voor Doctoren te houden, als de Camer-speelders voor groote Heeren, diese op ユt tonneel uytbeelden: Maer de gene die voor vrome, geleerde, ende eervare (dese drie moeten altijdt te samen gaen) Medicijns willen [10] uytgaen, ende inder daet oock zijn, moeten gelijck Hippocrates leert, van alle dese dingen deelachtigh sijn, nature, geleertheyt, plaets om te studeren, opvoeding, verstant, ende tijdt. Hier van moet hy versien zijn, die met eere ende achtinge by anderen, ende met een goet ende gerust gemoet voor sijn selven, ユt oeffenen van de Genees-konste by de hant sal nemen.

Voor-eerst is een goede en bequame Nature noodigh. Want als het spreeck-woort seyt, sent een kat in Engelant, sy sal meeuwen als sy wederom komt. So en sal mede niemant hoe goede meesters hy oock heeft, die tot een ezel van naturen geboren is, wat besonders werden. Sulcx is tot exempel eertijts gesien in den soon van den vermaerden Cicero, die de Vader bestelde om te studeren in de beste plaets van de werelt, te weten Athenen, ende by den besten ende bequaemsten meester, te weten Cratippus, gelijck hy selve seydt in ユt beginsel van sijn Officien. Maer het was al voor niet, om dat de nature tegen viel; het welck wijdtloopigh ondersocht ende aengewesen wert by doctor Huarte in sijn Spaensche boecxken van het ondersoeck der Verstanden. Wy seggen wel, het zijn quade putten, daermen het water in dragen moet. Maer als de nature bequaem is, ende tot alles goets selve den wegh baent, dan kan de geleertheyt aen-genomen werden, ende dat door goede onderwijsinge van jongs op, ende in een plaetsche daer toe dienende. Hier by moet Arbeydt van een langen tijt komen, op dat hy leeren, als wel op wassende ende voldragende, rijpe vruchten voort-brenge. Want gelijck ユt gene, dat uyt de aerde voort-komt, so schijnt het oock te staen met de wetenschap der Genees-konste. Ons nature is als een Acker: de leeringe van ons Meesters zijn als het saet. De onderwijsinge van jongs af, gelijckt het saeyen tユsijner tijt: de plaets tot het leeren bequaem, de Lucht, waer van de dingen die uyt de aerde spruyten haer voedtsel trecken. Neerstigh studeren is de Landt-bouwinge. Ende de tijt brengt dit alles tot volkomen voedtsel. Die dit dan al te samen by malkander heeft, ende den acker van sijn goede Nature heeft besaeyt in de beste Scholen met verscheyde talen, ende insonderheyt de Griecksche ende Latijnsche: oock alle de Konsten, waer op de Genees-konste hare gronden leyt, ende met namen de Natuerlicke wetenschap volkomentlick begrijpt: die hier by, het Voornaemste dat van alle tijden by de treffelickste Genees-meesters versocht, ende beschreven is, neerstelick gelesen heeft, ende de Konst selve nae haer voorschrift ende sijn oordeel tot troost, gesontheyt, ende welvaren van sijnen even-naesten geluckelick oeffent, sulck een is voorwaer een Genees-meester niet met woorden, als Hippocrates spreeckt, maer metter daet, ende magh met reden door sijn konste werden verhooght, ende groot gemaeckt by Vorsten ende Heeren, gelijck de Schrifture spreeckt Eccle. 38. Op sulck een magh men sijn gesontheyt ende leven wel met gerustheyt betrouwen, ende gelooven, dat hy niet alleen de gesontheyt kan bewaren, de sieckte genesen, maer oock het leven natuerlicker wijse verlengen. Gelijck onder andere wijs-gerige Democritus, die hem op de Genees-konste seer wel verstont, met sijn eygen exempel bewesen heeft. Dese als hy van ouderdom besweeck, ende op sijn sterven lagh, siende sijn suster seer bedroeft om datse door sijn overlijden het aenstaende feest van de Godinne Ceres niet en zoude konne houden, geboodt haer wel te vreden te zijn, ende hiel sijn selven noch in ユt leven, tot dat het feest over was, door den reuck van honigh, ofte, gelijck andere seggen, van werm broot, ende ontsliep alsoo sachtjens na drie daghen, als hy hondert ende negen jaer out geworden was. Diergelijcke dingen sien wy de Genees-meesters alle daegh doen, als sy die van haer selven zijn, ofte schijnen te sterven, wederom doen bekomen, ende noch grooter, alsse de onvrugtbaerheyt helpen, ende maken, datter Menschen geboren werden, daer de Nature selve sulcx scheen verboden te hebben. Wat konste kan haer dan met dese Goddelicke macht van de Medicine vergelijcken: isser wel eene onder de Konsten die so wonderbare werckingen voort kan brengen? Nu al is ヤt, dat de Medicine uyt het vergelijcken met andere konsten haren lof niet en behoeft te rapen, noch uyt het verkleynen van andere wetenschappen, haer selven groot te maken; so en kan ick even-wel niet nalaten voor besluyt eenige bedenckinghen kortelick aen te roeren tot dienst van de gene, die haer beraden wat Studye sy sullen aen-nemen. Die in de Rechten gaen studeren hebben voor, ofte haer met pleyten, ende de oeffeninge daer toe behoorende te generen, ofte tot staten ende ampten te geraken. Het eene is heel langsaem werck: het ander vereyscht het gewicht van vele vrienden, gelijck die dickwils door sterven ondertusschen ontvallen, ofte selve door veranderinge uyt gesagh komen. Dan in de Medicine en is geen ydele hope, geen lang wachten, maer terstont de winnende hant. Dese en is niemant onderworpen, sy en hanght aen niemants haet ofte gunste, sy en vreest geen ballingschap, ofte armoede. Een Advocaet die veel te doen sal hebben, moet heel kloeck sijnde en wel ervaren. Een Medicijn raeckt terstont in ユt werck, altijt isser de een kaer ofte de ander, die geerne de eerste wil sijn, sonder veel te ondersoeken van sijn bequaemheyt. Voor ons Advocaten soude in Engelant geen plaets sijn, ofte elders, daerse andere wetten hebben. Voor onse Predicanten soude het in Italyen, ofte Spaengjen te heet zijn. Maer een Genees-meester draeght sijnen schat by hem door de geheele werelt: hy is allesins aengenaem ende willekom, waer Menschen zijn. In ユt korte, de Genees-konste geeft eer, rijckdom, vrienden, ende sulcx sonder lang vertoeven, ende in alle plaetsen van de werelt. [11]

Lof der

Geneeskunst.

 

Men ziet dat enige aardige en kloeke verstanden, om een proef van hun geest en welsprekendheid te geven, slechte en verachte dingen weten op te pronken en met uitgelezen woorden en geloofwaardige redenen tot de Hemel verheffen. Zo is het lof van het haar, van een worm, van het jicht, van een schaduw, van een hond, van een gans en ik weet niet waar al van door verschillende beschreven en tenslotte ook van een vlieg bij Lucianus waar het weinig scheelt of hij maakt, zoals het Griekse spreekwoord zegt, van een vlieg een olifant. Op dezelfde manier heeft de onsterfelijke roem van Holland, Erasmus van Rotterdam, zeer sierlijk de zotheid geprezen en aangewezen hoe die in de wereld onder alle staten van mensen hun personage speelt. Wat onlangs met onuitsprekelijke geleerdheid en wonderbaarlijke aardigheid gevolgd is door de eeuwige eer van de ridderlijke en geleerde orde, de heer Daniel Heinsius in het lof van de ezel, waarin de ezels met twee benen lustig doorgestreken worden, te weten diegene die zelf geen wetenschap hebben en al hun lomp en plomp verstand steeds wetten om de geleerden en de geleerdheid met scherpe lastering te verachten. Het is voorwaar niet zwaar, noch moeilijk geweest toen zulke voortreffelijke mannen door hun kloeke geest de soberheid van de stof konden overwinnen die ze voor zich hadden, maar voor mij die de natuur niet zo goed voorzien heeft zou het niet mogelijk zijn om een slechte stof sierlijk voor te stellen en  ik zal daarom hetgeen aan de geest ontbreekt in de stof zoeken en wat daarin te kort komt met de overvloed van de geneeskunst opvullen. Dit is zoユn breed veld om ruim uit te gaan weiden dat men geen uitkomst ziet. Hier is zo ヤn overvloed van stof dat men veel ziet om te beginnen, maar nauwelijks iets vinden kan om weg te laten want omdat ik voorgenomen heb om van de lof der geneeskunst te spreken komen er me zoveel getuigenissen naar voren van voortreffelijke mannen, zoveel redenen en bewijzen dat indien ik ze allen of ook alleen de voornaamste zou willen bijbrengen de inkt en het papier me eerder ontbreken zou dan de zaak. Derhalve zal ik sommige dingen in het voorbij gaan aanroeren om uit de klauw, zoals het spreekwoord zegt, de leeuw te laten herkennen en probeer uit het weinige dat ik hier van een volle berg afneem er een oordeel gestreken mag worden van het overige zodat de kunst door gebrek van geest en welsprekendheid niets komt te verliezen van zijn luister en waardigheid.

De welsprekendste van de Romeinen, Marcus Cicero, rekent de medicijn onder de eerlijkste kunsten waar groot verstand en niet weinig voordeel steekt. De wijze Seneca stelt haar onder de vrijste kunsten en Plutarchus schrijft dat ze geen van die wijkt in fraaiheid, luister en vermakelijkheid. Lucianus zegt dat ze meer achtbaar is dan de anderen. Hippocrates, die naar het oordeel van Macrobius niet kon bedriegen, noch bedrogen worden, roemt haar voor de edelste van alle kunsten en voor diegene die bij de ouden zo waardig en voortreffelijk geacht was dat ze haar oorsprong aan de Goden hebben toegeschreven. Zo ook de po奏en die gewoonlijk de beginselen van hun versieren uit de waarheid trekken hebben om de oorsprong van deze kunst aan de Hemel toe te eigenen haar vinders onder de Goden gesteld wat daarna toen het deksel van de fabels er afgetrokken was met volle mond door de filosofen bevestigd is. Ze hadden voorwaar groot gelijk. Want indien de Goden de goedheid zelve zijn (zoals zij van die en wij van de enige God geloven) wie zou dan niet toestaan dat ze de mensen alle goeds gunden en hen uit een bijzondere genegenheid zodanige kunst gegeven hebben die ze nimmermeer kunnen missen. Een goede gezondheid is altijd nodig. En deze noodzakelijkheid kan ons aantonen dat de kunst die de gezondheid waarneemt niet alleen de oudste is van alle kunsten, maar dat ze bijna met de mensen zelf geboren is. Want een waar woord heeft Aristoteles gesproken toen hij zei dat die kunsten het eerst gevonden waren waar de mensen niet zonder leven kunnen en dat de andere die of tot wellust of sieraad en meer tot vermaak dan voor noodzakelijkheid van het leven behoren er daarna bij gelegenheid verzonnen zijn geweest. Omdat dan de gelegenheid van het menselijke lichaam terstond na de val zwak en broos was en aan verschillende oorzaken van ziekten [2] die anders niet te vermijden zijn steeds onderworpen waren, wie zou durven twijfelen dat de eerste mensen toen ze de overlast van allerhande ziektes gewaar werden en toen ze zagen dat de edele en voortreffelijke werken, waartoe ze geboren waren, door ongezondheid en ziektes verhinderd werden, wie zou dan, zeg ik, in twijfel trekken dat de mensen die altijd genegen zijn om wat nieuws uit te vinden door alle andere dingen aan een zijde te stellen hun best gedaan hebben om uit te vinden en God te bidden om zodanige kunst waardoor ze een gezonde geest in een gezond lichaam behouden zouden en een wel gesteld leven en van alle pijn bevrijdt leiden? Tenzij we misschien geloven willen dat de wijste en verstandigste lieden toen de Goddelijke schepping zoveel dichter bij hen was de zorgen van hun zwakke lichaam oversloegen en niet eens letten op de pijnlijkheid van de ziekten en al hun zinnen in de wetten gescherpt hebben of eerst met de letterkunst, redekaveling, muziek zingen, sterren kijken of iets anders bekommerd waren geweest dan met het lichaam wat steeds bij hen was en wiens gebreken ze dikwijls moesten uitstaan? Of dat iemand wiens keel dicht wilde gaan ergens anders aan dacht dan om snel genezen te zijn? De grote spreker Demosthenes geeft hier van getuigenis. Want om een zaak die hij daags tevoren bepleit had niet tot een einde te brengen heeft hij zijn onschuld op pijn in de keel genomen en ook gevonden, al werd hem van de andere kant tegengeworpen dat hij een zilveren keelblaar had, dat is dat hij omgekocht was. Waaruit men ziet dat de ziekte alleszins voor gaat. Maar om klare zaken niet uitvoerig te bewijzen, de redenen openbaren ons en de Hebreeuwse leraars als ook de Arabieren leren wat mede het aanzien van de H. Schrift versterkt dat Adam, de eerste mens, de eerste is geweest die de kunst van de medicijnen beoefend heeft. Want waarom zou hij van God almachtig met wetenschap van alle dingen voorzien zijn geweest dan om het goede aan te nemen en het kwade te vlieden en zijn lichaam van de ziekten waaraan het door de zonde was onderworpen geworden te bevrijden en te beschermen.

Indien deze onzer allen Vader die naar het evenbeeld van God geschapen en met alle heerlijkheid des lichaam en de ziel versierd is, die grote weldaden erkend had met gehoorzame dankbaarheid en het gebod van zijn Schepper onderhouden had dan zou hij zonder ziekten en dood hier in de wereld geleefd hebben. Maar omdat hij door de duivelse listigheid bedrogen was en in schandelijke ongehoorzaamheid verviel is hij door het rechtvaardig oordeel Gods waarvan hij onsterfelijk geschapen was de dood en de ziekten die tot de dood brengen deelachtig geworden. Hierom heeft hij zonder twijfel alle middelen gezocht om de plagen, zoveel als mogelijk was, van zijn hals te schuiven en is daardoor de eerste geweest om die kunst te vinden waartoe hij in het gebrek oorzaak aan had gegeven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van deze voorvader van het menselijke geslacht en medicijnen is de kunst hand over hand voort geteeld zoals we zien dat al in de boeken van Mozes, Salomon en anderen van de dokters gewag gemaakt wordt. Van deze Hebreeuwse doctoren is de geneeskunst door de andere Oosterse landen geleidelijk aan verspreid en vooral door Egypte wat ook bij de po粗t Homerus over zijn vruchtbaarheid van kruiden en geneesmiddelen vermaard is geweest. Voorwaar de Egyptenaren (die van de oude historieschrijver Herodotus gesteld worden de oudste en wijste onder alle mensen te zijn) hebben niet alleen de dokter van de Hebree喪s, maar ook andere dingen zoals de besnijding, hoewel Diodorus schrijft dat ze de eerste zonder voorhuid geweest zijn. Deze is evenwel, net zoals de dokters, zeer oud bij de Egyptenaren want we lezen dat ze door raad van een dokter, Jacchenus, de pest verjoegen. Welke Jacchenus twee honderd en zeventig jaar na de zondvloed leefde. Na die kwam Osiris en na hem zijn zoon Orus die voor Apollo van de Grieken gehouden wordt en daarna zijn vele voortreffelijke dokters in Egypte vermaard geweest en met zoユn grote menigte dat Gryllus bij Plutarchus zegt dat alle Egyptenaren geneesmeesters waren en Herodotus verhaalt dat in deze natie elke ziekte zijn eigen geneesmeester had en bij hem lezen we dat Cyrus, de grote monarch van Perzi, aan Amasis, koning van Egypte, vroeg om een van de beste oogmeesters te krijgen. De Egyptenaar Orus Apollo heeft de kunst die hij van zijn voorouders ontvangen had eerst in Griekenland gebracht en wordt daarom bij Plato en de andere Grieken voor de vinder van de medicijn gehouden, hoewel dat bij anderen zijn zoon Aesculapius is, zoals Galenus en Celsus getuigen, voor de oudste auteur van de medicijnen geroemd wordt. Die hij omdat de wetenschap van de gezondheid die noch ruw was wat beschaafde en is meer dan zijn vader Apollo in het getal der Goden van de heidenen, door verkeerde dankbaarheid, gesteld geweest. Van hem zijn vele voorbeelden van doden die hij levend gemaakt heeft waarom hij door Jupiter zodat de orde van de natuur niet gebroken zou worden met de bliksem geslagen is, zoals de po奏en vertellen. Evenwel is [3] de eer van Aesculapius is ook na zijn overlijden niet opgehouden en die vermeerderd is doordat de zieken ユs nachts in zijn tempel bleven slapen alsof Aesculapius, zoals Cicero zegt, hen in de droom raad zou geven. Aesculapius liet twee zonen na en erfgenamen van de kunst, Podalirius en Machaon, beide prinsen in hun land die in de Trojaanse oorlogen de Grieken niet alleen met hun kunst, maar ook met hun macht te hulp kwamen. Want ze brachten tien schepen voor Troye, zoals Homerus beschrijft, waarin de doctoren van onze tijd hen nauwelijks kunnen volgen. Door deze voortreffelijke mannen en hun nakomelingen, waaronder ook is de grote Hippocrates, is deze heilzame kunst geleidelijk aan toegenomen. Die evenwel het niet algemeen gemaakt hebben maar als een erfgoed hun kinderen overgaven zodat de dokters in dit edele geslacht van Aesculapius er twaalf honderd jaar gebleven zijn en niet alleen door Griekenland, maar over de ganse aardbodem verspreid is. Want vanwege de noodzakelijkheid die eerst gevonden is, zoals Hippocrates getuigt, is ze door iedereen met grote begeerte aangenomen. Wij lezen van de oude volkeren van het Oosten dat ze hun zieken op de straat plachten te brengen en aan de voorbijganger om raad vroegen. Diegene dan die zelf zoユn ziekte gehad of bij een ander gezien had, gaven dezelfde geneesmiddelen waarmee ze geholpen waren. Waaruit we zien dat ook diegene die geen dokters hadden de dokters niet konden missen. En voorwaar er is geen land, geen tijd van het jaar van ons leven, geen orde van mensen die zonder de heilzame dienst van deze kunst zich kan behelpen. Haar wetten, zoals ze bij alle volkeren even algemeen zijn, zijn ze voor allen even nuttig en nuttig. Daaraan moeten keizers en koningen die zich aan andere wetten niet verbinden onderdanig zijn indien ze de straf van weerspannigheid het niet op hun vlees laten aankomen. Deze wetten moeten de moeders voor ze verlossen en als ze verlost zijn, ja de ouders in het telen waarnemen, net zoals de dokters en de Spaanse doctor Huarte onlangs in zijn voortreffelijk huwelijk aangewezen heeft en ik weet niet met betere verzen of redenen de edelachtbare heer mr. Jacob Cats, ridder en eerste raadpensionaris van deze stad. Hoe veel, zegt de wel vermelde Erasmus, duizenden van mensen zijn er levend en welvarend die niet eens geboren geweest zouden zijn indien de kunst van de dokters niet de hulpmiddelen gevonden had voor zoveel gevaarlijkheden die in de geboorte en ontrent de verlossing staan waar te nemen? Alzo roept de barende vrouw en het kind zelf in de geboorte om de hulp van de dokter. Die geeft het leven aan diegene die noch niet leven, te weten als het misdragen belet wordt, als de losse natuur versterkt wordt om te ontvangen en te behouden en ook als ze de verlossing verlicht en zonder hinder of letsel van vrouw en kind laat aflopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Noch verder, als de onvruchtbaarheid weg genomen wordt waarvan we een opmerkelijk voorbeeld hebben in Catharina de Medicis die tien jaren getrouwd was met Henrick na zijn vaders dood de II van die naam, koning van Frankrijk, zonder enige kinderen te krijgen. En omdat men gewoonlijk grote onrust ziet en dat zware oorlogen ontstaan als een koning zonder kinderen of na-erfgenamen sterft (die hier niet waren) zo werd beraadslaagd tot vrede en eenheid van het rijk om de vermelde Catharina thuis te zenden wat ook gebeurd zou zijn, tenzij dat zulks door kunst van de vermaarde doctor Fernelius belet was geweest. Deze Fernelius heeft de band van het huwelijk waar men aan begon te tornen, onverbrekelijk vast gebonden en door zijn kunst teweeggebracht wat door de natuur geweigerd scheen te wezen (het zijn de woorden van de Franse historieschrijver Sanmarthus) de hatelijke onvruchtbaarheid uit het koningshuis gestoten en de naam van Valois met gewenste spruiten van fraaie kinderen voortgezet. Wie behoefde de koningin te bedanken dat ze die naam en staat behield? Alleen Fernelius. Dat de koning, in plaats van zijn vrouw te verlaten veel kinderen bij haar kreeg? Hij had niemand ter wereld zulks te verwijten dan Fernelius. Het hele koninkrijk was mede aan Fernelius gebonden voor drie koningen die uit dat huwelijk na elkaar geleefd hebben, Francoys de II. Karel de IX en Henrick de III. Als ook door Francoys, de hertog van Anjou, de hertog van Brabant etc. gehuwd is Elisabeth, koningin van Spanje en huisvrouw van Koning Philips de II en moeder van de Infante Isabelle, hertogin van Brabant etc Claude, hertogin van Loreinen en Marguerite, koningin van Navarre. Wat kan er voortreffelijker of wonderbaarlijker kunst zijn dan diegene die de mens noodzakelijk is voor hij geboren, ja eer hij ontvangen is? Wat is er aangenamer voor diegene die geboren zijn dan het licht waarin we leven, zweven en met een aangename gemeenschap met elkaar omgaan? Wat is er dat alle mensen liever hebben dan hun leven? Evenwel diegene die met pijnlijke ziekten gemarteld wordt en die van langdurige kwelling uitteert vergaat wel gauw de lust van het leven en doet niets ander dan om de dood roepen omdat hij in de dood, zoals Julius Caesar bij Sallustium spreekt, de rust en het einde hoopt van [4] zijn ellendigheid. Want welke zoetigheid kan iemand in zijn leven hebben die steeds met niergruis of steen gepijnigd wordt? Wiens leden en gewrichten door de jicht als op een pijnbank uiteen getrokken worden? Wie zal niet liever sterven dan zo ellendig te leven? Wij lezen in de natuurlijke historie van Plinius dat onder de allerscherpste pijn gerekend wordt de pijn van de steen, daarna van de maag, ten derde van het hoofd en dat de lieden nauwelijks om andere reden zichzelf van het leven benomen hebben. Zo heeft keizer Claudius eens voor gehad zichzelf door overgrote pijn van de maag te kort te doen zoals Suetonius vertelt. Maar behalve deze zijn er noch verschillende andere pijnen die ook lieden van soort tot een willige dood gebracht hebben. Plinius, de neef van de vermelde, verhaalt in zijn brieven dat de voornamen mannen, Corellius Rufus, om verschrikkelijke pijn die hem eerst alleen in de benen zat en daarna alle leden doorliep en van Silius Italicus die om een ongeneselijke likdoren beide zichzelf uithongerden. O grote wreedheid van pijn dat hij zich niet ontziet in de dood, het verschrikkelijkste, zoals Aristoteles meent, van alles dat verschrikkelijk is uit mismoedigheid te verwerpen! Ik heb zelf gezien dat lieden van dapper leven die gans niets bedreven hadden (zodat men niet zou denken dat ze uit vrees van straf die voorkwamen) uit louter zwaarmoedigheid enige zichzelf verdronken en anderen met een mes en strop hun zwarigheid en leven be訴ndigd hebben die, indien ze bij goede doctoren geweest waren ze hun leven en gezondheid door goede geneesmiddelen zouden hebben kunnen afkopen. Ik zal niet lang blijven in het verhalen van diegene die door verzuim om een geneesmeester te halen leven voor dood begraven zijn en hun ziel onder de aarde met kermen en huilen ellendig uitgestort hebben. De diepzinnigste van alle wijsgerige, Scotus, die op een zekere tijd van m.s. (een ziekte die alle gevoel en bewegen beneemt) geslagen was werd voor dood in het graf gelegd en kwam daarna weer bij en zag geen uitgang, stiet zijn hoofd tegen de zerk in stukken zoals daarna in het openen van het graf bevonden werd. Hoeveel voorbeelden zou ik bij kunnen brengen van vrouwen die in de opstijging voor dood gehouden, begraven en zo gestikt zijn? Al dit kwaad komt de geneeskunst te hulp, zij bewaart het leven en gezondheid, zij brengt alleen de mensen dat goede aan en zonder die is ander goed nauwelijks voor goed te achten. Darius, die machtige monarch, toen hij aan een verstuikt en gebroken been met grote pijn te bed lag kon door geen macht, geen rijkdom en geen koninkrijken (die hij met hopen bezat) genezen worden, maar alleen door de kunst van een dokter, Democedes, die zijn gevangene was zoals Herodotus beschrijft.

 

 

 

 

 

 

 

 

Alexander de Grote die door de kou van de rivier Cydnus waar hij in gebaad had in groot gevaar was van sterven, zoals Curtius en Justinus verhalen, werd niet door de kostelijke schat die hij verschillende volkeren ontnomen had, maar alleen door de hulp van zijn getrouwe geneesmeester, Philippus, die waardig was om zowel vertrouwde ziekten met een drankje te ontmoeten dat bij al de anderen, behalve bij diegene op wiens gevaar het aankwam in achterdocht gehouden werd, tot zijn vorige gezondheid en sterkte gebracht. En zoals noch rijkdom, noch staat, noch iets anders dat bij de mensen in grote waarde gehouden wordt en de mens gezond kan maken, zo valt ook al het bezit ervan voor de ziekten niet nuttig en verdrietig. Wat zal iemand vermaken die een tafel van de beste spijs en een kwade en walgende maag heeft? Welk genoegen kan iemand hebben in een schone vrouw die voor of achter lam is? Wat helpen de kisten vol geld voor een die ziek te bed ligt? Want zoals de po粗t Horatius zeer goed zegt.

ヤHet vat moet eerst gezuiverd zijn of zoete most wordt zure wijn. Wat baat toch rijkdom enig man als hij die niet gebruiken kanユ.

En het goed is niet alleen geen goed en het gebruik ervan ongebruikelijk zonder de gezondheid, maar het leven, dat zoet is valt geheel onzoet omdat niet het leven, maar goed te gaan, zoals de po粗t Martialis zegt, het echte leven is. Dit is Pyrrhus, de grote koning van Lipirus, niet onbekend geweest. Die, zoals Lucianus verhaalt, toen hij de Goden offerde niet om meer koninkrijken of om victorie over zijn vijanden bad, om eer, geld, goed of andere dingen waar de mensen gewoonlijk zeer naar haken, maar eiste alleen gezondheid net alsof als hij die had het verdere wel zou volgen. Want als de Fortuin uit een volle schoot al haar gaven mild op ons uitstort en de gezondheid alleen ontbreekt dan zou van al het anderen geen volkomen gebruik of vermaak kunnen voortkomen. Hierom plag de filosoof (de eerste die zoユ n naam gevoerd heeft) Pythagoras in zijn brieven anders geen groeten te gebruiken dan ヤVaart welユ. Wat ook daarna zijn leerlingen gevolgd hebben omdat het lichaam en de ziel niet geschikter zijn en waarin al de tijdelijke voorspoed van de mens in gelegen is.

Maar daar de zaak zelf spreekt behoeft men niet veel woorden te maken omdat iedereen graag bekennen zal dat hij in de wereld niets liever, niets [5] aangenamer heeft, niets kostelijker acht dan die verborgen Schat der Gezondheid. En als dat dan zo gemakkelijk toegestaan wordt van de gezondheid van het lichaam zoveel meer moet het plaats hebben in het wel varen van het gemoed en de ziel en zoveel hoger moet de geneeskunst die beide bestiert onderhoudt en bewaart bij iedereen geacht en ge粗rd wezen. Er is zoユ n grote gemeenschap tussen ons lichaam en ziel dat ze elkaar al hun goed en kwaad steeds mede delen. De bewegingen van de ziel of ontroeringen des gemoeds maken verandering in het lichaam en aan de ander zijde het lichaam, zoals de wijze koning Salomon zei, die aan bederf onderworpen is bezwaard de ziel en de aardse woonplaats, onderdrukt de geest. Zulks ziet men niet alleen in dolle en razende koortsen en andere ziekten, maar ook in de dronken lieden waarvan de vermelde po粗t Horatius zeer geestig geschreven heeft in deze verzen.

ヤWat leert de dronkenschap al vreemde kuren drijven! Ze meldt dat niets dient, ze laat de vrienden kijven. Ze maakt dat menig mens ook zonder wapens vecht en doet ik weet niet wat al  er is tegen recht. Ze weet een bleke angst en droefheid af te breken, ze kan een trage tong bevallig leren spreken, ze wekt de geesten op en gunt een schamel man. Dat hij geweldig rijk en vrolijk schijnen kanユ.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hierom vermaant Plato met grote reden dat men het leven van de mensen een gelijke maat en overeenstemming van de ziel en lichaam dient te bewaren, beide gelijk en eenparig moet onderhouden zodat het een niet komt te groeien boven het ander en de gezondheid daar schade van komt te lijden. Dit doet de geneeskunst die niet alleen het lichaam, maar ook de ziel in de toom houdt. De manier en  genegenheden van ons gemoed volgen de gematigdheid van het lichaam net zoals na Aristoteles onze Galenus met een bijzonder boek geleerd heeft. Nu al hetgeen wat de gematigdheid van het lichaam kan veranderen wordt in de geneeskunst aangewezen zodat die niet alleen de gebreken van het lichaam, maar ook van de ziel verbetert. Ze recht de manieren, scherpt het verstand, versterkt het geheugen en maakt dat alle werkingen van de ziel vlijtiger gebeuren. Indien koning Cambyses door de vallende ziekte, zoals Herodotus schrijft, ontsteld van hersens werd en de raad van een trouw geneesmeester gedaan had zou hij niet geraasd hebben tot doodslaan van een zuster, broeder, vrouw en andere huisgenoten. Indien bij Caligula, zwak van lichaam en verstand, een goede geneesmeester geweest was om zijn hersens te matigen zoals hij zelf, naar getuigenis van Suetonius, voor had zou hij niet zoveel voortreffelijke mannen door vergif en beulshanden omgebracht hebben

Omdat dan, zoals nu verhaald is, de geneeskunst zowel onze ziel en gemoed als ons lichaam in een goede en gelukkige stand kan bewaren of herstellen is meer dan te verwonderen dat sommige deze hemelse kunst klein achten en de noodzakelijkheid om die te verwerpen. Indien onze tijd, zeggen ze, eens vast gesteld is en dat wij er niet onder of boven kunnen leven waartoe is dan de geneeskunst? Maar men moet weten dat diegene die onze tijd gesteld heeft ook meteen de middelen besteld heeft om tot zoユ n tijd te raken. Zo dat het gebruik van middelen gans niet tegenstrijdig tegen Gods voorbeschikking. Daarvan hebben we een levendig voorbeeld in de koning Hiskia in 2 Kronieken die, al was hij verzekerd door de boodschap van de profeet dat hij niet sterven zou, gebood evenwel een pleister van vijgen op zijn gezwel te leggen. De apostel leed schipbreuk ontrent het eiland Malta en wist goed dat niemand van diegene die in het schip waren blijven of een haar van zijn hoofd krenken zou, zag evenwel dat de bootsgezellen uit het schip wilden lopen en zei tegen de hoofdman en de krijgsknechten, als die niet in het schip behouden blijven dan kan u lieden niet behouden worden, Handelingen 27. Alzo zegt Cicero tot ons voornemen, in zijn boek van het noodlot. Indien het vast gesteld is dat de mens niet van een ziekte zal sterven dat het ook meteen vast gesteld is dat hij de raad van een goede geneesmeester moet gebruiken. Op dezelfde manier spreekt de wijze filosoof Seneca in de 36ste natuurlijke vraag van zijn 2de boek, al schijnt de gezondheid door het noodlot of Gods beschikking er te wezen, zo moet ze nochtans aan de geneesmeester toegeschreven worden omdat door zijn hand de weldaad van Gods beschikking ons gegeven is. Wij leven niet naar Gods besluit, dat ons verborgen is, maar naar zijn gebod. Die de geneeskunst veracht en zijn ziekte niet gebruikt en er op staat dat niemand voor zijn tijd kan sterven, die verzoekt God en veracht de middelen die hij tot bewaring van het menselijke leven gegeven heeft net alsof iemand zei, ik wil eten, noch drinken en zal daarom niet eerder sterven omdat mijn tijd vast gesteld is, dan hij zal wel gauw de straf vernemen van zijn dwaasheid.

 

 

 

 

 

 

 

Het schijnt van groter gewicht hetgeen sommige zeggen dat vele zieken die geen geneesmeester halen wederom bijkomen en andere die raad gebruiken van hun ziekte sterven. Op alle beide is eertijds bij de prins van de geneesmeesters geantwoord. En ten eerste dat sommige zonder raad [6] van de geneesmeesters genezen is de oorzaak omdat door henzelf iets bij toeval gedaan of gelaten is wat anders de geneesmeester naar de kunst bevolen zou hebben. Wat, zegt hij, in zijn boek van de kunst zeer duidelijk bewijst dat er zoユ n kunst is en dat ze onder de voornaamste gehouden moet worden omdat ook diegene die ze onbekend is door haar hulp de gezondheid verkrijgen. Wat het andere aangaat dat ze niet allen genezen worden die geneesmeesters gebruiken om niet te zeggen het algemene dat wat vaag is door een luis door gebeten kan worden en dat zulks vaak komt door de schuld van de zieke zelf dat hij de raad van zijn geneesmeester niet opvolgt, noch de middelen die hem voor geschreven zijn niet gebruikt. (opmerking, dus weinig vertrouwen stellen in de geneesmeesters maar voor de zekerheid wel halen) Waarop zeer aardig slaat hetgeen Celsus verhaalt van twee geneesheren die door de koning Antigonus bij een waterzuchtige gezonden waren waarvan de ene oordeelde dat de ziekte te genezen was en de andere ongeneesbaar. Waarover de koning verwonderd was en kreeg van de laatste tot antwoord dat zijn medebroeder gekeken had naar de ziekte die wel te helpen was, maar dat hij keek naar de zieke en goed wist dat die niet gezind was om zodanige geneesmiddelen in te nemen die hem nuttig en heilzaam zouden wezen. Dat de ziekte niet altijd opkomt gebeurt ook vaak door verzuim van diegene die hem dienen zodat hij daardoor dikwijls laat dat hem geboden is  en doet dat wat hem wel uitdrukkelijk verboden wordt. Het is niet genoeg, zegt Hippocrates in 1. Aphorisms 1, dat de dokter zijn ambt goed waar neemt maar het moet ook gebeuren van de zieke zelf en die er bij zijn en de uiterlijke oorzaken als wind, regen, geraas, droevige of blijde tijding en duizend andere moeten ook goed geregeld zijn. Daarboven zeg ik noch met de vermelde Hippocrates dat men van de kunst niet eisen moet wat ze niet voor geeft. Want de macht, zegt hij, die we door het werktuig van de natuur of van de kunst krijgen daar kunnen we ons meester van rekenen, maar van andere dingen niet. Indien dan de mens wat overkomt dat het werktuig van de dokter te boven gaat is zulks niet te hopen dat door de geneesmeesters overwonnen zal worden. Derhalve als de zaak niet naar wens gaat dan moet de schuld op de felheid van de ziekte die de kracht van de middelen te boven gaat niet op de kunst van de dokters gelegd worden. Dat een hoofd wat van het lichaam geslagen is niet wederom geheeld kan worden is niet te verwijten aan de onwetendheid van de meester maar op de kwetsing die de macht van de heelkunst te boven gaat. Wat de po粗t Ovidius zeer aardig aangewezen heeft in deze verzen die bij de eerwaardige en wel geleerde D. Jacobus Lydius aldus overgezet zijn.

 

 

 

ユHet is niet in de macht van kunst, noch medicijnen om de ziekte van de mens altijd te laten verdwijnen, het kwaad dat binnen schuilt is menigmaal te groot en met een stalen band geketend aan de dood. Een vijand die zich besloten houdt in de wallen heeft voordeel tegen hem die van buiten aan komt vallen, indien de long verrot is is het verloren werk laat komen wie er wil, de vijand is te sterk, de wonden in het hart, de oorsprong van het leven worden door geen kruid nog heilzaam sap verdreven. De boze waterzucht en het kwastig jicht willen door geen raad noch kunst genezen zijn. Al heeft een geestig brein zijn zinnen ingespannen om haar met alle macht uit de leden te bannen. De kunst is zonder kunst, er helpt geen wijsheid aan de wijsheid met de kunst die moet stil staanユ.

 

Want alzo zou de natuur zelf geen echte kunstenaars wezen die ook soms in haar oogmerk belet wordt, te weten als ze monsters of wanschapen lichamen voortbrengt. Zo mogen dan de lasteraars hun kwaad spreken wel nalaten dat de dokters niet altijd de zieken op de been helpen en derhalve diegene verachten die God geboden heeft te eren en wiens kunst in de H. Schrift gezegd wordt van de Allerhoogste gekomen te zijn. En willen ze dit niet aanhoren laat ze naar de beesten lopen die door ingeven van de natuur zichzelf genezen en alzo de noodzakelijkheid van de dokters bewijzen. Ziet men niet dat de honden als hun maag overladen is die ontlasten door gras te eten en dat de katten hun troost zoeken in de wilde Calamint die daarom kattekruid genoemd wordt? De zwijnen lopen naar de rivierkreeften en door die te eten genezen ze de hoofdpijn, zoals Plutarchus schrijft in zijn natuurlijke vragen. De schildpadden eten Origanum en de wezels wijnruit als ze van een slang gegeten zijn. De draak verheldert zijn duister gezicht door het slechte oog te wrijven tegen venkel. Zo wordt ook geschreven dat de zwaluwen het gezicht van hun blinde jongen verbeteren met stinkende gouwe die daarom χελιδόυιν, Hirundinaria of zwaluwkruid genoemd wordt. De beer die net uit zijn hol komt eet wilde kalfsvoet wiens scherpte bij hem de darm opent die dicht gegroeid was. Dezelfde als hij onlustig en walgt begeeft zich naar de holen van de mieren en steekt daar een vette en met zoetigheid bestreken tong uit totdat die vol van mieren komt en slikt die door waardoor hij geholpen is, zoals Plutarchus schrijft [7] op de verhaalde plaats als mede in zijn boek van de gauwigheid van de dieren. Waar hij ook vermaant (net zoals mede Plinius) van een vogel in Egypte die op een ooievaar lijkt en met name Ibis die als hij hardlijvig is met zijn kromme en lange bek zichzelf van achteren water inspuit wat door de Egyptenaren gezien en opgemerkt is en die hebben daarvan de klysmaユs in het gebruik gebracht. In hetzelfde Egypte is het Nijlpaard en als dat te zeer overladen is zich in het scherpe riet rolt totdat hij een ader kwetst en alzo zijn lichaam ontlast (dat anders slecht gesteld zou wezen) door het aflopen van het bloed en sluit dan de opening met slijk van de rivier zoals, behalve Plinius, de tegenwoordige vaarten in die landen getuigen. Dit dier wijst met zijn voorbeeld hetzelfde aan dat Hippocrates leert in zijn korte spreuken, te weten dat een opgevulde gestalte van het lichaam zeer gevaarlijk is en daarom zonder uitstel ontlast moet worden waaruit de noodzakelijkheid van het ader laten bewezen wordt. Sommige behelpen zich met vasten wat mede een goed geneesmiddel is. Zo verhaalt Plutarchus dat de wolven en leeuwen, als ze overladen zijn van te veel vlees eten stil en warm bij elkaar gaan liggen om zo zonder eten beter te verteren hetgeen ze vraatzuchtig opgeslokt hadden. Ja, men zegt ook dat de heelkunst die met het werk van de handen doen geoefend wordt door de olifanten die bij de gekwetste beesten staan en schichten, pijlen, spiezen of iets anders uit hun wonden trekken en zulks zonder enig scheuren of beschadiging. Mizaldus schrijft dikwijls gezien te hebben dat de muizen dapper lopen naar de wortels van mariolein als tot een heilzaam geneesmiddelen, maar bekent niet te weten tegen welk gebrek ze die eigenlijk eten.

 

 

 

 

 

De geiten in het eiland Candia (Kreta) (wat in oude tijden Dictanum plag te heten waar dit kruid zijn naam van heeft) omdat ze de Dictamnus gegeten hebben en de flitsen of pijlen waar ze mee beschoten waren gemakkelijk uitwierpen (want zodra ze voelen dat ze gekwetst zijn lopen ze terstond naar dat kruid toe) en hebben zwangere vrouwen gelegenheid en oorzaak gegeven om te letten en op te merken dat het de kracht had om de vrucht af te drijven. Omdat dit in onredelijke dieren op te merken is hoe menen dan zulke mensen dat ze met verstand en reden voorzien zijn om tegen het gebod van de H. Schift te spartelen en de wereld proberen wijs te maken dat de natuur of liever God zoveel kruiden tevergeefs heeft laten groeien of dat hij de mens die naar zijn evenbeeld geschapen is aan de kwalen en kwellingen van zovele ziekten overgegeven zoude hebben zonder enige troost of verlichting? Laat tegen deze dit ook een groot bewijs zijn van de noodzakelijkheid van de geneeskunst dat er nauwelijks enig volk gevonden wordt in welke hoek van de wereld het ook zij die zich niet met enige wetenschap van kruiden en genezing bemoeien. Hoe zou nu iedereen zo vaardig tot deze wetenschap gekomen zijn, tenzij door een verborgen ingeven van de natuur om het gebruik en de noodzakelijkheid gedwongen was daarover bekommerd te zijn? Elke mens wil een geneesmeester wezen en elk wil allen raad geven zodat er geen staat van mensen meer in de wereld is dan geneesmeesters. Waarvan ik een genoeglijke historie zal verhalen. Men zegt dat de hertog van Ferrare, Alphonse da Lsie, eens in gewone praat op de baan bracht van welke staat of ambacht er de meeste gevonden worden. De ene zei snijders, de anderen schoenmakers, de derde timmerlieden en zo verder, elk wat anders. Gonel de gek stond er bij en zei dat er meer doctoren waren dan enige andere soort van mensen en wedde daarover met de hertog, zijn meester (die zulks zeer ver verwierp) dat hij het binnen 24 uren bewijzen zou. De volgende dag ヤs morgens gaat Gonel uit zijn huis met een grote slaapmuts op het hoofd en een servet om zijn kin, de hoed daar bovenop, de mantel om de oren geslagen en neemt zo zijn weg door de Engelstraat naar het hof. De eerste die hem tegen komt (net zoals de gekken veel kennissen, vrienden en verwanten hebben) vraagt wat hem schort, hij antwoordt een dolle pijn in de tanden. Ha, kameraad (zegt de ander) ik weet de beste raad van de wereld die hij hem ook geeft. Gonel tekent de naam in een tafelboekje op en veinst alsof hij de raad opschrijft. Een stap er vandaar vindt hij er twee a drie bijeen die hetzelfde vragen en elk geeft hem een geneesmiddel. Hij schrijft hun namen op net zoals van de eerste. En ging verder en ontmoette niemand die hem niet een bijzondere raad gaf en elk zei dat zijn raad de beste was. Hij tekent alle namen aan. Hij komt in het beneden hof en iedereen loopt rondom zijn lijf en geeft alle raad van boven neer. Hij bedankt ze en tekent ze al mede op. Toen hij in de kamer van de hertog kwam, dan roept zijn hoogedele van ver, Gonel wat schort u? Hij antwoordt heel verdrietig, de grootste pijn in de tanden van de wereld. Waarop zijn hoogedele zegt, ik heb een raad van mijn doctor die de pijn terstond over zal laten gaan al was de tand geheel bedorven. Doet dit en dat en ge zal op staande voet gebeterd zijn. Terstond wierp Gonel zijn muts en doek op de vloer en riep, mijn heer, ge bent ook een doctor, ziet hier mijn rol [8] hoeveel dat ik er gevonden heb van mijn huis tot het uwe. Er zijn er bijna twee honderd en ik ben noch maar door een straat gegaan. Ik wil wedden dat ik er meer dan tien duizend in deze stad vindt indien ik overal zou gaan. Brengt me eens zoveel personen van enig ambacht of staat. Aldus heeft de gek de weddenschap gewonnen. En de waarheid hiervan wordt mede onder ons elke dag ondervonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar hetgeen dat tot hoger lof van de geneeskunst strekt is dat het van alle oudheid af aan waardig geacht geweest is om bij de voortreffelijkste lieden van verstand en hoge staat te beoefenen. Wijsgerige prinsen, koningen en keizers. De eerste geneesmeesters waren de filosofen of wijzen en eertijds werd de dokter, zoals Celsus schrijft, voor een deel van de wijsheid gehouden zodat het genezen van de ziekten en het onderzoek van de natuurlijke dingen onder die auteurs geboren is. Homerus, die bij velen de bron van alle wijsheid gehouden wordt, heeft zich veel bemoeid met de kennis van de geneeskunst, zoals Plutarchus getuigt en uit zijn schriften zelfs volkomen blijkt en de andere prins der po奏en, Virgilius, wordt door Donatus beschreven veel arbeid in de geneeskunst gedaan te hebben. Onder de oude prinsen en koningen die in deze kunst geoefend zijn geweest vinden we Jason, Achilles, Hermes, Zoroaster, Chriron, Salomon, de keizers Antonini etc. Van Alexander de Grote schrijft Plutarchus dat hij niet alleen door zijn meester Aristoteles enige kennis had van de geneeskunst, maar dat hij ook zelf sommige van zijn vrienden genas. Dan ging die allen te boven de grootste koning naast Alexander, zoals hem Cicero noemt, Mithridates, die noch de zorg, noch de moeite om zoveel koninkrijken te regeren en om zulke grote oorlogen tegen de Romeinen te voeren niet van de medicijnen hebben kunnen aftrekken. De dappere daden van deze held worden misschien in de histori創 door weinige gelezen, maar vanwege zijn vinden van tegengiften waarvan noch een op de huidige dag zijn naam en faam draagt werd hij door de gehele wereld bij alle mensen vermaard. Dezelfde onsterfelijkheid van naam die de koninkrijken niet kunnen geven hebben van de kruiden ontvangen Gentius, Lysimachus, Artemisia en anderen. We vinden noch van verschillende andere koningen die de geneeskunst door hun uitvindingen voortgeplant hebben zoals de koning der Meden, Sabor, waarvan Mesue vele geneesmengsel beschreven heeft die we noch alle dagen gelukkig gebruiken. En deze Mesue zelf was een koningszoon van Damascus. Euox, koning van de Arabieren, heeft aan de keizer Nero geschreven van de kracht van de kruiden. Maar de gehele geneeskunst is in een groot boek vervat bij Avicenna, prins van Cordua. En net zoals het geen kleine eer is voor deze kunst dat ze altijd bij de wijste volkeren wijsgerige en prinsen in eer gehouden is is die noch duidelijk groter dat ook de Engelen des Heren zich er mee bemoeid hebben. Hiertoe lezen we dat de jonge Tobias van de Engel leerde de ogen van zijn vader te verlichten met de gal van een vis, een middel dat noch heden gebruikelijk is, bij de Evangelist Johannes beroert de Engel het water waarmee de eerst inkomende genezen werd. En om nu de Evangelist Lucas, de Apostelen, profeten en andere heilige mannen over te slaan is het de grootste roem dat onze Heer en Zaligmaker uit alle andere kunsten deze alleen gekozen heeft om zijn Goddelijke kracht daarmee te betonen. Want een groot deel van de tijd die hij hier op de aarde wandelde heeft hij bij de zieken besteed en de felle vijanden van het menselijke geslacht, dolheid, vallende ziekte, beroerdheid, blindheid en rode loop overwonnen. En er zijn er die zeggen dat de zoeten naam Jezus, waarin alle knie創 buigen, zijn benaming in het Grieks zou hebben van een woord dat genezen betekent omdat hij onze zwakheid en gebreken geneest en te hulp komt.

 

 

 

 

 

 

 

Het is ook de geneeskunst niet genoeg geweest zelf hoog vereerd te worden, maar brengt haar voedsterkinderen mee tot de grootste eer en rijkdommen. Democedes, van wie verhaald is dat nadat hij de koning Darius genezen had van een gevangene zoals hij was een heel rijk en wel gesteld man en zat met de koning aan tafel zoals bij Herodotus te lezen is. En hetgeen dat Galenus van zichzelf verhaalt dat hij met vier honderd gouden kronen vereerd werd toen hij de burgemeesters Boethius huisvrouw genezen had is niet zoユ n wonder als dat doctor Thaddaeus van Florence die buiten reisde elke dag vijftig kronen ontving en Paus Honorius genezen heeft en tien duizend kronen mee bracht. Zoveel gaf onder andere geschenken Lodewijck de elfde, koning van Frankrijk aan zijn geneesmeester Jacques Coctier en daarnaast noch ambten voor zijn vrienden (wat ook door prins Maurits, loffelijke memorie, gevolgd is) zoals Philips de Commines in zijn historie verhaalt. Als we lezen dat Carpensis en Capivaccius zoユ n grote schat alleen al uit de pokken verzameld hebben verwonderen we ons dan dat de knullige doctor Rabelais die happige vogels heel kostbaar noemt? ヤVerolez tres-precieuxユ. Het is nog niet zo lang geleden dat Philips de tweede, koning van Spanje, van een koorts van zeven dagen genezen is en zijn dokter, Fracisxo Vallesio, boven de jaarlijkse wedde, [9) zes duizend kronen toestond welke gift hij niet versmaadde (men zou er wel meer vinden) maar graag aannam en daarbij deed dat zoユn grote koning machtig genoeg was om noch meer te kunnen geven. Catharina de Medicis, koningin van Frankrijk, die vruchtbaar gemaakt was (zoals we hiervoor verhaald hebben) door dr. Fernelius schonk hem boven andere gaven voor elk kind dat ze kreeg tien duizend kronen, dat is van ons geld dertig duizend gulden en dit gebeurde tien maal zodat het even op een ton goud uitkwam. Derhalve wel waar is hetgeen men gewoonlijk zegt dat ヤGalenus opusユ, de geneeskunst rijk maakt. Daarboven is ook de deur van eer en staat voor de dokter niet gesloten. De grootste eer bij de heidenen was onder het getal der Goden gesteld te worden. De Romeinen hebben het hun keizers gedaan. Bij alle oudheid zijn diegene die door de geneeskunst van het menselijke geslacht het wel verdiend hadden om na hun overlijden voor Goden ge粗rd te worden, zoals ook van Apollo en Aesculapius hiervoor gezegd is. Hippocrates kwam te Abdera om Democritus te genezen en werd door alle burgers ontmoet en voor een beschermer en vader van het vaderland begroet. Dezelfde is over grote en Goddelijke eer door de raad en het volk van Athene bewezen. Galenus is in zeer groot aanzien te Rome bij de keizers en de raad gehouden geweest en na zijn dood bij velen voor een God gehouden, zoals Eusebius getuigt. Julius Caesar heeft alle geneesmeesters die te Rome waren omdat ze, zoals Suetonius schrijft, zelf zoveel liever in de stad wonen zouden en dat anderen daardoor gelokt zouden worden het burgerrecht geschonken wat toentertijd een grote eer was die aan weinige gedaan werd zoals we uit Tacitus weten. Van Antonio Musae, omdat hij keizer Augustus van een zware ziekte verlost had, hebben de Romeinen een koperen beeld opgericht en die naast het beeld van Aesculapius gezet. Plinius verhaalt noch van verschillende andere geneesmeesters die te Rome in grote eer en waarde gehouden geweest zijn. Maar om op de ouden niet te lang te blijven staan, in wat voor achting zijn de doctoren in Engeland, Frankrijk en Spanje en in de moeder van de geleerdheid Itali? Waarin ik er verschillende gekend heb van de orde der ridders en de histori創 verhalen dat er onder de hertogen van Genua zeven doctoren geweest zijn. Petraeus, die naar zijn vaderland de Spanjaard genoemd werd en vermaard door enige schriften in deze kunst, is eerst bisschop en daarna Paus geworden met de naam van Johannes de een en twintigste, tot dezelfde hoogheid van de geneeskunst is verheven geweest Nicolaes de vijfde door wiens toedoen en gezag de lang begraven letters en geleerdheid in Itali eerst opgekomen is zodat we niet behoeven om hier nu bij te brengen Lodewijck, Patriarch van Aquilegien, en van Eugenius die als vierde kardinaal gemaakt is, noch Paulus Jovius, dokter en vermaarde historieschrijver met het bisdom van Nocera, noch verschillende geneesheren in Engeland die met de bisschoppelijke staf vereerd of anderen met andere waardigheid voorzien zijn. Ja, bij de Turken zelfs ontbreken de dokters geen grote staten zoals enige jaren geleden gezien is in ene Bartholomeus het hart, dokter van de Turkse keizer en uit zijn naam voor ambassadeur gezonden naar Henrick de vierde, koning van Frankrijk, zulks is ook lange tevoren gedaan door keizer Justianus aan de koning van de Perzen zoals Procopius verhaalt. Maar wat behoef ik veel van de uitheemse bij te brengen waar we zien dat in ons eigen vaderland de doctoren schouten, burgemeesters, schepenen, raden van staten, gecommitteerde raden van Holland worden en verschillende andere hoge staten bekleden? Wat in onze stad sedert ontrent honderd jaren na mr. Willem Stoop, schepen en burgemeester en mr. Pieter van Forest in de raad omdat de dokters hier meestal vreemdelingen waren is blijven steken totdat de oude eer der dokters wederom opgehaald is in de persoon van deze auteur en de wel achtbare en vermaarde heer dr. Cornelis van Someren.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier behoeft geen nijdigaard met een vergalde tong op te werpen dat aan de geneesmeesters te grote gaven gegeven en te grote eer wordt aangedaan. Want er is geen eer met het leven, geen gave met de gezondheid te vergelijken. En dat zijn de gaven die de mensen door de handen van de dokters ontvangen. Gaven daar voor iedereen niet gemakkelijk aan te komen is om uit te delen, maar die alleen door sommige en noch met grote moeite en arbeid verkregen worden. Die er niet aan wil en meent dat het met een praatje bij de wijven te doen is bedriegt niet alleen zichzelf, maar dat noch erger is, ook zijn evennaaste met wiens gezondheid en leven hij lichtvaardig en goddeloos speelt en niet anders, zoals men gewoonlijk zegt, als de kat met de muis. Zulke doctoren heeft Hippocrates eertijds vergeleken bij de kamerspelers die de persoon van koningen en prinsen spelen zonder nochtans zodanige te wezen, eveneens, zegt hij, er sommige onder de doctoren gerekend worden die alleen de persoon van diegene spelen en zijn niet meer voor doctoren te houden dan de kamerspelers voor grote heren die ze op het toneel uitbeelden. Maar diegene die voor vrome, geleerde en ervaren (deze drie moeten altijd tezamen gaan) dokters willen [10] uitgaan en inderdaad ook zijn moeten, zoals Hippocrates leert, van al deze dingen deelachtig zijn, natuur, geleerdheid, plaats om te studeren, opvoeding, verstand en tijd. Hiervan moet hij voorzien zijn die met eer en achting bij anderen en met een goed en gerust gemoed voor zichzelf het beoefenen van de geneeskunst bij de hand zal nemen.

Vooreerst is een goede en geschikte natuur nodig. Want zoals het spreekwoord zegt, zendt een kat in Engeland en ze zal miauwen als ze wederom komt. Zo zal mede niemand, hoe goede meesters hij ook heeft, die tot een ezel van naturen geboren is wat bijzonders worden. Zulks is tot voorbeeld eertijds gezien in de zoon van de vermaarde Cicero die de vader bestelde om te studeren in de beste plaats van de wereld, te weten Athene, en bij de beste en geschiktste meester, te weten Cratippus, zoals hij zelf zegt in het begin van zijn Officien. Maar het was alles om niet omdat de natuur tegenviel wat uitvoerig onderzocht en aangewezen wordt bij doctor Huarte in zijn Spaans boekje van het onderzoek van de verstanden. We zeggen wel het zijn kwade putten waar men het water in moet dragen. Maar als de natuur geschikt is en tot alle goeds zelf de weg baant, dan kan de geleerdheid aangenomen worden en dat door goede onderwijzing van jongs af aan en in een plaats die daartoe dient. Hierbij moet arbeid van een lange tijd komen zodat hij leert  en goed opgroeit en voldragen rijpe vruchten voortbrengt. Want net zoals hetgeen dat uit de aarde voortkomt schijnt het ook te staan met de wetenschap van de geneeskunst. Onze natuur is als een akker, de leringen van onze meesters zijn als het zaad. Het onderwijzen van jongs af aan is net zoals het zaaien op zijn tijd en de plaats die tot het leren geschikt is is de lucht waarvan de dingen die uit de aarde spruiten hun voedsel trekken. Naarstig studeren is de land bebouwing. En de tijd brengt dit alles tot volkomen voedsel. Die dit dan alles tezamen bij elkaar heeft en de akker van zijn goede natuur heeft bezaaid in de beste scholen met verschillende talen en vooral de Griekse en Latijnse, ook alle kunsten waarop de geneeskunst haar gronden legt en met name de natuurlijke wetenschap volkomen begrijpt die hierbij het voornaamste dat van alle tijden door de voortreffelijkste geneesmeesters onderzocht en beschreven is naarstig gelezen heeft en de kunst zelf naar haar voorschrift en zijn oordeel tot troost, gezondheid en welvaren van zijn evennaaste gelukkig beoefend, zo een is voorwaar een geneesmeester niet met woorden, zoals Hippocrates spreekt, maar met de daad en mag met reden door zijn kunst verhoogd en groot gemaakt worden bij vorsten en heren zoals de Schrift spreekt in Eccle. 38.

 

 

 

 

 

Op zo een mag men zijn gezondheid en leven wel met gerustheid vertrouwen en geloven dat hij niet alleen de gezondheid kan bewaren en de ziekte genezen, maar ook het leven op natuurlijke wijze verlengen. Net zoals onder andere wijsgerige Democritus die zich met de geneeskunst zeer goed verstond met zijn eigen voorbeeld bewezen heeft. Die toen hij van ouderdom bezweek en op zijn sterven lag zijn zuster zeer bedroeft zag omdat ze door zijn overlijden het aanstaande feest van de Godin Ceres niet zou kunnen houden en gebood haar wel tevreden te zijn en hield zichzelf noch in het leven totdat het feest over was door de reuk van honig of zoals anderen zeggen van warm brood en ontsliep alzo zachtjes na drie dagen toen hij honderd en negen jaar oud geworden was. Dergelijke dingen zien we de geneesmeesters elke dag doen als zij die van zichzelf zijn of schijnen te sterven wederom laten bijkomen en noch groter als ze de onvruchtbaarheid helpen en maken dat er mensen geboren worden waar de natuur zelfs zulk verboden scheen te hebben. Welke kunst kan zich dan met deze Goddelijke macht van de dokters vergelijken, is er wel een onder de kunsten die zoユ n wonderbare werking kan voort brengen? Nu al is het dat de dokters uit het vergelijken met andere kunsten hun lof niet behoeven te rapen, noch uit het verkleinen van andere wetenschappen zichzelf groot te maken kan ik evenwel niet nalaten tot besluit enige bedenkingen kort aan te roeren tot dienst van diegene die zich beraden welke studie ze zullen aannemen. Die in de rechten gaan studeren hebben voor of zich met pleiten en de oefeningen die daartoe behoren te generen of tot staat en ambten te raken. Het ene is heel langzaam werk, het ander vereist het gewicht van vele vrienden net zoals die vaak door sterven ondertussen ontvallen of dat die door verandering uit het gezag komen. Dan in de medicijnen is er geen ijdele hoop, geen lang wachten, maar terstond de winnende hand. Die is aan niemand onderworpen, ze hangt aan niemands haat of gunst, ze vreest geen ballingschap of armoede. Een advocaat die veel te doen zal hebben moet heel kloek zijn en goed ervaren. Een dokter raakt terstond in het werk, altijd is er de een karig of de ander die graag de eerste wil zijn zonder veel zijn geschiktheid te willen onderzoeken. Voor onze advocaten zou er in Engeland geen plaats zijn of elders omdat ze daar andere wetten hebben. Voor onze predikanten zou het in Itali of Spanje te heet zijn. Maar een geneesmeester draagt zijn schat bij zich door de gehele wereld, hij is alleszins aangenaam en welkom waar mensen zijn. In het kort, de geneeskunst geeft eer, rijkdom, vrienden en zulks zonder lang vertoeven en in alle plaatsen van de wereld. [11]

 

 

WEERLEGGING VAN MICHIEL DE MONTAIGNE Over de Noodzakelijkheid van de Geneeskunst.

 

WEDERLEGGINGE

VAN

MICHIEL DE MONTAIGNE

Over de Nootsaeckelickheyt der

Genees-konste

 

Clarissimo, Amplissimoque Viro

D. JANO BEVEROVICIO

SCABINO, & Medico Excellentissimo

CORNELIUS a SOMEREN

S.P.D.

 

Vir magne, omigenas penetrans feliciter artes. Hic etiam meritis praemia feres. Quid feci, tanto cur me digneris honore? Officio id nullo me meruisse scio. Sordidulo tantum docta haec modulamine canto. Nec longe in terris carmina nostra sonant. Tu tamen exiguis stimulum canatibus addis. Et tibi quam mens sit docta. Benigna, probas. Non me deterrent mordacis dicta maligni. Dum, Mysta, arrident carmina nostra tibi. Nihil metuam, in vanas torquent, sua pectora a curas. Namque fatis, JANO Iudice, tutus ero. O ! utinam dignis possem tua nomina chartis. Atque apta laudes dicere voce tuas! Iam saltem, facilis, potuit quae ludere avena. Accipe sed meritis feriora tuis. [11]

 

Aen den

HOOGH-GELEERDEN Heere

Dr. Johan van Beverwyck.

Montaigne, die weleer, tot schrijven uyt-gelaten. Hebt maer u best gedaen, de beste Konst te haten. Te treden mette voet, die menschen doet bestaen. Komt hier, en letter op, hoe u dit wil vergaen. Hier wert ghy aen-getast met ongemeene pennen. Die waerheyt gaende maekt, en uwe rancke kennen. Die uwe stoutigheyt, of wel u spreeuwery. Met ernst het spitse bieユn, en brengen in de ly. Beroemde Beverwijck, die mijn kleyne beken. Die uytten Helicon in mijne schaften leken. Hoe dorre datse zijn, doet vloeyen wederom. En opent my de mont, tot aller dichten stom. Toont nu wie dat ghy zijt, en doet de Werelt weten. Na dat ghy in de Konste veel jaren hebt versleten. Dat sy haer gronden heeft, die vast en seker gaen. En dat haer tegen-weer is maer een yele waen. Een mist van onverstant, die als de Son komt schijnen. Niet lange kan bestaen, maer moet in de haest verdwijnen. Soo sal, vertrouwtet my, indien ghy my voldoet. Mijn beeck, hoe kleyn sy is, opstijgen in de vloet. En doen mijn dorstigh hert, met ongemeene togen. Sich lessen dagelicx, soo dat ick op-gevlogen. Veel hooger, als ick oyt te vliegen ben gewent. Sal heffe uwen naem tot aller namen endt. [12]

 

 

Aen

DEN VERMAERDEN, ENDE ACHTBAREN HEERE

DR. CORNELIS VAN SOMEREN

Scheepen, ende Medicijn der Stadt Dordrecht

 

Vermaerde, ende Achtbare Heere.

De Prince, ende het opperhooft van onse ordre, Hippocrates, schrijft in sijn boeck van de Konste, met ware woorden, datter sommighe Menschen gevonden werden, die voor een Konste houden, de Konsten, ende Wetenschappen te verachten, ende dat soodanighe even-wel tot het gene, sy voor hebben, niet en geraken, maer alleen haer verstant (ofte veel liever haer onverstant) daer in ten toon stellen. Onder sulcke mogen wy wel rekenen (alsoo hy ons niet weynig op den teen getreeden heeft) den Heere Michiel de Montaigne, medebroeder in de Ridderlicke ordre van S. Michiel, met onsen grooten vrient Heer Adriaen van Blyenborgh, Schout deser Stede. Die oock in zijn leven seer veel plagh te houden van den gemelten Heere van Montaigne, zijn schildery in de sael, ende zijn boeck veeltijdts in de hant hebbende. Dit boeck ユt welck den Auteur in de Francoische spraeke geschreven, ende Les Essais, ofte Prouven in-geschreven heeft, wert by vele seer veel geacht, ende de wijsheyt, die daer in steeckt, tot den Hemel toe verheven. Het is verre boven mijn begrip over de Schriften van soo treffelicken Heer oirdeel te strijcken: dan ick en kan hem even-wel voor geenen Francoischen Thales aen-nemen (gelijck onsen Lipsius doet) soo veel belanght het gene, hy door eenen aen-geboren haet (ユt welk hy selfs niet en ontkent) op het 36 Capittel van sijn tweede Boeck by-brenght teghens de nootsakelickheyt van de Genees-konste. Ende alsoo de Menschen geseyt werden nergens gevoeliger te zijn, als wanneer men haer aen de Tasch komt: soo heb ick oock goet gevonden voor de Konste, die ons geen windt-eyeren en leyt, wat te spreken, ende sijn Redenen, nae vermoghen, van onredelickheyt te overtuygen. De wel-gemelte, ende by my altijdt van bitter-soete gedachtenis, Ridder Blyenborgh, versocht sulcx op my nu veel jaren geleden, ende ユt gene ick doen in ユt Latijn haestelick op ユt papier geworpen hadde, las ick hem, aen ユt Graveel leggende, des anderen daeghs voor, waer door hy, een groot lief-hebber zijnde, ende selver in mijn beuselingen vermaeck scheppende, sijne pijn wat scheen te vergeten. Die Wederlegginge is daer nae, met mijn Latijnsch gespreck over den Lof der Genees-konste, in druck uyt-gegeven. Ende alsoo het selve over eenige jaren mede in onse tale over-geset is, ende nu hebbe ick niet ondienstigh konnen vinden, het selve oock te doen vergeselschappen met de Wederlegginge van de Bewijs-redenen, die Montaigne onse Konst tegen-werpt, ende waer mede hy de nootsakelickheyt van de selve soeckt gantsch wech te nemen. De Francoischen Historyen verhalen van Iean Petit, den grooten Predikant genoemt, dat hy voor Carel de VI Koningh van Vranckrijck, sittende in sijnen Raedt, onschuldighde, ende sprack voor den moort, die Hertogh Ian van Bourgoigne (vader van Philips de Goede, Grave van Hollandt, &c) hadde doen begaen, aen den Hertogh van Orleans sijnen neve, vast-maeckende sijne reden in ユt beginsel van ユt Gespreck (het welck tot verwonderingh over de slechtigheyt van de man, ende dien tijdt, te lesen is in de Francoische Historye van Monstrelet, ende de Recherches van Etienne Pasquier) op de jaerlicksche weddens, die hy trock van den Hertogh van Bourgoigne, ende derhalven gehouden was hem in alles voor te staen, ende te verdedigen. Voorwaer een bondige reden? Maer heeft het jaerlicx voordeel voor dien grooten Predicant genoegh geweest, om een quade sake goet, ende van krom recht te maken: waerom en souden wy de edele Genees-konste, die uyt den hemel gedaelt is, ende ons dagelijcks mede wat in de keucken stort, niet tegens hare verachters derven staende houden? Dan alsoo sulcx noch teghens Montaigne by niemandt gedaen en is, ende sijne schriften hier te lande vele gelesen werden, [13] soo sal ick tegens hem te velt komen, om voor ons Autaren ende keuckens (gelijck het Latijnsche spreek-woordt seyt) te strijden. Wy lesen van den wijs-gerigen Heraclitus, dat hy straffe geleden heeft over het verachten van de Genees-konste. Want alsoo hy seer hooghmoedigh was, ende een yegelick verachte (gelijck Laertius schrijft) water-suchtigh geworden zijnde, en wilde hy noch raet, noch nae Genees-meesters, die hy bespotte, eens luysteren, maer streek sijn lichaem met Ossen-misch, ende ginck so in de son, om te droogen leggen slapen. Waer over hem de Honden quamen verscheuren. Onsen strijdt en sal so qualick niet af-loopen, die niet met Honts-tanden, noch hontsche manieren, maer met een sachte, ende beleefde pen wert aengevangen. Ick hebbe my de eere willen geven, soo om dat de luyster van UE vermaerden naem dit bedwelmende schrift soude verlichten, als mede om UE over dese stoffe best kont oirdeelen, UE dit toe te eygenen. Ick en meene oock niet, dat ick veel behoeve te vreesen van beschuldight te worden, UE hier Rechter te stellen in sijn eyghen saeck: alsoo de Werelt sulcx al gewent behoort te wesen, ende dat in grooter dingen, die niet aen den Pols, maer vry wat nae den Mutsaert ruycken, ユt selfde al meerder gebeurt is. Wy komen nu tot de saeck, ende om te vertoonen, dat in zijn Voorstel niet verandert en is, (gelijk sommige wel konnen, als sy de woorden, van de gene die sy weder-leggen, nae haren sin verdraeyen) ofte dat de swackste krijghs-knechten niet uyt gekipt en zijn, soo sal ick sijn eygene woorden hier in onse tale stellen, ende sijne redenen, volgens sijn eygen ordre, soeken te weder-leggen.

WEERLEGGING

VAN

MICHIEL DE MONTAIGNE

Over de Noodzakelijkheid van de

Geneeskunst.

 

Clarissimo, Amplissimoque Viro

D. JANO BEVEROVICIO

SCABINO, & Medico Excellentissimo

CORNELIUS a SOMEREN

S.P.D.

 

ヤVir magne, omigenas penetrans feliciter artes. Hic etiam meritis praemia feres. Quid feci, tanto cur me digneris honore? Officio id nullo me meruisse scio. Sordidulo tantum docta haec modulamine canto. Nec longe in terris carmina nostra sonant. Tu tamen exiguis stimulum canatibus addis. Et tibi quam mens sit docta. Benigna, probas. Non me deterrent mordacis dicta maligni. Dum, Mysta, arrident carmina nostra tibi. Nihil metuam, in vanas torquent, sua pectora a curas. Namque fatis, JANO Iudice, tutus ero. O ! utinam dignis possem tua nomina chartis. Atque apta laudes dicere voce tuas! Iam saltem, facilis, potuit quae ludere avena. Accipe sed meritis feriora tuisユ. [11]

 

Aan de

HOOG GELEERDE Heer

Dr. Johan van Beverwyck.

ヤMontaigne die weleer tot schrijven heeft uitgelaten. Heeft maar zijn best gedaan om de beste kunst te haten. Te treden met de voet die mensen laat bestaan. Komt hier en let er op hoe u dit zal vergaan. Hier wordt ge aangetast met ongemene pennen. Die waarheid gaande maakt en uw ranken kennen. Die uw stoutigheid ofwel uw schreeuwerei. Met ernst het spitse bieden en brengen in de lij. Beroemde Beverwijck die mijn kleine beken. Die uit de Helicon in mijn schaften lekken. Hoe dor dat ze zijn laat vloeien wederom. En opent mij de mond, tot aller dichten stom. Toont nu wie dat ge bent en laat de wereld weten. Nadat gij in de kunst veel jaren hebt versleten. Dat ze haar gronden heeft die vast en zeker gaan. En dat haar tegenweer is maar een ijle waan. Een mist van onverstand die als de zon komt schijnen. Niet langer kan bestaan, maar moet in de haast verdwijnen. Zo zal, vertrouw het me toe, indien gij mij voldoet. Mijn beek, hoe klein ze is, opstijgen in de vloed. En doen mijn dorstig hart met ongemene teugen. Zich lessen dagelijks, zodat ik opvlieg. Veel hoger dan ik ooit te vliegen ben gewend. Zal verheffen uw naam tot aller namen end.

 [12]

 

Aan

DE VERMAARDE EN ACHTBARE HEER

DR. CORNELIS VAN SOMEREN

Schepen en Doktor van de Stad Dordrecht.

 

ヤVermaarde en achtbare heer.

De prins en het opperhoofd van onze orde, Hippocrates, schrijft in zijn boek van de kunst met ware woorden dat er sommige mensen gevonden worden die het voor een kunst houden de kunsten en wetenschappen te verachten en dat zodanige evenwel tot hetgeen ze voor hebben niet raken, maar alleen hun verstand (of veel liever hun onverstand) daarin ten toon stellen. Onder zulke mogen we wel rekenen (omdat hij ons niet weinig op de tenen getrapt heeft) de heer Michiel de Montaigne, medebroeder in de ridderlijke orde van Sint Michiel met onze grote vriend heer Adriaen van Blyenborgh, schout van deze stad. Die ook in zijn leven zeer veel plag te houden van de vermelde heer van Montaigne die zijn schilderij in de zaal en zijn boek vaak in de hand heeft. Dit boek, wat de auteur in de Franse spraak geschreven heeft en Les Essays of proeven geschreven heeft, wordt bij velen zeer veel geacht en de wijsheid die daarin steekt tot de Hemel toe verheven. Het is ver boven mijn begrip over de schriften van zoユ n voortreffelijke heer oordeel te strijken, dan ik kan hem evenwel voor geen Franse Thales aannemen (zoals onze Lipsius doet) zoveel aangaat hetgeen hij door een aangeboren haat (wat hij zelf niet ontkent) in het 36ste kapittel van zijn tweede boek bijbrengt tegen de noodzakelijkheid van de geneeskunst. En omdat er gezegd wordt dat de mensen nergens gevoeliger voor zijn dan wanneer men hen aan de knip komt heb ik ook goed gevonden voor de kunst die ons geen windeieren legt wat te spreken en zijn redenen naar vermogen van onredelijkheid te overtuigen. De wel vermelde en bij mij altijd van bitterzoete gedachtenis, ridder Blyenborgh, verzocht me zulks nu vele jaren geleden en hetgeen ik toen in het Latijn haastig op het papier geworpen heb las ik hem die aan niergruis lag de volgende dag voor waardoor hij die een groot liefhebber was en zelfs in mijn beuzelingen vermaak schepte zijn pijn wat scheen te vergeten. Die weerlegging is daarna met mijn Latijns gesprek over de lof der geneeskunst in druk uitgegeven. En omdat het ook enige jaren geleden mede in onze taal overgezet is heb ik het geschikt gevonden het ook samen te laten gaan met de weerleggen van de bewijsredenen die Montaigne onze kunst opwerpt en waarmee hij de noodzakelijkheid ervan probeert geheel weg te nemen.

 

 

 

 

 

De Franse histori創 verhalen van Jean Petit, die de grote predikant genoemd wordt, dat hij voor Carel de VI, koning van Frankrijk, in zijn raad zat en verontschuldigde en sprak voor de moord die hertog Jan van Bourgogne (vader van Philips de Goede, graaf van Holland etc.) had laten begaan aan de hertog van Orl斬ns zijn neef en maakte zijn reden vast in het begin van het gesprek (wat tot verwondering over de slechtheid van de man en die tijd te lezen is in de Franse historie van Monstrelet en de Recherches van Etienne Pasquier) op de jaarlijkse toelage die hij trok van de hertog van Bourgogne en derhalve gehouden was hem in alles voor te staan en te verdedigen. Voorwaar een bondige reden? Maar het jaarlijks voordeel voor die grote predikant is genoeg geweest om een kwade zaak goed en van krom recht te maken, waarom zouden wij de edele geneeskunst die uit de hemel gedaald is en ons dagelijks mede wat in de keuken stort niet tegen haar verachters durven staande houden? Dan omdat zulks noch tegen Montaigne door niemand gedaan is en zijn schriften hier te lande veel gelezen worden [13] zal ik tegen hem in het veld komen om voor onze auteurs en keukens (zoals het Latijnse spreekwoord zegt) te strijden. We lezen van de wijsgerige Heraclitus dat hij straf geleden heeft over het verachten van de geneeskunst. Want omdat hij zeer hoogmoedig was en iedereen verachtte (zoals Laertius schrijft) en toen hij waterzuchtig werd wilde hij noch raad, noch naar geneesmeesters die hij bespotte eens luisteren, maar bestreek zijn lichaam met ossenmest en ging zo in de zon om te drogen liggen slapen. Waardoor de honden hem kwamen verscheuren. Onze strijdt zal niet zo slecht aflopen omdat die niet met hondstanden, noch hondse manieren, maar met een zachte en beleefde pen wordt aangevangen. Ik heb me de eer willen geven en dat om dat de luister van uw weledele vermaarde naam dit bedwelmende schrift zou verlichten als mede omdat u weledele over deze stof het best kan oordelen en u weledele dit toe te eigenen. Ik meen ook niet dat ik veel hoef te vrezen om beschuldigd te worden door u weledele hier rechter te stellen in uw eigen zaak omdat de wereld zulks al gewend behoort te wezen en dat in grotere dingen die niet aan de pols, maar behoorlijk wat naar mosterd ruiken wat al meer gebeurd is. Wij komen nu tot de zaak en om aan te tonen dat in zijn voorstel niets veranderd is (zoals sommige wel kunnen als ze de woorden van diegene die ze weerleggen naar hun zin verdraaien) of dat de zwakste krijgsknechten er niet uit geknipt zijn zal ik zijn eigen woorden hier in onze taal stellen en zijn redenen volgens zijn eigen orde proberen te weerleggen.

 

 

 

 

 

MONTAIGNE

[1] Aristoteles seyt, dat by sekere Volckeren, daer de Vrouwen gemeen waren, de Kinderen een Vader toegevoeght werde, diese best geleken. Het is te gelooven, dat ick die steenige gestaltenis van mijn Vader hebbe: want hy storf wonderbaerlick gepijnigt van een groote Steen in de Blaes. Hy en werde dat gebreck niet gewaer, als op sijn seven-en-tsestighste jaer, ende daer te voren en hadde hy noyt yet vernomen, dat hem daer van dreyghde, en voelden oock geen pijn in de Lendenen, Zijde, noch ergens anders, tot die tijdt de Sieckten weynigh onderhavigh, ende in voorspoedige gesontheyt geleeft hebbende. Hy harden het noch seven jaer met dat gebreck, slepende het eynde van een pijnlick leven. Ick was al over de vijf-en-twintigh jaer, doen hy gebreckelick werde. Waer schuylden al dien tijdt de genegentheyt tot dat gebreck? Ende doen hy noch soo verre van sijn quaet was, dat weynige van sijne selfstandigheyt, daer hy my van teelde, hoe drough dat voor sijn deel soo grooten indruckinge?

Ende hoe noch so bedekt, dat ick eerst na vijf-en-veertigh jaren daer van begin te voelen, noch maer alleen tot op dese uyre, ende soo broeders ende susters, ende allegader van een moeder? Die my van desen voort-ganck kan verklaren, die sal ick soo veel anderen wonderen gelooven, als hy selfs begeert, mist dat sy my, volgens hare gewoonte, niet in betalingh en geven veel swaerder, ende verwarder leere, als de saecke selfs.

 

BEVER-WYCK

Wil het Montaigne dan gewonnen geven, ende hanght hy de victorye van de saeck daer aen, dat men hem een klare reden geeft, waerom de voncken (om soo te spreken) der Sieckten, langh verdooft blijven, ende dan na vele jaren wederom ontfoncke, so sal ons geschilt van wegen de Nootsakelickheyt wel haest uyt wesen. De Voncken der Erfsieckten, die haren Oirspronck treken uyt de gebreckelijcke Deelen van de Ouders, alsoo het Zaet, gelijck Hippocrates schrijft, van alle Deelen des Lichaems schiet, soecken ten eersten haer genegentheyt in ユt werck te stellen. Dit werck wert de eene tijdt haestigh, de ander langsaem volbracht. De reden van dese verscheydenheyt hanght aen twee dingen, te weten aen sterckte ofte swackheyt van ユt gene, dat werckt, ofte van ユt gene, daerop gewerckt wert. Van wegen het gene dat werckt, weten wy dat het selfde Vergif de eene tijt sijn werck rasch sal doen, dユander geheel langsaem, nae dat het meerder, ofte minder gewelt heeft. Daer van siet men, dat yemant, die onder de heete Son in de Honts-dagen van een ongetemde Slange gesteken wert, terstont komt te sterven, ende de gene die in de Winter, als de Slangen getemt zijn, soo een steeck krijght, langhsaem sal tot sijn eynde komen. Van wegen het gene daer op geweckt wert, die daer van schrijven, getuygen vele gekent te hebben, die een en ユt selve Vergif in-genomen hebbende, op verscheyde tijden om-gekomen zijn: om dat tot alle werkinge vereyscht wert een bequaemheyt van de stoffe, daerse op geschiet, waer door stercke Lichamen langsamer, de swacke haestelick door Vergif om-komen. Hier uyt sien wy dat sommige van de gene, die van een dullen hont gebeten zijn, eenige daghen, sommige eenige maenden, sommige eerste nae het jaer dul werden, jae eenighe oude Genees-meesters getuygen, dat die sieckte somtijdts wel vijf, seven, ende twaelf jaren uytgestelt is geweest. Dit aldus in der daet zijnde, soo seg ick, dewijl het Vergif van rasende honden uyt de nature traegh in sijn werckinge is, soo en kan het in ユt bijten niet haestigh wercken. Maer waerom dat het in sommige rasscher, in andere langhsamer de Dulligheyt verweckt, sulcx geschiedt van wegen de dispositie, ofte gestaltenis van het Lichaem, daer den beet ingedruckt is. Ende dit is de rechte reden, waerom eenige, die van een dullen hont gebeten zijn, terstont [13] ende seer haestig de Dulligheyt deelachtigh werden, te weten, die van wegen hare swackheyt, het Vergif in ユt minste niet en konnen wederstaen, daer de stercke het lange tegen houden. Dewijl dan eenige lichamen van Naturen sterck zijn, ende haer vaste Deelen soo gemaeckt hebben, datse de uytwendige oirsaecken lichtelick konnen wederstaen, indien soodanigen Vergif mede-gedeelt wert dat traegh ende langsaem in ユt wercken is, soo sal sijn werckinghe in de selvige langh uyt-gestelt werden. Ende indien daer noch dit by geval by quam, dat soodanighe Mensche spijse gebruyckten, dewelcke sulck Vergif konden verdooven, ende wederstaen (gelijck daer zijn stercken Wijn, scherpe Wortels, ende kruyden, Veel eten) in soodanighe kan de Dulligheydt seer langh achter blijven. Want dewijl het Vergif met yet qualick te stellen altijdt werckt, maer door ユt stercken van ユt lichaem, ende de maniere van leven verhindert werdende, niet licht en kan gaen, soo en kan de saeck tot haer laetste werck niet als door een langhen tijdt gebracht werden, waerom in de selvige de Dulligheyt maenden ende jaren kan achter blijven, tot datse even-wel noch ten langen lesten uyt berst. Dit selfde en is niet alleen aen te mercken in ユt Vergif, maer oock in de Quaet-aerdigheydt van alle Sieckten, die de Kinderen van dユOuders toe-komen: te weten, dat sy juyst niet  terstont, maer wel nae eenige jaren haer selven eerst openbaert. Soo schrijft Sylvaticus, dat een Kindt van Ouders, die de Pocken hadden, geboren, niet eerder teyckenen van die vuyle Sieckte uyt en gaf, als doe het al seventhien jaer oudt geworden was. Dese kracht, ofte Voncke, die soo langen tijdt in het Zaet verdooft kan blijven, ende daer nae wederom ontfonckt, is oorsaeck, dat sommige haer groote-vader, ofte over-groote-vader beter gelijcken, als haer eygen vader. Want gelijck de Zeyl-steen sijn kracht door aen-malkander hangende naelden, tot de vierde, ende verder verspreyt: soo wert de kracht der gedaente van zaet tot zaet overgesonden, het welck Aristoteles uyt-streckt tot vier telingen. Soo lesen wy in de oude Historyen, van Helis, die by een Moor geslapen hadde, dat sy geen swarte dochter en baerde, maer dat die soon van die dochter wederom een Moor was. Ende de po粗t Niceus, geboren van blancke Ouders, verviel tot een Moor, nae sijn groot-vaders. Dese Kinderen souden dapper spel gehadt hebben, volgens ユt gene Montaigne seyt uyt den gemelten Aristoteles, om haer vader te vinden. Nu om tot ons voornemen te komen, even eens, gelijck wy nu geseyt hebben van het Vergif, ofte Besmettende sieckten, soo gaet het oock met den Steen, ende Graveel. De Vonck, die het Zaet van den Graveeligen het Lichaem, dat hy teelt, mede deelt, blijft verborgen, ende als gesmoort, nae dat het in sijn selven slap ofte krachtigh is, ende het Lichaem oock sterckte, ofte swackheyt heeft. Als een stercke Vonck een swack Lichaem ontmoet, dan geschiet de werckinge seer haestigh. Soo siet men dat sommige kinderen, noch suygende, al groote steenen by haer hebben, jae wel lichtelick daer mede geboren werden: daer een uytermaten stercke kracht een slappe, ende trage Vonck langhe jaren kan verdoven, ende tegenstaen, ende niet als in den Ouderdom, wanneer het Lichaem swacker begint te werden, sijne krachten openbaert, ende tot het lang verhindert, maer noyt overwonnen, Graveel, ende de Steen uyt en brandt. Mijn groote-vader Nicolaes van Wesel, Schepen deser Stede, sterf van den Steen in de Blaes, sijn eenighe dochter, mijn moeder, en is noyt eenige pijn van Graveel gewaer geworden, als in haer oude jaren, daer meest al haer kinderen, daer mede al vroegh zijn gequelt geweest, ende eenen soon noch jongh van een Steen in de Blaes, by nae soo groot, als een hoender Ey, overleden is. Hier toe kan mede veel helpen, gelijck wy terstont van de Dulle beten geseyt hebben, wat maniere van leven dat yemandt ghebruyckt. Want de gene, die van Graveelige Ouders geboren zijn, sullen met veel, ende dickwils spijse, daer het Graveel lichtelick uyt groeyt, te gebruycken, wel haest de verborgene genegentheydt die haer nieren, ofte Blaes tot Graveel, ende Steen hebben, doen openbaren, ende de gesmoorde Graveel-vonck als aen-blasen. Daer aen de andere zijde, den aen-geboren aert tot het Graveel, ende selfs die genegenheydt, die haer al begint te openbaren, door goede maniere van leven in spijs, dranck, oeffeninghe en diergelijck, niet alleen ingehouden, maer oock door een bequaem Genees-middel, gelijck my de ervarenheydt nu in ontallicke geleert heeft, gantsch overwonnen kan werden. Ick meene nu hier mede Montaigne wel voldaen te hebben over den voorganck van ユt Graveel, ende met geen duystere ofte verwarde reden, gelijck hy vreesde, dan wy over die sake alleen soude konnen by-brenghen. Laet hy my nu oock, volgens sijn belofte, in ユt vordere gelooven, te meerder om dat het geen Wonderen sullen wesen. Hy gaet voort:

MONTAIGNE

[1] Aristoteles zegt dat bij zekere volkeren het bij de vrouwen gewoon was dat de kinderen een vader toegevoegd werd waar ze het best op leken. Het is te geloven dat ik die stenige gestalte van mijn vader heb want hij stierf wonderbaarlijk gepijnigd door een grote steen in de blaas. Hij werd dat gebrek niet eerder gewaar dan op zijn zeven en zestigste jaar en daarvoor had hij nooit iets vernomen dat hem daarvan iets dreigde en voelde ook geen pijn in de lendenen, zijde, noch ergens anders en was tot die tijd aan ziekten weinig onderhavig en heeft in voorspoedige gezondheid geleefd. Hij hield het noch zeven jaar uit met dat gebrek en sleepte dat mee tot het einde van een pijnlijk leven. Ik was al over de vijf en twintig jaar toen hij gebrekkig werd. Waar schuilde toch al die tijd de genegenheid tot dat gebrek? En toen hij noch zover van zijn kwaad was dat weinig van zijn zelfstandigheid waar hij mij van teelde miste, hoe droeg dat voor zijn deel zoユ n grote indruk?

En hoe komt het zo bedekt dat ik eerst na vijf en veertig jaar daarvan begin te voelen en noch alleen maar tot op dit uur en zowel ook broeders en zusters en allen van een moeder? Die me over deze voortgang iets kan verklaren die zal ik zoveel anderen wonderen laten geloven als hij zelf begeert vermits dat zij mij, volgens hun gewoonte, niet een veel zwaardere en verwardere leer in betaling geven dan de zaak zelf.

 

 

 

BEVERWIJCK

Wil het Montaigne dan gewonnen geven en als hij de victorie van de zaak daaraan hangt dat men hem een duidelijke reden geeft waarom de vonken (om zo te spreken) van de ziekte lang verdoofd blijven en dan na vele jaren wederom ontvonken dan zal ons geschil vanwege de noodzakelijkheid wel gauw uit zijn. De vonken van de erfelijke ziekten die hun oorsprong trekken uit de gebrekkige delen van de ouders omdat het zaad, zoals Hippocrates schrijft, van alle delen van het lichaam schieten en proberen ten eerste hun genegenheid in het werk te stellen. Dit werk wordt de ene tijd haastig, de andere tijd langzaam volbracht. De reden van deze verscheidenheid hangt af van twee dingen, te weten aan sterkte of zwakheid van hetgeen dat werkt of van hetgeen er op gewerkt wordt. Vanwege hetgeen dat werkt weten we dat hetzelfde vergif de ene tijd zijn werk snel zal doen en de andere tijd heel langzaam naar dat het meer of minder geweld heeft. Daarvan ziet men dat iemand die onder de hete zon in de hondsdagen van een ongetemde slang gestoken wordt terstond komt te sterven en diegene die in de winter als de slangen getemd zijn zoユ n steek krijgt langzaam tot zijn einde zal komen. Vanwege hetgeen er opgewekt wordt, die er van schrijven, getuigen er velen gekend te hebben die een en hetzelfde vergif ingenomen hebben en op verschillende tijden zijn omgekomen omdat voor alle werking vereist wordt een geschiktheid van de stof waar het op gebeurt waardoor sterke lichamen langzamer en de zwakke snel door vergif omkomen. Hieruit zien we dat sommige van diegene die door een dolle hond gebeten zijn enige dagen, sommige enige maanden en sommige eerst na het jaar dol worden, ja, enige oude geneesmeesters getuigen dat die ziekte soms wel vijf, zeven en twaalf jaar uitgesteld is geweest. Als dit dus zo inderdaad is zeg ik omdat het vergif van razende honden uit de natuur traag in zijn werking is en zo kan het in het bijten ook niet haastig werken. Maar waarom dat het in sommige sneller en in anderen langzamer de dolheid verwekt, zulks gebeurt vanwege de dispositie of gestalte van het lichaam waar de beet ingedrukt is. En dit is de echte reden waarom enige die door een dolle hond gebeten zijn terstond [13] en zeer gauw de dolheid deelachtig worden, te weten, die vanwege hun zwakheid het vergif niet in het minste kunnen weerstaan waar de sterke het lang tegen houden. Omdat dan enige lichamen van naturen sterk zijn en hun vaste delen zo gemaakt hebben dat ze de uitwendige oorzaken gemakkelijk kunnen weerstaan en indien zodanig vergif meegedeeld wordt dat traag en langzaam in het werk is dan zal zijn uitwerking in die lang uitgesteld worden. En indien er noch dit bij toeval bij komt dat zodanige mens spijs gebruikt wat zulk vergif kan verdoven en weerstaan, (zoals er zijn sterke wijn, scherpe wortels en kruiden en veel eten) in zodanige kan de dolheid zeer lang achter blijven. Want omdat het vergif dat met iets slechts gesteld wordt altijd werkt, maar door het versterken van het lichaam en de manier van leven wordt het verhinderd en niet gemakkelijk kan gaan kan de zaak niet tot haar laatste werk gebracht worden dan over een lange tijd waarom in die de dolheid maanden en jaren achter kan blijven totdat ze evenwel noch ten lange leste uitbarst. Ditzelfde is niet alleen aan te merken in het vergif, maar ook in de kwaadaardigheid van alle ziekten die de kinderen van de ouders krijgen, te weten dat ze juist niet terstond, maar wel na enige jaren zichzelf pas openbaart. Zo schrijft Sylvaticus dat een kind geboren van ouders die de pokken had niet eerder tekens van die vuile ziekte uitgaf toen het al zeventien jaar oud geworden was. Deze kracht of vonk die zoユ n lange tijd in het zaad verdoofd kan blijven en daarna wederom ontvonkt is oorzaak dat sommige beter op hun grootvader of overgrootvader lijken dan op hun eigen vader. Want net zoals de magneet zijn kracht door aan elkaar hangende naalden tot de vierde en verder verspreidt wordt de kracht van de gedaante van zaad tot zaad overgezonden wat Aristoteles uitstrekt tot vier telingen. Zo lezen we in de oude histori創 van Helis die bij een moor geslapen had dat ze geen zwarte dochter baarde, maar dat de zoon van die dochter wederom een moor was. En de po粗t Niceus, geboren van blanke ouders, verviel tot een moor naar zijn grootvader. Deze kinderen zouden dapper werk gehad hebben, volgens hetgeen Montaigne zegt uit de vermelde Aristoteles, om hun vader te vinden.

 

 

 

 

Nu om tot ons voornemen te komen, eveneens zoals we nu gezegd hebben van het vergif of besmettelijke ziekten gaat het ook zo met  steen en niergruis. De vonk die het zaad van de niersteenachtige het lichaam dat hij teelt meedeelt blijft verborgen en als gesmoord naar dat het in zichzelf slap of krachtig is en het lichaam ook sterkte of zwakte heeft. Als een sterke vonk een zwak lichaam ontmoet dan gebeurt de werking zeer haastig. Zo ziet men dat sommige kinderen die nog zuigen al grote stenen bij zich hebben, ja er wel gemakkelijk mee geboren worden waar een uitermate sterke kracht een slappe en trage vonk lange jaren kan verduwen en tegenstaan en pas in de ouderdom wanneer het lichaam zwakker begint te worden zijn krachten openbaart en tot het lang verhindert, maar nooit overwonnen niergruis en steen uitbant. Mijn grootvader, Nicolaes van Wesel en schepen van deze stad, stierf van de steen in de blaas, zijn enige dochter, mijn moeder, is nooit enige pijn van niergruis gewaar geworden dan in haar oude jaren en waarmee meest al haar kinderen er allen vroeg mee gekweld zijn geweest en een zoon noch jong van een steen in de blaas die bijna zo groot was als een hoenderei overleden is. Hiertoe kan mede veel helpen, net zoals we van de dolle beten gezegd hebben, welke manier van leven dat iemand gebruikt. Want diegene die van niersteenachtige ouders geboren zijn zullen door veel en dikwijls eten van spijzen waar niergruis gemakkelijk uit groeit wel gauw de verborgene genegenheid die hun nieren of blaas tot niergruis en steen hebben laten openbaren en de gesmoorde niergruisvonk als aanblazen. Waar aan de andere zijde de aangeboren aard tot niergruis en zijn genegenheid die zich al begint te openbare, door een goede manier van leven in spijs, drank, oefening en dergelijke niet alleen ingehouden maar ook door een geschikt geneesmiddel, zoals de ervaring me ontelbare geleerd heeft, geheel overwonnen kan worden. Ik meen nu hiermee Montaigne wel voldaan te hebben over de voortgang van niergruis en niet met duistere of verwarde redenen zoals hij vreest dan die we over die zaak alleen zouden kunnen bijbrengen. Laat hij mij nu ook volgens zijn belofte in het vervolg geloven, te meer omdat het geen wonderen zullen wezen. Hij gaat voort:

 

MONTAIGNE

[2] Dat de Genees-meesters een weynigh mijne vryheyt ten besten nemen: want met het selve nootwendigh overgieten, ende oversetten, hebbe ick ontfanghe den haet, ende de verachtinghe van haer Leere. De tegenheyt, die ick hebbe teghens hare Konst, is my aenge-erft. Mijn Vader heeft geleeft vier ende tseventigh jaer, mijn Groote-vader negende ende tsestigh, mijn Over-groote-vader by de tachtigh jaer, sonder oyt geproeft te hebben eenige [15] soorte van Genees-middelen: ende onder haer werden al ユt gene niet van ユt gemeen, ende dagelicx gebruyck en was, voor drooghen gehouden. De Genees-konste krijght haer gestaltenis van de Exempelen, ende dユErvarenthedt, soo doet oock mijn Gevoelen. Siet daer wel een uytdruckelicke Ervarentheyt, die al veel voor uyt heeft. Ick en geloof niet dat sy soo drie in haer registers my zullen aen wijsen, geboren, gewoont, ende gestorven onder een dack, die soo langh geleeft hebben door haer beleyt.

 

BEVERWYCK

My dunckt  dat Montaigne het geloof, dat men sijn Bewijs-redenen, die hy soo hevigh by-brenght, soude mogen geven, selver in ユt beginsel twifffelachtigh stelt. Want wie sal yemant gelooven, die qualick spreeckt van de gene, die hy seyt totter doot toe te haten? Het is een arger streeck, dat men seyt, een vrient van de man te zijn, maer niet te weten, hoe hy hem soo vergrepen heeft. Het welck de po粗t Horatius seer wel bestraft in ヤt 4 Schimp-dicht van ヤt 1 boeck

Lividus & mordax videor tibi? Mentio si que. De Capitolsni furtis injecta Petilli. Te curam fuertis: defendat, ut tuus est mot. Me Capitolinus convictore usus, amicoque.  Apuero est, caussaque mea permulta rogatus. Facit: & incolumis, laetor quod vivit in urbe. Sed tamen admiror, quo pacto judicum illud. Fugerit. Hic nigrae succus loligini, haec est. Aerugo mera.

Maer Montaigne wil geloof hebben in ヤt gene hy by-brengt tegens de Genees-konste, die hy selve bekent, door een aengeboren haet, verachten: daer nochtans de Rechten niet aen en nemen de getuygenis van de gene, die vyandt is van de man, daer hy tegen getuyght, L. Callistrat. Ff.lib.22.tit. 5. de Testib. Want soo doende, schijnen sy getuygen te zijn in haer eyghen saecke, het welck ongerijmt is, L. Omnibus C.de Tetsibus. Wat belanght, datter juyst drie van sijn Voor-ouders nae malkanderen sonder eenige hulp der Genees-konste, een ouden bout geschoten hebben, daer op seggen wy, dat dingen, die selden gebeuren, niet van de Konste en sijn, noch oock tegen onse Konste wel ingebracht werden. Want het en is niet te verwonderen, dat in een ontallick getal der Menschen, eenige somtijts te vinden zijn, die haer stercke ende gematighde gestaltenis des Lichaems, door een sobere ende wel-gestelde maniere van leven soo bequamelick onder-houden, datse geen drancken, ofte andere Genees-middelen van doen en hebben. Ende dat is ユt gene onsen Salighmaker seyde, Voor de Gesonden en is de Genees-meester niet van nooden, maer wel voor de gene die Qualik te pas zijn, Math. Het welck de po粗t Ovidius mede aenwijst in dese verssen.

Die groeyt, en bloeyt in goeden staet. En hoeft geen dranck, of meesters raet. Maer voelter yemant drouve pijn. Die roepe dan een Medicijn.

Behalven dat oock degene, die matelick ende volgens de Nature wel geregelt, ende, gelijck sy meenen, sonder de Genees-konste, leven, onwetende sulcx doen, ende waer nemen, als in dat deel der Medicine geleert wert, by de Griecken Hygieine, ende Diaetetske genoemt, het welck handelt, ende aen-wijst hoe men het Lichaem in de Gesontheyt sal bewaren, ende van ons wijdt-loopigh beschreven is in den Schat der Gesontheyt. Diergelijcke antwoort is oock eertijts van onsen grooten Hippocrates gegeven aen de gene, die hem tegen-wierpen, Datter vele Siecken genesen sonder raet ofte hulpe van de Genees-meesters, ende seydt sulcx te geschieden, om dat sy van selfs yet doen ofte laten, dat ander van een Genees-meester volghens de Wetten, ende Leere van de Konst belast wert. Ende gelijck in onsen bedorven aert weynigh Menschen te vinden zijn van de aldermatighste nature, ( die mede soo licht door uytwendige, ende inwendige oirsaecken van selfs komt te veranderen) soo zijnder oock noch weyniger onder de selve, die haer goede nature met een matigh leven wel onderhouden: maer het meestendeel treckt de aengeboren gematigheyt sijnes Lichaems, door een ongebonden maniere des Levens, tot een ongematighde, ende ontstelde gestaltenis. Hier moet dan immers, raet geschaft werden, ende dit dient door de Genees-meester wederom gerecht, volghens het Spreeck-woort, dat de Ongematigheydt is de voester van de Genees-meester. Waer over de wijs-gerige Plato oock seydt in sijn 3 boeck van de Gemene sake, dat men geen grooter teycken en kan hebben van een quade ende leelicke gestaltenisse in een Stadt, als datse veel Rechters, ende Genees-meester van doen heeft. Dat vorder Montaigne niet en gelooft, datter soo drie, gelijck hy aen-wijst, onder de gene, die haer de Genees-konste onderwerpen, ende des selfs middelen gebruycken, soude by-gebracht konnen werden, die nae dat exempel oudt geworden zijn: daer teghen stel ick de dagelicksche Ervarentheydt, ende en behoeve dien volgende niet vele exempelen over hoop te halen. Een sal voor alle spreken, het exempel van Galenus, die van nature swack, ende slap zijnde, ende in sijn jonckheyt by nae alle jaer sieck was, en heeft nae zijn acht en twintigh jaer, te weten nae dat hy gevonden hadde een goede maniere van leven, ende dat hy de geboden wel naer quam, de minste Sieckte (ユt en was [16] door te veel arbeyden, dat hy wat verhitte, ユt welck wederom terstont, ende van selfs overgingh) niet gekregen, in frissche ende volkomen gesontheyt levende tot sijn seventigh jaer, gelijck de Griecksche Suidas schrijft, hoe-wel hem de jonge schrijvers ongelijck ouder maecken. Ende om soo verre niet te gaen. Een Venetiaens Edelman Aloysio Cornaro, als hy jongh zijnde seer swack ende sieckelick was, ende daer door geoirdeelt werden van de Genees-meesters, dat hy niet langh en konde leven, by aldien hy geen heel nauwe wet en hiel, in sijne maniere van Leven, volgens de regulen van de Konste, haren raet nae komende, wel ende gesont tot een seer hoogen ouderdom gekomen is, gelijck hy selve schrijft, al in de tachentigh jaer zijnde, in een Italiaens boecxken, het welck in het Latijn overgeset is door P. Leonardus Lissius die het selfde oock met sijn eyghen exempel bevestight;

 

MONTAIGNE

[3] Het behoort wel, dat sy my toestaen, by aldien het de Reden niet en is, dat ick ten minsten de Fortune, ofte ユt geluck aen mijn zijde hebbe: nu by de Genees-meesters gelt het Geluck meerder, als de Reden.

 

BEVER-WYCK

Men siet voorwaer dat in alle dingen het Geluck, ende ユt Ongeluck, ende gelijck de Italianen seggen la bouna e la mala forte, vry wat te seggen heeft, maer dit en moet soo verre niet getrocken werden over de uyt-komst, die de sieckten hebben. Want gelijck een braef ende wacker Overste een belegerde Stadt tot het uyterste toe vromelick gehouden hebbende, even-wel daer nae door hongers-noot, ende dat de wallen ten deele omgeschoten zijn, de vyandt al in de vest is, de selve over-geeft, meerder eere behaelt, als een ander, die niet uytgerecht hebbende, de Stadt hout tegens de belegeraers, die sonder gewelt op de selvige te doen, wederom aftrecken: soo gaet het oock met sommige slechte Doctoren, die meenen groote eere behaelt te hebben, wanneerse een kleyne sieckte, ofte een andere, die aen ユt af-gaen is, quansuys genesen, daer een wijs, ende verstandig Genees-meester meerder eer ende danck met recht by wijse ende verstandighe Luyden toegeleyt wert van weghen ユt gene hy in ユt werck gestelt heeft by de gene, die van de Sieckte niet en zijn opgestaen alsoo sy wel weten, dat het quaet dickwils, gelijck de po奏 Ovidius seyt, boven de geleerde Konste is. Men vindt vele Genees-meesters, die al zijnse de geleerste niet, evenwel van ユt volck gehouden werden voor geluckigh. Ende sy zijn voorwaer al seer geluckigh, die veel gelt en goet konnen versamelen met een Konste, die sy niet wel en verstaen, maer ongeluckigh zijnse, die sulcke maets haer leven, ende gesontheyt in handen stellen. De Heydenen hebben de Fortuyn wel tot een Godinne gemaeckt, ende in den Hemel gestelt: maer de groote Konstenaer Apolles schilderen de selvige al sittende, ende de reden daer af gevraeght zijnde, gaf voor antwoort. Om datse niet vast staen en kan, als niet stant-vastigh zijnde, dan alleen in onstant-vastigheyt, gelijck de gemelte Ovidius wel uyt-gebeeldt heeft in ヤt 8 Klaegh-dicht van zijn 5 boeck

Passibus ambiguis fortuna volubilis errat. Es manet in nullo certa tenaxque loco. Des modo laeta manet, vultus modo fumit acerbos. Et tantum constans in levitate sua est.

In de Genees-konste en werden de Sieckten, niet door de wanckelbare Fortuyne, maer door de vaste Wetenschap genesen. Want alsoo voor de Genesinge gaen moeten volkomen kennisse van de Sieckte, ende hare Voor-teyckenen, het welck geen lichte saeck en is, ende daer by oock van de kracht der Genees-middelen, die daer met een effen mate wel op moeten passen, hoe kan het geschieden, dat de gene, die van sijn selven geen ervarentheyt, ofte alleen lossche en heeft, als over de boecken, gelijck een Haen over de heete kolen, geloopen hebbende, wel ende nae de Konste sal genesen, ende daer niet nae slaen en sal, gelijck de Blinde-man na het Ey? Soodanigh voer een na Oost-Indien voor Heel-meester, ende als onderwegen een van de Boots-gesellen swaerlick gequetst werde, de Kist (die van alle bequame Heel-middelen wel versien was) open doende, badt Godt, dat hy hem een goede greep wilde verleenen. Het kan somtijdts wel geschieden, datter heel lichte Siekten voor-komen, die de Nature alleen genoegh kan verwinnen, die al kijckt de Genees-meester maer toe, even-wel van selfs genesen, ende dien sulcx gebeurt, die is geluckigh. Het kan oock geschieden, dat hy in ユt minderen van de Sieckte, ofte nae dat de voornaemste Genees-middelen in ユt hevigste van de Sieckte al van Wijser in ユt werck gestelt zijn, gehaelt wert, ende die is mede voor sijn selven geluckigh, volgens het spreeck-woort, Felix Medicus, qui venit in declinatione morbi. De wijs gerige Aristoteles seyt wel, dat de Fortune, ende de Konste in eene, ende de selvige sake hare loop hebben, maer dat haer dinghen niet altijdt, noch oock by meestendeel en gelucken, als alleen by geval uyt-vallende. Dan de Sieckten werden genesen, door het bequaem ingeven der Genees-middelen, het welck niet en hangt aen de lossche ende wanckelbare Fortuyn, maer steunt op de geleertheyt, ende het oirdeel van een waker Genees-meester. Die anders de Genees-middelen by de hant neemt, ende geen volkomen kennisse van de Konste, en heeft, die schiet, gelijck eenen blinden, nae het Wit, ende wanneer hy dat al eens raeckt, sulcx en komt geheel by geval, waer door geschiet, dat soodanighe [17] Luyden de Sieckten, die anders licht te genesen waren geweest, door haer ongeleerde genees-wijse arger maeckten. Hippocrates schrijft seer wel in zijn boeck van de Plaetschen in den Mensche: Indien de Genees-middelen van de Sieckten seker zijn, waer toe behoeft dan het werck van de Fortune, want anders souden soo Genees-middelen, als geen Genees-middelen met de Fortune ingegeven, even-wel helpen. Maer yemant soude mogen seggen, ユt gene de Fortune genoemt wert, is Godts voorsienigheydt, die de Genees-middelen van een Genees-meester, al is hy juyst de geleertste niet, ten besten, ende tot der menschen gesontheydt bestiert. Dan dat seggen en klemt niet. Want al is ヤt, dat alles hanght, ende te verwachten staet van Godts zegen, soo en werckt hy niet sonder de Middelen, maer door het gebruyck van ユt gene daer toe by hem met krachten begaeft is. Den Alderhooghsten, seyt de Schrift, heeft de Genees-konste uyt de Hemel geschapen, ende beveelt oock een eerlick Genees-meester te eren. Derhalven en segent hy geen quade Middelen, die ten ontijde ende tegens de wetten van de Genees-konste uyt onwetenheyt ingegeven werden. Maer in tegendeel, wanneer een Genees-meester volkomen kennisse heeft van den aert der Sieckte, ende der Genees-middelen, ende elck wel, dat is op sijn plaetsch, tijt, ordre, ende volgens de leere van de Konste in-geeft, dan isser een een geluckige uytkomst te verwachten, ende Godt is gewent soodanighe middelen te segenen, door het verbondt, dat hy met de Naturen gemaeckt heeft, dat is, door de kracht, die van sijn hant selfs de Genees-middelen gegeven, ende ingestort is. Want anders, al gebruyckten yemant de Konste averrechts, soo zoude even-wel een goede uytkomste van Godes segen te verwachten staen, het welck een wonder-werck soude zijn, dat quade Middelen, die van naturen tot het voorgenomen eynde niet en konnen geraken, buyten de ordre van Godt in de Natuur gestelt, even-wel door sijnen onmiddelicken segen tot het voor-gestelde wit zouden gestiert werden.

Wel is waer, dat Godt sulcx wel kan doen, als ユt hem belieft, maer hy doet selden sulke wonder-wercken, ende juyst niet als het ons soo gelegen komt. Wy besluyten dan, dat de Fortune maer genomen moet werden voor een waen, ofte inbeeldinge van ユt gemeen volck, ende datse somtijdts plaetsch krijght, om dat de Sieckte van haren eygen aert genoegh geneeslick is, al schijnter in het eerste wat swarigheyt in te steken, ende soodanighe Luyden plegen de Sieckten al grooter te maken als sy wel zijn, om dat de genesinge haer meerder eere ende naem soude geven, ofte by aldien de doot daer op volght, dat bekent sy de selve van haer voorsien te zijn, ende dat de Krancke niet door misslagh van den Genees-meester, maer door de beswaertheyt ende groote der Sieckte overwonnen zijnde, magh geseyt werden overleden te wesen. Sy voor-schrijven oock veeltijdts in een kleyne ende lichte Sieckte veel Genees-middelen, als ofte de selvige geheel swaer was, tot groote schade van den Siecken, dien het dickwils beter was de Sieckte uyt te staen, als de onnoodige Middelen. Uyt het gene wy nu geseyt hebben, blijckt volkomentlick de onwaerheyt van ユt gene Montaigne voor-geeft, dat de Fortune meerder by de Genees-meesters vermagh, als de reden, waer van wy meenen het tegendeel met bondige redenen wel vast gestelt te zijn. Derhalven sullen wy voort-gaen, overslaende eenigh tussche-spreken, tot onse stoffe niet dienende.

MONTAIGNE

[2] Dat de geneesmeesters een weinig van mijn vrijheid ten beste zullen nemen want door het noodzakelijke overgieten en overzetten heb ik de haat en de verachting van hun leer ontvangen. De tegenheid die ik heb tegen hun kunst is me aange喪fd. Mijn vader heeft vier en zeventig jaar geleefd, mijn grootvader negen en zestig, mijn overgrootvader bij de tachtig jaar zonder ooit enige [15] soort van geneesmiddelen geproefd te hebben en onder hen werd al hetgeen niet van het gewone en dagelijks gebruik was voor drogen gehouden. De geneeskunst krijgt haar vorm van de voorbeelden en de ervaring, zo doet ook mijn mening. Ziet daar wel een uitdrukkelijke ervaring die al van lange jaren duurt. Ik geloof niet dat ze me er zo drie in hun registers kunnen aanwijzen dat ze geboren, gewoond en gestorven zijn onder een dak die zo lang geleefd hebben door hun beleid.

 

 

BEVERWIJCK

Me dunkt dat Montaigne het geloof dat men in zijn bewijsredenen zou mogen geven die hij zo hevig bijbrengt zelf in het begin twijfelachtig stelt. Want wie zal iemand geloven die slecht spreekt van diegene waarvan hij zegt die tot de dood toe te haten? Het is een ergere streek dat men zegt een vriend van de man te zijn, maar niet te weten waarom hij zich zo vergrepen heeft. Wat de po粗t Horatius zeer goed bestraft in het 4de schimpdicht van het 1ste  boek;

ヤLividus & mordax videor tibi? Mentio si que. De Capitolsni furtis injecta Petilli. Te curam fuertis: defendat, ut tuus est mot. Me Capitolinus convictore usus, amicoque.  Apuero est, caussaque mea permulta rogatus. Facit: & incolu