Historie vanden vier Heemskinderen.

Uit: http://www.dbnl.org/tekst/_his003heem01_01/index.php

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Zie ook Renout van Montalbaen.

 

Historie vanden vier heemskinderen

Dit is de historie vanden vier heems kinderen. Ende gsciede bi. Coninc karels tiden die grote Die hadde genoet alle die heren van Kerstenrijc tot sijnre worscap. Alsoe als die histori vertelt. Ende is seer ghenoechlijc om lesen. [fol.1] int eerste capittel wort verclaert hoe die grote coninc Karel een groete feeste maecte dair genoet waren alle die eedelste van Kerstenrijc ende hoe die feeste met groeter droefheit eynde.

Also als wi vinden bescreven in ouden yeesten so hadden die keyseren coningen ende ander grote heren ende prelaten een gewoent onder hem. als datten si eens des iaers feest hilden met groter triumphen ende vrolicheit. Dese gewoente hadde die edele coninc Karel die grote keiser van Romen ende coninc van Vrancrijc. Also dat hi alle iaer met groter glorien feest plach te houden binnen die stede van Parijs ende daer worden ontboden ende genoet al die edelste van der werelt van Vrancrijc ende van alle coninc Karels lande ende elc na sijnder wairden. Nu te comen tot onser materie, so was coninc Karel houdende een seer rijclic costelijc hof nader gewoente in gedachtenisse dat hi coninc gecoren was van Vrancrijc. ende gecroent so dat dair gecomen waren tot sijnder eren ende wairdicheit ende om zijn glorie te vermeren die edelste ende wtgenoemste van al Kerstenrijc geestelic ende waerlic. Inden eersten onsen aertscen vader die paeus van Romen, die patriarche van Ierusalem die cardinalen bisscopen legaten. ende veel groter geesteliker prelaten. Ende xij gecroende coningen.xxij. hertoghen. thien hondert ridders vijf dusent ionckers ende sciltknechten wel geboren ende vroem ter wapen in oerlogen in ternoyen. ende daer waren veel scoender vrouwen, ende ioncfrouwen alle van hoge edel geslachte seer costelic ende cierlic toe gemaect mit menigerande abiten gulden laken flueel side ende ander menigerleie vreemde coloren die suverlic waren. Ende voert van anderen volcke waren daer grote menichte sonder [fol.2] getal. Want dese grote feest was Dinxdaechs na Pinxter in scoenste ende genoechlicste vanden iare. Ende so wes datmen tot die feeste behoeven mochte was daer overvloedich meer danmen conde gedencken, alsoe dat daer niet gebrac wat vroechde of solaes maken mochte. want elc was geseten ter tafelen na sijnder waerden ende tuschen elcke twee ridders sat een scone ioncfrouwe dat seer genoechlic was om sien; dair diende ter tafelen menich edel ende wel gheboertige mannen ende elc diende seer begeerlijc ende met groter naersten om dat daer niet gebreken en soude van spijs of dranc.

Aldus sat coninc Karel keyser van Romen met sijnder cronen in groter triumphe ende vromicheyt. Ende besiden hem was geseten die vrouwe sijn keyserinne. Ende in die sale sat tot eender tafelen mijn heer Aymyn grave van Dordoen ende Amerijn van Nerboen; daer was heer Huge van Dordoen. ende was een suster soen van Aymyn ende was een schoon man mit geluen hare ende seer wel ter spraken. Dese heer Huge stont op vander tafel daer hi sat ende ginc voer conincs tafel daer hij sat met sijnder keyserinnen. in groten triumphen ende glorien. Ende als hi voer de tafel stont is hi oetmoedelijc ter aerden over sijn knyen. gruetende coninc Karel seer soetelic ende sijnder vrouwen der keyserinne ende alle die baroenen ende edelinghen dye daer geseten waren. ende heeft gheseit tot coninck Karel met soeten hovesschen woerden: ‘Heer coninc ende keiser van Romen, u is wel condich hoe dat hier te hants mede inder salen sijn mijn twe omen. Die een is gheheten Aymijn van Nerboen ende hebben u trouwelicken ghedient in Turkien als goede capiteinen haren [fol.3] heer sculdich zyn te dienen menigen tijt, ende menigen heiden hebben si verslegen ende hebben in menich groet perikel om uwen wille geweest dat si willich ende gaerne gedaen hebben. Dair om edele here coninc Karel, u is wel kondich dat gi nye hen luyden so veel en gavet dat si een paer sporen copen mochten. Aldus edel here coninc Karel, hebben si mi an u ghesent an u begerende vriendelick dat ghijse verghiften wilt eerlic dair si hogelic ende eerlic haren staet op mogen voeren.’

Als coninc Karel dese woerden gehoert hadde. so sprac hi tot heer Hugen mit een toernigen moede ende seide: ‘Ghi eyschet te vergheefs voer hem luden want si hebben mi menige reise geeyschet ende ic en heb hen nye met willen geven noch ic en sal hen niet gheven, si doen daer toe dat si mogen.’ Als here Huge den mogenden coninc Karel dese woerden hoerde spreken, wert hi seer ontset van binnen ende sprack met hovaerdiger talen. seggende hem: ‘Here coninc, en wildi mijn oemen niet beghiften die u so langhe tijt eerlic ende ridderlic gedient hebben, men sals u groten lachter ende scande spreken in ander heren hove ende u goede eerlike fame die ghi hebt sal daer bi vergaen ende wtgedaen worden, twelc u oneerlic wesen sel.’ Als coninc Karel dese hoemoedige woerden gehoert hadde van heer Hugen so wert hi met toerne seer ontsteken ende toech met haesten een swaert. ende sloech heer Hugen den eedelen man dat hi doot viel ter aerden voer coninc Karels tafel, dat de vloer vander salen seer nat was van sinen bloede. Ende daer wort een groot geruft. ende gecrijsch onder de edelen daer grote oerloge of quam.

Historie vanden vier heemskinderen

Dit is de historie van de vier heemskinderen. En het geschiedde bij koning Karel’ s tijden de Grote. Die had uitgenodigd alle heren van Christenrijk tot zijn feestmaal. Alzo als de historie vertelt. En is zeer genoeglijk om te lezen. In het eerste kapittel wordt verklaard hoe de grote koning Karel een groot feest maakte daar uitgenodigd waren al de edelste van Christenrijk en hoe dat feest met grote droefheid eindigde.

Alzo zoals we vinden beschreven in oude verhalen zo hadden de keizers, koningen en andere grote heren en prelaten een gewoonte onder hen als dat ze eens per jaar feest hielden met grote triomfen en vrolijkheid. Deze gewoonte had de edele koning Karel, de grote keizer van Rome en koning van Frankrijk. Alzo dat hij alle jaren met grote glorie feest plag te houden binnen de stad van Parijs en daar werden ontboden en uitgenodigd al de edelste van der wereld, van Frankrijk en van al koning Karels land en elk naar zijn waarde. Nu om te komen tot onze materie zo hield Karel een zeer rijk en kostelijk hof naar de gewoonte om te herdenken dat hij koning gekozen was van Frankrijk en gekroond. Zodat daar gekomen waren tot zijn eer en waardigheid en om zijn glorie te vermeerderen de edelste en buitengewoonste van al Christenrijk, geestelijk en wereldlijk. In de eerste was onze aartsvader de paus van Rome, die patriarch van Jeruzalem, de kardinalen, bisschoppen en legaten en veel grote geestelijke prelaten. En 12 gekroonde , 22 hertogen, 1000 ridders, 5 000 jonkers en schildknechten, goed geboren en dapper ter wapen in oorlogen in toernooien. En daar waren vele mooie vrouwen en jonkvrouwen en alle van hoge edele geslachten en zeer kostbaar en sierlijk opgemaakt met menigerhande habijten, goudse laken, fluweel, zijde en andere menigerhande vreemde kleuren die zuiver waren. En voort van andere volken was daar grote menigte zonder getal. Want dit grote feest was dinsdag na Pinksteren in het mooiste en genoeglijkste van het jaar. En zo weet dat wat tot dat feest behoeven mocht was daar en overvloedig en meer dan men kan bedenken, alzo dat daar niets ontbrak wat vreugde of blijdschap maken mocht. Want elk was gezet ter tafel naar zijn waardigheid en tussen elke twee ridders zat een mooie jonkvrouw dat zeer genoeglijk was om te zien. Daar dienden ter tafel menige edele en goed geboren mannen en elk diende zeer begeerlijk en met grote vlijt omdat daar niets ontbreken zou van spijs of drank.

 

Aldus zat koning Karel de keizer van Rome met zijn kroon in grote triomf en dapperheid. En bezijden hem was gezeten de vrouwe, zijn keizerin. En in de zaal zat tot een tafel mijnheer Aymyn (1) graaf van Dordogne en Aymerijn van Narbonne; daar was heer Huge van Dordogne en dat was een zuster zoon van Aymyn en dat was een mooie man met geel haar en zeer goede spreker. Deze heer Huge stond op van de tafel daar hij zat en ging voor konings tafel daar hij zat met zijn keizerin in grote triomf en glorie. En toen hij voor de tafel stond is hij ootmoedig ter aarde gegaan op zijn knieĎn. Hij groette de koning Karel zeer lieflijk en zijn vrouwe de keizerin en al de baronnen en edelen die daar gezeten waren. Hij heeft gezegd tot koning Karel met lieflijke hoffelijke woorden: ‘Heer koning en keizer van Rome, u is wel bekend hoe dat hier gelijke mede in de zaal zijn mijn twee ooms. Die ene is geheten Aymyn van Narbonne en hebben u trouw gediend in Turkije zoals goede kapiteins hun heer schuldig zijn te dienen menige tijd en menige heiden hebben ze verslagen en hebben in menig groot gevaar om uw wil geweest dat ze gewillig en graag gedaan hebben. Daarom edele heer koning Karel u is wel bekend dat ge hen lieden niet zoveel gaf dat ze een paar sporen kopen mochten. Aldus edele heer koning Karel hebben ze me aan u gezonden en begeren vriendelijk dat gij ze begiftigen wil eerlijk daar ze hoog en eerlijk hun staat op mogen voeren.’

Toen koning Karel deze woorden gehoord had zo sprak hij tot heer Huge met een vertoornd gemoed en zei: ‘Ge eist tevergeefs voor hen lieden want ze hebben me menige maal geĎist en ik heb hen niet willen geven nog ik zal hen niets geven, ze doen daartoe dat ze mogen.’ Toen heer Huge de vermogende koning Karel deze woorden hoorde spreken werd hij zeer ontzet van binnen en sprak met hovaardige taal en zei tot hem: ‘Heer koning, wil ge mijn ooms niet begiftigen die u zo’ n lange tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben, men zal u groot lachen en schande spreken in andere heren hoven en uw goede eerlijke faam die ge hebt zal daarbij vergaan en weg gedaan worden wat u oneer wezen zal.’ Toen koning Karel deze hoogmoedige woorden gehoord had van heer Huge zo werd hij met toorn zeer ontstoken en trok met haast een zwaard en sloeg heer Huge de edele man zodat hij dood viel ter aarde voor koning Karels tafel zodat de vloer van de zaal zeer nat was van zijn bloed. En daar wordt een groot geruis en gekrijs onder de edelen daar grote oorlog van kwam.

 

(1) ook wel Haymyn, Aymon of Aymes, in het Nederlands verbasterd tot Heems.

 

Dat II. ca. Hoe heer Hugen doot gewroken worde van beide sijn oems [fol.4] met haer hulpers ende hoese coninc Karel wten lande banden ende ter soenen quamen.

Als heer Huge aldus deerlic was verslaghen van coninck Karel verkeerde die blijscap die daer was groot, in bitteren rouwe. Als dat Aymijn ende Amerijn vernemen ende heer Hugen vrienden sprongen alle op als verbolgen ende brisschende leeuwen ende worpen de tafelen met spijse omme dat spijs ende dranc ter neder viel onder de voeten. Aldus sijnde inden druc om den doot van haren neve, seiden si met toernegen moede: ‘Wij willen den doot ons neven wreken, datmen daer of spreken sal soe lange als die werlt staet, al souden wi daer alle bliven doot.’ Aymijn wapende hem haestelic met zijn volc ende had in sijnre hulpen x hondert ridders die wtgelesenste van alle sine landen. Coninc Karel die wapende hem met alle sine magen. ende vrienden; [fol.5] hi hadde geringhe sijn bataelge in ordinanci ghestelt ende had ontwonden sinen standaert dair hi onder had x. dusent man seer wel gewapent ende van harnas versien. Daer quamen van Lauwen coninck Karel vele te hulpe ende die van Riemen die van Melanen quamen oec met groter machte van volc want si stonden onder dye magnificenci ende macht van coninc Karel. Coninc Karel had noch in sijnre hulpen Vlamingen. Brabanders ende menigerley geselscap. also dat coninc Karel hadde groot volc wt vele ende diversche plecken meer dan ick seggen of bescriven can. Doe toech coninc Karel met alle dese grote menichte van mannen om Aymijn. ende sijn vrienden te doden ende te verslaen hoer lant te barnen, te roven ende te niet te maken.

Aymijn hadde in zijnre hulpen xxx hondert mannen ende waren al meest grote heren als hertogen graven oft ridders die edel van gheboerte waren. ende si reden met ontwonden banieren ter poerten wt met groten gheblas van hoernen ende trompetten. dat het scheen of die aerde gedroent hadde van tgeluyt: daer was dat geluyt groot ‘Nerboenen, Nerboenen’ Ende als Aymijn met zijn volc quam daer die grote coninc Karel sijn volc in ordinancie geset hadde, soe quamen die scaren met groter cracht ende nijde te samen also dat int vergaderen menige spere gebroken worde ende menigen ridder van den paerde ter aerden ghedragen worde. Aymijn die edel here riep met luder stemmen ende seide: ‘Eedele baroenen ende vrome mannen helpet mi wreeken den doot van heer Huge minen neve. Ic en vrage daer niet nae hoe lange dat ic daer na mach leven.’ Aymerijn sprac: ‘Dat sal ic doen, mijn lijf mijn goet sal ic dair om aventuren ende in perikel stellen.’ Daer vergaderde menich edel man ende vochten alsoe langhe dat hem swaerden ende weere gebrac, [fol.6] soe dat si hem weerden metten appelen vanden swaerden, ende Aymijns partye weerde hem seer vromelic also dat si seer ver\moyt worden ende sloegen coninc Karel menigen man of, ende veldese met groter cracht ende macht ter aerden alsoe dat over beide siden grote moert geschiede van ridders te verslaen. Daer was menich man besprenget metten bloede ende hadden liever gerust dan langer gevochten; men sacher die paerden lopen bi xx. of xxx. sonder here: die strijt was stuer ende fel. Die van Nerboene en wilden niet sparen noch wiken: si wouden sterven of hem verweren. Si vochten alle gader met enen stouten moede oft Aymijn haer vader had geweest; si streden tot dattet wert doncker nacht also dat si van node scheiden mosten. Coninc Karel verloser veel vanden sinen want hi had op de tijt de meeste scade, so dat hi verloren hadde van sinen volcke binnen dien dage x. hondert man of meer. Ende de grave Aymijn hevet van zijn volcke. cccc. man of meer, doe most Aymijn wiken overmits de doncker nachte. Here Hugen doot coste menich edel man tlijf. ende sonderlinge bi die overmoet van coninc Karel ende Aymijn, ende menige scone casteel ende stercke muer wert daer neder gevelt. ende verbrant om den doot van heer Huge.

Doe sprack coninck Karel. met erren moede: ‘Mi is gedaen groten lachter ende mijn volc heb ick veel verloren. Ic belovet Gode ende sijnre cracht: al hevet ons de nacht gesceiden, ic en laetse hier niet langer bliven: wten lande wil icse verdriven alle ende verbannense mit alle hare vrienden wt alle mijn rijcke ende nemen hem al haer goeden.’ Doe riep coninck Karel zijn hoechste baroenen ende sijn raets heren als coningen hertogen. ende graven ende deedse sitten ter vierscare elc na zijnre waerde; [fol.7] daer dingede coninc Karel ende maecte Aymijns geslacht ballingen over alle sijn rijc. Dit gedaen sijnde so vernamt Aymijn ende sijn vrienden met haren adherenten ende hulpers dat si Karels lant rumen mosten, twelc si met groter haesten gedaen hebben. Die grave Aymijn hadde met hem xviij hondert ridders. die alle vrome ende wtgelesen mannen waren ter wapen ende si namen met hem van haren goeden. tbeste dat si bergen mochten want si wisten wel dat si coninc Karels macht. doe niet wederstaen en mochten. Coninc Karel die nam hem alle gader haer goet dat si gelaten hadden. ende gaft den genen dyet hem beliefde. des was die grave Aymyns partye te lidene verdrietelic. want Aymijn ende sijn volc de met hem verdreven waren mosten hem des daechs onthouden in dicste vander woestinen. Hier moechdi horen die grave Aymijns wonderlike aventuren. Des nachtes plach hi met zijn volcke te barnen ende te roven al dat hi buten vaste mueren besloten wiste ofte conde vinden also dat hi niet en spaerde geestelic noch waerlic waer hijse berijden mocht of begaen. Veel cloesteren ende kercken destrueerde hi ende sloech so veel geestelike luden moniken papen clercken nonnen als leke luden ende destrueerdet al tot Parijs toe. Hi hadde by hem een neve gehieten Maeldegijs, een stout ridder. ende was geleert inder const van nigromancien daer hi grote scade mede dede coninc Karel. ende menich ander mensche. Ende dat gout dat si roefden inder kercken dat dienende was ten outare Gods. dat sloegen si den paerden onder haer voeten. Dit oerloghe was seer verdrietelic ende pijnlic ende geduerde xvj. jaer datter nye en was vrede tusschen coninc Karel ende Aymijn. [fol.8]

Dat II kapittel. Hoe heer Huge dood gewroken wordt van beide zijn ooms met hun helpers en hoe ze koning Karel uit het land verbanden en ter verzoening kwamen.

Toen heer Huge aldus deerlijk was verslagen van koning Karel veranderde de blijdschap die daar was groot in bittere rouw. Toen dat Aymyn ende Aymerijn vernamen en heer Huge’ s vrienden sprongen ze allen op als verbolgen en briesende leeuwen en wierpen de tafels met spijs om zodat spijs en drank ter neder viel onder de voeten. Aldus zijn ze in de druk om de dood van hun neef en zeiden ze met toornig gemoed: ‘Wij willen de dood van onze neef wreken zodat men daarvan spreken zal zo lang als de wereld staat, al zouden we daar alle van blijven dood.’ Aymyn wapende hem haastig met zijn volk en had in zijn hulp 1000 ridders, die uitgelezendste van al zijn landen. Koning Karel die wapende hem met alle zijn verwanten en vrienden; hij had vlug zijn bataljons in ordinantie gesteld en had ontwonden zijn standaard daar hij onder had 10 000 man zeer goed gewapend en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauw (in Haut-Rhin) koning Karel veel te hulp en die van Reims en die van Milaan kwamen ook met grote macht van volk want ze stonden onder het beheer en macht van koning Karel. Koning Karel had nog in zijn hulp Vlamingen, Brabanders en menigerlei gezelschap. Alzo dat koning Karel had groot volk uit vele en diverse plekken, meer dan ik zeggen of beschrijven kan. Toen trok koning Karel met al deze grote menigte van mannen om Aymyn en zijn vrienden te doden en te verslaan, hun land verbranden, te roven en te niet te maken.

Aymyn had in zijn hulp 300 mannen en dat waren al meest grote heren zoals hertogen, graven of ridders die edel van geboorte waren en ze reden met ontwonden banieren ter poorten uit met groot geblaas van horens en trompetten zodat het scheen of de aarde dreunde van het geluid: daar was dat geluid groot van ‘Narbonne, Narbonne’. En toen Aymyn met zijn volk kwam daar de grote koning Karel zijn volk in ordinantie gezet had zo kwamen die scharen met grote kracht en nijd tezamen alzo dat in het verzamelen menige speer gebroken wordt en menige ridder van het paard ter aarde gedragen werd. Aymyn, die edele heer, riep met luide stem en zei: ‘Edele baronnen en dappere mannen help me wreken de dood van heer Huge, mijn neef. Ik vraag daar niet naar hoe lang dat ik daarna leven mag.’ Aymerijn sprak: ‘Dat zal ik doen, mijn lijf, mijn goed zal ik daarom avonturen en in gevaar stellen.’ Daar verzamelde menige edelman en ze vochten alzo lang totdat hen zwaarden en verweer ontbrak zodat ze zich verweerden met de appels van de zwaarden en Aymyn’ s partij verweerde zich zeer dapper alzo dat ze zeer vermoeid worden en sloegen koning Karel menige man af en velde ze met grote kracht en macht ter aarde alzo dat over beide zijden grote moord geschiedde van ridders te verslaan. Daar was menige man besprengd met het bloed en had liever gerust dan langer gevochten; men zag er de paarden lopen bij 20 of 30 zonder heer: de strijd was stuurs en fel. Die van Narbonne wilden niet sparen nog wijken: ze wilden sterven of zich verweren. Ze vochten allemaal met een dapper gemoed alsof Aymyn hun vader was geweest; ze streden totdat het werd donkere nacht alzo dat ze van nood scheiden moesten. Koning Karel verloor er veel van de zijnen want hij had op die tijd de meeste schade zodat hij verloren had van zijn volk binnen die dag 1 0000 man of meer. En de graaf Aymyn van zijn volk 400 man of meer, toen moest Aymyn wijken vanwege de donkere nacht. Heer Huge’ s dood koste menige edelman het lijf en vooral bij de overmoed van koning Karel en Aymyn en menige mooi kasteel en sterke muur werd daar neergeveld en verbrand om de dood van heer Huge.

 

Toen sprak konink Karel met geergerd gemoed: ‘Me is gedaan groot lachen en van mijn volk heb ik veel verloren. Ik beloof God en zijn kracht: al heeft ons de nacht gescheiden, ik laat ze hier niet langer blijven: uit het land wil ik ze verdrijven allen en verbannen ze met al hun vrienden uit al mijn rijk en nemen hen al hun goed.’ Toen riep koning Karel zijn hoogste baronnen en zijn raadsheren als koningen, hertogen en graven en liet ze zitten ter vierschaar en elk naar zijn waarde; daar dingde koning Karel en maakte Aymyns geslacht ballingen over al zijn rijk. Dit gedaen zijnde zo vernam het Aymyn en zijn vrienden met hun medestanders en helpers dat ze Karel’ s land ruimen moesten wat ze met grote haast gedaan hebben. De graaf Aymyn had met hem  1700 ridders die alle dappere  en uitgelezen mannen waren ter wapen en ze namen met hen van hun goed het beste dat ze bergen mochten want ze wisten wel dat ze koning Karel’ s macht toen niet weerstaan mochten. Koning Karel die nam hen allemaal hun goed dat ze gelaten hadden en gaf het diegene die het hem beliefde. Dus was de graaf Aymyn’ s partij vergaan verdrietig want Aymyn en zijn volk die met hem verdreven waren moesten hen des dags onthouden in het dikste van de woestijn. Hier mag ge horen de graaf Aymyn’ s wonderlijke avonturen. ‘s Nachts plag hij met zijn volk te branden en te roven al dat hij buiten vaste muren besloten wist of kon vinden alzo dat hij niet spaarde geestelijke nog wereldlijk waar hij ze berijden mocht of begaan. Veel kloosters en kerken vernielde hij en sloeg zoveel geestelijke lieden, monniken, papen, klerken, nonnen als leken lieden en vernielde het al tot Parijs toe. Hij had bij hem een neef geheten Maeldegijs, een dappere ridder en was geleerd in de kunst van nigromantie daar hij grote schade mee deed koning Karel en menige andere mensen. En dat goud dat ze roofden in de kerken en dat diende tot het altaar van God dat sloegen ze de paarden onder hun voeten. Deze oorlog was zeer verdrietig en pijnlijk en duurde 16 jaar dat er geen vrede was tussen koning Karel en Aymyn.

 

 

 

Dat derde capittel. Hoe coninc Karel sende drie ambassaten tot Aymijn van Dordoen. om pays met hem te maken van der doot van heer Hughe sijn neue. Ende hoe dat dese pays worde gemaect ende qualic gehouden ende seer corts gebroken.

Aldus dit oerloge geduerde seer lange nochtans wast ten laetsten den genoten van Vrancrijc sware te liden ende verdrietelic, want als Aymijn woude, mosten si striden ende si overdroghen des ende gingen te rade met malcander dat si den coninc bidden wouden dat hi vrede makede tegen Aymijn ende sijn volc. Als si aldaer met malcander gesloten hadden sijnse gecomen daer si coninc Karel vonden. ende hebben hem ghegruet met reverencien. Ende als si hem groete eerwaerdicheit ghedaen hebben seiden si: ‘Here coninc, u is condich hoe dat dit oerloge lange gestaen heeft tusschen u ende Aymijn van Dordoen. Wij bidden u dat ghi vrede met hem maken wilt. want [fol.9] alle tlant daer of beschadicht ende gescent wort.’ Als coninc Karel die woerden ende begeerten van sijn heren gehoert. ende overghemerct hadde, verdroech hij[t] seer swaerlic; nochtans in hem selven over leggende dattet de genoten hem alle baden soe consenteerde hijt dat hijt doen woude wes hem luiden daer goet in dochte. Daer tracteerde ende overdroghen die genoten dat coninc Karel scriven soude een minlike gruet ende enen brief ane Aymijn ende sijn maghen. als dat hi hem die misdaet beteren woude die hi teghens hem ende sijn vrienden mesdaen hadde, twelc terstont also gedaen was. Daer sende coninc Karel drie ambassaten met enen brief tot Aymijn die doe tot Pierlepont lach, inhoudende dat hem heer Huge sinen neve den doden opwegen woude met gout negen werven. ende op dat hi dair mede sijn pays ende vrientscap mocht vercrigen. Als Aymijn desen brief had gelesen doe hads hem onmare ende seide met toernigen moede totten drie ambassaten: ‘Segt Karel den coninc dat ic dit oerloghe noch veel liever houde dan ic sulken soene an nam over minen neve.’ Dese drie ambassaten sijn wederom gekeert ende hebben dese woerden den coninc gheseyt. Doen senden coninc Karel weder met een brief tot Aymijn inhoudende dat hi den doot vergeven woude van sinen neve, hi woude hem geven sijn suster vrou Aye tot enen wive ende alle sijn goet dat hi hem of sijn vrienden genomen had. Als Aymijn desen brief over gelesen had die hem coninc Karel ghesent hadde heeft hy den drie ambassaten gehieten dat si toeven souden: hi soude hem met sinen vrienden beraden. Aldus heeft Aymijn sijn vrienden bi hem doen comen, als Amerijn van Nerboen, Willem van Oringen. ende menich ander edel baroen. ende seide hem luiden den boetscap [fol.10] ende badt hem allen dat si hem wouden helpen raden wat hier best in gedaen waer ende hem alle goet dochte. Daer seiden si alle: woude coninc Karel hem alle houden. ende doen tgoet dat hi hem gescreven ende ontboden hadde, si waren des goetwillich te doen. Dair sende Aymijn enen brief ane coninck Karel bi Alaert ende Maeldegijs sijn neven, inhoudende. waert dat hy hem sijn suster geven wilde tot eenen wive. ende voert onderhouden dat tractaet also hi bi sinen brieven hem ontboden hadde, hi waer te vreden de pays an te gaen, met veel ander woerden de inden brief gescreven stonden die te lanc waren te scriven. Ende Alaert ende Maeldegijs quamen tot Parijs gingen si totten coninc ende deden hem reverencie. Dat gedaen sijnde gaven si hem den brief inde hant ende seiden dat hi hem daer af een antwoert soude doen hebben want die pays en mocht niet gemaect worden noch den doot gesoent van haren neve ten ware dat hi dede na tinhouden van den brieve.

Doe coninc Karel den brief ontfangen hadde dede hi den brief voer alle sijn magen ende baroenen lesen. Ende als si alle dat inhouden van den brief gehoert hadden ende wel verstaen die opinie ende meninge van Aymijn ende sinen magen so waren si alle seer blijde. ende hieten den coninc dat hijt al volquame. ende hem des terstont een antwoirt ontboden, twelc coninc Karel gairne dede. Daer wort ontboden voer den coninc Alaert ende Maeldegijs. Ende doe si voer coninc Karel quamen seide hi tot hem dat si togen ende seiden Aymijn dat hi quame te Senlis om aldaer een vast tractaet vander soenen te maken: ‘want ic en wil niet langer oerloge teghen hem voeren.’ Met desen antwoerde togen si weder tot Pierlepont. ende hebben Aymijn geseit des conincs meninge ende als hijt mit sijn vrienden verstae [fol.11] heeft, sijn si blide geweest ende hebben hem alle bereit om te Senlis te trecken, elck als hi cierlicste. ende eerlicste mochte met alle haer macht. Ende als coninc Karel verhoerd dat Aymijn ende zyn magen bi Senlis quamen, is hem te gemoet getogen met zyn magen ende menigen edelen man met vrouwen ende ioncfrouwen ende dede sine tente slaen in een scoen pleyn. daer men den pays maken soude ende is Aymijn een stuc tegen gegaen met.V. hondert ridders wullen. ende barvoet ende voer Aymijns voeten gevallen seggende: ‘Ic heb misdaen. ic bid dat gi mi vergeeft den doot van uwen neve. om Gods willen, ic wils u ende uwe magen beteren wes ic vermach.’

Dat derde kapittel. Hoe koning Karel zond drie ambassadeurs tot Aymyn van Dordogne om vrede met hem te maken van de dood van heer Huge zijn neef. En hoe dat deze vrede wordt gemaakt en slecht gehouden en zeer gauw gebroken wordt.

Aldus deze oorlog duurde zeer lang, nochtans was het de bondgenoten van Frankrijk zwaar te lijden en verdrietig want zoals Aymyn wou moesten ze strijden en ze kwamen overeen en gingen te raad met elkaar dat ze de koning bidden wilden dat hij vrede maakte met Aymyn en zijn volk. Toen ze het aldaar met elkaar gesloten hadden zijn ze gekomen daar ze koning Karel vonden en hebben hem gegroet met reverentie. En toen ze hem grote eerwaardigheid gedaan hadden zeiden ze: ‘Heer koning, u is bekend hoe dat deze oorlog lang gestaan heeft tussen u en Aymyn van Dordogne. Wij bidden u dat ge vrede met hem maken wil want al het land daarvan beschadigd of geschonden wordt.’ Toen koning Karel die woorden en begeerten van zijn heren hoorde en van hen gemerkt had verdroeg hij het zeer zwaar; nochtans in zichzelf overleggende dat het de bondgenoten hem alle baden zo stemde hij het toedat hij het doen wou wat hen lieden daar goed in dachten. Daar behandelde en kwam overeen de bondgenoten dat koning Karel schrijven zou een beminnelijke groet en een brief aan Aymyn en zijn verwanten als dat hij hem die misdaad verbeteren wou die hij tegen hem en zijn vrienden misdaan had, wat terstond alzo gedaan was. Daar zond koning Karel drie ambassadeurs met een brief tot Aymyn die toen te Pierlapont (slot in Bar) lag, inhoudende dat hij heer Huge zijn neef de dode opwegen wou met goud negen maal en opdat hij daarmee zijn vrede en vriendschap mocht krijgen. Toen Aymyn deze brief had gelezen toen had hij het onwaardig en zei met vertoornd gemoed tot de drie ambassadeurs: ‘Zeg Karel de koning dat ik deze oorlog nog veel liever hou dan ik zo’ n verzoening aannam voor mijn neef.’ Deze drie ambassadeurs zijn wederom gekeerd en hebben deze woorden de koning gezegd. Toen zond de koning Karel weer met een brief tot Aymyn inhoudende dat hij de dood vergeven wou van zijn neef, hij wou hem geven zijn zuster, vrouwe Aye, tot een wijf en al zijn goed dat hij hem of zijn vrienden genomen had. Toen Aymyn deze brief overgelezen had die hem koning Karel gezond had heeft hij de drie ambassadeurs gezegd dat ze vertoeven zouden: hij zou zich met zijn vrienden beraden. Aldus heeft Aymyn zijn vrienden bij hem laten komen als Aymerijn van Narbonne, Willem van Oranje en menige andere edele baron en zei die lieden de boodschap en bad hen allen dat ze hem wilden helpen beraden wat hier best in gedaan was en hen alle goed dacht. Daar zeiden ze allen: wou koning Karel hen alle houden en doen het goed dat hij hem geschreven en ontboden had, ze waren dus goedwillig te doen. Daar zond Aymyn een brief aan koning Karel bij Alaert en Maeldegijs zijn neven, inhoudende; was het dat hij hem zijn zuster geven wilde tot een wijf en voort onderhouden dat traktaat alzo hij bij zijn brieven hem ontboden had, hij was tevreden de vrede aan te gaan, met vele andere woorden die in de brief geschreven stonden die te lang waren om te schrijven. En Alaert en Maeldegijs kwamen te Parijs en gingen ze tot de koning en deden hem reverentie. Dat gedaan zijnde gaven ze hem de brief in de hand en zeiden dat hij hen daarvan een antwoord zou doen hebben want de vrede mocht niet gemaakt worden, nog de dood verzoend van hun neef tenzij dat hij deed naar de inhoud van de brief.

 

Toen koning Karel de brief ontvangen had liet hij de brief voor al zijn verwanten en baronnen lezen. En toen ze alles dat de brief bevat gehoord hadden en goed verstonden de opinie en bedoeling van Aymyn en zijn verwanten zo waren ze alle zeer blijde en zeiden de koning dat hij het al voldeed en hem dus terstond een antwoord ontboden wat koning Karel graag deed. Daar wordt ontboden voor de koning Alaert en Maeldegijs. En toen ze voor koning Karel kwamen zei hij tot hen dat ze gingen en zeiden Aymyn dat hij kwam te Senlis om aldaar een vast traktaat van de verzoening te maken: ‘want ik wil niet langer oorlog tegen hem voeren.’ Met dit antwoord trokken ze weer te Pierlapont en hebben Aymyn gezegd de konings mening en toen hij het met zijn vrienden verstaan heeft zijn ze blijde geweest en hebben zich alle bereid om naar Senlis te trekken, elke zoals hij sierlijkst en fatsoenlijkste mocht met al hun macht. En toen koning Karel hoorde dat Aymyn en zijn verwanten bij Senlis kwamen is hij hem tegemoet getrokken met zijn verwanten en menige edelman, met vrouwen en jonkvrouwen en deed zijn tenten slaan in een mooi plein daar men de vrede maken zou en is Aymyn een stuk tegemoet gegaan met 500 ridders wel en barrevoets en voor Aymyn’ s voeten gevallen zeggende: ‘Ik heb misdaan, ik bid dat ge me vergeeft de dood van uw neef. Om Gods wil, ik wil u en uw verwanten verbeteren wat ik mag.’

 

 

Dat IV. ca. Hoe Aymijn trouwede coninck Karels suster. Ende hij bi hoer wan Ritsaert, Wridsaert, Adelaert, Reynout. Des hi niet en wiste ende hoe syse heimelic dede op houden. [fol. 12]

Als die pays ghemaect was heltmen die bruloeft. Ende die bruyt wert ter kerken geleit, an de een side leidese een bisscop ende die ander side Roelant: daer [troudese] Aymijn in grote state ende men hielt die feeste xiij. dagen lanc met groter eere soe blideliken dat mens niet en soude connen vertellen. ende coninck Karel dede Aymyns neve, den doden, ix. werf op wegen mit goude ende dat gout gaf hi Aymijn over zijns neven doot. Als Aymijn dat gout ontfangen hadde vanden coninc dochte hi in hem selven: hoewel dat den coninc pays maecte over sinen neve. hi soudet hem nochtans vergelden dat hijt noch met mans bloede betalen soude. Nochtan gaf hem coninc Karel, hem ende sijn magen: wes Aymijn of sijn magen wonnen op die heiden dat souden si vri houden sonder van yemant te leen tontfangen Als dat gedaen was. ende Aymijn met sinen vrienden te vreden gestelt waren ende ontfangen wes hem inder soen beloeft was, so ginc Aymijn tot coninc Karel ende bat hem vriendelic oft hem gelieven woude dat hi bi hem inden hove bliven mochte. Coninc Karel antwoerde ende seide dat hijs niet en dade, wair om Aymijn sinen haet werp op Karel ende nam sijn wijf met hem. ende toech met eenen erren moede van coninc Karel ende voer tot Pierlepont. ende coninc Karel toech met zyn volcke van Senlis ende voer tot Parijs ende als Aymyn mit sinen wive ende vrienden gecomen was te Pierlepont doe seide hi tot sinen heren: ‘Ic sal hof houden met alle myn vrienden ende magen xl. dagen lanc. al souds hem Karel noch sere storen. Ende wat soene hi mi gedaen heeft, ic en hout van geenre waerden. noch ic en begeer geen vrede. Want waer ic yemant van zynre side tsy vrient of vreemde can begaen, ic salse crencken waer ic mach an live ende goede.’ Doe Aymyn dese woirden sprac doe wasser [fol. 13] menich edel man diet hoirde diet oec seer leet was, mer daer en was niemant so koene de daertoe seggen dorste. Ende die edel vrou ver Aye wast oeck seer leet, dat si eten of drincken en conde.

Dit gedaen wesende so ginc die grave Aymijn sitten ter tafelen met sinen vrienden ende ander heren: daer was heerliken gedient elc na zijnre waerden. daer was grote bIiscap ende iolijt so dat elc sinen rouwe vergat sonder die scoene vrou ver Aye die was vol drucx ende rouwen dat si haer niet verlachen en mochte. Dese edel grave begifte elc na sijnre waerden ende verdiensten. Dit gedaen, die grave soude gaen slapen ende als hij in die camer was toech hi zijn swaert met toernicheijt uter scede ende leide sijn vinger opt cruys van tswaert swerende dat hi doden soude alle de kinder die van haer quamen ende slaen al Karels magen waer hijt bi brengen mochte. Die vrouwe anhorende dese woerden was seer droevich mer si hielt hair manierlic of si daer om niet gegeven en had ende ginc bi haren man te bedde ende bewees hem grote vrientscap ende so alst God hebben wilde, wan hi van dier nacht an haer een ionge soen. Aymijn en was niet lange bi huys en toech in oerlogen daer hise wiste als hi gewoen was, ende de vrouwe kint bliven dragende. hieltet so secretelic dattet niemant en conde mercken sonder een ioncfrouwe die sijt te kennen gaf ende beval haer dat secreet te houden. Doe si bi na bi horen tijt was riet haer die ioncfrouwe dat si trecken soude in een cloester ende bliven daer tot dat si gelegen ware van den kinde, dat si seggen soude datse pelgrimmagie woude gaen, twelc si also gedaen heeft. Int cloester wesende, God versach, si wort verlost van eenen scone ionge sone. Men dede dat kint kerstenen ende het wort genoemt [fol. 14] Ridtsaert. Die gevaders waren de bisscop Tulpijn ende die grave Gilem: dit kint wort bestedet heimelic mer het hadde brieven bi hem dattet echtelick gewonnen was ende van edelre geboerten, mer men en wist niet wiet toe behoerde want die moeder ontsach seer Aymijn ende kende zijn wreetheit dat hijt soude doden, waert dat hijt vernaem ende wiste. Hier en binnen is Aymijn thuys gecomen vanden oerloge ende hadde gevochten op de heiden want hi was op hem selven wtgetogen ende doer niemants bede of bedwanc. Ende opten selven dach als Aymijn te huis quam so quam vrou Ay zijnre huysvrouwe mede thuis ende was ter kercken gegaen ende savons ginc Aymijn met sijn huysvrouwe te bedde ende wan an hair noch een soen ende dat droech si so secretelic ende gelach hier mede int cloester so dat Aymijn noch niemant en wort gewair: dat kint wort kersten gedaen ende genoemt Adelaert ende wort mede g[e]sent dat ment heymelic op voeden soude; daer na ontfinc si den derden soen: daer wert mede gedaen als met den anderen tween ende dat wert geheten Wridtsaert. Dit aldus gedaen, des is Aymijn getogen in een oerloge daer hi was seven iaer, dies hadde vrou Aye groten rouwe want haer was tidinge gecomen dat Aymijn verslaegen was, dair si haer seer qualic om hielt ende seer tonvreden om was: onder dat si den rouwe dreef quam Aymyn selve thuys ende hadde seven doergaende wonden, sittende op sijn paert gewapent, zyn schilt anden hals, sijn bannier ontwonden. Ende als vrou Aye vernam dat Aymijn quam, ginc hem te gemoet met eenen bliden aensichte ende nammen in horen armen ende custen vriendelic ende hieten welcome ende als Aymyn vrou Aye sach. was hi blide ende trat vanden paerde ende ginc met haer in een camer [fol.15] ende so gewapent als hi was ende gebuetst so alst God geliefde, wan hi Reinout die si heimilick dede opvoeden. Aldus had Aymijn iiij. kinder dat hi niet en wist: dye ioncste van den vieren was groot starc boven die ander ende manlic, gelijc is de valc boven die sparwer. Tot deser tijt hadde coninc Karel enen sone genoemt Lodowijc, dese soen ende Reinout waren beide van eenre oude. ende seer van eenre grote. mer doe si XV. iaer out waren ontwies Reynout Lodowijc een voet ende was een voet langer dan Lodowijc, de welcke Lodowijc wert thuis gehaelt om saken die ic hier na int langhe verclaren sal, ende niemant en wist dat Reynout ende sijn broeders Aijmijns kinderen waren. Hier wil ic u van Reynout wat swigen ende scriven wat van coninc Karel.

Dat IV kapittel. Hoe Aymyn trouwde koning Karel’ s zuster. En hij bij haar won Ritsaert, Wridsaert, Adelaert, Reinout. Dat hij dat niet wist en hoe ze hen heimelijk deed ophouden. [fol. 12]

Toen de vrede gemaakt was hield men de bruiloft. En de bruid werd ter kerk geleid, aan de ene zijde leidde haar een bisschop en de andere zijde Roelant: daar trouwde ze] Aymyn in grote staat en men hield dat feest 14 dagen lang met grote eer en zo blijde dat men het niet zou kunnen vertellen. En koning Karel deed Aymyn’ s neef, de dode, 9 maal opwegen met goud en dat goud gaf hij Aymyn voor zijn neef’ s dood. Toen Aymyn dat goud ontvangen had van de koning dacht hij bij zichzelf: hoewel dat de koning vrede maakt over zijn neef, hij zou het hem nochtans vergelden dat hij het nog met mans bloed betalen zou. Nochtans vergaf het hem koning Karel, hem en zijn verwanten: wat Aymyn of zijn verwanten wonnen op de heide dat zouden ze vrij houden zonder van iemand tot leen te ontvangen. Toen dat gedaan was en Aymyn met zijn vrienden tevreden gesteld waren en ontvangen wat hem in de verzoening beloofd was zo ging Aymyn tot koning Karel en bad hem vriendelijk of het hem believen wou dat hij bij hem in de hof blijven mocht. Koning Karel antwoorde en zei dat hij het niet deed, waarom Aymyn zijn haat wierp op Karel en nam zijn wijf met hem en vertrok met geĎrgerd gemoed van koning Karel en voer tot Pierlapont. En koning Karel trok met zijn volk van Senlis en voer te Parijs. Toen Aymyn met zijn wijf en vrienden gekomen was te Pierlapont toen zei hij tot zijn heren: ‘Ik zal hof houden met al mijn vrienden en verwanten 40 dagen lang al zou Karel er nog zeer aan storen. En wat verzoening hij mij gedaan heeft, ik hou het van geen waarde, nog ik begeer geen vrede. Want waar ik iemand van zijn zijde, hetzij vriend of vreemde, kan begaan ik zal ze krenken waar ik mag aan het lijf en goed.’ Toen Aymyn deze woorden sprak toen was er menige edelman die het hoorde en die het ook zeer leed was, maar daar was niemand zo koen die daartoe te zeggen durfde. En die edel vrouw Aye was het ook zeer leed zodat ze niets eten of drinken kon.

 

Dit gedaan wezende zo ging de graaf Aymyn zitten ter tafel met zijn vrienden en andere heren: daar was heerlijk bediend elk naar zijn waarde. Daar was grote blijdschap en vreugde zodat elk zijn rouw vergat, uitgezonderd die mooie vrouw Aye, die was vol druk en rouw zodat ze niet lachen mocht. Deze edele graaf begiftigde elk naar zijn waarde en verdiensten. Dit gedaan, de graaf zou gaan slapen en toen hij in de kamer was trok hij zijn zwaard met toorn uit de schede en legde zijn vinger op het kruis van het zwaard en zweerde dat hij haar doden zou alle kinderen die van haar kwamen en slaan al Karel’ s verwanten waar hij het bij brengen mocht. De vrouwe aanhorende deze woorden was zeer droevig, maar ze hield zich in die manier of ze daarom niets gaf en ging bij haar man te bed en bewees hem grote vriendschap en zoals het God hebben wilde won hij van die nacht aan haar een jonge zoon. Aymyn was niet lang in huis en trok in oorlogen waar hij ze wist zoals hij gewoon was en de vrouwe die kind blijft dragen hield het zo geheim zodat het niemand kon merken, uitgezonderd een jonkvrouw die zij het te kennen gaf en beval haar dat geheim te houden. Toen ze bijna bij haar tijd was raadde haar de jonkvrouw aan dat ze trekken zou in een klooster en blijven totdat ze gelegen was van het kind en dat ze zeggen zou dat ze pelgrimage wou gaan, wat ze alzo gedaan heeft. In het klooster wezende, God zag het, ze wordt verlost van een mooie jonge zoon. Men deed dat kind christelijk en het wordt genoemd Ritsaert. De peters waren de bisschop Tilpin en de graaf Gilem: dit kind wordt uitbesteed heimelijk, maar het had brieven bij hem dat het in de echt gewonnen was en van edele geboorte, maar men wist niet wie het toebehoorde want de moeder ontzag zeer Aymyn en kende zijn wreedheid dat hij het zou doden was het dat hij het vernam en wist. Hierbinnen is Aymyn thuis gekomen van de oorlog en had gevochten op de heide want hij was op zichzelf uitgetrokken en door niemands bede of bedwang. En op dezelfde dag toen Aymyn thuis kwam zo kwam vrouwe Aye zijn huisvrouw mede thuis en was ter kerk gegaan en ‘s avonds ging Aymyn met zijn huisvrouw te bed en won aan haar nog een zoon en dat droeg ze zo geheim en lag hiermee in het klooster zodat Aymyn nog niemand het wordt gewaar: dat kind wordt christelijk gedaan en genoemd Adelaert en wordt mede gezonden dat men het heimelijk opvoeden zou; daarna ontving ze de derde zoon: daar werd mee gedaan zoals met de andere twee en dat werd geheten Writsaert. Dit aldus gedaan dus is Aymyn getrokken in een oorlog daar hij was zeven jaar, dus had vrouwe Aye grote rouw want haar was bericht gekomen dat Aymyn verslagen was, waar ze zich zeer kwalijk om hield en zeer te ontevreden om was: onder dat ze de rouw dreef kwam Aymyn zelf thuis en had zeven doorgaande wonden, zittend op zijn paard, zijn schild aan de hals, zijn banier ontwonden. En toen vrouw Aye vernam dat Aymyn kwam ging ze hem tegemoet met een blij aanzicht en nam hem in haar armen en kuste vriendelijk en zei hem welkom en toen Aymyn vrouwe Aye zag was hij blijde en stapte van het paard en ging met haar in een kamer en zo gewapend als hij was en gebood haar zoals het  God beliefde won hij Reinout die ze heimelijk deed opvoeden. Aldus had Aymyn 4 kinderen dat hij niet wist: de jongste van de vier was groot en sterk boven de ander en mannelijk, gelijk is de valk boven de sperwer. Tot deze tijd had koning Karel een zoon genoemd Lodewijk, deze zoon en Reinout waren beide van een ouderdom en zeer van dezelfde grootte. Maar toen ze 15 jaren oud waren ontgroeide Reinout Lodewijk een voet en was een voet langer dan Lodewijk en die Lodewijk werd thuis gehaald om zaken die ik hierna in het lang verklaren zal en niemand wist dat Reinout en zijn broeders Aymyn kinderen waren. Hier wil ik u van Reinout wat zwijgen en schrijven wat van koning Karel.

 

(1) Turpin of Tilpin, aartsbisschop Tilpin van Reims, half 8ste eeuw ten tijde van Karel de Grote.

 

 

Dat V. ca. Hoe coninc Karel sinen soen Lodowijc woude doen cronen coninc van Vrancrijc. Ende hoe bisscop Tulpijn des niet en woude laten toe gaen, ten waer dat die grave Aymijn hem mede croende ende te hove quam ende hoe om die grave geseynt was ende hoe die grave van sijn wijf geseit was dat hi vier kinder had, dat hem verwonderde, ende sloechse ridder ende gaf den ioncsten Volbeyert.

Het is geboert dattet ginc tegen Pinxter als dat coninc Karel hof hielt also hy gewoenlic was, so dat hi hevet alle de edelste bi hem doen comen geestelic ende wairlic. Als de paeus die patriarch bisscopen coningen hertogen ende graven ende sonderlinge de.xii. genoten Ende als si al bi hem inder salen waren ghecomen heeft coninc Karel een stilt doen bieden ende is opgestaen seggende: ‘Ghi edele hoge moghende baroenen, u is wel wetelic dat ic seer out van dagen worde ende mi dese pijnlicheit der werlt swair wort, als dat ic voirtaen die wapen niet wel gebruken en mach noch die grote heerlicheyt ende digniteit dair ic in bem niet wel berechten en mach overmits grote moyenis de dair in is. Daer om wil ic ende begere dat ghijt consenteert. ende volbrenct als dat ic mijn soen Lodewijc over geve mijn crone ende lant ende dat gi hem croent ende set als gheweldich coninc ende erfhere want hi een ionc vroem iongelinc is.’ Doe sprac bisscop Tulpijn voir alle de heren ende seide: ‘Heer coninc, het is waer ende het wair wel mogelic mer ic weder segge dat want al is Lodewijc ionc ende scone ende tot redeliken oude, ten mach nochtans niet ghescien. want u hof en is noch niet volmaect.’ Doe sprac coninc Karel met haestigen moede: ‘Wie is hier gebrekende: want ic hebbe hier binnen minen hove de voertbariste edelste, als geestelic ende waerlic van al kerstenrijc.’ Doe antwoerde bisscop Tulpyn den coninc weder ende seide met soeten woirden: ‘Heer coninc, ic segge u voerwaer, hier breect een de vrijtste ende edelste man vander werlt ende is vanden hoechsten geslachte ende een vry onbedwongen man.[fol. 17] want hi en voert zijn goet van niemant te leen ende was van u gebannen xvj. iaren ende vj weken. Also dat hi menige overmoedige reyse op u volc dede mit feiten van wapen want hi sloech al doot ende roefde ende brande in u lant wast geestelic of waerlic ende dat gout daermen Gode mede dienden opten outair dat sloech hi sijn paerden onder hare voeten.’ Ende als bisscop Tulpijn sijn woerden geeindt had sprac coninc Karel: ‘Dit is Aymijn de oude, de hevet mi dicke menich verdriet ende laster ghedaen. Nochtans ben ic bekennende ende weet dat hi wan metter hant de doernen crone ons heren Ihesu Cristi de hem op sijn gebenedide hoeft was ghedruct ende hi wan mede de nagelen dair onse lieve here mede aenden cruce genagelt was doir handen ende voeten. Ende ick weet voerwaer dat hi myn doot gesworen heeft. ende al dat van mi gecomen is; ic segghe u waerlic ende ic beloeft Gode: conde ic yemant van minen vrienden magen of enige van minen heren bevinden dat si Aymijn enige hulpe of bistant deden, ic soudese doen doden. Mer wist ic enige bode so stout, ic soude om Aymyn senden ende ic bid u lieve here bisscop Tulpijn, wilt mi bier in raden wat hier best in gedaen is, ghi weet doch hoet mit mi staet.’ De bisscop antwoerde den coninc ende seide: ‘Heer coninc, den besten raet die ic weet dat is dat gi u feeste ende hof doet verlanghen.xI. dagen ende seynt ter stont om Aymijn een bode met enen brief inhoudende dat gi hem sweert vrede ende vaste geleye op sinte Dyonijs lichaem. Ende stelt te borge dat te houden xij de beste heren van uwen rijke, al valtet u wat swaer ende verdrietelic, tis nochtans best ende eerlicste gedaen.’ Als coninc Karel desen raet van bisscop Tulpijn gehoert hadde dochtet [fol.18] hem goet. Ende seyde totten bisscop: ‘Waer soude ic yemant vinden so coen de soude dorren annemen de boetscap te doen?’ Doe sprac bisscop Tulpijn: ‘Ic salder vier kiesen die de last vander boetscap. an nemen sullen ende sullent gaerne doen.’ Doe ginc bisscop Tulpijn ende dede voir den coninc comen den stouten Roelant, Willem van Oringen, Bertram ende Bernaert. Als si voir den coninc quamen vraechde hi hem of si die boetscap annemen wouden, welc si gaerne deden ende gaf hem een cierlick paert met costelic gereyde. want dat gerey was al van goude ende side ende een costelic hoetbant de gracioes ende suverlic was int ansien. Dese vier heeren gereiden hem om te reisen ende saten op haer paerden de hem coninc Karel gegeven had die goet waren. Ende als si te punte saten ende cierlic toegemaect, wort elc gebrocht enen rijckeliken mantel ende enen telge van olive. Aldus reden dese vier edel heren met enen bliden moede ende vroliker herten sonder enich merren nacht of dach so lange dat si quamen in Aymijns lant. ende versagen Pierlepont daer Aymyn op die tijt hof hilt met alle zyn vrienden. ende dair waren xxx vrome ridders Ende Aymyn hadde de gewoent: als hi hof plach te houden, had hi altoes in zyn casteel vij hondert man die altoes gewapent waren. ende wel versien van hernas. Die wtgenoemste van zyn volk de namen ware dat casteel tot Aymijn voir verraet of opstel. Soe geboerdet na dat die maeltijt ghedaen was, dat vrou Aye de scone vrouwe was voir een veijnster vander salen gaen staen ende sach in een valleye comen ridende de vier ridders. Doe si[se] gewaer wert comen ridende mercte si met groten naersten ende sorchvoudicheit wie si wesen mochten: ten laetsten wert sise kennende. ende seide in haer selven: ‘En is de een niet min neve grave Roelant, die ander grave Willem van Oringhen, den derden een stout [fol. 19] ridder ende hiet Bertram, de vierde is heer Bernaert so mi dunct: begeren si hier te wesen, ick duchte dat si in haer doot riden; ic woude dat si waren over dusent milen.’ Dye edel vrou riep de poertier ende seide tot hem: ‘Ganc haestelic tot geen vier heeren de ginder comen ende bringe hem dese vier hoebanden: den besten gevet minen neve Roelant. ende segt hem datse zyn moye hem heeft gesent, de vrou is van dit lant. ende doet haer paerden te gemake ende brengetse in die sale: si comen voir den overmoedichsten man die in alle die werlt is; ick duchte seer voir hem luden: ic woude wel dat si van hier waren.’

Dat Vde kapittel. Hoe koning Karel zijn zoon Lodewijk wou doen kronen als koning van Frankrijk. En hoe bisschop Tilpin dat niet wilde toestaan, tenzij dat de graaf Aymyn hem mede kroonde en te hof kwam en hoe om de graaf gezonden was en de graaf van zijn wijf gezegd was dat hij dat hij vier kinderen had  dat hem verwonderde en sloeg ze ridder en gaf de jongste Beiaard.

Het is gebeurd dat het ging tegen Pinksteren toen dat koning Karel hof hield alzo hij gewoon was zodat hij heeft alle de edelste bij hem doen komen, geestelijk en wereldlijk. Zoals de paus, de patriarch, bisschoppen, koningen, hertogen en graven en vooral de 12 bondgenoten En toen ze bij hem in de zaal waren gekomen heeft koning Karel een stilte doen bieden en is opgestaan en zei: ‘Gij edele hoge vermogende baronnen, u is wel bekend dat ik zeer oud van dagen wordt en me deze pijnlijkheid van de wereld zwaar wordt als dat ik voortaan de wapens niet goed gebruiken mag nog de grote heerlijkheid en waardigheid daar ik in ben niet goed berechten mag vanwege de grote vermoeienis die daarin is. Daarom wil ik en begeer dat gij het bevestigt en volbrengt als dat ik mijn zoon Lodewijk overgeef mijn kroon en land en dat ge hem kroont en zet als geweldige koning en erfgenaam want hij een jonge dappere jongeling is.’ Toen sprak bisschop Tilpin voor al de heren en zei: ‘Heer koning, het is waar en het was wel mogelijk maar ik weerspreek dat want al is Lodewijk jong en mooi en tot redelijke ouderdom, het mag nochtans niet geschieden want uw hof is nog niet volmaakt.’ Toen sprak Karel met haastig gemoed: ‘Wie is hier ontbrekend: want ik heb hier binnen mijn hof de voornaamste edelste als geestelijke en wereldlijke van al christenrijk.’ Toen antwoorde bisschop Tilpin de koning weer en zei met lieve woorden: ‘Heer koning, ik zeg u voorwaar, hier ontbreekt een de vrijste en edelste man van de wereld en is van het hoogste geslacht en een vrij onbedwongen man want hij voert zijn goed van niemand te leen en was van u gebannen 16 jaren en 6 weken. Alzo dat hij menige overmoedige reis op uw volk deed met feiten van wapens want hij sloeg al dood en roofde en brandde in uw land, was het geestelijk of wereldlijk en dat goud daar men God mede dienden op het altaar dat sloeg hij zijn paarden onder hun voeten.’ En toen bisschop Tilpin zijn woerden geĎindigd had sprak koning Karel: ‘Dit is Aymyn de oude, die heeft me vaak menig verdriet en laster gedaan. Nochtans beken ik en weet dat hij won met de hand de doren koorn van onze Heer Jezus Christus die hem op zijn gebenedijde hoofd was gedrukt en hij won mede de nagels daar onze leive Heer mede aan het kruis genageld was door handen en voeten. En ik weet voor waar dat hij mijn dood gezworen heeft en al dat van mij gekomen is; ik zeg u eerlijk en ik beloof het God: kon ik iemand van mijn vrienden, verwanten of enige van mijn heren bevinden dat ze Aymyn enige hulp of bijstand deden, ik zou ze laten doden. Maar wist ik enige bode zo dapper, ik zou om Aymyn zenden en ik bid u, lieve heeer bisschop Tilpin, wil me hierin aanraden wat hier best in gedaan is, gij weet toch hoe het met me staat.’ De bisschop antwoorde de koning en zei: ‘Heer koning, de beste raad die ik weet dat is dat ge uw feest en hof doet verlengen 40 dagen en zendt terstond om Aymyn een bode met een brief inhoudende dat ge hem zweert vrede en vaste geleide op Sint Dionysius lichaam. En stel te borg dat te houden 12 de beste heren van uw rijk, al valt het u wat zwaar en verdrietig, het is nochtans het beste en eerlijkste gedaan.’ Toen koning Karel deze raad van bisschop Tilpin gehoord had leek het hem goed. En zei tot de bisschop: ‘Waar zou ik iemand vinden zo koen die zou durven aannemen de boodschap te doen?’ Toen sprak bisschop Tilpin: ‘Ik zal er vier kiezen die de last van de boodschap aannemen zullen en zullen het graag doen.’ Toen ging bisschop Tilpin en deed voor de koning komen de dappere Roelant, Willem van Oranje, Bertram en Bernaert. Toen ze voor de koning kwamen vroeg hij hem of ze de boodschap aannemen wilden, wat ze graag deden en gaf hen een sierlijk paard met kostbaar zadel, want dat zadel was al van goud en zijde en een kostbaar hoofdband die gracieus en zuiver was in het aanzien. Deze vier heren bereiden hen om te reizen en zaten op hun paarden die hen koning Karel gegeven had die goed waren. En toen ze te punte zaten en sierlijk opgemaakt wordt elk gebracht een rijke mantel en een twijg van olijf. Aldus reden deze vier edele heren met een blij gemoed en vrolijk hart zonder enig dralen nacht of dag en zo lang dat ze kwamen in Aymyn’ s land en zagen Pierlapont daar Aymyn op die tijd hof hield met al zijn vrienden en daar waren 30 dappere ridders. En Aymyn had de gewoonte: als hij hof plag te houden had hij altijd in zijn kasteel 700 man die altijd gewapend waren en goed voorzien van harnas. De uitnemendste van zijn volk de namen waar op dat kasteel tot Aymyn voor verraad of opzet. Zo gebeurde nadat de maaltijd gedaan was dat vrouwe Aye, die mooie vrouwe, was voor een venster van de zaal gaan staan en zag in een vallei komen rijdende de vier ridders. Toen ze hen gewaar werd komende rijdende merkte ze met grote vlijt en zorgvuldigheid wie ze wezen mochten: tenslotte herkende ze hen en zei in zichzelf: ‘En is de ene niet mijn neef graaf Roelant, de andere graaf Willem van Oranje, de derde een dappere ridder en heet Bertram, de vierde is heer Bernaert zo me lijkt: begeren ze hier te wezen, ik vrees dat ze in hun dood rijden; ik wou dat ze waren over duizend mijlen.’ Die edele vrouwe riep de portier en zei tot hem: ‘Ga haastig tot die vier heren die ginder komen en breng hen deze vier hoofdbanden: de beste geef mijn neef Roelant en zeg hem dat het zijn peter hem heeft gezonden die vrouwe is van dit land. En doe hun paarden te gemak en breng ze in de zaal: ze komen voor de overmoedigste man die in al de wereld is; ik vrees zeer voor hen lieden: ik wou wel dat ze van hier weg waren.’

 

 

Tot desen tiden sat Aymijn onder al sijn edele baroenen in scoon. ende costelic bliaut van groender side dat verciert was met menigen costeliken steen die seer genoechlic waren te sien ende hadde dat een been op dat ander geleit; bi hem in die sale saten vij hondert mannen gewapent ende reden om vechten. Aldus sat Aymijn met groter overmoet al hadde hi here geweest over al Kerstenrijc. hy was occ so ontsien onder sijn baroenen datter niemant en was, hoe hoge of hoe edel, de spreken dorste. ten was bi oerlove of wille van Aymyn. Die vier ridders dair ic voir of seide sijn gecomen in die sale ende teerst dat si in de sale quamen ende si Aymyn gheware worden hebben si hem met reverencie ghegroet ende al dat binnen der sale was. Dair en was niemant so stout in de sale die spreken dorst of seggen ‘welcoem’. Doe vielen die vier heren over haer knien voir Aymijns voeten, doe seide die grave Roelant met soeten woirden: ‘Edele grave Aymijn, wy comen tot u als boden gesent vanden coninc van Vrancrijc de ons bi u laet bidden dat ghi comen wilt tot Parijs ende cronen zijn sone Lodewijc. want hi en kent niemant [fol. 20] so edel of hoge geboren de hem sonder u mach spannen de croen ende heeft daer om zijn hof doen verlangen xl dagen.’ Aymijn anhorende die tale van Roelant en antwoerde hem niet. ende sweech stille ende en woude niet opsien mer al sijn bloet ver anderde in hem ende sijn verwe ontginc hem, so dat hi dicwil bleec wort als hi sijn vianden so voer hem sach staen: had hi se enichsins met eren mogen slaen, si en souden hem niet ontgaen hebben. Anderwerf seide Roelant: ‘Spreket tegen ons, edele grave Aymijn, dat bidden wi u vriendelic ende segt ons u meninge of gi Lodewijcke cronen wilt, want gi soudt op dusdaniger condicien antwoerde geven een misdadich of snode mensch.’ Aymijn en antwoirde noch niet ende sweech stille. Doe sagen die vier ridders op malcander seer droevich. Vrou Aye de edele vrouwe mercte dat ende nam een gouden scale ende goetse vol van den besten wijn ende seide: ‘Drinct neve Roelant, de edel wijn, ic wil huden u scencker gaerne wesen.’ Dair gaf si Roelant den scale ende dair na die ander drie heren dat si drincken souden ende hietse welcoem met een vrolick ghelaet. Dit belchde hem alte seer, Aymijn, daer hi sat. Do seide vrou Aye tot Aymijn: ‘Edel here, ic bid u vriendelic: wilt doch dese heren antwoerde geven want het sijn u selfs magen ende de beste van Kerstenrijc: dat gi nu swicht dats grote dorperheit.’ Als Aymyn dese woerden van vrou Ayen hoirde was hi met toerne ontsteken ende sloechse mitter aefscher hant dat si voer hem ter aerden nederviel ende dat bloet ten nasen ende ten monde wt scoet. Hierbi stonden de iiij. ridders als Roelant ende de ander drie ende waren seer verstoert van binnen dat si daer waren gecomen sonder wapenen. Si hieven vrou Ayen vander aerden ende als si tot haer selven quam. docht si in haer selven dat si de onminne breken woude van haer man ende seide: ‘Gi [fol.21] heren, ic en heb genen noot.’ Si dwoech haer selven van den bloede ende ginc met een vroliken ansichte tot Aymyn ende custen vriendelic an sinen mont ende omhelsden seggende: ‘Edel here, ic bid u vriendelic, geeft dese heren antwoirde.’ Als Aymyns toernigen moet began te vercoelen sprac hi tot hair seggende: ‘Gheminde vrouwe, wat mach ic antwoerden, wat mach ic seggen, ic seg u certein dat ic ben de ongevallichste man die ye ter werlt quam. Ende gi sijt dat ongevallichste wijf die ye lijf ontfinc.’ Doe antwoirde vrou Aye: ‘Waer om segdi dat, vercoren man?’ Aymyn seide: ‘Wairde vrou, ic mach wel seggen, want ic heb u meer dan xx. iaer gehadt ende God en verleende mi nie soveel gracien dat ic een kint hadde an u gewonnen dat mijn lant na mijn doot besitten mocht ende nu sal mijn lant comen an de gene die mijn doot viant is, want ic wetet wel voerwair dat hijt mijn vrienden ontweldigen sel als ic doot ben. Ende nu willen si begeren dat ic hem cronen sal, des ic niet doen en wil want ic hate hem mer dan den vader, want had ic yemant van sine vrienden begaen, ic soudese scaden daer ic mochte. Ende des gelijcs souden si mi mede doen, want worden si mi machtich dat si mi crigen, si souden mi doden.’ Doe seide vrou Aye: ‘Edele here, oft waer dat gi kinder had luttel of veel, soudise doden?’. Doe sprac Aymijn: ‘Wairde vrouwe, ic seg u certeyn, hadde ic kinder ic soudese voeden, ophouden ende liefhebben ende doen hem wes een vader schuldich is zijn kinder te doen.’ Doe seide dye edel vrou: ‘Voerwaer heer, so zijn de eden verloren de gi swoirt doen ic u eerstwerf besliep, als dat gi doden soudet alle die kinderen die ghi bi mi wont.’ Doe antwoirde Aijmijn ende seide: ‘Waerde vrouwe, verbolgen of bedwongen eden en zijn van geenre wairden; had ic kinder so mocht ic vrolic wesen, mer God betert: neen ic, dat mi leet is’. Doe sprac de edel vrou [fol.22] Aye: ‘Swert mi bi u ridderscap dat ghi u kinder vrede doen sult. lichte ghi sulter enige vinden.’ Als Aymijn dese woirden van vrou Aye hoirde hads hem vreemde, seggende: ‘Vrouwe des wil ic gairne doen mer ghi segt mi dat ic qualic gheloven mach want ic weet wel dat ic nie kinderen en wan an u, mijn edele vrouwe.’ Doen nam de edele vrou Aye den grave Aymijn bider hant ende seide: ‘Gaet met mi, ghi sultse sien.’ Aymijn verblide hem seer van die woerden de hi sijnder vrouwen hoerde spreken. ende stont op ende ginc mit hair. So als hi voerbi de voerseide ridders liden soude, groete hise elc bi namen ende hietse wellecoem; hi seide hi soude weder bi hem comen in de sale, dat si sijns ontbeiden, hi soude hem goede antwoirde gheven. mer hi most nu eerst gaen ende besien sijn kinder daer hem na verlangede, Als hi sijn woerden gheeyndt had, leyde hem die edele vrou voer een stenen camer daer si in waren. Doe bleef Aymijn een weinich voer de dore staen eer hi inginc; ter wijlen dat Aymijn voir de doere der camer stont, die iongelingen de daer binnen saten hier niet of wetende, so heeft Reinout geseit mit enen overmoedigen sinne (want hi stout ende onvervairt was): ‘Ondanc moet hebben de geen de hier is hofmeester ende drossaet ende dient ter tafelen van eten of drincken want wat gerechten dat hi hier brenct, hebben eerst op ander tafelen geweest ende sijnder of genomen ende wi en hebben gheen wijn de doech. had ic hier den bottelgier ende scenker ic segt u voerwaer, ic soudese slaen dat si nymmermeer op en stonden ende des nemmermeer doen en souden.’ Doe antwoirde de coene Adelaert Renout ende seide: ‘Broeder, ic bid u dat gi van dier talen op hout; wi seggen dat geen dat ons gelieft, ghi weet wel, dat ons moeder ons bevolen [fol.23] heeft dat wi stil wesen souden: al weten wi wie ons moeder is, wi en kennen onsen vader niet. want ons moeder en wilt ons niet seggen ende ic segt u certein: sloechdi Aymijns drossate bottelgier ende scencker, hi is so wreet ende homoedich van sinnen, hi soude u doen doden mitten alderhertsten doot die men man doen mochte. Gewapent volc hi altoes heeft inder salen ende opten castele: daer bi, broeder, laet sulcke woerden meer te spreken gi hebt onrecht.’ Als Reinout dese woirden van zyn broeder hoerde sprac hi met toernigen woede: ‘Soude mi doen doden Aymyn de oude grise hont, des moeste de duvel wouden. ic en gave om alle sijn gewapende luden niet een caf, ic soude hem so slaen met mijnre vuysten dat hi nemmermeer op en stonde.’ Dese woirden hoerde Aymyn dair hi voir de doere stont ende verblide hem dair om in sijn herte, seggende tot sijnre vrou: ‘Ic seg u voerwaer, dat kint es mijn, dat hore ic wel, mer vanden anderen twifelt mi.’ Doe sprac de grave Aymijn de stoute man: ‘Ic wil proven haren moet of si oec vroem sijn van herten.’ Hi heeft met sijn voet op de dore gestoten met sulcker cracht dat si ontween brac ende viel neder in de camer op die vloer. Reinout spranc op met groten haest ende mit dat Aymijn in de camer quam, werp hi hem over enen banc dat hi ter airden viel, seggende tot Aymijn: ‘Wat doetstu hier, du oude grisaert, ic seg u voirwair: wi hebben gegeten ende waerdi eer gecomen hier, gi mocht van onser caritate hebben genomen.’ Doe quamen de ander drie broeders toe gelopen: als dat Aymijn siende wert, so vervaerde hi hem dat hi ter aerden lach ende Reinout over hem stont mit een wreet aensicht, doen riep Aymijn mit groten haest ende seide: ‘Edele iongelingen, en wilt mi niet slaen. ic ben u vader ende ic sal u alle van avont ridders maken. [fol.24] Doe sprac Reinout: ‘Sidi onse vader, here oude grise, soe waer mi leet dat ic u had geslagen.’ Ten eerste so custe Aymijn Wridtsaert an sinen mont, daerna de stoute Adelairt ende Ridsaert. Ende als hi Reinout custe dructe hi zyn aensicht herde an tsine so dat Reinouts lippen bloeden: des was Reinout toernich ende seide: ‘Wat doetdi, here oude grise? Ic seg u, also helpe God, en waerdi mijn vader niet, so geschiet u evel: ic soude u slaen met mijnre vuyst, u sterf dach lage daer an. ’ Doe sprac Aymijn: ‘Soen, des ben ic blide dat gi die gracie hebt van Gode dat ghi nut daer toe sijt dat gi wapen dragen moget: ic sal u noch huden ridders maken.’ Doe sprac vrou Aye: ‘Edel here, wes si behoeven sullen van ridderliker wapen dat heb ic hem alle doen maken cierlic ende puntelic. Aldus so moechdi met groter eren riden met u kinderen tot mijns broeders hove want hi heeft u gesworen vrede ende dat gevestiget met. XII. die besten van kerstenrijc.’ Op dese woerden die vrou Aye sprac, sweech Aymijn. [fol.25]

Te deze tijd zat Aymyn onder al zijn edele baronnen in mooi en kostbaar kleed van groene zijde dat versierd was met menige kostbare steen die zeer genoeglijk waren te zien en had dat ene been op dat ander gelegd; bij hem in de zaal zaten 700 mannen gewapend en spraken om vechten. Aldus zat Aymyn met grote overmoed alsof was hij de heer geweest over al Christenrijk. Hij was ook zo ontzien onder zijn baronnen dat er niemand was, hoe hoog of hoe edel die spreken durfde, tenzij bij verlof of wil van Aymyn. De vier ridders daar ik voor van zei zijn gekomen in die zaal en ten eerste dat ze in de zaal kwamen en ze Aymyn gewaar worden hebben ze hem met reverentie gegroet en al dat binnen de zaal was. Daar was niemand zo dapper in de zaal die spreken durfde of zeggen ‘welkom’. Toen vielen die vier heren op hun knieĎn voor Aymyn’ s voeten en toen zei die graaf Roelant met lieve woorden: ‘Edele graaf Aymyn, we komen tot u als boden gezonden van de koning van Frankrijk die ons bij u laat bidden dat ge komen wil te Parijs en kronen zijn zoon Lodewijk want hij kent niemand zo edel of hoog geboren die hem, uitgezonderd u, mag opzetten de kroon en heeft daarom zijn hof doen verlengen 40 dagen.’ Aymyn hoorde de taal van Roelant aan en antwoorde hem niet en zweeg stil en wou niet opzien, maar al zijn bloed veranderde in hem en zijn kleur ontging hem zodat hij vaak bleek wordt als hij zijn vijanden zo voor hem zag staan: had hij ze enigszins met eer mogen slaan, ze zouden hem niet ontgaan zijn. Andermaal zei Roelant: ‘Spreek tegen ons, edele graaf Aymyn, dat bidden we u vriendelijk en zeg ons uw mening of ge Lodewijk kronen wil want ge zou op dusdanige conditie antwoord geven een misdadige of snode mens.’ Aymyn antwoorde nog niet en zweeg stil. Toen zagen de vier ridders op elkaar zeer droevig. Vrouwe Aye, de edele vrouwe, merkte dat en nam een gouden schaal en goot het vol van de beste wijn en zei: ‘Drink, neef Roelant, de edele wijn, ik wil heden uw schenker graag wezen.’ Daar gaf ze Roelant de schaal en daarna de andere drie heren dat ze drinken zouden en heet ze welkom met een vrolijk gelaat. Dit verbolg hem al te zeer Aymyn daar hij zit. Toen zei vrouwe Aye tot Aymyn: ‘Edele heer, ik bid u vriendelijk: wil toch deze heren antwoord geven want het zijn uw eigen verwanten en de beste van Christenrijk: dat ge nu zwijgt dat is grote dorpsheid.’ Toen Aymyn deze woorden van vrouwe Aye hoorde was hij met toorn ontstoken en sloeg haar met de  omgekeerde hand zodat ze voor hem ter aarde neerviel en dat bloed te neus en te mond uitschoot. Hierbij stonden de 4 ridders als Roelant en de andere drie en waren zeer verstoord van binnen dat ze daar waren gekomen zonder wapens. Ze hieven vrouwe Aye van de aarde en toen ze tot zichzelf kwam dacht ze in zichzelf dat ze de onmin breken wou van haar man en zei: ‘Gij heren, ik heb geen nood.’ Ze waste zichzelf van het bloed en ging met een vrolijk gezicht tot Aymyn en kuste hem vriendelijk aan zijn mond en omhelsde hem en zei: ‘Edele heer, ik bid u vriendelijk, geef deze heren antwoord.’ Toen Aymyn’ s vertoornde gemoed begon te verkoelen sprak hij tot haar en zei: ‘Beminde vrouwe, wat mag ik antwoorden, wat mag ik zeggen, ik zeg u zeker dat ik ben de onbehoorlijkste man die ooit ter wereld kwam. En gij bent dat onbehoorlijkste wijf die ooit lijf ontving.’ Toen antwoorde vrouwe Aye: ‘Waarom zeg je dat uitverkoren man?’ Aymyn zei: ‘Waarde vrouwe, ik mag dat wel zeggen want ik heb u meer dan 20 jaar gehad en God verleende me niet zoveel gratie dat ik een kind had aan u gewonnen dat mijn land na mijn dood bezitten mocht en nu zal mijn land komen aan diegene die mijn doodsvijand is, want ik weet het voorwaar dat hij het mijn vrienden ontweldigen zal als ik dood ben. En nu willen ze begeren dat ik hem kronen zal, dat ik niet doen wil want ik haat hem meer dan de vader want had hij iemand van zijn vrienden begaan, ik zou ze schaden daar ik mocht. En desgelijks zouden ze me mede doen want worden ze me te machtig dat ze me krijgen ze zouden me doden.’ Toen zei vrouwe Aye: ‘Edele heer, was het dat ge kinderen had, weinig of veel, zou ge ze doden?’. Toen sprak Aymyn: ‘Waarde vrouwe, ik zeg u zeker, had ik kinderen ik zou ze voeden, ophouden en liefhebben en doen hen wat een vader schuldig is zijn kinderen te doen.’ Toen zei die edele vrouwe: ‘Voorwaar heer, zo zijn de eden verloren de ge zwoer toen ik u de eerste maal besliep als dat ge doden zou al de kinderen die gij bij mij won.’ Toen antwoorde Aymyn en zei: ‘Waarde vrouwe, verbolgen of bedwongen eden zijn van geen waarden; had ik kinderen zo mocht ik vrolijk wezen, maar God betert: neen ik, dat me leed is’. Toen sprak die edele vrouwe Aye: ‘Zweer me bij uw ridderschap dat ge uw kinderen vrede doen zal, licht ge zal er enige vinden.’ Toen Aymyn deze woorden van vrouwe Aye hoorde was het hem vreemd en zei: ‘Vrouwe, dat wil ik graag doen, maar ge zegt me wat ik kwalijk geloven mag want ik weet wel dat ik geen kinderen won aan u, mijn edele vrouwe.’ Toen nam de edele vrouwe Aye de graaf Aymyn bij de hand en zei: ‘Ga met me, ge zal ze zien.’ Aymyn verblijde hem zeer van die woorden die hij zijn vrouwe hoorde spreken en stond op en ging met haar. Toen hij voorbij de voor vermelde ridders gaan zou groette hij ze elk bij zijn naam en zei ze welkom; hij zei hij zou weer bij hem komen in de zaal en dat ze op hem wachten, hij zou hen goed antwoord geven, maar nu moest hij eerst gaan en bezien zijn kinderen waar hij naar verlangde. Toen hij zijn woorden geĎindigd had leidde hem die edele vrouwe voor een stenen kamer daar ze in waren. Toen bleef Aymyn een weinig voor de deur staan eer hij er inging; terwijl dat Aymyn voor de deur van de kamer stond, de jongelingen die daar binnen zaten hier niets van weten, zo heeft Reinout gezegd met een overmoedige zin (want hij dapper en onvervaard was): ‘Ondank moet hebben diegene die hier is hofmeester en drost en dient ter tafel van eten of drinken want wat gerechten dat hij hier brengt zijn eerst op andere tafels geweest en zijn er afgenomen en wij hebben geen wijn genoeg. Had ik hier de bottelier en schenker ik zeg het u voorwaar, ik zou ze slaan dat ze nimmermeer opstaan en dat nimmermeer doen zouden.’ Toen antwoorde de koene Adelaert Reinout en zei: ‘Broeder, ik bid u dat ge van die taal ophoudt; we zeggen datgene dat ons belieft, ge weet wel dat onze moeder ons bevolen heeft dat we stil wezen zouden: al weten we wie onze moeder is we kennen onze vader niet. Want onze moeder wil het ons niet zeggen en ik zeg u zeker: sloeg ge Aymyn’ s drost, bottelier en schenker, hij is zo wreed en hoogmoedig van zin, hij zou u doen doden met de allerhardste dood die men man doen mocht. Gewapend volk hij altijd heeft in de zalen en op het kasteel: daarbij broeder, laat zulke woorden meer te spreken, ge hebt onrecht.’ Toen Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde sprak hij met toornige woede: ‘Zou me doen doden Aymyn de oude grijze hond, dat moest de duivel willen. Ik gaf om al zijn gewapende lieden niet een kaf, ik zou hem zo slaan met mijn vuisten dat hij nimmermeer opstond.’ Deze woorden hoorde Aymyn daar hij voor de deur stond en verblijde hem daarom in zijn hart en zei tot zijn vrouwe: ‘Ik zeg u voorwaar, dat kind is van mij, dat hoor ik wel, maar van de aderen twijfel ik.’ Toen sprak de graaf Aymyn de dappere man: ‘Ik wil beproeven hun moed of ze ook dapper van hart zijn.’ Hij heeft met zijn voet op de deur gestoten met zulke kracht dat het in twee brak en viel neer in de kamer op de vloer. Reinout sprong op met grote haast en met dat Aymyn in de kamer kwam wierp hij hem over een bank zodat hij ter aarde viel en zei tot Aymyn: ‘Wat doet u hier, u oude grijsaard, ik zeg u voorwaar: we hebben gegeten en was ge eerder gekomen hier, ge mocht van onze charitatief hebben genomen.’ Toen kwamen de andere drie broeders toe gelopen: toen dat Aymyn zag was hij zo bang dat hij ter aarde lag en Reinout over hem stond met een wreed aanzicht, toen riep Aymyn met grote haast en zei: ‘Edele jongelingen, wil me niet slaan, ik ben uw vader en ik zal u allen vanavond ridders maken. Toen sprak Reinout: ‘Bent ge onze vader, heer oude grijze, dan was het me leed dat ik u had geslagen.’ Ten eerste zo kuste Aymyn Writsaert op zijn mond, daarna de dappere Adelairt en Ritsaert. En toen hij Reinout kuste drukte hij zijn aanzicht hard aan de zijne zodat Reinout’ s lippen bloeden: dus was Reinout vertoornd en zei: ‘Wat doet ge, heer oude grijze? Ik zeg u, alzo help me God, was ge mijn vader niet zo geschiedt u euvel: ik zou u slaan met mijn vuist, uw sterfdag lag daaraan. ’ Toen sprak Aymyn: ‘Zoon, dus ben ik blijde dat ge de gratie hebt van God dat ge nuttig daartoe bent dat ge wapen dragen mag: ik zal u nog heden ridders maken.’ Toen sprak vrouwe Aye: ‘Edele heer, wat ze behoeven zullen van ridderlijke wapens dat heb ik hen alle doen maken sierlijk en tot de puntjes. Aldus zo mag ge met grote eer rijden met uw kinderen tot mijn broeders hof want hij heeft u gezworen vrede en dat gevestigd met 12 de besten van christenrijk.’ Op deze woorden die vrouwe Aye sprak zweeg Aymyn.

 

 

 

 

Dat VI. ca. Hoe dat die grave Aymijn zijn kinder ridders maecte ende hoe hi zijn ioncsten soen Reinout Volbeiert gaf ende dede hem dat beriden, dat veel heren ende ioncfrouwen aensaghen.

Als Aymijn in de sale was gecomen dede hi spreiden een groen laken van side ende liet sijn kinder voer hem comen ende Ridsaert quam eerst. Men brochtem twe vergulden sporen de costelic waren, die spiemen an zyn voeten ende Aymyn gorde hem dat swaert. ende deden knielen ende sloech hem inden hals segghende: ‘Staet op Ridsaert, weest cloec ende vroem ende helpt dat bloet wreken dat God voer ons an den cruce storte. ic hebbe hier voertijts seer overdadich geweest, dat berouwet mi nu seer. Aldus weest een goet ridder ende huesch in woerden ende in wercken Ic en geve u erve noch lant, gi en sultet metter hant selver winnen met u welsnidende swairt op de heiden ende ic sel u geven sulcke goeden als myn vader mi gegeven heeft: wat goet ic heb, en darf men mi niet vergonnen. want ict metten swairde gewonnen heb op de Turcken, Gods vianden, ende wes gi daer op moget winnen, moet u God te goede geven. Mer gi moet met mi te hove eer dat gi op heidenis vaert.’ Doe(t) liet Aymyn comen den degen Adelaert: hi brocht een swaert an zijn hals, zyn sporen waren hem gespannen die costelic waren ende goet. Aymijn gorde hem tswaert ende sloech hem inden hals seggende: ‘Peynst om Gode diemen inden hals sloech ende dat minlijc was verdragende vanden ioden om onse verlossinge. Ic segge u voer, tot ridderscap hoert vele diese eerlic dragen sel, ic en geve u tijtlic goet, burge noch castelen, gi en wintse met u vromicheyt op de heiden. ende Turcken: gi moet mede te hove met mi eer gi vaert op heidenis.’ Dair na maecte Aymijn Wridsaert ridder ende seide hem altgeen dat hi dander kinder geseit had; dat gedaen was liet hi Reinout comen die hoverdich [fol.26] was ende stout, sijn sporen waren hem gespannen ende hi was so lanc, doe hem Aymijn in den hals soude slaen, dat hi op een banc staen moste. Dat gedaen, seide Aymijn: ‘Reinout, stant op, ridder goet, ende hebt die moet van een espentijns want hi draecht carbonckel in sinen hoirnen, den seghe of vechtinge en verliest hi nemmermeer. Ic geve u allene, Reinout, Pierlepont Montagut ende Valkenstene: gi en selt niet laten sonder enich vermiden of toeven, gi sult altijt op de Turcken ende heiden vechten.’ Doe brochtmen dair vier scone orssen die goet waren ende genoechlic int scouwen; dat beste van vieren gaf men Reinout dat hi daer op te hove soude riden want het was een voet hoger dan de ander drie. Doe Reynout dat ors sach dochtet hem veel te clein: hi verhief zijn vuyst ende sloech dat ors dair mede tusschen sijn oren dattet voer hem ter aerden viel. Hi seide: ‘Vader, dit is een crancke gift want dit ors is mi vele te cranc ende te licht’. Doe de edel vrou Aye dit ansach verwondert hair ende seide: ‘Ghi soutse alle dootslaen die men u voerbrochte.’ Des balch hem Aymijn ende seide met toernigen moede: ‘Swiget mijn vrouwe, van dien woerden, laet Reinout minen soen proeven sijn cracht ende macht. Ic segge u voirwair ic woude datmen hem hondert voir brocht ende hise al doot sloege.’ Doen brocht men hem wter stal noch een ors dat hoger was dan dat ander dat sloech hi oec metter vuist doot. Dair na brochtmen hem dat derde dat seer groot was ende daer spranc die stoute Reinout op ende spranc dat ors de lenden in stucken dattet corts sterf. Als Aymijn dat sach was hi blide ende seide: ‘Sone Reinout en weest niet droevich. Ic weet u een paert ende hiet Beiaert, dat heeft die cracht van ix orssen ende staet in een starcke toren, dair en darf niemant biden orsse comen overmits sijn quaetheit: [fol. 27] dese Volbeiert is van een dromedrarius gecomen, het is so snel van lopen, al wairt dat een sparwer eerst wt zijnre muten quame ende so neder vloge dat die geen de op Beyaert sate hem reiken mochte, hi soude die sparwer sijn vederen corten al vliegende.’ Doe Reinout sijn vader dus hoirde prisen seide hi al lachende: ‘Vader, dat waer wel mijn paert.’ Doe sprac de edele grave Aymyn tot sijn soen: ‘Reinout, doet u wapen an u lichaem, dat rade ic u voirwair, want het is soe vreselic, ten laet hem niemant genaken. ende hevet een vreselic gebijt want het bijt stenen ghelic ander orssen hoy biten.’ Doe sprac Reinout de onvervairde: ‘Sal ic mi wapenen tegen een paert, het waer scande, wiet hoerde of sage, heren of ioncfrouwen.’ Doe sprac Aymijn: ‘Sone ic rade u dat gi u wapent want tors is groot fel ende starc.’ Als Reinout die woerden hoirde van sijn vader wapende hi hem in zijn volle hernas of hi ten stride gaen soude. Ende nam in sijn hant een stoc van een vame lanc ende ginc daer tors was; hem volgede veel ridders. ende ioncfrouwen om taensien hoet mit Reinout vergaen soude, sijn vader ende moeder volgeden mede, somwijlen lagen de ridders ende ioncfrouwen op ten muer. want si grote begeerte hadden te sien wat aventuere datter geschien sal. Doe hiet Aymijn datmen de stal ontslote ende seide tot Reinout: ‘Soen, dwinct dat orsse, ic salt di noch geven.’ Mit dien dat Aymijn de woerden tot Reynout sprac trat hi in die stal; als hi in was, sloet men de doere toe. Doe sach Reinout dat ors voer hem staen; dat ors sloech Reynout met een voet, daer hi stont, voer sijn hoeft dat hi al verdoeft viel ter aerden ende lach lange eer hi bequam. Vrou Aye dit siende, riep met groter haesten ende wranc haer handen seggende: [fol. 28] ‘Eylacen, mijn kint is doot.’ Doe sprac de edele grave Amyn: ‘Soene, dwinct het ors, ic gevet di want icx niemant bet en gan dan u.’ Die edele vrou Aye riep seer iammerlic: ‘Aylacen, hi is doot: siet wair hi leit.’ Aymijn sprac: ‘Swijcht vrou, is hi van minen bloede ende heb ic hem gewonnen, gi en dort niet twifelen hi en sals wel genesen.’ Onderdes bequam Reynout ende scaemde hem dat hi daer lach; hi hevet sinen stoc verheven ende meende Beyaert dair mede ter neder te slaen, des hem Beyaert benam ende nam Reinout in sinen mont bi den halsberch de hi scoirde ende werp Reynout voer hem inder crebben. Reinout sloech weder op Beyaert ende Beiaert werp Reinout op de aerde: had Reynout van scanden mogen doen, hi hadde wten stalle gelopen. Doe nam Reinout Beyaert bi den hals ende hieltet manlic ende sloeget ros mit vuysten. Aldus wrastelende vocht hi lange tegen Beyaert, als nu boven als nu onder vechtende, creech hi hem den breidel inden mont ende sprancker op mit twe scarpe sporen, doe deed men de staldore wide open. Ende elc de vloech op hoechten om te sien den loep ende sprongen van Volbeyert. Als Reinout met Beiaert quam optrume, gaf hi hem die sporen ende den toem ende satter op of hijer wt gewassen hadde geweest. Beiert was groet, starc ende snel ende droech Reinout over twe wide graften mit een spronc: elc graft was wel xl voet wijt. Aldus reet Reinout een lange stont wech ende weder dat hi mode was ende dat ros Beiert was seer besweet ende bloede vanden spoerslagen die hem Reynout gegeven had: doe bete Reynout die degen vanden orsse ende dwoecht vanden bloede. Die vrouwen ende ioncfrouwen quamen vander muer om Beiert te sien, doe sprac de coene wigant: ‘Dit ors en gave ic om geen goet.’ Beiaert stont voir hem ende beefde ende leide [fol. 29] zyn voeten te samen ende neech Reinout toe ende hi wennede dat ors datter een kint mocht om gaen spelen sonder misdoen. Het was pickswart, manen ende al datter aen was, voren wast wide ende seer breet over de hoepen. Reynout deder toe maken een costelic gereide, als toem, voerbuych ende couvertuerde ende een costelick sadel met vier siden daregaerden die seer ghenoechlijc waren om sien.

Dat VI kapittel. Hoe dat de graaf Aymyn zijn kinderen ridders maakte en hoe hij zijn jongste zoon Reinout Beiaard gaf en deed hem dat berijden dat veel heren en jonkvrouwen aanzagen.

Toen Aymyn in de zaal was gekomen deed hij spreiden een groen laken van zijde en liet zijn kinderen voor hem komen en Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee vergulden sporen die kostbaar waren en die spande men aan zijn voeten en Aymyn omgordde hem dat zwaard en deed hem knielen en sloeg hem in de hals en zei: ‘Sta op Ritsaert, wees kloek en dapper en help dat bloed te wreken dat God voor ons aan het kruis stortte, ok ben hier vroeger zeer overdadig geweest wat me nu zeer berouwt. Aldus wees een goede ridder en hoffelijk in woorden en in werken. Ik geef u erve nog land, ge zal het met de hand zelf winnen met u goed snijdende zwaard op de heidenen en ik zal u geven zulke goed zoals mijn vader mij gegeven heeft: wat goed ik heb durft men mij niet gunnen. Want ik het met het zwaard gewonnen heb op de Turken, Gods vijanden, en wat ge daarop mag winnen moet u God te goede geven. Maar ge moet met mij te hof eer dat ge op de heidenen vaart.’ Toen liet Aymyn komen de degen Adelaert: hij bracht een zwaard aan zijn hals, zijn sporen waren hem gespannen die kostbaar waren en goed. Aymyn omgordde hem het zwaard en sloeg hem in de hals en zei: ‘Peinst om God die men in de hals sloeg en dat beminnelijk verdroeg van de Joden om onze verlossing. Ik zeg u voorts tot ridderschap behoort veel die ze eerlijk dragen zal, ik geef u tijdelijk goed, burcht nog kastelen, ge wint ze met uw dapperheid op de heidenen en Turken: ge moet mede te hof met mij eer ge vaart op heidenen.’ Daarna maakte Aymyn Ritsaert ridder en zei hem al hetgene dat hij de andere kinderen gezegd had; dat gedaan was liet hij Reinout komen die hovaardig was en dapper, zijn sporen waren hem gespannen en hij was zo lang, toen hem Aymyn in de hals zou slaan dat hij op een bank staan moest. Dat gedaan, zei Aymyn: ‘Reinout, sta op ridder goed en heb de moed van een eenhoorn want het draagt een karbonkel in zijn horen, de zege of gevecht verliest het nimmermeer. Ik geef u alleen, Reinout, Pierlapont Montagut en Valkensteen: ge zal het niet laten zonder enig vermijden of toeven, ge zal altijd op de Turken en heidenen vechten.’ Toen bracht men daar vier mooie paarden die goed waren en genoeglijk in het aanschouwen; de beste van de vier gaf men Reinout dat hij daarop te hof zou rijden want het was een voet hoger dan de andere drie. Toen Reinout dat paard zag dacht het hem veel te klein: hij verhief zijn vuist en sloeg dat paard daarmee tussen zijn oren zodat het voor hem ter aarde viel. Hij zei: ‘Vader, dit is een zwakke gift want dit paard is me veel te zwak en te licht’. Toen de edele vrouwe Aye dit aanzag verwonderde het haar en zei: ‘Gij zou ze alle doodslaan die men u voortbracht.’ Dus verbolg hem Aymyn en zei met vertoornd gemoed: ‘Zwijg mijn vrouwe, van die woorden, laat Reinout mijn zoon beproeven zijn kracht en macht. Ik zeg u voorwaar ik wou dat men hem honderd voor bracht en hij ze alle dood sloeg.’ Toen bracht men men hem uit de stal nog een paard dat hoger was dan dat andere en dat sloeg hij ook met de vuist dood. Daarna bracht men hem dat derde dat zeer groot was en daar sprong die dappere Reinout op en sprong zodat paard de lendenen in stukken zodat het gauw stierf. Toen Aymyn dat zag was hij blijde en zei: ‘Zoon Reinout wees niet droevig. Ik weet u een paard en heet Beiaard, dat heeft de kracht van 9 paarden en staat in een sterke toren en daar durft niemand bij het paard te komen vanwege zijn kwaadheid. Deze Beiaard is van een dromedaris gekomen, het is zo snel van lopen, al was het dat een sperwer eerst uit zijn kooi kwam en zo laag vloog dat diegene die op Beiaard zat hem aanreiken mocht, hij zou de sperwer zijn veren korten al vliegende.’ Toen Reinout zijn vader aldus hoorde prijzen zei hij al lachende: ‘Vader, dat was wel mijn paard.’ Toen sprak de edele graaf Aymyn tot zijn zoon: ‘Reinout, doe uw wapen aan uw lichaam, dat raad ik u aan voor waar, want het is zo vreselijk het laat zich niemand genaken en heeft een vreselijk gebit want het bijt stenen gelijk andere paarden hooi bijten.’ Toen sprak Reinout de onvervaarde: ‘Zal ik me wapenen tegen een paard, het was schande wie het hoorde of zag, heren of jonkvrouwen.’ Toen sprak Aymyn: ‘Zoon, ik raad u aan dat ge u wapent want het paard is groot, fel en sterk.’ Toen Reinout de woorden hoorde van zijn vader wapende hij hem in zijn volle harnas of hij ten strijde gaan zou. En nam in zijn hand een stok van een vaam lang en ging daar het paard was; hem volgde veel ridders en jonkvrouwen om aan te zien hoe het met Reinout vergaan zou. Zijn vader en moeder volgden mede, soms lagen de ridders en jonkvrouwen op de muur want ze grote begeerte hadden te zien wat avontuur dat er geschieden zou. Toen zei Aymyn dat men de stal opende en zei tot Reinout: ‘Zoon, dwing dat paard, ik zal het u nog geven.’ Met die dat Aymyn de woorden tot Reinout sprak trad hij in de stal; toen hij in was sloot men de deur toe. Toen zag Reinout dat paard voor hem staan; dat paard sloeg Reinout met een voet daar hij stond voor zijn hoofd zodat hij al verdoofd viel ter aarde en lag lang eer hij bijkwam Vrouwe Aye dit ziende, riep met grote haast en wrong haar handen zeggende: ‘Eilaas, mijn kind is dood.’ Toen sprak de edele graaf Amyn: ‘Zoon, dwing het paard, ik geef het u want ik het niemand beter gun dan u.’ Die edele vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: ‘Eilaas, hij is dood: ziet waar hij ligt.’ Aymyn sprak: ‘Zwijg vrouwe, is hij van mijn bloed en heb ik hem gewonnen, ge behoeft niet te twijfelen, hij zal wel genezen.’ Ondertussen bekwam Reinout en schaamde hem dat hij daar lag; hij heeft zijn stok verheven en meende Beiaard daarmee te neer te slaan, dat hem Beiaard benam en nam Reinout in zijn mond bij de maliĎnkolder die hij scheurde en wierp Reinout voor hem in de kribbe. Reinout sloeg weer op Beiaard en Beiaard wierp Reinout op de aarde: had Reinout van schande mogen doen, hij was uit de stal gelopen. Toen nam Reinout Beiaard bij de hals en hield het mannelijk en sloeg het ros met de vuisten. Aldus worstelende vocht hij lang tegen Beiaard, als nu boven en als nu onder vechtende kreeg hij hem de breidel in de mond en sprong er op met twee scherpe sporen, toen deed men de staldeur wijd open. En elke die vloog op hoogtes om te zien de loop en sprongen van Beiaard. Toen Reinout met Beiaard kwam op de ruimte gaf hij hem de sporen en de toom en zat er op of hij er uitgegroeid was geweest. Beiaard was groot, sterk en snel en droeg Reinout over twee wijde grachten met een sprong: elke gracht was wel 40 voet wijd. Aldus reed Reinout een lange stonde heen en weer totdat hij moede was en dat ros Beiaard was zeer bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had: toen ging Reinout die degen van het paard en waste het van het bloed. De vrouwen en jonkvrouwen kwamen van de muur om Beiaard te zien, toen sprak de koene strijder: ‘Dit paard geef ik om geen goed weg.’ Beiaard stond voor hem en beefde en legde zijn voeten tezamen en neeg Reinout toe en hij wendde dat paard zodat er een kind mocht mee gaan spelen zonder misdoen. Het was pikzwart, manen en al dat er aan was, van voren was het wijd en zeer breed over de heupen. Reinout deed er toe maken een kostbaar benodigdheden als gereide als toom, voorbuik en bedekking en een kostbaar zadel met vier zijden daaraan gemaakt zie zeer genoeglijk waren om te zien.

 

 

 

Dat VII. ca. Hoe de grave Aymyn met siin kinderen te hove quam ende hoe hi ontfangen was van coninc Karel ende hoe Lodewijc, coninc Karels soen, gecroent was van Vrancrijc ende hiet sinen drossaet ende sinen coc datmen Aymijns kinder niet en gave teten ende sinen camerlinc datmen hem geen bedden en gave op te leggen ende hoe hy alle sijn heren beghifte sonder Aymijns kinderen gaf hi niet.

Die grave Aymijn met sijn vier kinderen gereide hem om te hove te varen. ende wapende hem of si souden te stride varen, voersagen hem wes hem van node was ende al zijn volc. [fol. 30] des verwondert menich mensce dat Aymijn ende sijn kinder met sijn volc so gewapent reden want haer paerden waren overdect ende versien van al dat daer toe behoirt. Dair reet mede de grave Roelant, heer Willem, Barnaert ende Bertram ende reden te hove waert: si reden so lange dat si te Senlis quamen. ende van daen reden si te Parijs. Reynout sat alleen op Beiaert, de aerde droende daer hi reet ende dat vier spranc wten stenen daer Beyaert over liep, zijn broederen saten alle op andere paerden ende hadden hare bannieren ontwonden so si eerlicste conden. Aldus genaecten si den hove met grote love ende eren. Als coninc Karel vernam dat Aymijn bi Parijs quam met sijn volc al gewape[nt], sende hi hem enen bode, seggende Aymijn, dat hem coninck Karel badt dat hi hem mit sijn volc ontwapende, twelc Aymyn doir bede van coninc Karel also gedaen heeft. Coninc Karel gareide hem mit sijn volc om Aymijn te gemoet te trecken ende vriendelijc te ontfangen. Dit toernde seer Lodewijc ende seide tot sinen vader: ‘Suldi nu yegen trecken den genen die u haet ende doot viant is ende u soude crencken, mocht hi?’ Doe seide coninc Karel: ‘Swijcht soen Lodewijc, ic wil datmen de twiste versoene ende vrede make: het heeft lange genoech ghestaen; nu gereet u mede sonder merren, ghi moet mede varen sien u neven ende gruetense minlic.’ Coninc Karel badt al sijn edele baroenen, vrouwen ende ioncfrouwen, dat si mit hem togen tegen Aymijn van Pierlepont om hem eerlijc te ont vangen. Si antwoerden alle den coninc dat sijt gaerne daden. Aldus togen si mitten coninck Aymijn te gemoet heerlic op geseten ende wel toe gemaect so cierlic ende constelic als elc conde beide van heren ende ioncfrouwen. Doe Aymyn bi coninc Karel quam ontfincken die coninc blidelijc ende hieten vriendelic [fol. 31] welcoem mit sijn kinderen ende al zijn volc; des danckede Aymijn die coninc met soeten woerden, mer Lodewijc en sprack Aymijn noch sijn kinder niet toe ende sweech stil. Dit was teerst in. xxxij. iaren dat de coninc Aymijn onghewapent had gesien. Roelant bat den coninc dat hi Aymijn hovescheliken ontfinge ende badts Lodewijc mede, daer Lodewijc op antwoerde: hi en hadde mit Aymyn of sine kinderen niet te doen. Doe seiden de baroenen ende ioncfrouwen tot malcanderen onderlinge: ‘Is dat Aymijns sone Reynout? het is een die manlicste ende scoenste iongelinc diemen vonde in al kerstenrijc.’ Dat hoerde Lodewijc ende het toernde hem seer want hi was die scoenste iongelinc naest Reinout die men vinden mochte mer Reinout was een voet langer, manliker ende scoone van huyt ende hi sat opt beste ors dat in de werlt was. Hoert hoe sotlijc ende verweent dat Lodewijc sprac ende seide: ‘Waer hoerdemen ye seggen enigen mensche dat Aymijn kinderen had of waen sijn kinderen gecomen waren? mer hi heeftse gehuert ende om dattet scoon iongelingen sijn heeft hi doen seggen dattet sijn kinderen sijn: ic sal proeven in corter tijt of Reynout mijn maech is of niet’. Dit dus seggende, reet Lodewijc tot Reynout ende gruete Reinout seggende: ‘Neve, God geve u goeden dach’ ende Reinout seide: ‘neve, des moet u God lonen.’ Ende als si malcander gegruet hadden seide Lodewijc tot Reinout: ‘Neve, gevet mi dat paert daer gi op sidt, men prijstet seer, ic sals u dancken.’ Reynout antwoirde: ‘Voerwair seg ic u, soude ic dit paert yemant geven ic gavet u. Ic wil u gaerne dienen met minen live mer dit paert en staet mi niet of, het is mi so suer geworden eer ict creech ende oec mede en mach mi geen ander paert dragen’. Als Lodewijc dit hoerde van [fol. 32] Reinout was hi toernich ende [sei]de: ‘Wat is van ruden ende groven gheslacht, is ongewoene des gevens. Mer ic seg u als ic sidt in mynre maiesteit ende gecroent sal wesen ende ic elcken begiften sal, so en sal ic u niet geven.’ Reinout wert toernich als hi dit Lodewijc hoerde spreken ende seide weder: ‘Ghif dijne giften den genen diet van node is. ic en heb dijn ghiften niet te doen, want mijn vader goets genoech heeft dat ics niet te doen en heb.’ Ende doe dese woerden geeyndt waren gingen si in een lustelike boemgaert dair coninc Karel plach te dingen; daer was alrehande spel ende solaes. men scaecter, men scermder, daer saten vrouwen ende ioncfrouwen, men hantierde dair niet dan vroechde. elc verloes den tijt eer hijt wiste. Ende alst maeltijt was dat men soude gaen eten, beval Lodewijc dat men Aymijns kinder geen eten voer en sette. Dese woerden hoerde menich edel man, men gaf water als dat betaemde: eerst die paeus patriach cardinal ende de bisscop ende daer na de coninc ende die coninginne ende elc na zijnre waerde worde daer gestelt ter tafelen. Ende Aymijns kinder settemen in een hoec daer die honden haer ganc meest was, als dat de honden hem dicwil hinderlic waren. Dair worde eerlic ter tafelen gedient van spijs ende dranc mer Aymijns kinderen en quam niet. Si souden wel ghegheten hebben hadden sijt gehadt, si sagen op malcanderen ende waren toernich. Doe seide Reinout met toernigen moede. ende swoer dat hi spijs halen soude wient leet of lief waer. Reynout stont op ende liep in de coeken met verstoerden sinnen ende stac de dore met een voet dat si op spranc. hi nam vij. scuttelen met spijs. Die coc dit siende woudet Reynout benemen ende seide tot Reinout: ‘Laet staen in duvels name.’ Reinout wort toernich ende stac de coc met een voet dat hi [int] vier storte, die [fol. 33] coc hielt Reinout nochtan bi sijn cleder ende wilden niet laten gaen: doe verhief Reinout zijn vuyst ende sloech den coc dair me dat hoeft in stucx dat hi doot ter aerden viel. Reinout ginc mit die spise daer zijn broeders saten seggende: ‘Broeders hier is genoech van als wat.’ Doe quam clacht voir den coninc dat sijn coc was doot geslagen. Hi vraechde wiet gedaen hadde; si antwoirden: ‘Aymijns sone Reynout.’ Doe sprac coninc Karel. ende loech: ‘Dat hi den cock doot sloech, des is hi dancs waerdich: ic sach selver wel dat si niet teten en hadden, de iongelingen, daer si saten ende hem en is nye niet gebrocht ende hier eet doch so menich man. God verwate den coc dat hi daer tegen was dat hi spijse nam: hi heeft sijn rechte loen, dese iongelingen sijn mijn magen, ic en wilse niet verdriven ende houden vreemde luden voer hem. Ic seg voirwaer, ten staet mi op een coc niet: wil icker een mi coemter tien, wes daer an misdaen is dat neem ic op mi.’ Als si dit hoerden vanden coninc, de over Reinout claechden, swegen ende gingen wech. Doe quam een die daer broot brochte ende gaf Reinout genoech wes hi wilde, daer na quam die de wijn scencte ende seide tot Reinout: ‘Here, wildi yet wat wijn dat gi wilt, ic salse u geven.’ Aldus diende men Aymyns kinder eerlic, dit toernde Lodewijck alte seer. Hier en binnen quam de drossaet die dair diende vanden gerechten, op Reinout dat hi loech. Ende seide: ‘Ioncman, gi hebt misdaen: bestonde onse coc mi yet. ic seg u voerwaer ic soude u slaen dair om, want gi hebt hem geslegen doot, des en hebdi geen danc.’ Reynout sprac totten drossate: ‘Gi en sijt niet vroet, gi dreycht te veel sonder misdoen: sloechdi mi, dair lage aen u doemsdach.’ Doe wort de drossat toirnich ende seide: ‘Dat wort geproeft, al waerdi noch so stout!’ Een stoc dat hi ophief [fol. 34] ende sloech na Reinout. Als Reynout dat sach scoet hi op ende scutte den slach met sinen arm. Sijn vuyst verhief hi ende sloech den drossaet dat hi doot voer hem ter aerden storte want Reinout was toernich ende stiet dat lichaem vanden drossaet doot voir hem lach met een voet ende mit sulcker nijt dattet een stuc weges inder salen rolde. Dit sach coninc Karel daer hi sat ende seide: ‘Ic sie wel, de dair de overdaet doet, dat hi toirnich is.’ Lodewijc sprac: ‘Heer vader, dunctet u goet? gi sijt here vanden lande: corrigeert gijs niet, men sal u seggen lachter ende blaemt.’ Doe quam men daer clagen den keiser dat sijn drossat doot waer; nochtan geboet de coninc vrede, datter niemant soe koen en waer de Reinout misdede: doe en wasser niemant meer so stout de hem teghen Reinout setten dorst, doe hietmen voert comen de speelluden die solaes conden maken om te vervroechden de daer over de tafelen saten. Alsmen sou gaen slapen beval Lodewijc sinen camerlinc datmen elc voersage van bedden sonder Aymijns kinder, datmen die wijsde een banc daer op slapen souden: de camerlinc dede als hem Lodewijc beval. Als Reinout dit sach wert hi toernich endeseide tot sijn broeders: ‘Ic wedde wi noch tavont sullen hebben de beste bedden.’ Doe di heren ende knechten al te samen te bedde waren ende begonden te slapen, nam Reinout een halsberch ende began so vreselic te slane op die geen die te bedde waren dat si waenden niet en tijts wech te comen, so dat si vielen over malcander, ya tkint over den vader, deen vrient over die ander, wie eerst wech conde comen was de beste, also dat Reynout ledich vant wel xxx. bedden ende leide zijn broeders op tscoenste bedde dat hi in Lodewijcx huse vant. Die ghene die van haer bedde verdreven waren, som half gecleet som bi na naect, claechdet den coninc hoe si ghevaren hadden [fol. 35] ende wiet hem gedaen hadde ende baden hem dat hijt corrigeren soude. Als de coninc dit hoerde seide hi met toernigen moede: ‘Ghi doet qualic ende het is groot scande dat gi alle claecht over een man. ic en doe daer geen iustici over.’ Als si dat hoirden waren si droevich ende gingen wech ende lagen dair si mochten. Reinout ende sijn broeders sliepen mit vrijer herten ter tijt toe dat hem de dach scoon verbaerde. Doe stonden si met gemaken op, elc cledede hem ende als si gecleet waren gingen si tot conincs hove ende de coninc quam hem te gemoete met menigen edelen man ende woude gaen tot sijn soen Lodewijc. Dye coninc hadde bi hem xxx bisscopen, ix gecroende coningen, xii. hertogen ende ginc tot Lodewijc ende Aymijns kinder ghingen mede. Doe coninc Karel quam tot Lodewijcs camer seide hi: ‘Soen staet op, het is tijt, u sal huden grote eer geschien.’ Mettien rechten Lodewijc op. ende seide: ‘Sijt welcoem, heer vader, ende gi heren alle gader.’ Daer na sprac coninc Karel tot sijn soen Lodewijc mit een bliden ansichte: ‘Sone, ic sal u noch huden geven mijn crone ende mijn lant ende maken u heer over al Kerstenrijc’. Doe seide Lodewijc: ‘Heer vader, dat si ter goeder tijt, gebenedijt si God daer of dat hi mi vercoren heeft tot sulcken staet.’ Die grave Aymijn hulp Lodewijc cleden ende Tulpijn de aertsch bisschop mede; nochtans diende hem menich man want twe coningen vesten hem sijn mouwen. ende twe bisscopen. Doe vraechde coninc Karel den grave Aymijn dat hi bade zijn kinderen of si enige officien dienen wouden elc na haer mogentheit ende goetwillicheit, welcke diensten si gaerne ontfangen wilden ende daertoe dancken ende eer bewisen den coninc seer hoechlic. Doe hiet de coninc datmen Reinout maecte bottelgier ende Adelaert drossaert ende Ridsaert dat hi voerden coninc dienden ende [fol. 36] Wridsaert voer de bisscopen.

Dat VII kapittel. Hoe de graaf Aymyn met zijn kinderen te hof kwam en hoe hij ontvangen was van koning Karel en hoe Lodewijk, koning Karel’ s zoon, gekroond was van Frankrijk en zei zijn drost en zijn kok dat men Aymyn’ s kinderen niet gaf te eten en zijn kamenier dat men hem geen bedden gaf op te liggen en hoe hij al zijn heren begiftigde, maar Aymyn’ s kinderen gaf hij niet.

De graaf Aymyn met zijn vier kinderen bereiden hen om te hof te varen en wapenden hen of ze zouden te strijd varen, voorzagen zich wat hen van node was en al zijn volk. Dus verwonderde menig mens dat Aymyn en zijn kinderen met zijn volk zo gewapend reden want hun paarden waren overdekt en voorzien van al dat daartoe behoort. Daar reed mee de graaf Roelant, heer Willem, Barnaert en Bertram en reden te hof waart: ze reden zo lang dat ze te Senlis kwamen en vandaar reden ze te Parijs. Reinout zat alleen op Beiaard, de aarde dreunde daar hij reed en dat vuur sprong uit de stenen daar Beiaard over liep, zijn broeders zaten alle op andere paarden en hadden hun banieren ontwonden zo ze het eerlijkste konden. Aldus genaakten ze het hof met grote lof en eer. Toen koning Karel vernam dat Aymyn bij Parijs kwam met zijn volk al gewapend zond hij hem een bode en zei tot Aymyn dat hem koning Karel bad dat hij hem met zijn volk ontwapende, wat Aymyn door bede van koning Karel alzo gedaan heeft. Koning Karel bereide hem met zijn volk om Aymyn tegemoet te trekken en vriendelijk te ontvangen. Dit vertoornde zeer Lodewijk en zei tot zijn vader: ‘Zal ge nu tegemoet trekken diegene die u haat en doodsvijand en u zou krenken, mocht hij?’ Toen zei koning Karel: ‘Zwijg zoon Lodewijk, ik wil dat men de twist verzoent en vrede maakt: het heeft lang genoeg gestaan; nu bereidt u mede zonder dralen, ge moet mee varen en zien uw neven en begroeten ze beminnelijk.’ Koning Karel bad al zijn edele baronnen, vrouwen en jonkvrouwen dat ze met hem trokken naar Aymyn van Pierlapont om hem eerlijk te ontvangen. Ze antwoorden allen de koning dat zij het graag deden. Aldus trokken ze met de koning Aymyn tegemoet, heerlijk opgezeten en goed toegemaakt en zo sierlijk en kunstig als elk kon, beide van heren en jonkvrouwen. Toen Aymyn bij koning Karel kwam ontving hem de koning blijde en zei hem vriendelijk welkom met zijn kinderen en al zijn volk; dus bedankte Aymyn de koning met lieve woorden, maar Lodewijk sprak Aymyn nog zijn kinderen niet toe en zweeg stil. Dit was ten eerste in 32 jaar dat de koning Aymyn ongewapend had gezien. Roelant bad de koning dat hij Aymyn hoffelijk ontving en bad het Lodewijk mede daar Lodewijk op antwoorde: hij had met Aymyn of zijn kinderen niets te doen. Toen zeiden de baronnen en jonkvrouwen tot elkaar onderling: ‘Is dat Aymyn’ s zoon Reinout? Het is een van de mannelijkste en mooiste jongelingen die men vindt in al christenrijk.’ Dat hoorde Lodewijk en het vertoornde hem zeer want hij was de mooiste jongeling naast Reinout die men vinden mocht, maar Reinout was een voet langer, mannelijker en mooi van huid en hij zat op het beste paard dat in de wereld was. Hoort hoe zot en verwend dat Lodewijk sprak en zei: ‘Waar hoorde men ooit zeggen van enige mens dat Aymyn kinderen had of waarvan zijn kinderen gekomen waren? Maar hij heeft ze gehuurd en omdat het mooie jongelingen zijn heeft hij doen zeggen dat het zijn kinderen zijn: ik zal beproeven in korte tijd of Reinout mijn verwant is of niet’. Dit aldus zeggende reed Lodewijk tot Reinout en groette Reinout en zei: ‘Neef, God geeft u goede dag’ en Reinout zei: ‘neef, dus moet u God belonen.’ En toen ze elkaar gegroet hadden zei Lodewijk tot Reinout: ‘Neef, geef me dat paard daar ge op zit, men prijst het zeer, ik zal het u bedanken.’ Reinout antwoorde: ‘Voor waar zeg ik u, zou ik dit paard iemand geven, ik gaf het u. Ik wil u graag dienen met mijn lijf, maar dit paard sta ik niet af, het is me zo zuur geworden eer ik het kreeg en ook mede mag me geen ander paard dragen’. Toen Lodewijk dit hoorde van Reinout was hij vertoornd en zei: ‘Wat is van teven en grof geslacht komt is het ongewoon dat geven. Maar ik zeg u als ik zit in mijn majesteit en gekroond zal wezen en elk begiftigen zal zo zal ik u niets geven.’ Reinout werd vertoornd toen hij dit Lodewijk hoorde spreken en zei weer: ‘Geef uw giften diegene die het van node is. Ik heb uw giften niet nodig want mijn vader goed genoeg heeft zodat ik het niet nodig heb.’ En toen deze woorden geĎindigd waren gingen ze in een lustige boomgaard daar koning Karel plag te dingen; daar was allerhande spel en solaas, men schaakte er, men schermde, daar zaten vrouwen en jonkvrouwen, men hanteerde daar niets dan vreugde. Elk verloor de tijd eer hij het wist. En toen het maaltijd was dat men zou gaan eten beval Lodewijk dat men Aymyn’ s kinderen geen eten voor zette. Deze woorden hoorde menige edelman, men gaf water zoals dat betaamde: eerst de paus, patriarch, kardinaal en de bisschop en daarna de koning en de koningin en elk naar zijn waarde worden daar gesteld ter tafel. En Aymyn’ s kinderen zetten zich in een hoek daar de honden hun gang meest was, als dat de honden hen vaak hinderlijk waren. Daar wordt eerlijk ter tafel bediend van spijs en drank, maar Aymyn’ s kinderen kwam niets. Ze zouden wel gegeten hebben hadden zij het gehad, ze keken naar elkaar en waren vertoornd. Toen zei Reinout met vertoornd gemoed en zwoer dat hij spijs halen zou wie het leed of lief was. Reinout stond op en liep in de keuken met verstoorde zin en stak de deur met een voet zodat het ppen sprong. Hij nam 7 schotels met spijs. De kok dit ziende wou het Reinout benemen en zei tot Reinout: ‘Laat staan in duivels naam.’ Reinout word toornig en stak de kok met een voet zodat hij in het vuur stortte, de kok hield Reinout nochtans bij zijn kleren en wilde hem niet laten gaan: toen verhief Reinout zijn vuist en sloeg de kok daarmee dat hoofd in stukken zodat hij dood ter aarde viel. Reinout ging met de spijs daar zijn broeders zaten zeggende: ‘Broeders, hier is genoeg van alles wat.’ Toen kwam een klacht voor de koning dat zijn kok was dood geslagen. Hij vroeg wie het gedaan had;’ ze antwoorden: ‘Aymyn’ s zoon Reinout.’ Toen sprak koning Karel en lachte: ‘Dat hij de kok dood sloeg, dus hij is dank waardig: ik zag zelf wel dat ze niets te eten hadden de jongelingen daar ze zaten en hen is niets gebracht en hier eet toch zo menige man. God verweet de kok dat hij daartegen was dat hij spijs nam: hij heeft zijn rechte loon, deze jongelingen zijn mijn verwanten, ik wil ze niet verdrijven en houden vreemde lieden voor hen. Ik zeg voorwaar, het staat me op een kok niet: wil ik er een, me komen er tien, wat daaraan is misdaan dat neem ik op me.’ Toen ze dit hoorden van de koning die over Reinout klaagden zwegen ze en gingen weg. Toen kwam een die daar brood bracht en gaf Reinout genoeg wat hij wilde, daarna kwam die de wijn schonk en zei tot Reinout: ‘Heer, wilde ge iets wat wijn dat ge wil, ik zal het u geven.’ Aldus bediende men Aymyn’ s kinderen eerlijk, dit vertoornde Lodewijk al te zeer. Hierbinnen kwam de drost die daar diende van de gerechten, op Reinout dat hij lachte. En zei: ‘Jonge man ge hebt misdaan: bestond ge onze kok me iets, ik zeg u voor waar ik zou u slaan daarom want ge hebt hem geslagen dood, dus heb je geen dank.’ Reinout sprak tot de drost: ‘Ge bent niet verstandig, ge dreigt teveel zonder misdoen: sloeg ge me, daaraan lag uw doemsdag.’ Toen wordt de drost toornig en zei: ‘Dat wordt beproefd, al was je nog zo dapper!’ Een stok die hij ophief  en sloeg naar Reinout. Toen Reinout dat zag schoot hij op en behoedde de slag met zijn arm. Zijn vuist verhief hij en sloeg de drost zodat hij dood voor hem ter aarde stortte want Reinout was vertoornd en stiet dat lichaam van de drost dat dood voor hem lag met een voet en met zulke nijd dat het een stuk weg in de zaal rolde. Dit zag koning Karel daar hij zat en zei: ‘Ik zie wel die daar de overdaad doet dat hij toornig is.’ Lodewijk sprak: ‘Heer vader, lijkt u dat goed? Ge bent heer van het land: corrigeert gij het niet, men zal u zeggen lachen en blaam.’ Toen kwam men daar klagen de keizer dat zijn drost dood was; nochtans gebood de koning vrede zodat er niemand zo koen was dat Reinout misdeed: toen was er niemand meer zo dapper die hem tegen Reinout zetten durfde, toen zei men voortkomen de speellieden die solaas konden maken om te verheugen die daar over de tafel zaten. Toen men zou gaan slapen beval Lodewijk zijn kamenier dat men elk voorzag van bedden, uitgezonderd Aymyn’ s kinderen, dat men die wees een bank en daarop slapen zouden: de kamenier deed zoals hem Lodewijk beval. Toen Reinout dit zag werd hij toornig en zei tot zijn broeders: ‘Ik wed dat we nog vanavond zullen hebben de beste bedden.’ Toen de heren en de knechten alle tezamen te bed waren en begonnen te slapen nam Reinout een maliĎnkolder en begon zo vreselijk te slaan op diegene die te bed waren dat ze waanden niet op tijd weg te komen zodat ze vielen over elkaar, ja, het kind over de vader, de ene vriend over de andere, wie eerst weg kon komen was de beste, alzo dat Reinout leeg vond wel 30 bedden en legde zijn broeders op het mooiste bed dat hij in Lodewijk’ s huis vond. Diegene die van hun bed verdreven waren, soms half gekleed, soms bijna naakt, klaagden het bij de koning hoe ze gevaren hadden en wie het hen gedaan had en baden hem dat hij het corrigeren zou. Toen de koning dit hoorde zei hij met vertoornd gemoed: ‘Gij doet kwalijk en het is grote schande dat ge alle klaagt over een man, ik doe daar geen justitie over.’ Toen ze dat hoorden waren ze droevig en gingen weg en lagen waar ze mochten. Reinout en zijn broeders sliepen met vrije harten tot de tijd toe dat hen de dag mooi openbaarde. Toen stonden ze met gemak op, elk kleedde zich en toen ze gekleed waren gingen ze tot de konings hof en de koning kwam hen tegemoet met menige edelman en wilde gaan tot zijn zoon Lodewijk. De koning had bij hem 30 bisschoppen, 9 gekroonde koningen, 12 hertogen en ging tot Lodewijk en Aymyn’ s kinderen gingen mee. Toen koning Karel kwam tot Lodewijks kamer zei hij: ‘Zoon sta op, het is tijd, u zal heden grote eer geschieden.’ Meteen richtte Lodewijk zich op en zei: ‘Wees welkom heer vader en gij heren allemaal.’ Daarna sprak koning Karel tot zijn zoon Lodewijk met een blij aanzicht: ‘Zoon, ik zal u nog heden geven mijn kroon en mijn land en maken u heer over al Christenrijk’. Toen zei Lodewijk: ‘Heer vader, dat is ter goede tijd, gebenedijd is God dat  hij mij gekozen heeft tot zulke staat.’ De graaf Aymyn hielp Lodewijk kleden en Tilpin de aartsbisschop mede; nochtans diende hem menige man want twee koningen vestigden hem zijn mouwen en twee bisschoppen. Toen vroeg koning Karel de graaf Aymyn dat hij bad zijn kinderen of ze enige officie dienen wilden elk naar zijn vermogen en goedwilligheid. Welke diensten ze graag ontvangen wilden en daartoe bedankten en eer bewezen de koning zeer hoog. Toen zei de koning dat men Reinout maakte bottelier en Adelaert drost en Ritsaert dat hij voor de koning diende en Writsaert voor de bisschoppen.

 

 

Als dese edel ende ghecroende coninc Lodewijc rede was, leidemen ter kercken. Wridsaert ginc voer hem ende Adelaert de mercgrave, so dat hem niemant en mocht genaken; besiden hem ginc Reynout de stout was ende manlijc, die een voet langer was dan Lodewijc ende ginc achter Ridsaert. Aldus ledemen Lodewijcken ter kercken. Dese iv. broeders droegen een pellen groen dat Lodewijc boven zijn hoeft ginc, dat hem de wint niet en bewayde of die zon verbarnde. Als Lodewijc in de kerc quam leitmen int choir dairt cierlic toe gemaect was; de coninc ginc bi hem ende die ander heren gingen elc staen na hare waerden. Aymijn ghinc staen dair hijt scoenste ende beste vant ende sijn kinderen bi hem ende neven coninc Karel Lodewijc. Men vint bescreven in de cronike van Vrancrijc dat niemant gerecht coninc van Vrancrijc en mach worden, hi moet wesen een echt kint ende men mach misse singen op sijn lichaem ende Gods lichaem consacreren ende offeren ter eren Gods. Oec moet men hebben olye kersen ende vier mede, het is de salichste croen van Vrancrijc want gebrake dair yet van dese saken, men en mochte hem geen coninc maken. Doe wert Lodewijc geleit op sinte Marien outaer. Ende bisscop Tulpijn sanc de mis ende die patriarch van iherusalem diende ter missen. Men sanc die misse met groter triumphen. Alst so verre quam dat men offeren soude, offerde Lodewijc een bisant van goude ter eren Gods van hemelrijc. Doe offerde Reinout wt hem selven twe bisanten van gout. doe docht Lodewijc in hem selven dat sijn offerhande te cleyn was ende offerde drie bisanten; doe offerde Reinout weder ende offerde vier. Als dat Aymijn sach seide hi: ‘Ter goeder tijt, Reinout, waerstu geboren, ic woude dat ic al mijn goet vercoft had in bysanten ende hier gebrocht [fol. 37] ende gise al offeren soudet.’ Doe sach Lodewijc opten outaer: hem en quam geen olye of kaerse, doe badt coninc Kaerel Gode met vieriger herten dat sinen sone Lodewijc hebben soude wes een coninc toebehoerde. Doe quam ter stont in schine van twe duven ende brochten olye ende kaersen ende vuer. Doe dedemen hem grote ere ende reverencie ende men sacreerden onser God op sijn lichaem ende als de misse so verde was datmen pater noster sanc doe brocht men een rijckelike crone de seer costelic was ende goet, verciert met menich costelic steen: daer stonden an twe robinen groot ende scoen int ansien ende ander stenen ontallic; doe setmense hem op thoeft ende doe hi de croen op thoeft hadde was hi in hem selven opgeblasen van hoverdien. Ende als Lodewijc aldus sat mitter croen op thoeft, sloech hi de hant an alle de edelen de dair waren in teiken dat si coninc Lodewijc onderdanich souden wesen. Ende doe men hem die crone spande doe wert dair groet geluyt gemaect met trompetten met claretten ende met alrehande instrumenten daermen genoecht me bedrijft. so dat de feeste van die croninge nie sulc gesien en was ende doe de coninc aldus gecroent was doe wert hem een bloet swairt sonder scede op zijn side gegort in teiken dat hi dat recht bescermen soude ende rechte iustici doen soude. Als dit al gedaen was ende Lodewijc ghecroent, leide men hem ten pallaise waert: an die een side van hem ginc de paeus ende an dander side die patriarch ende dair na quam coninc Karel met de xij. genoten van Vrancrijc, daer na grote menichte van bisscopen, achter dese volgede de grave Aymijn met sijn heren: daer was een heerlike stacie, een yegelic ghinc manierlic ende statelic tot men ten pallayse quam. Aymijns kinder als Reynout [fol. 38] ende sijn broeders waren voir te hove gegaen om haer officien te bewaren ende als Lodewijc ende de heren te hove gecomen waren gincmen sitten ter tafelen elc na sijnre waerden ende na dat hi van geboerten was. Aymijn sat mede an coninc Karels tafel, dair dienden Aymijns kinder elc van sine officie, twe bisscopen dienden mit Ridsaert ende Adelaert diende in de sale seer puntelic ende met Wridsaert dienden twe graven; elc was sorchvoudich van zyn officie so dat daer heerlic gedient was ende Reynout diende van sijn offici so dat van sijn dienst elc wiste te seggen. Alle dinc was daer overvloedich van spijs ende dranc. Als de maeltijt gedaen was ghincmen dansen ende genoechte hantieren want dair waren te hove vele edel scone ioncfrouwen de seer behagelic waren int scouwen ende ansien, men scencter den wijn overvloedich in gouden ende silveren vaten, dair waren speelluden van meniger hande spel, elc toechde sijn conste so hi best conde ende mocht. De vroecht was dair so groot ende manierlic in goeder genoechten, dat een yegelic die dair ten hove was den tijt niet en verdroet noch ongenoecht daer in en hadde. Ende die maeltijt gedaen wesende, ginc coninc Karel slapen mit sinen heren ende vorsten. Lodewijc den iongen coninc dede roepen overluut: wie ghiften ende lenen ontfangen wouden van hem, datsi hem volgeden, hi soude elc na haere staet ende rijcdom beghiften. Lodewijc ginc in enen sconen boemgaert ende ginc sitten onder een plein dat dair bereet was scoen ende costelic; als hi geseten was dede hi de heren voer hem comen ende gaf seer scone giften elc na dat hem dochte dat si waerdich waren of dat hijse lief had ende si an hem verdienen souden. Dair en was niemant hi ontfinc ghiften, hoe neder dat si van geboerten waren, luttel of veel, sonder alleen de grave Aymijns kinder, die hi versmade ende en woude hem niet geven. Als die [fol. 39] grave Aymyns kinderen dit sagen dattet al begift was dat inden hove was bi den coninc sonder si luiden alleen ende dat Lodewijc hem so hatich was, gingen si tot haren vader ende claechden hem hoe si gevaren hadden. Als de grave Aymijn haer vader die clachte van sinen kinderen ghehoort hadde wert hi verstoert ende toernich ende ginc haestelijc tot coninc Karel daer hi in zijn camer lach opt bedde. Als hi bi den coninc quam gruete hi hem minlic ende als hi hem ghegruet hadde seide hi: ‘Heer coninc, Lodewijc u soen heeft gegeven alle den heren, sijn hof volgende, schone leenen ende ghiften, ende al hebben si giften ontfangen, sonder mijn kinderen alleen, de en wil hi niet geven; nochtans hebben si hem gevolghet ende reverenci bewesen meer dan alle de ander die in sinen hove waren ic en weet niet dat mijn kinderen hem mesdaen hebben.’ Als coninc Karel dese woerden van grave Aymijn hoerde hadde hi medeliden mit hem ende seide: ‘Haelt mi uwe kinder mijn neven, ic en wilse niet verstoten oft verdreven hebben, ick salse selve begiften ende geven hem gaven so eerlic als enige heren die ic in mijn rijc hebbe.’ Als die grave Aymijn dit vanden coninc hoerde ginc hi om sijn kinderen ende brochtse voer den coninc ende als si voer des conincs bedde quamen vielen si over haer knien ende grueten den groten coninc Karel van Vrancrijc, ende hietse wellecoem, seggende tot hem luyden: ‘Ic wil u begaven ende schone giften geven. Ridsaert, ghi sijt die outste van al u broeders want het is mi gheseit dat ghy die eerste geboren sijt: ic sal u geven have ende scat, ic make u in Spangen mercgrave, dat suldi van mi ontvangen u leven lanc. Adelert, ic make u mercgrave van Poelgen, Wridsaert de derde broeder, ick geve u den sesten [fol. 40] schilt tusschen Parijs ende Louwen: het is een schoon goet, ghi moget u staet daer eerlic opdragen.’ Doen seide hy tot Reinout: ‘Lieve neve, gi moet oec mede wel verghift wesen, geve ic u dat lant van Artoys, Angiers. ende Boloys.’ Als dese vier gebroeders aldus eerlic ende hoghelic beghift waren vanden edelen coninc Karel soe vielen si op haer knien voer conincs bedde ende custen sijn voeten ende dancten den coninc hoghelick: daer ontfingen si dat leen blijdelic. Als si dat leen ontfangen hadden namen si oerlof an den coninc ende gingen inden boemgaert. Doe wertet Lodewijc verboetscapt dat Aymijns kinder van sinen vader den coninc beghift waren, des hadde hi nijt ende toerne. Doe Aymijn ende zijn kinder quamen inden boemgaert. sprac Aymijn tot Lodewijc in arren moede: ‘Danc hebt, heer coninc, van uwen ghiften.’ Lodewijc antwoerde Aymijn seggende: ‘ic heb wel verhoert hoe dat mijn vader u kinder schone giften gegeven heeft; voerwaer seg ic u, ic en wils niet ontberen of toe laten want het is wel dat twe deel van minen rike: ic salt hem weder benemen cortelic.’ Als dese woerden geeyndt waren. seide Lodewijc: ‘Ic moet sien of mijn heren cracht hebben ende nut sijn wapen te dragen, an enen steen die hier leyt inden boemgaert. ic vermete mi dat ic de stercste ben die nu ter werelt leeft. ende niemant en is van soe hogen gheslachte als ic ben.’ Sijn heren dese woerden horende, swegen al stille. Anderwerve seide hi noch de selve woerden: doe wort Aymijn toernich ende en mocht zijn vermetel woirden niet lange verdragen, seggende tot Lodewijc: ‘Sidi sterc goet ende edel, het sal hem selven openbaren. Wat wildi u beroemen: ic weet noch een iongelinc van xx. iaren, woude hi zyn macht doen hi worpe den steen soe [fol. 41] vorde als gi, al dadi al uwe cracht daer toe.’ Als die coninc Lodewijc de woerden hoirde sprac hi tot Aymijn met arren moede: ‘Du oude geck, God moet bederven u lijf, ic seg u serteyn: en liet icx niet doir Gode, ick soude u met minen vuysten so slaen dat ghijs nemmermeer en vergaet. Laet uwe kinder hier comen ende proeven haer cracht metten steen.’ Lodewijc toech sinen mantel wt in arren moede ende werpse neder ende nam den steen met enen haestigen sin ende werpen xx. voet verre. Dair stont menich edel man bi diet ansagen: daer na werpen die stercke. ende beste van Vrancrijc, mer dair en was niemant so sterc of crachtich, Lodewijc ontwerpse een voet, want daer en was niemant, si en gaven Lodewijc den prijs. Als Lodewijc dus den prijs hadde vanden steen seide hi tot Aymijn mit hoemoediger talen: ‘Wat segdi nu, ghi node grise hont, hoe en haeldi nu niet u soen Reinout? ghi seide hi soude mi den steen ontwerpen: die u dade recht, men soude u trecken bi uwen bairde dat u die oghen verkeerden in uwen hoefde. Hoe en haeldi Reynout u sone nu niet? waerna beidi? u woerden sullen u bescamen want ghi u sone ghepresen hebt boven alle heren in onsen landen wonende.’ Dese scempighe woerden de Aymyn Lodewijc hoerde spreken. verwarmden zyn bloet, seggende: ‘Ic segge u voerwaer, coninc Lodewijc, gi en sijt niet so koene dat ghi u hant sout slaen an minen baert: u hant ende u arm en toechdi nemmermeer weder na u.’ Coninc Lodewijc seide weder: ‘Grise hont, loep heen [te] dinen soen Reynout ende doe dattu geseit hebste ende laet hi den steen tegen mi werpen’. Als Aymijn van Lodewijc aldus smadeliken toe gesproken wort, liepen hem de tranen over den ogen ende die tranen over sijn ogen lopende, quam hi int prieel bi sijn kinder, die daer saten ende songen met vrouwen ende [fol. 42] ioncfrouwen ende waren vrolic. Als Reinout zijn vader weemoedich sach. ende die tranen over sijn wangen lopen, liet hi sijn vroechde ende blijscap ende quam tot sinen vader seggende: ‘Vader, wat is u miscomen of mesdaen? ic salt wreeken al soude ic mijn lijf ende goet verliesen.’ Aymijn die grave antwoirde Reinout met bedroefder herten: ‘Ic stont in den boemgaert bij Lodewijc ende dair began hi vermetelic te spreken dat niemant sijns gelijc en was in cracht, scoonheit of van edelen geboert ende beroemde hem so veel dat sijns ghelijc inder werlt niet en waer. Anderwerf seide hi weder, doe en mocht icx niet langer van hem verdragen. ende seide tot hem datter noch een was van xx. iaren, woude hi syn cracht doen, hi soude den steen so vorde werpen als hi: doe werp hi sijn mantel in arren ende fellen moede neder ende ontwerp alle den genen dye daer waren een voet, doe sprac hi mi seer lelic. ende hiete mi te wesen een grijs hont ende ist dat gi dit niet en wreect ende werpt den steen tegen hem, ic salt besterven. hier om bidde ic u, lieve soen, wilt mi nu verhoren ende en laet mi geen logenaer bliven’. Reynout antwoerde: ‘Vader, het en wair niet behoirlic dat ic dat doe want Lodewijc is nu onse coninc ende sijn verwaende woirden de hi spreket, zyn hoevaerdige daden comen hem noch overmits sijn ioncheit; dus vader: set u te vreden, ic en wil teghen hem gheen ghemenck hebben.’ Als Aymijn dese antwoerde van Reinout hoirde was hi droevich seggende: ‘Mijn lieve sone, suldi mi nu in deser scanden ende confusien laten ende en werpen den steen niet teghen Lodewijc, ic sal dat moeten besterven.’ Doe seide Reinout: ‘Vader, hebt mate in u lijden, gi weet doch wel dat wi coninc Lodewijc voirt an moeten onderdanich wesen ende wes hi mesbruyct {fol.43| overmits sijn opgeblasen hoevairdige herte, dat verbetert weder sijn vader. aldus seg ic u vader, ic en wil van dage teghen hem niet werpen: daer bi matich u rouwe’. Als Aymijn die grave hoerde dat hi niet en vorderde met bidden tegen sijn soen, seyde hi met haestigen woirden: ‘Soude ic dan daer om bliven een logenair, mi wair liever dat ic rechtevoert storve; ich seg u, soen, voerwaer: wildi den steen werpen tegen Lodewijc ende moechdi hem den steen ontwerpen, ick sal u geven Beyaert.’ Ten lesten wert Reinout becoert mit medeliden van sijn vader ende seyde met eenen arren moede: ‘Vader ia ic ontwerpe hem den steen al waer hi de duvel selve’. Met dese woerden spranc Reinout op ende ginc mit sijn vader inden boemgaert daer Lodewijc was, hem volchden sijn broeders ende menich edel man, vrouwen ende ioncfrouwen om te sien dat werpen vanden steen. Ende als Aymyn met sijn kinderen in den boemgaert quamen gingen si dair den steen lach. Reinout nam den steen ende werpen een halve voet verder dan hem Lodewijc geworpen hadde, des was coninc Lodewijc seer toernich, daer hi stont als een overmoedich man ende sacht selve metten ogen, daer en hadde niemant so cloec geweest te voren, Lodewijc hadse ontworpen enen voet ende sach nu dat Reinout vorder werp dan hi. Aymijn seide tot Reinout: ‘Sone ich bid u, peynst huden om de eere’. Lodewijc toech sijn mantel wt in toernigen moede ende werpen dair heen ende sette sijn crone van thoeft ende hiet datmen hem den steen brengen soude, twelc ter stont gedaen worde want hy namt in groten evel dat hem Reinout den steen ontwerp. Lodewijc nam den steen weder. ende werpen een voet vorder dan Reinout [fol. 43] gedaen hadde. Reijnout nam den steen weder ende werp noch vorder dan Lodewijc. Doe nam Lodewijc den steen weder ende en conde so vorde niet werpen als Reinout dede, nochtan deet hi sulke craft dair toe dat hem tbloet ter naze ende monde wt spranc. Aymijn sach op Reinout ende badt hem dat hi sijn crachten aen den steen woude tonen. Doe werp Reynout sijn mantel neder ende badt Ridsaert dat hi hem den steen langede. twelc hi dede ende als Aymyn den ouden den ionghen den steen toe draghen sach stont hi op. ende loech daerom. Als Reinout den steen had werp hi den steen met sulcker cracht so dat hi den steen werp drie grote mans voeten vorder dan hi te voren gedaen had: dat verwonderde menich edel man diet sach. Doe seide Aymijn: ‘Gebenedijt sidi Reinout,’ ende al dat dair was, ionc ende out, vrouwen ende ioncfrouwen, gaven Reynout den prijs. Als coninc Lodewijc Reynout dus hoerde prijsen, hadde hijs groten nijt int herte seggende den volcke: ‘Dit es ymmer een sot dinc van u luiden dat ghi een huerlinc dye om geIt gehuert is, hoe wel dat hi seit dattet sijn soen is, dus seer prijst: een grof karel ende boer is somtijt so sterc als een edelinc ende soude oec mede soe vorde werpen.’ Met dese woirden keerde hem Lodewijc om ende ginc van daen. Doe seide Aymijn tot Reinout: ‘Mijn soen, nu is Beyaert u eygen.’ Doe loech Reinout ende seide: ‘Heer vader, ic danc u seer der giften.’ Doen seide Aymijn: ‘Segget mi soen, hoe mocht gi u cracht so onthouden? hadde gi u cracht te volle getoecht. gi hadde Lodewijc den steen noch een voet ontworpen.’

Toen deze edele en gekroonde koning Lodewijk gereed was leidde men hem ter kerk. Writsaert ging voor hem en Adelaert de marktgraaf zodat hem niemand mocht genaken; bezijden hem ging Reinout die dapper was en mannelijk en die een voet langer was dan Lodewijk en ging achter Ritsaert. Aldus leidde men Lodewijk ter kerk. Deze 4 broeders droegen een kleed hel groen dat Lodewijk boven zijn hoofd ging zodat hem de wind niet waaide of de zon verbrandde. Toen Lodewijk in de kerk kwam leidde men hem in het koor waar het sierlijk voor gemaakt was; de koning ging bij hem en de andere heren gingen elk staan naar hun waarde. Aymyn ging staan daar hij het mooiste en beste vond en zijn kinderen bij hem en nevens koning Karel en Lodewijk. Men vindt beschreven in de kronieken van Frankrijk dat niemand gerecht koning van Frankrijk mag worden, hij moet wezen een echt kind en men mag mis zingen op zijn lichaam en Gods lichaam consacreren en offeren ter eren God. Ook moet men hebben olie, kaarsen en vuur mede, het is de zaligste kroon van Frankrijk want ontbrak daar iets van deze zaken, men mocht hem geen koning maken. Toen werd Lodewijk geleid op sint Maria’ s altaar. En bisschop Tilpin zong de mis en de patriarch van Jeruzalem diende ter mis. Men zong de mis met grote triomf. Toen het zover kwam dat men offeren zou offerde Lodewijk een bisant van goud ter eren God van hemelrijk. Toen offerde Reinout uit zichzelf twee bisanten van goud. Toen dacht Lodewijk in zichzelf dat zijn offerande te klein was en offerde drie bisanten; toen offerde Reinout weer en offerde vier. Toen dat Aymyn zag zei hij: ‘Ter goede tijd Reinout, was u geboren, ik wou dat ik al mijn goed verkocht had in bisanten en hier gebracht en ge ze al offeren zou.’ Toen zag Lodewijk op het altaar: hem kwam geen olie of kaarsen, toen bad koning Karel God met vurig hart dat zijn zoon Lodewijk hebben zou wat een koning toebehoorde. Toen kwam terstond in schijn van twee duiven en brachten olie en kaarsen en vuur. Toen deed men hem grote eer en reverentie en men sacreerde onze God op zijn lichaam en toen de mis zover was dat men pater noster zong toen bracht men een rijke kroon die zeer kostbaar was en goed, versierd met menige kostbare steen: daar stonden aan twee robijnen groot en mooi in het aanzien en andere stenen ontelbaar; toen zette men het op zijn hoofd en toen hij de kroon op het hoofd had was hij in zichzelf opgeblazen van hovaardij. En toen Lodewijk aldus zat met de kroon op het hoofd sloeg hij de hand aan alle edelen die daar waren als teken dat ze koning Lodewijk onderdanig zouden wezen. En toen men hem de kroon opzette toen werd daar groot geluid gemaakt met trompetten, met klarinetten en met allerhande instrumenten daar men genoegen mee bedrijft. Zodat het feest van de kroning niet zo ooit gezien was en toen de koning aldus gekroond was toen werd hem een bloot zwaard zonder schede op zijn zijde gegord als teken dat hij dat recht beschermen zou en rechte justitie doen zou. Toen dit al gedaan was en Lodewijk gekroond was leidde men hem te paleis waart: aan de ene zijde van hem ging de paus en aan de andere zijde de patriarch en daarna kwam koning Karel met de 12 bondgenoten van Frankrijk, daarna grote menigte van bisschoppen, achter deze volgde de graaf Aymyn met zijn heren: daar was een heerlijke statie, iedereen ging gemanierd en statig tot men te paleis kwam. Aymyn’ s kinderen, zoals Reinout en zijn broeders, waren voor te hof gegaan om hun officie te bewaren en toen Lodewijk en de heren te hof gekomen waren ging men zitten ter tafel, elk naar zijn waarde en nadat hij van geboorte was. Aymyn zat mede aan koning Karel’ s tafel, daar diende hem Aymyn’ s kinderen elk van zijn office, twee bisschoppen dienden met Ritsaert en Adelaert diende in de zaal zeer nauwkeurig en met Writsaert bedienden twee graven; elk was zorgvuldig van zijn officie zodat daar heerlijk gediend was en Reinout diende van zijn office zodat van zijn dienst elk wist te zeggen. Alle dingen waren daar overvloedig van spijs en drank. Toen de maaltijd gedaan was ging men dansen en genoegen hanteren want daar waren te hof vele edele mooie jonkvrouwen die zeer behaaglijk waren in het aanschouwen en aanzien, men schonk er de wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten, daar waren speellieden van menigerhande spel, elk toonde zijn kunst zo hij het best kon en mocht. De vreugde was  daar zo groot en gemanierd en goede geneugte dat iedereen die daar te hof was de tijd niet verdroot nog ongenoegen daarin had. En toen de maaltijd gedaan was ging koning Karel slapen met zijn heren en vorsten. Lodewijk de jonge koning deed roepen overluid: wie giften en lenen ontvangen wou van hem dat ze hem volgden, hij zou elk naar zijn staat en rijkdom begiftigen. Lodewijk ging in een mooie  boomgaard en ging zitten onder een plein dat daar bereid was, mooi en kostbaar; toen hij gezeten was deed hij de heren voor hem komen en gaf zeer mooie giften, elk naar dat hem dacht dat ze waard waren of dat hij ze lief had en ze aan hem verdienen zouden. Daar was niemand hij ontving giften, hoe laag ze van geboorte waren, weinig of veel, uitgezonderd alleen de graaf Aymyn’ s kinderen die hij versmaadde en wou hen niets geven. Toen de graaf Aymyn’ s kinderen dit zagen dat het al begiftigd was dat in het hof was bij de koning uitgezonderd zij lieden alleen en dat Lodewijk hen zo hatelijk was gingen ze tot hun vader en klaagden hoe ze gevaren hadden. Toen de graaf Aymyn hun vader de klacht van zijn kinderen gehoord had werd hij verstoord en toornig en ging haastig tot koning Karel daar hij in zijn kamer lag op het bed. Toen hij bij de koning kwam groette hij hem minlijk en toen hij hem gegroet had zei hij: ‘Heer koning, Lodewijk uw zoon heeft gegeven alle de heren die zijn hof volgen mooie lenen en giften en alle hebben ze giften ontvangen, uitgezonderd mijn kinderen alleen, die wil hij niets geven; nochtans hebben ze hem gevolgd en reverentie bewezen meer dan alle de andere die in zijn hof waren, ik weet niet dat mijn kinderen hem misdaan hebben.’ Toen koning Karel deze woorden van graaf Aymyn hoorde had hij medelijden met hem en zei: ‘Haal me uw kinderen, mijn neven, ik wil ze niet verstoten of verdreven hebben, ik zal ze zelf begiftigen en geven hen gaven zo eerlijk als enige heren die ik in mijn rijk heb.’ Toen de graaf Aymyn dit van de koning hoorde ging hij om zijn kinderen en bracht ze voor de koning en toen ze voor het konings bed kwamen vielen ze op hun knieĎn en groeten de grote koning Karel van Frankrijk en hij zei ze welkom en zei tot hen lieden: ‘Ik wil u begiftigen en mooie giften geven. Ritsaert, ge bent de oudste van al uw broeders want het is me gezegd dat gij de eerst geboren bent: ik zal u geven have en schat, ik maak u in Spanje marktgraaf, dat zal ge van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik maak u marktgraaf van PougliĎ, Writsaert de derde broeder, ik geef u het zesde schild tussen Parijs en Louwen: het is een mooi goed, ge mag uw staat daar eerlijk dragen.’ Toen zei hij tot Reinout: ‘Lieve neef, gij moet ook mede goed begiftigd wezen, geef ik u dat land van Artois, Angers en Boulouys.’ Toen deze vier gebroeders aldus eerlijk en hoog begiftigd waren van de edele koning Karel zo vielen ze op hun knieĎn voor konings bed en kusten zijn voeten en dankten de koning hooglijk: daar ontvingen ze dat leen blijde. Toen ze dat leen ontvangen hadden namen ze verlof aan de koning en gingen in de boomgaard. Toen werd het Lodewijk geboodschapt dat Aymyn’ s kinderen van zijn vader de koning begiftigd waren, dus had hij nijd en toorn. Toen Aymyn en zijn kinderen kwamen in de boomgaard sprak Aymyn tot Lodewijk in geĎrgerd gemoed: ‘Dank hebt, heer koning, van uw giften.’ Lodewijk antwoorde Aymyn en zei: ‘ik heb wel gehoord hoe dat mijn vader uw kinderen mooie giften gegeven heeft; voorwaar zeg ik u, ik wil ze niet ontberen of toelaten want het is wel dat tweede deel van mijn rijk: ik zal het hen weer benemen gauw.’ Toen deze woorden geĎindigd waren zei Lodewijk: ‘Ik moet zien of mijn heren kracht hebben en nuttig zijn wapen te dragen aan een steen die hier ligt in de boomgaard. Ik vermeet me dat ik de sterkste ben die nu ter wereld leeft en niemand is van zo’ n hoog geslacht als ik ben.’ Zijn heren die deze woorden hoorden zwegen al stil. Andermaal zei hij nog dezelfde woorden: toen werd Aymyn toornig en mocht zijn vermetele woorden niet langer verdragen en zei tot Lodewijk: ‘Bent ge sterk, goed en edel, het zal zelf zichzelf openbaren. Wat wil ge u beroemen: ik weet nog een jongeling van 20 jaren, wilde hij zijn macht doen hij wierp de steen nog zo ver zoals gij, al deed ge er al uw kracht daartoe.’ Toen de koning Lodewijk de woorden hoorde sprak hij tot Aymyn met geĎrgerd gemoed: ‘U oude gek, God moet bederven uw lijf, ik zeg u zeker: liet ik het niet door God, ik zou u met mijn vuisten zo slaan zodat gij het nimmermeer vergat. Laat uw kinderen hier komen en beproeven hun kracht met de steen.’ Lodewijk trok zijn mantel uit in geĎrgerd gemoed en wierp het neer en nam de steen met een haastige zin en wierp het 20 voeten ver. Daar stond menige edelman bij die het aanzagen: daarna wierpen de sterkste en beste van Frankrijk, maar daar was niemand zo sterk of zwak, Lodewijk ontwierp het een voet, want daar was niemand, ze gaven Lodewijk de prijs. Toen Lodewijk dus de prijs had van de steen zei hij tot Aymyn met hoogmoedige taal: ‘Wat zegt ge nu, gij node grijze hond, waarom haal je niet je zoon Reinout? Ge zei hij zou me de steen ontwerpen: die u deed recht, men zou u trekken bij uw baard dat u de ogen veranderden in uw hoofd. Waarom haal je uw zoon Reinout nu niet? Waarop wacht u? Uw woorden zullen u beschamen want ge uw zoon geprezen hebt boven alle heren die in ons land wonen.’ Deze schampende woorden die Aymyn Lodewijk hoorde spreken verwarmden zijn bloed, zeggende: ‘Ik zeg u voorwaar, koning Lodewijk, ge bent niet zo koen dat ge uw hand zou slaan aan mijn baard: uw hand en uw arm trok je nimmermeer weer aan u.’ Koning Lodewijk zei wer: ‘Grijze hond, loop heen tot uw zoon Reinout en doe dat u gezegd hebt en laat hij de steen tegen mij werpen’. Toen Aymyn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken wordt liepen hem de tranen over de ogen en de tranen over zijn ogen lopende kwam hij in het prieel bij zijn kinderen die daar zaten en zongen met vrouwen en jonkvrouwen en waren vrolijk. Toen Reinout zijn vader weemoedig zag en de tranen over zijn wangen lopen liet hij zijn vreugde en blijdschap en kwam tot zijn vader zeggende: ‘Vader, wat is u miskomen of misdaan? Ik zal het wreken al zou ik mijn lijf en goed verliezen.’ Aymyn die graaf antwoorde Reinout met bedroefd hart: ‘Ik stond in de boomgaard bij Lodewijk en daar begon hij vermetel te spreken dat niemand zijn gelijke was in kracht, schoonheid of van edele geboorte en beroemde hem zoveel dat zijn gelijke in de wereld niet was. Andermaal zei hij weer en toen mocht ik het niet langer van hem verdragen en zei tot hem dat er nog een was van 20 jaren, wou hij zijn kracht doen hij zou de steen zo ver werpen als hij: toen wierp hij zijn mantel in geĎrgerd en fel gemoed neer en ontwierp alle diegenen die daar waren een voet, toen sprak hij me zeer lelijk en zei me te wezen een grijze hond en is het dat gij dit niet wreekt en werpt de steen tegen hem, ik  zal het besterven. Hierom bid ik u, lieve zoon, wil me nu verhoren en en laat me geen leugenaar blijven’. Reinout antwoorde: ‘Vader, het was niet behoorlijk dat ik dat doe want Lodewijk is nu onze koning en zijn verwaande woorden die hij spreekt en zijn hovaardige daden komen hem nog vanwege zijn jonkheid; dus vader: zet u tevreden, ik wil tegen hem geen gemik hebben.’ Toen Aymyn dit antwoord van Reinout hoorde was hij droevig en zei: ‘Mijn lieve zoon, zal ge men nu in deze schande en verwarring laten en werpen de steen niet tegen Lodewijk, ik zal dat moeten besterven.’ Toen zei Reinout: ‘Vader, hebt maat in uw lijden, ge weet toch wel dat we koning Lodewijk voortaan moeten onderdanig wezen en wat hij misbruikt vanwege zijn opgeblazen hovaardige hart, dat verbetert weer zijn vader. Aldus zeg ik u vader, ik wil vandaag tegen hem niet werpen: daarbij matig uw rouw’. Toen Aymyn die graaf hoorde dat hij niets opschoot met bidden tegen zijn zoon zei hij met haastige woorden: ‘Zou ik dan daarom blijven een leugenaar, het was me liever dat ik recht te voorts stierf; ik zeg u, zoon, voorwaar: wil ge de steen werpen tegen Lodewijk en mag je hem de steen ontwerpen, ik zal u geven Beiaard.’ Tenslotte werd Reinout bekoord met medelijden van zijn vader en zei met een geĎrgerd gemoed: ‘Vader ja, ik ontwerp hem de steen al was hij de duivel zelf’. Met deze woorden sprong Reinout op en ging met zijn vader in de boomgaard daar Lodewijk was, hem volgden zijn broeders en menige edelman, vrouwen en jonkvrouwen om te zien dat werpen van de steen. En toen Aymyn met zijn kinderen in de boomgaard kwamen gingen ze daar de steen lag. Reinout nam de steen en wierp het een halve voet verder dan het Lodewijk geworpen had, dus was koning Lodewijk zeer toornig daar hij stond als een overmoedig man en zag het zelf met de ogen, daar was niemand zo kloek geweest tevoren, Lodewijk had ze ontworpen een voet en zag nu dat Reinout het verder wierp dan hij. Aymyn zei tot Reinout: ‘Zoon, ik bid u, peinst heden om de eer’. Lodewijk trok zijn mantel uit in toornig gemoed en wierp het daarheen en zette zijn kroon van het hoofd en zei dat men hem de steen brengen zou, wat terstond gedaan wordt want hij nam het in grote euvel dat hem Reinout de steen ontwierp. Lodewijk nam de steen weer en wierp het een voet verder dan Reinout gedaan had. Reinout nam de steen weer en wierp nog verder dan Lodewijk. Toen nam Lodewijk de steen weer en kon zo ver niet werpen zoals Reinout deed, nochtans deed hij zulke kracht daartoe dat hem het bloed ter neus en ter mond uitsprong. Aymyn zag op Reinout en bad hem dat hij zijn krachten aan de steen wou tonen. Toen wierp Reinout zijn mantel neer en bad Ritsaert dat hij hem de steen bracht, wat hij deed en toen Aymyn de oude de jonge de steen toedragen zag stond hij op en lachte daarom. Toen Reinout de steen had wierp hij de steen met zulke kracht zodat hij de steen wierp drie grote mannen voeten verder dan hij tevoren gedaan had: dat verwonderde menige edelman die het zag. Toen zei Aymyn: ‘Gebenedijd bent ge Reinout,’ en al dat daar was, jong en oud, vrouwen en jonkvrouwen, gaven Reinout de prijs. Toen koning Lodewijk Reinout aldus hoorde prijzen had hij grote nijd in het hart en zei het volk: ‘Dit is immer een zot ding van u lieden dat ge een huurling bent die om geld gehuurd is, hoewel dat hij zegt dat het zijn zoon is en dus zeer prijst: een grove kerel en boer is somtijds zo sterk als een edele en zou ook mede zo ver werpen.’ Met deze woorden keerde hem Lodewijk om en ging vandaan. Toen zei Aymyn tot Reinout: ‘Mijn zoon, nu is Beiaard uw eigen.’ Toen lachte Reinout en zei: ‘Heer vader, ik dank u zeer de gift.’ Toen zei Aymyn: ‘Zeg me zoon, hoe mocht ge uw kracht zo onthouden? Had ge uw kracht ten volle getoond ge had Lodewijk de steen nog een voet ontworpen.’

 

 

 

Dese woerden verhoerde Lodewijc ter wilen dat hi wech ginc: doe scaemde hi hem noch meer ende ginc van daen mit een serich hert, doe quam hem in sijn gemoete gaende Gwelloen, here Derode ende Macharijs, dit waren [fol. 45] twe verradirs ende Lodewijcx nauste raetsluden; si grueten den coninck ende vraechden hem wye de meester was vanden steen. Lodewijc sweech ende en antwoerde hem luyden niet. Doe seide Macharijs: ‘Ic sie wel wat u deert: Reinout heeft u leet gedaen mer ic weet u raet: suldi u bewaren here coninc, dat u elc prijse, so suldi gaen inden boemgairt weder ende nemen Reinout in u armen daert alle dye edel sien, vrouwen ende ionc frouwen, ende sult seggen met beveynsder herten datment hore: dat ghi Gode danct ende sijnre moeder die u verleent heeft sulcken schonen. kint, dat hi alle dye edelingen te boven gaet in schoonheit ende cracht, als hi wel getoent heeft an den steen. Als gi dit gedaen hebt sal u elc prijsen ende grote eer spreken: den suldi seggen tot Adelaert dat hi comen sal terstont in een camer bi u ende als gi hem daer hebt, suldi tot hem seggen dat hi tegen u scake ende en wil hi des niet doen so suldi hem op seggen dat hi hem vermeten heeft dat hijt bet conde dan ghi. Ende wil hi dair dan tegen seggen, so suldi segghen dat wijt onder ons drien gehoert hebben ende wij willent hem over seggen, dit sullen wi seggen met strengen woerden. ende ist van node wi sullender noch veel meer toe crijgen diet selve sullen seggen ende dan suldi seggen. ende maken een eet: die opten anderen wint vijf spelen, sel hebben gewonnen des anders hoeft ende dat niet te verdingen: om geen goet ende so drae als die vijf spelen gewonnen sijn, de gene diet gewonnen heeft, sel den anderen thoeft of slaen ende als gi dan, heer coninc, die vijf spelen gewonnen selt hebben, so suldi hem thoeft of slaen: aldus moechdi van de scaemte boet tonfaen ende bliven gheweldich coninc ende dan en salder voert meer niemant so cloec wesen de yet tegen u sal dorren doen.’ Coninc Lodewijc dese woerden horende [fol. 46] van Macharijs, het dochte hem goet raet ende seide: ‘Macharijs, gi hebt waer geseyt. want daer en is niemant diet scaec spel bet can dan ic.’ Lodewijc dede also hem die verrader geraden hadde: hi stont voir een veynster ende weyfde Adelaert met een hantscoe. Als Adelaert dit sach dat hem de coninc weyfde, meende hi of hy hadde willen drincken. Adelaert ginc inden wijn kelder ende tapte vanden besten wijn de hi vandt ende scencte enen gouden scale vol ende boetse den iongen coninc seggende: Here coninc, drinct van dien wijn, het is den besten die gi van dage ghedroncken hebt.’ Als Lodewijc dese woerden hoerde wert hi toirnich ende sloech thoeft neder ende en sprac niet. Als Adelairt sach dat Lodewijc toernich was scaemde hi hem seer ende en wist wat doen, hi seide: ‘Her coninc, heeft u yemant te cort gedaen dat gi wreeken wilt, dat segt mi.’ Als Adelaert dese woerden totten coninc seide, sloech hy hem die scale wter hant datse tegen die want vloech ende spranc ane stucken. Doe woude hi wech gaen doe hi den iongen coninc so verbolgen sach. Als Lodewijc sach dat hi wech gaen woude, sprac hi met overmoede: ‘Ic waende te hebbe vrienden ende magen alst van node waer, die mi bescermen souden. mer mi dunct het sijn mijn doot vianden als Ridsaert, Wridsaert, Adelaert ende Reynout: ten was hem niet eere genoech dat Reynout boven mi hadde den prijs vanden steen, mer ghi Adelaert, hebt u verweten dat gi sijt mijn meester vanden scaeckspele: aldus verheft ghi u ende vernedert mi, twelc mi toernt.’ Als Adelaert de woerden den coninc Lodewijc hoerde spreken keerde hi weder. ende seide: ‘Des neem ic God te hulpe dat icx nye en dochte de woirden te spreken ende ic [fol. 47] sweert bi Gode ende sinte Dyonijs: waerder yemant diet op my seggen woude, ic deet hem missaken in een crijt.’ Lodewijc seide: ‘Daer en wort niet toe gedaen, mer ghy moet gaen met mi in een camer, daer sullen wij een ander spel beginnen.’ Doe nam Macharijs Adelaert bider hant ende gingen te samen met Lodewijck in die camer. Als si in die camer quamen was daer Gwelloen; daer seyden Macharijs. ende Gwelloen dat Adelaert hem verweten had bet te konnen scaken dan Lodewijc. noch waren daer vij. graven de des mede oerkonden ende seiden dattet waer was. Adelaert wort geleit in een camer ende beset vanden heren om dat hy hem niet ontgaen en soude. Doe ginc Lodewijc tegen Adelairt over sitten ende men brocht dair een scaeck bort dat costelic was ende subtijl van werc: men brocht dat constelic spel om dat overmits de subtijlheit vant werck Adelaert sijn spel versien soude. Lodewijc seide tot Adelaert: ‘Ic seg u, wi moeten spelen, verstaet mi: wi eerst opten anderen wint vijf spelen sal hebben den anders hoeft.’ Als Adelaert dese woirden vanden iongen coninc hoerde seide hy: ‘Heer coninc, ic en spele om so costeliken pant niet. ende oec heer coninc. waert scande dat gi u hoeft tegen tmine sout setten, mer wildi spelen om castelen of sloten, dat doe ic gaerne.’ Lodewijc antwoerde weder: ‘Ick ben een coninc ende ic moet mijn woert houden, ick swere u bi mijnre croen dat ic om anders geen dinghen en spele dan om u hoeft ende tmyn.’ Als Adelert vanden coninc dit hoerde was hi droevich ende seide met soeten woerden: ‘Wel in Gods naem moet dat wesen.’ Doe seyde Gwelloen in hem selven: ‘Nu heb ic minen wille, want waer Lodewijc doot, ic droge noch die crone tot Parijs.’ Lodewijc haddet voer trecken omdat hi des dages te voren was coninc gecroent. elc dede sijn [fol. 48] best. Lodewijc nam Adelaert een ridder ende een oude. Adelaert seide: ‘God hebs deel, mijn ongeluc is groot.’ Die coninc wan op Adelaert drie spelen after een; de coninc seide vermetelic: ‘Huden had u broeder den prijs vanden steen mer ic blive hier of meester. Ic seg u serteijn: ich sel u hier ter stede u hoeft of doen slaen’. Als Adelaert dat hoerde versuchte hi ende sloech thoeft neder ende seide: ‘Here coninc, of gi mijn hoeft wont en soude icx niet mogen verdingen?’ Die coninc seide: ‘Neen gi, merc grave Adelaert, al gaefdi mi daer voer al u goet, ic en naems niet voer u hoeft, dat seg ic u serteyn.’ Doe sprac Adelaert in hem selven seggende: ‘O heer, ic bid u doer u bitter passi ende doot, dat gi mi graci geeft dat ick met eeren van minen neve keren mach. Si setten haer spele elc alsoet hem goet dochte. ‘Ic scaec u ende mat u met enen rock,’ seide Adelaert ende nam hem een ridder: die coninc Lodewijck wert toernich als hi sach dat hijt spel verliesen most; Adelaert seide: ‘Men moet van twe quaden tbeste kiesen: nu trect gi voert, heer coninc.’ Adelaert began tspel scerpelic te volgen ende matte den coninc mit enen ridder, die coninc en mocht des niet beteren ende Adelairt wan hem die vijf spelen af after een. Als Adelaert de V spelen had gewonnen was hi vrolic van herten ende stont op seggende totten coninc: ‘Neve ende here coninc, nu weet gijt dat ic u hoeft gewonnen heb, mer ick en begeres niet ende ic bid u dat ghi niet meer soe costelic en speelt, ic seg u: de u gaf desen raet, dat hem u leven verdroet.’ De coninc was gram om dese woirden ende sloech tscaecbort in sijn aensicht dat noese ende mont bloede ende seide: ‘Valsch villeyn, setstu di tegens mi?’ Adelaert was hier om seer droevich: hi had hem gaerne geweert mer hi en hadde niet dair hijt mede doen mochte, also [fol. 49] dat hi zyn slip nam ende hieltse voer sijn nose ende mont ende ginc inden stal daer Beyaert stont. Niet lange en hadde hi daer getoeft, Reinout quam daer me, als hi Adelaert sach bloeden, was toernich ende seide: ‘Wye heeft u geslagen?’ Adelaert seide: ‘Niemant.’ ‘Ic hoer u lieghen broeder, ghi sultet mi seggen of u leven leit daeraen.’ ‘Broeder,’ seide Adelairt, ‘ic heb mi gestoten teghen een balc dat mi nose ende mont bloede hier inden stal.’ Reynout seide: ‘Broder, ten is so niet.’ ende toech zijn swaert op Adelaert. Als Adelaert sach dat sijn broeder toernich was seide hijt hem ende riep genade: ‘ic quam inden stal om dat ic Beiaert geven soude koren ende hoy. Als ic dair bi quam sloecht mi onversien voer mijn mont dat ick ter airden storte.’ Reinout dat horende seide tot zijn broeder: ‘Ghi lieget des, want ic heb Beyaert alsoe gewent dat hi mijn broeders niet en sal mesdoen, daer om ist al logen dat gi mi doet verstaen.’ Met dien nam hy Adelaert biden haer. ende hief dat swaert op: als Adelaert dat sach wert vervaert ende riep: ‘Ghenade, edel broeder, ick salt u seggen al soude ic daer om sterven. Huden doe ghi den prijs boven ginct vanden steen was dye coninc toernich ende ginc in de sael ende weyfde my. ende als ict sach nam ic wijn mede, ic meende of die coninc had willen drincken. Als ic daer quam vandt ic daer Gwelloen Macharijs ende Heredreyt. ende doe ic den coninc drincken boet sloech hi mi dye scale wter hant, doe woude ick wech; als ic wech soude gaen, claechde hi over ons ende seide dat ic mi tscaecspel vermeten had bet te konnen dan hi. Als ic dat hoerde keerde ic mi weder om ende seide dat ic des onsculdich was ende woudet mi yemant op seggen, ic woude mijn lijf daer teghen setten ende campen tegen hem [fol. 50] in een parck. Doe nam mi Lodewijc bij der hant ende leide mi in een camer, daer seiden Macharijs Gwelloen ende Heredreyt dat sijt gehoert hadden dat ict my vermeten hadde bet te konnen scaken dan coninc Lodewijc ende daer waren seven graven diet mede seyden, daer ginc Lodewijc tegen mi over sitten ende seide, wi mosten een ander spel beginnen. Doen ic sat wort daer gebrocht een scaecspel ende ic most bi bedwange spelen. Daer swoer Lodewijc bi sijnre cronen dat hi om geen dinc spelen en soude dan wyet op den anderen winnen mochte de eerste vijf spelen, soude hebben des anders hoef[t]. Doe wan ic op Lodewijc die eerste vijf spelen ende seide tot hem dat hi niet meer en speelde om soe dieren pant ende dat hi qualic dade diet hem riet. Hier om wert Lodewijc toernich ende sloech mi metten scaecbort in mijn aensicht ende daer om was hi seer droevich ende ginc van daen.’ Doe seide Reinout tot sijn broeder: ‘Sulcken costeliken pant als thoeft van eenen coninc en wil ic hier niet laten.’

Deze woorden hoorde Lodewijk terwijl dat hij weg ging: toen schaamde hij zich nog meer en ging vandaar met een bezeert hart, toen kwam hem in zijn ontmoeten gaan Gwelloen, heer Derode en Macharijs, dit waren twee verraders en Lodewijk nauwste raadslieden; ze groeten de koning en vroegen hem wie de meester was van de steen. Lodewijk zweeg en en antwoorde hen lieden niet. Toen zei Macharijs: ‘Ik zie wel wat u deert: Reinout heeft u leed gedaan, maar ik weet u raad: zal ge u bewaren, heer koning, dat u elke prijst zo zal ge gaan in de boomgaard weer en nemen Reinout in uw armen daar het alle de edele zien, vrouwen en jonkvrouwen en zal zeggen met geveinsd hart zodat men het hoort: dat ge God dankt en zijn moeder die u verleend heeft zo’ n mooi kind dat hij alle edelen te boven gaat in schoonheid en kracht zoals hij wel getoond heeft aan de steen. Als ge dit gedaan hebt zal u elk prijzen en grote eer spreken: dan zal ge zeggen tot Adelaert dat hij komen zal terstond in een kamer bij u en als ge hem daar hebt zal ge tot hem zeggen dat hij tegen u schaakt en wil hij dat niet doen zo zal ge tegen hem zeggen dat hij hem vermeten heeft dat hij het beter kon dat gij. En wil hij daar dan tegen zeggen zo zal ge zeggen dat wij het onder ons drieĎn gehoord hebben en wij willen het hem ook zeggen, dit zullen we zeggen met strenge woorden. En is het nodig we zullen er nog veel meer toe krijgen die hetzelfde zullen zeggen en dan zal ge zeggen en maken een eed: die op de andere wint vijf spelen zal hebben gewonnen de andere zijn hoofd en dat niet te verdingen: om geen goed en zodra als die vijf spelen gewonnen zijn diegene die het gewonnen heeft zal de andere het hoofd afslaan en als ge dan, heer koning, die vijf spelen gewonnen zal hebben zo zal ge hem het hoofd afslaan: aldus mag u van de schaamte boete ontvangen en blijven geweldig koning en dan zal er voort meer niemand zo kloek wezen die iets tegen u zal durven doen.’ Koning Lodewijk die deze woorden hoorde van Macharijs dacht hem goede raad en  zei: ‘Macharijs, ge hebt waar gezegd want daar is niemand die het schaakspel beter kan dan ik.’ Lodewijk deed alzo hem die verrader aangeraden had: hij stond voor een venster en wuifde Adelaert met een handschoen. Toen Adelaert dit zag dat hem de koning wuifde meende hij of hij had willen drinken. Adelaert ging in de wijnkelder en tapte van de beste wijn de hij vond en schonk een gouden schaal vol en bood het de jonge koning zeggende: Heer koning, drink van die wijn, het is de beste die ge vandaag gedronken hebt.’ Toen Lodewijk deze woorden hoorde werd hij toornig en sloeg het hoofd neder en sprak niet. Toen Adelaert zag dat Lodewijk toornig was schaamde hij hem zeer en wist niet wat te doen, hij zei: ‘Heer koning, heeft u iemand te kort gedaan dat ge wreken wil, dat zeg me.’ Toen Adelaert deze woorden tot de koning zei sloeg hij hem de schaal uit de hand zodat die tegen de wand vloog en brak in stukken. Toen wou hij weggaan toen hij de jonge koning zo verbolgen zag. Toen Lodewijk zag dat hij weg wilde gaan sprak hij met overmoed: ‘Ik waande te hebben vrienden en verwanten als het nodig was die me beschermen zouden, maar het lijkt me het zijn mijn doodsvijanden zoals Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout: het was hen niet eer genoeg dat Reinout boven mij had de prijs van de steen, maar gij Adelaert, hebt u vermeten dat ge bent mijn meester van het schaakspel: aldus verheft ge u en vernedert mij, wat me vertoornd.’ Toen Adelaert de woorden de koning Lodewijk hoorde spreken keerde hij weer en zei: ‘Daar neem ik God te hulp dat ik niet dacht de woorden te spreken en ik zweer het bij God en Sint Dionysius: was er iemand die het van mij zeggen zou, ik deed hem mismaken in een krijt.’ Lodewijk zei: ‘Daar wordt niets toe gedaan, maar ge moet met mij gaan in een kamer, daar zullen wij een ander spel beginnen.’ Toen nam Macharijs Adelaert bij de hand en gingen tezamen met Lodewijk in die kamer. Toen ze in die kamer kwamen was daar Gwelloen; daar zeiden Macharijs en Gwelloen dat Adelaert hem vermeten had beter te kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar 7 graven die dat mede verkondigden en zeiden dat het waar was. Adelaert wordt geleid in een kamer en bezet van de heren zodat hij hen niet ontgaan zou. Toen ging Lodewijk tegen Adelaert over zitten en men bracht daar een schaakbord dat kostbaar was en subtiel van werk: men bracht dat kunstige spel omdat vanwege het subtiele van het werk Adelaert zijn spel zien zou. Lodewijk zei tot Adelaert: ‘Ik zeg u, we moeten spelen, versta me: wie eerst op de andere wint vijf spelen zal hebben de andere zijn hoofd.’ Toen Adelaert deze woorden van de jonge koning hoorde zei hij: ‘Heer koning, ik speel om zo’ n kostbaar pand niet en ook heer koning, was het schande dat gij uw hoofd tegen de mijne zou zetten, maar wilde ge spelen om kastelen of sloten, dat doe ik graag.’ Lodewijk antwoorde weer: ‘Ik ben een koning en ik moet mijn woord houden, ik zweer u bij mijn kroon dat ik om anders geen dingen speel dan om uw hoofd en de mijne.’ Toen Adelaert van de koning dit hoorde was hij droevig en zei met lieve woorden: ‘Wel, in Gods naam, moet dat wezen.’ Toen zei Gwelloen in zichzelf: ‘Nu heb ik mijn wil, want was Lodewijk dood, ik droeg nog de kroon te Parijs.’ Lodewijk had het voorspel omdat hij de dag tevoren was koning gekroond. Elk deed zijn best. Lodewijk nam Adelaert een ridder en een oude. Adelaert zei: ‘God heeft zijn deel, mijn ongeluk is groot.’ De koning won op Adelaert drie spellen achter elkaar; de koning zei vermetel: ‘Heden had uw broeder de prijs van de steen maar ik blijf hiervan meester. Ik zeg u zeker: ik zal u hier ter stede uw hoofd af doen slaan’. Toen Adelaert dat hoorde zuchtte hij en sloeg het hoofd neer en zei: ‘Heer koning, als ge mijn hoofd won zou ik het niet mogen verdingen?’ De koning zei: ‘Neen gij, markgraaf Adelaert, al gaf je me daarvoor al uw goed, ik nam het niet voor uw hoofd, dat zeg ik u zeker.’ Toen sprak Adelaert in zichzelf en zei: ‘O heer, ik bid u door uw bittere lijden en dood dat ge me gratie geeft dat ik met eren van mijn neef keren mag. Ze zetten hun spel elk zoals het hem goed dacht. ‘Ik schaak u en mat u met een rok,’ zei Adelaert en nam hem een ridder: de koning Lodewijk werd toornig toen hij zag dat hij het spel verliezen moest; Adelaert zei: ‘Men moet van twee kwaden de beste kiezen: nu trekt ge voort, heer koning.’ Adelaert begon het spel scherp te volgen en matte de koning met een ridder, de koning mocht dat niet verbeteren en Adelaert won hem de vijf spelen af achter elkaar. Toen Adelaert de 5 spelen had gewonnen was hij vrolijk van hart en stond op en zei tot de koning: ‘Neef en heer koning, nu weet gij het dat ik uw hoofd gewonnen heb, maar ik begeer het niet en ik bid u dat gij niet meer zo kostbaar speelt, ik zeg u: die u gaf deze raad dat hem uw leven verdriet.’ De koning was gram om deze woorden en sloeg het schaakbord in zijn aanzicht zodat zijn neus en mond bloedde en zei: ‘Valse schurk, zet u zich tegen mij?’ Adelaert was hierom zeer droevig: hij had hem graag verweerd maar hij had niets waar hij het mee doen mocht alzo dat hij zijn slip nam en hield het voor zijn neus en mond en ging in de stal daar Beiaard stond. Niet lang had hij daar getoefd, Reinout kwam daarmee en toen hij Adelaert zag bloeden werd hij toornig en zei: ‘Wie heeft u geslagen?’ Adelaert zei: ‘Niemand.’ ‘Ik hoor u liegen broeder, ge zal het me zeggen of uw leven ligt daaraan.’ ‘Broeder,’ zei Adelaert, ‘ik heb me gestoten tegen een balk dat mijn neus en mond bloedde hier in de stal.’ Reinout zei: ‘Broeder, het is zo niet.’ En trok zijn zwaard op Adelaert. Toen Adelaert zag dat zijn broeder toornig was zei hij het hem en riep genade: ‘ik kwam in de stal omdat ik Beiaard geven zou koren en hooi. Toen ik daarbij kwam sloeg het me onvoorzien voor mijn mond zodat ik ter aarde stortte.’ Reinout die dat hoorde zei tot zijn broeder: ‘Gij liegt dus, want ik heb Beiaard alzo gewend dat hij mijn broeders niets zal misdoen, daarom is het al leugen dat ge me doet verstaan.’ Met die nam hij Adelaert bij de haren en hief dat zwaard op: toen Adelaert dat zag werd hij bang en riep: ‘Genade, edele broeder, ik zal het u zeggen al zou ik daarom sterven. Heden toen ge de prijs boven ging van de steen was de koning toornig en ging in de zaal en wuifde mij en toen ik het zag nam ik wijn mede, ik meende of de koning had willen drinken. Toen ik daar kwam vond ik daar Gwelloen, Macharijs en Heredreyt en toen ik de koning drinken bood sloeg hij me die schaal uit de hand, toen wou ok weg; toen ik weg zou gaan klaagde hij over ons en zei dat ik me het schaakspel vermeten had te beter te kunnen dan hij. Toen ik dat hoorde keerde ik me weer om en zei dat ik van dat onschuldig was en wou het mij iemand tegen zeggen, ik wou mijn lijf daartegen zetten en kampen tegen hem in een perk. Toen nam me Lodewijk bij de hand en leidde me in een kamer en daar zeiden Macharijs, Gwelloen en Heredreyt dat zij het gehoord hadden dat ik me vermeten had beter te kunnen schaken dan koning Lodewijk en daar waren zeven graven die het mede zeiden, daar ging Lodewijk tegenover me zitten en zei; we moeten een ander spel beginnen. Toen ik zat wordt daar gebracht een schaakspel en ik moest onder bedwang spelen. Daar zwoer Lodewijk bij zijn kroon dat hij om geen ding spelen zou dan wij het op de andere winnen mocht de eerste vijf spelen zou hebben de andere zijn hoofd. Toen won ik op Lodewijk de eerste vijf spelen en  zei tot hem dat hij niet meer speelde om zo’ n duur pand en dat hij kwalijk deed die hem dat aanraadde. Hierom werd Lodewijk vertoornd en sloeg me met het schaakbord in mijn aanzicht en daarom was hij zeer droevig en ging vandaar.’ Toen zei Reinout tot zijn broeder: ‘Zo’ n kostbaar pand als het hoofd van een koning wil ik hier niet laten.’

 

 

 

 

Dat achte. capit. Hoe Reinout Lodewijc dat hoeft of sloech ende werpt tegen de wandt dattet bloet in Karels ansicht spranc ende hoe Aymiin mit sijn kinderen vochten tegen coninc Karel ende hoe Aymyn gevanghen was ende coninc Karel hem woude hangen.

Reynout. ende Adelaert gingen te samen tot horen vader Aymijn ende claechden hem hoe Adelaert met Lodewijc gevaren hadde van begin tot eynde. Als Aymijn dit hoerde wort hi half verwoet ende hiet dat hem elc wapende. ende datmen de paerden heymelic wter stede leyden datmens int hof niet en vername ende Aymijn toech mit sijn volc terstont heimelic wter stede. Reinout hiet Adelaert Beyaert sadelen ende lietet wter stat leden ende als alle dinc te punte was seide Reinout: ‘Het cost dat mach, ic sel dat hoeft van Lodewijc onsen coninc hebben’ ende mit dese woirden so wapende hem Reynout ende Adelaert. ende togen haer cleder daer over dat mens niet en sach ende sloegen elc een mantel om ende namen elc in die hant een bloot swaert. Aldus gingen si te hove. onder des is dat volc al meest gecomen wten boemgaert in de sale ende Lodewijck stont ende gaf elc sijn loen; hier en binnen quam Reynout ende Adelaert in dye sale ende coninc Karel stont bi Lodewijc, doe hieten si alle datmen Aymijns kinder doer liete ende als Reinout ende Adelaert bi coninc Karel quamen grueten si hem minlic mer Lodewijc en grueten si niet Ende terstont greep Reinout coninc Lodewijc bi den hoefde ende sloech hem thoeft af ende nam thoeft bijden hare ende werpt tegen die muer dattet bloet in conincs aensicht spranc. Als coninck Karel zyn soen Lodewijc so deerlic vermoert sach was hi mit groten toerne ontsteken ende spranc op mit groter verbolgentheyt ende seide: ‘Ghi edele [fol. 52] baroenen, dye mi nu liefhebben, helpt mi wreken den doot van minen lieven soen de Reynout soe deerlick vermoert heeft.’ Doe sprongen alle de baroenen op ende wapenden hem haestelic wel tot xx. hondert toe ende gingen na Reynout. Doe Reynout ende Adelairt dit sagen setten si hem ter vlucht ende ruymden met hem beyden wter stede ende reden tot haren vader, daer hi helt met viij. hondert man wel voersien van wapen ende was op een scoon velt ende Reinout riep met luder stemmen: ‘Vader laet ons vlien, geeft mi tors Beiaert want ic heb Lodewijc thoeft afgeslaghen; het vlien is ons gheen scande want coninc Karel is onse coninc’ ende die grave Aymijn seyde: ‘Dat en sal niet gescien; dye van Nerboen en plegen niet voer[t] te lopen of te vlieen: huden meer sal ic bliven op dat velt ende verwachten wat mi op comen mach ende weren mi tegen coninc Karel. ende ist dat daer yemant vliet ic salse terstont doen hangen.’ Daer was elc wel voersien van wapen, Reinout sat op Beyaert daer hi hem seer wel op vertroest want hijt seer bedwonghen had ende sijn broeders saten op ander orssen heerlijc als de geen die hem wouden weeren. ende haer vianden cleyn ontfangen Aldus reden si den coninc tegen dair hi mit sijn volc quam ende Reinout versach den coninc dair hi quam rijden besiden den ghenen die den standaert hielt ende noepte Beiaert mit sporen ende stac den coninc mit suIker nijt doer den scilt ende halsberch dat hi vanden paerde viel ende eer hi tswaert trecken conde wert hi seer geslaghen. Reinouts broeders reden mede in de meeste hope ende deden wonder metten swaerde; nochtans souden si daer inden aenganc gebleven hebben, en hadde Aymijn haer vader hem niet ontset die met sijn volck an quam ende sloech inden meesten hoep ende dede wonder [fol. 53] metten swairde: dair was over beide siden menich schoen feit van wapen gedaen. Doe geboet coninc Karel over sijn heren dat men Aymyns volc int hem besluten soude ende om ridense, dat also gedaen wert. Als Aymijn dat sach seide hi tot sijn volc: ‘Hier en mach niemant vlien, elc weer hem vromelijc.’ Daer vochte Aymijn so seer ende lange dat hem al sijn volc of gheslagen was mer hi en sijn kinder saten noch op haer paerden. doe wort Aymijns paert onder hem doot gesteken soe dat hi vallen most. Ende Reinout waende dat sijn broeders gevangen geweest hadden. of doot, want hij en sachse nergent. Doe noepte hi Beiaert met sporen ende Beyaert sloech ende beet so dattet menich man dode diet verbeet ende doot sloech. Aldus doerbrack Reinout die scaren met crachten ende sijn broeders volgeden hem manlic also dat si voir volgen ende dat heer volchde hem strengenlic na, also dat de drie broeders haer orssen doot bleven ende mosten gaen te voet. Als dit Reynout sach hiet hijse springen op Beyaert, doe namen si hair gereyden ende leidense op Beyaert ende sprongen daer op, doe setten si die vlucht met Beyaert also dat hem dat here niet volghen en mocht noch niemant, hoe cloeck si opgeseten waren. Als dit de coninc sach was hi daer droevich om, noch stont Aymijn ende vacht te voet ende weerde hem vromelic; daer wasser veel diet iammerden ende hem node souden hebben sien sterven. Doe riep die bisscop Tulpijn ende seide tot Aymijn: ‘Geeft u gevangen’. De grave Aymijn seide: ‘Gaerne, heer bisscop, in u geleide, ende ist des conincx wil.’ Terstont reet de bisscop tot den coninc ende seide: ‘Wil ick den [fol. 54] grave Aymijn vangen?’ De coninc seide: ‘Wair hi gevaen, ic dede hem hangen.’ Die bisscop vinc Aymijn ende hi wert geleit in vaster hoeden. Als dit gedaen was bande coninc Karel Aymijns kinder wt al sijn lant ende swoir dat hi Aymijn soude doen hangen ende vrou Aye doen bernen omdat si die dracht gedragen had die sijn soen Lodewijc verslegen had. Coninck Karel hiet Foukijn van Parijs dat hi Aymyn name ende sloege hem terstont dat hoeft of. Doe seide bisscop Tulpyn: ‘Here coninc, dat waer grote dorperheyt datmen een gevangen doot slaen soude. want doe ic hem, heere coninc, vinc, nam ic hem in mijn geleye, daer om, heer coninc, en gedoge icx niet: eert geschiede soe soude ic hem helpen met al mijn macht.’ Doe seide dye stoute Roelant: ‘So soude ic mede.’ Doe sprac Foukijn: ‘Here coninc, het wair mesdaen soudi hem slaen want hi gevangen is: laet hem verdinghen. hi heeft huden so grote vromicheyt gedaen dattet wonder waer te seggen.’ Doe seide coninc Karel: ‘Ic sal hem doen hangen. ende vrou Aye doen bernen, het cost dat mach.’ Doe antwoirde Roelant ende seide: ‘Heer coninc, dat waer u grote lachter ende dair over en souden niemant van u heren willen staen, dat gi Aymijn soudt hangen ende u suster bernen.’ Doe sprac de coninc met erren moede: ‘Setstu di teghen mi Roelant?’ ‘Neen ic, heer coninc,’ seide Roelant, ‘mer u heren en soudens nyet willen gehengen datmen Aymyn voir haer ogen soude verdoen ende u suster ontliven: si souden daer alle liever om sterven ende tegen u vechten.’ Als Naym dese woerden verstont, seide hi totten coninck: ‘Heer coninc, hier is Bartram. mijn sone, ic heb hem seer lief; of hy tegen u yet mesdede, soude ic dat ontgelden, dat waer ymmer lachter: al heeft Reinout de grave tegen u mesdaen, ghi hebt hem luyden een schoen goet [fol. 55] gegeven dat si tot haer live gehadt souden hebben, dat si verboert hebben, wat wildi dan vader ende moeder wijten?’ Die coninc seide tot Naym: ‘Wil Aymijn sijn kinderen versweren. ende mi gevangen leveren, ic sal hem quijt laten.’ Doe riet Tulpijn de bisscop Aymijn dat hijt doen soude. Doe swoer Aymijn ende zijn wijf hoer vier kinderen doot, al daden sijt node, si swoerent op sinte Dyonijs hoeft dair menich man bi stont: waert in haer macht dat si haer kinderen leveren souden den coninc, sijn wil mede te doen, ende hier omme so liet hen die coninc quijt. Doe riep die mogende coninck Karel de twalef genoten voer hem. ende hietse sweren: waert dat si Aymyns kinder in enich lant vonden ende konden vangen dat sise den coninc brengen souden, twelc si alle swoeren ende beloefden. Hier wil ic swijghen van Aymijn ende seggen voert van sijn kinder.

Dat achtste kapittel. Hoe Reinout Lodewijk dat hoofd afsloeg en werpt het tegen de wand zodat het bloed in Karels aanzicht sprong en hoe Aymyn met zijn kinderen vochten tegen koning Karel en hoe Aymyn gevangen was en koning Karel hem wou hangen.

Reinout en Adelaert gingen tezamen tot hun vader Aymyn en klaagden hem hoe Adelaert met Lodewijk gevaren had van het begin tot het einde. Toen Aymyn dit hoorde werd hij half verwoed en zei dat hem elk wapende en dat men de paarden heimelijk uit de stede leiden zou zodat men het in de hof niet vernam en Aymyn trok met zijn volk terstond heimelijk uit de stede. Reinout zei Adelaert Beiaard zadelen en liet het uit de plaats leiden en toen alle dingen ter punt was zei Reinout: ‘Het mag kosten dat het mag, ik zal dat hoofd van Lodewijk onze koning hebben’ en met deze worden zo wapende hem Reinout en Adelaert en trokken hun kleren daarover zodat men het niet zag en sloegen elk een mantel om en namen elk in de hand een bloot zwaard. Aldus gingen ze te hof. Ondertussen is dat volk al meest gekomen uit de boomgaard in de zaal en Lodewijk stond en gaf elk zijn loon; hierbinnen kwamen Reinout en Adelaert in de zaal en koning Karel stond bij Lodewijk, toen zeiden zei alle dat men Aymyn’ s kinderen doorlieten en toen Reinout en Adelaert bij koning Karel kwamen groeten ze hem minlijk, maar Lodewijk groette ze niet. En terstond greep Reinout koning Lodewijk bij het hoofd en sloeg hem het hoofd af en nam het hoofd bij de haren en wierp het tegen de muur zodat het bloed in konings aanzicht spatte. Toen koning Karel zijn zoon Lodewijk zo deerlijk vermoord zag was hij met grote toorn ontstoken en sprong op met grote verbolgenheid en zei: ‘Gij edele baronnen die mij nu liefhebben help me wreken de dood van mijn lieve zoon die Reinout zo deerlijk vermoord heeft.’ Toen sprongen al de baronnen op en wapenden hen haastig, wel tot 2000 toe en gingen naar Reinout. Toen Reinout en Adelaert dit zagen zetten ze zich ter vlucht en ruimden met hen beiden uit de plaats en reden tot hun vader daar hij hield met 800 man, goed voorzien van wapens en was op een mooi veld en Reinout riep met luide stem: ‘Vader laat ons vlieden, geef me het paard Beiaard want ik heb Lodewijk het hoofd afgeslagen; het vlieden is ons geen schande want koning Karel is onze koning’ en de graaf Aymyn zei: ‘Dat zal niet geschieden; die van Narbonne plegen niet voor te lopen of te vlieden: heden meer zal ik blijven op dat veld en wachten wat op me komen mag en verweren me tegen koning Karel en is het dat daar iemand vliedt, ik zal ze terstond doen hangen.’ Daar was elk goed voorzien van wapens, Reinout zat op Beiaard dat hij hem zeer goed op vertroost want hij het zeer bedwongen had en zijn broeders zaten op andere paarden heerlijk als diegene die hen wilden verweren en hun vijanden klein ontvangen. Aldus reden ze de koning tegen daar hij met zijn volk kwam en Reinout zag de koning daar hij kwam rijden bezijden diegenen die de standaard hield en noopte Beiaard met sporen en stak de koning met zo’ n nijd door het schild en maliĎnkolder dat hij van het paard viel en eer hij het zwaard trekken kon werd hij zeer geslagen. Reinout’ s broeders reden mee in de grootste hoop en deden wonder met het zwaard; nochtans zouden ze daar in de aanvang gebleven zijn had Aymyn hun vader hen niet ontzet die met zijn volk aankwam en sloeg in de grootste hoop en deed wonder met het zwaard: daar was over beide zijden menig mooi feit van wapen gedaan. Toen gebood koning Karel over zijn heren dat men Aymyn’ s volk omsluiten zou en omrijden, dat alzo gedaan werd. Toen Aymyn dat zag zei hij tot zijn volk: ‘Hier mag niemand vlieden, elk verweert hem dapper.’ Daar vocht Aymyn zo zeer en lang zodat hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn kinderen zaten nog op hun paarden. Toen wordt Aymyn’ s paard onder hem dood gestoken zodat hij vallen moest. En Reinout waande dat zijn broeders gevangen geweest waren of dood, want hij zag ze nergens. Toen noopte hij Beiaard met sporen en Beiaard sloeg en beet zodat het menige man doodde die het beet en dood sloeg. Aldus doorbrak Reinout die scharen met kracht en zijn broeders volgden hem mannelijk alzo dat ze voor volgen en dat leger volgde hen sterk na, alzo dat de drie broeders hun paarden dood bleven en moesten gaan te voet. Toen dit Reinout zag zei hij ze te springen op Beiaard, toen namen ze hun zadels en legden die op Beiaard en sprongen daarop, toen zetten ze de vlucht met Beiaard alzo dat hen dat leger niet volgen mocht, nog niemand, hoe kloek ze opgezeten waren. Toen dit de koning zag was hij daar droevig om, nog stond Aymyn en vocht te voet en weerde hem dapper; daar waren er veel die het jammer was en hem node zouden hebben zien sterven. Toen riep de bisschop Tilpin en zei tot Aymyn: ‘Geef u gevangen’. De graaf Aymyn zei: ‘Graag, heer bisschop, in uw geleide en is het de konings wil.’ Terstond reed de bisschop tot de koning en zei: ‘Wil ik de graaf Aymyn vangen?’ De koning zei: ‘Was hij gevangen, ik deed hem hangen.’ De bisschop ving Aymyn en hij werd gelegd in vaste hoede. Toen dit gedaan was bande koning Karel Aymyn’ s kinderen uit al zijn land en zwoer dat hij Aymyn zou doen hangen en vrouwe Aye doen branden omdat ze die dracht gedragen had die zijn zoon Lodewijk verslagen had. Koning Karel zei Foukijn van Parijs dat hij Aymyn nam en sloeg hem terstond dat hoofd af. Toen zei bisschop Tilpin: ‘Heer koning, dat is grote dorpsheid dat men een gevangene dood slaan zou want toen ik hem, heer koning, ving nam ik hem in mijn geleide, daarom, heer koning, gedoog ik het niet: eer het geschiedde zo zou ik hem helpen met al mijn macht.’ Toen zei die dappere Roelant: ‘Zo zou ik mede.’ Toen sprak Foukijn: ‘Heer koning, het was misdaan zou ge hem slaan want hij gevangen is: laat hem verdingen. Hij heeft heden zo grote dapperheid gedaan dat het een wonder is dat te zeggen.’ Toen zei koning Karel: ‘Ik zal hem doen hangen en vrouwe Aye doen branden, wat het kost dat het kost.’ Toen antwoorde Roelant en zei: ‘Heer koning, dat was u groot lachen en daarvoor zou niemand van uw heren willen staan dat ge Aymyn zou hangen en uw zuster branden.’ Toen sprak de koning met geĎrgerd gemoed: Zet u zich tegen mij Roelant?’ ‘Neen ik, heer koning,’ zei Roelant, ‘maar uw heren zouden het niet willen toestaan dat men Aymyn voor haar ogen zou verdoen en uw zuster ontlijven: ze zouden daar alle liever om sterven en tegen u vechten.’ Toen Naym deze woorden verstond zei hij tot de koning: ‘Heer koning, hier is Bartram. mijn zoon, ik heb hem zeer lief; als hij tegen u misdeed zou ik dat ontgelden, dat was immer lachen: al heeft Reinout de graaf tegen u misdaan, gij hebt hen lieden een mooi goed gegeven dat ze tot hun leven gehad zouden hebben dat ze verbeurd hebben, wat wil ge dan vader en moeder verwijten?’ De koning zei tot Naym: ‘Wil Aymyn zijn kinderen verzweren en me gevangen leveren, ik zal hem kwijt laten.’ Toen raadde Tilpin de bisschop Aymyn aan dat hij het doen zou. Toen zwoer Aymyn en zijn wijf hun vier kinderen dood, al deden zij het node, ze zwoeren het op Sint Dionysius hoofd daar menige man bij stond: was het in hun macht dat ze hun kinderen leveren zouden de koning zijn wil mee te doen en hierom zo liet hen de koning kwijt. Toen riep de vermogende koning Karel de twaalf bondgenoten voor hem en zei ze zeren: was het dat ze Aymyn’ s kinderen in enig land vonden en konden vangen dat ze hen de koning brengen zouden, wat ze allen zwoeren en beloofden. Hier wil ik zwijgen van Aymyn en zeggen voort van zijn kinderen.

 

 

 

Dat negende capittel. Hoe Aymijns kinderen tot Pierlepont quamen ende voeren in Spangen daer si onthouden waren biden coninc Saforet die doe heyden was ende hoe hem Reinout dat hoeft of sloech omdat hi hem zijn scat onthilt ende vacht met sijn broeders opt conincx volc dye den doot van haren coninc wreeken wouden. [fol. 56]

Als Reinout mit zijn broeders des conincx heer ontruymt waren dat si hen niet achterhalen en conden overmits de snelheyt van Volbeyaert diese ontdroech, reden si mit haesten besprenget metten bloede tot dat si int casteel van Pierlepont quamen. Ende als si daer quamen vraechde de gene die dair gebleven waren hoet vergaen was met hemluyden ende waer Aymijn haer vader ende haer moeder waren; hi seide hij en wist niet of sijn vader doot was: ‘want doe wi van hem scheiden, stont hi ende vacht te voet onder menigen vromen ridder die hem seer haten.’ Als si dit hoerden dye daer in de sale waren, dreven si groten rouwe ende mesbaer; binnen desen quam dair eene schoon ioncfrou die seer behagelic was nader werlt ende was een broeders dochter van Aymijn ende vrachde dye heren wat si te hove vernomen hadden, do seide Reinout: ‘De duvel wouts dat wi daer ye quamen want wij hebben coninc Karels soen [fol. 57] Lodewijc verslegen.’ Als die ioncfrou dit hoirde was si seer droevich ende hads so langer so meer verdriets dat haren neven so souden bliven verdreven wten lande ende oem hair oem Aymijn had si ongemeten rouwe want si waenden nemmermeer te sien ende si batter voer onse lieve Vrouwe dat hi corts thuys mochte comen ende verdingen tegen coninck Karel. Die heren ghingen eten ende deden hem te ghemake ende als si gegheten hadden ende die maeltijt gedaen was, begeerden si dat men hem versaghe van dat gheen datsi behoeftich wesen souden ende baden om een sommier mit goude ende iuwelen. Als de ionc frouwe die meninge van die heren verstaen hadde geboet si terstont die dienres dat si volcomen souden dat die heren begeerden: daer wasser terstont diet gaerne deden ende laeden een somier met goude ende iuwelen ende maecten een pac, daer in deden si wes de heren van node wesen souden ende alst al rede was, bereiden de heren werwert si haren wech nemen wouden, doe overdroegen si. dat si varen wouden in Spaengen tot Saforette diese gairne onthouden soude want hi van node hulp te doen hadde. Doe gingen die heren ende saten op haer paerden ende namen oerlof an alle die inden hove waren. ende om haer wech reysen wort groten rou bedreven. Aldus reden die heren tot si in Spaengen quamen, daer si den coninc wisten. want haer vader Aymijn hadde biden coninc onthouden geweest vij. iaer ende als de coninc dese broders van verre sach comen verkende hijse an haer wapen. ende schilde seggende tot die bi hem waren: ‘Die daer comen, sijnt Aymijns kinderen, begeren si bi mi te bliven, ic sal se onthouden: si schinen manlic! Hebben si hair vaders aert, si sullen alle mijn vianden saen verdreven [fol. 58] hebben’. Doe dede die coninc den valbrug neder legghen ende hier en binnen waren die ridderen van haer paerden getreden ende ghingen den coninc te gemoet dye daer quam met sinen maghen. Si grueten den coninck mit soeten woerden ende die coninc hem weder; die coninc vraechde hem luiden wat si begheerden, doe seide Reinout: ‘Heer coninc, ic ende mijn broeders souden u gaerne dienen ende onthouden hebben bi u.’ Doe seide die coninc: ‘Wildi geloven an onse wet ende goden als Mamet Appollijn ende Iupiter?’ Reynout sprac: ‘Heer coninc, neen ic niet, dede ic dat, so wair ic sot. Ic gelove aen God almachtich die hemel ende aerde maecte ende ons verloste mit sinen preciosen bloede an de galge des cruces ende houden kersten wet, mer wi willen u gaerne dienen om soudy.’ Doe seide Saforet: ‘Bi Mamet, ic gons u wel, dat gi mi getrouwelic dient, ic en sal u niet laten gebreken: gaet op geent casteel dat ghinder staet ende neemt dair u logijs; dat casteel leen ic u ende doet mi u scat, ic salse bewaren tot uwen besten, alst u belieft sal icken u weder geven ende ghi van mi scheyden wilt. ende wildi bi mi bliven so lange als ic leve, so hebdi hier onthout ende ic sal u genoech te doen geven.’ Als Reynout dese woerden den coninc hoirde spreken was hi blijde dattet hem also was gecomen: si gaven den coninc haren scat dat hijt bewaren soude. Reinout ende sijn broeders reden opten castele dat starc. ende schoen was ende vonden daer al wat si behoefden. dus waren si metten coninc van Spangen genoemt Saphoret drie iaer. ende dienden den coninc getrowelijc in allen oerloghen daer si menich feyt van wapen daden. Als si den coninc so lange gedient hadden verginghen haer cleeder ende gewaden dat si gebrec hadden [fol. 59] ende worden niet geacht noch eer gedaen van tconincx volc. aldus bad Reinout den coninc datmen hem sijn goet gave: hi seide dat hijt doen soude ende dat hi daer om quame, mer men gaf hem niet. Doe Reymont dit sach wert hi toernich ende seide: ‘ic belovet Gode ende geeft hi onsen scat niet, ic sal hem het selve doen dat ic Lodewijck dede.’ Doe seide Adelaert: ‘Broeder sloechdi desen coninc doot, so en wisten wi ons waer onthouden.’ Reinout seide: ‘Wat ist dan? wi sijn ongevallige menschen. al hadden wij gout, het soude onder onse handen coper worden.’ Reynout riep sinen knaep ende seide tot hem: ‘Gaet totten coninc ende segt hem dat ons cleede. of gheve ons onsen scat ende doet hijs niet, het sel hem berouwen te laet ende verstaet de woerden wel die de coninc seit.’ Die knape was genoemt Windalijn. ende dede dat hem sijn meester beval ende als die knape voir den coninc quam gruete hi hem ende als hi hem gegruet hadde seide hi: ‘Heer coninc, min here doet u seer bidden dat ghijse vercleden wilt of geven haren scat dat si hier gebrocht hebben doe si eerst quamen.’ Die coninc sprac den knape mit toernigen moede toe ende seide: ‘Ganc wt mijn ogen quaet knecht, ende segt dijn heren mede, die incomelingen, maken si meer feesten, ic doese hangen.’ Doe seide dye knape: ‘Here, dat wair onrecht.’ Doe wencte de coninc sinen drossaet dat hi den knape slaen soude ende de drossaet sloech de knape mit eenre vuyst dat hem nose ende lippen borsten ende stac hem met een voet dat hi int vier storte ende toech hem voert dair doir, als dat de knape seer mesmaect was. Die knape liep wech als hi eerst mocht ende quam bloende ter noese ende mont voer sijn here. [fol. 60] Als Reinout zijn knecht sach so seer bloeden, wert hi ontsteken mit toerne: ‘Segt mi knape, wije di aldus seer heeft geslagen.’ Die knape seide: ‘Den drossaet vanden coninc.’ Reinout seide: ‘Waer om sloech hi di?’ De knape antwoirde: ‘Ic en weets here.’ Reinout vrachde den knape: ‘Segget mi, sloech hi di om dat ghi onse have eyschte?’ ‘Ya hi, here. De coninc seide: ic en gave u niet weder een hellinc.’ ‘Ya,’ seide Reinout, ‘seit hi dat?’ ‘Ya hi, here, ende seide gi waert incomelingen ende deet als valsche ridders want gi hadt u here ende neve vermoert ende wencte sinen drossaet dat hi my slaen soude, twelc hi dede ende sloech mi metter vuyst voir nose ende mont ende stiet mi int vier.’ Als Reinout dat hoirde vanden knape was hi toernich ende riep sinen broeder Ritsaert ende seide: ‘Ic bevele u ende Wridtsaert Beiaert, dat ghijt leit wten stalle ende overdect heimelic ende wapent u mede. Adelaert, gi moet met mi gaen: wij sullen ons wapenen ende nemen ons swaerden mede ende over ons wapen sullen wi ons mantels slaen ende gaen totten coninck. ic segt u serteyn: ontset hi ons onse scat, ic sel hem het selve doen dat ic dede den coninc Lodewijc. ende nemen thoeft voir onse scat ende voerent mede after lande.’ Doe seide Adelaert: ‘Dat wair een quaet pant voir onse scat, ic naem wel wat beters.’ Doe seide Reynout: ‘Ick coelre ijmmer mijn moet over ende mijn toerne.’ Met dese woerden gingen si ten hove ende Ridsairt ende Wridtsairt maecten Beiaert rede ende hem selven mede. Als Reinout voer den coninc quam daer hi sat mit sijn baroenen ende ridderen, wast over maeltijt, daer sat menich edel man, Reynout ende sijn broeder vielen over haer knien voer den coninc ende grueten hem. Die coninc sachse an mer hi en sprack niet. Als Reynout dit sach seide hi met een hoemoedich gelaet: ‘Heer coninc, het is wel drie iaer leden dat wi u trouwelic gedient hebbe [fol. 61] in uwen lasten ende ons lijf doer u geaventuert hebben, waert in oerloghen te doen was ende hebben menich mensche verslegen om u te helpen ende ghi en gaeft ons nye een spore an onse voete ende al had ic gout in mijn hant, het worde coper eert daer wt quame. aldus edel here coninc, hebt medeliden met ons.’ Hi togede sijn bloedige armen ende sijn cleder die geleden waren dat si niet en dochten. Die coninc sloech thoeft neder ende en woude op de ridders niet sien ende als Reynout dese woerden geseyt had liepen hem die tranen wten ogen. ende versuchte seer: ‘Heer coninc en wildi ons niet cleden. gevet ons onse scat weder dat wi u gegeven hadden doe wij eerst bi u quamen: wij willen gaern oerlof hebben ende rumen u lant ende varen daert God gelieft. ende ic seg u heer coninc, en bins niet te vreden dat myn knecht so geslagen is: den genen dien sloech, salt noch berouwen.’ Doe seide die coninc mit erren moede: ‘Bij Mamet, gi maect u clage onmaten groot; ic seg u: bi onsen goden, al stonde ghij hier ten doemsdaghe toe, ic en gave u cleder noch scat.’ Doe seide daer een mercgrave: ‘Waerom soudemen u scat geven om dat gi incomelinghen sijt? het is noch onlange geleden, dat gij lelic mesdaen hebt: ghi sloeget u oems kint die u rechte coninc ende here was: al dus gaet wech,’ seide de coninc ‘men gave u niet een mite.’ Doe wert Reinout toernich ende seide: ‘Gi sult, of die duvel hebs deel.’ Mettien toech hi sijn swairt seggende: ‘Gi sult u overdaet becopen.’ Als de coninc dit sach riep hi met luider stemmen ghenade ende seide: ‘Ic sel u cleder ende scat geven tot uwen wille.’ ‘Neen,’ sprac Reinout ‘gi ontseidet mi doe ic u badt ende hiet ons incomelingen: ic salt u nu vergelden, of mi en gebreke arm of swairt.’ Reinout sloech de coninc dat hoeft of ende gaft sinen broeder Adelaert [fol. 62] ende seide: ‘Wij moetent aen ons paert binnen ende nement te pande voer onse scat.’ Doe wert daer inden hove groot gescal (de stat hiet Aquitaengen op die tijt) men sloech die clocken, hem wapende al dat weer doen mochte om den doot van haren coninc te wreken. Hier en binnen is Reynout ende zijn broeders gecomen bi Beiaert ende hebben vier de meeste heren verslagen de inden hove waren. Ende alle vier de broeders sijn geseten op Beiaert ende theer hebben si versien dat op hem quam met groten nijt. ende den hertoech Ryant des conincx broeder was beleder vant heer en de heeft Reinout versien, daer hi op reet ende Reinout weder op hem. Ryant badt sijn volc dat si hem crachtelic volchden want het heer was groot. Ryant stac op Reynout ende Reinout gaf Beyaert den toem ende Reinout stac Ryant doer den scilt ende inden buyc dat hi doot ter aerden viel ende tros mede. Doe liet hi Beiaert lopen ende seide: ‘Beiaert wilt mi huden helpen.’ Dat ors verstont dye woerden wel: daer wrochten de vier ridders wonder met haer swaerden ende bi hulp van Beiaert; dat heer was groot also dat de vier heren strengelic bevochten worden, hoe wel dat si veel volcs versloegen. Doe quam daer een sterc heiden rijden ende meende Reynout te slaen. ende sloech Reinout opten scilt van goude datter een groot stuc of sprang dat si hem presen diet sagen ende als hi voer bi Adelaert liden soude. sloech hem Adelaert dat hoeft an twe stucken dat hi doot ter aerden viel; daer sloegen de ridders alle doot dat hem gemoete oft ghenaken conde, nochtans waren si so seer verladen: en had Volbeyaert gedaen, si souden dair alle vier gebleven hebben want Beyaert sloech ende beet veel volcx doot so dattet ors was seer te ontsien, want waert sijn sprongen [fol. 63] nam, elc ruymde hem die rumen mocht. niemant en dorstet genaken. Dus vochten si so lange dat si die scaren doerbraken want si waren moede ende mitten bloede seer belopen ende Beiaert was tot menige stede gewont. Aldus reden si soe verre dat si sonder sorge waren vanden heren ende verbonden haer wonden ende binnen desen vervolgede hem luden theer so dat si bi hem waren. Doe seide Reinout: ‘Wi moeten noch weder striden.’ Doe seide Adelaert: ‘Stont de raet an mi ende ic tors had in mine gewout, ic en vocht niet, broeder, want ic vloge liever wter noot dan ic dus doot bliven soude.’ Doe seide Reynout: ‘Broeder, dat en mach niet wesen’. Mit dien reden si mit Beyert int heer ende vochten so lange datmen wel een mile gegaen soude hebben. ende maecten ontalijke veel doden; doe werden si moede ende theer en scheen niet te minderen, doe braken si mit cracht de scaren ende ontreden theer want haer scilden waren al stucken ende haer helmen doerslegen ende waren seer gewont ende Beyert mede. Doen seide Adelaert: ‘Nu en weet ic niet werwert wi tiden mogen dair wi onthout souden hebben.’ ‘So en weet ic mede,’ seide Reinout. Doe sprac Wridsaert ende seide: ‘Het is een vreemt dinc dat ons de werlt te cleyn is.’ Doe seide Ridtsaert: ‘Ic weet ons onthout.’ Reinout vragede: ‘Waer ist?’ ‘Totten coninc Yewijn want dye coninc Saforet sloech zijn vader ende beide zijn broeders ende destrueerde drie castelen.’ Doe seide Wridsaert: ‘Ist also, so sullen wij hem wesen welecoem ende ons gaern onthouden.’ Doe seide Reynout: ‘Laet ons dair varen’ ende si namen haren vaert ende reden dat si binnen iij. dagen quamen in Yewijns lant ende versagen dat casteel daer Yewijn ende sijn baroenen op waren: het was een scoon starc casteel ende lach neven een roetse. Doe seide Wridsaert: ‘Wij [fol. 64] mogen nu wel sonder sorge wesen want ginder staet Yewijns burch.’ Doen sprac Adelaert de ridder: ‘Laet ons rusten want wi sijn moede.’ Daer traden si vanden paerde ende gingen sitten int gras ende verbonden elc anders wonden. Dat gedaen wesende, leiden si haer hoefden in haer schilden ende sliepen een weinich.

Dat negende kapittel. Hoe Aymyn’ s kinderen te Pierlapont kwamen en voeren in Spanje daar ze ontvangen waren bij de koning Saforet die toen heiden was en hoe hem Reinout dat hoofd afsloeg omdat hij hem zijn schat onthield en vocht met zijn broeders op het konings volk die de dood van hun koning wreken wilden.

Toen Reinout met zijn broeders het konings leger ontruimd waren dat ze hen niet achterhalen konden vanwege de snelheid van Beiaard die ze weg droeg reden ze met haast en besprengt met het bloed totdat ze in het kasteel van Pierlapont kwamen. En toen ze daar kwamen vroeg diegene die daar gebleven waren hoe het vergaan was met hen lieden en waar Aymyn hun vader en hun moeder waren; hij zei; hij wist niet of zijn vader dood was: ‘want toen we van hem scheiden stond hij en vocht te voet onder menige dappere ridder die hem zeer haten.’ Toen ze dit hoorden die daar in de zaal waren dreven ze grote rouw en misbaar; binnen dit kwam daar een mooie jonkvrouw die zeer behaaglijk was naar de wereld en was een broeder dochter van Aymyn en vroeg de heren wat ze te hof vernomen hadden, toen zei Reinout: ‘De duivel wilde het dat wij daar ooit kwamen want wij hebben koning Karel’ s zoon Lodewijk verslagen.’ Toen de jonkvrouw dit hoorde was ze zeer droevig en hoe langer hoe meer verdroot het haar dat haar neven zo zouden blijven verdreven uit het land en om haar oom Aymyn had ze onmetelijke rouw want ze waande hem nimmermeer te zien en ze bad er voor onze lieve Vrouwe dat hij gauw thuis mocht komen en verdingen tegen koning Karel. De heren gingen eten en deden hen te gemak en toen ze gegeten hadden en de maaltijdt gedaan was begeerden ze dat men hen voorzag van datgene dat ze behoeftig wezen zouden en baden om een pakpaard  met goud en juwelen. Toen de jonkvrouw de bedoeling van de heren verstaan had gebood ze terstond de dienaars dat ze volkomen zouden dat de heren begeerden: daar waren er terstond die het graag deden en laden een pakpaard met goud en juwelen en maakten een pak, daarin deden ze wat de heren van node wezen zouden en toen het al gereed was bereiden de heren waarheen ze hun weg nemen wilden, toen kwamen ze overeen dat ze varen wilden in Spanje tot Saforet die ze graag onthouden zou want hij van nood hulp te doen had. Toen gingen de heren en zaten op hun paarden en namen verlof aan allen die in de hof waren en om hun weg reizen wordt grote rouw bedreven. Aldus reden de heren tot ze in Spanje kwamen daar ze de koning wisten want hun vader Aymyn was bij de koning opgehouden geweest 7 jaar en toen de koning deze broeders van verre zag komen herkende hij ze aan hun wapen en schild en zei tot die bij hem waren: ‘Die daar komen zijn Aymyn’ s kinderen, begeren ze bij me te blijven, ik zal ze onthouden: ze schijnen mannelijk! Hebben ze hun vaders aard, ze zullen al mijn vijanden samen verdreven hebben’. Toen deed de koning de valbrug neer leggen en hierbinnen waren de ridders van hun paarden getreden en gingen de koning tegemoet die daar kwam met zijn verwanten. Ze groetten de koning met lieve woorden en de koning hen weer; de koning vroeg hen lieden wat ze begeerden, toen zei Reinout: ‘Heer koning, ik en mijn broeders zouden u graag dienen en onthoud hebben bij u.’ Toen zei de koning: ‘Wil ge geloven aan onze wet en goden zoals Mohamed, Apollo en Jupiter?’ Reinout sprak: ‘Heer koning, neen ik niet, deed ik dat, zo was ik zot. Ik geloof aan God almachtig die hemel en aarde maakte en ons verloste met zijn kostbaar bloed aan de galg van het kruis en houden onze christen wet, maar we willen u graag dienen om zout (soldij).’ Toen zei Saforet: ‘Bij Mohammed, ik gun u het wel dat ge me getrouw dient, ik zal u niets laten ontbreken: ga op dat kasteel dat ginder staat en neem daar uw logies; dat kasteel leen ik u en doe me uw schat, ik zal het bewaren tot uw beste, als het u belieft zal ik het u weer geven en gij van mij scheiden wil en wil ge bij mij blijven zolang als ik leef, zo heb je hier onthoud en ik zal u genoeg te doen geven.’ Toen Reinout deze woorden de koning hoorde spreken was hij blij dat het hem alzo was gekomen: ze gaven de koning hun schat dat hij het bewaren zou. Reinout en zijn broeders reden op het kasteel dat sterk  en mooi  was en vonden daar al wat ze behoefden. Dus waren ze met de koning van Spanje genoemd Saforet drie jaar en dienden de koning getrouw in alle oorlogen daar ze menig feit van wapen deden. Toen ze de koning zo lang gediend hadden vergingen hun kleren en gewaden zodat ze gebrek hadden en worden niet geacht nog eer gedaan van het konings volk. Aldus bad Reinout de koning dat men hem zijn goed gaf: hij zei dat hij het doen zou en dat hij daarom kwam, maar men gaf het  hem niet. Toen Reinout dit zag werd hij toornig en zei: ‘ik beloof het God en geeft hij onze schat niet, ik zal hem hetzelfde doen dat ik Lodewijk deed.’ Toen zei Adelaert: ‘Broeder sloeg ge deze koning dood zo wisten we niet waar ons te onthouden.’ Reinout zei: ‘Wat is het dan? We zijn ongevallige mensen. Al hadden wij goud, het zou onder onze handen koper worden.’ Reinout riep zijn knaap en zei tot hem: ‘Ga tot de koning en zeg hem dat hij ons kleedt of geef ons onze schat en doet hij het niet het zal hem berouwen te laat en versta de woorden goed die de koning zegt.’ De knaap was genoemd Windalijn en deed dat hem zijn meester beval en toen de knaap voor de koning kwam groette hij hem en toen hij hem gegroet had zei hij: ‘Heer koning, mijn heer doet u zeer bidden dat gij ze kleden wil of geven hun schat dat ze hier gebracht hebben toen ze eerst kwamen.’ De koning sprak de knaap met toornig gemoed toe en zei: ‘Ga uit mijn ogen kwade knecht en zeg uw heren mede, die inkomelingen, maken ze meer feesten ik doe ze hangen.’ Toen zei de knaap: ‘Heer, dat is onterecht.’ Toen wenkte de koning zijn drost dat hij de knaap slaan zou en de drost sloeg de knaap met een vuist zodat hem neus en lippen barsten en stak hem met een voet zodat hij in het vuur stortte en trok hem voort daardoor alzo dat de knaap zeer mismaakt was. De knaap liep weg zo gauw hij mocht en kwam bloedende ter neus en mond voor zijn heer.  Toen Reinout zijn knecht zag zo zeer bloeden werd hij ontstoken met toorn: ‘Zeg me, knaap, wie u aldus zeer heeft geslagen.’ De knaap zei: ‘De drost van de koning.’ Reinout zei: ‘Waarom sloeg hij u?’ De knaap antwoorde: ‘Ik weet het niet heer.’ Reinout vroeg de knaap: ‘Zeg het me, sloeg hij u omdat ge onze have eiste?’ ‘Ja hij, heer. De koning zei: ik gaf u niet weer een penning.’ ‘Ja,’ zei Reinout, ‘zei hij dat?’ ‘Ja hij, heer, en zei ge was inkomeling en deed als valse ridders want ge had uw heer en neef vermoord en wenkte zijn drost dat hij me slaan zou, wat hij deed en sloeg me met de vuist op de neus en mond en stootte me in het vuur.’ Toen Reinout dat hoorde van de knaap was hij toornig en riep zijn broeder Ritsaert en zei: ‘Ik beveel u en Writsaert Beiaard dat gij het leidt uit de stal en bedekt heimelijk en wapent u mede. Adelaert, gij moet met mij gaan: wij zullen ons wapenen en nemen onze zwaarden mee en over onze wapens zullen we onze mantels slaan en gaan tot de koning. Ik zeg het u zeker: ontzet hij ons onze schat, ik zal hem hetzelfde doen dat ik deed de koning Lodewijk en nemen het hoofd voor onze schat en voeren het mede achter landen.’ Toen zei Adelaert: ‘Dat was een slecht pand voor onze schat, ik nam wel wat beters.’ Toen zei Reinout: ‘Ik koel er immer mijn gemoed over en mijn toorn.’ Met deze woorden gingen ze te hof en Ritsaert en Writsaert maakten Beiaard gereed en hen zelf mede. Toen Reinout voor de koning kwam daar hij zat met zijn baronnen en ridders was het na de maaltijd en daar zat menige edelman. Reinout en zijn broeder vielen op hun knieĎn voor de koning en groeten hem. De koning zag ze aan maar hij sprak niet. Toen Reinout dit zag zei hij met een hoogmoedig gelaat: ‘Heer koning, het is wel drie jaar geleden dat we u trouw gediend hebben in uw lasten en ons lijf voor u geavontuurd hebben waar het in oorlogen te doen was en hebben menig mens verslagen om u te helpen en ge gaf ons niet een spoor aan onze voeten en al had ik goud in mijn hand, het wordt koper eer het daaruit kwam. Aldus, edele heer koning, heb medelijden met ons.’ Hij toonde zijn bloederige armen en zijn kleren die geleden hadden zodat ze niet deugden. De koning sloeg het hoofd neer en wilde op de ridders niet zien en toen Reinout deze woorden gezegd had liepen hem de tranen uit de ogen en zuchtte zeer: ‘Heer koning, wil ge ons niet kleden, geef ons onze schat weer dat we u gegeven hadden toen wij eerst bij u kwamen: wij willen graag verlof hebben en ruimen uw land en varen daar het God belieft. En ik zeg u, heer koning, ik ben niet tevreden dat mijn knecht zo geslagen is: diegene die hem sloeg zal het nog berouwen.’ Toen zei de koning met geĎrgerd gemoed: ‘Bij Mohamed, ge maakt uw klagen onmetelijk groot; ik zeg u: bij onze goden, al stond gij hier tot doemsdag toe, ik gaf u kleren nog schat.’ Toen zei daar een marktgraaf: ‘Waarom zou men u schat geven omdat ge inkomelingen bent? Het is nog kort geleden dat gij lelijk misdaan hebt: ge sloeg uw ooms kind die u rechte koning en heer was: aldus ga weg,’ zei de koning ‘men gaf u niet een kaf.’ Toen werd Reinout vertoornd en zei: ‘Gij zal of de duivel heeft zijn deel.’ Meteen trok hij zijn zwaard zeggende: ‘Gij zal uw overdaad bekopen.’ Toen de koning dit zag riep hij met luide stem genade en zei: ‘Ik zal u kleren en schat geven tot uw wil.’ ‘Neen,’ sprak Reinout ‘ge ontzei het me toen ik u bad en noemde ons inkomelingen: ik zal het u nu vergelden of me ontbreekt arm of zwaard.’ Reinout sloeg de koning dat hoofd af en gaf het zijn broeder Adelaert en zei: ‘Wij moeten het aan ons paard binden en nemen het te pand voor onze schat.’ Toen werd daar in de hof groot geschal (de stad heet Aquitaine op die tijd) men sloeg de klokken, het wapende al dat verwering doen mocht om de dood van hun koning te wreken. Hierbinnen is Reinout en zijn broeders gekomen bij Beiaard en hebben vier de grootste heren verslagen die in het hof waren. En alle vier broeders zijn gezeten op Beiaard en het leger hebben ze gezien dat op hen kwam met grote nijd en de hertog Ryant,, de konings broeder, was leider van het leger en heeft Reinout gezien daar hij op reed en Reinout weer op hem. Ryant bad zijn volk dat ze hem krachtig volgden want het leger was groot. Ryant stak op Reinout en Reinout gaf Beiaard de toom en Reinout stak Ryant dor het schild in de buik zodat hij dood ter aarde viel en het paard mede. Toen liet hij Beiaard lopen en zei: ‘Beiaard wil me heden helpen.’ Dat paard verstond die woorden goed: daar wrochten de vier ridders wonder met hun zwaarden en met hulp van Beiaard; dat leger was groot alzo dat de vier heren sterk bevochten worden, hoewel dat ze veel volk versloegen. Toen kwam daar een sterke heiden rijden en meende Reinout te slaan en sloeg Reinout op het schild van goud zodat er een groot stuk van afsprong zodat ze hem prezen die het zagen en toen hij voorbij Adelaert gaan zou sloeg hem Adelaert dat hoofd in twee stukken zodat hij dood ter aarde viel; daar sloegen de ridders alles dood dat hen ontmoette of genaken kon, nochtans waren ze zo zeer verladen: en had Beiaard niet gedaan, ze zouden daar alle vier gebleven hebben want Beiaard sloeg en beet veel volk dood zodat het paard was zeer te ontzien, want waar het zijn sprongen nam, elk ruimde hem die ruimen mocht, niemand durfde het te genaken. Dus vochten ze zolang dat ze die scharen doorbraken want ze waren moede en met het bloed zeer belopen en Beiaard was te menige plaats gewond. Aldus reden ze zo ver dat ze zonder zorgen waren van de heren en verbonden hun wonden en binnen dezen volgden die lieden met het leger zodat ze bij hen waren. Toen zei Reinout: ‘We moeten nog weer strijden.’ Toen zei Adelaert: ‘Stond de raad aan mij en ik het paard had in mijn geweld, ik vocht niet, broeder, want ik vloog liever uit de nood dan ik aldus dood blijven zou.’ Toen zei Reinout: ‘Broeder, dat mag niet wezen’. Met die reden ze met Beiaard in het leger en vochten zo lang dat men wel een mijl gegaan zou hebben en maakten ontelbaar veel doden; toen werden ze moede en het leger scheen niet te verminderen, toen braken ze met kracht de scharen en ontkwamen het leger want hun schilden waren al stuk en hun helmen doorgeslagen en waren zeer gewond en Beiaard mede. Toen zei Adelaert: ‘Nu weet ik niet waarheen we gaan mogen daar we onthoudt zouden hebben.’ ‘Zo weet ik mede,’ zei Reinout. Toen sprak Writsaert en zei: ‘Het is een vreemd ding dat ons de wereld te klein is.’ Toen zei Ritsaert: ‘Ik weet ons onthoudt.’ Reinout vroeg: ‘Waar is het?’ ‘Tot de koning Yewyn (of Yewe) want die koning Saforet sloeg zijn vader en beide zijn broeders en vernielde drie kastelen.’ Toen zei Writsaert: ‘Is het alzo, zo zullen wij hem wezen welkom en ons graag onthouden.’ Toen zei Reinout: ‘Laat ons daar varen’ en ze namen hun vaart en reden zodat ze binnen 3 dagen kwamen in Yewyn’ s land en zagen dat kasteel daar Yewyn en zijn baronnen op waren: het was een mooi sterk kasteel en lag nevens een rots. Toen zei Writsaert: ‘Wij mogen nu wel zonder zorgen wezen want ginder staat Yewyn’ s burcht.’ Toen sprak Adelaert de ridder: ‘Laat ons rusten want we zijn moede.’ Daar traden ze van het paard en gingen zitten in het gras en verbonden elk de andere zijn wonden. Dat gedaan wezende legden ze hun hoofden in hun schilden en sliepen een weinig.

 

 

 

Dat X. ca. Hoe Reinout ende sijn broeders op stonden, als si een weinich geslapen hadden, reden si tot coninc Yewyn ende gaven thoeft van coninc Saforet ende hoe hise onthielt ende Reinout zyn dochter gaf ende een roetse dair hi hem op onthielt tegen coninc Karel van Vrancrijck.

Als dese vier ridderen geslapen hadden saten si op Beiaert ende reden mit haesten haerre vaert ende bonden thoeft van Saforette an een staec. ende stakent om hoge boven haer bannieren ende de croen was dair boven op gebonden ende reden tot dat si quamen voer Yewijns burch. Die coninc stont tot dier tijt opter tinnen ende seide: ‘Ic sie vreemtheit. ginder comen [fol. 65] vier ridders schoon ende behagelic ende hebben maer een ors bescreden, het is dat grootste ors dat ic ye sach.’ Doe liepen neder die ridders ende ioncfrouwen om dat paert te sien daer die heren op saten. Die coninck ghinc selve met sijn baroenen om de ridders te sien. ende als hise sach was hij blide. Als die broeders den coninc sagen, vielen si hem te voet ende grueten hem minlijc ende als si dat gedaen hadden so toechden si den coninc thoeft daer die croen op stont ende seiden: ‘Heer coninc, hier is thoeft van uwen viant den coninck Saforette. ende gheliefdet u, wi willen u dienen mit al onser macht ende helpen u wes wi vermoegen.’ Doe nam die coninc dat hooft ende seyde: ‘Gi heren, gi sijt mi welcoem ende ick sal u herberghe geven ende dairtoe broot ende wijn.’ Reinout seide: ‘Dat loen u God; wi willen volcomen wes gi ons hiet.’ Doe seide de coninc: ‘Ic wist gaerne hoe ghi hiet.’ Reinout seide: ‘Dat willen wi gaerne doen ende segghen hoe wij hieten ende wie onse vader is: onse vader hiet Aymijn. ende mijn outste broeder Ridsaert, de ander Adelaert, die derde Wridsaert ende ic hiet Reinout.’ Als dit die coninc hoerde ontfinc hise met bliscap oft sijn kinderen hadden geweest ende dedese heerlick vercleden ende dede hem een meester hebben diese ghenas van haer wonden. Aldus dedese de coninc veel ghemacs dat si in seven weeken genasen van haer wonden. ende Beiaert mede; hi dede hem nieuwe scilden maken ende haer hernas versien ende schoon maken ende convertueren over haer paert. Als dit gedaen was gereide hem die coninck om te stride te trecken. Ende hadde groot volc vergadert bi hem om te wreeken dat hem die coninc Saforette misdaen hadde. Als die coninc mit sijn volcke rede was deden de broeders Beiaert [fol. 66] sadelen ende overdecken mit een coffertuer ende saten dair op mit groter hoemoedicheit. Dus reet de coninck Yewijn in Saforetten lant ende sloegen al doot dat si vonden ende destrueerden veel sloeten ende steden ende dodent al sonder wijf ende kinder: dus lach coninc Yewijn in Saforetten lant bi drie jaer ende dede castelen ende sloten maken daert hem geliefde om dat lant te houden: wat strijde dat Yewijn vacht, hi had altoes victorie, daer hem God ende de iv. ridders toe hulpen, also dat Yewijn sijn vianden verwan ende ontsien wert van sinen vianden overmits de vier ridders, want si vroem ende cloec waren. Aldus dienden si Yewijn getrouwelic bi vier jaren ende Yewijn dede die broeders grote eer. ende gaf hem scone ghiften van cierheit ende yuwelen. Doe coninc Karel verhoerde dat Reynout met sijn broeders onthouden waren bi den coninc Yewyn, so sende coninc Karel een bode met een brief an coninc Yewijn inhoudende: oft coninc Yewijn te lieve ende om grote vrienscap van coninc Karel hem senden woude de vier broeders die sinen sone Lodewijc so jammerlic vermoirt hadden, hi badts hem sere ende wouts hem dancken. Die bode haeste hem dat hi quam in Yewijns lant ende vernam wair die coninc was, dair hi toech. ende als hi den coninc sach gruete hi hem ende seide dat hi quame van den coninc van Vrancrijc, de hem den brief sende ende om een antwoirt weder om te hebben. Als die coninc den brief in de hant had brac hien op. ende lassen watter in gescreven stont. Als Yewijn den brief ghelesen had ende dat inhouden daer of verstaen, was hi droevich ende dede de baroenen heimelic bi hem comen, dats die broeders niet en wisten ende seide tot hem: ‘Ghi heren ende baroenen, coninc Karel van Vrancrijc heeft een brief an mi gesent, de inhout dat ic hem senden soude de [fol. 67] iv. broeders ende sende icse hem niet, so sal hi mijn viant worden; raet mi hier in, gi heren, wat mi best hierin gedaen is ende min eere mede bewaert. want doer die broeders heb ic mijn vianden verwonnen ende ben seer ontsien in heidenis: ic en wil geen verrader wesen.’ Doe seide de hertoech van Ribemont toten coninc: ‘Heer coninc, ick heb wel eer gehoert dat si coninc Karel grote lachter deden ende sloegen sinen soen Lodewijc doot, dat ick rade u dat ghise hem levert, behouden haer lijf, ende ist dat gi des niet en doet soe sal u verdriet naken: want coninck Karel sel comen in u lant ende vernielent. ende can hi u dan crigen hi sal u doen hangen.’ Heer Hughe van Avernaes sprac met toernigen moet als hi desen raet had horen geven: ‘Vermaledijt si de raet’ ende seide: ‘Heer coninc, geefdi so op de ridders, men sal u over dusent iaer verrader hieten ende het wair oec dorperliken gedaen, want si u trouwelic gedient hebben ende menigen heiden verslegen ende u naem in heidenis doen ontsien; u vaendrager is Adelaert. ende Ridsaert is een vroem ridder: soudise dus overgeven ende verraden, men soude u min achten dan een dwaes.’ Doe seide Ysoreit de hertoge: ‘Heer Huge heeft waer geseit.’ Doe sprac een coen ridder. ende hiet Reinier: ‘lc segt u heer coninc, inder waerheit, verloerdi dese vier ridders, gi waert onteert ende ist dat ghijse mit verradenis opgeeft, si sijn van soe hoghe magen, als dat si u jagen souden uten lande: quaemdi in Poelgen of Calaberen, Cecilien Griecken of Hongerien, in Engelant Normandien of Vrancrijc, u stonde te lijden swaer verdriet want si hebben in alle dese landen veel edele magen; mer wildi u selven quiten ende U eer bewaren tegen hair vrienden, dordise niet onthouden om Karels wil, so laetse varen in een ander lant daer si Karel nyet en onsien.’ [fol. 68] Als heer Lambert desen raet hoerde seide hi met scempige woerden: ‘Heer coninc dat is goeden raet die u gegeven wort; mer ic seg u certeijn, wedersegdise den coninc, gi sult varen als dander die tegen coninc Karel strijt maecten ende met scanden verwonnen worden.’ Als Ysoreit here Lambert dese woerden hoerde spreken, wert hi toernich ende sloech heer Lambert met een vuyst in den hals dat hij doot ter aerden viel. voer zyn voeten. Als de andre heren dit sagen waren sijs blide; doe seyde heer Huge: ‘Vrient, en spreket niet meer als een dwaes; gi riet onsen coninc grote scande ende seit dat hem coninc Karel hangen soude met Reinout; men mach hangen die men wil, mer gi hebt u doemsdach. Heer coninc, die u desen raet gaf, en gaf seker om u lijf niet een mite; ick segt u voerwaer, geen coninc en mach verrader wesen: dat gi dese broders sende den coninc ende hise tleven naem. dat waer scandelic, heer coninc. Doet minen raet: laetse varen in een ander lant. daer si hem weten te onthouden voir coninc Karel, so doedi wijsselic.’ De coninc docht desen raet goet ende seide dat hijt doen woude, want hem iammerde seer Reinout. ende sine broeders, dat si van hem sceiden souden om goede diensten die si hem ghedaen hadden; mer coninc Karels toern ontsach hi sere. Doe seyde heer Huge Avernaes toten coninc: ‘Heer coninc, ick seg u inder waerheit, geen goet man en hoert te horen na den raet van Ancel ende Lamberti neven, si sijn beyde van den geslachte de nie goet en deden: heer coninc, wildy behouden u eer, gi sult Reinout u dochter Clarisse geven ende geeft hem dye roetse op die Gronde, daer sal hi doen maken een vasten burch, ic seg u vorwair: mach Reinout bi u dochter kinder werven, hi is van so hogen geslacht [fol. 69] hi sal u de oerlogen tegen coninc Karel wel helpen dragen, so moechdi rustelic leven ende sonder sorch.’ Als de coninc desen raet hoirde was hi blide want dien raet docht hem goet ende seide: ‘Mochtet also comen dat Reinout ende zijn broeders mit mi bleven int lant, soe waer ic blide.’ Die coninc ontboet Reinout ende zijn broeders dat si tot hem quamen, twelc die broeders terstont deden ende als si biden coninc quamen, grueten si hem ende als si hem gegruet hadden seide Reinout: ‘Heer coninc, wat belieft u van mi.’ De coninc seide tot Reinout: ‘Hier heeft gesent coninc Karel van Vrancrijc enen bode met enen brief de inhout, dat ic doer zijn beliefte u ende uwe broeders gevangen woude senden in Vrancrijc, des en wil ic niet doen. ic en wil geen verrader wesen. mer sijn toern en derf ic niet verwachten: Reinout, wildi mit u broeders varen in Poelgen Calaberen of over de Suytzee, ic en sal u nemmermeer begeven met scatte noch met goede; doet dat, so doedi als de wijse, segt u meninge wat gi doen wilt.’ Reinout antwoerde: ‘Heer coninc, het staet ons te hants tot sorgen, want tegen coninc Karel en mogen wi niet striden, hier in tlant noch over zee, mer heer coninc, wildi mi de roetse geven die daer staet inden Gronde, ic sal daer een casteel op doen maken, dat ic coninc Karel nyet een mite ontsien en sel.’ Doe seide coninc Yewijn: ‘Reinout, gave ic u de roetse, gi dwoncter al mijn lant mede ende oec Gascoengen.’ Doe seide Reinout: ‘Here coninc, ic en soude niet, des wil ic u geven mijn sekerheit, ende waerder yemant de u misdoen woude, ic soudet op hem wreken, alsoe dat hi mit vreden niet en soude mogen slapen op sijn bedde noch eten of opstaen; wildi mi de roetse geven, ic ende mijne broeders sullen u al ons leven dienen gelijc of ghi onse vader waert.’ De coninc antwoerde: ‘ic sal mi dair op beraden.’ Doe ginc de coninc tot zijn baroenen [fol. 70] ende seyde: ‘Ghi heren, hier is Reinout ende heeft mi gebeden om die roetse in de Gronde, of icse hem geven wil, hi sal dair op doen maken een castele so starc dat hi hem daer op onthouden sal tegen coninc Karel ende sine magen, ende nyet onsien Karels macht, ende ic heb u wel geseit wat brief dat coninc Karel an mi gesonden hevet. Nu raet mij gi heren, wat best gedaen is ende ick mijn eer beware.’ Ysoreit antwoerde: ‘Heer coninc, ghi sult Reynout die roetse geven voer ons allen ende Clarissen u dochter mede, so salmen u ontsien in veel plaetsen waerment verneemt.’ Doe seide Anceel: ‘So wildi onsen coninc setten tegen coninc Karel: als hi dit verneemt sal hi comen ende verderven al conincs lant ende vangen hem ende Reinout met sijn broeders ende doense hangen; dit waer ijmmer scande dat men onsen coninc die so edel ende machtich is, in zyn lant hangen soude. ende Reinout met sijn broeders.’ Dese woerden van Ancel vertorende seer Avernaes ende sloech Anceel met een vuyst in zijn hals dat hy ter aerden storte ende doot bleef: ‘dair is dijn loen van dijn goeden raet.’ Als die coninc dit sach, seide hi: ‘Ghi heren, laet dit wesen, ic sal Reinout mijn dochter geven ende de roetse inden Gronde, so sal hi mi helpen waer ict te doen heb, ende sine broeders mede, gelijc of ic hair vader wair.’ Doe riep de coninc Reinout ende seide tot hem: ‘Reinout edel grave, wildi ende alle uwe broeders mi getrou wesen, ic sal u de roetse inden Gronde geven, ende mijn dochter de scoon bloem tot enen wive ende dair toe de helft van minen goede, so moechdi u casteel laten tymmeren so starc dat gi u dair op onthouden moecht tegen dye macht van coninc Karel, want hi en mach u niet deren al lage hijer voer hondert jaer.’ Doe seide Reinout: ‘Heer coninc, danc hebt, u dochter neme ic gaerne ende die roetse mede.’ [fol. 71] Aldus gaf coninc Yewijn sijn dochter Reinout tot enen wive ende deedse hem trouwen. Mer vanden feest vander bruiloft wil ic swigen om de lancheit wil. Als de feest vander bruloft over was, ontboet Reynout al die tymmerluden ende metselaers de hi conde crigen in alle die landen daer omtrent om sijn casteel te maken, also dat hi vergaderde dusent tymmermans ende vij. hondert metselaers. Ende ter stont dede Reinout dat casteel beginnen ende met haesten opmaken dic van muren ende seer hoge; om dat casteel ghingen twee muren alsoe dat dit casteel in corter tijt volmaect was. Doe dede Reinout ontbieden doer tlant: wie totter roetsen woude comen woenen, Reynout soude hem husinge geven ende daer toe vry houden al haer leven. Als dit de luden verhoerden, quammer veel volcs also dat Reinout in corter tijt vergadert had bi hem xv. hondert man. Sommighe warent ambochtsluden, sommige wonnen wyngaerden sommich boemgaert enten. sommich die coren wonnen ende lant eerden. Reinout ontboet coninc Yewijn zijn wijfs vader dat hi tot hem quame. Als Yewijn de boetscap quam, voer hi derwert met zyn heren. Als die coninc op de roetse quam seide hi tot Reinout: ‘Gi hebt een scoen ende starc castele gemaect ende wel versien oft noot dede: segt Reinout, hoe is sinen name?’ Reinout antwoirde den coninc: ‘Het is op een roetse gestaen de morben is, daerom is sijn rechte naem Montalbaen.’ Doe seide die coninc: ‘Reinout gi hebt hem een goede ende gherechte name gegeven.’ Hiermede scheide Yewijn van Reynout. [fol. 72]

Dat Xde kapittel. Hoe Reinout en zijn broeders opstonden toen ze een weinig geslapen hadden reden ze tot koning Yewyn en gaven het hoofd van koning Saforet en hoe hij ze onthield en Reinout zijn dochter gaf en een rots daar hij hem op onthield tegen koning Karel van Frankrijk.

Toen deze vier ridders geslapen hadden zaten ze op Beiaard en reden met haast hun vaart en bonden het hoofd van Saforet aan een staak en staken het omhoog boven hun banieren en de kroon was daar bovenop gebonden en reden totdat ze kwamen voor Yewyns burcht. De koning stond te die tijd op de tinnen en zei: ‘Ik zie vreemdheid ginder komen, vier ridders mooi en behaaglijk en hebben maar een paard beschreden, het is dat grootste paard dat ik ooit zag.’ Toen liepen neder de ridders en jonkvrouwen om dat paard te zien daar die heren op zaten. De koning ging zelf met zijn baronnen om de ridders te zien toen hij ze zag was hij blijde. Toen de broeders de koning zagen vielen ze hem te voet en groeten hem minlijk en toen ze dat gedaan hadden zo toonden ze de koning het hoofd daar de kroon op stond en zeiden: ‘Heer koning, hier is het hoofd van uw vijand de koning Saforet en belieft het u, we willen u dienen met al onze macht en helpen u wat we vermogen.’ Toen nam de koning dat hoofd en zei: ‘Gij heren, ge bent me welkom en ik zal u herberg geven en daartoe brood en wijn.’ Reinout zei: ‘Dat beloont u God; we willen voldoen wat ge ons zegt.’ Toen zei de koning: ‘Ik wist graag hoe ge heet.’ Reinout zei: ‘Dat willen we graag doen en zeggen hoe we heten en wie onze vader is: onze vader heet Aymyn en mijn oudste broeder Ritsaert, de ander Adelaert, de derde Writsaert en hij heet Reinout.’ Toen dit de koning hoorde ontving hij ze met blijdschap alsof het zijn kinderen hadden geweest en deed ze heerlijk verkleden en deed hen een geneesmeester hebben die ze genas van hun wonden. Aldus deed deze koning veel gemak dat ze in zeven weken genazen van hun wonden en Beiaard mede; hij deed hen nieuwe schilden maken en hun harnas voorzien en schoon maken en bedekkingen over hun paard. Toe dit gedaan was bereidde hem de koning om te strijd te trekken. En had groot volk verzameld bij hem om te wreken dat hem de koning Saforet misdaan had. Toen de koning met zijn volk gereed was deden de broeders Beiaard zadelen en overdekken met een bedekking en zaten daarop met grote hoogmoedigheid. Dus reed de koning Yewyn in Saforet’ s land en sloegen al dood dat ze vonden en vernielden veel sloten en steden en doden het al, uitgezonderd wijven en kinderen: dus lag koning Yewyn in Saforet’ s land bijna drie jaar en deed kastelen en sloten maken daar het hem beliefde om dat land te houden: welke strijd dat Yewyn vocht, hij had altijd victorie daar hem God en de 4 ridders toe hielpen, alzo dat Yewyn zijn vijanden overwon en ontzien werd van zijn vijanden vanwege de vier ridders, want ze dapper en kloek waren. Aldus dienden ze Yewyn getrouw bijna vier jaren en Yewyn deed de broeders grote eer en gaf hen mooie giften van sierlijkheid en juwelen. Toen koning Karel hoorde dat Reinout met zijn broeders onthouden waren bij de koning Yewyn zo zond koning Karel een bode met een brief aan koning Yewyn inhoudende: of koning Yewyn vanwege liefde en om grote vriendschap van koning Karel hem zenden wilde de vier broeders die zijn zoon Lodewijk zo jammerlijk vermoord hadden, hij bad het hem zeer en wou het hem bedanken. De bode haastte hem zodat hij kwam in Yewyn’ s land en vernam waar de koning was daar hij trok en toen hij de koning zag groette hij hem en zei dat hij kwam van de koning van Frankrijk die hem de brief zond en om een antwoord weerom te hebben. Toen de koning de brief in de hand had brak hij die open en las er water in geschreven stond. Toen Yewyn de brief gelezen had en de inhoud daarvan verstond was hij droevig en deed de baronnen heimelijk bij hem komen zodat het de broeders niet wisten en zei tot hen: ‘Gij heren en baronnen, koning Karel van Frankrijk heeft een brief aan mij gezonden die bevat dat ik hem zenden zou de 4 broeders en zendt ik ze hem niet zo zal jij mijn vijand worden; raad me hierin, gij heren, wat me het beste hierin gedaan is en mijn eer mede bewaard wordt want door de broeders heb ik mijn vijanden overwonnen en ben zeer ontzien bij de heidenen: ik wil geen verrader wezen.’ Toen zei de hertog van Ribemont (In PicardiĎ bij Aisne) tot de koning: ‘Heer koning, ik heb wel eerder gehoord dat ze koning Karel grote lachen deden en sloegen zijn zoon Lodewijk dood dat ik aanraadt u dat ge ze hem hem levert, behouden hun lijf en is het dat ge dat niet doet zo zal u verdriet naken: want koning Karel zal komen in uw land en vernielen het en kan hij u dan krijgen hij zal u doen hangen.’ Heer Huge van Avernas sprak met vertoornd gemoed toen hij deze raad had horen geven: ‘Vermaledijd is de raad’ en zei: ‘Heer koning, geef je zo op die ridders, men zal u over duizend jaar verrader heten en het was ook dorps gedaan want ze u getrouw gediend hebben en menige heiden verslagen en uw naam bij de heidenen doen ontzien; uw vaandeldrager is Adelaert en Ritsaert is een dappere ridder: zou ge ze dus overgeven en verraden, men zou u minder achten dan een dwaas.’ Toen zei Ysoreit de hertog: ‘Heer Huge heeft waar gezegd.’ Toen sprak een koene ridder en heet Reinier: ‘lk zeg u heer koning, in de waarheid, verloor ge deze vier ridders ge was onteerd en is het dat ge ze met verraad opgeeft, ze zijn van zulke hoge verwanten, als dat ze u jagen zouden uit het land: kwam ge in PougliĎ en CalabriĎ, SiciliĎ, Griekenland of Hongarije, in Engeland, NormandiĎ of Frankrijk, u stond te lijden zwaar verdriet want ze hebben in alle deze landen veel edele verwanten; maar wilde ge u zelf kwijten en uw eer bewaren tegen hun vrienden, durft ge ze niet onthouden om Karel’ s wil, zo laat ze varen in een ander land daar ze Karel niet ontzien.’ Toen heer Lambert deze rad hoorde zei hij met schampende woorden: ‘Heer koning dat is goede raad die u gegeven worst; maar ik zeg u zeker, weerspreek je de koning, ge zal varen als de andere die tegen koning Karel strijdt maakten en met schande overwonnen werden.’ Toen Ysoreit heer Lambert deze woorden hoorde spreken werd hij toornig en sloeg heer Lambert met een vuist in de hals zodat hij dood ter aarde viel voor zijn voeten. Toen de andere heren dit zagen waren ze blijde; toen zei heer Huge: ‘Vriend, spreek niet meer als een dwaas; ge beraadt onze koning grote schande en zegt dat hem koning Karel hangen zou met Reinout; men mag hangen die men wil, maar ge hebt uw doemsdag. Heer koning, die u deze raad gaf gaf zeker om uw lijf niet een kaf; ik zeg het u voor waar, geen koning mag verrader wezen: dat ge deze broeders zond de koning en hij ze het leven nam dat was schandalig, heer koning. Doe mijn raad: laat ze varen in een ander land daar ze zich weten te onthouden voor koning Karel, zo doe je wijs.’ De koning dacht deze raad goed en zei dat hij het doen wou want hem jammerde zeer Reinout en zijn broeders dat ze van hem scheiden zouden om goede diensten die ze hem gedaan hadden; maar koning Karel’ s toorn ontzag hij zeer. Toen zei heer Huge Avernas tot de koning: ‘Heer koning, ik zeg in de waarheid, geen goede man hoort te horen naar de raad van Ancel en Lambert’ s neven, ze zijn beide van het geslacht die niets goed deden: heer koning, wil ge behouden uw eer, ge zal Reinout uw dochter Clarisse geven en geef hem die rots op de Geronde, daar zal hij doen maken een vaste burcht, ik zeg u voor waar: mag Reinout bij uw dochter kinderen verwerven, hij is van zo’ n hoog geslacht, hij zal u de oorlogen tegen koning Karel wel helpen dragen, zo mag ge rustig leven en zonder zorgen.’ Toen de koning deze raad hoorde was hij blij want die raad dacht hem goed en zei: ‘Mocht het alzo komen dat Reinout en zijn broeders met mij bleven in het land zo was ik blijde.’ De koning ontbood Reinout en zijn broeders dat ze tot hem kwamen, wat de broeders terstond deden en toen ze bij de koning kwamen groeten ze hem en toen ze hem gegroet hadden zei Reinout: ‘Heer koning, wat belieft u van mij.’ De koning zei tot Reinout: ‘Hier heeft gezonden koning Karel van Frankrijk een bode met een brief die inhoudt dat ik door zijn liefde u en uw broeders gevangen wil zenden in Frankrijk, dat wil ik niet doen, ik wil geen verrader wezen, maar zijn toorn durf ik niet opwachten: Reinout, wil ge met uw broeders varen in PougliĎ, CalabriĎ of ver de Middellandse Zee, ik zal u nimmermeer opgeven met schatten nog met goed; doe dat, zo doe je als de wijze, zeg uw mening wat ge doen wil.’ Reinout antwoorde: ‘Heer koning, het staat ons gelijk tot zorgen, want tegen koning Karel mogen we niet strijden, hier in het land nog over zee, maar heer koning, wilde ge me de rots geven die daar staat in de Geronde, ik zal daar een kasteel op doen maken zodat ik koning Karel niet een kaf ontzien zal.’ Toen zei koning Yewyn: ‘Reinout, gaf ik u de rots, ge dwong er al mijn land mee en ook Gascogne.’ Toen zei Reinout: ‘Heer koning, ik zou dat niet, dus wil ik u geven mijn zekerheid en was er ook iemand die u misdoen wou ik zou het op hem wreken alzo dat hij met vrede niet zou mogen slapen op zijn bed, nog eten of opstaan; wilde ge me die rots geven, ik en mijn broeders zullen u al ons leven dienen gelijk of ge onze vader was.’ De koning antwoorde: ‘ik zal me daarop beraden.’ Toen ging de koning tot zijn baronnen en zei: ‘Gij heren, hier is Reinout en heeft me gebeden om die rots in de Geronde of ik het hem geven wil, hij zal daarop doen maken een kasteel zo sterk zodat hij zich daarop onthouden zal tegen koning Karel en zijn verwanten en niet ontzien Karel’ s macht en ik heb u wel gezegd wat brief dat koning Karel aan mij gezonden heeft. Nu raad mij gij heren, wat beste gedaan is en ik mijn eer bewaar.’ Ysoreit antwoorde: ‘Heer koning, ge zal Reinout die rots geven voor ons allen en Clarisse uw dochter mede, zo zal men u ontzien in veel plaatsen waar men het verneemt.’ Toen zei Ancel: ‘Zo wil ge onze koning zetten tegen koning Karel: als hij dit verneemt zal hij komen en bederven al konings land en vangen hem en Reinout met zijn broeders en doet ze hangen; dit was immer schande dat men onze koning die zo edel en machtig is in zijn land hangen zou en Reinout met zijn broeders.’ Deze woorden van Ancel vertoornde zeer Avernas en sloeg Ancel met een vuist in zijn hals zodat hij ter aarden stortte en dood bleef: ‘daar is uw loon van uw goede raad.’ Toen de koning dit zag zei hij: ‘Gij heren, laat dit wezen, ik zal Reinout mijn dochter geven en de rots in de Geronde, zo zal hij me helpen waar ik het te doen heb en zijn broeders mede gelijk of ik hun vader was.’ Toen riep de koning Reinout en zei tot hem: ‘Reinout, edele graaf, wil ge en al uw broeders me getrouw wezen, ik zal u de rots in de Geronde geven en mijn dochter de mooie bloem tot een wijf en daartoe de helft van mijn goed, zo mag ge uw kasteel laten timmeren zo sterk dat ge u daarop onthouden mag tegen de macht van koning Karel want hij mag u niet deren al lag hij er voor honderd jaar.’ Toen zei Reinout: ‘Heer koning, dank hebt, u dochter neem ik graag en de rots mede.’ Aldus gaf koning Yewyn zijn dochter Reinout tot een wijf en deed ze hem trouwen. Maar van het feest van de bruiloft wil ik zwijgen vanwege de lengte. Toen het feest van de bruiloft over was ontbood Reinout al die timmerlui en metselaars die hij kon krijgen in alle landen daar omtrent om zijn kasteel te maken alzo dat hij verzamelde duizend timmerlui en 700 metselaars. En terstond deed Reinout dat kasteel beginnen en met haast opmaken, dik van muren en zeer hoog; om dat kasteel gingen twee muren alze dat dit kasteel in korte tijd volmaakt was. Toen deed Reinout ontbieden door het land: wie tot de rotsen wou komen wonen, Reinout zoude hem behuizing geven en daartoe vrij houden al hun leven. Toen dit de lieden hoorden kwam er veel volk alzo dat Reinout in korte tijd verzameld had bij hem 12000 man. Sommige waren het ambachtslieden, sommige wonnen wijngaarden, sommige boomgaarden sommige die koren wonnen en het land egden. Reinout ontbood koning Yewyn zijn wijf vader dat hij tot hem kwam. Toen Yewyn de boodschap kwam voer hij derwaarts met zijn heren. Toen de koning op de rots kwam zei hij tot Reinout: ‘Ge hebt een mooi en sterk kasteel gemaakt en goed voorzien als het de nood deed: zeg Reinout, hoe is zijn naam?’ Reinout antwoorde de koning: ‘Het is op een rots gestaan die morben (1) is, daarom is zijn rechte naam Montalbaen.’ Toen zei de koning: ‘Reinout ge hebt hem een goede en gerechte naam gegeven.’ Hiermede scheidde Yewyn van Reinout.

 

(1) Morben is onduidelijk, kan van murw wat niet waarschijnlijk lijkt, daarop bouw je geen kasteel. Dan beter van marmer en zo ook in Renout van Montalbaen. Of Montauban; mont aubains; berg der vreemdelingen of Mons albus of witte berg. Mogelijk Montauban sous Buzenol, bij Virton of het kasteel Poivache. Volgens de plaatselijke legende zou het ros Beiaard de beroemde Rocher Bayard, een naaldvormige rotspunt bij Dinant, tijdens de vlucht van de vier Heemskinderen met een hoefslag gespleten hebben.

 

 

Dat XI. ca Hoe coninc Karel sach dat nieuwe casteel dat gemaect was op de roetse in Yewijnslant, als hy Sinte Jacobs reisde ende dede vragen wiet hoerde ende hoe hi Roelant tot Reinout sende ende hoe hi dat casteel be[leide].

Het geboirde dat coninc Karel reysen soude tot sinte Jacobs ende Roelant was bi hem ende als si waren gecomen in Yewijns lant, wort coninc Karel den casteel siende ende sach dattet scoen hoge ende sterc was ende onwinlic ende seide tot Roelant: ‘Siet dat casteel neve, wie macht in so corte stont hebben doen tymmeren, ende in al Gascoengen staet geen casteel so starck noch so scone.’ Roelant seide totten coninc: ‘Wiet gemaect heeft is mi onkondich, mer ic seg u voerwaer, het is starc ende onwinlic want het is seer hoge van muren ende toernen ende wel gemaect ter were ende heeft menich merc gouts gecost; het is ijmmer een machtich ende rijc man diet heeft doen tymmeren’. [fol. 73] Hiermede lieten coninc Karel ende Roelant haer woerden ende lieten hem over een water setten. Doe quamen si int lant dat Ywijn Reinout mit sijn dochter ghegeven had. Ende als si over waren hiet coninc Karel Roelant dat hi daer in tlant vragen soude wie dat scone casteel had doen timmeren in so corter tijt. Roelant ghinc dair hi een ackerman vernam bi sinen ploch. Roelant reet daer toe ende vragede hem, wye dat casteel had doen tymmeren ende wiet behoerde ende bewoende. Die ackerman horende die woerden van Roelant, hi antwoerde hem ende seide: ‘So als ic hore vanden luden, so heeftet een grave doen tymmeren die hem daer op onthouden wil teghen sine vianden, want so men mi seide heeft hi grote oerloge ende twiste tegen den coninc van Vrancrijc. ende is ut sinen lande verdreven.’ Doe seide Roelant: ‘Vrient, hoe hiet de grave?’ De ackerman seide: ‘Reinout. ende heeft drye broeders, scone jongelingen, ende het casteel hiet Montalbaen ende oec heeft hi getimmert een scoon stede.’

Als Roelant van die ackerman die waerheit wist vanden castele, keerde hi weder tot Karel den coninc ende seide: ‘Dit casteel heeft doen tymmeren Reinout met sijn broeders ende hiet Montalbaen ende hebben ghesticht een scoon stede.’ Als de coninc dit hoerde wert hij toirnich ende seide tot Roelant: ‘Gaet ende segt Reinout myn neve, dat hi mi op geve tcasteel Montalbaen ende de stede ende geve hem mi ghevangen met sinen broeders. ende al sine poertiers. ende ondersaten, mijn wille mede te doen: ic salse voeren in Vrancrijc; so mach hi vrede hebben ende tegen mi versoenen van sijn misdaet. Ende en wil hi dit niet doen so sel hem evel geschien, want ic sal mit macht comen in sijn lant ende verderven. ende verbernen al datter is ende doen hem ende sijn broeders hangen ende al doen sterven wat ic daer vinde.’ Als Roelant des conincs wil verstaen had ginc hi tot Montalbaen ende als hi inder sale quam, gruete hi Reinout mit al sijn huysgesin minlic ende sine broeders; als hi dat gedaen  [fol. 74] had seide hi tot Reynout: ‘Mi heeft an u gesent coninc Karel van Vrancrijc, als dat gi ende uwe broeders ende al u ondersaten coemt gevangen op sijn geleide ende tot sinen wille ende geven hem Montalbaen ende u stede ende vallen hem te voet met u baroenen ende begeren genade, hi salse u doen.’ Als Reynout de boetscap ende coninc Karels meninge verstaen had, seide hi tot Roelant: ‘ic seg u Roelant, ic en gave den coninc minen here den snootsten man niet te soen die in al mijn lant is: coninc Karel lage mi liever vij. iaer hier int lant met sijn macht, ic en gever niet een pluym. om.’ Als Roelant dit hoerde van Reynout, seide hi: ‘Wildi u tegen coninc Karel setten, ghi sloecht ymmer sijn soen Lodewijc.’ Doe seide Reinout: ‘ic en vrager niet na, want die grote overdaet de mi die coninc ontboet en can ic niet vergeten: het vergae mi alst mach, mer wil mi de coninc tegen hem laten versoenen. ic wil hem Montalbaen gaern opgeven ende mijn lant van hem te leen ontfaen. ende onderdanich wesen ende dienen hem al mijn leven, Roelant neve, wilt hem dit seggen dat ic dit doen wil, dat hi sijn dreygen wil laten.’ Roelant seide: ‘Reynout doet wel, ende gaet in handen.’ Doe seide Reinout: ‘Dat en doe ic niet, ic kenne den coninc alte wel ende weet dat hi mi seer haet: hadde hi mi in sijn vangenis hi dede mi hangen; mer ic bid u Roelant, doet mijn boetscap anden coninc.’ Met dese woerden keerde Roelant weder tot den coninc. ende heeft hem geseit Reinouts meninge wat hi doen woude. Ende als de coninc dat verstont was hi verstoert ende sende coninc Yewijn enen scarpen brief, als dat hi toernich op hem was omdat hi sijn doot vianden in sijn landen onthielde ende hem gegeven burch ende lant ende grote eere gedaen, daer hi seer toernich om was. Coninc Karel haeste hem te reisen [fol. 75] tot sinte Jacobs ende keerde weder in Vrancrijc ende als hi in Vrancrijc gecomen was, vergaderde hi groot volc ende geboet herevaert ende toech terstont in Reinouts lant met al zien volc ende beleide Montalbaen seer starckelic. Ende als Reinout vernam dat de coninc quam om te beleggen Montalbaen, ontboet hi alle sine vrienden de alle quamen om hem te helpen; dus lach de coninc in Reinouts lant ende verbrande ende verderfde al dat hij mochte, mer hi leet grote scade van volc die hi verloes, also dat Reinout Montalbaen heerlijc hielt tegen den coninc ende sijn volc een heel jaer; ende als coninc Karel een jaer voer Montalbaen ghelegen hadde verdroetet hem, want hi sach wel, hy en mocht niet winnen. Aldus gaf hi zijn heren oerlof thuys te varen ende hi voir selver in Vrancrijc. Aldus brac Karel zijn heer op voer Montelbaen luttel tot sijnder eren. Hier wil ick swigen van Karel. ende seggen van Reynouts aventuren. [fol. 76]

Dat XIde kapittel. Hoe koning Karel zag dat nieuwe kasteel dat gemaakt was op de rots in Yewyn’ s land toen hij naar Sinte Jacob reisde en deed vragen wie het toebehoorde en hoe hij Roelant tot Reinout zond en hoe hij dat kasteel belegerde.

Het gebeurde dat koning Karel reizen zou tot Sint Jacob en Roelant was bij hem en toen ze waren gekomen in Yewyn’ s land gaat koning Karel het kasteel zien en zag dat het mooi, hoog en sterk was en onoverwinnelijk en zei tot Roelant: ‘Zie dat kasteel neef, wie mag het in zo korte stond hebben doen timmeren en in al Gascogne staat geen kasteel zo sterk nog zo mooi.’ Roelant zei tot de koning: ‘Wie het gemaakt heeft is me onbekend, maar ik zeg u voor waar, het is sterk en onoverwinnelijk want het is zeer hoog van muren en torens en goed gemaakt ter verwering en heeft menige mark goud gekost; het is immer een machtig en rijk man die het heeft doen timmeren’. Hiermede lieten koning Karel en Roelant hun woorden en lieten hen over een water zetten. Toen kwamen ze in het land dat Yewyn Reinout met zijn dochter gegeven had. En toen ze over waren zei koning Karel Roelant dat hij daar in het land vragen zou wie dat mooie kasteel had doen timmeren in zo korte tijd. Roelant ging daar hij een akkerman vernam bij zijn ploeg. Roelant reed daartoe en vroeg hem wie dat kasteel had doen timmeren en wie het behoorde en bewoonde. De akkerman hoorde de woorden van Roelant, hij antwoorde hem en zei: ‘Zoals ik hoor van de lieden zo heeft het een graaf doen timmeren die hem daarop onthouden wil tegen zijn vijanden, want zo men mij zei, heeft hij grote oorlogen en twist tegen de koning van Frankrijk en is uit zijn land verdreven.’ Toen zei Roelant: ‘Vriend, hoe heet de graaf?’ De akkerman zei; ‘Reinout en heeft drie broeders, mooie jongelingen en het kasteel heet Montalbaen en ook heeft hij getimmerd een mooi stad.’

Toen Roelant van die akkerman die waarheid wist van het kasteel keerde hij weer tot Karel de koning en zei: ‘Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn broeders en heet Montalbaen en hebben gesticht een mooie stad.’ Toen de koning dit hoorde werd hij toornig en zei tot Roelant: ‘Ga en zeg Reinout mijn neef dat hij me opgeeft het kasteel Montalbaen en de stede en geef hem mij gevangen met zijn broeders en al zijn poorters en onderzaten mijn wil mee te doen: ik zal ze voeren in Frankrijk; zo mag hij vrede hebben en tegen mij verzoenen van zijn misdaad. En wil hij dit niet doen zo zal hem euvel geschieden want ik zal met macht komen in zijn land en bederven en verbranden al dat er is en doen hem en zijn broeders hangen en al doen sterven wat ik daar vindt.’ Toen Roelant de konings wil verstaan had ging hij tot Montalbaen en toen hij in de zaal kwam groette hij Reinout met al zijn huisgezin minnelijk en zijn broeders; toen hij dat gedaan had zei hij tot Reinout: ‘Mij heeft aan u gezonden koning Karel van Frankrijk, als dat gij en uw broeders en al uw onderzaten komt gevangen op zijn geleide en tot zijn wil en geven hem Montalbaen en uw stede en vallen hem te voet met uw baronnen en begeren genade, hij zal het u doen.’ Toen Reinout de boodschap en koning Karels mening verstaan had, zei hij tot Roelant: ‘ik zeg u Roelant, ik gaf de koning mijn heer de snoodste man niet tot verzoening die in al mijn land is: koning Karel lag me liever 7 jaar hier in het land met zijn macht, ik geef er geen pluim. om.’ Toen Roelant dit hoorde van Reinout, zei hij: ‘Wil ge u tegen koning Karel zetten, ge sloeg immer zijn zoon Lodewijk.’ Toen zei Reinout: ‘ik vraag er niet om, want de grote overdaad de me de koning ontbood kan ik niet vergeten: het vergaat me zoals het mag, maar wil me de koning tegen hem laten verzoenen, ik wil hem Montalbaen graag opgeven en mijn land van hem te leen ontvangen en onderdanig wezen en dienen hem al mijn leven, Roelant neef, wil hem dit zeggen dat ik dit doen wil dat hij zijn dreigen wil laten.’ Roelant zei: ‘Reinout doe wel en ga in hand.’ Toen zei Reinout: ‘Dat doe ik niet, ik ken de koning al te goed en weet dat hij me zeer haat: had hij me in zijn gevangenis hij deed me hangen; maar ik bid u Roelant, doe mijn boodschap aan de koning.’ Met deze woerden keerde Roelant weer tot de koning en heeft hem gezegd Reinouts mening wat hij doen wilde. En toen de koning dat verstond was hij verstoord en zond koning Yewyn een scherpe brief als dat hij toornig op hem was omdat hij zijn doodsvijand in zijn land onthield en hem gegeven burcht en land en grote eer gedaan waar hij zeer vertoornd om was. Koning Karel haastte hem te reizen tot Sint Jacob en keerde weer in Frankrijk en toen hij in Frankrijk gekomen was verzamelde hij groot volk en gebood krijgstocht en trok terstond in Reinouts land met al zijn volk en belegerde Montalbaen zeer sterk. En toen Reinout vernam dat de koning kwam om te belegeren Montalbaen ontbood hij al zijn vrienden die alle kwamen om hem te helpen; dus lag de koning in Reinouts land en verbrande en verdierf al dat hij mocht, maar hij leed grote schade van het volk die hij verloor, alzo dat Reinout Montalbaen heerlijk hield tegen de koning en zijn volk wel een heel jaar en toen koning Karel een jaar voor Montalbaen gelegen had verdroot het hem want hij zag wel hij mocht niet winnen. Aldus gaf hij zijn heren verlof thuis te varen end hij voer zelf in Frankrijk. Aldus brak Karel zijn leger op voor Montelbaen weinig tot zijn eer. Hier wil ik zwijgen van Karel en zeggen van Reinouts avonturen.

 

 

 

Dat XIJ. ca. Hoe Reinout met zyn broeders voeren om hair moeder te besien als pelgrims ende quamen te Pierlepont ende hoese die vader vangen woude ende brengen se in Vrancrijc ende hoe Pierlepont van den coninc belegen was ende Reinouts drie broeders ghevangen waren ende de coninc woudese doen hangen mer Reinout ontquam ende hoe de broeders verlost worden met hulpe van Maeldegijs haer oem.

Om te achtervolgen onse materie so. geboerdet dat Reinout tot hem riep sinen broeder Adelairt hem seggende: ‘Lieve broeder, gi sijt daer al mijn raet. ende troest an staet; ic bid u, helpt mi raden: het is geleden vij. jaer dat wi ons moeder nie en sagen noch daer af gehoert, myn herte is mi hierom so swaer, ic moetse sien ende spreken, of ic sterf van rou.’ Doe seide Adelaert: ‘Wat hebdi voren broeder, gi weet wel dat onse vader ende moeder onse doot gesworen hebben: comen wi dair, wi zijn verloren.’ Doe seide Reinout: ‘Broeder, dien eet en achte ic niet, want de ouders hebben natuirlic den kinderen te lief, daerom het gae alst mach, ic moet myn moeder sien.’ Ende Reymont seide tot sijn drie broeders: ‘ic weet ons goeden raet: wi sullen gaen int bosch van Bordeeus ende verwachten dair den pelgrimmen. ende bidden hem dat si haer cleder geven voer di onse ende gaen so onbekent doer tlant tot onse moeder.’ Desen raet docht de broeders goet ende scheiden so wten castele, dattet luttel waren diet wisten ende si wachteden int bosch pelgrims. Als si een wile inden bosch geweest hadden quamen dair vier pelgrims de vanden heiligen lande quamen ende waren wt Vrancrijc ende kenden Reinout wel ende si hadden palmen in hair handen ende als de pelgrims bi de broeders quamen ghingen si hem teghen, doe seyde Reynout: ‘Ghi pelgrims, weest [fol. 77] welcoem! wi bidden u dat gi ons geven wilt uwe clederen ende scoen om de onse.’ Als de pelgrims dit hoerden waren si vervaert, som en verstondens niet wat hi seide, so wasser een de seide: ‘Reinout, sijt gi nu geworden een rover ende scaker? hoe lange hebdijt gedaen? ick segt u certeyn: ist dat ic levende in Vrancrijc keer, ic sal den coninc over u clagen, alsdat gi sijt een rover. Doe de pelgrim dat seide, wert Reinout toernich ende toech zijn swaert ende greep den pelgrim biden baert ende soude hem geslegen hebben. mer een ander pelgrim viel over zijn knien voer Reinout. ende seide: ‘Genade here, siet wat gi doet: wi zijn Gods pelgryms ende hebben gheweest over zee tot Iherusalem, al waren onse cleder noch soe goet, doeter mede wes u glieft.’ Doe seide Reinout: ‘Pelgrim gi sijt wys, en dade gi, u broeder waer doot.’ Doe liet hij den pelgrim gaen; de pelgrims togen haer cleeder wt ende gavense den heren. ende de heren togen hair cleder wt ende gavense den pelgrims diese an togen. Ende als si die pelgrims cleederen hadden. besaghen sise hoese hem stonden ende als si alle gereet waren ghingen si menige dachvaert ende moede voetstap eer si tot Pierlepont quamen ende als si voer tcasteel van Pierlepont quamen vonden sijt gesloten, si clopten daeran, die portier quam ter poerten ende vraechde wat si wouden. Doe seide Reinout totten portier: ‘Vrient, laet ons vier pelgrims ingaen, wi hebben tot menige stede gheweest. ende in menich lant: wi hebben geweest te Romen, tot Sinte Andries, in Scotlant ende in Pendisen, Sinte Gillis in Provensen; nu hebben wi groten honger. ende dorst, dus bidden wi om Gode dat gi ons inlaet’. Doe seide de portier: ‘Al badi noch soe seer doir Gode, ic en sals niet doen.’ ‘Wairom?’ seide Reinout. ‘Dat sal ic u seggen: ons quam gister lede mare uten lande van [fol. 78] Vrancrijc, als dat onse heren gevangen souden wesen, als Ridsaert, Adelairt, Wridsaert ende Reinout. Ic segt u vrient,’ seide de portier, ‘en wair u baert so lanc niet, ic soude seggen dat gi wairt den stouten Reinout, ic en sach nye man hem bet gheliken.’ Doe seide Reinout: ‘Ic bid u vrient, om Gods wil laet ons in, ende doer de lieft van de joncheren - dat se God met ere laet leven! ende heeftse coninc Karel gevaen, dat si ontgaen moeten mit live, ende sijn si doot of verdaen, God wil haer sielen ontfermen, sijn si in storme of eniger noot datse God vander doot behoeden wil.’ Als Reinout dese woirden seide bequamen dese woirden den poertier seer wel so dat die poertier seide: ‘Ic sal u laten tot mijnre vrouwen, de u ghenoech sal geven van spijse ende dranc doer die eer van den ioncheren.’ Doe seide Reinout: ‘Dat lone u God.’ Mettien ontdede die portier die poerte ende die heren ginghen in. Ende als si in waren ginghen si in dye sale daer si haer moeder hebben versien ende grueten se eerlic seggende: ‘Ioncfrouwe, God geef u goeden dach.’ Doe seide die vrou: ‘God loens u, pelgrims’. Doe seide Reinout: ‘Vrouwe, wi hebben in menich lant geweest, als te Romen, Sinte Jacobs in Galissen ende tot menich ander stede; mer wi en waren nye van honger so sere verwonnen als nu." Dus edel vrouwe, geeft ons teten doir Gode, so dat gi ons weldaet ende pelgrimagien deelachtich moet wesen.’

Dat XIJ kapittel. Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te zien als pelgrims en kwamen te Pierlapont en hoe ze de vader vangen wou en brengen ze in Frankrijk en hoe Pierlapont van de koning belegerd was en Reinout’ s drie broeders gevangen waren en de koning wou ze doen hangen maar Reinout ontkwam en hoe de broeders verlost worden met hulp van Maeldegijs, hun oom.

Om te vervolgen onze materie zo gebeurde het dat Reinout tot hem riep zijn broeder Adelaert en zei hem: ‘Lieve broeder, ge bent daar al mijn raad en troost aan staat; ik bid u helpt me aanraden: het is geleden 7 jaar dat we onze moeder niet zagen nog daarvan gehoord, mijn hart is me hierom zo zwaar ik moet haar zien en spreken of ik sterf van rouw.’ Toen zei Adelaert: ‘Wat heb je voor broeder, ge weet wel dat onze vader en moeder onze dood gezworen hebben: komen we daar, we zijn verloren.’ Toen zei Reinout: ‘Broeder, die eed acht ik niet want de ouders hebben natuurlijk de kinderen te lief, daarom het gaat zoals het gaan mag, ik moet mijn moeder zien.’ En Reinout zei tot zijn drie broeders: ‘ik weet ons goede raad: we zullen gaan in het bos van Bordeaux en wachten daar op de pelgrims en bidden hen dat ze hun kleren geven voor de onze en gaan zo onbekend door het land tot onze moeder.’ Deze raad dachten de broeders goed en scheiden zo uit het kasteel zodat er weinig waren die het wisten en ze wachten in het bos op pelgrims. Toen ze een tijd en in het bos geweest waren kwamen daar vier pelgrims die van het heilige land kwamen en waren uit Frankrijk en kenden Reinout goed en ze hadden palmen in hun handen en toen de pelgrims bij de broeders kwamen gingen ze hen tegemoet, toen zei Reinout: ‘Gij pelgrims, wees welkom! we bidden u dat ge ons geven wil uw klederen en schoenen om de onze.’ Toen de pelgrims dit hoorden waren ze bang, sommige verstonden niet wat hij zei, zo was er een die zei: ‘Reinout, bent ge nu geworden een rover en dief? Hoelang  heb je dit gedaan? Ik zeg het u zeker: is het dat ik levend in Frankrijk keer, ik zal de koning over u klagen als dat ge bent een rover. Toen de pelgrim dat zei werd Reinout toornig en trok zijn zwaard en greep de pelgrim bij de baard en zou hem geslagen hebben. Maar een andere pelgrim viel op zijn knieĎn voor Reinout en zei: ‘Genade heer, ziet wat ge doet: we zijn Gods pelgrims en hebben geweest over zee tot Jeruzalem, al waren onze kleren nog zo goed doe er mee dat u belieft.’ Toen zei Reinout: ‘Pelgrim ge bent wijs en deed ge niet uw broeder was dood.’ Toen liet hij de pelgrim gaan; de pelgrims trokken hun kleren uit en gaven het de heren en de heren trokken hun kleren uit en gaven ze de pelgrims die ze aan trokken. En toen ze die pelgrims kleren hadden bezagen ze zich hoe ze hen stonden en toen ze alle gereed waren gingen ze menige dagvaart en moede voetstap eer ze tot Pierlapont kwamen en toen ze voor het kasteel van Pierlapont kwamen vonden zij het gesloten, ze klopten daaraan, de portier kwam ter poort en vroeg wat ze wilden. Toen zei Reinout tot de portier: ‘Vriend, laat ons vier pelgrims ingaan, wij hebben tot menige stede geweest en in menig land: we hebben geweest te Rome, tot Sint Andries, in Schotland en in GaliciĎ, Sint Gillis in Provence; nu hebben we grote honger en dorst, dus bidden we om God dat ge ons inlaat’. Toen zei de portier: ‘Al bad ge nog zo zeer door God, ik zal het niet doen.’ ‘Waarom?’ zei Reinout. ‘Dat zal ik u zeggen: ons kwam gister bericht uit het land van Frankrijk als dat onze heren gevangen zouden wezen als Ritsaert, Adelaert, Writsaert en Reinout. Ik zeg u vriend,’ zei de portier, ‘was uw baard niet zo lang ik zou zeggen dat ge was de dappere Reinout, ik zag niet iemand hem beter gelijken.’ Toen zei Reinout: ‘Ik bid u vriend, om Gods wil laat ons in en door de liefde van de jonkheren - dat ze God met eer laat leven! En heeft ze koning Karel gevangen dat ze ontgaan moeten met het lijf en zijn ze dood of verdaan God wil hun zielen ontfermen, zijn ze in storm of enige nood dat ze God van de dood behoeden wil.’ Toen Reinout deze woorden zei bekwamen deze woorden de portier zeer goed zodat de portier zei: ‘Ik zal u laten tot mijn vrouwe die u genoeg zal geven van spijs en drank door de eer van de jonkheren.’ Toen zei Reinout: ‘Dat beloont u God.’ Meteen opende de portier de poort en de heren gingen in. En toen ze in waren gingen ze in de zaal daar ze hun moede hebben gezien en groeten haar eerlijk en zeiden: ‘Jonkvrouw, God geef u goede dag.’ Toen zei die vrouwe: ‘God beloont het u pelgrims’. Toen zei Reinout: ‘Vrouwe, we hebben in menig land geweest als te Rome, Sint Jacob in GaliciĎ en tot menige andere stede; maar we waren niet van honger zo zeer overwonnen als nu." Dus edele vrouwe, geef ons te eten door God zodat ge onze weldaad en pelgrimage deelachtig moet wezen.’

 

 

 

Doe seide de edele vrou: ‘Pelgrims, weest te vreden: ic sal u eten ende drincken geven.’ Die vrouwe dede de pelgrims sitten an een tafel ende deder op brengen spijse ende dranc overvloedich, so dat die heren aten ende droncken ende waren vrolijc. Die vrouwe ghinc in de kelre daer si den besten wijn vant die men drincken mochte ende tapte een kanne vol wijns ende brochtse  [fol. 79] de heren dair si saten an di tafel, si nam een gouden scael in de hant ende schenctese vol ende gafse Reinout, ende Reinout nam die scale ende drancse wt ende als hijse wt had seyde hi: ‘Vrouwe, de meer had van dien wijn.’ Die vrouwe nam de scale ende scenctese weder vol ende gafse Reinout ende seide: ‘Pelgrym, hoe moechdi den wijn: gi drinctse seer, ic duchtse u miscomen sal.’ Reinout sette den scale weder an sinen mont ende drancse weder wt, als de vrouwe dat sach seghende si hair. ende seide: ‘Mi verwondert waen du bist gecomen, dattu pelgrim den stercken wijn so drinckes, want x. ridders en soudens so veel nyet ghedroncken hebben als du alleen doetste.’ Reinout sprac: ‘Dat u God lone, geeft mi noch meer van dien wijn. wildijs mi noch eens geven, ic sal u mijn leven dancken.’ Dye vrouwe was goedertieren ende scencte hem die gouden scale weder vol ende gafse hem weder in die hant ende als Reynout die scale in de hant had dranc hijse weder wt. Doe en konde de vrou den pelgrim van wonder niet genoech ansien. Doe seide Reynout: ‘Vrouwe, ic wilde wel dat icx meer had, want had ic noch een scale van dien wijn, ic en ontsage coninc Karel minen oem nyet een mite.’ Als Adelaert dat hoirde was hi seer toernich ende stiet Reinout met sijn ellenboech dat hy ter neder viel ende bleef leggen of hi doot geweest had, so droncken was hi. Vrou Aye nam Reinout in hair armen ende custen menichwerf ende men waende dat si van blijscap bi hem doot soude hebben ghebleven, mer Adelaert namse in zijn arm ende droechse van Reinout. Dit heeft versien een verspier of verrader. ende seide: ‘Vrou Aye, doet Reinout vangen ende senden coninc Karel. want ghi hebtet ghesworen ende u eet en hoerdi niet te breken. ende wildijt niet doen so sal ic ter stont totten coninc riden ende [fol. 80] seggent hem, dat gi Reinout den moerdenaer u sone van Montalbaen in u casteel ontfaet, so coemt die coninc voir u casteel ende doeten vangen ende hanget hem ende Aymijn, ende u sal hi doen verbernen.’ Als dit de verrader seide wert die vrouwe seer toernich om sijn woerden ende seide: ‘Valsce tyran, al dede mi coninc Karel mijn broeder sweren opt lichaem van Sinte Dyonijs, mijn hert en consenteerdet niet mijn kinder enich quaet te doen, want om leven noch om sterven en sal ic mijn kinder niet begeven.’ Doe liep die verrader daer hi Aymyn vant staende in een vierscare ende seide: ‘Here, uwe kinder zijn alle gader in uwe sale, de coninc Lodewijc doot sloegen: doetse vangen ende binden ende sentse coninc Karel ende wildijs niet doen, ic segt u certeyn, ic sal totten coninc varen ende seggenhem dat si sijn in uwe castele, so sal de coninc comen ende vangen u ende uwe kinderen. ende u vrouwe, [ende] doen u bi u kinderen hangen ende vrou Aye verbarnen’. Als Aymijn vanden verrader dese woerden hoerde wert hi toernich: met haesten nam hi een stoc de daer stont ende sloech den verrader dat hij doot voer sijn voeten viel. Doe seide Aymijn: ‘Van dien worter niet geseit.’ Doe riep Aymijn: ‘Edele baroenen, wapent u geringe ende helpt mi mijn kinder vangen, dat icse coninc Karel mach senden.’ Doe wapende si hem alle out ende jonc ende als si gewapent waren toech Aymijn met sijn volc na die sale. Dit wort Adelaert gewaer ende seide: ‘God ende Maria helpt ons, het staet ons nu tot groten sorge: ic sie myn vader comen na de sael met menige gewapent man!’ Hi seide: ‘moeder, nu geeft ons raet en weet gi ons geen raet te geven, wi sijn verloren, want Reinout de stoutste van ons allen die leit in onmacht.’ Doe seide de vrou Aye: ‘Draecht Reinout daer binnen ende hout de camer manlic, want daer is geen so [fol. 81] starc opt casteel.’ Si deden dat hem haer moeder hiet ende droghen Reynout in de camer ende leiden neder op een steen, doe ghingen de iij. broeders met hair swairden voir de camer staen ende onderdes quam Aymyn. ende hiet datmen sijn kinder vangen soude ende niet sparen, want hi woudese coninc Karel senden. Do seide de grave Adelairt: ‘Gi heren, staet after, de gene die mi willen vangen, ic salse mit minen swaerde slaen, ons en vangdi nemmermeer.’ Met dien woerden de heren starckelic bevochten ende wat de broeders metten swaerde geraecten bleef doot of seer gequetst, aldus worden si bevochten drie dagen ende si hielden de camer twe dagen vechtender hant dat Reinout noch sliep ende dair niet of en wist. Ende alst quam anden derden dage, bequam Reynout ende was vanden slaep opgestaen. Doen sach hi sine broeders noch staen vechten. of si wten sinnen geweest hadden. ende begonden moede te werden. Doe nam Reynout sijn swaert in de hant ende seide: ‘Broeders, staet afterwaert, gi sijt te moede, u slagen sijn te swac.’ Doe traden de broeders afterwert ende Reinout ginc staen midden in de sale. Doe seide Reinout: ‘God moet mi scenden of ic yemant spair al wairt Aymijn mijn vader, coemt hi in mijn gemoet hi salder die doot om sterven.’ Hi trat daer hij volc dicste sach ende sloech so vreselic dat hem elc ontsach als de doot, want wat hi met nyde sloech bleef doot, hoe starc dat si waren. Als dat Aymijn sach, seide hi tot zyn volc: ‘Mijn kinder bliven ongevaen, want Reinout doet meer vromicheit dan al mijn volc ende hij heeft tbeste swaert datmen vinden mach: wat hi raect dat blijft doot, aldus laet ons vlien, of wi bliven alle doot.’ Doe sette hem Aymijn met zyn volc ter vlucht, wat elc lopen mochte. Als dit Reinout sach volchde hi sijn vader met nide, daer om waren [fol. 82] de ander broeders droevich ende Adelairt volchde Reinout na. Reinout doerbrac de scare met crachte tot dat hi sijn vader vant ende had zijn swaert verheven ende soude sijn vader ghedoot hebben, en had Adelaert gedaen, die Reinout met cracht hielt dat hi sinen vader niet slaen en soude ende seide: ‘Edel here Reynout, wat wildi doen? sloechdi doot onsen vader, die scande en mochten wij nymmermeer verwinnen noch voer God beteren ende oec nemmermeer in edels mans hof comen, ten soude ons staen tot een scandelic ende groot verwijt. Ende tegen coninc Karel en verworven wi dan nemmermeer soen ende tegen Gode en mochten wijs niet beteren.’ Doe seide Reinout: ‘Ic segt u certeyn, ic sal hem leren dat hi sine kinder wil vaen.’ Hi nam sijn vader ende leiden op een banc ende bant hem handen ende voeten ende leyden op een paert. Mettien quam dair een knape gaen, Reynout riep den knape ende seide: ‘Vrient, nem dese man ende voirten haestelic tot coninc Karel.’ Die knape seide: ‘ic en sals niet doen: dede ict, het ware onrecht, want het is mijn gerechte here; gi doot mi liever, eer ict dede.’ Reynout wert toernich als hi den knape dus hoerde spreken ende nam hem ende hielt hem een hant af ende stac hem een oge wt, doe sneet hi zyn rechter ore af, doe badt de knape genade ende seide, hi woude gaen doen wes hi hem beval. ende brengen Aymijn tot coninc Karel. Doen seide Reinout: ‘Nu doestu als de wise. vaert haestelic ende segt coninc Karel, dat ic hem dese gifte sende ende dat hi hem tselve doe dat hi mi doen soude, of hi mi gevangen had.’ De knape voir dach ende nacht ende vloecte Reinout menichwerf onder wege; ten lesten quamen si tot Parijs ende als si doerde poerte leden seiden de poertiers: ‘Mi dunct het die duvel is dye daer opt paert leit.’ Dus voeren si so lange dat si quamen voer Karels hof dat gesloten was; de gersoen clopte [fol. 83] her[t] an die poert, als dat de poertier ter poerten quam ende ontdede dat clincket ende vraechde den knape, waen hi quam of wat niemaer dat hi brocht ende wat gevangen hi dair had, doe seide die gersoen: ‘Het is de grave Aymijn van Dordoen.’ Als dat die poertier hoerde, was hi droevich ende seide: ‘Heer Aymyn, wie mocht so stout wesen die u dus bant ende so scandelijc tot een present hier ghesonden heeft.’ Aymijn antwoerde: ‘Mijn kinder hebbent mi gedaen; ondoet die poerte ende laet my doerliden dat ic den coninc minen here claghen mach’. Doe ondede die poertier de poirte ende Aymijn voir doer, tot dat hi quam in des conincs sale. Ende als hi nu in de sale was, wort hi vanden pairde geboirt; terstont quam de coninc nyemare dat Aymijn was gecomen ende gebonden handen ende voeten. Doe ginc Karel in de sael dair hi Aymijn vant ende seide tot hem: ‘Here Aymijn, sijt welcoem.’ Doe seide Aymijn totten coninc: ‘Heer coninc, Iaet u ontfermen over mi.’ Doe seide de coninc: ‘Heer Aymijn, wie heeft u dit gedaen?’ Aymijn seide: ‘Heer coninc, mijn kinder, si quamen op mijn casteel; als ict vernam dede ic mijn volc wapenen ende meendese te vangen ende hier te senden, mer ic seg u heer coninc, dat si mi afsloegen V. hondert man’. Als de coninc Aymijn hoerde seggen verdroefde hem sijn moet. ende seide: ‘Ic salder selve varen ende doense vangen.’ Doe hiet coninc Karel sijn baroenen ende ander volc dat si hem wapenen souden, edel of onedel. Ende als si alle gewapent waren quamen si tot coninc Karel ende als coninc Karel sijn volc dus rede sach, sat hi op zijn paert ende reet met zijn volc soe lange dat si quamen tot Dordoene. Op dese selve tijt was Reynout gestaen boven opter tinnen ende sach den coninc van Vrancrijc comen met een groot heer van volck ende beleide dat castel; hi sach dat si haer tenten ende pauwelionen begonden te rechten [fol. 84] voerden castele. Doe ginc Reynout tot vrou Aye zijnre moeder. ende seide: ‘Moeder, het staet ons nu eerst tot sorgen want coninc Karel heeft den casteel belegen ende ist dat hi ons mach vangen, hi doet ons alle hangen, moeder, ende weet ghi ons nu gheen raet, soe bliven wi alle verloren.’ Doe seide die moeder Vrou Aye tot Reinout: ‘Trect an u cleder die ghi hier brocht ende ic sal u tot eenre posternen wt laten. aldus moechdi u leven bergen.’ Reinout dede dat hem sijn moeder hiet. hi toech de pelgrims clederen aen ende nam verlof an sijn broeders de hem seer mislieten. want si niet en dorsten aventuren doir de posterne te gaen want daer grote sorge in lach. om daer niet doer te comen, aldus was haer dat sceyden seer verdrietelic. Reinout was seer droevich dat hij zijn broeders dair laten moest, ende als Reinout oerlof an zijn moeder ende broeders genomen had ghinc hi heimelic ter posternen wt. Sijn moeder ende broeders dreven alle groten rouwe om tsceiden van Reinout ende baden Gode voer hem. Vrou Aye seide tot Adelaert met wenende ogen: ‘Hoe seer rouwet mi dese vaert, ende sijt in mijn huys belegen vanden coninc, des is mijn hert in swaer verdriet; mer lieve kinder doet minen raet, hi sal u goet wesen: gi sult wollen ende bervoet den coninc te voet vallen, daer is u vader ende alle uwe magen, si sullen u helpen bidden.’ Si deden dat hem haer moeder riet. ende namen malcander bider hant ende gingen wollen ende bervoet naden here ende so drae als mense vernam worden si gevangen. ende voer den coninc gebrocht. Ende als si voerden coninc quamen vielen si over hair knyen voer des conincs voeten ende baden hem doer Gode oetmoedelic dathi hem genade doen woude. ende seiden wes si misdaen hadden wouden si beteren so veel als si vermochten met live ende siel, [fol. 85] op dat si ter soenen mochten comen. Coninc Karel hiet dat mense bonde, twelc ter stont gedaen wort, want haer handen ende voeten worden te samen gebonden so strenghelijc dattet bloet ter nagelen wt quam ende als dat vrou Aye sach was haer wee te moede; si viel voer des conincs voeten over haer knien ende badt genadelic den coninc dat hi haer gave hoer kinder. Coninc Karel antwoerde dat hijs niet doen en woude ende seide: ‘Ic salse houden so langhe dat ic Reinout mede heb ende doense dan te samen hangen an Montefaucoen.’ De coninc voir met sijn volc weder tot Parijs ende dede die drie broeders in hoeden leggen.

Toen zei die edele vrouwe: ‘Pelgrims, wees tevreden: ik zal u eten en drinken geven.’ Die vrouwe deed de pelgrims zitten aan een tafel en deed er opbrengen spijs en drank overvloedig zodat de heren aten en dronken en waren vrolijk. De vrouwe ging in de kelder daar ze de besten wijn vond die men drinken mocht en tapte een kan vol wijn en bracht het de heren daar ze zaten aan die tafel, ze nam een gouden schaal in de hand en schonk het vol en gaf het Reinout en Reinout nam die schaal en dronk het uit en toen hij het op had zei hij: ‘Vrouwe, doe meer van die wijn.’ Die vrouwe nam de schaal en schonk het weer vol en gaf het Reinout en zei: ‘Pelgrim, hoe mag ge de wijn: ge drinkt het zeer, ik vrees het u miskomen zal.’ Reinout zette de schaal weer aan zijn mond en dronk het weer uit, toen de vrouwe dat zag en zei tot zichzelf en zei: ‘Me verwondert waarvan u bent gekomen dat u pelgrims de sterke wijn zo drinkt want 10 ridders zouden zoveel niet gedronken hebben als u alleen doet.’ Reinout sprak: ‘Dat u God beloont, geef me nog meer van die wijn, wil ge het me nog eens geven ik zal u mijn leven lang bedanken.’ De vrouwe was goedertieren en schonk hem die gouden schaal weer vol en gaf het hem weer in de hand en toen Reinout die schaal in de hand had dronk hij het weer uit. Toen kon de vrouwe de pelgrim van verwondering niet genoeg aanzien. Toen zei Reinout: ‘Vrouwe, ik wilde wel dat ik meer had, want had ik nog een schaal van die wijn, ik ontzag koning Karel mijn oom niet een kaf.’ Toen Adelaert dat hoorde was hij zeer toornig en stootte Reinout met zijn ellenboog zodat hij ter neder viel en bleef liggen of hij dood geweest had, zo dronken was hij. Vrouwe Aye nam Reinout in haar armen en kuste hem menigmaal en men waande dat ze van blijdschap bij hem dood zou zijn gebleven, maar Adelaert nam haar in zijn arm en droeg haar van Reinout. Dit heeft gezien een spion of verrader en zei: ‘Vrouwe Aye, doe Reinout vangen en zenden koning Karel want ge hebt het gezworen en uw eed hoor je niet te breken en wil je het niet doen zo zal ik terstond tot de koning rijden en zeggen het hem dat ge Reinout de moordenaar, uw zoon van Montalbaen, in uw kasteel ontvangt en zo komt de koning voor uw kasteel en doet hem vangen en hangt hem en Aymyn en u zal hij doen verbranden.’ Toen dit de verrader zei werd die vrouwe zeer toornig om zijn woorden en zei: ‘Valse tiran, al deed me koning Karel mijn broeder zweren op het lichaam van Sint Dionysius, mijn hart bevestigt niet mijn kinderen enig kwaad te doen want om leven nog om sterven zal ik mijn kinderen niet opgeven.’ Toen liep de verrader daar hij Aymyn vond staande in een vierschaar en zei: ‘Heer, uw kinderen zijn allemaal in uw zaal die koning Lodewijk dood sloegen: doe ze vangen en binden en zend ze koning Karel en wil ge het niet doen, ik zeg u zeker, ik zal tot de koning varen en zeggen hem dat ze zijn in uw kasteel, zo zal de koning komen en vangen u en uw kinderen en uw vrouwe, en doen u bij uw kinderen hangen en vrouwe Aye verbranden’. Toen Aymyn van de verrader deze woorden hoorde werd hij toornig: met haast nam hij een stok die daar stond en sloeg de verrader zodat hij dood voor zijn voeten viel. Toen zei Aymyn: ‘Van die wordt er niets gezegd.’ Toen riep Aymyn: ‘Edele baronnen, wapent u gering en help me mijn kinderen vangen zodat ik ze koning Karel mag zenden.’ Toen wapende ze zich alle, oude en jonge en toen ze gewapend waren trok Aymyn met zijn volk naar de zaal. Dit wordt Adelaert gewaar en zei: ‘God en Maria help ons, het staat ons nu tot grote zorgen: ik zie mijn vader komen naar de zaal met menige gewapende man!’ Hij zei: ‘moeder, nu geef ons raad en weet ge ons geen raad te geven, we zijn verloren want Reinout de dapperste van ons allen die ligt in onmacht.’ Toen zei de vrouwe Aye: ‘Draag Reinout daarbinnen en hou de kamer mannelijk want daar is geen zo’ n sterke op het kasteel.’ Ze deden dat hen hun moeder zei en droegen Reinout in de kamer en legden hem neer op een steen, toen gingen de 3 broeders met hun zwaarden voor de kamer staan en ondertussen kwam Aymyn en zei dat men zijn kinderen vangen zouden en niet sparen, want hij wou ze koning Karel zenden. Toen zei de graaf Adelaert: ‘Gij heren, staat achter, diegene die me wil vangen, ik zal ze met mijn zwaard slaan, ons vang je nimmermeer.’ Met die woorden de heren sterk vochten en wat de broeders met het zwaard raakten bleef dood of zeer gekwetst, aldus werden ze bevochten drie dagen en ze hielden de kamer twee dagen vechtenderhand dat Reinout nog sliep en daar niets wist van. En toen het kwam aan de derde dag bekwam Reinout en was van de slaap opgestaan. Toen zag hij zijn nog staan vechten of ze uitzinnig geweest waren en begonnen moede te werden. Toen nam Reinout zijn zwaard in de hand en zei: ‘Broeders, sta achteruit, ge bent moede, uw slagen zijn te zwak.’ Toen traden de broeders achteruit en Reinout ging staan midden in de zaal. Toen zei Reinout: ‘God moet me schenden als ik iemand spaar al was het Aymyn mijn vader, komt hij in mijn gemoed hij zal de dood er om sterven.’ Hij trad daar hij volk het dikste zag en sloeg zo vreselijk dat hem elk ontzag als de dood want wat hij met nijd sloeg bleef dood, hoe sterk dat ze waren. Toen dat Aymyn zag zei hij tot zijn volk: ‘Mijn kinderen blijven ongevangen want Reinout doet meer dapperheid dan al mijn volk en hij heeft het beste zwaard dat men vinden mag: wat hij raakt dat blijft dood, aldus laat ons vlieden of we blijven alle dood.’ Toen zette hem Aymyn met zijn volk ter vlucht wat elk lopen mocht. Toen dit Reinout zag volgde hij zijn vader met nijd, daarom waren de ander broeders droevig en Adelaert volgde Reinout na. Reinout doorbrak de schaar met kracht totdat hij zijn vader vond en had zijn zwaard verheven en zou zijn vader gedood hebben had Adelaert niet gedaan die Reinout met kracht hield dat hij zijn vader niet slaan zou en zei: ‘Edele heer Reinout, wat wil ge doen? Sloeg ge dood onze vader, die schande mochten wij nimmermeer overwinnen nog voor God verbeteren en ook nimmermeer in edelman hof komen, het zou ons staan tot een schandelijk en groot verwijt. En tegen koning Karel verwierven we dan nimmermeer verzoening en tegen God mogen wij het niet verbeteren.’ Toen zei Reinout: ‘Ik zeg u zeker, ik zal hem leren dat hij zijn kinderen wil vangen.’ Hij nam zijn vader en legde hem op een bank en bond hem handen en voeten en legden hem op een paard. Meteen kwam daar een knaap gegaan, Reinout riep de knaap en zei: ‘Vriend, neem deze man en voor hem snel tot koning Karel.’ De knaap zei: ‘ik zal het niet doen: deed ik het, het was onterecht want het is mijn echte heer; ge doodt me liever eer ik het deed.’ Reinout werd toornig toen hij de knaap aldus hoorde spreken en nam hem en hieuw hem een hand af en stak hem een oog uit, toen sneed hij zijn rechter oor af, toen bad de knaap genade en zei; hij wou gaan doen wat hij hm beval en brengen Aymyn tot koning Karel. Toen zei Reinout: ‘Nu doet u als de wijze, vaar haastig en zeg koning Karel dat ik hem deze gift zendt en dat hij hem hetzelfde doet dat hij mij doen zou als hij mij gevangen had.’ De knaap voer dag en nacht en vervloekte Reinout menigmaal onderweg; tenslotte kwamen ze te Parijs en toen ze door de poort gingen zei de portier: ‘Me lijkt dat het de duivel is die daar op het paard ligt.’ Dus voeren ze zo lang dat ze kwamen voor Karel’ s hof dat gesloten was; de bediende klopte hard aan de poort, als dat de portier ter poort kwam en opende dat het klonk en vroeg de knaap waarvan hij kwam of wat nieuws dat hij bracht en wat gevangene hij daar had. Toen zei die bediende: ‘Het is de graaf Aymyn van Dordogne.’ Toen dat de portier hoorde was hij droevig en zei: ‘Heer Aymyn, wie mocht zo dapper wezen die u aldus bond en zo schandalig tot een present hier gezonden heeft.’ Aymyn antwoorde: ‘Mijn kinderen hebben het me gedaan; open de poort en laat me doorgaan zodat ik de koning mijn heer klagen mag’. Toen openende de portier de poort en Aymyn voer door totdat hij kwam in ds konings zaal. En toen hij nu in de zaal was wordt hij van het paard getild; terstond kwam de koning nieuws dat Aymyn was gekomen met gebonden handen en voeten. Toen ging Karel in de zaal daar hij Aymyn vond en zei tot hem: ‘Heer Aymyn, wees welkom.’ Toen zei Aymyn tot de koning: ‘Heer koning, laat u ontfermen over mij.’ Toen zei de koning: ‘Heer Aymyn, wie heeft u dit gedaan?’ Aymyn zei: ‘Heer koning, mijn kinderen, ze kwamen op mijn kasteel; toen ik het vernam deed ik mijn volk wapenen en meende ze te vangen en hier te zenden, maar ik zeg u heer koning dat ze me afsloegen 500 man’. Toen de koning Aymyn hoorde zeggen bedroefde hem zijn gemoed en zei: ‘Ik zal er zelf varen en doen ze vangen.’ Toen zei koning Karel zijn baronnen en ander volk dat ze hen wapenen zouden, edel of onedel. En toen ze alle gewapend waren kwamen ze tot koning Karel en toen koning Karel zijn volk aldus gereed zag zat hij op zijn paard en reed met zijn volk zo lang dat ze kwamen te Dordogne. Op deze zelfde tijd was Reinout gaan staan boven op de tinnen en zag de koning van Frankrijk komen met een groot leger van volk en belegerde dat kasteel; hij zag dat ze hun tenten en paviljoenen begonnen op te richten voor het kasteel. Toen ging Reinout tot vrouwe Aye, zijn moeder, en zei: ‘Moeder, het staat ons nu eerst tot zorg want koning Karel heeft het kasteel belegerd en is het dat hij ons mag vangen hij doet ons alle hangen, moeder, en weet ge ons nu geen raad zo blijven we alle verloren.’ Toen zei die moeder vrouwe Aye tot Reinout: ‘Trek aan uw kleren die ge hier bracht en ik zal u tot een achterdeur uitlaten, aldus mag ge uw leven behouden.’ Reinout deed dat hem zijn moeder zei. Hij trok de pelgrims klederen aan en nam verlof aan zijn broeders die hen zeer mislieten want ze niet durfden avonturen door de achterdeur te gaan want daar grote zorg aan lag om daar niet door te komen, aldus was hun dat scheiden zeer verdrietig. Reinout was zeer droevig dat hij zijn broeders daar laten moest en toen Reinout verlof aan zijn moeder en broeders genomen had ging hij heimelijk ter achterdeur uit. Zijn moeder en broeders dreven alle grote rouw om het scheiden van Reinout en baden God voor hem. Vrouwe Aye zei tot Adelaert met wenende ogen: ‘Hoe zeer berouwt me deze vaart en bent in mijn huis belegerd van de koning, dus is mijn hart in zwaar verdriet; maar lieve kinderen doe mijn raad, hij zal u goed wezen: ge zal in wol en barrevoets de koning te voet vallen, daar is uw vader en al uw verwanten, ze zullen u helpen bidden.’ Ze deden dat hen hun moeder aanraadde en namen elkaar bij de hand en gingen in wol en barrevoets naar de heer en zodra dat men ze vernam worden ze gevangen en voor de koning gebracht. En toen ze voor de koning kwamen vielen ze op hun knieĎn voor de konings voeten en baden hem door God ootmoedig dat hij hen genade doen wou en zeiden; wat ze misdaan hadden wilden ze verbeteren zoveel als ze vermochten met lijf en ziel opdat ze ter verzoening mochten komen. Koning Karel zei dat men ze bond wat terstond gedaan werd want hun handen en voeten worden tezamen gebonden zo sterk dat het bloed ter nagels uitkwam en toen dat vrouwe Aye zag was het haar wee te moede; ze viel voor de konings voeten op haar knieĎn en bad genadig de koning dat hij haar gaf haar kinderen. Koning Karel antwoorde dat hij het niet doen zou en zei; ‘Ik zal ze houden zolang dat ik Reinout mede heb en doen ze dan tezamen hangen aan Montfaucon.’ De koning voer met zijn volk weer te Parijs en deed de drie broeders in behoeden leggen.

 

 

 

Dat XIIJ. ca Hoe Reinout quam met Volbeiert bi Parijs om sijn broeders te verlossen. Ende enen bode sende an coninc Karel ofmen de vete versoenen mocht ende wat soen hi den coninc boet biden bode.

Als Reinout met rouwe ende groot verdriet gecomen was tot Montalbaen beclagede hi sere sijn misval dat hi so van [fol. 86] sijn broeders scheiden moest. ende achterlaten. Ende hy had oec verhoert datse coninc Karel gevangen had ende woudese doen hangen ende het was al rouwich om die heren dat in Montalbaen was. Reinout wapende hem ende dede Volbeiert overdecken ende sadelen ende satter op ende scheide van Montalbaen. ende reet nae Parijs seer clagende zijn misval seggende in hem selven: ‘Waert dat men mijn broeders brochte om te hangen hi soudese mit cracht den coninc ontnemen of om doot bliven.’ Met dat hi dus reet peynsende quam daer een knecht lopen de starc ende snel was ende had een grote staf op zyn scouderen met iseren pennen ende de staf was mit yser wel beslegen. Reinout seide in hem selven: ‘Of mi die volcht om te verspien of om te beletten, dat sal ic gheringe weten, mi en gebreke arm of swairt ende Beiert mijn gode ors.’ Doe reet Reinout in des knapen gemoet ende sprac tot hem seggende: ‘Volgestu mi in evele moede of om mi te beletten, ic wil dat ghijt mi segt.’ Die man seide: ‘Here, soude ic u volgen in quade, dat en wair niet wel van mi gedaen, want ghij sijt mijn here ende ic ben u knecht: u vader gaf mi op uwer moeder casteel cccc. pont alle jaers te renten, die mach ic alle jaers verteren.’ Als Reinout van den bode dit gehoert hadde seide hi tot hem: ‘Segt mi u name.’ Doe seide de knecht: ‘Ic bin genoemt Rigant van Napels.’ Do seide Reinout: ‘Du moetste mi een boetscap doen anden coninc van Vrancrijc ende seggen eer ghi u boetscap doet, dat gi begeert een bede als sekerheit ende vast geley, so dat gi moecht gaen ende comen ongescaet van uwen live, dan doet u boetscap.’ Die bode seide tot Reinout dat hi de boetscap gaern dede. an den coninc van Vrancrijc ‘ende het is wel recht dat ic ben u knape.’ Doe seide Reinout: ‘ic sal u de boetscap seggen.’ De bode seide: ‘Segtse mi vry: als ic myn boetscap doe, spreecter [fol. 87] yemant in myn woerden, ic sla hem met mijn staf dat hi nemmermeer op en staet, des gelovet mi.’ Doe seide Reynout totten bode: ‘Segt den coninc int openbaer voir sine baroenen dat ic hem bidde dat hi mijn broeders spare ende segt hem dat ic gaerne zyn oetmoet socht wollen ende barvoet ende geven de meeste soen die ye over man ghegeven is: ic wil Lodewijc negenwerf mit goude op wegen ende ghevent over Lodewijcx siele, ick wil maken een man van goude so groot als Lodewijc was ende doen maken een kercke in de ere van onser Vrouwen ende goeden den priesters met mijns selfs goet, datmen daer in singe alle dage die vij. getiden. noch wil ic hem geven Beyert mijn goede orsse ende min casteel Montalbaen wil ic ontfangen van hem te leen, wil mi die coninc laten verdingen mijn lijf ende mijn broeders lijf ende vrede geven. Ende ist dat hi mi hier int lant niet sien en mach, ic ende mijn broeders willen gaern varen over zee. ende ist dat die coninc dair en binnen over zee. comt, wi willen hem dienen ende onderdanich wesen met siele. ende live ende dienen hem oec so getrouwelic. ende ridderlic dat hi niemant in sinen hove ons gelijc vinden sal, want wi hem niet begeven en sullen om leven noch om sterven, in hoe grote perikel dat wi comen mogen, wi sullen bide hulpe van God wederstaen. Ende ist dattet die coninc niet doen en wil. segt hem dat ic sal comen in sijn lant ende verbarnen al dat ic machtich werden mach: ic en sel sparen cloesteren noch kercken, ic en sel se al verbarnen ende nemen tgoud ende silver dat ic daer vinde ende betale dairmede mijn soudeniers. ende ruyters de mi dienen. Ende ic sal den coninc tselve doen dat ic Lodewijc sinen soen dede, want ic heb verhoert van hem, als dat hi des nachts gaet te metten, dan sel ic hem nemen wair, het is in de kerc of elwairt [fol. 88] ende slaen hem met minen swaerde doot. In dusdanige manieren sal ic mi dan over den coninc wreken of hi sal mine broeders quijt laten ende mi zijn paeys geven.’ Doe seide Reinout in hem selven ende bedacht hem van sinen opset ende seide: ‘God behoede mij voir sulcke scande. dat ic coninc Karel minen here slaen soude, want ic heb hem so veel misdaen, ic en weets nyet te beteren.’ Doe seide Reinout totten bode: ‘Doet mi de boetscap eerlic, dat bid ic u ende als gi coemt in de sale biden coninc, so gruet mi ymmer de xii ghenoten ende gruet mi ymmer sere biscop Tulpijn ende segt hem dat ic mijn broeders bevele in haer geleide, oftse de coninc woude doen hangen dat hise bescermen wille. ende dit selve bid al mine magen, dat si ymmer ten minsten raet noch daet toe en doen of mede riden dairmen mijn broeders hangen soude. Ende ist datse coninc Karel ijmmer met cracht [wil] hangen, al sent hise buten met macht van volc ic salse wairnemen, als si onder de galge comen, sal ic proeven mine cracht ende slaent al dat ic beriden mach met minen orsse Beiaert also dat hi myn broeders nemmermeer hangen en sal.’ Doe seide Reinout voert totten bode: ‘Eer gi uwe boetscap doet, siet dat gi ymmer vaste geleide neemt also dat gi mit eren moecht gaen. ende comen sonder deren van uwen live.’ Die bode seide weder: ‘Reinout, en onsiet u niet, ic sal mijn boetscap wel doen, het vergae mi alst mach.’ Mit desen woerden nam die bode an Reinout oerlof ende liep met haesten so lange dat hi te Parijs quam in des conincs sale, ende als hi in de sale quam sach hi coninc Karel comen wt een camer, doe began hem de bode te scamen dat hi voir so groten here soude met sinen staf staen, nochtans en woude hijs niet wter hant leggen; ten lesten wert hi bedocht en leyden onder sine voeten ende viel voerden coninc [fol.89] over sijn knyen ende dede hem reverentie: als hi dat ghedaen had stont hy op ende sach stoutelic op den coninc ende lovich ende seide: ‘Coninc edel here, ic brenge di een boetscap.’ Doe seide die coninc: ‘Goede boetscap moet altijt welcoem zijn. nu segt ons met wat boetscap dat ghi geladen sijt.’ De bode seide weder totten coninc: ‘Eer gi mine boetscap van mi horen sult, begere ic an u een bede: vaste vrede. ende goet gheley also dat ic gaen. ende keren mach met eren, ongescaet van minen live; anders en seg ic mijn boetscap niet. want heer coninc soudemen boden onteren. of scande doen, soe wert dicwil ongereet menige boetscap van te doen.’ Als de coninc de bode dus hoerde spreken seide hi totten bode: ‘Gi segt waer: ic sweer u vrede bi mijnre crone ende dat u niemant en sal misdoen of u lijf nemen. des neemt Roelant tot een borge de daer staet: hi is een die starcste vander werelt ende den koensten. Geleit hij u, bode, ghi moecht wel wesen sonder anxt.

Dat XIIJ kapittel. Hoe Reinout kwam met Beiaard bij Parijs om zijn broeders te verlossen. En een bode zendt aan koning Karel of men de vete verzoenen mag en wat verzoening hij de koning bood bij de bode.

Toen Reinout met rouw en groot verdriet gekomen was te Montalbaen beklaagde hij zeer zijn misval dat hij zo van zijn broeders scheiden moest en achterlaten. En hij had ook gehoord dat ze koning Karel gevangen had en wou ze doen hangen en het was al rouw om de heren dat in Montalbaen was. Reinout wapende hem en deed Beiaard bedekken en zadelen en zat erop en scheidde van Montalbaen en reed naar Parijs zeer klagend zijn misval en zei in zichzelf: ‘Was het dat men mijn broeders bracht om te hangen, hij zou ze met kracht de koning ontnemen of om dood blijven.’ Met dat hij dus reed peinzend kwam daar een knecht lopen die sterk en snel was en had een grote staf op zijn schouders met ijzeren pennen en de staf was met ijzer goed beslagen. Reinout zei in zichzelf: ‘Of me die volgt om te spioneren of om te beletten, dat zal ik gauw weten, me ontbreekt arm of zwaard en Beiaard mijn goede paard.’ Toen reed Reinout in de knaap zijn gemoed en sprak tot hem zeggende: ‘Volgt u mij in euvele gemoed of om me te beletten, ik wil dat gij het me zegt.’ Die man zei: ‘Heer, zou ik  u volgen in het kwaad, dat was niet goed van mij gedaan want ge bent mijn heer en ik ben uw knecht: uw vader gaf me op uw moeders kasteel 400 pond alle jaren tot rente, die mag ik alle jaren verteren.’ Toen Reinout van de bode dit gehoord had zei hij tot hem: ‘Zeg me uw naam.’ Toen zei de knecht: ‘Ik ben genoemd Rigant van Napels.’ Toen zei Reinout: ‘U moet me een boodschap doen aan de koning van Frankrijk en zeggen eer ge uw boodschap doet dat ge begeert een bede als zekerheid en vaste geleide zodat ge mag gaan en komen onbeschadigd van uw lijf, dan doet u boodschap.’ De bode zei tot Reinout dat hij de boodschap graag deed aan de koning van Frankrijk ‘en het is wel recht dat ik ben uw knaap.’ Toen zei Reinout: ‘ik zal u de boodschap zeggen.’ De bode zei: ‘Zeg het mij vrij: als ik mijn boodschap doe spreekt er iemand ondertussen als ik spreek, ik sla hem met mijn staf zodat hij nimmermeer opstaat, aldus geloof me.’ Toen zei Reinout tot de bode: ‘Zeg de koning in het openbaar voor zijn baronnen dat ik hem bid dat hij mijn broeders spaart en zeg hem dat ik graag zijn ootmoed zocht in wol en barrevoets en geef de grootste verzoening die ooit over een man gegeven is: ik wil Lodewijk negen maal met goud opwegen en geven het over Lodewijk’ s ziel, ik wil maken een man van goud zo groot als Lodewijk was en doen maken een kerk in de ere van onze Vrouwe en vergoeden de priesters met mijn eigen goed zodat men daarin zingt alle dagen de 7 getijden. Nog wil ik hem geven Beiaard, mijn goede paard, en mijn kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen, wil me die koning laten verdingen mijn lijf en mijn broeders lijf en vrede geven. En is het dat hij me hier in het land niet zien wil, ik en mijn broeders willen graag varen over zee en is het dat de koning daarbinnen over zee komt, we willen hem dienen en onderdanig wezen met ziel en lijf en dienen hem ook zo getrouw en ridderlijk dat hij niemand in zijn hof ons gelijk vinden zal, want we hem niet begeven zullen om leven nog om sterven, in hoe groot gevaar dat we komen mogen, we zullen bij de hulp van God weerstaan. En is het dat de koning het niet doen wil zeg hem dat ik zal komen in zijn land en verbranden al dat ik machtig worden mag: ik zal niet sparen kloosters nog kerken, ik zal ze alle verbranden en nemen het goud en zilver dat ik daar vindt en betalen daarmee mijn soldaten en ruiters die me dienen. En ik zal de koning hetzelfde doen dat ik Lodewijk zijn zoon deed, want ik heb gehoord van hem als dat hij ‘s nachts gaat te metten dan zal ik hem nemen waar, het is in de kerk of elders en slaan hem met mijn zwaard dood. In dusdanige manieren zal ik me dan over de koning wreken of hij zal mijn broeders vrij laten en me zijn vrede geven.’ Toen zei Reinout in zichzelf en bedacht hem van zijn opzet en zei: ‘God behoedde mij voor zulke schande dat ik koning Karel mijn heer slaan zou want ik heb hem zoveel misdaan, ik weet het niet te verbeteren.’ Toen zei Reinout tot de bode: ‘Doe me de boodschap eerlijk, dat bid ik u en als ge komt in de zaal bij de koning zo groet me immer de 12 bondgenoten en groet me immer zeer bisschop Tilpin en zeg hem dat ik mijn broeders beveel in hun geleide als ze de koning wilde doen hangen dat hij ze beschermen wil en ditzelfde bid al mijn verwanten dat ze immer tenminste raad nog daad toe doen of mede rijden daar men mijn broeders hangen zouden. En is het dat ze koning Karel immer met kracht wil hangen, al zend hij ze buiten met macht van volk, ik zal ze waarnemen en als ze onder de galg komen zal ik beproeven mijn kracht en slaan alles dat ik begaan mag met mijn paard Beiaard alzo dat hij mijn broeders nimmermeer hangen zal.’ Toen zei Reinout voort tot de bode: ‘Eer ge uw boodschap doet, ziet dat ge immer vaste geleide neemt alzo dat ge met eren mag gaan en komen zonder deer van uw lijf.’ De bode zei weer: ‘Reinout, ontzie u niet, ik zal mijn boodschap wel doen, het vergaat me zoals het mag.’ Met deze woorden nam de bode aan Reinout verlof en liep met haast zo lang dat hij te Parijs kwam in de konings zaal en toen hij in de zaal kwam zag hij koning Karel komen uit een kamer, toen begon hem de bode te schamen dat hij voor zo’ n grote heer met zijn staf zou staan, nochtans wilde hij het niet uit de hand leggen; tenslotte werd hij bedacht en legde het onder zijn voeten en viel voor de koning op zijn knieĎn en deed hem reverentie: toen hij dat gedaan had stond hij op en zag dapper op de koning en lieflijk zei: ‘Koning, edele heer, ik breng u een boodschap.’ Toen zei de koning: ‘Goede boodschap moet altijd welkom zijn. Nu zeg ons met wat boodschap dat ge geladen bent.’ De bode zei weer tot de koning: ‘Eer ge mijn boodschap van me horen zal begeer ik aan u een bede: vaste vrede en goede geleide alzo dat ik gaan en keren mag met eer, onbeschadigd van mijn lijf; anders zeg ik mijn boodschap niet. Want, heer koning, zou men boden onteren of schande doen, zo wordt het vaak ongerede om menige boodschap te doen.’ Toen de koning de bode aldus hoorde spreken zei hij tot de bode: ‘Ge zegt waar: ik zweer u vrede bij mijn kroon en dat u niemand zal misdoen of uw lijf nemen. Dus neem Roelant tot een borg die daar staat: hij is een van de sterkste van de wereld en de koenste. Begeleidt hij u, bode, ge mag wel wezen zonder angst.

 

 

 

Die bode antwoerde den coninc: ‘Heer coninc, mijn heer Roelant en sals hem niet belgen, ic name liever ander borge die ic name sonder sorghe.’ Doe seide de coninc tot Olivier: ‘Weest mede sijn borge’. ‘Vrient, willen u dese twe heren geleiden, gi moecht wel gaen. ende comen met eeren. want u en mach dan niemant deren sonder alleen God.’ Doe seide de bode: ‘Heer coninc, dese heren en moeten hem niet belghen. ic had liever seker borge die ic vrijer nemen soude.’ Doe seide de coninc: ‘Geleit desen bode mede, bisscop Tulpijn, ic seg u bode, willen u dese iij. heren geleiden int gaen. ende keren, ghij moget vry wesen sonder sorge.’ Doe seide de bode totten coninc weder: ‘Heer coninc, dese heren sijn goet, mer noch naem ic liever ander borch die mi bet ghenoegen soude.’ Doe seide de coninc: ‘Geleyten  [fol. 90] mede, heer Ogier. ’‘Bode, willen u dese vier heren geleiden, u en mach nyemant deren sonder alleen God.’ Doe seide die bode weder totten coninc: ‘Heer coninc, si en mogen mi niet ghenoegen. ic seg u inder waerheit, ic had noch veel liever een vaster borge de ic noch liever had.’ Doen Karel de bode dese woerden hoerde spreken wort hi toernich. ende seide: ‘Bistu den duvel en machmen di geen te wille setten, kiest self.’ Doe seide de bode stoutelic: ‘Heer coninc, geef mi dan oerlof self geleide te kiesen. so en wilt u niet belgen, gi moet selve mijn borge wesen.’ Doe seide de coninc: ‘God loens u bode, dat du mi eer doetste, ic sel di te recht houden tegen heren ende baroenen ende al dat u deren mach,’ ende dat swoer hem de coninc bi sijnre cronen. ‘Heer coninc,’ seide de bode, ‘gi sijt coninc. ende moecht u woert niet wederroepen. Aldus wil ic mijn boetscap beginnen ende wilt na mi horen, heer coninc, dat u God lange spaert: u doet grueten een die drovichste man die ye inder werelt was ende een de beste ridder de ye sonne of mane bescheen ende de edelste creatuer de ye van moeder lijf ontfinc, heer coninc, het is u suster kint Reinout ende doet u bidden vriendelic of gi u veroetmoedighen wilt ende sparen sijn drie broeders die gi gevangen hout ende ist dat u gelieven wil hem ende zijn broeders tontfanghen in uwe genade: wes hi ende sijn broeders mesdaen hebben tegen u ende uwe mogentheit, wil hi gaerne beteren ende u te voet vallen wollen ende barvoet ende geven hem de meeste soen die ye over man gegeven is. Eerst wil hi Lodewijc negenwerf met goude op wegen ende wil maken u een man van goude so groot ende lanc als Lodewijc was ende ghevent over Lodewijcs doot. Voirt wil hi doen maken in de eer van onser vrouwe Maria een scoen kerc. ende goeden de priesters met zijn selfs goet so [fol. 91] dat si houden de VII. ge[ti]den alle dage. ende elcke priester alle dage doende een misse, ende Montalbaen wil hi te leen van u ontfangen, of doet mit dat casteel dat u gelieft, ende in al die kercken van kerstenrijc of cloesteren een maent lanc doen singhen alle dage misse over Lodewijcs siele ende Beiaert dat goede orsse sal hi u mede geven. Ende ist dat gi hem in desen landen niet gedogen of sien en moecht, so sal hi met al sijn broeders trecken over zee. Ende waert dat gi bi hem luden quaemt, si souden u bistaen ende in geenre noot begeven om leven of om sterven. Aldus heer coninc, verwacht uwe edelheit, wilt hem ende sine broeders genadich wesen.’ Doe seide de coninc totten bode: ‘Onbiet mi Reinout yet meer?’ Doe antwoerde de bode seggende: ‘Heer coninc, ya hi, u onbiet Reinout: ist dat u dat niet en mach genoegen ende gi die vete tegen hem houden wilt, so sal hi comen in u lant branden roven ende destrueren dorpen, closteren, kercken ende al dat hi buten vaste mueren beriden mach ende dat gout dat hi inder kercken vint daer sal hi mede lonen den genen die hem dienen.’ Doe seide coninc Karel: ‘Ontbiet mi minen neve Reinout niet meer?’ Die bode seide: ‘Ya hi, heer coninc. hi ontbiet u: ist dat gi hem ende zijn broeders in gracien niet ontfangen en wilt, hy sal u doen tselve dat hi uwen soen Lodewijc gedaen heeft, want hi heeft vernomen an u een niewe maniere, als dat ghi des nachtes gaern u getiden leest ende gaet te metten, so sal hij u eens nemen waer inder kercken of elders daer hi u bevinden can ende slaen u doot, aldus sal hi hem moerdelic an u wreken.’ Als de coninc vanden bode dese woerden verstaen had was hi seer drovich van herten ende seide tot hem: ‘By Gode bode, dese boetscap de du mij brenges is mi niet lief te horen, ic woude dattu aftergebleven hadste ende tot mi niet gecomen en waerste, want de mare de du mi [fol. 92] brenges doet mi therte groot verdriet hebben.’ De coninc beclagende hem vander tidinge die hi ghehoert hadde vanden bode, seide tot hem: ‘Du waerste seer vroet ende wijs dattu goet geley naemste want hadstu aldusdanige woerden geseit in mijn sael sonder borghen of goet geleide, ic segt u inder waerheit. ick had u dat hoeft of doen slaen.’ Doe seide die coninc totten bode: ‘Ontbiet mi myn neve Reinout yet meer?’ ‘Neen hi, heer coninc, mer ic seg u voerwaer: hi doet seer grueten die xij. genoten van Vrancrijc ende den bisscop Tulpyn ende beveelt bisscop Tulpijn op sijn ere dat hi sijn broeders in sine geleide neme, ende bidt alle sine hoge magen dat si hem ontfermen willen sijn claghelike woerden ende dat si niet en rijden of gaen of raet of daet daer toe geven daermen sinen broeders verdoet. Ende ist here coninc, dat gi sijn broeders verdoet, ende ist here coninc, dat gi sijn broeders ter galgen doet brengen met macht van volc om te doen hangen, so suldi Reinout daer bereet vinden ende sal u zijn broeders mit crachte nemen of daer doot bliven. ende can hi u heer coninc daer mede sien, hi sal u mitten swaerde versoecken so dat gi sijne broeders nemmermeer en hanct.’ Als Karel dese woerden verstont vanden bode seyde hi: ‘Ontbiet mi dat minen neve Reynout. nu sal ic sien wie so stout sal dorren wesen de Reynout lyen daer of tot maechscap trecken ende seggen dat hi hem bestaet: wije dat doet, ic doen hangen binnen iij dagen.’ Als dit die coninc seide hads de bode rou int herte. ende nam sinen staf in die hant ende ginc eerst voer Roelant ende seide: ‘Roelant edel grave, berecht mi doch dat ic u vragen sal: Reinout de edel here, vrou Ayen soen van Merewout, bestaet hi u of niet?’ Doe seide Roelant: ‘Ya hi, bode, ic en missake hem niet om niemants wil.’ De bode seide tot Roelant: ‘Ic seg [fol. 93] u certeyn, haddi de ionchere gelochent ic had u geslagen met minen staf.’ Doe ginc de bode voer bisscop Tulpyn ende seide: ‘Heer bisscop segt mi doch dat ic u vrage of Reynout u yet bestaet.’ De seide: ‘Ya hi, zijn vrient wil ic altijt wesen.’ Als dat de coninc sach seide hi: ‘Wie heeft ons dese bode gebrocht, de zijn boetscap dus meesterlic doet? hi is wijs, stout ende snel ende doet zyn boetscap eerlic’ ende voert seide de coninc totten bode: ‘Wanneer sagestu Reynout?’ Dye bode seyde: ‘Heer coninc, als ic mach segghen, soe sach ic hem gisteren.’ Doe seide die coninc weder: ‘Vrient, waer saechdi hem te voet of op een ors?’ De bode seide: ‘Heer coninc, ic salt u seggen: do ic hem sach, had hi Beiert dat goede ors bescreden.’ De coninc seide: ‘Dat is mi leet dat hij Beiert noch heeft.’ De coninc seide: ‘Bode, wilsti mi Reynout wisen, ic sal u dusent gulden van goude gheven ende sal u te recht houden al Reinouts magen ende al de deren mogen.’ Doe seide de bode: ‘Heer coninc, ic en wils niet doen; ic seg u heer coninc, bi mijnre trouwen: quaem ic dair ghi Reinout wout vangen, ic soude u mit mijn stave slaen dat ghijs nemmermeer vergeten en sout, mi en gebrake arm noch mijn staf.’ Doe seide de coninc: ‘Vrient, op u woerden en acht ic niet een caf noch op Reynouts stoutheit want het is een dwaes mensce de alsulke vermetelde woerden spreect als ghi doet, bode, tot uwen overhoeft; waert sake datgi geen geleide en had ic soude u doen hangen [om] u vermetelde woerden want ic nie so qualic ende dorperlic van bode heb horen speken’

‘De bode antwoorde de koning: ‘Heer koning, mijn heer zal zich niet verbolgen, ik nam liever een andere borg die ik nam zonder zorgen.’ Toen zei de koning tot Olivier: ‘Wees mede zijn borg’. ‘Vriend, willen u deze twee heren geleiden, ge mag wel gaan en komen met eren want u mag dan niemand deren uitgezonderd alleen God.’ Toen zei de bode: ‘Heer koning, deze heren moeten zich niet verbolgen, ik had liever zekere borg die ik vrijer nemen zou.’ Toen zei de koning: ‘Geleidt deze bode mede, bisschop Tilpin, ik zeg u bode, willen u deze 3 heren geleiden in het gaan en keren, gij mag vrij wezen zonder zorgen.’ Toen zei de bode tot de koning weer: ‘Heer koning, deze heren zijn goed, maar nog nam ik liever andere borg die me beter genoegen zouden.’ Toen zei de koning: ‘Geleidt mede, heer Ogier. ’‘Bode, willen u deze vier heren geleiden, u mag niemand deren uitgezonderd alleen God.’ Toen zei de bode weer tot de koning: ‘Heer koning, ze mogen me niet vergenoegen. Ik zeg u in de waarheid, ik had nog veel liever een vastere borg die ik nog liever had.’ Toen Karel de bode deze woorden hoorde spreken wordt hij toornig en zei: ‘Bent u de duivel en mag men u geen te wil zetten, kies zelf.’ Toen zei de bode dapper: ‘Heer koning, geef me dan verlof zelf geleide te kiezen zo wil u niet verbolgen, ge moet zelf mijn borg wezen.’ Toen zei de koning: ‘God beloont het u bode dat u me eer doet, ik zal u terecht houden tegen heren en baronnen en al dat u deren mag,’ en dat zwoer hem de koning bij zijn kroon. ‘Heer koning,’ zei de bode, ‘ge bent koning en mag uw woord niet herroepen. Aldus wil ik mijn boodschap beginnen en wil naar me horen, heer koning, dat u God lang spaart: u doet groeten een van de droevigste man die ooit in de wereld was en een van de beste ridders die ooit de zon of maan bescheen en het edelste creatuur die ooit van moeder lijf ontving, heer koning, het is uw zuster kind Reinout en doet u bidden vriendelijk of ge u verootmoedigen wil en sparen zijn drie broeders die gij gevangen houdt en is het dat u gelieven wil hem en zijn broeders te ontvangen in uw genade: wat hij en zijn broeders misdaan hebben tegen u en uw mogendheid wil hij graag verbeteren en u te voet vallen in wol en barrevoets en geven hem de grootste verzoening die ooit een over man gegeven is. Eerst wil hij Lodewijk negen maal met goud opwegen en wil maken u een man van goud zo groot en lang als Lodewijk was en geven het voor Lodewijk’ s dood. Voorts wil hij doen maken in de eer van onze vrouwe Maria een mooie kerk en vergoeden de priesters met zijn eigen goed zodat ze houden de 7 getijden alle dagen en elke priester alle dagen doet een mis en Montalbaen wil hij te leen van u ontvangen of doe met dat kasteel dat u belieft en in al de kerken van christenrijk of kloosters een maand lang doen zingen alle dagen een mis voor Lodewijk’ s ziel en Beiaard, dat goede paard, zal hij u mede geven. En is het dat ge hem in deze landen niet gedogen of zien mag zo zal hij met al zijn broeders trekken over zee. En was het dat ge bij hen lieden kwam, ze zouden u bijstaan en in geen nood begeven om leven of om sterven. Aldus, heer koning, verwacht uw edelheid wil hem en zijn broeders genadig wezen.’ Toen zei de koning tot de bode: ‘Ontbiedt me Reinout iets meer?’ Toen antwoorde de bode zeggende: ‘Heer koning, ja hij, u ontbiedt Reinout: is het dat u dat niet mag vergenoegen en ge die vete tegen hem houden wil zo zal hij komen in uw land branden, roven en vernielen dorpen, kloosters, kerken en alles dat hij buiten vaste muren berijden mag en dat goud dat hij in de kerken vindt daar zal hij mee belonen diegenen die hem dienen.’ Toen zei koning Karel: ‘Ontbiedt me mijn neef Reinout niet meer?’ De bode zei: ‘Ja hij, heer koning, hij ontbiedt u: is het dat ge hem en zijn broeders in gratie niet ontvangen wil, hij zal u doen hetzelfde dat hij uw zoon Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen aan u een nieuwe manier als dat ge ‘ s nachts graag uw getijden leest en gaat te metten zo zal hij u eens nemen waar in de kerk of elders daar hij u vinden kan en slaat u dood, aldus zal hij hem moorddadig aan u wreken.’ Toen de koning van de bode deze woorden verstaan had was hij zeer droevig van hart en zei tot hem: ‘Bij God bode, deze boodschap die u mij brengt is me niet lief te horen, ik wou dat u weg gebleven was en tot mij niet gekomen want van het bericht die u mij brengt doet me het hart groot verdriet hebben.’ De koning beklaagde hem van de tijding die hij gehoord had van de bode en zei tot hem: ‘U was zeer verstandig en wijs dat u goede geleide nam want had u al dusdanige woorden gezegd in mijn zaal zonder borgen of goede geleide, ik zeg u in de waarheid, ik had u dat hoofd af doen slaan.’ Toen zei de koning tot de bode: ‘Ontbiedt me mijn neef Reinout iets meer?’ ‘Neen hij, heer koning, maar ik zeg u voor waar: hij doet zeer groeten de 12 bondgenoten van Frankrijk en de bisschop Tilpin en beveelt bisschop Tilpin op zijn eer dat hij zijn broeders in zijn geleide neemt en bidt al zijn hoge verwanten dat ze hem ontfermen willen zijn klagende woorden en dat ze niet rijden of gaan of raad of daad daartoe geven daar men zijn broeders verdoet. En is het heer koning, dat ge zijn broeders verdoet en is het, heer koning, dat ge zijn broeders ter galg doet brengen met macht van volk om te doen hangen, zo zal ge Reinout daar bereid vinden en zal u zijn broeders met kracht nemen of daar dood blijven en kan hij, u heer koning, daar mede zien, hij zal u met het zwaard verzoeken zodat ge zijn broeders nimmermeer hangt.’ Toen Karel deze woorden verstond van de bode zei hij: ‘Ontbiedt me dat mijn neef Reinout, nu zal ik zien wie zo dapper zal durven wezen die Reinout belijden daar of tot verwant trekken en zeggen dat hij hem bestaat: wie dat doet, ik doe hem hangen binnen 3 dagen.’ Toen dit de koning zei had de bode rouw in het hart en nam zijn staf in de hand en ging eerst voor Roelant en zei: ‘Roelant, edele graaf, bericht me toch dat ik u vragen zal: Reinout de edele heer, vrouwe Ayen’ s zoon van Merwout, bestaat hij u of niet?’ Toen zei Roelant: ‘Ja hij, bode, ik miszeg hem om niemands wil.’ De bode zei tot Roelant: ‘Ik zeg u zeker, had ge de jonkheer geloochend ik had u geslagen met mijn staf.’ Toen ging de bode voor bisschop Tilpin en zei: ‘Heer bisschop , zeg me toch dat ik u vraag of Reinout u iets bestaat.’ Die zei: ‘Ja hij, zijn vriend wil ik altijd wezen.’ Toen dat de koning zag zei hij: ‘Wie heeft ons deze bode gebracht die zijn boodschap dus meesterlijk doet? Hij is wijs, dapper en snel ende doet zijn boodschap eerlijk’ en voort zei de koning tot de bode: ‘Wanneer zag u Reinout?’ De bode zei: ‘Heer koning, als ik het mag zeggen, zo zag ik hem gisteren.’ Toen zei de koning weer: ‘Vriend, waar zag ge hem, te voet of op een paard?’ De bode zei: ‘Heer koning, ik zal het u zeggen: toen ik hem zag had hij Beiaard dat goede paard beschreden.’ De koning zei: ‘Dat is me leed dat hij Beiaard nog heeft.’ De koning zei: ‘Bode, wil u me Reinout wijzen, ik zal u duizend gulden van goud geven en zal u terecht houden al Reinout’ s verwanten en al die deren mogen.’ Toen zei de bode: ‘Heer koning, ik wil het niet doen; ik zeg u, heer koning, bij mijn trouw: kwam ik daar waar ge Reinout wou vangen, ik zou u met mijn staf slaan zodat gij het nimmermeer vergeten zou, me ontbrak arm,  nog mijn staf.’ Toen zei de koning: ‘Vriend, op uw woorden acht ik niet een kaf nog op Reinout’ s dapperheid want het is een dwaas men die al zulke vermetele woorden spreek zoals gij doet, bode, tot uw overmoed; was het zaak dat ge geen geleide had ik zou u doen hangen om uw vermetele woorden want ik niet zo kwalijk en dorps van bode heb horen speken’.

 

 

Dat XIV ca. Ho Reinout zijn ors Volbeiert gestolen was ter wijlen dat hi sliep ende hoe hijt weder creech bi hulpe van zijn oem Maeldegijs.

Reinout de den bode wt ghesent hadde aen coninc Karel, verwonderde waer hi so lange mochte merren ende was seer [fol. 94] droevich dat hij niet weder ende keerde. ende meende datten coninc Karel had doen vangen of heimelic doen doden also dat hij groten rouwe daerom dreef wringende sijn handen ende toech zyn haer ende wenste de wijl dat hi doot geweest had, ende als hy den rou aldus was drivende een goede wile, quam hem dye vaec so sterc an dat hi slapen moste ende als hi dat gevoelde dat hi hem van slapen nyet langer onthouden en mocht, reet hi te Bordele int wout een weinich buten de paden ende trat van Beyaert ende nam sijn glavie ende stacse in dye aerde ende banter Beyairt an ende ginc leggen metten hoefde in sinen scilt ende sliep so lange, dat hi na seer beclaechde: Beyaert de daer gebonden stont an sijn glavie, began honger te crigen ende dede so veel metten hoefde dat den breidel of ginc ende ghinc weiden een stuc vandair want hi tgras seer begeerde. Hier en binnen sijn gecomen x. knechten om voeringe te halen so si dagelicx plagen te doen. Ende als si int bosch quamen hebben si Beiaert daer alleen sien gaen ende seiden tot malcander: ‘Siet hier Beyaert dat goede ors, laet ons binden onse voederinge ende vangen Beyert, het is waerdich groot goet: waert sake dat wijt gecrigen conden wi soudent geven den coninc van Vrancrijc, hi sal ons geven scats genoech ende maken ons rijke luden.’ Met desen woerden liepen si om tors te vangen ende omghingent met subtijlheit dat sijt ten besten vingen, des si alle blide waren ende leiden ter stont na Parijs ende binnen Parijs quam niemaer hoe dat Volbeiert gevangen was. Ende als si binnen Parijs quamen liep het volc om Beiaert te sien, edel ende onedel, vrouwen ende ioncfrouwen, rijc ende arm; op dese selve tijt was coninc Karel opt palays ende sach tot een veynster wt ende bi hem stont Roelant. Ende als coninc Karel neder wert sach hoirde hi groot geruft [fol. 95] ende sach tvolc lopen in groter menichte bi malcander, seide hi tot Roelant: ‘Neve ginder vechtmen sere, ic woude dat ic dair waer, ic soudet vreden.’ ‘So soude ic oec,’ seide Roelant, ‘laet ons gaen daer ende sceidense.’ Mittien gingen si beneden ende als si beneden waren sach hi op ende sach dat die knechten Beiaert brochten. Doe seide de coninc tot Roelant: ‘Siet neve, ginder brenghen xij. knechten Beyaert gevangen, dat wil ic u geven.’ Doe seide Roelant: ‘Heer coninc, gi segt wel’ ende seide voert in hem selven: ‘hi had mi liever biden handen, de edel grave Reinout. hoe waren die knechten so coen dat si vangen dorsten dat ors, ic woude si daer om alle gehangen waren, ic sal den raet geven dat si daer om noch alle sterven sullen of hangen.’ Mettien quamen de knechten voerden coninc ende knielden voer hem. ende seiden: ‘Heer coninc, siet hier Beyaerden, dien geven wi u doer uwe eere.’ Doe seide die coninck: ‘Kinderen, gi segt wel.’ Doe vraechde hem de coninc waer si dat ors vingen. Doe seiden die knechten: ‘Heer coninc, buten Bordele int wout dair ginct weien.’ Doe vraechde hem de coninc of si Reinout yet sagen. si seiden: ‘Heer coninc, neen wi, van hem en weten wi groot noch cleijn.’ Dair na seide de coninc tot Roelant: ‘Neve, neemt dat ors, ic ghevet u, doeter mede wat u ghelieft’ ende die coninc seide dair hi stont: ‘nu en mach hem Reinout in geen lant onthouden, ic en doe hem vangen.’ Doe antwoerde Roelant: ‘Heer coninc, gi segt waer’ ende Roelant seide voert: ‘Heer coninc, doet dat ic u sal raden: beveelt dat ors den knechten te houden ende of si Beyert verliesen dat si daer alle om sterven sullen’. Die coninc seide totten knechten: ‘Ic bevele u tors op sulcke condicie als Roelant geseit hevet.’ Die knechten namen dat in hoede also alst Roelant woude hebben ende de coninc [fol. 96] seide: ‘Neemt wel tors waer ende geeft hem genoech hoys ende coren; ic seg u voirwair ic en woude niet dat Beyert yet misquaem: ic verlore mi liever dusent pont.’ Met dat de coninc dat sprac quamen twe scoone ioncfrouwen in die sale ende waren geboren van Parijs. ende seiden: ‘Segt edele grave Roelant, wanneer suldy Beiaert beriden ende laten sien den snellen loep van Volbeiert ende sine grote sprongen?’ Doe seide Roelant totter ionc frouwen: ‘Alst u gelieft scone ioncfrou, blijft hier een weinich staende, ic sal gaen bidden oerlof anden coninc.’ Mettien keerde hi wter sale ende ginc totten coninc ende seide: ‘Heer coninc, mi bidden ioncfrouwen van Parijs dat ic Beiert beriden soude buten Parijs op de waerde ende laten die edele vrouwen sien sijn snelle loep ende vorde sprongen.’ Doe seide coninc Karel: ‘Ic gaffen u huden uwen wille mede te doen.’ Als Roelant dat hoirde seide hi: ‘Heer coninc, God loens u, so wil ic gaen ter stont ende beriden Beiert buten op die wairde daert de vrouwen mogen ansien.’ ‘So doet’ seide coninc Karel ‘want sal u doecht of eer geschien, het sal u van vrouwen comen.’ Roelant ghinc in de sale totten ioncfvrouwen ende seide: ‘Huden of en sonnendage sal ic Beiert beriden.’ Doe seiden si tot Roelant weder: ‘Wi bidden u op huesheit dat ghi beit tot en sonnendage. hier en binnen salment vereyschen over al Parijs also datter veel comen sullen om Beiert te sien te beriden. ende hoe hi sinen loep nemen sal ende hoe hem Roelant bedwingen ende bestieren.

Dat XIV kapittel. Hoe Reinout zijn paard Beiaard gestolen was terwijle dat hij sliep en hoe hij het weer kreeg met hulp van zijn oom Maeldegijs.

Reinout die de bode gezonden had aan koning Karel verwonderde waar hij zo lang mocht dralen en was zeer droevig dat hij niet weerkeerde en meende dat hem koning Karel had doen vangen of heimelijk doen doden alzo dat hij grote rouw daarom dreef en wrong zijn handen en trok zijn haar en wenste die tijd dat hij dood geweest had en toen hij de rouw aldus drijft een goede tijd kwam hem de slaap zo sterk aan dat hij slapen moest en toen hij dat voelde dat hij hem van slaap niet langer onthouden mocht reed hij te Bordele in het woud een weinig buiten de paden en trad van Beiaard en nam zijn lans en stak het in de aarde en bond er Beiaard aan en ging liggen met het hoofd in zijn schild en sliep zo lang wat hij daarna zeer beklaagde: Beiaard die daar gebonden stond aan zijn lans begon honger te krijgen en deed zoveel met het hoofd dat de breidel afging en ging weiden een stuk vandaar want hij het gras zeer begeerde. Hierbinnen zijn gekomen 10 knechten om voer te halen wat ze dagelijks plagen te doen. En toen ze in het bos kwamen hebben ze Beiaard daar alleen zien gaan en zeiden tot elkaar: ‘Zie hier Beiaard, dat goede paard, laat ons binden ons voer en vangen Beiaard, het is waard groot goed: was het zaak dat we het krijgen konden we zouden het geven de koning van Frankrijk, hij zal ons geven schat genoeg en maken ons rijke lieden.’ Met deze woorden liepen ze om het paard te vangen en omgingen het met subtielste zodat zij het ten besten vingen, dus ze alle blijde waren en leidden het terstond naar Parijs en binnen Parijs kwam nieuws hoe dat Beiaard gevangen was. En toen ze binnen Parijs kwamen liep het volk om Beiaard te zien, edel en onedel, vrouwen en jonkvrouwen, rijk en arm; op deze zelfde tijd was koning Karel op het paleis en zag uit een venster en bij hem stond Roelant. En toen koning Karel naar beneden keer hoorde hij groot gerucht en zag het volk lopen in grote menigte bij elkaar en zei hij tot Roelant: ‘Neef, ginder vecht men zeer, ik wou dat ik daar was, ik zou het bevredigen.’ ‘Zo zou ik ook,’ zei Roelant, ‘laat ons gaan daar en scheiden ze.’ Meteen gingen ze beneden en toen ze beneden waren keek hij op en zag dat de knechten Beiaard brachten. Toen zei de koning tot Roelant: ‘Zie neef, ginder brengen 12  knechten Beiaard gevangen, dat wil ik u geven.’ Toen zei Roelant: ‘Heer koning, ge zegt goed’ en zei voort in zichzelf: ‘hij had me liever bij de handen, de edel graaf Reinout, hoe waren die knechten zo koen dat ze vangen durfden dat paard, ik wou dat ze daarom om alle gehangen waren, ik zal de raad geven dat ze daarom nog alle sterven zullen of hangen.’ Meteen kwamen de knechten voor de koning en knielden voor hem en zeiden: ‘Heer koning, ziet hier Beiaard, die geven we u door uw eer.’ Toen zei de koning: ‘Kinderen, ge zegt goed.’ Toen vroeg hen de koning waar ze dat paard vingen. Toen zeiden de knechten: ‘Heer koning, buiten Bordele in het woud daar ging het weiden.’ Toen vroeg hen de koning of ze Reinout iets zagen. Ze zeiden: ‘Heer koning, neen wij, van hem  weten we groot nog klein.’ Daarna zei de koning tot Roelant: ‘Neef, neem dat paard, ik geeft het u, doe ermee wat u belieft’ en de koning zei daar hij stond: ‘nu mag hem Reinout in geen land onthouden, ik doe hem vangen.’ Toen antwoorde Roelant: ‘Heer koning, ge zegt waar’ en Roelant zei voort: ‘Heer koning, doe dat ik u zal aanraden: beveel dat paard de knechten te houden en als ze Beiaard verliezen dat ze daar alle om sterven zullen’. De koning zei tot de knechten: ‘Ik beveel u het paard op zulke conditie zoals Roelant gezegd heeft.’ De knechten namen dat in hoede alzo zoals het Roelant wou hebben en de koning zei: ‘Neem het goed het paard waar en geef het genoeg hooi en koren; ik zeg u voorwaar, ik wou niet dat Beiaard iets miskwam; ik verloor me liever duizend pond.’ Met dat de koning dat sprak kwamen twee mooie jonkvrouwen in de zaal en waren geboren van Parijs en zeiden: ‘Zeg edele graaf Roelant, wanneer zal ge Beiaard berijden en laten zien de snelle loop van Beiaard en zijn grote sprongen?’ Toen zei Roelant tot de jonkvrouwen: ‘Als het u belieft schone jonkvrouw, blijf hier een weinig staan, ik zal gaan bidden verlof aan de koning.’ Meteen keerde hij uit de zaal en ging tot de koning en zei: ‘Heer koning, me bidden jonkvrouwen van Parijs dat ik Beiaard berijden zou buiten Parijs op de weide en laten die edele vrouwen zien zijn snelle loop en verre springen.’ Toen zei koning Karel: ‘Ik gaf u heden uw wil mee te doen.’ Toen Roelant dat hoorde zei hij: ‘Heer koning, God beloont het u, zo wil ik gaan terstond en berijden Beiaard buiten op de weide daar het de vrouwen mogen aanzien.’ ‘Zo doe’ zei koning Karel ‘want zal u deugd of eer geschieden, het zal u van vrouwen komen.’ Roelant ging in de zaal tot de jonkvrouwen en zei: ‘Heden op een zondag zal ik Beiaard berijden.’ Toen zeiden ze tot Roelant weer: ‘Wij bidden u op hoffelijkheid dat ge wacht tot een zondag. Hierbinnen zal men het vernemen over al Parijs alzo dat er veel komen zullen om Beiaard te zien te berijden en hoe hi j zijn loop nemen zal en hoe hem Roelant bedwingen en besturen.

 

 

 

Hier wil ic nu swigen een weinich ende verhalen van Reinout de dair lach ende sliep: Reinout wert wakende ende vernam wel dat hi lange geslapen hadde. Ende ter stont sach hi na Beiert zijn goede ors dat verloren was. Ende als hi Beiert niet en sach spranc hi op mit een verbolgen herte ende sach al om, hi sach  [fol. 97] ghelijc een mensche de sijn sinnen verloren heeft ende als hijt nergent en sach began hi so ongemeten rou te driven dattet niet wel te seggen en is: hi wranc sijn handen dat hem tbloet ter nagelen wt spranc ende toech sijn haer. seggende in hem selven: ‘O felle fortune ende drayende rat van aventuren, hoe mogestu mi dus swaer ende hert wesen. O doot, waerom spaertstu my, want ongeluckiger man en was nie geboren; ic sie wel het is waer datmen plach te seggen: als een man een ongeval heeft, tander is hem bi. ick heb Beiaert mijn goede ors verloren. ende mijn broeders zien gevaen. Ic was mi huden vermetende in groter verwaenheit ende hoverdien dat ic mine broeders den coninc ontnemen soude ende hem slaen: ic sie wel God en wils niet hengen hij hevet den coninc te lief, men mach den coninc niet scaden mit woerden of wercken, alst wel blikelic was an Elegast die den coninc vermoerden woude, mer God waerscoude den coninc dattet niet en geschiede.’ Aldus als dit Reinout over dochte ende meer ander dingen, verdubbelde sijn rou. seggende: ‘Wat doen mi de sporen an myn voeten ende ic Beiert heb verloren.’ ende toech al sijn hernas van sinen live.

Hier wil ik nu zwijgen en verhalen van Reinout de daar lag en sliep: Reinout werd wakker en vernam wel dat hij lang geslapen had. En terstond zag hij naar Beiaard zijn goede paard dat verloren was. En toen hij Beiaard niet zag sprong hij op met een verbolgen hart en zag al om, hij zag gelijk een mens die zijn zinnen verloren heeft en toen hij nergens zag zijn paard begon hij zo onmetelijke rouw te drijven dat het niet goed te zeggen is: hij wrong zijn handen zodat hem het bloed ter nagels uitsprong en trok aan zijn haar en zei in zichzelf: ‘O felle fortuin en draaiend rad van avontuur, hoe mag ge me aldus zwaar en hard wezen. O dood, waarom spaart u mij, want ongelukkiger man was niet geboren; ik zie wel het is waar dat men plag te zeggen: als een man een ongeval heeft de andere is hem nabij. Ik heb Beiaard mijn goede paard verloren en mijn broeders zien gevangen. Ik was me heden vermetende in grote verwaandheid en hovaardij dat ik mijn broeders de koning ontnemen zou en hem slaan: ik zie wel God wil het niet toestaan, hij heeft de koning te lief, men mag de koning niet schaden met woorden of werken zoals het wel duidelijk was aan Elegast die de koning vermoorden wou, maar God waarschuwde de koning zodat het niet geschiede.’ Aldus toen dit Reinout overdacht en meer andere dingen verdubbelde zijn rouw zeggende: ‘Wat doen me de sporen aan mijn voeten en ik Beiaard heb verloren.’ En trok zijn harnas van zijn lijf.

 

 

Als Reinout aldus stont in sijn clage quam daer een man wt een hagedochte, welcke man hem selven vermaken ende versceppen conde bider const van nigromancien, als nu ionc als nu out ende cranc. ende hi was geheten Maeldegijs, hi ginc sijn const van nigromancien openbaren bi hulpe van cruit ende stenen de hi bi hem had ende secretelic in sijn cleder genayt waren so dat hij scheen out ende cranc te wesen ende seer mismaect van lichaem: zijn bairt op zyn borst ende sinen wijnbrauwen tot over zijn ogen dat hi doert thaer sien most, also dat hy out scheen ij. hondert iaer; hi huylde ende hoeste seer ende ghinc [fol. 98] lenende op zijn stoc ende ginc tot Reynout. Als hi bi Reynout. quam gruete hi hem ende seide: ‘God geve u goeden dach.’ Reinout gruete hem weder ende seide: ‘Vrient, ic meen ic nie goeden dach en had, sint ic van mynre moeder geboren was.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Here gi en sult niet wanhopen; God sal u licht beraden; als een mensce is in sijn meeste verdriet so is hem Gods hulpe naest bi ende helpt een mensce wt sijn verdriet.’ Reinout seide: ‘Ic en geloves nyet dat mi yemant soude mogen helpen wt dat verdriet daer ic nu in ben: ic hebbe mijn broeders verloren. ende coninc Karel houtse in sijn vangenis. ende wilse doen hangen daer ic groten rou om heb ende ic heb verloren Beiaert mijn goede ors: nye en was man van quader aventuren dan ic nu bin, ic wilde mi de doot haelde, so waer ic quijt vanden rou daer ic nu ewelic in stae.’ Maeldegijs ho[ren]de dese woirden van zijn neve Reinout, hoirde hi wel dat Reinout heel mistroestich was ende seide tot hem: ‘Ionchere, en wilt aldus seer in wanhopen niet wesen mer bidt Gode oetmoedelic om gracie ende genade; hi is so ontfermhertich de hem oetmoedelic biddende zijn, hi sal u vrilic van u verdriet verblijden ende uwe broeders sparen vander doot. Ic heb in myn leven geweest also verre als een pelgrim gaen mach, ic hebbe geweest te Romen. ende Sinte Iacobs tot Sinte Gillis in Provensen ende tot Sinte Andries in Scotlant ende oec heb ic geweest int lant van Iherusalem ende nye en quam ic in enich lant daer ic vant soe sconen man als gi sijt, bevaen mit so groten rouwe.’ Reinout seide: ‘Myn rouwe de ic te hants int herte heb is onseggelic: ic wilde ic doot wair, so waier ic ontladen vanden rou.’ Doe seide Maeldegijs tot Reinout: ‘Here ic ben een arm man: hebdi yet dat gi mi moget geven so sal ic u doen in mijn gebede ende alle uwe broeders dat si [fol. 99] deelachtich mogen wesen al de weldaet diemen doet ende de ic doe, ende datse God met lieve verlossen wil wt Karels handen.’ Doe seide Reinout: ‘Pelgrijm, ic en weet wat geven.’ Doe wert hi peinsende op zijn sporen de hi an sijn voeten hadde dat si van goude waren, hi deedse van zyn voeten ende gafse den pelgrim seggende: ‘Nem pelgrim, die sporen, si sijn van finen goude; het was de eerste ghifte die vrou Aye mijn moeder mi gaf God laetse mit eeren leven dair verteerdi wel op x. pont ist dat gi de sporen wilt houden.’ Do nam Maeldegijs de sporen van Reinout seggende: ‘Heer God loent u,’ ende stac die sporen in sijn male ende sceen seer blide te wesen. ende danckede Reinout seer ende seide: ‘Here, ic woude u vriendelijc bidden, had gi enige gifte meer, dat ghise mi wout geven, te bet soudi al min wercken deelachtich wesen. Doe seide Reinout: ‘Pelgrym, houtstu dijn spot met mi, ic seg u inder waerheit waert geen scande ende oneer datmen een pelgrym sloege, ic soude di slaen dat di dijn leven berouwen soude.’ Doe sprac Maeldegijs seggende: ‘Seker here, so dadi sonde want hadden si my al geslagen de ic aelmissen gebeden heb, ic wair over hondert iaer doot, want ic bid in kercken in closteren wair ick kan.’ Reinout seide: ‘Pelgrym, ghij segt waer.’ Doe seide de pelgrijm: ‘Here, of ic niet en bade ende gaefmen mi niet, waer of soude ic leven?’ Reinout seyde: ‘Gi segt waer, pelgrym, ter noot moetmen altijt wel bidden.’ Do seide Maeldegijs: ‘Nu segdi recht, here,’ ende mettien stan Maeldegijs sere ende seide tot Reinout: ‘Edel here, ic bid u doer Gode: hebdi yet meer, dat ghijt mij geven wilt, dat Gode uwe broeders verlossen wil vander doot ende verbliden van u verdriet?’ Doe antwoerde Reynout. die grave: ‘Ya. ic, pelgrim, neem dien tabbaert wel ghevoert want waer gi coemt, ghi moechter [fol. 100] wel.x. pont op verteren, de geve ic u doer Gode ende sijnre Moeder ende Sint Ian ende alle Gods heiligen, dat si behouden myn broeders siele ende datse God bewaer voer den smadeliken doot want ic ducht datse de coninc verdaen heeft, ende God mi geve sulcker gracie dat mi coninc Karel niet en doe vangen ende dat ic hem ontvlien mach, want had hi mi in zijnre macht, hi soude mi doen hangen.’ Mit dese woerden nam Maeldegijs de tabbert ende wantse te samen ende stacse mede in zijn male. Doe seide Maeldegijs weder tot Reynout: ‘Here, hebdi yet meer. behouden, ic wil wel doer de minne van goude dat ghijt mi gaeft, so woude ic met groter naersten Gode voer u ende uwe broeders bidden.’ Als Reinout dese woerden vanden pelgrim hoerde wort hi toernich ende verhief zijn swaert seggende: ‘Du bose pelgrim, salstu met mi spot houden, ic salt di leeren.’ Als de pelgrim dat sach ontspranc hi den slach ende scuttese op sijn stoc. Doe seide Maeldegijs tot Reinout: ‘Slaetstu mi, mer ic seg di het sel di rouwen want ic seg u, so help God, ic soude mi weren.’ Als Reinout dat hoerde seide hi: ‘Wat segdi pelgrim, soustu di weren? ic segdi in der wairheit, al waerdi so veel als bomen int wout ende ic u slaen woude, mi en souder geen ontgaen.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Ic seg u certein, gi weet luttel wie ic ben of wat ic can.’ Van dese woirden dye Maeldegijs seide, wert Reynout seer toernich ende verhief zijn swaert weder ende sloech na Maeldegijs de hem hier op versach. ende ontspranc den slach ende scutse op sinen stoc; doe toende Maeldegijs zyn consten ende veranderde van dye ouderdom in een ghedaente van een iongelinc van xx. iaren. Als Reinout dit sach verwonderde hi hem seer daer of ende was vervaert ende seide in hem selven: ‘Wat ist dat mi nu geschiet, ic en weet niemant so cloec dien ic slaen wil, hi en moet van myn hant sterven, al ist dat fortune [fol. 101] mi nu den rugge keert. want mijn broeders zyn gevaen ende ic ducht datse coninc Karel hangen sel; dair toe heb ic Beiert mijn goede ors verloren, aldus comt gaern teen verdriet na tander ende nu comt voer mi de duvel Belsebub of een ander. ende soude mi gaerne mede tempteren: ic sal, wilt God, besoecken oft is als bedroch of duvely.’ Mittien woirde heeft Reinout tswaert verheven ende sloch een so vreseliken slach dat Maeldegijs meende doot te bliven ende mochte met groter pijnen qualic ontvlien den swaren slach. Ende met dat Maeldegijs de slach met pinen ontweec, riep hi lude ende seyde: ‘Wat doedi, en kendi mi niet, neve Reinout?’ Mit dat Maeldegijs de woerden sprac, bleef Reinout staende, seggende: ‘Neen ic! wie sidi, dat segt mi.’ Do seide hi hem: ‘Ic ben gehieten Maeldegijs.’’ Als Reinout dat hoerde so viel hi zijn oem te voet, seggende: Genade oem, an u naest God staet al mijn hopen. ende leven ende ic bid u minlic mijn broeders nu bi staen ende behulpich wesen: ic heb Beiert mijn goede ors verloren, des heb ic int herte so groten rouwe want daer op was al min toeverlaet.’ Maeldegijs seyde: ‘Reinout, doet dat ic u leren sal, ic sal met mijnre consten Beiert voer u brengen.’ Als Reinout dat hoerde wert hi een deels verblijt, seggende: ‘Oem, wat ghi mi hiet, doe ic gaerne ende en laet des niet doer anxt of vrese van der doot.’ Doe nam Maeldegijs een oude heuc ende gafse Reinout ende seide: ‘Doet dese heuc over u hernas an datment hernas niet en sie.’ De heucke en had nerghens gaten dan daerment hoeft doerstac ende was ter aerden lanc; daer na gaf hem Maeldegijs een hoet daer an stont menich teiken van loet ende dede hem ij. oude hosen an trecken. Als dat Maeldegijs gedaen had toech hi een ander heucke an ende een hoet op zyn hoeft ende baerde sijn conste van nigromancien [fol. 102] ende veranderde Reinout in een ghedaente als een man van c. iaer ende seer cranc ende seer mismaect van lichaem, sijn baert grau ende lanc ende sijn wijnbraeuwen over sijn ogen. Dit gedaen wesende, sette hi hem te wege om te gaen ende wie hem luden te moet quamen, sagen Maeldegijs ende Reinout na, om dat hem luden dochte dat si nie so arme mismaecte pelgrims ghesien en hadden. ende selve dochte elcken mensche diese mit ogen sach dat seer vremde was, ende wanneer dat si wter luden gesichte waren warent vrome stoute iongelingen ende coene ridders. In desen schine ginghen si so lange dat si quamen tenden twout te Bordele. Doe sagen si al om ende mae[r]cten an deen side vanden wege een schone hagedocht ende dander syde een boem soe als ons de historie seit ende si gingen sitten onder de hagedocht; niet lanc en hadden si gheseten. Maeldegijs versach vier moniken de ridende quamen op pairden. Doe seide Maeldegijs tot Reinout: ‘Blift gi hier ende verwachtet mi: ic sal de moniken te moet gaen de ginder comen riden want ic soude gaern biechten.’ Als Reinout dat hoirde seide hi: ‘Oem so doet, ic hope het ons te bet gaen sel.’ Hiermede scheide Maeldegijs van Reinout ende ginc de moniken tegen ende als hier bi quam dede hi reverencie ende gruetese seggende: ‘God geve u goeden dach.’ De moniken seiden: ‘Pelgrim, God loens u.’ Voert seiden de moniken: ‘O oude pelgrym, wat hebdi menich mensch verleeft.’ Doe seide Maeldegijs weder: ‘Ic bidde Gode dat hi mij leven laet so lange dat mi niemant aelmissen en geve ende dat ic ontbonden waer van minen sonden: ic bid u heer, dat gi mijn biecht horen wilt.’ Doe seide daer een monik: ‘Pelgrym gi sult gaen tot een prochipaep, want wi hebben haest ende en mogen niet toeven.’ Doe [fol. 103] seide Maeldegijs weder: ‘Here gi siet wel dat ic een arm cranc mensche ben: sal ic dan in mijn sonden smoren so most ic dan ter hellen varen ende ewelic verloren bliven, mer ic hope datter so niet wesen en sal, ic moet u clagen mijn misval: ic hadde bi mi vergadert mit bidden xx. pont ende doe ic in dit bosch quam so quam mi te gemoet Reinout ende benam mi dat gelt ende sloech mi so sere dat ic waende doot te bliven, mer ic behielt iiij bisanten van goude, de had ic so heimelic genayt dat hise niet vinden en conde, anders waer icse mede quite: nimmermeer en mach ic hem prisen ende ic en weet niet wat doen, mer ic bid heer, hoer myn biechte ic sal u de iiij. bisanten geven.’ Doe vraechde Maeldegijs den monic of hi ergent wist dair enich edel volc versamet was. Doe seide een monic: ‘En sonnendage sal tot Parijs groot volc wesen beide van edel ende onedel.’ Doe seide een monic tot die ander in latyn: ‘Lat ons hem sijn biecht horen ende nemen die iiij. bisanten want si sullen goet wesen om in de wijn te verdrincken.’ Dit dochte den anderen monike goet. Doe seide een monic: ‘Coemt voert pelgrijm, ic sel u biecht horen’, mer Maeldegijs vraechde den moniken eer ende seide: ‘Ic bid u gi heren, hebdi yet gehoirt watter te doen sal wesen, dat gi mi segt de rechte wairheit daer of.’ Doe antwoerden die moniken dat sijt gaern daden: ‘Ic selt u seggen’ seide daer een monic ‘en Sonnendage de naest comende is, sal die grave Roelant Beiert berijden buten Parijs opt velt om die ioncfrouwen te laten sien sijn grote sprongen.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Macht wair wesen, is Beiert daer?’ ‘Yaet’ seide de monic, ‘ende coninc Karel heeft Roelant Beyert gegeven ende als Roelant Beiert bereden heeft so wil hi iusticie doen, hanghen sijn neven te Montefaucoen an de galghe.’ Als Maeldegijs dat hoerde, seide hi [fol. 104] soetelic: ‘ic segge u inder wairheit, en zijn si noch niet gehangen, soe mochten si wel metten live ontgaen.’ Doe seider een monic: ‘Si leven noch. mer si leggen in groot verdriet ende hi wil oec iustici dair over doen ende wreken sijns soens doot. Ende ons is bevolen dat wi Reinout sinen neve inden ban doen sullen. of verbieden dat hem niemant en herberge of vercope eten of drincken ende waert datter iemant so coen wair diet dede, wi souden hem mede inden ban doen. ’ Als Maeldegijs den moniken dat hoerde seggen wert hi met toerne bevaen ende dacht in hem selven dat hijse doden soude. Maeldegijs seyde met een beveynst hert: ‘ic bid u gi heren, dat gi wilt vallen op u knyen ende bidden voer mi dat mi mijn biecht salich moet wesen ende volcomelijc wtspreken sonder yet te vergeten ende ten eynde toe in mijn penitencie te volherden op dat gi mede der goeder wercken die ic doe ende gedaen heb mede deelachtich moecht wesen.’ Als de moniken Maeldegijs dat horende seggen, traden si van haer paerden ende vilen over haer knien. biddende Gode dat hi den pelgrijm verlende volherdicheit in sijn opset. ende goede wercken ende vergeven sine sonden daer hi lange in geweest had; hier en tusschen toechde Maeldegijs sine const so dat hi was starc ende vroem inder luden gesicht ende nam een stoc die daer lach met yser beslagen ende sloech een monic mitten stoc dat hi voir hem doot viel. Ende als de ander moniken dat sagen waren si seer vervaert. ende meenden hem tontlopen mer haer cleder waren lanc. ende si hadden hosen an so dat si niet seer lopen en mochten ende Maeldegijs volchdese na. ende sloechse doot. Als dat Reinout had versien seide hi: ‘Oem wat hebdi gedaen, gi hebt alle dese moniken gedoot die u penitenci setten souden: mi duncket gi wiltet al verslaen dat u te moete coemt.’ Do seide Maeldegijs: ‘Reinout neve, ic en mocht die penitencie niet doen die si mi setten, si was mi alte swaer, dair om sloech icse.’ Reinout seide weder: ‘Oem, soude icse slaen [fol. 105] ende doden de mi penitencie setten de te swair was, ic hadder in een cloester van deser oerden over hondert gedoot.’ ‘Reinout neve,’ seide Maeldegijs, ‘laet de woerden varen ende coemt hier, laet ons dese moniken wt doen al dat si hebben ende bindent op de paerden ende brengense die cleder ende paerden.’ Reinout was toernich in hem selven dat de moniken doot waren ende seide: ‘Oem, ghij moetet selve doen want ic en wil daer niet toe doen.’ Als Maeldegijs dat verstont toech hi den moniken cleeder ende coussen wt, bantse te hope ende leydse op de paerden ende de moniken werp hi inden wech. Dit aldus gedaen wesende gingen si ten cloester dat buten Parijs stont vander selver oerden ende als si voirt cloester quamen vraechde Maeldegijs naden abt, de hem ter stont vanden poertier gehaelt wort ende als Maeldegijs den abt sach dede hi hem reverenci ende seide: ‘Heer abt, u doet grueten Reynout de grave ende sent u dese paerden ende cleder dat ghi hem in u gebede doen sult ende bidden voer hem ende sijn broeders datse God ter soenen laet comen.’ Doe vragede den abt Maeldegijs waen Reinout de paerden comen ende de cappen. Doe seide Maeldegijs: ‘Hi heeft iiij. moniken verslagen hier int wout van Bordele ende hi dwanc ons daer toe dat wijse herwert u brengen moesten ende u geven dese cleder ende paerden.’ Ende eer Maeldegijs sijn woirden volseide, seide Reinout stillekens dat Maeldegijs hoirde, mer de abt en hoerdes niet: ‘Gi hebtse selve gheslagen.’ Doe stac Maeldegijs Reinout mitten elleboge, doe verstont Reinout wel dattet Maeldeghijs om tbeste dede, nochtans dochtet Reinout vreemdt dat zyn oem dese woirden sprac, doe seide weder de abt tot Maeldegijs: ‘Vrient heeftse Reinout versleghen, dus vermaledide hem God, si sliepen hier te nacht alle vier: wat is mi gesciet, ic en wil dese gifte van Reinout niet ontfanghen: hij. is hier int lant te banne gedaen so datmen hem eten noch drincken vercopen moet ende in onse kercke salmen oec verwaten ende te ban doen.’ Doe seide Maeldegijs [fol. 106] totten abt: ‘Wildi de giften niet ontfangen so willen wij tot Reynout weder varen ende seggent hem: so weet ic wel te voren, seggen wijt hem dat hi comen sal ende verbernen u cloester ende slaen u ende alle u moniken doot ende laten niemant te live ende verdervent tot in die gronde.’ Als dat die abt hoerde wert hi vervaert ende seide tot Maeldegijs: ‘Vrient, ick ben anders beraden, ic bid u dat gi Reinout de edel grave over mi niet en claecht, want sijn ghiften wil ick gaerne ontfangen ende ons en staet zijn ghiften niet te laten ende willen voer hem ende sijn broeders bidden, ende wes goede wercken dat wi doen in missen of getiden, dat hise ende sine broeders deelachtich mogen wesen.’ Doe antwoerde Maeldegijs: ‘Heer abt, ic seg u inder waerheit op dusdanige voerwaerden als gi ons beloeft, so laten wij hier de paerden ende dat goet dat wi hier brengen.’ Aldus sceide Maeldegijs ende Reinout wten cloester ende namen haren vaert met haesten na Parijs. Ende als de heren in Parijs quamen wast sonnendach. ende den tijt dat Roelant Beiaert beriden soude op de wairde buten Parijs, alst voerseit was. Als den dienst inder kercken gedaen was gingen de heren eten, mittien quam Maeldegijs ende Reynout voir de brugge tot Parijs ende mittien saghen si al om ende sagen een schuere open staen daer veel stroes in was ende daer nam Maeldegijs een arm vol van dat stroe. ende droecht te Parijs op de brugge ende ginc daer op sitten ende seide tot Reinout: ‘O lieve geselle, hoe suldi op dit stroe comen, ic weet wel dat u lange staen seer pijnlic is want [fol. 107] gi vorde gegaen hebt. Aldus suldi selven seer wee doen eer gi te sitten coemt, ic bevoelt an mi selven wel.’ Hier en binnen is een man bi hem luden gecomen de wter kercken quam. Maeldegijs riep tot hem ende seyde: ‘lc bid u lieve vrient, dat gi doch myn geselle helpen wilt dat hi te sitten coemt op dat stroe. op dat myn ghesel hem ymmers geen wee en doe, want ic en mach hem niet helpen.’ Als de goede man dat hoirde van Maeldegijs, dede hijt gaern ende help Reinout te sitten, dien hem docht die armste mensce de hi ye zijn leven gesien had ende gaf Reinout een penninc: hem docht hy en mochts nergent bet besteden. Ende als Reinout den penninc had leide hijen Maeldegijs in de hant ende de stacken in sijn tassche. Doe seide de goede man tot Maeldegijs: ‘Vrient, begeerdi herberge, dat segt mi.’ ‘Ya wi, here’ seide Maeldegijs ‘dat u God loen here, waer staet u huys?’ Doe seide de goede man: ‘Ginder onder ghenen boem daer suldi een waerdinne vinden die u minlic ontfangen sal.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Here, dat loen u God der doecht de gi ons biet, wi willen weder gaern voir u bidden.’ Aldus sceide de goede man vanden pelgrijms. Binnen deser tijt was de maeltijt te hove gedaen ende de heren begonden te gaen wtwert daer Roelant met Beyert riden soude. Maeldegijs sittende op de brugge mit Reinout had met hem ghebrocht een cop van goude ende settese tusschen [hem en] Reinout; de cop was wtermaten goet: dair stont an menich costelic steen de tegen tsonneschijn scone radien of schijnselen gaven, de cop was oec so groot datmens niet veel so groot gesien en had ende in desen cop maecte Maeldegijs hem ende zijn geselle dat si daer wt sopten ende goot in den cop den besten wijn diemen vinden conde, want Maeldegijs had [fol. 108] den wijn met cruden ende woerden selve ghemaect ende den wijn was van sulcker crachte: wien dranc de moeste Maeldegijs onderdanich wesen ende tot sinen dienste staen. Doe gaf Maeldegijs Reinout weder zijn sporen van goude. Daer na sprac Maeldegijs: ‘Neve, doet sporen weder an uwe voeten.’ Doe seide Reinout weder: ‘Wat sal ic met die sporen doen want ic Beyert quijt ben?’ Doe seide Maeldegijs weder: ‘Reynout neve, doetse an u voeten, ten sal u niet quaet wesen ende trecter uwe wide coussen over, ic sel met mijnre consten Beiert voir u brengen ende alsmen u daer op helpt suldi twewerf an dander side of vallen, mer de derde reyse als si op setten suldi u vast houden.’ Met dat Maeldegijs dese woerden seide quamen de heren vanden hove ende voer de heren ginc een grote scare van poerters ende noch twe ander scaren daer na van lantluden of bueren; als de gheleden waren quammer een scare van vrouwen, daer na quamen die ridders heerlijc op gheseten op orssen die goet waren. Doe stonden daer ioncfrouwen op de brug bi Maeldegijs. ende Reinout, diet volc sagen voerbi hem gaen edel ende onedel, doe seide daer een joncfrou: ‘Segt mi gespele, welc dunct u die scoenste man die huyden over dese brug geleden is ende dier noch over liden sal?’ Doe seide die ander: ‘Het is Roelant de Farnagutte versloech.’ Doe seide de ander ioncfrou: ‘Het is Olivier.’ ‘Neen,’ seide een ander, ‘het is die hertoge van Bamere.’ Dese woerden gedaen wesende vander ioncfrouwen ende hoe si den scoonsten man versien hadden, so stonter een scoon ioncfrou diet gehoert hadde ende als alle de ioncfrouen wtgeseit hadden ende elc ridder gepresen na haer goet duncken in doechden ende sonderlinge in scoonheyt, vromicheyt ende best geformt van lichaem, so seide [fol. 109] die ioncfrou: ‘Ic seg u inder waerheit, noch weet ic een scoonre man dan ghy onder u allen noch enich genoemt hebt.’ Doe begonsten die ander ioncfrouwen haer te vraghen wie die ridder waer. Doe seide die ioncfrou weder: ‘Enkendijs niet? het is een ridder genoemt Reinout. ende en mach hier int lant nu niet comen; mochte die coene ridder hier int lant comen, hi waer de scoenste man die van dage over de brugghe ginc of gaen sal.’ Doe seiden de ander ioncfrouwen: ‘Het is wair, hi is die scoonste van hude, van haer ende van maecsel van lichaem.’ Dese woerden hoerde Reinout dair hi sat vander ioncfrouwen ende wert lachende. Maeldegijs sach dat Reinout loech, stiet hi hem met een elleboghe seggende: ‘Reinout, wat gi doet, en lacht nyet.’ Doe seide Reinout: ‘Lieve oem, ic hebt vergeten ende die ioncfrouwen van Parijs dedent mi.’ Onder dese woerden waren dye heren voerbi Maeldegijs ende Reinout over de brugge geleden ende coninc Karel begonste bi de brugge te comen ende Roelant ghinc besiden hem. ende Beyaert worde voer hem geleit ende die xij. knechten diet bevolen was haddent elc an een tou. ende als coninc Karel bij de brugge quam wert hi Maeldegijs ende Reinout siende ende tusschen hem beiden hadden si een grote gouden cop. Doe seide Karel tot Roelant: ‘Siet doch neve Roelant, tusschen geen ij. pelgrijms staet een gouden cop: mi dunct ick en liet sulcken cop niet maken om v. hondert pont.’ Roelant seide: ‘Gi segt waer.’ ‘Neve Roelant,’ seide de coninc, ‘laet ons vragen den pelgryms waen hem die cop coemt, die groot ende costelic gemaect is van goude ende gesteenten.’

Toen Reinout aldus stond in zijn klagen kwam daar een man uit een spelonk welke man zichzelf opmaken en veranderen kon bij de kunst van nigromantie als nu jong, als nu oud en zwak en hij was geheten Maeldegijs, hij ging zijn kunst van nigromantie openbaren bij hulp van kruid en stenen die hij bij hem had en geheim in zijn kleren genaaid waren zodat hij scheen oud en zwak te wezen en zeer mismaakt van lichaam: zijn baard op zijn borst en zijn wenkbrauwen tot over zijn ogen zodat hij daardoor zien moest alzo dat hij oud scheen 200 jaar; hij huilde en hoestte zeer en ging leunen op zijn stok en ging tot Reinout. Toen hij bij Reinout kwam groette hij hem en zei: ‘God geeft u goede dag.’ Reinout groette hem weer en zei: ‘Vriend, ik meen dat ik geen goede dag had sinds ik van mijn moeder geboren was.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer, ge zal niet wanhopen; God zal u licht beraden; als een mens is in zijn grootste verdriet zo is hem Gods hulp naast bij en helpt een mens uit zijn verdriet.’ Reinout zei: ‘Ik geloof niet dat me iemand zou mogen helpen uit dat verdriet daar ik nu in ben: ik heb mijn broeders verloren en koning Karel houdt ze in zijn gevangenis en wil ze doen hangen daar ik grote rouw om heb en ik heb verloren Beiaard mijn goede paard: niet was een man van kwadere avonturen dan ik nu ben, ik wilde dat me de dood haalde zo was ik kwijt van de rouw daar ik nu eeuwig in sta.’ Maeldegijs hoorde deze woorden van zijn neef Reinout en hoorde goed dat Reinout heel mistroostig was en zei tot hem: ‘Jonkheer, wil aldus zeer in wanhoop niet wezen maar bidt God ootmoedig en gratie en genade; hij is zo ontfermend die hem ootmoedig biddende zijn, hij zal u vrij van uw verdriet verblijden en uw broeders sparen van de dood. Ik heb in mijn leven geweest alzo ver als een pelgrim gaan mag, ik ben geweest te Rome en Sint Jacob, te Sint Gillis in Provence en tot Sint Andries in Schotland en ook ben ik geweest in het land van Jeruzalem en niet kwam ik in enig land daar ik vond zo’ n mooie man als gij bent bevangen met zo’ n grote rouw.’ Reinout zei: ‘Mijn rouw die ik gelijk in het hart heb is niet te zeggen: ik wilde dat ik dood was zo was ik ontladen van de rouw.’ Toen zei Maeldegijs tot Reinout: ‘Her, ik ben een arme man: heb je iets dat ge me mag geven zo zal ik u doen in mijn gebed en al uwe broeders dat ze deelachtig mogen wezen al de weldaad die men doet en die ik doe en dat ze God met liefde verlossen wil uit Karel’ s handen.’ Toen zei Reinout: ‘Pelgrim, ik weet niet wat te geven.’ Toen werd hij peinzend op zijn sporen die hij aan zijn voeten had dat ze van goud waren, hij deed ze van zijn voeten en gaf ze de pelgrim zeggende: ‘Neem pelgrim, die sporen, ze zijn van fijn goud; het was de eerste gift die vrouwe Aye, mijn moeder, me gaf, God laat haar met eer leven, daar verteer je wel op 10 pond is het dat ge de sporen wil houden.’ Toen nam Maeldegijs de sporen van Reinout zeggende: ‘Heer God loont u,’ en stak de sporen in zijn reistas en scheen zeer blijde te wezen en bedankte Reinout zeer en zei: ‘Heer, ik wou u vriendelijk bidden, had ge enige gift meer dat ge ze mij wou geven, te beter zouden al mijn werken deelachtig wezen. Toen zei Reinout: ‘Pelgrim, houdt u uw spot met mij, ik zeg u in de waarheid was het geen schande en oneer dat men een pelgrim sloeg, ik zou u slaan dat ge uw leven berouwen zou.’ Toen sprak Maeldegijs zeggende: ‘Zeker heer, zo deed ge zonde want hadden ze me alle geslagen de ik aalmoezen gebeden heb ik was over honderd jaar dood want ik bid in kerken, in kloosters waar ik kan.’ Reinout zei: ‘Pelgrim, ge zegt waar.’ Toen zei de pelgrim: ‘Heer, als ik niet bad en gaf men mij niet waarvan zou ik leven?’ Reinout zei: ‘Ge zegt waar, pelgrim, ter nood moet men altijd wel bidden.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Nu zeg je recht heer ’ en meteen stond Maeldegijs zeer en zei tot Reinout: ‘Edele heer, ik bid u door God: heb je iets meer dat gij het mij geven wil dat God uw broeders verlossen wil van de dood en verblijden van uw verdriet?’ Toen antwoorde Reinout, de graaf: ‘Ja ik, pelgrim, neem die tabbaard goed gevoerd want waar ge komt ge mag er wel 10 pond op verteren, die geef ik u door God en zijn Moeder en Sint Johannes en alle Gods heiligen dat ze behouden mijn broeders zielen en dat ze God bewaart voor de smadelijke dood want ik vrees dat ze de koning verdaan heeft en God me geeft zulke gratie dat me koning Karel niet doet vangen en dat ik hem ontvlieden mag want had hij me in zijn macht, hij zou me doen hangen.’ Met deze woorden nam Maeldegijs de tabbaard en wond ze tezamen en stak het mede in zijn reiszak. Toen zei Maeldegijs weer tot Reinout: ‘Heer, heb je iets meer behouden, ik wil wel door de minne van goud dat gij het mij gaf zo wou ik met grote vlijt God voor u en uw broeders bidden.’ Toen Reinout deze woorden van de pelgrim hoorde wordt hij toornig en verhief zijn zwaard zeggende: ‘U boze pelgrim, zal u met mij spot houden, ik zal het u leren.’ Toen de pelgrim dat zag ontkwam hij de slag en behoedde het op zijn stok. Toen zei Maeldegijs tot Reinout: ‘Slaat u me, maar ik zeg u het zal u berouwen want ik zeg, zo helpt God, ik zou me verweren.’ Toen Reinout dat hoorde zei hij: ‘Wat zeg je pelgrim, zou u zich weren? Ik zeg u in der waarheid, al waren er zoveel als bomen in het woud en ik u slaan wou, mij zou er geen ontgaan.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Ik zeg u zeker, ge weet weinig wie ik ben of wat ik kan.’ Van deze woorden die Maeldegijs zei werd Reinout zeer toornig en verhief zijn zwaard weer en sloeg naar Maeldegijs de hem hier op voorzag en ontsprong de slag en behoedde op zijn stok; toen toonde Maeldegijs zijn kunsten en veranderde van die ouderdom in een gedaante van een jongeling van 20 jaren. Toen Reinout dit zag verwonderde hij zich zeer daarvan en was bang en zei in zichzelf: ‘Wat is het dat me nu geschied, ik weet niemand zo kloek die ik slaan wil, hij moet van mijn hand sterven, al is het dat fortuin me nu de rug keert want mijn broeders zijn gevangen en ik vrees dat ze koning Karel hangen zal; daartoe heb ik Beiaard mijn goede paard verloren, aldus komt graag bij het ene verdriet het andere en nu komt voor me de duivel BeĎlzebub of een andere en zou me graag verleiden: ik zal, wil het God, onderzoeken of het is bedrog of duivels.’ Met die woorden heeft Reinout het zwaard verheven en sloeg een zo vreselijke slag dat Maeldegijs meende dood te blijven en mocht met grote pijnen kwalijk ontvlieden de zware slag. En met dat Maeldegijs de slag met pijnen ontweek riep hij luidt en zei ;‘Wat doe je, ken je me niet neef Reinout?’ Met dat Maeldegijs de woorden sprak bleef Reinout staan en zei: ‘Neen ik! wie ben je, dat zeg me.’ Toen zei hij hem: ‘Ik ben geheten Maeldegijs.’’ Toen Reinout dat hoorde zo viel hij zijn oom te voet, zeggende: Genade oom, aan u naast God staat al mijn hoop en leven en ik bid u minlijk mijn broeders nu bij te staan en behulpzaam wezen: ik heb Beiaard mijn goede paard verloren, dus heb ik in het hart zo’ n grote rouw want daarop was al mijn toeverlaat.’ Maeldegijs zei: ‘Reinout, doe dat ik u leren zal, ik zal met mijn kunsten Beiaard voor u brengen.’ Toen Reinout dat hoorde werd hij een deels verblijd, zeggende: ‘Oom, wat ge me zegt die ik graag en laat dat niet door angst of vrees van de dood.’ Toen nam Maeldegijs een oude mantel en gaf het Reinout en zei: ‘Doe deze mantel over uw harnas aan dat men het harnas niet ziet.’ De mantel had nergens gaten dan daar men het hoofd doorstak en wat tot de aarde lang; daarna gaf hem Maeldegijs een hoed daaraan stond menig teken van lood en deed hem 2 oude laarzen aan trekken. Toen dat Maeldegijs gedaan had trok hij een andere mantel aan en een hoed op zijn hoofd en gebaarde zijn kunst van nigromantie en veranderde Reinout in een gedaante als een man van 100 jaar en zeer zwak en zeer mismaakt van lichaam, zijn baard grauwe en lang, zijn wenkbrauwen over zijn ogen. Dit gedaan wezende zette hij  zich te wege om te gaan en wie hen lieden tegemoet kwamen zagen Maeldegijs en Reinout na omdat hen lieden dachten dat ze niet zulke arme mismaakte pelgrims gezien hadden en zelf dacht elke mens die ze met ogen zag dat het zeer vreemd was en wanneer ze uit de lieden gezicht waren waren het dappere sterke jongelingen en koene ridders. In deze schijn gingen ze zo lang zodat ze kwamen ten einde van het woud te Bordele. Toen keken ze al en merkten aan de ene zijde van de weg een mooie spelonk en aan de andere zijde een boom, zoals ons de historie zegt, en ze gingen zitten onder de spelonk; niet lang hadden ze gezeten. Maeldegijs zag vier monniken die rijdende kwamen op paarden. Toen zei Maeldegijs tot Reinout: ‘Blijft gij hier en wacht op mij: ik zal de monniken tegemoet gaan die ginder komen rijden want ik zou graag biechten.’ Toen Reinout dat hoorde zei hij: ‘Oom zo doe, ik hoop het ons te beter gaan zal.’ Hiermede scheidde Maeldegijs van Reinout en ging de monniken tegemoet en toen hij er bijkwam deed hij reverentie en groette ze zeggende: ‘God geeft u goede dag.’ De monniken zeiden: ‘Pelgrim, God beloont het u.’ Voort zeiden de monniken: ‘O oude pelgrim, wat heb je menig mens overleefd.’ Toen zei Maeldegijs weer: ‘Ik bid God dat hij mij leven laat zo lang dat me niemand aalmoezen geeft en dat ik ontbonden was van mijn zonden: ik bid u heer, dat ge mijn biecht horen wil.’ Toen zei daar een monnik: ‘Pelgrim ge zal gaan tot een parochie paap want we hebben haast en mogen niet toeven.’ Toen zei Maeldegijs weer: ‘Heer gij ziet wel dat ik een arm zwak mens ben: zal ik dan in mijn zonden smoren zo moest ik dan ter hel varen en eeuwig verloren blijven, maar ik hoop dat het zo niet wezen zal, ik moet u klagen van mijn misval: ik had bij me verzameld met bidden 20 pond en toen ik in dit bos kwam zo kwam me tegemoet Reinout en benam me dat geld en sloeg me zo zeer dat ik waande dood te blijven, maar ik behield 4 bisanten van goud, die had ik zo heimelijk genaaid zodat hij ze niet vinden kon, anders was ik ze mede kwijt: nimmermeer mag ik hem prijzen en ik weet niet wat te doen, maar ik bid heer, hoor mijn biecht ik zal u de 4 bisanten geven.’ Toen vroeg Maeldegijs de monnik of hij ergens wist daar enig edel volk verzameld was. Toen zei een monnik: ‘Een zondag zal te Parijs groot volk wezen, beide van edel en onedel.’ Toen zei een monnik tot de ander in Latijn: ‘Laat ons hem zijn biecht horen en nemen die 4 bisanten want ze zullen goed wezen om in de wijn te verdrinken.’ Dit dacht de anderen monniken goed. Toen zei een monnik: ‘Kom voort pelgrim, ik zal uw biecht horen’, maar Maeldegijs vroeg de monniken eerder en zei: ‘Ik bid u gij heren, heb je iets gehoord wat er te doen zal wezen, dat ge me zegt de waarheid daarvan.’ Toen antwoorden de monniken dat zij het graag deden: ‘Ik zal het u zeggen’ zei daar een monnik ‘een zondag die naast komende is zal de graaf Roelant Beiaard berijden buiten Parijs op het veld om de jonkvrouwen te laten zien zijn grote sprongen.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Mag het waar wezen, is Beiaard daar?’ ‘Ja het’ zei de monnik, ‘en koning Karel heeft Roelant Beiaard gegeven en als Roelant Beiaard bereden heeft zo wil hij recht doen, hangen zijn neven te Montfaucon aan de galg.’ Toen Maeldegijs dat hoorde zei hij lieflijk: ‘ik zeg u in de waarheid ze zijn nog niet gehangen, ze mochten ze wel met het lijf ontgaan.’ Toen zei een monnik: ‘Ze leven nog, maar ze liggen in groot verdriet en hij wil ook recht daarover doen en wreken zijn zoons dood. En ons is bevolen dat we Reinout zijn neef in de ban doen zullen of verbieden dat hem niemand herbergt en verkoopt eten of drinken en was er iemand die zo koen was die het deed we zouden hem mede in de ban doen. ’ Toen Maeldegijs de monniken dat hoorde zeggen werd hij met toorn bevangen en dacht in zichzelf dat hij ze doden zou. Maeldegijs zei met een geveinsd hart: ‘ik bid u gij heren dat ge wil vallen op uw knieĎn en bidden voor mij dat me mijn biecht zalig moet wezen en volkomen uitspreken zonder iets te vergeten en ten einde toe in mijn penitentie te volharden opdat ge mede de goede werken die ik doe en gedaan heb mede deelachtig mag wezen.’ Toen de monniken Maeldegijs dat hoorde zeggen traden ze van hun paarden en vielen op hun knieĎn biddende God dat hij de pelgrim verleende volharding in zijn opzet en goede werken en vergeven zijn zonden daar hij lang in geweest had; hiertussen toonde Maeldegijs zijn kunst zodat hij was sterk en dapper in de lieden gezicht en nam een stok die daar lag met ijzer beslagen en sloeg een monnik met de stok zodat hij voor hem dood viel. En toen de andere monniken dat zagen waren ze zeer bang en meenden hem te ontlopen maar hun kleren waren lang en ze hadden laarzen aan zodat ze niet zeer lopen mochten en Maeldegijs volgde ze na en sloeg ze dood. Toen dat Reinout had gezien zei hij: ‘Oom wat heb je gedaan, ge hebt alle deze monniken gedood die u penitentie zetten zouden: me lijkt ge wil het al verslaan dat u tegemoet komt.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Reinout neef, ik mocht die penitentie niet doen die ze me zetten, ze was me al te zwaar, daarom sloeg ik ze.’ Reinout zei weer: ‘Oom, zou ik ze slaan en doden die me penitentie zetten die te zwaar was, ik had er in een klooster van deze orde over honderd gedood.’ ‘Reinout neef,’ zei Maeldegijs, ‘laat de woorden varen en kom hier, laat ons deze monniken uit doen al dat ze hebben en binden het op de paarden en brengen die kleren en paarden.’ Reinout was toornig in zichzelf dat de monniken dood waren en zei: ‘Oom, gij moet het zelf doen want ik wil daar niets toe doen.’ Toen Maeldegijs dat verstond trok hij de monniken kleren en kousen uit, bond ze tot een hoop en legde het op de paarden en de monniken wierp hij in de weg. Dit aldus gedaan wezende gingen ze te klooster dat buiten Parijs stond van dezelfde orde en toen ze voor het klooster kwamen vroeg Maeldegijs naar de abt die hem terstond van de portier gehaald wordt en toen Maeldegijs de abt zag deed hij hem reverentie en zei: ‘Heer abt, u doet groeten Reinout de graaf en zend u deze paarden en kleren dat gij hem in u gebed doen zal en bidden voor hem en zijn broeders dat ze God ter verzoening laat komen.’ Toen vroeg de abt Maeldegijs waarvan Reinout de paarden en de kappen gekomen waren. Toen zei Maeldegijs: ‘Hij heeft 4 monniken verslagen hier in het woud van Bordele en hij dwong ons daartoe dat wij het hierheen u brengen moesten en u geven deze kleren en paarden.’ En eer Maeldegijs zijn worden helemaal zei, zei Reinout stilletjes zodat Maeldegijs het hoorde, maar de abt hoorde het niet: ‘Ge hebt ze zelf geslagen.’ Toen stak Maeldegijs Reinout met de ellenboog, toen verstond Reinout wel dat het Maeldegijs het om het beste deed, nochtans dacht het Reinout vreemd dat zijn oom deze woorden sprak. Toen zei weer de abt tot Maeldegijs: ‘Vriend, heeft ze Reinout verslagen, dus vermaledijdt hem God, ze sliepen hier vannacht alle vier: wat is me geschied, ik wil deze gift van Reinout niet ontvangen: hij is hier in het land in de ban gedaan zodat men hem eten nog drinken verkopen moet en in onze kerk zal men ook verwijten en in de ban doen.’ Toen zei Maeldegijs tot de abt: ‘Wil ge de giften niet ontvangen zo willen wij tot Reinout weer varen en zeggen het hem: zo weet ik wel tevoren, zeggen wij het hem dat hij komen zal en verbranden uw klooster en slaan u en al uw monniken dood en laten niemand leven en bederven het tot in de grond.’ Toen dat de die abt hoorde werd hij bang en zei tot Maeldegijs: ‘Vriend, ik ben anders beraden, ik bid u dat gij Reinout de edele graaf over mij niet klaagt want zijn giften wil ik graag ontvangen en ons staat zijn giften niet te laten en willen voor hem en zijn broeders bidden en andere goede werken dat we doen in missen of getijden dat hij ze en zijn broeders deelachtig mogen wezen.’ Toen antwoorde Maeldegijs: ‘Heer abt, ik zeg u in de waarheid op dusdanige voorwaarde zoals gij ons belooft zo laten wij hier de paarden en dat goed dat wij hier brengen.’ Aldus scheidde Maeldegijs en Reinout uit het klooster en namen hun vaart met haast naar Parijs. En toen de heren in Parijs kwamen was het zondag en de tijd dat Roelant Beiaard berijden zou op de weide buiten Parijs, zoals het gezegd was. Toen de dienst in de kerk gedaan was gingen de heren eten, meteen kwam Maeldegijs en Reinout voor de brug te Parijs en meteen zagen ze al om en zagen een schuur open staan daar veel stro in was en daar nam Maeldegijs een arm vol van dat stro en droeg het te Parijs op de brug en ging daarop zitten en zei tot Reinout: ‘O lieve gezel, hoe zal ge op dit stro komen, ik weet wel dat u lang staan zeer pijnlijk is want ge ver gegaan bent. Aldus zal ge u zelf zeer wee doen eer ge tot zitten komt, ik voel het aan mezelf wel.’ Hierbinnen is een man bij hen lieden gekomen die uit de kerk kwam. Maeldegijs riep tot hem en zei: ‘lk bid u lieve vriend, dat ge toch mijn gezel helpen wil dat hij te zitten komt op dat stro opdat mijn gezel hem immers geen wee doet want ik kan hem niet helpen.’ Toen de goede man dat hoorde van Maeldegijs deed hij het graag en hielp Reinout te zitten die hem dacht de armste mens die hij ooit in zijn leven gezien had en gaf Reinout een penning: hij dacht dat hij het nergens beter besteden mocht. En toen Reinout de penning had legde hij het Maeldegijs in de hand en die stak het in zijn tas. Toen zei de goede man tot Maeldegijs: ‘Vriend, begeer je herberg, dat zeg me.’ ‘Ja wij, heer’ zei Maeldegijs ‘dat u God loont heer, waar staat uw huis?’ Toen zei de goede man: ‘Ginder onder die boom daar zal ge een waardin vinden die u minlijk ontvangen zal.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer, dat loont u God de deugd die ge ons biedt, we willen weer graag voor u bidden.’ Aldus scheidde de goede man van de pelgrims. Binnen deze tijd was de maaltijd te hof gedaan en de heren begonnen te gaan naar buiten daar Roelant met Beiaard rijden zou. Maeldegijs zittende op de brug met Reinout had met hem gebracht een kop van goud en zette die tussen hem en Reinout; de kop was uitermate goed: daar stond aan menige kostbare steen die tegen de zonneschijn mooie stralen of schijnsels gaven, de kop was ook zo groot dat men ze niet veel zo groot gezien had en in deze kop maakte Maeldegijs hem en zijn gezel dat ze daaruit sopten en goot in de kop de beste wijn die men vinden kon, want Maeldegijs had de wijn met kruiden en woorden zelf gemaakt en de wijn was van zulke kracht: wie het dronk die moest Maeldegijs onderdanig wezen en tot zijn dienst staan. Toen gaf Maeldegijs Reinout weer zijn sporen van goud. Daarna sprak Maeldegijs: ‘Neef, doe de sporen weer aan uw voeten.’ Toen zei Reinout weer: ‘Wat zal ik met die sporen doen want ik Beiaard kwijt ben?’ Toen zei Maeldegijs weer: ‘Reinout neef, doe ze aan uw voeten, het zal u niet kwaad wezen en trek er uw wijde kousen over, ik zal met mijn kunst Beiaard voor u brengen en als men u daarop helpt zal ge tweemaal aan de andere kant eraf vallen, maar de derde maal als ze u opzetten zal ge vast houden.’ Met dat Maeldegijs deze woorden zei kwamen de heren van het hof en voor de heren ging een grote schaar van poorters en nog twee andere scharen daarna van landlieden of boeren; toen die gegaan waren kwam er een schaar van vrouwen, daarna kwamen de ridders heerlijk opgezeten op paarden die goed waren. Toen stonden daar jonkvrouwen op de brug bij Maeldegijs en Reinout die het volk zagen voorbij hen gaan, edel en onedel. Toen zei daar een jonkvrouw: ‘Zeg me spelmakker, welke denkt u de mooiste man die heden over deze brug gegaan is en die er nog over gaan zullen?’ Toen zei de ander: ‘Het is Roelant die Farnagut versloeg.’ Toen zei de andere jonkvrouw: ‘Het is Olivier.’ ‘Neen,’ zei een ander, ‘het is de hertog van Bamere.’ Deze woorden gedaan wezende van de jonkvrouwen en hoe ze de mooiste man gezien hadden zo stond er een mooie jonkvrouw die het gehoord had en toen alle jonkvrouwen uitgepraat waren en elke ridder geprezen naar hun goed dunken in deugden en vooral in schoonheid, dapperheid en beste gevormd van lichaam zo zei die jonkvrouw: ‘Ik zeg u in de waarheid, nog weet ik een mooiere man dan gij onder u allen nog enige genoemd hebt.’ Toen begonnen die ander jonkvrouwen haar te vragen wie die ridder was. Toen zei de jonkvrouw weer: ‘En ken je hem niet? Het is een ridder genoemd Reinout en hij mag hier in het land nu niet komen; mocht die koene ridder hier in het land komen, hij was de mooiste man die vandaag over de brug ging of gaan zal.’ Toen zeiden de andere jonkvrouwen: ‘Het is waar, hij is de mooiste van huid, van haar en van maaksel van lichaam.’ Deze woorden hoorde Reinout daar hij zat van de jonkvrouwen en begon te lachten. Maeldegijs zag dat Reinout lachte en stoet hem aan met een ellenboog zeggende: ‘Reinout, wat je ook doet, lachen niet.’ Toen zei Reinout: ‘Lieve oom, ik heb het vergeten en die jonkvrouwen van Parijs deden het me.’ Onder deze woorden waren de heren voorbij Maeldegijs en Reinout over de brug gegaan en koning Karel begon bij de brug te komen en Roelant ging bezijden hem en Beiaard wordt voor hem geleid en de 12 knechten die het bevolen was hadden het elk aan een touw en toen koning Karel bij de brug kwam werd hij Maeldegijs en Reinout ziende en tussen hen beiden hadden ze een grote gouden kop. Toen zei Karel tot Roelant: ‘Zie toch neef Roelant, tussen die 2 pelgrims staat een gouden kop: me dunt ik liet zo’ n kop niet maken om 500 pond.’ Roelant zei: ‘Ge zegt waar.’ ‘Neef Roelant,’ zei de koning, ‘laat ons vragen de pelgrims waarvan hen die kop komt die groot en kostbaar gemaakt is van goud en gesteenten.’

 

 

 

Doe reden coninc Karel ende Roelant totten pelgrims ende Beyert woert voir hem geleit ende Beiert roec an de pelgrim ende bekende zijn here ende dat ors toende oft blide gheweest had ende draefde so op de brugge over ende weder ende als coninc Karel ende [fol. 110] Roelant biden pelgrims quamen seyde de coninc Karel: ‘Segge mi pelgrijm, dat di God spoede: waen coemt u desen cop.’ Maeldegijs antwoerde den coninc ende louch, seggende: ‘Heer coninc, goets vindi genoech overal. ic seg u inder waerheit. had ic minen cop menen te verliesen biden volcke dat hier van dage gereden ende ghegaen is of noch comen sal, ic en hads niet voert geset of laten sien.’ Voert seide hi: ‘Danc heb de coninc van Vrancrijc, also wel behout hij den armen zijn clene goet. als den rijcken dies veel heeft.’ Doe seide de coninc weder: ‘Segt mi pelgrim, waen die cop gecomen is; dat wil ic weten.’ Maeldegijs antwoerde ende seide: ‘Dat gelt daer de cop om gemaect is. is wel lx. iaer geleden dat ic bat in de kercken ende closteren. ende capellen ende ic heb dien cop doen kerstenen ende is genoemt Christiaen. daer is mede tot desen coppe daer God met sijn iongeren wt sopte opten witten donredach. ende de paeus van Romen heefter misse over gesongen ende de cop gaf hi de gracie: al waer een mensce noch so swaer belast met sonden ende nochtans lange daerin gestaen, ende hadde hi een sop hier wt, hi soude so reijn van sonden wesen als Maria Magdalena was doe si ons heren voeten salvede.’ Onder dese woirden die de coninc ende Maeldegijs te samen hadden, knielde Beiaert voir Reinout, doe seide coninc Karel: ‘Merct doch lieve neve Roelant, ic seg u voerwaer dat sijn twe engelen de God hier gesent heeft, want siet dat stomme beest doet hem reverencie.’ Roelant antwoerde: ‘Gi segt waer, heer coninc.’ Dese woerden verstont Maeldegijs ende sloech Beyert met sinen stoc dattet op sijn voeten spranc; doe seide coninc Karel: ‘Waerom slaetstu myn ors, pelgrim?’ Doe antwoerde de vroede Maeldegijs seggende: ‘Heer, ick segge u had u ors yet voert gegaen, het had min gesel geslagen de [fol. 111] hier bi mi sidt; daer om bid ic u here om Gode dat gi u ors wat achterwaert doet leiden. dat wijt mogen schuwen want wijt seer ontsien.’ Doe dede coninc dat ors wat aftewaerts leiden so dat de pelgrims sonder anxt sitten mochten. Doe seide coninc Karel: ‘ic bid u pelgrim, ghif mi doch een sop dat God mijn sonden vergeven wil daer ic mede belast ben. ic sal di een gouden penninc geven.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Here, dat en staet u niet te doen inder waerheit, want ghi most mi eerst den coninc wisen.’ Doe antwoerde coninc Karel weder: ‘Men seit dat ic coninc ben.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Heer coninc, so en belget u niet dat ic so dorperlic ende onwaerdelijc tegen u gesproken heb.’ Doe seide de coninc weder: ‘Neen ic, vrient, wel moeti varen want ghi en kendet mi nyet. wat woude ic u dan witen? mer gif mi een sop: ic sal di geven een gulden penninc van mijnre goeden.’ Mer Maeldegijs seide: ‘Heer coninc, ic seg u, dit en staet mi niet te doen, ten wair dat ghi vergaeft al de gheen die u misdaen hebben. gi weet wel dat God vergaf al den genen die hem den doot an deden doen hi hinc ander galgen des cruces.’ Doe seide de coninc: ‘Vrient, ghi segt waer, mer Reinout heeft mi so veel misdaen bi zyn selfs sculde dat icx hem niet vergeven en mach. ende dair is noch een, hiet Maeldegijs ende doet toveri, dien haetic noch veel meer, ic woude wel dat ic hem verhangen had om dusent gulden, so veel torens. ende scade heeft hi mi gedaen: segt mi pelgrim, wat man is dijn gesel de hier bi di leit?’ Maeldegijs seide: ‘Heer coninc, het is mijn vaders broeder ende en mach sien noch horen, des heb ic int herte groot verdriet.’ Doe seide coninc Karel: ‘Pelgrim, gif mi een soppe in vergiffenisse van minen sonden dat u God weder ghedencke ende betere dijn [fol. 112] geselle zijn verdriet’ Maeldegijs seide: ‘Heer coninc, hier leit myn arme geselle. ende tis nu geleden xl. dagen dat hi en hoirde noch en sach, des heb ic alte groten rouwe ende pijn int herte. ende en mach oec mede niet spreken: dit ghesciede in eenre nacht dat hi verloes verstant, memorie, cracht ende wetenscap in een huys daer wi geherberget waren ende eergisteren vonden wi een vroede vrou de met vreemden vrouwen plach te verkeren ende seide, mochte hi comen tot dier stat dat hy op Beiert mocht riden, so soude hi genesen van sinen quale ende crigen gesontheit.’ De coninc antwoerde: ‘Pelgrym, waer dat waer, so quaemdi hier ter goeder tijt.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Men moet een dinc beproven eerment weet wattet doen can.’ Coninc Karel antwoirde ende seide: ‘Pelgrim, ic bid di doer Gode, ghif mi een sop dattet God bequaem si: ic sal dien geselle dat ors Beyaert laten beriden.’ Maeldegys verstaende dese woerden vanden coninc seide: ‘Heer coninc, in Gods naem sijt dan begonnen. Mer heer coninc, doir uwe eer sal ict doen: gi weet wel dat onse God in Bethleem geboren was ende in armen clederen gewonden. dat dede sijn oetmoedicheit om dat God woude dat hem elc mensce bedencken soude ende hoverdie laten sincken ende oetmoedich wesen.’ Doe seide coninc Karel: ‘Pelgrim, du segst wair.’ Maeldegijs sprac totten coninc: ‘Here coninc, ic seg u dat gene knechten die daer achter u staen also veel te verliesen hebben als ghi. Daer om, edel heer coninc, laet die knechten me ten soppe gaen met u ende elc neme een soppe doer uwe ere.’ Die coninc antwoerde weder: ‘Pelgrim het wort ghedaen.’ Doe hiet coninc Karel dat dye knechten voert traden ende nemen elc een sop, twelc die knechten deden ende quamen tot Maeldegijs mit devoter herten ende leiden haer handen te samen, als si den broc ontfingen: och hoe luttel wisten [fol. 113] si wat si deden! Ten lesten ginc de coninc selve met devocien ende ontfinc een sop wanende dat hi sijn sonden met die sop quijt geweest soude hebben, twelc niet anders en was dan bedroch. Dit gedaen wesende liet de coninc Beiert brengen op de waerde buten Parijs ende de pelgrims quamen daer mede met groter pinen alst scheen inder luden gesicht ende als si op de waerde waren, seide coninc Karel tot Roelant: ‘Edel grave Roelant, ic bid u: doet de pelgrim riden op Beiert dattet Gode bequame si.’ Doe antwoerde Roelant dat hijt garen dede; hi nam den pelgrim in sijn armen ende hieffen mit pinen op Beiert. Als hij hem op Beiert gheheven had viel hi an die ander side af. Doe was Roelant dair mede te liden ende hieffen weder op Beiert. ende hi viel an dye ander side weder af. Doe seide Maeldegijs: ‘Ay here, ghy doet grote sonde dat gi u spot hout. met minen armen geselle, want u ors is also groot ende ist dat hi daer meer of valt, hi blijft doot.’ Do seide coninc Karel tot Roelant: ‘ic bid u lieve neve, edel ridder, dat gi den pelgrim so vast hout dat hi niet en valt.’ Doe nam Roelant den pelgrim weder ende hieffen op Beiert ende als hi daer op was, hielt hi hem vast bi sinen cleder dat hi niet vallen en mocht ende als Reinout dus op Beyert sat began hi hem vast te houden ende sette zijn voeten in de stegereep van goude: do waren de knechten dye Beiert bewaerden onteert van goude ende erve de hem coninc Karel gegeven had doe si hem Beiert brochten. Doe seide Reinout: ‘Moste ic. ic soude garen alleen riden.’ Doe seide de coninc: ‘Laet den pelgrim alleen riden.’ Doe seide Maeldegijs: ‘God si geloeft lieve geselle, dat gi spreect! moechdi oec sien ende horen.’ ‘Ya ic,’ seyde Reinout: ‘ic heb al mijn leet verloren.’ Doe seide de coninc: ‘Heer bisscop, doet ons te gemoet halen crucen ende va[nen] [fol. 114] want God heeft ons grote ere gedaen also gi sien moget [ende] mercken, wanter mirakel geschiet is.’ Maeldegijs ginc weder togen sine konst so dat Reynout die op Beiaert sat sijn craft weder had. Reynout sittende op Beyaert ende sach al omme datmen hem of Beiert niet en wachte oft waer nam, doe noepte hi Beiert met sporen ende als Beiert sijn meester op hem voelde settet hem te lopen so wat dattet vermocht: de eerste spronc was wel lx. voet of meer; als de knechten dit gewaer werden diet ors bevoelen waren, hielden si hem qualic. Maeldegijs dit merckende, sach seer verdrietelic, hippelende ende springende gins [ende] weder, roepende: ‘Och lieve heer coninc, wat sals wesen, mijn geselle is opt ors geseten: ic docht dat hi den hals breken sel oft ors sal hem of werpen ende treden hem longen ende lever wten live.’ Als Maeldegijs dat totten coninc seide wranc hi sijn handen. ende toech sijn haer ende scheen groten rouwe te driven dattet onseggelic was. Als coninc Karel Maeldegijs desen rou sach. driven had hi zijns medeliden ende riep haestelic de genoten ende badt hem vriendelic dat si Beiert vangen wouden ende bescudden den arme mensche die op Beiert sat ende brengen wederom. Als de coninc dit gheseit had noepten die genoten haer orssen, die eerste warent Roelant ende Ogier, daer na de hertoge van Bamer ende Sampson ende voert alle die ander genoeten, wat dat haer orssen lopen mochten ende volgeden dus Reinout de op Beiert sat ende hebben versien wel een boech scoet voir. Reynout de aldus op Beiert sat, sach dicwil om of hem yemant volghede: ten lesten wert hi siende dat hem de genoten volchden. Als Reinout dit sach seide hi in hem selven: ‘Here God, hoe gaern woude ic dat ic nu wist of mi mine magen volgen int goede of int quade want wist ic dat si mi int quade [fol. 115] volchden, ic souder mi liever over wreken dan over een vreemde man.’ Mit dese woerden toech hi sijn swaert ende hielt Beiert staende dat si bi hem quamen. ende als de genoten bi Reynout quamen so na dat si hem horen mochten, riep Reynout totten genoeten: ‘Ghij heren hebdi myn doot gesworen, ic bid u dat segt mi.’ Doe antwoerden de genoeten: ‘Reinout, neen wi, ridder coen.’ Doe seide Roelant: ‘Reinout neve, wi en dochten niet dat wi u hier vinden souden.’ Doe seide de bisscop Tulpijn: ‘Sidi dat, neve Reinout?’ ‘Ya ic,’ antwoerde Reynout. Doe seide Ogier: ‘Reinout neve, mi verwondert van u dat gi hier sijt.’ Doe seide Olivier: ‘Segt mi doch neve, wie is de pelgrim die daer biden coninc gebleven is?’ Reinout seide: ‘Het is myn oem Maeldegijs.’ Roelant seyde: ‘Het is die geen diet wesen soude want hi en doet niet dan hi mitten coninc spot.’ Doe seide weder de stoute Reynout: ‘ic bid u soete neve Roelant, dat gi Maeldegijs niet en wroeget.’ Roelant seide weder: ‘Soude ic dat doen dat waer seer misdaen ende grote dorperheit dat ic hem wroegen soude: ic en sals waerlic niet doen.’ Doe seide Reinout: ‘Ic bid u here bisscop Tulpijn, doer alle vrientscap de ic weder doer u doen mach, dat gi mijn broeders in u geleide ontfaen wilt die de coninc gevaen heeft, ende ghi edel baroenen, dat selfde bid ic u mede als dat gi mine broeders tegen coninc Karel wilt verdingen. ende nyet en gehenct dat mense ter galge leide om te verdoen.’ Mit dat Reinout dese woerden geseit had. sprack daer een iongelinc, Foukens sone van Morlione: ‘Ic seg u Reinout, dat ic u gevangen leveren sel coninc Karel de u ende uwe broeders morgen sal doen hangen.’ Reynout horende dese woerden vanden sciltknecht wert hi toernich, seggende: ‘God behoede mi ende mine broeders voir sulcken doot; ic hope [fol. 116] ane Gode dat gi sult liegen, ende coem mi naerder, ic salt u verghelden.’ Mit dien quam dye schilt knecht om Reinout te vaengen. Doe verhief Reynout zijn swaert ende sloech den sciltknecht dat hoeft van den lichaem. Doe seide Reinout: ‘Laet hangen diemen hangen mach, du hebstet ijmmer metter doot becoft.’ Als Roelant dat sach louch hi daer om ende seide: ‘Reinout neve, danc hebt dat ghijt deet want gi hebt hem sijn loen gegheven.’ Doe seide Reinout: ‘Gi edele baroenen, blijft al mit Gode de moet u altijt in sijnre hoeden ontfangen ende ic bevele mijn broeders Gode ende op u geleide ende mijn oem Maeldegijs bevele ic Maria Gods Moeder ende hier mede neme ic an u allen oerlof ende sceide van hier, want ic en dar hier niet langer bliven. Ende aldus nam Reinout oerlof an die heren ende sceide van dair ende reet met haesten na tcasteel van Montalbaen.

Toen reden koning Karel en Roelant tot de pelgrims en Beiaard wordt voor hem geleid en Beiaard rook aan de pelgrim en herkende zijn heer en dat paard toonde of het blijde geweest was en draafde zo op de brug heen en weer en toen koning Karel en Roelant bij de pelgrims kwamen zei koning Karel: ‘Zeg me pelgrim dat u God spoedt: waarvan komt u deze kop.’ Maeldegijs antwoorde de koning en lachte, zeggende: ‘Heer koning, goed vindt ge genoeg overal, ik zeg u in de waarheid, had ik mijn kop menen te verliezen bij het volk dat hier vandaag gereden en gegaan is of nog komen zal, ik had het niet voort gezet of laten zien.’ Voort zei hij: ‘Dank heeft de koning van Frankrijk, alzo wel behoudt hij de armen zijn kleine goed als de rijke die het veel heeft.’ Toen zei de koning weer: ‘Zeg me pelgrim, waarvan die kop gekomen is; dat wil ik weten.’ Maeldegijs antwoorde en zei: ‘Dat geld daar de kop om gemaakt is, is wel 60. jaar geleden dat ik bad in de kerken en kloosters en kapellen en ik heb die kop doen christenen en is genoemd Christiaan. Daar  is mede tot deze kop daar God met zijn jongeren uit sopte op de witte Donderdag en de paus van Rome heeft er mis over gezongen en de kop gaf hij de gratie: al was het een mens nog zo zwaar belast met zonden en nochtans lang daarin gestaan en had hij een sop hieruit, hij zou rein van zonden wezen zoals Maria Magdalena was toen ze onze Heer voeten zalfde.’ Onder deze woorden die de koning en Maeldegijs tezamen hadden knielde Beiaard voor Reinout. Toen zei koning Karel: ‘Merk toch lieve neef Roelant, ik zeg u voor waar dat zijn twee engelen de God hier gezonden heeft want zie dat stomme beest doet hem reverentie.’ Roelant antwoorde: ‘Ge zegt waar, heer koning.’ Deze woorden verstond Maeldegijs en sloeg Beiaard met zijn stok zodat het op zijn voeten sprong; Toen zei koning Karel: ‘Waarom slaat u mij paard pelgrim?’ Toen antwoorde de verstandige Maeldegijs zeggende: ‘Heer, ik zeg u, had uw paard iets voort gegaan het had mijn gezel geslagen die hier bij me zit; daarom bid ik  u heer, om God, dat ge uw paard wat naar achter doet leiden zodat wij het mogen schuwen want wij het zeer ontzien.’ Toen deed koning dat paard wat naar achteren leiden zodat de pelgrims zonder angst zitten mochten. Toen zei koning Karel: ‘ik bid u pelgrim, geef mij toch een sop zodat God mijn zonden vergeven wil daar ik mee belast ben. Ik zal u een gouden penning geven.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer, dat staat u niet te doen in de waarheid want ge moet me eerst de koning wijzen. Toen antwoorde koning Karel weer: ‘Men zegt dat ik koning ben.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer koning, zo verbolg u niet dat ik zo dorps en onwaardig tegen u gesproken heb.’ Toen zei de koning weer: ‘Neen ik, vriend, goed moet ge varen want ge kende me niet, wat wou ik u dan verwijten? Maar geef me een sop: ik zal u geven een gouden penning van mijn goed.’ Maar Maeldegijs zei: ‘Heer koning, ik zeg u, dit staat me niet te doen, tenzij dat ge vergaf al diegene die u misdaan hebben. Ge weet wel dat God vergaf al diegenen die hem de dood aan deden toen hij hing aan de galg van het kruis.’ Toen zei de koning: ‘Vriend, ge zegt waar, maar Reinout heeft me zo veel misdaan bij zijn eigen schuld zodat ik hem niet vergeven mag en daar is er nog een, heet Maeldegijs en doet toverij, die haat ik nog veel meer, ik wou wel dat ik hem verhangen had om duizend gulden, zoveel toorn en schade heeft hij mij gedaan: zeg me pelgrim, wat man is uw gezel die hier bij u ligt?’ Maeldegijs zei: ‘Heer koning, het is mijn vaders broeder en mag zien nog horen, dus heb ik in het hart groot verdriet.’ Toen zei koning Karel: ‘Pelgrim, geef me een sop in vergiffenis van mijn zonden zodat u God weer gedenkt en verbeter uw gezel zijn verdriet’. Maeldegijs zei: ‘Heer koning, hier ligt mijn arme gezel en het is nu geleden 40 dagen dat hij hoorde nog zag, dus heb ik altijd grote rouw en pijn in het hart en mag ook mede niet spreken: dit geschiedde in een nacht dat hij verloor verstand, memorie, kracht en wetenschap in een huis daar we geherbergd waren en eergisteren vonden we een verstandige vrouwe die met vreemde vrouwen plag te verkeren en zei; mocht hij komen tot die plaats dat hij op Beiaard mocht rijden zo zou hij genezen van zijn kwaal en krijgen gezondheid.’ De koning antwoorde: ‘Pelgrim, was dat waar zo kwam ge hier te goede tijd.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Men moet een ding beproeven eer men het weet wat het doen kan.’ Koning Karel antwoorde en zei: ‘Pelgrim, ik bid u door God, geef me een sop zodat het God bekwaam is: ik zal uw gezel dat paard Beiaard laten berijden.’  Maeldegijs verstond deze woorden van de koning en zei: ‘Heer koning, in Gods naam is het dan begonnen. Maar heer koning, door uw eer zal ik het doen: ge weet wel dat onze God in Bethlehem geboren was en in arme klederen gewonden dat deed zijn ootmoedigheid omdat God wou dat hem elke mens bedenken zou en hovaardij laten zinken en ootmoedig wezen.’ Toen zei koning Karel: ‘Pelgrim, u zegt waar.’ Maeldegijs sprak tot de koning: ‘Heer koning, ik zeg u dat die knechten die daar achter u staan alzo veel te verliezen hebben als gij. Daarom, edele heer koning, laat die knechten mee ten sop gaan met u en elk neemt een sop door uw eer.’ De koning antwoorde weer: ‘Pelgrim, het wordt gedaan.’ Toen zei koning Karel dat de knechten voort traden en nemen elk een sop wat de knechten deden en kwamen tot Maeldegijs mie devote harten en legden hun handen tezamen toen ze de slok ontvingen: och hoe weinig wisten ze wat ze deden! Ten lesten ging de koning zelf met devotie en ontving een sop en waande dat hij zijn zonden met die sop kwijt geweest zou hebben wat niet anders was dan bedrog. Dit gedaan wezende liet de koning Beiaard brengen op de weide buiten Parijs en de pelgrims kwamen daar mede met grote pijnen zoals het scheen in de lieden gezicht en toen ze op de weide waren zei koning Karel tot Roelant: ‘Edele graaf Roelant, ik bid u: doe de pelgrim rijden op Beiaard zodat het God bekwaam is.’ Toen antwoorde Roelant dat hij het graag deed; hij nam de pelgrim in zijn armen en hief hem met pijnen op Beiaard. Toen hij hem op Beiaard geheven had viel hij aan de andere zijde er af. Toen was Roelant daarmee te gaan en  hief hem weer op Beiaard en hij viel aan de andere zijde er weer af. Toen zei Maeldegijs: ‘Ay heer, ge doet grote zonde dat ge uw spot houdt met mijn arme gezel want uw paard is alzo groot en is het dat hij daar meer van valt hij blijft dood.’ Toen zei koning Karel tot Roelant: ‘ik bid u lieve neef, edele ridder, dat ge de pelgrim zo vast houdt dat hij niet valt.’ Toen nam Roelant de pelgrim weer en hief hem op Beiaard en toen hij daarop was hield hij hem vast bij zijn kleren zodat hij niet vallen mocht en toen Reinout dus op Beiaard zat begon hij hem vast te houden en zette zijn voeten in de stijgbeugel van goud: toen waren de knechten die Beiaard bewaarden onteerd van goud en erve die hen koning Karel gegeven had toen ze hem Beiaard brachten. Toen zei Reinout: ‘Moest ik, ik zou graag alleen rijden.’ Toen zei de koning: ‘Laat de pelgrim alleen rijden.’ Toen zei Maeldegijs: ‘God zij geloofd, lieve gezel dat ge spreekt! Mag ge ook zien en horen.’ ‘Ja ik,’ zei Reinout: ‘ik heb al mijn leed verloren.’ Toen zei de koning: ‘Heer bisschop, doe ons tegemoet halen kruis en vanen want God heeft ons grote eer gedaan alzo ge zien mag en merken want er mirakel geschied is.’ Maeldegijs ging weer tonen zijn kunst zodat Reinout die op Beiaard zat zijn kracht weer had. Reinout zat op Beiaard en zag al om zodat men hem of Beiaard niet bewaakte of waar nam, toen noopte hij Beiaard met sporen en toen Beiaard zijn meester op hem voelde zette het op een lopen zo wat dat het mocht: de eerste sprong was wel 60 voet of meer; toen de knechten dit gewaar werden die het paard bevolen waren hielden ze zich kwalijk. Maeldegijs dit merkende zag zeer verdrietig huppelende en springende heen en weer en roepende: ‘Och lieve heer koning, wat zal het wezen, mijn gezel is op het paard gezeten: ik dacht dat hij de hals breken zal of het paard zal hem afwerpen en trappen hem longen en lever uit het lijf.’ Toen Maeldegijs dat tot de koning zei wrong hij zijn handen en trok zijn haar en scheen grote rouw te drijven zodat het niet te zeggen is. Toen koning Karel Maeldegijs deze rouw zag drijven had hij hem medelijden en riep haastig de bondgenoten en bad hen vriendelijk dat ze Beiaard vangen wilden en behoeden de arme mens die op Beiaard zat en brengen wederom. Toen de koning dit gezegd had noopten de bondgenoten hun paarden, de eerste waren Roelant en Ogier, daarna de hertog van Bamer en Sampson en voort alle de andere bondgenoten wat dat hun paarden lopen mochten en volgden dus Reinout die op Beiaard zat en hebben hem gezien wel een boogschot voor. Reinout die aldus op Beiaard zat keek vaak om of hem iemand volgde: ten lesten zag hij dat hem de bondgenoten volgden. Toen Reinout dit zag zei hij in zichzelf; ‘Heer God, hoe graag wilde ik dat ik nu wist of me mijn verwanten volgen in het goede of in het kwade want wist ik dat ze me in het kwade volgden ik zou me er liever over wreken dan over een vreemde man.’ Met deze woorden trok hij zijn zwaard en hield Beiaard staande zodat ze bij hem kwamen. En toen de bondgenoten bij Reinout kwamen zo nabij dat ze hem horen mochten riep Reinout tot de bondgenoten: ‘Gij heren heb je mijn dood gezworen, ik bid u dat zeg me.’ Toen antwoorden de bondgenoten: ‘Reinout, neen wij, ridder koen.’ Toen zei Roelant: ‘Reinout neef, we dachten niet dat we u hier vinden zouden.’ Toen zei de bisschop Tilpin: ‘Bent u dat, neef Reinout?’ ‘Ja ik,’ antwoorde Reinout. Toen zei Ogier: ‘Reinout neef, me verwondert van u dat ge hier bent.’ Toen zei Olivier: ‘Zeg me toch neef, wie is die pelgrim die daar bij de koning gebleven is?’ Reinout zei: ‘Het is mijn oom Maeldegijs.’ Roelant zei: ‘Het is diegene die het wezen zou want hij doet niets anders dan hij met de koning spot.’ Toen zei weer die dappere Reinout: ‘ik bid u lieve neef Roelant dat ge Maeldegijs niet wraakt.’ Roelant zei weer: ‘Zou ik dat doen dat was zeer misdaan en grote dorpsheid dat ik hem wraken zou: ik zal het waarlijk niet doen.’ Toen zei Reinout: ‘Ik bid u heer bisschop Tilpin door alle vriendschap die ik weer door u doen mag dat ge mijn broeders in uw geleide ontvangen wil die de koning gevangen heeft en gij edele baronnen datzelfde bid ik u mede als dat ge mijn broeders tegen koning Karel wil verdingen en niet toestaat dat men ze ter galg leidt om te verdoen.’ Met dat Reinout deze woorden gezegd had sprak daar een jongeling, Foukens zoon van Morlione: ‘Ik zeg u Reinout, dat ik u gevangen leveren zal koning Karel die u en uw broeders morgen zal doen hangen.’ Reinout hoorde deze woorden van de schildknecht en werd toornig zeggende: ‘God behoedde me en mijn broeders voor zulke dood; ik hoop aan God dat ge zal liegen en kom me naarder, ik zal het u vergelden.’ Met die kwam de schildknecht om Reinout te vangen. Toen verhief Reinout zijn zwaard en sloeg de schildknecht dat hoofd van het lichaam. Toen zei Reinout: ‘Laat hangen die men hangen mag, u hebt het met de dood bekocht.’ Toen Roelant dat zag lachte hij daarom en zei: ‘Reinout neef, dank heb dat gij het deed want ge hebt hem zijn loon gegeven.’ Toen zei Reinout: ‘Gij edele baronnen, blijf alle met God die moet u altijd in zijn hoede ontvangen en ik beveel mijn broeders God en op uw geleide en mijn oom Maeldegijs beveel ik Maria Gods Moeder en hiermee neem ik aan u allen verlof en scheid van hier, want ik durft hier niet langer blijven. En aldus nam Reinout verlof aan die heren en scheidde van daar en reed met haast naar het kasteel van Montalbaen.

 

 

 

 

Dat XV. ca Hoe die heren weder tot coninc Karel quamen ende seiden dat si Beiert niet vinden en conden ende hoe coninc Karel Reynouts drie broeders woude doen hangen. Daer bisscop Tulpyn tegen was met Roelant ende ander heren ende dat benamen dattet niet en geschyede ende hoe Maeldegijs Reinouts broeders verloste wt coninc Karels vangenis ende tot coninc Karel ginc daer hij lach ende sliep in zijn camer ende seidet hem dat hij se wter vangenis nam ende brochtse tot Montalbaen.

Als dye heren aldus als gi gehoert hebt van Reynout gesceiden waren, reden si weder na Parijs tot coninc Karel ende als de heren aldus na Parijs ridende waren, overdroegen si met malcander wat si tot coninc Karel seggen souden als si voer hem quamen. Doe seyde bisscop Tulpijn: ‘Wat sullen wi seggen van desen scilt knecht de Reinout geslagen heeft? wie sal dat [fol. 117] voer den coninc verantwoerden?’ Roelant seide: ‘Dat sal ic doen ende sal seggen dat ict selve gedaen heb, dair weet ic raet toe’ ende dat docht hem allen goet ende reden so lange dat si quamen voirden coninc ende als de coninc de heren sach was hi blide ende hietse welcoem ende vragede ter stont Roelant of hi Beiert brochte. Doe seide Roelant: ‘Here coninc, neen wi, mittien heeft die coninc versien den sciltknecht. die daer doot in gebrocht wert op een ors. des hem verwonderde ende seide: ‘Wie is de mensce die gi daer doot in brenget? ist de pelgrim die op Beiaert reet?’ Roelant seide: ‘Heer coninc, neent, het is Foukijns soen van Morlione.’ Die coninc seide weder: ‘Wie heeft den sciltknecht gedoot?’ Doe seide Roelant: ‘Heer coninc, dat dede ic.’ Die coninc seide: ‘Neve, dat is misdaen’. Roelant seyde weder: ‘Heer coninc, ghi kent wel Beiert: alst begint dan ist seer fel. Ende alst quaet is, so en macht niemant dwingen of achtervolgen ende wi waren den ors so na gecomen dat wijt sagen metten ogen, des wi alle blide waren want de man dier op sat was out van dagen, so dat hem tors ontdragen had ende als wi tors int gesicht hadden meenden wijt wel te vangen. Doe quam die sciltknecht ende woude met sijns selfs cracht Beiert alleen vangen ende toech sijn swaert ende als Beiert tswairt sach wast so scu dattet vloech oft dul geweest had ende wi verloren Beiert tusschen twe foreesten in een coern lant. Doe was mijn hert so seer met toerne bevangen dat ic den sciltknecht doot sloech.’ Doe seide coninc Karel: ‘Roelant neve, gi deet recht: het was grote dorperheid vanden sciltknecht dat hi voer u allen wtriden soude ende vangen Beiert alleen, dat hem niet doenlic en was; mi waer leet, gi en haddet gedaen.’ Als dat de coninc geseit had, seide [fol. 118] Roelant: ‘Heer coninc, ic wil dat gi doet hanghen die knechten die ghi Beiert bevolen had om dat si hem Beyert hebben laten ontgaen.’ Doe seide de coninc: ‘Roelant neve, wildilt hebben gedaen, so salt geschien.’ Doe geboet die coninc datmen de knechten hangen soude, twelc terstont nae des conincs gebot gedaen wert: dairom dicwijl van veel onderwils coemt groten onrust ende afterdeel. Maeldegijs de biden coninc was ginc tot hem seggende: ‘Here ay lacen, wat is mij geschiet, mijn ghesel is op u ors geseten ende ic weet wel dat hi daer of gevallen is ende mach doot wesen: des heb ic in myn hert so groten rou dat icx niet segghen en kan. ende ic wil gaen over zee voer de siele van minen geselle dat hem God genadich wesen moet,’ ende als Maeldegijs dese woerden totten coninc seide, hielt hij hem seer qualic: hi wranc zyn handen ende toech zijn haer ende scheen te driven ongemeten rou ende seide: ‘Adieu lieve geselle, ic en sie u nemmermeer meer.’ Doe coninc Karel desen rou Maeldegijs sach driven, had hi zijn medeliden ende seide: ‘Vrient, hebt mate in dyn rouwe, ic sal di begaven cortelic in een rijc cloester, daer gi u leven u broot hebt ende can ic vernemen wair u geselle doot gebleven is, ick sal in de eer van onser Vrouwe over zijn siel doen zingen alle dage een misse: dat seg ic u voirwair.’ Do seide Maeldegijs: ‘God loens u, edel heer coninc, ic en mach hier niet langer letten’. ende aldus nam Maeldegijs oerlof anden coninc: doe geboet de coninc dat men Maeldegijs geven soude x. ducaten van goude. Ende aldus sceide Maeldegijs wt Parijs ende dancte den coninc seer van sijn goede giften die hi hem ghegheven had. Als dit ghedaen was ontboet de coninc alle zijn baroenen bi hem ende seide: ‘Edele heren, ic sal mi wreken over diegene die mijnen sone so moerdelic versloegen. Aldus swere ic bi mynre cronen dat ic mi over de moerdenaers wreken [fol. 119] sal’. ende als de coninc aldus sijn eet gedaen had, dat menich edel man leet was diet hoerden, liet hi Reinouts broders wt de vangenis halen. ende voir hem brenghen. Als si voer hem quamen liet hi hair handen ende ogen verbinden als oft dieven geweest hadden. Als dit die bisscop Tulpijn sach, had hijs medeliden ende seide: ‘Heer coninc, doet doch wel ende laet ons onse neven totten scepen doen brengen want, edel heer coninc, het is ymmer u vleisch. ende u bloet: gi weet doch wel dat wette elcken man te swair is.’ Doe seide coninc Karel weder: ‘Heer bisscop Tulpijn, des en doe ic niet want ic sel noch huden wraec ontfangen over myn soen ende doen mine neven hangen.’ Die bisscop antwoerde: ‘Here, de heren hebben hier so menigen maech dies niet gaern sien en souden dat mense voir hair ogen hangen soude, ende ramp moeten si alle hebben of sij er een hangen.’ Doen seide de coninc: ‘Soutstu di dan tegen mi setten?’ ‘Neen ic, heer coninc,’ seide de bisscop. Coninc Karel seide weder: ‘Ic salse doen hangen.’ Doe seide de bisscop: ‘Here, des en henge ic niet. ende si hebbender te veel goeder magen toe, ende ramp moeten si hebben, of sijer consent toe geven’. Coninc Karel riep tot hem Fouken van Parijs ende seide: ‘Wat radi mi, wil ic mine neven doen hangen of wil icse laten leven om die soene die si mi bieden?’ Doe seide Fouken totten coninc ende louch: ‘Heer coninc, daer toe sidi selver vroet genoech want ghi siet doch wel dat bisscop Tulpijn met macht tegen u wesen wil ende ist dat ghijt doet so salmen seggen dattet bedwanc dede: gi en dorstes niet laten.’ Als die coninc dese woerden van Fouken hoirde wert hi toernich. ende swoer bi zijn coninclike croen dat hi zijn neven nemmermeer tegen hem en soude laten verdingen. ende soudese te hants te Montefaucoen doen hangen. Desen selven eet beroude [fol. 120] hem na seer en was hem leet. Ende als die bisscop den coninc desen eet hoerde doen, balchs hem seer ende seide: ‘Here coninc, ghi sult u neven tegen u laten verdingen, ist u lief of leet.’ Doe seide de coninc tot bisscop Tulpijn: ‘Wilstu di tegen mi setten?’ ende mettien dat hi dit seide sloech hi den bisscop. Doe nam die bisscop den coninc bijder kelen ende soude hem gedoot hebben mer die heren schoten dair tusschen ende trocken bisscop Tulpijn vanden coninc. Coninc Karel was toernich ende sprac met erren moede: ‘Nu sal ic weeten, bisscop van Riemen, wye de gene sijn die mi begeven sullen ende mit u leven ende sterven sullen.’ Doe trat die bisscop an een sijde: ‘Nu bid ic mine magen die ane mijn hulpe willen wesen of inder noot niet begeven, dat si mi comen.’ Als de bisscop dat sprac, spranc bi hem over die grave Amerijn, Aernouts sone van Benlant, daer nae heer Aernout selve, doe die hertoge van Arden ende een stout vroem ridder ende was genaemt Dideric. Daer na spranc bijden bisscop over die hertoech van Bourgongen ende seyde: ‘Heer bisscop Tulpijn, wi willen u helpen teghen alle die ghene die u souden willen deren.’ Doe ginc over Ritsaert van Normandien, daerna de starcke Ogier een stout ridder, doe ginc over die hertoge van Bamer ende met hem Bartram ende Ridsier die beyde sijn kinder waren, doe trat over van Geneven grave Olivier, daer na den stouten Roelant: nochtan en badtmens hem niet. Doe seiden die heren tot bisscop Tulpijn: ‘De u misdede, edel heer bisscop, wi soudent so op hem wreeken dattet hem zijn leven costen soude.’ Als coninc Karel dat sach seide hi: ‘Ay neve Roelant, hoe hebdijt aldus gemaect: ic sie wel, ic heb besteet mijn broot seer qualic dat ic u dus langhe gehouden [fol. 120] heb binnen minen hove van ioncx op gevoet ende heb u gemaect de meeste van alle minen heren. ende mijn betrouwe op u geset, ende ghi begevet mi ter noot.’ Doe seide Roelant: ‘Heer coninc, des en acht ic niet, mer gi moget u wel scamen voer al die werelt want verdadi dese drie heren, het is u vleisch ende bloet, u scande waer te groot.’ Doe riep de coninc Fouken van Parijs weder ende seide: ‘Wat segdi Fouken, wil ic mijn neven laten verdingen om die soene die si mi geven willen?’ Fouke antwoerde den coninc ende seide: ‘Heer coninc, des sidi selve vroet genoech: en siedi niet dat u hoge magen die met u alle dage gaen, tegen u gewapent sijn in hulp van bisscop Tulpijn ende ist dat gi die drie heren tegen u laet versoenen, men sal seggen dat ghijt doer ontsich gedaen hebt ende anders niet.’ Doe seide de coninc: ‘Fouke, gi segt waer.’ Dit hoerde die stercke Ogier. ende wert seer toernich ende trat voert ende nam Fouken bi den hare ende sloech hem met een vuijst in sinen hals dat hy in onmacht viel voir des conincx voeten of hi doot geweest had; doe seide de koene Ogier: ‘Du valsche raetgever ende bose tyran, ic waen die heren nu over di gewroken zijn.’ Mettien ginc hi voert dair die drie heren saten ende ontbant hem haer handen ende ogen want hi se so gebonden niet sien en mocht. Doe seide die bisscop Tulpijn: ‘Wije sal de gene wesen die dese drie heren hangen sal? ic waen niemant so stout en si.’ Die coninc seide: ‘Heer bisscop, gi set u onmate seer tegen mi.’ Doe seide die bisscop weder: ‘Heer coninc, ic seide u te voren ende ic seg u noch: woude ic mi tegen u setten, ic wonne u of u lant ende croen.’ Als die bisscop dese woerden seide, so wert Karel toernich ende claechdet voer alle sijn heren. Als dit de bisscop sach had hi medeliden metten coninc ende bandt Aymijns kinder handen [fol. 121] ende ogen weder. Doe seide bisscop Tulpijn: ‘Heer coninc, nu doeter uwen wille mede, wes u belieft, mer laetse verdingen, het is best.’ De coninc seide weder: ‘Ay lacen, wats is mi geschiet, dat mi de lief[s]t daer ic mijn betrouwen op stel, mi begeeft?’ Doe seide de stoute Roelant: ‘Voerwaer heer coninc, ic en doe niet; mer ic seg u wilt ghi vechten op de Sarasinen ende heyden, ic en begeve u doer geen anxt of vrese vander doot ende altijt wil [ic] gaerne int vreselicste wesen ende den meesten arbeit doen ende u getrouwelic dienen.’ Doe sprac die coninc weder ende seide: ‘Hoerdijt heer bisscop Tulpyn, het is met minnen of met onminnen, ic sal noch huden min susterkinder hangen ende wraec doen over mijn soen Lodewijc - ic en waen myn leet nemmermeer te vergheten - sonder enich langer beiden met macht van volck want alst ten quaetsten coemt, soe groten slach slaet dicwil een knecht als een ridder die de wapen geplecht heeft.’ Als Roelant dat hoerde van den coninc wert hi toernich ende seide: ‘Heer coninc, soudi dan uwe knechten tegen mi willen setten of Foukens knechten?’ Met dese woerden toech Roelant sijn swaert. ende sloech een van sijn knechten dat hem thoeft van den live vloech. Doe seide Roelant: ‘Heer coninc, en set u knechten niet tegen mi, want ick soudse wel alleen verslaen al die gi in u rijck hebt.’ Als coninc Karel sach dat hi niet en vorderde, wat hi dede, sweech hi lange ende docht in hem selven hoe hi hem best mocht wreken. Over een wile seide hy: ‘Gi heren, gi misdoet alte seer dat gi mij dus tonder doet ende mi verwondert waerom ghijt doet want ic gesworen heb dat ic myn suster kinder soude hangen. ende wreken den doot van minen soen Lodewijc. Ende mijn gesworen eet moet voert gaen want ic se niet breken en mach. Dus, waerdi van edelre herten oft eerbaer, gi sout dairtoe helpen dat ic mijn [fol. 123] eet volquaem.’ Doe seide de bisscop Tulpijn: ‘Heer coninc, en weest niet te haestich: het is tweewerf geschiet dat gi uwen eet braket; aldus en acht ic dit niet veel.’ De coninc seide weder: ‘Heer bisscop, heb ict gedaen, dat is mi leet ende ic en weet niet dattet geschiet is. aldus segt mi wanneert geschiet is.’ Doe seide de bisscop: ‘Ic salt u seggen. En gedenct u niet heer coninc, dat ghi in uwen erren moede swoert bi uwer cronen als dat gi Amelise van Olinde soudt doen hangen omdat hi bi uwer dochter sliep ende nu hebdi den man weder soe lief, dattet wonder is want hi dient tot uwer tafel ende hebt hem u dochter te wive gegeven ende dair mede goet, erve ende lant.’ Als coninc Karel dat hoirde wort hi toernich ende seide met erren moede: ‘Ic verbiede u bisscop, meer tegen mi te argueren of te spreken wan het schijnt, soudi tegen mi enich gedinge maken, dat gi mi of winnen soudt lant ende croen.’ Doe seide Roelant: ‘Heer coninc, nu doet mijn raet, si sal u goet wesen, dat is: doet dese.iij. heren weder inder vangenis leiden ende laetse leven noch een wijle; hier en tusschen suldi u beraden so dat alle dinc ten besten comen sal.’ Doe seide die coninc: ‘Roelant neve, u raet wil ic doen.’ Doe werden die broeders weder in die vangenis geleit de in grooter vresen geweest hadden vanden live ende daer mede scheide het parlement van den heren ende coninc Karel ginc in sijn camer ende worde alsoe tevreden ghestelt.

Dat XV kapittel. Hoe die heren weer tot koning Karel kwamen en zeiden dat ze Beiaard niet vinden konden en hoe koning Karel Reinout’ s drie broeders wou doen hangen. Daar bisschop Tilpin tegen was en met Roelant en andere heren dat benamen dat het niet geschiedde en hoe Maeldegijs Reinout’ s broeders verloste uit koning Karels gevangenis en tot koning Karel ging daar hij lag en sliep in zijn kamer en zegt hem dat hij ze uit de gevangenis nam en bracht ze te Montalbaen.

Toen de heren aldus, zoals ge gehoord hebt, van Reinout gescheiden waren reden ze weer naar Parijs tot koning Karel en toen de heren aldus naar Parijs rijdende waren kwamen ze met elkaar overeen wat ze tot koning Karel zeggen zouden als ze voor hem kwamen. Toen zei bisschop Tilpin: ‘Wat zullen we zeggen van deze schildknecht die Reinout geslagen heeft? Wie zal dat voor de koning verantwoorden?’ Roelant zei: ‘Dat zal ik doen en zal zeggen dat ik het zelf gedaan heb, daar weet ik raad toe’ en dat dacht hen allen goed en reden zo lang dat ze kwamen voor de koning en toen de koning de heren zag was hij blijde en heette ze welkom en vroeg terstond Roelant of hij Beiaard bracht. Toen zei Roelant: ‘Heer koning, neen wij, meteen heeft de koning gezien de schildknecht die daar dood in gebracht werd op een paard, dus het hem verwonderde en zei: ‘Wie is die mens die ge daar dood brengt? Is het de pelgrim die op Beiaard reed?’ Roelant zei: ‘Heer koning, neen heet, het is Fouken’ s zoon van Morlione.’ De koning zei weer: ‘Wie heeft de schildknecht gedood?’ Toen zei Roelant: ‘Heer koning, dat deed ik.’ De koning zei: ‘Neef, dat is misdaan’. Roelant zei weer: ‘Heer koning, ge kent wel Beiaard: als het begint dan is het zeer fel. En als het kwaad is zo mag het niemand dwingen of achtervolgen en wij waren het paard zo nabij gekomen dat wij het zagen met de ogen, dus we allen blijde waren want de man die er op zat was oud van dagen zodat we hem het paard ontnomen hadden en toen we het paard in het gezicht hadden meenden wij het wel te vangen. Toen kwam die schildknecht en wilde met zijn eigen kracht Beiaard alleen vangen en trok zijn zwaard en toen Beiaard het zwaard zag was het zo schuw dat het vloog of het dol geweest was en we verloren Beiaard tussen twee bossen in een korenland. Toen was mijn hart zo zeer met toorn bevangen dat ik de schildknecht dood sloeg.’ Toen zei koning Karel: ‘Roelant neef, ge deed recht: het was grote dorpsheid van de schildknecht dat hij voor u allen uitrijden zou en vangen Beiaard alleen, dat hem niet te doen was; me is het leed, gij had het gedaan. Toen dat de koning gezegd zei Roelant: ‘Heer koning, ik wil dat ge doet hangen die knechten die ge Beiaard bevolen had omdat ze hen Beiaard hebben laten ontgaan.’ Toen zei de koning: ‘Roelant neef, wilde ge dit hebben gedaan, zo zal het geschieden.’ Toen ontbood de koning dat men de knechten hangen zou, wat terstond na de konings gebod gedaan werd: daarom vaak van veel onwil komt grote onrust en nadeel. Maeldegijs die bij de koning was ging tot hem zeggende: ‘Heer eilaas, wat is mij geschied, mijn gezel is op uw paard gezeten en ik weet wel dat hij daaraf gevallen is en mag dood wezen: dus heb ik in mijn hart zo grote rouw dat ik het niet zeggen kan en ik wil gaan over zee voor de ziel van mijn gezel dat hem God genadig wezen moet,’ en toen Maeldegijs deze woorden tot de koning zei hield hij hem zeer kwalijk: hij wrong zijn handen en trok aan zijn haar en scheen te drijven onmetelijke rouw en zei: ‘Adieu lieve gezel, ik zie u nimmermeer meer.’ Toen koning Karel deze rouw Maeldegijs zag drijven had hij zijn medelijden en zei: ‘Vriend, heb mate in uw rouw, ik zal u begeven gauw in een rijk klooster daar ge uw leven en uw brood hebt en kan ik vernemen waar uw gezel dood gebleven is ik zal in de eer van onze Vrouwe over zijn ziel doen zingen alle dagen een mis: dat zeg ik u voor waar.’ Toen zei Maeldegijs: ‘God loont het u, edele heer koning, ik mag hier niet langer letten’ en aldus nam Maeldegijs verlof aan de koning: toen gebood de koning dat men Maeldegijs geven zou 10 dukaten van goud. En aldus scheidde Maeldegijs uit Parijs en dankte de koning zeer van zijn goede giften die hij hem gegeven had. Toen dit gedaan was ontbood de koning al zijn baronnen bij hem en zei: ‘Edele heren, ik zal me wreken over diegene die mijn zoon zo moorddadig versloegen. Aldus zweer ik bij mijn kroon dat ik me over de moordenaars wreken zal’. En toen de koning aldus zijn eed gedaan had dat menige edelman leed was die het hoorden liet hij Reinout’ s broeders uit de gevangenis halen en voor hem brengen. Toen ze voor hem kwamen liet hij hun handen en ogen binden alsof het dieven geweest waren. Toen dit de bisschop Tilpin zag had hij medelijden en zei: ‘Heer koning, doe toch wel en laat ons onze neven tot de schepen doen brengen want, edele heer koning, het is immer uw vlees en uw bloed: ge weet toch wel dat wet elke man te zwaar is.’ Toen zei koning Karel weer: ‘Heer bisschop Tilpin, dat die ik niet want ik zal nog heden wraak ontvangen over mijn zoon en doen mijn neven hangen.’ De bisschop antwoorde: ‘Heer, de heren hebben hier zo menige verwant die het niet graag zien zouden dat men ze voor hun ogen hangen zou en ramp moeten ze alle hebben als ze er een hangen.’ Toen zei de koning: ‘Zou u zich dan tegen mij zetten?’ ‘Neen ik, heer koning,’ zei de bisschop. Koning Karel zei weer: ‘Ik zal ze doen hangen.’ Toen zei de bisschop: ‘Heer, dat sta ik niet toe en ze hebben er te veel goede verwanten en rampen moeten ze hebben als ze er hun consent toe geven’. Koning Karel riep tot hem Fouken van Parijs en zei: ‘Wat raad ge me, wil ik mijn neven doen hangen of wil ik ze laten leven om de verzoening die ze me?’ Toen zei Fouken tot de koning en lachte: ‘Heer koning, daartoe bent ge zelf verstandig genoeg want ge ziet toch wel dat bisschop Tilpin met macht tegen u wezen wil en is het dat gij het doet zo zal men zeggen dat het bedwang deed: ge durft het niet laten.’ Toen de koning deze woorden van Fouken hoorde werd hij toornig en zwoer bij zijn koninklijke kroon dat hij zijn neven nimmermeer tegen hem zou laten verdingen en zou ze gelijk te Montfaucon doen hangen. Deze zelfde eed berouwde hem daarna zeer en was hem leed. En toen de bisschop de koning deze eed hoorde doen vervolg hij hem zeer en zei: ‘Heer koning, ge zal uw neven tegen u laten verdingen, is het u lief of leed.’ Toen zei de koning tot bisschop Tilpin: ‘Wil u zich tegen mij zetten?’ en meteen dat hij dit zei sloeg hij de bisschop. Toen nam de bisschop de koning bij de keel en zou hem gedood hebben, maar de heren schoten daartussen en trokken bisschop Tilpin van de koning. Koning Karel was toornig en sprak met geĎrgerd gemoed: ‘Nu zal ik weten, bisschop van Reims, wie diegene zijn die me begeven zullen en met u leven en sterven zullen.’ Toen trad de  bisschop aan een zijde: ‘Nu bid ik mijn verwanten die aan mij hulp willen wezen of in de nood niet begeven dat ze me komen.’ Toen de bisschop dat sprak sprong bij hem de graaf Amerijn, Aernouts zoon van Benlant, daarna heer Aernout zelf, toen de hertog van Arden en een dappere vrome ridder en was genaamd Dideric. Daarna sprongen bij de bisschop de hertog van BourgondiĎ en zei: ‘Heer bisschop Tilpin, we willen u helpen tegen al diegene die u zouden willen deren.’ Toen ging over Ritsaert van NormandiĎ, daarna de sterke Ogier, een dappere ridder, toen ging over de hertog van Bamer en met hem Bartram en Ridsier die beide zijn kinderen waren, toen trad over van Geneve graaf Olivier, daarna de dappere Roelant: nochtans bad men het hem niet. Toen zeiden die heren tot bisschop Tilpin: ‘Die u misdeed, edele heer bisschop, we zouden het zo op hem wreken dat het hem zijn leven kosten zou.’ Toen koning Karel dat zag zei hij: ‘Ay neef Roelant, hoe heb je het aldus gemaakt: ik zie wel, ik heb besteed mijn brood zeer kwalijk dat ik u aldus lang gehouden heb binnen mijn hof en van jongs af aan opgevoed en heb u gemaakt de hoogste van al mijn heren en mijn vertrouwen op u gezet en gij begeeft me ter nood.’ Toen zei Roelant: ‘Heer koning, dat acht ik niet, maar ge mag u wel schamen voor al de wereld want verdeed je deze drie heren, het is uw vlees en bloed, uw schande was te groot.’ Toen riep de koning Fouke van Parijs weer en zei: ‘Wat zeg je Fouke, wil ik mijn neven laten verdingen om de verzoening die ze mij geven willen?’ Fouke antwoorde de koning en zei: ‘Heer koning, dus bent ge zelf verstandig genoeg: en zie je niet dat uw hoge verwanten die met u alle dagen gaan tegen u gewapend zijn met hulp van bisschop Tilpin en is het dat ge die drie heren tegen u laat verzoenen, men zal zeggen dat gij het door ontzag gedaan hebt en anders niet.’ Toen zei de koning: ‘Fouke, ge zegt waar.’ Dit hoorde de sterke Ogier en werd zeer toornig en trad voort en nam Fouke bij de haren en sloeg hem met een vuist in zijn hals zodat hij in onmacht viel voor de konings voeten of hij dood geweest was; Toen zei de koene Ogier: ‘U valse raadgever en boze tiran, ik waan de heren nu over u gewroken zijn.’ Meteen ging hij voort daar de drie heren zaten en ontbond hen hun handen en ogen want hij ze zo gebonden niet zien mocht. Toen zei de bisschop Tilpin: ‘Wie zal diegene wezen die deze drie heren hangen zal? Ik  waan niemand zo dapper is.’ De koning zei: ‘Heer bisschop, ge zet u onmatig zeer tegen mij.’ Toen zei de bisschop weer: ‘Heer koning, ik zei u tevoren en ik zeg u nog: wou ik me tegen u zetten, ik won u af u land en kroon.’ Toe de bisschop deze woorden zei zo werd Karel toornig en beklaagde het voor al zijn heren. Toen dit de bisschop zag had hij medelijden met de koning en bond Aymyn’ s kinderen handen en ogen weer. Toen zei bisschop Tilpin: ‘Heer koning, nu doet er uw wil mee, wat u belieft, maar laat ze verdingen, het is het beste.’ De koning zei weer: ‘Eilaas, wat is me geschied dat me de liefste daar ik mijn vertrouwen op stelde me begeeft?’ Toen zei de dappere Roelant:  ‘Voorwaar heer koning, ik doe het niet; maar ik zeg u wil ge vechten op de Sarasijnen en heidenen, ik begeef u door geen angst of vrees van de dood en altijd wil ik graag in het vreselijkste wezen en de meeste arbeid doen en u getrouw dienen.’ Toen sprak de koning weer en zei: ‘Hoorde gij het heer bisschop Tilpin, het is met minnen of met onmin, ik zal nog heden mijn zusterkinderen hangen en wraak doen over mijn zoon Lodewijk – ik waan mijn leed nimmermeer te vergeten - zonder enig langer dralen met macht van volk want als het te kwade komt zo’ n grote slag slaat vaak een knecht als een ridder die de wapens gepleegd heeft.’ Toen Roelant dat hoorde van de koning werd hij toornig en zei: ‘Heer koning, zou ge dan uw knechten tegen mij willen zetten of Fouke’ s knechten?’ Met deze woorden trok Roelant zijn zwaard en sloeg een van zijn knechten zodat hem het hoofd van het lijf vloog. Toen zei Roelant: ‘Heer koning, zet uw knechten niet tegen mij want ik zou ze wel alleen verslaan al die ge in uw rijk hebt.’ Toen koning Karel zag dat hij niet bevorderde wat hij deed zweeg hij lang en dacht in zichzelf hoe hij zich beste mocht wreken. Na een tijdje zei hij: ‘Gij heren, ge misdoet al te zeer dat ge mij aldus te onder doet en me verwondert waarom gij het doet want ik gezworen heb dat ik mijn zusterkinderen zou hangen en wreken de dood van mijn zoon Lodewijk. En mijn gezworen eed moet voort gaan want ik het niet breken mag. Dus, waa ge van edel hart of eerbaar, ge zou daartoe helpen dat ik mijn eed voldeed.’ Toen zei de bisschop Tilpin: ‘Heer koning,  wees niet te haastig: het is tweemaal geschied dat ge uw eed brak; dus acht ik dit niet veel.’ De koning zei weer: ‘Heer bisschop, heb ik het gedaan, dat is me leed en ik weet niet dat het geschied is aldus zeg me wanneer het geschied is.’ Toen zei de bisschop: ‘Ik zal het u zeggen. En gedenkt u niet, heer koning, dat ge in uw geĎrgerd gemoed zwoer bij uw kroon als dat ge Amelise van Olinde zou doen hangen omdat hij bij uw dochter sliep en nu heb je de man weer zo lief dat het wonder is want hij dient tot uw tafel en hebt hem uw dochter tot wijf gegeven en daarmee goed, erve en land.’ Toen koning Karel dat hoorde werd hij toornig en zei met geĎrgerd gemoed: ‘Ik verbied u bisschop meer tegen mij te argumenten of te spreken want het schijnt, zou u tegen mij enig geding maken dat ge me afwinnen zou land en kroon.’ Toen zei Roelant: ‘Heer koning, nu doe mijn raad, ze zal u goed wezen en dat is: doe deze 3 heren weer in de gevangenis leiden en laat ze leven nog een tijdje; hiertussen zal ge u beraden zodat alle ding ten beste komen zal.’ Toen zei de koning: ‘Roelant neef, uw raad wil ik doen.’ Toen werden de broeders weer in de gevangenis geleid die in grote vrees geweest waren van het lijf en daarmee scheidde het parlement van de heren en koning Karel ging in zijn kamer en wordt alzo tevreden gesteld.

 

 

 

Dit gedaen wesende. so ist geboert dat Maeldegijs weder gecomen is tot Parijs om te verlossen Reinouts broeders wter vangenis daer si in lagen in groot perikel haers levens want si en wisten niet van ure tot ure, coninc Karel en soudese doen  [fol. 124] hangen. Ende als Maeldegijs was in Parijs is hi gegaen inden pallays daer die broeders gevangen lagen. Als hi daer quam toechde hi sijn const ende die valbrugge ginc neder ende die poerte ontsloten ende als hi in was ginc hi so lange dat hi bijder vangenis quam: daer toende hy weder sijn konst ende die doer vander vangenis brac. doe trac hij in ende nam Adelairt bider hant ende terstont ontdede hi alle die sloten ende kettenen daer si mede gebonden waren: die broeders, niet wetende dattet Maeldegijs was mer waenden dattet volc geweest had die de coninc om hem luyden gesendt had. dat mense heimelic doden soude, waren si drovich. Adelairt seide: ‘Adieu lieve broeder Reinout, want Karel past ons te doden: ghi en siet ons nu niet meer levende. God wil bewaren onse sielen.’ Ridsaert ende Wridsaert seiden: ‘Nu ist al gedaen, wi moeten nu ymmer sterven want wij horen dat de coninc volc om ons gesendt heeft ende hi wil ons doden’ ende begonden seer te screyen dattet Maeldegijs ontfermde ende seide tot hem luiden: ‘Gi heren, en sijt niet vervairt want ic segge u voirwaer: ic ben u oem Maeldegijs.’ Als dit die broeders hoerden waren si blijde. Adelaert seide: ‘Lieve oem, staet ons bi want onse leven staet an God ende u.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Weest tevreden, ic sal u leiden wter vangenis.’ Mettien woerden nam hijse bider hant ende brochtse wter kercker ende leidese an die brugge tot Parijs. Doe seide Maeldegijs: ‘Ghi heren, ic heb mesdaen dat ic u wech leyde sonder conincs wille: aldus blijft hier staen, ic sal gaen nemen oerlof an den coninc, want sonder oerlof en wil ic u niet heen leiden.’ Doe seide Adelairt: ‘Oem, laet ons gaen want die coninc en sal u geen oerlof geven, dat weet ic serteyn.’ Maeldegijs seyde: ‘Ghi moet hier so langhe staen dat ic oerlof genomen heb.’ [fol. 125] Als Maeldegijs in des conincx camer quam ginc hi staen voer tconincx bedde ende seide: ‘Heer coninc, God geve u goeden dach. ic heb mine neven wter vangenis genomen, het si scade of baet. ende si staen voer die brugge binnen Parijs ende ic bid u, heer coninc, dat gi mi oerlof gheeft; ic soude die heren leyden tot Montalbaen daer si u, heer coninc, niet ontsien en sullen.’ Die coninc dat horende de daer lach tusschen waken ende slapen seide tot den pelgrim: ‘Maeldegijs, doet met uwen neven uwen wille.’ Als Maeldegijs dit vanden coninc hoirde was hi blijde ende ginc daer hi vandt des conincs crone. ende sijn swaert ende namt mede daert de coninc met ogen aen sach ende keerde weder tot die drie heren. ende brochtse in corter tijt tot Montalbaen ende als Reinout sijn broeders sach was hi seer blide ende dancte sinen oem seer. Aldus bleef Reinout met sijn broeders ende zijn oem tot Montalbaen in goeder hoeden. Coninc Karel die van Maeldegijs dit gesien hadde. ende gehoert tusschen slapen ende waken, was hi weder in slape gevallen. ende als hi daer na weder wacker wert en wist hi niet of hem Maeldegijs in een droem te voren gecomen geweest had of dattet ghesciet was warachtich: in dese arguacie lach die coninc so lange dat hi op stont. om te sien wat daer of was, oft droem was of anders. Aldus heeft hem die coninc mit haesten gecleet ende ghinc so drae als hi ghecleet was totter vangenis de hi vandt op staen ende ginc daer in: daer sach hi dat hi de broeders quijt was, daer hi groten rou om hadde. ende ginc weder om nae sijn camer. ende onder des quam hem Roelant te moet die hem gruete ende seide: ‘Heer coninc, ter goeder tijt moet gi aldus vroech op gestaen wesen.’ Doe seide die coninc: ‘Lieve neve [fol. 126] Roelant, ic moet u mijn quade aventuer clagen dat mi te nacht geboert is: te nacht als ick lach ende sliep quam mij te voren den bedrieger Maeldegijs ende so mi dochte seide hi tot mi dat hi Reynouts broeders wt de vangenis genomen had ende badt mi dat hise wech leiden most tot Montalbaen, daer si mi niet ontsien en sullen ende mi docht ic sachem voer mi staen. ende gaf hem oerlof dat hijse wech leiden soude ende doen daermede wes hem geliefde. ende ic sach dat hij mijn croen ende mijn goede swaert nam met hem, dat ic waen nemmermeer weder te crijgen. Roelant antwoerde den coninc met corten woerden: ‘Heer coninc, gaefdi hem oerlof ende weet ghijt noch Maeldegijs ondanc?’ ‘Roelant neve, gi hout u spot met mi: des soude ic wel ontberen.’ Hiermede gingen si te samen in de sale: die coninck was seer tonvreden om sinen gevangen. [fol. 127]

Dit gedaan wezende zo is het gebeurd dat Maeldegijs weer gekomen is te Parijs om te verlossen Reinout’ s broeders uit de gevangenis daar ze in lagen in groot gevaar van hun leven want ze wisten niet anders van uur tot uur, koning Karel zou ze doen hangen. En toen Maeldegijs was in Parijs is hij gegaan in het paleis daar de broeders gevangen lagen. Toen hij daar kwam toonde hij zijn kunst en de valbrug ging neer en de poort geopend en toen hij in was ging hij zo lang zodat hij bij de gevangenis kwam: daar toonde hij weer zijn kunst en de deur van de gevangenis brak. Toen ging hij in en nam Adelaert bij de hand en terstond opende hij al de sloten en kettingen daar ze mee gebonden waren: de broeders, niet wetende dat het Maeldegijs was maar waanden dat het volk geweest was die de koning om hen lieden gezonden had dat men ze heimelijk doden zoude, waren droevig. Adelaert zei: ‘Adieu lieve broeder Reinout want Karel past het ons te doden: ge ziet ons nu niet meer levend. God wil bewaren onze zielen.’ Ritsaert en Writsaert zeiden: ‘Nu is het al gedaan, we moeten nu immer sterven want wij horen dat de koning volk om ons gezonden heeft en hij wil ons doden’ en begonnen zeer te schreien zodat het Maeldegijs ontfermde en zei tot hen lieden: ‘Gij heren, wees niet bang want ik zeg u voor waar: ik ben uw oom Maeldegijs.’ Toen dit die broeders hoorden waren ze blijde. Adelaert zei: ‘Lieve oom, sta ons bij want ons leven staat aan God en u.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Wees tevreden, ik zal u leiden uit de gevangenis.’ Met die woorden nam hij ze bij de hand en bracht ze uit de kerker en leidde ze tot de brug van Parijs. Toen zei Maeldegijs: ‘Gij heren, ik heb misdaan dat ik u weg leidde zonder konings wil: aldus blijf hier staan, ik zal gaan nemen verlof aan de koning want zonder verlof wil ik u niet heen leiden.’ Toen zei Adelaert: ‘Oom, laat ons gaan want de koning zal u geen verlof geven, dat weet ik zeker.’ Maeldegijs zei: ‘Ge moet hier zo lang staan totdat ik verlof genomen heb.’ Toen Maeldegijs in de konings kamer kwam ging hij staan voor konings bed en zei: ‘Heer koning, God geeft u goede dag, ik heb mijn neven uit de gevangenis genomen, het is schade of baat en ze staan voor de brug binnen Parijs en ik bid u, heer koning, dat ge me verlof geeft; ik zal de heren leiden tot Montalbaen daar ze u, heer koning, niet ontzien zullen.’ De koning die dat hoorde die daar lag tussen waken en slapen zei tot de pelgrim: ‘Maeldegijs, doe met uw neven uw wil.’ Toen Maeldegijs dit van de koning hoorde was hij blijde en ging daar hij vond de koningskroon en zijn zwaard en nam het daar het de koning met ogen aanzag en keerde weer tot de drie heren en bracht ze in korte tijd te Montalbaen en toen Reinout zijn broeders zag was hij zeer blijde en bedankte zijn oom zeer. Aldus bleef Reinout met zijn broeders en zijn oom tot Montalbaen in goede hoede. Koning Karel die van Maeldegijs dit gezien en gehoord had tussen slapen en waken was weer in slaap gevallen en toen hij daarna weer wakker werd wist hij niet of hem Maeldegijs in een droom tevoren gekomen geweest was od dat het waar geschied was: in deze argumentatie lag de koning zo lang dat hij opstond om te zien wat daarvan was of droom was of anders. Aldus heeft hem de koning met haast gekleed en ging zodra hij gekleed was tot de gevangenis die hij vond open staan en ging daarin: daar zag hij dat hij de broeders kwijt was daar hij grote rouw om had en ging weer om naar zijn kamer. Onder dit kwam hem Roelant tegemoet die hem groette en zei: ‘Heer koning, ter goede tijd moet ge aldus vroeg op gestaan wezen.’ Toen ze de koning: ‘Lieve neef Roelant, ik moet u mijn kwade avontuur beklagen dat me vannacht gebeurd is: vannacht toen ik lag en sliep kwam mij tevoren de bedrieger Maeldegijs en zo ik dacht zei hij tot mij dat hij Reinout’ s broeders uit de gevangenis genomen had en bad me dat hij ze weg leiden moest tot Montalbaen daar ze me niet ontzien zullen en ik dacht ik zag hem voor me staan en gaf hem verlof dat hij ze weg leiden zou en doen daarmee wat hem beliefde en ik zag dat hij mijn kroon en mijn goede zwaard nam met hem dat ik waan nimmermeer weer te krijgen. Roelant antwoorde de koning met korten woorden: ‘Heer koning, gaf ge hem verlof en weet gij het nog Maeldegijs ondank?’ ‘Roelant neef, ge houdt uw spot met mij: dat zou ik wel ontberen.’ Hiermee gingen ze tezamen in de zaal: de koning was zeer ontevreden om zijn gevangenen.

 

 

 

 

Dat XVI.ca. Hoe coninc Ansays in de stede van Coelen belegen was van den heyden ende om hulp sende aen coninc Karel ende hoe coninc Karel Roelant dair sende die de stede verloste ende den heydens coninc versloech ghenoemt Corfan.

Roelant ende coninc Karel stonden te samen in die sale. ende veel ander heren ende hadden onderlinghe woerden van Maeldegijs; onder des versach coninck Karel een bode comen ende seide tot Roelant: ‘Neve, ons ghenaket nyemare.’ Doe seide Roelant: ‘Goede boetscap de moet altijt welcoem wesen.’ Onder dat Roelant dese woerden sprac quam die bode in die sale voer den coninck ende gruete hem ende als hij den coninc ghegruet had seyde de bode: ‘Heer coninc, ic brenge u nyemare de mi liever after bleve want de coninc van Coelen Ansays doet u bidden dat gi hem hulpe senden wilt. ende ist dat gi hem terstont geen hulpe en sendt, so moet hi die stat op geven want die heydense coninck Corfan heeft se starkelic belegen met groot volc ende ic ducht dat hijse winnen sal eer gi dair coemt.’ Coninc Karel was droevich van dese nyemare ende seide: ‘Edel ridder, neve Roelant, ghi en liet nye dat ic u badt: nu bidde ic u dat gi vaert ende ontset de stede van Coelen, ic sal u leveren.xiij. dusent mannen die mit u reisen sullen.’ Roelant antwoerde dat hijt gaerne dede, doe seide Olivier: ‘Roelant vrome ridder, gi en sulter alleen niet varen. ic wil met u varen met viij. dusent man.’ Roelant seide: ‘Danc hebt, Olivier.’ Daer na seide Ogier de vrome ridder: ‘Roelant lieve neve, ic sal mede met u te Colen varen, wil God, ende nemen mede viij. dusent man.’ Doe seide die grave Roelant weder: ‘Hebt danc, heer Ogier.’ Dairna seide Dunay een vroem ridder ende was hertoech van Bameren: ‘Roelant neve, ic sal mede met u varen ende nemen mede mit [fol. 128] mi viij. dusent vromer mannen die u mede sullen te hulpe staen.’ Roelant antwoerde mit een blijde aensichte: ‘Neve, God dancke u der vrientscap.’ Doe seyden die heren tot malcander dat si van dien avont buten Parijs wouden logieren ende daer haer tenten slaen: met dese woerden scheiden die heren van malcander. ende elck ginc tot sijnder herberch om hem rede te maken. Olivier met sijn volc waren erst rede ende reet met sijn volc buten in schoonder ordinancien ende sloech sijn tenten op buten Parijs in een schoen velt. Hier en binnen was coninc Karel boven op sijn pallaes. ende riep Roelant tot hem, ende seide: ‘Siet, lieve neve Roelant, ginder een schoon scare van volke: ic bid Gode dat hise beware.’ Doe si dus tegen malcander spraken quam buten riden Ogier. met sijn volc in goeder ordinancien ende wel toe gemaect. ende sloech sijn tenten bi Olivier. Doe seide coninc Karel: ‘Roelant neve, siet ginder Ogier met zijn volc, al scone mannen, ic bidde Goede dat hise behoede voer verdriet.’ Doe quam Dunay met schoon volc van wapen ende vrome ridders ende sloech zijn tenten bi Ogier. Coninc Karel dit siende daer hi lach seide: ‘Siet ginder, neve Roelant, Dunay met schoen volc van wapen.’ Dit gedaen wesende ginc Roelant ende wapende hem mit sijn volc. ende bereyde hem ende nam oerlof aen den coninc. ende reet wt met sijn volc, twelc een schoon heer was ende vrome mannen van wapen wel toe gemaect, twelc seer genoechlijc was om te sien ende als hi buten was met zijn volc sloech hi sijn tenten bi die ander: daer bleven si leggen buten Parijs. tot des anderen dages ende so drae als den dach verbaerde reden si mit groten haest na Colen ende als si bi Coelen quamen daer vonden si een grote scare van Turken. ende als si die sagen stelden die heren haer volc in goeder ordinancien ende reden so lange dat si quamen bi de heyden. ende als si op een bogescote na die heiden waren, reet Roelant mit zijn volc ende Olivier met [fol. 129] sijn volc voir in theiden heer ende die ander heren quamen na. Als die Turken die Kersten aldus op hem sagen comen stelden si haer volc in goeder ordinancien. ende reden die Kersten te gemoete: daer versaemden die twee heren te samen, die bangicheit wert daer groot ende menich man verslagen. ende vrome ridders vanden paerde gedragen; daer dede Roelant wonder metten swairde ende Olivier, ende doerbraken der heyden scaren. Ogier ende Dunay sachmen mede menige vromicheit van wapen doen ende menigen heiden doden ende ter aerden vellen so dattet heydensche heer sonderlinge van hem vieren gescoffiert wert. mer principael meest bi Roelant. Als dat sach den heidense coninc genoemt Corfan, dat zijn volc dus versleghen wort ende falgierde bi toedoen van de vromicheit van Roelant, sloech hi zijn paert met sporen ende reet met groter nijt op Roelant soe crachtelic dat hem sijn glavie brac in veel stucken; mer Roelant en verscoter niet of. Als die coninc dit sach dat hi op Roelant niet winnen en mocht ende Roelant die steec niet en hinderde die hi hem gaf, wende hi mit haesten sijn paert ende waende wech te rijden mer Roelant vervolchde hem soe strenghelic ende gaf hem een slach dat hi doot viel ter aerden. Als die heiden haren coninck doot saghen vallen vanden paerde. waren si droevich ende riepen op Roelant: ‘Ay bose tyran, wat doetstu’ ende bevochten hem so strenghelic om haren coninc te wreeken so dat Roelant veel te liden had want der Turcken wasser wel tseventich dusent. Roelant in desen druc ende ellende wesende, ende an allen siden bevochten wert, weerde hi hem seer vromelick. want hy doersloech dicwijl een man te harnas an.ij. stucken [fol. 130] ende somtijt man ende paert beide: wat hi geraecte met vollen slagen, was doot, also dat hi seer besprenget sat van den bloede. Als Dunay sach Roelant dus seer verladen, sloch hi sijn paert met sporen ende doerbrack met sijn vromicheit der heiden scaren soe dattet menich Turck metter doot becofte. Olivier ende Ogier de stoute ridder deden binnen dien dage menigen Turck de sadel rumen ende ter aerden vallen, alsoe dat die Turcken tvelt mosten rumen ende setten hem ter vlucht want si die vromicheit vanden vier heren niet verdragen en mochten. Als die heren sagen dat si haer vianden verwonnen hadden, togen si binnen Coelen, daerse die coninc Ansise met groter blijscap ontfinc ende bleven daer.xl. dagen. ende die heren wert daer grote eer gedaen ende schoon ghiften ghegeven. Tenden die.xl. dagen nam Roelant aen de coninc Ansise oerlof ende reisde na Parijs ende als si binnen Parijs quamen ende die coninc Roelant sach, was hi seer blijde ende hieten hem ende die heren welcoem. De coninc nam Dunay an deen syde ende vrachde hem wat de coninc Ansise seide ende hoe hise ontfinc ende of hem Roelant in dat oerloech manlic ghehadt hadde. Dunay seyde: ‘Here coninc, Roelant heeft hem seer manlic gehadt ende veel vromicheits gedaen; ic seg u heer coninc: had Roelant een ors tot sinen wille, hi soude met zijn vromicheit dwingen al dat in de werelt waer.

Dat XVI kapittel. Hoe koning Ansays in de stad van Keulen belegerd was van de heidenen en om hulp zond aan koning Karel en hoe koning Karel Roelant daar zond die de stede verloste en de heidense koning versloeg genoemd Corfan.

Roelant en koning Karel stonden tezamen in de zaal en vele andere heren en hadden onderling woorden van Maeldegijs; onder dit zag koning Karel een bode komen en zei tot Roelant: ‘Neef, ons genaakt nieuws.’ Toen zei Roelant: ‘Goede boodschap moet altijd welkom zijn.’ Onder dat Roelant deze woorden sprak kwam de bode in de zaal voor de koning en groette hem en toen hij de koning gegroet had zei de bode: ‘Heer koning, ik breng u nieuws wat me liever weg bleef want de koning van Keulen Ansays doet u bidden dat ge hem hulp zenden wil en is het dat ge hem terstond geen hulp zendt zo moet hij die stad opgeven want de heidense koning Corfan heeft het sterk belegerd met groot volk en ik vrees dat hij het winnen eer ge daar komt.’ Koning Karel was droevig van dit nieuws en zei: ‘Edele ridder, neef Roelant, ge liet niet dat ik u bad: nu bid ik u dat ge vaart en ontzet de stad van Keulen, ik zal u leveren 13 000 mannen die met u reizen zullen.’ Roelant antwoorde dat hij het graag deed, toen zei Olivier: ‘Roelant, dappere ridder, ge zal er alleen niet varen, ik wil met u varen met 8 000 man.’ Roelant zei: ‘Dank hebt u, Olivier.’ Daarna zei Ogier de dappere ridder: ‘Roelant lieve neef, ik zal mede met u te Keulen varen, wil God, en nemen mee 8 000 man.’ Toen ze de graaf Roelant weer: ‘Heb dank, heer Ogier.’ Daarna zei Dunay , een dappere ridder en was hertog van van Bameren: ‘Roelant neef, ik zal mede met u varen en nemen mee met mij 8 000 dappere mannen die u mede zullen te hulp staan.’ Roelant antwoorde met een blij aanzicht: ‘Neef, God dankt u de vriendschap.’ Toen zeiden de heren tot elkaar dat ze die avond buiten Parijs wilden logeren en daar hun tenten slaan: met deze woorden scheiden de heren van elkaar en elk ging tot zijn herberg om zich gereed te maken. Olivier met zijn volk waren het eerst gereed en reed met zijn volk buiten in mooie ordinantie en sloeg zijn tenten op buiten Parijs in een mooi veld. Hierbinnen was koning Karel boven op zijn paleis en riep Roelant tot hem en zei: ‘Ziet, lieve neef Roelant, ginder een mooie schaar van volk: ik bid God dat hij ze beschermt.’ Toen ze aldus tegen elkaar spraken kwam buiten rijden Ogier met zijn volk in goede ordinantie en goed opgemaakt en sloeg zijn tenten bij Olivier. Toen zei koning Karel: ‘Roelant neef, zie ginder Ogier met zijn volk, al mooie mannen, ik bid God dat hij ze behoedt voor verdriet.’ Toen kwam Dunay met mooi volk van wapens en dappere ridders en sloeg zijn tenten bij Ogier. Koning Karel zag dat daar hij lag en zei: ‘Ziet ginder, neef Roelant, Dunay met mooi volk van wapens.’ Dit gedaan wezende ging Roelant en wapende hem met zijn volk en bereidde hem en nam verlof aan de koning en reed uit met zijn volk, wat een mooi leger was en dappere mannen van wapens goed toegemaakt wat zeer genoeglijk was om te zien en toen hij buiten was met zijn volk sloeg hij zijn tenten bij de andere: daar bleven ze liggen buiten Parijs tot de andere dag en zodra als de dag zich openbaarde reden ze met grote haast naar Keulen en toen ze bij Keulen kwamen vonden ze daar een grote schaar van Turken. Toen ze die zagen stelden de heren hun volk in goede ordinantie en reden zo lang zodat ze kwamen bij de heidenen. Toen ze op een boogschot van de heidenen waren reed Roelant met zijn volk en Olivier met zijn volk voor in het heidense leger en die andere heren kwamen na. Toen de Turken de christenen aldus op hen zagen komen stelden ze hun volk in goede ordinantie en reden de christenen tegemoet: daar verzamelde die twee legers tezamen, de bangheid werd daar groot en menig man verslagen en dappere ridders van het paard gedragen; daar deed Roelant wonder met het zwaard en Olivier en doorbraken de heidense scharen. Ogier ende Dunay zag men mede menige dapperheid van wapen doen en menige heiden doden en ter aarde vellen zodat het heidense leger vooral van hen vieren geschoffeerd werd, maar voornamelijk meest bij Roelant. Toen dit zag de heidense koning genoemd Corfan dat zijn volk aldus verslagen wordt en faalde bij toedoen van de dapperheid van Roelant sloeg hij zijn paard met sporen en reed met grote nijd op Roelant en zo krachtig dat hem zijn lans brak in veel stukken; maar Roelant verschoot er niet van. Toen de koning dit zag dat hij op Roelant niet winnen mocht en Roelant de steek niet hinderde die hij hem gaf wendde hij met haast zijn paard en waande weg te rijden, maar Roelant achtervolgde hem zo sterk en gaf hem een slag zodat hij dood ter aarde viel. Toe de heidenen hun koning dood zagen vallen van het paard waren ze droevig en riepen op Roelant: ‘Ay boze tiran, wat doet u’ en bevochten hem zo sterk om hun koning te wreken zodat Roelant veel te lijden had want van de Turken waren er wel 70 000. Roelant die in deze druk en ellende was en aan alle zijden bevochten werd weerde hij hem zeer dapper want hij doorsloeg vaak een man te harnas in 2 stukken en soms man en paard beide: wat hij raakte met volle slagen was dood alzo dat hij zeer besprengd was van het bloed. Toen Dunay zag Roelant aldus zeer verladen sloeg hij zijn paard met sporen en doorbrak met zijn dapperheid de heidense scharen zodat het menige Turk met de dood bekocht. Olivier en Ogier de dappere ridders deden binnen die dag menige Turk het zadel ruimen en ter aarden vallen alzo dat de Turken het veld moesten ruimen en zetten hen ter vlucht want ze de dapperheid van de vier heren niet verdragen mochten. Toen de heren zagen dat ze hun vijanden overwonnen hadden trokken ze binnen Keulen daar hen de koning Ansays met grote blijdschap ontving en bleven daar 40 dagen en de heren werd daar grote eer gedaan en mooie giften gegeven. Ten einde van die 40 dagen nam Roelant aan de koning Ansays verlof en reisde naar Parijs en toen ze binnen Parijs kwamen en de koning Roelant zag was hij zeer blijde en zei hem en de heren welkom. De koning nam Dunay aan de ene zijde en vroeg hem wat de koning Ansays zei en hoe hij ze ontving en of hem Roelant in die oorlog mannelijk gedragen had. Dunay zei: ‘Heer koning, Roelant heeft hem zeer mannelijk gedragen en veel dapperheid gedaan; ik zeg u heer koning: had Roelant een paard tot zijn wil, hij zou met zijn dapperheid dwingen al dat in de wereld was.

 

 

 

 

Dat XVII.ca. Hoe die coninc op hinc zijn croen ende die te winnen wie met sijn paert eerst ane der stake quame ende die croen daer op naem ende hoe Reinout dat verboetscapt wert ende hoe hi die crone wan.

Die mogende coninc van Vrancrijc was seer droevich dat hi geen paert en wist te crigen voer sinen neve Roelant als [fol. 131] Beyert. want in alle die werelt en was sulcken paert niet als Beiaert: de coninc en soude geen goet sparen mocht hi sulcken ors crigen als Beyaert ende seide: ‘Wair salmen vinden Beiaerts gelijc? had ic een paert alsulc als Beiert, ic soudet minen neve Roelant geven ende ic en wouder gheen goet aen sparen want so mochtic Reinout dwingen.’ Dunamels seide: ‘Heer coninc, in alle landen is goets genoech. Hier toe sal ic u raet geven: Gi sult nyemair doen lopen in veel diversche landen als dat gi u crone wilt setten op een stake tusschen Mommertoers ende der Seyne ende wiese daer of halen mach, het is met stormen of minnen, ghi sultse hem vierwerf met goude op wegen ende zijn paert dat dan snelre is van lopen, suldi copen tegen hem ende gevent uwen neve Roelant, so moechdi Reinout daer mede dwingen.’ Reinout had een verspier in des conincs hof de dit hoerde. Dese liep met groter haesten tot dat hi quam tot Montalbaen voer Reinout ende seide: ‘Here, gi sijt verraden want coninc Karel doet in allen landen nyemaer lopen als dat hi sine crone setten sal tusschen Mommertoers ende der Seyne op een stake ende diese daer eerst mach winnen, het is met stormen of mit minnen. die edele coninc Karel wilse doen vierwerf op wegen mit goude ende het ors dat daer best sal lopen, wil de coninc gaerne copen tegen hem. ende gevent sinen neve Roelant dat hij u daer mede dwinge.’ ‘Swijch’ seid Reinout ‘wat brengestu voert, waer soudemen vinden sulcken ors dat Beiaert soude onderlopen of ontspringen? dat en vondemen in die werelt niet.’ ‘Is dit wair?’ seide Reinout, ‘so wil ic selve tot Parijs varen, ratet mijn oem, ic sal visiteren dat ic de crone sal winnen ende brengense hier ter stede’ ende met dat Reinout dit seide, quam Maeldegijs inde sale; doe seide Reynout tot zijn oem Maeldegijs: [fol. 132] ‘Oem, hier is gecomen een bode van Parijs ende seit dat coninc Karel hevet doen kondigen sinen mandement in veel diversche landen als dat hi zijn crone setten sal op een stake tusschen twee schone steden ende wiese daer eerst of can crijgen, het si met lieften of mit storme, de coninc wil se lossen tegen dengenen diese wint ende wegense vierwerf met goude op ende tors dat dair best sal lopen wil den coninc copen tegen hem. ende ghevent sinen neve Roelant om mi daer mede te dwingen. waer waent die coninc een ors te crijgen in al die werelt dat Beyaert soude mogen onderlopen? ten is niet mogelic: aldus en is al sijn opset niet ende van geenre waerden.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Ic rade u wel dat ghijer vaert ende u broeders mede, mer gi sult mede nemen veel van uwen volcke dat gi daer mede bewaert sijt.’ Reinout dede dat hem sijn oem riet wanttet hem daer aen stont. ende Reynout dede Beyert sadelen ende hi ende zyn broeders ende sijn oem Maeldegijs bereiden hem om te trecken tot Parijs. ende als si rede waren saten si op haer paerden ende reden so lange dat si tot Orliens quamen. Doe vraechde Maeldegijs waer die beste herberge was, die hem gewijst wert ende als si voer de herberge quamen traden si van hair pairden ende gingen in. Maeldegijs ghinc ende coft die beste spise die hi op de marct vandt. Doe vrageden de poerters onder malcanderen wat ridders dat dit waren die daer gecomen waren ende als die spise genoech was ginc men eten: men gaf hem water als heren toe behoert ende elc ginc sitten ter tafel ende aten ende droncken mit blijscap, die wijn en werter niet gespaert. Als die maeltijt gedaen was stonden de heren op ende elc ginc wanderen daert hem gheliefde. Reynout ende Maeldegijs gingen te samen in een schoon boemgaert [fol. 133] daer menigerhande cruyt. ende bloemkens stonden, daer of las Maeldegijs dat hem goet docht ende stampte se te samen ende als hijse gestampt had, was hi blide: hi nam dat cruyt ende smeerde dair Reinout mede over al sijn lijf ende als Reinout gesmeert was, veranderde zijn coloere want hi tevoren out scheen.xxxij. iaren ende nu scheen hi te wesen een ionc van xv. iaren want het scheen of hi nye baert en hadde gehadt an zijn mont. Als dit Adelaert sach loech hi daerom ende wijsdet zijn broeder Ritsaert: ‘Siet wat onsen oem gedaen heeft met zijnre konste.’ Maeldegijs ginc terstont inden stal bi Beiaert ende smeerde Beiert also hem goet dochte ende mit sijnre const veranderde Beyert, de tevoren swart was als een raven, de wort over al sijn lijf so wit als snee van haer. Als die broeders dit sagen loeghen si daer. om ende Adelaert seide: ‘Nu is Beyert onteykent of ontkent: had icx so wel niet gekent, ic en soude nyet weten dattet Beyert onse goede ors ware.’ Doen seide Wridsaert: ‘Also helpe mi God, onse broeder is mede ontkent: men machs niet kennen.’ Ridsaert seide: ‘ick segt u voerwaer dat niemant en is onder der sonnen die segghen soude dat is Beyert of kennen soude noch Reinout minen broeder.’ Als dat gedaen was seide Maeldegijs: ‘Nu laet ons gaen rijden nae Parijs. want men kent Reynout noch Beyert niet. ende mi en sullen si oec nyet bekennen hoe nauwe si mi besien.’ Reinout dede Beiaert sadelen ende spande twee gulden sporen aen sinen voet ende gorde een swaert ane sinen side also dat hi heerlic opgheseten was ende niemant van sijn broeders waren so heerlic opgeseten als hi. Dese woerden die Maeldegijs mit Reynout ende sijn broeders gehadt hadden [fol. 134] hoerde een valsch verspier of verrader. ende wort bekennende den edelen grave Reinout: hi liep haestelic in zyn herberge ende bereide zijn paert met groter nairsticheit ende reet met groten haest tot Parijs, thent hi voerden coninc quam ende als hi den coninc sach gruete hi hem, dat gedaen wesende, seide hi: ‘Edel heer coninc, ic seg u, also helpe mij God, Reinout sel comen tot Parijs ende u crone winnen: ic hoerdet hem selver seggen.’

Dat XVII kapittel. Hoe de koning ophing zijn kroon en die te winnen wie met zijn paard het eerste aan de staak kwam en die kroon daar opnam en hoe Reinout dat geboodschapt werd en hoe hij de kroon won.

Die vermogende koning van Frankrijk was zeer droevig dat hij geen paard wist te krijgen voor zijn neef Roelant zoals Beiaard want in al de wereld was zo’ n paard niet zoals Beiaard: de koning zou geen goed sparen mocht hij zo’ n paard krijgen zoals Beiaard en zei: ‘Waar zal men vinden Beiaards gelijke? Had ik een paard al zulke als Beiaard, ik zou het mijn neef Roelant geven en ik wou er geen goed aan sparen want zo mocht ik Reinout dwingen.’ Dunamel zei: ‘Heer koning, in alle landen is goed genoeg. Hiertoe zal ik u raad geven: Ge zal nieuws laten lopen in veel diverse landen als dat ge uw kroon wil zetten op een staak tussen Mommertoers en de Seine en wie het daarvan halen mag, het is met storm of minnen, ge zal hem vier maal met goud opwegen en zijn paard dat sneller is van lopen zal ge kopen van hem en geven het uw neef Roelant, zo mag ge Reinout daarmee dwingen.’ Reinout had een verspieder in de konings hof die dit hoorde. Deze liep met grote haast totdat hij kwam te Montalbaen voor Reinout en zei: ‘Heer, ge bent verraden want koning Karel doet in alle landen nieuws lopen als dat hij zijn kroon zetten zal tussen Mommertoers en de Seine op een staak en die het daar eerst mag winnen, het is met storm of met minnen, die edele koning Karel wil het doen vier maal opwegen met goud en het paard dat daar het beste zal lopen wil de koning graag kopen van hem en geven het zijn neef Roelant zodat hij u daarmee dwingt.’ ‘Zwijg’ zei Reinout ‘wat brengt u voort, waar zou men vinden zo’n paard dat Beiaard zou overwinnen of ontspringen?  Dat vindt men in de wereld niet.’ ‘Is dit waar?’ zei Reinout, ‘zo wil ik zelf te Parijs varen, raad het mijn oom, ik zal versieren dat ik de kroon zal winnen en brengen het hier ter stede’ en met dat Reinout dit zei kwam Maeldegijs in de zaal; Toen zei Reinout tot zijn oom Maeldegijs:  ‘Oom, hier is gekomen een bode van Parijs en zegt dat koning Karel heeft doen verkondigen zijn mandement in veel diverse landen als dat hij zijn kroon zetten zal op een staak tussen twee mooie steden en wie het daar het eerst vanaf kan krijgen, het is met liefde of met storm, de koning wil ze lossen tegen diegene die het wint en wegen het vier maal met goud op en het paard dat daar het beste zal lopen wil de koning kopen van hem en geven het zijn neef Roelant om me daarmee te dwingen. Waar waant de koning een paard te krijgen in al de wereld dat Beiaard zoude mogen overwinnen? Het is niet mogelijk: aldus is al zijn opzet niets en van geen waarde.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Ik raad u wel dat gij er vaart en uw broeders mede, maar ge zal mee nemen veel van uw volk zodat ge daarmee beschermd bent.’ Reinout deed dat hem zijn oom aanraadde want het hem daaraan stond en Reinout deed Beiaard zadelen en hij en zijn broeders en zijn oom Maeldegijs bereiden zich om te trekken tot Parijs en toen ze bereid waren zaten ze op hun paarden en reden zo lang dat ze tot Orléans kwamen. Toen vroeg Maeldegijs waar de beste herberg was die hem gewezen werd en toen ze voor de herberg kwamen traden ze van hun paarden en gingen in. Maeldegijs ging en kocht de beste spijs die hij op de markt vond. Toen vroegen de poorters onder elkaar wat ridders dat dit waren die daar gekomen waren en toen er spijs genoeg was ging men eten: men gaf hen water zoals heren toebehoort en elk ging zitten ter tafel en at en dronk met blijdschap, de wijn werd er niet gespaard. Toen de maaltijd gedaan was stonden de heren op en elk ging wandelen daar het hem beliefde. Reinout en Maeldegijs gingen tezamen in een mooie boomgaard waar menigerhande kruid en bloempjes stonden, daarvan verzamelde Maeldegijs dat hem goed dacht en stampte ze tezamen en toen hij ze gestampt had was hij blijde: hij nam dat kruid en smeerde daar Reinout mee over al zijn lijf en toen Reinout gesmeerd was veranderde zijn kleur want hij tevoren oud scheen 32 jaren en nu scheen hij te wezen een jonge van 15 jaren want het scheen of hij geen baard had gehad aan zijn mond. Toen dit Adelaert zag lachte hij daarom wees het zijn broeder Ritsaert: ‘Ziet wat onze oom gedaen heeft met zijn kunst.’ Maeldegijs ging terstond in de stal bij Beiaard en smeerde Beiaard alzo hem goed dacht en met zijn kunst veranderde Beiaard, die tevoren zwart was als een raaf, die wordt over al zijn lijf zo wit als sneeuw van haar. Toen de broeders dit zagen lachten ze daarom en Adelaert zei: ‘Nu is Beiaard ontkleurd of onbekend: had ik hem zo goed niet gekend ik zou niet weten dat het Beiaard ons goede paard was.’ Toen zei Writsaert: ‘Alzo helpt me God, onze broeder is mede onbekend: men mag ze niet kennen.’ Ritsaert zei: ‘ik zeg het u voor waar dat er niemand is onder de zon die zeggen zou dat is Beiaard of herkennen zou nog Reinout mijn broeder.’ Toen dat gedaan was zei Maeldegijs: ‘Nu laat ons gaan rijden naar Parijs want men kent Reinout nog Beiaard niet en mij zullen ze ook niet herkennen hoe nauw ze me bezien.’ Reinout deed Beiaard zadelen en spande twee gouden sporen aan zijn voeten en gordde een zwaard aan zijn zijde alzo dat hij heerlijk opgezeten was en niemand van zijn broeders was zo heerlijk opgezeten zoals hij. Deze woorden die Maeldegijs met Reinout en zijn broeders gehad hadden hoorde een valse spion of verrader en wordt herkennend de edele graaf Reinout: hij liep haastig in zijn herberg en bereidde zijn paard met grote vlijt en reed met grote haast tot Parijs, gelijk hij voor de koning kwam en toen hij de koning zag groette hij hem, dat gedaan wezende zei hij: ‘Edele heer koning, ik zeg u, alzo helpt mij God, Reinout zal komen te Parijs en uw kroon winnen: ik hoorde het hem zelf zeggen.’

 

 

 

Als de coninc dat van den verspiere hoerde was hi droevich ende seide: ‘Wat segstu bode, ic weet wel dat Reinout hier niet en quaem al mochte hij Parijs daer mede winnen.’ Die verspiere seide weder: ‘Heer coninc, ic seg u voerwaer, ic sachse ghister tOrliens, Reinout ende sijn broeders ende Maeldegijs mede.’ Als coninc Karel dit hoerde wert hi toernich ende riep Fouken van Morliene ende seide: ‘ic sal u mede geven.iiij. dusent man dair suldi capiteijn of wesen ende sult trecken ende wachten mijn neve Reinout ende sien ijmmer wel toe dat hi u niet en ontgae. ende ist dat gi hem vint, soe suldi hem gevanghen brengen ende ist dat si hem weren willen, moechdi mi die hoefden brengen van Reinout ende zijn broeders: ic salse u mit goude op wegen.’ Fouken antwoerde den coninc dat hijt gaern dede. Aldus reet Fouken mit sijn volc wt ende beleide de wegen: het en doe God bi zijnre gracien, Reinout die wort gehangen want de wegen sijn te nau gewacht. Hier en binnen is Reinout met sijn broeders ende Maeldegijs gecomen op vier milen nae Parijs in een scoen velt daer een scoon fonteine spranc, daer gingen Reynout ende Maeldegijs vanden paerde ende seide tot Adelaert: ‘Gi sult capiteyn wesen van dat heer ende bliven hier leggen: ick ende Reinout sullen te zamen rijden na Parijs; mer oft ghebuerde datmen met cracht op ons quaem ende slaen wouden, so souden wi den horen blasen ende waert dat gijt hoirde, dat gi met dit volc ons te hulp quaemt.’ Adelaert seide dat hijt gaern dede. [fol. 135] Aldus scheide Reinout ende Maeldegijs van Reinouts broeders ende reden nae Parijs. Maeldeghijs seide tot Reinout: ‘Watmen tegen u spreket, antwoert al in Bartaens mit soeten woerden. of gi geen Frans en conde.’ Mettien heeft Foukijn Reynout ende Maeldegijs versien comen rijden nae hem toe. Fouke spranc met haesten op sijn ors ende Reinout versach Foukijn ende seide: ‘Oem wat doen wi hier? want ic heb Fouken van Morlien versien. ende die is een mijn meeste viant die ic heb: daer om laet ons weder keren tot onse ghesellen. ende laet ons een ander strate riden nae Parijs de wi veylich rijden mogen.’ Maeldegijs seide ende loech op Reinout: ‘Ghi en sijt niet vroet, dat hoer ic aen u woerden wel: rijt voert ende hebt geen anxt. want u of Beyaert en mach niemant kennen. ende ist dat si mi kennen mogen, ic geve hem te baten al dat hem helpen mach’. Fouke nopte sijn ors mit sporen ende reet wat dat paert lopen mocht na Reinout toe ende had enen scacht in die hant ende als Fouken bi Reinout quam, docht hem dattet was een ionge ende sach dat hi ongewapent was, doe scaemde hi hem seer ende liet sijn glavie ter aerden vallen ende nam Reinout biden arm segghende: ‘Ionghe, waen sidi geboren? also helpt mi God, seg ic u, ic en sach nie so groten paert als daer ghi op sit: het heeft wel Beyaerts ganc ende mi dunct dattet Beiert is,’ mer Reinout antwoirde Foukijn mit schonen woerden in Bartaens; doe seide Fouken tot Reinout: ‘Sprect Fransoys, dat di God scende, ic en verstae u niet: rijt heen ende hebt ramp!’ Doe quam Dunay mit haesten rijden tot Fouken ende seide. ‘Fouke, hoe en haddi Reinout niet verslegen?’ Fouke seide tot Dunay: ‘Ten is Reinout niet, het is een ionghe van XV. iaren, hi en hadde noch geen baert ende ic en [fol. 136] condes niet verstaen: hi is gecomen wt Aalmaengen of wt Bertaengen.’ Met desen woerden stac Dunay zijn swaert in die scede dat hi getogen had ende noepte zijn ors met sporen ende reet na Reinout wat dat paert lopen mocht. ende als hi bi Reinout quam nam hij den toem vanden paerde in die hant ende seide: ‘Ionchere, waen sidi geboren?’ Reinout antwoerde met soeten woerden in Bertaens ende seide: ‘In Beverwijc ben ic geboren.’ Doe seide Dunay: ‘Sprect Fransoys, ic en verstae u niet.’ Als Dunay anders geen tael van Reinout en hoerde, seide hi met erren moede: ‘Vaer heen, dat di die duvel geleide.’ Dunay nam Maeldegijs paert biden toem ende seide: ‘Segt mi, waen de ionchere geboren is die daer alleen rijt.’ Maeldegijs antwoerde in Fransoys: ‘In Bertaengen es hi geboren en is een graven kint. mer sijn lant. ende steden hevet hi verset.’ Doe seide Dunay: ‘Segt mi, van waen hem dat paert gecomen is: het is sterc groet ende snel, also helpe mi God, ic en sach noyt ors so goet noch so groet ende het hevet wel Beierts ganc ende zijn maecksel; ende waert van hare also Beiert is, ic soude seggen dattet Beyert selve ware.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Here, ten is geen wonder dattet groot is want ten at nye anders dan coren ende broot. Dat die iongelinck mijn heere ghehoert heeft dat die coninc heeft doen roepen als van sijnre crone waer mede dat mense winnen soude ende de coninc dat ors copen wil datter snelste is van lopen. ende gevent sijnen neve Roelant om Reynout daer mede te dwingen. daerom is hi hier ghecomen, dat hi hoept mit hulpe van sijn paert de croen te winnen.’ Doe seyde Dunay: ‘Hebdi van Reinout niet vernomen?’ Maeldegijs seide: ‘Ic meen dat hi noch after is ende hi staet seer na des conincs lachter.’ [fol. 137] Doe nam Maeldegijs oerlof an Dunay ende reet nae Reinout ende Dunay reet tot Fouken ende seide: ‘Mi dunct, wi hebben grote dorperheit bestaen dat wij den coenen Reinout wachten, want ick weet wel dat Reynout nyet te Parijs en quam noch hier ontrent, al mochte hi daer me winnen Senlys Boloys. ende Amyens mede.’ Fouken seide: ‘Seker heer, gi segt wair ende vereischt dit die stoute Reinout, hi sal seker spot met ons allen houden ende hi mach oec wel seggen dat hi seer ontsien is want wi hem te seer vervolgen.’ Doe seide die grave Dunay: ‘Het is wair’ ende mit desen woerden keerden die heren weder totten coninc ende als de coninc Fouken sach vraechde hi hem hoet vergaen was, of hi Reynout gevangen hadde. Fouken seide: ‘Neen wi, heer coninc.’ Doe seide Dunay: ‘Here ic seg u dat wi grote dorperheit bestonden dat wi wachten den vromen Reinout, want ic weet wel dat hi te Parijs niet en quaem al mocht hi dairmede winnen Amyens ende Orilens.’ Doe seide de coninck: ‘Dunay, gi segt waer, mer Reynout is een van uwen ma[gen], ic seg u serteyn: ist dat Reinout ontcomt, ic sal u voir hem doen hangen.’ Doe seide Dunay: ‘Here, ic sal u beter raet geven; gi sult alle de poerten doen sluten, die vreemde ridders ende baroenen suldi alle daer buten laten ende in elcke poerte suldi setten.xxx. gewapender mannen, ofmen Reinout yewer vernaem. of quaem hi voer enige poert, datmen hem dan vanghen mocht ende senden tot u, dat gi hem mochte doen bewaren.’

Toen de koning dat van de verspieder hoorde was hij droevig en zei: ‘Wat zegt u bode, ik weet wel dat Reinout hier niet kwam al mocht hij Parijs daarmee winnen.’ De verspieder  zei weer: ‘Heer koning, ik zeg u voor waar, ik zag hem gister te Orléans, Reinout en zijn broeders en Maeldegijs mede.’ Toen koning Karel dit hoorde werd hij toornig en riep Fouken van Morlien en zei: ‘ik zal u mede geven 4 000 man daar zal ge kapitein van wezen en trekken en wachten op mijn neef Reinout en zien immer goed toe dat hij u niet ontgaat en is het dat ge hem vindt zo dal ge hem gevangen brengen en is het dat ze hen weren willen mag ge me de hoofden brengen van Reinout en zijn broeders: ik zal ze u met goud opwegen.’ Fouken antwoorde de koning dat hij het graag deed. Aldus reed Fouken met zijn volk uit en belegerde de wegen: tenzij het God doet bij zijn gratie, Reinout die wordt gevangen want de wegen zijn te nauw bewaakt. Hierbinnen is Reinout met zijn broeders en Maeldegijs gekomen op vier mijlen nabij Parijs in een mooi veld daar een mooie bron sprong, daar gingen Reinout en Maeldegijs van het paard en zeiden tot Adelaert: ‘Ge zal kapitein wezen van dat leger en blijven hier liggen: ik en Reinout zullen tezamen rijden naar Parijs; maar als het gebeurt dat men met kracht op ons kwam en slaan wilden dan zouden we de horen blazen en was het dat hij het hoorde dat gij met dit volk ons te hulp kwam.’ Adelaert zei dat hij het graag deed. Aldus scheidde Reinout en Maeldegijs van Reinouts broeders en reden naar Parijs. Maeldegijs zei tot Reinout: ‘Wat men tegen u spreekt, antwoord al in Brits met lieve woorden alsof ge geen Frans kon.’ Meteen heeft Fouken Reinout en Maeldegijs gezien komen rijden naar hem toe. Fouken sprong met haast op zijn paard en Reinout zag Fouken en zei: ‘Oom wat doen we hier? want ik heb Fouken van Morlien gezien en die is een van mijn grootste vijanden die ik heb: daarom laat ons weer keren tot onze gezellen en laat ons een andere straat rijden naar Parijs die we veilig rijden mogen.’ Maeldegijs zei en lachte op Reinout: ‘Ge bent niet bekend, dat hoor ik aan uw woorden wel”: rijdt voort en heb geen angst want u of Beiaard mag niemand herkennen en is het dat ze me herkennen mogen ik geef hem te baat al dat hem helpen mag’. Fouken noopte zijn paard met sporen en reed wat dat paard lopen mocht naar Reinout toe en had een schacht in de hand en toen Fouken bij Reinout kwam, dacht hij dat het was een jonge en zag dat hij ongewapend was, toen schaamde hij hem zeer en liet zijn lans ter aarde vallen en nam Reinout bij de arm zeggende: ‘Jonge, waarvan bent u geboren? Alzo helpt me God, zeg ik u, ik zag niet zo’ n groot paard als dat waar ge op zit: het heeft wel Beiaards gang en het lijkt me dat het Beiaard is,’ maar Reinout antwoorde Fouken met mooie woorden in Brits. Toen zei Fouken tot Reinout: ‘Spreek Frans, dat u God schendt, ik versta u niet: rijdt heen en heb ramp!’ Toen kwam Dunay met haast rijden tot Fouken en zei. ‘Fouken, had ge Reinout niet verslagen?’ Fouken zei tot Dunay: ‘Het is Reinout niet, het is een jonge van 15 jaren, hij had nog geen baard en ik kon hem niet verstaan: hij is gekomen uit Duitsland of Bretagne.’ Met deze woorden stak Dunay zijn zwaard in de schede die hij getrokken had en noopte zijn paard met sporen en reed naar Reinout wat dat paard lopen mocht en toen hij bij Reinout kwam nam hij de toom van het paard in de hand en zei: ‘Jonkheer, waarvan bent geboren?’ Reinout antwoorde met lieve woorden in Brits en zei: ‘In Beverwijk ben ik geboren.’ Toen zei Dunay: ‘Spreek Frans, ik versta u niet.’ Toen Dunay anders geen taal van Reinout hoorde zei hij met geĎrgerd gemoed: ‘Vaar heen, dat u de duivel geleidt.’ Dunay nam Maeldegijs paard bij de toom en zei: ‘Zeg me, waarvan de jonkheer geboren is die daar alleen rijdt.’ Maeldegijs antwoorde in Frans: ‘In Bretagne is hij geboren en is een graven kind, maar zijn land en steden heeft hij opgegeven.’ Toen zei Dunay: ‘Zeg me vanwaar hem dat paard gekomen is: het is sterk, groot en snel, alzo helpt me God, ik zag nooit zo’ n goed nog zo’ n groot en het heeft wel Beiaards gang en zijn vorm; en was het van hier alzo Beiaard is, ik zou zeggen dat het Beiaard zelf was.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer, het is geen wonder dat het groot is want het at nietse anders dan koren en brood. Dat de jongeling mijn heer toebehoort heeft dat de koning heeft doen roepen als van zijn kroon was mede dat men het winnen zou en de koning dat paard kopen wil dat het snelste is van lopen en geven het zijn neef Roelant om Reinout daarmee te dwingen. Daarom is hij hier gekomen dat hij hoopt met hulp van zijn paard de kroon te winnen.’ Toen zei Dunay: ‘Heb je van Reinout niets vernomen?’ Maeldegijs zei: ‘Ik meen dat hij nog hier achter is en hij staat zeer naar konings uitlachen.’ Toen nam Maeldegijs verlof aan Dunay en reed naar Reinout en Dunay reed tot Fouken en zei: ‘Me lijkt, we hebben grote dorpsheid bestaan dat wij opde koene Reinout wachten, want ik weet wel dat Reinout niet te Parijs kwam nog hier omtrent, al mocht hij daarmee winnen Senlis, Boulouys en Amiens mede.’ Fouken zei: ‘Zeker heer, ge zegt waar en verneemt dit de dappere Reinout, hij zal zeker spot met ons allen houden en hij mag ook wel zeggen dat hij zeer ontzien is want we hem te zeer vervolgen.’ Toen zei de graaf Dunay: ‘Het is waar’ en met deze woorden keerden de heren weer tot de koning en toen de koning Fouken zag vroeg hij hem hoe het vergaan was en of hij Reinout gevangen had. Fouken zei: ‘Neen wij, heer koning.’ Toen zei Dunay: ‘Heer ik zeg u dat we grote dorpsheid bestonden dat we wachten opde dappere Reinout want ik weet wel dat hij te Parijs niet kwam al mocht hij daarmee winnen Amiens en Orléans.’ Toen zei de koning: ‘Dunay, ge zegt waar, maar Reinout is een van uw verwanten en ik zeg u zeker: is het dat Reinout ontkomt ik zal u voor hem doen hangen.’ Toen zei Dunay: ‘Heer, ik zal u betere raad geven; ge zal alle poorten doen sluiten, de vreemde ridders en baronnen zal ge alle daar buiten laten en in elke poort zal ge zetten 30 gewapende mannen en als men Reinout ergens vernam of kwam hij voor enige poort dat men hem dan vangen mocht en zenden tot u dat gij hem mag doen bewaren.’

 

 

 

Doe seide die coninc: ‘Here Dunay, dat is goet raet.’ Ende terstont dede die coninc alle die poerten sluten ende sette in elck poerte.xxx. ghewapender mannen. Aldus dede die coninc Parijs hoeden ende bewaren om Reinouts wil ende Reinout is mit Maeldegijs gecomen voer de poert tot Parijs ende si clopten [fol. 138] mettien rinc mer men hoerdese niet. Als dit Maeldegijs sach stac hi sijn hoeft doert clincket. ende sach daer een gewapent man staen die hi met schone woerden toe sprac ende seide: ‘Segt mi doch vrient, waer om dat die coninc die poerten doet sluten? des verwondert my alte seer ende dat alle dese ridders hier buten moeten bliven: meent de coninc dat hi alle die goede paerden binnen heeft? neen hi niet, hier is een beter buten.’ Doe antwoerde die goede man Maeldegijs. ende seide: ‘Het is om Reinouts wil gedaen.’ Maeldegijs seyde: ‘Ist anders niet? wat weten wij van Reinout? mer ick heb ymmer ghehoirt als dat hi voir of after is ende staet na des conincs oneere.’ Doe stont bi Reinout een ribaut ende seide: ‘Sach ic ye Reinout, so sie ic en nu. het is die ionghelinc die daer op dat grote paert sit. Maeldegijs heeft hem bi toverie so verandert.’ Beyert verstont seer wel oft een mensche had geweest ende sloech den rybaut daer hi by hem stont, voer de borst dat hi doot ter aerden viel. Doe seide Maeldegijs: ‘Dit paert heeft desen knecht doot geslegen.’ Doe stonden daer heren bi ende seiden: ‘Dat ors hevet recht gedaen want die knecht heeft hem belogen. want hoe soude dit Beyert mogen wesen. want Beyaert is pecswart als een raven ende dit ors is witter dan een snee van hare ende gedaente ende oec kennen wij Reynout wel want hi heeft een gedaent van xxxij. iaren ende dese iongelinc en schint geen xv. iaer.’ Men dede die poert op ende lietse binnen riden. Doe vraechde Maeldegijs wair de beste herberch waer in Parijs. men wijsde hem. ende als si voer die herberge quamen traden si van haer paerden. ende die paerden werden inden stal geleit. ende die heren gingen sitten ende onbeten: doen scencte Maeldegijs de [fol. 139] waert een paert dat goet was ende was een teldenaer, die waert dancts hem ende dede die heren wel te gemake ende was blide van sijn ghiften ende ghinc ter marct ende coft goede spise daer hi se vinden conde. Als die heren gegeten hadden ginghen si slapen ende des nachtes spranc Maeldegijs wt zijn slape ende sanc van blijscap ende stont op ende ginc inden stal tot Beyert ende bandt hem sinen rechter voet. ende ghinc toe te werc met sijnre konst van nigromancien. soe dat Beyert veranderde van sijnre vetticheit ende scheen seer mager ende lam te wesen ende en scheen niet waert te wesen twee penningen. Als die waert Beiaert aldus verandert sach verwonderdet hem ende wert toernich ende seide: ‘Du bose gersoen, wat hebstu den ors gedaen? verdoeme God, en bistu niet Maeldegijs, ick beloeft Gode: eer ic ete of drincke sal ick den coninc seggen.’ Als Reinout dit vanden waert hoerde wert hi met toerne ontsteken ende seide: ‘Heer waert. ic seg u, overliecht ons niet voer den coninc want dat waer mesdaen. of mijn ors op u stal geargert is, soudi ons dair om verraden ende voer den coninc met valscheit beliegen, dat waer seer qualic gedaen.’ Doen seide die waert: ‘ic seg u inder waerheit, ic sie wel dat gi Reinout sijt ende ic salt den coninc seggen eer ic eete of drincke.’ Reinout wert om dese woerden toernich ende toech met haesten sijn swaert ende sloech den waert dat hoeft van sinen lichaem dat hij voir hem neder viel ende seide: ‘Ten wert ymmer van u niet geseit’. Dat sach die waerdinne. ende riep lude: ‘O wij, o wach, ende mesbaerde seer qualick, roepende: ‘Heer God, wat sal ic doen, mijn man leit hier verslagen, dat heeft dese bose ionghelinc ghedaen.’ Doe seide Maeldeghijs totter vrouwen: ‘ic seg u bi Gode, ist dat gi niet en swijcht, ic slae u mede thoeft af.’ Die vrou was [fol. 140] vervaert als si dit hoerde. ende doer anxt vander doot sweech si. Reynout ende Maeldegijs sadelden haer paerden. ende reden buten Parijs in een schoen pleyn ende wachten daer so lange dat die coninc ghegeten had. Ende als ten hove gegeten was. reet die coninc met sijn baroenen buten ende hem volgeden alle dye prijs begheerden te behalen. ende elck socht paerden daer hise crighen conde ende de geen paerden en had, was drovich. Als si quamen opt pleyn dair die croen was reden Reinout ende Maeldegijs mede onder die heren ende als si Reinout sagen met Beyaert dat so mismaect scheen, hielden sij spot met hem ende seiden onderlinge: ‘Siet, de hier comt, sal noch huden prijs behalen ende met sijnre manlicheit die croen. ende dat ors dat so goed is sal den coninc van hem copen ende geen gelt an sparen.’ Als si alle haer spot aldus met Reinout hielden antwoerde hi daer op mit soeten woerden ende seide: ‘God mocht mi noch huden geven so veel gracien in mijn ionge leven. a1soe dat ic noch huden die crone wonne boven al.’ Doe stont daer bi een portier, die dat hoerde, louch daer om ende seide: ‘Vrient gi segt waer: tors mach u qualic dragen ende u habite en sijn niet goet; mer vrient, doet mijn raet ende keert weder int stede ende huert enen esel voir dat paert of een coe, want hi heeft lange siden ende mach scriden seer wijt.’ Hier en binnen gaf die coninc oerlof dat si souden rijden om dese scone croen te winnen ende die doe dair hadden die beste orssen, stelden hem om te winnen de croen, ende noepte sijn paert, de meende eer te begaen. Doe trac Maeldegijs vanden paerde ende ontbant Beiaert sijn rechter voet. ende baerde terstont zijn const ende Beyert hadde weder zijn cracht ende was snel ende starc als te voren: dat behagede Reinout wel want hi en had doe om geen goet gegeven. Maeldegijs [fol. 141] seide tot Reinout: ‘Nu peyst om wel te doen, neve, ende met salicheit moet gi keren ende sal reysen doer Parijs ende ane dander side vander Seynen riden, daer sal ic u ontbeiden.’ Aldus schiet Maeldegijs van Reinout; hier en binnen waren die geen die om die croen reden vorde voer een groot stuc. Doe seide Reinout: ‘Beiert goede ors, sal een ander die croen winnen ende van hier dragen wten velde, dat waer grote scande ende souden wi die crone winnen, Beyaert, gi most u bet haesten: mi dunct dat gi te traech sijt.’ Als Beiert dit hoerde begant sijn leden te trecken ende began te lopen mit sulcker cracht dattet elc mensche verwonderde diet an sagen want het liep met een verbolgen moet ende vloech oft een pijl had geweest. Die heren de dit sagen seiden tot malcanderen: ‘Wij hielden huden spot met desen iongelinc, mer mi dunct, God gheeft hem graci, hi mocht de croen wel winnen, mi dunct hi heeft waer geseit: God sal hem die seghe geven.’ Mit desen woerden wert die coninc Beiaert gewaer ende seide: ‘Siet ginder neve Roelant, dat ors dat soe sere loep als een pijl wt enen boge sal ic noch tavont copen ende gevent u. Siet dat gi daer mede dwinct Reinout, want besiet dat ors wel: het heeft den loep als Beyert. ende is groot ende starc; waert mede swart alst wit is, ic soude seggen dattet Beyaert waer.’ Roelant antwoerde ende seide: ‘Heer coninc, het is waer: had ick dat ors ick wouder Reinout dair mede dwingen.’ Onder dese woerden die de coninc tegen Roelant had, is Reinout verde voer die ander paerden ter croene gecomen ende heeftse genomen vanden stake daerse op stont ende reet met Beiert in die Seyn ende voerde de croen wech. Als dit de coninc sach was hi droevich. [fol. 142] ende riep: ‘Vrient, ghif mi de croen weder, ic salse di vierwerf met goude op wegen ende dijn ors dat so snel van lopen is wil ic copen tegen di ende geven di daer voer watstu eyschen conste.’ Doe antwoerde Reinout den coninc ende seide: ‘Heer coninc, dat ors is mijn; dinget een ander: waer soudi vinden een paert so groot als Beyaert ende dat hem soude mogen in lopen of ontspringhen. in al die werelt en vindijs niet ende ic heb die croen gewonnen ende ick wil dat gout nemen dat an die croen is. ende ghevent mijn luden de mi dienen: ic seg u heer coninc, saechdi Reinout ye, u suster kint, so ben ict.’ Als dit die coninc hoerde verwandelde hem zijn bloet ende seide met een droevige moet: ‘Sidi dan Reynout? neve, ic bid u gevet mi mijn crone weder.’ Reinout seide weder: ‘Heer coninc, ic en doe des niet want die croen wil ic behouden ende mit dat gout mijn orbaer doen ende die stenen die daer in staen, sel ic tot Montalbaen doen setten datse al die gene mogen sien die daer voerbi liden. want geen coepluden en behoren cronen te draghen: het is beter datse Beyert drage, mijn goede ors, dat niet moede en mach werden: want so ic verneme, wildi een coepman van paerden worden.’ Coninc Karel seyde weder tot Reynout: ‘Ic bid u dat gi doet dat ic u heet: ghif mi de crone weder, ic make di voecht van al mijn goet dat ic heb ende Adelaert sal ic maken mijn drossaet. ende Ridsaert mijn bottelgier mit Wridsaert te samen.’ Reynout seide: ‘Here coninc, ic seg u: en diende wi u niet so als u gheliefde, gi soudt ons met groter droefheyt lonen, dat kenne God. huden, heer coninc, doe ghi u crone int pleyn dede setten, meende gi te vinden een paert dat Beyaert soude mogen onderlopen. neen ghi, here coninc, dat mist u [fol. 143] want Beyert is dat beste paert dat in die werelt is want ic heb ghewandert doer alle landen. mer nye en sach ic Beyert gelijc. ende ic en woude niet dat ic Beyert geven soude voer een paert so groot van goude als Beyert is. want Beyaert is die bloem van alle paerden.’ Hier en binnen quam Maeldeghijs met groter naersticheit riden wat dat paert lopen mochte ende riep lude: ‘Hebdi die croen gewonnen, Reinout neve, dat wilt mi seggen.’ ‘Ya ic, oem,’ seide Reinout, ‘danc heb God ende ghi, oem Maeldegijs, ende ben mit Beyert ghecomen over die Seyne.’ Doe spranc Maeldegijs van den paerde ende custe Beyert an sinen mont. doe seyde den coninc: ‘Sidi dat Maeldegijs, ic bid u raet ende uwen neve dat hi mijn crone weder geve; ic sal hem vrede geven hondert dagen, so mach hi met vreden riden tot Dordoen ende sien ende spreken sijn moeder, want si Reinout lief heeft voer alle die werelt.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Comt over, heer coninc, wi sullen u die crone geven.’ Als die coninc dit hoerde wert hi toernich ende seide: ‘Volget mi, ghi vrome ridders, als Roelant. ende Olivier, des bidde ic u, want ic Maeldegijs niet en betrouwe om zijnre consten ende toverie, dat ic alleen tot hem come, daer om so volget mi.’ Maeldegijs dit horende vanden coninc, worde toernich ende seide: ‘Heer coninc, geen van u mannen en rade ic so coen dat si sullen dwaesheyt beginnen als dat si inder Seynen comen om over te varen want doen sijt, ic doese alle verdrincken met mijnre consten datter niemant te lande en coemt.’ Coninc Karel seide weder: ‘Du valsche truant, ic seg u serteyn, ic en come niet over bi u. want haddi mi daer, gi soudt mi in die vangenis voeren.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Here coninc, gi segt waer ende met dien spranc Reynout op Beiert ende Maeldegijs op sijn paert ende scheiden so van den [fol. 144] coninc ende reden tot haer gesellen. als Reynouts broeders. ende meer ander volcx dat si daer hadden dye hem verwachten, die alle blide waren als si Reinout sagen metter cronen ende haer oem Maeldegijs ende hiet se wellecoem. ende doen reden si te samen tot Montalbaen, daer si bleven.

Toen zei de koning: ‘Heer Dunay, dat is goede raad.’ En terstond deed de koning al de poorten sluiten en zette in elke poort 30 gewapende mannen. Aldus deed de koning Parijs behoeden en bewaren om Reinout’ s wil en Reinout is met Maeldegijs gekomen voor de poort te Parijs en ze klopten met de ring maar men hoorde ze niet. Toen dit Maeldegijs zag stak hij zijn hoofd door het geluidsgat en zag daar een gewapende man staan die hij met lieve woorden toesprak en zei: ‘Zeg me toch vriend, waarom dat de koning de poorten doet sluiten? Dat verwondert me al te zeer en dat al deze ridders hier buiten moeten blijven: meent de koning dat hij al de goede paarden binnen heeft? Neen hij niet, hier is een betere buiten.’ Toen antwoorde die goede man Maeldegijs en zei: ‘Het is om Reinout’ s wil gedaan.’ Maeldegijs zei: ‘Is het anders niet? Wat weten wij van Reinout? Maar ik heb immer gehoord als dat hij voor of achter is en staat naar de konings oneer.’ Toen stond bij Reinout een rabauw en zei: ‘Zag ik ooit Reinout zo zie ik hem nu, het is die jongeling die daar op dat grote paard zit. Maeldegijs heeft hem bij toverij zo veranderd.’ Beiaard verstond het zeer goed alsof het een mens was geweest en sloeg de rabauw daar hij bij hem stond voor de borst zodat hij dood ter aarde viel. Toen zei Maeldegijs: ‘Dit paard heeft deze knecht dood geslagen.’ Toen stonden daar heren bij en zeiden: ‘Dat paard heeft recht gedaan want de knecht heeft hem gelogen want hoe zou dit Beiaard mogen wezen want Beiaard is pikzwart als een raaf en dit paard is witter dan een sneeuw van haren en gedaante en ook kennen wij Reinout goed want hij heeft een gedaante van 32 jaren en deze jongeling schijnt geen 15 jaar.’ Men deed de poort open en liet ze binnen rijden. Toen vroeg Maeldegijs waar de beste herberg was in Parijs. Men wees het hem en toen ze voor de herberg kwamen traden ze van hun paarden en de paarden werden in de stal geleid en de heren gingen zitten en ontbeten: toen schonk Maeldegijs de waard een paard dat goed was en was een telganger, de waard bedankte hem en deed de heren wel te gemak en was blijde van zijn giften en ging ter markt en kocht goede spijs waar hij het vinden kon. Toen de heren gegeten hadden gingen ze slapen en ‘s nachts sprong Maeldegijs uit zijn slaap en zong van blijdschap en stond op en ging in de stal tot Beiaard en bond hem zijn rechtervoet en ging toen te werk met zijn kunst van nigromantie zo dat Beiaard veranderde van zijn vetheid en scheen zeer mager en lam te wezen en scheen niets meer waard te wezen dan twee penningen. Toen de waard Beiaard aldus veranderd zag verwonderde het hem en werd toornig en zei: ‘U boze bediende, wat hebt u met het paard gedaan? Verdoemt u God en bent u niet Maeldegijs, ik beloof het God: eer ik eet of drink zal ik het de koning zeggen.’ Toen Reinout dit van de waard hoorde werd  hij met toorn ontstoken en zei: ‘Heer waard, ik zeg u, liegt ons niet voor de koning want dat was misdaan of mijn paard op uw stal verergerd geworden is zou ge ons daarom verraden en voor de koning met valsheid liegen, dat was zeer kwalijk gedaan.’ Toen zei de waard: ‘ik zeg u in de waarheid, ik zie wel dat ge Reinout bent en ik zal het de koning zeggen eer ik eet of drink.’ Reinout werd om deze woorden toornig en trok met haast zijn zwaard en sloeg de waard dat hoofd van zijn lichaam zodat hij voor hem neer viel en zei: ‘Het wordt immer van u niet gezegd’. Dat zag de waardin en riep luidt: ‘O wij, o wach, en misbaarde zeer kwalijk, roepende: ‘Heer God, wat zal ik doen, mijn man ligt hier verslagen, dat heeft deze boze jongeling gedaan.’ Toen zei Maeldegijs tot de vrouw: ‘ik zeg u bij God, is het dat ge niet zwijgt, ik sla u mede het hoofd af.’ Die vrouw was bang toen ze dit hoorde en door angst van de dood zweeg ze. Reinout en Maeldegijs zadelden hun paarden en reden buiten Parijs in een mooi plein en wachten daar zo lang totdat de koning gegeten had. En toen te hof gegeten was reed de koning met zijn baronnen buiten en hem volgden alle die prijs begeerden te behalen en elk zocht paarden daar hij ze krijgen kon en die geen paard had was droevig. Toen ze kwamen op het plein daar de kroon was reden Reinout en Maeldegijs mede onder de heren en toen ze Reinout zagen met Beiaard die zo mismaakt scheen hielden zij spot met hem en zeiden onderling: ‘Ziet, die hier komt zal nog heden prijs behalen en met zijn mannelijkheid de kroon en dat paard dat zo goed is zal den koning van hem kopen en geen geld aan sparen.’ Toen ze allen hun spot aldus met Reinout hielden antwoorde hij daarop met lieve woorden en zei: ‘God mocht me nog heden geven zoveel gratie in mijn jonge leven a1zo dat ik nog heden de kroon won boven allen.’ Toen stond daarbij een portier die dat hoorde en lachte daarom en zei: ‘Vriend ge zegt waar: het paard mag u nauwelijks dragen en uw habijt is niet goed; maar vriend doe mijn raad en keer weer in de stede en huur een ezel voor dat paard of een koe want het heeft lange zijden en mag schrijden zeer wijdt.’ Hierbinnen gaf de koning verlof dat ze zouden rijden om deze mooie kroon te winnen en die daar hadden de beste paarden stelden zich om te winnen de kroon en noopten hun paarden en die meende eer te begaan. Toen ging Maeldegijs van het paard en ontbond Beiaard zijn rechtervoet en openbaarde terstond zijn kunst en Beiaard had weer zijn kracht en was snel en sterk als tevoren: dat behaagde Reinout wel want hij had het toen om geen goed gegeven. Maeldegijs zei tot Reinout: ‘Nu peinst om goed te doen, neef, en met zaligheid moet ge keren en zal reizen door Parijs en aan de andere zijde van de Seine rijden, daar zal ik u opwachten.’ Aldus scheidde Maeldegijs van Reinout; hierbinnen waren diegene die om de kroon ver voor een groot stuk. Toen zei Reinout: ‘Beiaard goede paard, zal een andere de kroon winnen en van hier dragen uit het veld, dat was grote schande en zouden we de kroon winnen, Beiaard, ge moet u beter haasten: me dunkt dat ge te traag bent.’ Toen Beiaard dit hoorde begon het zijn leden te trekken en begon te lopen met zulke kracht zodat het elke mens verwonderde die het aanzag want het liep met een verbolgen gemoed en vloog of het een pijl had geweest. De heren de dit zagen zeiden tot elkaar: ‘Wij hielden heden spot met deze jongeling, maar me dunkt God geeft hem gratie, hij mocht de kroon wel winnen, me dunkt hij heeft waar gezegd: God zal hem de zege geven.’ Met deze woorden werd de koning Beiaard gewaar en zei: ‘Ziet ginder neef Roelant, dat paard dat zo zeer loop als een pijl uit een boog zal ik nog vanavond kopen en geven het u. Ziet dat ge daarmee dwingt Reinout want bezie dat paard goed: het heeft de loop als Beiaard en is groot en sterk; was het mede zwart zoals het wit is ik zou zeggen dat het Beiaard was.’ Roelant antwoorde en zei: ‘Heer koning, het is waar: had ik dat paard ik wou er Reinout daarmee dwingen.’ Onder deze woorden die de koning tegen Roelant had is Reinout ver voor de andere paarden ter kroon gekomen en heeft het genomen van de staak daar het op stond en reed met Beiaard in de Seine en voerde de kroon weg. Toen dit de koning zag was hij droevig en riep: ‘Vriend, geef me de kroon weer, ik zal het u vier maal met goud opwegen en uw paard dat zo snel van lopen is wil ik kopen van u en geven u daarvoor wat u eisen kan.’ Toen antwoorde Reinout de koning en zei: ‘Heer koning, dat paard is van mij; beding een andere: waar zou ge vinden een paard zo groot als Beiaard dat tegen hem zou mogen lopen of ontspringen, in al de wereld vind je die niet en ik heb de kroon gewonnen en ik wil dat goud nemen dat aan de kroon is en geven het mijn lieden die me dienen: ik zeg u heer koning, zag ge Reinout ooit, uw zuster kind, zo ben ik het.’ Toen dit de koning hoorde veranderde hem zijn bloed en zei met een droevig gemoed: ‘Ben je dan Reinout? Neef, ik bid u, geef me de kroon weer.’ Reinout zei weer: ‘Heer koning, ik doe het niet want de kroon wil ik behouden en met dat goud mijn oorbaar doen en de stenen die daarin staan zal ik te Montalbaen doen zetten zodat het al diegenen mogen zien die daar voorbij gaan want geen kooplui behoren kronen te dragen: het is beter dat het Beiaard draagt, mijn goede paard, dat niet moede mag worden: want zo ik verneem wil ge een koopman van paarden worden.’ Koning Karel zei weer tot Reinout: ‘Ik bid u dat ge doet dat ik u zeg: geef me de kroon weer, ik maak u voogd van al mijn goed dat ik heb en Adelaert zal ik maken mijn drost en Ritsaert mijn bottelier met Writsaert tezamen.’ Reinout zei: ‘Heer koning, ik zeg u: bediende we u niet zoals het u beliefde, ge zou het ons met grote droefheid belonen, dat kent God, heden, heer koning, toen ge uw kroon in het plein deed zetten meende ge te vinden een paard dat Beiaard zou mogen onderlopen. Neen gij, heer koning, dat mist u want Beiaard is dat beste paard dat in de wereld is want ik heb gewandeld door alle landen maar nooit zag ik een Beiaard gelijk en ik wou niet dat ik Beiaard geven zou voor een paard zo groot van goud als Beiaard is want Beiaard is de bloem van alle paarden.’ Hierbinnen kwam Maeldegijs met grote vlijt rijden wat dat paard lopen mocht en liep luidt: ‘Heb je de kroon gewonnen, Reinout neef, dat wil me zeggen.’ ‘Ja ik, oom,’ zei Reinout, ‘dank heeft God en gij oom Maeldegijs en ben met Beiaard gekomen over de Seine.’ Toen sprong Maeldegijs van het paard en kuste Beiaard aan zijn mond. Toen zei de koning: ‘Ben jij dat Maeldegijs, ik bid u raad uw neef dat hij mijn kroon weergeeft; ik zal hem vrede geven honderd dagen zo mag hij met vrede rijden tot Dordogne en zien en spreken zijn moeder want ze heeft Reinout lief voor alles in de wereld.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Kom hier, heer koning, we zullen u de kroon geven.’ Toen de koning dit hoorde werd hij toornig en zei: ‘Volg me, gij dappere ridders als Roelant en Olivier, dat bid ik u want ik vertrouw Maeldegijs niet vanwege zijn kunsten en toverij dat ik alleen tot hem kom, daarom zo volg me.’ Maeldegijs hoorde dit van de koning en werd toornig en zei: ‘Heer koning, geen van uw mannen raad ik aan zo koen dat ze de dwaasheid beginnen als dat ze in de Seine komen om over te varen, want doen zij het ik doe ze alle verdrinken met mijn kunsten zodat er niemand te land komt.’ Koning Karel zei weer: ‘U valse trawant, ik zeg u zeker, ik kom niet over bij u want had ge mij daar ge zou me in de gevangenis voeren.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer koning, ge zegt waar en met die sprong Reinout op Beiaard en Maeldegijs op zijn paard en scheiden zo van de koning en reden tot hun gezellen zoals Reinout’ s broeders en meer ander volk dat ze daar hadden die hen opwachten die alle blijde waren toen ze Reinout zagen met de kroon en hun ook Maeldegijs en heten ze welkom en toen reden ze tezamen tot Montalbaen waar ze bleven.

 

 

 

 

Dat XVIII. ca. Hoe coninc Karel coninc Yewijn ontboet doe hi hof hilt ende hoe hi coninc Karel beloefde dat hi Reinout met zijn broeders met verradenis leveren soude in coninc Karels gewelt om een somme gelts, twelc hi niet volbrengen en mocht want doen hijse verraden had vochten die broeders haer selven daer wt ende souden gebleven hebben, hadse Maeldegijs niet ontzet.

 [fol. 145] Om te achtervolgen onse materie: als Reinout ende Maeldegijs dus vanden coninc gescheiden waren ende hem die crone ontvoert was, doe was die coninc seer droevich dair om want [fol. 145] het began Pinxter te naken dat die coninc hof houden soude, so hi gewoenlic plach te doen, so most hi met haesten een ander doen maken. Coninc Karel ontboet alle zijn vrienden ende magen ende alle sijn baroenen die hem liefhadden of sijn leen ontfingen ende onder hem waren geestelic ende waerlic ende hi ontboet sonderlinge coninc Yewijn dat hi tot hem quaem, twelc hi dede. Als coninc Karel alle die heren te hoef had, de hi begeerde, ende feesthilt met vroechden ende als die maeltijt gedaen was stont coninc Karel op ende riep Yewijn tot hem ende ghinc daer mede in een kellenair ende seide tot Yewijn: ‘Ic woude u wel bidden dat gi mi wout leveren Reinout mit zijn broeders ic soude u geven vier paerden, geladen met goude, dat ic mocht wreeken mijns soens doot, twelc mi seer op therte leit.’ Als coninc Yewijn dat hoerde wert hi verwonnen overmits dat goet twelck hi seer minde ende seide: ‘Heer coninc, wildi mi vier paerden geven geladen met goude, ic sal u leveren mijn swager Reinout met sijn broeders.’ Coninc Karel antwoerde: ‘Soudise mi mogen leveren sonder deren van uwen live. want si sijn so vroem. ende stout datse niemant crencken en mach.’ Doe seide coninc Yewijn ende loech: ‘Heer, des weet ic wel raet: ic sal u die vier ridders leveren elc op een muijl sonder wapen bij die stede van Vaucoloen, niet an hebbende dan haer clederen. ende een mantel daer over: doeter dan uwen wil mede.’ Als coninc Karel dit van Yewijn hoerde wert hi verblijt ende custen an sinen mont. Coninc Yewijn seide: ‘Heer coninc, laet ons keren in die sael. dat ons opset niemant en verneme, diet Reynout segge want vernaemt Reinout, hi soude mi doden. ende als ghijse hebt siet dat ghijse bewaert want ontgaen si u, Reynout soude mi doden [fol. 146] of hangen, dat weet ick wel.’ Coninc Karel seide: ‘Heer coninc, gi en dort u duchten noch ommesien want comen die broeders in Vaucoloen, daer en keerter nemmermeer geen weder want ic en lietse mi niet ontgaen om geen goet.’ Ende coninc Karel ende Yewijn hebben aldus haer raet ghesloten ende sijn indie sale gecomen ende alle de heren die inde sael waren deden Karel reverenci. ende Yewijn heeft terstont an coninc Karel oerlof genomen ende ander sommige vanden heren die daer waren. reden met haesten tot haren lande. Ende die ander heren die doe bi coninc Karel gebleven waren. namen oerlof aen coninc Karel ende wouden elc tot haren lande keren. Doe seide coninc Karel: ‘Gi heren, ic en laet u niet reysen, want ghi moet alle varen te Vaucoloen ende wachten mi daer Reynout ende sijn broeders mede. want ic hebben teghen coninc Yewijn sijn swager gecoft dat hijse mi daer leveren sal om xx. dusent cronen te Vaucoloen sonder hernas oft wapen ende elk een mantel om hebbende. ende als si daer comen, siet dat ghise dan vanct ende condi mi leveren die hoefden der iongelingen, ic salse u vierwerf met goude op wegen.’ Die heren warens blijde van tconincx woerden want si hadden tgoet lief. Coninc Karel seide tot Foukijn: ‘ic make u conincx stavel vanden here.’ Doe seide Fouken: ‘Heer coninc, ic salder mijn best om doen uwe wil te volbrengen.’ Ter stont maecten hem die heren rede met haer volc. ende reden nae Vaucoloen met bliden sinnen om Reynout met sijn broeders te wachten. Coninc Yewijn de dese verradenis plegen soude, is in Gascoengen gecomen. ende is gereyst na Montalbaen om Reinout mit sijn broeders daer te vinden, de hi dair niet en vandt wantsi waren te Bordele int wout iagen om wilbraet te vangen. God versacht dat si vingen so veel als op vier paerden [fol. 147] laden mochten. ende hier mede keerden si na huys. ende als si aldus buten dat foreest quamen riden, sagen si een teyken want Reynout liet sijn hoeft hangen op sijn scilt. Doe seide die coene Adelaert: ‘Segt mi Reinout broeder, dat di God eer, waer om sidi dus bedroeft?’ Doe antwoerde Reinout: ‘ic seg u broeder, dat mijn hoeft mi so wee doet dat ick niet en weet waer bliven.’ Adelaert seide: ‘Broeder, ten is gheen wonder want wi hebben die iacht te lange geplegen.’ Dus reden si soe lange dat si quamen bi Montalbaen. Doe sach Reinout opter tinnen veel volcx leggen; doe seide Reinout: ‘Help Maria Gods moeder, wie mach wesen op Montalbaen de daer herbergen wil? waer mach wesen Claradijs mijn vrouwe ende mijn oem Maeldegijs.’ Als Reinout in desen clagen reet, so heeften daer en binnen versien een ridder van Montalbaen. ende ginck terstont ende bescreet een paert ende reet met haesten Reinout te gemoet ende als hi bi Reinout quam seide hi: ‘Reinout edel grave, sijt niet vervaert: coninc Yewijn is tot u gecomen om te sien wat gi doet,’ Doe seide Reinout: ‘Welcoem moet hi wesen.’ Als Reinout tot Montalbaen quam soe quam hem coninc Yewijn te moet ende Reinout dede hem reverenci ende seide: ‘Heer coninck, welcoem.’ Yewijn antwoerde: ‘Reinout, ic hebs wel te doen.’ Reinout seide: ‘Here coninc, haddi mi ontboden, ic ware met mijn volc garen bi u gecomen, als met dertich hondert mannen.’ Doe seide Yewijn ende louch: ‘Trouwen Reinout, dat betrouwe ic u wel mer dair en is geen beter boetscap dan een man selve doet ende oec mede hebbe ic u boetscap trouweliken gedaen anden mogenden coninc Karel, want ic heb u pays ghemaect an coninck Karel.’ [fol. 148]

Dat XVIII. kapittel. Hoe koning Karel koning Yewyn ontbood toen hij hof hield en hoe hij koning Karel beloofde dat hij Reinout met zijn broeders met verraad leveren zou in koning Karels geweld om een som geld wat hij niet volbrengen mocht want toen hij ze verraden had vochten de broeders zichzelf daaruit en zouden gebleven zijn had ze Maeldegijs niet ontzet.

Om te vervolgen onze materie: toen Reinout en Maeldegijs dus van de koning gescheiden waren en hem de kroon ontvoerd was toen was de koning zeer droevig daarom want het begon Pinksteren te naken dat de koning hof houden zou zo hij gewoonlijk plag en zo moest hij zich met haast een andere doen maken. Koning Karel ontbood al zijn vrienden en verwanten en al zijn baronnen die hem liefhadden of zijn leen ontvingen en onder hen waren geestelijke en wereldlijk en hij ontbood vooral koning Yewyn dat hij tot hem kwam wat hij deed. Toen koning Karel al de heren te hof had die hij begeerde en feest hield met vreugde en toen de maaltijd gedaan was stond koning Karel op en riep Yewyn tot hem en ging daarmee in een kelder en zei tot Yewyn: ‘Ik wou u wel bidden dat ge me wou leveren Reinout met zijn broeder, ik zou u geven vier paarden geladen met goud zodat ik mocht wreken mijn zoons dood wat me zeer op het hart ligt.’ Toen koning Yewyn dat hoorde werd hij overwonnen vanwege het goed wat hij zeer minde en zei: ‘Heer koning, wil ge me vier paarden geven geladen met goud, ik zal u leveren mijn schoonzoon Reinout met zijn broeders.’ Koning Karel antwoorde: ‘Zou ge ze me mogen leveren zonder deren van uw lijf want ze zijn zo dapper en strijdlustig dat hen niemand krenken mag.’ Toen zei koning Yewyn en lachte: ‘Heer, dus weet ik wel raad: ik zal u de vier ridders leveren elk op een muilezel zonder wapens bij de stede van Vaucoloen, (of Valcolor, vlakte in Gascogne?) en ze niets aan hebben dan hun klederen en een mantel daarover: doe er dan uw wil mede.’ Toen koning Karel dit van Yewyn hoorde werd hij blij en kuste hem aan zijn mond. Koning Yewyn zei: ‘Heer koning, laat ons keren in de zaal zodat onze opzet niemand verneemt die het Reinout zegt want vernam het Reinout, hij zou me doden en als ge ze hebt ziet dat ge ze bewaart want ontgaan ze u Reinout zou me doden of hangen, dat weet ik wel.’ Koning Karel zei: ‘Heer koning, ge durft u duchten nog om te zien want komen de broeders in Vaucoloen daar keert er nimmermeer geen weer want ik liet ze me niet ontgaan om geen goed.’ En koning Karel en Yewyn hebben aldus hun raad gesloten en zijn in de zaal gekomen en alle heren die in de zaal waren deden Karel reverentie en Yewyn heeft terstond aan koning Karel verlof genomen en andere sommige van de heren die daar waren reden met haast tot hun land. En de andere heren die toen bij koning Karel gebleven waren namen verlof aan koning Karel en wilden elk tot hun land keren. Toen zei koning Karel: ‘Gij heren, ik laat u niet reizen, want ge moet alle varen te Vaucoloen en wachten op mij daar op Reinout en zijn broeders mede want ik heb tegen koning Yewyn zijn schoonvader gekocht dat hij ze me daar leveren zal om 20 000 kronen te Vaucoloen zonder harnas of wapens en elk een mantel om heeft en als ze daar komen ziet dat ge ze dan vangt en kan ge me leveren de hoofden der jongelingen, ik zal ze u vier maal met goud opwegen.’ Die heren waren blijde van konings woorden want ze hadden het goed lief. Koning Karel zei tot Fouken: ‘ik maak u hoofdman van het leger.’ Toen zei Fouken: ‘Heer koning, ik zal er mijn best om doen uw wil te volbrengen.’ Terstond maakten hem de heren gereed met hun volk en reden naar Vaucoloen met blijde zinnen om op Reinout met zijn broeders te wachten. Koning Yewyn die dit verraad plegen zou is in Gascogne gekomen en is gereisd naar Montalbaen om Reinout met zijn broeders daar te vinden die hij daar niet vond want ze waren te Bordaux in het jagen om wildbraad te vangen. God voorzag dat ze vingen zo veel als ze op vier paarden laden mochten en hiermee keerden ze naar huis en toen ze aldus buiten dat bos kwamen rijden zagen ze een teken want Reinout liet zijn hoofd hangen op zijn schild. Toen zei de koene Adelaert: ‘Zeg me Reinout broeder, dat u God eert, waarom bent ge aldus bedroefd?’ Toen antwoorde Reinout: ‘ik zeg u broeder, dat mijn hoofd me zo wee doet dat ik niet weet waar te blijven.’ Adelaert zei: ‘Broeder, het is geen wonder want wij hebben de jacht te lang gepleegd.’ Dus reden ze zo lang zodat ze kwamen bij Montalbaen. Toen zag Reinout op de tinnen veel volk liggen; Toen zei Reinout: ‘Help Maria Gods moeder, wie mag wezen op Montalbaen die daar herbergen wil? Waar mag wezen Clarisse mijn vrouw en mijn oom Maeldegijs.’ Toen Reinout in dit klagen reed zo heeft een daarbinnen gezien een ridder van Montalbaen en ging er terstond en beschreed een paard en reed met haast Reinout tegemoet en toen hij bij Reinout kwam zei hij: ‘Reinout edele graaf, wees niet bang: koning Yewyn is tot u gekomen om te zien wat ge doet,’ Toen zei Reinout: ‘Welkom moet hij wezen.’ Toen Reinout tot Montalbaen kwam zo kwam hem koning Yewyn tegemoet en Reinout deed hem reverentie en zei: ‘Heer koning, welkom.’ Yewyn antwoorde: ‘Reinout, ik heb het wel te doen.’ Reinout zei: ‘Heer koning, had ge me ontboden ik was met mijn volk graag bij u gekomen als met 3 000 mannen.’ Toen zei Yewyn en lachte: ‘Trouwe Reinout, dat vertrouw ik u wel maar daar is geen betere boodschap dan een man zelf doet en ook mede heb ik uw boodschap trouw gedaan aan de vermogende koning Karel want ik heb u vrede gemaakt aan koning Karel.’

 

 

 

[fol. 148] Als Reynout sijn swager dese woerden hoerde seggen verhoechde hem thert ende zijn moet; hi antwoerde wijselijc seggende: ‘God si daer of u loen, soe en was ic nye mijn leven so blide, of nye en quam mi so blijden mare als vanden pays van minen oem: des moechdi mi wel geloven.’ Doe seide die iongelinc: ‘Segt mi heer coninc, wat soen sal ic mijn oem geven? sal ic hem een voetval doen?’ Doe antwoerde die coninc Yewijn: ‘Gi sult tegen den coninc versoenen te Vaucoloen, daer suldi hem versoenen wollen ende bervoet.’ Als coninc Yewijn dit seide, woude Reinout hem cussen an sinen mont. Doen seide Yewijn: ‘Reinout, en cust mi niet. want mijn hoeft sweert mi so seer, ic en mach geen cussens dogen.’ Doe seide Reinout: ‘ic sal varen in Vaucoloen ende nemen met mi xv hondert mannen ter aventuren oft soe quame dat men verraet op mi socht, dat min volc mi ende mine broeders te hulpe quamen.’ Doe seide coninc Yewijn: ‘Reynout dat en mach niet wesen want ghi moet met u broeders alleen varen ende gi en moet oec niet mede nemen Beiaert u goede ors. of ridder of sciltknecht want u pays is so gemaect tegen coninc Karel. als dat gi met u broeders oetmoedelic moet rijden op mulen van Argoen sonder wapen in u cleder.’ Reinout seide weder: ‘Des en doe ic niet, die woerden sijn voer niet: soude ic alsoe in Vaucoloen varen, dat seg ic u voerwaer, ende mijn pays niet gemaect en ware tegen den coninc, al waer ick so groot als een berch, ic en ontginge niet.’ Die coninc seide: ‘Ic seg u bi al dat leeft. u pays die is ghemaect.’ Reinout seide weder: ‘Here ic sals mi gaen beraden’ ende hij ginc met zijn broeders in een steenen camer, daer hi vandt sitten sijn vrouwe Claradijs. Reinout seide: ‘Vrouwe, nu wilt ons helpen raden. want u vader is gecomen [fol. 149] wt Vrancrijc ende seyt dat myn pays ghemaect is teghen coninc Karel ende dat ic ende mijn broeders moeten varen in Vaucoloen ende soeken daer des conincs oetmoet in onse mantelen van sceerlaken, wollen ende bervoet Ende waert warachtich dat mijn pays gemaect waer, ick en ware niet so blide, al gafmen mi half Vrancrijck, als dat ic vrede had met minen oem.’ Vrouwe Clarisse seide: ‘Here, ic rade u dat ghi daer niet en vaert, want in der waerheit segge ic u, hoert en weynich na mi: te nacht als ic lach opt bedde soe docht mi dat ic sach in minen droem daer ic groten anxt of hadde so dat onse goede ors Beiert gewont was in erren moede, daerom heb ic groten anxt dat ghi daer sijt verraden; daerom here: blijft in u casteel, so en dordi nergent voer sorgen ende sendt een verspier in Vaucoloen, die sel u wel vernemen of gi daer vry varen moecht of niet.’ Doe seide Reinout: ‘Vrouwe, ic en doe des niet, mi comer of dat mach. ic sal varen in Vaucoloen ende soenen teghen den coninc: des en laet ic niet.’ Die vrouw dit horende was daer om seer droevich ende seide: ‘Edel here, doet dan dat ic u seggen sal: bidt minen vader dat hi met u vare met alle sijn ridders wel gewapent tot inden lande van Vaucoloen, so en mach u niet misschien. want ic groten ducht voer u, edel here, heb ende ist dat hi met u wil riden so moechdi in Vaucoloen vrilic riden, ghi ende uwe broeders mede ende ist dat hi des niet doen en wil, so vaerter niet: het staet mi voer dat u die vaert berouwen sal.’ Met desen woerden keerden si alle te samen wter camer in die sale dair si Yewijn den valschen coninc vonden. Reinout seide: ‘Heer coninc, ic bid u dat ghi met u ridders mi geleit in Vaucoloen, so mach ic met eeren weder keren, behouden mijn lijf ende eere.’ Die coninc [fol. 150] seide weder: ‘Edel ridder, dat en mach ic nyet doen, want u pays is alsoe gemaect tegen coninc Karel, dat gi alleen moet varen met u broeders. ende en moet hebben wapen noch swaert noch Beyert: ic sal uwes ontbeyden hier. ende waernemen totten casteel, ghij en sult nerghent over sorgen.’ Als de vrouw dese woerden haer vader hoerde spreken, trac si bet naerder ende seide: ‘Reinout, ic bid u dat gi daer niet en trect, ic seg u voerwaer: ic hoer wel dat myn vader u verraden heeft ende gi weet wel dat hi tgoet seer mint.’ Als Reinout zyn vrou dese woirden hoerde spreken, wert hij toernich ende sloech haer met sinen hantscoe voerden mont so dat haer dat bloet ten mont ende ter nose wt spranc ende hij seide: ‘Wat ist dat gi segt? ic en gelove u niet: waer om soude u vader mi verraden tegen minen oem? wat heb ic hem misdaen? want ic heb so schone kinder bi u die u vader lief heeft ende ic seg u: vermaledijt sijn si alle dye quaet segghen van haren vader! ic seg u vrouwe, ic. ende mijn broeders sullen alle in Vaucoloen varen ende een voetval doen.’ Met desen woerden nam Reinout oerlof ende coninck Yewijn dede die mulen halen ende die mantels daer si in riden souden ende die heren saten op haer mulen. ende wouden riden na Vaucoloen. Als dit de vrouwe sach was si seer droevich ende had om Reinout groten vair ende riep tot hair Ridtsaert ende seide: ‘Ay edel coene ridder, ic bid u, neemt dese vier swaerden. ende voertse heimelic met u want ic seg u: wistet Reinout, gi en soutse niet mede nemen; ic ducht dat gijse noch wel te doen sult hebben. ende niet ontberen om geen goet.’ Ritsaert horende die woerden van die vrouwe, dancte haer seer. ende nam die swaerden van haer ende hieltse heimelic onder zyn mantel ende seide: ‘God danc u vrouwe, dat gijse bedocht ende mi die brocht [fol. 151] so heimelic: ic salse garen mede nemen.’ Hier mede namen si alle oerlof ende lieten Montalbaen, Reinout ende zijn broeders. De goede vrouwe weende seer ende dreef groot misbaer ende bat datse God in zijnre hoede naem. Als Reinout een stuc gereden was hief hi op een lidekijn om dat hem thert verfrayen soude. Doe seyde die stoute Adelaert: ‘ic seg u broder Reinout, een man de in dus swaren oerloge leit. ende perikel, en hoert niet te singen.’ Reinout seide weder: ‘Broeder, myn hert is so swaer, ic en weet niet wattet beduden mach: ic bid Gode dat hi ons beware voer scade of scande.’ Doe seide Adelaert: ‘Hoe ist lieve broeder, is u yet anders dan wel?’ Doe seide Reinout weder tot Adelaert: ‘Broeder, mijn hert en seit anders niet dan goet. dus laet ons in Godes name varen. God geve ons alle dinc te goede.’ Aldus reden si so lange datse bi Vaucoloen quamen. ende mettien heeft Reinout Fouken van Morlioen versien. Doe seide Reinout: ‘Help heilige cruys, mi dunct wi varen alle in onse doot: ic hebbe versien Foukijns standert.’ Doe waren die broeders alle weemoedich ende seiden: ‘Reinout, laet ons vlien want coninc Yewijn heeft ons verraden ende vercoft.’ Doe seide Reinout: ‘ic hope ane Gode dat den coninc Yewijn alsulc verraet niet en soude willen doen. ’ Als de broeders dese woerden onderlinge hadden, heeft Fouken versien Reinout ende riep: ‘Gi heren, elc make hem gereet: ginder comt die grave Reinout met zyn broeders gereden op mulen van Argoen.’ Fouken was stout. ende van moede groot: hi spranc op zijn paert met sporen ende reet wattet paert lopen mocht na Reinout. ende als hi bi Reynout quam seide hi: ‘Reinout, ghevet u ghevanghen want gi Beiaert u goede paert met quaden raet after gelaten hebt, want nu sal [fol. 152] ic u alle vangen. ende senden u den coninc van Vrancrijc die u sal doen hangen.’ Als Reynout dit hoerde seide hi: ‘ic hope dat gi niet en sult ende bi u woirden suldi bedrogen worden ende van alsulcken doot wil ons God bescermen.’ Doe seide Reynout: ‘Ic bidde u Fouken, wildi mi helpen ane minen pays tegen den coninc, ic wil u geven vier dusent cronen ende Beyaert mijn goede paert ende mijn casteel van Montalbaen wil ic ontfangen van u te leen.’ Doe seide Fouken: ‘Wat mij daer of comt, gi bidt om niet: gevet u met haesten op want ghi moet gevangen wesen.’ Reinout seide: ‘Fouken, laet mi doir riden dat ic den coninc te voet vallen mach.’ Doe seide Fouken van Morlioen: ‘Ic seg u Reinout, uwen coninc Yewijn, u wijfs vader, hevet u verraden want hi hevet u vercoft om xx. dusent cronen.’ Als Fouken dese woerden tot Reinout gesproken hadde seide hi: ‘Reinout, gi moet gevangen met my varen totten coninc van Vrancrijc.’ Reinout seide: ‘Ghi sult daer om liegen also help mi God, eer gi mi met crachte vangen soudt, ic hadde mi liever doot te vechten, dat segge ic u.’ Als Fouken Reinout dese woerden hoerde spreken wert hi [met] toerne ontsteken ende liet zijn spere sincken ende woude Reinout doersteken. Reinout dat siende en dorst die steke niet verbeiden ende gleet besiden den mule neder, nochtans geraecten Fouke metten spere wel drie vinger diep ende zijn spere was al bloedich. Als Adelaert dat sach seide hi: ‘Reinout is doot.’ Reinout spranc met haesten op ende seide: ‘Swijge du scalc, ic en heb geen noet: het is gelogen dat gi segt.’ Ridtsaert dit siende dat Reinout gequetst was, spranc voert ende gaf Reinout in die hant Florenberge dat goede swaert. Doe seide die vrome Ritsaert tot sinen broeder Reynout: ‘Dat [fol. 153] sendt u mijn vrouwe Claradijs: hadde gi gedaen haren raet, het waer ons te goede vergaen want si kende haren vader den coninc bet dan gi, broeder Reynout.’ Als die edele Reinout sach Florenberge verlichte hem thert als den dach, doe seide Reinout: ‘Waer sidi, Fouke van Morlioen? God geve u scande ende verdriet. gi en doet dat u Karel ghebiet: gi waent ons te vanghen ende te binden ende te senden coninc Karel. ic heb Florenberge in die hant ende anders geen wapen; sidi so koen, coemt naer.’ Als Fouken Reynout dese woerden hoerde spreken. keerde hijt paert met haesten ende reet op Reinout met grammen moet. Hier en binnen had Ridtsaert elc een swaert gegeven. ende Fouke waende Reinout met cracht te doerrijden. Reynout nam tot Fouken groten hoede ende hielt hem de spere ontween ende nam Foukens paert bi den toem. ende seide: ‘Florenberge, wat condi nu doen? sidi nu niet goet, so en prijs ic u niet.’ Mettien sloech hi Fouken boven opten helm ende doersloech den helm van stale soe dattet swaert in ginc totten kinneback ende viel doot vanden orsse voer zijn voeten, des was Reinout blide ende seyde: ‘God vermaledide di, du en sultste niet wesen de geen die ons hangen sal oft gevangen leveren den coninc.’ ende mettien spranc Reynout op Foukens ors. dat seer starc ende groot was ende menich merc waerdich was. Binnen dien dat Reynout Foukens ors bescreden had, so heeft elc van sijn broeders een Fransoys vanden paerde gevelt ende riepen: ‘Slaet voert! mer broeder Reynout, laet ons deser noot ontriden. want worden wi gevangen, wi bliven doot: die coninc Yewijn heeft ons vercoft ende met verradenis gebrocht in dese last.’ Doe seide Reynout: ‘Swijcht broeders, ic heb Florenberge in mijn hant. wijke ic huden enich man, God moet my verbieden zijn hemelrijc.’ [fol. 154] Doe worden dese vier broeders seer stoutelic an bevochten ende daer was dat geruft ende gecrijch seer groot: daer vacht Reinout de stoute iongelinc gelijc een leeu ende alle zijn broeders desgelijcs; aldus die vier broeders stonden tegen die Fransoysen dye op hem waren fel. ende wreet ende weerden hem mannelijck want si slogen grote slagen. ende die veel. Aldus vochten si van des morgens tot over middach. Doe seide die edele grave Reinout: ‘Mi verwondert dat wi sonder wapen sijn ende noch leven; daer om treet van uwen paerden ende doet an die wapen - het is ons noot - van die gene die daer verslegen legghen: ick sal u wel bescermen metten swaerde ende sulcke plaets houden dat u nyemant misdoen en sal of hi salt metter doot becopen.’ Met desen woerden traden Reinouts broeders vanden paerden ende wapenden hem met groter haest ende nament thernaes van die edelingen. die daer verslagen waren, dat si an togen. ende tvierde gaven si Reynout dat hijt an doen soude. Adelaert seide: ‘Ic bid u broeder, treet van uwen paerde ende trect dese wapen an: wi sullen u mitten swaerde so bescudden dat u niemant misdoen en sal.’ Mittien saten die drie broders weder op haer paerden ende hielden hem vaste bi malcander. om Reynout te bescermen, die vanden paerde getreden was om thernas an te doen, twelc Reinout an dede met groten haest want hi en had niemant die diende ende eer Reinout die wapen an dede quam op hem Werrijn van Morlioen met twintich hondert mannen, alle wel versien van wapen ende hi sloech mit alle sijn volc crachtelic op die heren. ende eer Reinout te paerde conde comen, was Adelaert sijn halsberch doerslagen ende Wridsaert seer gewont ende gevangen van Werrijn van Morlioen. Doe seide Werrijn [fol. 155] tot Wridsaert: ‘Ic sal u terstont senden den coninc van Vrancrijc die u niet en gaf om al tgoet vander werelt ende hi sal u doen hangen aen die galghe te Montefaucoen.’ Ridsaert seide: ‘Werrijn dat is mi leet.’ Doe hiet Werrijn xxxiv. ridders dat si scarp toe sagen tot Ridsaert, die hem gevangen voeren souden in Vaucoloen. Als Reynout gewapent was ende op sijn paert sat, sach hi alom ende miste sijn broeder Ritsaert daer hi met haesten nae vraechde. Doen seide Adelaert: ‘Hi is gevangen van Werrijn van Morlioen.’ Als Reinout dat hoerde was hem wee te moede ende seide: ‘Laet ons riden ende bescutten hem.’ ‘Wat soude ic bedriven?’ seide Adelaert, ‘mijn. halsberch is doerslagen ende ic weet wel dat hi so seer gequetst is, ten doe Gode, hij moeter om sterven; daer om ist beter Ridsaert alleen verloren dan wi alle.’ Als Reynout dit hoerde van Adelaert wert hi toernich ende seide: ‘Wat segstu valsche katijf, sullen wi dat liden dat men Ridsairt voer onse ogen gevangen wech voeren soude ende senden den coninc die hem hangen soude? waert dat hien conde gecrigen, oft noch so quaem dat wi onsen pays geraecten tegen coninc Karel, so soud men segghen: siet waer riden Aymijns kinder die tegen coninc Karel striden wouden, daer si grote scande ende verlies of hebben want coninc Karel heeft een broeder doen hangen. an die galghe te Montefaucoen. Waer dit niet grote scande, waer men daer of seide?’ Met desen woerden stac Reinout sijn ors met sporen dat hi op Fouken wan, datmen prijsde waert te wesen M. pont, mer het dochte Reinout seer traech. ende quaet te wesen want tdochte hem niet waerdich te wesen een mite, so veel was Beyaert starker ende snelre. Hier en binnen hebben de xxxiv. ridders Ridsaert gevangen gestelt op een [fol. 156] paert ende bonden sijn beenen an die steghereep. ende reden daer mede na Vaucoloen ende gaven hem menigen slach ende seiden smadeliken tot Ridsaert: ‘Nu sidi gevangen ende gi en moget niet ontgaen of verdingen, al bade voir u half die menschen vander werelt. wij sullen u cortelic leveren den coninc van Vrancrijc, die u sal doen hangen.’ Doe seide Ritsaert in hem selven: ‘O genadige God die hemel ende aerde gescepen hebt, ontfermt u mijnre, want mijn leven is ghedaen. ay Reynout mijn lieve broeder, ic bid Gode dat hi u bewair van misvalle ende alle mijn broeders: mi en siedi nu nemmermeer.’ Mettien dat Ridsaert dese woerden gesproken hadde quam Reynout na, niet als een mensch mer als die duvel. ende riep lude: ‘Ghi felle bose truwanten, gi moet u roef hier laten.’ Mettien sagen die ridders om ende waren van Reinout seer vervaert ende seiden tot malcander: ‘Ginder coemt Reinout in een gedaent oft een duvel waer: hi is seer toernich ende verbolgen, laet ons vlien, het is tijt, of wij bliven alle doot.’ Reinout comende biden ridders die Ritsaert gevangen hadden, sloech die eerste daer hi bi quam an twee stucken ende noch twee doot. die ander en boden geen weer: als si dit sagen, gaven si die vlucht. Aldus verloste Reinout sijn broeder ende seide: ‘Hoe ist broeder, sidi seer gewont of hebdi enich letsel?’ Ritsaert antwoerde weder: ‘Neen ic broeder, ick ben gesont, God si geloeft.’ Reinout seide weder: ‘Du bloede catijf, waer om lietstu di vangen sonder enige weere? ick segt inder waerheit: het is grote scande dattu di soe vangen liets. Dese reise sal ick u vergheven, mer God moet mi verdoemen, gevaltet u meer, of ic na u sie of bescudde.’ Doe seide Ritsaert: ‘Broeder, ic en mochtes niet beteren want mijn ors bleef onder [fol. 157] mi doot ende eer ic op comen conde, was mi mijn swaert benomen. aldus was ic gevaen’ ende als si dus tegen malcander spraken had Werrijn Reynout verre vervolcht dat hi bi hem quam, ende reeter met cracht op ende sloech Reinout onversien met een eynde van een speer so vreselic, dat hi al verdoeft sat in die sadel ende seide: ‘Du valsche tyran. du hebste mijn swager verslegen den edelen Fouken van Morlioen. qualic moetstu sterven: nu sal ic u binden ende vangen. ende senden u coninc Karel, de u an Montefaucoen sal doen hangen met uwen broeders.’ Binnen dien is Reynout becomen ende verhief sijn swaert met sulcker cracht ende sloech Werrijn dat hoeft an twe stucken so dat hi doot ter aerden viel. Doe seide Reinout: ‘Werrijn, hoe ist. dede ic u seer? suldi mi vangen ende binden ende senden den coninc dat hij mi met mijn broeders hange? ic wane gi en sult niet.’ Als dat Werrijns volc saghen begonden si te beclagen haren here ende seiden: ‘Wi sijn nu al verloren want Werrijn onse heer is doot; dat heeft de vrome Reynout gedaen: hi waende Reinout te vangen ende senden coninc Karel, mer tis om niet, hi heeftet metter doot becoft.’ Doe sloegen Werryns volc op Reinout seer vreselic so dat de histori seit dat Roelant, Olivier oft Ogier nye so vrilic of heerlic en vochten als dese broeders deden, mer Reinout vacht principael boven hem allen. Doe quam die grave van Calons met zyn volc toe gheslegen ende die grave reet op Reinout ende stac hem sijn ors doot, des was Reinout droevich. ende sloech den grave daer hi zijn cracht toe dede so dat hi vanden orsse viel ende Reinout spranc weder op dat ors: aldus hadde Reinout twee orssen van dien dage. Doen reet hi daer hi theer dicste sach ende scoerde haer bataelgen: die porsse wort seer groot op Reinout ende hi sloeg er menich [fol. 158] doet; onder des wort Ritsaert soe amachtich dat hi hem niet verweren en mocht want het bloet ontginc hem vander herten so dat hem sijn leden begaven ende hi viel in onmacht. Als dit versach Reinout was hi droevich ende riep: ‘Waer sidi broeder Adelaert? hier leit verslagen onsen broeder Wridsaert! God wil zijn ziel ontfermen.’ Doe seide Adelaert: ‘Ay lacen, God laet daer ons wrake of doen.’ Die grave van Calon bevacht Reinout seer scarpelic ende dede hem verdriet te voet ende te paerde: die doen Reinout had mogen sien vechten ende hem selven bescermen vander doot, men soude hem geprijst hebben boven enich ridder. Adelaert vacht mede als een vroem ridder, so dede mede Ritsaert. Dus vochten si met vromer herten mer de macht van de grave Calon was so groot dat sijs niet wederstaen en mochten: groot volc quam hem te hulpe. Als Reinout sach dat hi den grave Calon ende zijn volc niet wederstaen en mochten, so nam hi sijn broeder op sinen hals ende liep met haesten na een roetse die daer bi stont ende was van mormersteen: sijn broeders volchden hem. als Ridsaert ende Wridsaert om te beschermen, dat si hem niet en misdeden, ende Reinout brocht hem op de roetse ende leide hem daer neder op een platte steen, ende als si alle bi malcanderen op die roetse waren, daermen niet wel op comen en mochte dan een nauwe wech - ende dair was veel steen op, die drogen si bi een - , daer worden si vervolcht totter roetsen toe ende worden strengelic bevochten, dair weerden hem die drie broeders tegen dat heer. ende Reynout werp so vreselic dat die roetse nyemant genaken en mocht, si en bleven doot.

Toen Reinout zijn schoonvader deze woorden hoorde zeggen verheugde hem het hart en zijn gemoed; hij antwoorde wijs en zei: ‘God is daarvan uw loon, zo was ik niet in mijn leven zo blijde of niet kwam me zo’ n blij bericht van de vrede van mijn oom ,dat mag je van mij wel geloven.’ Toen zei de jongeling: ‘Zeg me heer koning, wat verzoening zal ik mijn oom geven? Zal ik hem een voetval doen?’ Toen antwoorde de koning Yewyn: ‘Ge zal tegen de koning verzoenen te Vaucoloen, daar zal ge hem verzoenen in wol gekleed en barrevoets.’ Toen koning Yewyn dit zei wou Reinout hem kussen aan zijn mond, toen zei Yewyn: ‘Reinout, kus me niet want mijn hoofd zweert me zo zeer, ik kan geen kussen gedogen.’ Toen zei Reinout: ‘ik zal varen in Vaucoloen en nemen met mij 1500 mannen ter avonturen of het zo kwam dat men verraad op me zocht dat mijn volk mij en mijn broeders te hulp kwamen.’ Toen zei koning Yewyn: ‘Reinout dat mag niet wezen want ge moet met uw broeders alleen varen en gij moet ook niet mee nemen Beiaard uw goede paard of ridder of schildknecht want uw vrede is zo gemaakt tegen koning Karel als dat gij met uw broeders ootmoedig moet rijden op muilezels van Aragon zonder wapens in uw kleren.’ Reinout zei weer: ‘Dat doe ik niet, die voorwaarden zijn voor niet: zou ik alzo in Vaucoloen varen, dat zeg ik u voor waar, en mijn vrede niet gemaakt was tegen de koning, al was ik zo groot als een berg, ik ontging het niet.’ De koning zei: ‘Ik zeg u bij al dat leeft, uw vrede die is gemaakt.’ Reinout zei weer: ‘Heer, ik zal me gaan beraden’ en hij ging met zijn broeders in een stenen kamer daar hij vond zitten zijn vrouwe Clarisse. Reinout zei: ‘Vrouwe, nu wil ons helpen raden want uw vader is gekomen uit Frankrijk en zegt dat mijn vrede gemaakt is tegen koning Karel en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen en zoeken daar de konings ootmoed in onze mantels van scharlaken, wol en barrevoets. En is het waarachtig dat mijn vrede gemaakt was, ik was niet zo blij al gaf men mij Frankrijk als dat ik vrede had met mijn oom.’ Vrouwe Clarisse zei: ‘Heer, ik raad u aan dat ge daar niet vaart, want in de waarheid zeg ik u, hoort wat naar mij: vannacht toen ik lag op het bed zo dacht ik dat ik zag in mijn droom waar ik grote angst van had dat ons goede paard Beiaard gewond was in geĎrgerd gemoed, daarom heb ik grote angst dat ge daar bent verraden; daarom heer: blijf in uw kasteel zo behoef je nergens voor bezorgen en zend een verspieder in Vaucoloen die zal wel vernemen of ge daar vrij varen mag of niet.’ Toen zei Reinout: ‘Vrouwe, ik doe dat niet, me komt er van dat komt. Ik zal varen in Vaucoloen en verzoenen tegen de koning: dat laat ik niet.’ De vrouw die dit hoorde was daarom zeer droevig en zei: ‘Edele heer, doe dan dat ik u zeggen zal: bid mijn vader dat hij met u vaart met al zijn ridders goed gewapend tot in het land van Vaucoloen, zo mag u niets misgaan want ik grote vrees voor u, edele heer, heb en is het dat hij met u wil rijden zo mag ge in Vaucoloen vrij rijden, gij en uw broeders mede en is het dat hij dat niet doen wil, zo vaar er niet: het staat me voor dat u die vaart berouwen zal.’ Met deze woorden keerden ze alle tezamen uit de kamer in de zaal daar ze Yewyn de valse koning vonden. Reinout zei: ‘Heer koning, ik bid u dat gij met uw ridders me begeleid in Vaucoloen, zo mag ik met eren weerkeren en behouden mijn lijf en eer.’ De koning zei weer: ‘Edele ridder, dat mag ik niet doen want uw vrede is alzo gemaakt tegen koning Karel dat ge alleen moet varen met uw broeders en moet hebben wapens nog zwaard nog Beiaard: ik zal op u wachten hier en waarnemen het kasteel, gij behoeft nergens over te zorgen.’ Toen de vrouw deze woorden haar vader hoorde spreken trok ze dichterbij en zei: ‘Reinout, ik bid u dat gij daarheen niet trekt, ik zeg u voor waar: ik hoor wel dat mijn vader u verraden heeft en ge weet wel dat hij het goed zeer mint.’ Toen Reinout zijn vrouw deze woorden hoorde spreken werd hij toornig en sloeg haar met zijn handschoen op de mond zodat haar bloed te mond en te neus uitsprong en hij zei: ‘Wat is het dat ge zegt? Ik geloof u niet: waarom zou uw vader mij verraden tegen mijn oom? Wat heb ik hem misdaan? Want ik heb zulke mooie kinderen bij u die uw vader lief heeft en ik zeg u: vermaledijdt zijn ze alle die kwaad zeggen van hun vader! Ik zeg u vrouwe, ik en mijn broeders zullen alle in Vaucoloen varen en een voetval doen.’ Met deze woorden nam Reinout verlof en koning Yewyn deed de muilezels halen en de mantels daar ze in rijden zouden en de heren zaten op hun muilezels en wilden rijden naar Vaucoloen. Toen dit de vrouwe zag was ze zeer bedroefd en had om Reinout groot gevaar en riep tot haar Ritsaert en zei: ‘Ay edele koene ridder, ik bid u, neem deze vier zwaarden en voer ze heimelijk met u want ik zeg u: wist het Reinout, ge zou ze niet mee nemen; ik vrees dat gij ze nog wel te doen zal hebben en niet ontberen om geen goed.’ Ritsaert hoorde de woorden van die vrouwe en bedankte haar zeer en nam de zwaarden van haar en hield ze heimelijk onder zijn mantel en zei: ‘God dankt u vrouwe, dat gij het bedacht en die ze bracht zo heimelijk: ik zal ze graag mee nemen.’ Hiermee namen ze alle verlof en verlieten Montalbaen, Reinout en zijn broeders. De goede vrouwe weende zeer en dreef groot misbaar en bad dat ze God in zijn hoede nam. Toen Reinout een stuk gereden had hief hij op een liedje omdat hem het hart verfraaien zou. Toen zei die dappere Adelaert: ‘ik zeg u broeder Reinout, een man de in aldus zware oorlog ligt en gevaar hoort niet te zingen.’ Reinout zei weer: ‘Broeder, mijn hart is zo zwaar ik weet niet wat het betekenen mag: ik bid God dat hij ons bewaart voor schade of schande.’ Toen zei Adelaert: ‘Hoe is het lieve broeder, is u iets anders dan goed?’ Toen zei Reinout weer tot Adelaert: ‘Broeder, mijn hart zegt anders niets dan goed dus laat ons in Gods naam varen. God geeft ons alle dingen te goede.’ Aldus reden ze zo lang dat ze bij Vaucoloen kwamen en meteen heeft Reinout Fouken van Morlione gezien. Toen zei Reinout: ‘Help heilige kruis, me dunkt we varen alle in onze dood: ik heb gezien Fouken’ s  standaard.’ Toen waren de broeders alle weemoedig en zeiden: ‘Reinout, laat ons vlieden want koning Yewyn heeft ons verraden en verkocht.’ Toen zei Reinout: ‘ik hoop aan God dat de koning Yewyn al zulk verraad niet zou willen doen. ’ Toen de broeders deze woorden onderling hadden heeft Fouken gezien Reinout en riep: ‘Gij heren, elk maakt zich gereed: ginder komt de graaf Reinout met zijn broeders gereden op muilezels van Aragon.’ Fouken was dapper en van moed groot: hij sprong op zijn paard met sporen en reed wat het paard lopen mocht naar Reinout en toen hij bij Reinout kwam zei hij: ‘Reinout, geef u gevangen want ge Beiaard uw goede paard met slechte raad achter gelaten hebt want nu zal ik u alle vangen en zenden u de koning van Frankrijk die u zal doen hangen.’ Toen Reinout dit hoorde zei hij: ‘ik hoop dat het niet zal en bij uw woorden zal ge bedrogen worden en van al zulke dood wil ons God beschermen.’ Toen zei Reinout: ‘Ik bid u Fouken, wil ge me helpen aan mijn vrede tegen de koning, ik wil u geven vier duizend kronen en Beiaard mijn goede paard en mijn kasteel van Montalbaen wil ik ontvangen van u te leen.’ Toen zei Fouken: ‘Wat mij daarvan komt, ge bidt om niet: geef u met haast op want ge moet gevangen wezen.’ Reinout zei: ‘Fouken, laat me door rijden dat ik de koning te voet vallen mag.’ Toen zei Fouken van Morlione: ‘Ik zeg u Reinout, uw koning Yewyn, u wijf’ s vader, heeft u verraden want hij heeft u  verkocht om 20 000 kronen.’ Toen Fouken deze woorden tot Reinout gesproken had zei hij: ‘Reinout, ge moet gevangen met mij varen tot de koning van Frankrijk.’ Reinout zei: ‘Ge zal daarom liegen alzo helpt me God, eer ge mij met kracht vangen zou, ik had me liever dood te vechten, dat zeg ik u.’ Toen Fouken Reinout deze woorden hoorde spreken werd hij met toorn ontstoken en liet zijn speer zinken en wou Reinout doorsteken. Reinout die dat zag durfde die steek niet af te wachten en gleed bezijden de muilezel neer, nochtans raakte hem Fouke met de speer wel drie vingers diep en zijn speer was geheel bloederig. Toen Adelaert dat zag zei hij: ‘Reinout is dood.’ Reinout sprong met haast op en zei: ‘Zwijg u schalk, ik heb geen nood: het is gelogen dat ge zegt.’ Ritsaert die zag dat Reinout gekwetst was sprong voort en gaf Reinout in de hand Florenberge dat goede zwaard. Toen zei de dappere Ritsaert tot zijn broeder Reinout: ‘Dat zend u mijn vrouwe Clarisse: had ge gedaan haar raad, het was ons te goede vergaan want ze kende haar vader de koning beter dan gij, broeder Reinout.’ Toen de edele Reinout zag Florenberge verlichtte hem het hart als de dag. Toen zei Reinout: ‘Waar ben je, Fouken van Morlione? God geeft u schande en verdriet, ge doet dat u Karel gebiedt: ge waant ons te vangen en te binden en te zenden koning Karel. Ik heb Florenberge in de hand en anders geen wapen; ben je zo koen, kom nader.’ Toen Fouken Reinout deze woorden hoorde spreken keerde hij het paard met haast en reed op Reinout met een gram gemoed. Hierbinnen had Ritsaert elk een zwaard gegeven en Fouken waande Reinout met kracht te doorrijden. Reinout nam tot Fouken grote hoede en hieuw hem de speer in twee en nam Fouken’ s paard bij de toom en zei: ‘Florenberge, wat kan ge nu doen? Ben je nu niet goed zo prijs ik u niet.’ Meteen sloeg hij Fouken boven op de helm en doorsloeg de helm van staal zodat het zwaard in ging tot de kinnenbak en viel dood van het paard voor zijn voeten, dus was Reinout blijde en zei: ‘God vermaledijdt u, u zal het niet wezen diegene die ons hangen zal of gevangen leveren de koning.’ En meteen sprong Reinout op Fouken’ s paard dat zeer sterk en groot was en menige mark waard was. Binnen die dat Reinout Fouken’ s paard beschreden had zo heeft elk van zijn broeders een Fransman van het paard geveld en riepen: ‘Sla voort! maar broeder Reinout, laat ons uit deze nood weg komen want worden we gevangen we blijven dood: de koning Yewyn heeft ons verkocht en met verraad gebracht in deze last.’ Toen zei Reinout: ‘Zwijg broeders, ik heb Florenberge in mijn hand, wijk ik heden enige man, God moet me verbieden zijn hemelrijk.’ Toen worden deze vier broeders zeer dapper bevochten en daar was dat geruis en gekrijs zeer groot: daar vocht Reinout de dappere jongeling gelijk een leeuw en al zijn broeders dergelijk; aldus de vier broeders stonden tegen de Fransen die op hen waren fel en wreed en verweerden hen mannelijk want ze sloegen grote slagen en die veel. Aldus vochten ze van ‘s morgens tot over middag. Toen zei die edele graaf Reinout: ‘Me verwondert dat we zonder wapens zijn en nog leven; daarom ga van uw paarden en doe aan die wapens - het is ons nood - van diegene die daar verslagen liggen: ik zal u wel beschermen met het zwaard en zo’ n plaats houden dat u niemand misdoen zal of hij zal het met de dood bekopen.’ Met deze woorden traden Reinouts broeders van de paarden en wapenden hen met grote haast en namen het harnas van die edelen die daar verslagen waren dat ze aantrokken en de vierde gaven ze Reinout dat hij het aan doen zou. Adelaert zei: ‘Ik bid u broeder, ga van uw paard en trek deze wapen aan: we zullen u met het zwaard zo behoeden dat u niemand misdoen zal.’ Meteen zaten de drie broeders weer op hun paarden en hielden zich vast bij elkaar om Reinout te beschermen die van het paard gegaan was om het harnas aan te doen, wat Reinout aandeed met grote haast want hij had niemand die hem bediende en eer Reinout dat wapen aandeed kwam op hem Werrijn van Morlione met 2 000 mannen, alle goed voorzien van wapen en hij sloeg met al zijn volk krachtig op die heren en eer Reinout te paard kon komen was Adelaert zijn maliĎnkolder doorslagen en Writsaert zeer gewond en gevangen van Werrijn van Morlione. Toen zei Werrijn tot Writsaert: ‘Ik zal u terstond zenden de koning van Frankrijk die u niet gaf om al het goed van de wereld en hij zal u doen hangen aan de galg te Montfaucon.’ Ritsaert zei: ‘Werrijn dat is me leed.’ Toen zei Werrijn 34 ridders dat ze scherp toezagen tot Ritsaert die hem gevangen voeren zouden in Vaucoloen. Toen Reinout gewapend was en op zijn paard zat zag hij al om en miste zijn broeder Ritsaert daar hij met haast naar vroeg. Toen zei Adelaert: ‘Hij is gevangen van Werrijn van Morlione.’ Toen Reinout dat hoorde was het hem wee te moede en zei: ‘Laat ons rijden en behoeden hem.’ ‘Wat zou ik bedrijven?’ zei Adelaert, ‘mijn maliĎnkolder is doorslagen en ik weet wel dat hij zo zeer gekwetst is, tenzij doet God, hij moet er om sterven; daarom is het beter Ritsaert alleen verloren dan wij alle.’ Toen Reinout dit hoorde van Adelaert werd hij toornig en zei: ‘Wat zeg je valse ellendige, zullen we dat lijden dat men Ridsaert voor onze ogen gevangen weg voeren zou en zenden de koning die hem hangen zou? Was het dat hij hem krijgen kon of het nog zo kwam dat we onze vrede geraakten met koning Karel, zo zou men zeggen: ziet waar rijden Aymyns kinderen die tegen koning Karel strijden wilden daar ze grote schande en verlies van hebben want koning Karel heeft een broeder doen hangen aan de galg te Montfaucon. Was dit niet grote schande wat men daarvan zei?’ Met deze woorden stak Reinout zijn paard met sporen dat hij op Fouken won dat men prees de waarde te wezen 1000 pond, maar het leek Reinout zeer traag en slecht te wezen want het leek hem niet waard te wezen een kaf, zo veel was Beiaard sterker en sneller. Hier binnen hebben de 34 ridders Ritsaert gevangen gesteld op een paard en bonden zijn benen aan de stijgbeugel en reden daarmee naar Vaucoloen en gaven hem menige slag en zeiden smadelijk tot Ritsaert: ‘Nu ben je gevangen en ge mag niet ontgaan of verdingen, al bad voor u half de mensen van de wereld. Wij zullen u gauw leveren de koning van Frankrijk die u zal doen hangen.’ Toen zei Ritsaert in zichzelf: ‘O genadige God die hemel en aarde geschapen hebt ontfermt u mij want mijn leven is gedaan. Ay Reinout mijn lieve broeder, ik bid God dat hij u bewaart van misval en alle mijn broeders: mij zie je nimmermeer.’ Meteen dat Ritsaert deze woorden gesproken had kwam Reinout na, niet als een mens maar als de duivel en riep luid: ‘Gij felle boze trawanten, ge moet uw roof hier laten.’ Meteen zagen die ridders om en waren van Reinout zeer bang en zeiden tot elkaar; ‘Ginder komt Reinout in een gedaante of het een duivel is: hij is zeer vertoornd en verbolgen, laat ons vlieden, het is tijd of wij blijven alle dood.’ Reinout die komt bij de ridders die Ritsaert gevangen hadden en sloeg de eerste daar hij bij kwam in twee stukken en nog twee dood, de andere boden geen verweer: toen ze dit zagen gaven ze de vlucht. Aldus verloste Reinout zijn broeder en zei: ‘Hoe is het broeder, ben je zeer gewond of heb je enig letsel?’ Ritsaert antwoorde weer: ‘Neen ik broeder, ik ben gezond, God is geloofd.’ Reinout zei weer: ‘U bange ellendige, waarom liet u zich vangen zonder enige verweer? Ik zeg het in de waarheid: het is grote schande dat u zich ze vangen liet. Deze reis zal ik u vergeven, maar God moet me verdoemen gebeurt het u meer als ik naar u zie of behoedt.’ Toen zei Ritsaert: ‘Broeder, ik mocht het niet verbeteren want mijn paard bleef onder me dood en eer ik opkomen kon was me mijn zwaard benomen en aldus was ik gevangen’ en toen ze dus tegen elkaar spraken had Werrijn Reinout ver achtervolgd zodat hij bij hem kwam en reed er met kracht op en sloeg Reinout onvoorzien met een eind van een speer zo vreselijk zodat hij al verdoofd zat in het zadel en zei: ‘U valse tiran, u hebt mijn zwager verslagen de edele Fouken van Morlione, kwalijk moet u sterven: nu zal ik u binden en vangen en zenden u koning Karel die u aan Montfaucon zal doen hangen met uw broeders.’ Binnen die is Reinout bekomen en verhief zijn zwaard met zo’ n kracht en sloeg Werrijn dat hoofd in twee stukken zodat hij dood ter aarde viel. Toen zei Reinout: ‘Werrijn, hoe is het, deed ik u zeer?  Zal ge me vangen en binden en zenden de koning dat hij mij met mijn broeders hangt? Ik waan ge zal het niet.’ Toen dat Werrijn’ s volk zagen begonnen ze te beklagen hun heer en zeiden: ‘We zijn nu alle verloren want Werrijn onze heer is dood; dat heeft die dappere Reinout gedaan: hij waande Reinout te vangen en zenden koning Karel, maar het is om niet, hij heeft het met de dood bekocht.’ Toen sloeg Werrijn’ s volk op Reinout zeer vreselijk zodat de historie zegt dat Roelant, Olivier of Ogier niet zo vrolijk of heerlijk vochten als deze broeders deden, maar Reinout vocht principaal boven hen allen. Toen kwam de graaf van Calons met zijn volk toegeslagen en die graaf reed op Reinout en stak hem zijn paard dood, dus was Reinout droevig en sloeg de graaf daar hij zijn kracht toe deed zodat hij van het paard viel en Reinout sprong weer op dat paard: aldus had Reinout twee paarden op die dag. Toen reed hij daar hij het leger het dikste zag en scheurde hun legerschaar: de groep wordt zeer groot op Reinout en hij sloeg er menigeen dood doet; ondertussen wordt Ritsaert zo amechtig dat hij hem niet verweren mocht want het bloed ontging hem van het hart zodat hem zijn leden begaven en hij viel in onmacht. Toen dit zag Reinout was hij droevig en riep: ‘Waar ben je broeder Adelaert? Hier ligt verslagen onze broeder Writsaert! God wil zijn ziel ontfermen.’ Toen zei Adelaert: ‘Eilaas, God laat daar ons wraak van doen.’ De graaf van Calon bevocht Reinout zeer scherp en deed hem verdriet te voet en te paard: die toen Reinout had mogen zien vechten en zichzelf beschermen van de dood, men zou hem geprezen hebben boven enige ridder. Adelaert vocht mede als een dappere ridder, zo deed mede Ritsaert. Dus vochten ze met dappere harten maar de macht van de graaf Calon was zo groot dat ze het niet weerstaan mochten: groot volk kwam hem te hulp. Toen Reinout zag dat hij de graaf Calon en zijn volk niet weerstaan mocht zo nam hij zijn broeder op zijn hals en liep met haast naar een rots die daarbij stond en was van marmersteen: zijn broeders volgden hem. als Ritsaert en Writsaert om te beschermen dat ze hem niets misdeden en Reinout bracht hem op de rots en legde hem daar neer op een platte steen en toen ze alle bij elkaar op die rots waren daar men niet goed op komen mocht dan een nauwe weg - en daar was veel steen op, die droegen ze bijeen - , daar worden ze achtervolgd tot de rots toe en worden sterk bevochten, daar weerden hen de drie broeders tegen dat leger en Reinout wierp zo vreselijk dat de rots niemand genaken mocht, ze bleven dood.

 

 

 

Als die grave Calon sach dat hi de roetse niet winnen en mocht, was hi droevich; de grave Ogier was mede inden velde [fol. 159] ende seide in hem selven: ‘Ay soete neven, gi moecht wel clagen vriendeloes. want si begeven u ende dat doer bedwanc van coninck Karel, die hem onderdanich zijn; ic soude u gaerne helpen mer ic dar niet doer ontsicht vanden coninck, twelc mi seer deert ende na dat ic u niet helpen en der, so en wil ic u niet deren, mi comer of dat mach.’ Een verrader de dit horende was, seide tot Calon ende Calon riep doen tot Ogier: ‘O edele grave Ogier, gi sijt een verrader.’ Ogier wert toernich als hi dit horende was ende seyde met grammen moede: ‘Calon, gi lieget daer an, ic segge u dat ic nemmermeer verrader wesen en sal, mer ontsage ic den coninc niet, so waer u evel geschiet, want ick soude hier u hoeft of slaen dat gi nemmermeer man verradenis an en teecht.’ Doe seide de grave anderwerf: ‘Ick seg u Ogier, dorsti wel, gi sout verradenis plegen.’ Ogier keerde hem om. ende began in grammen moede te sien op die grave Calon seer grijselijc want hy en mocht de woerden niet langer verdragen ende seide: ‘Noch seg ic u: en ontsage ic den coninc niet, so soude u evel geschien; ic soude u met myn swaert in twee stucken cloven, soe dat ghi nemmermeer man en beteecht met verradenis.’ Die grave Calon balch hem seer ende seide: ‘Gi hebt den coninc tot menigen stat getrouwelic gedient ende nu falgierdi.’ Ogier antwoerde: ‘ic seg u heer grave, het ware mesdaen dat ic soude vangen mijn magen datse die coninc hangen soude, so waer ic arger dan een dief; mer beliefdet u, soe woude ic tot hem gaen ende vragen hem of si hem wouden op geven of langer strijden.’ Doe seide Calon: ‘So doet, ic sel mijn volc doen achterwairt trecken vander roetsen, so salmen varinc sien of ghi verradenis pleecht of niet.’ Doe dede die grave Calon al sijn volc vander roetsen trecken ende Ogier reet totter roetse [fol. 160] ende als Ogier so na quam datmen hem verstaen mocht, riep hi lude: ‘O Reinout neef, ic bid u en werpt niet, want de grave Calon heeft mi tot u gesent ende doet u vragen, neve, of gi u op geven wilt.’ Reinout seide weder: ‘Verrader, hoe moechdi mi begeven ende mijn broeders mede? ic seg u, mach ic vanden stride keren, gi sult een viant an mi hebben. Treet achterwaert, heer Ogier, so helpe mi God, ic werpe u met een grote steen dat ghi ende u paert beide doot blijft.’ Doe seide Ogier: ‘Neve, so dedi quaet, want ic seg u inder waerheit, dat u misquame, dat wair mi leet.’ Doe sach Ogier dat Reynout met sijn broeders over zijn knien lach, doe seide Ogier: ‘Edel grave Reinout, rust u wat, want mi dunct dat gi moede sijt.’ Doe seide Reinout weder: ‘Verrader, hoe moechdi u magen begeven? wacht u, gi sult mi viant wesen.’ Doe seide Adelairt: ‘Vaert te Gode neve, dat u God eere. want gi en begaeft ons nye ter noot sonder nu, dat is mij leet. Ogier gi weet hoet staet met ons. mochte gi ons nu vercrigen vrede tegen den grave Calon, dat bidden wi u vriendelic, wi willen hem gairne dienen.’ Doe seide Reinout: ‘Broeder, gi en verstaet u des niet: wi sijn so na den verrader Ogier dat hi ons met recht helpen soude; nu seit hi “ic en derf niet vanden coninc,{q/q/} daer om seg ic hem ende hij mach daer toe tiden: ist dat mi God spaert ende vanden strijde weder kere, enen doot viant heeft hi an mi.’ Ogier seide: ‘Blijft met Gode, mijn lieve neven. ende wat ghi doet, en ruymt ymmer de roetse niet.’ Doe seide Adelaert: ‘God die doer ons sterf, moet u geleiden.’ Hier mede is Ogier gesceiden vanden roetse ende reet totten grave Calons ende als hi bij hem quam, seide die grave Calons: ‘Ic sie wel Ogier, ghi wilt verradenis plegen.’ Ogier seide: ‘Ghi liecht daer om, valsch grave,’ ende doersach den grave [fol. 161] met een wreet gesicht an, ‘ic seg u: en ontsage ic niet den coninc, des mocht gi vry weten, ic soude u thoeft vanden buke slaen, mer ist dat u goet dunct, ic woude vertrecken ende gi sout selve met u volc trecken an de roetse ende vragen mijn neven of si die roetse wouden op geven ende ic sal met mijn volc gaen leggen op geen ander berch ende wachten of hem enich hulp of secours comen sal ende comt hem enich hulpe, ic salse met min volcke so doerslaen dat hem gruwen mach ende salse alle slaen of vangen. ist in mijnre macht.’ Als Calon desen raet hoerde dochtet hem goet ende Calon beleide den berch met zyn volc. ende Ogier vertoech met sijn volc op een ander berch om de passagy te wachten. Als Reinout dus belegen was met sijn broeders in groter noot, so hadde hi een clerc, tot Montalbaen gebleven was ende de hem seer lief hadde, sach dus des nachtes inder sterren. dat Reinout belegen was ende waert dat men hem geen ontset en dede met zijn broeders, hi moste verloren bliven ende sterven. want dese clerc was een vroet astronomus. ende vant oec inder sterren dat si van coninc Yewijn verraden waren. Als die clerc dit aldus doersien hadde was hi bedroeft ende ginc in de sale tot Montalbaen, doe sach hi Maeldegijs wt een camer comen, die riep totten cock ende drossaet seggende: ‘Gi heren, siet dat gi tavont genoech bereyt, want noch tavont sal Reinout met sijn broeders thuys comen: aldus legget in elcke scotele een swaen ende putoer, een craen of reyger.’ Als die clerc dit Maeldegijs hoerde seggen seide hi tot Maeldegijs: ‘Ick seg u inder waerheit dat Reinout noch tavont niet en comt, want te nacht als ic inder sterren sach, vant ic an die teyken vanden hemel als dat Reinout met sijn broeders verraden sijn ende op een berch belegen is. ist datmen hem nyet geringe en [fol. 162] ontset of te baten comt, si bliven daer alle doot. ende desen berch is gelegen bi Vaucoloen.’ Als Maeldegijs dit hoerde wert hij met rouwen bevangen ende toech een mes ende woude hem selven van weemoedicheit doden. Als die clerc dit sach spranc hi mit haesten toe ende hielt Maeldegijs die hant dair hi tmes in had ende ontwranc hem wter lant met gewelt. Doe seyde die clerc: ‘Maeldegijs, wat wildi doen? al haddi u selven gedoot nochtans en waren u neven niet wt haren noet verlost. Mer gaet ende maect u seyn als coninc Yewijn met zijn volc slapen is, ende vergadert dan al u vrienden die u helpen willen ende doet u wapenen aen. ende rijt dan met haesten hem te helpen ende neemt Beyaert met u.’ Dit dochte Maeldegijs goet raet ende als coninc Yewijn slapen was met sijn volc, ghinc Maeldegijs ende blies den horen ende vergaderde al zijn volc dat hij crijgen conde ende alst al gedaen was ginc hi in die stalle daer Beiert stont ende als Maeldegijs Beyert sach, sloech hi na hem ende Maeldegijs spranc afterwaert. Doe nam Maeldegijs een sadel ende waendese op Beyert te werpen mer Beyert en woudes niet hebben. ende sloech teghen die sadel so dat Maeldegijs vloech tegen een balc ende viel in onmacht, van hem selven niet wetende, ende als hij bequam, spranc hi op met toernigen moede ende greep een stoc in sijn hant. ende sloech Beyert dat hi op sijn afterste voeten sat ende Beyaert spranc weder op ende liep na Maeldegijs ende waer hi nyet ontlopen, het hadde hem verbeten. Doe seide Maeldegijs met een toernigen moede: ‘Beyert, lachter ende oneer moet di geschien; dattu mi dus verbijtste ende slaetste want Reinout die edel grave die di veel doechden gedaen heeft, is in groten noet ende moet dair tlijf verliesen, ist dattu hem niet en helpste.’ Als Beyert dit verstont knieldet [fol. 163] voer Maeldegijs. Doe Maeldegijs dit sach dat hem Beyaert niet en weerde met slaen of biten, nam hi den sadel ende werpen op Beiert ende gorde de sael met vier banden ende als Beyairt gesadelt was, ginc Maeldegijs ende wapende hem seer cierlic. Ende als Maeldegijs gewapent was spranc hi op Beyert ende nam een scilt ane den hals ende een starke glavie in die hant ende reet met sijn volc met groter haest na Vaucoloen: hi hadde versaemt in sijn hulp xv hondert mannen die alle heerlic op geseten waren ende vrome mannen ter wapen. ende wel versien van harnas. die alle begeerte hadden om Reinout te ontsetten. Maeldegijs en conde Beyert niet bedwingen, ten spranc altoes tegen sinen danc. aldus quamen si rijden soe lange met haesten dat si int dal van Vaucoloen waren ende Maeldeghijs was met Beyaert twee grote boechscoten voer die ander. Reinout met zijn broeders die op de roetse belegen waren ende dicwijl anegevochten waren, hadden hem so lange geweert. dat si hem niet meer weren en mochten met werpen noch met steken of slaen. ende souden die roetse op gegeven hebben. want si en mochtens niet langer houden, des si alle droevich waren, ende meenden alle te sterven. Als si aldus in desen druc waren sach Reinout beneden int pleyn Maeldegijs comen rijden met Beyaert, des was hi blijde ende seide: ‘Gi heren, weest vrolic. ende sonder anxt want ic sie Maeldegijs comen rijden op Beyaert ende heeft groote begeerte ons te helpen ende mi verwondert dat ic nyemant en sie van mijn volc. wat mocht beduden dat mijn oem Maeldegijs alleen coemt? Gave God dat ic hier hadde myn volc van Montalbaen: si souden ons te hants wel wter noet helpen.’ [fol. 164] Ridsairt de dair lach ter airden of hi doot geweest had, als hi Reinout hoerde vermanen van Beyert hief hi sijn hoeft op ende seide: ‘Reinout broeder, ic bid u, en hoerde ic niet nomen Beiaert. ic ware gesont.’ Doe antwoerde Reinout: ‘ic sien comen in genen dale ende Maeldegijs sitter op ende brencten herwairt, mer ic duchte voer Ogier dat hi Maeldegijs mochte slaen.’ Adelaert seide: ‘Broeder, laet die sorge bliven: al hadde Ogier hem gevangen, hi soude hem wel ontgaen bi zijnre consten.’ Doe seide Wridsaert: ‘Helpt mi broeder, dat ic op mijn beenen stae ende laet mijn Beiaert ende Maeldegijs sien.’ Doe trat Reinout voert ende nam Wridsaert in zijn armen ende hielten op sijn benen ende voeten staende. Doe sach Wridsaert neder int dal daer Beiert liep: hi wert blide ende seide met soeten woerden: ‘Broeder, nu ben ic genesen.’ Als Maeldegijs dus quam riden met haesten, wert hi Ogier gewaer ende reet op hem wat dat Beiert lopen mochte ende stac op Ogier zijn spere ontween. Doe seide Ogier: ‘ic ben u viant.’ Maeldegijs antwoerde: ‘Verrader, dat u God scende, en sidi niet hoe u magen in groten noot belegen sijn op die roetse ende in sorge van haren live staen, ende ghi en wiltse niet helpen, twelc u grote onnere is; ic seg u: wacht u voert, ic ben u viant.’ Ogier seide weder: ‘Ic seg u Maeldegijs, en ontsage ic niet u toverie, so waer u evel van mi geschiet. ic soude u vechtens so moede maken dat u verdrieten mochte.’ Maeldegijs was toernich ende toech sijn swaert mit grammen moede. ende gaf Ogier sulcken slach dat hij en hoerde noch en sach. Als Ogier becomen was trac hi wt sijn swaert ende soude Maeldegijs ghesleghen hebben mer Beyert ondroech hem wten slage. ende liep ter roetsen wert ende Reinout sach [fol. 165] neder ende sach sijn volc comen, des sijn hert vervroechde. ende seide: ‘Ic heb mijn volc versien die ons nu wel in staden sullen staen. nu laet ons neder gaen hant an hant, recht of wij ons gevangen wouden geven. want Calon en weet niet datter beneden geschiet is.’ Aldus namen si malcander bider hant ende gingen nederwaert; dit sach de grave Calons dat Reinout met sijn broeders neder quamen ende seide: ‘Mi dunct dat Reinout met zijn broeders hem op geven willen: nu sal icse vaen. ende voerense in Vrancrijc tot coninc Karel, ic weet wel hi en lietse niet verdingen om geen goet.’ Met desen woirden reet Calon de grave ten roetse waert ende met dien is Beiert an de roetse gecomen ende heeft Reinout versien. ende ontdroech Maeldegijs tegen sinen danc ende liep Reinout tegen. Als Maeldegijs sach dat hi Beiert niet weder houden en mocht, wranc hi hem den breidel met cracht inden mont ende als Beiert dat voelde, spranc hij enen groten spronc dat Maeldegijs rumen most die sadel. ende viel vanden paerde ende Beiert liep tot Reinout. Maeldegijs spranc met haesten op. ende daer quam een goed Bourgonioen met den grave Calon ende hadde een goet ors bescreden. Maeldegijs liep teghen hem. ende sloech den Bourgonioen met sulcker cracht voer zijn borst dat zijn swaert doir sneet al sijn lijf, so dat hi doot vanden paerde viel. Doe seide Maeldegijs: ‘Bourgonyoen, du moeste hier dijn ors laten’ ende mettien sprancker Maeldegijs op ende stac tpaert met sporen. ende reet ter roetse waert. Die grave Calon sach om ende sach Beiert na die roetse lopen want hi verkenden bi sijn snelle lopen ende Beiert is ghecomen bi Reinout; doe seide Reinout: ‘Beiert, du moets welcoem wesen’ ende sproncker op met groten begeerten ende als Reinout op Beyert sat. toech hi [fol. 166] sijn swaert Florenbergen ende reet in des graven here, daer dede hij cracht ende groot wonder ende als Maeldegijs sach Reinout comen, seide Maeldegijs die edel ridder: ‘Reinout neve, hier is volc van Montalbaen.’ ende met dien reet Maeldegijs van Reinout ende gemoete een viant, dien hi so vervaerlic sloech dat hi doot ter aerden viel ende daer worter veel verslegen. Als die grave Calon sach dat Reinout op Beyert sat ende sach Maeldegijs mede, soe was hi seer vervairt ende al dat volc van Montalbaen sach hi mede comen riden na sijn volc toe. Doen toech hi met sijn volc achterwaert, so seer ontsach hi tverlies van sijn volc. Binnen deser tijt hadde Reinout soe seer gevochten dat hi alle sijn broeders te paerde gheholpen had ende reden in grave Calons volc ende vochten so seer dattet onsprekelic was. Reinout riep met luder stemmen: ‘Slaet voert, ghy heren van Montalbaen, op alle dese verraders so datter ons geen en ontgae.’ Reinout vacht als een vroem ridder ende versloecher soe veel dattet ongheloeflic is ende Beyaert dede mede grote [fol. 167] moert want het dede menigen ridder de sadel rumen met biten ende slaen. Maeldegijs is inden ghemoet van grave Calon gecomen, dien hi met nijde so op sijn scilt reet ende geraecten so wel dat hi hem doerstac dat die spere ane dander sijde weder wt quam ende viel doot vanden paerde, hier en binnen heeft Reinout een Fransoys geslegen dat hoeft vanden lichaem. Aldus bleef des graven volc bi groter menichten doot want die hystori seit datter op die selfde tijt verslegen worde drie dusent Fransoysen of Bourgonyonen: aldus mosten die grave Calons volc rumen ende Reynout met sijn volc hielden tevelt. ende waren aldus met Gods hulpe ende haren oem Maeldegijs verlost wt die sware last. daer si mede in geweest hadden ende haer vianden verwonnen ende met scanden doen vlien. Als de stoute Ogier sach dat die Fransoysen verwonnen waren. vlogen wten velde, is hi ghereden over een water genoemet die Dordoen mit al sijn volc ende hebben hem ter vlucht ghestelt om haer selven te bergen van haren live ende sijn also gereyst na Parijs ende mits dat Ogier aldus over dat water reet, heeft Adelaert gheropen met luder stemmen ende seide: ‘God wil u geleiden, neve Ogier, ende die moet u alle doecht lonen. ic bid u, Ogier neve, dat gi ons den coninc groeten wilt met soeten woirden ende seggen hem dat hi sijn gout qualic besteet heeft. dat hi den genen gegeven heeft die ons souden doden of vangen. ende also ons leveren tot een present; laet hi ons alsulke soudeniers meer senden, wi sullen hoir soudye wel betalen mit swaren slagen dat si nymmermeer daer achter gheen sout eyschen en sullen.’ Doe antwoerde Ogier. ‘Adelaert neve, u boetscap. wert wel gedaen, des en sal ic niet laten.’ Aldus sceide Ogier van die broeders ende reet na Vrancrijck. Ende Reynout mit sijn broeders ende Maeldegijs met hair volc reden na Montalbaen ende als si onder wege reden swoir Reinout: mocht hi Yewijn sijn swager te Montalbaen vinden, hi soude hem hangen of thoeft vanden buke slaen ‘want hi ons so scandelic heeft verraden, so en sel ic hem gheen genade doen, ic sal hem soe hantieren dat hi nemmermeer man verraden en sal.’ Als Maeldegijs dese woerden van Reynout gehoert had, riep hi enen ridder tot hem die secreet was ende seyde: ‘Gi moet mit haesten varen tot Montalbaen ende benemen dat quaet dat Reinout voer hem genomen heeft: als ghy tot Montalbaen comt. suldi terstont totten coninc gaen ende seggen [fol. 168] hem dat hi gheringe vliet, want ist dat hem Reinout vint, hi sal hem doen hangen. of quader doot doen sterven om dat hise verraden heeft.’ Die ridder was Maeldegijs ghehoersaem ende reet met grooter haest tot Montalbaen ende als hi dair quam ginc hi met haesten totten coninc ende seide hem dat Maeldeghijs hem bevolen had. Ende als die coninc de boetscap van den ridder verstaen had was hi seer droevich. ende hem verwandelde sijn verwe ende bloet ende swoir bi den daghe dat hij after dien dach niet meer cronen dragen soude ende begheven hem in een cloester dat daer omtrent gelegen was ende hiete Beurepaer, om sijn misdaet te beteren ende Gode te dienen mit groter nersticheit want hi Reinout niet en dorste verwachten, overmits dat hi hem seer ontsach: aldus worde coninc Yewijn een moninc ende leefde in groter strengicheit. Reinout mit sijn broeders reden so lange dat si quamen tot Montalbaen. Clarisse de scone vrouwe was met groten rouwe bevanghen ende si in desen rou sittende, sach si haren here comen ende ginc hem te gemoet ende ontfincken vriendelic ende seide met soete woerden: ‘Here, gi moet welcoem sijn.’ Doe seide Reynout: ‘God loens u vrouwe. mer segt mi dat ick u vraghen sal: waer is Yewijn uwen valschen vader die mij ende mijn broeders verradelic wouden laten verslaen?’ Die vrouwe seide: ‘Here, te Beurepaer is hi ghevaren ende hevet hem daer moninc begeven om te beteren sijn leven ende die sonden die hi an u misdaen heeft. ’ Doe seyde Reinout: ‘Vrouwe, ic en gelove u niet: wat had ic hem misdaen, dat hi mi ende mijn broeders so iammerlic verraden souden ende vercopen om. xx. dusent cronen? Dus vrouwe, gaet mede wt mynen ogen, [fol. 169] dat ic u nemmermeer en sie.’ Die vrou seide weder: ‘Ghenade here, wat machic dit beteren?’ Doe seide Ridsaert: ‘Voirwair broder, wi waren alle verloren geweest, en hadde gedaen die edele vrouwe die mi die swaerden heimelic mede voeren dede, dair wi ons bi Vaucoloen mede heerlic weerden want had ic die swairden gelaten, wi waren alle doot: ic bidde u Reinout broeder, vergevet haer uwen evelen moet. God danc, al waren wi verraden, ten heeft ons niet ghescaet.’ Die edel vrouwe viel voer Ridsaert op haer knien. ende badt hem oetmoedelic dat hi haer woude helpen bidden an Reinout, dat hi haer vergave sinen evelen moet. Ridsaert ginc tot Reinout ende seide: ‘Broeder, wilt doch mijn bede horen ende vergeven uwe vrouwe dat si tegen u misdaen hevet ende wildi dat niet doen, soe wil ic wt uwen ogen gaen dat ghi mi nimmermeer meer en siet.’ Doe seyde Reinout: ‘Eer ghi van mi gaen sout, soe vergave ic haer liever al die verradenis die hair vader mede an ons gedaen heeft.’ Als de vrouwe dit hoerde was si blide ende seide: ‘Here, God loens u.’ Ende Reinout nam de edel vrouwe in sijn armen ende custese ende gingen met malcander in die sael ende waren seer vrolick. ende het worde die schoon vrouwe Clarissen al vergheven. so dat Reynout achter die tijt niet meer daer of en vermaende noch in gehoechnis en hadde.

Toen de graaf Calon zag dat hij de rots niet winnen mocht, was hij droevig; de graaf Ogier was mede in het veld en zei in zichzelf: ‘Ay lieve neven, ge mag wel klagen vriendeloos want ze begeven u en dat door bedwang van koning Karel die hem onderdanig zijn; ik zou u graag helpen maar ik durf niet door ontzien van de koning wat me zeer deert en omdat ik u niet helpen durf zo wil ik u niet deren, me komt er van dat mag.’ Een verrader die dit hoorde zei het tot Calon en Calon riep toen tot Ogier: ‘O edele graaf Ogier, ge bent een verrader.’ Ogier werd toornig toen hij dit hoorde en zei met gram gemoed: ‘Calon, ge liegt daar aan, ik zeg u dat ik nimmermeer verrader wezen zal, maar ontzag ik de koning niet, zo was u euvel geschied want ik zou hier uw hoofd afslaan zodat ge nimmermeer man verraad aantijgt.’ Toen zei de graaf ander maal: ‘Ik zeg u Ogier, durfde ge wel, ge zou verraad plegen.’ Ogier keerde hem om en begon in gram gemoed te zien op de graaf Calon zeer afgrijselijk want hij mocht de woorden niet langer verdragen en zei: ‘Nog zeg ik u: ontzag ik de koning niet, zo zou u euvel geschieden; ik zou u met mijn zwaard in twee stukken kloven zodat ge nimmermeer man aantijgt met verraad.’ De graaf Calon verbolg hem zeer en zei: ‘Ge hebt de koning te menige plaats getrouw gediend en nu faal je.’ Ogier antwoorde: ‘ik zeg u heer graaf, het was misdaan dat ik zou vangen mijn verwanten dat ze de koning hangen zou, zo was ik erger dan een dief; maar belieft het u, zo wou ik tot hen gaan en vragen hen of ze zich wilden overgeven of langer strijden.’ Toen zei Calon: ‘Zo doe, ik zal mijn volk doen achteruit trekken van de rotsen, zo zal men snel zien of ge verraad pleegt of niet.’ Toen deed de graaf Calon al zijn volk van de rotsen trekken en Ogier reed tot de rotsen en toen Ogier zo nabij kwam dat men hem verstaan mocht riep hij luidt: ‘O Reinout neef, ik bid u werpt niet want de graaf Calon heeft me tot u gezonden en doet u vragen, neef, of ge u overgeven wil.’ Reinout zei weer: ‘Verrader, hoe mag je me begeven en mijn broeders mede? Ik zeg u, mag ik van de strijd keren, ge zal een vijand aan mij hebben. Treedt achteruit, heer Ogier, zo helpt me God, ik werp u met een grote steen zodat gij en uw paard beide dood blijft.’ Toen zei Ogier: ‘Neef, zo deed je kwaad, want ik zeg u in de waarheid dat u miskwam, dat was me leed.’ Toen zag Ogier dat Reinout met zijn broeders op zijn knieĎn lag. Toen zei Ogier: ‘Edele graaf Reinout, rust u wat, want me lijkt dat ge moe bent.’ Toen zei Reinout weer: ‘Verrader, hoe kan je je verwanten begeven? Wacht u, ge zal mijn vijand wezen.’ Toen zei Adelaert: ‘Vaar tot God neef, dat u God eert want ge begaf ons niet ter nood uitgezonderd nu, dat is mij leed. Ogier ge weet hoe het staat met ons, mocht ge ons nu krijgen vrede met de graaf Calon, dat bidden wij u vriendelijk, we willen hem graag dienen.’ Toen zei Reinout: ‘Broeder, ge verstaat u dus niet: we zijn zo na de verrader Ogier dat hij ons met recht helpen zou; nu zegt hij; “ik durf niet vanwege de koning, daarom zeg ik hem en hij mag daartoe gaan: is het dat me God spaart en van de strijd weer keer en doodsvijand heeft hij aan mij.’ Ogier zei: ‘Blijft met God, mijn lieve neven en wat ge doet ruim immer de rots niet.’ Toen zei Adelaert: ‘God die door ons stierf moet u geleiden.’ Hiermee is Ogier gescheiden van de rots en reed tot den graaf Calons en toen hij bij hem kwam zei de graaf Calons: ‘Ik zie wel Ogier, ge wil verraad plegen.’ Ogier zei: ‘Ge liegt daarom valse graaf,’ en zag de graaf met een wreed gezicht aan, ‘ik zeg u: ontzag ik niet de koning, dat mocht ge vrij weten, ik zou u het hoofd van de buik slaan, maar is het dat het u goed dunkt ik wou vertrekken en ge zou zelf met uw volk trekken naar de rots en vragen mijn neven of ze de rots willen opgeven en ik zal met mijn volk gaan liggen op die andere berg en wachten of hen enige hulp of redding komen zal en komt hen enige hulp ik zal ze met mijn volk zo doorslaan dat het hen gruwen mag en zal ze alle slaan of vangen, is het in mijn macht.’ Toen Calon deze raad hoorde dacht het hem goed en Calon belegerde de berg met zijn volk en Ogier vertrok met zijn volk op een andere berg om de passage te bewaken. Toen Reinout aldus belegerd was met zijn broeders in grote nood zo had hij een klerk die te Montalbaen gebleven was en de hem zeer lief had en zag ’s nachts in de sterren dat Reinout belegerd was en was het dat men hem geen ontzet deed met zijn broeders, hij moest verloren blijven en sterven. Want deze klerk was een verstandige astronoom en vond ook in de sterren dat ze van koning Yewyn verraden waren. Toen de klerk dit aldus doorzien had was hij bedroefd en ging in de zaal te Montalbaen, toen zag hij Maeldegijs uit een kamer komen en die riep tot de kok en drost en zei: ‘Gij heren, ziet dat ge vanavond genoeg bereidt want nog vanavond zal Reinout met zijn broeders thuis komen: aldus leg in elke schotel een zwaan en putoer, (butoor of roerdomp) een kraan of reiger.’ Toen de klerk dit Maeldegijs hoorde zeggen zei hij tot Maeldegijs: ‘Ik zeg u in de waarheid dat Reinout nog vanavond niet komt, want vannacht toen ik in de sterren zag vond ik aan het teken van de hemel als dat Reinout met zijn broeders verraden zijn en op een berg belegerd is. Is het dat men hem niet gering ontzet of te baat komt ze blijven daar alle dood en deze berg is gelegen bij Vaucoloen.’ Toen Maeldegijs dit hoorde werd hij met rouw bevangen en trok een mes en wou zichzelf van weemoed doden. Toen de klerk dit zag sprong hij met haast toe en hield Maeldegijs de hand daar hij het mes in had en ontwrong hem uit de hand met geweld. Toen zei de klerk: ‘Maeldegijs, wat wil je doen? Al had u zichzelf gedood nochtans waren uw neven niet uit hu nood verlost. Maar ga en vermaak uw zin en als koning Yewyn met zijn volk slaapt en verzamel dan al uw vrienden die u helpen willen en doe uw wapens aan en rijdt dan met haast hem te helpen en neem Beiaard met u.’ Dit dacht Maeldegijs goede raad en toen koning Yewyn in slaap was met zijn volk ging Maeldegijs en blies de horen en verzamelde al zijn volk dat hij krijgen kon en toen het al gedaan was ging hij in de stal daar Beiaard stond en toen Maeldegijs Beiaard zag sloeg hij naar hem en Maeldegijs sprong achteruit. Toen nam Maeldegijs een zadel en waande het Beiaard op te werpen maar Beiaard wilde het niet hebben en sloeg tegen het zadel zodat Maeldegijs vloog tegen een balk en viel in onmacht en van zichzelf  niets wetende en toen hij bijkwam sprong hij op met toornig gemoed en greep een stok in zijn hand en sloeg Beiaard zodat die op zijn achterste voeten zat en Beiaard sprong weer op en liep naar Maeldegijs en was hij niet ontlopen, het had hem verbeten. Toen zei Maeldegijs met een toornig gemoed: ‘Beiaard, uitlachen en oneer moet ge geschieden; dat u me aldus bijt en slaat want Reinout die edele graaf die u veel deugden gedaan heeft is in grote nood en moet daar het lijf verliezen is het dat u hem niet helpt.’ Toen Beiaard dit verstond knielde het voor Maeldegijs. Toen Maeldegijs dit zag dat hem Beiaard niet weerde met slaan of bijten nam hij het zadel en wierp het op Beiaard en gordde het zadel met vier banden en toen Beiaard gezadeld was ging Maeldegijs en wapende hem zeer sierlijk. En toen Maeldegijs gewapend was sprong hij op Beiaard en nam een schild aan de hals en een sterke lans in de hand en reed met zijn volk met grote haast naar Vaucoloen: hij had verzameld in zijn hulp 15000 mannen die alle heerlijk opgezeten waren en dappere mannen ter wapen en goed voorzien van harnas die alle begeerte hadden om Reinout te ontzetten. Maeldegijs kon Beiaard niet bedwingen, het sprong altijd tegen zijn wil. Aldus kwamen ze rijden zo lang met haast dat ze in het dal van Vaucoloen waren en Maeldegijs was met Beiaard twee grote boogschoten voor de andere. Reinout met zijn broeders die op de rots belegerd waren en vaak aangevochten waren hadden hen zo lang geweerd dat ze zich niet meer verweren mochten met werpen nog met steken of slaan en zouden die rots opgegeven hebben want ze mochten het niet langer houden, dus ze alle droevig waren en meenden alle te sterven. Toen ze aldus in deze druk waren zag Reinout beneden in het plein Maeldegijs komen rijden met Beiaard, dus was hij blijde en zei: ‘Gij heren, wees vrolijk en zonder angst want ik zie Maeldegijs komen rijden op Beiaard en heeft grote begeerte ons te helpen en me verwondert dat ik niemand zie van mijn volk. Wat mag het betekenen dat mijn oom Maeldegijs alleen komt? Gaf God dat ik hier had mijn volk van Montalbaen: ze zouden ons gelijk wel uit de nood helpen.’ Ridsaert die daar lag ter aarde of hij dood geweest was en toen hij Reinout hoorde vermanen van Beiaard hief hij zijn hoofd op en zei: ‘Reinout broeder, ik bid u, hoorde ik niet noemen Beiaard, ik was gezond.’ Toen antwoorde Reinout: ‘ik zie hem komen in dat dal en Maeldegijs zit er op en brengt het hierheen, maar ik vrees voor Ogier dat hij Maeldegijs mocht slaan.’ Adelaert zei: ‘Broeder, laat de zorg blijven: al had Ogier hem gevangen, hij zou hem wel ontgaan bij zijn kunsten.’ Toen zei Writsaert: ‘Help me broeder dat ik op mijn benen sta en laat mij Beiaard en Maeldegijs zien.’ Toen trad Reinout voort en nam Writsaert in zijn armen en hield hem op zijn benen en voeten staan. Toen zag Writsaert neer in het dal daar Beiaard liep: hij werd blijde en zei met lieve woorden: ‘Broeder, nu ben ik genezen.’ Toen Maeldegijs dus kwam rijden met haast werd hij Ogier gewaar en reed op hem wat dat Beiaard lopen mocht en stak op Ogier zijn speer in twee. Toen zei Ogier: ‘ik ben uw vijand.’ Maeldegijs antwoorde: ‘Verrader, dat u God schendt en zie je niet hoe uw verwanten in grote nood belegerd zijn op die rots en in zorg van hun lijf staan en gij wilt ze niet helpen wat u grote oneer is; ik zeg u: wacht u voort, ik ben uw vijand.’ Ogier zei weer: ‘Ik zeg u Maeldegijs, ontzag ik niet uw toverij, zo was u euvel van mij geschied, ik zou u bevechten en zo moede maken dat het u verdrieten mocht.’ Maeldegijs was toornig en trok zijn zwaard met gram gemoed en gaf Ogier zo’ n slag zodat hij hoorde nog zag. Toen Ogier bekomen was trok hij uit zijn zwaard en zou Maeldegijs geslagen hebben maar Beiaard reed hem uit de slag en liep ter rotsen waard en Reinout zag neder en zag zijn volk komen, dus zijn hart verheugde en zei: ‘Ik heb mijn volk gezien die ons nu wel zullen bijstaan. Nu laat ons neder gaan hand aan hand, recht of wij ons gevangen willen geven want Calon weet niet dat er beneden geschied is.’ Aldus namen ze elkaar bij de hand en gingen nederwaarts; dit zag de graaf Calon dat Reinout met zijn broeders neder kwamen en zei: ‘Me lijkt dat Reinout met zijn broeders hen over geven willen: nu zal ik ze vangen en voeren ze in Frankrijk tot koning Karel, ik weet wel hij liet ze niet verdingen om geen goed.’ Met deze woorden reed Calon de graaf te rots waart en met die is Beiaard aan de rots gekomen en heeft Reinout gezien en reed Maeldegijs tegen zijn wil en liep Reinout tegemoet. Toen Maeldegijs zag dat hij Beiaard niet weerhouden mocht wrong hij hem de breidel met kracht in de mond en toen Beiaard dat voelde sprong het een grote sprong zodat Maeldegijs ruimen moest het zadel en viel van het paard en Beiaard liep tot Reinout. Maeldegijs spong met haast op en daar kwam een goede BourgondiĎr met de graaf Calon en had een goed paard beschreden. Maeldegijs liep tegen hem en sloeg de BourgondiĎr met zo’ n kracht voor zijn borst dat zijn zwaard doorsneed al zijn lijf zodat hij dood van het paard viel. Toen zei Maeldegijs: ‘BourgondiĎr, u moet hier uw paard laten’ en meteen sprong er Maeldegijs op en stak het paard met sporen en reed ter rots waart. De graaf Calon zag om en zag Beiaard naar die rots lopen want hij herkende het bij zijn snelle lopen en Beiaard is gekomen bij Reinout; Toen zei Reinout: ‘Beiaard, u moet welkom wezen’ en sprong er op met grote begeerten en toen Reinout op Beiaard trok hij zijn zwaard Florenberge en reed in de graaf zijn leger, daar deed hij kracht en groot wonder en toen Maeldegijs zag Reinout komen zei Maeldegijs die edele ridder: ‘Reinout neef, hier is volk van Montalbaen.’ En met die reed Maeldegijs van Reinout en ontmoette een vijand die hij zo vervaarlijk sloeg dat hij dood ter aarde viel en daar worden er veel verslagen. Toen de graaf Calon zag dat Reinout op Beiaard zat en zag Maeldegijs mede zo was hij zeer bang en al dat volk van Montalbaen zag hij mede komen rijden naar zijn volk toe. Toen trok hij met zijn volk achteruit, zo zeer ontzag hij het verlies van zijn volk. Binnen deze tijd had Reinout zo zeer gevochten dat hij al zijn broeders te paard geholpen had en reden in graaf Calons volk en vochten zo zeer dat het niet te vertellen was. Reinout riep met luide stem: ‘Sla voort, gij heren van Montalbaen, op alle deze verraders zodat er ons geen ontgaat.’ Reinout vocht als een dappere ridder en versloeg er zo veel dat het ongelooflijk was en Beiaard deed mede grote moord want het deed menige ridder het zadel ruimen met bijten en slaan. Maeldegijs is in de ontmoeting van graaf Calon gekomen die hij met nijd zo op zijn schild reed en raskte hem zo goed dat hij hem doorstak zodat de speer aan de andere zijde er weer uitkwam en viel dood van het paard, hierbinnen heeft Reinout een Fransman geslagen dat hoofd van het lichaam. Aldus bleef het graven volk met grote menigte dood want de historie zegt dat er op diezelfde tijd verslagen worden drie duizend Fransen of BourgondiĎrs: aldus moest de graaf Calon’ s volk ruimen en Reinout met zijn volk hielden het veld en waren aldus met Gods hulp en hun oom Maeldegijs verlost uit die zware last daar ze mede in geweest waren en hun vijanden overwonnen en met schande doen vlieden. Toen de dappere Ogier zag dat de Fransen overwonnen waren en vlogen uit het veld is hij gereden over een water genoemd de Dordogne met al zijn volk en hebben zich ter vlucht gesteld om zichzelf te bergen van hun lijf  en zijn alzo gereisd naar Parijs en mits dat Ogier aldus over dat water reed heeft Adelaert geroepen met luide stem en zei: ‘God wil u geleiden, neef Ogier, en die moet u alle deugd belonen, ik bid u, Ogier neef, dat ge ons de koning groeten wil met lieve woorden en zeggen hem dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft dat hij diegene gegeven heeft die ons zouden doden of vangen en alzo ons leveren tot een present; laat hij ons al zulke soldaten meer zenden, we zullen hun soldij wel betalen met zware slagen zodat ze nimmermeer daarna geen zout eisen zullen.’ Toen antwoorde Ogier. ‘Adelaert neef, uw boodschap wordt goed gedaan, dat zal ik niet laten.’ Aldus scheidde Ogier van de broeders en reed naar Frankrijk. En Reinout met zijn broeders en Maeldegijs met hun volk reden naar Montalbaen en toen ze onderweg reden zwoer Reinout: mocht hij Yewyn zijn schoonvader in Montalbaen vinden, hij zou hem hangen of het hoofd van de buik slaan ‘want hij ons zo schandalig heeft verraden zo zal ik hem geen genade doen, ik zal hem zo hanteren dat hij nimmermeer een man verraden zal.’ Toen Maeldegijs deze woorden van Reinout gehoord had riep hij een ridder tot hem die geheim was en zei; ‘Ge moet met haast varen tot Montalbaen en benemen dat kwaad dat Reinout voor zich genomen heeft: als ge te Montalbaen komt zal ge terstond tot de koning gaan en zeggen hem dat hij snel vliedt want is het dat hem Reinout vindt hij zal hem doen hangen of kwade dood doen sterven omdat hij ze verraden heeft.’ De ridder was Maeldegijs gehoorzaam en reed met grote haast tot Montalbaen en toen hij daar kwam ging hij me haast tot de koning en zei hem dat Maeldegijs hem bevolen had. En toen de koning de boodschap van de ridder verstaan had was hij zeer droevig en hem veranderde zijn kleur en bloed en zwoer op die dag dat hij na die dag niet meer kroon dragen zou en begeven hem in een klooster dat daar omtrent gelegen was en heet Beaurepaire om zijn misdaad te beteren en God te dienen met grote vlijt want hij Reinout niet durfde op te wachten omdat hij hem zeer ontzag: aldus wordt koning Yewyn een monnik en leefde in grote strengheid. Reinout met zijn broeders reden zo lang dat ze kwamen tot Montalbaen. Clarisse de mooie vrouwe was met grote rouw bevangen en toen ze in deze rouw zat zag ze haar heer komen en ging hem tegemoet en ontving hem vriendelijk en zei met lieve woorden: ‘Heer, ge moet welkom zijn.’ Toen zei Reinout: ‘God loont het u vrouwe, maar zeg me dat ik u vragen zal: waar is Yewyn uw valse vader die mij en mijn broeders verraderlijk wilde laten verslaan?’ De vrouwe zei: ‘Heer, te Beaurepaire is hij gevaren en heeft hem daar monnik begeven om te verbeteren zijn leven en de zonden die hij aan u misdaan heeft. ’ Toen zei Reinout: ‘Vrouwe, ik geloof u niet: wat had ik hem misdaan dat hij mij en mijn broeders zo jammerlijk verraden zou en verkopen om 20 000 kronen? Dus vrouwe, gaat mede uit mijn ogen dat ik u nimmermeer zie.’ De vrouwe zei weer: ‘Genade heer, hoe mag ik dit verbeteren?’ Toen zei Ritsaert: ‘Voorwaar broeder, we waren alle verloren geweest had niet gedaan die edele vrouwe die me de zwaarden heimelijk mee voeren deed daar we ons bij Vaucoloen mee heerlijk verweerden want had ik die zwaarden gelaten we waren alle dood: ik bid u Reinout broeder, vergeef het haar uw euvele gemoed. Goddank, al waren we verraden, het heeft ons niet geschaad.’ De edele vrouwe viel voor Ritsaert op haar knieĎn en bad hem ootmoedig dat hij haar wou helpen bidden aan Reinout dat hij haar vergaf zijn euvele gemoed. Ritsaert ging tot Reinout en zei: ‘Broeder, wil toch mijn bede horen en vergeven uw vrouwe dat ze tegen u misdaan heeft en wil ge dat niet doen zo wil ik uit uw ogen gaan zodat ge mij nimmermeer ziet.’ Toen zei Reinout: ‘Eer ge van me gaan zou zo vergaf ik haar liever al dat verraad die haar vader mede aan ons gedaan heeft.’ Toen de vrouwe dit hoorde was ze blijde en zei: ‘Heer, God loont het u.’ En Reinout nam de edel vrouwe in zijn armen en kuste haar en gingen met elkaar in de zaal en waren zeer vrolijk en het wordt die mooie vrouwe Clarisse al vergeven zodat Reinout na die tijd niet meer daarvan vermaande nog in gedachte had.

 

 

 

 

Dat XIX. ca. Hoe Ogier te Parijs quam ende vertelde coninc Karel hoe die reise vergaen was ende hoe hem Rolant verradenis op leide ende daer om een camp vocht tegen Gontier. Die hi int parck doot sloech. [fol.170]

Als Ogier van Reinout ende sijn broeders ghescheyden was, reet hi met haesten nae Parijs ende als hij te Parijs quam ginc hi daer hi coninc Karel vant, dien hij minlick gruete. Die coninc was blyde als hij Ogier sach ende ontfincken mynlic ende hieten welcoem. Als dat gedaen was vraechde hij hem hoe die reise vergaen was te Vaucoloen: ‘brengdi mi Reinout gevangen?’ Doe seide de grave Ogier: ‘Voerwaer heer coninc, neen wi, qualic hebdi u gelt besteet dat ghi Yewijn hebt gegheven om dat hi u Reynout mit sijn broeders gevangen leveren soude: soe helpe mi God, ic seg u, Reinout heeft verslegen den grave Calon ende Fouke van Morlioen ende Werrijn sinen swager ende haer volc is meest mede al verslaghen, want ick mede mijn lijf qualic ontdragen mocht, want ic ben seer gewont ende mijn ghereide most ic daer laten tegen minen danc, oft mi was lief [fol. 171] of leet; dat dede Maeldegijs die tovenaer want hi brocht hem grot secours wten castele van Montalbaen wel xxx hondert stoute ridders.’ Doen seide Roelant: ‘Dat gheloef ic wel, heer Ogier, want so ic vernemen can, sidi een verrader. want ghi ontboet hem selve te Montalbaen bi enen secreten bode Maeldegijs.’ Als Ogier die woerden hoerde van Roelant die so verwijtelic waren, seide hi: ‘Gi scalc, ghi liecht dat ende ist also, so moet mi God helpen dat ic verwoede, want ic nye verrader en was van al mijn leven ende diet mi op seggen woude dat ic verradenis gepleecht had, ic soudet hem doen lochenen in een camp. of selve daerom doot bliven.’ Roelant seide weder: ‘Here Ogier, ghi sijt een verrader.’ Doe Ogier dit hoerde seide hi met grammen moede: ‘Gi liecht daer om, valsch bastaert, ende des wil ic u doen lochenen in een camp.’ Doe boet Ogier den hantscoe ende Roelant trac voert met haestigen sinne ende soude die camp an genomen hebben. mer coninc Karel en woudes niet liden ende seide: ‘Laet staen, neve Roelant, want ic sal mijn campioen, genoemt Gontier. teghen u doen vechten’ ende Karel seide tot Gontier: ‘Gaet ende ontfaet gi den hantscoe ende doetet Ogier liden dat hy een verrader is.’ Doe seide Gontier: ‘Heer coninc, het wert minlic gedaen.’ Mettien trat Gontier voert. ende ontfinc den hantscoe van Ogier. Doe seide coninc Karel tot Ogier dat hi borgen setten soude. Ogier seide dat hijt gaerne dede ende badt den here Dunay van Bamer ende den hertoge van Ardan dat si sijn borge wouden wesen. dat si gaerne deden. Doe seide coninc Karel mit een lachende monde: ‘Die borgen sijn goet genoech’, voert seidi: ‘Heer Bavier, gi moet selve mede in den camp wesen. ende benemen an beyden sijden dat si malcander gheen ongelijc en doen ende en laet de twee heren [fol. 172] niet vechten, si en hebben eerst gesworen.’ Doe seide die grave Dunay: ‘Here, al datmen sculdich is van doen, dat sullen si gaerne doen.’ Aldus gingen dese twee heren daer si haren eet doen souden opt heilige cruys. Doe seide Dunay: ‘Gi heren die campen sult, coemt, ghij moet hier ten heiligen sweeren.’ Doe seide Gontier dat hijt gaerne dede: ‘ic moet voer sweren, want ic aenlegger vanden campe ben.’ Doe leide Gontier sijn rechterhant opt cruys ende knielde seggende: ‘Ghi heren, wilt mi horen ende verstaet dat ic segge. ic segghe Ogier op dat hi verradenis ghepleecht heeft in den velde voer Vaucoloen bi den eede die ic hier sweer, dat weet ic wel warachtich, want Reynout dat is zijn maech, also wil mi God de ere geven ende dat heilige cruys daer ics op sweer.’ Doe seide Dunay: ‘Staet op Gontier, u eet is wel gedaen.’ Met dese woirden stont Gontier op ende sloech thoeft neder. ende en neech den heiligen cruys niet toe: soe luttel ontsach hi Ogier want hi en woude niet eens op hem sien. Doe trat voert Ogier ende soude sinen eet doen ende seide: ‘Ghi heren, wilt alle een weinich nae mi horen, so moechdi horen wat ic sweere: ic sweere bi ihesum van Nazarenen dat ic nye verradenis en dede mer die broeders sijn mijn rechte neven, aldus ic en dorste hem helpen of deren, soe seer ontsach ic den coninc, mer ic seg: Maeldeghijs dede hem groot secours, want hi brocht met hem.xxx. hondert mannen wel op geseten, dese deden groot wonder. ende dye grave Calon bleef daer doot, Fouken van Morlioen ende Werrijn ende daer toe die geslachten meest die de heren met hem brochten. ende als ic sach dattet al verslegen was so most ic vlien doert grote volc dat Maeldegijs daer gebrocht had, ende mijn gereyde en mocht ic niet mede nemen van haesten ende dat dit dus gheschiet is, dat mi God [fol. 173] so helpe.’ Doe seide Dunay: ‘Heer Ogier, staet op, u eet is wel gedaen.’ Doe stont Ogier op ende custe het cruys an sinen voet. Als dat gedaen was leydemen die heren totten parcke, doe seide Gontier, die campenioen: ‘Ogier, wildi noch liden die verradenis die gi daet buten Vaucoloen, so moechdi noch van mi gaen, onverslegen ende ic sal u helpen versoenen teghen den coninc. ende en wildi niet lijden so is u euel gheschiet. want ic sal u metter hant te hants dat leven nemen.’ Doen seide die stoute Ogier: ‘Ic en ontsie u dreygen niet: God scende u’ seyde Ogier ‘gi en doet dat ghi sculdich sijt van doen ende laet u roemen staen.’ Met dese woerden reden si int parc ende als elc op zijn stede int crijt waren, lieten dye twe heren haer orssen te gader lopen ende Gontier sloech seer grote slagen after een op Ogiers scilt wat hi mochte mit alle sijn cracht eer Ogier te weer conde comen. Mettien verhief Ogier zijn swaert. ende gaf Gontier soe ongemeten groten slach ende geraecten seer wel so dat hi wonder dede. want hi sloech Gontier des conincs campenioen ten eersten slage doot, die so starc was van crachten, ende als Gontier doot was. ende dat Ogier sach was hi blide ende trat van zijn paert. ende werp Gontier ten parc, want hi seer starc was. Als dat ghedaen was vraechde Ogier of hi voldaen had. Doe seide de hertoge Sampson: ‘Sit op u paert, dat u God ere!’ Die heren keerden weder totten coninc. ende als die coninc die heren sach, vraechde hi hoe de camp vergaen was. Doe seide die grave van Bamer: ‘Here coninck, u campenioen is verslegen. Ogier geschiede grote eer want hij sloech hem ten eersten slage doot.’ Doe seide Ogier totten coninc: ‘Here, hoe soude hi mi verrader maken? ic seg u here coninc, bij God almachtich, dat hem Maeldegijs [fol. 174] sijn oem secours brochte wt dat casteel van Montalbaen, dat suldi warachtich vinden ende anders niet.’

Dat XIX kapittel. Hoe Ogier te Parijs kwam en vertelde koning Karel hoe de reis vergaan was en hoe hem Roelant verraad oplegde en daar een kamp vocht tegen Gontier. Die hij in het perk dood sloeg.

Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was reed hij met haast naar Parijs en toen hij te Parijs kwam ging hij daar hij koning Karel vond die hij minlijk groette. De koning was blijde toen hij Ogier zag en ontving hem minlijk en zei hem welkom. Toen dat gedaan was vroeg hij hem hoe de reis vergaan was te Vaucoloen: ‘breng je me Reinout gevangen?’ Toen zei de graaf Ogier: ‘Voorwaar heer koning, neen wij, kwalijk hebt u uw geld besteed dat ge Yewyn hebt gegeven omdat hij u Reinout met zijn broeders gevangen leveren zou: zo helpt me God, ik zeg u, Reinout heeft verslagen de graaf Calon en Fouken van Morlione en Werrijn zijn zwager en hun volk is meest mede al verslagen want ik mede mijn lijf nauwelijks ontkomen mocht want ik ben zeer gewond en mijn gereide moest ik daar laten tegen mijn wil of het me was lief of leed; dat deed Maeldegijs die tovenaar want hij bracht hen groot succes uit het kasteel van Montalbaen wel 3000 dappere ridders.’ Toen zei Roelant: ‘Dat geloof ik wel, heer Ogier, want zo ik vernemen kan ben je een verrader want ge ontbood hem zelf te Montalbaen bij een geheime bode Maeldegijs.’ Toen Ogier die woorden hoorde van Roelant die zo verwijtend waren zei hij: ‘Gij schalk, gij liegt dat en is het alzo zo moet me God helpen dat ik verwoed want ik geen verrader was van al mijn leven en die het op me zeggen wou dat ik verraad gepleegd had ik zou het hem doen loochenen in een kamp of zelf daarom dood blijven.’ Roelant zei weer: ‘Heer Ogier, ge bent een verrader.’ Toen Ogier dit hoorde zei hij met gram gemoed: ‘Ge liegt daarom, valse bastaard en dus wil ik het u doen loochenen in een kamp.’ Toen bood Ogier de handschoen en Roelant trok voort met haastige zin en zou dat kamp aangenomen hebben maar koning Karel wou het niet toestaan en zei: ‘Laat staan, neef Roelant, want ik zal mijn kampioen, genoemd Gontier tegen u doen vechten’ en Karel zei tot Gontier: ‘Ga en ontvang de handschoen en doet het Ogier belijden dat hij een verrader is.’ Toen zei Gontier: ‘Heer koning, het wordt minnelijk gedaan.’ Meteen trad Gontier voort en ontving de handschoen van Ogier. Toen zei koning Karel tot Ogier dat hij borgen zetten zou. Ogier zei dat hij het graag deed en bad de heer Dunay van Bamer en de hertog van Ardan dat zij zijn borgen wilden wezen wat ze graag deden. Toen zei koning Karel met een lachende mond: ‘Die borgen zijn goed genoeg’, voort zei hij: ‘Heer Bamer, ge moet zelf mede in het kamp wezen en benemen aan beide zijden dat ze elkaar geen ongelijk doen en en laat de twee heren niet vechten, ze hebben eerst gezworen.’ Toen zei de graaf Dunay: ‘Heer, al dat men schuldig is te doen dat zullen ze graag doen.’ Aldus gingen deze twee heren daar ze hun eed doen zouden op het heilige kruis. Toen zei Dunay: ‘Gij heren die kampen zullen kom, ge moet hier te heilige zweren.’ Toen zei Gontier dat hij het graag deed: ‘ik moet het eerste zweren want ik aanleiding van het kamp ben.’ Toen legde Gontier zijn rechterhand op het kruis en knielde zeggende: ‘Gij heren, wil me horen en verstaan dat ik zeg, ik zeg Ogier omdat hij verraad gepleegd heeft in het veld voor Vaucoloen bij de eed die ik hier zweer, dat weet ik wel waarachtig want Reinout dat is zijn verwant alzo wil me God de eer geven en dat heilige kruis daar ik op zweer.’ Toen zei Dunay: ‘Sta op Gontier, uw eed is goed gedaan.’ Met deze woorden stond Gontier op en sloeg het hoofd neer en neeg het heilige kruis niet toe: zo weinig ontzag hij Ogier want hij wou niet eens op hem zien. Toen trad voort Ogier en zou zijn eed doen en zei: ‘Gij heren, wil allen wat naar me horen, zo mag je horen wat ik zweer: ik zweer bij Jezus van Nazareth dat ik geen verraad deed, maar de broeders zijn mijn rechte neven aldus ik durfde hen niet te helpen of deren zo zeer ontzag ik de koning, maar ik zeg: Maeldegijs deed hen groot succes want hij bracht men hem 3000 mannen goed opgezeten, dezen deden groot wonder en de graaf Calon bleef daar dood, Fouken van Morlione en Werrijn en daartoe de geslachten meest die de heren met hen brachten en toen ik zag dat het al verslagen was zo moest ik vlieden door het grote volk dat Maeldegijs daar gebracht had en mijn gereide mocht ik niet mee nemen vanwege de haast en dat dit aldus geschied is dat me God zo helpt.’ Toen zei Dunay: ‘Heer Ogier, sta op, uw eed is goed gedaan.’ Toen stond Ogier op en kuste het kruis aan zijn voet. Toen dat gedaan was leidde men de heren tot het perk. Toen zei Gontier, de kampioen: ‘Ogier, wil ge nog belijden het verraad die ge deed daar buiten Vaucoloen zo mag je van mij gaan, onverslagen en ik zal u helpen verzoenen tegen de koning en wil ge niet belijden zo is u euvel geschied want ik zal u met de hand dat dat leven nemen.’ Toen zei de dappere Ogier: ‘Ik ontzie uw dreigen niet: God schend u’ zei Ogier ‘ge doet dat ge moet doen en laar uw beroemen staan.’ Met deze woorden reden ze in het perk en toen elk op zijn plaats in het krijt was lieten de twee heren hun paarden tezamen lopen en Gontier sloeg zeer grote slagen achtereen op Ogier’ s schild wat hij mocht met al zijn kracht eer Ogier te verweer kon komen. Meteen verhief Ogier zijn zwaard en gaf Gontier zo’ n onmetelijke grote slag en raakte hem goed zodat hij wonder deed want hij sloeg Gontier de konings kampioen te eerste slag dood die zo sterk was van krachten en toen Gontier dood was en dat Ogier zag was hij blijde en trad van zijn paard en werp Gontier uit het perk want hij zeer sterk was. Toen dat gedaan was vroeg Ogier of hij voldaan had. Toen zei de hertog Sampson: ‘Zit op uw paard, dat u God eert!’ De heren keerden weer tot de koning en toen de koning die heren zag vroeg hij hoe het kamp vergaan was. Toen zei de graaf van Bamer: ‘Heer koning, uw kampioen is verslagen. Ogier geschiedde grote eer want hij sloeg hem te eerste slag dood.’ Toen zei Ogier tot de koning: ‘Heer, hoe zou hij mij verrader maken? Ik zeg u heer koning, bij God almachtig, dat hem Maeldegijs zijn oom succes bracht uit het kasteel van Montalbaen, dat zal ge waar vinden en anders niet.’

 

 

 

Als Roelant verhoert had Ogiers woerden, swoer hi dat hi trecken soude in Yewijns lande. ende halen hem al waer hi te Beurepaer int cloester ende als hi hem hadde soude hij hem hangen aen een boem. Doe sworen alle dye genoten dat si mede varen souden in Gascoengen ende verderven coninc Yewijns lant. Met dusdanigen opset ende overdracht reden die ghenoten nae Gascoengen. Ende als si in Gascoengen quamen vraechden si waer den coninc Yewijn mochte sijn. Doe wert die heren geseit dat coninc Yewijn hem ghegeven had in een cloester genoemt Beurepaer. ende en woude nemmermeer de crone meer dragen. Als dit die genoten hoerden swoeren si alle dat si trecken souden te Beurepaer ende halen hem wt dat cloester. Met desen woerden reden si ende beleiden dat cloester  [fol. 175] Beurepaer sterckelijc. Ende als Yewijn dit sach dat die ghenoten voer den cloester lagen was hi vervaert ende sende eenen bode mit een brief tot Reinout, de inhilt seer vriendelic an Reinout, of hi comen woude hem te hulpe tegen Roelant, die hem in Beurepaer strengelic belegen had met de xij ghenoten ende had gesworen dat hi hem vanghen soude ende aen een boem hangen ende waert dat hi hem geen hulpe en dede, so most hi gevangen wesen. Ende voert seide hi: ‘Mijn geminde swager, ic weet dat ic die doot aen u wel verdient heb, ic wil gaerne gevangen in uwen handen gaen ende liden gewillichlic dat ghi mi doet.’ De bode reet met haesten tot Montalbaen ende als hi daer quam ginc hi met haesten daer hi Reynout vandt, dien hi die bootscap seide ende gaf hem den brief. Als Reinout den brief over gelesen had ende verstaen, seide hi met haesten: ‘Laet den dief hangen, hi heeftet wel aen ons verdient.’ Als de vrouwe dat hoerde was si seer droevich ende hare verwandelde sin ende moet. haer ioncste kint namse bijder hant ende is gecomen voer Reinout ende als si bij hem stont custe si dat kint vriendelic ende seide: ‘Adelaert mijn lieve kint, dese scande. ende laster daer wi nu in zijn en mogen wij nemmermeer verwinnen of vergeten dat men tot u sal seggen in wat landen dat ghy coemt, dat u oudevader is gehangen: die scande sal u te swair wesen te dragen als gi so vorde coemt dat ghi ridders namen ontfangen sult hebben’ ende met dat dese vrouwe dese woerden sprac liepen haer die tranen wten oghen ende si weende utermaten seer. Als Reinout van sijn vrou dese woerden hoerde ende haer so seer sach screyen, seide hi: ‘Vrouwe, laet staen u clagen ende creyen, ic sal varen ende helpen den valschen man die ye van moeder was geboren tegen die.xij. ghenoten van Vrancrijc; ic [fol. 176] seg u in der waerheit: mach ic hem levende vangen, ic brengen u te Montalbaen.’ Die vrouwe was goedertieren ende eerbair, ende verblijdt van Reinouts woirden, ende viel op haer knien voer Reynout haren here. die si sere dancte. Reynout schiet hier mede van der vrouwen ende geboet dat hem elc terstont wapende. ende also drae als Reinout rede was ende al sijn volc gewapent ende geseten op haer paerden, als dit Reinout sach spranc hi op Beiert ende reet met sijn volc na Beurepaer, mer so als ons die hystorie seit: eer Reinout ten cloester quam hadt Roelant gewonnen ende Yewijn genomen, ende dede hem die handen vaste binden ende een seel om sinen hals ende reet daermede na een bosch dat bi Beurepaer lach. ende Ywijn liet hi na lopen, so gebonden met die coerde om den hals. Aldus reet Roelant nae tbosch om Yewijn aen eenen boem te hangen. Als si dus reden versach Roelant den eedele grave Reinout na hem comen riden ende als hi bi Roelant quam, riep hi segghende: ‘Ick bid u neve Roelant, dat ghi mi geven wilt den verrader: ic sal hem voeren in mijn casteel van Montalbaen ende leren hem sulcken spul dat hi ons nemmermeer en verraet.’ Als Roelant dit hoirde seide hi tot Reinout: ‘Gi bidt al om niet ende ic seg u: vliet wt minen ogen want ick en mach u niet langer sien want hi moet hanghen.’ Reinout seide: ‘Gi en sult nyet, also moet mi God helpen: ic soude eer met Florenberge vechten teghen u ende mijn swager verlossen, want mijn kinder wairt grote scande ende verwijt als si tot haer iaren. quamen. want men soude hem verwijten, seg ic u, dat hair oudevader verhangen waer, want ist dat ghien doden wilt, ic sallen u mit crachte nemen.’ Doe seide Roelant: ‘Du verwaende geck, soutstu di tegen mi [fol. 177] willen setten?’ Doe hiete Roelant dat men die coerde werpen soude over een tac van een boem die daer stont: ‘ic sal hem hangen, wiet leet of lief waer.’ Reinout seide: ‘Voerwaer segge ic u: ic en weet geen so koenen man die mijn sweer hangen sal, hi en salt becopen.’ Doe seyde Roelant in erren moede: ‘Dat sal ic sien.’ Doe sat Roelant van sijn paert ende werp self den reep over een tac ende wilde coninc Yewijn hangen. Als Reinout sach dat hijs niet verbidden en mocht sloech hi Beiert met sporen ende toech sijn swaert ende hielt den reep in stucken ende Yewijn viel neder op daerde, doe nam Reinout sinen swager ende werpen met cracht voer hem opt paert ende sloech Beyaert met sporen ende sette hem ter vlucht met Beyaert soe seer als Beyert lopen mocht. Als dit Roelant sach wert hij half verwoet ende spranc met haesten op sijn paert ghenaemt Volentijn ende volchde Reinout wat zijn ors lopen mocht ende had sijn swaert getogen, ende als hi sach dat hi Reinout niet onderriden en mocht, riep hi met luyder stemmen wat hi roepen mocht ende seyde: ‘Reynout, ghij sijt een verrader.’ Als Reinout dit hoerde seide hi: ‘Roelant, ghi liecht daer om, dat ic een verrader ben: ick en was nye verrader noch ic en wilt nemmermeer worden.’ ‘Ghij sijt ymmer,’ seide Roelant ‘ic does u lijden metten swaerde, of ten si dat gi mi met Beyert ontvliet.’ Doe seyde Reinout: ‘Ic seg u Roelant, waren wy twee te samen hier alleen, den camp soude u gheboren. mer ghi sijt hier met veel ridders: wouden die mij alle deren, ick moste doot bliven of gevangen, mer wildi mi hier alleen verwachten, ic belove u als ridder goet, ic sal weder keren in corter stont mit Beyert mijn ors, so verre als ghi u volc doet keren weder in Vrancrijc, ende wildi hier comen, gi sult mi hier weder vinden.’ Doe sette Reynout sijn swager [fol. 178] op die aerde ende keerde hem tot Roelant met Beyaert ende daer gaven si malcander haer trou ende Reinout beloefde daer weder te comen ende te vechten tegen Roelant: aldus scheide Reinout ende Roelant van malcander ende elc reet sijnre straten.

Toen Roelant gehoord had Ogiers woorden zwoer hij dat hij trekken zou in Yewyn’ s land en halen hem al was hij te Beaurepaire in het klooster en als hij hem had zou hij hem hangen aan een boom. Toen zwoeren alle de bondgenoten dat ze mede varen zouden in Gascogne en verderven koning Yewyn’ s land. Met dusdanige opzet en overdracht reden de bondgenoten naar Gascogne. En toen ze in Gascogne kwamen vroegen ze waar de koning Yewyn mocht zijn. Toen werd de heren gezegd dat koning Yewyn hem begeven had in een klooster genoemd Beaurepaire en wilde nimmermeer de kroon meer dragen. Toen dit de bondgenoten hoorden zwoeren ze alle dat ze trekken zouden te Beaurepaire en halen hem uit dat klooster. Met deze woorden reden ze en belegerden dat klooster Beaurepaire sterk. En toen Yewyn dit zag dat de bondgenoten voor het klooster lagen was hij bang en zond een bode met een brief tot Reinout die inhield zeer vriendelijk aan Reinout of hij komen wou hem te hulp tegen Roelant die hem in Beaurepaire sterk belegerde met de 12 bondgenoten en had gezworen dat hij hem vangen zou en aan een boom hangen en was het dat hij hem geen hulp deed zo moest hij gevangen wezen. En voort zei hij: ‘Mijn beminde schoonzoon, ik weet dat ik de dood aan u wel verdiend heb, ik wil graag gevangen in uw handen gaan en lijden gewillig dat ge me doet.’ De bode reed met haast tot Montalbaen en toen hij daar kwam ging hij met haast daar hij Reinout vond die hij de boodschap zet en gaf hem de brief. Toen Reinout de brief over gelezen had en verstaan zei hij met haast: ‘Laat de dief hangen, hij heeft het wel aan ons verdiend.’ Toen de vrouwe dat hoorde was ze zeer droevig en haar veranderde haar zin en gemoed, haar jongste kind nam ze bij de hand en is gekomen voor Reinout en toen ze bij hem stond kuste ze dat kind vriendelijk en zei: ‘Adelaert mijn lieve kind, deze schande en laster daar we nu in zijn mogen wij nimmermeer overwinnen of vergeten dat men tot u zal zeggen in wat landen dat ge komt dat uw grootvader is gehangen: die schande zal u te zwaar wezen te dragen als ge zo voort komt daar ge ridders naam ontvangen zal hebben’ en met dat deze vrouwe deze woorden sprak liepen haar de tranen uit de ogen en ze weende uitermate zeer. Toen Reinout van zijn vrouwe deze woorden hoorde en haar zo sterk zag schreien zei hij: ‘Vrouwe, laat staan uw klagen en krijsen, ik zal varen en helpen de valse man die ooit van moeder was geboren tegen de 12 bondgenoten van Frankrijk; ik zeg u in de waarheid: mag ik hem levend vangen, ik breng hem u te Montalbaen.’ De vrouwe was goedertieren en eerbaar en verblijd van Reinouts woorden en viel op haar knieĎn voor Reinout haar heer die ze zeer bedankte. Reinout scheidde hiermee van de vrouwe en gebood dat hem elk terstond wapende en alzo dra als Reinout gereed was en al zijn volk gewapend en gezeten op hun paarden, toen dit Reinout zag sprong hij op Beiaard en reed met zijn volk naar Beaurepaire, maar zoals de historie zegt: eer Reinout te klooster kwam had Roelant het gewonnen en Yewyn genomen en deed hem de handen vast binden en een touw om zijn hals en reed daarmee naar een bos dat bij Beaurepaire lag en Yewyn liet hij na lopen, zo gebonden met dat koord om de hals. Aldus reed Roelant naar het bos om Yewyn aan een boom te hangen. Toen ze dus reden zag Roelant de edele graaf Reinout naar hem komen rijden en toen hij bij Roelant kwam riep hij en zei: ‘Ik bid u neef Roelant dat ge me geven wil de verrader: ik zal hem voeren in mijn kasteel van Montalbaen en leren hem zulk spul zodat hij ons nimmermeer verraad.’ Toen Roelant dit hoorde zei hij tot Reinout: ‘Ge bidt al om niet en ik zeg u: vliedt uit mijn ogen want ik mag u niet langer zien want hij moet hangen.’ Reinout zei: ‘Ge zal niet, alzo moet me God helpen: ik zou eerder met Florenberge vechten tegen u en mijn schoonvader verlossen want mijn kinderen was het grote schande en verwijt als ze tot hun jaren kwamen want men zou hen verwijten, zeg ik u, dat hun grootvader verhangen was want is het dat ge hem doden wil ik zal hem u met alle kracht nemen.’ Toen zei Roelant: ‘U verwaande gek, zou u zich tegen mij willen zetten?’ Toen zei Roelant dat men de koorden werpen zou over een tak van een boom die daar stond: ‘ik zal hem hangen, wie het leed of lief is.’ Reinout zei: ‘Voorwaar zeg ik u: ik weet geen zo koene man die mijn schoonvader hangen zal, hij zal het bekopen. Toen zei Roelant in geĎrgerd gemoed: ‘Dat zal ik zien.’ Toen ging Roelant van zijn paard en wierp zelf het touw over een tak en wilde koning Yewyn hangen. Toen Reinout zag dat hij het niet bidden mocht sloeg hij Beiaard met sporen en trok zijn zwaard en hieuw het touw in stukken en Yewyn viel neer op de aarde, toen nam Reinout zijn schoonvader en wierp hem met kracht voor hem op het paard en sloeg Beiaard met sporen en zette hem ter vlucht met Beiaard zo zeer als Beiaard lopen mocht. Toen dit Roelant zag werd hij half verwoed en sprong met haast op zijn paard genoemd Volentijn en volgde Reinout wat zijn paard lopen mocht en had zijn zwaard getrokken en toen hij zag dat hij Reinout niet voorbij kon gaan riep hij met luide stem wat hij roepen mocht en zei: ‘Reinout, ge bent een verrader.’ Toen Reinout dit hoorde zei hij: ‘Roelant, ge liegt daarom dat ik een verrader ben: ik was geen verrader nog ik wil het nimmermeer worden.’ ‘Ge bent het immer,’ zei Roelant ‘ik doe het u belijden met het zwaard of tenzij dat ge me met Beiaard ontkomt.’ Toen zei Reinout: ‘Ik zeg u Roelant, waren wij twee te samen hier alleen, de kamp zou u gebeuren, maar ge bent hier met veel ridders: wilden die mij alle deren, ik moest dood blijven of gevangen, maar wilde ge me hier alleen verwachten, ik beloof u als ridder goed, ik zal weder keren in korte stond met Beiaard mijn paard zo ver als ge uw volk doet keren weer in Frankrijk en wil ge hier komen, ge zal me hier weer vinden.’ Toen zette Reinout zijn schoonvader op de aarde en keerde hem tot Roelant met Beiaard en daar gaven ze elkaar hun trouw en Reinout beloofde daar weer te komen en te vechten tegen Roelant: aldus scheidde Reinout en Roelant van elkaar en elk reed zijn straten.

 

 

 

Dat XXI. ca. Hoe Roelant die ghenoten seide dat hi tegen Reinout campen soude ende die genoten des nyet hebben en wouden ende waren daer toernich om ende hoe Roelant quam Reinout te velde om tegen hem te campen mer die genoten benament dattet niet en geschiede.

Als Roelant van Reinout gescheiden was reet hij tot die genoten weder om ende Reinout reet met haesten nae Montalbaen mit sijn swager. Ende als Roelant bi die genoten quam seide Ogier: ‘Roelant, brengdi Yewijn gevaen so doedi Reinout scande, ist dat ghy Yewijn binnen sinen lande hanget.’ ‘Swijcht’ seide Roelant tot Ogier ‘dat die scande geschien moet ende ic seg u: ghi heren, ghi moet in Vrancrijc rijden ende ic moet sonder letten weder om tot Beurepaer varen.’ Doe seyde Ogier: ‘Ic hoer wel: Roelant wil een monic worden. want hi heeft berou van sijn misdaet, ende bidden den abt om vergiffenis.’ Roelant seide: ‘Swijch, du verwaten Ogier.’ Doe seide Ogier: ‘`t Is tijt dat ic swijge, want Roelant is gram.’ Doe seide bisscop Tulpijn: ‘Nu segt ons edel ridder. waer bi souden wi keren in Vrancrijc ende ghi sout hier bliven? wat souden wi tegen coninc Karel seggen waer ghy waert ende wat ghi deet. ende waer omme ghi niet mede en quaemt? want die waerheit soude hi van ons weten willen.’ Doe seide die ridder Roelant: ‘ic sal u die waeromme seggen: ic heb tegen Reynout een camp an ghenomen om dat hi mi huden die verradenis dede. ende nam [fol. 179] mi Ywijn; daer om was hi toernich ende heb Reynout met verradenis beleit.’ Als bisscop Tulpijn dese woerden hoerde wert hi toernich ende seide: ‘Roelant, wat ramp hebdi gedaen! hebdi Reinouts doot ghesworen, soe en moechdi selve niet ontgaen’ sprac die bisscop Tulpijn ‘gi hebt een graci datmen u niet quetsen en mach, als gi gewapent sijnt, met speren noch swairden, mer Roelant, ic belove u bi mijn trouwe, wort Reinout verslegen van u, ghi en sulter niet na leven drie dagen. men sal u mede graven in die aerde.’ Ogier dat horende, wasser seer blide om, doe seide Ogier: ‘ic bid Gode dat hi u bringe in Reinouts ghemoet dat gi proeven moecht zijn cracht; ic weet wel, hij en geeft om u niet twe bonen.’ Doe seide Ritsaert van Noermandien: ‘Grave Roelant, hebdi Reynouts doot gesworen? ic swere u bi mijn ridderscap: wert Reynout van u verslegen ghi en sult nemmermeer weder keren in Vranckrijc, wi sullen u bi der kelen hanghen’ ende dit sworen de ander ghenoten mede. Als grave Roelant dese woerden van den genoten hoerde. seide hi: ‘Nu staet mi te sorgen want tegen u allen en can ic mi niet veroveren.’ Doe seide die vrome Dunay: ‘Roelant, doet minen raet.’ ‘Wat soude ic doen?’ seide Roelant ‘ic hebbe Reinout mijn trouwe gegheven dat ic tegen hem campen soude, ic seg u: ic en liets niet om al Parijs.’ Doe seide Dunay: ‘Roelant, laet dese woerden bliven, ic sal u raet gheven dat ghi u trouwe quijten sult tegen Reynout int crijt; want als ghij int crijt sijt met Reinout ende den camp sult beginnen, so sullen wy comen riden met haesten ende ist dat Reynout dan vliet uten cryte so sidi vry van uwer beloften dat ghi hem beloeft hebt, ende ist dat hi ons dan niet en wil wiken, so sal hem evel geschien want wi sullen hem vanghen ende voeren tot coninc Karel in [fol. 180] Vrancrijc’. Doe seide Roelant: ‘Heer Dunay, gi hebt een valsch raet gegeven: also helpe mi God, ick en sals niet doen, ic sel alleen tegen hem vechten ende berechten mi selven.’ Also wi vinden bescreven, so bleven die woerden tusschen die genoten hier mede leggen, dat si daer of niet meer en spraken. Reinout die is met zijn swager so lange gereden dat si quamen te Montalbaen ende als si daer waren quamen hem te moet zijn broeders, de hem daer vriendelic ontfingen ende daer nae quam de scone vrouwe Clarisse. Doe seide die vrouwe met een blide gesichte: ‘Dat loen u God, edel here.’ Voert seide Reinout: ‘Ghi heren, festeert ende sijt blide met Yewijn ende doet hem te gemake: ick moet wederkeren tot Beurepaer.’ Doe seyde Adelaert: ‘Segt mi broeder Reinout, wat suldi inden cloester doen?’ Reinout seide: ‘Ic heb tegen Roelant een camp aen genomen dien ic volbrengen moet.’ Adelaert seide weder: ‘Wat hebdi gedaen? hebdi gesworen Roelants doot? dat mach ons comen tot groten scaden ende weet ghy niet dat men hem niet en mach quetsen met swaerden of speren, als hi gewapent is?’ Doe seide Reynout: ‘Het vaer alst mach, ick en laet mijn trouwe niet.’ Als die vrouwe Clarisse dit hoerde, screyde si seer. Doe seide Maeldegijs: ‘Vrouwe, laet staen u screyen. want sal Reinout eer gecrighen, so moet hi striden, tegen Rolant, de hem verradenis heeft an geseit: hi sal daer varen ende ick sal hem altoes bi wesen.’ Doe seyde Adelaert: ‘Gode ende u bevele ic dan mijn broeder.’ Aldus reet Reynout met haesten daer hi campen soude ende als hi sach dat hi quam bi Roelant, wranc hi sijn glavie in die aerde ende banter Beyert an ende ontwapende hem alte mael ende leide sijn harnas in sijn scilt: dit ghedaen wesende viel hi voir Roelant op sijn knien ende custe synen voet ende seide mit oetmoedige [fol. 181] woerden: ‘Roelant neve, gi sijt ymmer min bloet, ic bid u vriendelic: wout u ghelieven dat gi mi helpen wout in mijnre eeren dat ic ter soenen quame tegen coninc Karel, ic woude u gaerne geven mijn goede ors Beiert.’ Als dit Roelant hoerde seide hij: ‘Staet op Reinout neve, ende vliet wt minen ogen dat ic u niet en sie of hore spreken: ic bin hier gecomen om tegen u te campen om dat gi mi huden valschelic naemt uwen swagher, daer om is die camp an ghenomen ende nu wildi van soene spreken?’ Doe seide Reinout met homoedige woerden: ‘En waent niet, Roelant neve, dat ic dit doe doer blootheyt of vervaernis. dese oetmoedicheit die ic u doe, ic seg u in der waerheit, ic en ontsaghe niet uwer vive want waer ic ghewapent, ic soude de camp tegen u wel dorren bestaen.’ Doe seide Roelant: ‘Gaet, wapent u, neve.’ Doe ginc Reinout ende wapende hem mit haesten ende als hi gewapent was sat hi op Beiaert; hi hinck sijn scilt an sinen hals ende nam sijn spere in sijn hant. Als Roelant sach dat Reinout gewapent was seide hi in hem selven: ‘ic bid u Gode van hemelrijc, dat ghi bewairt mijn neve Reynout, dat ick hem niet doer en steke mit mijnre spere.’ Als Roelant dit in hem selven geseit had, lieten si haer paerden te gader lopen ende staken malcander mit sulker crachten dat hair speren braken ende Roelant viel mit sijn paert ter neder. Als Roelant gevallen was scaemde hij hem ende seyde tot Reinout: ‘Ghebenedijt, neve, soe moeti sijn, so helpe mi onse Vrouwe: so swaren steke en ontfinck ick nye van mijn leven van coningen of graven, waer ic ye quam in enigen striden.’ Distorie seit ons dat Roelant nye en vacht tegen so starcken man die hem vallen dede ende zijn ors mede. Doe nam Roelant sijn swaert Durendael in die [fol. 182] hant ende ginc na zijn ors ende seide: ‘Valsce beeste, du sulste becopen den laster. die du mi gedaen hebste want du en moges niet verdragen dien steke van een kint.’ Mittien verhief Roelant zijn swaert ende woude Volentijne doden, mer Reinout seide: ‘Wat wildi Volentijn witen? het is een stom beest! sloechdijt doot so wairdi ymmer sot: wat prijs soudi daer of hebben? de Fransoysen hebben de manier dat si haer orssen luttel coren geven ende dat comt haer heren dicwil tot groten toren. Ic seg u in der waerheit: ic en doe Beiert geen coern meten, ic doet hem voer leggen also veel als hi eten mach.’ Doe seide Roelant: ‘Seker neve, gi segt waer.’ Mit dese woerden spranc Roelant op Volentijn ende nam Durendael in die hant ende Reinout toech Florenbergen ende reden te gader met crachte: dit versagen de genoten ende quamen staphans reden na hemluden. Reynout versach de genoten comen riden na hem toe, doe seide Reynout: ‘Ghij hebt mi verraden. Roelant quaet bastaert. nu moet ic vlien, God geef di lachter!’ mit dese woerden reet Reinout wech. Dye voerste van die genoten was Ogier. ende als Ogier tot Roelant quam seide hij in spotte: ‘Roelant, u grote hoverdie heeft Reinout groote scande ghedaen. in desen camp, doe ghi hem so sere staect mit uwen spere dat hi hem niet onthouden en mocht, hi en most vallen van Beiert.’ Roelant antwoerde met grammen moede: ‘Swijch, du quade scalc Ogier, du moges wel soe veel spreken, ic sal den scade op di verhalen, die mi Reynout in desen camp gedaen heeft.’ ‘Nu wil ic swigen’ seyde Ogier. ‘mer mi verwondert hoe Reinout soe stout was dat hy Roelant genaken dorst want had hi gheweest in Vaucoloen, menich Fransoys hadde tlijf behouden.’ Aldus bescampte Ogier Roelant. Als die genoten [fol. 183] alle bi Roelant waren overdrogen si dat si riden wouden na Parijs, dat welc si ter stont deden ende Reynout reet na Montalbaen.

Dat XXI kapittel. Hoe Roelant de bondgenoten zei dat hij tegen Reinout kampen zou en de bondgenoten dat niet hebben wilden en waren daar toornig om en hoe Roelant kwam Reinout te veld om tegen hem te kampen maar de bondgenoten benamen het dat het niet geschiede.

Toen Roelant van Reinout gescheiden was reed hij tot de bondgenoten weer om en Reinout reed met haast naar Montalbaen met zijn schoonvader. En toen Roelant bij de bondgenoten kwam zei Ogier: ‘Roelant, breng je Yewyn gevangen zo doe je Reinout schande, is het dat gij Yewyn binnen zijn land hangt.’ ‘Zwijg’ zei Roelant tot Ogier ‘dat de schande geschieden moet en ik zeg u: gij heren, gij moet in Frankrijk rijden en ik moet zonder letten wederom tot Beaurepaire varen.’ Toen zei Ogier: ‘Ik hoor wel: Roelant wil een monnik worden want hij heeft berouw van zijn misdaad en bidden de abt om vergiffenis.’ Roelant zei: ‘Zwijg, u verweten Ogier.’ Toen zei Ogier: ‘Het is tijd dat ik zwijg want Roelant is gram.’ Toen zei bisschop Tilpin: ‘Nu zeg ons edele ridder waarom zouden we keren in Frankrijk en gij zou hier blijven? Wat zouden we tegen koning Karel zeggen waar gij was en wat ge deed en waarom g niet mee kwam? Want de waarheid zou hij van ons weten willen.’ Toen zei de ridder Roelant: ‘ik zal u het waarom zeggen: ik heb tegen Reinout een kamp aangenomen omdat hij me heden dat verraad deed en nam me Yewyn; daarom was hij toornig en heb Reinout met verraad aangelegd.’ Toen bisschop Tilpin deze woorden hoorde werd hij toornig en zei: ‘Roelant, wat ramp heb je gedaan! Heb je Reinout’ s dood gezworen, zo mag je zelf niet ontgaan’ sprak de bisschop Tilpin ‘ge hebt een gratie dat men u niet kwetsen mag als ge gewapend bent, met speren nog zwaarden, maar Roelant, ik beloof u bij mijn trouw, wordt Reinout verslagen van u ge zal er niet na leven drie dagen, men zal u mede begraven in de aarde.’ Ogier die dat hoorde was er zeer blijde om. Toen zei Ogier: ‘ik bid God dat hij u brengt in Reinout’ s gemoed dat gij beproeven mag zijn kracht; ik weet wel, hij geeft om u niet twee bonen.’ Toen zei Ritsaert van NormandiĎ: ‘Graaf Roelant, heb je Reinout’ s dood gezworen? Ik zweer u bij mijn ridderschap: wordt Reinout van u verslagen, ge zal nimmermeer weer keren in Frankrijk, we zullen u bij de keel hangen’ en dit zwoeren de ander bondgenoten mede. Toen graaf Roelant deze woorden van de bondgenoten hoorde zei hij: ‘Nu staat me te zorgen want tegen u allen kan ik me niet veroorloven.’ Toen zei de dappere Dunay: ‘Roelant, doe mijn raad.’ ‘Wat zou ik doen?’ zei  Roelant ‘ik heb Reinout mijn trouw gegeven dat ik tegen hem kampen zou, ik zeg u: ik liet het niet om al Parijs.’ Toen zei Dunay: ‘Roelant, laat deze woorden blijven, ik zal u raad geven dat ge uw trouw kwijten zal tegen Reinout in het krijt; want als gij in het krijt bent met Reinout en de kamp zal beginnen zo zullen wij komen rijden met haast en is het dat Reinout dan vliedt uit het krijt dan ben je vrij van uw belofte dat gij hem beloofd hebt en is het dat hij ons dan niet wil wijken zo zal hem euvel geschieden want we zullen hem vangen en voeren tot koning Karel in Frankrijk’. Toen zei Roelant: ‘Heer Dunay, ge hebt een valse raad gegeven: alzo helpt me God, ik zal het niet doen, ik zal alleen tegen hem vechten en berechten me zelf.’ Alzo we vinden beschreven zo bleven de woorden tussen de bondgenoten hiermee liggen dat ze daarvan niet meer spraken. Reinout die is met zijn schoonvader zo lang gereden dat ze kwamen te Montalbaen en toen ze daar waren kwamen hem tegemoet zijn broeders die hem daar vriendelijk ontvingen en daarna kwam de mooie vrouwe Clarisse. Toen zei die vrouwe met een blij gezicht: ‘Dat beloont u God, edele heer.’ Voort zei Reinout: ‘Gij heren, feliciteert en wees blijde met Yewyn en doe hem te gemak: ik moet weerkeren tot Beaurepaire’. Toen zei Adelaert: ‘Zeg me broeder Reinout, wat zal je in het klooster doen?’ Reinout zei: ‘Ik heb tegen Roelant een kamp aangenomen die ik volbrengen moet.’ Adelaert zei weer: ‘Wat heb je gedaan? Heb je gezworen Roelant’ s dood? Dat mag ons komen tot grote schade en weet gij niet dat men hem niet mag kwetsen met zwaarden of speren als hij gewapend is?’ Toen zei Reinout: ‘Het gaat zoals het gaat, ik laat mijn trouw niet.’ Toen de vrouwe Clarisse dit hoorde schreide ze zeer. Toen zei Maeldegijs: ‘Vrouwe, laat staan uw schreien want zal Reinout eer krijgen zo moet hij strijden tegen Roelant die hem verraad heeft aangezegd: hij zal daar varen en ik zal hem altijd bij wezen.’ Toen zei Adelaert: ‘God en u beveel ik dan mijn broeder.’ Aldus reed Reinout met haast daar hij kampen zou en toen hij zag dat hij kwam bij Roelant wrong hij zijn lans in de aarde en bond er Beiaard aan en ontwapende hem helemaal en legde zijn harnas in zijn schild: dit gedaan wezende viel hij voor Roelant op zijn knieĎn en kuste zijn voet en zei met ootmoedige woorden: ‘Roelant neef, ge bent immer mijn bloed, ik bid u vriendelijk: wou u gelieven dat ge me helpen wou in mijn eer dat ik ter verzoening kwam tegen koning Karel, ik wou u graag geven mijn goede paard Beiaard.’ Toen dit Roelant hoorde zei hij: ‘Sta op Reinout neef en vliedt uit mijn ogen zodat ik u niet zie of hoor spreken: ik ben hier gekomen om tegen u te kampen omdat ge me heden vals noemde uw zwager, daarom is de kamp aangenomen en nu wil ge van verzoening spreken?’ Toen zei Reinout met ootmoedige woorden: ‘En waan niet, Roelant neef, dat ik dit doe door bangheid of gevaar, deze ootmoedigheid die ik u doe, ik zeg u in de waarheid, ik ontzag niet van u vijf want was ik gewapend ik zou de kamp tegen u wel durven bestaan.’ Toen zei Roelant: ‘Ga, wapen u neef.’ Toen ging Reinout en wapende hem met haast en toen hij gewapend was zat hij op Beiaard; hij hing zijn schild aan zijn hals en nam zijn speer in zijn hand. Toen Roelant zag dat Reinout gewapend was zei hij in zichzelf: ‘ik bid u God van hemelrijk dat gij bewaart mijn neef Reinout dat ik hem niet doorsteek met mijn speer.’ Toen Roelant dit in zichzelf gezegd had lieten ze hun paarden tezamen lopen en staken elkaar met zulke kracht dat hun speren braken en Roelant viel met zijn paard te neder. Toen Roelant gevallen was schaamde hij hem en zei tot Reinout: ‘Gebenedijd, neef, zo moet he zijn, zo helpt me onze Vrouwe: zo’ n zware steek ontving ik niet van mijn leven van koningen of graven waar ik ooit kwam in enige strijd.’ De historie zegt ons dat Roelant nooit vocht tegen zo’n sterke man die hem vallen deed en zijn paard mede. Toen nam Roelant zijn zwaard Durendael in de hand en ging naar zijn paard en zei: ‘Vals beest, u zal het bekopen de laster die u me gedaan hebt want u mag niet verdragen de steek van een kind.’ Meteen verhief Roelant zijn zwaard en wilde Volentijn doden, maar Reinout zei: ‘Wat wil je Volentijn verwijten? Het is een stom beest! Sloeg ge het dood zo was je immer zot: wat prijs zou je daarvan hebben? De Fransen hebben de manier dat ze hun paard weinig koren geven en dat komt hun heren vaak tot grote toorn. Ik zeg u in de waarheid: ik doe Beiaard geen koren meten, ik doe het hem voor leggen alzo veel als hij eten mag.’ Toen zei Roelant: ‘Zeker neef , ge zegt waar.’ Met deze woorden sprong Roelant op Volentijn en nam Durendael in de hand en Reinout trok Florenberge en reden tezamen met kracht: dit zagen de bondgenoten en kwamen gelijk gereden naar hen lieden. Reinout zag de bondgenoten komen rijden naar hem toe, Toen zei Reinout: ‘Gij hebt me verraden. Roelant kwade bastaard, nu moet ik vlieden, God geeft u uitlachten!’ met deze woorden reed Reinout weg. De voorste van de bondgenoten was Ogier en toen Ogier tot Roelant kwam zei hij in spot: ‘Roelant, u grote hovaardij heeft Reinout grote schande gedaan in dit kamp toen he hem zo zeer stak met uw speer dat hij hem niet onthouden mocht, hij moest vallen van Beiaard.’ Roelant antwoorde met gram gemoed: ‘Zwijg, u kwade schalk Ogier, u mag wel zoveel spreken, ik zal de schade op u verhalen die me Reinout in dit kamp gedaan heeft.’ ‘Nu wil ik zwijgen’ zei Ogier. ‘maar me verwondert hoe Reinout zo dapper was dat hij Roelant genaken durfde want was hij geweest in Vaucoloen, menige Fransman had het lijf behouden.’ Aldus beschimpte Ogier Roelant. Toen de bondgenoten alle bij Roelant waren kwamen ze overeen dat ze rijden wilden naar Parijs wat ze terstond deden en Reinout reed naar Montalbaen.

 

 

 

Dat XXII. ca. Hoe Roelant Ridtsaert vinc als hi van Sint Jacobs quam ende hoe hem de coninc woude doen hangen ende hoe hem Reinout met sinen broeders ende sinen oem Maeldegys verlosten.

Het is geboirt als Roelant sinte Jacobs geweest had. ende weder om keerde na Parijs, dat hi gemoete Ridtsaert comen ridende op een wit ors ende vervolchde een ever seer strengelic. Ende als hi bi Roelant quam, nam Roelant den toem van sinen paerde in die hant ende seide: ‘Hout stille Ridsaert, ghi sijt gevangen.’ Als Ridsaert dit hoerde was hi droevich ende toech met haesten zijn swaert, doen seide Roelant: ‘Vaert met mi, neve Ridsaert, want gi en moget u niet verweren.’ Ridsaert dat horende, en wist wat doen, seide hi: ‘Neve Roelant, ic wil mi gaern in u geleide op geven. ende met u varen waer ghi wilt, mer anders niet.’ Met dese woerden voer Ridsaert met Roelant. Dese woerden heeft Maeldegijs verhoert daer hi heymelic stont bi hem luden. ende reet met haesten so lange dat hi quam te Montalbaen. ende Maeldegijs te Montalbaen comende, riep hi tot Reinout ende seide: ‘Spoet u geringe ende wapent u: het is te doen, want Roelant heeft Ridsaert ghevangen int wout te Bordele ende rijt daer mede na Parijs.’ Als Reinout dat hoerde wert hi met toerne ontsteken ende wapende hem met haesten ende sijn broeders mede ende reden mit haesten so lange dat Reinout Roelant sach met zijn broeder wel een walsche mijl vorde ende doe sloech hi Beiert met sporen ende onderhaelde Roelant ende als hi bi Roelant quam. riep hi met haesten: ‘Roelant neve, gi moet hier laten uwen roef.’ Roelant antwoirde: ‘ic en sals niet doen, ic sal hem gevanghen leveren coninc Karel, [fol. 184] dien sal ontfangen blidelic, mer en sals doden laten, al soude ic dair om sterven.’ Doe seide Ridsaert: ‘Broeder, ic wil op sijn geleide varen.’ Reinout seyde: ‘Ghi en sult niet, doedi minen raet.’ Roelant seide weder: ‘Hi sal, ist u lief of leet.’ Doe wert Reinout toernich om die woerden. ende toech sijn swaert. Doe seide Adelaert: ‘Laet staen edel grave van Merewout, ic wil wel dat Ridsaert vaert in Vrancrijc met Roelant op zijn geleide.’ Reinout wederseide dat seggen: ‘Broeder, laet wij en gaen, ic weet wel dat men hangen sal.’ Roelant seide: ‘Reinout neve, men sal niet.’ ‘Dat en salt’ seide Maeldegijs ‘want ic sal voer Roelant te Parijs wesen.’ Op dusdaniger condicien voirde Roelant Ridsaert ghevangen in zijn geleide ende voirde hem tot Parijs ende Reinout keerde weder met zijn broeders na Montalbaen ende Maeldegijs was voer hem op wege ende toende sijn const van nigromancien. ende plocte veel cruden die hi te gader stiet met den appel van sijn swaert. ende als Maeldegijs dat cruyt gemenct had wert hi so gelu oft soffraen wair ende voert toende hi sijn const so dat hi out sceen ende cranc ende seer lanc zijn baert ende die ogebrauwen. den buyck was hem seer groot ende de benen seer dicke ende scheen een groot mismaect mensche te wesen. Doe dede hi an een groot ruwe mantel die lanc was, aldus ghinc Maeldegijs te Montalbaen voer Reinout, ende als hi in de sale dus voer Reinout stont seide hi: ‘Ic bid u, ghi heren, doet mi doch geven een maeltijt broots doir Gode, want mi hongert seer dat gi mede deelachtich moet wesen al mijn goede wercken die ic doe ende gedaen heb al mijn pelgrimagie die ic gedaen heb of doen sal: gi siet wel here, dat ic een arm man ben.’ Doe seide Reinout: ‘Du segges waer, pelgrim,’ voert seide hi tot Adelaert: ‘Ic bid u broeder, doer Gode, geeft desen armen pelgrim teten, want het is een arm mensce.’ [fol. 185] Adelaert was bereet ende seide dat hijt gaern dede. ende dede den pelgrim een tafel decken daer hijen an sette. Reinout stont voer die tafel ende seide tot Adelaert: ‘Broeder doet hem geven xxx. pont, op dat God. ende zijn lieve moeder beware mijn broeder Ridsaert die nu rijt met Roelant in Vrancrijke.’ ‘Amen’ seide doe Maeldegijs dair hi sat. Voirt seide hi: ‘Ic sellen doen in mijn gebede mer gi siet wel dat ic een arm mensche ben here, ende en mach niet lange leven. daerom suldi dat goet geven een ander daert bet an besteet is. want ick en machs niet dragen.’ Als Reinout dit hoerde iammerde hem dat Maeldegijs dat goet wederseide. Doe seide Maeldegijs: ‘Ontbeit Reinout, en kendi mi niet?’ ‘Neen ick, pelgrijm, dat is mi leet: ic en sach u nye met ogen.’ ‘Gi doet, Reinout, en weet gi niet dat ic u te Parijs dede setten op Beiert ende gi vielt tweewerf daer of ende de derde reise sette u Roelant in den sadel, doe nopte hi Beiert met sporen.’ Doe seide Adelaert: ‘Ic seg u voerwaer, het is Maeldegijs.’ Doe seide Ridsairt: ‘Wie sach ye sulcken man van der const van nigromancien!’ Reynout seide: ‘Sidi dat oem? hoe wel neemdi mijn broeder waer, ic waende dat gi op die vaert waert na Parijs om mijn broeder te helpen; ic sie wel: ic moeter selve. Wapent u, gi heren, gi moet mede.’ Doen seide Maeldegijs: ‘Gi ende uwe broeders moeter varen ende neemt Volbeiert mit u ende bi Montefaucoen suldi mi verwachten, want ic sal noch tijts genoech comen ende ic sal u bescheit seggen hoet mit u broeder staet.’ Aldus nam Maeldegijs oerlof ende reisde na Parijs dat hi eer te Parijs quam eer Roelant. ende [doe] Maeldegijs in Parijs quam ginc hi te hove daer hi den coninc sach sitten ende knielde voer hem ende seide: ‘God die de werlt maecte, verleen u, edel coninc, sege ende victori ende bewaer u voer [fol. 186] verdriet.’ Als coninc Karel dese Maeldegijs sach seide hi: ‘God verwate di pelgrim’, ende nam een stoc die bi hem stont ende sloech den pelgrim dair mede dat hien hoerde noch en sach ende seide: ‘ic en ghelove niet meer pelgrims die comen van Romen of over zee.’ Als dat de coninc seide, trat Maeldegijs wat afterwairt ende toende sijn conste van nigromancien ende verwandelde den coninc sijn gedacht als dat hem die slach beroude. Doe seide Maeldegijs: ‘Heer coninc, het en is niet goet dat alle dieven gaen souden als pelgrimen want gi siet wel, heer coninc, dat ic een arm man ben: dat moechdi, here coninc, an mijn verwe wel sien ende de mi quaet doen, de doen sonde, ende in allen landen daer ic geweest heb dair heb ic u seer horen prisen voir een goet man, mer God betert, mi dunct ic en cans an u niet vinden.’ Doe seide de coninc: ‘Pelgrim, mijn misdaet is mi leet mer ic en can mi niet wachten voer een toevenaer, genoemt Maeldegijs, God willen verdomen.’ Maeldegijs seide weder: ‘Heer coninc, ic quam huden tot minen ongelucke int wout van Bordele: dair gemoete ic vijf heren ende ic had bi mi vergadert metter bede.xx. pont ende een out cleet, dat selve namen si. ic hoirde datter een Maeldegijs genoemt was: God willen verdomen ende ic hoirder twe nomen, die een Reynout, die ander Adelaert, mer dalderfelste was mi Maeldegijs.’ De coninc seide: ‘Weest te vreden, pelgrym, ic sal u gheven xxx pont voer tgeen dat u mijn neven genomen hebben.’ ‘Heer coninc, waer ic bi den wege gegaen heb, dair heb ic veel doechden van u gehoert.’ Doen woude die coninc Maeldegijs doen geven xxx. pont, mer Maeldegijs en wouder niet ende seyde: ‘Edel heer coninc, of ic dese penningen van u name ende ic dan quame in anderen landen, mi stonder of te hebben groot swair verdriet want vondemen tghelt bi mi, men soude seggen dat ict gestolen had, mer wildi [fol. 187] mij geven xx pont, die neme ic gaern ende benaise heimelic in min cleder so dat mense niet en vinde of mi enighe dieven meer an quamen, ende ic bid u heer coninc, wilt mi doch doen geven een maeltijt, dat u God almachtich daer of loen, want ic lange niet gegeten en heb. ende my hongert wtermaten.’ De coninc dede Maeldegijs xx. cronen geven ende teten brengen. Maeldegijs seide in hem selven: ‘Heer coninc, gi sult noch becopen de smeete die gi mi te voren gaeft.’ Coninc Karel seide tot Maeldegijs: ‘Coemt vrient, hier sitten op dese banc, men sal u etens. ende drinckens genoech geven van goede spise of van wijn.’ Doe seide Maeldegijs: ‘God loens u here’. Aldus ghinc Maeldegijs sitten an die tafel daer hi eten soude. ende men brochtse hem genoech van spise of wijn. Maeldegijs at met gemake ende coninc Karel diende hem selve. Die coninc heeft een bout van een gebraden paeu ghenomen ende seide: ‘Vrient, gape ende nem dit morseel: ic salt di geven in de eer van Gode, gi en atet nie so goet.’ Maeldegijs beet mit haesten toe ende vatte den coninc sinen duym mede ende beet sijn tanden te gader; mit haesten toech de coninc sinen duym weder na hem. ende ghinc sitten op een banc ende seide: ‘God scende di, pelgrym, dattu hier ye quames, du hebste mi bi na minen duym of gebeten.’ Doe seide Maeldegijs met clagende woerden: ‘Ay heer coninc, en belget u niet, en had so groten honger, ic en meendes niet te tide te crigen. Aldus heer coninc, ist geschiet buten mijn weten.’ Mit dat Maeldegijs dese woerden seide quam Roelant in die sale ende brocht Ridsaert met hem. Doe seide de coninc: ‘Nu verblijt u, pelgrim, ghi sult nu gewroken werden over die gene die u gheroeft hebben.’ Doe ginc coninc Karel Roelant te moet ende [fol. 188] hiete hem welcoem ende seide: ‘Neve Roelant, brengdi mi Ridsaert gevangen of brengdien op u gheleyde: dat wilt mi bi uwen eede seggen.’ Roelant seide: ‘Heer coninc, ic brengen ghevangen, dus doeter uwen wille mede dat u gelieft.’ Doe seide coninc Karel: ‘Ic sal hem doen hangen ane Montefaucoen noch van avont bi zijn kele.’

Dat XXII kapittel. Hoe Roelant Ritsaert ving toen hij van Sint Jacob kwam en hoe hem de koning wou doen hangen en hoe hem Reinout met zijn broeders en zijn oom Maeldegijs verloste.

Het is gebeurd toen Roelant naar Sint Jacobs geweest was en weerom keerde naar Parijs dat hij ontmoette Ritsaert die kwam rijden op een wit paard en achtervolgde een ever zeer sterk. En toen hij bij Roelant kwam nam Roelant de toom van zijn paard in de hand en zei: ‘Hou stil Ritsaert, ge bent gevangen.’ Toen Ritsaert dit hoorde was hij droevig en trok met haast zijn zwaard, toen zei Roelant: ‘Vaar met mij, neef Ritsaert, want ge mag u niet verweren.’ Ritsaert die dat hoorde wist niet wat te doen en zei: ‘Neef Roelant, ik wil me graag in uw geleide overgeven en met u varen wat ge wil, maar anders niet.’ Met deze woorden voer Ritsaert met Roelant. Deze woorden heeft Maeldegijs gehoord daar hij heimelijk stond bij hen lieden en reed met haast zo lang totdat hij kwam te Montalbaen en Maeldegijs te Montalbaen komende riep hij tot Reinout en zei: ‘Spoedt u gering en wapent u: het is te doen, want Roelant heeft Ritsaert gevangen in het woud te Bordele en rijdt daarmee naar Parijs.’ Toen Reinout dat hoorde werd hij met toorn ontstoken en wapende hem met haast en zijn broeders mede en reden met haast zo lang dat Reinout Roelant zag met zijn broeder wel een waalse mijl voor en toen sloeg hij Beiaard met sporen en haalde Roelant in en toen hij bij Roelant kwam riep hij met haast: ‘Roelant neef, ge moet hier laten uw roof.’ Roelant antwoorde: ‘ik zal het niet doen, ik zal hem gevangen leveren koning Karel die hem zal ontvangen blijde, maar zal hem niet doden laten, al zou ik daarom sterven.’ Toen zei Ritsaert: ‘Broeder, ik wil op zijn geleide varen.’ Reinout zei: ‘Ge zal niet, doe je mijn raad.’ Roelant zei weer: ‘Hij zal, is het u lief of leed.’ Toen werd Reinout toornig om die woorden en trok zijn zwaard. Toen zei Adelaert: ‘Laat staan edele graaf van Merewout, ik wil wel dat Ritsaert vaart in Frankrijk met Roelant op zijn geleide.’ Reinout weersprak dat en zei: ‘Broeder, laten we gaan, ik weet wel dat men u hangen zal.’ Roelant zei: ‘Reinout neef, men zal niet.’ ‘Dat zal het’, zei Maeldegijs ‘want ik zal voor Roelant te Parijs wezen.’ Op dusdanige conditie voerde Roelant Ritsaert gevangen in zijn geleide en voorde hem tot Parijs en Reinout keerde weer met zijn broeders naar Montalbaen en Maeldegijs was voor hen op weg en toonde zijn kunst van nigromantie en plukte veel kruiden die hij tezamen stootte met de appel van zijn zwaard en toen Maeldegijs dat kruid gemengd had werd hij zo geel of het saffraan was en voort toonde hij zijn kunst zodat hij oud scheen en zwak en zeer lang zijn baard en de wenkbrauwen, de buik was hem zeer groot en de benen zeer dik en scheen een groot mismaakt mens te wezen. Toen deed hij aan een grote ruwe mantel die lang was en aldus ging Maeldegijs te Montalbaen voor Reinout en toen hij in de zaal dus voor Reinout stond zei hij: ‘Ik bid u, gij heren, doe me toch geven een maaltijd brood door God want me hongert zeer dat ge mede deelachtig moet wezen al mijn goede werken die ik doe en gedaan heb al mijn pelgrimage die ik gedaan heb of doen zal: ge ziet wel heer dat ik een arme man ben.’ Toen zei Reinout: ‘U zegt waar pelgrim,’ voort zei hij tot Adelaert: ‘Ik bid u broeder, door God, geef deze arme pelgrim te eten want het is een arm mens.’ Adelaert was bereid en zei dat hij het graag deed en deed de pelgrim een tafel dekken daar hij hem aanzette. Reinout stond voor de tafel en zei tot Adelaert: ‘Broeder doe hem geven 30 pond opdat God en zijn lieve moeder bewaart mijn broeder Ritsaert die nu rijdt met Roelant in Frankrijk.’ ‘Amen’ zei toen Maeldegijs daar hij zat. Voort zei hij: ‘Ik zal het doen in mijn gebed maar ge ziet wel dat ik een arm mens ben heer en mag niet lang leven, daarom zal ge dat goed geven een andere daar het beter aan besteed is wan ik mag het niet dragen.’ Toen Reinout dit hoerde jammerde hem dat Maeldegijs dat dat goed weerzei. Toen zei Maeldegijs: ‘Wacht Reinout en ken je me niet?’ ‘Neen ik, pelgrim, dat is me leed: ik zag u niet met ogen.’ ‘Ge doet, Reinout, en weet ge niet dat ik u te Parijs deed zetten op Beiaard en ge viel er tweemaal daaraf en de derde keer zette u Roelant in het zadel, toen noopte hij Beiaard met sporen.’ Toen zei Adelaert: ‘Ik zeg u voor waar, het is Maeldegijs.’ Toen zei Ritsaert: ‘Wie zag ooit zulke man van de kunst van nigromantie!’ Reinout zei: ‘Bent u dat oom? Hoe goed neem je mijn broeder waar, ik waande dat ge op de vaart was naar Parijs om mijn broeder te helpen; ik zie wel: ik moet er zelf heen. Wapent u, gij heren, ge moet mee.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Gij en uwe broeders moeten er varen en neem Beiaard met u en bij Montfaucon zal ge op me verwachten want ik zal nog op tijd genoeg komen en ik zal u bescheidt zeggen hoe het met uw broeder staat.’ Aldus nam Maeldegijs verlof en reisde naar Parijs zodat hij eerder te Parijs kwam dan Roelant en toen Maeldegijs in Parijs kwam ging hij te hof daar hij de koning zag zitten en knielde voor hem en zei: ‘God die de wereld maakte verleent u, edele koning, zege en victorie en bewaart u voor verdriet.’ Toen koning Karel deze Maeldegijs zag zei hij: ‘God verwijt u pelgrim’, en nam een stok die bij hem stond en sloeg de pelgrim daarmee zodat hij hoorde nog zag en zei: ‘ik geloof niet meer pelgrims die komen van Rome of over zee.’ Toen dat de koning zei trad Maeldegijs wat achteruit en toonde zijn kunst van nigromantie en veranderde de koning zijn gedachte zodat hem die slag berouwde. Toen zei Maeldegijs: ‘Heer koning, het is niet goed dat alle dieven gaan zouden als pelgrims want ge ziet wel, heer koning, dat ik een arme man ben: dat mag u, heer koning, aan mijn kleur wel zien en die me kwaad doen die doen zonde en in alle landen daar ik geweest heb daar heb ik u zeer horen prijzen voor een goede man, maar God betert, me lijkt ik kan het aan u niet vinden.’ Toen zei de koning: ‘Pelgrim, mijn misdaad is me leed, maar ik kan me niet hoeden voor een tovenaar genoemd Maeldegijs, God wil hem verdoemen.’ Maeldegijs zei weer: ‘Heer koning, ik kwam heden tot mijn ongeluk in het woud van Bordele: daar ontmoette ik vijf heren en ik had bij me verzameld met beden 20 pond en een oud kleed, datzelfde namen ze. Ik hoorde dat er een Maeldegijs genoemd was: God wil hem verdoemen en ik hoorde er twee noemen, de ene Reinout, de andere Adelaert, maar de aller felste was me Maeldegijs.’ De koning zei: ‘Wees tevreden, pelgrim, ik zal u geven 30 pond voor datgene dat u mijn neven genomen hebben.’ ‘Heer koning, waar ik bij de weg gegaan heb daar heb ik veel deugden van u gehoord.’ Toen wou de koning Maeldegijs doen geven 30 pond, maar Maeldegijs wou het niet en zei: ‘Edele heer koning, als ik deze penningen van u nam en ik dan kwam in andere landen, me stond er van te hebben groot en zwaar verdriet want vond men het geld bij mij men zou zeggen dat ik het gestolen had, maar wilde ge mij geven 20 pond, die neem ik graag en naai ze heimelijk in mijn kleren zodat men ze niet vindt als me enige dieven meer aankwamen en ik bid u heer koning, wil me toch doen geven een maaltijd dat u God almachtig daarvan beloont want ik lang niet gegeten heb en me hongert uitermate.’ De koning deed Maeldegijs 20 kronen geven en te eten brengen. Maeldegijs zei in zichzelf: ‘Heer koning, ge zal het nog bekopen de smet die ge me tevoren gaf.’ Koning Karel zei tot Maeldegijs: ‘Kom vriend hier zitten op deze bank, men zal u eten en drinken genoeg geven van goede spijs of van wijn.’ Toen zei Maeldegijs: ‘God beloont het u heer’. Aldus ging Maeldegijs zitten aan de tafel daar hij eten zou en men bracht hem genoeg van spijs of wijn. Maeldegijs at met gemak en koning Karel diende hem zelf. De koning heeft een bout van een gebraden pauw genomen en zei: ‘Vried, pak en neem dit stuk: ik zal het u geven in de eer van God, ge at het niet zo goed.’ Maeldegijs beet met haast toe en vatte de koning zijn duim mede en beet zijn tanden tezamen; met haast trok de koning zijn duim weer naar hem en ging zitten op een bank en zei: ‘God schendt u, pelgrim, dat u hier ooit kwam, u hebt me bijna mijn duim afgebeten.’ Toen zei Maeldegijs met klagende woorden: ‘Ay heer koning, verbolg u niet, ik had zo grote honger, ik meende het niet op tijd te krijgen. Aldus heer koning, is het geschied buiten mijn weten.’ Met dat Maeldegijs deze woorden zei kwam Roelant in de zaal en bracht Ritsaert met hem. Toen zei de koning: ‘Nu verblijdt u, pelgrim, ge zal nu gewroken worden over diegene die u beroofd hebben.’ Toen ging koning Karel Roelant tegemoet en heet hem welkom en zei: ‘Neef Roelant, breng je me Ritsaert gevangen of breng je die op uw geleide: dat wil me bij uw eed zeggen.’ Roelant zei: ‘Heer koning, ik breng hem gevangen, dus doe er uw wil mee dat u gelieft.’ Toen zei koning Karel: ‘Ik zal hem doen hangen aan Montfaucon nog vanavond bij zijn keel.’

 

 

 

 

Doe seide Ridsairt: ‘Here coninc dat waer te veel: gi en waert nie so coen dat gi mi pinen sout willen te doden.’ Doe seide coninc Karel: ‘Setstu di dan tegen mi?’ Met dien sloech hi Ridsaert mit een stoc. Ridsaert die coen was greep den coninc bider kelen, doe bescutten de heren den coninc ende Roelant seyde: ‘Heer coninc, gi misdoet sere dat gi mijn gevangen slaet.’ Die coninc seide weder, al soude hi scande hebben: ‘hi set hem tegen mi. mer het is om niet: mi comer of dat mach, ic sal hem doen hangen.’ Voert seide hi: ‘Roelant neve, wiltdijt doen?’ Roelant antwoerde: ‘Neen ic.’ Doe vraechde die coninc Olivier of hijt doen woude, diet oec ontseide. Doe riep hi Ridsaert van Normandien ende vraechde of hi Ridsaert sinen neve hangen woude, twelc Ridsaert mede ontseide; daerna vraechde hijt den hertoge Sampson ende seide: ‘Hertoge vercoren Sampson, wildi mijn leet helpen wreken ende hangen mijn neve Ridsaert? ic sals u dancken.’ Sampson seide weder totten coninc dat hijs niet doen en woude. Aldus vraechdet de coninc van Vrancrijc elc bisonder alle de xij ghenoten, diet alle ontseiden dat si Ridsaert niet hangen en wouden, hoe vriendelic dat hem die coninc badt. Die histori seit ons, doen die ghenoten den coninc ontseit hadden dat si Ridsaert niet hangen en wouden, so stont daer een op ghenoemt Ripe here van Ripemonde ende seide seer stoutelic: ‘Edel coninc van Vrancrijc, willen mi die ghenoten loven ende sweren ende haer trou te pande setten dat [fol. 189] si mi niet en sullen misdoen, so salic doer uwe ere te Montefaucoen uwen neve Ridsaert hangen.’ Coninc Karel seide: ‘Ripe, ghi bent een stout man.’ Doe riep Karel die genoten dat si bi hem quamen ende als si biden coninc stonden, seide hi tot Roelant, Olivier ende Dunay: ‘Coemt ende gevet hier u trouwe dat gi Ripe nemmermeer misdoen en sult, al hanct hi mijn neve.’ Doe seiden die heren: ‘Wi beloven hem dair om niet te misdoen,’ des gelijcs deden die.xij. ghenoten dat si Ripen nemmermeer misdoen en souden al hinge hi Ridsaert; dit sworen si alle sonder alleen Ogier van Denemerken. Doe seide die coninc ende louch seggende: ‘Ripe, genoecht u nu ende hebdi borgen dat gi te vrede sijt?’ ‘Neen ic heer, dat seg ic u. mi gebreect noch een man die ic meer ontsie dan alle die ander.’ ‘Wie ist?’ seide die coninc. ‘Heer coninc, het is Ogier.’ Do seide coninc Karel tot Ogier: ‘Geeft Ripe u trou.’ Ogier seide: ‘Heer coninc, ick en does niet, mer ic segge: so helpe mi God, hanct Ripe mijn neve, hi en salder niet lange na leven.’ Als die coninc dit hoerde was hi verbolgen. ende seide: ‘Heer Ogier, en geefdi hier uwe trouwe niet, ic sal u mede doen hangen.’ Ogier seide weder: ‘Ic wil sien die mi hanghen sal.’ Die coninc seide: ‘Grave Ogier, gi doet mi verdriet: gi weet wel dat ic so veel heb verloren als van minen soen die ic voer alle de werlt minde.’ Mit dat de coninc dat seide, heeft Ridsairt Maeldegijs versien ende Ridsaert trat Ogier op den voet ende seide: ‘Des conincs toern is u te swaer, neve, mi en mach niet misschien want ic heb versien Maeldeghijs.’ Doe seide Ogier: ‘Waer is hi, neve, dat segt mi.’ Doe sey Ridsaert: ‘Siet waer hi daer after sidt.’ Ogier seide totten coninc: ‘Heer coninc, u toern is mi te lastich: hier gheve ic Ripe mijn trouwe dat ic hem niet misdoen en sel, al hanget hi minen [fol. 190] neve Ridsaert ende al hebbe ick Ripen doot metten monde gesworen, ic en meens metter herten niet.’ Dit dede Ogier op die troest van Maeldegijs. Doe seide de coninc tot Ripe: ‘Nu hebdi u begeerte ende haest u, ic en sal niet eer eten, gi en sijt weder om gecomen.’ Ridsaert seide doe totten coninc: ‘Mi dunct, heer coninc, ghi sijt tot sware penitencie gecomen. dat gi so lange an neemt te vasten, want en suldi niet eer eten eer hi mi hanct, gi en aet nemmermeer.’ Ende mit dat Ridsert dat seide ruymde Maeldegijs de sael ende liep met haesten ende socht Reynout, dien hi vant bi Montefaucoen met zijn broeders ende als Reinout Maeldegijs versach hiet hij hem welcoem ende seide: ‘Mijn lieve oem, segt mi, heeft Roelant oec waer genomen na mijn broeder Ridsaert?’ Maeldegijs seide: ‘So als ic sach, seer qualic: dies moechdi Roelant wel dancken, men brengt u broeder wt om te hangen.’ Als Reynout dat hoirde was hi bedroeft ende seide: ‘Wie sal so coenen man wesen die mijn broeder hangen sel?’ Doe seide Maeldegijs: ‘Het is Ripe van Ripemont.’ ‘Help!’ seyde Reinout ‘en was daer niemant van al mijn hoge magen die daer tegen dorsten seggen?’ Maeldegijs seide: ‘Neent, Reinout, sonder alleen den starcken Ogier.’ ‘Voerwaer’ seide Reinout ‘mi waer leet, had icken verslegen als wi vochten in Vaucoloen ende hi over de Dordoene vloech.’ Doe sprac Maeldegijs tot Reinout: ‘Laet ons varen int wout so dat ons Ripe niet en mach verspien.’ ‘Ick doet gaerne, seide Reinout; dus reden si in een hagedocht onder een boem ende namen starcke wair na de galghe. Ter wilen si dus onder den boem saten, so seide Maeldegijs tot Reinout: ‘Ic heb alte wonderlic mitten coninc gevaren: als ic eerst in die sale quam, sloech hi mi, dat ic goetelic verdroech ende bi mijnre consten dede ic hem de slach berouwen ende ic [fol. 191] clagede seer over u dat gi mi beroeft had ende xx. pont genomen ende dien dede hij mi weder geven, doe badt ic hem dat hi mi teten woude geven, twelc hi dede ende hi diende mi selver ende woude mi een morseel geven. ende doe hijse mi in den mont steken soude, beet ic hem in sinen duym ende doe ginc hi sitten op een banc ende sach mi lelic aen.’ Als Maeldeghijs dit dus Reinout vertelde quam de heren so stercken vaeck an dat si slapen mosten. ende ter wilen dat die heren dus sliepen quam Ripe mit Ritsaert bi Montefaucoen ende Ripe seide tot Ritsaert: ‘Climt die leder sonder toeven: nu sal ic sien wat hulpe dat u comen sal.’ Als Ridtsaert sach dat hi de leeder op gaen most ende niet en vernam van Maeldeghijs of Reynout sinen broeder. daer sijn hoep op stont, began hi seer droevich te werden ende meende dat hi heel vergeten was ende seide tot Ripe mit droeven moede: ‘ic bidde u, Ripe, laet mi mijn gebet doen. dat God mijn siel bewaren moet als si wten lichaem scheit.’ Doe seiden Ripen ridders die hi bij hem hadde: ‘Heer, laet Ridsaert sijn gebet lesen. dat God sijnre sielen gedencken wil ende Sinte Michiel.’ Doe seide Ripe tot Ridsairt: ‘Spreket u ghebet.’ Doe viel Ridsaert over zijn knien ende seide: ‘O here, ic bid u oetmoedelic dat gi mijn siel ontfermen wilt ende brengense in u rijc. O waerdige here, doer u neder dalen in Marien wt den scoot uwes vaders ende van Marien waerste geboren, so wil mijn siel verlenen rust ende bi u te regneren. ende vergeeft mi mijn mesdaet die ic mesdaen heb van mijn kintsche dagen tot nu toe. O waerde maget Maria ende moeder, bidt uwen gheminden soen dat hi mi mijn sonden vergeve daer ic in ghebonden ben, also hise vergaf Maria Magdalena in Simeons huys, daer si ons Heren voeten nat maecte mit haren tranen ende droechdese [fol. 192] mit haren hare. ende lieve Here, wilt mi verlossen wter noot dair ic nu in ben dat ick niet en sterve desen scandeliken doot.’ Als Ridsairt sijn gebet geeyndt hadde, stont hi op ende ghinc tot Rijpen ende seide: ‘Ripe, nu doet met mij dat u gelieft: het vergae mi soet mach.’ Doe seide Ripe tot Ridsaert: ‘Climt op ende ghi sult sien, wye u helpen sal: hier sal ic u van den live roven ende sult te hants an die galge hanghen. ende soe u doot onfaen. ic segge u Ridsaert, had ic hier Reinout ende Maeldegijs, ic soudse hier bi uwer siden hanghen om u te meerder scande te doen.’ Als Ridsaert dit hoerde sprac hi in hem selven: ‘God bewaerse van sulcker pijn’ ende als Ridsaert noch nyemant en vernam began hi weemoedich te werden ende seide in hem selven: ‘Nu heeft my Maeldegijs mijn oem qualic waer genomen.’ Ende met desen ghedachten clam Ridsaert die leeder droeflic op ende droech het strop in sijn hant seer meshopende. ende niet wetende, hi en soude sterven. Als Ridsaert op de leder ginc ende te halven was wert Beyaert siende nae de galge ende verkende Ritsairt: Reinout ende sijn broeders sliepen noch harde vaste. Beyert sloech Reinout daer hi lach dat hi daer bi ontspranc wt sinen slaep. ende wert toernich op Beyert dairom ende seide: ‘Beyert, dat di God scende, waer om slaetstu mi so seer? dit ben ic immer ongewoen.’ Met dese woerden spranc Reynout op ende sloech sijn ogen nader galgen ende sach sinen broeder staende bi na int hoechste van der galghen daer men soude hangen. Reinout dit siende spranc op Beyaert ende sijn ander broeders mede op haer paerden ende reden na der galgen. Ripe dit siende wert seer vervaert ende seide: ‘Ridsaert neve, u coemt grote hulpe om u te verlossen, want ic sye Reinout comen riden op Beyert so vreselic oft hi verwoet waer; ic en hinge u niet om [fol. 193] alle die werlt: dat ic u hier brochte dede des conincs gebot.’ Doe seide Ritsaert mit grot verdriet: ‘Ripe, gi mochtet wel ontberen dat gi met mi niet en spottet.’ Ripe seyde: ‘Ic en doe waerlic, so mi God goet ic sal u die ogen ontbinden ende latent u sien’ ende als Ridsaert die doec van den oghen was sach hi sijn broeder Reinout comen op Beyert ende sijn ander broeders mede ende sijn oem Maeldegijs. Mit dat Ridsairt dit sach verblijde hi hem ende seide: ‘Ripe, ghi waert bet te hove gebleven: dat gi mi vermaet te hangen, suldi swaerlic becopen. ’ Maeldeghijs was altijt voir Beyert ende als si bi der galgen quamen liet Maeldegijs zijn spere sincken ende woude Ripe doer steken ende wreken Ridsaert. Doe riep Reinout dat hijs niet doen en soude, doen liet Maeldegijs Ripe staen ende ghinc houwen ende steken onder sijn knechten ende Reynout is onder die galge gereden. ende sloech Ripen opten helm dat hi viel vander leder, doe seide Reinout tot Ripe: ‘Du valsche tyran. God doe di sterven der quader doot dat ghi u pijnt te verdoen Ridsaert minen broeder.’ Ripe viel op zijn knien voer Reinout ende bat genade seggende: ‘Reinout edel ridder, wildi mi laten leven, ic sal u gheven Ripemont.’ Reinout seide weder: ‘Neen ic niet, ic en liet u niet leven om al de werlt.’ Doe nam Reynout Ripe bij den helm ende brochten ter galgen. Doe seide Ridsaert: ‘Ick bidde u broeder, geeft mi Ripen wapenen want die coninc heeft hem beloeft groten scat: dat sal ic hem eyschen.’ Doe nam Reynout die wapenen van Ripen ende gafse sinen broeder Ridsaert ende Reinout hinc Ripen. Als dat ghedaen was, seide Reinout: ‘Gi heren, laet ons weder een gekeer doen na huys’ mer Ridsaert seide: ‘Eer ic thuys keer, sal ic totten coninc riden ende eyschen hem tgoet dat hy Ripen beloeft hadde.’ ‘Doet dat, broeder, wij sullen u [fol. 194] hier wachten want ghi weder keert.’ Met dese woerden spranc Ridsaert op Ripen ors ende sloecht met sporen ende reet [nae] Parijs. Ende als hi bi Parijs quam versachen die coninc ende was gelegen boven opt pallays in een veynster. ende bi den coninc lach Ogier. Als de coninc Ridsaert versach wanende dattet Ripe was, seide hij: ‘Nu sie ic wel dat Ripe stout is, hi heeft gehangen Ridsaert te Montefaucoen, dat sie ic wel; nu sel ic hem sijn leen vermeren ende geven hem steden ende sloten.’ Als Ogier dit verhoerde wort hi droevich in hem selven. ende liep met haesten in den stalle ende sadelde Broyforte ende leiden wten stalle ende spande sijn sporen ende spranc op sijn paert ende reet na Montefaucoen. Als dit de coninc sach, was hi vervaert voir Ripen ende seide: ‘Ic duchte dat Ogier Ripen slaen sal,’ ende riep tot zijn baroenen, dat si hem wapenen souden ende selve wapende hem die coninc mede. ende spranc op sijn paert ende volchde Ogier, die vorde voren was. Ogier is bi Rijtsaert gecomen ende waende dattet Ripe waer ende seyde tot hem: ‘Segt mi Ripe, hebdi mijn neve Ritsaert gehangen? ic seg u: en mochen verdingen niet die ye lijf ontfinghen, ende sal u hier ter stede thoeft van uwen lichaem snijden.’ Als Ridsaert sach dat Ogier was verbolgen seide hi tot Ogier: ‘Ogier neve, steket op u swaert, ic sal u de waerheit seggen: Ripe is selve gehangen.’ Als Ogier dat hoerde verblide hi ende seide: ‘Doet u helm of, ic seg u: en sidi niet mijn neve Ridsaert, so wairlic help mi God, ic sel u tlijf nemen; laet ic des, so moet ic ramp hebben.’ Met dese woerden dede Ridsaert den helm of ende liet Ogier sijn ansicht sien. Doe seide Ogier: ‘Ritsairt neve, rijt van hier want coninc Karel volghet mi naerstelic ende soude mi gaerne slaen, waert dat ic Ripen yet mesdaen hadde.’ Aldus sceiden die heren van [fol. 195] malcander. Ogier reet weder om na den coninc. ende Ridtsaert hil bi een berch ende Ogier wachte den coninc. Als Ogier bi den coninc quam, vraechde die coninc Ogier waer om dat Ripe niet en quam ende wat aventuer hem gheboert was. Doe seide Ogier dat hi Ridsaert verhangen had ende hadde hij bi hem mogen comen, hi souden ghedoot hebben. Doe seide coninc Karel: ‘Heer Ogier, ghi en sult niet so koen wesen, ic sel hem wel te rechte houden tegen alle die gene de hem deren mogen.’ Ogier antwoerde: ‘Dat suldi, heer coninc, an de galge te Parijs.’ Coninc Karel en hoerde de woerden niet ende reet den berch neder ende riep: ‘Coemt voert, Ripe van Ripemont. ic segge u in der waerheit: u goet sal ick u vermeren ende bescermen dat ghi geen so koenen man vinden en sult die hem tegen u soude dorren vermeten quaet.’ Doe seide Ridsairt: ‘O valsch coninc, soude gi goet geven datmen mi hangen soude, dat sal u qualic vergaen.’ Ridsaert liet die spere sincken ende reet opten coninc. Als dat die coninc sach sloech hi met zijn swaert de spere in stucken ende als Ridsaert verbi hem liden soude sloech hi hem dat hi vanden paerde viel. Ridsaert spranc weder op sijn voeten ende ginc tegen den coninc. Doe quam Reynout ende reet opten coninc met sijn spere ende stacken dat hi voer hem ter aerden viel. Als Reinout sach dat die coninc gevallen was vanden peerde, seide Reinout mit soete woerden: ‘Heer coninc, sit weder op u paert ende rijt te Parijs.’ Doe sprac de coninc: ‘Reinout, wat hebdi vernomen? sidi gecomen om mi lachter te doen?’ ‘Ya ic, here coninc, want te Montefaucoen heb ic verhangen Ripen, die ghi geboet dat hi mijn broeder hangen soude.’ Doe seide die coninc: ‘Des ben ic te onvreden.’ Mettien riep die coninc sijn baroenen ende seide: ‘Waer sidi, neve Roelant? Reinout is ghecomen [fol. 196] binnen mijn lant. ende heeft mi scande gedaen: coemt, helpt mi nu vanghen den moerdenaer.’ Als Reinout van de coninc dese woerden hoerde seggen, wert hi toernich. ende spranc van Beyert ende nam den coninc tegen sinen danck. ende werpen op Beyert ende swoer bi zijnre trouwen, hi soude gevangen bliven: dit versach Roelant ende Olivier ende menich edel francoys de grote begeerte hadden om haren here te helpen. Hier en binnen was Ridsaert gecomen tot sinen paerde ende ginc houwen met sijn swaert onder de Fransoysen; daer na quam Wridsairt ende dede mede veel vromicheit ende Adelaert viel mit sijn broeders in de Fransoysen daer si theer dicste sagen ende Maeldegijs volchde na Roelant, Ogier, Olivier ende Dunay volchden Reinout om te verlossen den coninc al dat si mochten. Reinout dus ridende metten coninc. was bevreest om sijn broeders die noch after waren. dat si in den stride bliven souden ende te seer verladen waren van volc. ende soude hi hem luiden helpen, so most hi den coninc laten. Ende als Reinout sach dat hi sijn broeders niet helpen en mocht, hi en most den coninc quijt wesen, werp hij hem van sijn paert tegen die aerde dat hem therte breken dochte ende Beyert sette hem ter vluchte met Reynout. ende als die coninc sach dat hi Reynout ende sijn broeders niet volgen en mocht, keerde hi met sijn volc droevich in Parijs, want hem waren wel hondert man of gesleghen ende Reinout met sijn broeders keerden met vroechden tot Montalbaen.

Toen zei Ritsaert: ‘Heer koning dat is te veel: ge was niet zo koen dat ge mij pijnen zou te willen te doden.’ Toen zei koning Karel: ‘Zet u zich dan tegen mij?’ Met die sloeg hij Ritsaert met een stok. Ritsaert die koen was greep de koning bij de keel, toen beschutten de heren de koning en Roelant zei: ‘Heer koning, ge misdoet zeer dat ge mijn gevangene slaat.’ De koning zei weer, al zou hij schande hebben: ‘hij zet hem tegen mij, maar het is om niet: me komt er van dat komt, ik zal hem doen hangen.’ Voort zei hij: ‘Roelant neef, wil jij het doen?’ Roelant antwoorde: ‘Neen ik.’ Toen vroeg de koning Olivier of hij het doen wou die het ook ontzei. Toen riep hij Ritsaert van NormandiĎ en vroeg hem of hij Ritsaert zijn neef hangen wou wat Ritsaert mede ontzei; daarna vroeg hij het de hertog Sampson en zei: ‘Hertog uitverkoren Sampson, wil je mijn leed helpen wreken en hangen mijn neef Ritsaert? Ik zal het u bedanken.’ Sampson zei weer tot de koning dat hij het niet doen wou. Aldus vroeg het de koning van Frankrijk elk apart alle de 12 bondgenoten die het alle ontzeiden dat ze Ritsaert niet hangen wilden, hoe vriendelijk dat hen de koning bad. De historie zegt ons toen de bondgenoten de koning ontzegd hadden dat ze Ritsaert niet hangen wilden zo stond daar een op genoemd Ripe, heer van Ripemonde, (Rupelmonde?) en zei zeer dapper: ‘Edele koning van Frankrijk, willen me de bondgenoten loven en zweren en hun trouw te pand zetten dat ze me niets zullen misdoen zo zal ik door uw eer te Montfaucon uw neef Ritsaert hangen.’ Koning Karel zei: ‘Ripe, ge bent een dappere man.’ Toen riep Karel de bondgenoten dat ze bij hem kwamen en toen ze bij de koning stonden zei hij tot Roelant, Olivier en Dunay: ‘Kom en geeft hier uw trouw dat ge Ripe nimmermeer misdoen zal, al hangt hij mijn neef.’ Toen zeiden de heren: ‘We beloven hem daar om niet te misdoen,’ dergelijks deden de 12 bondgenoten dat ze Ripe nimmermeer misdoen zouden al hing hij Ritsaert; dit zwoeren ze alle uitgezonderd alleen Ogier van Denemarken. Toen zei de koning en lachte en zei: ‘Ripe, vergenoegt u nu en heb je borgen dat ge tevreden bent?’ ‘Neen ik heer, dat zeg ik u, me ontbreekt nog een man die ik meer ontzie dan alle de andere.’ ‘Wie is het?’ zei de koning. ‘Heer koning, het is Ogier.’ Toen zei koning Karel tot Ogier: ‘Geef Ripe uw trouw.’ Ogier zei: ‘Heer koning, ik doe het niet, maar ik zeg: zo helpt me God, hangt Ripe mijn neef, hij zal er niet lang na leven.’ Toen de koning dit hoorde was hij verbolgen en zei: ‘Heer Ogier, geef je hier uw trouw niet, ik zal u mede doen hangen.’ Ogier zei weer: ‘Ik wil zien die mij hangen zal.’ De koning zei: ‘Graaf Ogier, ge doet me verdriet: ge weet wel dat ik zoveel heb verloren als van mijn zoon die ik voor alle in de wereld beminde.’ Met dat de koning dat zei heeft Ritsaert Maeldegijs gezien en Ritsaert trad Ogier op de voet en zei: ‘De konings toorn is u te zwaar neef, me kan het niet misgaan want ik heb gezien Maeldegijs.’ Toen zei Ogier: ‘Waar is hij, neef, dat zeg me.’ Toen zei Ritsaert: ‘Ziet waar hij daar achter zit.’ Ogier zei tot de koning: ‘Heer koning, uw toorn is me te lastig: hier geef ik Ripe mijn trouw dat ik hem niets misdoen zal, al hangt hij mijn neef Ritsaert en al heb ik Ripe dood met de mond gezworen, ik bedoelde het met het hart niet.’ Dit deed Ogier op de troost van Maeldegijs. Toen zei de koning tot Ripe: ‘Nu heb je uw begeerte en haast u, ik zal niet eerder eten, ge bent weer terug gekomen.’ Ritsaert zei toen tot de koning: ‘Me dunkt, heer koning, ge bent tot een zware penitentie gekomen dat ge zo lang aan neemt te vasten want zal je niet eerder eten eer hij me hangt, ge at nimmermeer.’ En met dat Ritsaert dat zei ruimde Maeldegijs de zaal en liep met haast en zocht Reinout die hij vond bij Montfaucon met zijn broeders en toen Reinout Maeldegijs zag heette hij hem welkom en zei: ‘Mijn lieve oom, zeg me, heeft Roelant ook waargenomen naar mijn broeder Ritsaert?’ Maeldegijs zei: ‘Zoals ik zag zeer slecht: dus mag je Roelant wel bedanken, men brengt uw broeder uit om te hangen.’ Toen Reinout dat hoorde was hij bedroefd en zei: ‘Wie zal zo’ n koene man wezen die mijn broeder hangen zal?’ Toen zei Maeldegijs: ‘Het is Ripe van Ripemont.’ ‘Help!’ zei Reinout ‘en was daar niemand van al mijn hoge verwant die daartegen durfde te zeggen?’ Maeldegijs zei: ‘Neen het, Reinout, uitgezonderd alleen de sterke Ogier.’ ‘Voorwaar’ zei Reinout ‘me is het leed, had ik hem verslagen toen we vochten in Vaucoloen en hij over de Dordogne vloog.’ Toen sprak Maeldegijs tot Reinout: ‘Laat ons varen in het woud zodat ons Ripe niet mag bespieden.’ ‘Ik doe het graag zei Reinout; dus reden ze in een spelonk onder een boom en namen sterk waar naar de galg. Terwijl ze dus onder de boom zaten zo zei Maeldegijs tot Reinout: ‘Ik heb al te wonderlijk met de koning gevaren: toen ik net in de zaal kwam sloeg hij me dat ik goedaardig verdroeg en bij mijn kunsten deed ik hem de slag berouwen en ik klaagde zeer over u dat ge me beroofd had en 20 pond genomen en die deed hij me weer geven, toen bad ik hem dat hij me te eten wou geven wat hij deed en hij bediende me zelf en wou me een stuk geven en toen hij het in mijn mond steken zou beet ik hem in zijn duim en toen ging hij zitten op een bank en zag me lelijk aan.’ Toen Maeldegijs dit dus Reinout vertelde kwam de heren zo’ n sterke slaap aan dat ze slapen moesten en terwijl dat de heren dus sliepen kwam Ripe met Ritsaert bij Montfaucon en Ripe zei tot Ritsaert: ‘Klim de ladder zonder toeven: nu zal ik zien wat hulp dat u komen zal.’ Toen Ritsaert zag dat hij de ladder opgaan moest en niets vernam van Maeldegijs of Reinout zijn broeder daar zijn hoop op stond begon hij zeer droevig te worden en meende dat hij geheel vergeten was en zei tot Ripe met droevig gemoed: ‘ik bid u, Ripe, laat me mijn gebed doen dat God mijn ziel bewaren moet als ze uit het lichaam scheidt.’ Toen zeiden Ripe’ s ridders die hij bij hem had: ‘Heer, laat Ritsaert zijn gebed lezen dat God zijn ziel gedenken wil en Sinte Michiel.’ Toen zei Ripe tot Ritsaert: ‘Spreek uw gebed.’ Toen viel Ritsaert op zijn knieĎn en zei: ‘O heer, ik bid u ootmoedig dat ge mijn ziel ontfermen wil en brengen ze in uw rijk. O waardige heer, door uw neder dalen in Maria uit de schoot van uw vader en van Maria  bent u geboren zo wil mijn ziel verlenen rust en bij u te regeren en vergeef me mijn misdaad die ik misdaan heb van mijn kindse dagen tot nu toe. O waarde maagd Maria en moeder bid uw beminde zoon dat hij me mijn zonden vergeeft daar ik in gebonden ben alzo hij ze vergaf Maria Magdalena in Simeon’ s huis daar ze onze Heer voeten nat maakte met haar tranen en droogde ze met haar haren en lieve Heer wil me verlossen uit de nood daar ik nu in ben dat ik niet sterf deze schandelijke dood.’ Toen Ritsaert zijn gebed geĎindigd had stond hij op en ging tot Ripe en zei: ‘Ripe, nu doe met mij dat u gelieft: het vergaat me zo het gaat.’ Toen zei Ripe tot Ritsaert: ‘Klim  op en je zal zien, wie u helpen zal: hier zal ik u van het lijf beroven en zal gelijk aan de galg hangen en zo uw dood ontvangen, ik zeg u Ritsaert, had ik hier Reinout en Maeldegijs, ik zou ze hier bij uw zijde hangen om u te meer schande te doen.’ Toen Ritsaert dit hoorde sprak hij in zichzelf: ‘God bewaar ze van zulke pijn’ en toen Ritsaert nog niemand vernam begon hij weemoedig te worden en zei in zichzelf: ‘Nu heeft me Maeldegijs mijn oom slecht waargenomen.’ En met deze gedachte klom Ritsaert de ladder bedroefd op en droeg de strop in zijn hand zeer wanhopende en niets anders wetende, hij zou sterven. Toen Ritsaert op de ladder ging en te halve was keek Beiaard naar de galg ende herkende Ritsaert: Reinout en zijn broeders sliepen nog erg vast. Beiaard sloeg Reinout daar hij lag zodat hij daarbij opsprong uit zijn slaap en werd toornig op Beiaard en daarom zei: ‘Beiaard, dat God u schendt, waarom slaat u me zo zeer? Dit ben ik immer ongewoon.’ Met deze woorden sprong Reinout op en sloeg zijn ogen naar de galg en zag zijn broeder staan bijna in het hoogste van de galg daar men hem zou hangen. Reinout dit ziende sprong op Beiaard en zijn ander broeders mede op hun paarden en reden naar de galg. Ripe dit ziende werd zeer bang en zei: ‘Ritsaert neef, u komt grote hulp om u te verlossen want ik zie Reinout komen rijden op Beiaard zo vreselijk of hij verwoed is; ik hing u niet om al de wereld: dat ik u hier bracht deed de konings gebod.’ Toen zei Ritsaert met groot verdriet: ‘Ripe, ge mocht het wel ontberen dat ge met mij niet spotte.’ Ripe zei ‘Ik doe waarlijk, zo me God vergoed, ik zal u de ogen ontbinden en laten het u zien’ en toen Ritsaert de doek van de ogen was zag hij zijn broeder Reinout komen op Beiaard en zijn andere broeders mede en zijn oom Maeldegijs. Met dat Ritsaert dit zag verblijde hij hem en zei: ‘Ripe, ge was beter te hof gebleven: dat ge me maant te hangen zal ge zwaar bekopen. ’ Maeldegijs was altijd voor Beiaard en toen ze bij de galg kwamen liet Maeldegijs zijn speer zinken en wou Ripe doorsteken en wreken Ritsaert. Toen riep Reinout dat hij het niet doen zou, toen liet Maeldegijs Ripe staan en ging houwen en steken onder zijn knechten en Reinout is onder de galg gereden en sloeg Ripe op de helm zodat hij viel van de ladder. Toen zei Reinout tot Ripe: ‘U valse tiran, God doe je sterven de kwade dood dat ge u pijn te verdoen Ritsaert mijn broeder.’ Ripe viel op zijn knieĎn voor Reinout en bad genade zeggende: ‘Reinout edele ridder, wil je me laten leven, ik zal u geven Ripemont.’ Reinout zei weer: ‘Neen ik niet, ik liet u niet leven om al de wereld.’ Toen nam Reinout Ripe bij de helm en bracht hem ter galg. Toen zei Ritsaert: ‘Ik bid u broeder, geef me Ripe’ s wapens want de koning heeft hem beloofd grote schat: dat zal ik hem eisen.’ Toen nam Reinout de wapens van Ripe en gaf ze zijn broeder Ritsaert en Reinout hing Ripe. Toen dat gedaan was zei Reinout: ‘Gij heren, laat ons weer een keer doen naar huis’ maar Ritsaert zei: ‘Eer ik thuis keer zal ik tot de koning rijden en eisen hem het goed dat hij Ripe beloofd had.’ ‘Doe dat, broeder, wij zullen u hier opwachten want ge weer keert.’ Met deze woorden sprong Ritsaert op Ripe’ s paard en sloeg het met sporen en reed naar Parijs. En toen hij bij Parijs kwam zag hem de koning en was gelegen boven op het paleis in een venster en bij de koning lag Ogier. Toen de koning Ritsaert zag en waande dat het Ripe was zei hij: ‘Nu zie ik wel dat Ripe dapper is, hij heeft gehangen Ritsaert te Montfaucon, dat zie ik wel; nu zal ik hem zijn leen vermeerderen en geven hem steden en sloten.’ Toen Ogier dit hoorde werd hij droevig in zichzelf en liep met haast in de stal en zadelde Broyforte en leidde het uit de stal en spande zijn sporen en sprong op zijn paard en reed naar Montfaucon. Toen dit de koning zag was hij bang voor Ripe en zei: ‘Ik vrees dat Ogier Ripe slaan zal,’ en riep tot zijn baronnen dat ze zich wapenen zouden en zelf wapende hem de koning mede en sprong op zijn paard en volgde Ogier die ver voor was. Ogier is bij Ritsaert gekomen en waande dat het Ripe was en zei tot hem: ‘Zeg me Ripe, heb je mijn neef Ritsaert gehangen? Ik zeg u: en mochten verdingen niet die ooit lijf ontvingen en zal u hier ter stede het hoofd van uw lichaam snijden.’ Toen Ritsaert zag dat Ogier was verbolgen zei hij tot Ogier: ‘Ogier neef, steek op uw zwaard, ik zal u de waarheid zeggen: Ripe is zelf gehangen.’ Toen Ogier dat hoorde verblijde hij en zei: ‘Doe uw helm af, ik zeg u: ben je niet mijn neef Ritsaert, zo waarlijk helpt me God, ik zal u het lijf nemen; laat ik dat zo moet ik ramp hebben.’ Met deze woorden deed Ritsaert de helm af en liet Ogier zijn aanzicht sien. Toen zei Ogier: ‘Ritsaert neef, rij van hier want koning Karel volgt me vlijtig en zou me graag slaan, was het dat ik Ripe iets misdaan had.’ Aldus scheiden de heren van elkaar. Ogier reed wederom naar de koning en Ritsaert hield bij een berg en Ogier wachte op de koning. Toen Ogier bij de koning kwam vroeg de koning Ogier waarom dat Ripe niet kwam en wat avontuur hem gebeurd was. Toen zei Ogier dat hij Ritsaert verhangen had en had hij bij hem mogen komen hij zou hem gedood hebben. Toen zei koning Karel: ‘Heer Ogier, gij zal niet zo koen wezen, ik zal hem wel te recht houden tegen al diegene die hem deren mogen.’ Ogier antwoorde: ‘Dat zal ge, heer koning, aan de galg te Parijs.’ Koning Karel hoorde de woorden niet en reed de berg neer en riep: ‘Kom voort, Ripe van Ripemont, ik zeg u in de waarheid: uw goed zal ik u vermeerderen en beschermen zodat ge geen zo koene man vinden zal die hem tegen u zou durven vermeten kwaad.’ Toen zei Ritsaert: ‘O valse koning, zou ge goed geven dat men mij hangen zou, dat zal u kwalijk vergaan.’ Ritsaert liet de speer zinken en reed op de koning. Toen dat de koning zag sloeg hij met zijn zwaard de speer in stukken en toen Ritsaert voorbij hem gaan zou sloeg hij hem zodat hij van het paard viel. Ritsaert sprong weer op zijn voeten en ging tegen de koning. Toen kwam Reinout en reed op de koning met zijn speer en stak hem zodat hij voor hem op de aarde viel. Toen Reinout zag dat de koning gevallen was van het paard zei Reinout met lieve woorden: ‘Heer koning, zit weer op uw paard en rij te Parijs.’ Toen sprak de koning: ‘Reinout, wat heb je voorgenomen? Ben je gekomen om me lachen te doen?’ ‘Ja ik, heer koning, want te Montfaucon heb ik verhangen Ripe die gij gebood dat hij mijn broeder hangen zou.’ Toen zei de koning: ‘Dus ben ik te onvrede.’ Meteen riep de koning zijn baronnen en zei: ‘Waar ben je neef Roelant? Reinout is gekomen binnen mijn land en heeft me schande gedaan: kom help me nu vangen de moordenaar.’ Toen Reinout van de koning deze woorden hoorde zeggen werd hij toornig en sprong van Beiaard en nam de koning tegen zijn wil en wierp hem op Beiaard en zwoer bij zijn trouw, hij zou gevangen blijven: dit zag Roelant en Olivier en menige edele Fransman die grote begeerte hadden om hun heer te helpen. Hierbinnen was Ritsaert gekomen tot zijn paard en ging houwen met zijn zwaard onder de Fransen; daarna kwam Writsaert en deed mede veel dapperheid en Adelaert viel met zijn broeders in de Fransen daar ze het leger het dikste zagen en Maeldegijs volgde na Roelant, Ogier, Olivier en Dunay volgden Reinout om te verlossen de koning al dat ze mochten. Reinout dus rijdende met de koning was bevreesd om zijn broeders die nog achter waren dat ze in de strijd blijven zouden en te zeer verladen waren van volk en zou hij hen lieden helpen zo moest hij de koning laten. En toen Reinout zag dat hij zijn broeders niet helpen mocht, hij moest de koning kwijt wezen wierp hij hem van zijn paard tegen de aarde zodat hem het hart breken dacht en Beiaard zette hem ter vlucht met Reinout en toen de koning zag dat hij Reinout en zijn broeders niet volgen mocht keerde hij met zijn volk droevig in Parijs, want hem waren wel honderd man afgeslagen en Reinout met zijn broeders keerden met vreugde tot Montalbaen.

 

 

 

Dat [X]XIII.ca. Hoe Maeldegijs gevanghen wert ende gebroecht coninc Karel ende hoe hem coninc Karel hangen woude ende Maeldegijs badt dat hi beide tot de anderen dages ende hoe Maeldegijs wt brack ende nam die genoten haer swaerden mede. [fol. 197]

Het is geboert een wijle na dat Reinout zien broeders verlost hadde dat Olivier soude rijden iagen in een foreest buten Parijs ende quam op een berch riden; daer sach hi beneden int dal een man dat hij in hem selven lange twijfelde oft Maeldegijs was of niet. Ten lesten wert hi hem kennende om dat hij wist dat hi hem dick veranderde overmits sijn consten. Olivier verwonderde waen hi comen mochte ende so snel was. want overmits sijn snelheit verkende hi hem. Olivier spranc met haesten op sijn paert ende reet na Maeldeghijs. ende als hi bi Maeldegijs quam greep hij hem bi den mantel onversien eert Maeldegijs gewaer wert. ‘Staet stille, tovenaer, ghi sijt gevangen! Wildi u op geven of niet, ic sal u in Vrancrijc voeren tot coninc Karel.’ Als Maeldegijs dit hoerde, was hi onvervaert ende spranc wat achter. ende toech zijn swaert ende Olivier toech tsijn. ende sloech mit nijde na Maeldegijs. ende Maeldegijs die koen was, ontspranc den slach. ende sloech nae Olivier, mer Olivier bescuttet mit zijn swairt soe dat Maeldegijs sijn swairt wter hant vloech. Als Maeldegijs zijn swaert hadde verloren was hi toernich in hem selven ende Olivier heeft anderwerf na Maeldegijs geslegen. Maeldegijs die so snel was dat hi den slach ontspranc, seide tot Olivier: ‘Ic wil mi gevangen geven.’ Olivier seide: ‘ic sel u te Parijs voeren ende leveren u den coninc van Vrancrijc.’ Mit dese woerden reden si te samen so lange dat si binnen Parijs quamen voer den coninc. ende als die coninc Olivier sach, seide hi met soeten woerden: ‘Olivier, hoe ist met u? brengdi mi Maeldegijs gevangen?’ Olivier seide: ‘ia ic, heer coninc.’ Die coninc seyde tot Maeldegijs: ‘O du valsch dief, nu lest leden [fol. 198] do Ritsaert hier gevangen was ende men hem hangen soude, soude ic u doer Gode een lecker morseel in u mont steken ende gi beet mi, dat mi swaerder was te liden dan dat Ridsaert bi uwer consten ontquam ende Rijpe gehangen.’ Maeldegijs dit horende van den coninc, seide hi: ‘Heer coninc, nu ist die lesten dach dat ic u mach scaden.’ De coninc seide: ‘Valsch dief, gi segt waer; nochtans hebdi clene sorge.’ Maeldegijs dochte: ‘Ghi segt waer.’ Doe seide die coninc: ‘Ic sal u noch van avont doen hangen.’ Maeldegijs seide: ‘Here coninc, laet mi doch leven tot morgen.’ Doe seide die coninc: ‘Gi sout mi ontlopen voer den dage.’ ‘Ic en sal niet.’ seide Maeldeghijs ‘ende ick sal u oec borge setten: laet mi leven.’ Die coninc seide: ‘Wye soude u borge worden?’ Maeldegijs seide tot Olivier: ‘Wildi mi verborgen, Olivier?’ ‘Ya ic, Maeldegijs’ seide Olivier ‘ic doet gaerne.’ Doe seide de coninc: ‘Heer Olivier, alleen en moechdijs niet verborghen.’ Maeldeghijs vraechde Roelant of hi hem verborgen woude, twelc Roelant gaerne dede ende seide: ‘Here coninc, ghi en dorst niet sorgen. ic ende Olivier sullen verborgen Maeldegijs dat hi niet ontlopen en sal voer den dage. ende ist dat hijt doet, men hange ons beyden voer hem.’ Doe seide dye coninc ende loech: ‘Dat is ymmer borge genoech.’ Als dit gedaen was, geboet de coninc datmen eten soude. die coninc dede twe ende twe te gader sitten van dye twalef genoten ende selve sat die coninc alleen. Doe seyde Maeldegijs: ‘Here coninc, al uwe genoten sijn geseten, mer ic ben vergeten ende ic wil bi u comen, here coninck.’ Als de coninc hoerde die scempige woerden van Maeldegijs, wert hi gram ende seide: ‘Quaetdief, hoe dordi spreken? waer ic gevangen als ghi, ic en mocht mi niet verbliden want morgen, wilt God, sal ic u doen hangen.’ Doe seide Maeldegijs: [fol. 199] ‘Heer coninc, heb ic noch tavont respijt?’ ‘Ya gi,’ seide die coninc ‘mer morgen vroe sal ic u doen hangen.’ Doen seide Roelant: ‘Maeldeghijs, swiget stille ende coemt met mi eten.’ ‘Gaerne’ seide Maeldegijs ‘ick moet noch tavont vrolic wesen ende singen in der salen liedekijns amoreus ende van minnen.’ Aldus ginc Maeldeghijs bi Roelant an die tafel sitten eten ende als teerste gerecht was op die tafel geset, hief Maeldeghijs op ende sanc een lustich liet met soeter kelen. Doe seide coninc Karel: ‘Lust u noch te singen, Maeldegijs?’ ‘Ghi en saecht nye man die blider was dan ick. omdat ic leven sal tot morgen.’ ‘Ic hoer wel Maeldegijs, gi waent mit uwen sanc die galge te ontgaen: mer mi verdoeme God, gi en sult te nacht gevangen legghen in die kercker’ Als die maeltijt gedaen was. nam die coninc Maeldegijs bider clier ende brochte hem selven in die vangenis ende deden sluyten met soe veel ysers, twee paerden en haddens niet mogen dragen. Doe seide Maeldegijs: ‘Ic seg u heer coninc, ghi en doet mi ontsluyten ende beter herberge hebben, of ic sal u met mijnre crachte ontlopen.’ Die coninc seide: ‘Maeldeghijs, moechdi mi nu ontgaen, ic geve u te baten alle die in der hellen sijn.’ Doe seide Maeldegijs: ‘Heer coninc, scelt mijn borgen dan quijt.’ Die coninc seide: ‘Ic begheer die borgen niet.’ Doe seide Roelant: ‘Heer coninck, ick begheer mijn borchtocht quijt te zijn.’ ‘Ende ic mede’ seide Olivier ‘om dat Maeldegijs moet in die kercker leggen. so wil ic mijn borchtocht quijt wesen.’ Doe seide de coninc: ‘Gi heren, ic schelde u vander borchtocht quijt.’ Maeldegijs seide: ‘Gi heren, ic wil u Gode bevelen ende sijn moeder: ic wedde, ic sal eer middernacht mi dese last quijt maken.’ Doe seide de coninc: ‘Quaet dief, [fol. 200] hoe soude dat doen oft beginnen? ic heb u ymmer ysers ghenoech om ghedaen, ic sal die genoten te nacht den toren doen wachten.’ Alst tijt was, ginc die coninc slapen ende die genoten wapenden hem ende gingen leggen voer den toren daer Maeldegijs in was: eer middernacht quam, toechde Maeldegijs sijn const van nigromancien. so dat die boyen ende alt yser dat hi om sijn lijf had van hem viel ende die genoten makede hij slapende seer vast, dye den kercker wachten, ende die doer vanden kercker ghinc open ende hi ginc wt totten genoten ende heeftse op malcander gheleyt. ende nam haer alre swaerden; daernae ginc hi ende ontsloet des drossaten camer ende nam mede van coppen scalen ende gout so vele als hi dragen mocht ende ginc na Montalbaen. Reinout die te Montalbaen was en wist hier niet of dat dit sinen oem boerde ende als Reinout op een nacht lach ende sliep dochthem in sijn slaep. dat sijn oem Maeldegijs aen een boem was ghehangen. Reinout wert van vare wacker ende stont op metter haest ende clede hem; daer na wapende hi hem ende seide in hem selven: ‘O goede Ihesu, ic bid u dat gi mijn oem bescermt voir enen scandelijken doot.’ Als Reinout dit geseit had sadelde hi Bayaert. ende sprancker op ende reet tot Maeldegijs daer hi was ende clopte an die poert: die portier quam ende vraechde wat hi begeerde. Doe seide Reinout: ‘Segt mi portier, waer is dijn here.’ Die portier seyde: ‘Serteyn, ic en weets niet.’ Als Reinout dit hoerde wert hi rouwich ende reet nae Parijs tot hi quam te Montefaucoen ende sach datter niemant ane en hinck doer welc sijn hert seer verblijt wert. Mettien sach hy tot hemwaert comende een mensch so seer stenende of hi rechtevoirt gestorven soude hebben. Reinout wert een weynich vervairt ende meende oft die duvel geweest had ende seide: [fol. 201] ‘Bistu van Gode, seg mi wye gi sijt.’ Doe seide Maeldeghijs: ‘ick ben u oem, mer ic sie wel: gi hebt mi heel vergeten.’ Doe seyde Reinout: ‘Ic en doe oem, mer seg mi, ic bids u, waer mede gi dus seer geladen coemt.’ ‘Ic salt u seggen’ seyde Maeldegijs ‘Olivier hadde mi gevangen ende leyde mi tot coninc Karel: daer swoer de coninc dat hi mi hangen soude. Doe badt ic den coninc dat hi mi liet leven tot des anderen dages, dit beloefde mi den coninck: doe dreef ic solaes ende genoecht, dit toernde den coninc ende leide mi in die kercker. ende dede mi ane doen seer veel ysers, twee paerde en soudens niet gedragen hebben, oec dede hi den kercker wachten van den xij. ghenoten: nochtans ben ic hem ontcomen. ende heb hem grote scade gedaen, het vergae soet mach, want ic heb den ghenoten haer swaerden genomen ende hebse op malcander geleyt. Doe ginc ic in des drossaten camer. ende nam mede al dat ic dragen mochte ende heb mi selven geladen, dat ic qualic sal mogen dragen.’ Doe seide Reinout: ‘Oem, naemdi Ogier sijn swaert?’ Maeldegijs seide: ‘Ic en liet niemant niet.’ Reynout seide: ‘Oem, dat was quaet dat ghit naemt.’ Maeldegijs seide: ‘Hadde ic Ogier zijn swaert ghelaten, men souden voer den coninck ghewroecht hebben dat ic bi hem ontgaen waer, so soude Ogier daer grote last of gehadt hebben ende verdriet.’ Doe hiet Reinout Maeldegijs op Beyert sitten, twelck hij dede. Aldus reden si na Montalbaen met groten haest. Coninc Karel die slapen gegaen was ende bevolen had die xij. ghenoten dat si die kercker wachten souden dat Maeldeghijs, oem van den vier Heemskinderen nyet en ontginghe, [fol. 202] lagen in een vasten slaep. Ende alst dach began te werden, spranc die coninc wt sijn slaep ende clede hem ende als hi ghecleet was. ghinc hi nae den kercker om Maeldegijs vroe te doen hangen ende als hi bi den toren quam, sach hij sijn baroenen legghende al op enen hoep: doe docht die coninc wel dat Maeldegijs ontgaen was ende was rouwich daer om ende riep lude: ‘Staet op Roelant, neve, wi hebben Maeldegijs verloren.’ Met dat de coninc dus riep, worden alle die ghenoten wacker. Doe seide Roelant: ‘Help God, wije mach ons dus geleit hebben?’ Mettien taste Roelant nae Durendael zijn goede swaert ende als hijs niet vinden en conde, wert hi rouwich. Ende dander genoten tasten mede na haer swaerden die oec alle verloren waren. Die coninc dit horende wert toernich ende seide: ‘Had icken weder, ic souden hangen.’ Ogier antwoerde den coninck: ‘Het waer al om niet, al haddi hem bi die galge ende ghi waende dat ghi hem hinct, hi soude u nochtans ontgaen ende nemen van u goet dat hem beliefde.’ Doe swoir die coninc dat hi hem te Montalbaen niet en soude laten onthouden noch in geen lant. hi en soude hem hangen ende hi soude die swaerden daer selve halen. [fol. 203]

Dat XXIII kapittel. Hoe Maeldegijs gevangen werd en gebracht koning Karel en hoe hem koning Karel hangen wou en Maeldegijs bad dat hij wachtte tot de andere dag en hoe Maeldegijs uitbrak en nam de bondgenoten hun zwaarden mede.

Het is gebeurd een tijdje nadat Reinout zijn broeders verlost had dat Olivier zou rijden jagen in een bos buiten Parijs en kwam op een berg rijden; daar zag hij beneden in het dal een man dat hij in zichzelf lang twijfelde of het Maeldegijs was of niet. Ten lesten begon hij hem te herkennen omdat hij wist dat hij zich vaak veranderde vanwege zijn kunsten. Olivier verwonderde waarvan hij komen mocht en zo snel was want vanwege zijn snelheid herkende hij hem. Olivier sprong met haast op zijn paard en reed naar Maeldegijs en toen hij bij Maeldegijs kwam greep hij hem bij de mantel onvoorzien eer het Maeldegijs gewaar werd. ‘Sta stil, tovenaar, ge bent gevangen! Wil ge u overgeven of niet, ik zal u in Frankrijk voeren tot koning Karel.’ Toen Maeldegijs dit hoorde was hij onverschrokken en sprong wat achter en trok zijn zwaard en Olivier trok de zijne en sloeg met nijd naar Maeldegijs en Maeldegijs die koen was ontsprong de slag en sloeg naar Olivier, maar Olivier behoedde het met zijn zwaard zodat Maeldegijs zijn zwaard uit de hand vloog. Toen Maeldegijs zijn zwaard had verloren was hij toornig in zichzelf en Olivier heeft andermaal naar Maeldegijs geslagen. Maeldegijs die zo snel was dat hij de slag ontsprong zei tot Olivier: ‘Ik wil me gevangen geven.’ Olivier zei: ‘ik zal u te Parijs voeren en leveren u de koning van Frankrijk.’ Met deze woorden reden ze tezamen zo lang dat ze binnen Parijs kwamen voor de koning en toen de koning Olivier zag zei hij met lieve woorden: ‘Olivier, hoe is het met u? Breng je me Maeldegijs gevangen?’ Olivier zei: ‘ja ik, heer koning.’ De koning zei tot Maeldegijs: ‘O u valse dief, nu laatst geleden toen Ritsaert hier gevangen was en men hem hangen zou zou ik u door God een lekker stuk in uw mond steken en ge beet me dat me zwaarder was te lijden dan dat Ritsaert bij uw kunsten ontkwam en Ripe gehangen.’ Maeldegijs die dit hoorde van de koning, zei hij: ‘Heer koning, nu is het de laatste dag dat ik u schade mag doen.’ De koning zei: ‘Valse dief, ge zegt waar; nochtans heb je kleine zorgen.’ Maeldegijs dacht: ‘Ge zegt waar.’ Toen zei de koning: ‘Ik zal u nog vanavond doen hangen.’ Maeldegijs zei; ‘Heer koning, laat me toch leven tot morgen.’ Toen zei de koning: ‘Ge zou me ontlopen voor de dag.’ ‘Ik zal niet,’ zei Maeldegijs ‘en ik zal u ook borg zetten: laat me leven.’ De koning zei: ‘Wie zou uw borg worden?’ Maeldegijs zei tot Olivier: ‘Wil ge me borgen, Olivier?’ ‘Ja ik, Maeldegijs’ zei Olivier ‘ik doe het graag.’ Toen zei de koning: ‘Heer Olivier, alleen mag ge niet borg staan.’ Maeldegijs vroeg Roelant of hij hem borgen wou wat Roelant graag deed en zei: ‘Heer koning, ge behoeft niet bezorgd te wezen, ik en Olivier zullen borgen Maeldegijs dat hij niet ontlopen zal voor de dag en is het dat hij het doet men hangt ons beide voor hem.’ Toen zei de koning en lachte; ‘Dat is immer borg genoeg.’ Toen dit gedan was gebood de koning dat men eten zou. De koning deed twee en twee tezamen zitten van de twaalf bondgenoten en zelf zat de koning alleen. Toen zei Maeldegijs: ‘Heer koning, al uw bondgenoten zijn gezeten, maar ik ben vergeten en ik wil bij u komen, heer koning.’ Toen de koning hoorde de schimpende woorden van Maeldegijs werd hij gram en zei: ‘Kwade dief, hoe durf je spreken? Was ik gevangen zoals gij, ik mocht me niet verblijden want morgen, wil het God, zal ik u doen hangen.’ Toen zei Maeldegijs:  ‘Heer koning, heb ik nog tot vanavond respijt?’ ‘Ja gij,’ zei de koning ‘maar morgen vroeg zal ik u doen hangen.’ Toen zei Roelant: ‘Maeldegijs, zwijg stil en kom met mij eten.’ ‘Graag’ zei Maeldegijs ‘ik moet noch tot vanavond vrolijk wezen en zingen in de zaal liedjes amoureus en van minnen.’ Aldus ging Maeldegijs bij Roelant aan de tafel zitten eten en toen het eerste gerecht was op de tafel gezet hief Maeldegijs op en zong een lustig lied met zoete keel. Toen zei koning Karel: ‘Lust u nog te zingen, Maeldegijs?’ ‘Ge zag nooit een man die blijder dan ik omdat ik leven zal tot morgen.’ ‘Ik hoor wel Maeldegijs, ge waant met uw zang de galg te ontgaan: maar me verdoemt God, ge zal vannacht gevangen liggen in de kerker’. Toen de maaltijd gedaan was nam de koning Maeldegijs bij de klieren en bracht hem zelf in de gevangenis en deed hem opsluiten met zoveel ijzer dat twee paarden het niet mogen dragen hadden. Toen zei Maeldegijs: ‘Ik zeg u, heer koning, ge doet me ontsluiten en beter herberg hebben of ik zal u met mijn kracht ontlopen.’ De koning zei: ‘Maeldegijs, mag je me nu ontgaan, ik geef u te baat alle die in de hel zijn.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Heer koning, scheld mijn borgen dan kwijt.’ De koning zei: ‘Ik begeer die borgen niet.’ Toen zei Roelant: ‘Heer koning, ik begeer mijn borgtocht kwijt te zijn.’ ‘En ik mede’ zei Olivier ‘omdat Maeldegijs moet in de kerker liggen zo wil ik mijn borgtocht kwijt wezen.’ Toen zei de koning: ‘Gij heren, ik scheld u van de borgtocht kwijt.’ Maeldegijs zei: ‘Gij heren, ik wil u God aanbevelen en zijn moeder: ik wed, ik zal eer middernacht me van deze last kwijt maken.’ Toen zei de koning: ‘Kwade dief,  hoe zou je dat doen of beginnen? Ik heb u immers ijzers genoeg omgedaan, ik zal de bondgenoten vannacht de toren doen bewaken.’ Toen het tijd was ging de koning slapen en de bondgenoten wapenden hen en gingen liggen voor de toren daar Maeldegijs in was: eer middernacht kwam toonde Maeldegijs zijn kunst van nigromantie zodat de boeien en al het ijzer dat hij om zijn lijf had van hem viel en de bondgenoten maakte hij slapende zeer vast die de kerker bewaakten en de deur van de kerker ging open en hij ging uit tot de bondgenoten en heeft ze op elkaar gelegd en nam al hun zwaarden; daarna ging hij en opende de drost zijn kamer en nam mede van koppen, schalen en goud zoveel als hij dragen kon en ging naar Montalbaen. Reinout die te Montalbaen was wist hier niets van dat zijn oom gebeurde en toen Reinout op een nacht lag en sliep dacht hij in zijn slaap dat zijn oom Maeldegijs aan een boom was gehangen. Reinout werd van gevaar wakker en stond op met haast en kleedde hem; daarna wapende hij hem en zei in zichzelf: ‘O goede Jezus, ik bid u dat ge mijn oom beschermt voor een schandelijke dood.’ Toen Reinout dit gezegd had zadelde hij Beiaard en sprong er op en reed tot Maeldegijs daar hij was en klopte aan de poort: de portier kwam en vroeg wat hij begeerde. Toen zei Reinout: Zeg me portier, waar is uw heer.’ De portier zei: ‘Zeker, ik weet het niet.’ Toen Reinout dit hoorde werd hij rouwig en reed naar Parijs tot hij kwam te Montfaucon en zag dat er niemand aanhing waardoor zijn hart zeer verblijd werd. Meteen zag hij tot hem komen een mens zo zeer steunende of hij recht voor gestorven zou hebben. Reinout werd een weinig bang en meende of het de duivel geweest was en zei:  ‘Bent u van God, zeg me wie ge bent.’ Toen zei Maeldegijs: ‘ik ben uw oom, maar ik zie wel: ge hebt me heel vergeten.’ Toen zei Reinout: ‘Ik doe oom, maar zeg me, ik bid het u, waarmee ge dus zeer geladen komt.’ ‘Ik zal het u zeggen’ zei Maeldegijs ‘Olivier had me gevangen en leidde me tot koning Karel: daar zwoer de koning dat hij me hangen zou. Toen bad ik de koning dat hij me liet leven tot de andere dag, dit beloofde me de koning: toen dreef ik solaas en geneugte, dit vertoornde de koning en legde me in de kerker en deed me aandoen zeer veel ijzer, twee paarden zouden het niet gedragen hebben, ook deed hij de kerker bewaken van de 12 bondgenoten: nochtans ben ik hen ontkomen en heb hen grote schade gedaan, het gaat zo het gaat, want ik heb de bondgenoten hun zwaarden genomen en heb ze op elkaar gelegd. Toen ging ik de drost zijn kamer en nam mee al dat ik dragen mocht en heb mezelf geladen dat ik kwalijk kan dragen.’ Toen zei Reinout: ‘Oom, nam ge Ogier zijn zwaard?’ Maeldegijs zei: ‘Ik liet het niemand niet.’ Reinout zei: ‘Oom, dat was kwaad dat gij het nam.’ Maeldegijs zei: ‘Had ik Ogier zijn zwaard gelaten, men zou hem voor de koning gewroegd hebben dat ik bij hem ontgaan was en zo zou Ogier daar grote last van gehad hebben en verdriet.’ Toen zei Reinout Maeldegijs op Beiaard zitten wat hij deed. Aldus reden ze naar Montalbaen met grote haast. Koning Karel die slapen gegaan was en bevolen had de 12 bondgenoten dat ze de kerker bewaakten zouden zodat Maeldegijs, oom van de vier Heemskinderen niet ontging lagen in een vaste slaap. En toen het dag begon te worden sprong de koning uit zijn slaap en kleedde hem en toen hij gekleed was ging hij naar de kerker om Maeldegijs vroeg te doen hangen en toen hij bij de toren kwam zag hij zijn baronnen liggen al op een hoop: toen dacht de koning wel dat Maeldegijs ontgaan was en was rouwig daarom en riep luid: ‘Sta op Roelant, neef, we hebben Maeldegijs verloren.’ Met dat de koning dus riep worden al de bondgenoten wakker. Toen zei Roelant: ‘Help God, wie mag ons aldus gelegd hebben?’ Meteen taste Roelant naar Durendael zijn goede zwaard en toen hij het niet vinden kon werd hij rouwig. En de andere bondgenoten tasten mede naar hun zwaarden die ook alle verloren waren. De koning die dit hoorde werd toornig en zei: ‘Had ik hem weer, ik zou hem hangen.’ Ogier antwoorde de koning: ‘Het was al om niet, al had je hem bij de galg en ge waande dat ge hem hing, hij zou u nochtans ontgaan en nemen van uw goed dat hem beliefde.’ Toen zwoor de koning dat hij hem te Montalbaen niet zou laten onthouden nog in geen land, hij zou hem hangen en hij zou die zwaarden daar zelf halen.

 

 

 

Dat [X]XIV.ca. Hoe coninc Karel Montalbaen belach ende wt ruymde in een ander casteel dat die coninc mede beleide ende hoe vrou Aya Reinout met sijn broeders soene verwerf tegen coninc Karel.

Die coninc dede al sijn lant doer herevaert bieden ende versaemde een groot here ende toech nae Montalbaen dat hi beleide sterckelic ende dede roven ende bernen al dat in Reinouts lant was buten vesten. Roelant sende enen bode an Reinout dien hi dede bidden oft hi hem Durendael weder geven woude. die bode ginc so lange dat hi voer Reynout quam, dien hi sijn boetscap seide. Als Reinout vanden bode de begeerte van Roelant verstaen hadde seide hi den bode: ‘Segt Roelant minen neve, dat ic hem gaerne sijn swaert weder gheven wil ende al dye genoten mede alsoe vorde als sy mi soene beiaghen ane coninc Karel.’ Die bode seyde Roelant wat hem Reinout gheseit hadde ende Roelant seidet die genoten voert ende die genoten overdrogen dat sijt [fol. 204] gaerne doen wilden. Doe seyde Ogier: ‘Mochten wi soene beiagen aenden mogenden coninc Karel, ic en gaver niet om, hoe veel goets dat si gaven.’ Doe seide Roelant: ‘Dese woerden sal segghen Tulpijn.’ Met desen woerden gingen si in des conincs pauwelioen ende grueten den coninck. Dat ghedaen wesende, seide bisscop Tulpijn: ‘Here coninc, ghi siet wel Montalbaen staen hier voer ons daer wi voer legghen. ende het casteel is so vast dat si geen sorghe en dorren hebben, daer u neven in sijn. God laet hem recht gescien. heer coninc, gi moet haers genadich sijn: wi biddens u minlic heer coninc, dat ghi die baroenen in gracien ontfangen wilt. Want waer die pays gemaect, so mochten wi op die heiden varen ende verdriven Gods vianden ende haer landen winnen.’ Doe seide dye coninck dat hijs niet doen en woude. ‘Mer ick sal dit doen: ic sal dair een bode senden ende doen hem vragen of si hem op geven willen. ende comen in minen handen, elc gebonden met een touwe ende met hem te doen minen wille wes mi belieft.’ Die bisscop sprac ende seide: ‘Wie sal dair de bode of wesen?’ Doe seide Roelant: ‘Hier en is nyemant so stout die de boetscap soude dorren bestaen.’ Die coninc seide: ‘Roelant neve, gi sult selve die bode wesen ende seggen Reynout: wil hijt niet doen dat ic hem ontbiede, ic en sal in sijn lant den enen steen niet laten opten anderen.’ Doe seide Roelant ‘ic salt doen ende met desen woerden reet Roelant nae Montalbaen ende als Roelant daer voer quam, liet hem die poertier in ende Roelant trat van sijn paert ende ghinc in die sale daer Reinout was ende groete hem ende al dat daer was, ridders ende knechten. Als hi dat ghedaen hadde, seide hi [fol. 205] tot Reinout: ‘Edel ridder Reinout, ic ben met een boetscap, de welcke is dese: Die mogende coninck Karel ontbiet u. ende wil dat ghi coemt ende valt hem te voet wollen ende barvoet. ende bloets hoeft, met alle de van Montalbaen, een tou om uwen hals hebbende ende dan sal die coninc sijn wille met u doen dat hem belieft, ende doedi des niet, hi sal al verderven al dat in u lant is; ende dat hi u can vanghen ende u broeders, hij sal u ende uwe broeders doen hanghen ende u kinder mede.’ Doe seide Reinout met hoemoedigen woerden: ‘Die man is waerdich den doot, die doert dreyghen van een lants heer op geven sal goet, eer ende lijf; mer Roelant neve, ghi sult seggen den eedelen coninck Karel dat ic hem gaerne geven wil dorpen ende steden. ende mijn slot Montalbaen. ende wilt van hem ontfangen te leen. ende ic wil hem gaerne helpen mit live ende siele ende hem niet begheven om anxt of om vrese noch in geender noot. ende ist dat hij ons hier int lant niet sien en mach, so willen wij garen over zee trecken ende het cruys ane nemen. ende bliven daer doer sinen eere seven iaer, ende ist dat hem dat nyet en genoecht, segt hem dan dat hi hem wachte: ic sal hem scaden daer ic mach met rade ende met dade.’ Doe seyde Roelant: ‘Edel neve Reinout, het wert garen gedaen’ ende scheide soe van Reynout ende reet totten coninck ende vertelde hem dat hem Reinout bevolen hadde. Ende als die coninc dit verstont wert hi seer toernich ende dede sine engi[n]en ende paulioenen voert cruden. ende stellen tot bider poerten van Montalbaen. Als Reinout dat sach dede hy wapenen alle die binnen den castele waren ende sat op Beyert ende sijn broeders saten op ander paerden: dus reden si int Fransche heer ende Reinout reet voer [fol. 206] met Beiert ende velden menigen man ter doot ende sijn volc vacht mede seer manlic tegen dye Fransoysen. Reynout voerde selve den standert ende reet op een Fransoys die hi doerstac dat hi doot ter aerden viel. Die coninc dat siende dat Reinout was in zijn here, riep hi seer strengelic op die genoten van Vrancrijck. ‘Ghi heren, stelt u ter weer.’ Als die Fransoysen die coninc dus hoirden roepen, reden wel thien dusent ridders op Reinouts volc, die Reinout heerlic wederstonden. Coninc Karel dit siende, noepte zijn ors mit sporen ende riep: ‘Volget mi na, neve Roelant ende Olivier, Dunay. ende Bavier. ende alle mijn genoten. of ghi u leen behouden wilt.’ Aldus reet die coninc met sporen na Reinout ende als Reinout den coninc sach, vloech hi voer hem. doe riep den coninc: ‘Reinout, coem, steket teghen mi.’ Reynout antwoerde: ‘Heer coninc, die steke is u bereit.’ Reynout noepte Beyert met sporen ende reet opten coninc so crachtelic dat hi metten orsse vallen moeste ende waer daer gebleven, en had gedaen Roelant, dien bescutte; doe riep Reinout: ‘Ghi Gascoense, slaet voirt, wi sullen die Fransoysen verwinnen.’ Als coninc Karel dit hoerde, riep hi mit fellen moede: ‘Du selste liegen, du truwant.’ Reinout versloech menich man ende sijn broeder Ridsaert. ende Maeldegijs dede oeck wonder metten swaerde. Coninc Karel versach Maeldegijs. ende reet met nyde op hem ende dit balch Maeldegijs. ende reet weder op den coninc, die coninc dede Maeldegijs grote scande, want hi stac sijn ors onder hem doot. ende Maeldegijs most vallen ter aerden. Terstont stont hi weder op ende ghinc vechten metten swaerde, daer hij menich Fransoys mede versloech, des Reinout seer blide was ende reden weder na Montalbaen want si moede waren van [fol. 207] vechten. Als dit coninc Karel sach was hi droevich om dat hem Reynout ontreden was. Die historie seit ons dat den coninc geseit wert hoe dat Reinout groot volc verslegen had ende hem heerlic geweert. Doe seide die coninc: ‘Gi heren, laet die woerden bliven. Reynout heeft mi so veel scade gedaen, dat hijs mi nemmermeer beteren en mach.’ Dye historie seit dat die oerloge duerde seven iaer. die heren hebben den coninc so veel gebeden als dat hi perlement houden soude om te sien of men dat oerloge versoenen mochte. Als Reinout dese maer verhoerde, toech hy ten parlemente totten coninc ende als hi voer den coninck quam gruete hi hem segghende: ‘O edel heer coninc, God die doer ons sterf anden cruce, bewair u, edel here Coninc.’ Karel dit horende seide: ‘Wat gruetstu mi, daerstu mi so veel scaden gedaen hebste?’ Reinout seide: ‘Heer coninc, ic wils u in boete staen ende beterent na mijn vermogen ende heer coninc, waert uwen wille. soe willen wi ons op geven, behouden lijf ende goet.’ Die coninc hiet Reinout ende sijn broeders achterwairt staen want hi woude hem met sijn maghen daer op beraden: die coninc had tot sinen rade Griffoen ende Alloreit, Forchier ende Galeram, dit waren die nauste raetsluden, dit waren die mede letten dat die genoten tot Ronsevale bleven. Forschier seide totten coninc: ‘Edel heer coninck, wilt na mi horen, Reinout is hier te perlement ghecomen: ghedenct u den dach niet, dat hi versloech uwen soen Lodewijc van Vrancrijc den ionghen coninck? sint heeft hi menigen ridder verslegen bi Vancoloen als Fouken ende Werrijn sinen swager.’ Dese redene hoerde Ogier ende quam haestelic totten coninc ende seide: ‘Swijget ghi Fortsier ende [fol. 208] laet mi spreken: ghi sijt valsch van gronde, gi en sout niet comen te perlement bij enigen goeden man.’ Doe seide die bisscop Tulpijn: ‘Ogier, this waer dat gi segt, want si rieden u heer coninc, dat ghi most oerlogen, twelc met bosen rade gedaen was. ende nu willen si u met valschen bosen rade tegen Reynout doen oerlogen, mer heer coninck, doet mijn raet, ten sal u niet quaet wesen: laet Reinout ter soene comen ende sine broeders, so moghen wi mit u varen op dye Sarasinen ende winnen haer lant, want daer en soude dan wesen geen Sarasijn of heiden, si en souden moeten haer lant van u te leen houden, want men soude tot genen tiden tegen Reinout of sine broeders striden mogen.’ Doe seide die coninc: ‘Ic en hebber niet mede te doen. ic en wil van u raet niet horen of doen, want Aymijns kinder hebben mi veel lachters gedaen.’ Met desen woirden sceide dat perlement ende die coninc swoer dat hij met sijn broeders hangen soude. Doe seide Reynout: ‘Karel oem, so wacht u dan wel voir mi dach ende nacht, want ist dat ic u in enige manieren vangen mach, so moechdi vry weten dat ic u thoeft vanden buyke slaen sal.’ Als die coninc dat van Reinout hoerde was hi toernich ende seide: ‘Du bedrieger, setstu di noch tegen mij.’ Reinout seide: ‘Ia ic, heer coninc, om dat ghi niet en begeert te soenen.’ Aldus scheide Reinout met onmoede van den coninc ende reet met sijn broeders op Montalbaen. Coninc Karel dede den casteel bestormen ane allen siden. Reinout quam met al sijn volck wt. daer began die strijt bitter te werden ende groot: die heren reden tegen malcander ende staken dat die paerden op hare hammen saten. ende Maeldeghijs had den coninc bina versleghen, en hadde ghedaen Olivier ende Roelant ende Dunay van Bamer ende de coene Ogier; dese scheiden die heren ende holpen den coninc [fol. 209] weder te paerde.

Dat XXIV kapittel. Hoe koning Karel Montalbaen belegerde en weg gingen in een ander kasteel dat de koning mede belegerde en hoe vrouwe Aye Reinout met zijn broeders verzoening verwierf met koning Karel.

De koning deed al zijn land door krijgstocht gebieden en verzamelde een groot leger en trok naar Montalbaen dat hij belegerde sterk en deed roven en branden al dat in Reinout’ s land was buiten de vesting. Roelant zond een bode aan Reinout die hij deed bidden of hij hem Durendael weergeven wou. De bode ging zo lang dat hij voor Reinout kwam die hij zijn boodschap zei. Toen Reinout van de bode de begeerte van Roelant verstaan had zei hij tot de bode: ‘Zeg Roelant, mijn neef, dat ik hem graag zijn zwaard weergeven wil en alle bondgenoten mede alzo voort als ze me verzoening bejagen aan koning Karel.’ De bode zei Roelant wat hem Reinout gezegd had en Roelant zei het de bondgenoten voort en die bondgenoten kwamen overeen dat zij het graag doen wilden. Toen zei Ogier: ‘Mochten we verzoening bejagen aan de vermogende koning Karel, ik gaf er niets om, hoeveel goed dat ze gaven.’ Toen zei Roelant: ‘Deze woorden zal zeggen Tilpin.’ Met deze woorden gingen ze in de konings paviljoen en groeten de koning. Dat gedaan wezende zei bisschop Tilpin: ‘Heer koning, ge ziet wel Montalbaen staat hier voor ons daar we voor liggen en het kasteel is zo vast dat ze geen zorg behoeven te hebben daar uw neven in zijn. God laat hen recht geschieden, heer koning, ge moet hun genadig zijn: wij bidden het u minlijk, heer koning, dat ge de baronnen in gratie ontvangen wil. Want was de vrede gemaakt zo mochten we op de heidenen varen en verdrijven Gods vijanden en hun landen winnen.’ Toen zei de koning dat hij het niet doen wou. ‘Maar ik zal dit doen: ik zal daar een bode zenden en doen hen vragen of ze zich overgeven willen en komen in mijn handen, elk gebonden met een touw en met hen te doen mijn wil wat me belieft.’ De bisschop sprak en zei: ‘Wie zal daar bode van wezen?’ Toen zei Roelant: ‘Hier is niemand zo dapper die de boodschap zou durven bestaan.’ De koning zei: ‘Roelant neef, gij zal zelfde bode wezen en zeggen Reinout: wil hij het niet doen dat ik hem ontbiedt, ik zal in zijn land de ene steen niet laten op de andere.’ Toen zei Roelant ‘ik zal het doen en met deze woorden reed Roelant naar Montalbaen en toen Roelant daarvoor kwam liet hem de portier in en Roelant trad van zijn paard en ging in de zaal daar Reinout was en groette hem en al dat daar was, ridders en knechten. Toen hij dat gedaan had zei hij tot Reinout: ‘Edele ridder Reinout, ik ben met een boodschap en die is deze: De vermogende koning Karel ontbied u en wil dat ge komt en valt hem te voet in wol en barrevoets en blootshoofds met alle die van Montalbaen die een touw om uw hals hebben en dan zal de koning zijn wil met u doen dat hem belieft en doe je het niet, hij zal alles bederven dat in uw land is; en dat hij u kan vangen en uw broeders, hij zal u en uw broeders doen hangen en uw kinderen mede.’ Toen zei Reinout met hoogmoedige woorden: ‘Die man is waardig de dood die door het dreigen van een landsheer opgeven zal goed, eer en lijf; maar Roelant neef, ge zal zeggen de edele koning Karel dat ik hem graag geven wil dorpen en steden en mijn slot Montalbaen en wil het van hem ontvangen te leen en ik wil hem graag helpen met lijf en ziel en hem niet begeven om angst of om vrees, nog in geen nood en is het dat hij ons hier in het land niet zien mag zo willen wij graag over zee trekken en het kruis aannemen en blijven daar door zijn eer zeven jaar en is het dat hem dat niet vergenoegt zeg hem dan dat hij zich wacht: ik zal hem beschadigen daar ik mag met raad en met daad.’ Toen zei Roelant: ‘Edele neef Reinout, het wordt graag gedaan’ en scheidde zo van Reinout en reed tot de koning en vertelde hem dat hem Reinout bevolen had. En toen de koning dit verstond werd hij zeer toornig en deed zijn machines en paviljoenen voort kruipen en stellen tot bij de poort van Montalbaen. Toen Reinout dat zag deed hij wapenen alle die binnen het kasteel waren en zat op Beiaard en zijn broeders zaten op andere paarden: dus reden ze in het Franse leger en Reinout reed voor met Beiaard en velden menige man ter dood en zijn volk vocht mede zeer mannelijk tegen de Fransen. Reinout voerde zelf de standaard en reed op een Fransman die hij doorstak zodat hij dood ter aarde viel. De koning die dat zag dat Reinout was in zijn leger riep zeer sterk op de bondgenoten van Frankrijk. ‘Gij heren, stelt u te verweer.’ Toen de Fransen de koning dus hoorden roepen reden wel tien duizend ridders op Reinouts volk die Reinout heerlijk weerstonden. Koning Karel die dit zag noopte zijn paard met sporen en riep: ‘Volg me na, neef Roelant en Olivier, Dunay en Bamer en al mijn bondgenoten als ge uw leen behouden wil.’ Aldus reed de koning met sporen naar Reinout en toen Reinout de koning zag vloog hij voor hem en toen riep de koning: ‘Reinout, kom, steek tegen mij.’ Reinout antwoorde: ‘Heer koning, die steek is u bereid.’ Reinout noopte Beiaard met sporen en reed op de koning zo krachtig dat hij met het paard vallen moest en was daar gebleven had niet gedaan Roelant die hem behoedde; toen riep Reinout: ‘Gij Gascogners, sla voort, we zullen die Fransen overwinnen.’ Toen koning Karel dit hoorde riep hij met fel gemoed: ‘U zal het liegen, u trawant.’ Reinout versloeg menige man en zijn broeder Ritsaert en Maeldegijs deed ook wonder met het zwaard. Koning Karel zag Maeldegijs en reed met nijd op hem en dit verbolg Maeldegijs en reed weer op de koning, de koning deed Maeldegijs grote schande want hij stak zijn paard onder hem dood en Maeldegijs moest vallen ter aarde. Terstond stond hij weer op en ging vechten met het zwaard daar hij menige Fransman mee versloeg, dus Reinout zeer blijde was en reden weer naar Montalbaen want ze moe waren van vechten. Toen dit koning Karel zag was hij droevig omdat hem Reinout ontkomen was. De historie zegt ons dat de koning gezegd werd hoe dat Reinout groot volk verslagen had en hem heerlijk geweerd. Toen zei de koning: ‘Gij heren, laat de woorden blijven. Reinout heeft me zoveel schade gedaan zodat hij het me nimmermeer verbeteren mag.’ De historie zegt dat de oorlog duurde zeven jaar. De heren hebben de koning zoveel gebeden als dat hij gesprek houden zou om te zien of men die oorlog verzoenen mocht. Toen Reinout dit bericht hoorde trok hij te gesprek met de koning en toen hij voor de koning kwam groette hij hem en zei: ‘O edele heer koning, God die door ons stierf aan het kruis bewaart u, edele heer Koning.’ Karel die dit hoorde zei: ‘Wat groet u mij daar u me zoveel schade gedaan hebt?’ Reinout zei: ‘Heer koning, ik wil u in boete staan en verbeteren het naar mijn vermogen en heer koning was het uw wil zo willen we ons overgeven, behouden lijf en goed.’ De koning zei Reinout en zijn broeders achteruit te gaan staan want hij wou hen met zijn verwanten daarop beraden: de koning had tot zijn raad Griffoen en Alloreit, Forchier en Galeram, dit waren de nauwste raadslieden en dit waren die mede beletten dat de genoten te Ronsevale bleven. Forchier zei tot de koning: ‘Edele heer koning, wil naar mij horen, Reinout is hier te gesprek gekomen: gedenkt u de dag niet dat hij versloeg uw zoon Lodewijk van Frankrijk de jonge koning? Sinds heeft hij menige ridder verslagen bij Vancoloen zoals Fouken en Werrijn zijn zwager.’ Deze reden hoorde Ogier en kwam haastig tot de koning en zei: ‘Zwijg gij Forchier en laat me spreken: gij bent vals van grond, ge zou niet komen te gesprek bij enige goede man.’ Toen zei de bisschop Tilpin: ‘Ogier, het is waar dat ge zegt want ze raden u, heer koning, dat ge moet oorlogen wat met boze raad gedaan was en nu willen ze u met valse boze raad tegen Reinout doen oorlogen, maar heer koning, doe mijn raad, het zal u niet kwaad wezen: laat Reinout ter verzoening komen en zijn broeders zo mogen we met u varen op de Sarasijnen en winnen hun land want daar zou dan wezen geen Sarasijn of heiden, ze zouden moeten hun land van u te leen houden want men zou te geen tijden tegen Reinout of zijn broeders strijden mogen.’ Toen zei de koning: ‘Ik heb er niets mede te doen, ik wil van uw raad niet horen of doen want Aymyn’ s kinderen hebben me veel uitlachen gedaan. Met deze woorden scheidde dat gesprek en de koning zwoer dat hij met zijn broeders hangen zou. Toen zei Reinout: ‘Karel oom, zo wacht u dan wel voor mij dag en nacht want is het dat ik u in enige manieren vangen mag zo mag ge vrij weten dat ik uw hoofd van de buik slaan zal.’ Toen de koning dat van Reinout hoorde was hij toornig en zei: ‘U bedrieger, zet u zich nog tegen mij.’ Reinout zei: ‘Ja ik,  heer koning, omdat ge niet begeert te verzoenen.’ Aldus scheidde Reinout met ootmoed van de koning en reed met zijn broeders naar Montalbaen. Koning Karel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam met al zijn volk uit en daar begon de strijd bitter te worden en groot: de heren reden tegen elkaar en staken dat de paarden op hun hammen zaten en Maeldegijs had de koning bijna verslagen had niet gedaan Olivier en Roelant en Dunay van Bamer en de koene Ogier; deze scheiden de heren en hielpen de koning weer te paard.

 

 

 

 

Doen sloech Roelant op Maeldeghijs sulcken slach daer hi zijn cracht toe dede, dat Maeldegijs in onmacht viel ter aerden: als Roelant dit sach bant hi hem handen ende voeten ende voerden in des conincs tente. Aldus was Maeldegijs gevangen ende gebrocht tot coninc Karel. Morante vander Rivieren reet op Ritsaert ende Ritsairt weder op hem met sulcker cracht so dat haer beyder speren braken ende vielen vanden paerde int sant. mer Ridsaert was eerst op ende ginc slaen metten swaerde so vreselic dat hi weder te pairde quam. Doe reet wt Salomon die here van Bartangen tegen Adelaert ende Adelaert weder op hem ende onderstacken so seer metten scafte. dat Salomon die here vanden paerde viel in onmachte. Dit sach Forsier ende hadde anxt dat hi daer bliven soude. ende reet op Wridsaert ende hi weder op hem so dat hi Fortsier doerstac dat hi doot ter aerden viel. Des hadde Karel groten toren ende riep: ‘Monyoye!’ ende dat hoerde Reynout ende docht: ‘Wat sal geschien?’ ende die ghenoten reden after haren here, mer Karel reet op Wridsaert. Dat versach Reinout. ende nam een starke glavie ende reet op coninc Karel met sulcker cracht dat die coninck vallen moste vanden pairde ende Reinout reet in die meeste porse ende riep: ‘Slaet voert, gi heren van Montalbaen, soe helpe mi God, ic sal den coninc verslaen.’ Coninck Karel horende dit. ende was daer om seer verbolghen ende seide: ‘God geef di schande, du bedrieger, du en comes ende verslaeste mi.’ Die coninc spranck op sijn ors ende verhief sijn swaert Joyeusen. ende waende Reynout te slaen, mer Beyert ontdroech hem: hij waer anders in sorge geweest. Doe slogen die xij genoten [fol. 201] haer paerden met sporen ende reden op Reinouts volc. ende sloegen hem wel vier hondert mannen of. Als Reinout sach dat sijn volc tonder ginc, riep hi met haesten: ‘Ghi heren van Montalbaen, laet ons vlien, wi hebbens te doen, want des coninc volc is te veel.’ Doen vloech al Reinouts volc wat wijken mochte ende Reinout hielt after die rigaerde ende bescutte sijn volc: aldus wort Reinout met zijn volc int casteel weder gedreven ende Maeldegijs bleef gevangen. Als Reinout in de sale quam seide hi totten heren: ‘Ghi heren, waer is mijn oem?’ Doe seide daer een ridder: ‘Ic sach hem vechten teghen den coninc ende streden lange te samen, van haren paerde te voet. Doe quamen die genoten ende holpen den coninc weder te paerde ende sloegen op Maeldegijs, mer Roelant sloech hem dat hi storte ter aerden ende heeften so gevangen.’ Als Reinout dit hoirde was hi droevich ende dreef groten rouwe seggende: ‘O Maria moeder Gods, sal ic mijn oem aldus verliesen, daer al mijn hulpe, raet ende toeverlaet op is, soe mach ic die ure zijns verliesens wel vloecken. O felle fortune, hoe draeystu aldus!’ Adelaert seyde: ‘Ic bid u broeder, laet doch varen desen rouwe, want gi siet wel dat ons allen hier spijse gebreect. ende doer last vanden honger sullen wi ons moeten op geven.’ Met dese woerden scheiden de heren van malcander. Die mogende coninc Karel is met sijn heren vertogen in sijn tenten. ende dreef groot mesbaer want hem clagen ghecomen waren. dat Reinout binnen dien dage veel van sijn vrienden ende maghen verslagen hadden. Doen seide die mogende coninc Karel: ‘God die mogende here wil geven, dat ic daer noch wrake of ontfangen moet.’ Maeldegijs seide: ‘Edel here coninc, wildi noch die soene ontfaen die u boet Reynout, dat [fol. 211] sage ic alte gaerne: soe soude hi u te hulpen staen beide nacht ende dach met al zijn cracht.’ Doe swoir coninc Karel: ‘Had ic den koenen ridder, so soude icken altelant bi uwer siden hanghen.’ Doe riep die coninc Griffoen ende Alloreyt ende seide: ‘Doet uwe knechten an die roetse rechten een galghe. want ic sal doen hangen Maeldegijs eer ic eten sal.’ Maeldeghijs antwoerde: ‘Ya edel coninc, gevet mi doch heden respijt. ic sal u goede borge setten dat ic sal bliven gevaen.’ ‘So dede gi mede’ seide de coninc ‘tot Parijs dair die genoten haer swaerden verloren.’ Doe seide Maeldeghijs: ‘Laet mi leven heer coninc, ic en sal u roven noch stelen. ende ic seg u: so moet God mijnre sielen doen, ist dat ic u ontlope, gi en gater selver mede.’ Doe seide de coninc: ‘O valsch truwant Maeldegijs. soude ic dan met u gaen?’ ‘Ya gi here, dat segge ic u. ic sal u leiden te Montalbaen, daer ghi van Reinout wel sult ontfangen werden. mer edel coninc, laet versoenen den edelen ridder. ende comen tot uwer genaden: wilt u beraden doechdelic, want alle die leven op die aerde souden u dan moeten wijken. ’ Doe seide die coninc: ‘Wildi nu om soene spreken? recht ons te hants die galghe: ghi sulter an hanghen tot uwer scanden, want anders soudi mi ontlopen.’ Maeldegijs seide: ‘Heer coninc, hebt des ghenen anxt: ic sal u setten borge.’ Coninc Karel seide: ‘Wye soude u verborgen, Maeldegijs?’ Doe seide Maeldegijs: ‘Grave Roelant, coemt wat naer ende sijt mijn borge. dat ic niet en ontlope sonder oerlof, oft de coninc en vaert selver mede.’ Doe seide Roelant dat hijt gaern dede: hoe luttel wist die coninc wat Maeldegijs dochte! Aldus is Roelant Maeldegijs borge geworden. Alst was omtrent middernacht, ginc Maeldegijs ende toende sijn consten [fol. 212] van nigromancien ende terstont braken alle die banden dair Maeldegijs mede gebonden was. Doe ghinc Maeldegijs voer tconincx bedde staen ende seide: ‘Heer coninc, ons heeft onboden Reinout, dat wi te Montalbaen comen souden.’ Die coninc spranc wt sijn slaep vant roepen ende sach op ende sach Maeldegijs voer hem staen: doe wist dye coninc niet in welcken staet hy antwoerden soude want Maeldegijs hadde hem so betovert dat hi seide: ‘Ic woude dat wi op die vaert waren.’ Doe seide Maeldegijs: ‘So gaen wi dan.’ Die coninc seide: ‘Ick en mach niet ghaen.’ Als die historie seit, so nam Maeldegijs den coninc op zijn hals ende droech hem te Montalbaen sonder raet van sijn magen ende leyde die coninck op een scoon bedde: doe ginc hi daer Reinout lach ende seide: ‘Staet op, tis dach. staet op Reinout lieve neve, coninc Karel geve ic u gevangen ende hebben in uwe camer gebrocht.’ Als Reinout dat hoerde verwonderde seer van de woerden die sijn oem seide ende sprac: ‘Lieve oem, hoe soude dat mogen wesen, dat ghi den coninc gevangen soudt hebben? ic meende hi u ghehangen hadde.’ Maeldegijs seide: ‘Neen hi, God si geloeft: ic hebbe u den coninc ghebrocht.’ Reinout stont op ende bevantet waer dat hem zijn oem geseit hadde. Maeldegijs ginc ende wrecte de ander broeders ende seide hen luyden soe hij Reinout geseit hadde, des si blide waren. ende gingen in die camer daer die coninc lach. Die coninc wert ontwaken ende sach Reinout mit sijn broeders voer zijn bedde staen. Die coninc was droevich daer om ende qualic te vreden ende seide: ‘Dit heeft mi gedaen den boeve Maeldegijs, dat hem scande geschien, ende ic sie hem hier niet, nochtans weet ic wel dat hi hier bi is.’ Reynout viel over sijn knien ende badt genade, [fol. 213] twelc die coninc hem weygerde. Ridsaert dit horende, wert toirnich ende seide: ‘Heer coninc, du moets sterven.’ Coninc Karel dit horende wert toernich ende seide: ‘Wilstu di tegen mi setten, quaet scalc?’ Doe trat Ridsaert na den coninc ende verhief zijn swaert, mer Reinout bescutte den coninc. ende werp sijn broeder tegen die aerde ende seide: ‘Wat wilstu doen, quaet scalck? wilstu den coninc doden? hy is onse here ende bliven sal sijn leven.’ Doe vraechde die coninc Reinout of hy hem woude laten varen. ‘Ya ic,’ seide Reynout, wildi ons u toernigen moet vergeven.’ Karel seyde: ‘Neen ic niet.’ Reinout seide: ‘So moet ghi sterven. ende van honger vergaen.’ Maeldegijs seyde: ‘Heer coninck, neemt soene van uwen neven, so doedi wel ende verghevet ons uwen evelen moet.’ ‘God scende u’ seide die coninc ‘ic en sals niet doen al soude ic hier sterven, quaet dief, van honger. ende des moet gi vermaledijt sijn want met scanden hebstuut mi gedaen.’ Maeldeghijs seyde: ‘Here coninc, beraet u dat ghi uwen neven genade doet.’ Doe seide Adelaert: ‘Hi sal ons zijn toernigen moet vergeven oft so helpe mi God, hi en keert nemmermeer weder in Vrancrijc.’ Maeldegijs seide: ‘Ic sie, tis om niet, ic wil u Gode bevelen ende ic beloeft Gode dat ic nemmermeer crencken en sal die croen van Vrancrijc.’ Aldus ginc Maeldegijs van daer ende sat vier iaer heremijt, als ons die historie seit. Coninc Karel seide totten vromen Reinout: ‘Neve, laet mi gaen, ic sal mi beraden met Roelant Ogier ende Olivier ende Tulpijn ende mit alle mijn genoten ende haren raet doen.’ Doe seide Reinout: ‘Here coninc, so doet ende gaet alst u belieft, want wi en houden u niet gevangen.’ Met aldusdanighen woerden scheide de coninc van Montalbaen. ende nam oerlof aen den vromen Reinout ende Reinout seide: [fol. 214] ‘God moet u bewaren, edel coninc.’ Aldus ginc die coninc tot hij in sijn tente quam. ende als sijn baroenen haren coninc sagen, waren si blijde ende ontfingen blijdelic. want si waenden dat hi doot geweest had of datten Maeldegijs verdroncken had of versleghen. Die coninc seide: ‘Maeldegijs had mi gevaen ende gelevert Reinout, minen neve, ende Ridsairt woude mi verslaen mer Reinout bescutte mi ende werp sinen broeder metten swaerde tegen die vloer ende Reinout liet mi gaen ende geleide mi.’ Doe riep die coninc den hertoge van Bamer dat hy comen soude ende rijden tot Reinout ende seggen dat hy quame ende hem gevangen gave: die hertoghe dede des conincx gebot ende reet te Montalbaen ende als hij binnen Montalbaen gecomen is, Reynout lach deser wijlen in een veynster ende sach Bavier comen rijden ende ghinc hem tegen ende seide: ‘Edel hertoghe, sijt wellecoem hier.’ Bavier seide: ‘Reinout, God loens u. u ontbiet de coninc van Vrancrijc dat ghi tot hem coemt ghevangen.’ Reynout seide: ‘Ic en doe des niet dat ic op des conincs genade of comen soude, mer wil ons de coninc onser viere tlijf geven, wi willen minlic tot hem comen ende beteren na ons vermogen dat wi misdaen hebben.’ Dunay seide: ‘Ic salt u seggen wat ghi doen sult: wil u die coninc op mijn geleyde laten comen, so suldi daer buten comen ende beteren dat gi mesdaen hebt.’ Reinout seide: ‘Ic soude u een boetscap bevelen, woudise doen.’ Dunay seide: ‘Ya ic gaerne.’ ‘Segt den coninc: wil hi onse lijf geven, wij willen gaerne of comen, gevanghen, ende brengen die sloetelen vanden castele.’ Hier mede nam Dunay oerlof an Reinout ende reet nae den coninc dat hi voer hem quam: de coninc hieten wellecoem ende seide: ‘Dunay, wat tiedinge brengdi [fol. 215] ons van Reynout.’ Die hertoge seide: ‘Heer coninc, ic salt u seggen: Reinout ontbiet u, wildi hem. ende sijn broeders haer lijf versekeren, so comen si gaerne in uwe genade.’ Doe seide coninc Karel mit toernigen moede: ‘Ghi heren, ic salse met crachte winnen: si sullen hem op moeten gheven want si en hebben langer geen vitaelge.’ Die coninc dede ane allen siden reescap maken om te bestormen den castele. Als dit de van binnen sagen waren si droevich ende Clarisse die schone vrouwe claechde seer den honger ane Gode. Doe ginc Reinout tot Beyert inden stalle ende trac een mes ende woude Beyert doden ende seide tot Clarissen: ‘Beyert moet nu sterven doer noot vanden hongher.’ Ritsaert seide: ‘Ic bid u broeder, en doot doch Beyert niet. ’Doe seide Reinout: ‘Ic moeten doer grote ghebrec doden,’ wes die broeders seer iammerden. ende Beyert verstaende die woirden van Reynout, viel over sijn knien. Doe seide Reinout: ‘Beiert, mi iammert u, dat ghi doer noot vanden honger doot bliven sult.’ Adelairt seide: ‘Broeder, ic heb eenen beteren raet gevonden nae dattet ons nu staet ende en sullen Beyert niet doden. wij sullen doen comen een meester. ende doen Beyert laten vier coppen bloets alle dage so lange alst Beyert verdragen mach ende leven vanden bloede.’ Dunay vereyschende dat die heren niet teten en hadden, seide totten ghenoten: ‘Reynout moet van honger vergaen want si hebben alle hair paerden gegeten doer grote noet sonder alleen Beyaert.’ Als dit Roelant hoerde iammerdet hem ende de bisscop Tulpijn me. Doe seide de bisscop: ‘Edel grave Roelant, dit is groot iammer, dat wi onse magen sullen laten sterven van honger ende vergaen.’ Dunay seide: ‘Ic sal ons goeden raet gheven: wij sullen gaen totten coninc [fol. 216] ende bidden hem dat hi Roelant te nacht geve dat voervechten ende sullen dan met werpen den casteel spisen.’ Met desen raet gingen die heren voer den coninc. ende baden dat hi Roelant dat voirvechten gave: ‘want wij sullen, wilt God, eer middernacht dat casteel gewonnen hebben.’ Die coninc seide dat hijt gaerne dede. Doe namen die heren ane den coninc oerlof ende stelden haer reescap te wercke voer Montalbaen: dit versach een van Montalbaen die ter mueren stont, hoe de genoten van Vrancrijc haer enginen stelden starkeliken ende die seidet Reynout ende Reinout wasser rouwich om ende seide: ‘Het staet ons tot groten sorge, want ons versoeket die grave Roelant, Dunay ende Ogier, Tulpijn ende Olivier, die lange stille gelegen hebben; hair engynen sijn wel versien: willen si ons deren of scaden, soe en mogen wi ons niet langer verweren want haer reescap is starc ende goet.’ Onder des began die bisscop te werpen spec ende menigerhande vitaelge, als dat die ridders een geheel iaer vitaelge ghenoech hadden. Aldus hoende die genoten den coninc ende als si genoech geworpen hadden, vertogen si totten coninc ende seident hem dat si niet bedreven en hadden. Reinout mit sijn volc waren blide vanden genoten dat si geworpen hadden. ende hi gaf Beyert weder so veel teten dat hi binnen. xl. dagen so vet was ende starc als te voren: doen en hadde Reinout Beyert om geen aerts goet gegeven. Reinout riep sijn broeders tot hem ende seide: ‘Wat sullen wi nu beginnen want wij en mogen ons hier niet langer onthouden van honger: laet ons riden op onsen castele tot Ardanen. daer souden wi ons wel onthouden so vorde als wi spise genoech hadden.’ Als die vrouwe Clarisse dit hoerde, was si utermaten droevich om dat Reinout wech rijden woude ende haer daer laten. Reinout dede Beyaert sadelen ende nam [fol. 217] oerlof ane sijn vrouwe Claradijs. dye om Reinouts wech reisen seer qualic te vreden was ende menigen traen wt haren ogen storte. Die heren saten op Beyert ende reden heimelic tot eenre water poerten wt den roetse neder. om dat hem niemant sien en soude, op dat si haer vlucht sonder sorge doen mochten, ende met dat die broeders haer vlucht dus deden ende reden die roetse neder, versachse coninc Karel. ende seide: ‘Ghi heren ende baroenen, siet ghinder alle vier Aymijns kinder ende wanen mi te ontrijden.’ Die coninc riep met haest dat hem elc wapenen soude, twelc die heren terstont daden ende sprongen op hair orssen ende reden met haesten Aymijns kinder te gemoet. Die here Aloreyt was die voirste vantheer ende reet op Reinout met sulcker crachte so dat hi Reinout doer den schilt stac dat dair een stuc vander spere in steken bleef ende Reynout stacken weder doer den schilt dat die spere doer zien lijf ginc. ende viel vanden paerde. Als de coninc sach dat Aloreyt vanden paerde gesteken was, sloech hi sijn paert met sporen ende reet na Reinout, ropende ‘Monyoye’. Als Reynout den coninc op hem comen sach, noepte hi Beyaert met sporen ende vloech met Beyert voer al dat Beyert lopen mochte. Als dit de coninc sach, dede hi zijn heer met haesten op breken ende volchde Reynout met enen grammen moede. Reynout met zijn broeders reden so lange dat si totten castele van Ardanen quamen: die opten castele waren, sagen wt overmits dat draven dat si hoirden vant lopen dat Beyert liep ende die inden castele waren, mannen ende vrouwen, liepen ter poerten om te sien wat daer was ende als si sagen dattet den vromen here Reinout was, so deden de van Ardanen haer starcke poerten [fol. 218] op ende lieten in. Ende als Reinout met sijn broeders binnen den castele waren gingen si ende besaghen wat daer teten was, daer si weynich of vonden. Hieren binnen is coninc Karel Reinout met zijn volck so seer vervolcht dat si biden castele quamen ende heeftet strenghelic belegen. Doe seide die coninc: ‘Mi dunct dat mi Reynout met sijn broeders alle dage nyeuwen toern doen ende menen mi met Beyert te ontcomen, die hem dicke wter noot gedragen heeft, dair si swairlic in geweest hebben, mer ic bevoelt: can ict ors ghecrigen onder mijn macht, ic salt doen doden.’ Voert swoer die coninc dat hy vanden castele niet scheyden en soude doer anxt of vrese de hem op comen mochte, hi en soude Reinout met sijn broeders eerst gevangen hebben. Aldus lach Karel met zijn heer voir Ardanen, Reinout de met sijn broeders lach binnen den castele, waren in groter sorghen, ten waer dat hem God sonderlinge te hulpe quame. si mosten gevangen wesen, want hi hem daer niet onthouden en mochte tegen die macht van coninck Karel. Die coninc is selver gereden voer tcasteel so na dat hi spraec houden mochte ende vraechde Reinout of hij tcasteel noch tegen hem houden wilde. Reynout antwoerde: ‘Neen ic heer coninc, ic en wils tegen u niet houden, mer peyst edel coninc. dat ic u gevangen hadde ende minlic weder gaen liet: dat gedenct nu.’ Ter wijlen dat de coninc ende Reinout te gader spraken, is vrou Aye gecomen int tconincs heer ende die coninc scheede met dese woerden van Reinout sonder meer woerden daer mede te hebben ende reet weder na theer daer hem geseit was dat vrou Aye zijn suster tot hem gecomen was. Ende so drae als vrou Aye den coninc [fol. 219] gewaer geworden is, ghinc si hem te gemoet ende viel over haer knyen ende badt den coninc seer minlic of sijnre hoecheit gelieven woude dat hi Aymijns kinder tegen hem versoenen liet; voert baden mede den coninc alle die genoten ende sijn edelste heren dat hijse versoenen liet. Als de coninc sach desen voetval van zijn suster is hi veroetmoedicht ende vermorvet, seggende: ‘Wildi mi Reynout leveren ende Beyert, minen wille mede te doen, dien hem dicke wt groter sorgen ende tribulacien gedraghen ende verlost heeft, so mach hi tegen mi versoenen ende anders niet.’ Doe seide vrou Aye: ‘Heer coninc, gelieftet u, so laet mi veylich varen int casteel ende ic salt Reinout vragen of hi hem op geven wil in uwer ghenaden ende leveren u Beyert in uwen handen.’ Die coninck seide: ‘Vaert vry sonder anxt ende segt hem dat si anders niet soenen en mogen.’ Met deser condicien voer vrou Aye ten castele, daer si Reinout vandt, die met groter bliscap ende iolijt ontfangen wert ende vrou Aye vertelde Reynout des conincs meninge. Als Reinout dese woerden van sijn moeder verstaen hadde, seide hijt sijn broeders also hem zijn moeder vertelt hadde. Die gebroeders dit horende, seide Adelaert, Reinouts broeder: ‘Ghi dunct mi buten u selve wesen: hoe dordi dusdanige dingen ons te voren leggen? eer ict dede, ic droege liever veete teghen den coninc mijn leven geduerende’ ende die ander broders seiden haer goetduncken mede. Als Reinout sijn broeders verstaen hadde, seide hi: ‘Ic seg u broeders, ter goeder tijt ende saliger uren ist ons dat Beyaert gewonnen is, dat goede paert, daer wi mede versoenen teghen dat wi tegen coninc Karel mesdaen hebben ende ons selven vrien vanden swaren periker ende anxt daer wij nu in sijn. Aldus broeders, sal icken den coninc geven.’ Doe ghinc Reinout tot sijn moeder [fol. 220] ende seide haer dat hi den coninc Beyert gaerne gave; met dese antwoirde is die vrou Aye gescheiden van Reinout ende weder ghereyst totten coninc, de sijt seide dat hem Reinout ende die broeders Beyert gaerne gaven doer sijn eer. ende gelieven sinen wille mede te doen, op condicien als dat hi hem vergeven woude dat si tegen hem mesdaen hadden. ende in genade ontfangen. Als die coninc dese antwoerde hoerde van vrou Ayen, seide hi: ‘Mi dunct so ic mercke, si doent tegen haren danc ende wille. want si merren seer lange.’

Toen sloeg Roelant op Maeldegijs zo’ n slag daar hij zijn kracht toedeed zodat Maeldegijs in onmacht viel ter aarde: toen Roelant dit zag bond hij hem handen en voeten en voerde hem in de konings tent. Aldus was Maeldegijs gevangen en gebracht tot koning Karel. Morante van de Rivieren reed op Ritsaert en Ritsaert weer op hem met zulke kracht zodat hun beide speren braken en vielen van het paard in het zand. Maar Ritsaert was het eerste op en ging slaan met het zwaard zo vreselijk zodat hij weer te paard kwam. Toen reed uit Salomon de heer van Bretagne tegen Adelaert en Adelaert weer op hem en stak hem zo zeer met de schacht dat Salomon die heer van het paard viel in onmacht. Dit zag Forsier en had angst dat hij daar blijven zou en reed op Writsaert en hij weer op hem zodat hij Fortsier doorstak zodat hij dood ter aarde viel. Dus had Karel grote toorn en riep: ‘Monyoye!’ en dat hoorde Reinout en dacht: ‘Wat zal geschieden?’ En de bondgenoten reden achter hun heer, maar Karel reed op Writsaert. Dat zag Reinout en nam een sterke lans en reed op koning Karel met zulke kracht dat de koning vallen moest van het paard en Reinout reed in de grootste groep en riep: ‘Slaat voort, gij heren van Montalbaen, zo help me God, ik zal de koning verslaan.’ Koning Karel hoorde dit en was daarom zeer verbolgen en zei: ‘God geeft u schande, u bedrieger, u komt en verslaat mij.’ De koning sprong op zijn paard en verhief zijn zwaard Joyeusen en waande Reinout te slaan, maar Beiaard ontdroeg hem: hij was anders in zorgen geweest. Toen sloegen de 12 bondgenoten hun paarden met sporen en reden op Reinout’ s volk en sloegen hem wel vier honderd mannen af. Toen Reinout zag dat zijn volk ten onder ging riep hij met haast: ‘Gij heren van Montalbaen, laat ons vlieden, we hebben het te doen want de koning volk is te veel.’ Toen vloog al Reinout’ s volk wat wijken mocht en Reinout hield achter de achterhoede en beschutte zijn volk: aldus wordt Reinout met zijn volk in het kasteel weer gedreven en Maeldegijs bleef gevangen. Toen Reinout in de zaal kwam zei hij tot de heren: ‘Gij heren, waar is mijn oom?’ Toen zei daar een ridder: ‘Ik zag hem vechten tegen de koning en streden lang te samen, van hun paard tot te voet. Toen kwamen de bondgenoten en hielpen de koning weer te paard en sloegen op Maeldegijs, maar Roelant sloeg hem zodat hij stortte ter aarden en heeft hem zo gevangen.’ Toen Reinout dit hoorde was hij droevig en dreef grote rouwe zeggende: ‘O Maria moeder Gods, zal ik mijn oom aldus verliezen daar al mijn hulp, raad en toeverlaat aan staat, zo mag ik dat uur van zijn verliezen wel vervloeken. O felle fortuin, hoe draait u aldus!’ Adelaert zei: ‘Ik bid u broeder, laat toch varen deze rouw want ge ziet wel dat ons allen hier spijs ontbreekt en door last van de honger zullen we ons moeten overgeven.’ Met deze woorden scheiden de heren van elkaar. De vermogende koning Karel is met zijn heren getrokken in zijn tent en dreef groot misbaar want hem klagen gekomen was dat Reinout binnen die dag veel van zijn vrienden en verwanten verslagen had. Toen  zei de vermogende koning Karel: ‘God die vermogende heer wil geven dat ik daarvan nog wraak ontvangen moet.’ Maeldegijs zei: ‘Edele heer koning, wil ge nog de verzoening ontvangen die u bood Reinout, dat zag ik al te graag: zo zou hij u te hulp staan, beide nacht en dag met al zijn kracht.’ Toen zwoer koning Karel: ‘Had ik de koene ridder zo zou ik hem al gelijk bij uw zijde hangen.’ Toen riep de koning Griffoen en Alloreyt en zei: ‘Doe uw knechten aan die rots oprichten een galg want ik zal doen hangen Maeldegijs eer ik eten zal.’ Maeldegijs antwoorde: Ja edele koning, geeft men toch heden respijt, ik zal u goede borg zetten dat ik zal blijven gevangen.’ ‘Zo deed je mede’ zei de koning ‘te Parijs daar die bondgenoten hun zwaarden verloren.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Laat me leven heer koning, ik zal u beroven nog bestelen en ik zeg u: zo moet God mijn ziel doen, is het dat ik u ontkom ge gaat er zelf mede.’ Toen zei de koning: ‘O valse trawant Maeldegijs, zou ik dan met u gaan?’ ‘Ja gij heer, dat zeg ik u en ik zal u leiden te Montalbaen daar ge van Reinout goed zal ontvangen worden, maar edele koning, laat verzoenen de edele ridder en komen tot uw genaden: wil u beraden deugdelijk want alle die leven op de aarde zouden u dan moeten wijken. ’ Toen zei de koning: ‘Wil ge nu om verzoening spreken? Richt ons gelijk de galg: ge zal er aan hangen tot uw schade want anders zou je mij ontkomen.’ Maeldegijs zei: ‘Heer koning, heb dus geen angst: ik zal u zetten borgen.’ Koning Karel zei: ‘Wie zou u borgen Maeldegijs?’ Toen zei Maeldegijs: ‘Graaf Roelant, komt wat nader en wees mijn borg dat ik niet ontkom zonder verlof of de koning gaat zelf mede.’ Toen zei Roelant dat hij het graag deed: hoe weinig wist de koning wat Maeldegijs dacht! Aldus is Roelant Maeldegijs borg geworden. Toen het was omtrent middernacht ging Maeldegijs en toonde zijn kunsten van nigromantie en terstond braken al de banden daar Maeldegijs mee gebonden was. Toen ging Maeldegijs voor konings bed staan en zei: ‘Heer koning, ons heeft ontboden Reinout dat we te Montalbaen komen zouden.’ De koning die sprong uit zijn slaap van het roepen en keek op en zag Maeldegijs voor hem staan: toen wist de koning niet in welke staat hij antwoorden zou want Maeldegijs had hem zo betoverd dat hij zei: ‘Ik wou dat we op de vaart waren.’ Toen zei Maeldegijs: ‘Zo gaan we dan.’ De koning zei: ‘Ik mag niet gaan.’ Zoals de historie zegt zo nam Maeldegijs de koning op zijn hals en droeg hem te Montalbaen zonder raad van zijn verwanten en legde de koning op een mooi bed: toen ging hij daar Reinout lag en zei: ‘Sta op, het is dag, sta op Reinout lieve neef, koning Karel geef ik u gevangen en heb hem in uw kamer gebracht.’ Toen Reinout dat hoorde verwonderde hij zeer van de woorden die zijn oom zei en sprak: ‘Lieve oom, hoe zou dat mogen wezen dat ge de koning gevangen zou hebben? Ik meende hij u gehangen had.’ Maeldegijs zei: ‘Neen hij, God is geloofd: ik heb u de koning gebracht.’ Reinout stond op en bevond het waar dat hem zijn oom gezegd had. Maeldegijs ging en wekte de andere broeders en zei hen lieden zo hij Reinout gezegd had, dus ze blijde waren en gingen in de kamer daar de koning lag. De koning werd wakker en zag Reinout met zijn broeders voor zijn bed staan. De koning was droevig daarom en kwalijk tevreden en zei: ‘Dit heeft me gedaan de boef Maeldegijs dat hem schande geschiedt en ik zie hem hier niet, nochtans weet ik wel dat hij hierbij is.’ Reinout viel op zijn knieĎn en bad genade wat de koning hem weigerde. Ritsaert die dit hoorde werd toornig en zei: ‘Heer koning, u moet sterven.’ Koning Karel die dit hoorde werd toornig en zei: ‘Wil u zich tegen mij zetten, kwade schalk?’ Toen trad Ritsaert naar de koning en verhief zijn zwaard, maar Reinout beschutte de koning en wierp zijn broeder tegen de aarde en zei: ‘Wat wil u doen, kwade schalk? Wil u de koning doden? Hij is onze heer en blijven zal al zijn leven.’ Toen vroeg de koning Reinout of hij hem wou laten gaan. ‘Ja ik,’ zei Reinout, wil ge ons uw toornige gemoed vergeven.’ Karel zei: ‘Neen ik niet.’ Reinout zei: ‘Zo moet ge sterven en van honger vergaan.’ Maeldegijs zei: ‘Heer koning, neem verzoening van uw neven, zo doe je goed en  vergeef ons uw euvele gemoed.’ ‘God schendt u’ zei de koning ‘ik zal het niet doen al zou ik hier sterven, kwade dief, van honger en dus moet ge vermaledijd zijn want met schande hebt me naar buiten gebracht.’ Maeldegijs zei: ‘Heer koning, beraad u dat gij uw neven genade doet.’ Toen zei Adelaert: ‘Hij zal ons zijn toornige gemoed vergeven of zo helpt me God, hij keert nimmermeer weer in Frankrijk.’ Maeldegijs zei: ‘Ik zie, het is om niet, ik wil u God bevelen en ik beloof het God dat ik nimmermeer krenken zal de kroon van Frankrijk.’ Aldus ging Maeldegijs vandaar en zat vier jaar als heremiet zoals de historie zegt. Koning Karel zei tot de dappere Reinout: ‘Neef, laat me gaan, ik zal me beraden met Roelant, Ogier en Olivier en Tilpin en met al mijn bondgenoten en hun raad doen.’ Toen zei Reinout: ‘Heer koning, zo doe en ga als het u belieft want wij houden u niet gevangen.’ Met al dusdanige woorden scheidde de koning van Montalbaen en nam verlof aan de dappere Reinout en Reinout zeide:  ‘God moet u bewaren, edele koning.’ Aldus ging de koning tot hij in zijn tent kwam en toen zijn baronnen hun koning zagen waren ze blijde en ontvingen hem blijde want ze waanden dat hij dood geweest was of dat hem Maeldegijs verdronken had of verslagen. De koning zei: ‘Maeldegijs had me gevangen en geleverd Reinout, mijn neef, en Ritsaert wou me verslaan maar Reinout beschutte me en wierp zijn broeder met het zwaard tegen de vloer en Reinout liet me gaan en geleide me.’ Toen riep de koning de hertog van Bamer dat hij komen zou en rijden tot Reinout en zeggen dat hij kwam en hem gevangen gaf: de hertog deed de konings gebod en reed te Montalbaen en toen hij binnen Montalbaen gekomen is, Reinout lag te deze tijd in een venster en zag Bamer komen rijden en ging hem tegemoet en zei: ‘Edele hertog, wees welkom hier.’ Bamer zei: ‘Reinout, God loont het u, u ontbiedt de koning van Frankrijk dat gij tot hem komt gevangen.’ Reinout zei: ‘Ik doe dat niet dat ik op de konings genade komen zou, maar wil ons de koning onze vier het lijf geven, we willen minnelijk tot hem komen en verbeteren naar ons vermogen dat we misdaan hebben.’ (Bamer?) Dunay zei: ‘Ik zal het u zeggen wat ge doen zal: wil u de koning op mijn geleide laten komen zo zal ge daar buiten komen en verbeteren dat ge misdaan hebt.’ Reinout zei: ‘Ik zou u een boodschap bevelen, wou ge het doen.’ Dunay zei: ‘Ja ik, graag.’ ‘Zeg de koning: wil hij ons lijf geven, wij willen graag komen gevangen en brengen de sleutels van het kasteel.’ Hiermee nam Dunay verlof aan Reinout en reed naar de koning zodat hij voor hem kwam: de koning heet hem welkom en zei: ‘Dunay, wat tijding breng je ons van Reinout.’ De hertog zei: ‘Heer koning, ik zal het u zeggen: Reinout ontbiedt u, wil ge hem en zijn broeders hun lijf verzekeren zo komen ze graag in uw genade.’ Toen zei koning Karel met toornig gemoed: ‘Gij heren, ik zal ze met kracht winnen: ze zullen hen over moeten geven want ze hebben langer geen voedsel.’ De koning deed aan alle zijden gereedschap maken om te bestormen het kasteel. Toen dit die van binnen zagen waren ze  droevig en Clarisse die mooie vrouwe beklaagde zeer de honger aan God. Toen ging Reinout tot Beiaard in de stal en trok en een mes en wou Beiaard doden en zei tot Clarisse: ‘Beiaard moet nu sterven door nood van de honger.’ Ritsaert zei: ‘Ik bid u broeder, doodt toch Beiaard niet. ’Toen zei Reinout: ‘Ik moet  het door groot gebrek doden,’ wat de broeders zeer jammerden en Beiaard die de woorden van Reinout verstond viel op zijn knieĎn. Toen zei Reinout: ‘Beiaard, me jammert u dat ge door nood van de honger dood blijven zal.’ Adelaert zei: ‘Broeder, ik heb een betere raad gevonden nadat het ons nu staat en zullen Beiaard niet doden. Wij zullen doen komen een dokter en doen Beiaard vier koppen bloed alle dagen laten zolang als het Beiaard verdragen mag en leven van het bloed.’ Dunay die gehoord had de heren niets te eten hadden zei tot de bondgenoten: ‘Reinout moet van honger vergaan want ze hebben al hun paarden gegeten door grote nood uitgezonderd alleen Beiaard.’ Toen dit Roelant hoorde jammerde het hem en de bisschop Tilpin mee. Toen zei de bisschop: ‘Edele graaf Roelant, dit is groot jammer dat we onze verwanten zullen laten sterven van honger en vergaan.’ Dunay zei: ‘Ik zal ons goede raad geven: wij zullen gaan tot de koning en bidden hem dat hij Roelant vannacht geeft dat voor vechten en zullen dan met werpen het kasteel spijzigen.’ Met deze raad gingen de heren voor de koning en baden dat hij Roelant dat voor vechten gaf: ‘want wij zullen, wil het God, eer middernacht dat kasteel gewonnen hebben.’ De koning zei dat hij het graag deed. Toen namen de heren aan de koning verlof en stelden hun gereedschap te werk voor Montalbaen: dit zag een van Montalbaen die ter muren stond hoe de bondgenoten van Frankrijk hun machines stelden sterk en die zei het Reinout en Reinout was er rouwig om en zei: ‘Het staat ons tot grote zorg want ons verzoekt de graaf Roelant, Dunay en Ogier, Tilpin en Olivier die lang stil gelegen hebben; hun machines zijn goed voorzien: willen ze ons deren of schaden, zo mogen we ons niet langer verweren want hun gereedschap is sterk en goed.’ Onder dit begon de bisschop te werpen spek en menigerhande voedsel zodat de ridders een geheel jaar voedsel genoeg hadden. Aldus hoonden de bondgenoten de koning en toen ze genoeg geworpen hadden trokken ze tot de koning en zeiden het hem dat ze niets bedreven hadden. Reinout met zijn volk was blijde van de bondgenoten dat ze geworpen hadden en hij gaf Beiaard weer zoveel te eten dat hij binnen 40 dagen zo vet was en sterk als tevoren: toen had Reinout Beiaard om geen aards goed gegeven. Reinout riep zijn broeders tot hem en zei: ‘Wat zullen we nu beginnen want wij mogen ons hier niet langer onthouden van honger: laat ons rijden op ons kasteel te Ardennen, daar zouden we ons wel onthouden zo ver als we spijs genoeg hadden.’ Toen die vrouwe Clarisse dit hoorde was ze uitermate droevig omdat Reinout weg rijden wou en haar daar laten. Reinout deed Beiaard zadelen en nam  verlof aan zijn vrouwe Clarisse die om Reinout’ s weg reizen zeer slecht tevreden was en menige traan uit haar ogen stortte. De heren zaten op Beiaard en reden heimelijk tot een waterpoort uit de rots neer omdat hen niemand zien zou, opdat ze hun vlucht zonder zorgen doen mochten en met dat de broeders hun vlucht dus deden en reden die rots neer zag ze koning Karel en zei: ‘Gij heren en baronnen, ziet ginder alle vier Aymyns kinderen en wanen me te ontkomen.’ De koning riep met haast dat hem elk wapenen zou wat de heren terstond deden en sprongen op hun paarden en reden met haast Aymyn’ s kinderen tegemoet. De heer Aloreyt was de voorste van het leger en reed op Reinout met zulke kracht zodat hij Reinout door het schild stak zodat daar een stuk van de speer in steken bleef en Reinout stak hem weer door de schild zodat die speer door zijn lijf ging en viel van het paard. Toen de koning zag dat Aloreyt van het paard gestoken was sloeg hij zijn paard met sporen en reed naar Reinout, roepende ‘Monyoye’. Toen Reinout de koning op hem komen zag noopte hij Beiaard met sporen en vloog met Beiaard voor al dat Beiaard lopen mocht. Toen dit de koning zag deed hij zijn leger met haast opbreken en volgde Reinout met een gram gemoed. Reinout met zijn broeders reden zo lang zodat ze tot het kasteel van Ardennen kwamen: die op het kasteel waren keken uit vanwege dat draven dat ze hoorden van het lopen dat Beiaard liep en die in het kasteel waren, mannen en vrouwen, liepen ter poort om te zien wat daar was en toen ze zagen dat het de dappere heer Reinout was zo deden die van Ardennen hun sterke poort open en lieten ze in. En toen Reinout met zijn broeders binnen het kasteel waren gingen ze en bezagen wat daar te eten was, waar ze weinig vonden. Hierbinnen is koning Karel Reinout met zijn volk zo zeer gevolgd dat ze bij het kasteel kwamen en heeft het sterk belegerd. Toen zei de koning: ‘Me dunkt dat me Reinout met zijn broeders alle dagen nieuwe toorn geeft en menen mij met Beiaard te ontkomen die hen vaak uit de nood gedragen heeft daar ze zwaar in geweest zijn, maar ik beveel het: kan ik het paard krijgen onder mijn macht, ik zal het doen doden.’ Voorts zwoer de koning dat hij van het kasteel niet scheiden zou door angst of vrees van die op hem komen mocht, hij zou Reinout met zijn broeders eerst gevangen hebben. Aldus lag Karel met zijn leger voor Ardennen, Reinout die met zijn broeders lag binnen het kasteel waren in grote zorgen, tenzij dat hen God bijzondere te hulp kwam, ze moesten gevangen wezen want ze zich daar niet onthouden mochten tegen de macht van koning Karel. De koning is zelf gereden voor het kasteel zo nabij dat hij spraak houden mocht en vroeg Reinout of hij het kasteel nog tegen hem houden wilde. Reinout antwoorde: ‘Neen ik, heer koning, ik wil het tegen u niet houden, maar peinsde edele koning dat ik u gevangen had en minlijk weer gaan liet: dat gedenkt nu.’ Terwijl dat de koning en Reinout tezamen spraken is vrouwe Aye gekomen in het konings leger en de koning scheidde met deze woorden van Reinout zonder meer woorden daarmee te hebben en reed weer naar het leger daar hem gezegd werd dat vrouwe Aye zijn zuster tot hem gekomen was. En zodra als vrouwe Aye de koning gewaar geworden is ging ze hem tegemoet en viel op haar knieĎn en bad de koning zeer minlijk of zijn hoogheid gelieven wou dat hij Aymyn’ s kinderen tegen hem verzoenen liet; voort baden mede de koning al de bondgenoten en zijn edelste heren zodat hij ze verzoenen liet. Toen de koning zag deze voetval van zijn zuster is hij verootmoedigd en vermurwd en zei: ‘Wil ge me Reinout leveren en Beiaard mijn wil mee te doen die hem vaak uit grote zorgen en tribulatie gedragen en verlost heeft zo mag hij tegen mij verzoenen en anders niet.’ Toen zei vrouwe Aye: ‘Heer koning, gelieft het u, zo laat me veilig varen in het kasteel en ik zal het Reinout vragen of hij hem overgeven wil in uw genaden en leveren u Beiaard in uw handen.’ De koning zei: ‘Vaart vrij zonder angst en zeg hen dat ze anders niet verzoenen mogen.’ Met deze conditie voer vrouwe Aye te kasteel daar ze Reinout vond die met grote blijdschap en jolijt ontvangen werd en vrouwe Aye vertelde Reinout de konings mening. Toen Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had zei hij het zijn broeders alzo hem zijn moeder verteld had. De gebroeders die dit hoorden zei Adelaert, Reinouts broeder: ‘Ge lijkt buiten u zelf te wezen: hoe durf je dusdanige dingen ons tevoren te leggen? Eer ik het deed, ik droeg liever vete tegen de koning mijn leven gedurende’ en de andere broeders zeiden hun goeddunken mede. Toen Reinout zijn broeders verstaan had zei hij: ‘Ik zeg u broeders, ter goede tijd en zalige uren is het ons dat Beiaard gewonnen is, dat goede paard, daar we mede verzoenen tegen dat we tegen koning Karel misdaan hebben en ons zelf bevrijden van het zware perikel en angst daar wij nu in zijn. Aldus broeders, zal ik het de koning geven.’ Toen ging Reinout tot zijn moeder en zei haar dat hij de koning Beiaard graag gaf; met dit antwoord is die vrouwe Aye gescheiden van Reinout en weer gereisd tot de koning, die zij het zei dat hem Reinout en de broeders Beiaard graag gaven door zijn eer en gelieven zijn wil mee te doen op conditie als dat hij hen vergeven wou dat ze tegen hem misdaan hadden en in genade ontvangen. Toen de koning dit antwoord hoorde van vrouwe Aye zei hij: ‘Me dunkt zo ik merk, ze doen het tegen hun wil want ze dralen zeer lang.’

 

 

 

Dat XXV. cap. Hoe die vier heemskinderen coninck Karel Beyert presenteerde ende ghavent hem ende hoet dye coninck liet verdrincken ende hoe Reynout een heremijt wert.

[fol. 221] Als dat tractaet vander soenen gesloten was tusschen coninc Karel. ende Reinout met sijn broeders, quamen si vanden castele hant bi hant ende Beyert wert voer hen geleit tot voer den coninc ende deden een voetval voer den coninc seer oetmoedelic ende die coninck deedse opstaen ende ontfincse in gracien daer menich edelman blide om was ende sonderlinge vrou Aye hoer alre moeder. Dit gedaen wesende heeft Reynout Beyaert genomen ende heeftet den coninc ghegheven, seggende: ‘Heer coninc, doeter u gelieven mede.’ Als die coninc Beyert hadde, volquam hi sijn belofte, want hij dede hem twe molensteenen binden an den hals ende [leiden] op die brugge vander Oyse ende werpen in de riviere: Beyert sanck met die molensteenen so alst eerst in geworpen was om die swaerheit vander steenen, mer terstont quamt boven ende began te swemmen. Mettien sach Reinout om ende sacht swemmen: Beyert versach Reinout ende doen verhieft sinen voet. ende sloech soe crachtelick tegen de molenstenen dat si beide braken ende swam te lande ende so drae alst te lande quam liept na sinen here Reinout. Als Karel dat sach seide hi tot Reynout: ‘Reinout, geeft mi Beyert weder, of ic sal u doen vangen.’ Reinout dit horende van den coninc, gaf hy Beyert den coninc weder. Doe dede die coninck Beyaert binden an elcke voet een molensteen ende an den hals twe ende lietet so werpen in die riviere; noch quam Beyert boven ende versach sinen meester ende brac die molenstenen ende liep tot sinen meester. Adelaert dit siende liep tot Beyert ende custet voer sinen muyl. Die coninc die siende, verwonderdet seer die crachte van sulcken paert. Doe seide die coninc: ‘Reinout, ten si dat ghi my Beyert weder geeft, ic sal u doen vangen ende hanghen [fol. 222] te Montefaucoen an die galghe.’ Doe seide Adelaert: ‘Vermaledijt moetstu zijn, Reynout, geefstu den coninc Beyert weder.’ Reinout seide weder: ‘Swijch broeder, sal ic om een ors des conincs toerne hebben? neen ic waerlic, broeder, also helpe mi God.’ Doe seide Adelaert: ‘O Beiaert, hoe valschen here hebdi gedient: met valschen loen wordi geloent.’ Reinout heeft Beyert weder gevangen ende den coninc ghegeven, seggende: ‘Heer coninc, dat is die derde reise dat icken u gelevert heb ende ist dat u dit ors nu ontgaet, ic en vanges u niet weder want het gaet mijnre herten veel te na.’ Die coninc ontfinct ors ende seide: ‘Reinout, gi en moet niet omsien, want so lange als tors u siet so en soudet niet moghen verdrencken.’ Doe most Reinout voer de heren sweren dat hi niet omsien en soude na Beiert. Doe dede die coninc Beiaert an elcke voet binden twe groote molenstenen ende an den hals twee. ende soe werpen in die riviere: doe most dat ors te gronde sincken overmits die swaerheit der stenen. Een wijle dair na quamt weder boven ende stac thoeft om hoge. neyende nae sinen here oft een mensche geweest hadde, de na sinen lieven vrient gescreit hadde. Als dit neyen Reynout hoerde ende niet om en dorste sien, ginc hem so na der herten dat hij in onmacht viel: Beyert neech sinen here metten hoefde, neyde seer na sinen here. Als Ridsaerd dit sach, hadde hi in sijn herte groot verdriet ende hem iammerdet seer. ende dye ander broeders hadden oeck groten rou mede om tors dat si sinen here so getrouwe sagen: ten lesten sanc dat ors in die gront ende verdranc. Reynout die lange in onmacht gelegen had, bequam ende stont op versuchtende seer onsachtelic ende swoer bi Gode dat hi nemmermeer op paert riden en soude. oft sporen spannen [fol. 223] oft swaert gorden ende dochte in hemselven: hi woude heremijt worden ende trecken in een wilt bosch. Doe dochte hi weder; hi woude eerst thuys trecken te Montalbaen ende begaven sijn kinder eerst, dat elck wiste, of hi te manne quaem, wat hi hebben soude. Aldus nam Reinout an den coninc oerlof ende zijn broeders ende ginc te voet na huys tot Montalbaen ende sijn broeders scheyden met droefheit van hem ende bleven bi den coninc. ende als Reinout te Montalbaen quam ontfincken sijn vrou blidelic ende sijn kinder ende hieten vriendelic welcoem. Doe seide de vrou: ‘Reinout, wair is Beiert ende u broeders?’ Reinout seide: ‘Mijn broeders sijn bi den coninc. gebleven ende die coninc heeft Beyert gedoot.’ Als die vrouwe dit hoirde veranderde hair verwe ende viel in onmacht ende Reinout hiefse vander aerden ende droechse in een camer ende custese an haren mont. Die vrouwe quam tot haer selven ende was so droevich dat haer die tranen wten ogen liepen. Reynout seyde: ‘Vrouwe, sijt te vreden want doen wi van hier reden, versach ons die coninc ende vervolchde ons starckelic ende brac sijn here op. ende beleide ons in Ardanen. ende vraechde mi of ict casteel tegen hem houden woude oft strijden. Doe seyde ic ‘neen’ ende onder des quam mijn moeder, die tractaet vanden soene maecte op condicien als dat ick den coninc Beyert geven soude, twelc is gaerne dede. Aldus vercregen wij gracie vanden coninc. ende terstont dede die coninc Beyert verdrencken.’ Die vrouwe antwoerde: ‘Here, het is mi leet dat wi Beiert quijt sijn, mer des conincs toerne was ons te swaer: wi en mochten hem ende sijn magen niet wederstaen.’ Reinout seide: ‘Vrouwe, het is waer,’ ende Reinout riep zijn kinder voir hem ende versach elc na dat hem goet docht. [fol. 224] Als hi dit gedaen had ontboet hi heimelic een sijner ende dede heimelijc een cappe maken totten voeten lanck ende als die cap gemaect was ginc hi op een nacht heymelic van Montalbaen doer dorpen ende steden so lange dat hi in vreemde landen quam daer hem niemant en kende. Als Reynout aldus gaende was ghemoete hem een heremijt die in xv. iaren nye mensche ghesien en hadde, twelck hem verwonderde ende seide: ‘Help God! waen coemstu mensche, dattu hier geraecste ende wie bistu ende wat begeerstu.’ Reinout seide totten heremijt: ‘Heer, ic ben die droevichste man die van moeder geboren is, want ic en hebmi in xx. iaren nye verblijden moghen sint dat ic des conincs soen van Vrancrijc sloech, ghehieten Lodewijc: nu soude ic gaerne biechten ende penitencie ontfangen van mijn sonden want si mi seer berouwen.’ Die heremijt seide: ‘Lieve vrient, ic hoer wel dat gi Gode qualic gedient hebt ende veel sonden binnen uwen leven gedaen, mer wildi die sonden laten ende niet meer doen, so valt over u knien ende bidt Gode oetmoedelic dat hi u gracie verlene, dat gi u leven tot een salich eynde brengen moecht.’ Ende wilt mi uwe sonden met oetmoediger herten belyen die ghi van uwen kintschen dagen gedaen hebt.’ Reinout seide dat hijt gaerne dede. ende beliede daer sijn sonden met berou sijns herten ende als hijse al geseit had sprac die heremijt: ‘Vrient, uwe sonden sijn groot, mer wildi doen dat ic u rade. uwes sal goeden raet worden. ende u sonden sullen vergeven worden daer ghi lange in gheweest hebt.’ Reynout seide: ‘Ia ic, here, ic wilt gaerne doen dat gi mi hiet.’ Doe seyde de heremijt: ‘So moet gi hier bliven in dese woestijn ende eten spijse gelijc een beeste. ’ Reynout seide: ‘Ic doet gairne al waert meer.’ [fol. 225] Aldus bleef Reinout in de woestijn drie iaer ende dede dat hem de heremijt bevolen hadde ende leerde vanden heremite menich schoon ghebet ende dede sware penitencie ende castijde sijn lichaem so dat hi seer cranc wert van licham. Aldus ghinc Reynout met pinen tot den heremijt. ende claechde hem sijn verdriet seggende: ‘Here, ic blive doot van coude. ende hongher. want mijn cleeder sijn al stucken: ic en mach mijn lichaem niet langer bedecken.’ Als dit die heremijt hoerde hadde hi medeliden mit hem ende seide: ‘Lieve vrient, troest u ende hoept op Gode: hi sal u versien.’ Als Reinout anders geen troest vanden heremijt en hoerde, screyde hi seer ende seide: ‘O God, moet ic nu inden woude sterven van coude ende honger?’ Die heremijt medeliden hebbende mit Reynout dede sijn gebet tot onsen heere. Doe hoerde die heremijt een stemme gesent van Gode die hem seyde dat hi sijn geselle bevelen soude dat hi sonder toeven trecken soude totten heylighen lande ende vechten tegen de heiden. Als die heremijt dit hoirde was hi blide ende riep Reinout sijn geselle tot hem seggende: ‘Lieve vrient, mi is geboden van Gode dat ic u bevelen soude dat gi sonder toeven trecken soudt over zee. ten heiligen lande ende helpen de Kersten, dat si dat lant weder winnen ende onder der Kersten ghelove brenghen, wanttet lange gheleden is dattet die Kersten verloren overmits haer sonden.’ Doe seide Reinout: ‘Lieve here, het is meer dan drie iaer geleden eer ic in die woestenye quam. dat ic swoer ende eenen groten eedt dede dat ic nemmermeer op paert riden en soude. of sporen spannen of swaert op mijn sijde te gorden ende ist sake dat ic desen eedt brake, dat waer quaet.’ Die heremijt seide tot Reinout: ‘Lieve vrient, sijt God gehoersaem.’ Reinout seide totten heremijt: [fol. 226] ‘In Gods naem so moet dat wesen: wat God belieft, wil ic gaerne doen ende ic bid u, lieve here, dat gi Gode voer mi wilt bidden.’ Die heremijt seide dat hijt gaerne dede. Ende aldus nam Reynout oerlof an den heremijt ende scheide van hem mit wenenden ogen. Als Reinout vanden heremijt ghescheiden was ginc hi met groter naersticheit ende vlijte so lange dat hy quam opten derden dach bi een pijnboem die groot ende schoen was ende hem dochte dat hi daer wel op rusten soude want hem die nacht beliep. Doen ginc hi plocken ende lesen wortelen ende cruyt sulc als hi daer vandt ende hi quam voert bi een schoon fonteyn die seer claer was, dair sat hi neder ende at vant selfde dat hi geploct had ende dranc water daer toe. wter fonteyne. Als hi dit gedaen had, ginc hi weder ten bome ende clam daer op ende sette hem te rusten totten daghe Ende alst began te dagen, clam Reinout weder vanden boem ende coes den wech die nae Hongerien lach. ende ginc so lange dat hi quam te Braes dair sinte Iorijs leit, daer vandt hi scepinge ende voer int lant van Slavonien. Aldus voer Reinout met groter begeerten tot dat hi quam in die haven van Triple. [fol. 227]

Dat XXV kapittel Hoe de vier heemskinderen koning Karel Beiaard presenteren en gaven het hem en hoe het de koning liet verdrinken en hoe Reinout een heremiet werd.

Toen dat traktaat van de verzoening gesloten was tussen koning Karel en Reinout met zijn broeders kwamen ze van het kasteel hand in hand en Beiaard werd voor hen geleid tot voor de koning en deden een voetval voor de koning zeer ootmoedig en de koning liet ze opstaan en ontving ze in gratie waar menige edelman blijde om was en vooral vrouwe Aye hun aller moeder. Dit gedaan wezende heeft Reinout Beiaard genomen en heeft het de koning gegeven, zeggende: ‘Heer koning, doe er uw gelieven mee.’ Toen de koning Beiaard had volkwam hij zijn belofte want hij deed hem twee molenstenen binden aan de hals en leidde het op de brug van de Oise en werpen in de rivier: Beiaard zonk met die molenstenen toen het er net in geworpen was om de zwaarheid van de stenen, maar terstond kwam het boven en begon te zwemmen. Meteen zag Reinout om en zag het zwemmen: Beiaard zag Reinout en toen verhief het zijn voet en sloeg zo krachtig tegen de molenstenen dat ze beide braken en zwom te land en zodra als het te land kwam liep het naar zijn heer Reinout. Toen Karel dat zag zei hij tot Reinout: ‘Reinout, geef me Beiaard weer of ik zal u doen vangen.’ Reinout die dit hoorde van de koning gaf hij Beiaard de koning weer. Toen deed de koning Beiaard binden aan elke voet een molensteen en aan de hals twee en liet het zo werpen in de rivier; nog kwam Beiaard boven en zag zijn meester en brak die molenstenen en liep tot zijn meester. Adelaert die dit zag liep tot Beiaard en kuste het op zijn muil. De koning die dit zag verwonderde het zeer de kracht van zo’ n paard. Toen zei die koning: ‘Reinout, tenzij dat ge me Beiaard weer geeft, ik zal u doen vangen en hangen te Montfaucon aan de galg.’ Toen zei Adelaert: ‘Vermaledijdt moet u zijn, Reinout, geeft u de koning Beiaard weer.’ Reinout zei weer: ‘Zwijg broeder, zal ik om een paard de konings toorn hebben? Neen ik waarlijk, broeder, alzo helpt me God.’ Toen zei Adelaert: ‘O Beiaard, hoe valse heer heb je gediend: met vals loon wordt je beloond.’ Reinout heeft Beiaard weer gevangen en de koning gegeven zeggende: ‘Heer koning, dat is de derde maal dat ik hem u geleverd heb en is het dat u dit paard nu ontgaat, ik vang het u niet weer want het gaat mijn hart veel te na.’ De koning ontving het paard en zei: ‘Reinout, ge moet niet omzien, want zo lang als het paard u ziet zo zou het niet mogen verdrinken.’ Toen moest Reinout voor de heren zweren dat hij niet omzien zou naar Beiaard. Toen deed de koning Beiaard aan elke voet binden twee grote molenstenen en aan de hals twee en zo werpen in de rivier: toen moest dat paard te gronde zinken vanwege de zwaarheid der stenen. Een tijdje daarna kwam het weer boven en stak het hoofd omhoog en hinnikte naar zijn heer of het een mens was geweest die naar zijn lieve vriend geschreid had. Toen dit hinniken Reinout hoorde en niet om durfde te zien ging hem zo aan het hart dat hij in onmacht viel: Beiaard neeg zijn heer met het hoofd en hinnikte zeer naar zijn heer. Toen Ritsaert dit zag had hij in zijn hart groot verdriet en hem jammerde het zeer en de andere broeders hadden ook grote rouw mede om het paard dat ze zijn heer zo getrouw zagen: ten lesten zonk dat paard in de grond en verdronk. Reinout die lang in onmacht gelegen had bekwam en stond op zuchtte zeer hard en zwoer bij God dat hij nimmermeer op paard rijden zou of sporen spannen of zwaard omgorden en dacht in zichzelf: hij wou heremiet worden en trekken in een wild bos. Toen dacht hij weer; hij wou eerst thuis trekken te Montalbaen en begeven zijn kinderen eerst, zodat elk het wist als hij tot man kwam wat hij hebben zou. Aldus nam Reinout aan de koning verlof en zijn broeders en ging te voet naar huis te Montalbaen en zijn broeders scheiden met droefheid van hem en bleven bij de koning en toen Reinout te Montalbaen kwam ontving hem zijn vrouw blijde en zijn kinderen en heten hem vriendelijk welkom. Toen zei de vrouwe: ‘Reinout, waar is Beiaard en uw broeders?’ Reinout zei: ‘Mijn broeders zijn bij de koning gebleven en de koning heeft Beiaard gedood.’ Toen de vrouwe dit hoorde veranderde haar kleur en viel in onmacht en Reinout hief haar van de aarde en droeg haar in een kamer en kuste haar op de mond. De vrouwe kwam tot zichzelf en was zo droevig dat haar de tranen uit de ogen liepen. Reinout zei: ‘Vrouwe, wees tevreden want toen we van hier reden zag ons de koning en achtervolgde ons sterk en brak zijn leger op en belegerde ons in de Ardennen en vraag je me of ik het kasteel tegen hem houden wou of strijden. Toen zei ik ‘neen’ en onder dit kwam mijn moeder die traktaat van de verzoening maakte op conditie dat ik de koning Beiaard geven zou was ik graag deed. Aldus verkregen wij gratie van de koning en terstond deed de koning Beiaard verdrinken.’ Die vrouwe antwoorde: ‘Heer, het is me leed dat we Beiaard kwijt zijn, maar de konings toorn was ons te zwaar: we mochten hem en zijn verwanten niet weerstaan.’ Reinout zei: ‘Vrouwe, het is waar,’ en Reinout riep zijn kinderen voor hem en voorzag elk naar dat hem goed dacht. Toen hij dit gedaan had ontbood hij heimelijk een snijder en deed hem heimelijk een kap maken tot de voeten lang en toen die kap gemaakt was ging hij op een nacht heimelijk van Montalbaen door dorpen en steden zo lang zodat hij in vreemde landen kwam daar hem niemand kende. Toen Reinout aldus gaande was ontmoette hem een heremiet die in 15 jaren geen mens gezien had wat hem verwonderde en zei: ‘Help God! Waarvan komt u mens dat u hier raakte en wie bent u en wat begeert u.’ Reinout zei tot de heremiet: ‘Heer, ik ben de droevigste man die van moeder geboren is want ik heb me in 20 jaren niet verblijden mogen sinds dat ik de konings zoon van Frankrijk sloeg, geheten Lodewijk: nu zou ik graag biechten en penitentie ontvangen van mijn zonden want ze me zeer berouwen.’ De heremiet zei: ‘Lieve vriend, ik hoor wel dat ge God kwalijk gediend hebt en veel zonden binnen uw leven gedaan, maar wil ge die zonden laten en niet meer doen zo val op uw knieĎn en bid God ootmoedig dat hij u gratie verleent dat ge uw leven tot een zalig einde brengen mag.’ En wil me uw zonden met ootmoedig hart belijden die ge van kindse dagen gedaan hebt.’ Reinout zei dat hij het graag deed en belijd daar zijn zonden met berouw van zijn hart en toen hij alles gezegd sprak de heremiet: ‘Vriend, uw zonden zijn groot, maar wil ge doen dat ik u aanraadt u zal goede raad worden en uw zonden zullen vergeven worden daar ge lang in geweest bent.’ Reinout zei: ‘Ja ik, heer ik wil het graag doen dat ge me zegt.’ Toen zei de heremiet: ‘Zo moet ge hier blijven in deze woestijn en eten spijs gelijk een beest. ’ Reinout zei: ‘Ik doe het graag al was het meer.’ Aldus bleef Reinout in de woestijn drie jaar en deed dat hem de heremiet bevolen had en leerde van de heremiet menig mooi gebed en deed zware penitentie en kastijdde zijn lichaam zo dat hij zeer zwak werd van lichaam. Aldus ging Reinout met pijnen tot de heremiet en klaagde hem zijn verdriet zeggende: ‘Heer, ik blijf dood van koude en honger want mijn kleren zijn geheel stuk: ik mag mijn lichaam niet langer bedekken.’ Toen dit de heremiet hoorde had hij medelijden met hem en zei: ‘Lieve vriend, troost u en hoop op God: hij zal u voorzien.’ Toen Reinout anders geen troost van de heremiet hoorde schreide hij zeer en zei: ‘O God, moet ik nu in het woud sterven van koude en honger?’ De heremiet medelijden hebbende met Reinout deed zijn gebed tot onze Heer. Toen hoorde de heremiet een stem gezonden van God die hem zei dat hij zijn gezel bevelen zou dat hij zonder toeven vertrekken zou tot het heilig land en vechten tegen de heidenen. Toen de heremiet dit hoorde was hij blijde en riep Reinout zijn gezel tot hem zeggende: ‘Lieve vriend, mij is geboden van God dat ik u bevelen zou dat ge zonder toeven trekken zou over zee te heilige land en helpen de christenen dat ze hun land weer winnen en onder het christelijke geloof brengen want het lang geleden is dat het de christenen verloren vanwege hun zonden.’ Toen zei Reinout: ‘Lieve heer, het is meer dan drie jaar geleden eer ik in de woestenij kwam dat ik zwoer en een grote eed deed dat ik nimmermeer op paard rijden zou of sporen spannen of zwaard op mijn zijde te gorden en is het zaak dat ik deze eed brak dat was kwaad.’ De heremiet zei tot Reinout: ‘Lieve vriend, wees God gehoorzaam.’ Reinout zei tot de heremiet: ‘In Gods naam zo moet dat wezen: wat God belieft wil ik graag doen en ik bid u, lieve heer, dat ge God voor mij wil bidden.’ De heremiet zei dat hij het graag deed. En aldus nam Reinout verlof aan de heremiet en scheidde van hem met wenende ogen. Toen Reinout van de heremiet gescheiden was ging hij met grote naarstigheid en vlijt zo lang dat hij kwam op de derde dag bij een pijnboom die groot en mooi was en hij dacht dat hij daar wel op rusten zou want hem de nacht beliep. Toen ging hij plukken en verzamelen wortels en kruid zulke als hij daar vond en hij kwam voort bij een mooie bron die zeer helder was, daar zat hij neer en at van hetzelfde dat hij geplukt had en dronk water daartoe uit de bron. Toen hij dit gedaan had ging hij weer tot de boom en klom daarop en zette hem te rusten tot de dag. En toen het begon te dagen klom Reinout weer van de boom en koos de weg die naar Hongarije lag en ging zo lang dat hij kwam te Bosporus waar Sint Joris ligt, daar vond hij inscheping en voer in het land van Slavonie. Aldus voer Reinout met grote begeerte totdat hij kwam in de haven van Tripoli.

 

 

 

 

Dat XXVI. ca. Hoe Reinout metter hulpen Gods op turcken vocht ende hoe Maeldegijs bi hem quam ende (die) hoe Maeldegijs den soudaen versloech.

Als Reinout aldus te Triple gecomen was, dair lach hi acht dagen in groter allende, soe quam daer nyemare dat Tabarie belegen was ende Akers in groter sorge ende dattet veel Kerstenen verslegen waren ende gedoot. Doe vergaderden die heren.xxx. hondert man om de stede te secoursen ende te helpen te pairde ende te voet, wantmen koes die vroemste. ende cloecste die hem dochten nut te wesen om die vaert te bestaen. Ende als Reinout verhoerde dat die Kerstenen wt togen op dye Sarrasinen, so liep Reinout me te voet bi theer oft een arm pelgrim geweest had so datter niemant op hem en acht: terstont wast verboetscapt onder de Turcken dattet heer van Tripe onder wege was. om die stede te secoursen, daer reden die Turcken die Kerstenen te gemoet om dat te benemen. Ende als de Kerstenen [fol. 228] hoerden dattet heer vanden Turcken op hem quam, waren si seer vervaert want si luttel volcx hadden ende vielen alle over haer knien ende anriepen onsen here dat hi hen helpe ende bistant doen woude, want si anders alle doot blijven mosten. Mittien versagen die Kersten den Turcken comen ende als dit de Kersten sagen. waren si so vervaert dat si weder keren wouden. Als Reinout dit sach riep hi: ‘Gi heren, set u alle vromelic ter weere ende twivelt niet. God sal ons hulpe senden.’ Met dese woerden versach Reinout een pijnboom, groot dick schoon ende lanc; Reinout lieper toe ende wrancken wter aerden. Als dat de Kerstenen saghen ripen si alle: ‘Helpe Ihesus van Nazarenen, wat wil doen desen pelgrijm: hi en hevet cousen of schoenen noch wapenen an nochtans wil hi hem ter weere setten, dus laet wi hem leenen wapenen dat hi niet bloet en sta.’ Doe wert Reinout wapen gedaen of hernas; sinen boem de groot was, corte hi tot sinen wille ende maecter een staf of dair hi op dien dach menigen Sarrasijn mede versloech: onder des zijn die Sarrasinen den Kerstenen seer genaect mit een so groten heer dair die Kerstenen seer of vervaert waren. Reinout die vrome ridder liep met naersten den Turcken tegen. ende sloecher wel xxx. doot, eer die Kerstenen an quamen: die Kersten dit siende verbliden hem alle ende grepen doer Reynouts vromicheit een moet ende baden Gode dat hi hem die pelgrim behouden woude ende traden met een stoute moet an ende sloeghen op die Sarrasinen, dat si den rugghe keerden ende setten hem ter vlucht, elc wat si vlien mochten, Als dit Reinout sach dat si vluchtende waren, liep hi mit sienen stave na ende sloecher veel doot. want wat hi geraecte mit sinen stave moste sterven: aldus vervolchde Reinout die Turcken tot dat hi quam int grote heer, daer hij niet geduren en [fol. 229] mochte. ende keerde weder om bi den Kerstenen daer die strijt geweest hadde ende als hi daer quam, besagen si wat volc dat si verloren hadden, doen vonden syer.xx. doot.x. ghewont, daer si rouwich om waren, mer Reinout troestese. ende si voeren tAkers ende Reinout liep mede, de verlicht was met vuerriger minnen Gods, lach des dages met sinen gesellen in die poert mer des nachts ghinc hi heimelic van sijn gesellen ende dede hem onder die Sarrasinen, daer hi haer lagen vernam ende sloecher veel doot: dit dede Reinout xl. nachten die een an die ander ende alst yet began te dagen liep hi weder in die stat waer eenich Sarrasinen wten heer waren om water te halen. oft anders: die waren alle verslagen van Reynout. ende als die Sarrasinen dat sagen dattet hem alle nachte geboerde gingen die Sarrasinen ende seident den soudaen hoe datter een was die meerre was dan twee groote luiden ende vacht met een grote stave daer hi mede versloech man ende paert. Als dat die soudaen hoerde swoer hi bi sinen god Appollijn dat hi den Kerstenen seer verderven soude ende niet weder keren, hi en hadde Kerstenrijc gewonnen ende onder sijn tribuyt ende magnificenci of macht gebrocht. Doe dede die soudaen brieven scriven ende ontboet alle zijn baroenen dat si bi hem quamen ende brochten met hem alle die gheen die ter weere goet waren. Ende voert ontboet die soudaen sinen paeus Calistaen dat hi soude varen inden lande van Suyden ende winnen alle die steden ende sloten daer hij bi comen mochte ende verbernense tot in die gronde; mer God die alle dinc versiet ende den sinen inden noot niet en begheeft oft verloren laet, [fol. 230] die seynde den Kerstenen hulp daer si bi verlost werden ende die Turcken verwonnen. Die historie seit ons dat dit waren Reynout ende Maeldegijs. Maeldegijs hadde heremijt gheseten vier iaer. Nu verhoerdi dat die Sarrasinen den Kerstenen grote persecuci deden. ende wouden over varen om Kerstenrijc te winnen. Maeldegijs dede sijn ghebet tot Gode ende badt voir den Kerstenen ende als hi in sijn ghebet lach hoerde hi een stemme die hem beval van Gods wegen dat hy sonder toeven trecken soude ende helpen de Kersten haer ongeval wreeken ende soude daer vinden sinen neve Reinout die Gode ghetrouwelic diende. Als Maeldegijs dit hoirde wert hi seer verblijt ende sonder vertrecken bereyde hi hem om te gaen na Akers want hi Reinout seer begheerde te sien. Aldus heeft hem Maeldegijs gehaest dat hi des anderen dages binnen Akers quam. Hier en binnen is dat Sarasijnse heer over gecomen ende setten haer tenten ende pauwelionen in der Kersten landen. Ende als Maeldegijs binnen Akers gecomen was, sochte hi Reinout so lange dat hien vandt. Ende als Maeldegijs Reinout sach verkende hi hem ende sprack Reynout toe ende seide hem wie hi was. Reinout dat horende, was met bliscap ontsteken dat hi hem niet onthouden en mocht. ende nam sinen oem inden arm ende custe hem: daer deden si malcander grote vrientscap. Doe vraechde Reinouts geselle: ‘Wat man was dat?’ Reynout seide: ‘Ic segge u voerwaer, en hadde God ende die man gedaen, ic had lange doot ende verloren geweest; dicke heeft hi mi ende mijn broeders verlost wt menigen swaren perikel met sijn conste ende cracht die hi daer toe dede: het is mijn oem ende is gehieten Maeldegijs.’ Hier en binnen begonden die Sarrasinen hem te bereyden om te striden. [fol. 231] ende dit wert binnen der stat vernomen ende wapenden hem ende deelden haer volc ende Maeldegijs met Reinout soude wesen metter eerster scare. Aldus reden de Kersten wt der stat in schoender ordinancien ende die Sarrasinen setten haer volc mede in ordinancie ende sloegen so op malcander met groter nijt. dat daer menich mensch ghevilt wert. Daer sachmen Maeldegijs menigen Turck vanden paerde slaen ende als dit Reynout sach loech hi ende sloech met sinen staef so vreselic dattet menich Turc metten live becopen moste ende die Sarrasinen meenden die Kersten sonder weer te verwinnen overmits haer grote menichte van volc, mer God en woudes niet verhengen, want Maeldegijs ende Reinout doden so veel Turken met die hulpe van God dat si der Turcken scare doir braken: die Kersten siende dese vromicheit van Maeldegijs ende Reynout, sloegen mede inder Turcken heer so datter veel doot bleven. Met dien versach Maeldegijs den souden van Parsijs. ende reet op hem, mer het en deerde hem niet overmits sijn starke wapenen die hi aen hadde ende die soudaen stac weder op Maeldeghijs mit sulcker cracht dat hi met zijn paert vallen most. Reinout die altoes bi hem was, sach dat ende was vervaert ende sloech weder op den soudaen dat hi doot ter aerden viel. Reynout nam des soudaens paert biden toem ende gaft sinen oem Maeldegijs dier met haesten op spranc ende dancte Reinout sinen neve ende toech sijn swaert mit groter nijde. ende sloech weder op den Turcken daer hijse dicste sach ende Reinout volchde hem altoes na ende doer braken der heiden scaren ende scoffierden theer. Ende aldus vochten dese twe heren sonder rusten van des morgens totter noene ende Reinout sloech met zijn stave drie soudanen: als dit de [fol. 232] heyden sagen worden si alle versaecht ende stelden hem ter vlucht ende al haer enginen lieten si after. Als dit die Kersten sagen dat die Turcken voervluchtich waren volchden sise na met al haer macht. ende Maeldegijs de altijt de voerste was velder veel van den orsse. Aldus werden die Turcken al vliende geslagen want wat Reinout met sinen stave beliep, sloech hi doot. Aldus vervolchden si die Turcken tot Nazareth toe, daer si in weken ende die Kersten bleven buten. Die Sarrasinen droevich sijnde van haer verlies ginghen te rade wat si doen souden of si die stede tegen die Kersten houden wouden of niet. Doe seide die coninc die de stat behoerde: ‘Gi heren, wij en mogen die stede tegen dye Kersten niet houden: laet ons te nacht vlien in een ander stat.’ Desen raet genoechde hem allen ende deden also ende togen des nachts wter stat met groter haest. Ende als die Kersten vernamen dat die Turcken wter stat gheruymt waren keerden si weder nae Akers ende deelden tgoet dat die Turcken daer gelaten hadden. [fol. 233]

Dat XXVI kapittel. Hoe Reinout met de hulp van God op de Turken vocht en hoe Maeldegijs bij hem kwam en hoe Maeldegijs de sultan versloeg.

Toen Reinout aldus te Tripoli gekomen was daar lag hij acht dagen in grote ellende zo kwam daar nieuws dat Tabarie belegerd was en Akko in grote zorg en dat er veel christenen verslagen waren en gedood. Toen verzamelde de heren 3 000 man om de stede bijstand en te helpen te paard en te voet want men koos de dapperste en kloekste die ze dachten nuttig te wezen om die vaart te bestaan. En toen Reinout hoorde dat de christenen uittrokken op de Sarasijnen zo liep Reinout mee te voet bij het leger of het een arme pelgrim geweest was zodat er niemand op hem acht: terstond was het geboodschapt onder de Turken dat het leger van Tripoli onderweg was en die stad te helpen, daar reden de Turken de christenen tegemoet om dat te benemen. En toen de christenen hoorden dat het leger van de Turken op hen kwam waren ze zeer bang want ze weinig volk hadden en vielen alle op hun knieĎn en aanriepen onze Heer dat hij hen hielp en bijstand doen wou want ze anders alle dood blijven moesten. Meteen zagen de Christenen de Turken komen en toen dit de christenen zagen waren ze zo bang dat ze weer keren wilden. Toen Reinout dit zag riep hij: ‘Gij heren, zet u alle dapper te verweer en twijfel niet, God zal ons hulp zenden.’ Met deze woorden zag Reinout een pijnboom, groot, dik, mooi en lang; Reinout liep er toe en wrikte het uit de aarde. Toen de christenen dat zagen riepen ze alle: ‘Help Jezus van Nazareth, wat wil doen deze pelgrim: hij heeft kousen nog schoenen nog wapens aan en nochtans wil hij hem te verweer zetten, dus laten we hem hebben wapens zodat hij niet bloot staat.’ Toen werd Reinout wapen aangedaan of harnas; zijn boom die groot was kortte hij tot zijn wil en maakte er een staf van daar hij op die dag menige Sarasijn mee versloeg: onder dit zijn de Sarasijnen de christenen zeer genaakt met een zo’ n groot leger dat de christenen er zeer bang van waren. Reinout die dappere ridder liep met vlijt de Turken tegemoet en sloeg er wel 30 dood eer de christenen aankwamen: de christenen die dit zagen verblijden hen alle en grepen door Reinout’ s dapperheid een moed en baden God dat hij hen die pelgrim behouden wou en traden met een dapper gemoed aan en sloegen op de Sarasijnen zodat die de rug keerden en zetten hen ter vlucht, elk wat ze vlieden mochten. Toen dit Reinout zag dat ze vluchtend waren liep hij met zijn staf na en sloeg er veel dood want wat hij raakte met zijn staf moest sterven: aldus achtervolgde Reinout de Turken totdat hij kwam in het grote leger daar hij niet verduren kon en keerde weer om bij de christenen daar de strijd geweest was en toen hij daar kwam bezagen ze wat volk dat ze verloren hadden, toen vonden ze er 30 dood en 10 gewond daar ze rouwig om waren, maar Reinout troostte ze. En ze voeren tot Akko en Reinout liep mede die verlicht was met vurige min tot God en lag die dag met zijn gezellen in de poort, maar ’s nachts ging hij heimelijk van zijn gezellen en deed hem onder de Sarasijnen daar hij hun lagen vernam en sloeg er veel dood: dit deed Reinout 40 nachten de ene na de andere en toen het iets begon te dagen liep hij weer in de stad waar enige Sarasijnen uit het leger waren om water te halen of anders: die waren alle verslagen van Reinout en toen de  Sarasijnen dat zagen dat het hen alle nacht gebeurde gingen de Sarasijnen en zeiden het de sultan hoe dat er een was die meer was dan twee grote lieden en vocht met een grote staf daar hij mee versloeg man en paard. Toen dat de sultan hoorde zwoer hij bij zijn god Apollo dat hij de christenen zeer bederven zou en niet weer keren, hij had Christenrijk gewonnen en onder zijn tribuut en magnificenci of macht gebracht. Toen deed de sultan brieven schrijven en ontbood al zijn baronnen dat ze bij hem kwamen en brachten met hem al diegene die ter verweer goed waren. En voort ontbood de sultan zijn paus Calistaen dat hij zou varen in het land van Zuiden en winnen al de steden en sloten daar hij bij komen mocht en verbrande ze tot in de grond; maar God die alle ding voorziet en de zijne in de nood niet begeeft of verloren laat die zond de christenen hulp daar ze bij verlost werden en de Turken overwonnen. De historie zegt ons dat dit waren Reinout en Maeldegijs. Maeldegijs was heremiet geweest vier jaar. Nu hoorde hij dat de Sarasijnen de christenen grote vervolging deden en wilde over varen om Christenrijk te winnen. Maeldegijs deed zijn gebed tot God en bad voor de christenen en toen hij in zijn gebed lag hoorde hij een stem die hem beval van Gods wege dat hij zonder toeven vertrekken zou en helpen de christenen hun ongeval wreken en zou daar vinden zijn neef Reinout die God getrouw diende. Toen Maeldegijs dit hoorde werd hij zeer verblijd en zonder wachten bereidde hij hem om naar Akko want hij Reinout zeer begeerde te zien. Aldus heeft hem Maeldegijs gehaast dat hij de andere dag binnen Akko kwam. Hierbinnen is dat Sarasijnen leger overgekomen en zetten hun tenten en paviljoenen in christelijke landen. En toen Maeldegijs binnen Akko gekomen was zocht hij Reinout zo lang zodat hij hem vond. En toen Maeldegijs Reinout zag herkende hij hem en sprak Reinout toe en zei hem wie hij was. Reinout die dat hoorde werd met blijdschap ontstoken zodat hij hem niet onthouden mocht en nam zijn oom in de armen en kuste hem: daar deden ze elkaar grote vriendschap. Toen vroeg Reinout’ s gezel: ‘Wat man is dat?’ Reinout zei: ‘Ik zeg u voorwaar had God en die man niet gedaan ik was al lang dood en verloren geweest; vaak heeft hij mij en mijn broeders verlost uit menige zwaar gevaar met zijn kunst en kracht die hij daartoe deed: het is mijn oom en is geheten Maeldegijs.’ Hierbinnen begonnen de Sarasijnen hen te bereiden om te strijden en dit werd binnen de stad vernomen en wapenden hen en verdeelden hun volk en Maeldegijs met Reinout zou wezen met de eerste schaar. Aldus reden de christenen uit de stad in mooie ordinantie en de Sarasijnen zetten hun volk mede in ordinantie en sloegen zo op elkaar met grote nijd dat daar menig mens geveld werd. Daar zag men Maeldegijs menige Turk van het paard slaan en toen dit Reinout zag lachte hij en sloeg met zijn staf zo vreselijk dat het menige Turk met het lijf bekopen moest en de Sarasijnen meenden de christenen zonder verweer te overwinnen vanwege hun grote menigte van volk, maar God  wilde het niet toestaan want Maeldegijs en Reinout doden zoveel Turken met de hulp van God dat ze de Turken schaar doorbraken: de christen die dit zien deze dapperheid van Maeldegijs en Reinout sloegen mede in het Turkse leger zodat er veel dood bleven. Met die zag Maeldegijs de sultan van Perzen en reed op hem, maar het deerde hem niet vanwege zijn sterke wapen die hij aan had en de sultan stak weer op Maeldegijs met zulke kracht dat hij met zijn paard vallen moest. Reinout die altijd bij hem was zag dat en was bang en sloeg weer op de sultan zodat hij dood ter aarde viel. Reinout nam de sultans paard bij de toom en gaf het zijn oom Maeldegijs die er met haast opsprong en bedankte Reinout zijn neef en trok zijn zwaard met grote nijd en sloeg weer op de Turken daar hij ze het dikste zag en Reinout volgde hem altijd na en doorbraken de heidense scharen en schoffeerden het leger. En aldus vochten deze twee heren zonder rusten van de morgen tot de noen en Reinout sloeg met zijn staf drie sultans: toen dit de heidenen zagen werden ze alle bang en stelden hen ter vlucht en al hun machines lieten ze achter. Toen dit de christenen zagen dat de Turken voortvluchtig waren volgden ze hen na met al hun macht en Maeldegijs die altijd de voorste was velde er veel van het paard. Aldus werden de Turken al vliedende geslagen want wat Reinout met zijn staf beliep sloeg hij dood. Aldus achtervolgden ze de Turken tot Nazareth toe daar ze in weken en de christenen bleven buiten. De Sarasijnen droevig zijnde van hun verlies gingen te raad wat ze doen zouden of ze de stede tegen de christenen houden wilden of niet. Toen zei de koning die de stad behoorde: ‘Gij heren, wijn mogen die stede tegen de christenen niet houden: laat ons vannacht vlieden in een andere stad.’ Deze raad vergenoegde hen allen en deden alzo en trokken ‘s nachts uit de stad met grote haast. En toen de christenen vernamen dat de Turken uit de stad geruimd waren keerden ze weer naar Akko en verdeelden het goed dat de Turken daar gelaten hadden.

 

 

 

Dat [XX]VII. ca. Hoe Maeldegijs ende Reinout met de kersten Jherusalem beleyden ende Maeldeghijs doot bleef.

Hier en binnen quam hem nyemaer dat die Turcken Iherusalem gewonnen hadden: des waren die Kersten seer droevich. Doe namen de Kersten haren raet an Maeldegijs ende Reinout wat si best daden, swoer Maeldegijs dat hi daer trecken soude ende niet van daen scheiden of daer doot bliven, hij en had eerst gewonnen Iherusalem ende ons heren graf. Aldus voer Reinout ende Maeldegijs met het volc dat si vergaderen mochten voer Iherusalem ende beleydent ront om ende wachten de passagen dat hem geen hulp of secours comen en mochte. Als dit die Sarrasinen sagen dat si aldus starckelic belegen waren. reden si wt met al haer macht ende als die Kersten die Turcken wter stat sagen comen met groot volc stelden si haer volc in ordinancien [fol. 234] ende Maeldegijs reet voer in Turcksche heer ende Reinout liep besiden sijn oem. ende sloegen in Turcksche heer ende doerbraken haer scaren ende dodender soe veel dattet scheen onmogelic dat twe luyden so veel menschen verslaen mochten. Ende als si aldus dat Turksche here gescoffiert hadden, bleven si bijder stat om te sien ende te wachten of daer meer volcx wter stede quaem ende als si niemant en vernamen, iaechden si die Turcken met crachte binnen der stat ende aldus lagen si voer die stat een half iaer ende scoten met groter nijt binnen die stat so dat si veel volcx ter aerden worpen. Die vander stat schoten weder om so naerstelic dat si Maeldegijs gheraecten. ende viel doot ter aerden, daer die kerstenen groten rou om hadden. Hier en binnen is den Kerstenen hulp ende secours gecomen van Armenien ende Hongherien ende van Anthiochien so dattet wel xxx dusent man was. Als dit die Sarrasinen vernamen die binnen lagen, reden wt tegen die Kerstenen ende als die Kersten dit vernamen stelden si hem in schoonder ordinancien ende deelden haer volc, ende Reinout met zijn staf stelde hem selven aldervoerste om te wreecken den doot van sinen oem Maeldegijs ende sloech so vreselic met die Kersten op die Turcken dat si weder inder stat liepen. Als dit Reynout sach seide hi: ‘Ghi heren, ic heb dicwijl in perikel mijns lijfs geweest ende menighe reyse belegen, soe weet ic: sullen wi winnen dese stat, wi mostent anders an leggen want alle die passagen, weghen ende poerten, mosten wi so nauwe wachten also wel des nachts als des daechs, so dat hem geen hulp of secours van spise comen en mach ende aldus sullen wi dese stat winnen ende anders niet.’ Desen raet dochte den kerstenen goet ende deelden hair heer ende leiden voir elcke [fol. 235] poirt vi. dusent mannen wel voersien van harnas ende als die Turcken sagen dat si dus starckelic weder beleyt waren, vervaerden si hem seer. ende aenriepen haren God Mamet dat hijse helpen woude wter groter noot, last ende verdriet dair si in waren want si meenden alle te sterven want si weynich vitaelge hadden. Aldus sijn die capeteynen ende gemeenten voer den soudaen ghecomen ende hebben geseit dat si liever hadden te sterven inden strijde dan van honger: ‘daerom laet ons wtrijden met onser macht op die Kerstenen doir die ere van Mamet ende Apollijn.’ Als die soudaen de begheerte hoerde van sijn volc consenteerde hijt ende hiet dat si hem wapenden, twelc terstont gedaen was. Ende die Turcken deden haer poerten ontsluten ende reden wt met al haer macht, mer si en dorsten niet wt rijden daer Reynout lach ende reden tot een ander poort wt daer een ander bataelge lach, daer si met cracht op vielen ende die Kersten setten hem vromelic ter weer. ende sloegen int heydensche heer met stouten moede ende versloegender veel ende veel gaven dair hem gevangen. Als Reynout vernam dat die heyden wter stat gecomen waren met al hair macht, sende hij hem die vi. dusent mannen ter hulpe ende Reynout bleef alleen voer die poerte ende en wilder niet of scheyden. Die soudaen die noch binnen der stede was, sach dat Reinout alleen voer die poert lach, so wapende hi hem ende spande twe sporen aen sijn voet ende sat op een starc ors ende reet ter poerten wt dair Reinout voir lach ende als Reinout den soudaen teghen hem sach comen, hieten Reinout stille staen ende nam tpaert bij den toem ende vraechde hem of hi Kersten of heiden waer. Die soudaen en antwoerde Reinout niet mer hy stack sijn ors met sporen ende hadde gaerne ontreden. [fol. 236] Als Reinout dit sach sloech hi met sinen stave den orsse op zijn hoeft dattet doot ter aerden viel. Doe de Sarrasinen dit sagen die noch inder stat waren, riepen si luide: ‘Onse soudaen is doot.’ Als Reinout dat hoerde vanden Turcken dattet die soudaen was, spranc hi met haesten toe ende sloech de hant an hem, segghende: ‘Heer soudaen, ghevet u gevangen of ic slae u met minen stave doot.’ Doe seide die soudaen: ‘Genade ionchere. ic en wil tegen u niet vechten: ic wil mi gaerne opgheven in uwen handen’ ende die hi bi hem had hiet hi dat si after staen souden ende geven hem in handen van Reynout, dat si gaern deden. Ende Reynout ginc met die soudaen daer die kersten vochten ende als si daer bi quamen riep de soudaen tot zijn volc dat si of staen souden ende tvechten laten, dat si terstont deden ende Reynout hiet die Kersten dat si mede after staen souden, twelc terstont gedaen was. Doe riep Reinout die edelste vanden kersten ende leverde hem den soudaen dien si in die stede brochten ende de ander gevangen mede ende leidese in sekerheyt. Aldus wonnen die kersten in Iherusalem met Gods hulpe. Als de soudaen dus gevangen was, bat hi den heren oft hem gelieven woude dat si sijn luiden wilden laten thuis varen sonder te mesdoen: hi wilde selven voer hem allen gevangen bliven ende beteren alle de scaden die hi Kerstenrijc gedaen hadde. Als dit die soudaen beloefde, riep men Reynout van Montalbaen. ende seide hem des soudaens meninge ende vraechden wat hem hier goet in dochte. Als die vrome ridder Reinout dit hoerde, seide hi: ‘Gi heren, doeter mede dat u gelieft.’ Die heren horende den gonst. ende goeden wille van Reynout lieten alle die Sarrasinen op die voerseide condicien gaen ende hielden den soudaen gevanghen: aldus [fol. 237] wert den soene gemaect tusschen den soudaen ende den Kersten heren. Als dit gedaen was dochte Reynout te volbrengen dat hem die heremijt bevolen had, doe hi van hem scheide: als dat hi weder comen soude als dat oerloge gedaen waer tusschen die Kersten ende heyden; met desen gedachte is Reinout gegaen totten patriarche van Iherusalem. ende viel voer hem op sijn knien ende badt hem dat hi hem sijn sonde vergheven woude, twelc hi gaerne dede ende gaf hem oerlof. Als Reinout dat hoerde was hi blide ende seide: ‘Lieve here, ic moet weder keren tot minen lande overzee om te behouden dat ic beloeft hebbe.’ Met dese woerden nam Reinout oerlof ende int scheiden dat Reynout oerlof nam, screydet al dat binnen den hove was ende waren droevich om sijn wech reisen. Dit gedaen sijnde, ghinc Reynout te scepe ende hem geleide eerst die patriarch voer alle de edelste vanden lande ende boden hem groten scat, daer Reynout hem luyden seer of dancte en woudes niet; aldus geleyde men Reinout met groter eren te scepe. Reynout te scepe wesende, haelde die scipper dat seyl op ende voeren voir wi[n]de op Gods gewout so lange dat si landen in Baerlectoe. Ende als si in der haven waren, badt Reynout den scipper dat hi hem te lande setten woude, twelc die scipper gaerne dede. Reinout nam oerlof aen alle die in den scepe waren ende bevalse te Gode. Doe wert de boet bereit ende voerden den vromen ridder Reinout aen tlant ende Reinout nam oerlof aen die knechten. ende danctese ende ghinc in de stat ende die knechten van hem scheidende, roeyden weder an tscip. Reinout in die stede wesende verhoerde daer dat een camp opgenomen was voir den mogenden coninc Karel in de [fol. 238] stede van Parijs. Als Reinout dat hoirde vraechde hi mit naersten wye die campenionen wesen souden. dat wert hem geseit dattet wesen soude Gwelloen ende Reynouts soen Amerijn, want Gwelloen hem op getegen hadde verradenis voer den coninc, dat hi betugen woude mit Macharijs ende Galerant, Henric van Lyone ende Pinabele een ridder stout. Reinout dit horende, wert wter maten droevich in hem selven want hi wist wel dat dat alle verraders waren ende nochtans hadse die coninc lief want si bedecten haer quaetheit met subtijlheit ende en gaven den coninc nye goeden raet. Reynout dit overdenckende in sijn hert, nam hi op, dat hi tot Parijs gaen soude ende seide in hem selven: ‘Ic bid u, o ghenadige God, dat ghi mijn soen beraden wilt’ ende met desen gedachte ginc Reynout met haesten so langhe dat hi te Parijs quam, daer hem nyemant en kende mer hij hadde daer enen vrient daer hi toe ghinc, dien hi vraechde of hij niet vernomen en had hoe alle dinc te wercke gegaen waer. Ende dese was veel tijt bijden heren ende hi seide: ‘Ya ic, het opset vanden verradenis heb ic ghehoert. Het is geboert’ seide hi tot Reinout ‘dat die coninc uwen soen ontboden heeft, gehieten Amerijn ende gaf hem al tleen dat gi hadt ende is voort metten coninc gebleven: dit benijden dese verraders. ende vergaderden bi een ende sloten eenen valschen raet. Gwelloen seyde: ‘gi heren, ghi weet wel dat wij dicke grote scade ghehadt hebben ende onse magen verloren bi Reynout sinen vader ende daerom willen wij weder sinen soen tleven nemen. ic weet ons raet: ic sal voer den coninc gaen ende seggen hem hoe ic gehoert heb dat Amerijn hem vermeten heeft. dat hi sinen vader wreeken sal ende den goeden ors Beyert dien [fol. 239] hi van sinen vader soude ghehadt hebben te leen, ende dair om willen wij segghen dien coninc dat hi hem wacht. ende wel toe sie ende als ic dit geseit heb, suldi mijn woerden stiven ende seggen so mede.’ Dus docht hem alle dat goet raet ende Gwelloen is van die ander verraders gescheiden ende ginck voer den coninc ende seide: ‘Edel here ende wel geboren coninc, een nyemaer heb ic verhoert die mijnder herten seer te na gaet ende u mede, edel heer coninc, ic moet u seggen: Amerijn heeft hem vermeten als dat hy sinen vader wreeken sal dien hi verloren heeft, want hi dien toren niet vergheten en can so lange als hi sinen vader niet gewroken en heeft.’ Doe seide de coninc: ‘Heeft dat yemant meer gehoert?’ ‘Iaet, heer coninc, bi mijnre trouwen, het hoirde noch wel vijf luyden: de een is Macharijs vander Losane ende van Bericane Galeram. Mandreas, die stoute ridder Pinabel ende Heremijn.’ Als dit de coninc van Vrancrijc hoirde was hi wtermaten toirnich ende swoir dat hi Aymerijn daerom soude doen hangen: aldus dede die coninc Aymerijn ontbieden dat hi haestelic quame te Parijs tegen hem spreken. Als Aymerijn die nyemair wiste dat hem de coninc spreken woude, toech hi te Parijs sonder toeven ende quam voer den coninc ende grueten minlic; als hi den coninc gegruet had, vraechde hi hem of hem yet geliefde van hem ghedaen te hebben. Die coninc seide hem verradenis aen; als dit de iongelinc hoerde verwonderde hi hem ende seide: ‘Heer coninc, mi verdoeme God of ict mijn leven ye dochte.’ Als Aymerijn sijn onscout aldus tegen den coninc ghedaen had, stonter de verrader bi, Gwelloen, ende seide: ‘Ghy liecht verrader, ic hoerdet u spreken, so deden oec alle dese heren de hier inder salen staen ende wildier tegen seggen, ic salt u doen lijden in een crijt.’ Ende met dien boet hi Aymerijn [fol. 240] den hantscoe, dien hi begeerlijc ontfinc. Doe seide Pinabel: ‘Dese camp sal vechten Galeram.’ ‘Ic consenteert,’ seide Gwelloen.‘ Als Reinout verstaen hadde wye tegen sinen soen den camp vechten soude was hijs te vreden ende scheide heimelic van hem.

Dat XXVII kapittel. Hoe Maeldegijs en Reinout met de christenen Jeruzalem belegerden en Maeldegijs dood bleef.

Hierbinnen kwam hen nieuws dat de Turken Jeruzalem gewonnen hadden: dus waren de christenen zeer droevig. Toen namen de christenen hun raad aan Maeldegijs en Reinout wat ze het beste deden en zwoer Maeldegijs dat hij daar trekken zou en niet vandaar scheiden of daar dood blijven, hij  had eerst gewonnen Jeruzalem en onze Heer graf. Aldus voer Reinout en Maeldegijs met het volk dat ze verzamelen mochten voor Jeruzalem en belegerden het rondom en bewaakten de passages dat hen geen hulp of bijstand komen mocht. Toen dit de Sarasijnen zagen dat ze aldus sterk belegerd waren reden ze uit met al hun macht en toen de christenen de Turken uit de stad zagen komen met groot volk stelden ze hun volk in ordinantie en Maeldegijs reed voor in het Turkse leger en Reinout liep bezijden zijn oom en sloegen in het Turkse leger en doorbraken hun scharen en doden er zoveel zodat het scheen onmogelijk dat twee lieden zoveel mensen verslaan mochten. En toen ze aldus dat Turkse leger geschoffeerd hadden bleven ze bij de stad om te zien en te wachten of daar meer volk uit de stad kwam en toen ze niemand vernamen joegen ze de Turken met kracht binnen de stad en aldus lagen ze voor de stad een half jaar en schoten met grote nijd binnen die stad zodat ze veel volk ter aarde wierpen. Die van de stad schoten wederom zo vlijtig dat ze Maeldegijs raakten en viel dood ter aarde daar de christenen grote rouw om hadden. Hierbinnen is de christenen hulp en bijstand gekomen van ArmeniĎ en Hongarije en van AntiochiĎ zodat er wel 30 000 man waren. Toen dit de Sarasijnen vernamen die binnen lagen reden ze uit tegen de christenen en toen de christenen dit vernamen stelden ze zich in mooie ordinantie en verdeelden hun volk en Reinout met zijn staf stelde zichzelf het aller voorste om te wreken de dood van zijn oom Maeldegijs en sloeg zo vreselijk met de christenen op de Turken zodat ze weer in de stad liepen. Toen dit Reinout zag zei hij: ‘Gij heren, ik heb dikwijls in gevaar van mijn lijf geweest en menige maal belegerd zo weet ik: zullen we winnen deze stad we moesten het anders aanleggen want al de passages, wegen en poorten moeten we zo nauw bewaken alzo wel ’s nachts als op de dag zodat hen geen hulp of bijstand van spijs komen mag en aldus zullen we deze stad winnen en anders niet.’ Deze raad dachten de christenen goed en verdeelden hun leger en legden voor elke poort 6 000 mannen goed voorzien van harnas en toen de Turken zagen dat ze aldus sterk weer belegerd waren ze bang zeer en aanriepen hun God Mohammed dat hij ze helpen wou uit de grote nood, last en verdriet daar ze in waren want ze meenden alle te sterven want ze weinig voedsel hadden. Aldus zijn de kapiteins en gemeenten voor de sultan gekomen en hebben gezegd dat ze liever hadden te sterven in de strijd dan van honger: ‘daarom laat ons uitrijden met onze macht op de christenen door de eer van Mohammed en Apollo.’ Toen de sultan de begeerte hoorde van zijn volk bevestigde hij het en zei dat ze zich wapenden, wat terstond gedaan was. En de Turken deden hun poorten openen en reden uit met al hun macht, maar ze durfden niet uit te rijden daar Reinout lag en reden tot een andere poort uit daar een ander gevecht lag daar ze met kracht op vielen en de christenen zetten hen dapper te verweer en sloegen in het heidense leger met dapper gemoed en versloegen er veel en veel gaven hen daar gevangen. Toen Reinout vernam dat de heidenen uit de stad gekomen waren met al hun macht zond hij hen die 6 0000 mannen ter hulp en Reinout bleef alleen voor die poort en wilde er niet van scheiden. De sultan die nog binnen de stad was zag dat Reinout alleen voor die poort lag en zo wapende hij zich hem en spande twee sporen aan zijn voet en zat op een sterk paard en reed ter poort uit daar Reinout voor lag en toen Reinout de sultan tegen hem zag komen zei hem Reinout stil te staan en nam het paard bij de toom en vroeg hem of hij christen of heiden was. De sultan antwoorde Reinout niet maar hij stak zijn paard met sporen en was graag ontkomen. Toen Reinout dit zag sloeg hij met zijn staf het paard op zijn hoofd zodat het dood ter aarde viel. Toen de Sarasijnen dit zagen die nog in de stad waren riepen ze luid: ‘Onze sultan is dood.’ Toen Reinout dat hoorde van de Turken dat het de sultan was sprong hij met haast toe en sloeg de hand aan hem zeggende: ‘Heer sultan, geef u gevangen of ik sla u met mijn staf dood.’ Toen zei de sultan: ‘Genade jonkheer, ik wil tegen u niet vechten: ik wil me graag overgeven in uw handen’ en die hij bij hem had zei hij dat ze achter staan zouden en geven hen in handen van Reinout wat ze graag deden. En Reinout ging met de sultan daar de christenen vochten en toen ze daarbij kwamen riep de sultan tot zijn volk dat ze staan zouden en het vechten laten dat ze terstond deden en Reinout zei de christenen dat ze mede achteruit staan zouden wat terstond gedaan was. Toen riep Reinout de edelste van de christenen en leverde hem de sultan die ze in de stad brachten en de andere gevangen mede en legde ze in zekerheid. Aldus wonnen de christenen in Jeruzalem met Gods hulp. Toen de sultan aldus gevangen was bad hij de heren of het hen gelieven wou dat ze zijn lieden wilden laten thuis varen zonder te misdoen: hij wilde zelf voor hen allen gevangen blijven en verbeteren al de schade die hij Christenrijk gedaan had. Toen de sultan dit beloofde riep men Reinout van Montalbaen en zei hem de sultans mening en vroegen hem wat hij hier goed in dacht. Toen de dappere Reinout dit hoorde zei hik: ‘Gij heren, doe er mee dat u belieft.’ De heren hoorden de gunst en de goede wil van Reinout en lieten al de Sarasijnen op die voor vermelde conditie gaan en hielden de sultan gevangen: aldus werd de verzoening gemaakt tussen de sultan en de christelijke heren. Toen dit gedaan was dacht Reinout te volbrengen dat hem de heremiet bevolen had toen hij van hem scheidde: als dat hij weerkomen zou als de oorlog gedaan was tussen de christenen en de heidenen; met deze gedachte is Reinout gegaan tot de patriarch van Jeruzalem en viel voor hem op zijn knieĎn en bad hem dat hij hem zijn zonden vergeven wou wat hij graag deed en gaf hem verlof. Toen Reinout dat hoorde was hij blijde en zei: ‘Lieve heer, ik moet weder keren tot mijn land over zee om te behouden dat ik beloofd heb.’ Met deze woorden nam Reinout verlof en in het scheiden dat Reinout verlof nam schreide het al dat binnen het hof was en waren droevig om zijn weg reizen. Dit gedaan zijnde ging Reinout te scheep en hem geleide eerst de patriarch voor alle de edelste van het land en boden hem grote schat daar Reinout hen lieden zeer van bedankte en het niet wilde; aldus geleide men Reinout met grote eer te schip. Reinout te schip wezende haalde de schipper dat zeil op en voeren voor wind op Gods geweld zo lang dat ze landen in Barletten.(Barletta aan Adriatische zee in ApuliĎ, ItaliĎ). En toen ze in de haven waren bad Reinout de schipper dat hij hem te land zetten wou wat de schipper graag deed. Reinout nam verlof aan alle die in het schip waren en beval ze God. Toen werd de boot bereid en voerde de dappere ridder Reinout aan het land en Reinout nam verlof aan de knechten en bedankte ze ging in de stad en de knechten die van hem scheiden roeiden weer naar het schip. Reinout in die stede wezende hoorde dat daar een kamp opgenomen was voor de vermogende koning Karel in de stad van Parijs. Toen Reinout dat hoorde vroeg hij met vlijt wie die kampioenen wezen zouden. Dat werd hem gezegd dat het wezen zou Gwelloen en Reinout’ s zoon Aymerijn, want Gwelloen hem aangetegen dat verraad voor de koning dat hij betuigen wou met Macharijs en Galerant, Henric van Lion en Pinabele een ridder dapper. Reinout die dit hoorde werd uitermate droevig in zichzelf want hij wist wel dat dit alle verraders waren en nochtans had ze de koning lief want ze bedekten hun kwaadheid subtiel en gaven de koning nooit goede raad. Reinout dit overdenkende in zijn hart nam hij voor dat hij tot Parijs gaan zou en zei in zichzelf; ‘Ik bid u, o genadige God, dat gij mijn zoon beraden wil’ en met deze gedachte ging Reinout met haast zo lang dat hij te Parijs kwam daar hem niemand herkende, maar hij had daar een vriend daar hij toe ging die hij vroeg of hij niet vernomen had hoe alle ding te werk gegaan was. En deze was veel tijd bij de heren en hij zei: ‘Ja ik, het opzet van het verraad heb ik gehoord. Het is gebeurd’ zei hij tot Reinout ‘dat de koning uw zoon ontboden heeft, geheten Aymerijn, en gaf hem al het leen dat gij had en is voorts met de koning gebleven: dit benijden deze verraders en verzamelden bijeen en sloten een valse raad. Gwelloen zei: ‘gij heren, gij weet wel dat wij vaak grote schade gehad hebben en onze verwanten verloren bij Reinout zijn vader en daarom willen wij weer zijn zoon het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor de koning gaan en zeggen hem hoe ik gehoord heb dat Aymerijn hem vermeten heeft dat hij zijn vader wreken zal en het goede paard Beiaard die hij van zijn vader gehad zou hebben te leen en daarom willen wij zeggen die koning dat hij hem wacht en goed toeziet en als ik dit gezegd heb zal ge mijn woorden bevestigen en zeggen zo mede.’ Dus dacht hen alle dat goede raad en Gwelloen is van de ander verraders gescheiden en ging voor de koning en zei: ‘Edele heer en goed geboren koning, een nieuws heb ik gehoord die mijn hart te zeer na gaat en u mede, edele heer koning, ik moet u zeggen: Aymerijn heeft hem vermeten als dat hij zijn vader wreken zal die hij verloren heeft want hij die toorn niet vergeten kan zo lang als hij zijn vader niet gewroken heeft.’ Toen zei de koning: ‘Heeft dat iemand meer gehoord?’ ‘Ja het, heer koning, bij mijn trouw, het hoorde nog wel vijf lieden: de ene is Macharijs van de Lausanne en van Bericane Galeram, Mandreas, die dappere ridder Pinabel en Heremijn.’ Toen dit de koning van Frankrijk hoorde was hij uitermate toornig en zwoer dat hij Aymerijn daarom zou doen hangen: aldus deed de koning Aymerijn ontbieden dat hij haastig kwam te Parijs tegen hem spreken. Toen Aymerijn dat nieuws wist dat hem de koning spreken wou trok hij naar Parijs zonder toeven en kwam voor de koning en groette hem minlijk; toen hij de koning gegroet had vroeg hij hem of hem iets geliefde van hem gedaan te hebben. De koning zei hem verraad aan; toen dit de jongeling hoorde verwonderde het hem en zei: ‘Heer koning, me verdoemt God of ik het in mijn leven ooit dacht.’ Toen Aymerijn zijn onschuld aldus tegen de koning gedaan had stond er de verrader bij, Gwelloen, en zei: ‘Ge liegt verrader, ik hoorde het u spreken, zo deden ook alle deze heren die hier in de zaal staan en wilde ge er tegen zeggen, ik zal het u doen belijden in het krijt.’ En met die bood hij Aymerijn de handschoen die hij begeerlijk ontving. Toen zei Pinabel: ‘Dit kamp zal vechten Galeram.’ ‘Ik bevestig het,’ zei Gwelloen.‘ Toen Reinout verstaan had wie tegen zijn zoon het kamp vechten zou was hij tevreden en scheidde heimelijk van hem.

 

 

 

Dat XXVIII.ca. Hoe Reinouts soen den camp vacht tegen Galeram ende hem versloech inden crijte.

Reinout die verhoert hadde hoet met sinen sone stont, ginc te Parijs ende woude daer bliven thent hi sach hoet met sinen sone inden camp vergaen soude. Reinout in Parijs comende, gemoete hem die coninc ende hi den coninc siende, gruete hem. ende seyde: ‘Heer coninc, het is nu geleden veertich dagen. [fol. 241] dat ick was binnen Akers, daer hadden de Kerstenen groten noot, mer God danc, si hebben veel Turcken verslegen.’ Als de coninc dit hoerde vraechde hi wye waren die capeteynen vanden Kersten. Reinout seide: het was Maeldegijs ende Reinout. Als die coninc dit hoerde vraechde hi wair Maeldegijs was. Reinout seide: ‘Hi is doot ende geslegen,’ daer hem die coninck seer of verblijde. Ende voert vraechde de coninc of hi nyet en wist van Reinout: ‘Ya ic, heer coninc, dat ben ic selver ende stae hier als een arm pelgrim’ ende die coninc dit horende, hiete hem wellecoem ende custe hem seer vriendelic an sinen mont. Ende dit vernam sinen soene Aymerijn ende ontfincken vriendelic ende was seer verblijt van sinen coemste. Aymerijn vertelde sinen vader. hoe hi campen soude tegen Galerant den verrader. Reinout seide: ‘Ic segge u, sone, en ontsiet u niet, ist dat u saken gerecht sijn, so en dordi niet sorgen ende hebdi onrecht, soe bid ic Gode dat ghi nyet en ontgaet, ghi en moeter om hangen, want nye en hadde ic verraders lief.’ Als den dach vanden campe was, ghinc men die ioncheren wapenen ende ten crijt leden. Doe seide coninc Karel tot Dunay van Bavier dat hi de ionckeren beide eede als daer toe behoirde. Doe seide Dunay dat hijt gairne dede. Onder des quamen die heren ten crijte ende Galerant swoer eerst om dat hi ansegger was ende dair na Aymerijn. Als beide hair eeden ghestaeft waren, ginghen si in den crijte ende sprongen op haer orssen ende reden op malcander. Galerant stac Aymerijn doer sinen schilt ende Aymerijn stac Galerant op den kant vanden schilt so dat si beide vanden paerde vielen ende elc spranc met haesten op ende toech sijn swaert ende ondersloegen malcander menigen swaren slach. het duerde van prime tijt tot na middage. [fol. 242] Ten lesten toech Aymerijn sijn swaert seer hoge. ende sloech Galerant vier slagen after een eer dat Galerant hem een gaf. nochtans en mochte hi Galerant niet doot slaen. Als dit Reynout sach dat hijs niet verwinnen en mocht, sorchde hi voer Aymerijn ende seide in hem selven: ‘Ay Florenberge, du biste seer geargert, mi dunc gi snijt of ghi een couter waert wt een ploech’ ende mettien scoten hem de tranen wten ogen ende als Aymerijn dat sach, wert hi verwarmt van bloede ende sijn moet wies hem seer: al hadde die duvel voer hem gestaen, hi hadden verwonnen. Aymerijn verhieft swairt met beide sijn handen ende gaf Galerant so swaren slach dat hi hem thoeft cloefde totten tanden. Als coninc Karel dit sach seide hi: ‘Gebenedijt sidi Aymerijn, ic sal u begaven van steden ende sloten ende ic sal u houden in groter waerden.’ Als Reinout alle dinc van sinen soen in goeden puncten sach ende dat hi vanden coninc gemint was, ginc hi op eenre nacht heymelic wech ende wan sijn broot met groten arbeyt een iaer lanc.

Dat XXVIII kapittel. Hoe Reinout’ s zoon het kamp vocht tegen Galeram en hem versloeg in het krijt.

Reinout die gehoord had hoe het met zijn zoon stond ging te Parijs en wou daar blijven ten einde hij zag hoe het met zijn zoon in het kamp vergaan zou. Reinout die in Parijs kwam ontmoette hem de koning en toen hij de koning zag groette hij hem en zei: ‘Heer koning, het is nu geleden veertig dagen dat ik was binnen Akko, daar hadden de christenen grote nood, maar Goddank, ze hebben veel Turken verslagen.’ Toen de koning dit hoorde vroeg hij wie waren de kapiteins van de christenen. Reinout zei: het was Maeldegijs en Reinout. Toen de koning dit hoorde vroeg hij waar Maeldegijs was. Reinout zei: ‘Hi is dood geslagen,’ daar hem de koning zeer van verblijde. En voort vroeg de koning of hij niets wist van Reinout: ‘Ja ik, heer koning, dat ben ik zelf en sta hier als een arme pelgrim’ en de koning die dit hoorde heette hem welkom en kuste hem zeer vriendelijk aan zijn mond. En dit vernam zijn zoon Aymerijn en ontving hem vriendelijk en was zeer verblijd van zijn komst. Aymerijn vertelde zijn vader hoe hij kampen zou tegen Galerant de verrader. Reinout zei: ‘Ik zeg u, zoon, ontzie u niet, is het dat uw zaken gerecht zijn zo behoef je niet bezorgen en heb je onrecht zo bid ik God dat ge niet ontgaat, ge moet er om hangen want nooit had ik verraders lief.’ Toen de dag van het kamp was ging men de jonkheren wapenen en te krijt leiden. Toen zei koning Karel tot Dunay van Bavier dat hij de jonkheren die eed deed zoals daartoe behoorde. Toen zei Dunay dat hij het graag deed. Ondertussen kwamen de heren te krijt en Galerant zwoer eerst omdat hij aanzegger was en daarna Aymerijn. Toen beide hun eed gestaafd hadden gingen ze in het krijt en sprongen op hun paarden en reden op elkaar. Galerant stak Aymerijn door zijn schild en Aymerijn stak Galerant op de kant van het schild zodat ze beide van het paard vielen en elk sprong  met haast op en trok zijn zwaard en sloegen elkaar menige zware slag. Het duurde van prime tijd tot na de middag. Ten lesten trok Aymerijn zijn zwaard zeer hoog en sloeg Galerant vier slagen achter elkaar eer dat Galerant hem er een gaf. Nochtans mocht hij Galerant niet dood slaan. Toen dit Reinout zag dat hij het niet overwinnen mocht was hij bezorgd voor Aymerijn en zei in zichzelf: ‘Ay Florenberge, u bent zeer verergerd, me dunkt ge snijdt of ge een kouter was uit een ploeg’ en meteen schoten hem de tranen uit de ogen en toen Aymerijn dat zag werd hij verwarmd van bloed en zijn moed groeide hem zeer: al had de duivel voor hem gestaan, hij had hem overwonnen. Aymerijn verhief zijn zwaard met beide zijn handen en gaf Galerant zo’ n zware slag dat hij hem het hoofd kloofde tot de tanden. Toen koning Karel dit zag zei hij; ‘Gebenedijd ben je Aymerijn, ik zal u begiftigen van steden en sloten en ik zal u houden in grote waarde.’ Toen Reinout alle dingen van zijn zoon in goede punten zag en dat hij van de koning gemind was ging hij op een nacht heimelijk weg en won zijn brood met grote arbeid een jaar lang.

 

 

 

 

 

Dat.XXIX. ca. Hoe Reinout opperde an Sinte Pieters kercke te Coelen ende diende den metselaers van stenen ende calck te dragen ende hoe hi vermoert wordt ende inden Rijn geworpen ende gevonden wert. Ende hoe sijn lichaem te Dormonde quam op een karre daer gheen paerden an en waren.

Als Reinout desen swaren arbeit een iaer gedaen had verhoerde hi hoe datmen in Coelen maken soude een kercke in die eer van Sinte Pieter ende men ontboet daer grote menichte van wercluiden, of de arbeiten wilden, dat si te Coelen quamen. Reinout liet sinen arbeit ende ginc na Coelen. ende als hi binnen der stede quam vraechde hi om den meester vanden wercke die [fol. 243] de kercke maken dede. Die arbeiders die daer stonden ende wrochten leiden hem daer toe ende als die meester Reynout sach, vraechde hi hem wat hi hebben woude van twe dagen. Reinout seide: elkes dages twee penningen. Doe seide die meester: ‘Lieve vrient, ic meendi meer verdienen sult: wildi wel doen ende trouwelic arbeiden, ic sal u vier penningen geven.’ Reynout antwoerde: ‘ic en wil so veel niet hebben.’ Als dit die meester hoerde waende hi of Reinout een sot geweest hadde ende seide: ‘Vrient, ic geefse u gaerne.’ Met dese woerden ghinc Reinout staen wercken seer naerstelic ende droech sommighe stenen alleen daer ander vijf luiden ghenoech aen te heffen hadden. Aldus arbeide Reinout ende wan alle dage twe penningen ende wanneer de ander arbeyders sliepen so ginc Reinout mortel maken. ende als hem die vaeck an quam lach hi met sijn hoeft op eenen steen. ende sliep tot dattet began te dagen ende so drae als hi den dach vernam, eer sijn gesellen op stonden, soe hadde hy meer werck gedaen allene. dan yemant dede binnen dien dage: dit was den arbeyts luiden verdrietelic ende beniden dat hi so veel dede, dat si groten nijt. ende haet op hem hadden ende sloten met malcander eenen raet. hoe si hem doden souden ende seyden tot malcander: ‘Wij sullen vijf mannen kiesen die hem te nacht waer nemen sullen als hi gaet slapen. so sullen si hem met mortele versmoren ende dan in een sac steken ende werpen inden Rijn, so sal hi geringe te gronde gaen.’ Desen raet volchden si alle, wanttet hem goet dochte ende so als den raet gesloten was doden si Reynout van die selve nacht. ende staken hem in een sack ende droegen opten Rijn ende worpen hem in twater. Al was die stroem starc vanden water, nochtans en mochte die sac niet te gronde gaen. Overmits [fol. 244] die gracie Gods. Want wi vinden warachtich dat Reinout sonder sonde sterf. in Colen was een geestelic vrouken ende was van goeden leven ende hadde verloren sien ende horen. Op een tijt als die vrouwe was te bedde ende sliep. dochte haer in een visioen dat si ten Rijne gegaen was ende vandt een sack dair in was een man die heimelic vermoert was. ende als si die sack aen tlant haelde ende soudse op trecken, was si genesen. De vrouwe ontspranc met dit visioen ende dede haer cleden ende opten Rijn dragen ende als opten Rijn was. viel si op haer knien ende badt Gode doer sijn bitter lijden dattet visioen dat hair te voren gecomen was warachtich most wesen. Als dese vrouwe hair bedinge an onsen here aldus gedaen heeft, ontloken haer ogen die te voren gesloten waren ende sach inden stroem nae den sack ende sach gins ende weder. ten lesten wert si den sack gewaer ende bevoelde hair selven gesont ende si sach den sack ende grepen metter hant. ende soude den sack te lande trecken: doe begonden alle die clocken bi hem selven te luyden die in die stede van Colen waren, twelc den volcke seer verwonderde en deden die stat doersoeken om de waerheit te vernemen. Soe wert den bisscop verboetscapt hoe datter opten Rijn gevonden was een mensche vermoert ende was in een sack gesteken ende ‘een devoet vrouken die seer grote gebreken hadde heeften ghevonden ende is genesen van haer gebreken’. Als dit die bisscop hoerde is hi met alle de clergy met crucen ende vanen daer gegaen ende daer nae dat waerlike gherecht metten heren ende als si daer quamen, vonden si den sack so hem geseit was ende dat vrouken daer bi: die bisscop ende die waerlike heren deden den sack ontbinden ende als si ontbonden was so wort Reinout dair wt gehaelt. Doe [fol. 245] waren dair enige dien verkenden ende seiden: ‘Dit is Sinte Pieters wercman’. men ginc dat lichaem ontcleden, daer vonden si naest sinen lichaem een rijckelic gordel dat seer costelic was ende dair an hinc een gulden signet, dat wert den bisscop gegeven, dat las den bisscop ende daer stont in gescreven: ic ben Reynout van Montalbaen. Als dit die bisscop verstont ende de ander heren die daer bij stonden, dien gekent hadden, dreven groten rouwe ende die bisscop seide: ‘O vrome Reinout, gi waert een spiegel der mannen van vromicheit in u leven, nu hebdi doer Gode u leven verloren. Wist ic wye u verslegen hadde, ic souden den coninc senden.’ Als dat die van Dormonde verhoerden quamen si met haesten te Colen ende vielen over hair knien voir den bisscop ende baden hem dat hi hem geven woude tlichaem van Reynout den vrient Gods of eenich lit van sinen lichaem: si souden doer sijn eer een schone kercke doen maken. Die bisscop antwoerde soetelic: ‘Ghi heren, tis om niet dat ghi bidt: ic en does niet.’ Als die van Dormonde verstonden des bisscops antwoerde waren si droevich ende reysden te huys ende die bisscop geboet datmen een kar brochte daermen den lichaem op leyde, twelc terstont gedaen was. Ende als dat lichaem op de kerre geleit was ende men daer paerden in slaen soude om eerwaerdelic in een tombe te leggen ende in de kerc te brengen so is die kerre bi haer selven ghekeert metten lichaem na die wech te Dormonde ende ginc so stive voert datmense niet wederhouden en mocht. ende en hielt niet op voer dat si te Dormonde quam. twelc menich mensche seer verwonderde. Als dit de bisscop sach was hi droevich ende keerde metten volcke wederom ende die van Dormonde [fol. 246] waren seer verblijt vanden lichaem des vrient Gods ende deden in ere Gods ende Reinout een schone kercke maken.

Dat XXIX kapittel. Hoe Reinout opperde aan Sint Petrus kerk te Keulen en diende de metselaars van stenen en kalk te dragen en hoe hij vermoord  wordt en in de Rijn geworpen en gevonden werd. En hoe zijn lichaam te Dortmund kwam op een kar daar geen paarden aan waren.

Toen Reinout deze zware arbeid een jaar gedaan had hoorde hij hoe dat men in Keulen maken zou een kerk in de eer van Sint Petrus en men ontbood daar grote menigte van werklieden of die arbeiden wilden dat ze te Keulen kwamen. Reinout liet zijn arbeid en ging naar Keulen en toen hij binnen de stede kwam vroeg hij om den meester van het werk die de kerk maken deed. De arbeiders die daar stonden en wrochten leiden hem daartoe en toen de meester Reinout zag vroeg hij hem wat hij hebben wou van twee dagen. Reinout zei: elke dag twee penningen. Toen zei de meester: ‘Lieve vriend, ik meen je meer verdienen zal: wil je wel doen en trouw arbeiden, ik zal u vier penningen geven.’ Reinout antwoorde: ‘ik wil zoveel niet hebben.’ Toen dit de meester hoorde waande hij of Reinout een zot geweest was en zei: ‘Vriend, ik geef u het graag.’ Met deze woorden ging Reinout staan werken zeer vlijtig en droeg sommige stenen alleen daar andere vijf lieden genoeg aan te heffen hadden. Aldus arbeidde Reinout en won alle dagen twee penningen en wanneer de andere arbeiders sliepen zo ging Reinout mortel maken en als hem de slaap aankwam lag hij met zijn hoofd op een steen en sliep totdat het begon te dagen en zodra als hij de dag vernam, eer zijn gezellen opstonden, zo had hij meer werk gedaan alleen dan iemand deed binnen die dag: dit was de arbeid lieden verdrietig en benijden dat hij zoveel deed zodat ze grote nijd en haat op hem hadden en sloten met elkaar een raad hoe ze hem doden zouden en zeiden tot elkaar: ‘Wij zullen vijf mannen kiezen die hem vannacht waar nemen zullen als hij gaat slapen en zo zullen we hem met mortel versmoren en dan in een zak steken en werpen in de Rijn, zo zal hij gauw te gronde gaan.’ Deze raad volgden ze allen want het hen goed dacht en zoals de raad gesloten was doden ze Reinout diezelfde nacht en staken hem in een zak en droegen hem op de Rijn en wierpen hem in het water. Al was de stroom sterk van het water, nochtans mocht die zak niet te gronde gaan vanwege de gratie Gods. Want we vinden waarachtig dat Reinout zonder zonde stierf. In Keulen was een geestelijk vrouwtje en was van goed leven en had verloren zien en horen. Op een tijd toen die vrouwe was te bed en sliep dacht ze in een visioen dat ze te Rijn gegaan was en vond een zak daarin was een man die heimelijk vermoord was en toen ze de zak aan het land haalde en zou het optrekken was ze genezen. De vrouwe ontsprong met dit visioen en deed haar kleden en op de Rijn dragen en toen ze op de Rijn was viel ze op haar knieĎn en bad God door zijn bittere lijden dat het visioen dat haar tevoren gekomen was waarachtig moest wezen. Toen deze vrouw haar bidden aan onze Heer aldus gedaan heeft opende haar ogen die tevoren gesloten waren en zag in de stroom naar de zak en keek heen en weer. Ten lesten werd ze de zak gewaar en voelde zichzelf gezond en ze zag de zak en greep het met de hand en zou de zak te land trekken: toen begonnen alle klokken van zichzelf te luiden die in die stede van Keulen waren, wat het volk zeer verwonderde en deden de stad doorzoeken om de waarheid te vernemen. Zo werd het de bisschop geboodschapt hoe dat er op de Rijn gevonden was een mens vermoord en was in een zak gestoken en ‘een devoot vrouwtjes die zeer grote gebreken had heeft hem gevonden en is genezen van haar gebreken’. Toen dit de bisschop hoorde is hij met alle geestelijkheid met kruisen en vanen daar gegaan en daarna dat wereldlijke gerecht met de heren en toen ze daar kwamen vonden ze de zak zo hen gezegd was en dat vrouwtje daarbij: de bisschop en de wereldlijke heren deden de zak ontbinden en toen het ontbonden was zo wordt Reinout daaruit gehaald. Toen waren daar enige die hem herkende en zeiden: ‘Dit is Sint Petrus werkman’. Men ging dat lichaam ontkleden, daar vonden ze naast zijn lichaam een rijke gordel dat zeer kostbaar was en daaraan hing een gouden signet, dat werd de bisschop gegeven, dat las de bisschop en daar stond in geschreven: ik ben Reinout van Montalbaen. Toen dit de bisschop verstond en de andere heren die daarbij stonden die hem gekend hadden dreven ze grote rouw en de bisschop zei: ‘O dappere Reinout, ge was een spiegel der mannen van dapperheid in uw leven, nu heb je door God uw leven verloren. Wist ik wie u verslagen had, ik zou ze de koning zenden.’ Toen dat die van Dortmund hoorden kwamen ze met haast te Keulen en vielen op hun knieĎn voor de bisschop en baden hem dat hij hen geven wou het lichaam van Reinout, de vriend van God, of enig lid van zijn lichaam: ze zouden door zijn eer een mooie kerk doen maken. De bisschop antwoorde lieflijk: ‘Gij heren, het is om niet dat gij bidt: ik doe het niet.’ Toen die van Dortmund verstonden de bisschop antwoord waren ze droevig en reisden thuis en de bisschop gebood dat men een kar bracht daar men het lichaam op legde, wat terstond gedaan was. En toen dat lichaam op de kar gelegd was en men daar paarden in slaan zou om eerbiedig in een tombe te leggen en in de kerk te brengen zo is die kar van zichzelf gekeerd met het lichaam op de weg te Dortmund en ging zo stijf voort dat men het niet weerhouden mocht en hield niet op voordat het te Dortmund kwam wat menig mens zeer verwonderde. Toen dit de bisschop zag was hij droevig en keerde met het volk wederom en die van Dortmund waren zeer verblijd van het lichaam van de vriend Gods en deden in eer God en Reinout een mooie kerk maken. (Sint Reinoutkerk, St. Reinoldi of Reinoldkirche)

 

 

 

Dat XXX. ca. Hoe die bisscop van Coelen coninc Karel ontboet dat Reinouts lichaem ghevonden was binnen Coelen inden RIjn ende coninc Karel quam te Colen mit een arren moede met groot volc om te wreeken den doot van sinen neve Reynout.

Die bisscop van Colen sende mitter haest een bode in Vrancrijc ende ontboet coninc Karel dat Reinout sinen neve verslegen waer ende was in den Rijn gevonden. Als coninc Karel dese nyemare hoerde vanden bisscop was hi wtermaten droevich ende misliet hem seer. ende swoer bi zijnre cronen dat hi den doot van sinen neve wreeken soude ende hij soude hebben den selven man diet gedaen hadde, of si soudent al becopen die in Colen waren. Coninc Karel vergaderde een groot heer van volc ende toech met een arren moede na Colen. ende beleyde die stat ende dede sijn tenten slaen op tvelt: als dit de van Colen vernamen sloten si mit haesten haer poerten. Dit was den bisscop te weten gedaen. ende hi liet den coninc in ende seide hem: ‘Heer coninc, wi doen maken een kerc ende u neve Reinout quam hier dienen den metselaers so datten niemant en kende, ende doe wi sijn lichaem vonden ende men den lichaem ontclede, vonden wij aen hem een costelijc gordel ende daeraen was een signet. daer ic an las sinen naem ende titel.’ Als die coninc hoerde dat Reinout so iammerlic vermoert was. geboet hi den bisscop dat hi soude doen vangen alle die metselaers ende wercluyden de daer waren, twelc van stonden aen gedaen was ende den coninc gebrocht. Doe deedse coninc Karel pinigen. soe lange dat hi vandt alle die gene die sculdich waren an den ridder Reinouts doot ende [fol. 247] lietse terstont nemen ende versincken met sacken inden Rijn. Als de coninc gedoot had alle die an Reynouts doot sculdich waren, vertelde de bisscop coninc Karel hoe Reynouts lichaem voir te Dormonde met een karre sonder paert. ende sonder menschen hulp dan alleen bider gracie van God. Als die coninc dit hoerde hadde hijs groot verwonderen ende voir te Dormonde om tlichaem van sinen neve te sien. als coninc Karel binnen Dormonde quam, wast volc seer droevich, want si waenden dat Karel Reinouts lichaem wech nemen soude. ende dat hij daer om gecomen waer. Coninc Karel seide totten heren: ‘ic bid u ghy heren, laet mi sien tlichaem van minen neve Reynout.’ Doe seiden de heren vander stat: ‘Edel heer coninc. sidi hier gecomen om ons te nemen den lichaem vanden vrient Gods Reynout die hier alleen quam bij miraculen sonder menschen hulpe, dat soude God op u swaerliken wreeken.’ Doe seide coninc Karel: ‘Neen ic, en hebt des geen sorghe.’ Als die heren ende borgers dit hoerden waren si blide. ende deden die tomme open om coninc Karel dat lichaem te laten sien. ende met dien trat coninc Karel tot die tombe ende sacher in: doen was Reinouts lichaem wech ende was gevaren tot sijn broeders, ende so wij bescreven vinden so leggense te Napels. Als die coninc dat lichaem van sinen neve daer niet en sach, verwonderdes hem. Ende als dit die heren van der stat ende gemeenten vernamen dat si den lichaem van Reynout de[n] vrient Gods quijt waren, bedreven si groten rouwe ende mislieten hem seer. Als dit die coninc sach, reysde hi weder met zijn volc na Parijs: aldus nam Reinout die vrome ridder sijn eynde ende starf salichlic ende regneert met Gode, Amen. [fol. 248] Hier eyndet die hystorie van die vier heemskinderen ende principalic vanden vromen ridder Reynout here van Montalbaen ende coninc Karel van Vrancrijc. Ende is geprent tot Leyden in Hollant bi mi Jan Seuersoen op die hoy graft inden iare duysent vijfhonder ende acht.

Dat XXX kapittel. Hoe die bisschop van Keulen koning Karel ontbood dat Reinout’ s lichaam gevonden was binnen Keulen in de Rijn en koning Karel kwam te Keulen met een geĎrgerd gemoed met groot volk om te wreken de dood van zijn neef Reinout.

De bisschop van Keulen zond met een haast een bode in Frankrijk en ontbood koning Karel dat Reinout zijn neef verslagen was en was in de Rijn gevonden. Toen koning Karel dit nieuws hoorde van de bisschop was hij uitermate droevig en misliet hem zeer en zwoer bij zijn kroon dat hij de dood van zijn neef wreken zou en hij zou hebben dezelfde man die het gedaan had of ze zouden het alle bekopen die in Keulen waren. Koning Karel verzamelde een groot leger van volk en trok met geĎrgerd gemoed naar Keulen en belegerde die stad en deed zijn tenten slaan op het veld: toen dit die van Keulen vernamen sloten ze met haast hun poorten. Dit was de bisschop te weten gedaan en hij liet de koning in en zei hem: ‘Heer koning, we doen maken een kerk en uw neef Reinout kwam hier dienen de metselaars zodat hem niemand kende en toen we zijn lichaam vonden en men het lichaam ontkleedde vonden wij aan hem een kostbare gordel en daaraan was een signet daar ik aan las zijn naam en titel.’ Toen de koning hoorde dat Reinout zo jammerlijk vermoord was gebood hij de bisschop dat hij zou doen vangen al de metselaars en werklieden die daar waren, wat van stonden aan gedaan werd en de koning gebracht. Toen deed ze koning Karel pijnigen zo lang dat hij vond al diegene die schuldig waren aan de ridder Reinout’ s dood en liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in de Rijn. Toen de koning gedood had allen die aan Reinout’ s dood schuldig waren vertelde de bisschop koning Karel hoe Reinout’ s lichaam voer te Dortmund met een kar zonder paard en zonder mensen hulp dan alleen bij de gratie van God. Toen de koning dit hoorde had hij grote verwondering en voer te Dortmund om het lichaam van zijn neef te zien. Toen koning Karel binnen Dortmund kwam was het volk zeer droevig want ze waanden dat Karel Reinout’ s lichaam weg nemen zou en dat hij daarom gekomen was. Koning Karel zei tot de heren: ‘ik bid u gij heren, laat me zien het lichaam van mijn neef Reinout.’ Toen zeiden de heren van de stad: ‘Edele heer koning, ben je hier gekomen om ons te nemen het lichaam van de vriend Gods Reinout die hier alleen kwam bij mirakels zonder mensen hulp, dat zou God op u zwaar wreken.’ Toen zei koning Karel: ‘Neen ik, heb dus geen zorgen.’ Toen de heren en burgers dit hoorden waren ze blijde en deden de tombe open om koning Karel dat lichaam te laten zien en met die trad koning Karel tot de tombe en zag er in: toen was Reinout’ s lichaam weg en was gevaren tot zijn broeders en zo wij beschreven vinden zo liggen ze te Napels. Toen de koning dat lichaam van zijn neef daar niet zag verwonderde het hem. En toen dit de heren van de stad en gemeenten vernamen dat ze het lichaam van Reinout de vriend Gods kwijt waren dreven ze grote rouw en mislieten hen zeer. Toen dit de koning zag reisde hij weer met zijn volk naar Parijs: aldus nam Reinout die dappere zijn einde en stierf zalig en regeert met God, Amen.

Hier eindigt de historie van de vier heemskinderen en voornamelijk van de dappere Reinout, heer van Montalbaen en koning Karel van Frankrijk. En is geprent te Leiden in Holland bij mij, Jan Sevuersoen (Severszoon) op de Hooigracht (hoek Oude Rijn bij de Gepekte brug) in het jaar duizend vijfhonderd en acht.

 

 Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/