Johan van Beverwijck, Schat der Gezondheid. 1664.

Beschrijving: beverwijck1 001 

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de Heelkunst.

Klik hier voor de Schat der Ongezondheid.

 

 

Op de Beeltenisse van den Heer

D. JOHAN VAN BEVERWIJCK.

 

Dits t beelt van Beverwyck, die Dordrecht zo verlichte,

Genees-konst streckte een spoor, de Heel-konst voor een baak;

Daer in nakomelingh enTijdenooten stchte,

Een mengde, tot meer nut, die konsten met vermaak.

 

Beschrijving: beverwijck2

 

 

Inleiding.

Jan van Beverwijck of Johannes Beverovicus is een van de bekendste geneesmeesters van zijn tijd geweest. Hij is geboren te Dordrecht op 17 november 1594. Onder leiding van Gerard Johan Vossius legde hij zich toe op oude talen en studeerde te Leiden in de letteren en in de geneeskunde. Hij bezocht vervolgens de meest vermaarde hoge scholen van Frankrijk en die van Padua waar de beste hoogleraren onderwijs gaven in de geneeskunde en werd daarna bevorderd tot doctor in de medicijnen. Van Padua ging hij naar Bologna om zich door het onderricht van Fabricius Bartoletti (Bartoleti, Bertoletti, ) in de praktijk te bekwamen. Hij bezocht Bazel, waar zijn vriend Bauhinus werkte, en Leuven en keerde toen naar zijn geboortestad terug waar hij in 1625 tot stadsgeneesheer en lector in de heelkunde werd benoemd. Weldra was hij niet alleen bij ons maar in geheel Europa als een uitstekend geneesheer bekend. Hij werd door velen geraadpleegd en onderhield een briefwisseling met de beroemdste geneeskundigen van zijn tijd. Tevens was hij een vlijtig beoefenaar van de oude letteren, dichtte Griekse, Latijnse en Nederlandse gedichten en was een ervaren geschiedschrijver. In 1627 werd hij raad, in 1631 schepen en in 1637 weesmeester te Dordrecht en werd meermalen afgevaardigd naar de Vergadering der Staten van Holland. In 1646 was hij al zeer zwaar ziek en overleed te Dordrecht op de 19de januari 1647. Hij heeft een lange reeks van boeken geschreven van geneeskundige, dichterlijke en geschiedkundige werken. Zijn gezamenlijke geneeskundige werken werden in Amsterdam in 1656 en in 1672 uitgegeven. Sommige van zijn geschriften zijn opgeluisterd door verzen van onze dichter Jacob Cats. Hoeveel boeken van de oudvaders heeft hij in die tijd doorlezen? Hoeveel uren heeft hij in zijn studeerkamer versleten zonder aan spijs of drank te denken, net zoals hij in een verrukking van zinnen opgetogen en met zijn voeten de aard betreedt maar met zijn geest aan de hemel gehecht is? Hoeveel nachten heeft hij zonder slapen doorgebracht zodat hij dat goed doorwrochte werk zou bewerken en eindelijk in het licht geven tot schande van de verdervers van de oudheid hoewel het gepurperde mannen zijn en nu te koop is?

 

Hij haalt dan ook ontzettend veel schrijvers aan in verschillende talen. Vooral in de oude Griekse tijd is hij goed, soms met verwijzingen naar de Bijbel. Toch beschrijft hij de dingen naar het verleden. In liefde kijkt hij bijvoorbeeld nauwelijks wat er in de omgeving gebeurt, maar haalt de ouden aan. Waarschijnlijk vertoefde hij in hogere kringen en ziet nauwelijks wat er bij de gewone man gebeurt, de hogere stand bepaalt het gezag. Hij lijkt zo een zeer strenge zedenmeester. De vrouw is een bron van alle kwaad en ondergeschikt aan de man. Hij spreekt ook niet van zijn eigen ontroeringen en vermaant alleen. In de liefde beschrijft hij alleen wat anderen zeggen, 205 de goede vrouwen, zoals dr. Joubert zegt, zo vriendelijk en geriefelijk zijn dat ze niet naar de tijd kijken. Dan vraag je je af of hij getrouwd was, bl. 208 in mijn huisvrouw. Maar hij blijft altijd onpartijdig. Hij bekijkt alle zaken dan van de mannelijke kant, hoe die de liefde ondergaan, zelfs verkrachting en dergelijke, maar nooit van de kant van de vrouwen. Hij constateert wel dat die ouder worden dan mannen. Ook kunnen ziektes genezen worden door met een vrouw samen te gaan, bl. 186. Hij blijft altijd heer en geeft bedenkelijke passages in een andere taal weer. Die stukken zijn dan moeilijk te lezen en met de verschillende verwijzingen is het lastig. Maar dan zit je ook zomaar opeens in toverij. Het onbekende van de vermenging, geboorte, onzekerheid of een vrouw of man wel vruchtbaar is, steekt daar geen kwaad spel achter etc., bl. 305 Vanwege de netheid of preutsheid van die tijd worden de geslachtsdelen niet beschreven, bl. 180 Hij leeft toch ook in een tijd dat er vele vreemde zaken niet verklaard kunnen worden, zelfs is er sprake van toverij en duivelse machten. Vanwege zijn geleerdheid zie je hem twijfelen, zie bijvoorbeeld heelkunst bladzijde 139 tot en met 143.

Het wordt vaak wel duidelijk wat de beweegreden zijn tot bepaalde gebruiken, hij omschrijft dat ruim en verwijst vaak naar oude gebruiken en schrijvers. Toch beginnen de nieuwe ideen vruchten af te werpen.

 

Zijn zoontje is overleden, bl. 177, en is geopend, hij spreekt daar vrij nuchter over.

Misschien is hij het beste te zien in de beschrijving van Casaubon, daar zal hij dan toch schrijven hoe hij het zelf mogelijk gedaan heeft of waardoor hij gedreven is.

 

Hij citeert dus de ouden, op het eind zet hij er soms zijn eigen mening bij. Het moeilijkste is hij als hij de meningen van de ouden probeert te verdedigen en vooral als ze elkaar tegenspreken. Dan maakt hij daar verklaringen van die het moeilijkst te begrijpen zijn, hij probeert die stellingen toch te begrijpen en te verklaren, wat de ouden vertelden was immers waar. Bij de nieren komt een eigen mening duidelijk naar voren die wel vergeleken wordt met de ouders en zie je de moeilijkheid om alles maar zo te laten, de ouden wisten het toch beter. Om daar tegen te gaan had je moed nodig.

 

Hij spreekt toch telkens van wy, heeft hij dit werk met nog iemand gedaan?

 

In zijn tijd waren er vele ziektes, naar zijn tekst lijkt iedereen wat te mankeren, zie bijvoorbeeld bl. 233 De wijn is als een geneesmiddel gegeven voor de zwakken en omdat er weinig zijn die niet enige zwakte hebben zo is het een drank geworden van alle mensen. Verder; Ons lichaam is zo vruchtbaar dat er nauwelijks een deel gevonden wordt waar geen wormen (bl. 202] groeien. Ook; de meeste hier te lande hebben last van nierstenen, daar gaat hij zeer uitvoerig op in, mogelijk omdat hij daar zelf last van had, bl. 261, ook had hij last van jicht.

 

Anorexia wordt niet beschreven, mogelijk zijn er aanwijzingen te vinden in de opstijgingen van de baarmoeder en maandstonden op bl. 293-299. Mogelijk is dit om dat het in zijn tijd mode was om jonge meisjes in blik en lood in te snoeren zodat ze een smalle taille kregen en zo een dunne vrouw mooier was dan een gezonde, bl. 160 van heelkunst.

 

Hij geeft aan dat gezonde ouders gezonde kinderen verwekken en dat dit is een basis is voor een goede welstand. Dat men bij het leren van kinderen niet te hard te werk zal gaan en hen te veel straffen iets wat hen nog jaren lang bij blijft en dat men goed op de aard en gezindheid van het kind zal letten zodat die daarin gevorm wordt waarin hij goed is en geen dingen moet leren waar hij van naturen tegen is.

 

Nadat er een enorm verhaal verhandeld is over allerhande soorten zweren, mensen die aan luizen zijn gestorven, kanker en dergelijke kom je opeens aan bij likdorens en volgens hem volgen dan de hoorndragers, dat kan je op twee manieren opvatten wat hij ook allebei doet.

 

Verder zijn er vele vermakelijke voorbeelden wel in elk kapittel te vinden. Jicht wordt uiterlijk bevorderd door dronkenschap en geilheid, is zo een rijke mans ziekte die veroorzaakt wordt door een weelderig leven en zo weinig bij de arme man voorkomt. Je moet eigenlijk blij zijn dat je aambeien of een spatader hebt, dat verlost je van vele andere ziektes. Ook het stinken en vooral uit de mond is een ziekte. Maar hij beveelt wel aan na het eten de tanden te spoelen en ook worden er al protheses gezet.

 

Bij ernstige ziektes komt de dokter ook niet aan de deur zodat er geen verdenking op hem zal vallen als de patint overlijdt, ook komt het voor dat een kleine zaak opgeblazen wordt om zo meer aanzien te krijgen, bl. 272.

 

Een omschrijving van een goede heelmeester. Een heelmeester dient wel jong te wezen of altijd niet zeer oud, sterk en vast in de hand niet in het minste te beven en zowel links als rechts, scherp van gezicht, kloekmoedig, onbarmhartig en probeert met alle vlijt te helpen diegenen die hij onder handen krijgt, maar evenwel noch door zijn schreeuwen meer gehaast wordt als dienstig is, noch minder snijdt dan de nood vereist, dan alles zo uitvoert net alsof of het kermen van een ander hem niet eens beweegt. Daarop slaat ons spreekwoord dat zachte meesters stinkende wonden maken.

Er wordt dus heel opmerkelijk niet verdoofd. Ook bij zweren komt vaak koud vuur. Dan wordt in erge gevallen het deel er af gesneden, zonder narcose, en soms het afgesneden deel afgebrand om het tegen verder bederf te vrijwaren.

 

Verder wordt er ontzettend veel gezuiverd van onreinheid en verstoppingen, (zinkingen of opstijging) de maag, darmen en blaas, ook bloed laten, opvallend is dat het slijm uit de hersens door het gehemelte naar de mond getrokken en zo gezuiverd wordt. Er moet dus een verbinding van de keel naar de hersens zijn, hij geeft dan ook aan dat dit mogelijk is op bl. 49. Op bladzijde 56/57 geeft hij aan dat de zinkingen (verkoudheid) uit het hoofd naar beneden dalen en de oorzaak is van vele ziektes, onder andere tering of tuberculose. Van de andere kant stijgen er weer dampen op van de maag naar het hoofd en veroorzaken zo ook ziektes. Zie verder zijn uitlegging op bladzijde 82 van het tweede deel. Ook het zaad, bl. 26 bij Montaigne, zoals Hippocrates in zijn boek van het zaad schrijft van diegene die omtrent de oren gesneden zijn dat hun zaad weinig, slap en onvruchtbaar is doordat het meeste deel van het zaad uit het hoofd voorbij de oren in het ruggenmerg loopt.

 

Ook de onaanzienlijke huidgaatjes spelen een belangrijke leven in het goed of slecht gaan van de zieke. De ziektes zijn anders dan nu zoals bijvoorbeeld het pleuris. Ook de dan vermelde voorbeelden verwijzen soms naar heel andere ziektes en zo zie je bijvoorbeeld in blauwschuit of scheurbuik ook tekenen van bedorven graan door het moederkoren of Claviceps. Hartaanval of hartziektes komen wel niet voor, maar die herken je onder andere ziektes.

Het hart, als het begin van alles, kan dan ook niet ziek worden, alleen een enkele hartklopping geeft problemen, zie bl.136. Soms denk je dat een bepaalde ziekte zou herkennen onder een bepaalde naam, maar dan lees je in de tekst toch dat er ook andere ziektes weer bijgehaald worden hoewel sommige voorbeelden er gewoon voor opluistering er bij staan.

Dat ratten verspreiders zijn van pest vermeldt hij niet, wel de stinkende omgeving, van straat, water en lijken begraven in de kerken.

 

Je vraagt je af of die middelen dan geholpen hebben en hoe ze tegenwoordig nog te gebruiken zijn. Ook de boeren wonen ver van de stad en zijn zonder dokters, die helpen zichzelf en worden wel aangehaald vanwege hun goede gezondheid.

Er zijn dan toch twijfels over de geneeskunst, zie bladzijde 252 van de schat der gezondheid waar gesteld wordt dat dronkaards vaak langer leven dan hen die op hun gezondheid passen. Net zoals Dodonaeus zijn er problemen met de apothekers, of krijgen die de schuld dat het medicijn niet goed werkte omdat ze de verkeerde kruiden of samenstelling gebruikten? Ook met vrouwen die alles beter weten, zelfs beter dan de geneesmeester, zie bl. 327 in de brief van Joubert. Hij heeft het dan ook nodig geacht om een lof der geneeskunst te moeten schrijven. Maar ook gestudeerden twijfelen over de geneeskunst. Daarom heb ik ook Montaigne weerlegd er bijgeschreven in de Lof der Geneeskunst omdat het een indruk geeft van de staat en aanzien van de dokters in die tijd. Zie ook lof der heelkunst.

 

Er zijn verwijzingen naar de Bijbel, maar meer over de Goden van de oude Grieken. Het werk is dan ook meer in de Grieks/Latijnse traditie geschreven dan Christelijk. Dat zal zijn invloed gehad hebben op wereldse zaken, filosofie, wetgeving en dergelijke. Als dit met meerdere schrijvers zo gebeurd is, wat waarschijnlijk lijkt, zou onze maatschappij meer op de Griekse dan Christelijk traditie gegrondvest zijn.

Hij geeft zelf aan dat hij Dodonaeus kruidenboek volgt in het 4de kapittel van de schat der gezondheid op bladzijde 117.

 

Hij is wel modern in het schrijven, eindigt vaak met de beschrijving van wat hij gedaan en bedoeld heeft en begint weer het volgende stuk met een verwijzing naar het vorige en wat er nu gedaan zal worden. Vervolgens bespreekt hij iets algemeens en begint dan terstond elk deel apart uit te leggen en te bespreken. Dat was voor mij ook wel handig. Een goede leraar. Zo ook in het tweede deel met de ziektes. Dat gaat altijd in vaste regelmaat. De ziekte, oorzaak, kentekens, voortekens, genezing en manier van leven. Soms is dit maar kort omdat het al uitgelegd is, maar die regel wordt even goed vast gehanteerd. Opvallende zaken worden cursief geplaatst.

 

Een enorm werk, zo ontzettend veel tekst, probeer maar telkens het woord weer terug te vinden, je kan maar korte stukjes typen, de woorden zijn wat wisselend, eindigen net zo goed op t als d of dt, dat was in zijn tijd dus al moeilijk, wel een h of geen h, meestal is de taal vrij gelijk, maar sommige stukken hebben opeens weer een andere uitgang, mogelijk is het in latere of eerder tijden er bij gedaan of ingevoegd. Ook de schat der ongezondheid heeft duidelijk een andere spelling dan die van de schat der gezondheid, in ieder geval in sommige stukken. Of andere hebben geschreven en zijn er sommige teksten overgeschreven. Door dit geweldige werk krijg ik zelf problemen met mijn eigen spelling, hoe was het ook weer? Als ik iets anders moet typen dat levert vaak zulke woorden op als oock. De Nederlandse vertaling heb ik in een keer overgeschreven en zou nog eens gecorrigeerd moeten worden, maar dat neemt zoveel tijd en je vervalt weer in je fouten, dus. De linker tekst van Beverwijck heb ik voor een tweede maal nagekeken zodat die vrij goed zal zijn.

 

De aanhalingen van teksten in Latijn of Grieks geven het probleem dat die taal me onbekend is zodat de spelling daarvan moeilijk is, vooral tussen f en s. Ook de punten in de tekst geven problemen want dan volgt er in computertekst een hoofdletter op, in dit geval gebruik ik dan een komma.

 

In de tekst staan aanhalingstekens in het geheel en voor elke regel voor een gesproken stuk, die worden verkort tot normale aanvangs- en eindigingtekens.

 

De aardigheid voor mij is het vertalen waardoor de tekst dan ook leesbaarder en bruikbaar wordt voor anderen.

Ook lees je bij hem elke dag wat aardigs zodat je weer benieuwd bent naar de volgende dag. Je leest van oude wetten, maar ook van buskruit, filosofen, Luther, oorlogen, mythen en de ouden, het is zeer veelomvattend.

 

Wat is in dit stuk te vinden. Index.

1.Verdorvenheid der mens en waarom hij aan de dood onderworpen is. 2. Waardigheid van de mens naar ziel en lichaam.
3.Waarom de mens vroeger langer leefden dan tegenwoordig.
4. Of het leven door kunst verlengd kan worden.
5. Dat het schrijven van de bewaring van de gezondheid nuttig en nodig is.
6. Van de gezondheid en haar waardigheid.
7. Waarin de waardigheid bestaat.
8. Waarin het leven bestaat en door welke middelen het in gezondheid onderhouden wordt.
9. Toegevoegde brieven.
11b. Van de bewegingen van het gemoed in het algemeen.
12b. Droefheid.
13b. Nijd.
14b. Liefde.
15b. Eergierigheid.
16b. Gierigheid.
17b. jalousie of ijverzucht.
18b. Blijdschap.
19b. Gramschap.
20b. Vrees.
21c. Van lucht.
22c. de vier jaargetijden en welke verandering ze in de lucht en ons lichaam maken.
23c. het verschil van plaatsen en landen en welke de gezondste zijn
24c. plaatsen
25d. Van het voedsel en ook de noodzakelijkheid en de verschillen er van.
26d. Brood. pap, brei, koeken en allerhande korenwerk.
27d. Van moeskruiden, salade en toekruid.
28d. eetbare wortels.
29d. Aardvruchten.
30d. Heestervruchten.
31d. boomvruchten met harde schillen.
32d. Appels, peren en andere boomvruchten met zachte schillen.
33d. Van suiker en kruid.
34d. Van de oorsprong van het slachten van beesten en dat het vlees de voedzaamste spijs is.
35d. het verschil en verkiezing van het vlees.
36d. het vlees van tamme viervoetige dieren.
37d. wildbraad.
38d. vogels.
39d. Van wat dieren geven, bloed, melk, boter, kaas, wei, beulingen,
eieren en honig.
40d. Vis, zijn vorm en verschillen.
41d.Van drank en eerst van het water.
42d. Wijn.
43d. Bier.
44d. Tabak.
45d. Zout.
46c. Van de bewegingen en rust van het lichaam.
47c. Slapen  en waken.
48c. afzetten en behouden of van het lozen van kamergang, water en andere overtolligheid als ook van het bijslapen.
50. Schat der gezondheid. Waarin verhandeld wordt hoe en op welke manier de verhaalde middelen in elk gedeelte van de ouderdom tot de gezondheid gebruikt moeten worden. Hoe bij iedereen in het algemeen de gezondheid behouden moet worden.
51. Waar de ouders op moeten letten in het telen van kinderen.
52. Hoe een bevruchte vrouw zich onderhouden zal.
53. in hoeveel maanden een kind voldragen wordt.
54. de arbeid en het ambt der vroedvrouwen.
55. dat het eerste zog van de kraamvrouw voor de jong geboren kinderen nuttig en nuttig is.
56. dat elke moeder haar eigen kinderen, indien het mogelijk is, behoort te laten zuigen of anders welke min ze zal kiezen.
57. hoe lang de kinderen dienen te zuigen en hoe ze tot hun zeven jaren opgevoed moeten worden.
58. van de manieren van opvoeden in de tweede en derde zeven jaren.
59. de manier van leven der volwassene of middeljarige en als eerste van de keus van de spijzen.
60. de maat van de spijs en hoeveel men eten moet.
61. hoeveel keer men per dag eten moet en op welke uur.
62. wat beter is 's middags of 's avonds meer te eten en wat voor of er na gegeten dient.
63. Drank zijn hoeveelheid en tijd.
64. Oefening en rust van het lichaam.
65. Slapen en waken.
66. het lozen van de kamergang, water etc. als ook van het bijslapen.
67. manier van leven van oude lieden.
68. manier van leven van diegene die een onmatig en zwak lichaam hebben.
69 manier van leven voor diegene die door verschillende ziektes bedreigd worden.
70. hoe diegene leven moeten die net uit een ziekte opstaan.
71. hoever alle verhaalde middelen van de gezondheid door iedereen gebruikt moeten worden.

 

 

 

 

 

Extract uyt Privelegie.

De Staten van Hollandt en Westvrieslandt, hebben aen Ian Iacobsz. Schipper, Boeck-handelaer t Amsterdam, op zijn verzoek, toegestaen, dat hy alleen, in onse Provintie, zal mogen drucken, doen drukken, uytgeven en verkopen, alle de Wercken van de Heer Ian van Beverwijk; voor dese verscheyde mael, en nu doorgaens grootelijcks vermeerdert, zo in de Medecijne, als Chirurgie, by hem gedrukt; ende dat voor vijftien Iaren, verbiedende alleen ygelijk ingeseten deser Landen, de voorsz. Wercken binnen die tijdt van vijftien Iaren, direcktelijk of indirectelijk, in t geheel oft ten deel, in t groot of in t kleyn, in eenige Tale, na te drukken, verkopen of uyt te geven, of elders nagedrukt in dese Provintie te brengen, verkopen, of uyt te geven, zonder connsent van den Suppliant, op de verbeurte van de negedrukte exemplaren, en ses-hondert Caroli guldens te appliceren, als nader in d originale Brieven te zien is, en dat zo wel by den Drukker als verkoper, te te verbeuren, zo menighmael contrari dezer bevonden wordt. in den Hage 22 September, 1664.

                                                                                                                                                                                        

JOHAN de WIT, ut.

 

                                   Ter Ordonnantie van de selver Heeren.

 

                                                                                             HERBt. Van BEAUMONT.

 

 

 

 

Voor-reden.

Van de Verdorventheyt des Menschen,

En waer door hy de Sieckten, en de doodt selfs, onderkeurig is geworden.

 

 

[1] Het eerste Capittel.

 

De Mensch, het edel dier, by Godes hant geschapen. Was, om in stage jeught, sijn lust te mogen rapen; Was in het schoon prieel: en waer hy immer ging, Daer was hy aengesien als heer van alle ding: Hy vont een schoon gesicht alwaer de boomen groeyden, Hy vont een soet geluyt alwaer de beken vloeyden, Hy vont een soeten reuck alwaer hy neder sat, Hy vont een soete smaeck alwaer hy fruyten at. Waer dat hy quam gegaen, de soete vogels songen, De visschen waren bly, de wilde dieren sprongen, Het schaepjen met de wolf ging spelen in het groen, En oock het felste beest dat quam hem hulde doen. Hy wort aen alle kant getroetelt van de winden, En geen onguure lucht en wasser oyt te vinden; Daer quam geen felle vorst die in de leden sneet, Daer blies geen Noortsche buy die in de wangen beet, Geen koorts, geen vyerigh zeer, geen pest, of peper-koren, Geen gicht, geen leelick schurft en wasser noch geboren: Geen damp, geen vuyle mist en vielder op den mensch Men vont aen alle kant sijn vollen harten wensch. Maer nae dat hem de Slang met liegen had bedrogen, En van sijn hoogste goet door listen af-getogen; Doen was t dat hy terstont in alle qualen viel, Niet met het lijf alleen, maer even met de ziel. Eylaes! Het was verbeurt, al wat hy had verworven,. En hy vol slim bejach, en in den gront verdorven, In hem en is geen deel tot aen het minste lit Daer in geen slim verderf en stage kancker sit

Soo is dan uyter aerdt geen doot in ons gevonden; Maer sy is in den mensch een straffe van de sonden: Van daer komt ons het quaet en al het swaer verdriet. Dat yder menschen-kint hier op der aerden siet. Wilt ghy daerom een koorts, of ander quael, genesen, Of soeck je langen tijt in goeden stant te wesen, Gaet eerst tot uwen Godt, en klaeght daer uwe pijn, Soo kan het heylsaem kruyt u leden dienstigh zijn.

Seer wel is eertijdts geseyt van de wijse Mercurius Trismegistus, dat Godt eerst geweest is, daer na [2] de Werelt, ten derden de Mensche. Want soo lezen wy by den voor-segger Moses, dat Godt, selver sonder begin zijnde, eerst de Werelt, en al datter in is, geschapen heeft, ende op t laetste den Mensche, na dat alles tot sijnen dienst, ende vermaeck alreede volkomentlick bereyt was.

En of schoon Adam schijnt des Heeren laetste werck, Het is noch even-wel zijn eenigh oogh-gemerck. Siet, als een deftigh man sijn vrienden wil onthalen. Hy leyt de gasten noyt in onbereyde salen, Maer tijt voor eerst te werck, en, met genegen vlijt, Soo ciert hy, daer het dient, de mueren met tapijt. Hy laet door handigh volck, en door ervare knechten, De spijse na de kunst, en op haer order rechten; En als dan alle dingh ten vollen is bereyt, Soo worden, op het lest, de gasten ingeleyt. Dus gaet hier Godt te werck, hy vordert alle saken, Hy gaet het schoon prieel, hy gaet de werelt maken, Hy stort in alle dingh een vollen herten wensch, En op den sesten dagh bouwt hy eerst den mensch. Plinius schrijft mede inde Voor-reden van sijn sevende Boeck, dat den Mensche, om wiens wille de Nature alles schijnt voortgebracht te hebben, t voorrecht gerechtelick toekomt. De andere Dieren (seyde de wijse, ende vroome Epictetus) zijn wel wercken Godts, maer niet de voornaemste, noch niet van hem deelachtigh, dan de Mensche is wat bysonders, getrocken uyt de Goddelicke nature, hebbende daer van een gedeelte, waerom hy oock behoort te dencken op sijn af-komste. Soo haelt den Apostel Actor. 17 een half Griecx versken uyt een Heydensche Poet (te weten Aratus, die t selfde seyt van Iupiter, daer mede verstaende, den Schepper, gelijck sijn uytlegger aen-wijst) mede-brengende dat wy van sijn geslachte zijn. Ende daerom wert de mensche een Goddelick dier genoemt van den ghemelten Trismagistus, die oock seyt, dat de Mensche ten dienste van Godt, ende de Wereldt ten dienste van den Mensche geschapen is

Godt blies, en Adam leeft. Siet daer het dier gevonden, Waerom dit wonder Al te zamen is gebonden.

De Mensche aldus na den Even-beelde Godes geschapen, ende met alle heerlickheydt der ziele en des lichaems verciert, over de gantsche werelt, en al wat daer in is van Godt gestelt zijnde, indien hy die groote weldaden erkent hadde met dankbare gehoorsaemheyt, soude met groote eere en luyster hier in dese werelt geleeft hebben, ende daer na sonder de pijnelicke Sieckten, en de bittere doot te smaken, in het eeuwige Vaderlant opgetrocken geweest zijn. Maer om dat hy t listige schoon-praten van de Duyvel te veel gehoors gevende, t gebodt sijns Scheppers schandelick overtreden heeft, soo is hy door t rechtveerdigh oordeel Godts, alderhande smerten, en de doot selve onderkeurigh geworden, want het loon van de sonde is de doot, ende door de sonde is de doot in de werelt gekomen, gelijck den Apostel spreeckt in den brief tot den Romeynen Cap. 5. Het welcke seer aerdigh van den Heere van Bartas vertoont wert, op den eersten dagh van de tweede weke, met dese verssen uyt het Francois aldus overgeset:

Waer Adam niet verruckt tot ongeregelt mallen, Den Schepper af-gegaen, den duyvel toe-gevallen, Sijn af-komst, sijn geslacht, sijn bloet en edel zaet, Dat ware noch gesont, en in blijden staet. Maer nu het eerste paer heeft buyten alle reden, Veracht den grooten Godt, sijn wetten overtreden, Soo is de bleecke doot en alderley gevaer Getreden in het perck, gekomen over haer. De Sond, het leelick, spoock, die heeftet al bedorven, En om dit ongeval soo is de mensch gestorven. Van daer komt ons het quaet, van daer gestagen druck,

Van daer komt alle vleesch den gront van ongeluck.

De Sonde dan en de overtredinge heeft veroorsaekt dat den Mensche vervallen is van sijn voorige weerdigheyt, waer door niet alleen de glinsterende stralen van sijn verstant also verduystert zijn, datter nauwlicx een teycken van het Godlick licht meer in gesien en kan werden, maer is oock daer-en-boven sijn Lichaem met soo veel qualen en sieckten besmet, dat het selfde geweest zijnde vol van heerlicke gaven des levens, nu een poel geworden is van alle onreynigheydt en verdriet. Daer-beneffens de Elementen, en de Schepselen van Hemel en Aerde om des Menschen wille vervloeckt zijnde, spannen van alle kanten tegen hem in, en in plaetse datse te voren hem van alles goets versagen, en weten nu niet, dan wat ongesont, pestig, en doodelick is, tot s menschen gebruyck voort te brengen. T welck mede aengewesen is op de verhaelde plaetse by den gemelten Heere van Bartas, in dese verssen:

Met dat de mensch begon hem tegen Gods te stellen, Soo voeght sich alle dingh om hem te mogen quellen: Want een die uyt de gunst van sijnen Schepper raeckt, Die heeft stracx tegen hem al watter is gemaeckt. De lucht gaf fellen wint, het water stuere vlagen, Het aerdtrijck giftigh kruyt, den hemel donder-slagen; Een yder spout den mensch als in het aengesicht. En denckt voortaen niet meer aen hem te zijn verplicht. De sterren zijn vergramt en laten droeve stralen, Door vremt en ander beleyt hem in de leden dalen; De maen verkout sijn breyn door vuyl en selsaem vocht, En schiet hem in het lijf een ongesonde locht. Hier rijst een harden storm, en treft verheve wallen, Daer schiet een blixem uyt, en doet de torens vallen, En ginder blaeckt een vyer dat uytter aerden koomt, Daer voor dat yder lant en al de wereld schroomt. Ach ! hoe was eens de mensch in hoogen staet verheven, Doen hy macht over-al gestrenge wetten geven! 3] Doen kond hy met een wenck of met een kleyne stem, Al wat sijn ooge sagh doen buygen onder hem. Het swijn, den oliphant, de leeuw, en felle beeren, Die stilden haer gewoel alleen op sijn begeren, En waren staegh bereyt om hem ten dienst te staen; Nu komt een kleyne mugh en doet hem de oorlogh aen.

Alsoo hy dan most misschen den Boom des Levens, het genees-middel voor de doot, en dat alles van buyten bedorven was, so hing hem gestadig alderhande gevaer boven t hooft, waer door hy niet sekerder als een vernieling van sijn lichaem, en de doot te verwachten had. De Prince der Genees-meesters beklaeght dan niet sonder reden de ellendigheyt der menschen met dese woorden: De Mensche is swack van den beginne, en schreyt om een anders hulpe: in sijn wasdom is hy onwijs, stout, en heeft onderwijsing van doen: afgaende ellendigh, als hy sijnen voorleden onvoorsichtigen handel over denckt. Hierom plegen die van Thracyen, gelijck Plinius, Valerius, Maximus en andere schrijvers, en de nabuurige volckeren, gelijck Herodotus betuyght, alsser een kint geboren was, rontsom t selve sittende, de geboorte te beschreyen, en te verhalen wat al ellende en verdriet het kint boven het hooft hingh: maer alsser yemant gestorven was, dan hielen sy de uytvaert met vreught, als van de gene, die nu veel swarigheydt ende moeyte afgeleydt hadde. Waer toe dese verssen uyt den Grieckschen Poet Euripides by-gebracht werden van Plutarchus in sijn troost-reden aen Apollonius:

Soo haest als eenigh mensch op aerden was geboren, Soo scheen hy al het volck de vreught te zijn verloren; Een yder was bedroeft, en maeckte groot geklagh, Om dat men voor het kint niet als verdriet en sagh; Maer als de bleecke doot had yemant wech genomen, Dan sagh men enckel vreught als van den hemel komen: Men nam het voor een geluck, men is geheel verblijt, Een mensch te mogen sewn van alle druck bevrijt.

Plinius is in zijn voor-reden van sijn sevende Boeck der Natuerlijcke Historie seer wijtloopigh om des Menschen ellende te beschrijven, soo dat hy in twijffel treckt, of de Nature ons een goede Moeder, of een quade Stief-moeder geweest is; ende seyt tot besluyt, datter veel geweest sijn, die voor best oirdeelden niet geboren te werden, ofte ras te sterven. Ende voorwaer wat tijt hebben wy in al ons leven, die niet aen deen, ofte dandere ellendigheyt vast en is? Een kint so dra het nat en vuyl in de wereldt komt, begint sijn leven van schreyen: wert met groote moeyte, sorge en gevaer, groot gemaeckt, altijt onderhavigh alderhande sieckten, en sonder de selvige, oock door de jaren, na de doot loopende. Wie isser die te degen sijn gemoedt gerust heeft? Is de droefheyt over, de vreese komt in de plaets; gaet de vrese wech, de gramschap wert verweckt; op de gramschap volght berouw; om kort te seggen daer en is noyt rust, en de eene bekommeringh en is nauwlicx voor-by, ofte de ander staet voor de deur, ende in het laetste, als verwonnen is de noot, dan komt veeltijts de doot. Dese ellendigheyt der Menschen in alderhande gelegentheyt, is wijtloopigh van een Griexc Poet Crantor met dese verssen en redenen aengewesen:

Wat leven dat de mensch oyt stelt in sijn gedachten, Daer is maer enckel druck en onlust in te wachten; Het gaet soo wonder vremt hier in dit jammer-dal, Men vint schier anders niet als druck en ongeval. Is yemant hoogh in geest, en deftigh in verstande, Soo wort hy metter daet een slave van den lande; Doe hy gelijck een dwaes sijn dingen sonder slot, Soo is hy staegh veracht, en aller menschen spot. Is hy van kloecken aert, en van gesonde leden, Soo wil hy staegh het vleys in vuylen lust besteden; En is hy veeltijts sieck, hy lijdt een staege doot, En is een arrem mensch, al is sijn rijckdom groot. Leeft hy ontrent een Prins, of krijght hy groote staten, Hy moet van stonden aen sijn oude vryheit laten; Wie sich in t hof geneert die stelle desen voet, Dat hij geringelt wort, en efter dancken moet. Indien hy sich bemoeyt alleen met den eygen saken, Dat is een slecht bedrijf, hoe kan hem dat vermaken? Is hy een acker-man die koren-landen bout, Dat is een stage sorgh die nimmer op en hout. Indien hy krijghs-man wort, soo moet hy dickmael moorden, Oock daer hy wort onthaelt met een gunst en soete woorden; En soo hy noyt en vecht, maer liefst de soete rust, Soo is hy maer een roof van die het maer en lust. Indien hy over zee verhandelt rijcke waren, Soo lijdt hy stagen angst oock van de minste baren; Indien hy binnen t lants een stillen handel doet, Die geeft hem staegh beslag maer nimmer machtigh goet. Indien hy voorspoet heeft, soo wort sijn hert verheven, Hy wort door sotte waen en hooghmoet aengedreven; En wort hy veel beswaert met druck en tegenspoet, Wat is hy als een worm die inder aerden wroet? Indien hy sonder gelt besoeckt de vremde landen, Soo treckt hem niemant aen door feyl van rijcke panden; En reyst hy buyten s lants en heeft hij machtigh gelt, Hy sal met groote vrees geduerigh zijn gequelt. Indien hy is gesint om noyt te willen paren, Geduerigh eensaem zijn dat noem ick droeve jaren; Indien hy trouwen wilt, hy wort voor eeuwigh vast, En t wijf met haer gevolgh, dat is een stage last. Indien hy vruchtbaer is en kinders komt te winnen, Al was hy eertijts bly, hy krijght bedroefde sinnen, En schoon hy sonder vrucht den echten acker bout, Sijn huys dat gaet te niet. Wat doet de man getrout? Trout hy een schoone vrouw, sy baert hem duysent plagen, Hoe licht kan haer gelaet een ydel oogh behagen? En dat is stage sorgh. Neemt hy een leelick wijf, Soo heeft hy nimmermeer een eerlick tijt-verdrijf. [4] Is t wijf van machtigh goet, de man van kleyne renten, Het wijf sal staegh verwijt hem in den boesem prenten. En isse sonder gelt, sie daer een stagen last; Want goet van eene zy is veerdigh op-gebrast. Is sy van snegen aert, en leest se wijse boecken, Soo wilse meester zijn en haren man verkloecken. Siet daer! een twistigh huys. Indien se niet en weet, T is spijse sonder zout, en niet een soeten beet. Ten lesten, is men jongh, de jeught is onbedreven, En woelt als in een zee van dit ellendigh leven. En worter yemant oudt, soo naeckt sijn hoogsten noot, Eylaes! sijn krank gesteld dat worstelt met de doot. Wat dienter meer geseyt? wie kan hem neder stellen, Of sal hem eenigh dingh in geest of leden quellen: Geen mensche sonder druck, hoe vrolick dat hy leeft, Dewijl oock even-selfs een roosjen prickels heeft. De blijschap even-selfs die heeft een droevigh wesen: Want van gestage vreught en heeft men noyt gelesen. Het is dan alderbest, en ver de minste pijn, Of noyt te zijn geteelt, of haest een lijck te zijn.

Silenus gevraeght zijnde van Midas, wat voor den Mensche alderbest was, gaf het selve voor antwoort, niet geboren te werden, ofte haestelick te sterven. Maer de wijs-gerige Epicurus had groot gelijck om met hem te spotten, dat hy sijn selven niet terstont om en bracht, als hy meende, sulcx het beste te wesen. En daerom werden de verhaelde verssen van Crantor van een ander Griecx Poet, met geen minder geestigheyt, maer meerder waerheyt van een andere Griecx Poet met namen, Metrodorus, aldus verdraeyt:

Wat staet kan eenigh mensch op aerden over-komen, Daer niet een soet vermaeck kan worden uyt-genomen? Noyt soo verbotsten tijt of soo bedroefden jaer, Of een die leven kan die worter vreught gewaer. Heeft yemant kloeck verstant soo wort hy staegh gepresen, En voor een lant-juweel met vingers aen gewesen: En is hy sonder breyn, soo is hy sonder last; Men siet oock Princen selfs met gecken wel gepast. Is hy gedurigh wel, en sonder krancke dagen, Soo is hy recht bequaem syn lusten na te jagen; En is hy swack van aert, en dickmael niet te wel, Schoon hem de doot genaeckt, ten is hem geen gequel. Indien hy in het hof met Vorsten wil verkeeren, Hy kan syn lagen naem, en duyster huys vereeren: Indien hy stilheyt soeckt, en maer het syne doet, Syn eygen vooght te zijn dat is geweldigh soet. Staen hem de velden aen, en gaet hy landen telen, Dat is een soet bedrijf, wie kan hem oyt vervelen? Wil hy een koop-man zijn, en seylen van de ree, O wat een machtigh goet ontstaet er uyt de zee! Indien hy winste doet, soo magh hy vrolick leven, Hy krijght dan menig vrient en meer als hondert neven; En lijdt hy staegh verlies, hy wort een deftigh man, Die, al dat werelt hiet, met voeten treden kan. Wil hy krijghsman zijn, soo kan hy dickwils maeyen, Daer hy noyt ploegh en sont, en noyt dede saeyen; En soo hy doorlogh haet, en liefst een stillen geest, Soo is hy wel getroost, oock als een ander vreest. Verreyst hy buyten s lants, en kan hy wel betalen, Waer dat hy komen magh, men sal hem wel onthalen; Of is sijn beurse licht, hy draeght te minder last, Soo dat hy lustigh is, en op geen rovers past. Indien sijn jeugdigh hert genegen is te trouwen, Waer vint men soeter vreught als by de jonge vrouwen? Of is hy meer geneyght om niet te zijn gepaert, Soo is hy sonder sorgh waer dat hy henen vaert. Indien het echte bedt hem kinders heeft gegeven, Hy siet, in hare jeught, gelijck een ander leven. Indien hem uyt het bedt geen echte vruchten en wast, Soo heeft hy vrouwen-lust, en ester geenen last. Trouwt hy een schoone vrouwe, wat kander soeter wesen? Sy kan sijn gulle jeught, en heeten brant genesen: Of isse niet te mooy, ey! keurt haer niet te naeuw; By nachte, lieve vrient, zijn alle katten graeuw. Krijght hy een geldigh wijf, wat kan hy meer begeeren? Op vrouwen machtigh goet daer kan men lustigh teeren. Heeft sy in tegendeel maer weynigh by-gebracht, T is seker dat het wijf hem des te meerder acht. Indien sy geestig is, of heeftse veel gelesen, Sy kan, voor al het huys, gelijck een raets-heer wesen. Of heeftse geen verstant als van haer doecken te huys, De man leeft sonder twist by soo een soete druyf. Wat meer? is yemant jongh dat zijn de beste tijden, De jeught is enckel vreught en lust aen alle zijden. Indien de ouden dag tot sijnen heert genaeckt, Siet daer de rechte tijt die hem eerweerdigh maeckt. Het is dan sonder gront dat veel onsuere menschen Of noyt te zijn geweest, of korte dagen wenschen. Treedt ghy in u beroep met onbedachten sin, In wan-genoegen selfs daer is vernoegen in.

Voorwaer al heeft ons Leven na den val den meesten glans verloren, soo en is t evenwel soodanigh niet, of t is ten minsten noch wel voor de doot te kiesen. Wy lesen in de Fabulen van Esopus van een oudt man, dat hy een langen wegh hout gedragen hebbende, het selve, seer vermoeyt zijnde, by hem neder leyde, en om de Doot riep: en dat de Doot komende, en vragende, waerom sy geroepen was? hy voor antwoort gaf, om my dit hout op te helpen: soo drae was hem de lust van sterven over gegaen. Antisthenus sieck leggende, en van groote pijn roepende, Wie sal my noch van dese ellende verlossen? Diogenes, een ander Wijsgerige, daer by staende, en treckende sijn mes uyt. Dit, seyde hy, soo ghy begeert, al sal het op staende voet wel doen. Ick en meen niet, antwoorde Anthisthenes, van het Leven, maer van de Sieckte. Want al-hoe-wel veel Wijs-gerige geen sonde daer van en maeckten, om haer leven te verkorten, soo en stont haer even-wel die middel niet aen. En voorwaer Tamerlaen verbloemde [5] sijn groote wreetheyt met een verkeerde barmhertigheyt, als hy alle de Melaetschen liet dootslaen., om deselve, gelyck hy seyde, van haer ellendigh leven te verlossen. Het welck ick wel geloof, genoegh tegen haren danck geschiet te zijn: alsoo ick dickwils gesien hebbe, dat oock stock-oude en daer by gebreckelicke lieden, die uyt onverduldigheyt van pijn dickwils om de doot geroepen hadden, de selve beginnende te genaken, noch met groote begeerte na het leven joockten, en voor het eynde van haren tijt seer schrickten.

De Menschen, seydt de eerw. Ioseph Hall in sijne Godtvruchtige Overdenckingen, in t Engels beschreven [3. Cent. 30] en souden voor t meeste deel niet geerne sterven, noch oudt werden. Wanneer wy een bedaeght mensche sien, die daer over-leeft heeft alle de tanden van sijnen mont, de hayren sijns hoofts, t gesichte sijner oogen, den smaeck sijns gehemelts; dan is ons seggen, dat wy niet geerne komen souden tot sulcken hoogen ouderdom, in de welcke wy beyde, onse vrienden, en ons selven een last souden zijn: nochtans indien ons de keur gegeven werde op wat jaer wy sterven wouden, soo zouden wy het altijt uytstellen tot op het naeste, en ons en ontbreken geen uytvluchten tot dat verlenght. En voorwaer, gelijck den selven Hall vermaent in sijn heyligen Opmerckingen, t Leven is sijn selven goet, en de Doot quaet, anders en soude David, Elias, en vele voortreffelicke Martelaers niet gevlucht hebben om het Leven te behouden, ende Doot te ontgaen. Soo en soude oock Ezechias daerom niet gebeden hebben, nochte den Salighmaker ons niet vermaent hebben te vlieden, om t leven te bewaren, noch mede Godt het selve aen den sijnen niet belooft hebben, tot een loon van gehoorsaemheyt.

Dewijl dan t Leven een geschenck en segen is van Godt almachtigh, en dat oock de liefde van t selve een kettingh is, gelijck Seneca spreeckt, die ons vast hout, soo moet een yegelick de soete gemeenschap van Lichaem en Ziele met alle middelen soecken te onderhouden, en alle vlijt aenwenden, om den tijdt sijns levens in gerustheyt des Gemoets, en welstant des Lichaems over te brengen.

[1] Het eerste Kapittel.

 

De mens, het edel dier die door Gods hand geschapen is was in constante jeugd om zijn lust te rapen. Het was in een mooi prieel waar hij steeds in ging en daar werd hij aangezien als heer van alle dingen. Hij vond een mooi uitzicht waar bomen groeiden, hij vond een zoet geluid waar beken vloeiden. Hij vond een zoete reuk waar hij zat, hij vond een zoete smaak waar hij fruit at. Waar hij aankwam zongen de zoete vogels, de vissen waren blij en de wilde dieren sprongen. Het schaapje ging met de wolf spelen in het groen en ook het felste beest dat kwam hem hulde doen. Hij wordt aan alle kanten vertroeteld door de winden en geen ongure lucht was er ooit te vinden. Daar kwam geen felle vorst die in de leden sneed, daar blies geen Noorse bui die in de wangen beet. Geen koorts, geen vurig zeer, geen pest of peperkorrel, geen jicht en geen lelijke schurft was er nog geboren. Geen damp en geen vuile mist viel er op de mens en vond aan alle kant zijn volle hartenwens. Maar nadat de slang hem met liegen had bedrogen en van zijn hoogste goed door listen afhandig had gemaakt. Toen was het dat hij terstond in alle kwalen viel en niet met het lijf alleen, maar ook met de ziel. Eilaas! Het was verbeurd al wat hij had verworven en hij vol slim bejag was tot in de grond bedorven. In hem is geen deel tot aan het minste lid waar geen ernstig bederf en constante kanker zit.

Zo is dan uiteraard geen dood in ons gevonden, maar dat is in de mens een straf van de zonden. Vandaar komt bij ons het kwaad en alle zware verdriet dat ieder mensenkind hier op de aarde ziet. Wilt ge daarom een koorts of een ander kwaal genezen of probeer je lange tijd in goede stand te wezen? Ga eerst naar uw God en klaag daar uw pijn dan kan ook het heilzame kruid uw leden nuttig zijn.

 

Zeer goed is vroeger door de wijze Mercurius Trismegistus gezegd dat God er het eerste was en daarna [2] de wereld en ten derde de mens. Want zo lezen we bij de voorzegger Mozes dat God die zelf zonder begin is eerst de wereld en alles dat er in is geschapen heeft en op het laatste de mens nadat alles tot zijn dienst en vermaak reeds volkomen klaar gemaakt was.

En ofschoon Adam wel het laatste werk van de Heer schijnt, het is toch evenwel zijn enige doel. Zie als een deftig man zijn vrienden wil onthalen leidt hij de gasten nooit in onvoorbereid zalen. Maar neemt tijd om er eerst voor te werken en met toegenegen vlijt versiert hij zoals het hoort de muren met tapijt. Hij laat door handig volk en door ervaren knechten de spijzen naar de kunst en op haar regel inrichten. En als dan alle zaken geheel klaar zijn dan worden tenslotte de gasten uitgenodigd. Zo gaat hier God te werk en regelt alle zaken en gaat het mooie prieel, hij gaat de wereld maken. Hij stort in alle dingen een volle hartenwens en op de zesde dag bouwt hij pas de mens.

Plinius schrijft ook in de voorreden van zijn zevende boek dat de mens waarom de natuur alles schijnt voortgebracht te hebben het voorrecht ten rechte toekomt. De andere dieren (zegt de wijze en vrome Epictetus (1) zijn wel werken van God, maar niet de voornaamste en zijn hem niet deelachtig, dan de mens die is wat bijzonders en getrokken uit de Goddelijke natuur en heeft daarvan een gedeelte waarom hij ook aan zijn afkomst behoort te denken. Zo haalt de Apostel in Handelingen 17 een half Grieks versje van een heidense poet aan te weten Aratus (2) die hetzelfde zegt van Jupiter en daarmee de schepper bedoelt zoals zijn uitlegger verklaart die zegt dat wij van zijn geslacht zijn. En daarom wordt de mens een Goddelijk dier genoemd door de vermelde Trismagistus (3) die ook zegt dat de mens ten diensten van God en de wereld ten diensten van de mens geschapen is.

 

God blies en Adam leeft. Ziet, daar is het dier gevonden. Waarom dit wonder al tezamen is gebonden.

De mens is aldus naar het evenbeeld van God geschapen en met alle heerlijkheid van de ziel en van het lichaam versierd en over de gehele wereld en al wat daarin is door God geplaatst. Als hij die grote weldaad erkent had met dankbare gehoorzaamheid zou hij met grote eer en luister hier in deze wereld geleefd hebben en daarna zonder pijnlijke ziekten en de bittere dood te smaken in het eeuwige Vaderland gekomen zijn. Maar omdat hij aan het listige mooi praten van de duivel te veel gehoor gaf en het gebod van zijn Schepper schandelijk overtrad zo is hij door het rechtvaardig oordeel van God aan allerhande smarten en de aan dood zelf onderworpen geworden want het loon van de zonde is de dood en door de zonde is de dood in de wereld gekomen zoals de Apostel spreekt in de brief aan de Romeinen in kapittel 5. Dat zeer aardig door de heer van Bartas vertoond wordt op de eerste dag van de tweede week met deze verzen die uit het Frans aldus overgezet zijn:

 

Was Adam niet tot ongeregeld leven vervallen was hij niet de Schepper afgevallen en aan de duivel toegevallen. Zijn afkomst, zijn geslacht, zijn bloed en edel zaad dat was noch gezond en in blijde staat. Maar nu het eerste paar buiten alle rede de grote God heeft veracht en zijn wetten overtreden is de bleke dood en allerlei gevaar in het perk getreden en over hen gekomen. De zonde, het lelijke spook, heeft alles bedorven. En vanwege dit ongeval is de mens gestorven. Vandaar komt tot ons het kwaad en vandaar constante druk, vandaar komt alle vlees, de grond van ongeluk.

De zonde en de overtreding heeft dan ook veroorzaakt dat de mens van zijn vorige waardigheid is afgevallen waardoor niet alleen de glinsterende stralen van zijn verstand zo verduisterd zijn dat er nauwelijks een teken van het Goddelijk licht meer in gezien kan worden, maar daarboven is ook zijn lichaam met zo veel kwalen en ziekten besmet dat die wat ooit eens vol was van de heerlijke gaven van het leven nu een poel geworden is van alle onreinheid en verdriet. Daarnaast spannen de elementen en de schepsels van hemel en aarde die vanwege de mens vervloekt zijn van alle kanten tegen hem samen en in plaats dat ze tevoren hem van alle goed voorzagen weten ze nu niets anders dan wat ongezonds voort te brengen dat pestachtig en dodelijk is voor het menselijk gebruik.

Wat ook aangewezen wordt op de vermelde plaatsen door de vermelde heer van Bartas in deze verzen:

Meteen toen de mens zich tegen God begon op te stellen kwamen alle dingen tezamen om hem te mogen kwellen. Want een die uit de gunst van zijn Schepper raakt die heeft straks tegen hem alles wat er gemaakt is. De lucht geeft felle wind, het water stuurse vlagen en het aardrijk giftig kruid en de hemel donderslagen. Iedereen spuwt de mens als in het aangezicht en denkt er voortaan niet meer aan dat het aan hem verplicht is. De sterren zijn vergramd en laten droeve stralen door vreemd en ander beleid bij hem in de leden dalen. De maan maakt zijn hersens koud door vuil en zeldzaam vocht en schiet hem een ongezonde lucht in het lichaam. Hier rijst een harde storm en treft verhoogde wallen, daar schiet een bliksem uit en laat de torens vallen. En ginder blaakt een vuur dat uit de aarde komt waarvoor elk land en de hele wereld schroomt. Ach! hoe was eens de mens in hoge staat verheven toen hij macht over al te strenge wetten kon geven! [3] Toen kon hij met een wenk of met een kleine stem al wat zijn oog zag onder hem laten buigen. Het zwijn, de olifant, de leeuw en felle beren die stilden hun gewoel alleen op zijn wil. En waren op slag bereid om hem ten dienst te staan, nu komt een kleine mug en doet hem de oorlog aan.

Alzo hij dan de Boom des Levens moet missen, het geneesmiddel voor de dood, en omdat alles van buiten bedorven is zo hangt hem steeds allerhande gevaar boven het hoofd waardoor hij zeker een vernieling van zijn lichaam en dood te verwachten heeft. De prins der geneesmeesters klaagt dan niet zonder reden de ellende van de mens met deze woorden: De mens is zwak vanaf het begin en schreit om een ander zijn hulp, in zijn groei is hij niet wijs, stout en heeft onderwijs nodig, hij gaat ellendig af als hij zijn vroegere onvoorzichtige handel overdenkt. Daarom huilen die van Thraci zoals Plinius, Valerius, Maximus en andere schrijvers en de naburige volkeren als Herodotus zegt, als er een kind geboren wordt gaan er rondom zitten vanwege de geboorte en verhalen wat voor ellende en verdriet het kind boven het hoofd hangt, maar als er iemand gestorven is dan houden ze met vreugde uitvaart als van diegene die nu veel zwaarheid en moeite afgelegd heeft. Waarom deze verzen uit het Grieks door de poet Euripides gebracht worden door Plutarchus in zijn troostrede aan Apollonius. ZO gauw als er een mens op aarde was geboren scheen al het volk de vreugde te zijn verloren. Iedereen was bedroefd en maakte groot klagen omdat men voor het kind niet anders dan verdriet zag. Maar toen de bleke dood iemand had weg genomen toen zag men enkel vreugde als van de hemel komen. Men nam het voor een geluk, men is geheel blij. Een mens te mogen zien die van alle druk is bevrijd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Plinius is in zijn voorrede van zijn zevende boek van de Natuurlijke Historie zeer uitgebreid om de menselijke ellende te beschrijven zodat hij in twijfel trekt of de natuur voor ons een goede moeder of een kwade stiefmoeder is geweest en zegt tot besluit dat er velen geweest zijn die voor het beste oordeelden niet geboren te zijn of snel te sterven. En voorwaar wat voor tijd hebben wij in ons hele leven die niet aan de ene of de andere ellendigheid vast zit? Een kind, zodra het nat en vuil in de wereld komt begint zijn leven van schreien en wordt met grote moeite, zorg en gevaar groot en is altijd onderhavig aan allerhande ziektes en zonder die loopt hij ook na al die jaren naar zijn dood toe. Wie is er wie zijn gemoed volledig rust heeft? Is de droefheid over dan komt de vrees in zijn plaats, gaat de vrees weg dan wordt de gramschap verwekt en op de gramschap volgt berouw, om kort te gaan er is nooit rust en de ene bekommering is nauwelijks voorbij of de ander staat voor de deur en tenslotte als de nood overwonnen is dan komt vaak de dood. Deze ellende van de mensen in allerhande gelegenheden is uitgebreid door de Griekse poet Crantor met deze verzen en reden aangewezen:

Wat voor leven dat de mens ooit stelt in zijn gedachten, er is maar enkel druk en onlust in te verwachten. Het gaat zo wonderlijk vreemd hier in dit jammerdal. Men vindt vrijwel niets anders dan drukte en ongeval. Is iemand hoog in geest en deftig in verstand dan wordt hij in de loop der tijd een slaaf van het land. Doet hij als een dwaas zijn dingen niet op slot dan wordt hij steeds veracht en is aller mensen spot. Is hij van kloeke aard en van gezonde leden dan wil hij steeds het vlees in vuile lust besteden. En is hij vaak ziek, hij lijdt een constante dood en is een arm mens al is zijn rijkdom groot. Leeft hij bij een prins of krijgt hij grote rijkdom, hij moet van begin af aan zijn oude vrijheid laten. Wie zich in het hof begeeft die stelt deze nood dat hij geringeld wordt en altijd bedanken moet. Indien hij zich alleen met zijn eigen zaken bemoeit, dat is een slecht bedrijf, hoe kan hem dat vermaken? Is hij een akkerman die korenlanden bouwt is dat is een constante zorg die nimmer ophoudt. Indien hij krijgsman wordt dan moet hij vaak moorden ook waar hij wordt onthaald met gunst en zoete woorden. En als hij nooit vecht en het liefst de zoete rust begeert dan is hij maar een roof van die het maar wil. Indien hij over zee handelt met rijke waren dan lijdt hij steeds angst ook van de minste baren. Indien hij binnen het land een stille handel doet die geeft hem weinig winst en nimmer machtig goed. Indien hij voorspoed heeft dan wordt zijn hart verheven en wordt door zotte waan en hoogmoed aangedreven. En wordt hij veel bezwaard met druk en tegenspoed, wat is hij anders dan een worm die in de aarde wroet? Indien hij zonder geld vreemde landen bezoekt dan wordt hij door niemand aangetrokken vanwege het ontbreken van rijke panden. En reist hij buiten het land en heeft hij machtig geld zal hij steeds met grote vrees gekweld zijn. Indien hij van plan is om nooit te paren en steeds eenzaam is, dat noem ik droeve jaren. Indien hij trouwen wil wordt hij voor eeuwig vast en het wijf met haar gevolg, dat is een constante last. Indien hij vruchtbaar is en kinderen komt te winnen, al was hij ooit blij, hij krijgt een droevige geest. En als hij zonder vrucht de echtelijke akker bebouwt, zijn huis dat gaat te niet. Wat doet de man getrouwd? Trouwt hij een mooie vrouw, zij baart hem duizend plagen, hoe gemakkelijk kan haar gelaat een ijdel oog behagen? En dat is constante zorg. Neemt hij een lelijk wijf, dan heeft hij nimmermeer een eerlijk tijdverdrijf. [4] Is het wijf van machtig goed en de man van kleine rente, het wijf zal hem steeds verwijt in de boezem prenten. En is ze zonder geld, zie daar een constante last want het goed van ene kant is snel opgebrast. Is ze van snedige aard en leest ze wijze boeken dan wil ze meester zijn en haar man overwinnen, ziet daar! een huis met ruzie. Indien ze niets weet, het is spijs zonder zout en niet een zoete beet. Tenslotte is men jong, de jeugd is onbedreven en woelt als in een zee van dit ellendige leven. En wordt er iemand oud dan naakt zijn hoogste nood, eilaas! zijn zwak gestel dat worstelt met de dood. Wat dient er meer gezegd te worden? Wie kan zich daar tegen verweren of zal er enig ding in geest of leden kwellen, geen mens is zonder druk hoe vrolijk dat hij leeft. Omdat zelfs ook een roosje prikkels heeft, zelfs de blijdschap heeft een droevig wezen. Want van steeds vreugde heeft men nooit gelezen. Het is dan het allerbeste en veruit de minste pijn om nooit te zijn geteeld of snel een lijk te zijn.

 

Silenus werd door Midas gevraagd wat het allerbeste voor de mens was en kreeg hetzelfde voor antwoord, niet geboren te worden of snel te sterven. Maar de wijsgerige Epicurus had groot gelijk om met hem te spotten dat hij zichzelf niet terstond ombracht als hij meende dat zoiets het beste zou zijn. En daarom worden de verhaalde verzen van Crantor door een ander Griekse poet met niet minder geestigheid verdraaid maar die meer met de waarheid overeen komen door een andere Griekse poet met de naam Metrodorus aldus:

Welke staat kan enig mens op aarde overkomen waar geen vermaak uit kan worden genomen? Nooit botsten tijd of zulke droevige jaren of een die leven kan wordt er vreugde in gewaar. Heeft iemand scherp verstand dan wordt hij steeds geprezen en voor een landjuweel met vingers aan gewezen. En is hij zonder brein dan is hij zonder last, men ziet ook prinsen zelfs wel met gekken wel gepast. Is hij steeds goed en zonder zieke dagen dan is hij steeds gereed om zijn lusten na te jagen. En is hij zwak van aard en gaat het hem vaak niet goed en ofschoon de dood hem nadert, het maakt hem niets uit. Indien hij in het hof met vorsten wil omgaan kan hij zijn lage naam en duister huis vereren. Indien hij stilte zoekt en maar het zijne doet is het om zijn eigen voogd te zijn geweldig zoet.

Staan hem de velden aan en gaat hij landen bebouwen, dat is een zoet bedrijf en wat kan hem ooit vervelen? Wil hij een koopman zijn en zeilen van de ree, o wat een machtig goed ontstaat er uit de zee! Indien hij winst maakt dan mag hij vrolijk leven, hij krijgt dan menig vriend en meer dan honderd neven. En lijdt hij steeds verlies dan wordt hij een deftig man die al dat wereld heet met de voeten treden kan. Wil hij krijgsman zijn dan kan hij dikwijls maaien waar hij nooit een ploeg zond en nooit zaaide. En als hij de oorlog haat en liefst een stille geest is dan is hij wel getroost ook als een ander vreest. Reist hij buiten het land en kan hij het wel betalen en waar hij komen mag zal men hem goed onthalen. Of is zijn beurs licht dan draagt hij minder last zodat hij blij is en niet aan rovers denkt. Indien zijn jeugdig hart genegen is te trouwen waar vindt men zoetere vreugde dan bij de jonge vrouwen? Of is hij meer geneigd om niet te paren dan is hij zonder zorg waarheen hij gaat. Indien het echtelijke bed hem kinderen heeft gegeven ziet hij in hun jeugd een ander leven. Indien hem uit het bed geen echte vruchten groeien dan heeft hij vrouwenlust en is er geen last. Trouwt hij een mooie vrouw, wat kan er zoeter wezen? zij kan zijn gulle jeugd en hete brand genezen. Of is ze niet te mooi, ei! keur haar niet te nauw, bij nacht, lieve vriend zijn alle katten grauw. Krijgt hij een wijf met geld wat kan hij meer begeren? Op zijn vrouws machtig goed kan men lustig teren. Heeft zij in tegendeel maar weinig bijgebracht is het zeker dat het wijf hem des te meer acht. Indien zij geestig is of als ze veel heeft gelezen dan kan zij voor het hele huis als een raadsheer wezen. Of heeft ze geen verstand dan alleen van haar doeken in het huis dan leeft de man zonder twist bij zon zoete druif. Wat meer? Is iemand jong dat zijn de beste tijden, de jeugd is enkel vreugde en lust aan alle zijden. Indien de oude dag tot zijn hart komt, zie daar de echte tijd die hem eerwaardig maakt. Het is dan zonder grond dat veel zure mensen of er nooit te zijn geweest of korte dagen wensen. Treedt gij in uw beroep met onbedachte zin, in ongenoegen zelf daar is genoegen in.

 

 

 

Voorwaar al heeft ons leven na de val de meeste glans verloren zo is het evenwel toch niet zodanig of tenminste beter dan om voor de dood te kiezen. Wij lezen in de fabels van Aesopus van een oude man die op een lange weg hout gedragen heeft en dit omdat hij zeer vermoeid werd het neerlegde en om de dood riep en toen de dood kwam en vroeg waarom hij geroepen werd? Hij voor antwoord kreeg om me met dit hout op te helpen, zo gauw was hem de lust van sterven over gegaan. Antisthenus die ziek lag riep van grote pijn, wie zal mij noch van deze ellende verlossen? Diogenes, een andere wijsgeer die daarbij stond, trok zijn mes, dit zei hij, als je dat wilt zal ik het wel op staande voet doen. Ik bedoel niet, antwoordde Anthisthenes, van het leven, maar van de ziekte. Want alhoewel veel wijsgeren er geen zonde van maakten om hun leven te verkorten stond hen evenwel dat middel niet aan. En voorwaar Tamerlaen verbloemde [5] zijn grote wreedheid met een verkeerde barmhartigheid toen hij alle melaatsen liet doodslaan om die, zoals hij zei, van hun ellendig leven te verlossen. Wat ik wel geloof tegen hun wil gebeurde omdat ik vaak gezien heb dat ook stokoude en daarbij gebrekkige lieden die uit ongeduld van pijn dikwijls om de dood geroepen hadden die toch willen vermijden en met grote begeerte naar het leven zochten en voor het einde van hun tijd zeer schrokken.

 

 

 

 

 

 

De mensen, zegt de eerwaarde Joseph Hall in zijne Godvruchtige Overdenkingen die in het Engels beschreven zijn [3. Cent. 30] zouden voor het meeste deel niet graag sterven of oud worden. Wanneer wij een bejaard mens zien die nog alle tanden van zijn mond heeft, de haren van zijn hoofd, het gezicht van zijn ogen en de smaak van zijn gehemelte heeft dan zeggen we dat wij niet graag tot zon hoge ouderdom zouden komen waarbij we beide onze vrienden en onszelf tot een last zouden zijn, nochtans indien ons de keur gegeven werd op welk jaar we sterven wilden dan zouden we het altijd uitstellen tot op een andere tijd en ons ontbreken geen uitvluchten zodat het verlengd zou worden. En voorwaar zoals dezelfde Hall vermaant in zijn heilige Opmerkingen, het leven is op zichzelf goed en de dood kwaad anders zou David, Elias en vele voortreffelijke martelaars niet gevlucht zijn om het leven te behouden en de dood te ontgaan. Zo zou ook Ezechias daarom niet gebeden hebben, noch de Zaligmaker ons niet vermaand hebben te vlieden om het leven te bewaren, ook dat God het leven aan de zijnen niet beloofd heeft als een loon van gehoorzaamheid.

Omdat het leven een geschenk en zegen is van God almachtig en dat ook de liefde ervan een ketting is, zoals Seneca spreekt, die ons vasthoudt zo moet iedereen de zoete gemeenschap van lichaam en ziel met alle middelen zoeken te onderhouden en alle vlijt aanwenden om de tijd van zijn leven in gerustheid van het gemoed en welstand van het lichaam over te brengen.

(1) Epictetus, filosoof 1ste eeuw na Chr.

(2) Aratus of Aratos van Cilici, 315 v. Chr.

(3) Hermes Mercurius Trisme(a)gistus, Griekse naam van de Egyptische god van de wijsheid en het schrift, Thoth.

 

 

Van de waardigheid van de mens naar de ziel en lichaam en met welke middelen die in gezondheid lang bij elkaar gehouden worden.

 

Van de Weerdigheyt des Menschen na de Ziele en Lichaem, en met wat middel de selve in gesontheyt langh by malkanderen gehouden werden.

 

Het II. Capittel.

 

Maer schoon al is de mensch, door onversichtig mallen, Wt sijn gedurigheyl in swaren noot gevallen; Noch is des niet-te-min het edel menschen-kint, Het schoonste dat men weet, en op der aerden vint. Hy gaet des niet-te-min met op-gerechte leden, Is deftig in vernuft, en machtig in reden; Hy siet den hemel aen met op-getogen geest, Dat niet en wert gesien in eenig ander beest. En Godt de rechte born van alderley genade, Noch gunstig aen den mensch en sijn geheelen zade, En heeft niet al-te-mael de krachten weg-geruckt; Daer is, uyt enckel gunst, noch segen in gelaten, Die aen het swackste vleesch zou namaels mogen baten; Jae waer een nieuwen qual in eenig lant ontstaet, Daer geeft de goede Godt al weder nieuwen raet. Maer niet als door verstant, door vlijt, en kloecke sinnen, En laet de wijse Godt ons eenig voordeel winnen: Tot sweet zijn wy gedomt, mits Adam qualick ging, En dat is heden noch de prijs van alle ding. Soo is dan by de mensch met alle vlijt te trachten, Hoe dat hy, door de kunst, mocht weeren uytter bloet, Al wat hem ongemack of eenigh hinder doet. T is vry een nutter saeck gesont te mogen blijven, Als door een machtigh kruyt de sieckte wech te drijven; T is beter s vyants heyr te weeren uit de schans, Als binnen aen te gaen een ongewisse kans. Men kan een linnen-kleet, met looge, zeep en assen, Al wat het vuyl begaet, wel net en suyver wassen; Maer denckt vry dat het werck niet in sijn stant en blijft, Wanneer men in den wasch al vry wat harde wrijft. T is even met den mensch hier in aldus gelegen, Want schoon hy door de kunst verlichting heeft gekregen, Hy worter door verswackt, hy worter door ontset, En staeg soo blijfter yet dat hem van binnen let. Wel aen dan, Hollants volck, leert na den regel leven, Hier is dat u ontbrack, in onse Tael geschreven: De Maegt van onse Stadt, die ghy hier voren siet, Die is die u de kunst uyt enckel gunste biet.

Al is de Mensche terstont na den val van sijne hooge heerlickheyt veel vervallen, en afgeweken, soo is hy even-wel door sonderlinge barmhertigheyt Godts gebleven het heerlickste Schepsel des aerdtbodems, en heeft alles wat daer in is tot sijnen lust, gebruyck, en gebiet behouden. Hier van spreeckt de Koninklijcke voor-segger David in den 8: Psalm aldus tot den Heere: Wat is de mensche, dat ghy sijner gedencket? ende des menschen kint, dat ghy sijner aen-neemt? Ghy sult hem ten Heere maken over uwer handen werck: alle dinck hebt ghy onder sijne voeten gedaen. Schapen ende Ossen al-te-mael: daer toe oock de wilde Dieren. De Vogelenen onder den Hemel, ende de Visschen inder Zee, ende wat inder Zee gaet. De wijs-gerige Aristoteles heeft sulcx mede wel konnen verstaen, als hy, in t eerste Boeck van de Gemeene saecken, schreef, dat de Plantsoenen voor de Dieren waren, en dander Dieren voor de Menschen tot voedtsel, kleederen [6] en vorder gebruyck. De treffelickste onder de Heydenen, siende op de uytmuytentheyt van macht, ende maecksel, daer mede den Mensche van Godt boven andere Dieren verheven was, roemen doorgaens in haer na-gelaten schriften de groote weerdigheyt van den Mensche. Mercurius Trismegistus heeft hem genoemt een groot wonder, een Dier God seer gelijck: Pythagoras de Mate van alle dingen: Plato een Wonder der Wonderen: ende met diergelijcke lof is hy van andere Wijs-gerige beschreven. Den ouden Zoroaster na dat hy by sijn selven langh overdacht hadde t konstigh maecksel van den Mensche, bersten ten lesten uyt met dese woorden: O mensche, ghy zijt een heerlick werck van de stoute en alles dervende nature! dese heerlickheyt bestaet soo wel in t Lichaem, als in de Ziele: alsoo hy met beyde alle andere dieren verre overtreft.

De Ziele is soo edel, ja by-nae Goddelick, datse haer somtijts verheffende boven alle natuerlicke gedaenten, en getaltenissen, de onlichamelicke dingen, en die van alle stoffen bevrijt zijn, door een wonderbaerlicke en gantsch vrije kracht des Geest begrijpt. Sy wert alleen schapen, sy is sonder stoffe, sonder lichaem, geen veranderinge, geen bedervinge onder worpen. Maer wat wil ick van de Ziele veel seggen, die Goddelick is, en wy van Goddelicke dingen, gelijck Simonides eertijts seyde, alleen konnen seggen, watse niet en sijn? Derhalven moeten wy de Ziele, gelijck oock alle verborgene dingen kennen uyt haer wercken, die wy sien, en gewaer werden. Dewijl dan een Mensche, als hy leeft, vele wercken uytvoert, die hy doot zijnde, niet eens aen en roert: soo is daer genoegh uyt te besluyten, dat het Lichaem de werckende oirsaeck van de selvige niet en is, maer datter in de levende yet was, t gene sulcx te voren konde uytwercken, het welck met de doot gescheyden is, te weten de Ziele.

En gelijck de Ziele des Menschen de edelste is van alle andere Zielen, die onder den Hemel sijn, so is ook de woonplaets van de selve, te weten sijn Lichaem, so verre boven alle andere Lichamen, dat het een regel en mate van de selvige geseyt magh werden. De waerdigheyt van het Menschelicke Lichaem betoonen onder anderen, eerst dat het recht op-staende is nae den Hemel, daer dandere Dieren met het hooft na de aerde gaen bocken: waer door een mensche vermaent wert na den Hemel te sien, en op Hemelsche saken te dencken. De wijs-gerige Anaxagora gevraeght zijnde, waerom dat hy geboren was? antwoorde seer wel, Om den hemel ende de Sterren aen te schouwen. Sulcx is oock van den Poet Ovidius aengewesen 1 Metam. daer hy spreeckt van de Scheppinge: De beesten van het wout die kijcken nae der eerden, Vry slechter als de mensch, en van geringer weerden; Maer hy, een edel dier, en van hooger aerdt, Siet nae den hemel toe, waer uyt hy is gebaert.

Ten tweeden, is het Menschelick Lichaem het gematighste van allen, daer dander al te waterachtigh ofte te aertachtigh zijn: sulcx blijckt om dat het van alle uytmuytende dingen even dra beschadight wert, als van deselve even-veel af-wijckende.

Ten derden, heeft het Menschelicke Lichaem de fraeyste over-een-stemminge van alle sijn Leden: so dat de Konstenaers na de selve alle hare werken aenleggen.

Ten vierden, is de Mensche in vele van sijn Leden veel beter en aerdiger, als dandere Dieren. Ende om niet te langh te wesen in t verhalen van alle; hy heeft boven in t Lichaem seer groote Herssenen, als zijnde een redelick en verstandigh dier, soo dat die van een kleyn Mensch wel eens soo groot zijn, als van den grootsten Os. Hy heeft oock by-na alleen Sleutel-beendeeren: ende alleen Open handen, om alles wat de Reden gebiedt, daer mede uyt te voeren.

Ten vijfden, heeft de Mensch in sich alleen t gene de geheele Werelt begrijpt, ende wert daerom van de Wijs-gerige wel te recht Mikrokosmos, dat is, kleyne werelt, genoemt. Hier is Son, Maen, al de Planeten, al de Elementen, gelijck breeder van ons aengewesen is in het Gespreck van de nootsakelickheyt der Ontledinge, boven inde Schat der Gesontheyt.

Laet dan Epicurus vry ophouden met te roepen, dat des Menschen Lichaem by geval gemaeckt soude zijn. Laet mede uyt-gelacchen werden de onbeschaemtheyt van Momus, die in t maecksel van t Menschelicke Lichaem veel wist te misprijsen. Laet oock vry Plinius, en de andere bastaerts-wijs-gerige by ons uyt-hebben, die de Nature berispen, dat se den Mensche naeckt en ongewapent op de naeckte aerde in sijnen geboort-dagh geworpen heeft tot schreyen en krijten. Epicurus en Momus hebben niet veel antwoort van nooden; laet se hondert jaren versinnen om de gedaente en het stellen van een lidt te veranderen, sy sullen moeten bekennen, dat het niet anders ofte beter en konde gemaeckt werden, en dat het minste veranderingh het geheele werck soude bederven. Wat belanght het gene Plinius seyt, dat dander Dieren terstont haer nature kennen, met gaen, vliegen, swemmen; en dat de Mensche als hy geboren is nergens van en weet, als van schreyen: dat de nature dander Dieren verscheyde deckselen en bescherm-middelen gegeven heeft, schilden, huyskens, borstelen, wol, pluymen, hoornen, klaeuwen; maer de Mensche naeckt ter werelt doet komen: Wy seggen dat dien Schrijver niet wel begrepen en heeft de macht van de Goddelicke gaven, daer den Mensche boven andere Dieren mede vereert is. De Mensche is voorwaer naeckt geschapen: maer om dat hy over alles, dat onder de wet der Naturen staet, heerschen soude. Want gelijck de gereetschap van de vijf Sinnen vry is van alderhanden hoedanigheyt, om niet verhindert te werden in t hare ontfangen (gelijck in de Crystalline vochtigheyt van het Oogh en is geen verwe, om datse [7] alderhande verwen soude konnen vatten; en soo gaet het voort in dander sinnen) also en most de Ziele des Menschen, dewelcke, gelijck Aristoteles seydt, in macht by-na alle dinck was, met geen bysonder konst verciert werden. Het Lichaem most oock naeckt en ongewapent wesen, op dat het Dier, t welck over dander soude heerschen, niet aen eenen slagh van wapenen soude gebonden blijven. Want hoe ongemackelick, hinderlick, en qualick-voegende soude het zijn, dat de Mensche, die tot wercken des verstants geboren is, altijt gewapent stont? Ware het niet beter dat hy soo geschapen was, dat hy alderhande wapenen aen en uyt konde trecken, als hy begeerde? Maer Godt heeft hem voor de naecktheyt gevenen twee dingen, daer dander Dieren af versteken zijn. Voor de naecktheyt der Zielen, de reden, de welck een konst is voor alle konsten: voor de naecktheyt des Lichaems, de Hant, een instrument van alle instrumenten. Door de redenen en t vernuft kan hy alderhande deckselen en wapenen bedencken en versinnen, door de handen maken en gebruycken. Al ist dan dat de Mensche swack en naeckt ter werelt komt, soo kan hy sijn selven door de reden en handen bevryden van dander Dieren, en haer gewelt afslaen: maer de selfste Dieren en konnen met al haer kracht niet beletten, datse van de Mensche niet onder-gebracht en werden. So dat de mensche meer hulp heeft van de Reden, als de stomme Dieren van de Nature: maer van de rappigheyt der handen, als de Stieren van haer Horens, de Wilde Beesten van haer Tanden en Klaeuwen: dewijl hy haer gewelt door de redenen ende Handen overwint, en onder sijne macht brenght.

Nu wat aengaet de swackheyt en sieckten,daer de Menschen seer mede gequelt werden, ja sommige het leven moede maken, daer toe is de Genees-konste van den barmhertigen Godt, die alles wat hy geschapen heeft, oock goedertierlick onderhout, den Mensche tot een groot geschenck en heylsaem behulp gegeven. Dewijl hy dan van sijn geboorte af swack is, so heeft hy de middelen van dese konst ten eersten van doen. Ja ook voor sijn geboorte, als de Ouders geleert wert, wat tot een goede telinge noodig is, en door wat middelen onvruchtbaerheyt wech genomen kan werden. Door deselve konst leert de Mensche daer na sijn selven wachten van de quade gestaltenisse des Luchts, ongesonde Kost, en Dranck mijden, en andere dingen doen en laten, waer door hy, sonder swackheyt ende sieckten, sijn Lichaem in langdurige gesontheyt magh onderhouden. En al-hoe-wel yemant mocht dencken, waer de mensche dese verlichtinge van daen soude halen, indien alles om de sonde vervloeckt is geweest; soo staet hier op te antwoorden, dat Godt de fonteyne van alle goetheyt, niet alle het goet dat hy de Scheppinge verleent hadde, door de vervloekinge uitgebluscht heeft: maer datter uyt sonderlinge genade noch genoeg overgebleven is, om het leven der Menschen te onderhouden, en datter niet alleen quaet onkruyt en distelen, maer oock gesonde kruyden uyt de aerde spruyten, gelijk de Poet Ovidius mede aenwijst: Het velt dat geeft ons heylsaem groen, Oock veel dat hinder plagh te doen; En wie doch heefter noyt gegaen, Daer rosen by de distels staen?

Soo is oock elck Lant versien met eygen en bysondere Genees-middelen, voor de Sieckten, die aldaer na den aert van de plaetse, meest vallen: waer van den Boeck der Naturen ons verscheyden exempelen aenwijst; gelijck by ons verhaelt wert in de Inleydinge tot de Hollantsche Genees-middelen.

De Genees-konste dan leert ons onderscheyt maken tusschen het gene de gesontheyt, ende het leven dienstigh, ofte schadelick is: en haer kracht bestaet ofte den Mensche in gesontheyt te behouden, of sieck zijnde wederom gesont te maken. Om alderhande Sieckten en Gebreken te genesen, isser van verscheyde Genees-meesters in onse tael geschreven, ende menichte van Genees-middelen over hoop gehaelt, tot seer kleyn vordeel van den Leser; also het genesen niet en bestaet in veel pillen ofte drancken voor te schrijven, maer in de kennisse van de sieckten, en de maniere om de Genees-middelen wel ende te gelegener tijt te gebruycken, gelijck wy aengewesen hebben in den Schat der Ongesontheyt. Welckers stoffe by de gantsch ongeoeffende, en onvernufte niet volkomentlick en kan gevat werden, hoewel soodanige over t gene sy niet en verstaen, niet en laten vrymoedelick haer oirdeel te vellen. Maer van de Gesontheyt te bewaren, t welck een yegelick begrijpen, verstaen, en volgen kan, en is by niemant eens aengeroert. Daer nochtans dit deel der genees-konst het outste is, als van het welcke, na het schrijven van Hippocrates, de Konste sijn begin en oorspronck genomen heeft: en oock verre het nutste en sekerste is. Want al-hoe-wel in dese bedorven eeuwe weynigh op de behoudenis der Gesontheyt gepast werdt, en de Menschen niet veel en bedencken, wat voor een verborgen schat de Gesontheyt zy; voor al eer datse in eenige kranckheyt komen te vervallen. (Siet! niemant kent sijn eygen goet, Voor dat hy t eens onbeeren moet:) nochtans is het beter voor een verstandigh Mensche, liever met wat sorghvuldigheyt desen schat te bewaren, als den selven verloren hebbende, met moeyte en gevaer wederom te gaen soecken. Demosthenus plagh van die van Athenen te seggen, datse waren gelijck de boeren, die op het scherm-school haer oeffende, den schildt elcke reys hielen voor de plaetse daerse den steeck ontfangen hadden, en niet tevoren eerse hem kregen. Niet anders doen degene, die haer liever van Sieckten laten genesen, als haer voor deselve wachten. Niemant zal den vyant in de stadt laten komen, om [8] hem daer na met groot gevaer uyt te slaen: maer sal veel liever alle neerstigheyt aenwenden, om hem daer uyt te houden. Alsoo is het oock lichter met de waerneminge van het gene wy sullen aenwijsen, de sieckten uyt het Lichaem te keeren en de te houden, als deselve daer na met de scherpe wapenen der genees-middelen uyt te jagen. De Purgerende medicamenten suyveren het lichaem wel, maer maken het daer-benevens oock swack, gelijckerwijs (als Plutarchus hier van seer wel seydt) asch en seep het linden in den wasch wel schoon maken, maer oock het doen verslijten. De selfde Plutarchus, als oock Plato, vermanen daerom met goede reden, dat men niet dickwils, maer alleen als de noot dringt, drancken om te purgeren ofte braken en behoort in te nemen. Ick ken sommige, die alsse wel goet chier gemaeckt hebben, terstont met haer pillen in de weer zijn, al of het droncken drincken dan geen quaet en konde doen, daer het een soo wel als het ander het Lichaem ontroert en verswackt. Wie soude dan niet het beste en sekerste kiesen, en de Gesondheyt niet liever door goede ordre bewaren, als de selve, door onordentlicke manieren van leven verloren hebbende, door onsekere middelen gaen soecken?

Van de waardigheid van de mens naar de ziel en lichaam en met welke middelen die in gezondheid lang bij elkaar gehouden worden.

 

Het II Kapittel.

 

Maar ofschoon de mens die door onvoorzichtig handelen uit zijn gedurig heil in zware nood is gevallen. Noch is het desalniettemin een edel mensenkind het mooiste dat men weet en op de aarde vindt. Hij gaat desalniettemin met oprechte leden, is deftig in vernuft en machtig in reden. Hij ziet de hemel aan met opgetogen geest en dat wordt niet gezien in enig ander beest. En God, de echte bron van allerlei genade, is noch gunstig aan de mens en zijn gehele zaad en heeft niet al teveel krachten weggerukt. Daar is uit een enkele gunst noch zegen in gelaten die aan het zwakste vlees later zou mogen baten. Ja, waar een nieuwe kwaal in enig land ontstaat daar geeft de goede God al weer nieuwe raad. Maar niet anders dan door verstand, door vlijt en kloeke geest laat de wijze God ons enig voordeel winnen. Tot zweet zijn wij gedoemd omdat Adam verkeerd ging en dat is heden noch de prijs van alle dingen. Zo is dan bij de mens met alle vlijt te trachten hoe dat hij door de kunst uit het bloed mag weren al wat hem ongemak of enig hinder doet. Het is duidelijk een nuttigere zaak om gezond te mogen blijven dan door een machtig kruid de ziekte weg te drijven. Het is beter om het leger van de vijand uit de schans te weren dan van binnen aan te gaan met een onzekere kans. Men kan een linnenkleed met loog, zeep en as al wat het vuil aangaat wel netjes en zuiver wassen. Maar bedenk wel dat het werk niet in zijn vorm blijft wanneer men het in de was al te hard wrijft. Het is hierin net zo bij de mens aldus gelegen. Want ofschoon hij door de kunst verlichting heeft gekregen, hij wordt er door verzwakt, hij wordt er door ontzet en steeds blijft er iets dat hem van binnen let. Welaan dan Hollands volk leer naar de regel te leven. Hier is dat u ontbrak en in onze taal geschreven. De maagd van onze stad die gij hier tevoren ziet dat is die u de kunst uit een enkele gunst biedt.

Al is de mens terstond na de val van zijn hoge heerlijkheid veel vervallen en afgeweken, toch is hij evenwel door bijzondere barmhartigheid van God tot het heerlijkste schepsel van de aardbodem gebleven en heeft alles wat daarin is tot zijn lust, gebruik en gebied behouden. Hiervan spreekt de koninklijke voorzegger David in de 8ste Psalm aldus tot de Heer: Wat is de mens dat gij hem gedenkt en het mensenkind dat gij als de uwe aanneemt? Gij zal hem de heer maken over uw handenwerk, alle dingen hebt gij onder zijne voeten gedaan. Schapen en ossen allemaal en daartoe ook de wilde dieren. De vogels onder de hemel en de vissen in de zee en wat in de zee gaat. De wijsgerige Aristoteles heeft zulks ook wel begrepen toen hij in het eerste boek van de Gewone zaken schreef dat de struiken voor de dieren waren en de andere dieren voor de mensen tot voedsel, kleding [6] en verder gebruik. De voortreffelijkste onder de heidenen die opzagen naar de uitmuntende macht en vorm die mede de mens door God boven andere dieren verheft roemen doorgaans in hun nagelaten schriften de grote waardigheid van de mens. Mercurius Trismegistus heeft hem een groot wonder genoemd, een dier dat zeer op God lijkt, Pythagoras noemde hem de maat van alle dingen, Plato een wonder der wonderen en met dergelijke lof is hij door andere wijsgeren beschreven. Nadat de oude Zoroaster bij zichzelf lang het kunstige maaksel van de mens overdacht had barstte hij tenslotte uit met deze woorden: O mens, gij zijt een heerlijk werk van de dappere en alle kunnende natuur!

Deze heerlijkheid bestaat zo wel in het lichaam als inde ziel omdat hij met beide alle andere dieren ver overtreft.

 

 

 

De ziel is zo edel, ja bijna Goddelijk, dat ze zich soms verheft boven alle natuurlijke gedaanten en vormen van de niet lichamelijke dingen en die van alle stoffen bevrijd zijn door een wonderbaarlijke en geheel vrije kracht van de Geest begrepen. Zij wordt alleen schapen, zij is zonder stof en zonder lichaam en is niet aan verandering of aan bederf onderworpen. Maar zoveel wat ik van de ziel wil zeggen die Goddelijk is en wij van Goddelijke dingen, gelijk Simonides (1) eertijds zei, alleen kunnen zeggen wat ze niet is? Derhalve moeten wij de ziel net als ook alle verborgen dingen kennen uit haar werken die wij zien en gewaar worden. Waar dan een mens als hij leeft vele werken uitvoert die hij als hij dood is niet eens aan roert zo is daar genoeg uit te besluiten dat het lichaam niet de werkende oorzaak van de ziel is, maar dat er in de levende iets is wat zoiets tevoren kon uitvoeren wat met de dood gescheiden is, te weten de ziel.

En net zoals de ziel van de mens het edelste is van alle andere zielen die onder de hemel zijn, zo is ook de woonplaats ervan, te weten zijn lichaam, zo ver boven alle andere lichamen verheven dat er gezegd mag worden dat het een regel en maat er van is. De waardigheid van het menselijke lichaam laat onder andere zien dat het ten eerste recht opstaat naar de hemel waar de andere dieren met het hoofd naar de aarde gebukt gaan waardoor een mens vermaand wordt naar de hemel op te zien en aan hemelse zaken te denken. De wijsgerige Anaxagoras (2) werd gevraagd werd waarom dat hij geboren was? En antwoordde zeer goed; om de hemel en de sterren te aanschouwen. Zulks is ook door de poet Ovidius aangewezen in 1 Metamorfosen waar hij spreekt van de schepping: De beesten van het woud kijken naar de aarde behoorlijker slechter dan de mens en van geringere waarde. Maar hij, een edel dier en van hoge aard ziet naar de hemel op waaruit hij is gebaard.

 

Ten tweede is het menselijk lichaam het best gestelde van allen waar de andere al te waterachtig of te aardachtig zijn en zoiets blijkt omdat het door alle uitmuntende dingen even gauw beschadigd wordt omdat het daarvan evenveel afwijkt.

Ten derde heeft het menselijke lichaam de fraaiste overeenstemmingen van al zijn leden zodat de kunstenaars die bij al hun werken gebruiken.

Ten vierde is de mens in veel van zijn leden veel beter en aardiger dan de andere dieren. En om niet te lang te spreken in het verhalen van alles, hij heeft bovenin het lichaam zeer grote hersens als een redelijk en verstandig dier zodat die van een klein mens wel eens zo groot zijn als van de grootste os. Hij heeft ook bijna alleen sleutelbeenderen en alleen open handen om alles wat de reden gebiedt daarmee uit te voeren.

 

Ten vijfde heeft de mens in zich alles hetgeen de gehele wereld omgrijpt en wordt daarom door de wijsgeren wel terecht Microkosmos, dat is kleine wereld genoemd. Hier is zon, maan, alle planeten en alle elementen zoals uitvoeriger door ons besproken wordt in het Gesprek van de noodzakelijkheid van de Ontleding, bovenin de Schat van de Gezondheid.

Laat dan Epicurus vrij ophouden met te roepen dat het menselijke lichaam bij toeval gemaakt zou zijn. Laat ook de onbeschaamdheid van Momus (3) uitgelachen worden die in het maaksel van het menselijke lichaam veel wist te misprijzen. Laat ook vrij Plinius en de andere bastaard wijsgeren die wij niet volgen en die de natuur berispen omdat ze de mens naakt en ongewapend op de naakte aarde op zijn geboortedag geworpen heeft tot schreien en krijsen. Epicurus en Momus hebben niet veel antwoord nodig, laat ze honderd jaren verzinnen om de gedaante en het stellen van een lid te veranderen, ze zullen moeten bekennen dat het niet anders of beter gemaakt kon worden en dat de minste verandering het gehele werk zou bederven. Wat belang heeft het wat Plinius zegt dat de andere dieren terstond hun natuur kennen met gaan, vliegen of zwemmen en dat de mens als hij geboren is nergens van weet als van schreien, dat de natuur de andere dieren verschillende bedekkingen en beschermmiddelen gegeven heeft, schilden, huizen, borstels, wol, veren, horens en klauwen maar de mens naakt ter wereld laat komen. Wij zeggen dat die schrijver niet goed de macht van de Goddelijke gaven begrepen heeft waarmee de mens boven andere dieren vereerd is. De mens is voorwaar naakt geschapen maar dat omdat hij over alles dat onder de wet van de natuur staat heersen zou. Want net als het gereedschap van de vijf zintuigen vrij is van allerhande hoedanigheid om niet verhinderd te worden om het hunne te ontvangen (net zoals er in de kristallen vochtigheid van het oog geen kleur is omdat [7] ze allerhande kleuren zou kunnen vatten en zo gaat het voort in de ander zintuigen) zo moest de ziel van de mens die zoals Aristoteles zegt in macht bijna alle dingen is met geen bijzonder kunst versierd worden. Het lichaam moet ook naakt en ongewapend zijn zodat het dier dat over de ander zou heersen niet aan een soort van wapens gebonden zou zijn. Want hoe ongemakkelijk, hinderlijk en slecht passend zou het zijn dat de mens die voor de werken van het verstand geboren is altijd gewapend staat? Is het niet beter dat hij zo geschapen is zodat hij allerhande wapens aan en uit kan trekken als hij nodig vind? Maar God heeft hem voor de naaktheid twee dingen gegeven die de andere dieren niet gekregen hebben. Tegen de naaktheid van de ziel de reden dat een kunst is boven alle andere kunsten, voor de naaktheid van het lichaam de hand, een instrument boven alle andere instrumenten. Door de reden en het vernuft kan hij allerhande bedekking en wapens bedenken en verzinnen en door de handen maken en gebruiken. Al is het dan dat de mens zwak en naakt ter wereld komt zo kan hij zichzelf door de reden en handen bevrijden van de andere dieren en hun geweld afslaan, maar dezelfde dieren kunnen met al hun kracht niet beletten dat ze door de mens ondergebracht worden. Zodat de mens meer hulp heeft van de reden dan de stomme dieren van de natuur, maar van de handigheid van de handen net als de stieren van hun horens, de wilde beesten van hun tanden en klauwen waar hij hun geweld door de reden en handen overwint en onder zijn macht brengt.

 

Nu wat de zwakte en ziekten aangaat waar de mens zeer mee gekweld wordt, ja sommigen het leven moede maken, daartoe is de geneeskunst van de barmhartige God die alles wat hij geschapen heeft ook goedertieren onderhoudt de mens tot een groot geschenk en heilzame hulp gegeven. Omdat hij dan van zijn geboorte af zwak is zo heeft hij de middelen van deze kunst het eerste nodig. Ja, ook voor zijn geboorte zoals de ouders geleerd worden wat tot een goede teling nodig is en door welke middelen onvruchtbaarheid weg genomen kan worden. Door diezelfde kunst leert de mens daarna zichzelf te behoeden voor kwade vorm van de lucht, om ongezonde kost en drank te mijden en andere dingen te doen en te laten waardoor hij zonder zwakte en ziekte zijn lichaam in langdurige gezondheid kan onderhouden. En alhoewel iemand mocht denken waar de mens deze verlichtingen vandaan zou halen en indien alles vanwege de zonder vervloekt is geweest staat hierop te antwoorden dat God de bron van alle goedheid is en niet alle goede dat hij met de scheppingen verleend en door de vervloeking uitgeblust heeft, maar dat er uit bijzondere genade noch genoeg overgebleven is om het leven van de mensen te onderhouden en dat er niet alleen kwaad onkruid en distels, maar ook gezonde kruiden uit de aarde spruiten zoals de poet Ovidius mede aanwijst: Het veld dat geeft ons heilzaam groen en ook veel wat hinder plag te doen. En wie toch is er nog nooit gegaan waar rozen bij de distels staan?

 

 

 

 

 

 

Zo is ook elk land voorzien met eigen en bijzondere geneesmiddelen voor de ziekten die daar naar de aard van die plaats het meest vallen en waarvan het Boek der Natuur ons verschillende voorbeelden aanwijst, net zoals bij ons verhaald wordt in de Inleiding tot de Hollandse Geneesmiddelen.

De geneeskunst dan leert ons onderscheid te maken tussen hetgeen de gezondheid en het leven nuttig of schadelijk is en haar kracht bestaat in of de mens in gezondheid te houden of als die ziek is weer gezond te maken. Om allerhande ziekten en gebreken te genezen is er door verschillende geneesmeesters in onze taal geschreven en een menigte geneesmiddelen overhoop gehaald tot zeer klein voordeel van de lezer omdat het genezen niet bestaat om veel pillen of dranken voor te schrijven, maar in de kennis van de ziekten en de manier om de geneesmiddelen goed en te gelegener tijd te gebruiken zoals wij aangewezen hebben in de Schat der Ongezondheid. Welke stof door de geheel ongeoefende en niet onwetende niet volkomen begrepen kan worden, hoewel zodanige over hetgene ze niet begrijpen vrijmoedig hun oordeel vellen. Maar om de gezondheid te bewaren wat door iedereen te begrijpen, verstaan en te volgen kan is door niemand eens aangeroerd. Waar nochtans dit deel van de geneeskunst het oudste is en waarvan het naar het schrijven van Hippocrates de kunst zijn begin en oorsprong genomen heeft en ook verreweg het nuttigste en zekerste is. Want alhoewel in deze bedorven eeuw weinig op het behoud van de gezondheid gepast wordt en de mens er niet veel aan denkt wat voor een verborgen schat de gezondheid is voordat hij in enige ziekte komt te vallen (Zie! Niemand kent zijn eigen goed voordat hij het eens ontberen moet) nochtans is het beter voor een verstandig mens liever met wat zorgvuldigheid deze schat te bewaren als die te verliezen en met moeite en gevaar die weer te gaan zoeken.

Demosthenes plag van die van Athene te zeggen dat ze net als de boeren waren die op de schermschool zich oefenden en het schild elke keer voor de plaats hielden waar ze de steek ontvangen hadden en niet tevoren voor ze hem kregen. Niet anders doen diegene die zich liever van ziekten laten genezen dan zich er voor te behoeden. Niemand zal de vijand in de stad laten komen om  hem daarna met groot gevaar er weer uit te slaan maar zal veel liever alle bedrijvigheid aanwenden om hem daaruit te houden. Alzo is het ook gemakkelijker met de waarnemingen van hetgeen wij zullen aanwijzen om de ziekten uit het lichaam te keren en te houden als om die daarna met de scherpe wapens van de geneesmiddelen uit te jagen. De purgerende medicamenten zuiveren het lichaam wel, maar maken het daarnaast ook zwak net als (als Plutarchus hier van zeer goed zegt) as en zeep het linnen de was wel schoon maken maar ook het zorgen dat het slijt. Dezelfde Plutarchus en ook Plato vermanen daarom met goede redenen dat men niet dikwijls, maar alleen als de nood dringt dranken om te purgeren of te braken behoort in te nemen. Ik ken sommigen die als ze wel goede sier gemaakt hebben terstond met hun pillen in de weer zijn alsof het dronken drinken dan geen kwaad kan doen omdat het ene zo wel als het ander het lichaam ontroert en verzwakt. Wie zou dan niet het beste en zekerste kiezen en de gezondheid niet liever door goede orde bewaren als die het door onordelijke manieren van leven verloren hebben en het door onzekere middelen gaan zoeken?

(1) dichter Simonides, 556 v. Chr., overleden te Syracuse in 468 v. Chr.

(2) Griekse filosoof Anaxagoras, geboren in Klein Azi.

(3) In de mythologie de zoon van Nyx, vanwege zijn constante kritiek werd hij uiteindelijk verbannen van de Olympus. Wordt soms ook genoemd als god van de schrijvers en dichters.

 

Beschrijving: beverwijck3 005 

 

Waarom de mensen in de eerste tijden langer leefden dan tegenwoordig.

 

Waerom de Menschen in de eerste tijden langer leefden, als tegenwoordigh.

Het III. Capittel.

 

De menschen die wel eer hier op der aerden waren, Beleefden menighmael de negen hondert jaren, Vol kracht en groene jeught: men vont geen droeve pijn, Geen pest; geen heete koorts, geen wreeden flerecijn; Maer nu de grijse tijt is hooger op-gekomen, Soo heeft de snelle doot de werelt in-genomen, Gicht, scheur-buyck, kugh, graveel, en ander ongeval, Die vielen uyt de lucht, en vlogen over-al. Geef reden, Sang-godin. De werelt eerst geschapen, Liet uyt haer gullen schoot een machtigh voedsel rapen, Het was of edel zaet, of wonder schoon gewas, Al wat men uyt het velt of van de boomen las. Geen mensch en wert geswackt door lust of gulsigheden, Maer yder spit het lant, en oeffent soo de leden; Men at geen leckernij, maer slechts gemeene kost, En water uyt de beeck, dat was hun soete most. De sterren niet vergift met ongesonde qualen, Die gaven enckel heyl, en niet als soete stralen; Maer, dat ick hooger acht, de menschen nieu geplant, Quam eerst als uyt de vorm van Godes eygen hant. Dat van de Schepper komt, hoe kan het licht bederven? Dat uyt het leven rijst, hoe kan het haestigh sterven? O! groote Levens-vorst, s menschen hooghste goet, Koom woon doch binnen ons, doch meest in ons gemoet.

De Mensche van eene vrouwe geboren (seyt de H. Job in sijn 14 Capittel) is kort van dagen, hy komt voort, als eene bloeme, en wordt afgesneden: oock vlucht hy, als eene schaduwe, ende en bestaet niet. Op de selfde maniere heeft Homerus, de Prince van de Griecksche Poeten, de Menschen vergeleken by de bladeren, die van de boomen vallen, en andere wederom in haer plaetsche groeyen. Een ander (t is nut de verssen van de Poeten met de spreucken van de H. Schrifture te verlijcken, gelijck ons na Basilius geleert heeft den geleerden Hollander in de voor-reden van Stophaeus) te weten, Pindarus, seyt den Mensche niet anders te wesen, als een droom van een schaduwe, met een bequame gelijckenis, gelijck Plutarchus oordeelt in sijn troost reden aen Apollonius. Want wat isser, seyt hy, slapper en minder als een schaduwe? en met wat woorden soude noch yemant een droom van de selve konnen uyt-beelden? Glaucus gvraegt zijnde na sijn geslacht, gaf eertijts by den Grieckschen Homerus, en nu by den Nederlantschen dese antwoorde:

De dochters van het wout, de frissche boom-gewassen, Zijn op bequamer gront de menschen toe te passen: Haer groen, des somers kroon, dat wort des winters roof, En siet een jonger blat verdrijft het oude loof. Wy groenen inder jeught, en hebben blijde dagen, Maer worden van de doot allecxen wech-gedragen; En t wijl de tijt verloopt, en onse vruchten leest, Soo wort een nieu geslacht dat wy eens zijn geweest.

In dese kortheyt van ons leven is wel ondersoekens waerdigh, waerom dat de Mensche soo verre, en tot eenige hondert jaren sijn leven in de eerste eeuwe plagh uyt

te strecken; daer nu ter tijdt het leven der Menschen soo kort is, en voor groot wonder gerekent wert, als yemant de hondert jaren kan halen.

De oorsaken werden verscheydelick by verscheyden Schrijvers voorgestelt, dan zijn meest vervat in verscheyde lessen, die Pedro Mexia in t Spaens beschreven heeft, de welcke wy alhier kortelick sullen aenwijsen

Ons eerste Voor-ouders Adam en Eva, als zijnde sonder eenigh ander middel van de eygen hant Godts geschapen, zijn buyten twijffel geweest van de alderbeste gematigheyt, die sy, met goeden regel van leven te houden, wel bewaerden, en alsoo haer leven verre uytstreckten. Waerom oock de kinderen van so gesonde Ouders gesproten, en van soo edel stof op-geleyt, mitsgaders oock de kints kinderen, die van nature soo lang leefden, moesten mede na haer Ouders gematigde gestaltenis aerden: totter tijt toe, dat door veranderinge van eeuwen (door dewelcke gemeenlick alle dingen vergaen en veranderen) de menschelicken nature begost te krencken en te vervallen, en dat de tijt van s menschen leven korter begost te werden. In die tijt hadden sy noch een sake, die haer mede te langer [9] dede leven, dewelcke ons nu veel ontbreekt; te weten, groote matigheydt in Spijs en Dranck, en van beyde luttel verscheydenheyt. Want sy en wisten niet van so veel soorten van spijse, noch ook om deselve op alderhande manieren van leckerheyt toe te maken; waer door by ons veelderly sieckten spruyten, en dienvolgende de doodt dickwils veroorsaeckt wert: gelijck seer stichtelick aengewesen is by den wijsen Seneca, in sijnen 95. brief. De Mensche alleen begaeft zijnde met reden en verstant, leeft sonder reden, daer de andere Dieren, die geen reden en hebben, even wel na de reden en regel leven; en daerom is den tijdt van haer leven beter te bepalen, als van de Menschen. Daer wert ook vastelick gelooft, dat de kruyden en vruchten van dier eeuwen ongelijck van meerder kracht en voedsel waren, danse nu ter tijt zijn, vermits datse uyt nieuwe aerde sproten en wiessen, en niet uyt weecke en ongesonde gront, gelijck die tegenwoordigh is: want de sont-vloet heeft haer vettigheyt veel benomen, en het zee-water ettelike maenden daer op staende, heeft haer weeldige vruchtbaerheyt seer beschadight. Sommige meenen, dat de Oude haer spijse al rauw gebruyckten, en dat het vyer wel de voornaemste oorsaeck is van ons kort leven. Onder dese schijnt mede te zijn de Milaensche Cardanus, schrijvende in sijn 2 boeck de Subtilitate, dat het Vleysch van het vyer verdorven wert, en by aldien de gewoonte was rauw Vleysch te eten, dat sulcx niet weynigh helpen soude tot een lang leven. Dat bevint men aen de Spijse die rauw gegeten wert, gelijck Eyeren, Oesters, Honich, Melck, Olye, Boter, Kaes, Suycker, Salaet (waer van te sien is beneden in t 1 Deel, 2 Boeck, cap. 3. 9. en 15. van de Schat der Gesontheyt) die rauw veel beter zijn voor het leven, ende ghesontheyt, als gekookt. Want al is t, dat het Vyer veel dingen menght, en uyt Swavel, en Quicksilver Cinnabar maeckt: so scheyt het even-wel de selfstandigheyt der Voedselen, en ontdoende het dick van het dun, verargert de selve. Hier op soude mogen schijnen gesien te hebben de outste Poten (het welck de eerste Wijsen zijn geweest, hare leeringen in dicht stellende) die ons beschrijven, dat als Prometheus het Vyer uyt den Hemel gestolen, en op de Aerde (daer te voren geen Vyer geweest en was) gebracht hadde, de Goden uyt toornigheyt door Pandora alderhande ellendigheyt over den aerdtbodem deden uytgieten. Hier van heeft de Griecksche Poet Hesiodus, in sijn boeck van de Wercken en Dagen dese verssen na-gelaten:

Na dat Prometheus had de dievery bedreven, Soo wasser al verdriet in dit ellendigh leven; Want daer het eerste volck mocht rustigh henen gaen, Soo nam het aertsch dal een ander wesen aen. Want sieckte, moeyte, sorgh, en duysent ongemacken, Die quamen uyt de lucht op aerden neder-sacken; Siet daer, eylaes! den mensch in druck en stagen noot, En voor het leste spoock, soo quam de bleecke doot.

Dit volgende, seyt oock de Latijnsche Poet Horatius, dat magerheyt, koortschen, en alderhande sieckten in de werelt gekomen zijn, na dat Prometheus het gestolen Vyer de Menschen mede-gedeelt hadde. De wijs-gerige Diogenes, die werck maeckten om weynig van doen te hebben, besocht (gelijck Lartius in sijn leven beschrijft) om rauw Vleysch te eten, dan scheyden daer haest uyt, wel lichtelick, om dat hy t door de ongewoonte niet en konde verdragen. Anders, seydt de gemelte Cardanus, en is t Vyer voor de Spijse noch vorderlick, noch nootsakelick. En de Menschen hebben liever een lecker, en kort leven gehadt, als een lang op de wijse van de boeren, en wilde beesten. Nochtans hebben de Cluysenaers, die haer in de woestijnen onthouwen, door het gebruyck van rauwe spijsen de palen van haer leven verre uyt-gestreckt. Want die rauwe spijse, wanneer sy verteert wert, is veel beter dan de gekoockte, als niets quaets treckende uyt het vyer. Dan hier most men sich van jongs op toe gewennen. Al wat wy nu eten, wert meestendeel door het vyer gekoockt, het welck het beste en fijnste eerst uyt-treckt (gelijck men siet in den Brandewijn, dat de voor-loop het krachtighste is) en doet vervliegen, eer dat het in ons lichaem ofte op tafel komt. Sulcx is daer aen te mercken, dat de reuck, die wy met den waessem van gesode ofte gebrade spijse in-trecken, ons niet alleen en verquickt, maer oock versadight, gelijck in t volgende Capittel uyt het exempel van Democritus sal blijcken, en oock te sien is aen de gene, die in de keucken lang over de Spijse gaen, dat haer den honger geheel vergaet. En dat men hier tegen soude werpen, dat Ossen en Koeyen geen gesode ofte gebrade en eten, en even-wel soo lange niet en leven als de Menschen, dient voor antwoort, dat de Menschen, alsoo sy bovens alle andere Dieren het aldergematighste en volmaeckste lichaem hebben, gelijck in t voorgaende Capittel is vertoont, soo behoorden sy oock soo veel langer te leven als hare volmaecktheyt grooter is; daer men nu in tegendeel siet, dat vele en ook verachte Dieren, in langdurigheyt des levens, de Menschen verre te boven gaen. Waer over de wijsgerige Theophrastus stervende (Seneca noemt hier qualick Aristotelem, dewijl de selve in t 5 Boeck van de telinge der Dieren op het 10 cap. schrijft dat de Menschen, naest den Olifant, de langst-levenste is van alle Dieren) de Nature beschuldighde, dat sy Herten en Kraeyen, die daer niet aen gelegen was, lang leven; en de Menschen, die daer veel aen hing, een kort leven gegeven hadde: want indien haren tijdt lang geweest was, dat sy dan van alle konsten en wetenschappen volkomen kennisse soude konnen bekomen hebben, gelijck Cicero betuyght in t 3 Boeck van sijn Tusculaensche Vragen. Maer de Nature te wilen beschuldigen, dat is een verschil, gelijck Seneca wel seyt, een wijs man niet betamende.

Hier beneffens staet noch aen te mercken, dat Adam [10] de krachten der kruyden, plantsoenen, en steenen bekent waren (het welck sijn kinderen van hant tot hant van hem leerden) meer dan yemant sedert die tijt heeft konnen verstaen of begrijpen. Het was een groot behulp des levens, en der gesontheydt, en om de siecken te genesen (alsser eenige waren) t gebruyck van slechte, ongemengde, en nochtans volkomen geneesmiddelen, nalatende de fenijnige vermengeling van Antimony, Quicksilver, en diergelijcken, die nu ter tijdt sonder onderscheyt der Sieckten, van de Quacksalvers en andere dwasen tot groote schade des lichaems, en verkortinge des levens ingegeven werden.

 En dat meer is, in de voorledene eeuwen soo was des Menschen gesontheyt en leven grootelicken geholpen en onderhouden door den loop des Hemels, en invloeyinge der sterren en planeten, die doen ter tijt jongstiger waren, als sy nu zijn: om dies wille datse soo veel aspectum, conjuctien, eclipsen, en andere impressien, gelijckse by de Sterre-kijckers genoemt werden, niet geleden en hadden, waer uyt dese veranderingen en vernieuwingen op t aerdtrijck en delementen gesproten zijn.

Boven dese, en andere redenen, die uyt de nature soude mogen getrocken werden, behoort oock de oorsake van t lange leven, in dien tijde, toe-geschreven te werden de voorsienigheyt Godts, die het beliefde dat de Menschen aldus lange leven souden, en dat de voor-seyde oorsaken malkanderen behulpsaem waren: op dat het Menschelicken geslacht vermenigvuldigen soude. Wy mercken oock, mitsdien dat de Menschen niet soo lange leven en souden na de Sont-vloet, als van te voren, dat Godt No in de Arcke liet gaen, en behiel meerder getal van mannen en vrouwen, dan hy in t beginsel geschapen hadde, op dat de werelt binnen korten tijdt wederom bewoont soude worden. Die noch ten tijde van Abraham soo woest was, datter geschreven staet, van hem en Loth sijnen oem, hoe den eenen het ledige lant ten Oosten, den anderen ten Westen tot sijn gebruyck in-nam, sonder yemants tegen-seggen: daer de werelt in de volgende tijt soo vermeerdert is, dat sy van Menschen krielt, en dat het schijnt indien noyt oorlogh, pestilentie, of diergelijcke plagen de Mensche over-quamen, dat de werelt den inwoonders te kleyn soude vallen.

Den oudt-vader St. Augustijn sprekende van dese dingen, seyt, dat ons voor-vaders meer voordeels hadden dan wy, niet alleenlick in gesontheyt en lang leven, maer oock in groote, gelijck dat blijckelick is in menige boecken, graven, en gebeenten, die onder groote geberghten gevonden zijn geweest, in sulcker voege, dat men waerachtelick gelooft, de selve te zijn gebeenten van de menschen, die voor ofte ten tijde van de Sont-vloet leefden. De gemelte St. Augustijn seyt, dat doen hy was in Utica (een stadt in Afrijcken gelegen) aldaer t gebeente van eens Menschen lighaem sagh, t welck soo groote kaecx-beenderen hadde, en so gewichtig was, als de beenderen van hondert menschen van sijnder eeuwen. Hier op hebben misschien gesien de Poten, die ons veel van de krachten, ende ongelooflicke sterckten van de oude Reusen vertellen. Antonio de Guevare, Raedt en Predicant van Keyser Carel, geeft, in t 3 boeck van sijn Spaensche brieven reden, waerom de Menschen in voor-tijden grooter waren, te weten, om datse soo vroegh niet by een en sliepen, alsoo de mans personen niet voor haer dertigh, noch de vrouwen voor haer twintigh jaren en trouwden: en dat men nu dat werck begint, eer men te degen bequaem, en tot behoorlicke jaren gekomen is, so dat de stoffe die tot de wasdom gedyen soude, door het by-slapen verdaen wert. Maer volgens de getuygenisse van de Schrijvers zijnder noch al in later eeuwen Reusen gevonden geweest. Want daer de lengte van den Mensche door de banck niet en gaet boven de seven voet, soo zijnder ten tijde van den Keyser Augustinus vertoont een jongen met een meyt, die langer als thien voet waren. Onder de regeeringe van Claudius isser een uyt Arabyen gebracht over de negen voet. Sommige Indianen (schrijft Solinus) zijn so groot datse over een Olifant, gelijck over een paert, springen. Isidorus verhaelt, datter in de Westersche deelen een Dochter gevonden is van 50 cubiten: en Zonaras van een Vrouw, die de langhste mans een half el te boven ging. Die in onse dagen van de nieuwe Werelt schrijven, maken mede van diergelijcke gewagh. Ant. Pigasetta vertelt, datter by de Canibalen een reus gesien is, die van de riem af, ons volck over t hooft stack. In de Chinesche Historien lesen wy, dat in den Konincklicke stadt Paguin de poort-wachters Reusen zijn van vijfthien voet, en dat de Koningh van China vijf hondert sulcke Reusen heeft, tot sijn lijf-wacht.

Wat de bepalinge van t leven belangt, de selfde is mede van alle outheyt seer verscheyde geweest. Sommige meenen, dat de selve in t begin was van 2242. jaren, dan wy en lesen niet dat yemant tot de 1000. jaren gekomen is. Want Adam selve heeft met sijn huysvrouw Eva maer geleeft 930. jaren, haren soon Seth 912. Enos 905. Cain sagh sijn af-komst in den sevenden graed, en leefde 910. jaer. Soo lesen wy oock in de H. Schrifture, dat Malaleel gekomen is tot 895. Iared tot 962. Dan al dese heeft Methusalem te buiten gegaen die 969. jaren out is geworden is: dewelcke, als hem Godt, doe hy by de 500. jaren out was, seyde, dat hy wel een huys mochte bouwen, so hy begeerde als noch 500. jaer te leven hebbende, gaf tot antwoort, dat hy om soo weynigh tijts geen huys en behoefde te maken, en hiel sich voort gelijck hy geweest was, onder de boomen en groente. Na de Sont-vloet en heeft niemant die palen bereyckt, behalven alleen Noach, die boven de 950. jaer quam, het welck in de nakomelingen seer afgenomen heeft. Want Lamech leefde 777. jaer, Sem 600. Vele eeuwen daer na Abraham, al was hy maer gekomen op 175. jaren, soo seyt [11] evenwel Moses (die selfs 120. jaer out geworden is) dat hy in goeden ouderdom, en vol van dagen overleden is; soo dat die jaren doen al veel waren. Sijn soon Isaac leefden 180. jaren, en Jacob weynigh meerder, Levi maer 137. en hadde noch sijn gesicht, en tanden, het welck Moses, als een bysondere genade, en wonder aen-teyckent. Ten tijde van den priester Heli waren de tijden soo verkort, dat hy in sijn 98. jaer al blint, en ongevalligh uyt sijnen stoel doot viel. Siet van andere Plinius 7. Nat. 48. En al is t, dat oock de nieuwe Schrijvers, en onse Oost-Indischvaerders getuygen van eenige die over hondert jaren, gelijck onlangs een in Engelandt, ja Alvares, van over de 150. jaer geleeft hebben, soo gebeurt sulcx evenwel seer selden, en wy bevinden inder daet, dat den loop van het lang leven der Ouden al over lange tijt gestuyt is. Solon, een wijse van Athenen, heeft het Menschen leven bepaelt met 70. jaren. Alsoo seyt Moses, en naer hem de Koninglicke Propheet David in den 9. Psalm dese woorden: Ons leven duert seventigh jaren: wanneer hoogh komt, so zijn t tachtentigh jaren: en wanneer kostelick geweest is, soo is het moeyte en arbeyt geweest; want het vaert snel wech, als vlogen wy daer van. Hierom beklaeght hem, schrijft Seneca, het meeste deel van de Menschen over het ongelijck van de Nature, dat wy voor een kleyne tijt geboren werden, dat onse jaren haestigh door-loopen, so dat het leven, behalven in seer weynige, dickwils ophout, als het maer begonnen heeft.

De machtige koning Xerxes, als hy sijn groot leger oversien hadde, schreyde daer over, om dat soo veel duysenden soo haest souden komen te sterven. Het welck seer aerdig uyt-gebeeldt wert in den Spiegel, van Heer Jacob Cats met dese verssen:

 Men houdt dat Xerxes, op den dagh Als hy sijn grooten leger sagh, Als hy sijn ruyters over-al Sagh draven in het groene dal, Stont treurigh midden in het heyr, En sloegh sijn hooft en oogen neer; Men sagh genoegh aen sijn gebaer Dat sijn gepeys was wonder swaer; Een van den raedt, een deftigh man, Die vraegher hem de reden van, Die vraeght wat datter is gebeuert, Dat soo een machtigh Prince treurt, Daer hy geen man in t leger siet Die hem niet lijf en leven biet. De Koningh sprack: Ick sie de macht; Die niet als mijn bevel en wacht; Ick sie hier menigh dapper helt Sich moedigh toonen in het veldt, Ick sie het, en noch even-wel Soo baertet my een droef gequel; Want segh doch eens, na hondert jaer, Waer salse zijn dees groote schaer? Eylaes! verstoven als een kaf, Eylaes! verschoven in het graf. Dit sey de vorst, en tot besluyt, Soo bersten hem de tranen uyt.

Dit dan aldus zijnde, moet een yegelick vermaent wesen, dat hy dit leven, het welck van sijn selven soo kort is, door quade en ongeregelde middelen niet meerder en verkorte: maer dat hy veel liever alle neerstigheyt en sorge aenwende, om door matigheyt en soberheyt, ter eeren Gods en tot dienste van sijnen evennaesten, de kortheyt van het selve soeckt uyt te strecken, en, soo veel mogelick is, te verlengen.

Waarom de mensen in de eerste tijden langer leefden dan tegenwoordig.

Het III Kapittel.

 

De mensen die weleer hier op de aarde waren beleefden menig maal negen honderd jaren. Vol kracht en groene jeugd, men vond geen droeve pijn, geen pest, geen hete koorts en geen wrede jicht. Maar nu de grijze tijd hoger op is gekomen heeft de snelle dood de wereld ingenomen. Jicht, scheurbuik, hoest, nierstenen en ander ongeval die vielen uit de lucht en vlogen overal. Geef reden zanggodin, de wereld net geschapen liet uit haar gulle schoot een machtig voedsel rapen. Het was of edel zaad of wonder schoon gewas al wat men uit het veld of van de bomen las. Geen mens werd verzwakt door lust of gulzigheid, maar ieder spitte het land en oefende zo de leden. Men at geen lekkernij maar slechts gewone kost en water uit de beek was hun zoete most. De sterren waren niet vergiftigd met ongezonde kwalen en gaven enkel heil en niet anders dan zoete stralen. Maar wat ik hoger acht is dat de mensen nieuw geplant waren. Ze kwam eerst uit de vorm van Gods eigen hand en wat van de Schepper komt hoe kan het snel bederven? Dat uit het leven rijst, hoe kan het snel sterven? O! grote Levensvorst, s mensen hoogste goed, kom woon doch binnen ons, doch het meest in ons gemoed.

 

 

De mens van een vrouw geboren (zegt de H. Job in zijn 14de kapittel) is kort van dagen, hij komt voort als een bloem en wordt afgesneden, ook vlucht hij als een schaduw en bestaat niet. Op dezelfde manier heeft Homerus, de prins van de Griekse poten de mensen vergeleken met de bladeren die van de bomen vallen en waar anderen weer in hun plaat groeien. Een ander (het is nuttig de verzen van de poten met de spreuken van de H. Schrift te vergelijken zoals ons na Basilius van Caesarea de geleerde Hollander in de voorreden van Stophaeus geleerd heeft) te weten Pindarus zegt dat de mens niets anders is dan een droom van een schaduw met een goede gelijkenis zoals Plutarchus oordeelt in zijn troostreden aan Apollonius (1). Want wat is er, zegt hij slapper en minder dan een schaduw? En met welke woorden zou noch iemand een droom daarvan kunnen uitbeelden? Glaucus, die naar zijn geslacht gevraagd werd, gaf eertijds bij de Griekse Homerus en nu bij de Nederlanders dit antwoord:

De dochters van het woud, de frisse boomgewassen zijn op goede grond op de mensen toe te passen. Hun groen, de zomerse kroon dat wordt des winters roof. En zie een jonger blad verdrijft het oude loof. Wij groenen in de jeugd en hebben blijde dagen, maar worden van de dood geleidelijk aan weg gedragen. En terwijl de tijd verloopt en onze vruchten leest zo wordt een nieuw geslacht dat wij eens zijn geweest.

Deze kortheid van ons leven is wel onderzoek waard waarom de mens zo ver en enige honderden jaren zijn leven in de eerste eeuw plag uit te strekken waar tegenwoordig het leven van de mens zo kort is dat het als een groot wonder gerekend wordt als iemand de honderd jaren kan halen.

De oorzaken worden verschillend bij verschillende schrijvers voorgesteld en die zijn meest samen gevat in verschillende lessen die Pedro Mexia in het Spaans beschreven heeft die wij hier kort zullen beschrijven.

Onze eerste voorouders Adam en Eva die zonder enig ander middel door de eigen hand van God geschapen zijn zijn buiten twijfel van de allerbeste gesteldheid geweest die zij door de goede regel van leven te houden wel bewaarden en alzo hun leven ver uitstrekten. Waarom ook de kinderen die van zulke gezonde ouders gesproten en van zulke edel stof opgelegd waren en zo ook hun kindskinderen die van naturen zo lang leefden moesten mede aarden naar hun ouders gematigde gesteldheid. Dat tot de tijd dat door veranderingen van eeuwen (waardoor gewoonlijk alle dingen vergaan en veranderen) de menselijke natuur begon te verzwakken en te vervallen en de tijd van het menselijke leven korter begon te worden.

 

In die tijd hadden ze noch een zaak die hen mede langer [9] liet leven en waaraan het ons nu vaak ontbreekt, te weten grote matigheid in spijs en drank en van beide was er maar weinig verscheidenheid. Want ze wisten niet van zoveel soorten spijs, noch ook om die op allerhande manieren lekker te bereiden waardoor bij ons vele ziekten spruiten en dientengevolge de dood dikwijls veroorzaken zoals zeer stichtelijk aangewezen is door de wijze Seneca in zijn 95ste brief.

De mens die alleen begaafd is met reden en verstand leeft zonder reden waar de andere dieren die geen reden hebben evenwel naar de reden en regel leven en daarom is de tijd van hun leven beter te bepalen dan van de mensen. Er werd ook vast geloofd dat de kruiden en vruchten van die eeuwen duidelijk van meer kracht en voedsel waren dan ze nu tegenwoordig zijn omdat ze uit nieuwe aarde sproten en groeiden en niet uit weke en ongezonde grond zoals het tegenwoordig is, want de zondvloed heeft haar veel van vettigheid benomen en het zeewater dat daar ettelijke maanden op gestaan heeft heeft haar weelderige vruchtbaarheid zeer beschadigd. Sommigen menen dat de ouden hun spijs rauw gebruikten en dat het vuur wel de voornaamste oorzaak is van ons korte leven. Onder deze schijnt mede te zijn de Milanese Cardanus die in zijn 2de boek de Subtilitate schrijft dat het vlees door het vuur bedorven wordt en vandaar het de gewoonte was om rauw vlees te eten en dat zoiets veel helpen zou om een lang leven te bereiken. Dat zie je ook aan de spijzen die rauw gegeten worden als eieren, oesters, honig, melk, olie, boter, kaas, suiker, sla (waarvan te zien is beneden in het 1ste deel, 2de boek, kapittel 3, 9 en 15 van de Schat der Gezondheid) die rauw veel beter zijn voor het leven en gezondheid dan gekookt. Want al is het dat het vuur veel dingen mengt en uit zwavel en kwikzilver cinnaber maakt zo scheidt het evenwel de zelfstandigheid van het voedsel en ontdoet het dikke van het dunne en verergert die. Hierop zouden mogen of schijnen gewezen te hebben de oudste poten (wat de eerste wijzen geweest zijn die hun leringen in dichtwerk stelden) die ons beschrijven dat toen Prometheus het vuur uit de hemel gestolen en op de aarde (daar tevoren geen vuur geweest was) gebracht heeft de Goden uit horigheid door Pandora allerhande ellendigheid over de aardbodem liet uitstorten. Hiervan heeft de Griekse poet Hesiodus in zijn boek van de Werken en Dagen deze verzen nagelaten:

 

 

 

Nadat Prometheus de dieverij bedreven had toen was er alles verdriet in dit ellendig leven. Want waar het eerste volk rustig mocht heen gaan, toen nam het aardse dal een ander wezen aan. Want ziekte, moeite, zorg en duizend ongemakken die kwamen uit de lucht op aarde neerzakken. Zie daar, eilaas! de mens in druk en constante nood en voor het laatste spook kwam de bleke dood.

 

Dit volgende zegt ook de Latijnse poet Horatius dat magerte, koortsen en allerhande ziekten in de wereld gekomen zijn nadat Prometheus het gestolen vuur aan de mensen meegedeeld heeft. De wijsgerige Diogenes die er werk van maakte om weinig te doen te hebben begon (zoals Lartius in zijn leven beschrijft) om rauw vlees te eten maar stopte daar snel mee en waarschijnlijk wel omdat hij het door ongewoonte niet kon verdragen. Anders zegt de vermelde Cardanus is het vuur voor de spijs noch bevorderlijk, noch noodzakelijk. En de mensen hebben liever een lekker en kort leven gehad dan een lange op de wijze van de boeren en wilde beesten. Nochtans hebben de kluizenaars die zich in de woestijnen ophouden door het gebruik van rauwe spijzen de perken van hun leven ver uitgestrekt. Want diegene die rauwe spijzen eten en als het verteerd wordt is het veel beter dan de gekookte omdat ze geen kwaad trekken uit het vuur. Dan hiervoor moet men zich er van jongs af aan gewennen. Alles wat wij nu eten wordt meestal door het vuur gekookt wat het beste en fijnste er eerst uittrekt (net zoals men ziet in de brandewijn dat de voorloop het krachtigste is) en laat het vervliegen voordat het in ons lichaam of op tafel komt. Zulks is daaraan te merken dat de reuk die wij met de wasem van gekookte of gebraden spijzen intrekken ons niet alleen verkwikt, maar ook verzadigt zoals in het volgende kapittel uit het voorbeeld van Democritus zal blijken en ook te zien is aan diegene die in de keuken lang over de spijzen gaan dat hen de honger geheel vergaat. En dat men hier tegen in zou gaan dat ossen en koeien geen gekookte of gebraden voedsel eten en toch niet zo lang leven dan de mensen, hier dient voor antwoord dat de mensen omdat ze boven alle andere dieren het aller gematigdste en volmaaktste lichaam hebben, zoals in het voorgaande kapittel is beschreven, en zo behoren ze ook zo veel langer te leven als hun volmaaktheid groter is waarin men nu het tegendeel ziet dat vele en ook verachte dieren in langdurigheid van het leven de mensen verre te boven gaan. Waarover de wijsgerige Theophrastus toen hij stierf (Seneca noemt hier foutief Aristoteles, terwijl die in het 5de boek van de teling der dieren in het 10de kapittel schrijft dat de mensen, naast de olifant, de langst levende zijn van alle dieren) de natuur beschuldigede dat ze herten en kraaien, die er niet veel aan gelegen was lang te leven en de mensen die daar veel aan hingen, een kort leven gegeven had, want indien hun tijd lang geweest was dat ze dan van alle kunsten en wetenschappen volkomen kennis gekregen zouden hebben zoals Cicero betuigt in het 3de boek van zijn Tusculaanse vragen. Maar om de natuur te willen beschuldigen dat is een verschil zoals Seneca goed zegt wat een wijs man niet betaamt.

 

 

 

Hiernaast staat noch aan te merken dat Adam [10] de krachten van de kruiden, heesters en stenen bekend waren (wat zijn kinderen van hand tot hand van hem leerden) meer dan iemand sedert die tijd heeft kunnen verstaan of begrijpen. Het was een grote hulp van het leven en van de gezondheid en om de zieken te genezen (als er enige waren) het gebruik van slechte, ongemengde en nochtans volkomen geneesmiddelen zonder de venijnige vermenging van antinomie, kwikzilver en dergelijke die tegenwoordig zonder verschil van ziektes door de kwakzalvers en andere dwazen tot grote schade van het lichaam en verkorting van het leven ingegeven worden.

En wat meer is, in de vroegere eeuwen werd de menselijke gezondheid en leven veel geholpen en onderhouden door de loop van de hemel en instraling van de sterren en planeten die toentertijd gunstiger waren dan ze nu zijn, toen dat zo veel spectrum, conjunctie, eclipsen en andere impressies zoals ze bij de sterrenkijkers genoemd worden, niet geleden hebben waaruit deze veranderingen en vernieuwingen op het aardrijk de elementen gesproten zijn.

Boven deze en andere redenen die uit de natuur getrokken zouden mogen worden behoort ook de oorzaak van het lange leven in die tijd toegeschreven te worden aan de voorzienigheid van God die het beliefde dat de mensen aldus lang zouden leven en dat de voorgemelde oorzaken elkaar behulpzaam waren zodat het menselijke geslacht zich zou vermenigvuldigen.

 

Wij merken ook omdat dat de mensen niet zo lang zouden leven na de zondvloed als van te voren dat God Noach in de ark liet gaan en een groter getal van mannen en vrouwen mee liet gaan dan hij in het begin geschapen had zodat de wereld binnen korte tijd wederom bewoond zou worden.

Die wereld die noch ten tijde van Abraham zo woest was dat er geschreven staat van hem en Lot, zijn oom, hoe de ene het lege land ten Oosten en de ander ten Westen tot zijn gebruik innam zonder dat iemand protesteerde, waar de wereld in de volgende tijd zo vermeerderd is dat ze van mensen krioelt en dat het schijnt indien er nooit oorlog, pest of dergelijke plagen de mensen overkwamen dat de wereld de inwoners te klein zou worden.

De oudvader St. Augustinus spreekt van deze dingen en zegt dat onze voorvaders meer voordeel hadden dan wij en niet alleen in gezondheid en lang leven, maar ook in grootte zoals dat blijkt uit een menigte boeken, graven en beenderen die onder grote bergen gevonden zijn en in zon vorm dat men waarachtig gelooft dat dit de beenderen zijn van de mensen die voor of ten tijde van de zondvloed leefden. De vermelde St. Augustinus zegt dat toen hij in Utica was (een stad die in Afrika ligt) aldaar het gebeente van een mensenlichaam zag dat zulke grote kaakbenen hadden en zo zwaar was als de beenderen van honderd mensen van zijn eeuw. Hier hebben misschien de poten naar gekeken die ons veel van de krachten en ongelofelijke sterkte van de oude reuzen vertellen. Antonio de Guevara (2), raad en predikant van keizer Karel V, geeft in het 3de boek van zijn Spaanse brieven redenen aan waarom de mensen in de voortijden groter waren, te weten: omdat ze niet zo vroeg bijeen slapen en alzo de mans personen niet voor hun dertigste en dat de vrouwen voor hun twintigste jaren niet trouwde en dat men dat werk pas begon als ze goed volgroeid en tot behoorlijke jaren gekomen waren zodat de stof die tot de wasdom groeien laat door het bijslapen ontdaan wordt. Maar volgens de getuigenis van de schrijvers zijn er noch al in latere eeuwen reuzen gevonden. Want waar de lengte van de mens door de bank genomen niet boven de twee meter tien gaat zijn er ten tijde van de keizer Augustinus een jongen met een meid gezien die langer dan drie meter waren. Onder de regering van Claudius is er een uit Arabi gebracht van meer dan twee meter zeventig. Sommigen Indianen (schrijft Solinus) zijn zo groot dat ze over een olifant net als over een paard springen. Isidorus verhaalt dat er in de Westerse delen een dochter gevonden is van twee en twintig meter(?) en Zonaras van een vrouw die de langste man een vijf en dertig cm te boven ging. Die in onze dagen de nieuwe wereld beschrijven maken mede van dergelijke gewag. Antonius Pigasetta vertelt dat er bij de kannibalen een reus gezien is die van de riem af ons volk over het hoofd stak. In de Chinese historin lezen wij dat er in de koninklijke stad Paguin de poortwachters reuzen zijn van vier meter vijftig en dat de koning van China vijf honderd van zulke reuzen heeft als zijn lijfwacht.

 

Wat de bepaling van het leven aangaat die is ook in alle oudheid zeer verschillend geweest. Sommigen menen dat die in het begin 2242 jaren was, maar dan lezen wij niet dat iemand tot de 1000 jaren gekomen is. (3) Want Adam zelf heeft met zijn huisvrouw Eva maar 930 jaren geleefd, hun zoon Seth 912, Enos 905, Kain zag zijn afkomst in de zevende graad en leefde 910 jaar. Zo lezen wij ook in de H. Schrift dat Mahahalel gekomen is tot 895, Jared tot 962. Dan al deze is Methusalem te boven gegaan die 969 jaren oud is geworden en die toen God toen hij ongeveer 500 jaar oud was hem vertelde dat hij wel een huis mocht bouwen zoals hij wil wilde omdat hij nog 500 jaar te leven had tot antwoord gaf dat hij vanwege zo weinig tijd geen huis hoefde te maken en hield zich voort zoals hij gewoon was, onder de bomen en groente. Na de zondvloed heeft niemand die palen bereikt, behalve alleen Noach die boven de 950 jaar kwam wat in de nakomelingen zeer afgenomen is. Want Lamech leefde 777 jaar, Sem 600. Vele eeuwen daarna kwam Abraham maar op 175 jaren, zo zegt [11] evenwel Mozes (die zelf 120 jaar oud geworden is) dat hij in goede ouderdom en vol van dagen overleden is zodat die jaren toen al veel waren. Zijn zoon Isaac leefde 180 jaren en Jacob weinig meer, Levi maar 137 en had noch zijn gezicht en tanden wat Mozes als een bijzondere genade en wonder aantekent. Ten tijde van de priester Heli waren de tijden zo verkort dat hij in zijn 98ste jaar al blind en ongevallig uit zijn stoel dood viel. Zie van andere Plinius in 7 Nat. 48. En al is het dat ook de nieuwe schrijvers en onze Oost-Indi vaarders getuigen van enige die over honderd jaren zoals onlangs een in Engeland, ja Alvares van over de 150 jaar geleefd hebben toch gebeurt zoiets evenwel zeer zelden en wij bevinden inderdaad dat de loop van het lange leven van de ouden al lang geleden gestopt is. Solon, een wijze van Athene, heeft het menselijke leven bepaald met 70 jaren. Alzo zegt Mozes en naar hem de Koninklijke profeet David in de 9de Psalm deze woorden: Ons leven duurt zeventig jaren en als het goed gaat dan zijn het tachtig jaren en wanneer het kostelijk geweest is dan is het moeite en arbeid geweest want het vaart snel weg als vlogen wij daarvan. Hierom beklaagt zich, schrijft Seneca, het meeste deel van de mensen over het ongelijke van de natuur dat wij voor een kleine tijd geboren worden en dat onze jaren snel doorlopen worden zodat het leven, behalve bij zeer weinige, al vaak ophoudt als het maar net begonnen is.

Toen de machtige koning Xerxes zijn grote leger overzag schreide hij daarover omdat zo veel duizenden zo snel zouden komen te sterven. Wat zeer aardig uitgebeeld wordt in de spiegel van de heer Jacob Cats met deze verzen:

 

 

 

Men houdt het ervoor dat Xerxes op de dag toen hij zijn grote leger zag. Toen hij al zijn ruiters overal zag draven in het groene dal. Stond treurig midden in het leger en sloeg zijn hoofd en ogen neer. Men zag genoeg aan zijn gebaar dat zijn gepeins wonder zwaar was. Een van de raad, een deftig man, die vraagt er hem de reden van. Die vraagt wat dat er is gebeurd dat een zo machtige prins treurt. Daar hij geen man in het leger ziet die hem niet lijf en leven biedt. De koning sprak: Ik zie de macht die niet als op mijn bevel wacht. Ik zie hier menige dappere held zich moedig tonen in het veld. Ik zie het en noch evenwel zo baart het mij een droef gekwel. Want zeg doch eens na honderd jaar waar zal ze zijn deze grote schaar? Eilaas! verstoven als een kaf. Eilaas! verschoven in het graf. Dit zei de vorst en tot besluit zo barsten hem de tranen uit.

Dit is dan zo dat iedereen vermaand moet zijn dat hij dit leven dat van zichzelf zo kort is door kwade en ongeregelde middelen niet meer verkort, maar dat hij veel liever alle bedrijvigheid en zorg aanwendt om door matigheid en soberheid ter eren van God en tot dienst van zijn naasten de kortheid ervan probeert uit te strekken en zoveel als mogelijk is te verlengen.

(1) filosoof, Apollonius,  98 na Chr.

(2) Antonio de Guevara,  ca. 1418-3april 1545,

(3) De eerste mensen waren jagers, herders en hadden nog geen zonnejaren, maar maanjaren. Dat kwam pas toen met in een plaats, stad, ging wonen.. De zonnejaren begonnen pas toen ze zich vestigden en er priesters (geleerden) waren die de tijd bepaalden naar de sterren om te zaaien, te oogsten e.d. Dus Methusalem moet door 12 gedeeld worden, =80 jaar.

 

Beschrijving: beverwijck4 007 

 

Of het Leven door de Kunst of enig middel verlengd kan worden.

 

Of het Leven door de Konste ofte eenig middel verlengt kan werden.

 

Het IV. Capittel.

Het is een hart geschil, en over lang gedreven, Hoe ons de gronden staen van dit ellendigh leven, En of God aen den mensch, als door een stale Wet, Sijn dagen heeft bescheert, sijn palen heeft geset; En of hy met beleyt, en door besette reden, Een vaster leven-kracht kan brengen in de leden, Dan of een yders tijd soo vast versegelt staet, Dat hem geen kunst en helpt, geen hinder oyt en schaet. Hy die van al het stuck de gronden soeckt te kennen, Die tale naer het Werck van al te soete pennen, Die onse Beverwijck te samen heeft gebracht, Daer wert het diep geheym getogen uytter nacht. T is dan mijn voorstel niet hier dieper in te treden, Want tot soo grooten werck behoeft een langer reden; Maer om hier kort te zijn, soo segh ick heden dit, Een yder nemet op tot sijn bescheyden wit: Het eynde van de mensch is aen den mensch verholen, De middels even-wel zijn yder een bevolen, Ghy doet wat u betaemt in sieckten ongeval, En weest dan voort getroost hoe Godt het schicken sal.

Indien de Nature ons Lichaem, gelijck het van Godt almachtigh geschapen was, hadden konnen onderhouden: soo en soude geen Genees-konste in de werelt van noode zijn geweest. Dan alsoo het selfde niet alleen door inwendige en aengeboren oorsaken de verganckelickheyt onderworpen is, maer oock gestadigh van buyten besprongen en beschadight werdt: soo isser nootsakelick een Konste gevonden, om de Sieckte te genesen, en de Gesontheyt te bewaren, en dien-volgende t Leven, het welck kort is, door goeden [12] regel te behouden, en soo veel mogelick is, te verlengen. Maer hier tegen werdt van sommige opgeworpen: Dat den tijdt onses levens van alle eeuwigheyt vast gestelt is, en datter over sulcx geen middelen konnen gevonden werden, om t gene dat Godt eens besloten heeft, te doen veranderen. Over dese gewichtige sake hebben vele fraeye geesten haer herssenen, en verstant gescherpt, en aen beyde zijde, soo voor de vastigheyt, als voor de beweeghlickheyt van onsen tijdt, soo veel redenen by-gebracht, dat de aldergeleerste genoegh te doen hebben, om dit stuck eens geheel vast, en buyten eenige twijffelingh te setten.

Dat den tijdt van ons leven vast gestelt is, en dat onse dagen bepaelt zijn, daer wy niet over en konnen treden, en betuyght niet alleen de H. man Job: maer vele van de wijste Heydensche schijnen in dat gevoelen te zijn geweest, als onder anderen Aristoteles, Seneca, Plutarchus. En by de Griecksche Poet Homerus geeft Hector sijn huysvrouw, die vreesende voor ongeluck, hem badt dat hy tegen den vyant niet slaeghs soude gaen, dese antwoort:

Lief weest voor my doch niet beswaert, Want niemant in het graf en vaert, Dan als op hem de Nood-dwang druckt, En hem ten grave neder ruckt; Dat is van outs een stale wet, Die alle menschen is geset. Geen jong, of kloeck, of handigh man, Die dit gewelt ontwijcken kan.

En by de Latijnsche Virgilius spreeckt Iupiter de volgende woorden:

Gaet stelt dit voor een vasten gront, Een yder heeft sijn wisschen stont, Een yder sijn gesetten dagh, Die niemant oyt voor-by en magh, En Turnus die nu deftigh strijdt, Die heeft al mede sijnen tijdt; En na de saken heden staen, Soo is het met hem gedaen. [13]

Dit menen vele Genees-meesters de nootsakelickheyt van haer konste wat tegen te zijn, gelijck den gesetten tijt ook tot dien eynde haer, van sommige voorgeschoten wert, en soude het daerom liever houden met de gene, die leeren dat den tijdt van ons leven beweeght en veranderlick is; en gelijck een kaers die in de son, wint of regen staet, ofte een dief in heeft, haestigh uyt-gaet ofte verbrandt, en die daer van bewaert, ofte in tijdt gesnoten wert, veel langer duert, dat het even-eens gaet met het leven, en de gesontheyt onses lichaems. Bewijsen derhalven, dat vele van stercke en gesonde gestaltenis en gematigheyt door quaet leven, en ander ongeval vroegh tot haer doot komen, daer in tegendeel sommige slappe ongesonde luyden tot een hoogen ouderdom geraken, om datse op de mate, en volgens de regulen van de konste leefden. Plato en Aristoteles getuygen van een seker wijs-gerige, met namen Herodicus, dat al was hy naet oordeel van een yegelick van de alderteerste nature, en geheel uytteerde, even-wel tot sijn hondert jaren gekomen is. Galenus verhaelt datter een ander Wijs-gerige tsijnen tijde geweest is, die een boeck uyt-gegeven hadde, waer in hy leerde, op wat manier en door wat middel men den ouderdom, en dien-volgende de doot soude konnen ontgaen. En al-hoe-wel dit met recht van Galenus bespot wert: soo heeft even-wel de ervarentheyt geleert, dat de Konst niet heel te vergeefs en was. Want de selfde nu al tot de tachentigh jaren gekomen, en soo uyt-geteert zijnde, dat hy niet als vel over t gebeente en had, heeft even-wel soo veel met sijn konst te weegh gebracht, dat hy niet als heel langhsaem en soetjens ten langen lesten uyt en gingh. Het selve getuyght Galenus, die seer oudt geworden is, van hem selven en andere, dewelcke schenen geboren te zijn om haest te sterven, evenwel door de Konste langen tijt onderhouden wierden. En de wijse Seneca, die op vele plaetsen de nootsakelickheyt van den gesetten tijdt seer hart drijft, als of die noch door neerstigheydt, noch uyt genade eenigh verlengh en konde krijgen, schrijft even-wel in sijnen 58 brief; Indien de werelt die niet minder als wy sterffelick en is, door voorsichtigheyt buyten het gevaer gehouden wert, soo kan oock ten deele onse voorsichtigheyt het Lichaem langer ophouden, indien wy de wellusten, waer door het meestendeel vergaet, konnen bedwingen, en in den toom houden. Sulcx bevestight hy oock met het exempel van Plato; en besluyt ten lesten, dat de Matigheyt den ouderdom kan verlengen. En Virgilius die te voren de dagen vast stelden, seyt van Dido, de Koninginne van Carthago, de welcke uyt onverdult over het vertreck van Eneas, haer selven het leven benomen hadde:

Sy leyt verbeten van de doot,

Niet nae den regel van den Noot;

Maer inder haest, en al te ras,

Oock eer haer tijt gekomen was.

En niet alleen dat de Wijsen onder de Heydenen hier in los gaen, selver de Godts-geleerden weten naeulix dit stuck soo vast te setten, datter geen waerschijnelicke redenen souden sijn tegen gebracht konnen werden. De Gnees-meesters wetende, dat het sorgelick is buyten de palen van sijn beroep te gaen, en steken haer selven hier soo verre niet in, datse haer souden laten voorstaen, dit geschil te konnen neder-leggen. Evenwel overleggende, dat hare Konste niet te vergeefs van den al-wijsen God den mensche gegeven is, so houden sy dit met de reden best over een te komen, dat God den mensche een tijt des levens gestelt heeft, en dat hy hem volgens die bepalinge een gestaltenisse en gematigheyt des Lichaems gegeven heeft, om tot soodanige tijt te mogen in wesen blijven: maer dat weynigh Menschen tot haren bepaelden tijt geraken, sommige door versuym en onachtzaemheyt, om haer goede en stercke nature wel te bewaren, en met goede middelen haer Lichaem van sieckten te bevrijden, andere door vallen, verdrencken, quetsen, en diergelijke ongeluck. Asclepiades (schrijft Plinius 7. 38.) stont eertijts soo vast op dese konste, dat hy met de Fortuyne dorst een wed-spel aengaen, nimmermeer voor een goet Genees-meester te willen gehouden wesen, indien hy oyt werde sieck bevonden: t welck hy oock quam te winnen. Want hy viel in sijnen hooghsten ouderdom doot van de trappen, sonder immermeer van eenige sieckte bevangen te zijn geweest. So dat t gemeen gevoelen van de Genees-meesters is, dat sy door hare konste den Menschen brengen tot sijn gestelde tijt, daer hy lichtelick anders door eenig ongemack niet toe en soude geraken. Alsoo seyt Cicero in sijn boeck van het Nootlot, indien t vast gestelt is, dat den siecken niet en sal sterven, ook met eenen vast gestelt te zijn, dat hy den raet van een genees-meester moet gebruycken. Op de selfde manier spreeckt Seneca in de 36. Natuerlicke vragen van sijn tweede boeck: Al schijnt de Gesontheyt door Gods schickinge te wesen, so moetse nochtans den Genees-meester toe-geschreven werden, om dat door sijn hant de weldaet van Gods beschick ons toekomt. So dat t gebruycken van middelen gantsch niet en strijt tegen Gods voorschickinge. Daer van hebben wy een levendig exempel in den Koning Hiskia, 2. b. der Kon. c 20. dewelcke al was hy wel versekert door de bootschap van den Propheet, dat hy niet sterven en soude, geboot evenwel een plaester van vijgen op sijn geswel te leggen. Den Apostel schip-breuck lijdende ontrent t eylant Maltha, en wel wetende dat niemant van de gene, die in t schip waren, blijven soude, of een hayr van sijnen hoofde krencken: siende evenwel dat de boot-gesellen t schip sochten te verlaten, seyde hy tot den Hooft-man, en de Krijgs-knechten: Soo dese in het schip niet en blijven, soo kont ghy-lieden niet behouden worden. Actor. 27.

Daer zijn mede nog veel Genees-meesters, die met de natuerlicke redenen en ervarentheyt willen [14] staende houden, dat men oock door de Konste de natuerlicke palen van s Menschen leven over-treden kan. Want al-hoewel met de gront-vesten, op de welcke ons leven gebout is, niet altijt even goet en kan onderhouden: soo kan men nochtans de selve een langen tijt onderstutten, de natuerlicke wermte en in-geboren vochtigheyt (waer in het lang en kort leven bestaet) verquicken, verstercken en onderhouden. Sulcx siet men in de gene, die aen een Teringe ofte uyt-drogende Koortse gaen quellen, datse noch lang tijt door vochtige, verkoelende, ende versterckende middelen in t leven, by na tegen de nature, gehouden werden. Het exempel van den wijsen Democritus is hier toe aenmerckens weerdigh. De welcke als hy van ouderdom uytging, en de doodt scheen op de lippen te hebben, siende sijn suster haer seer beklagen, dat sy door sijn over-lijden het aenstaende feest van de godinne Ceres niet en soude konnen houden, stelden haer tevreden, en hiel sijn selven noch in t leven, tot dat het feest over was, door den reuck van werm broot, gelijck Lartis schrijft, ofte gelijck Arthaeneus, door den reuck van honingh, en ontsliep, alsoo sachtjens, na drie dagen, dat het feest duerde, als hy hondert en negen jaer out geworden was. Heeft dat Democritus stock-out, en op het leste zijnde, in sijn selven, hebben dat andere Genees-meesters in andere krancken konnen doen, en met eenige hert-verquickende middelen de Ziele, de welcke scheen met geen gewelt uyt te willen vliegen, noch een tijt op-gehouden: soo meenen sy, dat sulcx veel meer en bequaemer in gesonde en welvarende kan geschieden, alsoo het lichter is de krachten te onderhouden, als te herstellen. Wy sullen dan besluyten, dat het leven op die manier kan verkort en verlengt werden. De Propheet David seyt in den 54. Psalm, dat de bloet-gierige en godloose de helft van haer dagen niet en sullen vervullen, en in tegen-deel belooft God den genen, die haer Ouders eeren, een lang leven op der aerden. De gemelte Koning Hiskia doot kranck leggende, en de bootschap des doots door den Propheet Esaia al ontfangen hebbende, werde evenwel het leven noch vijftien jaren verlengt. Ick en sal niet dieper in desen dool-hof treden: dan de gene, die hier breeder af onderricht wil wesen, die kan na sien wat in een Latijns boeck, dat hier van uyt-gegeven is, veel geleerde en treffelicke mannen aen my geschreven hebben. Waer onder mede is den stichtelicken Brief van de wel-edele, en onvergelijckelicke Joffrouw, Joffr. ANNA MARIA van SCHUERMAN, en, onder den naem van PAEL-STEEN, in de Nederlantsche tale onlangs gedruckt, en nu te sien in t by-voeghsel van t 3 Deel van de Genees-konst, onder de Brieven No 3.

Of het Leven door de Kunst of enig middel verlengd kan worden.

 

Het IV Kapittel.

Het is een hard geschil en al zeer lang gedreven hoe ons de gronden staan van dit ellendig leven. En of God aan de mens als door een stalen wet zijn dagen heeft geschoren en zijn palen heeft gezet. En of hij met beleid en door zekere reden een vastere levenskracht kan brengen in de leden. Dan of ieders tijd zo vast verzegelt staat dat hem geen kunst helpt en geen hinder hem ooit schaadt. Hij die van het hele stuk de gronden zoekt te kennen en die de taal naar het werk van al te zoete pennen. Die onze Beverwijck tezamen heeft gebracht daar wordt het diepe geheim getogen uit de nacht. Het is dan mijn voorstel niet om hier dieper in te treden. Want voor zon groot werk behoeft een langere reden. Maar om hier kort te zijn, zo zeg ik heden dit, iedereen neemt het op tot zijn bescheiden doel. Het einde van de mens is aan de mens verholen. De middelen evenwel zijn iedereen aanbevolen. Gij doet wat u denkt te doen in ziekten en ongeval en wees dan verder getroost hoe God het schikken zal.

Indien de natuur ons lichaam zoals het door God almachtig geschapen was had kunnen onderhouden dan zou geen geneeskunst in de wereld nodig zijn geweest. Dan omdat het niet alleen door inwendige en aangeboren oorzaken aan vergankelijkheid onderworpen is, maar ook steeds van buiten besprongen en beschadigd wordt zo is er noodzakelijk een kunst gevonden om de ziekten te genezen en de gezondheid te bewaren en dientengevolge het leven, wat kort is, door een goede [12] regelmaat te behouden en zoveel als mogelijk is te verlengen. Maar hiertegen wordt door sommigen opgeworpen dat de tijd van onze levens door alle eeuwigheid vast gesteld is en dat er voor zulks geen middelen gevonden kunnen worden om hetgeen dat God eens besloten heeft te laten veranderen. Over deze gewichtige zaken hebben vele fraaie geesten hun hersens en verstand gescherpt aan beide kanten en zowel voor de vastheid als beweeglijkheid van onze tijd zoveel redenen bijeen gebracht dat de aller geleerdste genoeg te doen hebben om dit stuk eens geheel vast en zonder enige twijfel neer te zetten.

 

Dat de tijd van ons leven vast gesteld is en dat onze dagen bepaald zijn waar wij niet over kunnen gaan betuigt niet alleen de Heilige man Job, maar vele van de wijste heidenen schijnen van die mening geweest te zijn als onder anderen Aristoteles, Seneca, Plutarchus. En bij de Griekse poet Homerus geeft Hector zijn huisvrouw, die vreesde voor een ongeluk en hem bad dat hij tegen de vijand niet slaags zou gaan, dit antwoord:

Lief, wees om mij toch niet bezwaard, want niemand vaart in het graf dan pas als op hem de nooddwang drukt en hem ten grave neder rukt. Dat is al vanouds een stalen wet die voor alle mensen is gezet. Geen jong of kloek of handig man die dit geweld ontwijken kan.

En bij de Latijnse Virgilius spreekt Jupiter de volgende woorden:

 

 

Ga en stel dit voor een vaste grond. Iedereen heeft zijn zekere stond en iedereen zijn vast gezette dag. Die niemand ooit voorbij kan gaan. En Turnus die nu deftig strijdt die heeft al mede zijn tijd. En naar de zaken zoals ze heden staan, zo is het met hem gedaan.[13]

Dit menen vele geneesmeesters dat dit de noodzakelijkheid van hun kunst wat tegen staat net zoals de gezette tijd ook voor het einde die door sommige voorgehouden wordt en zouden het daarom liever houden met diegene die leren dat de tijd van ons leven beweegt en veranderlijk is, net als een kaars die in de zon, wind of regen staat of een dief in zich heeft die snel uitgaat of verbrandt en als die daar tegen beschermd of op tijd gesnoten wordt veel langer duurt en dat het eveneens zo gaat met het leven en de gezondheid van ons lichaam. Bewijzen derhalve dat velen van sterke en gezonde gestalte en gesteldheden door slecht leven en ander ongeval vroeg tot hun dood komen waar in tegendeel sommige slappe en ongezonde lieden tot een hoge ouderdom geraken omdat ze op de maat en volgens de regels van de kunst leven. Plato en Aristoteles getuigen van een zeker wijsgeer met name Herodicus (1) die al was hij naar het oordeel van iedereen van de allereerste natuur en geheel uitterend evenwel tot zijn honderd jaren gekomen is. Galenus verhaalt dat er een andere wijsgeer te zijne tijd geweest is die een boek uitgegeven had waarin hij leerde op welke manier en door welk middel men de ouderdom en dientengevolge de dood zou kunnen ontgaan. En alhoewel dit met recht door Galenus bespot werd zo heeft evenwel de ervaring geleerd dat de kunst niet heel tevergeefs was. Want dezelfde man die nu al tot de tachtig jaren gekomen en zo uitgeteerd was dat hij niet anders dan vel over het been was heeft evenwel zoveel met zijn kunst teweeggebracht dat hij niet anders dan heel langzaam en zachtjes te lange leste uitging. Hetzelfde getuigt Galenus die zeer oud geworden is van zichzelf en van anderen die geboren schenen te zijn om snel te sterven en evenwel door de kunst een lange tijd onderhouden werden. En de wijze Seneca die op vele plaatsen de noodzakelijkheid van de gezette tijd zeer hard doordrijft dat die noch door vlijt en ook niet door genade enige verlenging kan krijgen schrijft evenwel in zijn 58ste brief: Indien de wereld, die niet minder dan wij sterfelijk is door voorzichtigheid buiten het gevaar gehouden wordt zo kan ook ten dele onze voorzichtigheid het lichaam langer ophouden indien wij de wellusten waardoor het meeste deel vergaat kunnen bedwingen en in toom houden.

Zoiets bevestigt hij ook met het voorbeeld van Plato en besluit tenslotte dat de matigheid de ouderdom kan verlengen.

En Virgilius die tevoren de dagen vast stelde zegt van Dido, koningin van Carthago, die uit ongeduld over het vertrek van Eneas zichzelf het leven benomen heeft:

Zij ligt verbeten door de dood.

Niet naar de regel van de nood.

Maar in de haast en al te snel.

Ook voor haar tijd gekomen is.

En niet alleen dat de wijzen onder de heidenen hier in los gaan, zelfs de Godgeleerden weten nauwelijks dit stuk zo vast te zetten dat er geen waarschijnlijke redenen tegenin gebracht zouden kunnen worden. De geneesmeesters weten dat het zorgelijk is buiten de palen van hun beroep te gaan en steken zichzelf hier niet zover uit dat ze zich zouden laten voorstaan dit geschil te kunnen weerleggen. Evenwel overleggende dat hun kunst niet tevergeefs en door de alwijze God aan de mens gegeven is zo houden zij dit met de reden dat dit het beste overeen komt dat God de mens een tijd van het leven gesteld heeft en dat hij hem volgens die bepaling een gestalte en gesteldheid van het lichaam gegeven heeft om tot dusdanige tijd in wezen te mogen blijven, maar dat weinig mensen tot hun bepaalde tijd raken omdat sommige door verzuim en onachtzaamheid om hun goede en sterke natuur goed te bewaren en met goede middelen hun lichaam van ziekten te bevrijden en andere door vallen, verdrinken, kwetsingen en dergelijke ongelukken. Asclepiades (2) (schrijft Plinius in 7. 38] stond eertijds zo vast op deze kunst dat hij met Fortuin een weddenschap durfde aan te gaan om nimmermeer voor een goede geneesmeester gehouden te willen worden als hij ooit ziek gevonden zou worden, wat hij dan ook wist te winnen. Want hij viel in zijn hoogste ouderdom dood van de trappen zonder immermeer van enige ziekte bevangen te zijn geweest. Zodat de algemene mening van de geneesmeesters is dat zij door hun kunst de mensen tot zijn gestelde tijd brengen waar hij gemakkelijk anders door enig ongemak niet toe zouden komen. Alzo zegt Cicero in zijn boek van het Noodlot, indien het vast gesteld is dat de zieke niet zal sterven ook meteen vast gesteld is dat hij de raad van een geneesmeester moet gebruiken. Op dezelfde manier spreekt Seneca in de 36 Natuurlijke vragen van zijn tweede boek. Al schijnt de gezondheid door Gods beschikt te zijn zo moet ze nochtans aan de geneesmeester toegeschreven worden omdat door zijn hand de weldaad die door God beschikt is ons toekomt. Zodat het gebruiken van middelen geheel niet in strijd is tegen Gods voorbeschikkingen. Daarvan hebben wij een levendig voorbeeld in koning Hizkia in 2 Koningen 100: 20 waar hij al wel verzekerd was door een boodschap van de profeet dat hij niet sterven zou, maar gebood evenwel een pleister van vijgen op zijn gezwel te leggen. De apostel die schipbreuk lijdt omtrent het eiland Malta weet wel dat niemand van diegene die in het schip waren blijven zou of een haar van zijn hoofd krenken, hij ziet evenwel dat de bootgezellen het schip proberen te verlaten en zegt tegen de hoofdman en de krijgsknechten: Als die niet in het schip blijven dan kunnen jullie niet behouden worden, Handelingen 27.

Er zijn ook nog veel geneesmeesters die met de natuurlijke redenen en ervaring [14] staande willen houden dat men ook door de kunst de natuurlijke palen van het menselijk leven overtreden kan. Want alhoewel men de grondvesten waarop ons leven gebouwd is niet altijd even goed kan onderhouden, zo kan men nochtans die een lange tijd onderstutten en de natuurlijke warmte en ingeboren vochtigheid (waarin het lange en korte leven bestaat) verkwikken, versterken en onderhouden. Zoiets ziet men in diegene die aan een tering of uitdrogende koorts gaan lijden en dat ze noch lang tijd door vochtige, verkoelende en versterkende middelen in het leven, bijna tegen de natuur in, behouden worden.

Het voorbeeld van de wijze Democritus is hiertoe zeer goed om op te merken. Die toen hij van ouderdom uitging en de dood op de lippen scheen te hebben zag dat zijn zuster zich beklaagde dat ze door zijn overlijden het aanstaande feest van de godin Ceres niet zou kunnen houden en hij stelde haar tevreden en hield zichzelf noch in het leven totdat het feest over was door de reuk van warm brood, zoals Lartius (3) schrijft of, zoals Athenaeus (4), door de reuk van honing. Hij ontsliep alzo zachtjes na de drie dagen dat het feest duurde toen hij honderd en negen jaar oud geworden was. Hoe heeft Democritus stokoud en op het einde in zichzelf en hoe hebben andere geneesmeesters dat in andere ziektes kunnen doen met enige hartverkwikkende middelen de ziel, die met geen geweld schijnt uit te willen vliegen, noch een tijd op te houden en zo menen ze dat zoiets veel meer en beter in gezonde en welvarende kan gebeuren omdat het gemakkelijk is de krachten te onderhouden dan te herstellen.

Wij zullen dan besluiten dat het leven op die manier verkort en verlengd kan worden. De profeet David zegt in de 54ste Psalm dat de bloedgierige en goddeloze de helft van hun dagen niet vervullen zullen, in tegendeel belooft God diegenen die hun ouders eren een lang leven op de aarde.

De vermelde koning Hizkia die doodziek ligt en de boodschap des doods door de profeet Jesaja al ontvangen heeft wordt evenwel het leven noch vijftien jaren verlengd.

Ik zal niet dieper in deze doolhof treden, dan diegene die hier meer van wil leren kan nazien wat in een Latijns boek dat hiervan uitgegeven is veel geleerde en voortreffelijke mannen aan mij geschreven hebben. Daaronder is mede de stichtelijke brief van de weledele en onvergelijkelijke juffrouw, joffrouw Anna Maria van Schuerman en onder de naam van Paalsteen in de Nederlandse taal onlangs gedrukt en nu te zien in het bijvoegsel van het 3de deel van de Geneeskunst, onder de brieven No 3.

(1)Filosoof Herodicus, 5de eeuw v. Chr.

(2) Asclepiades van Bithyni, een van de eerste artsen.

(3) Diogenes Lartius, Griekse biograaf.

(4) Athenaeus van Naucratis, Griekse taalgeleerde.

 

Dat het schrijven van de bewaring van de Gezondheid nuttig en nodig is.

 

Dat het schrijven van de bewaringe der Gesontheyt dienstigh en nootwendigh is.

 

Het V. Capittel.

Maer yemant sal misschien hier tegen komen drijven Dat geensins noodigh is van dit beleyt te schrijven, Vermits dat kruyt en dranck, en salf is sonder vrucht, T en zy der yemant queelt of in benautheyt sucht. Dat noyt de medecijn en dient te zijn gebeden, Als yemant wacker is en van gesonde leden: Dat even Godes Soon die gronden heeft geleyt. En dat het waerheyt is al wat de Waerheyt seyt. Maer, Vrienden, hoort een woort: indien de menschen waren Als in oude tijt en langh-voorleden jaren, Men hoefde geen behulp van eenigh heylsaem gras, Vermits en spijs en dranck voor yder heylsaem was: Vermits oock boven dien meest al de menschen aten Alleenlick voor den noot, en geensins boven maten, Dies was haer lichaem sterck, haer geesten wonder fijn, Want al wat voedtsel was, dat was hun medecijn. Maer nu meest al het volck genegen is te brassen, En met een stagen lust op haren mont te passen, Zijn hun leden meeps. En segh my doch een reys, Wie isser recht gesont, en dat in voller eysch? Gantsch weynig, naer men siet: misschien van hondert menschen, En isser niemant soo gelijck het is te wenschen; Daer hapert altijt wat aen t een of t ander lit, vermits een stil bederf in ons verholen sit. Maer Godt de Sone spreeckt van recht gesonde lieden, En raet hun tharen dienst geen meester oyt tontbieden. Maer, vrienden, letter op, en vat de sake wel, Wat eertijts is geseyt is heden ons bevel. Dient u van desen Boeck, en laet de Medecijnen, Ghy kont u swacken aert door kunste doen verdwijnen: T Is jae soo grooten deught dat yemant t sijne spaert, Als dat hy over zee om groote winste vaert.

Ons soude misschien noch tegen-geworpen konnen werden, dat den gesonden alles gesont is, en dat wy derhalven te vergeefs schrijven van de middelen, om de gesontheyt te bewaren. Want gelijck de Poet Ovidius seyt 3. de Ponto 4.

Die groeyt, en bloeyt in goeden staet, En hoeft geen dranck of meesters raet; Maer voelter yemant droeve pijn, Die roept dan een Medecijn.

Het selfde leert Plato, Celsus, en daer toe werden oock eenige plaetsen getrocken van Hippocrates. Maer wat willen wy grooter getuygenis hebben, als van de Heere Christus, die by den Euangelist geseydt heeft, dat de gesonden den Genees-meesters niet van doen en hebben? Maer de krancken, Matth 9. De [15] reden schijnt dit oock mede te brengen, dewijl men siet dat elck dier van naturen, en uyt sijn selven weet na te jagen dat hem goet is; en dat quaet is, te schouwen. Sulcx en bewijsen niet weynigh de huys-lieden, die ten platte lande verre van de Genees-meesters geseten zijn, en evenwel gesont en wel te pas tot hoogen ouderdom komen, sonder immermeer eenige raet van Genees-meester gedaen te hebben: daer aen de ander zijde de borgers, die vol op hebben van alle genees-middelen, en op haer gesontheyt schijnen te leven, dickwils sieck zijn. Dat oock de naem selve van de Medicine ofte Genees-konst schijnt de gesonden uyt te sluyten, alsoo de selvige geen genesing van doen en hebben: maer wel de Siecken.

Wy sullen hier nu kortelick op antwoorden. En wat het laetste belangt: de gene die eerst de namen aen de Konsten gegeven hebben, doen sy maer begonnen, en noch heel rouw en onvolmaeckt waren, hebben de eere gehadt, dat die namen gebleven zijn, al gebeurde het, datter na wat by quam, het welck onder die naem niet begrepen konde werden, gelijck ick met de meeste Konsten soude konnen bewijsen. Al ist dan, dat de Genees-konste alleen schijnt te strecken tot genesinge der Sieckten: soo moet nochtans dit deel, t welck de Gesontheyt leert bewaren, niet uytgesloten blijven: ja kan oock het genesen soo gemeen verstaen werden, dat het de Higieine begrijpt, dewijlse leert genesen de lichamelicke swackheyt, ende ontroeringe des Gemoets.

Het is oock waer dat de Nature ons wel leert, het goede na te volgen, en het quade te mijden: maer alsoo deselve ons niet effen de mate, hoedanigheyt, tijt, en maniere aengewesen en heeft, so is de Konste oock van noode geweest, de Nature niet alleen vergeselschappende, maer oock leydende, wijsende, en hare goede beginselen voltreckende. Dat de boeren lang in gesontheyt leven, is om dat sy van selfs en onwetende yet doen, t welck dese konst gebiet. Sy leven sober, wercken neerstigh, slapen wel, soo dat al wat sy eten soo wel verteert wert, datter naulicks eenige vochtigheden konnen overschieten, om sieckten te maken. Evenwel als de Sieckten haer over-vallen, soo komen sy lichtelick te sterven, om datse niet wetende wat haer goet ofte quat is, geen maet in eten, drincken, wercken, &c, en weten te houden. De borgers zijn dickwils sieck, om datse meer letten om goet chier te maken, als op haer gesontheyt: liever op de gesontheyt van andere drincken, als datse haer eygen gesontheyt door soberheyt souden bewaren.

Wat aengaet het gesagh van sommige treffelicke Schrijvers, die ons tegen schijnen te wesen: Wy seggen voor eerst op Hippocrates, dat hy de Konst om de gesontheyt te bewaren niet en verwerpt: maer alleen te kennen geeft, dat men de gewoonte, somtijts eens dient te veranderen, om het gevaer dat door gewoonlicke dingen kan komen. Want dewijl de Mensche veel onverwachte dingen gestadigh onderworpen is, en het selfde niet alle tijt gebruycken en kan, so moet nootsakelick een eenparige gewoonte gevaerlick zijn. Want indien men gedwongen is schierlick yet ongewoons te gebruycken, soo komt men daer groote schade door te lijden.

Op het gene dat Hippocrates een sobere maniere van leven in de sieckten en gesonde misprijst: seggen wy dat hy de geheele sobere Dite verwerpt, om dat de misslagen, daer in begaen, niet wel en konnen verdragen werden, soo van de siecken, als van de gesonden, gelijck Galenus dat breeder uyt-leyt. Maer wy nemen hier de maniere van leven vry wat ruymer. In de selve sin kan verstaen werden, t gene Hipp. schrijft van het water, als het niet simpelick quaet en is, dat men het dan wel sonder onderscheyt mach gebruycken. Dat Celsus seyt, hoe een die gesont is, hem aen geen wetten en behoeft te binden, maer vry alderhande kost mach gebruycken, en moet niet toegestaen werden; alsoo de lesse van Galenus veel beter is, dat men hem van alle quade en ongesonde spijse moet wachten: het welck Avicenna mede bevestight.

T gene Plato schrijft, dat de gesonde lichamen geen behulp der Genees-konste van noode hebben, is te verstaen van af-drijvende Genees-middelen, die wy bekennen met onsen Hippocrates, dat in gesonde Lighamen niet alleen ondienstigh, maer oock schadelick zijn. Want alsse geen quade vochtigheden, seyt Galenus, in t Lichaem en vinden, soo nemen sy de goede wech: waer door het Lichaem verswackt wert. En dese, gelijck de Heere Christus Matth. 9. seyde, en hebben den Genees-meesters niet van doen. Dan dit is te verstaen van de gene, die heel wel te pas zijn, en den alder volmaecktsten slagh van Gesontheyt hebben. Maer hoe veel zijnder van desen slagh te vinden, en dieder al gevonden werden, hoe lichtelick komense met ter tijt, ofte door eenige ongelegentheyt te veranderen? Andere die op desen trap der Gesontheyt niet geklommen en zijn, ofte die van naturen swack, graveeligh, gichtigh, ofte eenige ander quelling onderworpen zijn, moeten wel met gestadige sorghvuldigheyt onse regulen waer-nemen, en volgen het verhaelde exempel van Herodicus, en andere; als oock van een Venetiaens Edel-man Lodewijck Cornaro, en den wel-geleerden Leonardus Lessius, die beyde in openbare schriften van haer selven getuygen, dat sy van naturen swack en sieckelick zijnde, en oogh-schijnelick om haest te sterven, nochtans door goede ordre te houden tot een hoogen ouderdom geklommen zijn.

Hier uyt kan genoegh blijcken, dat de Hygieine, of de Konste om gesont te leven alle Menschen, van wat staet ofte gelegentheyt sy oock zijn, in alle hoecken van de werelt, in oude en jonge lichamen, en tallen tijden dienstigh en nootwendigh is. Van dit deel der Genees-konste moet na mijn gevoelen verstaen werden t gene van Democritus geschreven is, in eenen brief [16] aen Hippocrates, dat alle Menschen behooren te verstaen de Genees-konste: want dit en past niet op het ander deel, het welck leert de Sieckten genesen, alsoo het selfde een kloeck en ervaren Genees-meester vereyst; maer wel op het gene de Gesontheyt leert bewaren, het welck een yegelick behoort te weten, die sijn leven lief heeft. En daerom plagh de Keyser Tiberius te spotten met de gene, die na haer dertigh jaren den raet van een ander van doen hadden, om onderscheyt te maken wat haer lichaem dienstigh ofte schadelick was. De Keyser Antonius Philosophus had dese Konste soo diep in-gesogen, dat hy, tot bewaringe van sijn gesontheyt, niet alleen niemants raet van doen en hadde, maer oock selve aen andere raet konde geven. Petrus, na de plaetsch van sijn geboorte, toegenaemt de Spaengiaert, en in t jaer 1276 Paus van Romen, onder den naem van Iohannes den XXI, was in dese Konste soo ervaren, dat hy selve daer door in voorspoedige gesontheyt leefde, en oock van dat werck voor de nakomelingen treffelicke boecken na-liet. De Oude, seyt Hippocrates, en hebben hier van niet bysonders geschreven. Plato getuyght dat de eerste na-saten van Esculapius de selve niet veel gebruyckt en hebben. En soo meent oock Galenus dat dese Konste ten tijde van Homerus niet geweest en is. Het welck niet te verwonderen is, alsoo deselve, om de sterckte van de Lichamen, matigh gebruyck van goede spijse, en andere dingen, niet seer nodig en was. Maer als de Menschen haer matigheyt, en sobere maniere des levens begonsten na te laten, en de kost sochten niet om den honger te verslaen, maer den selfden te verwecken, duysent manieren vindende om de spijse op het leckerste toe te maken: soo zijn hier uyt alderhande sieckten en quellingen in t Menschelicke Lichaem over-gekomen. De grootste van de Genees-meesters, seyt Seneca, schrijft dat de Vrouwen t hair niet uyt en valt, noch de gicht niet en krijgen: t welck men nochtans beyde nu siet, niet om dat de nature van de Vrouwen verandert, maer t leven: waer door sy den selven leugenachtig maken. Hy verstaet Hippocrates, op wiens tijt sulcx waerachtigh was, om de matigheyt en soberheyt van de Vrouwen: maer onwaerachtigh ten tijde van Seneca, gelijck Galenus die kort-bondige Spreucke van Hippocrates mede uytleyt. De Menschen dan allencxkens afwijckende van de matigheydt der Voor-ouderen, en van erger tot erger vervallende, soo heeft de ervarentheyt ten leste de Konste voort-gebracht. Waer toe behooren de Middelen der Gesontheyt van Diocles, Asclepiades, en Galenus, als oock de gesonde vermaningen van Plutarchus. De wercken van Diocles, van de welcke Suidas; en Asclepiades, van de welcke Celsus getuyght, zijn vergaen. Die van Galenus en behagen sommige niet, soo om dat hy in dit stuck wat duyster is, als oock om dat hy seer breet weyt in eenige dingen, die nu niet te pas komen, gelijck daer zijn badt-stoven, vrijven, fineeren, en diergelijcke. Van Plutarchus is dit werck wel en geleerdelick uytgevoert, maer hy en heeft in soo weynigh bladeren de geheele stoffe niet konnen verhandelen. Wy sullen de voet-stappen van dese treffelicke mannen na-volgen, en alles na de gelegentheyt van ons Lant aenleggen, en bestieren.

Dat het schrijven van de bewaring van de Gezondheid nuttig en nodig is.

 

Het V Kapittel.

Maar iemand zal misschien hiertegen kunnen spreken dat het geenszins nodig is van dit beleid te schrijven. Omdat kruid, drank en zalf zonder vruchten zijn. Tenzij daar iemand met kwalen of in benauwdheid zucht. Dat nooit de medicijn dient te worden ontboden dan als iemand sterk is en van gezonde leden. Dat zelfs Gods Zoon die gronden heeft gelegd. En dat het de waarheid is alles wat de waarheid zegt. Maar vrienden, hoort een woord toen de mensen als in oude tijd en lang vervlogen jaren waren. Men hoefde geen hulp van enig heilzaam gras omdat spijs en drank voor iedereen heilzaam was. Omdat ook bovendien meest alle mensen alleen aten voor de nood en geenszins boven mate. Dus was hun lichaam sterk en hun geesten wonder fijn. Want alles wat voedsel was dat was hun medicijn. Maar nu meest alle volk genegen is te brassen en om steeds met lust op hun mond passen zijn hun leden week. En zeg me toch een keer, wie is er echt gezond en dat in volle eis? Gans weinig naar men ziet, misschien van honderd mensen is er niemand zo gelijk, het is te wensen. Er hapert altijd wat aan het een of het ander lid omdat er een stil bederf in ons verholen zit. Maar God de Zoon spreekt van echt gezonde lieden en raadt voor hun dienst geen heelmeester ooit te ontbieden.

Maar vrienden, let er op en begrijp deze zaak goed wat vroeger gezegd is is heden ons bevel. Bedien u van dit boek en laat de medicijnen. Ge kan uw zwakke aard door kunst laten verdwijnen. Het is ja zon grote deugd dat iemand het zijne spaart dan dat hij over zee om grote winsten vaart.

Ons zou misschien noch tegengeworpen kunnen worden dat bij de gezonden alles gezond is en dat wij derhalve tevergeefs schrijven van de middelen om de gezondheid te bewaren. Want zoals de poet Ovidius zegt in 3 de Ponto 4:

Die groeit en bloeit in goede staat hoeft geen drank of meesters raad. Maar voelt er iemand droeve pijn die roept dan een medicijn.

Hetzelfde leert Plato en Celsus en daarbij worden ook enige plaatsen getrokken van Hippocrates. Maar willen wij nog grotere getuigenis hebben dan van de Heer Christus die bij de Evangelist gezegd heeft dat de gezonden de geneesmeesters niet nodig hebben? Maar de zieken, Mattheus 9. De [15] reden schijnt dit ook mee te brengen omdat men ziet dat elk dier van naturen en uit zichzelf dat weet na te jagen wat voor hem goed is en dat wat kwaad is te schuwen. Zulks bewijzen niet weinig de huislieden die op het platteland ver van de geneesmeesters gezeten zijn en evenwel gezond en goed te pas tot hoge ouderdom komen zonder ooit enige raad van geneesmeester gehad te hebben, met aan de andere kant de burgers die volop hebben van alle geneesmiddelen en om hun gezondheid schijnen te denken, maar vaak ziek zijn. Dan ook de naam zelf van de medicijn of geneeskunst schijnt de gezonden uit te sluiten omdat die geen genezing nodig hebben, maar wel de zieken.

Wij zullen hier nu kort op antwoorden. En wat het laatste aangaat, diegene die het eerste de naam aan de kunst gegeven hebben toen ze maar net begonnen en noch heel ruw en onvolmaakt waren hebben de eer gehad dat die namen gebleven zijn al gebeurde het dat er daarna wat bijkwam wat onder die naam niet begrepen kan worden zoals ik met de meeste kunsten zou kunnen bewijzen. Al is het dan dat de geneeskunst alleen schijnt te dienen tot genezing van de ziekten zo moet nochtans dit deel dat de gezondheid leert te bewaren niet uitgesloten blijven, ja ook kan het genezen zo algemeen verstaan worden dat het de hygine omvat die de lichamelijke zwakheid leert te genezen en de ontroering van het gemoed.

Het is ook waar dat de natuur ons wel leert het goede na te volgen en het kwade te vermijden maar omdat die ons niet de gelijke maat, hoedanigheid, tijd en manier aangewezen heeft zo is de kunst ook nodig geweest om de natuur niet alleen te vergezellen, maar ook te leiden, te wijzen en haar goede beginselen uit te voeren. Dat de boeren lang in gezondheid leven is omdat ze vanzelf en onwetende dat doen, doen wat deze kunst gebied. Ze leven sober, werken vlijtig en slapen goed zodat alles wat ze eten zo goed verteert wordt dat er nauwelijks enige vochtigheden over kunnen schieten om ziektes te maken. Evenwel als de ziekten hen overvallen dan komen ze gemakkelijk te sterven omdat ze niet weten wat hun goed of kwaad doet en geen maat in eten, drinken, werken etc. weten te houden. De burgers zijn dikwijls ziek omdat ze meer letten om goede sier te maken dan op hun gezondheid en liever op de gezondheid van anderen drinken dan dat ze hun eigen gezondheid door soberheid zouden bewaren.

Wat het gezag van sommige voortreffelijke schrijvers aangaat die tegen ons schijnen te wezen. Wij zeggen voor het eerst op Hippocrates dat hij de kunst om de gezondheid te bewaren niet verwerpt, maar alleen te kennen geeft dat men de gewoonte soms eens dient te veranderen vanwege het gevaar dat door gewoonlijke dingen kan komen. Want omdat de mens aan veel onverwachte dingen steeds onderworpen is en dat niet alle tijd gebruiken kan zo moet noodzakelijk een eenparige gewoonte gevaarlijk zijn. Want indien men gedwongen is plotseling iets ongewoons te gebruiken dan komt men daar grote schade door te lijden.

 

 

 

 

 

 

Op hetgeen dat Hippocrates een sobere manier van leven in de ziekten en gezonde misprijst zeggen wij dat hij het geheel sobere dieet verwerpt omdat de misslagen die daarin voorkomen niet goed verdragen kunnen worden zowel door de zieken als door de gezonde, zoals Galenus dat breder uitlegt. Maar wij nemen hier de manier van leven behoorlijk wat ruimer. In dezelfde geest kan begrepen worden hetgeen Hippocrates schrijft van het water als het niet al te slecht is dat men het dan wel zonder onderscheid mag gebruiken. Dat Celsus zegt hoe een die gezond is zich aan geen wetten behoeft te binden, maar gewoon allerhande kost mag gebruiken moet niet toegestaan worden omdat de les van Galenus veel beter is dat men zich van alle kwade en ongezonde spijzen moet wachten, wat Avicenna mede bevestigt.

Hetgeen Plato schrijft dat de gezonde lichamen geen hulp van de geneeskunst nodig hebben is te verstaan van afdrijvende geneesmiddelen waarvan we bekennen met onze Hippocrates dat het in gezonde lichamen niet alleen ondienstig, maar ook schadelijk is. Want als ze geen kwade vochtigheid, zegt Galenus, in het lichaam vinden dan nemen ze de goede weg waardoor het lichaam verzwakt wordt. En deze zoals de Heer Christus in Mattheus 9 zegt, hebben de geneesmeesters niet nodig. Dan dit is te verstaan van diegene die heel goed gesteld zijn en de aller volmaaktste slag van gezondheid hebben. Maar hoeveel zijn er van deze slag te vinden en die er al gevonden worden, hoe gemakkelijk komen ze mettertijd of door enige ongeregeldheid te veranderen? Andere die niet op deze trap der gezondheid geklommen zijn of die van naturen zwak, aan nierstenen, jicht of enige andere kwelling onderworpen zijn moeten wel met constante zorgvuldigheid onze regels waarnemen en het verhaalde voorbeeld volgen van Herodicus en anderen als ook van een Venetiaans edelman Lodewijck Cornaro en de zeer geleerde Leonardus Lessius (Lenaert Leys) die beiden in openbare schriften van zichzelf getuigen dat ze van naturen zwak en ziekelijk waren en hoogstwaarschijnlijk snel zouden sterven, nochtans door goede orde te houden zijn ze tot een hoge ouderdom geklommen.

Hieruit kan voldoende blijken dat hygine of de kunst om gezond te leven voor alle mensen noodzakelijk en nuttig is in wat voor staat of gesteldheid ze ook zijn, in alle hoeken van de wereld, in oude en jonge lichamen en ten alle tijden.

Van dit deel van de geneeskunst moet naar mijn mening verstaan worden hetgeen van Democritus geschreven is in een brief [16] aan Hippocrates dat alle mensen de geneeskunst behoren te verstaan, want dit past niet op het ander deel dat leert om de ziekten te genezen zodat dit een doortastend en ervaren geneesmeester vereist, maar wel op hetgeen wat de gezondheid leert te bewaren is iets wat iedereen behoort te weten die zijn leven lief heeft.

En daarom plag keizer Tiberius te spotten met diegene die na hun dertig jaar de raad van een ander nodig had om verschil te maken wat in hun lichaam nuttig of schadelijk was. Keizer Antoninus Philosophus had deze kunst zo diep ingezogen dat hij tot bewaring van zijn gezondheid niet alleen niemands raad nodig had, maar ook zelf aan een andere raad kon geven. Petrus, die naar de plaats van zijn geboorte de bijnaam had van Spanjaard en in het jaar 1276 Paus van Rome onder de naam van Johannes den XXI werd, was in deze kunst zo ervaren dat hij zelf daardoor in voorspoedige gezondheid leefde en ook van dat werk voor de nakomelingen voortreffelijke boeken naliet. De ouden, zegt Hippocrates, hebben hiervan niets bijzonders geschreven. Plato getuigt dat de eerste nazaten van Aesculapius die niet veel gebruikt hebben. En zo meent ook Galenus dat deze kunst ten tijde van Homerus er niet geweest is. Wat niet te verwonderen is omdat die vanwege de sterkte van de lichamen, matig gebruik van goede spijzen en andere dingen niet zo nodig was. Maar toen de mensen hun matigheid en sobere manier van leven begonnen na te laten en de kost zochten om de honger niet te verslaan maar om die te verwekken vonden ze duizend manieren om de spijzen op het lekkerste klaar te maken en zo zijn hieruit allerhande ziekten en kwellingen in het menselijke lichaam gekomen. De grootste van de geneesmeesters, zegt Seneca, schrijft dat van de vrouwen het haar niet uitvalt en ook niet jicht krijgen wat men nochtans beide nu ziet en niet omdat de natuur van de vrouwen veranderd is maar het leven waardoor ze zichzelf leugenachtig maken. Hij begrijpt Hippocrates in wiens tijd de matigheid en soberheid van de vrouwen waar was, maar niet zo ten tijde van Seneca zoals Galenus de kort bondige spreuken van Hippocrates mede uitlegt. De mensen die dan geleidelijk aan afweken van de gematigdheid van de voorouders zijn van kwaad tot erger vervallen en zo heeft de ervaring tenslotte de kunst voortgebracht. Daartoe behoren de middelen van de gezondheid van Diocles, (1) Asclepiades en Galenus en zo ook de gezonde vermaningen van Plutarchus. De werken van Diocles zijn met die van Suidas en Asclepiades, waarvan Celsus getuigt, vergaan. Die van Galenus behagen sommige niet omdat hij in dit stuk wat duister is en ook omdat hij zeer breed uitweidt in enige dingen die nu niet te pas komen als badstoven, wrijven, fineren en dergelijke. Van Plutarchus is dit werk goed en geleerd uitgevoerd, maar hij heeft in zo weinig bladen niet de gehele stof kunnen behandelen. Wij zullen de voetstappen van deze voortreffelijke mannen navolgen en alles naar de gelegenheid van ons land bekijken en behandelen.

(1) Diocles, ca. 240-180 v. Chr.

 

Van de Gezondheid en haar waardigheid.

 

Van de Gesontheyt, en hare weerdigheyt.

 

Het VI. Capittel.

Gesontheyt, edel dingh, van u ist dat wy schrijven, Op dat u soete lucht by ons sou mogen blijven, Op dat een yder mensch mocht kennen uwen aert, En hoeje dient geviert, en hoe te zijn bewaert. Gesontheyt, schoon juweel voor alle dinghen te prijsen, Wie kan, na rechten eysch, u eer genoegh bewijsen? Ghy zijt een rijck geschenck dat van den hemel daelt, Dat als een gulde Son hier op de aerde straelt. Schoon yemant van het volck tot hoogen staet verheven, Magh, boven syns gelyck, in glans en eere leven, Getroetelt van een Prins, oock na syn vollen wensch, Soo ghy hem niet en streelt, wat isset van de mensch? Schoon yemant machtigh vee, door Godes milde segen, Schoon yemants groot beslagh van landen heeft gekregen, Schoon yemants rijcke schat vervult een gantsche sael, Ach! Sonder u behulp, wat isset al-te-mael? Schoon yemant voor hem siet een tafel vol gerechten, Die staegh wort aen-gedist met hondert flucxe knechten, Schoon yemant wort getoeft met alderhande wijn, Sit ghy niet aen den disch, t is al maer enckel pijn. Schoon yemant hoort den sangh van hondert soete kelen, En hoort een geestigh volck op gulden snaren spelen, Als ghy maer henen gaet en uyt de kamer vliet, Soo is de gantsche vreught niet anders als verdriet. Schoon yemant is geplaetst daer met een aerdigh jocken, Veel geesten besich zijn om blyschap uyt te locken, Eylaes! de soete praet bevalt de gasten niet, Ten zy ghy aen het volck u soete gunsten biet. Schoon dat de sonne schijnt dat alle kruyden groeyen, Dat al het boom-gewas staet lustigh om te bloeyen, En dat de koelen Mey ons brenght den soeten tijt, T is winter even-wel soo ghy-der niet en zijt. Schoon yemant heeft de keur van duysent schoone vrouwen, En magh het puyckje selfs van alle maeghden trouwen; Godinne, sonder u en heeft het geenen val: Want al wat honigh scheen, en is maer enckel gal. Wat dienter meer geseyt van alle werelts saken, Die niet gesont en is wie kan hem vrolick maken? Wel aen dan, wieje zijt, gaet soeckt dan aldermeest, Gesontheyt aen het lijf, gesontheyt aen den geest.

Dit is den Lof-sangh van de godinne Hygieia, dat is, Gesontheyt, die van Julius Scaliger seer genuchelick en vol van gratien genoemt wert, en uyt den Griecx van Ariphron Sycionius met de selfde gratie in [17] onse tale over-geset is. Diergelijcke Lof-sangh is mede van de Gesontheydt gemaeckt by den Poet Orpheus. Want de Griecken siende op de groote gaven, en weerdigheyt van de Gesontheyt, hebben de selve onder t getal van de Godinnen gestelt, en een onder haer, met namen Critias, seyde de selve te wesen, de aengenaemste voor de Menschen onder alle de Goden. In Sicyonia plagh eertijts het beelt van de Gesontheyt seer ge-eert te werden, alwaer de vrouwen t hayr van haer hooft sneden, en dese Godinne opofferden. Wy bevinden oock uyt de schriften van de Griecken, dat sy in haer maeltijden na t wasschen van de handen terstont malkanderen toebrachten den dronk der Gesontheydt. T welck wy wel fraeykens weten na te volgen met een groote roemer, die wy daerom oock een Sant noemen, op eens anders gesontheyt, en dickwils tot ons eygen ongesontheyt, uyt te drincken. Andere onder de Heydenen, al hebbense de Gesontheyt niet aen-gebeden voor een Godinne: soo geven sy even-wel haer hooge weerdigheyt en nootsakelickheyt genoegh te verstaen. Als Pyrrhys de groote Koning van Epirus, den Goden offerde, en plagh niet t