Gart der Gesundheit, Gartten der Gesundtheyt, tuin van gezondheid, garden of health, Ortus sanitatis, 1485.

Voor de oorspronkelijke tekst, zie Missouri Botanical Garden Received Library. http://www.biodiversitylibrary.org/item/29685#

 

F als s wordt s.

Z teken in de betekenis r wordt τ.

Alle tekens op a worden aangeduid met á.

De randen zijn soms moeilijk te zien. Daar wordt of. voor gebruikt of een verwachte letter in gezet. Dat kan soms tot fouten leiden. Woorden worden op het eind van de regel samengevoegd, soms staat er niets, soms een / teken.

Normaal wordt dit teken gebruikt · als in het boek. Staat er geen punt bij een eind van een zin dan staat er.

Ook komen er geregeld verwisselde pagina’s voor, vooral de kapittels vanaf 50 tot 200. Waarschijnlijk is dit gebeurd tijdens het kopiëren. Of het stond zo al origineel in het boek. Die stukken zullen zo goed mogelijk bij elkaar gevoegd worden. Er zijn namelijk geen paginanummers. 

Het was lastig te typen vanwege al die ţ,˙, ü etc. Ook omdat de meeste woorden op verschillende manieren gespeld worden. Verder lijkt de tekst en woordkeus veel op die van Herbarius in Dyetsche.     

 

Nico Koomen.

 

Het voorwerk van Gart der Gesundheit gaat duidelijk tot in de 1470 jaren terug. De opdrachtgever was Bernard von Breidenbach (rond 1440-1497) een bekende Domheer uit Mainz. Daarnaast nam er aan deel de bekende uitgever Peter Schöffer, een voormalige medewerker van Gutenberg die ook verantwoordelijk was voor de Latijnse Herbarius, (in Nederlands de Herbarius in Dyetsche).

Algemeen wordt aangenomen dat samenvatter (Compilator) van de ‘ Gart’ de Frankfurter stadsarts Johann Wonnecke von Kaub (Johann von Cube) was (rond 1430-1501-04) was wiens naam verschijnt in kapittel 76 onder het kapittel Bolus armenus.  Dat wordt echter door sommigen betwijfeld, waarschijnlijk omdat Cube in die plaats aangehaald wordt als zijn meester; ’dick mal versůcht an vil enden vonn mir meyster Johan von cube’. Op het eind staat; ‘ Gedrukt en voleindigd deze Herbarius door Hannsen Schônsperger in de keizerlijke stad te Augsburg in het midden van de week na de witte zondag Anno 1400 en in het 82ste jaar.’

Op de titel van blad [2]b staat: Und nennen dises bůch zu latein Oτtus sanitatis, auf teütsch· Ein gartten der gesundthe˙t. Het is uitgegeven ca. 1485 te Strassburg.

 

Het werk is een goede aanvulling op, en een gedeeltelijke vertaling van, de Latijnse uitgave van 1484 en is twee keer zo dik als deze uitgave. Deze herbarius werd een aantal keren herdrukt, met verschillende titels, zoals 1492: Gaerde der Suntheit, 1507-1509: Herbary oder Kruyterbuch, en 1508: Herbarius zu teutsche und von allerhand kreutter. De 'Gart' kreeg veel gevolg en grote invloed op latere kruidboeken. Samen is de 'Gart' er in 60 uitgaven, daarvan alleen 13 in de Incunabula tijd, en van 15de tot de 18de eeuw nagedrukt, overzet of bewerkt (onder andere door Echarius Eucharius Rößlin d. J.und Adam Lonitzer verschenen. Ook wordt er veel van besproken bij Dodonaeus bij van Ravelingen.

 

Er staan 379 afbeeldingen van planten in. Erhard Reuwich (ook Rewich, Reuwick, Reewyck) uit Utrecht heeft een deel van de illustraties gemaakt. Terwijl de tekst van de ‘ Gart’ al in 1483 vast gesteld was en aan de bewerker overhandigd was lagen er nog niet alle tekening van Reuwich er. Verder zouden er nog later bijgevoegd worden vooral die "Ausbeute" , een Palestina reis die Breindenbach met Reuwich vanaf 1483 ondernam. Gelijk daarbij konden kwalitatief goede afbeeldingen van Middellandse zeeplanten verwacht worden. Schöffer bracht al voor de terugkeer van de reizigers het boek uit. Wel tegen de oorspronkelijke planning ging er een maar vierde deel van de afbeeldingen op Rewich terug. Ze vertonen voornamelijk planten die in voorjaar en vroeg zomer bloeien. De kwaliteit was voor die tijd zeer goed. De andere illustraties zijn duidelijk snel gemaakt en zijn weinig natuurgetrouw. Voor een deel gaan ze op handgeschreven voorbeelden terug.

De Gart bevat alle medische kennis van die tijd. Zoals vele andere herbals denkt men dat het een samenvatting is uit vele bronnen. Naast andere bronnen diende Konrad von Megenbergs ‘ Buch der Natur en de 'Ältere deutsche Macer', een overzetting en bewerking van de 'Macer floridus' een leergedicht van Odo von Meung (= Otto von Meudon; 11de eeuw) als tekstbasis. De 'Macer floridus' lag van de 13de eeuw in een Thüringische -Schlesische proef overzetting en bewerking en was wijd verspreid. Een manuscript van de 'Macer' lag ook bij Johannes Wonnecke von Kaub voor.

 

Dit is een van de twee incunabula (boeken die gedrukt zijn voor 1501). Der Gart was de eerste herbal die niet in Grieks of Latijn was geschreven, maar in de gewone Duitse taal; hoewel, omdat het in Beierse dialect is, is het nog steeds moeilijk voor moderne lezers.

 

Der Gart geeft in alfabetische volgorde elke bekende ziekte of lijden op en geeft onder elk het hoofdstuk aan waar in dit hoofdstuk goede remedies besproken worden. In toevoeging hierop is er een index die de medische "simples" opnoemt die de enkelvoudige of hoofdingrediënten vormen waarvan samengestelde mengsels gemaakt werden. Er zijn 435 kapittels met 382 over planten, 28 kapittels over mineralen en 25 dierlijke producten, een kapittel over uroscopie, een methode om de urine van een patiënt te analyseren om een diagnose van zijn ziekte vast te stellen.

Voorrede.

                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving: msotw9_temp0fft und vil habe ich bey mir selbs betrachtet die wundersamen weercke des schôpfers d naturen·wie er an den anbeginne d hymmeln hat beschaffen und gezieret mit schŏnen leüchtenden sternen·den er zů einfliessen in alles dz under dem hymmel ist·krafft und macht gegeben hat· (Auch wie er darnach die vieτ element beschaffen hat. Das feüer h˙czig und trucken·die lüfft he˙ţ und feücht·daz wasser kalt und feücht·dz erdtrich trucken und kalt·yegklichem sein natur gegeben· (Auch wie d selb groţs meister d natur darnach die kreüter mangerley nature·und allerley geschlăcht d thiere·und zůleczt den menschen und allen creaturen dz edlest·gemachet hat und beschaffen·Domit ein fiele mir die wunndersame oτdnung· die d schŏpffer den selben seinen creaturen hat gegeben·also das alles dz und dem hymmel wesen hat sein natur von und durch die stern empfăcht und halttet· (Auch daz in einem ˙egklichen das in den obgemelten vier elementen entspτinget· wăchţt·lebt·od schwebt·es se˙ ărcz·gestein·gekreüt·oder thiere·sind vermüschet die vier natur d element·h˙cze·kelte·feüchtigke˙t·und truckenhe˙t· Und also zů veτmercken ist die berürten vier natur auch in dem menschlichen kŏτper vermüschet od vermennget sind in einer maţ und temperament bequem des menschen leben und natur·In wŏlcher masse od pτopoτtion od temperament die we˙l d mensch steet·ist er frisch und gesundt·So er aber tr˙tt od fellt auţ dem temperament odeτ maţs der vier naturen·daz dann geschicht so die hycz gancz über handt n˙mbt·und arbe˙tet die keltte zů tempffen·oder widerumb die kelte die h˙cze anhebet zů underdτucken·oder d mensche vol kalteτ feüchtigkeit wirt od seiner feüchtigkeit über die maţs entseczet·fellet d mensch von not wegen in kranckhe˙t und nĺhnet dem tode·Orsache aber solches eegemeldeten bτuches der vier naturen temperament·in wŏlchem des menschen gesundtheit und leben steet·sind vil ˙eczund des hymmels gifftig und verboτgen einflüţs wider des menschen natur·dann d ummsteend lufft unre˙nigkeit und vergifftigung·Nun unbequem spe˙sen oder tranck· Od bequeme·aber nit in rechter maţ od zeit genommen·Fürwar als leichte wolt ich dir zelen die bletter auff den baumen od die santkôτner in dem mǒτe·als ich dir erzelen und erklĺren solt alle die ding die ein ursach sind abfallens von dem temperamentt d vier naturen und ein anfange des menschen kranckheyt darumb so umbsteen….sent unnd al… und fŕrliche. [9] .ist er seiner gesundtheit oder lebens gancz sicher· Do ich soliches betrachten was·fiele mir auch ein wie der schôpffer der natur·der uns in solche fĺrlicheyt geseczet hat·wider mit einen andern genĺdigklich fürsehen hat·daz ist mit allerle˙ geschlĺchten kreüter·thieren·und andern creaturen·den er krafft und macht gegeben hat·die obberůrten vier naturen·widerbτingen würcken geben und tempffen·Ein kraut h˙cziget·das ander kůlet·˙egkliches nach dem grad seiner naturen und complexion·Des gele˙chen vil ander creaturen auff dem erdtrich und in dem wasser dem menschen durch den schôpffer der naturen sein leben auff entheltet.

Durch wôlcher kreüter und creaturen krafft der kranck mensche in den vieτ naturen temperament und zů seines le˙bes gesundtheit wider mag kommen·Se˙d ein mal aber der mensche auff erden nit grôssers nitt edlers schaczes gehaben mag dem seines le˙bes gesundthe˙t· Lieţs ich mich beduncken·das ich nicht erlichsers nit nüczers oder he˙ligers wercke oder arbe˙t begeen môchtte·dann ein bůch zůsamen bτingen darinnen vil der kreüter·und ander creaturen krafft und naturen mit jren rechten farben und gestalt würden begr˙ffen·zů aller welt trost unnd gemeynem nucze ….ach hab ich foli… lassen anfa…. ster in der…. meiner begierde auţ den bewĺrten meistern in der erczne˙·Galieno·Avicenna·Serapione·Diascoτide·Pandecta·Plateario·und andern vil kreüter krafft und naturen in ein bůch zůsamen hat bτacht·Und do ich auff entwerffung unnd kuuterfe˙ung der krütter gangen b˙n in mittler arbe˙tte·vermercket ich dz vil edler kreüter sind die in disen teütschen landen nit wachsen·darumb ich die selben in jrer rechten farbe unnd gestalt anders nicht entwerffen mochtte dem von hôτen sagen·Deţhalben ich solichs angefangens werck unvolkommen und in der feder hangen lieţ so lang biţ ich zů erwerben genad und ablaţ mich fertiget zů ziehen zů dem heyligen grab·auch zů dem berge s˙nai·do der lieben junckfrauwen sant katherinen kôτper rastet und růwet·Doch das solliches edles angefangens und unvolkommens wercke mit h˙nderstellig bel˙be·Auch das do mein fart nicht allein zů meiner selen heyle·sunder aller welte zů staten môchte kommen·Name ich mit mir einen maler vonn vernunfft und handt subtil und behende·Und so wir von teütschen landen gere˙ţet haben durch wĺlhische landt Histriam·und darnach durch die Schlavonei odeτ W˙ndische landt·Croacien·Albaney·Dalmacien·Auch durch die kr˙echischen lande·Coτson·Moτeam·Candiam·Rodiţ·und Cypτien·b˙ţ in das gelobet lande·unnd auch do in die he˙lig [10] en stat Jherusalen und von dannen durch klein arabien gegenn dem berge s˙nai·van dem berge s˙nai gegen dem roten môre·gegen calcair·Babylonien und auch Allexandτiam in egipten·und von dannen wider in Candien·in durchwandτung solcher künigre˙ch unnd landen·Ich mit fleysse mich erfaren hab der kreüter do selbst·und die in jeren rechten farben und gestaltten lassen kunterfe˙en und entwerffen.

(Und nach dem mit gots hilff wider in teütsche landt und heim kommen byn· Die groţ liebe dye ich zů disem wercke hab gehadt·hat mich bewegt dat zů vollenden·als nun mit der gottes hilff volbτacht ist· (Und nennen dises bůch zů latein Oτtus sanitatis·auff teütsch·Ein gartten der gesundthe˙t·In wôlchem gartten man findet vierhundert und fünff und dτeyssig kreüter·mitt andern creaturen krafft und tugenden·zů des menschen gesuntheit dienend·und geme˙nlich in den apotecken zů erczne˙ gebτauchet werden·under disen bej vierd halbhunnderten mit jren farben und gestalten als s˙ hie ersche˙nen·und auff das es aller welt gelerten und leyen·zů nucz kommen müge·hab ich es in teütsch lassen machen·

(Dises bůch wirdt gete˙let in fünff te˙l·(Das erst·ist die voτrede ˙eczund hie berűrt·(Das ander te˙l·ist von den nachfolgenden kreütern·und ander creaturen krafft und tugent in oτdnunge des alphabets·(Das dτyt te˙l wirt sein ein register von kreüteren zů laxieren und zů krefftigen·(Item von den wol riechenden· (Item von den gummi·(Item von den früchten·samen·und wurczeln. (Item von edlem gestein·(Item von den thieren und was von jn entspτinget·und also was zů erczne˙ dient gemeynigklichen·(Das vierde te˙l·von allen farben des harms·und was ein ˙egkliche farbe bebeütet·

(Das fünfft teyl und dz leczte wirt sein ein register behend zů finden von allen gebτesten und kranckhe˙ten der menschen wie die sein mügen·

(Nun farh˙n im alle landt du edler und schôner gartt·du ein ergeczung den gesunden·ein trost hoffnung und hilffe den krancken·der deinen nucz dein fruchtbeτkeyt genůg auţspτechen müge·lebt kein mensche· (Ich dancke dir schôpffer hymmels und d erden·der du den kreütern in disen garten begr˙ffen·krafft und macht gegeben hast·das du mir solche genad·disen schacz d byţher der geme˙n begraben unnd verτboτgen ist gewesen·hast vergünnet an den tag zů bτingen·Dye sej ere und lobe ˙eczund und zů ewigen ze˙ten Amen· (·a·iij·) [11, 12]

Vaak en veel heb ik bij me zelf beschouwd de wonderbare werken van de schepper der natuur hoe hij aan het begin de hemel heeft geschapen en versierd met mooie lichtende sterren dat het tot invloed van alles dat er onder de hemel is kracht en macht gegeven heeft. Ook hoe hij daarna de vier elementen geschapen heeft. Dat vuur heet en droog, de lucht heet en vochtig, dat water koud en vochtig, dat aardrijk droog en koud, iedereen zijn natuur gegeven. Ook hoe dezelfde grote meester van de natuur daarna die kruiden van vele naturen en allerlei geslachten van dieren en tenslotte de mensen en alle creaturen de edelste gemaakt heeft en geschapen. Daarmee viel me in de wonderbaarlijke ordening die de schepper ervan zijn creaturen heeft gegeven alzo dat alles dat aan de hemel is zijn natuur van en door de sterren ontvangen heeft en houdt. Ook dat in iedereen dat in de boven vermelde vier elementen ontspringt, groeit, leeft of zweeft, hetzij erts, gesteente, kruiden of dier, zijn vermengd die vier naturen der elementen, hitte, koudheid, vochtigheid en droogte. En alzo te bemerken is zijn de aangeroerde vier naturen ook in het menselijke lichaam vermengd of gemengd in een maat en temperament bekwaam voor dat mensen leven en natuur. In welke maat of proportie of temperament de tijd dat de mens staat is hij fris en gezond. Zo hij echter treedt of valt uit het temperament of maat van de vier naturen, dat dan geschiedt zo de hitte gans overhand neemt en arbeidt om de koude te dempen of wederom de koudheid de hitte aanheft te verdrukken of de mens vol koude vochtigheid wordt of zijn vochtigheid over de maat zet, valt de mens vanwege nood in ziekte en nadert de dood. Oorzaak echter van zulke eerder vermelde breuk der vier naturen temperament waarin de mensen gezondheid en leven staat, zijn veel krachten van de hemel giftig en verborgen invloed tegen de mensen natuur dan de omstaande lucht, onreinheid en vergiftiging en nu ongeschikte spijzen of drank. Of bekwame, maar niet in rechte maat of tijd genomen. Voorwaar even gemakkelijk wil ik u vertellen van de bladeren op de bomen of de zandkorrels in de zee zoals ik u vertellen en verklaren zou al die dingen die een oorzaak zijn van het afvallen van het temperament van de vier naturen en een aanvang van de mensen ziekte . daarom zo omstaan….zendt en al… en gevaarlijk.(vlek) [9] .is er zijn gezondheid of leven gans zeker. Toch zal ik betrachten wat en voel me ook een als de schepper der natuur die ons in zulke gevaarlijkheid gezet heeft en weer met een andere genade voorzien heeft, dat is met allerlei geslachten van kruiden, dieren en andere creaturen die hij kracht en macht gegeven heeft die boven beroerde vier naturen weer te brengen, werken, geven en dempen. Een kruid verhit, dat andere verkoeld, elk naar de graad van zijn natuur en samengesteldheid. Desgelijks van veel andere creaturen op het aardrijk en in het water zodat de mensen door de schepper der natuur zijn leven ook behoudt.

Door welke kruiden en creaturenkracht de zieke mens in de vier naturen temperament en tot zijn lijf gezondheid weer mag komen. Is eenmaal echter de mens op de aarde mag hij niet grotere en niet edelere schat hebben dan zijn lijf gezondheid. Liet ik me bedenken dat ik niet eerlijkers, niets nuttiger of heiliger werk of arbeid begaan mocht dan een boek tezamen brengen daarin veel van de kruiden en andere creaturenkracht en naturen met hun echte kleuren en gestalte worden begrepen tot aller wereld troost en algemene nut (vlek) ook heb ik foli… laten aanva…. ster in de…. mijn begeerte uit de bewaarde meesters in de artsenij, Galenus, Avicenna, Serapio, Dioscorides, Pandecta, Platearius en andere veel kruidenkracht en naturen in een boek tezamen heb gebracht. En toen ik ook ontwerpen en kleuren ging de kruiden bij mijn arbeid bemerkte ik dat er veel edele kruiden zijn die in deze Duitse landen niet groeien, daarom ik dezelfde in hun echte kleur en gestalte anders niet ontwerpen mocht dan van horen zeggen. Derhalve ik zulks aangevangen werk onvolkomen en in de veer hangen liet zo lang tot ik tot verwerven genade en aflaat me vervaardigde ze te zien naar het Heilige Graf, ook tot de berg Sinaď daar de lieve jonkvrouw Sint Catherina lichaam ligt en rust. Doch dat zulke edel aangevangen en onvolkomen werk niet achterstallig blijft. Ook doe ik mijn reis niet alleen tot mijn zielenheil, vooral de hele wereld tot dienst mag komen nam ik met me een schilder van verstandige hand, subtiel en handig. En zo we van Duitse landen gereisd hebben door Wallisch land Hongarije en daarna door Slovenië of Wendische land, Kroatië, Albanië, Dalmatië. Ook door de Cyrische landen, Korfu, Moream, Kreta, Rhodos en Cyprus tot in dat beloofde land en ook zo in de heilige [10] plaats Jeruzalem en vandaar door klein Arabië tegen de berg Sinaď. van de berg Sinaď tegen de Rode Zee, tegen Cairo, Babylonië en ook Alexandrië in Egypte en vandaar tegen Kreta, in doorwandelen zulke koninkrijken en landen. Ik met vlijt me ervaren heb de kruiden daarvan en die in hun rechte kleur en gestalte laten kleuren en ontwerpen.

En na dan met Gods hulp weer in Duitse land en huis gekomen ben. De grote liefde die ik tot dit werk heb gehad heeft me bewogen dat te voleinden zoals nu met Gods hulp volbracht is. En noem dit boek in Latijn Ortus sanitatis, op Duits Ein gartten der gesundtheyt’’. In welke tuin men vindt vierhonderd en vijf en dertig kruiden met andere creaturenkracht en deugden tot de mensen gezondheid dienen en algemeen in de apotheken tot artsenij gebruikt worden. Onder deze bij vier en half honderd met hun kleuren en gestalten zoals ze hier verschijnen en opdat het alle wereld geleerden en leken tot nut komen mag heb ik het in Duits laten maken.

Dit boek wordt gedeeld in vijf delen. Dat eerste is de voorrede, nu hier aangeroerd. Dat andere deel is van de navolgende kruiden en andere creaturenkracht en deugd in ordening des alfabet. Dat derde deel wordt een register van kruiden te laxeren en te versterken. Item van de wel riekende. Item van de gom. Item van de vruchten, zaden en wortels. Item van edele stenen. Item van de dieren en wat van hen ontspringt en alzo wat tot artsenij dient algemeen. Dat vierde deel van alle kleuren van het plassen en wat elke verf betekent.

Dat vijfde deel en de laatste wordt een register handig te vinden van alle gebreken en ziekten der mensen wat die zijn mogen.

Nu ga heen in alle landen u edele en schone tuin, u een trouw der gezonden, een troost, hoop en hulp de kranke die uw nut en uw vruchtbaarheid genoeg uitspreken mogen, leeft geen mens. Ik dank u schepper hemel en de aarden dat u de kruiden die deze tuin begrijpt kracht en macht gegeven heeft dat u mij zulke genade, deze schat die tot nu algemeen begraven en verborgen is geweest heeft vergund aan de dag te brengen. U zei eer of lof nu en tot in eeuwige tijden. Amen.[11,12]

 

 

 

 

Beyfůsz erst Capit

Arthemisia mater herbarum Arivosa·ampolata Bτitanica Campanaria· Metricaria·minoτ latine· Melenoff Zantes Thagetes Leptafelos·

(Die wirdigen meister Avicenna Diascoτides·beschτeiben uns von disem kraut·und spτechen·daz arthemisia se˙ ein kraut und geleychet dem wermůt und der stabwurcz an der gestalt·allein das be˙fůţ bτe˙ttere bletter hat. Die bleter sind auţwenig weiţ und jnnwenig grǔn·unnd haben einen starcken gerauch und bitter·Dises kraut hat lang stengel. Die blůmen daran gele˙chen den camillen blůmen· Unnd heysset darumb arthemisia· wann d künig mansolei genant het ein hausfrauwen die hieţs Arthemisia· die wolt das dises kraute auch also genennet würd·vmb tugent willen die dise künigin an disen kraut befund· (Der meister plinius spτicht·daz diţs kraut vor h˙n gehe˙ssen hat parthenis·

(Ysidoτus in dem·xvij·bůch genant eth˙mologiarum·spτicht das Arthemisia se˙ ein kraut und se˙ von dem he˙dnischen volcke d˙ane consecriert woτden·und von den also geheýssenn·wann dyana in grecum ist als vil gespτochen als arthemis· (Platearius spτicht·das dises kraut ist he˙ţ und trucken in dem dτitten grad· (Die bleter bτaucht man in der erczne˙ und selten die wurczel·und sind grǔn besser genüczet dann dürτ· (Platearius spτicht das be˙fůţ gůt se˙e den frawen zü jrer sucht genant menstruum·Unnd wôlche frau das zů rechter zeyt nicht hat·die soll den be˙fůţ sieden mit wein und sol den trincken·d hilfft on zweyfel· (Es hilffet auch ob sy sich domit in dem bad zům d˙ckeren mal bĺet unden auff be˙denthalben den nabel. (Der meister diascoτides spτicht·Wŏlche frauwe wee mit einem k˙nde geet od in arbe˙t ligt eins kindes·seüdet s˙ den be˙fůţ mit wein od mit bier und den also trincket·s˙ gen˙set zůhandt· Oder bindet man jr das gesoten kraut an jr rechtes diech s˙ gen˙set zůhant. Man sol auch zůhandt wenn das k˙ndt geboren wirt das kraut abnemen·sau (a·iiij·) [13] met man nich·des·das bτăcht grossen schaden· (Wŏlche frawe ein todtes k˙nd in jrem leyb hete·die trinck von be˙fůţ·s˙ wirt des k˙ndes sanfft ledig· (Item Diascoτides in dem capittel arthemisia spτicht auch·Weer den be˙fůţ nüczet das jm vergifftte und zauberey nit geschaden müge·Im schadet auch nicht ob ein thiere das nicht s˙nnig wăre jn be˙sset· (Item. Wer be˙fůţs in seinem hauţ hat·dem mag d teüfel keinen schaden zůfũgen·

(Item· Wer der be˙fůţ wurcz an seinen halţ tregt·kein vergifftig thiere mag jm nit geschaden. (Und ob ein vergifftig thiere einen schaden zůgefŭget hăte·d trincke des safftes von be˙fůţs·er gen˙set zůhandt. (Die wirdigen meister spτechen geme˙inigklich·das do sey zwe˙er hant bejfůţ·der ein ist rot an dem st˙l·d ander ist we˙ţ· (Wőlche staw jr sucht genant menstruum leydet über die ze˙t·die sol der roten be˙fůţ bletter sieden in wein und dem trincken. Weret aber die sucht menstruum zelang·so sol s˙ des we˙ssen beyfůţ bletter sieden in wein und also nüczen·es vergeet jr zůhandt· (Item be˙fůţ genüczet mit wein·machet wol hĺrmen· (Diascoτides· be˙fůţ d ist fast gůt für den stein wenn man den bulfert·unnd das bulfer nüczet mit eppich wasser·und das also getruncken· (Be˙fůţ mitt wein gesoten und den getruncken vertre˙bet alle die suchte die do werend ist an der stat der weyber die do k˙ndt geberen·es sey geschwulst oder anders. (Wer den be˙fůţ be˙ jm tregt wenn er wandert·der wirt nit mūd·

(Item· Wer der be˙fůţ wurczlen über die thoτ des hauţs legt·od henckt·dem hauţ mag nichcz übels oder ungeheürigkeit zůgefūget werden· (Der hochgelert meister Galienus spτicht·dz be˙de be˙fůţ rot und we˙ţ gůt sey dan frawen genüczet wenn es jn not se˙· Und auch fast wol bekomme den·die den stein haben in den lenden· (Der meister Plinius in seinem·xv·bůch in dem capitel arthemisia·spτicht·das arthemisia die etwan geheyssen ist parthenis·sey zwe˙er handt·eine hat bτe˙te bleter·die and dünnere und kleinere·und haben beyd ein natur und tugent· (Item Diser meister in seinem·xxvj·bůch spτicht auch·Wer be˙fůţ bey jm hab so er über felt gee·der werde nit mūd·und jm schadet auch d gang nit in den gel˙dern· (Er spτicht auch in dem selbigen capitel·das Arthemisia gestossen und gemüschet mit feygen und mirτa ˙egklichs ein quintin und das geleget in wein und den getruncken·erwőrmet den kaltten magen· (Er spτicht auch·dz dises krautes wurczel eingenommen so festigklichen laxieren ist und purgieren·das das kynd in můter leybe nitt beleyben müge·es se˙ todt od lebentig· (Der meister Platearius spτicht·das dises krautes bleter bequemer se˙en in der erczne˙ denn die wur [14] czel·und grunn mer nücz denn dürτ· Und se˙ sunderlich gůt genüczt den unfruchtbern frauen· (Item. Be˙fůţ und d˙llsamen gebulferet und vermenget·ist gůt wider die feüchtblattern·darauff geleget·oder auff beülen hynder den oτen·darvoτ so sol man das mit einer schτepff sleten blůtend machen·und darauff das bulfer legen. (Item be˙fůţ ist seer bestopfung der gel˙der auffthůn·als milcze und lebern die do von einer kalten materien kommet·also genüczet·N˙mm be˙fůţ und hyrţzungen ˙egklichs ein handt vol und wenig wermůt in wein gesoten·und mit zucker sūţ gemachet· (Diser tranck ist auch gůt wider die geelsucht· so man darzů ist vermengen wenig tausent guldin genant centaurea·Und was nach dem getranck über bele˙bt von kreüttern sol man do warm legen auff die milcz·Das selb ist auch gůt so die milcz auswendig geschwollen ist· (Item be˙fůţ und wulle genant taxus barbatus gesoten mit wein und also warm darauff gesessen·ist gůt dem der arţsdarm auţgeet·

1. (2) Bijvoet, eerste kapittel. (Artemisia vulgaris (1)

Arthemisia; mater herbarum, Arivosa, ampolata, Brittanica Campanaria, (6) Metricaria minor Latijn, Melenoff Zantes Thagetes (5) Leptafelos.

De eerwaardige meesters Avicenna en Dioscorides beschrijven ons van dit kruid en spreken dat Artemisia een kruid is en lijkt op alsem en staafkruid aan de gestalte(3), alleen dat bijvoet bredere bladeren heeft. De bladeren zijn aan de buitenkant wit en inwendig groen en hebben een sterke reuk en zijn bitter. Dit kruid heeft lange stengels. De bloemen daaraan lijken op de kamille bloemen. En heet daarom Artemisia want de koning Mansolei genaamd had een huisvrouw die heette Artemisia en die wilde dat dit kruid ook alzo genoemd werd vanwege de deugd die deze koningin aan dit kruid bevond· De meester Plinius spreekt dat dit kruid voorheen parthenis genoemd is geweest.

Isidorus in het 17de boek genaamd ethi˙mologiarum spreekt dat Artemisia een kruid is en dat ze van de heidense volkeren aan Diana gewijd werd en van hen alzo genoemd want Diana in Grieks is zoveel gesproken als Arthemis. Platearius spreekt dat dit kruid heet en droog is in de derde graad. De bladeren gebruikt men in de artsenij en zelden de wortels en zijn groen beter genuttigd dan droog· Platearius spreekt dat bijvoet goed is voor de vrouwen voor hun ziekte genaamd menstruatie. En welke vrouw dat op de rechte tijd niet heeft die zal de bijvoet koken met wijn en zal dan drinken, het helpt zonder twijfel. Het helpt ook als ze zich daarmee in bad vele malen baadt en vooral bij de navel. De meester Dioscorides spreekt; Welke vrouw in pijn met een kind gaat of in arbeid ligt van een kind, kookt ze de bijvoet met wijn of met bier en dan alzo drinken, ze geneest gelijk. Of bindt man haar het gekookte kruid aan haar rechter dij, ze geneest gelijk. Man zal ook gelijk als dat kind geboren wordt dat kruid afnemen,  [13] zou men het niet doen dat  bracht grote schade. Welke vrouw een dood kind in haar lijf heeft die drinkt van bijvoet, ze wordt dat kind zacht kwijt. Item Dioscorides in het kapittel Artemisia spreekt ook; (7) Wie bijvoet nuttigt dat hem vergif en toverij niet beschadigen mogen. Hem schaadt het ook niet of een dier dat niet venijnig is hem bijt. Item. Wie bijvoet in zijn huis heeft die mag de duivel geen schade toebrengen.

Item. Wie bijvoet kruid aan zijn hals draagt, geen vergiftig dier kan hem niet beschadigen. En als een vergiftig dier een schade toegevoegd had die drinkt het sap van bijvoet, hij geneest gelijk. De eerwaardige meesters spreken algemeen dat er twee soorten bijvoet zijn, de ene is rood aan de steel, de ander is wit. Welke vrouw aan de ziekte genaamd menstruatie leidt over de tijd, die zal de rode bijvoet bladeren koken in wijn en die drinken. Duurt echter die ziekte menstruatie te lang dan zal ze de witte bijvoet bladeren in wijn koken en alzo nuttigen, het vergaat haar gelijk. Item bijvoet genuttigd met wijn maakt goed plassen. Dioscorides; bijvoet is erg goed voor de steen als men het verpoedert en dat poeder nuttigt met selderij water en dat alzo gedronken· Bijvoet met wijn gekookt en dan gedronken verdrijft alle die ziekten die er zijn aan de plaats van de vrouwen die een kind baren, hetzij gezwellen of anders. (2) Wie bijvoet bij hem draagt als hij wandelt, die wordt niet moe.

Item. Wie bijvoet wortels over de deur van het huis legt of hangt, dat huis mag niets kwaads of onbehoorlijkheid toegevoegd worden. De zeer geleerde meester Galenus spreekt dat beide bijvoet rood en wit goed zijn voor de vrouwen genuttigd als het hen nood is. En ook erg goed bekomt het die de steen hebben in de lenden. De meester Plinius in zijn 15de boek in het kapittel Artemisia spreekt dat Artemisia de soms genoemd is parthenis dat die tweevormig is, ene heeft brede bladeren, de ander (6) dunnere en kleinere en hebben beide een natuur en deugd. Item. Deze meester in zijn 26ste boek spreekt ook; (2) Wie bijvoet bij hem heeft zo hij er over veld gaat, die wordt niet moe en hem schaadt ook het gaan niet in de leden. Hij spreekt ook in hetzelfde kapittel dat Artemisia gestoten en gemengd met vijgen en mirre, van elk een quintin, en dat gelegd in wijn en dat gedronken verwarmt de koude maag. Hij spreekt ook dat dit kruid de wortel ingenomen zo sterk laxeert en purgeert zodat het kind in moeder lijf niet blijven mag, is het dood of levend. De meester Platearius spreekt dat dit kruid bladeren beter zijn in de artsenij den de wortel [14] en groen meer nuttig dan droog. En is uitzonderlijk goed genuttigd de onvruchtbare vrouwen. Item. Bijvoet en dille zaden gepoederd en vermengt is goed tegen die vochtblaren, daarop gelegd, of op builen achter de oren, daarvoor zo zal men dat met een scherpe snee bloedend maken en daarop dat poeder leggen. Item, bijvoet is zeer de verstopping van de leden openend zoals milt en lever die van een koude materie komt alzo genuttigd; Neem bijvoet en hertstong van elk een hand vol en weinig alsem in wijn gekookt en met suiker zoet gemaakt. Deze drank is ook goed tegen de geelziekte zo men daartoe vermengt weinig duizend gulden kruid genaamd Centaurea. En wat er na de drank over blijft van kruiden zal men dan warm leggen op de milt. Datzelfde is ook goed zo de milt uitwendig gezwollen is. Item bijvoet en wol genaamd Verbascum gekookt met wijn en alzo warm daarop gezeten·is goed die de aarsdarm uitgaat.

 

Vorm.

Bijvoet is een bossig vertakt plantje van ongeveer een meter hoog. Het geveerde blad is aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant witviltig. De talrijke, langwerpige, bruingele en kleine bloemkorfjes vallen vrijwel niet op. Deze plant komt algemeen voor langs de wegen. (3). De plant behoort tot dezelfde familie als alsem en staafkruid.

 

Naam.

(1) Dodonaeus;  ‘Het kruid dat in het Grieks Artemisia genoemd is heeft dezelfde naam bij de Latijnen ook en eer dat men dat zo noemde werd het in het Grieks Parthenis genoemd, zoals Plinius verhaalt. Apuleius verzekert dat het ook Parthenion genoemd is. Dit kruid heeft zijn naam verkregen van koningin Artemisia, huisvrouw van koning Mausolus van Carië die dit kruid zeer lief en uitgekozen had en het gebruik ervan het meest openbaar of kennelijk gemaakt heeft zodat het zijn oude naam verloren en in plaats van die de naam van de koningin aangenomen heeft. Sommige andere zeggen dat bijvoet in het Grieks en in het Latijn Artemisia genoemd is naar de Godin Diana die ook Artemisia genoemd wordt en dat alleen daardoor omdat dit kruid zeer bijzonder voor de gebreken van de vrouwen is waarvan de heidenen Diana overste en Godin gemaakt hebben.’

De reden daarvoor is de gunstige werking op vrouwenziektes en zijn vele geneeskrachtige eigenschappen. (In christelijke tijd werd Artemisia vervangen door een van de H. Margareta’s, meestal de H. Margaret van Antiochië.) Ook Plinius weet te berichten dat de Artemisia vooral vrouwenziektes geneest en zegt dat koningin Artemisia, de vrouw van koning Mausoleus, het kruid dat daarvoor parthenis genoemd werd haar naam gegeven heeft. Vele leiden, gaat Plinius verder, de naam af van Artemis Ilithya (gezond helpster) naar het gebruik van deze plant bij vrouwenziektes’.

Waarschijnlijk is de plant zo genoemd naar de Griekse Godin Artemisia, de dochter van Zeus en Leto, de godin van de kuisheid, geboorte en jacht.

We lezen hier dus dat het een echt vrouwenkruid is, zo is het gebruik in Herbarius in Dyetsche, Herbarijs en Dodonaeus. Om de stonden te laten komen, onvruchtbaarheid, nageboorte en de dode vrucht te verdrijven. Het bloeiende kruid, dat met Johannis geplukt wordt, bevordert de maandstonden en drijft dood en nageboorte af. Sinds Mozaďsche tijd is het een bestanddeel van een afdrijvingmiddel, foetor judaicus, dat door joodse handelaren verkocht werd. Misbruik tot afdrijving kwam voor, of bij grote dosis als wormmiddel, bij overdosering tot dodelijke vergiftigingen door het in de vluchtige olie bevattende, toxisch werkende Thujon.

Dodonaeus; ‘De eerste soort van bijvoet wordt van sommige Mater herbarum, dat is Moeder der kruiden genoemd, in het Hoogduits Beifusz en Sant Johans gurtell, in het Nederlants bijvoet en Sint Janskruid’.

Walefridus Strabo (negende eeuw) noemt in zijn Hortulus de artemisia vanwege haar overdadige kracht; Mater herbarum; moeder der kruiden.

 

(2) Bijvoet, de Duits Beifuss, werd vroeger dan als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of men stopte bijvoet in de schoenen en maakte daardoor de voet onvermoeibaar. Zo zegt Plinius al dat een reiziger geen vermoeidheid (artemes) zal voelen als hij een takje van bivot in zijn schoenen heeft. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden. (Zo ook in Herbarius in Dyetsche) De Griekse (ook Latijnse naam) Artemisia wordt overigens door sommigen afgeleid van artemes, ‘fris’ of ‘gezond’, want de voetganger die bijvoet draagt blijft onvermoeid. Het vermoeidheidsgevoel wordt veroorzaakt door het warm worden van onze voeten. Voor ons gevoel gaan onze voeten gloeien en steken. De bijvoetbladeren bevatten een vluchtige olie die, als deze met warme voeten in aanraking komt, verdampt en zo de warmte afvoert, een soort eau de cologne. Verder werkt de olie gunstig op het lichaam en heeft deze een opwekkende werking. Het geloof dat men op reis niet ver­moeid werd als men de plant aan het been bond, zal bijgedragen hebben tot de vervorming van het Midden-Nederlands biuot, ongeveer halfweg de dertiende eeuw, tot bivoet en tenslotte tot bijvoet.

Hildegard von Bingen noemt het Biboz of Beifusz.

 

(4) Dodonaeus doelt wel op Artemisia campestris subsp. campestris als hij spreekt: De tweede soort van bijvoet heeft de toenaam gekregen van Leptophyllos in het Grieks, in het Latijn Tenuifolia, dat is smal van bladeren’.

 

(5) Thagetes. Die naam heeft vermoedelijk de naam gegeven aan het afrikaantje of Tagetes. Dodonaeus. ‘De nieuwe schrijvers stellen vele geslachten van bijvoet want ze rekenen mater en reinvaarn ook onder de soorten van bijvoet. Fuchsius heeft Flos Africanus of de Tunisbloemen ook hierbij willen hebben’.

 

(6) Brittanica Campanaria, omdat het op de vlaktes van Engeland groeit? Metricaria minor, kleine Matricaria of klein moederkruid?, Zantes, eiland in de Ionische zee,  Leptafelos.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Bivoet of Arthimesia is een kruid dat heet en droog is in de derde graad volgens Platearius. Het wordt Mater Herbarum genoemd. (dat is de moeder van de kruiden) Daarvan hebben de groene bladeren de grootste kracht. Bijvoet opent zeer, daarom is het goed tegen verstoppingen van de lever (a) en van de milt die uit koude zaken komen (b) als je het met hertstong en met wat alsem in wijn kookt en dan met suiker zoet maakt. Als je daar nog wat bloemen van santorie bij doet is het goed tegen geelzucht als gevolg van miltziekte. De kruiden die na de zuivering achter blijven moet je lauw op de milt leggen, hetzelfde is ook goed tegen opheffing van de milt.

Om de stonden te laten komen en de dode vrucht te verdrijven: ‘Maak een bad van water waar bijvoet, laurierbladeren en reinvaarn in gekookt zijn, daarin moet ze zitten of neem een spons doe het daar in en leg dit op de baarmoeder’. Bijvoet die met laurierbladeren in olie van noten of van olijven gekookt zijn en als het daarmee in de baarmoeder als een pessarium gezet wordt laat het de stonden komen.

Tegen tenasmonem (dat is graag naar toilet willen zonder te kunnen dat uit koude zaken komt) leg Grieks pek op de kolen en die damp moet de zieke van onderen in de aars ontvangen, dan warm je bijvoet in wijn en leg dit op een molensteen waar de zieke op zit, want het is bewezen.

Tegen onvruchtbaarheid die uit vochtigheid ontstaan is verpulver je bijvoet met het schaafsel van ivoor en hertshoren, meng het met nootmuskaten en honing en drink dit met de wijn waar bijvoet in gekookt is, Pandecta en Platearus. Als de onvruchtbaarheid van droogte komt dan zal dit schadelijk zijn, je kunt dit herkennen of ze vet (c) of mager is. Daarna moet ze een bad nemen en met een spons er op duwen, zo het net verteld is, en een pessarium zetten.

Het poeder van bijvoet en van dove netelen is goed tegen klieren die glandines heten die rond de aars of de oren komen, maar eerst moet je er op slaan en dan het poeder er op strooien.

(7) Als je bijvoet in huis legt en rookt verjaagt dit de duivels.

En als je het op de gekneusde voet legt maar dan met wat smeer gemengd verdrijft het de pijn van de voeten die van wandelen komt’.

(a) Galstenen. (b) Stenen. (c) Vette mensen zijn minder vruchtbaar.

 

Herbarijs; ‘Artemesia, dat is bivoet, en het is heet en droog in de 2de graad, sommige zeggen in de vierde graad. En het kruid wordt meer in de medicijnen gebruikt dan de bladeren of de wortels doen en het is veel beter groen dan droog, nochtans kan men het 1 jaar goed houden. En het is goed voor vrouwen die geen kind mogen dragen omdat ze daardoor overlijden. Maar komt het van droogte, dan is bijvoet slecht voor hen. Bijvoet ontstopt de geslachtsdelen en laat de vrouw haar stonden hebben en is goed gedaan in baden tegen koude ziektes en is goed gedronken tegen jicht. En gekookt en in de neus ontvangen is het goed tegen reuma in het hoofd. Het is goed tegen alle verstoppingen van de baarmoeder, ja gedronken of gebaad of de damp ontvangen in de vulva.

En tegen een ongemak dat men kramp noemt, dat is als de mens lust heeft om naar toilet te gaan en als hij er komt dat hij het niet doen kan van grote krampen in het fondament dat van koude komt. Neem Grieks pek en leg het op de kolen en die zieke zal die rook beneden ontvangen met een trechter of iets anders die men daar over die kolen welven zal en dan zal men bijvoet zeer warmen bij het vuur en die zieke zal er over zitten. Tegen de klieren; Neem bijvoet koud of heet en leg het er op, die klieren zullen vergaan. En bijvoet is goed tegen hoofdpijn, gekookt en gedronken’.

 

Broeder Thomas, tijdgenoot van de schrijver van de Herbarijs drukt zich aldus uit; ‘Hevet eene vrouwe dat buickoevell inden kraem so salmen nemen byvoet ende bindese op haer navele’. Ortus sanitatis zegt; ‘oft bint men haer dat gesoden cruyt an haer dye, si genesen oec ter stont’.

 

 (7) Als je bijvoet in huis legt en rookt verjaagt dit de duivels. Het is een St. Janskruid bij Dodonaeus, daar wordt In de Gart niets van verteld. Plinius vermeldt op een andere plaats, dat diegene die Artemisia bij zich dragen geen gif of wilde dieren kan schaden en ook de zon niet. De apostel Johannis zou dit kruid om zijn gordel gedragen hebben om zich niet te vermoeien. Op het feest van St. Johannis de Doper, het vroegere zonnewendefeest, omgordde men zich met dit kruid als bescherming tegen toverij.

 

  

 

Stabwurcz ii Capit

Abτotanum·Das woτt ist in grexum und in latinsum also genennet·Hesum ist es genant in arabischen·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Hesum·idest Abτotanum·spτicht·dz dises kraut se˙ zwe˙er hant·eins ist freülich·daz ander mĺnlich·und sind be˙de einander gele˙ch·an d gestalt·und an der tugent·allein die freülich hat weiţ blůmen·und die mĺnlich gelb blůmen,und gele˙ch dem saffran.

(Der meister Plinius in seinen·xxj·bůch spτicht·das stabwurcz hab einen gůten gerauch· (Diţ kraut hat fast kleine bleter· und [15] vil stengeln·und auch gar klein blümen und einen kleinen samen. (Der meister Avicenna in seinem andern bůch·spτicht·daz stabwurcz sei heyţ an dem ersten grade und trucken an dem anderen· (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Abτotanum·spτicht·das stabwurcz gebτennet und gebulfert und dz gemüschet mit ŏle·von rĺtich gemachet·und das geschmieret auff die kal stat·machet har wachţsen· (Item stabwurcze machet auch wachţen dem bart der lancksam herfür kumbt·domit bestrichen·mit namen·nymme stabwurczsafft mit d˙ll ôle veτmenget·davon den bart oder die stat geschmieret do man har begeret· (Stabwurcz resolvieret apostemen die kalte feüchtigkeit in jne haben genant flegmatica·gesoten mit kütenkern und also genüczet· (Stabwurcz gegrůset und getruncken mit wein·behŭtet den menschen voτ d suchtt genant paralisis· (Auch ist es gůt wider das gegicht d gel˙der die grůse darauff geleget· (Platearius Stabwurcz gesoten mit baummôl·und dz haubt domit bestr˙chen·ben˙mmet die kelte des haubtes·und wirt warm davon· (Stabwurcz mit wein und zucker gesoten und getruncken macht einen warmen magen d erkaltet ist von dem schle˙m genant zů latein flegma. (Stabwurcz seüberet den frawen jr sucht genantt menstruun·mit wein gesoten und getruncken·(Stabwurcze mit eppe und zucker gesoten und darvon genüczet·bτicht und tre˙bt auţ den stein d in der blasen wĺchset und n˙eren·und wid dem kalten siechtumb ist es gůt·(Item ól von stabwurcz gemachet·und sich domit und dem nabel geschmieret·machet hármen· (Stabwurcze getruncken mit wein·ist gůt für vergifft·(Item der gerauch von stabwurcz·vertre˙bt die schlangen die in den heüsern wonen. (Von d wurczel d˙ck getruncken sterben die spôlwůrm·oder mitt wenig milch stabwurcz safft gemenget· (Avicenna spτicht·wo man stabwurcz h˙n streüet·do bele˙bt kein vergifftig thier·und wôlches do bele˙bt·das styrbt· (Diascoτides spτicht·das stabwurcz bτing dem frawen jr ze˙t genant menstruum·die gebulfert und mit wein getruncken·und in wenig mirτa vermenget· (Der rauch von stabwurcz vertreibt die schlang·in dem hauţ· (Von stabwurcz getruncken·ist gůt dem d do geb˙ssen ist von gifftigen thieren. (Dem die augen schweren von hycz d sol nemen stabwurcz ein quintin·und ein we˙sse bτosen bτotes·und sol das sieden in wasser und sol die augen domit bĺen·es zeühet auţ die h˙cz·und vertre˙bt das augen schwer· (Von d bitterkeit die die stabwurcze in jr hat·sterben die spolwŭrm·davon genommen auff ein halblot· (Serapio spτicht·das stabwurcz genüczet verczeret überflüssig feüchtigkeit die in den dĺrmen sind davon ein kranckhe˙t kummt ge [16] nant colica passio·das ist·das darm gesücht· (Item·Stabwurcz gesoten mit wasser unnd wein mit ysop und leckricz·mit zucker sǔţ gemachet·ist seer gůt wider süchtung der lungen und bτust·so die sucht kommet von kelte·und auţwendig sol man schmieren die bτust mit buttern od mit einer salben genant ungentum d˙althee·Darnach sol man nüczen pillen von agarico·Darnach ist gůt zů nüczen ein sterckung genant dyapenidion·oder d˙aris salomonis· (Item stabwurcz mit olei·und salcz zůsamen gestossen·und auff den pulţ hende und fŭsse geleget·ist gůtt wider das fieber·

Staafkruid, 2de kapittel. (1) (Artemisia abrotanum)

Abrotanum. Dat woord is Grieks en in Latijn alzo genoemd. Hesum is het genoemd in Arabisch.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hesum, id est Abrotanum, spreekt dat dit kruid tweevormig is (2), een is vrouwelijk en de ander mannelijk en zijn beide gelijk aan elkaar aan de gestalte en aan de deugd, alleen de vrouwelijk heeft witte bloemen en de mannelijk gele bloemen gelijk de saffraan.

De meester Plinius in zijn 21ste boek spreekt dat staafkruid een goede reuk heeft. Dit kruid heeft erg kleine bladeren en [15] veel stengels en ook erg kleine bloemen en kleine zaden. De meester Avicenna in zijn andere boek spreekt dat staafkruid heet is aan de eerste graad en droog aan de andere. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Abrotanum spreekt dat staafkruid gebrand en gepoederd en gemengd met olie van radijs gemaakt en dat gesmeerd op de kale plaats maakt haar groeien (3). Item staafkruid maakt ook groeien de baard die langzaam tevoorschijn komt, daarmee bestreken, met name; neem staafkruid sap met dille olie vermengt, daarmee de baard of die plaats gesmeerd daar men haar begeert. Staafkruid lost op gezwellen die koude vochtigheid in hen hebben genaamd flegmatici, gekookt met kweekern en alzo genuttigd. Staafkruid vergruisd en gedronken met wijn behoedt de mensen voor de ziekte genaamd paralysie. Ook is het goed tegen dat jicht der leden dat gruis daarop gelegd. Platearius; Staafkruid gekookt met olijvenolie en dat hoofd daarmee bestreken beneemt de koudheid van het hoofd en wordt warm daarvan. Staafkruid met wijn en suiker gekookt en gedronken maakt een warme maag die verkouden is van de slijm genaamd in Latijn flegma. (4) Staafkruid zuivert de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie, met wijn gekookt en gedronken. Staafkruid met Apium en suiker gekookt en daar van genuttigd breekt en drijft uit de steen die in de blaas groeit en nieren en tegen de koude ziekte is het goed. Item olie van staafkruid gemaakt en zich daarmee de navel gesmeerd maakt plassen. Staafkruid gedronken met wijn is goed voor vergif. (6) Item de reuk van staafkruid verdrijft de slangen die in de huizen wonen. Van de wortel vaak gedronken sterven de spoelwormen, of met weinig melk staafkruidsap gemengd. Avicenna spreekt; waar men staafkruid heen strooit daar blijft geen vergiftig dier en welke er blijft die sterft. Dioscorides spreekt dat staafkruid brengt de vrouwen hun tijd genaamd menstruatie, die gepoederd en met wijn gedronken en in weinig mirre vermengt. (5) De rook van staafkruid verdrijft de slangen in het huis. Van staafkruid gedronken is goed hen die gebeten is van giftige dieren. Die de ogen zweren van hitte die zal nemen staafkruid een 1,67 gram en een wit bros brood en zal dat koken in water en zal de ogen daarmee baden, het trekt uit de hitte en verdrijft dat ogenzweer. Van de bitterheid die staafkruid in hem heeft sterven de spoelwurmen, daarvan genomen een half lood. Serapio spreekt dat staafkruid genuttigd verteert overvloedig vochtigheid die in de darmen zijn daarvan een ziekte komt genaamd [16] colica passio, dat is de darmen ziekte. (6) Item. Staafkruid gekookt met water en wijn met hysop en zoethout en met suiker zoet gemaakt is zeer goed tegen ziekte van de longen en borst zo die ziekte komt van koudheid en uitwendig zal men smeren de borst met boter of met een zalf genaamd ungentum dialthee. Daarna zal men nuttigen pillen van agarico. Daarna is het goed te nuttigen een versterking genaamd diapenidion of diaris salomonis. Item staafkruid met olie en zout tezamen gestoten en de pulp op handen en voeten gelegd is goed tegen de koorts.

 

Vorm.

Dit is het staafkruid of averuit met fijn ingesneden blad als zijdeachtig filigraan in fraai zachtgroen. Het groeit meer dan een meter hoog. Men zal het zelden in bloei zien en dan in augustus/oktober met gele knikkende bloemen in kleine bloemhoofdjes.

 

Naam.

 (1) Dodonaeus; Dit kruid wordt in het Grieks Abrotonon genoemd en met die naam is het bij de Latijnen en in de apotheken bekend’. 

De Griekse botanicus Theophrastus noemde de plant abrotonon, waarschijnlijk uit Grieks abros: teer of slank, uit Latijn/Tracisch habrótanon. Dit woord lijkt aanzienlijk’’ te betekenen en ‘zich strekken’, zodat we hieruit een plant kunnen veronderstellen van slanke en hoge groei. Een benaming die niet op de plant past. Waarschijnlijk kan ook, waar de Latijnse vorm van af te leiden is, de Grieks naam van onsterfelijk afgeleid zijn, abrotos, (goddelijk, onsterfelijk, ambros) dit naar het frisse aanzien van de plant of geneeskracht. Sommigen leiden het af van een Grieks woord voor onmen­se­lijk omdat het nog bitterder is dan de alsem.

Dodonaeus; ‘Het heet in het Hoogduits Stabwurtz en Affrisch,  in het Nederduits averone en averruit’.

Het kruid komt voor in Capitulare de villis als Abrotanum. Dit uit het Latijnse abrotonum en dit weer uit het Griekse abrotonon: staf of staafkruid, vergelijk oud-Hoogduits Stabwurz en Stavewurz bij Hildegard. Onder invloed van de ruit kwam Aberuthe, in Nederlands averuit.

(2) Dodonaeus: “Averone, naar het zeggen van Dioscorides, is tweevormig van geslacht, te weten wijfje en mannetje die met de naam van grote en kleine averone overal bekend zijn.  De vrouwelijke heette Artemisia campestris. Waarschijnlijk was abrotanum een naam voor meerdere struiken met een aangename geur.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; Abrotanum averone is heet in de eerste en droog in de tweede graad. (3) Tegen het uitvallen van het haar (dat heet alopecia) en schurft of roos van het hoofd (dat heet tineam) kun je averone net als alsem gebruiken om de baard of elders waar je graag haar had hiermee te bestrijken om het haar of de baard sneller te laten groeien: ‘Neem hiertoe het sap van averone en meng het met dillenolie of olie van kamelenhooi’.

(6) Tegen ontsteltenis van de borst (a) die uit koude oorzaken ontstaan is kook je averone, hysop en zoethout in water, met fijne suiker maak je het zoet en drink hier van. Van buiten bestrijk je de borst met meiboter of om de materie in de borst meer te vermurwen met een zalf van Althaea. Dan neem je pillen van cantharel om de borst te zuiveren. Daarna neem je om te versterken fijne suiker of ayris salomonis.

Tegen lange, ronde wormen en korte, brede wormen: ‘Neem averone en gewreven poeder van lupinen, van elk een ons en een half grein, vermeng het met gal en olie van alsem exicet en strijk het buiten op de darmen’. Het sap van alsem en van averone dat tezamen met melk wordt gedronken doet hetzelfde.

(4) Het sap van averone dat je op de wijze van een klysma zet (dat is een pessarium) laat bij de vrouwen hun menstruatie komen, de moederkoek waar de vrucht in het lichaam rust en de dode vrucht worden uitgeworpen en de gesloten baarmoeder geopend. Het geneest de slijmachtig blaren in de baarmoeder of vulva.Vaak laat de volgende oplossing de stonden sterk komen: ‘Neem averone, savelboom en bijvoet, van elk twee handen vol; onze vrouwe wiegstro, melde, majoraan en reinvaren, van elk een hand vol, Asarum en Veronica beccabunga, van elk een halve hand vol, stamp dit tezamen en dan kan je als je het wil er mee roken’. Hetzelfde is ook goed om blaren te laten vergaan die te hard zijn om op te lossen vooral als je het sap van averone, gerstemeel en honing erbij mengt en het er zo op legt. Hetzelfde verdrijft ook de slagen of stoten van de zijde.

(5) Als je averone in de hoeken van het huis legt verdrijft het venijnige dieren of besproei er het huis mee of laat de rook het huis doortrekken. In wijn gekookt is averone zo ook goed tegen gif.

Tegen scherpte bij het begin van de koorts stamp je averone, dan meng je het met zout en olie en bestrijk je er de polsen van de handen en voeten mee.

Averone die in wijn met wat met eppe gekookt en met suiker zoet gemaakt is geneest de aandrang tot waterlozing en breekt de steen.

Tegen het omdraaien van de ogen (dat is vertigo) (b) of het schijnsel van de vliegen in de ogen (c) (dat is scotomia) (c) moet je dit er uit strijken met gestampte averone.

(a) Angina pectoris? Verkramping van de kransslagaderen: pijn op de borst. (b) =Duizeligheid. (c) Mouche volante= goedaardige losse stukjes in het oogvocht die je voorbij ziet dwarrelen als je kijkt. (d) =Verlies van een deel van je gezichtsveld.

 

(3) Als haargroeimiddel werd het al door Avicenna aanbevolen. Staafkruid werd vroeger gebruikt in een pommade waarvan geloofd werd dat het de haargroei zou stimuleren en kaalheid zou voorkomen, vandaar ook de Engelse naam old man. De Engelse bijnaam lad's love is gebaseerd op hetzelfde idee. Jonge mannen gebruikten dit kruid om baardgroei te bevorderen zodat ze ouder zouden lijken. De sierlijke bladeren werden ook wel in boeketten gedaan die jonge mannen aan hun meisjes gaven. Liefde temidden van het zoete is voor kinderen, maar liefde in de bitterheid van citroenkruid of alsem is een zeker teken van affectie.

 

Herbarijs; ‘Abrotanum, dat is averone of iagerande. Ze is heet in de 2de graad en droog in de eerste. En het sap gedronken laat het vrouw haar stonden hebben en leidt het dode kind uit de baarmoeder en het net daar het kind in ligt en heelt de vrouw weer en breekt de steen.

En het sap er van gedronken doodt alle soorten wormen in de maag en in de darmen en ontsluit en (4) opent de baarmoeder en heelt blaren in vulva en breekt de steen en laat goed urine maken en laat de koude plas overgaan (tenesmus). En het sap ervan gemengd met mirre en in vulva gestoken  zuivert die van haar vuile vochtvermenging en droogt de vochtigheid en opent de aderen in vulva en laat menstruatie hebben. En haar sap gemengd met oudere olie en gezalfd daar het haar valt dat versterkt de plaats en (3) laat het haar weer groeien’.

Iagerande is een vreemd woord. Mogelijk van jager (verjagen) en ande (hand) in de zin van symbool van sterkte, zo een sterk middel om te verjagen. Het was dan ook een van de antidiabolische rookplanten die op hete kolen werden gestrooid om boze geesten (bij de Romeinen) en later duivels (bij de Christenen) weg te roken. Waarschijnlijk werd met die rook ziektekiemen gedood.

 

  

 

wôτmůt iii Capit

Absinlhium latine·Gτece Absinthion·Arabice Saricon·

(Die meister in der erzcne˙ sprechen·das wôτmůt se˙ he˙ţ in dem ersten grad·und trucken im dem andern· (Platearius spτichet·das wôτmůt ein widerwĺrtige naturen an jr hab·wann s˙ laxiert und stopffet und die zwei sind wider einander· Und darumb spτicht er·das wermůt genüczet sol werden mit vermüschung·und das angesehen werde gebτesten des menschen·wann ist es sach das die natur des mennschen verstopffet wĺr·so sal man der wôτmůt zůgeben ding die jr die natur beneme der stopffung·und allein laxiere·Ist es aber sache das die natur zů vil flüţsig wĺre·so sol man dem wôτmůtt nemen die natur des flusses·und zůgeben ding die do stopffen·

(Hierinn mercke eben·wilt du den menschen stopffen mit wermůt·so bτauche die mitt eţsich oder mit wein· (Wilt du aber den menschen laxieren mit wôτmůt ·so bτauche die mit hônige oder zucker· (Avicenna spτicht das der saffte von wôτmůt fast stercker se˙e zů nüczen denn das kraute·wann der saffte der ist do heysser in dem ersten grad denn das kraut·

(Wer wermůt safft trincket ze [17] hen tag nach einander·und auff ein mal vier quintin mit zucker vermenget·der selb safft verczeret yctericiam·das ist die geschwulst·unnd benymmet auch dem menschen also genüczet ˙dτopisum·das ist die wassersucht·

(Und also genüczet zeühet vil feüchtigkeit von dem milcz und lebern· Johannes mesue·spτichet·das wermůt stercket dem magen und die leber·unnd bτinget lust zů essen·und machet gesunt die verstopfften kranckheyt·als dann ist die geelsucht unnd die wassersucht· (Wermůt tôdtet die wŭrm in dem bauch·und tre˙bet s˙ auţ mĺchtigklichen wann man davon machet ein pflasteτ also·N˙mme wermůt vier lot·eüfoτbie ein halb lot·gebτennett h˙rţkoτn ein lot·und ein lot hasengallen·und darunder gemüschet hônig·und darauţ ein pflaster gemachet·und das geleget auff den bauch· (Item·Wer daz kaltt lange ze˙t gehabt hatt·der nücze zů frummen den safft von wermůt mit zucker vermenget·er gen˙set davon zůhandt· (Wermůt safft vermenget mit pferţichkeren·und in die oτen getrĺfft·machet sterben die wŭrm in den oτen. (Wermůt re˙niget den magen und lebern von deτ gallen genant colera·und zeühet zů zeiten die selben feüchtung auţ mit den hĺrmen·(Auch behŭtet wermůt dem menschen voτ füllung des geblŭtes in dem le˙be·mit wein gesoten und des tags auff ein male nŭchter getruncken auff vier lot. (Wermůt wasser gemüscht under tinten·behŭtet dz papier voτ den meüsen und wŭrmen do mit geschτiben· (Wermůt ist fast gůt und nücz den zerknüscheten gel˙dern·wenn man darzů thůt oder vermüschet hônig·und ein wenig gůts weins und gestossen kümmel·und darauff gelegt gele˙ch einem pflaster· (öle von wermůt gemachet und in die oτen gelassen·bτingt widerumb dz gehôrde·(Item Wermut mit eţsig gemenget und den mund mit gewĺschen·machet einen wolriechenden mundt· (Die meister spτechen·das wermůt sterck fast den magen·also vertre˙bt s˙ alles das in dem magen bôţ ist.

(Wermůt und eppich kraute·eins als vil als des andern·gestossen und den safft getruncken mit zucker und mit sŭssem holcz safft vermenget·vertreibt asma dz ist dz schwĺr ĺtmen· (Wermůt getruncken mit eţsig·hilfft dem geschwollen milcz· (Wermůt gestossen und das safft gemenget mit hônig·und an die augen gestr˙chen·machet s˙ klar· (Wermůt gesoten mit baummôl und domit den bauch bestrichen·das hilfft dem krancken magen und der bôsen lebern. (Item wermůtsafft mit hônig vermenget·ist gůt wider die trunckenheytt·Und wermůtsafft ist auch gůtt feauwen feüchtigkeit zů bewegen·die zů mann ze˙t bestopffet ist·vermenget mit beyfůţ safft·und auch mit ein weinig mirτa und auch hônig·darauţ gema [18] chet ein zapffen in jr schame geleget als Avicenna und Serapio und Pandecta sind bewĺren. (Item Wermůtsafft und poτris safft genant boτago·und tausent guldin blůmen·genant centaurea·gesotten mit geyschenn milchmolcken·mit zucker sŭţ gemachet·ist gůt wider des milczs süchtung·und wider das fieber· (Item Wermůt gesoten in laugen mit stabwurcze·domitt das haubt gewĺschen·ist gůt wider die har auţfallung·genant alopicia·

(1) Alsem, 3de  kapittel.

Absinthium Latijn, Grieks Absinthion, Arabisch Saricon. (Arthemisia absinthium)

De meesters in de artsenij spreken dat alsem heet is in de eerste graad en droog in de andere. Platearius spreekt dat alsem een tegengestelde natuur aan hem heeft, (2) want ze laxeert en stopt en die twee zijn tegen elkaar. En daarom spreekt hij dat alsem genuttigd zal worden met vermenging en dat aangezien worden de gebreken des mensen, want is het zaak dat de natuur des mensen verstopt was zo zal men de alsem geven dingen die haar die natuur benemen van de verstopping en alleen laxeren. Is het echter zaak dat die natuur teveel vloeiend was dan zal men de alsem nemen van de natuur van de vloed en toe geven dingen die je stoppen.

Hierin merk even, wil u de mensen stoppen met alsem zo gebruik die met azijn of met wijn. Wil u echter de mensen laxeren met alsem, zo gebruik die met honing of suiker. Avicenna spreekt dat het sap van alsem erg sterk is te nuttigen dan dat kruid want het sap dat is zo heter in de eerste graad dan dat kruid.

Wie alsem sap drinkt [17] zeven dag na elkaar en op een maal vier quintin met suiker vermengt, datzelfde sap verteert yctericiam, dat is dat gezwel, en beneemt ook de mensen alzo genuttigd hydropisis, dat is die waterziekte.

En alzo genuttigd trekt het veel vochtigheid van de milt en lever. Johannes Mesue spreekt dat alsem versterkt de maag en de lever en brengt lust te eten en maakt gezond de verstopte ziekte zoals dan is de geelziekte en de waterziekte. (3) Alsem doodt de wormen in de buik en drijft ze uit machtig als men daarvan maakt een pleister alzo; Neem alsem vier maal 16,7 gram, Euphorbium een half van 16,7gram, gebrand Panicum koren een 16,7 gram en een 16,7 gram hazengal en daaronder gemengd honing en daaruit een pleister gemaakt en dat gelegd op de buik. Item.Wie dat koude lange tijd gehad heeft die gebruikt te verbeteren het sap van alsem met suiker vermengt, hij geneest daarvan gelijk. (3) Alsem sap vermengt met perzikkernen en in de oren gedruppeld maakt sterven de wormen in de oren. Alsem reinigt de maag en lever van de gallen genaamd colera en trekt in tijd diezelfde vochtigheid uit met het plassen. Ook behoedt alsem de mensen voor vulling van het bloed in het lijf, met wijn gekookt en per dag in een maal nuchter gedronken op vier lood. (3) Alsem water gemengd met een inkt behoedt dat papier voor de muizen en wormen, daarmee geschreven. Alsem is erg goed en nuttig de gekneusde leden als men daartoe doet of vermengt honing en een weinig goede wijn en gestoten komijn en daarop gelegd gelijk een pleister. Olie van alsem gemaakt en in de oren gelaten brengt terug dat gehoor. Item, alsem met azijn gemengd en dan de mond mee gewassen maakt een welriekende mond. De meesters spreken dat alsem versterkt erg de maag, alzo verdrijft ze alles dat in de maag kwaad is.

Alsem en selderij kruid, de een als veel als de andere, gestoten en het sap gedronken met suiker en met zoethoutsap vermengt verdrijft astma, dat is dat zware ademen. Alsem gedronken met azijn helpt de gezwollen milt. Alsem gestoten en dat sap gemengd met honing en aan de ogen gestreken maakt ze helder. Alsem gekookt met olijvenolie en daarmee de buik bestreken dat helpt de zieke maag en de kwade lever. (4) Item alsemsap met honing vermengt is goed tegen de dronkenschap. (5) En alsemsap is ook goed vrouwen vochtigheid te bewegen die ze in teveel tijd verstopt is, vermengt met bijvoetsap en ook met een weinig mirre en ook honing, daaruit gemaakt [18] een pen en in haar schaam gelegd zoals Avicenna en Serapio en Pandecta sinds beweren. Item. Alsemsap en bernagiesap, genaamd Borago, en duizend gulden bloemen, genaamd Centaurium, gekookt met geiten melkwei en met suiker zoet gemaakt is goed tegen de miltziekte en tegen de koorts. Item. Alsem gekookte in loog met citroenkruid en daarmee dat hoofd gewassen is goed tegen de haar uitval genaamd alopicia.

 

Vorm.

De absintalsem wordt net zo groot als de bijvoet, zestig tot honderd twintig centimeter. De bladeren zijn een paar maal geveerd en aan beide zijden grijs zijdeachtig viltig, op droge arme gronden is het meer zilverachtig en op goede gronden meer groen. De kleine, knikkende en lichtgele bolvormige bloemhoofdjes, als knoopjes, staan in een pluim van juli tot september.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit kruid Absinthion en sommige van hun komedieschrijvers noemen dat Apinthion of ook Apinon alsof men ondrinkbaar zei omdat het door zijn onlijdbare bitterheid niet in dranken gebruikt behoort te worden. In het Latijn noemt men het Absinthium en die naam heeft het in de apotheken behouden’.

Absinthium, is de oude naam,  waarschijnlijk stamt het van een Grieks woord apsinthion, een leenwoord van het Perzisch, dat verliezen van vruchten betekent (meer strooien of springen) De naam kan daarvan afgeleid zijn omdat men geloofde dat deze plant het voortijdig afvallen van de in de buurt groeiende vruchten, als druiven, veroorzaakte, of als afdrijvend middel bij geboorte. Of van Grieks a: zonder, psinthos: genoegen, ongenoegen, omdat de bittere smaak het genoegen beneemt, of ondrinkbaar wordt vanwege het bittere sap.

de Hoogduitsers noemen het Weronmut of Wermut’.

Dodonaeus; ‘Door de Duitsers wordt het Wermuth genoemd, oud Hoogduits Werimote en Weramote, Wermuda bij Hildegard, Weronmuth en Wermut bij Bock, wermut staat mogelijk met warm tezamen, zou een verwarmende drank zijn. In een oud kruidboek staat: ‘es erwermet den Leib’. Het tweede deel, het od of ot, betekent schat, (vergelijk Kleinod) bezit of kracht, dat tot uot werd  Later is het woord volksetymologisch an muot geworden. Het gaf als volksmedicijn warmte verlenende kracht (de drank) Vandaar het volksgebruik: "als men de handen van een kind, voor het einde van zijn twaalfde levensweek, met alsemsap overwrijft, zal het geduren­de zijn hele leven door warmte noch koude gekweld worden", Wiegenkraut, gebruikt als slaapbevorderend middel en men legde het in de bedjes, vergelijk Galium. Naar een andere verklaring omdat het de Mut weert, bitter smaakt en dronken maakt. Een dropje wermut die in de vreugdebeker valt, staat de bekervreugde wehrend in de weg. Het ontneemt alle mut door zijn bitterheid. "Ich spur genug an meiner Armut, dat mir das essen schmackt ohne Warnmut". "Ik heb genoeg aan armoede om het eten te laten bederven door wermuth".Symbool van bittere ellende.

 De naam Alsem is genomen uit het 6deeeuws Latijnse aloxinum, alosantus of aloxinum wat stamt uit Grieks aloë oxines, het kruid werd met bittere aloë vergeleken. (mogelijk verwant met Hebreeuws alua: bitter)

 

Gebruik.

Alsem zijn werking was vooral op de maag en zo op de darmen. De laxerende werking kan betwijfeld worden, maar het is erg bitter en bevat eetlustopwekkende stoffen en gebruikt als middel tegen maagstoornissen. Vanwege zijn extreme bitterheid wordt het meestal gebruikt met suiker. (a) De ziekten die voortkomen van ophoping van levenssappen in de holten van het lichaam worden door alsem genezen omdat ze de materis peccans (zondigende ingebeelde ziektestof) uitdrijft.

De laxerende werking kan betwijfeld worden, maar amarum; bitter, is het zeker, het bevat eetlustopwekkende stoffen.

Als abortivum heeft het in de geschiedenis faam gemaakt. Het bevat thuyon dat aanleiding geeft tot aanvallen, stuipen en zenuwstoornissen, zeker niet tegen dronkenschap.

Het gebruik tegen motten is algemeen bekend.

 

Een versterkend bitter, Tinctura d'absynthe, kan er van verkregen worden. Het alcoholgehalte is hoog, de kleur er van is groen. De drank geeft eerst activiteit en aangename sensaties, inspireert tot grote gedachten maar bij gewoontedrinkers degenereert het de hersens, beschadigt het centrale zenuwsysteem en het eindigt in delirium en dood. Alsemolie is een uitgesproken hersengif. Het is het ‘kruid van het vergeten’. Een bepaald bestanddeel van de absintolie veroorzaakt onder andere epilepsie. In ons land werd volgens de Absintwet van 6 dec. 1909, in werking getreden 20 juli 1910, verboden absint in te voeren, te vervaardigen, te verkopen of af te leveren. In Duitsland werd het in 1923 verboden, in Frankrijk op 5 juli 1910. (Het is onlangs weer vrij gegeven)

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Alsen, wit alsem of absinthium is heet in de eerste graad en droog in de tweede. Het heeft een bitter zure, scherpe ((a) dat is pontiken) en allerbitterste smaak. In het begin van de lente kan je het verzamelen in de schaduw, dat is uit de zon. Een jaar kan je het in goede staat houden. (2) Het heeft krachten die met elkaar in tegenstelling zijn, namelijk om te ontsluiten of te laxeren vanwege zijn hitte of bitterheid en samen te binden of te verstoppen vanwege zijn grove substantie. Afgaande op het uiterlijk ben je gemakkelijk van oordeel dat het de tegengestelde werking heeft, daarom moet je het niet geven wanneer het plantmateriaal niet bereid of klaar gemaakt is. (a) Vanwege zijn hitte wordt de materie los gemaakt en doordat het vanwege zijn scherpe zuurheid of wrangheid tezamen wordt geduwd wordt het naar beneden uitgedreven. Alsem opent sterk de verstoppingen zoals de geel gekleurde waterzucht die vooral uit koude zaken ontstaan zijn.

(3) Als je het sap van alsem en de olie uit de kernen van perziken in de oren doet doodt dat de wormen. Item tegen een stinkende mond als gevolg van verrotte materiën die zich in de maag bevinden. Het is een goede wijn waar alsem en de schil van citroen in gekookt is.

(4) Tegen dronkenschap is het goed om het sap van alsem met honing in te nemen.

(5) Een pessarium (dat is een soort van instrument in de baarmoeder net zoals een klysma in de aars) van raapolie waar alsem en bijvoet in gekookt is laat bij de vrouwen hun menstruatie komen’.

(a) Platearius zegt; ‘Absinthii duo sunt genera unum quod dicitur vel quia in ponto insula reperitur vel quod ponticum habet saporem’. Dodonaeus; ‘Plinius zegt dat diegene die in het landschap Pontus genoemd groeit veel bitterder is dan die in Italië groeit. En Ovidius zelf betoont dat de alsem van Pontus zeer bitter is en zegt aldus:

Dit is het bitter landt, het kan me niet behagen.

Want hier zijn de velden grijs die niets anders dan droeve alsem dragen’.

 

Maerlant; ‘Absinthium, als Platearius vertelt, is een kruid van groot geweld. Zeer bitter en doet zeer goed als je het met wijn drinken moet of het sap uitgewrongen alleen dan is zijn nuttigheid niet klein.  Alsem heet het en helpt steeds de lever en de milt, beide. (3) Wormen, zegt de schrift, verdrijft het mede, wat men gelooft. Het purgeert mede het hoofd, die aan beroerte lijdt ik raad hem dit te plegen want het verdrijft haar komen. Die de spraak is benomen is het nuttig dat men het geeft. Die wormen in zijn oor heeft, giet het er in, ze blijven dood. De maag is ze nuttig groot. (3) Ook verdrijft het wormen en mijten die kleren eten en bijten’.

 

Herbarijs;’ Abcincium, dat is alsene en dat is heet in de eerste graad en droog in de 2de.  En men zal het verzamelen op het eind van de lente en drogen en dan blijft het 1 jaar goed. Men zegt dat alsem van (2) zichzelf tegengesteld werkt. Geeft men het voor de vochtvermengingen rijp zijn dan verstopt ze het lichaam en maakt ze hard. (a) En rijpt men de materie voordat men het geeft dan laxeert ze de vochtvermenging, dat is dat ze laat schijten en dus heeft ze een kracht die de natuur helpt laxeren. En een andere is dat ze versterkt dat men stoppen wille en de materie van het euvel uitsluit die ligt in de holte van de leden.

Alsem versterkt de maag en purgeert hete vochtvermenging van rode gal met schijten en ze versterkt de lever en ontstopt en opent die. En ze maakt de lever en de geelzucht lust van eten dat van rode gal benomen werd. En ze geneest de geelzucht en vecht tegen dronkenschap. Met ciceleo (Cicer, ook Cicero) of met spica (Valeriana celtica of Nardostachys jatamansi) gedronken is het goed tegen pijn van de maag en in de darmen die van grove wind en van vochtigheden komen. En met azijn gedronken verzacht het versaagdheid (indigestie) van te veel eten en maakt goede urine. En met zeem (honing) getemperd  geneest het dat gezwel dat onder die oog ligt en droogt lopende oren.

Alsem gemengd met olie van rozen en gesmeerd omtrent de maag versterkt en verdrijft de pijn. En gepleisterd op een harde milt laat die hardheid scheiden. (5) En getemperd met zeem en in de baarmoeder gestoken laat de vrouw haar stonden hebben. En gekookt in olie en de maag daarmee gezalfd en de lever helpt hen zeer.

(3) Dioscorides zegt; Alsem gelegd in kisten  behoedt de klederen dat ze niet door de motten bedorven worden. En vindt men geen alsem neem dan anderhalf drachme polei, want het doet hetzelfde. Bedagoris (Pythagoras ?) zegt dat men net zoveel asa-foetida en mirabolanorum indorum mag nemen die hetzelfde werk doen wat alsem doet’

(2) De betekenis van deze zin is dat alsem een dubbele schijnbaar tegenstrijdige uitwerking heeft. De levensssappen rijpen was een noodzakelijk iets wilde men de opgehoopte levensssappen verwijderen, purgeren, zoals men toen zei.

 

  

 

Knoblach iiii Capi.

Allium latine Scoτdon vel stoτdeon grece·Thaum arabice·

(Galienus spτicht·das knoblach se˙ he˙ţ unnd trucken in dem dτitten grad· (Platearius und ander meister spτechen·das er se˙ warm und trucken bey dem vieτden grad· (Serapio in dem bůch aggregatoris in dem capitel Thaum·spτicht·daz do se˙ zwe˙er handt knoblach·der ein wild der ander zam·unnd haben be˙d gele˙ch ein natur· (Avicenna·spτicht·das knoblach benemme und verdτucke die geschwulste des menschen in dem le˙be woo die se˙e·der geessen·Und weychet auch geschweren·und ôffnet s˙·und zeühet fast auţ den eytter·die gesoten und darüber geleget· (Mit knoblach safft geschmieret das haubte tôdtet die leüse unnd auch die n˙ţs darauff wachţend·und ist auch gůt wider die har auţfallung genannt alopicia· (Knoblach ĺschen mit hônig gemüschet unnd auff die haut gestrichen·benymmet die bôsen gestalt der haut·moτfea genant· (Dise ĺschen also genüczet he˙let bôse geschwere d˙e geôffnet sind·darein gestreüet·(Item knoblach ĺschen mit hônig unnd me˙ischen buttern gemenget machet ein re˙ne glate haut·die mit reüdigkeit und auţseczigkeit überzogen ist·sich domit bestr˙chen nach dem bade·

(Item knoblach ist schedlichen den augen· (Item knoblach gesotten und den genüczet·machet helle stymmen·und ben˙mmt den alten hůsten·und reyniget die bτust den s˙ erkalt ist· (Knoblach gesoten [19] mit seinem kraut mit wein und den getruncken·machet fast wo hĺrmen·und bτingt auch also genüczet den frawen jr sucht genant menstruum· (Und zeühet auch auţ secundinam·dz ist die ander geburd·den bauch domitt bestrichen·oder den gerauch des knoblachs sol die fraw unden herauf zů jrer scham lassen tempffen·und sol auff einen gelôcherten stůl siczen·und sich unden umb bedecken·(Platearius spricht·Wer mit frawen zůschaffen haben will·der me˙de knoblach·wann er verdτucket den samen genannt sperma·das ist·die natur des mannes·und wôlcher darüber sich nôtiget·dem entsteett davon grosse krancke˙t· (Wôlcher überzogen wĺre mit bôser kalter feüchtung·jnnwenig oder auţwendig des le˙bes·der eţse dick knoblach· (Kein vergifftiges their st˙cht den menschen d jn genüczt hat mit wein. (Wen ein unsynniger hundt geb˙ssen het·der neme knoblach·fe˙genbletter·camillen blůmen·˙egkliches gele˙ch vil·und siede die in wasser·und stosse die·und mache darauţ ein pflaster·und lege es auff des thieres byţs·er gen˙set zůhanndt· (Knoblach gerauche vertre˙bet aller handt wŭrm die vergifft be˙ jnen tragen· (Knoblach gesotten mitt eţsig·und jn getruncken mit hônig wasser genant mulsa·vertre˙bet die spôlwŭrm und aller hanndt wŭrm in dem bauche·

(Knoblach in baummôl gesoten·he˙let vergifftig b˙ţs an be˙nen und an andern gelydern des le˙bes· (Mit diser salben vertre˙bet man den bősen ungemach und geschwulst·auţswendig daran gestrichen· (Item knoblach gesotten mit milch·und die getruncken·ben˙mmt peripleumoniam·das ist ein geschwer auff der lungen· (Diascoτides spτichet·Weer die wassersucht habe die von kalter materien kummt·genant yposarca·d neme knoblach und centaurien·und s˙ede die in wein unnd trincke den·er gen˙set· (Item Pitagoτas ein meister spτicht·Das knoblach gestossen·darunnder gemüschet coτiander·und also genüczett mit wein·vertreybet das lenden wee·und hilfft auch dem der do schwĺr ĺtmet·Also genüczet d selbig tranck weychet den bauch. (Item knoblach mit bonen gesotten und zerstossen·und darunder gemüschet baummôle·oder maiţsamen ôle·und darauţ gemachet ein salben·dise salb dienet fast wol·die schlĺff genant tempoτa mit bestrychen für das haubtwee· (Item knoblach d mag leychtlichen verwandelet werden in fenein also·N˙mm den samen davon und sĺe jn·davon wirtt knoblach·von dem selben knoblach n˙mm den samen unnd sĺe jn auff das zwe˙et mal·dz thů fünff oder sechţ male·so ist der leczte verwandelt in fen˙n·Darum sol man dem knoblach pflanczen und nit sĺen·und geschicht geme˙nigklich von dene [20] gĺrtnern·wiewol s˙ die ursach nit enwissen· (Item. Wer d˙ck mal und stĺtigs knoblach ˙ţset bτinget das haubtweetumb·und ist auch bτingen unreynigke˙t des geblŭtes·genannt lepτa. Auch ist knoblach besund bôţs roch geessen den augen· (Item knoblach gesoten oder gebτaten mit mastix·und bertrum gebulferet·davon das maul gewaĺschen·ist gůt wider die zeenweetagen· (Item. Knoblach ist gůt den arbe˙tenden menschen die stĺtiges wasser trincken·und eţsend auch kalte unverdeüliche spe˙ţ. Darumb spτechen die lerer·das knoblach sej ein triackel der bauren·Wann knoblach ist rechtfertigen und gůt machen das wasser genüczet von den bauren·

Knoflook 4de kapittel. (Allium sativum)

Allium (1) Latijn, Scordon vel stordeon Grieks, Thaum Arabisch.

Galenus spreekt dat knoflook heet en droog is in de derde graad. Platearius en andere meesters spreken dat het warm en droog is bij de vierde graad. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Thaum spreekt dat er zijn twee soorten knoflook, (2) de ene wild en de andere tam en hebben beide gelijk een natuur. Avicenna·spreekt dat knoflook beneemt en verdrukt de gezwellen des mensen in het lijf waar die zijn, het gegeten. En weekt ook zweren en opent ze en trekt erg uit de etter, die gekookt en daarover gelegd. Met knoflooksap gesmeerd het hoofd doodt de luizen en ook de neten die daarop groeien en is ook goed tegen de haaruitval genaamd alopicia. Knoflook as met honing gemengd en op de huid (3) gestreken beneemt de kwade gestalte van de huid, morfeem genaamd. Deze as alzo genuttigd heelt kwade zweren die geopend zijn, daarin gestrooid. Item knoflookas met honing en meiboter gemengd maakt een reine gladde huid die met ruigheid en uitslag overtrokken is, zich daarmee bestreken na het bad.

Item knoflook is schadelijk de ogen. Item knoflook gekookt en dan genuttigd maakt heldere stem en beneemt het oude hoesten en reinigt de borst als ze verkouden is. (5) Knoflook gekookt [19] met zijn kruid met wijn en dan gedronken maakt erg goed plassen en brengt ook alzo genuttigd de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie. En trekt ook uit secundina, dat is de nageboorte, de buik daarmee bestreken of de reuk van knoflook zal die vrouw van onder af naar haar schaam laten dampen en zal op een aarden stoel zitten met gaten en zich onder om bedekken. (6) Platearius spreekt; Wie met vrouwen te doen hebben wil die vermijdt knoflook want het verdrukt de zaden genaamd sperma, dat is de natuur van de man, en welke daarvan zich nuttigt die ontstaat daarvan grote ziekte. Welke overtrokken was met kwade koude vochtigheid, inwendig of uitwendig van het lijf, die eet vaak knoflook. (7) Geen vergiftig dier steekt de mens die het genuttigd heeft met wijn. Als een dolle hond gebeten heeft, die neemt knoflook, vijgenbladeren, kamille bloemen, van elk gelijk veel, en kook die in water en stoot die en maak daaruit een pleister en leg het op dat dieren beet, hij geneest gelijk. Knoflook geur verdrijft allerhande wormen die vergif bij hen dragen. Knoflook gekookt met azijn en opgedronken met honingwater genaamd mulsa verdrijft de spoelwormen en allerhande wormen in de buik.

Knoflook in vijgenolie gekookt heelt vergiftige beet aan benen en aan andere leden des lijf. Met deze zalven verdrijft men het kwade ongemak en gezwellen, uitwendig daaraan gestreken. Item knoflook gekookt met melk en die gedronken beneemt peripneumonie, dat is een zweer aan de longen. Dioscorides spreekt; Wie de waterziekte heeft dat van koude materiën komt, genaamd yposarca, die neemt knoflook en Centaurea en kook die in wijn en drink het, hij geneest. Item Pythagoras, een meester, spreekt; Dat knoflook gestoten en daarin gemengd koriander en alzo genuttigd met wijn verdrijft dat lendenpijn en helpt ook die er zo zwaar ademt. Alzo genuttigd dezelfde drank weekt de buik. Item knoflook met bonen gekookt en gestoten en daaronder gemengd olijvenolie of boommoszadenolie en daaruit gemaakt een zalf, deze zalf dient erg goed de slaap, genaamd tempora, mee bestreken voor die hoofdpijn. (2) Item knoflook die mag lichtelijk veranderd worden in venijn alzo; Neem de zaden daarvan en zaai het, daarvan wordt knoflook, van dezelfde knoflook neem de zaden en zaai het voor de tweede keer, dat doe je vijf of zes maal, dan is de laatste verandert in venijn. Daarom zal men de knoflook planten en niet zaaien en gebeurt gewoonlijk van den [20] tuinders, hoewel ze de oorzaak niet goed weten. Item. Wie vele malen en steeds knoflook eet brengt dat hoofdpijn en is ook brengen onreinheid van het bloed genaamd lepra. Ook is knoflook bijzonder boos rauw gegeten voor de ogen. Item knoflook gekookt of gebraden met mastiek en bertram poeder, daarvan de muil gewassen is goed tegen die tandpijndagen. Item. (4) Knoflook is goed de arbeidende mensen die staand water drinken en eten ook koude onverteerbare spijzen. Daarom spreken de leraar dat knoflook een teriakel is van der boeren. Want knoflook is rechtvaardigen en goed maken dat water genuttigd van de boeren.

 

Vorm.

Knoflook is een plant met platte bladeren. De vliezige schede om de bloeiwijze loopt uit in een lange punt, tussen de lang gesteelde bloemen vormen zich vele kleine broedbolletjes.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt in onze taal loock genoemd en tot verschil van de wilde geslachten tam look, in het Latijn en in de apotheken Allium en Allium sativum, in het Hoogduits Knoblauch. In het Grieks heet het Scorodon. In het Grieks, zegt Lobel, is het Scorodon genoemd omdat het de mens tot uitrekken beweegt met gapen en geeuwen dat in het Grieks Scorodonismos heet wat het doet omdat het enige sterke reuk van zich geeft en in de mond een onlieflijke scherpte geeft als men dat eet en drijft de onnutte vuile dampen naar de huid’.

Look komt in het midden-Hoogduits in Knobelouch, Knoblach voor, in het Angelsaksisch leac en Engelse leek. Look komt van midden-Hoogduits lauch, ‘sluik’, naar de vorm van de bladeren. Mogelijkerwijze is de plant naar zijn afwaarts gebogen bladeren genoemd. Knoflook is ontstaan door naamsverandering van kl tot kn knoflook. Het was eerst cloflooc en kloflook. Klof hangt evenals kloof en kluif samen met werkwoord ‘klieven’ of ‘splijten’, dus gespleten, gekloofde look omdat het in zogenaamde tanden gespleten is.

De naam Allium kan van het Keltisch all komen dat ‘heet’ of ‘brandend’ betekent. Misschien komt het echter van het Latijnse olere, ‘rieken’, naar de penetrante geur. Franse ail, afgeleid van Allium. De verzamelnaam van uiensoorten is look.

 

Gebruik.

Verse knoflook bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger en nog niet zo lang geleden dacht men dat ziektes door boze geesten, demonen, werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte het met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het zwart. Men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals of tegen een deur gespijkerd.

Volgens Herodotus werd knoflook vanouds gebruikt als middel tegen melancholie en wormen. Galenus beschrijft het als boerenteriakel; ‘antimiddel’. Vanwege zijn antiseptische werking werd het als voorbehoedmiddel tegen pest gebruikt en ook om bedorven drinkwater te verbeteren.

De farmacodynamische eigenschappen voor knoflook aangegeven stemmen ongeveer overeen met deze die er door de huidige wetenschap aan wordt toegekend, alleen het gebruik bij huidziektes komt wat vreemd voor. Het lijkt toch vooral tegen huidzeer gebruikt te zijn. Mogelijk omdat dan die plaatsen gewassen, schoon gemaakt werden met het sap en de antiseptische stoffen deden de rest. Hetzelfde zie je in het volgende gebruik in Herbarius in Dyetsche; ‘Gebakken knoflook die met suiker gemengd is en gegeten wordt verheldert de stem. Ook is het goed tegen oude hoest en tegen pijn in de maag die uit verkoudheid komt’. Dat vermeldt Dodonaeus ook.

(2)  Allen spreken van twee soorten knoflook. Platearius spreekt van allium domesticum en allium silvestre. De tweede is Allium scorodoprasum die in de Gart in kapittel 358 verschijnt en hier dus ook besproken wordt, zie daar.

Herbarius in Dyetsche vermeldt dat van de wilde wat de Gart van de tamme zegt. Dodonaeus; ‘De geslachten van look zijn tweevormig, te weten de tamme wat wederom in meer andere geslachten verdeeld wordt en de wilde dat ook veelvormig. Zijn bladeren zijn groen en langwerpig als uienbladeren waartussen een ronde holle steel voortkomt daar de bloemen en het zaad op groeien die op de bloemen en zaad van ui lijken, maar dit voortkomen van de steel gebeurt zeer zelden en dat nimmermeer het eerste of het tweede jaar, maar vele jaren nadat het gezaaid is en dit is de oorzaak waarom dat vele gemeend hebben dat look geen steel, bloemen of zaad voortbrengt. Look wordt niet geplant met de gehele bol, maar van kleine klisters waarin het van de bol gedeeld wordt en wordt geteeld op vele vormen zoals in het lang geschreven staat in de boeken van de landwinning. Het groeit ook van zaad, maar traag en enige verzekeren dat het zaad van niet verplant look dat gezaaid is tot vijf of zes keren toe tenslotte een vergiftige wortel voortbrengt. En voorwaar hier te lande is de eerste soort van look die zaad voortbrengt van vele hoveniers niet bekend die geen ander look in hun hoven onderhouden dan dat klisters in plaats van zaad heeft, ja ze zullen zeggen dat het look nimmermeer zaad heeft’.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Loock of Alleum is een plant die goed bekend is. Er zijn twee soorten van als een tamme die in de hoven groeit en een wilde die scorodoprasum heet. Tamme knoflook of huislook is heet en droog in de derde tot de vierde graad. Wilde look is heter en droger en daarom zal het gemakkelijk in venijn veranderen als je zo doet: ‘Neem knoflookzaad en zaai het en het zaad dat daarvan komt dat zaai je weer en zo een vijf of zesmaal door. Dan zal het laatste knoflook venijn worden’. Daarom moet je knoflook verplanten en niet zaaien vanwege deze zaak en niet anders al is het dat de hoveniers dit allemaal niet weten.

(3) Tegen het uitvallen van het haar dat uit stinkende vochtvermenging voortkomt: ‘Meng gestampte knoflook met de olie van laurierbes of met het droesem (dat is het dikke van de vlasolie) en daar mee bestrijk je die plaats’.

Tegen vochtige zweren en roos van het hoofd neem je gestampte knoflook en strijk dit er op. Tegen luizen en neten is het goed om knoflook te eten en andere dergelijke soorten.

De Meesters zeggen dat als je veel knoflook eet hoofdpijn krijgt, ja, als je het zeer veel eet geeft het melaatsheid en dergelijke zware ziekten. Als je rauwe knoflook eet verziekt dit het gezicht want het verdroogt zeer met natte ogen en houdt niet op. Tegen tandpijn is het goed om de mond lauw te wassen met water waar knoflook, mastiek en bertram in gekookt is.

Gebakken knoflook die met suiker gemengd is en gegeten wordt verheldert de stem. Ook is het goed tegen oude hoest (a) en tegen pijn in de maag die uit verkoudheid komt.

Knoflook verwarmt, besnijdt en verteert, daarom is het goed voor diegenen die grove, taaie vochtvermenging in de maag hebben.

Knoflook is goed voor diegene die paddenstoelen (dat is een cantharel) hebben gegeten, paddenstoelen, zegt men, zijn venijnig vanwege hun grote koude. Het is ook voor de rustende goed die overdag koud water drinken, grof eten en koude etenswaren gebruiken, daarom zegt men; ‘knoflook van de rustende’. Drieakel (4) is knoflook, het corrigeert en verbetert het water dat na het eten gedronken wordt, daarom is het voor de scheepslui die dikwijls slecht water drinken goed om te gebruiken.

Gewreven knoflook dat met honingwater ingenomen wordt laxeert slijm (uit de longen) en wormen.

Knoflook verdrijft heel goed de oprispingen die van windachtigheid komen en daarom zegt Galenus dat knoflook meer de winden verteert dan enig ander medicijn die de winden weg neemt.

Tegen morfeem (dat zijn plekken) snij eerst of sla op die plekken en dan wrijf je er het sap van knoflook op.

Als je de wortel van Iris eet is dit goed tegen de stank van knoflook.

(a) Tuberculose?

 

Herbarijs; ‘Allium, dat is looc, en het is heet en vochtig in de 4de graad. (2) En er zijn 2 soorten van, de ene is wild en de andere tam en die groeit in de hof waar men het plant en dat is wat we gewoonlijk gebruiken. En de andere groeit op het veld en heet scordion. Dit is niet zo fel als de andere en daarom gebruikt men het meest voor genezing. En dit verzamelt men op het eind van de lente en droogt het. Zo kan men het 2 jaar gebruiken, maar het is beter dat men het elk jaar vernieuwt. Maar dat men gewoonlijk gebruikt heeft grote kracht in het hoofd op te lossen en te verteren. En deert diegene die van hete samengesteldheid zijn zoals heet bloedige. Maar flegmatische helpt het wel en diegene die aanleg hebben om jicht te krijgen. (6) En verdroogt wulpsheid en lost grote wind op en verstopping.

Hippocrates zegt dat look goed urine laat maken. Nochtans deert het de ogen. En doodt de wormen. (7) En geneest dolle hondenbeten en giftige beten, gepleisterd. En het is goed tegen alle pijn die van verkoudheid komt zoals triakel. (4) En sommige meesters noemen het dorpstriakel.

Dioscorides zegt dat het grote winden laat scheiden en het lichaam ververst en helpt diegene die slecht water gedronken hebben. Ja gepleisterd op de plaats daar grote vochtvermenging verzamelen of vergaderd zijn laat die scheiden. En verzacht tandpijn die van koude komt. En verslaat dorst die van koude uit de maag komt. En geneest druppels en huiduitslag en puisten op welke plaatsen dat ze zijn, ja daarop gewreven en gepleisterd. (5) En laat de vrouw haar stonden hebben en verdrijft het net daar het kind in ligt als het vrouw na haar pijnen in bronwater zit daar het in gekookt is. Look dat in bossen groeit is heter en droger.

 

   

 

Odermynge Das fünfft Capitel

Agrimonia ferτaria minoτ latine·Argemonia grece·scelen arabice·

(Der meister Platearius und ander meister in dem capitel Agrimonia·spτechend·das dises kraut se˙ he˙ţ unnd trucken in dem zwe˙eten grad· (Diascorides·Odermynge grŭn gestossen·und also getruncken·vertreibet die erhabnen pestilencz in dem menschen·Unnd also genüczet·vertre˙bet s˙ alle geschwere jnnerlich. (Odermynge ist gůt dem die gestochen sind von vergifftigen thieren·als von schlangen des safftes getruncken·Und ob ein tobender hundt einen geb˙ssen het·der neme oderm˙nge und grüţ die·und lege s˙ darauff·er gen˙set·(Odermynge safft getruncken·vertre˙bet das bauchwee· (Odermynge grŭn und fr˙sch gestossen·und auf die bôsen geschwere geleget·danon sich erhebet der wolff·er gen˙set·(Oderm˙nge gemüschet mitt eţsig vertre˙bt die wĺrczen daτ auff geleget geleych einem pflaster·(Wer ein bôses milcz hĺt der bτauch oderm˙nge und h˙rţzung in der kost·er genyset·

(Die wurczel von odermynge gesoten mit wein und den genüczet·ist gűt den erlammten gel˙deren·(Der meister Galienus spricht·daz oderm˙nge fast gůt sej dem der den krebs hat·der sol odmynge eţsen in aller kost er ge [21] n˙set davon· (Oderm˙nge n˙met h˙n alle unre˙nigkeit des menschen es se˙ auff dem haubt oder allenthalben an dem le˙be·domit gezwagen und gewĺschen· (Oderm˙nge vertre˙bt den harwŭrm·die grůţ darauff geleget·(Item allen zerknüscheten gel˙dern ist die grůse saft gůtt·darauff gebunden· (Oderm˙nge heylet schleg und zerschlagne gel˙der·mit dem safft darauf gestrychen· (Item wôlcher ermŭdet wĺr von vil geen der bade die fŭţ mit oderm˙nge·er wirt davon leychtlichen widerumb geen werden· (Von oderm˙nge getruncken·vertreybet allen schmeτczen in dem le˙be· (Item. Odermynge ist fast gůt für den stein domit gebadet in einem schweiţ bade·der do gewachţen ist von hycze und von der dürτe·als denn sind die colerici· (Item Oderm˙nge ist gůt wid die bestopffung der gelyder jnnwenig·wann oderm˙nge ist enge bestopffung we˙t machen·darumb so ist es wol machen hĺrmen· (Item Odermynge safft mit sauer ampffer wasser vermenget·ist gůtt genüczt wider verh˙czet apostemen genannt antrox·und auch wider apostemen mit der pestilencz vermenget· (Item oderm˙nge wasser mit thncien vermenget·unnd zů den augen genüczet ist die augen gesundt machen und erklĺren·

(1) Agrimonie. Het vijfde kapittel.

Agrimonia ferraria minor Latijn, Argemonia Grieks, scelen Arabisch. (Agrimonia eupatoria)

De meester Platearius en andere meesters in het kapittel Agrimonia spreken dat dit kruid heet en droog is in de tweede graad. Dioscorides; Agrimonie groen gestoten en alzo gedronken verdrijft die verheven pest (4) in de mensen. En alzo genuttigd verdrijft ze alle zweren innerlijk. Agrimonie is goed die gestoken zijn van (4) vergiftige dieren zoals van slangen, het sap gedronken. En als een dolle hond een gebeten heeft die neemt agrimonie en vergruis die en leg het daarop, hij geneest. Agrimonie sap gedronken verdrijft de buikpijn. Agrimonie groen en vers gestoten en op die kwade (5) zweren gelegd, daarvan zich verheft de huidsmet, hij geneest. Agrimonie gemengd met azijn verdrijft de wratten, dat opgelegd gelijk een pleister. (2)Wie een kwade milt heeft die gebruikt agrimonie en hertstong in de kost, hij geneest.

De wortel van agrimonie gekookt met wijn en dan genuttigd is goed de verlamde leden. De meester Galenus spreekt dat agrimonie erg goed is die de kanker heeft, die zal agrimonie eten in alle kost, hij [21] geneest daarvan. Agrimonie neemt heen alle onreinheid van de mensen, hetzij op het hoofd of geheel aan het lijf, daarmee gedweild en gewassen. Agrimonie verdrijft de haarwormen, het gruis daarop gelegd. Item alle gekneusde leden is dat gruissap goed, daarop gebonden. Agrimonie heelt slagen en geslagen leden, met het sap daarop gestreken. Item wie vermoeid was van veel gaan die baadt de voeten met agrimonie, hij wordt (5) daarvan lichtelijk wederom gaande worden. Van agrimonie gedronken verdrijft alle pijnen in het lijf. Item. Agrimonie is erg goed voor de steen, daarmee gebaad in een zweet bad, die zo gegroeid is van hitte en van de droogte zoals dan zijn de galachtige. Item. Agrimonie is goed tegen de verstopping van de leden inwendig want agrimonie is enge verstopping wijder maken, daarom zo is het goed om plas te maken. Item. Agrimonie sap met zuringkruid water vermengt is goed genuttigd tegen verhitte gezwellen genaamd antrax (3) en ook tegen gezwellen met de pest (4) vermengt. (4)  Item agrimonie water met thucia vermengt en tot de ogen genuttigd is de ogen gezond maken en verhelderen.

 

Vorm.

Agrimonie heeft grijsgroene, geveerde en aromatische bladeren. Agrimonie met zijn slanke, lange aren van gele bloemen wordt een meter hoog in juni/juli. De bloe­sems worden gevolgd door stijve, harige en kleine zaden. De zaden hangen naar beneden en zijn klaar om je te bespringen.

 

Naam.

 (1) Dodonaeus; ‘In het Grieks en Latijn heet dit kruid Eupatorium, Plinius noemt het Eupatoria. Het heeft ook sommige onechte namen, te weten Hepatorium en Hepatites. Daar is nochtans noch een ander kruid Eupatorium door Apuleius genoemd, te weten Malrove. Daar is ook een ander Hepatorium in de apothekerswinkels zo genoemd dat gewoonlijk gebruikt wordt wat Eupatorium adulterinum heet of boelkenskruid. Dan de apothekers plegen dit kruid dat we nu beschrijven en Eupatorium noemen Agrimonia te noemen sommige noemen het Ferraria minor’.

Agrimonia komt van het Griekse agros, ‘veld’, en ’mone, ‘woonplaats’, een plant die in de velden groeit. Het kan ook ontleend zijn van argemon, ‘een witte vlek op de ogen’, (arges, ‘wit’) die deze plant zou genezen. Volgens de fabelleer hield de reus Argus zijn honderd ogen in goede staat door deze plant. Op deze wijze is Agrimonia van Argus af te leiden, zie Herbarius in Dyetsche (c). Net zo de Herbarijs.

Dodonaeus; 'Dat kruid heeft zijn naam Eupatorium van de koning Eupator gekregen en mag om die reden (zoals Plinius zegt) voor een heerlijk, ja koninklijk kruid in de oude tijden geacht worden. Niet tegenstaan al deze krachten en deugden van dit kruid zijn er sommige die in plaats van deze agrimonie (die nochtans het echte Eupatorium van Dioscorides is) liever en meer boelkenskruid mannetje gebruiken (Eupatorium), wel verstaande in de gebreken en ziekten van de lever waarnaar dat kruid zijn naam heeft, maar die zijn niet te berispen aangezien dat ze dat kruid krachtiger en beter bevonden hebben in die gebreken dan dit kruid dat we nu beschrijven wat van de ouders meer gebruikt is geweest’.

 Het is de Eupatorium van de oude schrijvers. Plinius zegt; ‘Eupatorium quoque regiam auctoritatem’, koninklijk kruid zegt Dodonaeus (naar koning Eupator).

Dodonaeus; ‘in het Hoogduits heet het Odermeng.

Het is de Duitse Odermenning, oder: otter of slang, oud-Hoogduits menig: groot of machtig, dus een krachtig middel tegen slangenbeten, maar in laat oud-Hoogduits was het Avar- of Avermonia, ook Adermeng, het mennig leunt wel aan de rode loodkleur aan, dit uit Latijns agrimonia wat weer afkomstig is uit Grieks argemone van Dioscorides.

Bij ons heet het ook wel leverkruid en in Engels liverwort. De Herbarijs, Herbarius in Dyetsche en Dodonaeus vermelden niets tegen de milt of lever.

 

Gebruik.

Het gedroogde kruid heeft een eigenaardige kruidachtige en bittere smaak. Het werd vroeger gebruikt als gorgelwater voor zangers en sprekers. De zogenaamde ‘heilandsthee’ is zeer goed tegen ontstekingen in de mond en daarom goed voor zangers. Al in de oudheid werd het kruid gebruikt als een opwekkende thee voor lever-, gal- en ingewandstoornissen. Tegen huidaandoeningen werd het vooral gebruikt in badwater.

Hildegard von Bingen ziet Odermennig aan als een middel tegen huidziektes. De tamelijk hoge hoeveelheid looistoffen (5%) in Agrimonia kan, gezien de bactericide en adstringerende werking de wond zuiverende, bloedstelpende en oogklarende werking enigszins verklaren.

(4) Het helpt tegen gif en giftige dieren, dus ook tegen pest.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘(5) Tegen pijnen en gezwellen van de leden meng je het sap van Agrimonia met meel van fenegriek, met bolus armeniacum (dat is rode aarde) en met zwijnenvet en gebruik het.

Als je Agrimonia met warme groente als hete spinazie eet is het goed tegen pijn in de buik en de milt.

Agrimonia is goed om te laten plassen, het opent de verstoppingen.

(3) Als je het groen stampt en samen met zuringwater drinkt is het goed tegen kwade puisten (als antrax) (b) en tegen beten van serpenten of dolle honden en als je het aan de buitenkant legt helpt het daar ook goed tegen’.

 

Herbarijs; ‘Agrimonie heelt wonden en is goed in wonddranken en is goed om er de wonden mee te wassen. En het is goed in diepe etterwonden en in kanker en in alle vuile gaten. En ze stelpt bloed in de neus en die het gebruikt geeft ze helder zicht’.

 

  

 

eppich vi Capitel

Apium latine·Gτece Selvium. Arabice Kaspar vel karsi·

(Der meister Platearius spτichet·das eppich se˙ heyţ unnd trucken bey dem dτytten grad.

(Der wirdig meister Avicenna spτicht·das eppich se˙ warm in dem ersten grad·und trucken in dem zwe˙eten grad·und d same von eppich mer genüczt weτde in der erczney denn das kraut oder die würczel· (Dises kraute gele˙chet den kerbeln.und hat we˙sse blŭmmlein.(Mercke·Wenn man schτe˙bet in den recepten apium·so me˙nend dye ĺrczte den samen und nit dz kraut noch die wurcz. (Eppich samen gebulfert und eingenommen mit rĺtich wasser·machet wol hĺrmen [22] und zerbτicht dem steiu inn d blasen und auch in den lenden· (Item Avicenna spτicht·das in d wurczel mer krafft se˙ denn in dem samen·und der same mer krafft hat denn das kraut· (Der meister ˙saac in seinen bůch genant de dietis particularibus in dem capitel apium spτicht·Das eppich gemüschet mit wein sŭţe gemacht mit honig genant mellecrat machet den menschen wol hĺrmen· (Und also genüczet bτingt auch die kranckeit der frawen genant menstruum· (Eppich also genüczet machet wol dĺuwen. (Plinius. Eppich wurczel gesoten mit wein und den getruncken treibet auţ den steine in der blasen und auch in den lenden· (Diascoτides in dem capitel Apium spτicht·das der samen von eppich fast gůt se˙ dem der nit hĺrmen mag· (Item die wurczeln von eppich gesoten in wein und den getruncken tre˙bt anţ dem menschen vergifft·Und also genüczet ben˙mmet das bτechen genant vomitum·und ôffnet den zerschwollen magen· (Der meister galienus in dem bůch genant de agricultura spτicht·das eppich samen bτing lust den mannen und auch den frawen·und d ursachen halb ist es verboten zů nüczen den ammen die kinder seügen·wann von grosser begirde der eppiche samen bτingt zů unkeüscheit ben˙mmt er den ammen die milch und fallen die kind darnach in groţ kranckheit· (Eppich samen genüczet machet einen wolriechenden mundt·Darumbe wôlicher mit fürsten oder mit herren reden wolt d mag voτh˙n epich bτauchen in der kost· (Wervon sucht sein farbe verloτn hett d esse eppich samen tĺglich in der kost s˙ wirt im wider kommen· (Epich samen mit fenchel safft und also genüczet hilffet der geschwollen milch in den bτüsten·also das s˙ darnach nit schwerent· (Dises hilfft auch der siechen lebern und milcz· (Des geleichen ist epich mit petersilg wurczel mit wein gesoten den wassersüchtigen gůt die von kalter materien kommet. (Eppich safft mit dem weissen eines eyeţ zerschlagen und mitt wercke also ein pflaster auff die wunden gelegt·seübert s˙· (Galienus spricht·Wőlche frauwen kinder tragen die sollen epich samen me˙den·wann an des kindes le˙b werden davon unre˙n plattern· (Auch spτichet Galienus. Eppich dicker mal genüczet ist die fallend zucht bτingen·Unnd schwanger frawen sollen nit nüczen eppich·wann es ôffnet die flüţs des ungeboτnen kindes ee es die zeit begreiffet· (Und frauwen de kinder sind seügen sollen nit nüczen eppich·auff daz s˙ nit unsining werden od die fallend sucht nit überkommen·wann epich ist tĺmpff in das haubt übersich bewegen· (Item.Eppich unnd stabwurczel gesotten in laugen davon gezwagen ist gůt für daz har auţ fallen genannt alopicia.(b.j) [23]

Selderij 6de kapittel.

Apium Latijn, (1) Grieks Selvium. Arabisch Kaspar vel karsi. (Apium graveolens)

De meester Platearius spreekt dat selderij heet en droog is bij de derde graad.

De waardige meester Avicenna spreekt dat selderij warm is in de eerste graad en droog in de tweede graad en het zaad van selderij meer genuttigd wordt in de artsenij dan (2) dat kruid of de wortel. Dit kruid lijkt op de kervel en heeft witte bloempjes. Merk: Als men schrijft in de recepten Apium dan bedoelen de artsen de zaden en niet dat kruid noch het kruid. Selderij zaden gepoederd en ingenomen met radijswater maakt goed (3) [22] plassen en verbreekt de steen in de blaas en ook in de lenden. Item, Avicenna spreekt dat in de wortel meer kracht is dan in de zaden en de zaden meer kracht hebben dan dat kruid. De meester Isaac in zijn boek genaamd de dietis particularibus in het kapittel Apium spreekt dat selderij gemengd met wijn en zoet gemaakt met honing genaamd mellecratum maakt de mensen goed plassen. En alzo genuttigd brengt het ook de ziekte der vrouwen genaamd menstruatie. Selderij alzo genuttigd maakt goed verteren (verduwen). Plinius: Selderij wortel gekookt met wijn en dan gedronken drijft uit de steen in de blaas en ook in de lenden. Dioscorides in het kapittel Apium spreekt dat de zaden van selderij erg goed is die niet plassen mag. Item de wortels van selderij gekookt in wijn en dan gedronken drijft uit de mensen vergift. En alzo genuttigd beneemt dat braken genaamd vomitum en opent de gezwollen magen. De meester Galenus in het boek genaamd de agricultura spreekt dat selderijzaden brengt lust de mannen en ook de vrouwen en vanwege die oorzaak is het verboden te nuttigen de voedsters die kinderen zuigen want van grote begeerte der selderij zaden brengt het tot onkuisheid en beneemt de voedsters de melk en valt dat kind daarna in grote ziekte. Selderijzaden genuttigd maakt een welriekende mond. Daarom wie met vorsten of met heren reden wil die mag voorheen selderij gebruiken in de kost. Wie van ziekte zijn kleur verloren heeft die eet selderijzaden dagelijks in de kost, het zal hem weer komen. Selderijzaden met venkelsap en alzo genuttigd helpt de gezwollen melk in de borsten alzo dat ze daarna niet zweren. (6) Dit helpt ook de zieke lever en milt. Desgelijks is selderij met peterseliewortel met wijn gekookt de waterzuchtige goed die van koude materie komt. Selderijsap met het witte van een ei doorslagen en met (doek) werk alzo een pleister op de wonden gelegd zuivert ze. Galenus spreekt; (4)  Welke vrouwen kinderen dragen die zullen selderijzaden mijden want aan het kind lijf worden daarvan onreine plaatsen. Ook spreekt Galenus: Selderij dikwijls genuttigd is de vallende ziekte brengen. En zwangere vrouwen zullen niet nuttigen selderij want het opent de vloed van de ongeboren kinderen eer de tijd rijp is. En vrouwen die kinderen zuigen zullen niet nuttigen selderij opdat ze niet onzinnig worden of de vallende ziekte niet overkomen want selderij is damp in dat hoofd over zich bewegen. Item. (5) Selderij en staafwortel gekookt in loog en daarmee gedweild is goed voor dat haar uitvallen genaamd alopicia. [23]

 

Vorm.

Eppe of selderij is een tweejarig kruid met een gevoorde en vertakte stengel. De bladeren zijn glimmend, gelobd of drievoudig gedeeld. De witte bloemen staan in eindstandige of okselstandige schermen, van juni tot september.

 

Naam.

 (1) Dodonaeus; ‘In het Latijn is dit gewas Palustre Apium of, zo Gaza schrijft, Paludapium genoemd alsof men broek eppe zei, in de apotheken alleen Apium zonder enige toenaam, in het Grieks Elaeoselinon of liever Eleioselinon en in onze taal gewoonlijk eppe en soms joffrouw-merck, in het Hoogduits Epffich’.

Apium is afgeleid van apon: een Keltisch woord voor ‘water’, een waterplant. De naam verbasterde van apium (eigenlijk een plant die door de bij (apis) bij voorkeur bezocht wordt) tot het Midden-Nederlands eppe en midden-Hoogduits Eppe en Eppich of Epffich.

Onze naam selderij, de Duitse Sellerie en Engelse celery stammen uit het Franse celeri uit de 17de eeuw. Dit op zijn beurt is ontleend aan het Italiaans selleri, dat weer afkomstig is van het Latijnse selinum en deze weer van een Griekse naam voor de plant, selinon.

 

Werking.

De zaden van selderij leveren een vluchtige olie die voor likeur, parfum en zeep gebruikt worden, ook voor het kruiden van voedingsmiddelen. Een extract van de zaden wordt wel voor medische doeleinden gebruikt. Omdat het veel keukenzout bevat werkt het gunstig op blaasziektes en nierziektes.

 

Herbarius in Dyetsche: ‘Eppe of ionffrou merck is hetzelfde als Apium, die is heet in de eerste en droog in de tweede graad zoals Avicenna zegt, maar volgens Platearius is het heet omtrent de derde en droog in het midden van de derde graad. (3) Het heeft de kracht om oprispingen en gezwellen te ontbinden, verstoppingen te openen en tevens om de pijn te verzachten. (e )Er zijn vele eppesoorten zoals de tamme die in de hof groeit en de wilde die in het wild groeit, ook is er nog een andere die in het water groeit. Het zaad, eppezaad genoemd, moet je in medicijnen doen want dat heeft de meeste kracht, het is goed tegen een stinkende mond.

Ook is eppe goed tegen verstopping van de lever (a) en van de (6) milt die uit koude zaken komen als je het zo maakt: ‘Neem van eppezaad drie grein; van hertstong en bernagie elk een half grein; een hand vol van van gele lis wortels; van Bruscus en asperge, van elk twee drachmen; venkelzaad en peterseliezaad, van elk een drachme; dit kook je in water totdat de helft verkookt is, dat doe je door een doek en maak het zoet met witte suiker waar je een drank van maakt die je gebruikt zoals eerder in het negende kapittel is beschreven met zijn pillen en versterkende dingen’.

Tegen verstoppingen van de lever (b) en van de milt leg je er deze pleister op: Neem het sap van eppe, dillenzaad en heemstwortel en meng het tezamen met meiboter.

Tegen de steen om die te breken: ‘Neem het sap van eppe, duizendblad, steenbreekzaad en krieken over zee, hiervan maak je een siroop’.

(5) Tegen het uitvallen van het haar: ‘Neem loog en daarin kook je eppe en averone en daar mee was je het hoofd’.

(4) Eppe sterkt en maakt een geneigdheid tot de vallende ziekte, (c) daarom zegt Galenus dat vrouwen die kinderen dragen dit moeten vermijden want het ontbindt de stof waar de vrucht in het lichaam mee gebonden is. Het maakt in de vrucht blaren en schurft. Diegene die hun kinderen zogen zullen moeten afwachten of hun kind de vallende ziekte krijgt of gek wordt want het ontbindt hun materie en jaagt die opwaarts omdat de gangen van de kinderen nauw zijn, daarom zijn ze bevattelijk om de vallende ziekte te krijgen. Eppewortel dat met venkel in het sap van aardrook en van Salvia sclarea gekookt en met suiker zoet gemaakt wordt is een goede siroop tegen waterzucht die uit slijm komen. Ook tegen geelzucht die uit verstopping (b) komt.

Eppe, venkelzaad, peterseliezaad dat met duizendblad in wijn gekookt wordt is goed tegen aandrang tot waterlozing (d), het laat plassen en de menstruatie komen, vooral laat het plassen als in het kooksel licoutripon wordt gedaan’

. (a, b,) Galstenen? (c) Epilepsie. (d) Urineweginfectie.

 

Maerlant; ‘Apium, zoals Platearius dacht, dat verhit en verdroogt. De wortel is de medicijn hem die van dysenterie heeft pijn en is ook voor de lever goed opdat men ze stampen doet en men drinkt het met lauwe wijn tegen zulke pijn’.

 

Herbarijs; ‘Apium of marke of apie of eppe, dat is allemaal hetzelfde. Het is heet minder dan in de 3de graad en droog in het midden van de 3de graad. En het zaad heeft de meeste kracht, daarna de wortel en daarna het kruid. En als men het beschreven vindt zal men het zaad nemen. En het opent (6) verstopping van de milt en laat urine maken en de vrouw haar stonden hebben. Hippocrates zegt dat de bladeren van Apium beter urine maken dan ze de loop verstopt, nochtans verstopt ze de loop. Het sap van Apium met venkel verjaagt de koorts. En zaad van Apium is goed om alle koude vochtvermenging te laten rijpen. Apium zaad, zeem en tarwebloem tezamen gemengd en gepleisterd verzacht en verdroogt diepe etterwonden en alle vuile gaten en gezwellen en kanker. En Apium heeft kracht vloeiende vochtvermenging te verdrijven in het hoofd en in de maag en van de tong. (4)  En diegene die vallende ziekte hebben zal men het niet geven want ze deert hen en laat hen vallen en ze zullen het niet ruiken. En ze deert kinderen. En ze is kwaad gegeten door vrouwen die een kind dragen omdat kwade vochtvermenging in de baarmoeder van de vrouw gegroeid zijn want het kind is ermee gevoed en omdat ze de banden breekt waar het kind in gebonden ligt.

Galenus zegt dat vrouwen die kinderen dragen en veel Apiumzaad nuttigen dat die kinderen met recht vuile blaren hebben en veel vochtvermenging en vuile wonden en vuile gaten. En daarom verbieden de dokters de vrouwen die kind dragen of zuigen dat ze geen Apium eten zodat die kinderen niet besmet worden met vallende ziekte of met andere ziektes zoals gezegd is. En het is slecht voor de kinderen.

(e ) En het is er in 3 soorten; Apium reninum. Apium ermoroydarum. Die gekookt in wijn en gepleisterd op de geslachtsdelen of beneden de navel is goed voor de lendenen en laat goed urine maken. Een ander geslacht van Apium is er die de dokters Cerfolium (Anthriscus cerefolium) noemen en mensen schelden het uit voor kervel. En ze is heet in de 3de graad. En gedronken met wat zeem laat goed urine maken en de vrouw haar stonden hebben. En verzacht de nieren en de geslachtsdelen en kramp en de blaas dat van grove wind komt. En verzacht ook de wind in die en in de lever en opent alle leden binnen van verstoppingen die verstopt zijn.

En noch is er 1 geslacht van Apium dat men Petroselinum (Petroselinum crispum) noemt en sommige mensen noemen het persiin. En dat is heet en droog op het einde van de 3de graad. Galenus zegt dat peterselie gepleisterd op druppels en op huiduitslag en op puisten het zuivert. En het zaad er van laat goed urine maken en de vrouw haar stonden hebben en lost op wind en opblazen en verzacht de pijn van de blaas. En het is goed tegen het water en zuivert de lendenen en lever en vulva en de nieren het meest. En scheidt onderbuikspijn dat van wind komt. En in vulva gedaan laat het menstruatie hebben en leegt het dode kind uit het lichaam en het net daar het in ligt’.

(e) Platearius noemt de gewone, maneries apii; 1. Apium raninum vel reninum, de 2de is apium emorroydarum, emorroydas exiccat, de derde is Apium risus, ‘quia melancholicum purgat humorum abundantem, ex cujus abundantia fit tristitia’. De Gart noemt 4 soorten, 1; Eppe of Apium. 2. Wilde eppe, apium silvestre, (Ranunculus sceleratus),  3 Apium rusticum Latijn. Watermerk. (Sium latifolium.  4. Vighe bladeren eppe, apium emorroydarum latine, (Ranunculus ficaria).

 

Dodonaeus; ‘Juffrouwmerk is van aard en ganse gestalte de hofeppe of gewone peterselie gelijk, maar warmer en droger en in vele dingen krachtiger in het werken.(2) Maar in spijs wordt dit gewas niet gebruikt, noch men houdt het niet geschikt om er sausen van te maken of de spijzen enige smaak te geven, dan in de medicijnen en tot vele gebreken is het nuttig.

 

  

 

wilden eppich vii Ca

Aium silvestre latine·

(Die meister spτechen·das dises sey ein kraut ha˙ţ und trucken be˙ dem dritten grade·(Dises wechţt geren be˙ den faulen wassern do die frôsch wonen·(Auch nemen etlich dises apium risus·wann der mensche der dises nüczet in den le˙be der lachet also seer das er davon stirbt·(Darumbe dienet diţes wol melancolicis·das ist·denen die kaltter und truckner natur sind und wenig freüd haben von natur·und gern mit jn selbţ reden·Aber voτ allen dingen rat jch das mit in den le˙b zůnemen·der ursachenhalb das die frôsche und krotten darauff le˙chen und andere vergifftige thier·(Auch jst dises kraut von natur also das ein ˙egklich vergifftig thier davon nitt kumbt es hab seine nature darauff gewoτffen van freüden und küczlung seines samens·(Von disem kraut beschre˙bet uns diascoτides·und sprichet·das dises kraut beneme unnd he˙le acrocoτdines·das sind lichdoτn oder wĺrczen auff den zehen an den fŭssen·(Auch nemen etlich meister dises poτrt·Diţs kraut zerknüschet und auff gelegt gele˙ch nem pflaster·(Disses krautes safft ben˙mmet den frawen jr geschwulst an dem brüsten darauff geleget mitt e˙bisch wurczelen·(Der same dises krautes vermage alle dise obgeschribne stucke·und der same jst nit also soτgklich zů nüczen in den le˙be alţ dann ist das kraut·(Von disem samen getruncken ist fast nücze denen die den viertĺgklichen ritten haben·den mit wein eingenomen und machet wol hĺrmen·(Auch ben˙mmet der samen die verstopffung des milczes unnd der lebern· [24]

Wilde selderij, waterhanenvoet, 7de kapittel.

Apium silvestre(1) Latijn. (Ranunculus sceleratus)

De meesters spreken dat dit een kruid is dat heet en droog is bij de derde graad. Dit groeit graag bij het vuile water daar de kikkers wonen. Ook noemen ettelijke dit Apium (2)  risus want de mens die dit nuttigt in het lijf die lacht alzo zeer dat hij daarvan sterft. Daarom dient dit goed melancholische, dat is die van koude en droge natuur zijn en weinig vreugde hebben van natuur en graag met zichzelf reden. Maar voor allen dingen raad ik dat niet in het lijf te nemen, vanwege de oorzaak dat die kikkers en padden daarop liggen en andere vergiftige dieren. Ook is dit kruid van natuur alzo dat ieder vergiftig dier daarvan niet komt het heeft zijn natuur daarop geworpen van vreugde en gauw zijn zaden. Van dit kruid beschrijft ons Dioscorides en spreekt dat dit kruid beneemt en heelt acrocordines, dat zijn likdorens of wratten op de nagels aan de voeten. Ook noemen ettelijke meesters dit porrt. Dit kruid gekneusd en opgelegd gelijk een pleister. Dit kruid zijn sap beneemt de vrouwen hun gezwellen aan de borsten daarop gelegd met heemstwortels. De zaden van dit kruid vermag alle deze opgeschreven stukken en het zaad is niet alzo zorgelijk te nuttigen in het lijf als dan is dat kruid. Van deze zaden gedronken is erg nuttig diegene die de vierdaagse koorts hebben, dan met wijn ingenomen en maakt goed plassen. Ook benemen de zaden de verstopping van de milt en de lever. [24]

 

Vorm.

Dodonaeus: ‘De eerste soort van wilde Ranunculus of hanenvoet die eigenlijk waterhanenvoet genoemd wordt heeft ronde, effen en binnen holle, soms dikke en in zijtakken verdeelde stelen, de bladeren zijn breed, effen en glad of kaal en aan de kanten gekerfd of gekloven die op lange dikke vette steeltjes voortkomen, de bloempjes die op de toppen van de stelen staan zijn geel van kleur, bleker nochtans en kleiner dan die van de boterbloemen en als die afvallen komen er ronde hoofdjes na die veel op de eerst uitkomende dotjes of toppen van de asperges of koraalkruid lijken. De wortels zijn wit en met vele vezels gevezeld. Dit gewas blinkt met een bleekgroene kleur in al zijn delen’.

 

Naam.

(1) Zie kapittel 6 over de verschillende soorten Apium.

Dodonaeus: ‘Deze kruiden voeren eigenlijk de Latijnse naam Ranunculus en de Griekse Vatrachion of Batrachion als of men kikkerkruid zei, soms ook Selinon agrion, in het Nederduits heten ze hanenvoet, in het Hoogduits ook Hanenfusz. Apuleius heeft er meer namen van, deze Latijnse namelijk Apium risus, Herba scelerata, Apiastellum, Dentaria en Auricomum waarvan er weinig aan de geslachten van hanenvoet eigenlijk toekomen, maar sommige mogen deze wel meegedeeld worden en sommige schijnen de andere geslachten eigener te wezen. De eerste soort mag eigenlijk Ranunculus silvestris primus heten, in het Latijn ook wel Apium palustre en Ranunculus aquatilis of Ranunculis palustris, ja ook niet slecht Apiastellum, in het Nederduits water-hanen-voet, in het Hoogduits Wasser Hanenfusz’.

De naam eppich is afgeleid van Apium en dan de wilde.  De naam komteppe komt wel van Hedera, epfich.

(2). Het gewas lijkt wel wat op selderij, Apium en doordat het krampen in het gezicht veroorzaakte was de naam vroeger Apium risus; lachselderij. Die stof zit vooral in de onrijpe zaden. De wortel is zeer scherp en in de neus gestoken wekt het niezen op en zo als een nieskruid gebruikt. In het eiland Sardinië groeit een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen die een stuipachtig vertrekken van de mond teweegbrengt, risus Sardonius. Ranunculus thora en Ranunculus sceleratus werden door de Romeinen sardonia genoemd omdat ze prikkelden tot een sardonische stuiplach. Bij de oerbevolking van Sardinië bestond het gruwelijke gebruik om de ouden mensen te doden, daarbij zou gelachen worden. Dat was de beruchte risus Sardonius, een krampachtig lachen waar de ziel niet aan deelneemt. Vandaar Italiaans riso sardonic, Frans ris sardonien, sardonique, Engels sardonic laughter.

Sceleratus betekent misdadig omdat de plant blaartrekkend is en door bedelaars en landlopers gebruikt werd om er zichzelf en hun kinderen mee in te smeren en zo blaren te veroorzaken om medelijden op te. Zo werden ze ook gebruikt door de mannen die voor militaire dienst opgeroepen werden om door de blaren afgekeurd te worden. Het is een ongelukkig gebruik, het veroorzaakt een wond die niet gemakkelijk heelt.

 

Gebruik.

Dodonaeus; ‘Deze wilde soorten van hanenvoet zijn door hun scherpe heet brandende aard zeer goed in alle gebreken van de huid als melaatsheden en meer andere diergelijke ruigheden en schurftheden op te halen en te laten vervellen, matig en voorzichtig gebruikt en zijn ook goed opgelegd om de kwade zwerende nagels te genezen en af te laten vallen en nemen ook de plakken en liktekens van de melaatsheid weg en zijn daardoor goed om alle wratten, knobbels en eksterogen weg te nemen.

Ze zijn ook goed om de kwade schurft van het hoofd te genezen en om het uitvallen van het haar te beletten als men die niet lang op de huid laat liggen maar terstond afneemt, (2) want als het wat lang op enig deel van het lichaam blijft liggen laten ze niet alleen de huid vervellen en open gaan, maar maken er bleinen, blaren, gaten en roven in door hun grote brandende kracht, niet zonder pijn en weedom.

Al dit kunnen de stelen en bladeren zeer krachtig doen als men die noch groen en vers oplegt.

 

  

 

bauern eppich

viii capitel

Apinm rusticum latine·

(Die me˙ster spτechen das diţ kraut he˙ţ und trucken se˙ be˙ dem vierden grade·und wirt von etlichen genant Apiuz regale d ursachen halb das es rechtfertiget alle andere kreüter mit denn es denn genüczet wirt auff zů lôsen uud zűbτechen den stein in dem lenden·(Diţ kraut gestossen und gemüscet mit we˙n domitt die kalt haut gewĺschen bτingt dar ein natürliche h˙cz·(Diţ krantes safft he˙let den krebs den gemüschet mit eţsig und darauff gelegt geleich einem pflaster·ix·tag nach einander·(Von disem kraut gemachet ein laug un dz haubt damit gewĺschen ben˙mbt die schŭpen auff dem haubt und machet har wachţen·(Der safft dises krauts dienet fast wol dem reüdigen menschen·die haut domitt bestrichen·und ben˙mbt die geschwulst des bauches behendigklich·

(1) Boeren selderij, 8ste kapittel.

Apium rusticum Latijn. Watermerk. (Sium latifolium)

De meesters spreken dat dit kruid heet en droog is bij de vierde graad en wordt van ettelijke genaamd Apium regale, vanwege de oorzaak dat het rechtvaardigt alle andere kruiden waarmee het dan genuttigd wordt op te lossen en te (2) breken de steen in de lenden. Dit kruid gestoten en gemengd met wijn en daarmee die koude huid gewassen brengt daar een natuurlijke hitte. Dit kruid zijn sap heelt de kanker dan gemengd met azijn en daarop gelegd gelijk een pleister 9 dagen na elkaar. Van dit kruid gemaakt een loog en dat hoofd daarmee gewassen beneemt de schilfers op het hoofd en maakt haar groeien. Het sap van dit kruid dient erg goed de ruige mensen, de huid daarmee bestreken en beneemt de gezwellen van de buik behendig.

 

Dit is weer een van de soorten van Apium of eppe die bij Herbarius in Dyetsche en Herbarijs alleen genoemd worden, verder niets. Zie kapittel 6

 

Vorm.

Dodonaeus; ‘De grote watereppe heeft recht overeind staande lange, honderd twintig of honderd vijftig cm hoge, dikke, gestreepte, kantige en holle stelen die naar boven wat dunner worden en in ettelijke zijscheuten verdeeld zijn. De bladeren zijn langwerpig en van vele tezamen verzameld en elk apart is effen, kaal, glad en vet en rondom als een zaag gekerfd en kleiner dan de enkele bladeren van Hipposelinum. Op het opperste van de stelen groeien kroontjes met witte bloempjes. De wortels zijn zwarte dunne en bijna haarvormige vezels die niet alleen onderaan en naast de grond en in de aarde groeien, maar ook aan de knoopjes van de steeltjes voortkomen zover als die onder het water schuilen of in het slijk vast houden. Voorts zo is dit kruid in alles sterker van reuk dan de echte eppe’.

 

Naam.

(1) Apium rusticum; van de boeren, vandaar bauern eppich.

Dodonaeus; ‘In onze taal is dit kruid watereppe genoemd, in het Hoogduits Wasser Eppich, Frosch Eppich en Wasser Marck, alsof men in het Latijn Apium aquatile of Hydroselinon zei. Plinius en andere oude schrijvers noemen het in Latijn Laver en Dioscorides Sion. Daarom hebben we de eerste soort eigenlijk Sium of Laver genoemd en in onze taal eerste watereppe of grote watereppe. Sommige zeggen dat het Sion genoemd wordt omdat ze eenparig geschud en van de voorbijlopende wateren, waar ze in het midden groeit, al waggelende tegenaan gesmeten wordt en gewassen waarvan dat het ook in het Latijn Laver genoemd wordt’.

 

Gebruik.

Dodonaeus: Het Sion, (dat is onze watereppe) als Galenus betuigt, is wel alzo zeer verwarmend van krachten als het welriekend in het smaken is.

Watereppe rauw of gekookt ingenomen verwekt de maandstonden van de vrouwen en laat ze gemakkelijker baren of van kind verlossen en jaagt de nageboorte en dode vruchten af, laat ook water maken en (2) breekt de steen en laat de gebroken steen rijzen en afgaan, hoe en op welke manier dat het gebruikt wordt, als Dioscorides betuigt, die ook schrijft dat het zeer nuttig ingegeven wordt aan diegene die de rode loop hebben of met enige buikloop gekweld zijn. Het gehele kruid gekookt en dat wat gedronken opent de verstoppingen van de milt en is goed tegen de geelzucht en waterzucht.

 

  

 

 feuchtblatern eppich.

ix capitel

Apium emoτrodiarum latine· (Die me˙ster spτechen gemeynigklich das diţ kraut se˙ he˙ţ und trucken·an dem vierden grad. Unnd dienet für den fluţ genant emoτroidalis·das ist ein fluţ in dem afftern gemüschet mitt feüchtblattern· (Für disem fluţ sol (b.ij) [25] dises krant gestossen werden und davon gemachet ein pflaster und darauffe geleget·heylet den on zwe˙fel· (Auch mag dises kraut genüczet werden zů vunnden die seer blůten·darauff geleget mit eţsig und rosenwasser· (Dises kraut gesoten mit wein und domit gewĺschen die unre˙nen haut moτfea genant·reinigt die von grunt und machet die glat und schôn. (Die wurczel dises krautes gedoτret darnach die gestossen zů bulfer·und dises in ein faule wunden oder fle˙sch gestreüet eczet das auţ on allen wee tag· (Und sunderlich sol disses kraut genüczet werden mit den erczne˙enn die do dienen zů den feüchtblattern·s˙ hilffet on allen zwe˙fel die von grundt auţ verzeren·

Speenkruid,

9de kapittel. (Ranunculus ficaria)

Apium emorrodiarum Latijn. De meesters spreken algemeen dat dit kruid heet en droog is aan de vierde graad. (2) En dient voor de vloed genaamd emorroidalis, dat is een vloed in de achterste gemengd met aambeien. Voor deze vloed zal [25] dit krant gestoten worden en daarvan gemaakt een pleister en daarop gelegd, het heelt dan zonder twijfel. Ook mag dit kruid genuttigd worden tot wonden die zeer bloeden, daarop gelegd met azijn en rozenwater. Dit kruid gekookt met wijn en daarmee gewassen de onreine huid morfea genaamd reinigt die van grond af aan en maakt die glad en schoon. De wortel van dit kruid gedroogd en daarna die gestoten tot poeder en dit in een vuile wond of vlees gestrooid eet dat uit zonder alle pijndagen. En vooral zal dit kruid genuttigd worden met de artsenijen die je dienen tot de aambeien, ze helpt zonder alle twijfel die van grond uit verteren.

Zie kapittel 6 voor een Apium soort.

 

Vorm.

Het blad is ei/niervormig en glanzend groen, ze variëren in vorm en grootte. De bladeren zitten aan zachte kruipende ranken. Ook in kleur variëren ze, van donker groen tot een lichtere tint.

Dit is een van de eerst voorjaarsbloeiers waar de bloem geboren wordt op lange stevige stengels. De bloemen hebben een glinsterende coating van een vernisachtige gom dat een gele weerspiegeling geeft aan de lippen en kin. Dit als kinderen ze gepro­beerd hebben als "boter". Sommige planten vormen geen okselknolletjes, maar produceren dan veel kiembaar zaad, de okselknol exemplaren hebben slecht kiemende zaden.

 

Naam.

De plant heeft een verbinding met twee andere planten, de eerste met Scrophularia nodosa als een plant die tegen aambeien gebruikt werd. De tweede is met stinkende gouwe of Chelidonium.

(1) Dodonaeus; ‘Dit eerste kruid wordt in het Dietse groot speenkruid genoemd, in het Hoogduits Grosz feigwurtzenkraut’.

Speenkruid, speen is de gouden ader, de hamorrhoide, de Franse herbe aux hemorroides. In oud-Hoogduits was het Vigwurz, midden-Hoogduits Vicwurz of Vicwarz, staat in de gelijke betekenis met vic, vergelijk Italiaans fico: vijg, uit die verkorte vorm is Feigwurz ontstaan, Feigwarzenkraut bij Bock, Feuchtblatern. Hildegard von Bingen noemt de kleine chelidonium Ficaria, Feigwurtz.

Dodonaeus; ‘Sommige noemen het ook vijgebladeren eppe, in het Latijn Apium haemorrhoďdale. De naam Haemorrhoidalis in het Latijn heet eigenlijk speenkruid in onze taal. Dit gewas heet in het Grieks Chelidonion micron, in het Latijn Chelidonium minus en Hirundinaria minor, in de apotheken en ook elders noemt men dat Scrophularia minor en Ficaria minor. Serapion noemt dat Memiten, in het Italiaans wordt het fanoscelle genoemd, in het Frans esclere en petit bassinet, in het Hoogduits Feigwurtzenkraut, Blaternkraut, Klein Schwalbenkraut, Pfaffenhoetlin en Meyenkraut, in het Nederduits speenkruid en klein gouwe’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche;’Gouwortel of sceelwortel of celidonia. Die is tweevormig, te weten de grotere en kleinere, nochtans de een neemt men voor de ander.’

Herbarijs; ‘Celidonia, dat is scelleworte en het is heet en droog in de 3de graad en sommige zeggen in de 4de . En men vindt er 2 soorten van, de ene heet Indicum en heeft gele wortels en is de beste. En de andere vindt men in vele plaatsen en die is niet zo goed…., zie stinkende gouwe, kapittel 85. Er zijn 2 soorten, Indicum, met gele wortels en de beste soort. De ander is een veel voorkomende soort die kleiner is en minder werkzaam. Hierin volgt hij Platearius; ‘due sunt maneries seu indica que maioris est effecacie et citrinam hebet radicem. Et (alia) quae in nostris partibus reperitur minoris est efficacie.tamen altera pro altera poni potest’.

 

Dodonaeus merkt al op dat het kruid veel lijkt op een Ranunculus; ‘Dit kruid heeft ook een hete en droge kracht en is zelfs veel heter en scherper dan de grote of stinkende gouwe en komt zeer dicht bij de krachten van hanenvoet of boterbloemen. Speenkruid kan de huid snel ophalen en laten zweren, zo Galenus en Dioscorides betuigen, het doet de oneffen of ruwe nagels afgaan en afzweren.

Het sap van de wortels van speenkruid door de neus opgetrokken, dat is met het snuiven ophalen of in de neusgaten steken, zuivert het hoofd door de neus.

(2) In onze tijden en wat er voor toen men de worteltjes met de aanhangende korreltjes of korentjes begon te gebruiken om de spenen te genezen en men heeft dit kruid daarom de naam van speenkruid gegeven want de spenen of aambeien dat met het sap van dit kruid of van zijn wortels met wijn of plas van de zieke gemengd is en dikwijls gewassen en nat gemaakt worden kleiner en ineen getrokken en verdrogen geheel en de pijn vergaat gans. Ja, sommige menen dat dit kruid maar bij ons gedragen de smarten van de aambeien genezen en verzoeten kan. Deze kleine gouwe is heet en scherp van krachten, zoals gezegd is, dan anderen zeggen dat ze noch een scherpere kracht krijgt als ze op droge plaatsen groeit.

Zowel de bladeren als de wortel genezen de kroppen of zweren aan de keel en andere vuile zweren, ook aambeien, kanker, wratten, zwammen en koude gezwellen door een zacht makende en verdelende kracht die ze heeft.

 

  

 

Holwurcz x capitel

Aristologia latine Accanug arabice vel Carabuth·Ariston grece vel fetalogos Apiston vel pavodτicia·

(Die meister spτechen·das do se˙ zwe˙er hant aristologia die ein lang·die ander rotund·und sind beyd he˙ţ in dez ersten grad unnd trucken in dem andern· (Serapio spτicht·das die rotunde holwurcze hatt bletter geleich d gundelreben und lange stengel die geen auţ einer wurczel·Dises hat ein weisse blůmen die ist jnwendig rot und stinckt unnd hat ein runde wurczel· (Es ist auch ein andere holwurcz die runde wnrczeln hat und bletter als rauten und ein blůmen die bτaun ist·Und spτichet auch das do sind zwe˙erle˙ gestaltt der holwurcz genant aristologia·Die lange mĺnlich·die rotund freülich·Und die rotund holwurcze bτaucht man fast mer in d erczene˙ dann die langen·und die wurczel davon mer dannn die bletter. (Item·die wurczel sol man auţ graben in dem winter voτ d zeit ee die blůmen herfür kumbt die selb wurczel hat vil tugent in ir wann sy verzeret und tre˙bt aus vergifft·und die wurzeln mag man halten zwe˙ jar unversert an ierer krafft·Wer do fast ke˙chet genant asmaticus·der nem holwurcz und wenig encian und leckricz·und müsche das mit hônig·und mache darauţ ein müschung genant electuarius·und [26] nücze das·es hilfft· (Wôlicher hett epilentiam·das ist die fallent sucht·oder das gegicht in den gel˙dern·d neme holwurcz zwei lot und ein gummi genant eufoτbium und biberge˙l ˙egkliches ein quintin·unnd siede das mitt banmôle·und schmierbe domitt den ruck me˙sel von dem halţ biţ auff den afftern es hilffet·(Holwurcz gebulfert und gemüschet mit eţsig·ist gůt den reüdigen domit gewĺschen·(Holwurcz gebulfert und in die faulen wunden gestreüet·he˙let s˙·und verzert das faul fleisch darin. (Holwurcze he˙let fisteln·die fisteln voτhin geweschen mit laug gemacht von bircken ĺschen oder mit alaunwasser·und darnach darein gestreüet holwurcz es hilffelt·(Wen ein frau geberen sol ir kinde·der siede man holwurcze mit wein und mit baumôle·und bestre˙che s˙ auff dem bauche·s˙ gen˙ţt zůhanndt das kinde se˙ tod oder lebentig·(Diascoτides spτicht·das holwucz getruncken mit wein he˙let vergifftig b˙ţs und vergifftig trĺncke·(Also genützt·vertre˙bt s˙ secundinam das ist·die ander geburd·(Holwurcz ist gůt genüczet den frau so s˙ kindt gewinnen mit mirra und pfeffer gemüscht· (Also genüczet vertre˙bt s˙ das kalte·(S˙ jst auch gůtt pleureticis·das ist·ein geschweere umb die bτust· (Item holwurcz und aloe paticum gebulfert und mit kalch und hônig vermenget·ist gűt für den krebs in der nasen. (Item holwurcz gebulfert mit hôning vermenget·ist gůt wider die faulung des mundes und zanfle˙schţ. (Item holwurcz gestossen·und mit d˙ptam wurcze gebulferet·mit hônig vermenget in einer salben we˙se·und auff wunden geleget·ist beűlen und doτnen auţ d wunden ziehen·

Holwortel, 10de kapittel.

Aristologia (1) Latijn, Accanug Arabisch vel Carabuth, Ariston, Grieks vel fetalogos Apiston vel pavodricia. (Corydalis cava)

De meesters spreken dat er zijn (2) twee soorten Aristolochia, de ene lang en de ander rond en zijn beide heet in de eerste graad en droog in de andere. Serapio spreekt dat die ronde holwortel heeft bladeren gelijk de hondsdraf en lange stengels die gaan uit een wortel. Deze heeft een witte bloem die is inwendig rood en stinkt en heeft een ronde wortel. Er is ook een andere holwortel die ronde wortels heeft en bladeren als ruit en een bloem die bruin is. En spreekt ook dat er twee gestalten van holwortel zijn genaamd Aristolochia. De lange mannelijk, de ronde vrouwelijk. En die ronde holwortel gebruikt man vast meer in de artsenij dan die lange en de wortel daarvan meer dan de bladeren. Item, die wortel zal men uitgraven in de winter voor de tijd eer die bloemen tevoorschijn komt, diezelfde wortel heeft veel deugd in zich want ze verteert en drijft uit vergift en die wortel mag men houden twee jaar ongedeerd aan haar kracht. (3) Als je erg kucht, genaamd astmaticus, die neemt holwortel en weinig gentiaan en zoethout en meng dat met honing en maak daaruit een mengsel genaamd likkepot en [26] nuttig dat, het helpt. Wie epilepsie heeft, (4) dat is de vallende ziekte of dat jicht in de leden die neemt holwortel twee lood en een gom genaamd Euphorbia en bevergeil, van elk een quintim, en kook dat met olijvenolie en smeer daarmee den ruggenwervel van de hals tot op het achterste, het helpt. (5) Holwortel gepoederd en gemengd met azijn is goed de ruigte daarmee gewassen. (6) Holwortel gepoederd en in de vuile wonden gestrooid heelt ze en verteert dat vuile vlees daarin. Holwortel heelt etterwonden, die etterwonden daarvoor gewassen met loog gemaakt van berkenas of met aluinwater en daarna daarin gestrooid holwortel, het helpt. Als een vrouw baren zal haar kind dan kookt men holwortel met wijn en met olijvenolie en bestrijk haar op de buik, ze geneest gelijk, dat kind is dood of levend. Dioscorides spreekt dat holwortel gedronken met wijn heelt vergiftig beten en vergiftige dranken. (7) Alzo genuttigd verdrijft ze secundinam, dat is die andere geboorte. Holwortel is goed genuttigd de vrouw zo ze kind wint met mirre en peper gemengd. Alzo genuttigd verdrijft ze dat koude. Ze is ook goed pleuris, das is een zweer om de borst. Item holwortel en Aloë paticum gepoederd en met kalk en honing vermengt is goed (8) voor de kanker in de neus. Item holwortel gepoederd en met honing vermengd is goed tegen die vervuiling van de mond en tandvlees. Item holwortel gestoten en met diptamkruid gepoederd en met honing vermengt in een zalf wijze en op wonden gelegd is builen en dorens uit de wonden trekken. (3)

 

Vorm.

 De holwortel bloeit in het vroege voorjaar van maart tot mei. De twee binnenste kroonblaadjes zitten met de top aan elkaar en vormen een helm, vandaar dat de naam helmbloemachtige ook bestaat. De plant heeft zachte, dubbel samengestelde bladeren die na het afplukken spoedig verwelken.

 

(2) ‘Serapio spreekt dat die ronde holwortel heeft bladeren gelijk de hondsdraf en lange stengels die gaan uit een wortel. Deze heeft een witte bloem die is inwendig rood en stinkt en heeft een ronde wortel’. Het is dus geen klimplant want de bladeren gaan uit de wortel. Ook de afbeelding laat meer een plant zien als Corydalis cava. De andere holwortel zie je in het volgende kapittel,  dat is dan Aristolochia longa die naar de tekst een lange steel heeft. Die heet bij Bock en andere oude Duitse schrijvers dan ook Hohlwurz.

In sommige kruidboeken als van Nylandt worden deze twee planten precies gelijk afgebeeld. Er worden maar 2 soorten Aristolochia genoemd, vanouds waren er 3 soorten, longa, rotunda en clematitis. Zo zegt Dioscorides al; ‘Tria ejus genera traduntur’, nadat hij de naam etymologisch heeft verklaard; Aristolochia nomen ex eo sibi adaptavit, quod existimetur optime puerperis opitular’. Inderdaad αριστος; beste, λοχεία; geboorte. Later was niet duidelijk meer welke de clematitis was. Pseudo-Mesues in de 12de eeuw noemt ze alle drie, de twee eersten worden afgebeeld en de derde heeft weinig belang. Platearius noemt er ook 2, Hildegard van Bingen noemt Aristolochia Byverwurtz, zonder verdere specificatie. Herbarius in Dyetsche noemt ze alle twee en elk in een apart hoofdstuk. Dodonaeus noemt weer 3 soorten naar Dioscorides. Het Sarasijnkruid noemt hij in het Latijn Aristolochia saracenia, in de apotheken Aristolochia longa, omdat men dat vroeger voor de lange Aristolochia hield, tenslotte begon men het Clematitis te noemen totdat de echte Clematitis gevonden werd.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas is in Hoogduitsland Holwurtz, in Nederduitsland hool-wortel genoemd, in het Latijn Radix cava, te weten de eerste is eigenlijk Radix cava of Radix cava major, dat is grote holwortel en de andere Radix cava minor, dat is kleine holwortel of boontjes holwortel. (Corydalis solida)

Dat de apothekers dit kruid in plaats van de ronde Aristolochia hier vroeger plegen te gebruiken is iedereen zo bekend dat het me nodeloos lijkt dat te verhalen of daarover te klagen en dat met enige redenen te willen weerleggen of te berispen’.

Holwortel wordt zo genoemd omdat de knolvormige wortelstokken in de bloeitijd komvormig zijn uitgehold. Hohlwurz en zo ook bij Cordus en Bock.

Corydalis is een naam die gegeven is door Galenus. De naam komt van het Griekse korydalis: een leeuwe­rik. Corydallis van 1864 is een verbeterde schrijfwijze, maar de originele spelling van Ventenat uit 1803 is Corydalis. De spoor van de plant lijkt op die van de kuifleeuwerik, dit geeft ook de Duitse naam Lerchensporn weer. Zo heeft het Engels larkspur en het Frans pied d'alouette. Bijna alle namen zijn aan vogels ontleend, onder andere haantjes, kippetjes en duifjes. De bloemetjes staan horizontaal op een dun steeltje en hebben de vorm van een vogeltje vandaar dat ook de naam vogeltje op een kruk nog wel eens voorkomt.

Of Corydalis komt van Grieks korys: helm, naar de bloemvorm, vergelijk onze helmbloem, Duits Helmwurz of Hellewurtz.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Ronde hoelwortel is van dezelfde kracht als de lange holwortel in hitte en droogte. De wortel van de ronde is bijzonder goed als medicijn. Hij heeft de kracht om te ontbinden, te verteren en uit te drijven. De wortel moet je verzamelen voordat hij bloeit. De wortel van de ronde holwortel is krachtiger dan de lange in het genezen want het verfijnt meer, daarom is in alles de ronde holwortel krachtiger dan de lange. Pandecta zegt dan ook dat in elke wond of ongesteldheid de grove vochtvermenging zo sterk mogelijk verfijnd moet worden, daarom is de ronde holwortel de beste.

(5) Tegen schurft meng je het poederachtige mengsel dat samengesteld is uit het poeder van de ronde holwortel, het sap van zuring en aardrook en wat Aloë, levermos en ongebluste kalk en olie van laurierbes.

Het poeder van de ronde holwortel dat je met honing mengt en in de wonden doet bijt het dode vlees af, vooral in lopende gaten.

(4) Tegen vallende ziekte en jicht. ‘Neem twee delen van de gebroken ronde holwortel; van bevergeil een deel; levende zwavel en Euphorbia, van elk een half deel; meng het tezamen met olie van bevergeil en met was en maak er een zalf van, die strijk je wat op de ruggengraat, te weten achter aan het nekhaar van boven naar beneden’. (7) Wijn waar deze ronde holwortel met Asarum en selderij in gekookt en gedronken is laat bij de vrouwen hun stonden komen, het verdrijft de levende en dode vrucht met de moederkoek waar het in rust. Een pessarium die hiervan gemaakt is met honing en mirre is tegen hetzelfde goed.

(3) Tegen astma is het goed om de wijn te drinken waarin de ronde holwortel met hysop en zoethout in gekookt is.

(8) Het poeder van deze wortel dat met het poeder van Aloë en levende kalk in honing gemengd is is goed tegen kankerachtige zweren in de neus.

De ronde holwortel is beter om pijn die in de gangen van de geest of adem komt vanwege verstoppende vochtvermenging te genezen dan de lange. Het poeder van de ronde holwortel is met honing goed tegen bederving in de mond, aan het tandvlees en de kin.

(6) Het poeder hiervan dat met het poeder van dictamnus en honing tezamen gemengd is trekt dorens uit want deze ronde wortel heeft de kracht om af te drogen, te verfijnen, te verdunnen en aan te trekken, het is hierin sterker, al is de lange in stinkende wonden of zweren beter omdat het meer afdroogt. Serapio, Platearius en Pandecta’.

 

Herbarijs; ‘Aristologia, dat is het sarasine kruid, die is er in 2 soorten, de ene noemt men Aristologia longa en de andere noemt men Aristologia rotunda. Het wordt holwortel in Diets genoemd en groeit meestal oostelijk en die wilde kruiden verkopen. Ze zijn beide heet in de eerste graad en droog in de tweede graad. De ronde gaat het meest in de medicijnen en vooral de wortels.

En ‘s winters zal men ze verzamelen als de bladeren vallen. En ze hebben beide kracht om te verteren en te verduwen. En men kan ze 2 jaar goed houden.

(a) Galenus zegt dat de lange Aristolochia zuivert waar weinig vochtvermengingen zijn. En de ronde zuivert waar veel  vochtvermengingen zijn en daarom opent de ronde (b)  grote verstopping in alle leden en laat grote winden scheiden en geneest (6) vuile zweren die binnen verrot zijn en buiten vuile blaren en zuivert tanden en tandvlees en is goed tegen (3) korte adem en tegen die verstopt zijn en tegen onderbuikspijn. En is goed tegen harde milt en tegen venijnige koorts en tegen de kramp. En het is goed tegen onderbuikspijn gedronken met bronwater.

(4) Galenus zegt dat ronde Aristolochia goed is gedronken met bronwater tegen de vallende ziekte en tegen jicht en tegen kramp. En voor die ronde Aristolochia mag men nemen anderhalve drachme lange Aristolochia.

Dioscorides zegt dat de lange Aristolochia gedronken met wijn anderhalve (c )drachme goed is tegen venijn. En gedronken met wijn waar peper in gemengd is met mirre (8) zuivert de vuilheid die van het kind komt die in de moeder blijft. En gedronken met wijn verzacht de pijn van de loop en laat de vrouw haar stonden hebben. En het is goed in wonddranken. En geen meester  zou er zonder zijn. En ze ontstopt de lendenen en de blaas en laat goed urine maken’.

(a) Claudius Galenus, geboren te Pergamon in 130 en gestorven te Rome? Ca. 201, heeft met zijn schriften eeuwenlang de geneeskunde beheerst.

(b) grote verstopping in alle leden, in ieder orgaan kan zich naar de toen geldende maatstaven obstructie voordoen door ophoping van humoren (levenssappen), vandaar dat door purgeren niet alleen zuiveren door de stoelgang te bevorderen verstaan met worden, maar ook het wegnemen van overtollige humoren uit een bepaald orgaan, zo kan men ook de lever purgeren, zenuwen etc.

(c ) 10 tarwekorrels is een halve scrupel, 20 tarwekorrels is 1 scrupel, 40 tarwekorrels is een drachme, 8 drachme  is een ons, 16 ons is een pond.

 

 

  

 

osterluczie xi Capitel

Aristologia longa·(Die wirdigen meyster Avicenna Galienus Diascoτides Platearius und Plinius spτechen·das die lange holwurcz se˙ warm an dem dτitten grade und trucken an dem andern grade·Die lange holwurcz hat einen langen styl und bletter daran die geleychen den blettern an der haselwurcze·allein das osterlucien oder holwurcz blet (V.iij.) [27] ter we˙cher sind an dem griffe·Die wurzel ist lang gele˙ch den petersilgen wurczeln. (Plinius spτicht·das be˙de osterlucien die lang und die rund gebulfert und darunder gemüschet mirren ˙egklichs geleich vile·und dises genüczet ein quintin mit warmeτ wein re˙niget die můter genant matrix·von ierer unflĺtigkeite·und tre˙bet auţ die todt geburt. (Für das podogram n˙m wegbτe˙te e˙bisch wurczeln und lange holwurczel ˙egklichs geleich vile·und müsche darunder hônig und lege das auff den gebτesten es senfftiget und m˙ndert den wetagen·Die osterluczie ist fast gůt den faulen wunden·des bulfers darein gestreüwet·(Wôlches pfĺrd gewundet wirt von vil reiten oder tragen·d streüe des bulfers von diser osterlucien in die wunden und schlage darauff pfĺrdes m˙st·es he˙let zů handt·

(Platearius. N˙mm osterlucien und aloe paticum ˙egkliches geleich vil·und müsch darunder rosen hônig·und mache darauţe ein pflaster·Diţs pflaster ist gůt genüczet allen alten schĺden·alţs dan ist der krebţ·fistel·d wolff·wie die sein mügen an den be˙nen und anderţwo·he˙let es senfftigklich darauff gelegt und die schĺden oder gebτesten sollen voτh˙n geseüberet werden mit weinstein ôle·oder mit wasser darin mirra gesotten ist·(Dises also genüczet ben˙mmet die ausseczigkeit·(Diascoτides·osterlucien gebulfert und gemüschet mit hônigwasser und das getruncken·ben˙mbt asma·das ist das keychen und raumet die bτust·(Wer einen pfe˙le in se˙nen le˙be hett der neme be˙de osterluczien und d˙ptamus ˙egkliches gele˙ch vil·Und seüde dises in gůtem wein und se˙he den weine durch ein re˙nes tůch·und trinck dem des abents und des moτgens·und lege die gesoten kreuter auff dz loch do der pfe˙l in ist·es zeüchte herauţ senfftigklichen und he˙let zů handt·(Item osterlucz˙ ist gůt für den kürczen atem der do kommet von schle˙miger feüchtigkeit in der bruste saugende genant asma humidum·N˙m zwe˙ te˙l osterlucz˙ und ein halb te˙l encian mit einen halben te˙l schwĺrtelwurcz gebulfert mit gescheümten hônig vermenget davon genüczet·(Auch ist osterlucz˙e gůt wider fen˙n·der gethiercze und wider geb˙ţs d fen˙nnige gethiercz·u˙m osterluczien bulfer mit rauten safft vermenget darauff geschmieret·[28]

(1) Pijpbloem, 11de kapittel.

Aristologia longa. Pijpbloem. (Aristolochia longa) De eerwaardige meesters Avicenna, Galenus, Dioscorides, Platearius en Plinius spreken dat de lange holwortel warm is aan de derde graad en droog aan de andere graad. De lange holwortel heeft een lange steel en bladeren daaraan die gelijken op de bladeren aan de hazelwortel, alleen dat pijpbloem of holwortel [27] bladeren weker zijn aan te pakken. De wortel is lang gelijk de peterselie wortels. (2) Plinius spreekt dat beide pijpbloemen, de lange en de ronde, gepoederd en daarna gemengd mirre en van elk gelijk veel en dit genuttigd een 1,67gram met warme wijn reinigt de baarmoeder genaamd matrix van haar onzuiverheid en drijft uit de dode geboorte. Voor dat podagra neem weegbree, heemstwortels en lange holwortel, van elk gelijk veel, en meng daarmee honing en leg dat op de gebreken, het verzacht en vermindert de pijndagen. (3) De pijpbloem is erg goed de vuile wonden, dat poeder daarin gestrooid. Wiens paard gewond wordt van veel rijden of dragen die strooit dat poeder van deze pijpbloem in de wonden en slaat daarop paardenmest, het heelt gelijk.

(3) Platearius: Neem pijpbloem en Aloë paticum, van elk gelijk veel, en meng daaronder rozenhoning en maak daaruit een pleister. Deze pleister is goed genuttigd alle oude schaden zoals dan is de kanker, etterwonden en de huidsmet waar die zijn mogen aan de benen en ergens anders, het heelt het zachtjes daarop gelegd en de schaden of gebreken zullen voorheen gezuiverd worden met wijnsteenolie of met water daarin mirre gekookt is. Dit alzo genuttigd beneemt de huiduitslag. (4) Dioscorides: pijpbloem gepoederd en gemengd met honingwater en dat gedronken beneemt astma, dat is dat kuchen, en ruimt de borst. Wie een peil in zijn lijf heeft die neemt beide pijpbloemen en Dictamnus, van elk gelijk veel, en kook dit in goede wijn en zeef de wijn door een reine doek en drink dat ‘s avonds en ’s morgens en leg die gekookte kruiden op het gat daar de pijl in is, het trekt het eruit zachtjes en heelt gelijk. (4) Item pijpbloem is goed voor de korte adem die je komt van slijmerige vochtigheid in de borst zuigt genaamd astma humidum. Neem twee deel pijpbloem en een half deel gentiaan met een half deel gladiool gepoederd met geschuimde honing vermengt en daarvan genuttigd. (5) Ook is pijpbloem goed tegen venijn van het gedierte en tegen beten der venijnige dieren, neem pijpbloem poeder met holwortel sap vermengt daarop gesmeerd. [28]

Zie kapittel 10.

 

Vorm.

Dodonaeus; ‘De lange Aristolochia spreidt uit haar wortel vele dunne twijgachtige steeltjes waaraan hier en daar zachte welriekende bladeren voortkomen die van maaksel enigszins, doch niet geheel rond zijn en naast deze bladeren groeien langwerpige bloemen die van binnen hol en aan de ene zijde langer zijn dan aan de ander en purperkleurig en zwaar van reuk zijn. De wortel is een zeventien cm lang of wat korter en een vinger dik, geelachtig van kleur en het Buxus of palmboomhout van geelheid gelijk, sterk van reuk, maar geweldig bitter van smaak en de mond zeer onaangenaam’.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Grieks en in het Latijn Aristolochia omdat het op het Grieks ariste tais lochois is, dat is zeer goed voor de vrouwen die gebaard hebben.

1. De eerste is in het Grieks Aristolochia macra en in het Latijn Aristolochia longa genoemd naar de gedaante van de wortel en insgelijks ook Dactylitis, Melocarpos en Teuxinos en soms ook Aristolochia mas, dat is Aristolochia mannetje of lange Aristolochia’.

Aristolochia, is afgeleid van het Griekse aristos,best’of ‘uitmuntend’, en locheia, ‘geboorte’, of van lochos, ‘kraamvrouw’. Deze afleiding is gebaseerd op zijn vermeende medische eigenschappen. De familie waartoe de plant behoort, de Aristolochiaceae, heet dan ook geboortekruidfamilie omdat deze de bevalling zou bevorderen. Ook de bloemvorm werkt aan het ontstaan van de naam mee, de doorsnede ervan doet denken aan een ongeboren kind in de baarmoeder. Het heet letterlijk, ‘de beste voor een wieg’.  De plant bezit de stof aristolochine dat werkzaam is tegen bloedingen.

Dodonaeus; ‘De lange oosterlucie wordt in Italië ook voor het mannetje gehouden en wordt daar aristologia genoemd en in het Spaans aristoloquia, in het Frans aristologe en in onze taal met een bedorven naam oosterlucey of oosterlucie, in het Hoogduits ook Osterlutzey. De ronde wordt in Italië voor het wijfje gehouden. In Frankrijk zijn ze allen met de naam sarasine bekend omdat de bloemen van al deze soorten van Aristolochia op een omgewrongen of gedraaide sarasijnshoed schijnen te lijken, hoewel dat Dodonaeus de vijfde soort eigenlijk die naam gegeven heeft’.

In het verleden werd de Aristolochia ook wel saracynscruyt genoemd, het Duitse Saracenkraut,  en het Engelse sarrasine. Dit komt omdat het door kruisvaarders meegenomen is, de Arabieren waren voor hen Saracenen.

 

Gebruik.

Bevat het alkaloďde aristolochine. Wordt vrijwel niet meer gebruikt, soms in homeopathie.

Vroeger werden ze blijkbaar ook geteeld buiten de plantentuinen van de kloosters en kwamen zo bij de kruideniers.

 

Herbarijs, zie voorgaande kapittel. de pijn van de loop en laat de vrouw haar stonden hebben. En het is goed in wonddranken. En geen meester  zou er zonder zijn. En ze ontstopt de lendenen en de blaas en laat goed urine maken’.

 

Nederbergse geneeskundige recepten uit het midden van de 13e eeuw. (2) ‘Als het de wijven gebeurt dat het tot het hart komt dan zal men nemen bijvoet en polei, agrimonia, duizendblad en oosterlucie, stamp dat tezamen en neem dat sap en doe daartoe een beetje wijn en doe dat in een pot en kook dat een tijdje, als het dan afgekoeld is zal men het nemen als de weeën komen’.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Sarasine of lange hoelwortel of Aristolochia longa. Van holwortel zijn er twee soorten, zowel een lange en een ronde holwortel. Beide zijn heet in de eerste graad en droog in de tweede. Sommige zeggen dat ze heet zijn in de derde en droog in de tweede graad. De lange holwortel is afdrogend en verwarmend in zijn kracht, daarom is het goed om het in zweren te doen om het vlees er in te laten groeien.

Als het poeder van de lange holwortel met het poeder van Iris gemengd wordt dan heelt het zweren.

(4) Tegen ademgebrek zoals astma uit vochtigheid: ‘Neem twee delen van de lange holwortel, een half grein, en een deel gentiaan met wat poeder van Iris, maak er met afgeschuimde honing een likkepot van en gebruik het als je wilt’.

(5) Het poeder hiervan dat in het sap van ruit of munt en met honing gemengd is helpt tegen gif en venijnige beten van ongedierte.

(3) Het poeder van deze lange holwortel bijt door het vlees heen in wonden en lopende gaten, (fistel, a) als je een verband maakt en dit met honing bestrijkt en daar het poeder op strooit en het zo in lopende gaten steekt.

(2) Om de dode vrucht en de levende met de moederkoek waar de vrucht in ligt kwijt te raken, kook de lange holwortel met peper en mirre en dit neem je in. Voor de buitenkant kook je de lange holwortel in wijn, daarin doe je een spons en leg die op de baarmoeder. Ook kun je deze wortel met mirre en peper in olie koken en er een pessarium van maken (dat is hetzelfde in de baarmoeder als de klysma in de aars is).

(3) Het poeder van deze wortel dat met de wortel van Iris, dictamnus en honing tezamen gemengd en als een soort zalf gemaakt is trekt uit je lijf wat in wonden of in zweren steekt.

Tegen vallende ziekte die uit grove vochtvermenging komt is het goed om water te drinken waar deze wortel in gekookt is. Ook is het goed tegen astma uit gelijke vochtvermenging.

De lange holwortel die gestampt is met heemstwortel en met oliën en zwijnenvet gemengd en op vertrokken leden (dat zijn spierkrampen) gestreken is is een van de beste medicijnen.

Als de wortel in huis geweekt wordt verjaagt deze kwade geesten en duivels.

Volgens Pandecta helpt het als je het water drinkt waar de lange holwortel in gekookt is tegen jicht in de voet’.

(a) Fistel =buis/verbinding tussen twee holtes, meestal ontstaat deze door ontsteking, of door kanker.

 

Dodonaeus; ‘De lange Aristolochia, zegt Dioscorides, te weten de wortel er van de zwaarte van een drachme of vierendeel lood met wijn gedronken wordt zeer nuttig geacht om de (5) beten van de slangen te genezen en alle vergif te weerstaan en hetzelfde doet ze ook van buiten op de wond gelegd.

(2) Die met Myrrhe en peper gedronken jaagt uit al hetgeen dat in de baarmoeder na het baren overgebleven is en drijft de maandstonden af en laat de vrucht gemakkelijk voort komen en hetzelfde doet ze ook als men het met een pessarium van onder in steekt want ze verlicht de arbeid van het baren wonderbaarlijk zeer. De lange Aristolochia is de gebreken van de baarmoeder zeer toegedaan en men zuivert alle (3) lopende gaten of fistels met het poeder van deze wortel en men brengt ze tot genezing. De bladeren van de gedroogde oosterlucie, zegt Apulius, zijn goed om daarmee diegene te beroken die koorts hebben want daardoor zullen ze blij van geest worden. Dezelve beroking verdrijft ook de kwade geesten.

(4) Het kruid oosterlucie met olie warm gemaakt en gemengd met varkensvet geneest diegene die van de borst gekweld zijn, van buiten op de kakhielen en gezwollen delen van het lichaam gelegd.

Is het dat een jong kind bedroefd is zal men het beroken met oosterlucie en het zal blij worden en genezen de kwade geest zal verdreven zijn.

De kanker die in de neusgaten groeit wordt genezen met oosterlucie gemengd met Cyperus en het zaad van Serpentaria en met honing door het in de neusgaten te steken.

 

   

 

eybisch xii Capi

Altea malva h˙spanica malva·agrestis malva·v˙scus ˙biscus·Eniscus latine·Arabice Cristotos·Shoboτeticum·Rososamen·Grece molochia Agria·

(Der meister Diascoτides in dem capitel altea spτicht·das die bletter sind rund gele˙che der haselwurcz·und has ein blůmen geleich den rosen·ir wurczel ist lang·und hat vil feüchtung in ir·und ist inwendig we˙ţs· (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dez capitel Altea spτicht das altea se˙ he˙sser natur·Und spτicht·das die wurczel gesotten wit dem kraut und auff die herten geschwer gelegt·weychet s˙·(E˙bisch bletter gesotten mit baumôle·sind gůt zů aller hand h˙cze anţwendig des leibes als ein pflaster darauff geleget·(E˙bisch wurczeln gesotten und gemenget mit eţsig·n˙mbt hin moτfeaz·das ist·die bôse gestalten der ausseczigke˙t·

(Der samen von e˙bich ist vil stercker zů der ˙eczgenanten fücht·wan er we˙chet alle hertte geschwere die do h˙czig sind und he˙let sere·(Also genüczt·ist er auch fast gůt den zerschwollen gel˙dern·(E˙bisch wurczel und le˙nsamen gesotten und füro an den halţ gelegt als ein pflaster weichet squinanciam·das ist·eine geschwere in der kelen. (Der samen von e˙bisch nimbt den hůsten der sich erhaben hat von hicze·vund machet fast auţwerffen davon ein tranck gemacht mitt ˙sop und leckricz in wasser od in wein gesoten·(Der samen mit wein gesoten unnd darunder gemüschet baaumôle·vertre˙bt aller handt miţflecken unnder den augen domit gewĺchen· (E˙bich wurczeln gesoten·und geleget do sich ein mensche gebτennet hat·zeühet auţ grosse hicze·

(Und die zerbτochen sind in dem le˙be sollen bτauchen den samen von e˙bisch und darüber dτucken s˙ genesen davon·(Item wo einen ein be˙n gestochen het d neme e˙bisch wnrczel·uud menge die mit eţsig und streich den dar auff·er gen˙set zůhandt·(E˙bisch wurczel gesoten mit wein und den getruncken·macht fast (v.iiij·) [29] wol hĺrmen·(Der samen von e˙bisch treybt auţ den stein der in den lenden ligt·(Der meister Serapio spτicht·das der samen von e˙bisch so er frisch ist unnd getrucknet und darnach klein gestossen und gesoten mit eţssig  uud domit geschmieret in der sunnen he˙let moτfeam·das ist ein unreinigkeit der haut eines auţseczigen menschen·(E˙bisch wurczel gesoten mit wein und den also getruncken ist fast gůt den jnnerlichen gel˙dern die zerbτochenn wĺren von schlegen stossen odeτ von fallen·(Item e˙b˙sch wurczel gesoten mit eţsig unnd den muudt mit gewĺschen·machett gůt zeen und ben˙mbt den schmerczen des zanfle˙sches·

(1) Heemst, 12de kapittel.

Althaea malva hyspanica, Malva agrestis, Malva viscus, Ibiscus, Eniscus Latijn. Arabisch Cristotos, Shoboreticum, Rosozaden. Grieks Molochia agria. (Althaea officinalis)

De meester Dioscorides in het kapittel Althaea spreekt dat de bladeren zijn rond gelijk het mansoor en heeft een bloem gelijk de rozen, haar wortel is lang en heeft veel vochtigheid in zich en is inwendig wit. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Althaea spreekt dat Althaea is van hete natuur. (2) En spreekt dat de wortel gekookt met het kruid en op de harde zweer gelegd ze weekt. Heemstbladeren gekookt met olijvenolie zijn goed tot allerhande hitte uitwendig aan het lijf als een pleister daarop gelegd. (3) Heemstwortels gekookt en gemengd met azijn neemt weg morfeem, das is die kwade gestalte van de huiduitslag.

De zaden van heemst zijn veel sterker tot de net genoemde vochtigheid want het weekt alle harde zweren die je heet zijn en heelt zeer. Alzo genuttigd is het ook erg goed de gezwollen leden. Heemstwortel en vlaszaden gekookt en vooraan de hals gelegd als een pleister weekt squinancie, das is een zweer in de keel. (3) De zaden van heemst neemt dat hoesten dat zich verheven hebben van hitte en maakt erg uitwerpen, daarvan een drank gemaakt met hysop en zoethout in water of in wijn gekookt. De zaden met wijn gekookt en daaronder gemengd olijvenolie verdrijft allerhande misvlekken onder de ogen, daarmee gewassen. Heemstwortels gekookt en gelegd daar zich een mens gebrand heeft trekt uit grote hitte.

En die gebroken zijn in het lijf zullen gebruiken de zaden van heemst en daarover drukken, ze genezen daarvan. Item wie een bij gestoken heeft die neemt heemstwortel en meng die met azijn en strijk die daarop, het geneest gelijk. Heemstwortel gekookt met wijn en dan gedronken maakt erg goed  [29] plassen. De zaden van heemst drijft uit de steen die in de lenden ligt. (2) De meester Serapio spreekt dat de zaden van heemst zo het vers is en gedroogd en daarna klein gestoten en gekookt met azijn en daarmee gesmeerd in de zon heelt morfeem, das is een onreinheid der huid van een schurftige mens. Heemstwortel gekookt met wijn en dan alzo gedronken is erg goed de innerlijke leden die gebroken waren van slagen, stoten of van vallen. Item heemstwortel gekookt met azijn en de mond mee gewassen maakt goede tanden en beneemt de pijn van het tandvlees.

 

Vorm.

Witte heemst is een meerjarige plant die ruim een meter hoog wordt met overal een viltige, grijs groene beharing. Aanvankelijk heeft heemst een spindelvormige wortel van dertig centimeter lengte en een paar cm dik die met bruine nerven bezet is en snel door een kruipende, vingerdikke knoestige wortelstok vervangen wordt. Uit de wortel komen meerdere opgaande en weinig vertakte stengels waaraan wat hartvormig bladeren zitten. De heemst bloeit sterk met blauwroze tot witroze bloemen.

 

Naam.

(1) Dodonaeus: ‘Het eerste en het gewoonste van deze twee kruiden heet hier te lande witte maluwe en witten huemst, in Hoogduitsland Ibisch, de Grieken noemen het Althaea en Ebiscos of Ibiscos, sommige Arisalthaea en de Latijnen noemen het ook Althaea en Ibiscus, de apothekers Bismalva en Malvaiscus als of men Malva Ibiscus zei. Sommige noemen het in het Latijn Malva Hispanica, Malva alba’.

Althaea is afgeleid van het Griekse woord „altho“ en betekent zoveel als helen’.

Uit Latijns Althea kwam in de 14de eeuw het midden-Hoogduits Alte en Altea van A. Magnus.

De naam Ibiscus en Eniscus is de naam in Latijn, agria is van het veld. Het is de Keltische naam van de plant die Virgilius in de Po vlakte in het Latijn als Ibiscum noteerde, van waaruit Iebiskos en Griekse Aebiscos en Hibiscus kwam. Van daaruit is het woord door monniken in het oud-Hoogduits gekomen, Ibischa bij Hildegard, wat tot der Eibisch of Eybisch is geworden. Het Ebich lijkt op dat van Apium =Eppich en Hedera =Epich. Maar als de plant uit Spanje kwam, malva hyspanica, zou de naam Ibiscum ook van Iberia afgeleid kunnen zijn.

Onze naam heemst is afgeleid van (H)ibiscus, in midden Noordduits is het witte Humst.

Malva viscus betekent kleverige heemst. Grieks Molochia betekent naar ik meen ook kleverig. De Fransen noemen het la  guimauve en mauve-gui, dat betekent klamme malva. De oude schrijvers noemden het Malva visca (kleverig) wat vooral in de wortel voorkomt en wat gemengd is met een suikerachtige stof. Een goede soort werd door de Fransen naar de grote steden gezonden waar het verdikt werd met suiker en gemaakt tot hoesttabletten die ze patés de guimauve noemden.

 

Gebruik.

De wortel van Althaea is gevuld met een slijmachtig sap dat in water gelegd zich verdikt als ware het stroop. Vanwege het slijmgehalte werd het ook gebruikt als inhullend, opwekkend, hoeststillend en pijn verminderend middel bij halsziektes en borstziektes.

Herbarijs heeft heel opvallend dit kruid niet.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Witten hoemsch of Altea wordt gelijk tussen heet en droog gesteld. Zijn werking en eigenschap is om te verzachten, te rijpen, murw te maken, te veranderen en af te drogen. Het zaad en de groene wortels hebben de grootste kracht.

Tegen aandrang tot waterlozing, steen, grove overvloedigheid en tegen ischialgie (dat is een sterke pijn rondom de heup naar de knieën toe) kook het witte heemstzaad en zijn wortel met averone in wijn en drink er van.

Tegen tandpijn kook je heemstwortel met bertram en wat mastiek en was de mond daar lauw mee.

(3) Tegen morfeem (dat zijn witte of zwarte plekken in de huid) kook je heemstzaad met knoflook en azijn en strijk je daarmee over het gezicht of de huid in de zon want dat roeit die plekken uit. Als je hetzelfde doet, maar met olie, en op die plaats legt is het goed tegen beten van ongedierte en tegen bijensteken.

(2) Tegen zweren van de darmen en blutsingen van de zenuwen kook je witte heemstwortel in wijn en water met wat mastiek.

Heemstwortel is goed tegen hete blaren van de borsten en de aars, tegen het trekken van de zenuwen, tegen harde blaren of klieren en het laat de opgeblazen blaren of gezwellen van de oogschellen verdwijnen. Het geneest blaren van de oren die glandula parotis genoemd worden en (a) het verzacht pijnen van de gewrichten of gespannen benen. Heemst met meel van Grieks hooi, met meel van lijnzaad, met eendenvet en terpentijn is goed tegen het uittrekken van de zenuwen want het verteert of verandert, rijpt en opent de blaar. Hetzelfde zuivert de baarmoeder en haar overvloedigheid. Uit ervaring weet men dat je daarmee pessaria (dat is een soort van klysma) in de baarmoeder zet.

Tegen het uitvallen van het haar kook je heemstwortel met averone in azijn en bestrijk je het in de zon want het geneest al drogende.

(3) Tegen hoest die uit koude zaken komt (b) en om ook gemakkelijk te kunnen spuwen kook heemstzaad, zoethout en vijgen in water en maak het zoet met suiker. Als je daar nog wat dragagantum bij doet dan is het ook goed tegen het bloed spuwen. (c). Hetzelfde is ook goed tegen dorst en het brandende plassen.

Tegen blaren in de borst (dat is pleuritis) (d) en in de longen (dat is peripneumonie) (e ): ‘Neem een ons witte heemstwortel, van zoethout een half ons, cichoreiwortel, gerst, de vier koude zaden (als komkommer, kouwoerden, meloenen, citrullen) andijvie- en posteleinzaad, van elk twee drachmen; violenbloemen en rozijnen, van elk een half ons, stamp dit alles tezamen, kook het en geef het zoals in het kapittel ervan verteld is’.

(a) Een grote speekselklier die pal voor het oor zit en gezwollen kan zijn, bij de bof of door een steentje. (b) Bronchitis, longontsteking. (c) Door fikse ontsteking van de longen of een maag/slokdarm/drankprobleem. (d) Pleuritis, ontsteking van de longbladen. (e) Peripneumonie, =long- en longbladontsteking.

Het werd net als de Gart gebruikt als een verzachtend middel en vooral tegen huidziektes. Als hoest stillend middel werd het toch maar weinig gebruikt. Dat is ook nog zo bij Dodonaeus die het als wel gebruikt tegen tandpijn waardoor later de naam tandwortel ontstond door het gebruik dat moeders die aan kinderen gaven waarvan de tanden doorkwamen.

 

Dodonaeus; ‘(2) De wortels van witte maluwe in wijn of honigwater gekookt en klein gestoten genezen en helen de verse wonden, laten scheiden en verdelen allerhande harde koude en ook andere gezwellen als ontstekingen, blaren of zwellingen en zweren achter de oren en van de borsten, vermurwen de klieren, laten rijpen en uittrekken alle verouderde gezwellen en blaren, genezen de kloven van het fondament en verdrijven dat beven en schudden van de zenuwen en zenuwachtige

aar de lering van Galenus en andere oude meesters laat de witte maluwe scheiden, verdrijft en vermurwt, maar de wortel en het zaad werken krachtiger dan de bladeren of bloemen en hebben daartoe enige afvegende kracht. Sommige verzekeren dat ze daarom Bismalva genoemd is alsof men dubbele maluwe zei om dat ze noch eens zo krachtig en nuttig is in alle gebreken daar de maluwen in gebruikt worden zoals de gewone maluwe.

Ze dient ook om de buik week te maken net zoals andere maluwen en vooral de kleine malse scheuten en laat daardoor de pijn van de lendenen vergaan.

De wortel is meest gebruikelijk in zalven, pappen en pleisters om de builen, knobbels, gezwollen en blauw geslagen leden te genezen en vooral haar slijmerig sap dat Muccago of Muccilago Althaea genoemd wordt.

De dokters en beste apothekers van Italië koken allen de wortel in water en duwen dat sterk door een doek of zeef en hetgeen dat doorgedaan is vermengen ze kunstig met suiker, altijd roeren, en maken daar hapjes of koekjes van die ze Polychteston noemen en nuttig is tot vele gebreken, (3) maar die meest tot de zinkingen en dunne katarren die op de longen vallen.

(2) De wortels van witte maluwe in wijn of honigwater gekookt en klein gestoten genezen en helen de verse wonden, laten scheiden en verdelen allerhande harde koude en ook andere gezwellen als ontstekingen, blaren of zwellingen en zweren achter de oren en van de borsten, vermurwen de klieren, laten rijpen en uittrekken alle verouderde gezwellen en blaren, genezen de kloven van het fondament en verdrijven dat beven en schudden van de zenuwen en zenuwachtige

leden. Die in vers zoet melk gekookt genezen de hoest, als Plinius zegt, maar in wijn gekookt en gedronken zijn goed diegene die slecht hun water kunnen maken en tegen pijn van niergruis, jicht, en ook diegene die van binnen geborsten en gescheurd zijn. Die wortels alzo gekookt en klein gestoten en met varkensvet of ganzenvet of met terpentijn vermengt verzoeten de blaren en zweren van de baarmoeder en openen de verstoppingen er van, met een pessarium van onder gezet. Ze genezen ook diegene die de kramp hebben.

 

  

 

sauerampfer xiii capi

Acetosa latine·Humat arabice, Grece Oxiolappacium·

(Der meister Paulus spτichet·das acetosa se˙ trucken und kalte in dem dτittenn grade·Unnd der same davon kalt in dem ersten grade·unnd trucken in dem andern·(Die wirdigen meister spτechen·das acetosa sey zwe˙er hand·eine groţ die ander klein. Die groţ hat lang stengel und oben daran knôpffe geleiche der grossen kletten und die ist genant Acetosa maioτ·D˙e kleine hatt kleive bletter die seind fe˙ţt·und hat einen dünnen style und einen kleinen samen·unnd dises ist genannt accedula oder acetosella und diţ ist auch kalt und truckner natur·und dienet dem heyssen magen und der bôsen lebern und zů dem herczen und bτinget luste zů essen·Aber zů disen allen ist acetosa maioτ besser· (Der meister Serapio spτicht das sauwer ampffer geessen vertre˙bet den unlust und machet den menschen lustig zů essen·(Item sauwer ampffer mit hauţ moţ czůsamen gestossen unnd darunder gemüschet eţsig und gelegt auff das he˙lig feüer oder auff ein enczondet gel˙de·leschet das zů hand. (Item sauer ampffer gestossen und über die augen gelegt geleiche einen pflaster·vertre˙bet·dye geschwulst davon·(Item sauer ampffer he˙let die flecken an dem le˙b wo die sein mügen·genant moτfea·darauff geleget gele˙ch [30] einem pflaster·(Itez also genüczet heylet er den bτant und von disen obgeschrbnen kranckeiten mag man nemen das kraut den samen und wurczeln· (Diascorides·der safft von sauerampfeτ getemperiert mit baum ôle und an das haubt gestrichen das grossen schmerczen hat von h˙cze·ben˙mmet die h˙cze·(Item sauerampffer mit wein getruncken od stĺtigklich geessen·vertreybt aller hand sucht die do kommen von hicze als die geelsuccht die do kommet von der lebern oder milcze genant ˙ctericia·(Das selb hilfft auch den we˙ben also getrnncken ob ir sucht zů lang weret genennet menstruum·und sunderlichen von dem samen·(Item d same genüczet vertreybt die spôlwŭrme·( Und ist auch gůt für vergifft·und besunder wider geb˙ţs der vergifftigen thiere·als Avicenna und Serapio davon spτechen·Itez der safft von sauerampffer umb die augen gestrichen erleüchtet s˙· (Die meister sprechen Wer sauer ampffer be˙ jm trage·den steche der tharant nit. (Dises safftes in die oτen gelassen vertre˙bet die geschwulst in den oτen·(Der meister Plinius spτichet·daz do se˙ ein ander kraut das he˙ţet hauţwurcze oder hauţlauch·und das hat alle d˙e krafft und tugent in im die der sauer ampffer hat·Und man mage auch das nüczen zů allen den süchten darzů man nüczet sauer ampffer·(Item. Wer sauer ampffer nüczet in einem salath mit eţsig ist die schwindikeit d gallen uberwinden·(Und sauer ampffer wassers mit triackers vermüschet ist gůt wider die pestilencz·(Item sauer ampffer safft ist gůt wider den blůtgange des gedĺrmes genant dssinteria·

(Dz selb safft ist auch gůt wid den fluţ der guldin adern genant fluxus emoτrodiarin·(Item sauer ampffer safft genüczet·der ist gůt wid die trunckenheit·(Item Avicenna spτicht. Wer sauerampffer wurceln ann seinem halţe tregt dem ist es vertre˙bend dye knoden und beülen an dem halţ.

Zuring, 13de kapittel.

Acetosa (1) Latijn. Humat Arabisch, Grieks Oxiolappacium. (Rumex acetosa)

De meester Paulus spreekt dat acetosa droog en koud is in de derde graad. En het zaad daarvan koud in de eerste graad en droog in de andere. (4) De eerwaardige meesters spreken dat acetosa tweevormig is, een grote en de andere klein. De grote heeft lange stengels en boven daaraan knoppen gelijk de grote klis en die is genaamd Acetosa major. De kleine heeft kleine bladeren en die zijn vast en heeft een dunne steel en kleine zaden en deze is genaamd accedula of acetosella en dit is ook koud en droge natuur en dient de hete magen en de kwade lever en tot het hart en brengt lust tot eten. Maar tot dit alles is acetosa major beter. (2) De meester Serapio spreekt dat zuring gegeten verdrijft de onlust en maakt de mensen lust tot eten. Item zuring met huismos tezamen gestoten en daaronder gemengd azijn en gelegd op dat heilig vuur of op een ontstoken lid, lest dat gelijk. Item zuring gestoten en over de ogen gelegd gelijk een pleister verdrijft de gezwellen daarvan. (5) Item zuring heelt de vlekken aan het lijf waar die zijn mogen genaamd morfeem, daarop gelegd gelijk [30] een pleister. Item alzo genuttigd heelt het de brand en van deze opgeschreven ziekten mag man nemen dat kruid, de zaden en wortels. Dioscorides: het sap van zuring getemperd met olijvenolie en aan dat hoofd gestreken dat grote smarten heeft van hitte, beneemt die hitte. Item zuring met wijn gedronken of steeds gegeten verdrijft allerhande ziekte die je (3) komen van hitte zoals de geelzucht die je komt van de lever of milt genaamd ˙ctericia. (3) Datzelfde helpt ook de vrouwen alzo gedronken als hun ziekte te lang duurt genoemd menstruatie en vooral van de zaden. Item dat zaad genuttigd verdrijft de spoelwormen. En is ook goed voor vergift en uitzonderlijk tegen beten der vergiftige dieren zoals Avicenna en Serapio daarvan spreken. Item, het sap van zuring om de ogen gestreken verlicht ze. De meesters spreken; Wie zuring bij hem draagt die steekt de tarantella niet. Dit sap in de oren gelaten verdrijft de gezwellen in de oren. De meester Plinius spreekt dat er een ander kruid is dat heet huiskruid of daklook en dat heeft alle de kracht en deugd in hem die de zuring heeft. En man mag ook dat nuttigen tot alle de ziektes daartoe man nuttigt zuring. Item. Wie zuring nuttigt in een salade met azijn is de duizeligheid der gallen overwinnen. En zuringwater met teriakel vermengt is goed tegen de pest. Item zuringsap is goed tegen de bloedgang van de darmen genaamd dysenteria.

Datzelfde sap is  ook goed tegen de vloed der gulden aderen genaamd fluxus hemorrodiarium. Item zuring sap genuttigd dat is goed tegen die dronkenschap. Item Avicenna spreekt: Wie zuringwortels aan zijn hals draagt dat is hem verdrijven de knobbels en builen aan de hals.

 

Vorm.

Veldzuring is een dertig tot zestig centimeter hoog kruid met roodachtige stengels. De bladeren zijn pijlvormig of spiesvormig, rijk groen en glad, in de herfst roodachtig. De donker rode bloemen staan in pluimen van mei tot augustus.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Al deze kruiden worden onder een naam begrepen, in het Grieks Lapathon en in het Latijn Rumex. Dan Plinius in het 12de kapittel van zijn 19de boek schijnt de naam Rumex alleen aan de tamme soorten van Lapathum of patientie toegeschreven te hebben. Het vierde geslacht is in het Nederduits surckel en zurinck genoemd, in het Hoogduits Saurampffer, in het Frans ozeille, in het Engels sorrel, in het Spaans azederas, agrelles en azedas, in het Italiaans acetosa, in het Boheems Sfiowijk, in het Grieks Oxalis en Anaxyris of, zo Galenus zegt, Oxylapathum, dat is zure patich, in het Latijn ook Oxalis, Lapathum acidum, Rumex acidus of (zo het in de apotheken bekend is) Acerosa.

Rumex kan komen van het Latijnse rumo,opzuigen’, naar de gewoonte van de Romeinen om op zuringbladen te zuigen tegen dorst. Dit wordt nog wel eens gedaan maar kan leiden tot infecties aan de mondhoeken. Oxiolappacium, Grieks voor een zuur bladig kruid.

Acetosa betekent ‘zuur’. Zuring, zuurling of zurkel werd in Middeleeuwen surkele genoemd. In het Engels heet het sorrel, dit van oud Engels sure en dat van het oud Franse surelle of sorele, een afleiding van sur, ‘zuur’ of ‘scherp’, een kleine, scherpe plant. Duits Sauerampfer. Ampfer, onze amper. Dit woord is genomen van het oud-Hoogduits Ampharo: zuur of scherp, Angelsaksisch ampre, in Nederlands, Zweeds en Noors betekent amper bitter en in oud-Noors apr en Deense mondspraak aber: scherp. Het Germaanse ampra voert terug op Indo-Germaanse ambro, met oudere am-ro: bitter. Beide vormen keren terug in oud-Indisch am(b)la: zuur. Oerverwant is ook Latijns amarus: bitter. Deze oude taalovereenkomst en het vroegere gebruik als voedsel voor de mens, de zeer oude conserverings- en bereidingsmethode door gisting bewijst al een vroege verspreiding van de monnikenrabarber die waarschijnlijk al op legerstede van zoogdieren uit de ijstijd groeide. Mogelijk is het de oudste moesplant van de alpenbewoners geweest.

Hildegard von Bingen spreekt van Amphora, Der Ampfer.

 

Gebruik.

Het zure sap werd ook gebruikt tegen huidaandoeningen. Het stilt de dorst, geeft een voorjaarsgroente, verkoelt en  herstelt zo verbranding dat van hitte komt. De oudere planten bevatten een hoog gehalte aan zuren die gebruikt worden om vlekken uit de kleren te verwijderen, maar ook om het zilver schoon te maken.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Sulker of acetosa is soms tam en dat is de gekweekte die in de hoven groeit, soms groeit het in het wild in buiten. Het is koud in de eerste en droog in de tweede graad. In haar is het bedwingende aanwezig (dat is stipticiteit) en zuurachtigheid waaruit de gal naar boven gaat, maar haar vochtigheid is te prijzen. Tegen zwerende schurft en oppervlakkig defect van de huid (of het afvallen van de nagels) kun je de wortel van zuring met azijn koken. (5) Hetzelfde kun je ook gebruiken tegen plekken in de huid zoals morfeem (b) en kruipende ziekten of schurft zoals serpigo (c) en tegen dergelijke besmettingen van de huid. Als die plaatsen daarmee besmet zijn kun je deze schurftachtige plaatsen met deze zalf bestrijken: ‘Neem vijf ons van het sap van zuring; van terpentijn een half grein, een ons en een drachme zout, meng het met olie van laurierbes en maak er al roerende bij het vuur een zalf van’.

Tegen de gele kleur van verstoppingen die uit koude zaken komen: ‘Neem zuring en de vier koude zaden, kook het in andijviewater en drink het’. Of met wijn en van die wijn zegt men dat je daarvan kan walgen.

Serapio en Avicenna zeggen dat als iemand van zuringzaad eet of het kooksel daarvan drinkt en daar na door een schorpioen gestoken wordt het hem geen last zal bezorgen, daarom is het goed tegen venijn.

Tegen pest kun je zuringwater met wat raapzaad te nemen: ‘Neem van zuringwater een half onsje, van knoflook een drachme, meng het en geef het rond middernacht lauw te drinken en dek de zieke toe om te zweten, dat is als een zeker middel bevonden’.

Zuring met zijn zure bitterzure of scherpe smaak geneest de zweren van de darmen en van het lichaam, maar zuringzaad is sterker in het stoppen van het lichaam.

Tegen lopende aambeien en dronkenschap, drink het sap van zuring.

Tegen scrofulas (d) maak je er een pleister van.

Men zegt, zei het. Avicenna vertelt dat als je de wortel van zuring in de hals legt bij diegene die kropzweren heeft dat hij ze dan kwijt raakt. Tegen het tandzuur neem je het sap van zuring of kook het met wijn en als het lauw is was je daarmee de tanden.

(3) Tegen de loop van baarmoeder bloedingen (e ) wrijf je de wortel en kook die in wijn, het breekt ook de nierstenen en het afschaven van de darmen. (f)

 (b) Vormafwijking van de huid. (c) Dit is een kruipende ziekte, meestal een gezwel of zweer. aangezien er in de volgende zin sprake is van besmetting zal hier vast sprake zijn van een infectie zoals wondroos die een zweer veroorzaakt. (d) Opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (e) Bloedingen tussen menstruaties door, of hevige menstruaties. (f) Dysenterie.

 

Herbarijs ; ‘Acetosa, dat is surkele, dat is koud in de 3de graad en droog in de eerste. (2) En die het eet in de lente maakt goede appetijt en laat zeer hongeren en verdrijft alle hitte. En het is goed gepleisterd op (5) alle druppels en op hete gezwellen. En ze (3) stremt de menstruatie in de vulva als het van onder ingestoken wordt. En het is goed in alle koude zalven en in alle koude pleisters om de hitte te weren. Echter die verbrand is van het vuur en de ogen gezwollen, voor die zal men zuring stampen en het erop leggen.

Echter het sap van haar stremt buikloop en (3) purgeert de vrouw van haar zaken en doodt de wormen en verslaat venijn en stopt de loop die te licht is. En is goed op alle hete ongemakken’

 

 

(4) Er worden 2 soorten beschreven, zo ook in Herbarius in Dyetsche. Herbarijs heeft er nog 3 alzo;

(a)   Lapacium acutum, met scherpe bladeren, de beste.

(b)  Lapacium rotundum met brede bladeren waar men boter in draagt.

(c)   Lapacium domesticum of tamme zuring, die gekweekt wordt in de moestuin.

(d)  Acetosa, dat is surkele.

Platearius heeft dezelfde indeling als de Herbarijs; Est autem triplex scilicet lapacium acutum et acuta habens fola et herba efficax est, et lapacium rotundum quod habet folia rotunda et minus efficax est, et lapacium domesticum lata habens folia magna aliquantulum competit usui medicine;.

Dioscorides beschrijft 4 soorten Lapacium, wilde, tamme, met ronde bladeren en met scherpe bladeren.

Dodonaeus beschrijft 8 soorten Lapathum of Patich.

 (a) Lapacium acutum, de beste. Dodonaeus; ‘Het eerste geslacht van Lapathum of Oxylapathum dat men hier te lande Patich of Peerdick noemt heeft lange, een zeventien cm hoge, voor scherpe, niet zeer brede, hardachtige bladeren. In Latijn Rumex acutus. Lapathum silvestre of Oxylapathum. In de apotheken Lapathium acutum’.  Dat is Rumex x pratensis Mert. & Koch. (R. acutus, L (scherp) een bastaard van crispus en obtusifolius. Hoewel herbarius in Dyetsche acutum partike noemt wat overeen komt met domesticum, hoewel hij er wel 2 soorten van vermaant.

(b) ‘Waar men boter in draagt’ moet een grootbladige vorm zijn, de grote patich of water patich van Dodonaeus, Rumex aquaticus L., paardezuring, waterzuring, Frans patience aquatique, oseille d’eau, Duits Wasser Ampfer, Engels water-sorrel, horse-sorrel’.

(c ) Domesticum zal Rumex patientia L zijn. Dodonaeus; ‘De tamme soort van Patich heet in Grieks Lapathon hemeron, in Latijn Rumex sativus en Lapathum sativum of zoals sommige apothekers zeggen Patientia’. Spinaziezuring, Engelse spinazie, Frans patience officinale, Duits Gartenampfer, Engels patience-dock’.

(d) Rumex acetosa, dat betekent meer zuur dan scherp wat met de naam sauerampfer overeen komt .

 

  

 

Dylle xiiii capitel [31]

Anetum latine·arabice Debeth. (Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis·in dem capitel Debet·idest Anetum spτicht·dz anetum allen leüten se˙ wol bekant unnd sein natur ist warme machen in dem leczten des dτitten grades·und trucken machen an dem anfang des audern grades·(Der wirdig meister Avicenna spτichet·das d˙lle genüczt machet wol schlaffen·und sunderlichen das ôle davon an das haubt gestrichen·(Der safft von dil oder d˙l olei ist gůt wider dem wetagen d oτen·darein warm gelassen·(Er spτicht auch·das d˙lle sei schedlich den augen die stĺtiklich genüczet·Der same von dil und das kraut·genüczet den frauwen die kinder seügen bτinget jn vil milch·und sunderlich also genüczet mit linsen bτüe·(Wer vil speyet d neme ein te˙l wassers mit dill und ein teil gesotten mit maiţ samn·und die unnder einander gemüschet und des getruncken·benymmbt das vil speyen·(D˙ll gesoten und getruncken·vertreibt des bauches ungemach·(Der samen von dill heilet emoτrodias·dz ist sein chloţ in dem afftern davon entstend die feichtblatern·des bulfers von den samen darein gestreüet·(Dye ĺschen von dill ist gůt für allen gebτesten des afftern und wetagen des mannes dinger genant testiculus et virga· (Paulus ein meister spτicht in dem capitel von dill·das dill gesotten und genüczet seye fast gůt stranguiriosis·dz ist·do dτŭplingen hĺrmen·(Item dill gesotten mit zucker·und darunder gemüscht ôll und wein·ist fast gůt der můter genant matrix·unnd n˙mbt hin secundinam·und bringt den frauwen ir kranckeit genant menstruum des getruncken auff zwei quintin·(Platearius·dill gesoten und getruncken·ist fast gůt den die erkaltet sind umb die bτust·(Item der samen von dill·und nesseln samen·˙egklichs geleich vil gebulfert·und darunder gemüscht mett hônig·und dar auţs gemachet ein pflaster·und gelegt auff die feüch blatern·he˙let die zů handt·(Der meister genant rabi mo˙ses·jn dem capitel Anetum spτichte das der dillsamenn vermenget mit mastix·ist gůtt für dz schlicken dz kumbt von einen follen magen·(Plinius spτicht die wurczel gestossen und geleget auff die augen·ben˙mmbt die hicze darauţ·(Dill gesotten und darunder gemüschet mastix·benimet das bτechen genant vomitum·(Dill geessen stercket das hirn· und den magen·(Item dill őle ist gůt in wetagen d odern genant artetica·mit d salbeenn genant ungentum die alte vermenget·(Item dillôle mit meiţsamen ôle vermenget·ist machen schlaffen·die stirn damit geschmieret·(Item dill samen·zům dicker mal von dem genüczet d ist des mannes samen verzeren·genennet sperma·Alţ Avicenna und Serapio die meister spτechende [32] Item. D˙ll samen gesotten in wasser darein sollen ftrawen siczen ist gůt wider den weetagen der můter·

Dille 14de kapittel. [31]

Anethum Latijn. (1) Arabisch Debeth. (Anethum graveolens)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Debet, id est Anetum, spreekt dat Anethum alle lieden goed bekend is en zijn natuur is warm maken in de laatste van de derde graad en droog maken aan de aanvang van de andere graad. De waardige meester Avicenna spreekt dat dille genuttigd maakt goed slapen (2) en vooral de olie daarvan aan dat hoofd gestreken. Het sap van dille of dillenolie is goed tegen de pijndagen van de oren, daarin warm gelaten. En spreekt ook dat dille schadelijk voor de ogen is die steeds genuttigd. (3) Het zaad van dille en dat kruid genuttigd door de vrouwen die kinderen zuigen brengt hen veel melk en vooral alzo genuttigd met linzen bouillon. Wie veel spuwt die neemt een deel water met dille en een deel gekookt met boommos zaden en die onder elkaar gemengd en dat gedronken beneemt dat vele spuwen. (4) Dille gekookt en gedronken verdrijft de buik ongemak. (6) De zaden van dille heelt hemorroide, dat zijn kloven in het achterste daarvan ontstaat de aambeien, dat poeder van de zaden daarin gestrooid (6) De as van dille is goed voor alle gebreken des achterste en pijndagen van de mannen ‘s ding genaamd testiculus en virga. Paulus, een meester, spreekt in het kapittel van dille dat dille gekookt en genuttigd erg goed is stranguriosis, dat is die druppelend plassen. Item dille gekookt met suiker en daaronder gemengd olie en wijn is erg goed de baarmoeder genaamd matrix en neemt weg nageboorte en brengt de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie, dat gedronken op twee maal 1,67gram. Platearius: dille gekookt en gedronken is erg goed diegene die verkouden zijn om de borst. Item de zaden van dille en brandnetelzaden, van elk gelijk veel, gepoederd en daaronder gemengd met honing en daaruit gemaakt een pleister en gelegd op die aambeien heelt die gelijk. De meester genaamd Rabbi Moises in het kapittel Anethum spreekt dat de dillenzaden vermengt (4) met mastiek goed is voor dat slikken dat komt van een volle maag. Plinius spreekt; die wortel gestoten en gelegd op de ogen beneemt de hitte daaruit. Dille gekookt en daaronder gemengd mastiek beneemt dat braken genaamd vomitum. Dille gegeten versterkt de hersens en de magen. Item dille olie is goed in pijndagen der aderen genaamd artetica met de zalf genaamd ungentum diealte vermengt. Item dillenolie met boommos zadenolie vermengt is maken slapen, dat voorhoofd daarmee gesmeerd. (5) Item dillenzaden vele malen ervan genuttigd dat is de mannen zaden verteren genoemd sperma. Zoals Avicenna en Serapio die meesters spreken. Item. [32] Dille zaden gekookt in water daarin zullen vrouwen zitten is goed tegen de pijndagen van de baarmoeder.

 

 

Vorm.

Dille is een eenjarige plant die een 100 cm. hoog wordt met meestal maar een stengel. Hieraan komen fijngesneden, draadvormige bladslippen. De zachte kleur van de plant, die ligt tussen het groen en het geel van de bloemscherm, vormt een lichte waas boven de lagere bedekking. Goudgele schermen waaruit bruine en harde vruchten komen.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit kruid in onze taal dille, in het Hoogduits Tillen, in het Grieks Anethon en bij sommige Anekethon, in het Latijn noemt men het ook Anethum en met die naam is het in de apotheken bekend’.

Bij de Grieken was Anethum de naam voor de plant. Deze is afgeleid van aemi, ‘ ik blaas uit’ of ‘adem uit’ vanwege de sterke geur van de plant. Dat komt eveneens tot uitdrukking in de Latijnse naam graveolens, van gravis, zwaar’, en olere, ‘rieken’.

(2) Herbarius in Dyetsche;Dillenolie dat met olie van papaverzaad gemengd is en op de slapen van het hoofd gestreken wordt laat je slapen’ . Dodonaeus gebruikt het ook als rustgevend middel. Dille zou een kalmerende uitwerking bezitten. Deze naam is afgeleid van het oud Noorse dilla, wat ‘sussen’ betekent. Al eeuwen wordt het kruid gebruikt om baby’s in slaap te krijgen. Een vergelijkbare naam is het Engelse dull, ‘verminderen’ of ‘verzachten’. Dill, in Duits Till, Dylle of Dill, Engels dill, kan ook afgeleid zijn van delen, omdat de plant in veel takken verdeeld is.

(4) Omdat dille wordt gebruikt bij het inmaken van augurken heet het ook augurkenkruid. Pickles maakten dille beroemd, het verbetert de spijsvertering. Zo ook in Herbarius in Dyetsche, Dodonaeus en Herbarijs is dille goed voor de maag.

 

Gebruik.

Dille is al heel lang gebruikt als middel tegen gasvorming in maag en buik. Daarnaast verbetert het kruid de spijsvertering. Herbarijs; ‘en ze slankt ziektes af dat van volheid komt’. Het zou door de middeleeuwse ridders gebruikt zijn om op open wonden te strooien. De vrucht bevat een vluchtige olie die in de geneeskunde wel gebruikt wordt als urineafdrijvend middel. In de oudste stedelijke farmacopees zijn ook de zaden alleen als officineel aangegeven. Later worden ook de bladeren gebruikt.

(4) Dille zaden bevatten een 4% Oleum anethi, een vrijwel kleurloze olie. Het zal dus wel aromatische waarde hebben met een antiseptische werking in de spijsverteringstractus en ook op de huid. Die olie zou antibacterisch en schimmeldodend werken, maar ook wel om de melkafgifte te bevorderen bij zogende vrouwen. Zo ook bij Herbarius in Dyetsche, niet in de Herbarijs.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Dille of Anetum is heet tussen de tweede en de derde graad, droog tussen de eerste en de tweede. Als dille gebrand wordt dan is het droog in de tweede. Het verandert (dat wil zeggen het ontbindt of verteert) bijzonder goed rijpe blaren en zweren.

Geslagen of gestampt dillenzaad dat met heemswortel en zwijnenvet gemengd is rijpt de slijmachtige blaren en zorgt ervoor dat pusvormende ontstekingen rijpen en knappen. Om de zweren te drogen: ‘Neem as van verbrandt dillenzaad en meng het met de gebroken wortel van Iris’.

Olie van dillenzaad dat met Althaea gemengd is geneest van de gewrichten.

Dillenolie dat met olie van papaverzaad gemengd is en op de slapen van het hoofd gestreken wordt laat je slapen.

Olie van dillenzaad dat met olie van bittere amandelen gemengd is en lauw in de oren gedruppeld wordt geneest oorpijn en verdroogt haar vochtigheid. (a)

Avicenna zegt dat als je veel dillenzaad eet dat je dan minder kan zien.

Dillenzaad helpt tegen het letsel van de borst dat uit koude komt. (b)

Neem vijf of meer vijgen en leg die een nacht te weken in het sap van dille, dan kook je het met wat anijszaad, hysop en zoethout in wijn, dat doe je door een doek en geef daarvan te drinken want het laat slijm (uit de longen) die van binnen verkeerd zijn uitspuwen. (c) Het poeder van dillenzaad dat in soep, vleessap of pap gegeven wordt is goed voor vrouwen want het laat de (3) melk in hun borsten overvloeien.

(4) Tegen hik, vanweg de volheid van het eten dat in de maag zwemt, is het goed om gekonfijt dillenzaad te gebruiken. Hetzelfde tegen stekende pijnen van het lichaam.

(6) As van dillenzaad is goed op aambeien van de aars, op de zwerende manlijke roede en op gezwollen ballen te leggen.

(4) Tegen overgeven, walging en tegen hik die uit koude zaken komt is het goed om dillenzaad dat met mastiek gekookt is te nemen.

(5) Het is een slechte zaak om veel dillenzaad te eten want het verteert sperma volgens Avicenna en Serapio.

Als vrouwen in een kooksel van dille zitten dan helpt het tegen menstruatiekrampen.

Gebroken dillenzaad is goed tegen zweren die vol zijn of etter hebben, het zorgt ervoor dat pusvormende ontstekingen rijpen en knappen en laat het vlees groeien. Avicenna, Serapio en Pandecta.

(a) Suppuratieve otitis externa. (b) Bronchitis/longontsteking. (c) Bronchitis/ tuberculose.

 

Het werkt dus volgens hen op de urine en voortplantingsorganen. Hildegard von Bingen wijdt een hoofdstuk aan De Dille, der Dill. ‘Ze zegt; ‘zur Unterdrucking sinnlichter Triebe’. In de Middeleeuwen gold dille in wijn als potentieverminderend middel en zo was ook de mening van Jacobus Theodurus Tabernaemontanus: ". / die so kinder zu zeugen begehren / und auch sonsten den ehelichen Werken ungeschickt sind / die sollen des Dills müßig gehen / und in ihren Speisen nicht gebrauchen / . ."  Dat het de winderigheid beneemt;  . / sondern er benimmt auch die Windigkeit / . . . In Suma unsere Weiber und Köch können des Dills in ihren Küchen keineswegs entbehren.".

 

Herbarijs; ‘Anetum, dat is dille. Beide, zaad en kruid, is heet en droog in de 2de graad, sommige zeggen in de 3de graad. En dit zaad behoort tot de medicijnen en de wortels ook. En als men vindt beschreven anetum, neem dan het zaad. En men zal het verzamelen en drogen en 3 jaar mag het goed blijven, maar het is beter dat men het alle jaren vernieuwt. En dit verdrijft knaging en heffing in het lichaam. En ze heeft meest verse hitte. En drank daarvan gemaakt en gedronken laat goed urine maken en verzacht epilepsie en kramp en bedwingt walging en spuwen van (4) spijzen die in de maag zijn of vloeit en ze slankt ziektes af dat van volheid komt. En gekookt met olie en op de huid gepleisterd dat opent de poriën en rijpt blaren. (5) Nochtans vaak genomen verdonkert ze het zien en verdroogt weelderigheid van mannen en van wijven. En verzacht de pijn in vulva, gekookt in bronwater en als het vrouw daarin zit laat het haar stonden komen. (6) En het zaad daarvan gebrand en op de aambeien gepleisterd laat die genezen. En gelegd op wonden of op murwe blaren in de ballen of op het eind van de roede, dat droogt en laat ze genezen. En de zweer van de jicht verzacht het en in de vulva gedaan verzacht de pijn daarin.

(5) En men zal weten dat men aldus het op 3 manieren medicijnen in de vulva doet; Men nat katoen of lappen in het sap of wat men daarin wil steken en dan steekt men het in vulva. En met klysma’s laat men het ook daarin lopen. En men stampt ook het verse en droge kruid en steekt het in een zakje zo groot als een gematigde schacht en steek het dan in vulva, welke het beste is dat zal men doen’.

 

Dodonaeus; ‘De droge toppen van dille en de zaden er van zijn zeer goed om het melk te laten voortkomen als men ze de vrouwen te drinken geeft als het in water gekookt is.

Dille laat alle krampen, zwellingen en rommelingen van de buik ophouden en vergaan en verwekt de plas.

Ze is ook zeer geschikt om de hik te slissen en het opwerpen of omkeren van de maag te beletten en het oprispen te verbieden, zo Dioscorides betuigt, want het zaad kan de hik laten ophouden alleen door zijn reuk maar vooral als men dat in wijn kookt, maar meestal als men dat met alsem en rode rozen vermengt tezamen in wijn kookt en zo de maag ermee stooft of baadt.

(4) Hetzelfde zaad laat de voedster veel melk krijgen alzo goed als het venkelzaad.

Een bad gemaakt van water daar dille in gekookt is wordt zeer goed gehouden voor de vrouwen die met gebreken van de baarmoeder gekweld zijn.

Het gebrande zaad wordt nuttig op de uitwendige gezwellen gedaan, wratten en diergelijke uitwassen en rouwigheden die omtrent de aarsdarm vooral en ook elders komen als men dat van buiten oplegt of strooit.

 (5) Dille veel gebruikt maakt donker en duister gezicht en verdroogt de natuur en dat mannelijk zaad als men dat dikwijls met drank of anders inneemt.

Groene dille is vochtiger en minder verwarmend dan de droge waarom dat het meer rijp maakt en tot slaap verwekt, maar verteert minder.

Olie van dille van buiten gestreken en gedistilleerd water er van gedronken belet de schuddingen en bevingen van de koortsen.

Men zegt dat dille met zijn reuk alleen al kan laten plassen.

Dille is zeer goed tegen dat opstijgen en opklimmen van de baarmoeder als men het in water kookt en de warme damp die er af komt van onder ontvangt.

Dit kruid wordt ook gedaan bij het teriakel van koning Antiochus dat tegen vergif zeer geprezen wordt.

Men plag dit kruid te gebruiken in sommige landen om bij de spijs te doen als bij de kool en bij de vis.

De Polen bereiden menige sausen en spijs met dit kruid en met het zaad er van’.

 

  

 

Enysz xv Capi

Anisum grece et latine·Aneisuz arabice·

(Der me˙ster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Aneisum spτicht das der ĺniţ gůt se˙ so er frisch se˙·und d ist gůt d grosse kőτner hat·(Der me˙ster Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel anisuz spτicht·das der ĺniţ se˙ heiţ und trucken in dem dτitten grade·

(Er sprichet auch das ĺniţ gůt dem zerblasen antlicz·einen rauch davon gemachet und den gelassen in die naţlôcher·(Er ben˙mmet auch also genüczet haubtwee und das schw˙ndeln·(ĺniţ gestossen und gemenget rosen ôl und daz gelassen in die oτen bτinget widerumb das gehôτde. (ĺniţ d˙ll und fenchel samen·bτingen den frawen vil milch·(ĺniţ genüczet leschet den durst·(ĺniţ geessen ist gůt der verstopfften lebern·(ĺniţ geessen macht wol hĺrmen·(Der meister Galienus in den vj·bůch genant simplicium farmaciarum·in dem capitel Anisum spτichet·das ĺniţ se˙ durch dτingen die bôsen früchttung·und ben˙mmt das bauchwe und verzeret die windt genant vento sitates·(Item ĺniţ reiniget den frawen ir můter genant matrix von bôser feüchtigkeyt·(ĺniţ bτinget begierd den frauwen und den mannen·und meret des mannes samen in spe˙ţe geessen·(ĺniţ genüczet thůt auff die verstopfften nieren unnd blasen·(ĺniţ gesotten mit fenchel ist fast gůt den die das katt lange zeit gehabt haben·(ĺniţ treibet auţ vergifft.(Item ĺniţ stĺtigklichen geessen gibet dem menschen gůte h˙cze·(Item wie man ĺniţ nüczet so vertreibet er den w˙ndt der die dĺrme verhyrtet und den magen beschwĺret·(ĺniţ gibt gůte h˙tze d lebern·und machet wol deüwen. (Der meister Diascoτides besche˙bet aüch alle stucke·wie der meister Avicenna vonn dem  ĺniţ beschre˙bet·[33]

(Item· ĺniţ jst auch gůt wider die sauren re˙czung die do kommet von einen kalten unverdĺulichen magen·darczů in sunderhe˙t jst gůt ĺniţ gesoten in wein mit z˙mer˙nden und mit mastix vermenget·(Item wider bestopffung der lebern und des milczes ist gůt ĺniţ gesoten mit hirczung vermenget·

Anijs, 15de kapittel.

Anisum (1) Grieks en Latijn. Aneisur Arabisch. (Pimpinella anisum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anisum spreekt dat de anijs goed is zo ze vers is en die is goed die grote korrels heeft. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Anisum spreekt dat anijs heet en droog is in de derde graad.

Hij spreekt ook dat anijs goed is het opgeblazen aangezicht, een rook daarvan gemaakt en dan gelaten in die neusgaten. Het beneemt ook alzo genuttigd hoofdpijn en dat duizelen. Anijs gestoten en gemengd met rozenolie en dat gelaten in de oren brengt wederom dat gehoor. Anijs, dille en venkelzaden brengen de vrouwen veel melk. Anijs genuttigd lest de dorst. Anijs gegeten is goed de verstopte lever. Anijs gegeten maakt goed plassen. De meester Galenus in het 6de boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Anisum spreekt dat anijs is doordringen die kwade vochtigheid en beneemt dat buikpijn en verteert de wind genaamd vento sitates. Item, anijs reinigt de vrouwen hun baarmoeder genaamd matrix van kwade vochtigheid. (3) Anijs brengt begeerte de vrouwen en de mannen en vermeerdert de mannen zaden in spijs gegeten. Anijs genuttigd doet open de verstopte nieren en blaas. Anijs gekookt met venkel is erg goed die de koude lange tijd gehad hebben. Anijs drijft uit vergif. (2) Item anijs steeds gegeten geeft de mensen goede hitte. Item hoe men anijs nuttigt zo verdrijft het de wind die de darmen verhard en de maag bezwaart. Anijs geeft goede hitte aan de lever en maakt goed verteren. De meester Dioscorides beschrijft ook alle stukken die de meester Avicenna van de anijs beschrijft. [33]

Item, anijs is ook goed tegen die zure oprisping die je komt van een koude onverteerbare maag, daartegen en vooral is goed anijs gekookt in wijn met kaneel en met mastiek vermengt. Item tegen verstopping van de lever en de milt is het goed anijs gekookt met hertstong vermengt.

 

Vorm.

Anijs is een fijn bladig kruid van een zestig centimeter hoog met geurende en geveerde bladen. Het is een mooie bladplant. De witte bloemen staan op een gegroefde stengel. De zaden worden hier meestal niet geheel rijp, de beste komen uit Spanje, de Alicante anijs.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘Dit kruid ‘(Pimpinella major) wordt van de nieuwe kruidbeschrijvers Pimpinella op het Latijns genoemd. Gesnerus heeft het liever Peponella genoemd omdat het de reuk van de pompoen zo dicht bij schijnt te komen. Andere noemen het Pampinula of Bipennula of Bipinella en meer andere Solbastrella. De Nederduitsers noemen het pimpinelle.’.

(1) Dodonaeus; ‘De Nederduitsers noemen dit kruid anijs, de Hoogduitsers Aniss, alle naar de Latijnse en Griekse naam want in het Latijn heet het Anisum en zo is het in de apotheken ook bekend, in het Grieks Anison of zoals sommige schrijven Aneson’.

 Het behoort tot een van de vele ingevoerde kruidplanten die we met de Romeinse cultuur overnamen. Het heeft dan ook geen inheemse naam. Het woord  anijs verschijnt in midden-Hoogduits als Anis, Enysz en ook Enis dat duidelijk tegen het Latijnse anisum leunt, Grieks aneson of anethon. Grieks anison stamt van aniemi, ‘tevoorschijn laten komen’. Een andere verklaring wil men zien in Grieks a, ‘niet’, en isos, ‘gelijk’, dus ongelijk, misschien naar de eivormige vrucht.

 

Werking.

Herbarijs heeft dit kapittel niet.

Medisch zou het pijnstillend werken en vermindert het hoesten, werd gebruikt tegen spijsverteringsklachten, cholera en pest. In olie heelt het oorpijn, anijsdampen verminderen hoofdpijn. De bladeren werken antiseptisch. Pythagoras roemt het en zegt dat ze zowel rauw als gekookt lekker is en dat men anijs in het brood moet bakken. Bovendien wekt ze de eetlust op en voorkomt zware dromen. Als men de plant onder het hoofdkussen legt slaapt men heerlijk. Om er altijd jong uit te blijven zien moet men zich met anijswater wassen. Zo, eindigt hij, heeft men de plant de onoverwinnelijke, anicatum, genoemd.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Anisum of anijs is heet en droog in de derde graad. Het is het zaad van een kruid dat ook zo heet. Het is zoet en heeft de kracht om te verteren, te ontbinden en de winden te verminderen. (2) Anijs is goed tegen wind, tegen zure oprispingen en onverteerbaarheden als je het met mastiek en kaneel in wijn kookt en zo drinkt. Om stonden van de vrouwen te laten komen: ‘Neem een grote kan met water of wijn waar anijs in gekookt is’. Tegen verstopping van de milt en van de lever is het goed om een afkooksel van anijs met hertstongen te nemen. (3) Het poeder van anijs in het eten of drank genomen vermeerdert de sperma en melk.’

(2)  Van zijn welriekende zaden zegt Plinius: "Ze geven de adem een goede reuk, het gezicht een jong aanzien en verlichten zware dromen en bewerken eetlust".

De Romeinen deden de zaden in hun specerijenkoeken. Het is mogelijk een van de gebruiken die aanleiding gaf tot de huwelijkstaart. Het kruid wordt gebruikt bij fijne bakkerij. Verder is het een bestanddeel van verschillende als borst-, melk- en stengelpoeder genoemde mengsels en ook in verschillende theemengsels als borst, water en afvoerende kinderthee. De olie werd in giften van 3 tot 6 druppels met suiker gebruikt tegen winden, maagzwakte en mond en tandwaters, hoestmiddelen en likeuren. Kneipp beveelt anijs aan in een waterig afkooksel alleen of met venkel en kummel tegen kramp, koliek, ook als oogwater.  De gelaatshuid wordt schoon en blank door het wassen met anijswater.

 

Maerlant;Anetum, dat is anijs. Platearius zegt dat, die was wijs, en zegt dat het droog is en heet. Als het gedroogd is een deel breekt het de steen. Tegen spuwen dat komt van koude zaken en die hem ziek maken daarvoor is het een goede medicijn. De hersens als ze hebben pijn zal je het koken en drinken en kauw het en laten zinken. (2) Goed is het voor de maag, als men vindt, en verdrijft ook de wind. Voor hem is het een goede medicijn die urineert met pijn’.

 

  

 

Aron xvi Capitel

Aron grece·arabice Siri cantica·latine Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minoτ vel Luff minoτ·

(Pandecta in dem capitel Aaron spτicht·das der se˙ he˙ţ und trucken in dem ersten grade·(Platearius spτichet·das Aaron se˙e warm und trucken in dem dτitten grade·(Diţ kraut und wurczel und samen nüczet man in ĺrczne˙·als dann spτicht Diascoτides das die tugent des arons se˙ in dem samen·in der wurczeln·und in dem kraut·(Unnd wenn der eins gemenget wirt mit kům˙st und darauţ gemachet ein pflaster ist fast gůt podagricis darüber gebunden·(Die wurczel von aaron zeücht auţ vil bôser feüchtigkeit und machet den menschen mager der zů fe˙ţt ist·die genüczet in der kost·(Die wurczel aaron und das kraut gestoţsen·und den safft getruncken·ben˙mt die pestilentz·(Der me˙ster Galienus in seinen andern bůch genant de cibis spτicht·das aaron genüczt in d kost ist fast gůt der bestopfften bτust und d bôsen lungen·und tre˙bet auţ den groben schle˙m und machet den menschen lustig umb das hercz·(Platearius. Wem die schwarczen bôsen blatern auffbτechen·doch dick und vil des menschen todt sind der esse dises kraut od seiner wurczeln·das senfftmŭtiget jm die bôsen hicze und benymmet das vergifft der blatern und heilet s˙·(Wer also streng vergiffttet wĺr oder umbgeben wĺre mit der pestilencz·und als ablegig und blôd wĺre das er nit reden môchte·der esse die bletter dises krautes mit wenig salczs oder schne˙de die wurczeln des krautes in gesoten hônig·und esse das also hinein·es ben˙mbt jm die vergifft und sunderlichen die pestilencz·(Wer verschle˙met [34] wĺr in dem magen und bôse fieber darinn hette·d siede die wurczel dises krautes in lautterem wein und laţ den wein kalt werden·darnach stoţ darein glŭenden stahel das der weine zů dem andern mal warm werde·unnd trinck den wein als warm du dem gele˙den magst·d ben˙mt dem schlein unnd die bôsen febτes·

(Der selb getranck vertre˙bet auch die melancole˙ und den schwĺren můt des menschen·unnd machet dem menschen gůt geblűt.(Item Aron bulfer von d wurczel mit zucker vermenget in einem ĺrbe˙ţ bτülein genuczt machet stůlgeng· (Unnd hat auch macht frawen feücktigkeit flŭţsig zůmachen genant menstruum besunder so man ist machen zapfen genant pessaria von mirra und laudano mit aron safft vermenget·die in der frawen scham gelegt ist darzů gůt·(Item ein pflaster gemacht von aron wurczel und kümmel mit olei vermenget ist gůt wider die feüchtblattern·und aron ist auch gůt widden auţgang des arţdarms mit wulle in wein gesoten und wasser und darauff warm gesessen· (Item des menschen antlicz hŭbsche und re˙n zů machen. N˙mme arom wnrcel gebulferet und fischbe˙n genant ossepie undd ble˙we˙ţ ˙egkliches ein lot mit rosen wasser vermenget·davon dz antlicz gewĺschen ist darzů gůtt als Diascoτides spτicht·

Arum, 16de kapittel.

Aron Grieks. Arabisch Siri cantica. Latijn Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minor vel Luff minor. (Arum maculatum)

Pandecta in het kapittel Arum spreekt dat het heet en droog is in de eerste graad. Platearius spreekt dat Arum warm en droog is in de derde graad. Dit kruid en wortel en zaden nuttigt man in artsenij als dan spreekt Dioscorides dat de deugd van Arum is in de zaden, in de wortels en in het kruid. En als het eens gemengd wordt met koemest en daaruit gemaakt een pleister is het erg goed podagricis, daarover gebonden. (3) De wortel van Arum trekt uit veel kwade vochtigheid en maakt de mens mager die te vet is, die genuttigd in de kost. De wortel Arum en dat kruid gestoten en het sap gedronken beneemt de pest. De meester Galenus in zijn andere boek genaamd de cibis spreekt dat Arum genuttigd in de kost erg goed is de(5) verstopte borst en de kwade longen en drijft uit de grove slijm en maakt de mensen lustig om dat hart. Platearius: Als de zwarte kwade blaren openbreken dat toch vaak en veel de mensen dodelijk is die eet dit kruid of zijn wortels, dat verzacht bij hem die kwade hitte en beneemt dat vergif der blaren en heelt ze. Wie alzo sterk vergiftigd was of omgeven was met de pest en als verschrikt en bang was dat hij niet reden mocht, die eet de bladeren van dit kruid met weinig zout of snij de wortels van het kruid in gekookte honing en eet dat alzo op, het beneemt hem dat vergift en vooral de pest. (5) Wie verslijmt [34] was in de maag en kwade koorts daarin heeft die kookt de wortel van dit kruid in zuivere wijn en laat de wijn koud worden, daarna stoot daarin gloeiend staal zodat de wijn de volgende keer warm wordt en drink de wijn als warm als je verdragen kan, dat beneemt het slijm en de kwade koorts.

Dezelfde drank verdrijft ook de melancholie en dat zware gemoed des mensen en maakt de mensen goed bloed. Item, Arum poeder van de wortel met suiker vermengt in een erwt bouillon genuttigd maakt stoelgang. (4) En het ook maakt vrouwen vochtigheid vloeiend te maken genaamd menstruatie vooral als men maakt pennen genaamd pessaria van mirre en laudanum met Arumsap vermengt die in de vrouwen schaam gelegd is daartoe goed. Item een pleister gemaakt van Arumwortel en komijn met olie vermengt is goed tegen de aambeien en Arum is ook goed tegen de uitgang des aarsdarm met wol in wijn gekookt en water en daarop warm gezeten. (2) Item de mensen aanzicht mooi en rein te maken; neem Arum wortel gepoederd en visbeen genaamd sepia en loodwit, van elk een 16,7gram, met rozenwater vermengt en daarvan dat aangezicht gewassen is daartoe goed als Dioscorides spreekt.

 

Vorm.

Kalfsvoet krijgt in mei een zeven cm hoge bloemstengel met geelgroen of groenpurperen schutblad. Daaruit komen dikke, gladde en groene vruchten die tegen september rood beginnen te kleuren op een dertig cm hoge stengel. De bladen zijn pijlvormig, gaaf en helder groen, soms gevlekt en verdwijnen in de zomer.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘ Dit gewas wordt hier te lande kalfsvoet genoemd naar de gelijkenis die het daarmee heeft, in Hoogduitsland Pfaffenpint en Teutscher Ingwer, in Spanje yaro, dan het is in het Grieks Aron genoemd en in het Latijn Arum, in de apotheken Iarus en Barba Aron, bij de andere Pes vituli, in Syrië lupha, in het eiland Cyprus Colacasia net zoals men onder de valse of bastaardnamen vindt waar dat het ook Alismos en Draconitia genoemd wordt. Voorts zo betuigt Plinius in het 16de kapittel van zijn 24ste boek dat Aron met het Dracontion grote gelijkenis heeft zodat sommige die twee voor hetzelfde gewas gehouden hebben. Sommige noemen het ook Serpentaria minor. De andere vreemde of buitenlandse soort van Arum is van sommige Arum Aegyptium genoemd, dat is Arum van Egypte, die van Castilië in Spanje noemen het manta de nuestra senora en meest alle kruidbeschrijvers zien het voor de Colocasi aan’.

Het gewas dat we Dodonaeus beschrijft heeft namen die op de Egyptische Colocasia antiquorum lijken en soms door elkaar gebruikt worden waar de afkomst van de naam ook wel mee zal overeenkomen. Dodonaeus heeft er geen raad mee geweten want hij gebruikt dezelfde afbeelding voor deze en Arum italicum die hij elk apart beschrijft terwijl die planten toch zeer veel op elkaar lijken. Bij Herbarius in Dyetsche zie je aan het gebruik dat toch de gewone Arum maculatum bedoeld wordt en geen Colocasia. In de Gart zie je dat het blad en knol gegeten worden waar dan toch vermoedelijk een vermenging ontstaan is van Arum en Colocasia.

Latijn Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minor, dus kleine slangen of drakewortel, Jaculus is een soort slang, vel Luff minor; klein.

Aronstaf, Duits Aronstab. De Aronstaf zou ontstaan zijn op de plaatsen waar Aron zijn staf had neergezet. Toen Joshua en Caleb in het beloofde land spioneerden namen ze de Aronstaf mee en hierop droegen ze op de terugweg de grote druiventrossen die ze plukten te Eschol en brachten ze het naar Mozes als bewijs van de rijkheid van het land. Nu, nadat ze de stok ontlast hadden van zijn lading, staken ze die in de aarde en zie! Daar sprong de Arum op. Het is het symbool gebleven van gezegende overvloed en vol met trossen vruchten bezet. De naam slaat dan vooral op de met bessen bezette vruchtenstengel die wel wat op een staf lijkt.

Natuurlijk kan men overal iets bij zoeken, zo ook hier. Plinius vermeldt XIX 30.: "Est inter genera et quod in Aegypto aron vocant." Naar Plinius stamt de naam uit Egypte. De Egyptische naam aur of ar: brandend of vurig, de smaak van de plant, werd vertaald in het Grieks als Arum: nuttig, en kwam daarna in het Latijn als aron. Waarschijnlijk werd het woord volksetymologisch met Exodus 4:17 verbonden en werd de kolf met de Aronstaf vergeleken, omdat de naam Aron een gelijke klank bezit. Waarschijnlijker is het dat Colocasia in Egypte de naam van aron had waar deze plant mee vergeleken werd.

Hildegard von Bingen; ‘De Herba Aaron’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Calfsvoet, aaron, aron of iarcus is heet en droog in de eerste graad volgens Pandecta, maar Platearius zegt dat het heet en droog is in de derde graad. Het heeft de kracht om te ontbinden, te laxeren, te dunnen en af te drogen.

(4) Met het sap van kalfsvoet, laudanum en mirre maak je een pessarium in de baarmoeder om de stonden te laten komen.

Een pleister die gemaakt is van kalfsvoet en komijn en in wijn is gekookt met gewone olie is goed voor het opblazen of opheffen van de oren. Tegen aambeien is het goed om de hele plant met wolkruid in wijn en water te koken en daarin te zitten.

Ook is het goed tegen aambeien (a) Het gestampte kruid is ook goed tegen koude blaren als je het met oud vet mengt en dat er heet op legt.

Tegen scrofulas (dat is een soort van harde builtjes alsof het klieren zijn) (b) en verharde blaren: ‘Neem dit kruid met zeeui en oud varkensvet, meng het tezamen en leg het er op’.

(2) Om het gezicht schoon te maken en de huid te zuiveren maak je van de gedroogde wortel een fijn poeder en van os sepia (dat is een been van een vis) meng het met loodwit en rozenwater en daarmee was je het aangezicht.

Dyaf zegt in het kapittel van Arum dat de kracht van Arum in het zaad ligt, in de bladeren en in de wortel.

Arum dat met ossenmest gemengd is geneest jicht in de voet.

(5) De wortel van binnen en van buiten gegeven is zeer goed tegen gezwollen leden die uit grove vochtvermenging ontstaan zijn, (c) met wijnsteen en suiker van binnen en met wijnsteen en gewone olie voor van buiten.

(2) Als je het kruid eet verdrijft het de grove, taaie vochtvermenging uit de borst (d) of kook het kruid in wat water en honing en gebruik het op de grove, taaie vochtigheden of vochtvermenging in de borst en binnen korte tijd zal je het uit spuwen.

Het poeder van kalfsvet dat op verrotte zweren gedaan wordt bijt het kwade overvloedige vlees weg. Zo heeft het in zijn bladeren en zaad grote kracht en in de wortel het allermeest volgens Pandecta, Platearius etc’.

(a) Perianale abcessen. (b) =opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (c) Oedeem, vocht in de ledematen? (d) Bronchitis?

(2) Het sap en de bessen werden als blanketsel gebruikt door adellijke dames in vroegere tijden, toen de mode was om zo blank mogelijk te zijn. Mogelijk is dit gebruik ontstaan omdat om vlekken en ander ongerief van de huid te schonen, een soort nachtcrčme. Vondel zegt hierover in ‘Noach of ondergang der eerste wereldt’;

Laat ge u bekoren van blanketsel en bedrog

Een schoonheid haast verwelkt. Geen roos verwelkte ooit radder’.  Dat zuivert dan ook wel de zweren van de huid.

 

(3) Vanwege de moeilijkheid om het gif te verwijderen werd het weinig inwendig gebruikt. Toch zie je hier dat blad en wortel inwendig gebruikt werden, wel om mager te worden wat logisch lijkt. Dodonaeus; De wortels van onze gewone kalfsvoet worden meer geacht dan de bladeren of de andere delen van dit gewas want als die in spijs gebruikt worden zijn ze zeer nuttig om de dikheid en slijmerigheid van de humeuren of vochtigheden van het lichaam matig dun te maken op die manier dat ze daarom ook voor zeer nuttig gehouden worden om de slijmerigheid van de borst gemakkelijk door het spuwen of hoesten te laten voortkomen hoewel dat het Dracontium tot hetzelfde doel voor veel nuttiger en beter gehouden wordt.

 

Herbarijs heeft alleen; Iarus is heet en droog in de 3de graad en ze heet ook Arona. En heeft in de aarde als een wit balletje gegroeid als prei. En is goed tegen nieuwe klieren, ja gestampt en erop gelegd’.

Platearius; Iarus alio nomine barba aaron apellatur et etiam pes vituli apellatur’.

 

 

 

 

schyszmelde xvii capi

ATriplex latine·Andτafasis grece·arabice Araff·

(Die meister spτechen·das melde se˙e kalt in dem ersten grade und feücht in dem andern·Und dises ist auch die meinunge des wirdigen meisters galieni in den sechţten bůch de simplicibus farmacijs·Diascoτides spτicht dz melde gestossen und gemüschett mit hônig·vertre˙bet das podograme darauff geleget mit eineτ pflaster· (Der samenn vonn melde gemüschet mit hônigwasser genant mulsa unnd getruncken vertre˙bet die geelsucht·

(Die bletter von melde gestossen·dem safft gelegt auff ein etzŭndets fle˙sch od gel˙de an dem leib [35] leschet dz zůhant·(Die do blůt spe˙end die mügen bτauchen melde·(Auch die do haben den auţgang ist fast gůt melde gebτauchet in der kost·(Den frawen die gebτesten haben an d můter genant matrix·die sollen melde legen auff dem bauch so stillet sich das wee an der můter·(Melde geessen we˙chet den bauch·und verschwendet manger handt geschwulst·(Melde gestossen und ein pflaster davon gemachet und das gelegt auff ein gestochen gel˙d mit eine doτn oder nagel zeücht das auţ on schaden und he˙let·(Melde gesotten mit hônig und auff den bôsen nagel gelegt an einem finger oder auff einer zehen des fůţs·ben˙mmt den bôsen nagel und machet wachsen einen gůten·(Den samen von melde dick genüczet ist gůt denen die do ke˙chen und schwĺrlichen ĺtmen. (Melde dick genüczt treibt auţ die spôlwürme·(Serapio spτicht das der samen von melde bτinge vomitum·das ist·sich oben auţ bτechen. Und saget das er gesehen hab einen menschen der von dem samen getruncken hab auff zwei buintin·und hab sich davon gebτochen fast sere·und jm davon entstůnden groţ onmĺchtigkeit. (Almansoτis tractatu tercio capitulo de Atriplice·spτicht·das melde weichet den bauch·und jst fast nücze den geelsüchtigen·und auch fast nücze den kinden die do habend ein he˙sse leberen·Item sch˙ţmelde mit bingelkraut in einem gemŭse gesoten·die bτŭ genüczet machet zů stůle geen·und ist auch weetagen der blasen ab nemen. (Item sch˙ţmelde genüczet ist gůt wider den roten bauch weetag genant diţsinteria. (Item sch˙ţmelde mit rômţ kôle und mit bingelkraut gesoten davon genüczet ist das fieber leschen·

Schijtmelde, 17de kapittel.

Atriplex Latijn (1) . Andrafasis Grieks. Arabisch Araff. (Atriplex patula)

De meesters spreken dat melde koud is in de eerste graad en vochtig in de andere. En dit is ook de mening van de eerwaardige meester Galenus in het zesde boek de simplicium farmacarum. (4) Dioscorides spreekt dat melde gestoten en gemengd met honing verdrijft het podogram, daarop gelegd met een pleister. De zaden van melde gemengd met honingwater genaamd mulsa en gedronken verdrijft de geelziekte.

(3) De bladeren van melde gestoten en het sap gelegd op een ontstoken vlees of lid aan het lijf [35] lest die gelijk. Die bloed spuwen die mogen gebruiken melde. Ook die zo hebben de uitgang is het erg goed melde te gebruiken in de kost. (2) De vrouwen die gebreken hebben aan de baarmoeder genaamd matrix die zullen melde leggen op de buik, dan stilt zich die pijn aan de baarmoeder. (3) Melde gegeten weekt de buik en verdwijnt vele soorten gezwellen. Melde gestoten en een pleister daarvan gemaakt en dat gelegd op een gestoken lid met een doorn of nagel trekt dat uit zonder schade en heelt. Melde gekookt met honing en op de kwade nagel gelegd aan een vinger of op een nagel van een voet beneemt de kwade nagel en maakt groeien een goede. De zaden van melde vaak genuttigd is goed die kuchen en zwaar ademen. Melde vaak genuttigd drijft uit de spoelwormen. (6) Serapio spreekt dat de zaden van melde brengen vomitum, dat is zich boven uit braken. En zegt dat hij gezien heeft een mens die van de zaden gedronken heeft op twee quintin en heeft zich daarvan gebraakt erg zeer en hem daarvan ontstond grote onmachtigheid. Almansoris tractatum tercio capitulo de Atriplice spreekt dat melde weekt de buik en is erg nuttig de geelzuchtige. (5) En ook erg nuttig de kinderen die hebben een hete lever. (6) Item schijtmelde met bingelkruid in een groente gekookt en die brei genuttigd maakt tot stoel te gaan en is ook pijndagen van de blaas afnemen. Item schijtmelde genuttigd is goed tegen de rode buik pijndag genaamd dysenterie. Item schijtmelde met Savoye kool en met bingelkruid gekookt en daarvan genuttigd is dat koorts lessen.

 

Vorm.

Stengels opgaand of kruipend en 70cm hoog. Bovenste bladen zijn lancetvormig en gaaf, de lagere met twee uitstaande lobben van uit een wigvormige basis. Eenjarige van akkers. Een van de soorten die vroeger als een soort spinazie dienst deed, spinazie heeft het kruid geheel vervangen dat vanwege de mindere smaak en werking, de zaden zouden ook wat vervelende eigenschappen bezitten.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden heten hier te lande melde, in Hoogduitsland Milden en Milten. De Latijnse naam is Atriplex en Aureum olus, welke namen in de apotheken ook gebruikt worden, de Griekse naam is Atraphaxis en Chrysolachanon. Dat ander klein wild geslacht wordt in het Hoogduits Kleyn Sceisz milten, in het Nederduits kleine melde of kleine wilde melde’.

Atriplex is afgeleid van het Grieks, of wel van atraphaxis, ‘spinazie’, of van ater, ‘zwart’, en plexus, ‘samen vlechten’, vanwege de donkere kleur en vorm van sommige soorten.

Dodonaeus; ‘Het wild geslacht wordt genoemd in het Grieks Atraphaxis agria, in het Nederduits kleine melde of kleine wilde melde, in het Latijn Atriplex silvestris Polygoni aut Helxines foliis, in het Hoogduits Kleyn Sceisz milten. De ouders hebben het voor een Olusatrum (groente) gehouden’.

De naam tuinmelde is hetzelfde als het Duitse Gartenmelde. Soms ook heet de plant melganzenvoet omdat de bladeren een gelijkenis vertonen met de poten van een gans. Mel heeft dezelfde stam als meel en betekent malen en vandaar stuiven. Mogelijk is dit een verwijzing naar de witviltige, melige beharing of omdat de zaden vermalen werden.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Milde, melde of Atriplex is een kruid dat vochtig maakt in de tweede en verkoelt in de eerste graad, het verdwijnt weinig en is goed tegen hete (3) blaren als erisypelas (a) in het begin of op het eind. Tegen diegene die verhard en koud zijn is de wilde melde het beste. (b)

(5) Tegen geelzucht, vanwege opstopping van de lever of van de milt uit hete zaken, (c) ‘kook melde zaad, andijvie en hertstongen met water, dan doe je er suiker bij zoals (voor eerder) beschreven is’.

Als melde met warme groente en bingelkruid gekookt wordt dan vermurwt ze het lichaam.

(3) Als melde met heemstwortelen in water gekookt en daarvan een pleister gemaakt en op hete blaren gelegd wordt laat het die verdwijnen.

(6) Meldezaad dat in radijswater met wat saffraan gemengd wordt waarvan matig lauw een goed deel gedronken wordt laat walgen en niet alleen dat, maar het laat ook schijten, ja, als je twee of drie drachmen van het meldesap neemt laat het spuwen en schijten volgens Serapio.

Melde en donderbaard die met azijn zijn gestampt is goed om op het heilig vuur te leggen.

(4) Leg melde die met honing gewreven is op de jichtzijde van de voet, het geneest jicht.

Als je de bladeren van melde in vleessap of warme groente eet verdrijft het de pijn van de blaas. Melde dat met biet en bingelkruid tezamen gegeten wordt doodt scherpe koortsen. Met wormkruid gemengd verdrijft het wormen. Gegeten is het goed tegen dysenterie (dat is de afschaven van de darmen)

(2) Gestampte melde die met heemstwortel gemengd op de baarmoeder gelegd wordt verzacht de menstruatiepijn.

Melde, rouw of gekookt waar heemstwortel bij gedaan wordt dat met het zaad van fenegriek en lijnzaadzaad in wat boter gestampt wordt geneest alle hardheid.

Het sap van melde dat met honing gemengd is is goed tegen nagelpijn zonder zweren. (d)

De melde die in de hoven groeit is kouder dan die in het wild groeit, als die dan gestampt met azijn en opgelegd wordt helpt deze tegen bloedblaren en in warme groenten gekookt is het nuttig voor zowel geelzuchtige als hete lever. (e)

(a) Een vorm van ontsteking. (b) de wilde is mogelijk een Chenopodium soort. (c) Ontsteking. (d) Paronychia/omloop. (e) Hepatitis.

 

Herbarijs heeft dit kapittel niet, het was toch een bekende groente.

 

 

 

kuckuszlauch xviii ca

ALleluia vel panis cuculi·grece Lachael·Pandecta capitulo·lxxvj·

(Beschre˙ben uns die meister und spτechen dz dises se˙ ein kreütlein und hat in jm scherpffunge oder seürung·Die bletter gele˙chen den klee blĺtlein·(Dises kraut heissenn etlich die saueren klee·(Dises kraut wirtt genü [36] czet zů etlichen salben genant nugentum·und sunderlichen in daz ungent marciacion von einem arczat funden ist genant marciatus·ist gůt wider das haubtwtumm und bτust wetumm·und wider bestopffung der lebern unnd milczes·und weetumm des gedĺτmes die do kommen von einer kalten ursach· (Plinius in dem capitel Lachael·idest alleluia spτicht·das diţ se˙ kalt und truckner natur und sunderlichen d samen von disem kraut·aber die bletter haben feüchtung in jn·(Plinius. Dises kraut ist fast gůt genüczet zů den blatern in dem munde alcole genant·die dann dem jungen kinden fast gefĺrde sind und auch alten letuen·also das diţs gekeüwet werde in dem munde·oder der safft von disem kraute darnin gehalten·(Item disser safft he˙let alle bôse blatern in dem munde·(Item diser saffte he˙let fisteln in dem munde mitt alaun wasser vermenget·(Dises krant gesotten mit wein und den mundt domit gewĺschen ben˙mmet das faul fle˙sch darein mit mirra vermenget· (Itez dises kraut dienet den die he˙sser complexion sind·Aber die kaltter natur sind den ist dises nicht nücze·

(1) Klaverzuring,  18de kapittel.

Alleluja vel panis cuculi. Grieks Lachael. Pandecta kapittel 76. (Oxalis acetosella)

Beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is een kruidje en heeft in hem scherpte of zurigheid. De bladeren lijken op de klaverblaadjes. Dit kruid noemen ettelijke zuurklaver. Dit kruid wordt genuttigd [36] in ettelijke zalven genaamd ungentum en vooral in die zalf marciacion van een arts gevonden is genaamd Marciatus, is goed tegen dat hoofdpijn en borstpijn en tegen verstopping van de lever en milt en pijn in de darmen die je komen van een koude oorzaak. Plinius in het kapittel Lachael, id est alleluja, spreekt dat dit koud een droge natuur heeft en vooral de zaden van dit kruid, maar de bladeren hebben vochtigheid in zich. Plinius: (2) Dit kruid is erg goed genuttigd tot de blaren in de mond alcole genaamd die dan voor de jonge kinderen erg gevaarlijk zijn en ook oude mensen alzo dat dit gekauwd wordt in de mond of het sap van dit kruid daarin gehouden. Item dit sap heelt alle kwade blaren in de mond. Item dit sap heelt etterwonden in de mond met aluinwater vermengt. Dit kruid gekookt met wijn en de mond daarmee gewassen beneemt dat vuile vlees daarin met mirre vermengt. Item dit kruid dient die van hete samengesteldheid zijn. Maar die van koude natuur zijn die is dit niet nuttig.

 

Vorm.

Lang gesteelde helder groene en 3tallige blaadjes met kort gesteelde omgekeerd hartvormige, behaarde en gewimperde blaadjes. Als de blaadjes uit de wortelstok te voorschijn komen zijn ze nog fijntjes opgevouwen, ze lijken op een klaverblad, maar het blad is dunner en helderder groen.

Bloemsteeltjes steken boven de bladeren uit met 1 stervormige bloem, bloemblaadjes van 10-16mm lang, wit en fijntjes rood geaderd is met een gele vlek aan de voet en soms aan de onderzijde blauw overwaasd in mei. Sterk groeiende stengelloze, inheemse planten met zeer dunne, kruipende wortelstok die in loofbossen voorkomt.

 

Naam.

(1)  Alleluja vel panis cuculi, panis is brood en cuculi is koekoek, dus koekoeksbrood, kuckuszlauch; koekoekslook. Dodonaeus: ‘‘Deze kruiden heten hier te lande koeckoecks-broodt, in Frankrijk pain de cocu, in Hoogduitsland Guckguckklee, Gauchbrot en Gauchklee, ja ook Guckauch Lauch en daarnaar van sommige Nederduitsers koekoekslook. In de apotheken zijn ze bekend met de naam Panis cuculi of Alleluja, hetzij omdat de koekoek dit kruid graag plag te eten, hetzij omdat dit kruid net uit de aarde begint te spruiten of tenminste dan begint te bloeien als men in de kerken meest en gewoonlijk het Alleluia plag te zingen.’ 

Men veronderstelt dat dit een verbastering was van de Clabrische naam Iuliola, de naam  in Italië. Hallelujah, naar de legende van St. Patrick die een blad zag. De monnikennaam Hallelujah verscheen maar het was geen geluid van victorie bij de bekeerde heidenen. (dat was shamrog)

Dodonaeus; ‘'Men gelooft dat dit gewas hetzelfde is dat Plinius in het 12de kapittel van zijn 27ste boek Oxys noemt: ‘Oxys, zegt hij, is een driebladig gewas en dat wordt ingegeven diegene die een weke of slappe ontstelde maag hebben en ook diegene die gescheurd zijn’. Dan bij Galenus (lib.4.de Simplic.) is de Oxys hetzelfde gewas dat andere Oxalis noemen en wij lieden tegenwoordig voor onze gewone zuring houden, maar behalve dit kruid is er noch een Oxys bij Plinius die een soort van biezen is’.

Oxalis komt van Grieks oxis: scherp, naar de scherpe smaak van de bladeren, halys: zout, bevat scherp sap, of van alis: achtig, dus zuurachtig.

 

Gebruik.

Deze planten bevatten een zuurvocht waaruit zuringzout bereid kan worden wat in huishoudens gebruikt werd om inktvlekken en ijzervlekken uit het wasgoed te verwijderen. Dit is een bijtend middel en als zodanig gevaarlijk, vooral bij kleine kinderen. De frisse en aangenaam zuursmakende bladeren kunnen vergiftigingsverschijnselen oproepen. Die stof grijpt hart en nieren aan. Ook het vee moet het niet eten. Die stof beschermt de planten tegen slakkenvraat.

 

(2) Dodonaeus; ‘Koekoeksbrood is koud en droog van aard en is zeer goed tot de kwade vuile verrotte stinkende zweren of zerigheden van de mond, hoe en op welke manier dat het gebruikt wordt en vooral als men de mond spoelt met het water daar dit kruid in gekookt is.

Hetzelfde kruid is ook goed om de dorst te slissen of laten vergaan en in het kort gezegd kan het alle hetzelfde dat zuring kan doen.

Deze kruiden zijn goed ingenomen diegene die een zieke en slappe maag hebben want ze drogen en versterken de maag en laten de lust om eten of appetijt weerkomen en laten het braken ophouden.

Naar de lering van Galenus heeft het koekoeksbrood fijne of dunne delen en is drogend. Het verkoelt de lever en is goed gegeten van diegene die een breuk hebben.

De bladeren gestoten worden van buiten op alle verhitting gelegd en het sap er van in de mond gehouden is nuttig als de tong, het gehemelte en de keel door zoute zinkingen verlast of bezeerd zijn.

Het gedistilleerd water van dit ganse kruid wordt nuttig te drinken gegeven in de hete koortsen en snelle ziektes, hoewel dat het sap zelf met wat suiker vermengt er veel nuttiger toe is.

Het is in Duitsland Malerkraut genoemd zegt Camerarius, omdat het de plekken uit de witte linnen lakens doet net zoals andere zuring.

Het gedistilleerd water van dit kruid en de ganzerik tezamen is uitermate goed om de wonden te genezen’.

 

  

 

haselwurcz xix Capi

Azarum grece·aerma arabice·latine Backara·vel Nardus agrestis·

(Der meister galienus und ander meister in dem sechţten bůche genant simplicium farmaciarum·in dem capitel azarum spτechen·das haselwurcz se˙ he˙ţ und trucken an dem dτitten grad·(Der me˙ster Diascoτides in dem capitel azarum spτichet·das haselwurcz gele˙ch se˙ der gundelreben und hat runde bletter unnd hat ein blůmen zw˙schen den blettern und auch gar nahent be˙ d wurczeln·Und die blůmen hatt ein gestalte als die blůmen dem b˙lsamen·[37] Und tregt samen gele˙ch dem weinber blettern·(Die wurczel hatt fast einen gůten gerauch unnd ist he˙sser natur·(Avicenna unnd Galienus dise meister spτechen·das haselwurcz tugend habe an der wurczel und nit an dem kraut noch an dem samen. (Avicenna spτicht·das haselwurcze beneme alles wee jnnerlichen des leibes und machet warm die jnneerlichen gel˙der die erkaltet sind davon getruncken·(Item haselwurcz ist fast gůt den wassersüchtigen genüczet als hernach geschτiben steet·N˙mm haselwurcze ein lot und ein maţs gůtz mosts der erst von der kaltern kommet·und laţ den steen zwen monatt ob d haselwurcze·darnach se˙he den ab und trincke den des moτgens und des abentz·der ist fast gůt ˙dτopicis ictericis·daz ist dem wassersüchtigen und den geelsüchtigen·Und n˙mmet auch hin also genüczet das kalt wee als das fieber quartane genant·

(Und machet wol hĺrmen·und stercket die blasen und auch die lenden·uud purgiert oder re˙niget als do thůt elleboτus albus das ist we˙sse n˙eţwurcz nicht also stercklich·(Der meister johannes mesue spτicht·das haselwurczel gůt se˙ und allerbest gemüschet mit kĺţwasser und hônigwasser und also genüczt purgit er s˙ den le˙b senfftigklichen·(Haselwurcze n˙mmt h˙n überflüţsige flegma senfftigklich genüczet als oben steet·(Haselwurcz genuczet·n˙mmbt h˙n die alten febτes·(ôle gemachet von haselwurcz und den r˙pp me˙ţsel domit geschmieret·macht schw˙czen unnd thůt auff die verstopfften gel˙der unnd machett wol hĺrmen·(Serapio spτicht das haselwurcz gesoten mit most se˙ fast gůt dem wassersüchtigen also getruncken·und ben˙mmt auch also die geelsucht·(Item ein augenwasser genant ein Collirium gemachet von haselwurcze und von thucien ben˙mmt dz feel von den augen und machet ein klar gesicht·(Der meister Plinius spτicht·dz haselwurcz gůtt se˙ den frawen zů irer kranckeit menstruum genant·wann s˙ bτinget s˙·und machet die frauwen auch wol hĺrmen darüber getruncken· (Item haselwurcz ist also krefftig als gelb liligen genant Acoτus spricht pandecta·darumbe hat haselwurcz macht auff zů lôsen die verstopffunge der leberen und milczes genannt opilatio splenis et epatitis·

(Item haselwurcz unnd h˙rţzungen und sene in wein gesoten ist gôt wider das fieber genant quartana·[38]

Mansoor, 19de kapittel.

Asarum (1) Grieks. Aerma Arabisch. Latijn Backara vel Nardus agrestis. (Asarum europaeum)

De meester Galenus en andere meesters in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Asarum spreken dat mansoor heet en droog is aan de derde graad. De meester Dioscorides in het kapittel Asarum spreekt dat mansoor gelijk is met hondsdraf en heeft ronde bladeren en heeft een bloem tussen de bladeren en ook erg dicht bij de wortels. En die bloemen heeft een gestalte zoals de bloemen van het bilzekruid. [37] En draagt zaden gelijk de druivenbladeren. De wortel heeft een (5) erg goede reuk en is van hete natuur. Avicenna en Galenus, deze meesters spreken dat mansoor deugd heeft aan de wortel en niet aan het kruid noch aan de zaden. (2) Avicenna spreekt das mansoor beneemt alle pijn innerlijk in het lijf en maakt warm de innerlijke leden de verkouden zijn, daarvan gedronken. Item mansoor is erg goed de waterzuchtige genuttigd zoals hierna geschreven staat: Neem mansoor een 16,7 gram en  boommos, goede most die net van de kelder komt en laat dat staan twee maanden op de mansoor, daarna zeef het af en drink het ‘s morgens en ’s avonds, het is erg goed hydropisis in icter, dat is de waterzuchtige en de geelzuchtige. En neemt ook weg alzo genuttigd de koude pijn zoals de koorts vierdaagse genaamd.

(3) En maakt goed plassen en sterkt de blaas en ook de lenden en purgeert of reinigt als doet Helleborus albus, dat is witte nieswortel, niet alzo sterk. De meester Johannes Mesue spreekt dat mansoor goed is en allerbest gemengd met kaaswater en honingwater en alzo genuttigd purgeert ze het lijf zachtjes. Mansoor neemt weg overvloeiende flegma zachtjes, genuttigd als boven staat. Mansoor genuttigd neemt weg de oude koorts. Olie gemaakt van mansoor en de ruggenwervel daarmee gesmeerd maakt zweten en doet open de verstopte leden en maakt goed plassen. Serapio spreekt dat mansoor gekookt met most erg goed is de waterzuchtige alzo gedronken en beneemt ook alzo de geelziekte. (4) Item een oogwater genaamd een collirium gemaakt van mansoor en van thucia beneemt dat vel van de ogen en maakt een helder gezicht. (2) De meester Plinius spreekt dat mansoor goed is de vrouwen voor hun ziekte menstruatie genaamd want ze brengt het en maakt de vrouwen ook goed plassen, daarvan gedronken. Item mansoor is alzo sterk als gele lelie genaamd Acorus spreekt Pandecta, daarom heeft mansoor macht op te lossen de verstoppingen van de lever en milt genaamd opilatio splenis et epatitis.

Item mansoor en hertstongen en senna in wijn gekookt is goed tegen die koorts genaamd vierdaagse. [38]

 

Vorm.

Mansoor heeft vele donkere bladeren die elk op hun eigen stengel staan en ronder en groter zijn dan viooltjesbladeren. Het blad is vetglanzend, niervormig of oorvormig en altijdgroen. Daaronder zitten de bruinachtige paarse bloemen in mei. De bruin/purperen wortelstok kruipt aan de oppervlakte.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Nederduits mans-ooren en hasel-wortel, in het Hoogduits Haselwurtz, in het Frans cabaret, in het Spaans azara baccara, in het Latijn Asarum en in het Grieks insgelijks ook Asaron. Sommige noemen het in het Latijn ook wel Nardus rusticus of Nardus rustica en sommige andere Perpensa, dan Plinius heeft die naam Perpensa ook aan Baccharis toegeschreven in het 21ste kapittel van zijn 21ste boek. Hier vroeger plegen de oude wijzen of magi dat kruid Haema Areos en in het Latijn Martis sanguis te noemen, dat is bloed van de God Mars en de oude Fransen baccar zoals men onder de bastaardnamen vindt en daarvan schijnt de naam Asara baccara gekomen te wezen die tegenwoordig in de apotheken en bij de Spanjaarden gebruikt wordt. Maar Baccharis verschilt nochtans zeer van de hazelwortel, niettemin zo heeft Cratevas zijn Baccharis ook Asarum toegenoemd. Deze verwarring en mengeling van deze twee namen, Asarum en Baccharis, is oorzaak geweest dat meest alle kruidbeschrijvers niets zeker hebben kunnen zeggen wat van deze zaak te zeggen en kon betekenen en er is ook bij gekomen dat in sommige drukken van Dioscorides boeken vele onnodige en overvloedige woorden gevoegd zijn geweest bij de beschrijving van Asaron of hazelwortel die dat kruid totaal niet aangingen. Want hetgeen dat men in het begin van het kapittel van Asaron in de Griekse boeken leest, poa euodes stephanomatice, dat is Asaron of hazelwortel is een welriekend gewas wat in de kransen en kronen gebruikt wordt, dat behoort niet tot de beschrijving van Asaron of hazelwortel, maar tot Baccharis, gemerkt dat de naam Asaron daartegen gans strijdt want, zo Plinius schrijft, Asarum heeft zijn naam in het Grieks gekregen omdat het niet bij kransen of kronen gedaan kan worden. Maar het gebeurt zo dikwijls dat het geenszins te verwonderen is dat vele beschrijvingen van kruiden bij de oude kruidbeschrijvers onder elkaar verward, gemengd en bedorven zijn op die manier dat men ze niet goed herkennen of onderscheiden kan wat in de beschrijving van deze hazelwortel bij Dioscorides zeer duidelijk is, hoewel dat het op vele andere plaatsen niet zo gemakkelijk opvalt als hier. Het is Baccaris genoemd, zegt Lobel, omdat het bessen draagt of flesjes die van de krakebessen gelijk. Daarom (voegt hij er noch bij) als Plinius schrijft dat Asarum zo genoemd is omdat het niet in de hoedjes gebruikt wordt menen we dat hij heeft willen zeggen dat van dit kruid geen gewijde bezempjes gemaakt werden om de altaren van de Goden mee te vegen zoals ze met het ijzerkruid doen’.

 

Asarum komt van Grieks a,niet’, en saron, ‘vrouwelijk’. De reden kan zijn dat het gewas te giftig is voor zwangere vrouwen. Een andere mogelijkheid is dat het komt van Griekse ase, ‘walging’.

Mansoor is zo genoemd naar de vorm van de bladen. Hazelwortel omdat het onder hazelaars groeit.

Latijn Backara vel Nardus agrestis. De laatste heet zo Nardus van het veld. (5) Wilde nardus, mogelijk vanwege de geur heeft het iets van doen met de beroemde nardus, vergelijk de Duitse naam Wilde Narde en Weihrauchkraut, Franse nard sauvage en in Engels wild spikenard en wild ginger. Dodonaeus; ‘Als Plinius schrijft zo heeft de hazelwortel de kracht van Nardus’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Wilde nardus of Asarum is heet en droog in de derde graad. Het opent, het verteert, het verdroogt en het verwarmt de koude leden. (2) Het geneest alle pijnen van binnen, het laat de stonden bij de vrouwen komen, het laat plassen en wat vanwege de middelmatige slijm afgesloten is geweest lossen, daarom is het goed voor de waterzuchtige, het laxeert de plas als je het zo neemt: ‘Neem Asarum, reinvaren en de wortel van gele lis, van elk een halve hand vol; Ruscus, asperge, venkelzaad, peterseliezaad en duizendblad, van elk een halve ons; van aardrook een halve hand; van zevenblad (a) en rozijnen elk een halve ons; stamp het tezamen, kook het dan in wijn en water, van elk een pond; witte wijn en azijn een ons totdat het derde deel verkookt is, daarna zuiver je het door een doek en maak het zoet met suiker’. Deze siroop moet je ’s morgen en ’s avonds nemen zoals het voor van andere siropen gezegd is. Als deze siroop op is: ‘Maak van de voorraad pillen van rabarber, van aardrook en van mezereon (deze drie soorten pillen die men in Latijn coconidinum noemt) meng het tezamen met siroop van aardrook en maak er zeven of negen pillen van’. De volgende dag neem je dijalacca of sap van Costus om te aan te sterken. Deze zijn allen goed tegen verstoppingen van de lever (b), van de milt en tegen geelzucht (of gele vrouw) die uit koude zaken komt. Dit is ook goed tegen arthritis/artrose, (c) en tegen ischialgie (dat is pijn in de heup).

(3) Asarum reinigt het lichaam weinig zoals Helleborus het doet. Maar Avicenna zegt dat als Asarum in honingwater gekookt wordt ze hetzelfde doet. Galenus zegt in het zesde boek van enkelvoudige medicijnen in het kapittel van Asarum dat de wortel wordt bedoeld als je over Asarum spreekt, die is van de grootste kracht, het heeft dezelfde kracht als gele lis.

(4) Pandecta zegt dat als Asarum in de oogmedicijnen gedaan wordt het de rook van de ogen verfijnt, (d) daarom heldert het gezicht op. Ook in most gekookt en de waterzuchtige gegeven is het goed, zo ook de geelzuchtige.

Met hertstongen en zevenblad (e) in wijn gekookt is het goed tegen oude koortsen als de vierdedaagse malariakoorts (f) want het opent de verstoppingen van de lever (g) en van de milt en geneest haar heetheid.

In wijn gekookt vermeerdert het sperma.

Om te purgeren voeg je er kaaswei met honingwater bij. Volgens Johannes Mesue heft olie van deze plant die met laudanum op de ruggengraat achter omtrent het nekhaar gestreken wordt de koorts op die van verstoppingen komen’.

(1,e) Aegopodium podagraria. (b, g) Galstenen? (c) Gewrichtspijn. (d) Staar. (f) Malaria.

 

Bij Platearius vinden we; ‘Assarum calidum et siccum in tertio gradu. (2) Menstrua et urinam provocat…. et vulnera mundificat’.

 

Herbarijs; ‘Asabattara is heet en droog in de 4de graad. En het zijn schillen die van het koper vallen waar men mee smeedt. (2) Dit laat bij de vrouwen hun stonden komen en laat goed urine maken en helpt diegene die gevallen zijn (epilepsie) en zuivert wonden’.

 

In Asabattara zien we aes; koper, battitura, van battere; hamerslag. Het zijn de schilfers van de verbrande korst metaal die onder het smeden er afspatten. Mogelijk is er in geschrapt omdat iemand asabaccara gelezen heeft en dit niet met koperschilfers kon overeen brengen. Dioscorides zegt ook; ‘Pariter duas aeris squammae facit species’ en verwijst naar Galenus (lib.9 de simple.medicament facultatibus) en naar Paulus Aegineta (lib. 70) en naar Aetius (lib.2) Maar het gebruik stemt wel overeen met Asarum. Vergelijk Herbarius in Dyetsche over Asarum. Het meest lijkt de beschrijving van de Gart er op; ‘Asarum grece, backara vel nardus agrestis latine. Heet en droog in de derde graad’, en is de gebruikswijze hetzelfde als in de Herbarijs. Die vermeldt verder ook niets over het gebruik bij de ogen wat bij hamerslag wel zo zou moeten zijn, dan zal hier wel Asarum bedoeld zijn.

 

  

 

Goldwurcz xx Cap

Affodillus latine·

(Der meister Avicenna spτichet·das goldwurcze habe bletter be˙ nahe als ein lauch·und hatt einen z˙mmlichen stengel·Die wurczel ist lang und rund·und hatt die meisten krafft in jr·Dise wurczel ist he˙ţ und trucken an dem dτitten grad·(Goldwurcz machet frôlichen·davon getruncken·und ist durchdτingen die feüchtigkeit·darumb machet s˙ wol hĺrmen·(Und ist auch nücz dem frawen zů jrer blůmen oder feüchtigkeit so s˙ bestopfet sind die mit warmem wein getruncken·(Goldwurcz und alon gebτennet und gebulfert·und domit geschm˙eret moτfeam·das ist ein bôse raud der ausseczigke˙t ben˙mbt s˙ one zwe˙fel mit weinig hônig vermenget·(Goldwurcz gestossen und gemüschet mit wein hessen und gelegt auff die bôsen geschweer·he˙let seer. (Ein pflaster gemachet von d wurczeln und gersten meel ˙egkliches gele˙ch vil·und auff die he˙ssen geschweer gelegt zeücht grosse h˙cze darauţ und ôffent und weychet·(Also geleget auff die zerknüscheten gel˙der·he˙let gar seer·(Den safft von der wurczeln warm gelassen in die oτenn·zeuhet den e˙tter darauţ·(Der safft von der wurczlen mit thucien vermenget·das ist gůt den bôsen fliessenden augen auţwendig gestr˙chen.

(Der safft getruncken mit wein mit zucker vermenget·ist gůt dem der do seer hůstet. (Platearius. Die wurczeln do gemüschet mit weinhessen·ist gůt den schwerenden bτüsten·(Goldwurcz genüczet mit wein·n˙mbt hyn ˙ctericiam·das ist die geelsucht·die do kommet von einer kalten materien·(Die blůmm mit wein gemüschet und getruncken re˙niget den magen·Die wurczel gesoten mit weinhessen unnd darauţ gemachet ein pflaster·und die mannes dinger genant testiculi·gelegt·die überzogen seind mit geschwer·he˙let seer·(Plinius spτicht·das die wurczel gesoten in wasser und das getruncken·w˙echet den bauch·(Den samen und die blůmen in wein gelegt·und den getruncken·ist fast (·c·j·) [39] gůt für vergifft·unnd jm mag kein schlang noch scoτpion geschaden des selben tages·wenn er davon getruncken hat·(Item wylde schwĺrtelwurczel gebulferet auff unreyn wunden geleget mic gebτennten alaun vermenget·ist faules fle˙sch auţfegen·und die selbig wurczel mit wein gesoten domit unreyn wunden geschwĺschen·ist darczů besunder gůt·(Item·W˙lde schwĺrtel safft und gundrebe safft zůsamen vermenget und warm in ein oτe gethon ist also gůt wider zeen weetumb·(Item wilde schwĺrtel wurcz mit stabwurcz in laugen gesoten und domit das haubt gezwagen·ist gůt w˙der das har auţfallung genant alopicia·

Affodillen, 20ste kapittel.

Affodillus Latijn. (1) (Asphodelus ramosus of Asphodelus albus)

De meester Avicenna spreekt dat affodillen hebben bladeren bijna als een look en heeft een aanzienlijke stengel. De wortel is lang en rond en heeft de meeste kracht in zich. Deze wortel is heet en droog aan de derde graad. (2) Affodillen maakt vrolijk, daarvan gedronken, en is doordringen de vochtigheid daarom maakt ze goed plassen.(3) En is ook nuttig de vrouwen tot hun bloemen of vochtigheid zo ze verstopt zijn, die met warme wijn gedronken. Affodillen en aluin gebrand en gepoederd en daarmee gesmeerd morfeem, dat is een kwade ruigte van de huiduitslag beneemt ze zonder twijfel met weinig honing vermengt. (4) Affodillen gestoten en gemengd met wijn hessen en gelegd op de kwade zweren, heelt zeer. Een pleister gemaakt van de wortels en gerstemeel, van elk gelijk veel, en op de hete zweer gelegd trekt grote hitte daaruit en opent en weekt. (3) Alzo gelegd op de gekneusde leden heelt het erg zeer. Het sap van de wortels warm gelaten in de oren trekt de etter daaruit. Het sap van de wortels met thucia vermengt, dat is goed de kwade vloeiende ogen uitwendig gestreken.

Het sap gedronken met wijn met suiker vermengt is goed die zo zeer hoest. Platearius: De wortels gemengd met wijnhessen is goed de zwerende borsten. Affodillen genuttigd met wijn neemt weg icter, dat is de geelziekte die je komt van een koude materie. De bloemen met wijn gemengd en gedronken reinigt de maag. Die wortel gekookt met wijnhessen en daaruit gemaakt een pleister en die mannen ding, genaamd testiculi, gelegd die overtrokken zijn met zweer, heelt zeer. Plinius spreekt dat de wortel gekookt in water en dat gedronken weekt de buik. (5) De zaden en de bloemen in wijn gelegd en dan gedronken is erg [39] goed voor vergif en hem mag geen slang noch schorpioen beschadigen dezelfde dag als hij daarvan gedronken heeft. Item wilde zwaardleliewortel gepoederd op onreine wonden gelegd met gebrande aluin vermengt is vuil vlees uitvegen en dezelfde wortel met wijn gekookt en daarmee onreine wonden gewassen is daartoe vooral goed. Item. Wilde zwaardlelie sap en hondsdraf sap tezamen vermengt en warm in een oor gedaan is alzo goed tegen tandpijn.(6)  Item wilde zwaardleliekruid met citroenkruid in loog gekookt en daarmee dat hoofd gedweild is goed tegen dat haaruitval genaamd alopicium.

 

Vorm.

Blauw/groene, lijnvormige en donkergroen bladen die tot 60cm lang en ongeveer 1.5cm breed zijn. Opstaande en alleen aan de voet bebladerde stengels. De vlakke stengel komt uit een vlezige, dikke wortel.

De bloemtros is ongeveer 40cm lang en bezet met grote, trechtervormige, stervormige witte bloemen, soms wat roze, met lijnvormige, stompe en tot 3cm lange bloemdekbladen in mei/juni.

 

Naam.

(1) ) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt bij de Grieken Asphodelos genoemd, in het Latijn Asphodelus en daarvan komt de bedorven Nederduitse naam affodille, de Latijnen noemen het ook Albucum of Albucus en Hastula regia. De steel met de bloemen heet in het Grieks Anthericos. Plinius schrijft ook dat de steel die de bloem draagt Anthericus heet, maar dat de wortels, dat zijn de bollen of klisters, Asphodelus genoemd pleeg te zijn’.

Asphodelus is een Griekse naam van onzekere afkomst. In het Latijn werd dit Asphodilus en werd van affodil of aaffodil in het Engels asphodel en in Duits Affodill. Het is de narcis van de vroegere Engelse en Franse dichters. Herbarius in Dyetsche heeft Thondert hoy, affodillen, dus honderd hooi of hoofden naar de vele lelieachtige bloemen.

Het is de narcis van de oudere Engelse en Franse poëten. In Tudortijden, 14de eeuw, was het affodil en aaffodil en dit van middeleeuws Latijn asphodelus, affodil, Duits Affodill,

Goldwurz, de gouden bol waaromheen vele legendes staan en dan meestal verwezen wordt naar Lilium martagon.

 

Gebruik.

(2) De asphodelweiden zijn een voorbeeld van overbegrazing door geiten en schapen. Die dorre, woeste en onvruchtbare oorden waren verdorven plaatsen waar duistere verschijningen samenkwamen. Homerus spreekt over de weiden des doods in de Hades, de asphodelweiden, waar de schaduwen van de helden verzameld waren. Odyssee, XI 539 - 540 en XXIV 12 - 14. Het verhaal luidt dat als de schimmen eenmaal binnen de poort van Hades duistere rijk zijn ze voor de drie rechters moeten verschijnen, Minos, Rhadamanthys en Aiakos, zonen van Zeus, die wijze koningen op aarde waren en nu oordelen over het aardse bestaan van de doden. Wie goed noch slecht geleefd heeft en dat is het geval bij de meeste mensen wordt verwezen naar de Asphodelweiden. Daar leiden ze een vreugdeloos bestaan; ze kunnen niet meer denken en voelen en weten ook niets meer van hun bestaan op aarde want ze hebben gedronken uit de Lethe, de rivier van ‘Vergetelheid’. Men schreef deze plant wonderbare krachten toe en zette ze rondom de graven om reden dat de zaden en wortels voedsel zouden vormen voor de geesten van de doden, hoewel ze ongekookt niet te eten zijn. Waarschijnlijk is dit een overlevering uit zeer oude tijden, voor de introductie van de granen was dit het basisbestanddeel van het Griekse menu. Daarom maken ze wel vrolijk.

Herbarius in Dyetsche; ‘Thondert hoy, wilde leliën, affodillus of albunum is heet en droog in de derde graad volgens Platearius.

(3) Het laat plassen, het laat bij de vrouwen hun stonden komen en het verdrijft de pijn die van slagen of stoten komt. Het sap van affodillen, eppe en reinvaarn dat met de wortel van Ruscus, asperge, venkel- en peterseliezaad met wijn gekookt wordt is tegen het eerder genoemde goed.

(4) Het poeder van deze wortel is goed tegen verrotte of stinkende zweren. Affodillen met wijn gekookt zijn tegen dergelijke zweren goed als je ermee wast.  Het sap van dit kruid dat met wijnsteen, mirre en met saffraan gemengd is is goed tegen gezwellen rondom de ogen of tegen ordeolen. (dat is een lange blaar van de luchtwegen, net zoals een kleine blaar op het einde van de oogschellen) (a)  Het sap hiervan wordt lauw in de oren gedaan. Als het met het sap van hondsdraf gemengd is is het goed tegen tandpijn en tegen oorpijn is het een bijzonder goede hulp.

(6) Tegen het uitvallen van haar kook je de wortel van affodillen met averone in loog en daarmee was je het hoofd. Als de wortel met tarwezemelen in water gekookt wordt verdrijft het de smetten uit het gezicht die van de zon komen.  Het water waar de wortel in gekookt is vermurwt het lichaam.

(5) Affodillen zijn de serpenten zeer tegengesteld. (6) Als je de wortel met olie of met honing stampt en strijkt op de plaatsen die zonder haar zijn laat het daar haar groeien.

Tegen gebreken in de blaas als aandrang tot plassen en dysurie (dat is nu wat plassen en over een uur noch wat, etc.): ‘Neem affodillen, duizendblad en eppezaad, kook het in wijn tot op de helft en geef het met suiker’.

Als men zegt: ‘Neem affodillen’, bedoelt men de wortel.

Tegen waterzucht die uit koude zaken stamt als leucofleumantia en yposarcham: ‘Neem het sap van affodillen, de middelste schors van vlier en van kruidvlier, van elk vier ons; eppezaad, asperge en Ruscus, van elk twee drachmen; stamp het en kook dit in wijn met wat azijn totdat een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak het zoet met suiker, deze drank is de beste van alle dranken tegen dergelijke ziekten’. Als het gedronken is: ‘Neem dan van de pillen van mezereon en van de stinkende pillen, (b) van elk een half drachme, van turbith een half drachme en een derde deel van een grein; meng het met oxymel van zeeui en maak er negen’. Daarna om te versterken:’ Neem van de dijalacca of sap van Curcuma of Costus’.

(a) Pterygium. (b) Ferula foetida.

 

 

 

Geelb lylyen xxi Ca

Acoτus vel spatella latine·glas patella vel affodτisia·vel venerea·vel pipeτapium grece·Arabice Verolaeg·vel Holhegi·vel Naeg·vel bogog·vel Zweg·

(Der meisteτ Galienus in dem achtende bůch genant simplicium farmaciarum in dem capitel Acoτus·spτicht·das der se˙ heiţ und trucken an dem andern grad·Und Avicenna Serapio Platearius Diascoτides·sind dises auch bewĺren. (Item er spτicht das die wurczel von den gelben l˙lgen mer krafft in jnen haben·denn daz kraut oder die blůmen. (Die wurczel hat einen scharpffen rauch mitt einer kleynen bitterkeit·(Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis·in dem capitel Laeg·oder Acorus spτicht·das die bleter von dem gelben l˙lgen sind gele˙ch den schwĺrteln·allein dz die von dem gelben lilien subtiler und bτeyteτ sind und mit we˙sser farb gespiczt scharpff gele˙ch einem schwert·und ein blůmm die ist geel geleich dem saffran·und die wurczel ist geleich nahent als die schwĺrteln·allein s˙ an einander gehenckt sind knodat und auch krumm·und haben auţwenig ein rote farbe·und ein scharpffen rauche·(Diascoτides spτicht·das der safft von der wurczeln fast gůt se˙ den augen und mache s˙ fast klar·(Die wurczel gesoten mit wasser und das getrunncken·ist gůt wider strangwiream·das ist·dye den [40] kalten sichtagen haben·Also genüczet ist es fast gůt pleureticis das ist ein geschwer umb die bτust·(Item wen gebissen het ein schlang·der bτauche diser wutcz in dem tranck·und in der koste·er genyset zůhandt·Das kraute von den gelben lylgen geleget in einen b˙nen stocke do vil b˙nen jnnen sind·die b˙nen beleiben dar jnn·und geben kein flucht·(Der meister Platearius spτicht·der ein bôse lebern oder milcz hĺtte·der neme ein pfundt gelb l˙lgen wurczel gestossen·und eţsig der gůt unnd scharpff se˙·ein halbe maţ·und lasse die wurczel darjnn ba˙ssen dτe˙ tag·Darnach sol man die wurczel mit dem eţsig sieden·also das der eţsig halb ein siede·Darnach sol er den auţtrucken durch ein thůch·und denn darunnder müschen hônig auff sechţ lot·und ĺber  sieden biţ dz der eţsig auch wol ein siede·Dises sol man alle moτgen trincken als lang das weret nŭchtern·es hilfft fast wol·(Wer be˙ jm tregt die wurczel·der gewynnet den blůtgang nicht·dem selbigen thůt auch der krampff nichcz·

(Item·Gelbe l˙lgen wurcz hat ein verczerliche natur·und ist bestopffung der gel˙der lebern und milczes auffthůn·wôlche bestopffung von kelte kommet·(Item·Gelbe l˙lgen wurczeln gelegt in wein der wein ist gůt wider die voτgeschτibnen weetumb·lebern und milczes·Und ist gůt wider die geelsucht·Und für dise krancke˙te ist auch dises trancke gůt also gemachet·N˙mme gelbe lilgen wurczel·und h˙rţ zunggen und endivien und sŭţs holcz und kôτbyţ samen oder kerenn mitt wasser gesotten·und durch geschlagen·und sŭţs gemachet.

(Item·Gelbe l˙lgen wurcz mit wein gesoten·ist gůt wider weetumb der můter·so die fruw darauff siczen ist·(Item ist auch gůt wider bestopffung des harmes geelbe lylgen wurczel mitt wein gesotten·davon offt genüczet·

Gele lis. 21ste kapittel

Acorus vel spatella (1) Latijn, Glas patella vel Affodrisia, vel Venerea, vel Piperapium Grieks. Arabisch Verolaeg, vel Holhegi, vel Naeg, vel bogog, vel Zweg. (Acorus calamus)

De meesters Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Acorus spreekt dat het heet en droog is aan de andere graad. En Avicenna, Serapio, Platearius en Dioscorides zijn dit ook beweren. Item, hij spreekt dat de wortel van de gele lelie meer kracht in zich heeft dan dat kruid of de bloemen. De wortel heeft een scherpe reuk met een kleine bitterheid. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Laeg of Acorus spreekt dat de bladeren van de gele lelie zijn gelijk de zwaardlelies, alleen dat die van de gele lelie subtieler en breder zijn en met witte verf gespikkeld en scherp gelijk een zwaard en een bloem die is geel gelijk de saffraan en de wortel is gelijk ongeveer als de zwaardlelies, alleen ze aan elkaar hangt en zijn knopig en ook krom en hebben aan uitwendig een rode verf en een scherpe reuk. (2) Dioscorides spreekt dat het sap van de wortels erg goed is de ogen en maakt ze erg helder. (3) De wortel gekookt met water en dat gedronken is goed tegen strangwiream, dat is die [40] de koude plasdagen hebben. (6) Alzo genuttigd is het erg goed pleuris, dat is een zweer om de borst. Item als een gebeten heeft een slang die gebruikt dit kruid in de drank en in de kost, hij geneest gelijk. Dat kruid van de gele lelie gelegd in een bijenkorf daar veel bijen in zijn, die bijen blijven daarin en geven geen vlucht. (4) De meesters Platearius spreekt die een kwade lever of milt heeft die neemt een pond gele leliewortel gestoten en azijn die goed en scherp is een halve maat en laat de wortel daarin baden drie dagen. Daarna zal men die wortel met de azijn koken alzo dat de azijn half inkookt. Daarna zal het dan uitdrukken door een doek en dan daarna mengen honing op zes lood, maar koken tot de azijn ook goed inkookt. Dit zal men alle morgen drinken zolang dat duurt nuchter, het helpt erg goed. Wie bij hem draagt de wortel die krijgt de bloedgang niet, dezelfde doet ook de kramp niets.

Item. Gele leliekruid heeft een verterende natuur en is de verstopping der leden, lever en milt openend, welke verstopping van koudheid komt. Item. (4) Gele leliewortels gelegd in wijn, die wijn is goed tegen de voorgeschreven pijnen van lever en milt. En is goed tegen die geelziekte. En voor deze ziekte is ook deze drank goed, alzo gemaakt: Neem gele leliewortel en hertstong en andijvie en zoethout en kurbiszaden of kernen met water gekookt en doorgeslagen en zoet gemaakt.

Item. (5)  Gele leliekruid met wijn gekookt is goed tegen pijn van de baarmoeder als die vrouw daarop zit. Item, is ook goed tegen verstopping van de plas gele leliewortel met wijn gekookt en daarvan vaak genuttigd.

De gele lis komt al voor in kapittel 195. Dat kan niet verward worden met Acorus calamus want die heeft geen gele bloemen. Maar hier staat ook net als in kapittel 195 een geel bloeiende lisachtige afgebeeld. Zie ook kapittel 127 voor de echte Calamus.

Herbarijs; ‘Acorus is heet en droog in de 2de graad en men scheldt het uit voor gladie. (Gladiolus). Ze groeit in vochtige plaatsen en heeft lange brede bladeren als lis en ze draagt gele bloemen als lelies’. De Herbarijs vergelijkt de plant met de lis en zegt dat die gele bloemen heeft. De Gart heeft de bloemen wel nagetekend naar de tekst; ‘meester Serapio … een zwaard en een bloem die is geel gelijk de saffraan’.

Dan heeft de Gart heeft Acorus calamus verwisseld met Iris pseudo-acorus. Dan is die in kapittel 21 Acorus calamus waar duidelijk over Acorus gesproken wordt, ook de naamgeving en het gebruik komen overeen.

In kapittel zou dan 195 Iris pseudo-acorus vermeldt staan. Dat omdat men die wel met elkaar vergeleek en ze er alle twee van blad hetzelfde uitzien. Acorus calamus bloeit hier dan ook vrijwel niet.

 

Vorm.

Kalmoes heeft smalle opgaande en zwaardvormige bladen die tot een meter lang kunnen worden en aan de randen wat gerimpeld zijn, 5-15mm breed. Jonge bladeren zijn in het begin diep geel gestreept en verkleuren donker in de nazomer.

De 5-8cm lange kegelvormige bloem is groenachtig en staat halverwege een platgedrukte stengel in juni/juli. Er is geen schutblad zoals in andere araceae. Een steriele triploďd (3n = 36). Een vrucht komt in de meeste landen niet tot ontwikkeling, alleen in Z. China en India zijn er zaden van bekend. De bekende wilde vormen zijn diploďd met uitzondering van sommige tetraploďd in O. Azië terwijl de gekweekte planten triploďd zijn, waarschijnlijk hybriden tussen de diploďd en tetraploďd vormen. De verspreiding gebeurt via de wortelstokken.

 

Naam.

In zijn eerste werk spreekt uit 1554 Dodonaeus over Acorus als een wilde galigaan samen met Cyperus rotundus; ‘De grote galigaan heet in de apotheken Galanga maior en Galanga mezana en door sommige Galanga sylvestris, dit wordt tegenwoordig gehouden voor een soort en geslacht van lis dat in Grieks Acoron genoemd wordt. In Latijn Acorum, door sommige Aphrodisia, Venerea of Radix nautica’.

De Gart; ‘Acorus vel spatella Latijn, Glas patella vel Affodrisia, vel Venerea, vel Piperapium Grieks. Dat komt overeen.

De laatste naam is van Priapismus, de wilde god van liefde. Net zoals Afrodisiaca en Venera. De kalmoes gold vroeger bij de Berbers en Arabieren als een krachtig Afrodisiacum (liefdesversterkend middel). Kalmoes is lang in gebruik geweest als een symbool van mannelijke liefde. De naam wordt geassocieerd met een Griekse mythe; Kalamos (kalmoes) was een zoon van de riviergod Maeander die van Karpos hield, de zoon van Zephyrus en Chloris. Toen Karpos verdronk werd Kalamos veranderd in een riet wiens rusteloos ruizen in de wind geďnterpreteerd werd als symbool van droefheid.

(2) Het verhelderen van de ogen zal wel van de naamsafleiding komen. Dioscorides zegt ook; ‘oculorum caligines succo dicutit’. Acorus is een oude naam, mogelijk van het Griekse a: niet of zonder, en kore: de pupil van het oog, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan zijn dat de plant genoemd is naar de appetijtverwekkende wortel, dan van akoras, a: niet, en koras: verzadiging. Dodonaeus; ‘Dit is waarschijnlijker dan hetgeen andere zeggen dat het in het Grieks Acorus genoemd is vanwege de grote baat die het doet in de gebreken van de ogen alzo de Grieken de oogappel ook Coran noemen’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Gheel lelien of acorus is heet en droog in de tweede graad. Het heeft de kracht om de verstoppingen van de lever, (a) van de nieren of van de blaas (dat heet diuretica) te ontbinden, af te drogen en te openen. De gele lis is goed om de hardheid van de (4) milt te ontbinden en om verstoppingen van de milt te openen, ook van de lever die uit koude zaken komen (b). Dan moet je het zo maken: ‘Neem van de gestampte wortels van gele lis het vierde deel van een pond, week het drie dagen lang in azijn, doe er dan twee drachmen van rapunzelwortels, bernagiebloemen en hertstong bij, van elk een halve hand vol; anijszaad, zoethout en rozijnen, van elk een half ons; breek het grof en kook het in twee pond water tot dat het derdedeel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak het zoet met suiker tot dat het zoet genoeg is. Van deze drank neem je ‘s morgens en ’s avonds telkens een half lauw glaasje. Daarna neem je pillen van rabarber en van lapis lazuli, van elk een half drachme, meng het met siroop van hertstong en maak er zeven of negen van. Dan neem je sap van galanga of sap van Borago om te versterken. Tot slot bestrijk je de plaats waar de lever en milt zitten met Althaea om de materie die verstopt is te vermurwen’. De wijn waar de gele lis in gekookt is helpt daar ook tegen mits je zonder koorts bent (c).

Tegen geelzucht is het goed om gele lis met hertstong, met andijvie, met zoethout en met de vier koude zaden te koken, zuiver het of doe het door een doek dat je met suiker zoet maakt zoals voorgaande.

(2) Tegen witheid van de ogen (die albugo heet) (d) en tegen blindheid: ‘Neem het sap van de gele lis en van venkel, van elk drie ons, van kalmijn of zinkerts een drachme, Aloë, levermos en sap van stinkende gouwe, van die elk een half drachme; datgene dat je kan breken, breek je klein, dan moet je dit koken zodat het een mengsel wordt, dan wordt het door een doek gezuiverd en moet je het met een druppel per keer, in een pen gedaan, op de ogen strijken. (5) Sap van gele lis dat je te drinken hebt gegeven dat vaak gekookt is zorgt ervoor dat je moet plassen want het werkt en opent. Ook is het goed tegen pijn in de zijden van de longen. Hetzelfde is ook goed tegen venijnige beten.

(5) Tegen menstruatiepijn, kook gele lis en ga er op zitten. (op de damp)

(3) Men zegt dat als iemand gele lis bij zich draagt hij nooit meer last heeft van een bloedende loop of rode bloedgang en ook dat hij geen spierkrampen krijgt, zegt Pandecta’.

(a en b) Galstenen? (c) Die koorts zou veroorzaakt kunnen worden door een ontsteking van bijvoorbeeld de galblaas, wat lijkt op leverontsteking, als gevolg van stenen. (d) Het betekent witachtig, waarschijnlijk staar.

 

Herbarijs; ‘Acorus is heet en droog in de 2de graad en men scheldt het uit voor gladie. (Gladiolus). Ze groeit in vochtige plaatsen en heeft lange brede bladeren als lis en ze draagt gele bloemen als lelies en het zaad hangt als boonpeulen en groeit in de waters en aan de oevers van dijken. En men verzamelt het in de oogst en de wortels zijn van binnen rood als men ze snijdt. En de wortel zal men in stukken snijden en het merg dat men erin vindt zal men weg werpen en de rest zal men met draden ophangen en drogen zodat het niet rot. Het blijft 2 jaar goed. Het heeft kracht te verduwen en het is doorgaande en scheidt (6) wind en opblazing in de milt. En ze versterkt de lever en opent haar verstopping. En drank er van gemaakt is goed tegen onderbuikspijn en tegen de lever, ze verzacht de pijn van die. En het is goed tegen de hardheid van de (4) milt en laat de (5) vrouw haar stonden hebben. (3) En laat goed urine maken. (2) Het sap van de wortels zuivert en verheldert de ogen’.

Dodonaeus in 1554; ‘De grote galigaan, dat is de echte Acorus, die je kookt en drinkt maakt (3) water en is goed tegen de (3)  druppelplas en alle koude gebreken van de blaas.

(6) Diezelfde wortel is ook zeer goed tegen de pijn en smart van de borst, van de zijden en krampen en smart van de buik en opent de verstopping van de lever en van de (4) milt.

De wortel van Acorus die met honingwater gedronken wordt geneest diegene die van binnen geborsten of gekwetst zijn en enig lid verkrompen of gespannen hebben ook die lam en onmachtig van hun leden zijn.

Tegen de beten van de venijnige gedierten dient deze wortel ook zeer goed en daarom is het goed om dit in de medicijnen te mengen die men tegen het venijn gebruikt.

(2) Deze wortel neemt ook de schellen af die op de ogen groeien en is zeer goed om dit in de oogzalven die daar toe dienen te doen.

Diezelfde wortel die je in wijn kookt verzacht en laat de gezwollen manlijkheid zinken als het daarop gelegd wordt en verdrijft alle hardheden als je het met de wijn stooft waar dit in gekookt is’.

 

 

  

 

hyrszwurcz xxii ca

Ambτosia latine et grece·

(Der meister Diascoτides spτicht·das do se˙ zwe˙er hant hirţwurcz·die kleiner und die grôţser·dise be˙d haben ein natur·und (·c·ij·) (41) ein gestalt allein die wurczel ungeleich sind·wann die grôsser hat lenger wurczeln und wenig fasen daran·die m˙nder hat ein kleine wurczeln und vil fasen daran·Diascoτides und Pandecta spτechen·das ambτosia ist in der gestalt und natur des be˙fůţs·

(Die meister spτechen·dz h˙rţwurcz se˙ he˙ţ und trucken von natur·und hat subtile krafftte zů wunden·Dises kraut geleychet an der gestalt der růten·(Platearius spτicht·Wer gewundet wirt von fallen oder von stossen·od wie dz sein mag·dem sol man die wunden wĺschen mit wein und sol jm dem ein le˙nen thůch darauff legen·und sol das kraut in einem wasser sieden·und dz wasser wol auţ dem kraut trucken·und sol das also warme auff das le˙nen thůch legen·und senfft b˙nden·dz benymmt d wunden schweren und he˙let s˙·und so die wund beginnet zů he˙len·so sal man dz thůch herab thůn·unnd sol das kraut an dem thůch auf die wunden legen·so he˙let s˙·Weer in dem leib wund wĺr von fallen od sunft·d bulfer dises kraut unnd trincke das bulfere des ersten in warmem wasser·so jm baţ wirt so trincke er des bulfers in warmem wein·es hilfft· H˙rczwurcze ist ein beylsam kraut·unnd hat sein tugent an d wurczel und an dem kraut·(Dises gebulferet und auf ein durchgestochens h˙ren gelegett·zeühet das auff stund an zůsamen·und he˙let es on schaden·und ist gůt zů allen frischen wunden diţ kraut und wurczel·(Item Ambτosiana ist gůt wider dz gicht genüczet·Nymme ambosian·und schlüsselblůmen und spτinckwurcz·˙egklichs ein lot·cubeben sammen ein quintim·mit wein gesoten und mit zucker sŭţ gemachet·ist darzů gůt. (Dises tranck ist gůt wider die abnemung d spτach genant paralisis lingue·domit den mundt gewĺschen·darumb ist d tranck gůt für den schlag·genant apoplexia. (Item Ambτosian ist gůt wid die wassersucht und geelsucht genant ˙dτopisis·und ˙ctericia·mit wein gesoten mit eppich und petersilgen samen vermenget·

Darnach sol man nüczen billen von reubarbar·darnach sol man gebτauchen ein sterckung genant dilacca·(42)

Wilde averuit, 22ste kapittel.

Ambrosia Latijn en Grieks. (Artemisia campestris)

De meester Dioscorides spreekt dat er zijn twee soorten van wilde averuit, de kleinere en de grotere en deze beide hebben een natuur en een gestalte, alleen de wortels zijn ongelijk want de grotere heeft langere wortels en weinig vezels daaraan, de kleinere heeft een kleine wortel en veel vezels daaraan. Dioscorides en Pandecta spreken dat ambrosia is in de gestalte en natuur van de bijvoet.

De meesters spreken dat wilde averuit heet en droog is van natuur en heeft subtiele kracht tot wonden. Dit kruid lijkt aan de gestalte de ruit. Platearius spreekt: Wie gewond wordt van vallen of van stoten of wat dat zijn mag die zal men de wonden wassen met wijn en zal hem dan een linnen doek daarop leggen en zal dat kruid in een water koken en dat water goed uit het kruid drukken en zal dat alzo warm op die linnen doek leggen en zacht binden, dat beneemt de wondenzweren en heelt het en zo die wond begint te helen zo zal man die doek eraf doen en zal dat kruid aan de doek op de wonden leggen, zo heelt ze. Wie in het lijf gewond was iets dergelijks die poedert dit kruid en drinkt dat poeder de eerste in warm water, zo het hem beter wordt zo drinkt hij het poeder in warme wijn, het helpt. Wilde averuit is een heilzaam kruid en heeft zijn deugd aan de wortel en aan het kruid. Dit gepoederd en op een doorstoken hersens gelegd trekt dat van stonde af tezamen en heelt het zonder schaden en is goed tot alle verse wonden, dit kruid en wortel. Item. Ambrosia is goed tegen de jicht genuttigd. Neem ambrosia en sleutelbloemen en springkruid, van elk een 16,7 gram, kubebenzaden een 1, 67gram, met wijn gekookt en met suiker zoet gemaakt is daartoe goed. Deze drank is goed tegen dat afnemen van de spraak genaamd paralisis lingue, daarmee de mond gewassen, daarom is de drank goed voor de slag genaamd apoplexia. Item. Ambrosia is goed tegen de waterziekte en geelziekte genaamd hydropisis en ictericia, met wijn gekookt en met selderij en peterseliezaden vermengt.

Daarna zal men nuttigen pillen van rabarber, daarna zal men gebruiken een versterking genaamd dilacca.

 

Onduidelijk is de naam hyrszwurcz; hertenkruid. Dat zou op Salvia pratensis kunnen slaan, maar die wordt later aangehaald. Ook zou het Teucrium botrys kunnen zijn, maar de druiventros of botrys wordt er niet bijgehaald, wel dat het een soort van bijvoet is. Dan zou het Artemisia campestris kunnen zijn. Herbarius in Dyetsche en de Herbarijs hebben deze plant ook niet.

 

Vorm.

Bladen zijn glad van boven, zijdeachtig aan de onderkant, een of tweemaal geveerd, met smalle gepunte segmenten. Stengels liggend voor het bloeien, vaak rood aangelopen, dun en een halve meter hoog. Gele bloempjes in augustus en september.

 

Naam.

Voor de naam Artemisia zie kapittel 1 van bijvoet.

Dodonaeus; ‘Dit kruid heeft anders geen naam bij de Grieken en ook de Latijnen dan Ambrosia. Plinius zegt dat die naam Ambrosia een gewone en veel voorkomende naam is en vele andere kruiden toegeschreven wordt, want het druivenkruid (Chenopodium botrys of Teucrium botrys) zelf wordt ook soms Ambrosia genoemd. De goede reuk die dit kruid heeft, zegt Lobel, heeft het den naam Ambrosia gegeven. In Griekenland ruikt ze zo sterk dat ze het hoofd bezwaart, min of meer of men in een wijnkelder vol most is, als Bellonius daarvan schrijft’.

 

Gebruik.

Dodonaeus; ‘Men gebruikt dit kruid wanneer men iets terug jagen of terug drijven moet. Want, als Galenus zegt, als Ambrosia ergens opgelegd wordt betoont het zijn tezamen trekkende en bedwingende of terug drijvende kracht en belet de schadelijke vochtigheden die op enig deel des lichaam zou mogen vallen. In Griekenland worden de struiken van Ambrosia als ze droog zijn tezamen gesteld om daar vuur mee te stoken. Ze maken daar ook bezems van om het huis mee te vegen’.

 

  

 

Roszmaryn xxiii ca

Anthos grece·et latine·

(Der meister johannes mesue spτicht·das rosmarin se˙e he˙ţ und trucken an dem dτitten grade·Serapio in dem bůch aggregatoτis·spτichet·das rosmarin habe bletter nahent als der fenchel·dann das s˙ bτe˙tter seind an der rosmarin unnd grôber·und haben gůten gerauch·unnd die lenge des stammens ist eines arms oder wenig mer·Und spricht auch das rosmarin auff dem gipffel habe ein weysses semmlein die wurczel ist weyţ·unnd hat auch einen gerauch wie we˙rach·(Der meister Galienus spricht·das roţmarin habe in jme gar groţ tugent·(Dises kraut und h˙rczung geleget über nachte im wein·und den getruncken·benymmet die geelsucht·(Der safft von roţmar˙n gemüschet mit hônig ist auch fast gůt genüczet den tunckeln augen·

(Der meister Diascoτides spricht·das von roţmarin gemachet ein pflaster·und sunderlichen von den bletern·ist fast gůt dem der do hat feüchtblattern h˙nden in dem afftern·wann es we˙cht und heylet seer·(Die wurczel von roţmarin gestossen·unnd auch gemüschet mit hônig und auff die geschweer gelegt we˙chet s˙ zůhand·(Die wurczeln geleget in wein mit kraute tag und nacht·genant paritaria·gesoten und den getruncken·we˙chet den bauch·und benymmet jm daz wee· (Und ist auch also gůt den gifftigen b˙ssen an dem le˙b wo die sein mügen·(Also genüczet mit be˙fůţ vermennget·machet wol hĺrmen·und foτderet die frauwen an jrer kranckhe˙t·(Die blůmen von roţmarin sol man nemen·und s˙ b˙nden in ein weisses thŭchlein·und s˙eden in wein und den trincken nŭchtern oder des abents der benymmet vil sücht in dem leyb und mit namen den frauwen an den bτüsten·(Die blůmen gebulferet und die in warmem wein getruncken·machet frôlich gemŭt·und stercket die natur und das geblŭte·und behŭtet den menschen voτ zůfĺlliger krancke˙t·

(Von dem holcze gebτennet kolen·und von den stengeln·und die gebulferet·das bulfer in ein se˙den thŭchlein vermachet·und die zeen domit ger˙ben·s˙ werden davon fr˙sch und we˙ţ·und tôdtet die wŭrm darjnn·(Item. Wer das kaltt wee het·d neme der r˙nden von roţmarin·und mache davon einen rauch·und lasse den geen in die nasen·er gen˙set·(Die wurczel gesoten in eţsig·und die fŭţ domit gewĺschen·behŭtet den menschen doselbst voτ geschwulst unnd voτ dem bodogram·(Wer nŭchter ˙sset der blůmen mit hônigsam und mit ruckem bτote·der ist sicher für die dτŭsen und geschwere und für zůfallende kranckheit. (Item·die bleter von roţmarin vertre˙ben den krebţs·darauff geleget·(Item·Ein lôffel (·c·iij·) [43] gemachet von roţmarin holcze·was man domit ˙sset das schmecket gar wol·und machet auch den menschen lustig und frôlich·(Item·Wer nit lustig wĺr zů essend·der siede roţmar˙n in wasser und trincke des·und müsche seinen wein domit·er wirdt gar lustig·(Wer geschwollen wĺr an dem le˙be wo das wĺre oder das gegicht hĺte·der s˙ede die bleter in wasser·und lege s˙ in ein dünnes leynens tŭchlein·und b˙nde das darauff·er genyset zůhandt·(Wer von hycze grossen durst le˙det·der sol sein getranck müschen mit wasser do roţmarin jm gesoten seye·und granat ôpffel·es hilfft on zwe˙fel·(Das bulfer von den blůmen also dürτ gestossen·und auch in we˙chen eyern geessen·stercket auch fast die natur des menschen·und machet auch domitt gar gůt geblŭte·(Roţmarin kraut dτe˙ oder vier handt voll geton in ein fĺţlein do fünff od sechţs vierte˙l weins ein geet·und darunder gemüschet hagen bůchen spĺn·unnd auch gůtten most des besten·und den darjnne lassen vergeeren·(Des weins getruncken des moτgens ein gůten trunck·des gele˙chen des abends·der machet auch gar gůtt schôn geblŭte in dem menschen·und bτinget gar grossen luste zů essen·( Und machet auch domit gar frôlich·und vertre˙bet auch alle jnnerliche gebτesten·die do kommen von bôser feüchtigkeyt. (Und stercket auch fast seer dem menschen sein krafft·und benymmet auch gar vil onmĺchtigkeiten·(Item·in den apotecken do machet man auch ein electuarium·das ist genant dyanthos·dises ist auch zů allen kranckhe˙ten gar gůt und auch besser und natürlicher genüczet·(Item·Roţmarin kraut mit wilden bolle˙ oder steinm˙nczen in wein und baumôle gesoten·domit des menschen kôτper geschmieret·ist schwe˙ţ bτingen·und ist auch gar gůt der schwe˙ţhalb wider wasser süchtung. Und roţmarin und rauten gesoten in wein·mit wenig pfeffer gemenget ist auch gůt genüczet wider die fallenden sucht genant epilentia·(Auch roţmarin in wein gesoten mitt dyanthos vermennget·ist auch gar gůt wider onmĺchtigkeyt·genant sincopis· (Item·Roţmarin mit bertrum genant piretrum·in wein gesoten ist gůt wider die groţke˙t des zapffens·den mundt domit gegoτgelt·

( Item·Roţmarin unnd melisse in wasser gesoten·die můtter domit gereyniget·machet s˙ leychtlich fruchtbar spτicht Serapio·[44]

Rozemarijn (1) , 23ste kapittel.

Anthos Grieks en Latijn. (Rosmarinus officinalis)

De meester Johannes Mesue spreekt dat rozemarijn heet en droog is aan de derde graad. Serapio in het boek aggregatoris spreekt dat rozemarijn heeft bladeren bijna als de venkel, dan dat ze breder zijn aan de rozemarijn en groter en hebben goede reuk en die lengte des stam is een arm of weinig meer. Hij spreekt ook dat rozemarijn op de top heeft een wit zaadje, de wortel is wit en heeft ook een reuk als wierook. De meester Galenus spreekt dat rozemarijn heeft in hem erg grote deugd. Dit kruid en hertstong gelegd over nacht in wijn en dan gedronken beneemt de geelziekte. (2) Het sap van rozemarijn gemengd met honing is ook erg goed genuttigd de donkere ogen.

(3) De meester Dioscorides spreekt dat van rozemarijn gemaakt een pleister en vooral van de bladeren is erg goed die heeft aambeien achter in het achterste, want het weekt en heelt zeer. De wortel van rozemarijn gestoten en ook gemengd met honing en op die zweer gelegd weekt ze gelijk. (4) Die wortels gelegd in wijn met het kruid glaskruid, genaamd Parietaria, gekookt en dan gedronken weekt de buik en beneemt hem die pijn. En is ook alzo goed de giftige beten aan het lijf waar die zijn mogen. (5) Alzo genuttigd met bijvoet vermengt maakt goed plassen en bevordert de vrouwen aan hun ziekte. De bloemen van rozemarijn zal men nemen en ze binden in een witte doekje en koken in wijn en dan drinken ’s morgens of ’s avonds, dat beneemt veel vocht in het lijf en met name de vrouwen aan de borsten.(7)  De bloemen gepoederd en die in warme wijn gedronken maakt vrolijk gemoed en versterkt de natuur en dat bloed en behoedt de mensen voor toevallige ziekte.

Van het hout gebrand kolen en van de stengels en die gepoederd, dat poeder in een zijden doekje vermaakt en de tanden daarmee gewreven, ze worden daarvan fris en wit en doodt de wormen daarin. Item. Wie de koude pijn heeft die neemt de bast van rozemarijn en maakt daarvan een rook en laat dat gaan in de neus, hij geneest. De wortel gekookt in azijn en de voeten daarmee gewassen behoedt de mensen daar zo voor gezwellen en voor de podogram. Wie nuchter eet de bloemen met honing en met roggebrood die is zeker voor de klieren en zweren en voor toevallende ziekte. Item, de bladeren van rozemarijn verdrijven de kanker, daarop gelegd. Item. (7) Een lepel [43] gemaakt van rozemarijnhout en wat man daarmee eet dat smaakt erg goed en maakt ook de mensen lustig en vrolijk. Item. Wie niet lustig is om te eten die kookt rozemarijn in water en drink dat en meng zijn wijn daarmee, hij wordt erg lustig. Wie gezwollen was aan zijn lijf waar dat is of de jicht heeft die kookt de bladeren in water en leg ze in een dun linnen doekje en bind dat daarop, hij geneest gelijk. Wie van hitte grote dorst leidt die zal zijn drank mengen met water daar rozemarijn in gekookt is en granaatappel, het helpt zonder twijfel. Dat poeder van de bloemen alzo droog gestoten en ook in weke eieren gegeten versterkt ook erg de natuur des mensen en maakt ook daarmee erg goed bloed. Rozemarijnkruid drie of vier hand vol gedaan in een vaatje daar vijf of zes vierdeel wijn in gaat en daaronder gemengd haagbeukenspaanders en ook goede most, de beste, en dan daarin laten vergeren. Deze wijn gedronken ‘s morgens een goede dronk en desgelijks op de avond die maakt ook erg goed mooi bloed in de mensen en brengt erg grote lust tot eten. (7) En maakt ook daarmee erg vrolijk en verdrijft ook alle innerlijke gebreken die je komen van kwade vochtigheid. En versterkt ook erg zeer de mensen zijn kracht en beneemt ook erg veel onmachtigheid. Item in de apotheken maakt men ook een likkepot, dat is genaamd dianthos, dit is ook tot alle ziekte en erg goed en ook beter en natuurlijker genuttigd. Item. Rozemarijnkruid met wilde polei of Nepeta in wijn en olijvenolie gekookt en daarmee de mensen lichaam gesmeerd is zweet brengen en is ook erg goed vanwege de zweet tegen waterzucht. En rozemarijn en ruit gekookt in wijn met weinig peper gemengd is ook goed genuttigd tegen de vallende ziekte genaamd epilepsie. Ook rozemarijn in wijn gekookt met dyanthos vermengt is ook erg goed tegen onmachtigheid genaamd sincopis. Item.

Rozemarijn met bertram genaamd Pyrethrum in wijn gekookt is goed tegen de grootheid van de huig, de mond daarmee gorgelen.

 (6) Item. Rozemarijn en melisse in water gekookt en de baarmoeder daarmee gereinigd maakt ze lichtelijk vruchtbaar spreekt Serapio.[44]

 

Vorm.

Rozemarijn heeft stijve stengels die tot kniehoogte zijn bekleed met donker groene naaldachtige bladeren die aan de onderkant grijsachtig zijn. In het voorjaar verschijnen kleine, bleekblauwe bloemen in sierlijke aren.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Zowel de Hoogduitsers als de Nederduitsers hebben dit kruid Rosmarein en Rosmarijn genoemd naar de Latijnse naam, in het Grieks heet het Libanotis stephanomatice, in het Latijn Rosmarinum coronarium, welke toenamen coronarium of stephanomatice nergens toe dienen dan tot onderscheid van de andere soorten van Libanotides met kransachtige breed en wijdt uitgespreide, doch veel bijeen staande bloemen. Want er zijn veel verschillende soorten van Libanotides’.

Rosmarinus is afkomstig uit de kalkkusten van het Middellandse Zeegebied, de Dalmatische eilanden, Lesina, Lisse en Solta. Vandaar zijn naam Rosmarinus, van het Latijnse ro’; ‘dauw’, en marinus;, ‘de zee’. Het woord zou echter afstammen van het Griekse rops myrinos waarvan het eerste gedeelte een ‘nederige struik’ betekent. Het tweede deel heeft zijn herkomst van myron, ‘balsem’, of van myrrha, ‘sap van Arabische myrt’. Uit myrinos kan zo Marinus gemaakt worden dat in een andere vorm als Marinos voorkomt. De Romeinen namen dit met kleine verschillen over als rosmarinus, dat nu eigenlijk niet anders betekent dan een sterk ruikend kruid. Bij Ovidius ook rosmaris en bij Columella marinus ros.

Dodonaeus; ‘dan de bloemen worden in de apotheken gewoonlijk Anthos genoemd naar het Grieks als of men eigenlijk bloem zei omdat het een van de edelste en nuttigste bloemen is’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche en ook Dodonaeus komt met dit kapittel heel goed overeen met de Gart.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Rosenmarijn, Arbor marie of roos marinus is heet en droog, sommige zeggen in de derde graad, zoals Pandecta uit de kennis van Mesue. Er zijn veel rozemarijnsoorten, maar de kracht van allen is gelijk. Want het verandert, het vermurwt, het droogt af en het snijdt in.

(2) Tegen blindheid die uit grove vochtigheid komt: ‘Neem het sap van rozemarijn met honingwater’.

(3) Tegen bloedige loop die van aambeien komt maak je een pleister van rozemarijnbladeren en weegbreesap. Hetzelfde maar dan met heemstwortel gemengd verzacht de hete blaren van de aars en laat de verheven aambeien verkleinen, rijpt ook blaren die slecht genezen. Tegen geelzucht: ‘Neem wijn waar rozemarijnbladeren, hertstongen en bernagie in gekookt zijn’.

(4) Tegen krampen in de buik drink je wijn waar rozemarijn en glaskruid in gekookt zijn.

(5) Om te laten plassen en de stonden te laten komen: ‘Neem wijn waar rozemarijn, venkelzaad, peterseliezaad en bijvoet in gekookt zijn’.

Van het sap van rozemarijn met venkelwater en tuchia samen maak je een medicijn die het gezicht verscherpt. Als je het zaad drinkt heeft dit dezelfde werking.

Door het hele gewas van rozemarijn met steentijm in wijn en olie te koken en daar het lichaam mee te bestrijken laat het je zweten en is het zo goed tegen waterzucht.

Tegen vallende ziekte: ‘Neem wijn waar rozemarijn en ruit in gekookt zijn, daar doe je nog bij wat peper bij’.

Tegen jicht in de voet: ‘Neem poeder van rozemarijn, meel van lolium (dat is bolderik) of zemelen en meng het met het sap van kruidvlier en wat azijn’.

Tegen hoofdpijn was je het hoofd met water waar rozemarijn, majoraan en de bloemen van Lavendula stoechas in gekookt zijn, dat is ook goed voor de hersens.

Tegen het in onmacht gaan: ‘Neem Adiantum die met wijn gemengd is waar rozemarijn in gekookt is’.

Tegen tranende ogen: ‘Neem wijn waar rozemarijn in gekookt is met wat bertram en gorgel daar mee’.

Tegen pijn van de darmen die van winden komen: ‘Neem wijn waar rozemarijn met komijn in gekookt is’.

(6) Om de stonden te krijgen en om te ontvangen was je je omtrent de schaamstreek met een spons in water waar rozemarijn met melisse in gekookt is, Serapio’.

 

Herbarijs; ‘Rosmarines is heet en droog. De bladeren gaan in medicijnen. En de bloemen noemt men antos en hiervan maakt men dyaanthos. Dit kruid groeit graag bij de zee en hangt geheel vol witte bloemen’.

 

Dodonaeus; ‘Dit kruid is zeer geschikt om allerhande verouderde en langdurende vloeden van de baarmoeder te stelpen en alle bloedgangen op te laten houden.

(7) Het is ook goed en vooral de bloemen om alle gebreken van het hoofd en van de hersens te genezen die van koude en vochtigheid veroorzaakt zijn want deze bloemen zijn krachtig om de hersens te verdrogen en maken het verstand en de zinnen scherp en versterken het denken of memorie, dat is ze beletten de vergeetachtigheid. Ze zijn ook zeer nuttig om alle zenuwachtige delen van het lichaam te versterken en die van alle overvloedigheid te ontlasten.

Serapio schrijft ook dat de rozemarijn verwarmen en zeer krachtig verdrogen kan en verzekert naar de mening van Abin Mezua dat die zeer goed is om de koude vochtigheden en zinkingen uit de hersens te genezen die men Coryza plag te noemen.

 (7) Rozemarijn is voor herinnering zegt Ophelia bij Shakespearre. "There's rosemary for you, that's for remembrance. I pray you, love, remember". Ze werden op het graf gelegd, een herinnering. Men gaf de doden een krans ‘omdat ze de strijd met leven geëindigd hadden’.Een andere goede kwaliteit van rozemarijn is dat het goed is voor het hart. ‘Laat de rosmarijn, de bloem van mensheid, de wijsheid bevorderen, liefde en vriendschap, draag het, niet alleen in je hand, maar in je hart en hoofd’.

 

  

 

Boberellen xxiiii ca

Alkekengi grece et latine·

(Der meister Serapio spτicht das dises krautes tugent se˙ in der frucht·und nit an dem kraute. Die frucht ist gestalt wie ein kirţ·und ist rot·unnd hat ein haudt darüber gele˙che als ein sp˙men wôppen·Die frucht ist trucken und kalt an dem zwe˙eten grad· (Diascoτides·boberellen geessen des abents so man schlaffen wil geen·dτe˙ oder v˙er on gefĺrlich·sind gůt dem fŭţsweetumb·genant bodogra·(Und zeühet·vil bôser feüchtigkeit von dem menschen durch den harm·Und also genüczet machet s˙ fast wol hĺrmen·und sind sunderlichen gůt für den stein·und d˙se frucht wirdet gemüschet gar in vil erczeney·und sunderlich wider den stein weetumb· (Boberellen frucht sind auch gar gůt gebτauchet der bôsen lebern blasen und lenden·und benemen alles jr wee mit petersilgen wurcze und steinbτech vermenget·in wein gesoten·(Das kraut von boberellen ˙sset man nit·sunder es soll gebτauchet werden zů pflasteren·die do dienen zů feüchten wunden. (Der saffte von boberellen gestrychen auff die geschwere heilet s˙ zůhandt·(Und des saffttes getruncken·ist gůt den jnnerlichen geschweren·Und zerte˙let das gelebert blůt in dem le˙be·(Item·Von boberellen werden gemachet trocisci in der apotecken·die dienen auch fast dem die stein weethumb habend·genant calculosi·Und sunderlichen sind dise trocisci gůtt flegmaticis·das sind die·die volleτ feüchtung sind·und aller andern d˙e der complexion nit sind dienen die boberellen oder was darvon gemachet wirt gar nichtz. (Und darumb sol ein ˙egklicher arczt oder krancker auffmerckung haben·was seiner natur bekommenlich se˙·Und darumb hat got d allmĺchtig manig kraut lassen werden·nit darumb das ein ˙egklich kraut gůt se˙ allen mennschen·sunder allein dem menschen der solichs darff zů seiner not turfft·Als kreüter die do kalter natur sind die h˙cze domit zů benemen·und h˙cziger natur d˙e keltte domit zůbenemen·Und dar (·c·iiij·) [45] umb sol man nit nüczen kelten zů kelte·und h˙cze zů hicze·wann die süchte davon gemeret werden und nymmermer kommen zů gesonthe˙t·Als uns beschτe˙ben Avicenna und Galienus in jren bŭchern manigfaltigklich·

Krieken over zee(1) , 24ste kapittel.

Alkekengi Grieks en Latijn. (Physalis alkekengi

De meester Serapio spreekt dat dit kruid deugd in de vrucht is en niet aan het kruid. De vrucht is gesteld als een kers en is rood en heeft een huid daarover gelijk als een spinnenweb. De vrucht is droog en koud aan de tweede graad. Dioscorides; krieken over zee gegeten ‘s avonds zo men slapen wil gaan drie of vier zonder gevaar zijn goed de voetenpijn genaamd podogra. (2) En trekt veel kwade vochtigheid van de mensen door de plas. En alzo genuttigd maakt ze erg goed plassen en zijn uitzonderlijk goed voor de steen en deze vrucht wordt gemengd in erg veel artsenijen en vooral tegen de steen pijn. Krieken over zee vruchten zijn ook erg goed gebruikt de kwade lever, blaas en lenden en benemen al hun pijn, met peterseliekruid en steenbreek vermengt en in wijn gekookt. (3) Dat kruid van krieken over zee eet men niet, vooral zal het gebruikt worden tot pleisters die je dienen tot vochtige wonden. Het sap van krieken over zee gestreken op de zweren heelt ze gelijk. En het sap gedronken is goed de innerlijke zweren. En verdeelt dat gestolde bloed in het lijf. Item. Van krieken over zee worden gemaakt koekjes in de apotheken die dienen ook erg die de steenpijn hebben, genaamd calculosi. En vooral zijn deze koekjes goed flegmatici, dat zijn diegene die vol vochtigheid zijn en alle andere die deze samengesteldheid niet zijn dienen de krieken over zee of wat daarvan gemaakt wordt geheel niet. En daarom zal elke arts of zieke opmerking hebben wat voor zijn natuur goed is. En daarom heeft God de almachtige vele kruiden laten geworden en niet daarom dat elk kruid goed is voor alle mensen, maar vooral alleen de mensen die zulks doet tot zijn nooddruft. Zoals kruiden die van koude natuur zijn de hitte daarmee te benemen en bij hete natuur de koude daarmee te benemen. En [45] daarom zal man niet nuttigen koudheid tot koudheid en hitte tot hitte want de ziekten daarvan vermeerderd worden en nimmermeer komen ze tot gezondheid. Als ons beschrijven Avicenna en Galenus in hun boeken veelvuldig.

 

Vorm.

Lang gesteelde bladeren zijn eivormig tot eivormig/driehoekig, spits en helder groen. Stengels zijn opstaand en wat kantig, iets behaard.

Uit de oksels van de gegolfde bladeren ontluikt een enkele en vrijwel onbetekenende room/witte bloem. De bloem is een witte ster die gevolgd wordt door een bes die omgeven wordt door een opgeblazen omhulsel. Zo verschijnt een rode kers in een ragdun maar gloeiend mandje van juteachtig kant. Het verlicht in de donkere dagen met zijn rode lampion de kamer.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘De Nederduitse naam van deze soort van nachtschade is kriecken over zee, de Hoogduitse Schutten, Boberellen, Juden Kirsen, Teuffels Kirsen, de Griekse Strychnos halicacabos en Physalis, de Latijnse Solanum vesicarium en meest Vesicaria alsof men blaaskruid zei omdat deze krieken in huisjes als blaasjes besloten zijn of (als Plinius zegt) omdat dit gewas de blaas nuttig en tegen de steen en niergruis goed is. In de apotheken is het bekend met de naam Alkekengi.

Physalis, het Griekse phusa betekent een ‘blaar’. In het Latijn wordt de plant vesicaria genoemd, naar vesica, een ‘blaar’ of ‘blaas’. Dit is een verwijzing naar de rode opgeblazen kelk. Ook kan de plant zo genoemd zijn omdat ze tegen blaasziektes gebruikt werd.

Alkekengi is of een Japanse naam of komt van middeleeuws Latijn alkakenge en dit van Arabisch al-kakandj, al: "de ultimate plant" + Perzisch kakunadj: nachtschade. De naam komt uit Grieks bij Dioscorides  waar vele Arabische namen op terug te voeren zijn en betekent zout en top, vanwege de smaak en de omhullende kelk.

Boberelle, in midden Hoogduits komt Boberell voor, het ‘gebobbelde’ omhulsel? De lampionplant, Franse lanterne, Duitse Blasenkirsche naar de bloemvorm.

 

Gebruik.

(De kelk geeft aan de binnenkant een bitter sap af dat bij het openen met de vinger op de bes wordt overgedragen, waaraan het zijn zoetzure smaak dankt. De vrucht is eetbaar, wordt gekonfijt of met azijn ingelegd en in Arabië als dessert gebruikt. Een waterig afkooksel van de vrucht, 20 gram op een halve liter water, of met witte wijn werd hier en daar als volksmiddel tegen blaas, steen en nierproblemen en ook tegen waterzucht gebruikt.

 

Krieken van over zee of boberellen, dat is alkakengi of naar Serapio kekengi, dat is de tweede soort van nachtschade. En deze is koud en droog omtrent de tweede graad. Hij heeft dezelfde bladeren als de nachtschade. Hij krijgt een soort van blaasjes waarin rode vruchten komen als druivenbessen en waarvan de kracht dezelfde is als van lupinen.

(3) Tegen lopende gaten als fistelen (a): ‘Neem het sap van deze alkekengi en meng het met het sap van stinkende gouwe en met gebroken roomse (b) en koperroot, doe het in het lopende gat, later was je dat gat of de fistel met honing van rozen totdat de fistel gedood is, dat wil zeggen als het kwade etter weg blijft en het witte etter wordt want dan is het vrijwel beter.

(3) Tegen oude oorzweren en opgeblazen zweren: Neem het kruid met de stelen en stamp het stuk en met azijn maak je er een pleister van die je daar op moet leggen.

(2) Tegen astma (dat is moeilijk adem halen) en een opgeblazen lever, tegen geelzucht en moeilijk plassen of aandrang tot waterlozing: ‘Neem het sap van alkekengi en het sap van peterselie, van elk een half pond; venkelzaad, selderijzaad, slazaad en steenbreekzaad of duizendbladzaad, van elk twee drachmen; rozijnen en violenbloemen, van elk een halve ons; kook alles tezamen in water en wat witte wijn totdat een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak je het zoet met suiker zoveel als genoeg is voor een siroop waarvan je ‘s morgens en ‘s avonds een half glaasje lauw moet nemen. Tegen de laatst genoemde ziekte, want het laat plassen en verteert of breekt de steen in de nieren en de blaas als deze siroop is genomen: ‘Neem van de klonten van de stinkende pillen (d) twee drachmen; van de pillen van Daphne mezereum een scrupel; maak hiervan negen of zeven pillen met de siroop die acetolus de radiribus heet’. De volgende dag: ‘Neem likkepot dulcis dyalacca om aan te sterken’.

Tegen blaren van binnen en van buiten drink je het sap van alkekengi, vooral als je het sap van de vruchten drinkt is dit goed tegen de zweren van de nieren en van de blaas. (f)

(a) Fistel =buis, een verbinding tussen twee holtes die niet normaal is in een lichaam, meestal ontstaat deze door ontsteking, of door kanker. (b) Roomse spica of pioen? (d) Ferula foetida. (f) Waarschijnlijk een ontsteking van genoemde organen.

 

  

 

meysterwurcz xxv ca

Astrens grece·arabice Meu·latine Anetum agreste·

(Plinius in dem capitel Meu·spτicht·Das meisterwurz se˙e he˙ţ und trucken an dem andern grad·(Das kraut an der meisterwurcz ist scharpff und dünn·und hat einen we˙chen styl·und ist lĺngelat·und hat wurczeln die sich fast auţτe˙ten·und sind knodat und lang·und haben einen gůten gerauch·unnd wenn man s˙ keüwet in dem munde so zeühet s˙ feüchtigkeit an sich gele˙ch dem bertram·(Diascorides spτichet·das die tugent der meisterwurcz fast gůt se˙·

(Die wurczel gesoten in wasser und das getruncken·tre˙bett auţ gar vil feüchtigkeit von dem menschen·und ben˙mmt auch daz lenden wee·(Dem zů geschwollen magen sind s˙ gůt·die genüczet mit wein·und ist auch re˙nigen den frauwen jr můter genant matrix·daz s˙ dester ee mügen empfahen von dem manne so thůnd darzů melisse und be˙fůţ·(Wer die misch farbe het·d trincke des safftes dises krautes mit tausent guldin vermenget genant centaurea·er gen˙ţt. (Meisterwurcz mit geτsten mel gesoten und ein pflaster davon gemachet·und geleget über die schwarzen blatern·we˙chet und he˙let s˙·(Wer das kaltt wee hĺte wôlcherle˙e das wĺre·der stosse dises krauts ein hant vol oder zwů·und thů darüber gůten wein auff ein halbe maţs·unnd lasse den steen über nacht·darnach se˙he den wein ab und thů andern wein darüber·und lasse jn steen als voτ·und thů das vier oder fünff nacht·und trincke do des weins alle mal einen trunck er gen˙set on zweyfel· (Weer des safftes trincket dem zeühett es vil feüchtigkeit auţ dem haubt und machet es jm leychtmŭtig. [46]

Berendille, 25ste kapittel.

Astrens Grieks. (1) Arabisch Meu. Latijn Anetum agreste. (Peucedanum ostruthium)

Plinius in het kapittel Meum spreekt: Dat berendille heet en droog is aan de andere graad. (5) Dat kruid van de berendille is scherp en dun en heeft een weke steel en is langachtig en heeft wortels die zich erg uitbreiden en zijn knopig en lang en hebben een goede reuk en als men ze kauwt in de mond zo trekt ze vochtigheid aan zich gelijk de bertram. Dioscorides spreekt dat de deugd van de berendille erg goed is.

(2) De wortel gekookt in water en dat gedronken drijft uit erg veel vochtigheid van de mensen en beneemt ook dat lendenpijn. Dan tot de gezwollen magen zijn ze goed die genuttigd met wijn en dit ook (3) reinigen de vrouwen hun baarmoeder genaamd matrix dat ze des te eerder mogen ontvangen van de mannen zo doen ze daartoe melisse en bijvoet. Wie de miskleur heeft die drinkt dat sap van dit kruid met duizend guldenkruid vermengt genaamd Centaurea, hij geneest. (4) Berendille met gerstemeel gekookt en een pleister daarvan gemaakt en gelegd over de zwarte blaren weekt en heelt ze. Wie de koude pijn heeft welke soort dat is die stoot dit kruid een hand vol of twee en doet daarover goede wijn op een halve maat en laat dan staan over nacht, daarna zeef de wijn af en doe andere wijn daarover en laat het staan zoals voor en doe dat vier of vijf nachten en drink die wijn elke keer een dronk, hij geneest zonder twijfel. (5) Wie het sap drinkt die trekt het veel vochtigheid uit het hoofd en maakt het hem lichtmoedig. [46]

 

Vorm.

De onderste bladeren zijn dubbel drietallig en de andere tweetallig, deelblaadjes zijn breed eivormig en gezaagd. Het komt meestal voor met een enkele of een weinig vertakte stengel die zelden hoger wordt dan 60cm. De uit 40-50 bloempjes bestaande scherm kleurt wit in juni. Meerjarig. De hele plant ruikt sterk kruidig.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt in Brabant van de gewone man meesterwortel genoemd, in Hoogduitsland Meisterwurtz en wij hebben het in het Latijn de naam Astrantia gegeven, dan andere noemen het Imperatoria’.

Imperatoria, het meesterkruid, Duitse Meisterwurz, Masterwurz, Engelse masterwort, een vertaling van middeleeuws Latijn magistrantia; meester, omdat aan de plant meesterlijke heilkrachten toegeschreven werden, is meester over verschillende ziektes zodat zelfs Kaiserwurz voor komt. Kon het maar de helft doen waarvoor het beschreven staat dan is het meesterkruid. De "hete" wortel van de plant werd gebruikt tegen "koude" ziektes. Het was eens een algemeen panacee.

Astrixa in oud-Hoogduits, Astrenz bij Gessner. De herkomst van de naam Astrenze is niet duidelijk, astrenza komt al in oud Hoogduitse glossaria voor. Is het een Duits woord dat in de middeleeuwen als astrantia verlatijnst werd of komt het van astrantia die later voor een andere schermbloemige, Astrantia, gebruikt werd? Mogelijk is ook de betekenis ostruthium of ostrucium hierbij te stellen. Zo vormt het wel een combinatie van beide voorgaande woorden, Magistranz in midden-Hoogduits.

Arabisch Meu. Latijn Anetum agreste, het is een soort van eppe, Apium.

 

Gebruik.

De knollige wortel die meestal korte en onderaardse uitlopers geeft, bevat talrijke vezels. Van buiten is de knol bruin en van binnen wit. De wortel smaakt bijtend met een kruidig aromatische bijsmaak. Is ‘hotter’ dan peper Het veroorzaakt vermeerdering van speekselvloed en werd vroeger bij appetijtloosheid en maagproblemen gebruikt, ook als toevoegsel bij bitterdranken. Wordt nog aangeprezen tegen tandpijnen en als een prima koortswerend middel.  Met wijn gebruikt tegen alle soorten van koud vergif en tegen alle wonden vooral die van venijnige wapens komen. Herbarius in Dyetsche en de Herbarijs hebben dit kruid niet.

 

(2) Dodonaeus; ‘Meesterwortel is heel dun van delen en fijn van stof en daarom zeer geschikt om te doorsnijden, dun te maken, te verteren, te laten zweten en gemakkelijk plassen.

Ze is ook zeer geschikt om de dikke koude vochtigheden te verteren en rijp te maken en om alle winderigheden te verdrijven en op te lossen en zowel van de darmen en van de maag als van de baarmoeder.

Is ook zeer goed om de maagpijn of pijn in de darmen en de gebreken van de nieren te genezen.

(3) Men gebruikt het niet alleen om de plas, maar ook om de maandstonden te verwekken en om de wurging en opstijging van de baarmoeder te beletten en voorts om de nageboorte en dode vruchten uit te drijven.

(4) Het poeder er van soms omtrent de zwaarte van een drachme of vierendeel lood gebruikt is de waterzuchtige zeer nuttig en diegene die met kramp, trekking van de leden en vallende ziekte gekweld zijn en door het in de vierdedaagse malariakoorts met wijn te drinken gegeven voor het aankomen van de koorts laat die achterblijven, dit poeder op dezelfde manier gebruikt weerstaat ook allerhande vergif en geneest alle pestachtige of besmettelijke ziekten en hindernissen die van de kwade lucht komen.

(5) Die wortel van dit kruid in wrange wijn gekookt verzoet en verdrijft de smart van de tanden en gekauwd laat het spuwen of kwijlen, dat is laat de waterachtigheid of het slijm van het hoofd op de tong rijzen en daarom wordt ze veel gebruikt en zeer geprezen voor een van de beste middelen die men weet om de (5) hersens door het spuwen van de slijmachtige vochtigheden te verlossen en de mensen die met m. s, hersenbloeding, vallende ziekte en diergelijke gebreken gekweld zijn te genezen.

 

 

 

schlehensafft xxvi ca

Accacia grece et latine·arabice Altarti·

(In dem bůch genant circa instans·in dem capitel Accacia do steet geschτiben dz er sey kalt und trucken in dem dτitten grad·Pandecta spτicht·dz schlehensafft sey kalt in dem zwe˙eten grad·und trucken in dem dτitten grad·(Item schlehensafft weret ein ganczes jar unverseert an seiner krafft· (Paulus·wôlchem d h˙nderst darm auţ gieng d sol den bestreichen mit schlehensafft·er geet widerumb h˙nein·(Item·des gele˙chen mag man thůn den frawen den jr můter herfŭr geet·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis spτichet·das schlehensafft gemachet werd von der frucht schlehen genant·und dises geschicht so s˙ nit gar ze˙tig sind·(Der wirdig meister Avicenna spτicht·das schlehensafft stopffe das geblŭte das zů seer fleüsset·und ist gůt dem d do hat das rot·Und ben˙mmt dem frauwen jr blůmen die zů seer fleüţt. (Schlehensafft stercket das gesicht·und ben˙mmt den fluţ der augen·(Diascoτides spτicht·das schlehensafft den h˙czigen le˙be fast wol keltte·und beneme die unnatürlichen h˙cze·Und darumb bestopffet s˙ und trücknet den le˙b von flüssen·(Galienus in seinem sechţten bůch genantt simplicium farmacarum·in dem capitel Accacia spτichet·das dez safft geschm˙eret auff ein gesundes gel˙d·das wirt zůhandt trucken und dürτ·(Schlehensafft ist fast gůt genüczet für das heilig feüwer·od für ein entzůndet gel˙de·(Den schwerenden augen von h˙cze darüber gestrychen kület fast wol·(Schlehensafft gestr˙chen an die ende do einer kein har begeret zehaben·machet die selben stat kal und gladt.

(Item Schlehensafft mit wegbτeyte safft vermennget·ist gůt wider den blůtgang der naţen·(Item·Schlehen safft mit dτaganto und mummia in einen e˙eţwe˙ţ vermenget·unnd auff den magen geleget·und ist gůt wider das brechen genant vomitum·[47]

Slehensap, 26ste kapittel.

Acacia Grieks (1) en Latijn. Arabisch Altarti. (Prunus spinosa)

In het boek genaamd circa instans in het kapittel Acacia daar staat geschreven dat het koud en droog is in de derde graad. Pandecta spreekt dat slehensap koud is in de tweede graad en droog in de derde graad. Item slehensap blijft een geheel jaar onveranderd aan zijn kracht. (2) Paulus; welke de achterste darm uitgaat die zal die bestrijken met slehensap, het gaat wederom terug. Item, desgelijks mag men doen de vrouwen als hun baarmoeder naar voren gaat.

De meester Serapio in het boek aggregatoris spreekt dat slehensap gemaakt wordt van de vrucht slee genaamd en dit gebeurt zo ze niet erg rijp zijn. (3) De waardige meesters Avicenna spreekt dat slehensap stopt dat bloeden dat te zeer vloeit en is goed die de dat rode heeft. En beneemt de vrouwen hun bloemen die te zeer vloeit. Slehensap versterkt dat gezicht en beneemt de vloed der ogen. (4) Dioscorides spreekt dat slehensap het hete lijf erg goed verkoeld en beneemt de onnatuurlijke hitte. En daarom verstopt ze en droogt het lijf van vloeien. Galenus in zijn zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Acacia spreekt dat dit sap gesmeerd op een gezond lid dat wordt gelijk droog en dor. Slehensap is erg goed genuttigd voor dat heilig vuur of voor een ontstoken lid. De zwerende ogen van hitte daarover gestreken verkoelt erg goed. (5) Slehensap gestreken aan het eind daar ene geen haar begeert te hebben maakt dezelfde plaats kaal en glad.

Item. Slehensap met weegbreesap vermengt is goed tegen de bloedgang van de neus. Item. Slehensap met dragant en mummia in een eiwit vermengt en op de maag gelegd en is goed tegen dat braken genaamd vomitum.[47]

 

Vorm.

De donkere twijgen zijn zeer kort behaard en de korte zijtwijgen eindigen in scherpe dorens. Deze vrij grote heester van 4m is voor het uitkomen van de bladeren met een waas van witte bloemen omgeven. Een paar weken later maken de smalle en scherp gezaagde eironde bladeren van 2-4cm met duidelijk zichtbare nerventekening hun opwachting, de stevige naalden beschermen hen en geven ook bescherming aan nestelende vogels en spruitende zaailingen. Vruchten zijn tot ruim 1cm in diameter, opstaand en bijna rond met stompe top.

 

Naam.

(1) Herbarius in Dyetsche en de Herbarijs hebben deze plant niet.

Dodonaeus; ‘Deze heester wordt hier te lande slehedoren genoemd en haar vruchten of pruimpjes slehen, in het Hoogduits ook Schlehedorn en Schlehen. In het Grieks heet het Agriococcimelea of Coccimelea agria, dat is Prunus silvestris of wilde pruimboom, de vrucht Agriococcimelon, dat is Prunum sylvestre of wilde pruimen’.

Slee is een algemeen Germaanse betekenis. Vroeger stelde men het woord met het Nederlandse slee: stomp, (sleeuw: zuur) samen zodat de Schlehe de tanden stompmakende vrucht betekent, in West-Fries sloef. Die woorden voeren terug op het Germaanse slaihon (alleen voor de vrucht) Het Indogermaans heeft slei-qo, slei: blauwachtig, dichtbij staat het oud-Slawische sliva: pruim, (sliwowitz: pruimneschnaps) Lithaus slywa, Servisch šljiva, Hongaars szilva, Russisch sliva: wilde pruim en Latijn lividus: blauw, het zou dan een blauwe vrucht betekenen.

Dodonaeus; ‘‘Het sap dat uit deze slee of wilde pruimpjes geduwd en gedroogd in de apotheken bewaart wordt is daar ook Acacia genoemd en wordt er in gebrek van de echte Acacia gebruikt en daarvan is dit gewas ook Hoogduitse Acacia, in het Latijn Acacia Germanica, genoemd geweest. Het sap wordt van sommige Acaciae succedaneum genoemd omdat men hetzelfde sap dat uit de gekookte slehen duwt en in de zon droogt en in ruitjes snijdt nu voor de echte Acacia plag te gebruiken’.

 

Gebruik.

De onrijpe vruchten zijn purperblauw en worden zwart als ze rijpen en verliezen hun glans of worden rood als ze murw gemaakt zijn door de vorst. Ze worden wel trekkebek genoemd vanwege hun zure en donkerblauw berijpte vruchten. Na de eerste nachtvorst worden ze echter zoeter en kunnen geplukt worden om er een jam van te maken. Zo konden ze ten alle tijde gebruikt worden bij het spinnen, omdat ze zo zuur zijn bevorderen ze de speekselafscheiding in de mond wat nodig is voor het natmaken van de draad. Mogelijk naar het zure sap gaat het verhaal dat men daarmee die plaatsen van het lichaam bestrijkt waar men ongewenste haargroei wil tegengaan.

 

Dodonaeus; ‘Slee of wilde pruimpjes zijn koud en droog bijna tot in de derde graad en vooral hun gedroogd sap en meteen ook sterk tezamen trekkend van nature.

(2) Het sap van deze wilde pruimen is nuttig in alle gebreken die enige tezamen trekking vereisen en is een goede medicijn of baat om alle loop van de buik, vloed van de vrouwen en allerhande bloedgang te stelpen en op te laten houden en plag daarom in de apotheken van deze en andere Duitse landen voor de Acacia gebruikt te worden.

(3) Men vermengt die of haar zaad zeer nuttig bij alle pappen, zalven en pleisters die kracht hebben om te bedwingen, terug te drijven en te stoppen, ze worden gedaan bij alle dingen die tegen de rode loop en (4) allerhande buikloop, krampen, rommeling en tegen cholera gemaakt en bereid worden.

De wilde pruimpjes die volkomen rijp zijn geplukt en gedroogd, als Dioscorides betuigt, met zoete wijn gedronken zijn nuttiger en beter voor de maag en maken de buik hard en stoppen allerhande loop of vloed veel beter dan de tamme pruimen.

Het slehensap dat gemaakt wordt uit deze vruchten als ze niet heel rijp zijn is veel beter om te stoppen dan hetgeen dat er gemaakt wordt als ze rijp beginnen te worden en dat sap blijft een geheel jaar door goed zonder te bederven. Sommige koken deze vruchten en drinken dat water, andere bewaren ze in honig of suiker.

Wilde pruimen in scherpe of wrange wijn of gestaald water gekookt met de schorsen van hun wortel genezen de zeren en vurigheden van de mond, tong, tandvlees, huig, amandelen en keel als men met dat water of wijn de mond of keel spoelt en gorgelt en dit is zeer nuttig vooral als er wat honig van rozen bij gedaan is om diegene te genezen die hun mond verzworen of bezeerd hebben nadat ze door strijken van de pokken genezen zijn en altijd spuwen, kwijlen en een vochtige mond hebben.

Hetzelfde water of wijn daar de slehen in gekookt zijn stopt de maandstonden als de vrouwen er in zitten.

Dit slehensap verkoelt de hitte van de lichamen en verdroogt ook zo zeer (als sommige van de echte Acacia ook zeggen) dat een gezond lid droog en dor wordt als het er dikwijls mee besmeert of gestreken wordt. Het laat de zinkende aarsdarm en de baarmoeder die naar buiten valt wederom terug keren. Het is ook zeer goed genomen en opgelegd voor het heilig of wild vuur, tegen roos en haarworm of voor een lid dat ontstoken is en verkoelt zeer goed de verhitte of zwerende ogen als het daarover gestreken wordt en beneemt het lopen of tranen er van. Daartoe is ook goed het water van de bloemen gedistilleerd.

(5) Sleesap op een plaats van de huid gestreken daar men geen haar begeert te hebben maakt die en houdt ze kaal en glad.

Hetzelfde sap met weegbreesap vermengt stelpt het bloeden uit de neus en met dragant en mummie in het wit van een ei vermengt en van buiten op de maag gelegd is goed tegen het braken en overgeven van allerlei overvloedigheden of ook van de spijs.

In het kort, dit sap wordt niet zo heel slecht voor de echte Acacia gebruikt want het verkoelt, droogt en trekt tezamen als de echte Acacia.

 

  

 

Das geel semlein in den rosen xxvii cap

Antera latine et grece·

(Paulus·Diser same ist gůt genüczet den geenden die zůseere zů stůl geen·und die sich zů seer bτechen·den gebulferet und das eingenommen mit hôner bτŭe·

(Dises bulfer ist fast gůt genüczet für flüţ der feüchtblattern·das darauff gestreüwet·(Item dises bulfer gemüschet mit eţsig und also geleget auf ein blůtende wunden·als do ein pfe˙le oder nagel auţgezogen ist·stellet die zůhandt·(Item dz wasser von disem samen mit wegbτe˙te wasser distilleirt·und auch des getruncken·stillet dissinterion·das ist der rote blůtganng·(Auch dises den frawen menstruum behendigklich·(Diser same ist auch kalt und trucken an em andern grad·(Item·Diser same ist auch gar gůt wider den blůtfluţ auţ der nasen·also genüczet·N˙mme des rosen samen ein lott·tracken blůt terτe sigillate boli armeni·yegklichs ein quintin und menge das auch zůsammen mit eyeţ we˙ţ·und menge darzů haţenharr gebulfert·unnd lege dise in die naţlôcher·sund zweyfel es stellet den blůtgang darauţ·

(1) Dat gele zaad in de rozen, 27ste kapittel.

Antera Latijn en Grieks. Stuifmeel en meeldraden van rozen, Rosa.

Paulus. Dit zaad is goed genuttigd diegenen die te zeer (2) te stoel gaan en die zich te zeer braken, dat gepoederd en dat ingenomen met hoenderbouillon.

Dit poeder is erg goed genuttigd voor vloed der aambeien, dat daarop gestrooid. Item dit poeder gemengd met azijn en alzo gelegd op een bloedende wonde zoals je een pijl of nagel uitgetrokken is stelpt die gelijk. Item dat water van dit zaad met weegbreewater gedistilleerd en ook dat gedronken stilt dysenterie, dat is de rode bloedgang. (3) Ook is dit de vrouwen menstruatie behendig. Dit zaad is ook koud en droog aan de andere graad. Item. Dit zaad is ook erg goed tegen de bloedvloed uit de neus alzo genuttigd: Neem de rozenzaden een 16, 7gram, drakenbloed, terra sigillate, bolus armenus, van elk een 1,67gram en meng dat ook tezamen met eiwit en meng daartoe hazenhaar gepoederd en leg dit in de neusgaten, zonder twijfel stilt het de bloedgang daaruit.

 

Vorm.

Het zijn de meeldraden en stampers van rozen.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Het middelste van de roos, dat zijn de gele draadjes en nopjes die in de rozen groeien, heten in Grieks Anthos ton rhodon en in Latijn Flos Rosae alsof men zei de bloem of bloeisel van de roos, in de apotheken Anthera’.  Ook rozemarijn werd anthos genoemd, het is meer een algemene naam voor bloem. Men kende het principe van vrouwelijk en mannelijk in de bloemen niet.

Dioscorides schreef; ‘’Flos, qui in mediis rosis invenitur, siccatus, gingivarum fluxionibus efficaciter inspergitur’.

 

Gebruik.

Herbarijs; ‘Antera, dat is zaad van rozen. En het is goed tegen (2) buikloop en tegen walging. Zaad van rozen verpulvert en gestrooid op de huig laat die verdrogen. Men kan het 1 jaar bewaren in een glazen vat die goed bedekt is’.

 

Dodonaeus; ‘Het zaad en de harigheid die in de knop van de roos zit, ja de gehele knop gedroogd en verpoedert is een bijzondere baat tegen de witte vloed van de vrouwen en ook om de (3) maandstonden te stoppen of tegen de druppelplas en het afgaan van het mannelijk zaad, een vierendeel lood met roden, strenge en scherpe wijn ingenomen. Dan daarin wordt de vrucht van de wilde rozen meest geprezen.

Dat gele dat midden in de rozen groeit wordt bij de wonddranken en preservatieven gedaan. Hetzelfde gedroogd is zeer goed tegen de zinkingen die op het tandvlees van het hoofd afdalen als het er op gestrooid wordt. (3) Hetzelfde stelpt de vloed van de vrouwen (zonder de witte vloed) en allerhande bloedgang. Hetzelfde tot poeder gebracht en vermengt met water dat van kwee gedistilleerd is wordt zeer goed gevonden om de overvloedige loop der maandstonden te stoppen’.

 

  

 

mauszoτe xxviii Ca

Auricula muris latine·Anagallus grece·vel m˙oschais·vel xantalia·arabice ˙ppia·[48]

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel anagallus·idest auricula muris·spτicht das mauţoτe hat subtile kle˙ne bletter·unnd hat auch eţte d˙e sind vier ecket·und tregt samen gele˙ch dem coτiander·Und daz kraut ist zweyer hand·eins hat blůmen die sind von farben rôtelat und ist der man·daz andeτ hat blůmen die haben hymmelfarben·und das ist die frawe·und wachţen auch be˙de gar geren an dem steinigen enndenn·unnd auch an den kalen bergen·(Galienus in dem sechţchten bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel Anagallus·spτichet·das s˙ be˙de von natur gar trucken sind·und auch ein kleine w˙rme in jn haben·(Diascoτides spτicht·das mauţoτe auch gar gůt sey den wunden aussen an dem leybe·und lassen die nit schweren·darüber geleget·

(Item·Den safft von meüţôτe in dem munde gehalten benymmet den zanschweren·(Meüţoτe safft und schel wurczel wasser·gemüschet mit hônig·ist fast gůt den tunckeln augen·darauff geleget·(Item·Ein pflaster gemachet von meüţoτe·und von wulle mit wein gesoten·und geleget auff den afftern für dem leyb geet·hilfft auch das er wider an sein rechte stat kommet·(Der safft von meüţoτe in die oτen gelassen·benymmet auch das sausen darjnn·und tre˙bt auţ die wŭrme in den oτen·(Den safft in die naţlôcher gelassen·machet n˙esen uud re˙niget das haubte von bôser feüchtung·(Der meister Serapio spτichet·das Anagallus·das ist meüţoτe·die do blůmen haben gele˙ch der farbe des hymmels seye fast gůt für dem afftern d für den le˙b geet·darauff geleget gele˙ch als ein pflaster·Und spτicht auch·das die meüţoτe mit den roten blůmen sej von natur an sich ziehen·Darumbe mag man s˙ bτauchen wo ein pfeyl oder doτn in einem gel˙de steckt·zeühet  auch meüţoτ senfftigklich auţ·darauff geleget geleych als ein salben od ein pflaster also gemachet·Nymm meüţoτ safft·und d˙ptam safft·unnd magneten stein gebulferet mit schwe˙nem schmalcz·vermengt in einer salben weyse·(Item. Meüţoτe und auch gundelreben gestossen oder gequetschet·und in die oτen gethon·ist wider zeen weetumm·(Item·Meüţoτ safft genüczet·ist auch gar gůt wider geb˙ţs der fenenygen gethiercz. (Item·Meüţoτsafft mit hônig wasser vermenget·ist auch gůtt wider den bauchweetumb·(Auch ist meüţoτe safft mit wein gesoten·gůt wider die fallenden sucht·(Item·Meüţoτe unnd sprinckwurczel und kümmel gesoten in wein·mit wenig hônige oder zucker vermenget·davon genüczet·ist gůt wider das darmgegicht·[49]

Guichelheil, 28ste kapittel.

Auricula muris Latijn. (1) Anagallus Grieks, vel m˙oschais, vel xantalia. Arabisch ˙ppia. [48] (Anagallis arvensis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anagallis, id est auricula muris, spreekt dat guichelheil heeft subtiele kleine bladeren en heeft ook takken die zijn vierkantig en draagt zaden gelijk de koriander. En dat kruid is tweevormig, de ene heeft bloemen die zijn van verven roodachtig en is de man, de andere heeft bloemen die hebben hemelkleur en dat is de vrouw en groeien ook beide erg graag aan de stenige einden en ook aan de kale bergen. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Anagallis spreekt dat (6) ze beide van natuur erg droog zijn en ook een kleine warmte in zich hebben. (5) Dioscorides spreekt dat guichelheil ook erg goed is de wonden buiten aan het lijf en laten die niet zweren, daarover gelegd.

Item. (4) Het sap van guichelheil in de mond gehouden beneemt de tandpijn. Guichelheilsap en stinkende gouwe wortelwater gemengd met honing is erg goed de donkere ogen, daarop gelegd. Item. (7) Een pleister gemaakt van guichelheil en van wol met wijn gekookt en gelegd op het achterste dat voor het lijf gaat helpt ook dat het weer aan zijn rechte plaats komt. Het sap van guichelheil in de oren gelaten beneemt ook dat suizen daarin en drijft uit de wormen in de oren. Het sap in de neusgaten gelaten maakt niezen en reinigt dat hoofd van kwade vochtigheid. (7) De meester Serapio spreekt dat Anagallis, dat is guichelheil, die bloemen hebben gelijk de verf van de hemel erg goed is voor het achterste dat voor het lijf gaat, daarop gelegd gelijk als een pleister. En spreekt ook dat die guichelheil met de rode bloemen van natuur aan zich trekt. (2) Daarom mag man die gebruiken wie een pijl of doorn in een lid steekt dat trekt ook guichelheil zachtjes uit, daarop gelegd gelijk als een zalf of een pleister alzo gemaakt: Neem guichelheilsap en diptamsap en magnetensteen gepoederd en met varkensvet vermengt in een zalfwijze. Item. Guichelheil en ook hondsdraf gestoten of gekwetst en in de oren gedaan is tegen tandpijn. (3) Item. Guichelheilsap genuttigd is ook erg goed tegen beten van de venijnige dieren. Item. Guichelheilsap met honingwater vermengt is ook goed tegen de buikpijn. Ook is guichelheilsap met wijn gekookt goed tegen de vallende ziekte. Item. Guichelheil en springwortel en komijn gekookt in wijn met weinig honing of suiker vermeng en daarvan genuttigd is goed tegen dat darmjicht.[49]

 

Inleiding.

Herbarius in Dyetsche heeft; ‘Muysoren oft auricula muris oft pilosella’. Die laatste naam slaat dan wel op Hieracium pilosella die nog muizenoor heet. Dodonaeus noemt ‘Groot Pilosella of Groot Nagelcruyt;  Sommige noemen het Auricula muris, dat is Muysoor; het is nochtans verschillend van de echte Muys-oor’. Dan zou de echte Anagallis zijn.Onze mauszore heet ook Auricula muris (muizenoor) in Latijn en in Grieks Anagallus.  Dan moet het op Anagallis arvensis slaan. Ook omdat er van twee kleuren gesproken wordt, blauw en rood. De rode vorm ssp arvensis, treft men meer aan op de kalkarme gronden en de blauwe, ssp. foemina, op kalkrijke gronden. Ook als we het gebruik vergelijken bij Dodonaeus blijkt het dat het hier om Anagallis arvensis gaat.

 

Vorm.

Guichelheil heeft tegenoverstaande bladeren die soms in kransen van drie staan, eivormig en van een zeegroene kleur, aan de onderkant zitten zwarte klierpuntjes.

Een lage eenjarig van een 15cm hoogte met opgaande stengels die soms wat kruipen. De plant bloeit op dunne stengeltjes die uit de oksels van de bladeren oprijzen. De vrucht is een bolletje dat als het zaad rijp is met een deksel openspringt. Het is toch geen lastig onkruid, onder graan kan het in grote hoeveelheden optreden en zo het uitdrogen van de bodem tegen gaan en zo zelfs voordelig zijn. Het is een oud graanonkruid wiens oorsprong moeilijk meer vast te stellen is. Is een begeleider van de mensen die de akkerbouw uitoefenen.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘‘Guichelheil wordt in het Grieks zowel als in het Latijn Anagallis genoemd, in het Hoogduits Gaucheyl, in het Nederduits guichelheil. Het kan ook wel wezen dat de ouders dit kruid Anagallis, dat is verheugende, genoemd hebben omdat het zeer moedig overal de wegen versiert met aardige bloempjes die zeer lieflijk en lustig zijn om te zien’.

Anagallis komt van het Griekse anagelao: lachen, dit naar de fabel dat het kruid de kracht zou bezitten om droefheid tegen te gaan. Plinius en Dioscorides vertellen van zijn gebruik om te bemoedigen, vanwege het gebruik bij nierziektes waar de lach vergaat. Vandaar de naam guichelheil. Of dat het woord afgeleid is van het Griekse anagallis: de bescheidene, omdat het gewas zo klein is.

 

Gebruik.

Dodonaeus over Anagallis; ‘Dioscorides zegt dat alle beide guichelheilen een verzoetende of verzachtende kracht hebben, de zweren verhoeden, (2) de stekende scherpe splinters of doornen en diergelijke dingen die in het lichaam vast zijn kunnen uittrekken en het lopende vuur stillen of genezen.

Insgelijks schrijft hij ook dat haar sap het hoofd van binnen purgeren en zuiveren kan als men de keel daarmee spoelt al gorgelend en dat hetzelfde sap dat in de neusgaten gegoten is de (4) tandpijn verdrijft, wel verstaande als men het in dat neusgat giet wat recht tegen over de slechte tand is, dat is het neusgat van die kant daar de smart niet is. En dat als het met honing gemengd is de onzuivere en lopende uitpuilende ogen reinigt en gauw geneest en bovendien de donkere of slecht ziende ogen verheldert.

(3) Hetzelfde sap houdt hij voor goed om de beten van de adders of slangen te genezen wanneer men dat met wijn drinkt en als het op die manier ingenomen is houdt hij dat ook voor nuttig in de gebreken van de lever en van de nieren.

(7) Hij voegt daar noch bij dat de guichelheil met blauwe bloemen de uitvallende aarsdarm indrijven kan en daarentegen die met rode bloemen als daar op gelegd wordt die laat uitkomen of uitvallen.

De compositie of geneesmengeling die Diacorallion genoemd wordt die men uit dit kruid maakt geneest jicht en allerlei jicht.

(6) De guichelheilen hebben een verwarmende en verdrogende kracht zegt Galenus en zuiveren zeer goed, ja in het kort gezegd, ze hebben een verdrogende kracht zonder scherpte waarom ze ook de wonden dicht maken en de vuile zweren helpen. Plinius zegt dat een drachme van het sap met wijn gedronken goed is tegen de (3) slangenbeten. (5) Ze maken goed water en zijn de lever uitermate goed en ook bedwingen ze de voortsetende zweren. Ze zijn ook zeer goed op verse zweren gelegd en vooral op het lichaam van oude lieden. Men zegt ook dat het zo’n  grote kracht heeft als het op de verse wonden gelegd wordt dat het etter uit de beenderen trekt. Guichelheil is goed tegen de pest want als men dat inneemt eer men slapen gaat en zichzelf goed bedekt dan wordt men al het kwaad met zweten kwijt.

Het sap of het gedistilleerd water dat van guichelheil gedronken of van buiten opgelegd wordt is zeer goed tegen de beten van dolle honden. Het wordt ook dikwijls van de jagers gebruikt als hun honden van de wilde beesten geslagen of gebeten zijn.

Het is voor de leverzuchtige nuttig en drijft de steen of het niergruis uit de nieren.

Guichelheil met rode bloemen gestampt en op de ogen gelegd of het sap er van in de ogen gedruppeld verdrijft de verhitting, duisterheid en zweren van de ogen, geneest ook de hete zwellen van de schaamstreek.

Guichelheil met blauwe bloemen met zout in water gekookt is zeer nuttig om de jeuk en steken van de handen te verdrijven als men die daarmee dikwijls wast’.

 

Herbarijs; ‘Plocella of nepita of musore, dat is het kruidje met de haren dat plat op de aarde ligt. Het heelt wonden en is goed in wonddranken en meest in (6) hoofdwonden. En het beschermt de wond van kramp’.

Piocella lijkt een schrijffout te zijn voor pilocella, hoewel de naam ook in andere middeleeuwse handschriften voorkomt.

Nepita is waarschijnlijk een naamsverwarring van de schrijver, het werd ook kattenpoot genoemd, Pes Cati, wat dan verward is met het echte kattekruid, Nepeta cataria.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Muysoren, auricula muris of pilosella verwarmt weinig en verdroogt zonder bijten. Het droogt of veegt sterk af en trekt tegen het gezwel van de aars aan: ‘Maak daarvoor een pleister van muizenoor, van kalfsvoet en wolkruid door het in wijn te koken’.

(6) Als je het sap van muizenoor met stinkende gouwe wortel mengt geneest het de blindheid van de ogen (a).

Tegen waterzucht, (b) het niergruis en het gebrek in de lever: ‘Neem muizenoor, mezereum, aardrook en andijvie, kook het in water met wat azijn, met rozijnen, venkelzaad en peterseliezaad en als het gekookt is doe je het door een doek, dan maak je het zoet met suiker en gebruik je het ’s morgens en ’s avonds’. Daarna neem je van de hoop de pillen van mezereum en de pillen van rabarber, van elk een half drachme; het binnenste van de vijf zaden die cocognidium heten, meng het tezamen met siroop van aardrook en maak er negen pillen van. Daar na als derde om te verbeteren en te versterken, neem dyalecca of een zoete likkepot.

Muizenoor die met de wortel van dictamnus gestampt is trekt in het lichaam sterk tot zich of uit als pillen en dergelijke. (5) Ook laat het geen gezwel in de wond achterblijven.

(4) Tegen tandpijn: ‘Neem het sap van muizenoor, daar mee stamp je hondsdraf en doe het in de neus’.

(6) Dit sap van muizenoor is goed tegen blindheid van de ogen en geneest ook venijnige beten. (4) In de neus gedaan laxeert het de onreinheid van het hoofd. (c)

Met mulsa (dat is wijn en honing tezamen gemengd) te drinken gegeven heelt het wonden en vermurwt het ‘t lichaam.

(7) Het sap hiervan dat met wolkruid in wijn gekookt is is goed tegen het uitgaan van het einde of aars als je er warm in zit.

Als je het drinkt met wijn is het goed tegen vallende ziekte.

(6) Het poeder daarvan dat met gember gemengd is laat je niezen, ook reinigt het de hersens.

Dit kruid dat met schijtwit en komijn in wijn gekookt is is goed tegen koliek en onderbuikspijn.

Het sap hiervan dat met bolus armeniacus gemengd is is goed tegen bloed spuwen.

(5) Als je het poeder van muizenoor in de neus doet is het goed tegen het omdraaien van de ogen en reinigt het slijm.

Het sap hiervan met bijvoetwater is goed tegen het opklimmen of verwurging (d) van de baarmoeder’.

(a) Staar. (b) Oedeem. (c) Voorhoofds/neusholteontstekingen. (d) Krampen of kanker?

 

Volgens Blankaart is Pilosella; ‘Gnaphalii species, dicta a copiosis pilis quibus folia investiuntur’. Een Ganphalium soort vanwege de grijze bladeren.

Dodonaeus over Hieracium pilosella; ‘De nieuwe kruidbeschrijvers noemen dit gewas Pilosella en (om dat van het volgende te onderscheiden) Pilosella major, sommige noemen het Auricula muris, dat is muizenoor, het verschilt nochtans van de echte muizenoor, in het Hoogduits noemt men het Nagelkraut, in het Nederduits nagelkruid en bij sommige muizenoor als gezegd is.

 

  

 

Habern xxix Capi

Avena latine·Egilops grece·egilopa·arabice qusir·vel clausir vel dolara· (Der meister Plinius in dem capitel Avena·spτicht·das habern wachţe mitt dem weyczen·und geleychet der selben an jren gewĺchţe·allein das habern einen we˙chen stengel hat dann weicz. (Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel qusir·idest Avena·spτichet·dz dises hab bletter gele˙ch den früchten·allein das s˙ we˙cher sind·und an dem gipffel der rôτen hat es samen der ist umb henckt mit zwe˙en oder dτe˙en rôcken·(Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel Egilops·idest Avena·spτichet·das sein gerauch se˙ starck und auch gar scharpf und sein tugent ist durchdτingen die feüchtung·und verczeren auch die hertten geschweer·dz meel davon darauff geleget geleych als ein pflaster·(Und ist sunderlich gůt den fisteln be˙ den augen. (Ein pflaster gemachet mit habern und darunder gemüschet sŭţs meel·unnd den bôsen gr˙ndt genant ympetigo·dz ist ein stat d malede˙ domit gepflestert·he˙let den·(Item Galienus in dem bůch genant de Cibis·spτicht·das habern se˙ auch ein spe˙se der thiere und nit d menschen·es wĺr dann sach·das also grosse teürung wĺre so môchte man wol bτot darauţ machen als ettwan gar d˙ck geschehen ist·und diţs bτot gibt auch dem menschen gar kleine spe˙ţung·und gar wenig geblŭtes·(Item habern gesoten mit wasser·darnach den gestossen und mit hônige gemüschet·machet auch gar gůte hycze·und benymmet die kelte·das geessen wie einen bτe˙en·(Item·Hĺbτin bτe˙en gekochet mit eţsig·sind fas gůt denen·die do haben grosse h˙cze·(Serapio·Habern weychet die verhertten gel˙der·das meel davon darüber geleget gele˙ch einem pflaster·(Item Habern ist gůt genüczet zů aller geschwulst an dem le˙be·die do kummett von h˙cze·(Item·Ein pflaster gemachet von hĺbτinem meelbe·unnd das do mit loτbeer ôle vermengt·ist gůt für den grind·und [50] ist hertte apostemen verczeren·die geschwollen sind·Und ist auch gůt wider die fistel des arţsdarms·als Serapio spτicht·

(Item hĺbτen meel ist auch gar gůt das antlicz des menschen schôn und re˙n machen mit bleywe˙ţ vermenget in wasser gesoten·domit auch das antlicz dick male gewĺschen·spτicht bartholomeus anglicus de pτopτietatibus rerum·

Haver, 29ste kapittel.

Avena Latijn Egilops. (1) Grieks egilopa. Arabisch qusir, vel clausir, vel dolara. (Avena sativa)

De meester Plinius in het kapittel Avena spreekt dat haver groeit met de tarwe en lijkt daarop aan haar gewas, alleen dat haver een wekere stengel heeft dan tarwe. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel qusir, id est Avena, spreekt dat deze heeft bladeren gelijk de vruchten, alleen dat ze weker zijn en aan de top der stengels heeft het zaden die is omhangen met twee of drie rokken. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Egilops, id est Avena, spreekt·dat zijn reuk sterk is en ook erg scherp en (3) zijn deugd is doordringen de vochtigheid en verteren ook de harde zweren, dat meel daarvan daarop gelegd gelijk als een pleister. En is uitzonderlijk goed de etterwonden bij de ogen. Een pleister gemaakt met haver en daaronder gemengd zoet meel en de kwade hoofdzeer genaamd impetigo, dat is een plaats van de boosaardigheid, daarmee gepleisterd heelt het. Item. (2) Galenus in het boek genaamd de Cibis spreekt dat haver ook een spijs is van de dieren en niet van de mensen, tenzij het zaak was dat er alzo grote duurte was dan mag men wel brood daaruit maken zoals wel erg veel gebeurd is en dit brood geeft ook de mensen erg kleine spijs en erg weinig bloed. (4) Item haver gekookt met water en daarna dan gestoten en met honing gemengd maakt ook erg goede hitte en beneemt de koudheid, dat gegeten als een brei. Item. Haverbrei gekookt met azijn is erg goed diegenen die hebben grote hitte. Serapio: Haver weekt de verharde leden, dat meel daarvan daarover gelegd gelijk een pleister. Item. Haver is goed genuttigd tot alle gezwellen aan het lijf die je komt van hitte. Item. Een pleister gemaakt van havermeel en dat met laurierolie vermengt is goed voor de hoofdzeer en [50] is harde gezwellen verteren die gezwollen zijn. En is ook goed tegen de etterwonden van de aarsdarm zoals Serapio spreekt.

(5) Item havermeel is ook erg goed dat aangezicht van de mensen schoon en rein maken met loodwit vermengt en in water gekookt en daarmee ook dat aangezicht vele malen gewassen spreekt Bartholomeus Anglicus in de proprietatibus rerum.

 

Vorm.

Pluimhaver met losse pluimen en lang gesteeld met naar alle zijden hangende pakjes, hoogstens is het kroonkafje van de onderste vrucht genaald. Het verschilt van andere graansoorten door de bloeiwijze die de vorm heeft van een tros. Haver kan meer dan een meter hoog worden. In sommige landen is de wilde haver een lastig onkruid waar het soms in zo grote aantallen kan voorkomen dat de planten als hooi gebruikt worden. Haver kan zichzelf bestuiven zonder zelfs te bloeien waardoor het gewas niet zo afhankelijk is van mooi weer. Haver vraagt een matig warm en vochtig klimaat. Het verdraagt een ruwer en vochtiger klimaat dan de zomergerst. Zijn langere groeitijd beperkt echter zijn verspreiding naar het verre noorden. Het gewas heeft een langere vegetatietijd dan de gerst, 16‑22 weken.

Dodonaeus; ‘Haver, als Dioscorides zegt, is van bladeren en geknoopte halmen tarwe en spelt wat gelijk’.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘In Brabant heet dit koren haver, in Hoogduitsland Habern, in het Latijn heet het Avena en in het Grieks Bromos’.

Avena komt van het Latijnse avena: wat blazen betekent, naar de lange holle halmen die als blaaspijpen gebruikt kunnen worden. Symbool van muziek, the witehing sound of music.

Avena stamt vermoedelijk van het Sanskriet avi: schaap, of van Sanskriet avasa: voeding.

De naam haver, Habern, stamt wel van oud-Noors hafr: bokkenvoed­sel (de Angelsaksische hafer is een bok). Alle namen van de vrucht, er zijn er verscheidene, zijn van schaap of bok afgeleid. Dit waarschijnlijk omdat die dieren ermee gevoerd werden (of van een gelijkend onkruid). Toch ligt de grond hiervan waarschijnlijk elders. Goed groeiende gewassen die geen vrucht droegen maar wild en onvruchtbaar groeiden werden hiermee vergeleken. Bij de vijg is de Ficus de vruchtdragende vijg en caprificus de boksvijgenboom. Daarom werd de wilde en onvruchtbare haver bokskruid genoemd en in Duits Bockskraut.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche heeft dit gewas niet eens.

(3) Herbarijs: ‘Avena, dat is evenie. Ze verzacht en verdrijft en maakt murw alle harde gezwellen en tot dat doel gebruikt men wel dat meel’.

Hildegard von Bingen noemt haver een voortreffelijke en gezonde spijs voor de mensen, verschaft een vrolijke geest, een rein en helder verstand, goede kleur en gezond vlees. (2) De Gart spreekt er anders over via Galenus.

 

(2) Dodonaeus; ‘Haver, als Galenus zegt, is een voedsel van de beesten en is voor de mens niet geschikt tenzij dat ze door grote en uiterste hongersnood gedwongen worden om er brood van te bakken.

Brood van haver gebakken is onlieflijk van smaak, nochtans maakt het de buik niet week of hard, maar is wat dat aangaat middelmatig gesteld.

Haver als een medicijn in enige ziekten gebruikt is de gerst van aard en krachten gelijk want ze is in alle pleisters en pappen goed daar gerst in dient en zo van buiten opgelegd is ze drogend en verdelend en verteert matig zonder enige scherpte of bijten, dan is van gestalte en aard wat kouder en wat stoppend waardoor ze ook de buikloop stelpen kan.

(4) Pap of brij van haver gemaakt, als Dioscorides betuigt, stopt de loop van de buik.

Het sap er van is zeer goed gebruikt tegen de hoest in enig soepje.

(5) Havermeel in azijn gekookt neemt de sproeten en littekens van het aanzicht weg, als Plinius betuigt.

 

Abschlag xxx Capi

Astromum·

(Die meister spτechen auch gemeynigklich·das abschlag sey kalter natur unnd vergifftiger·und ist auch weder gesunden noch siechen menschen zů essen·Wer jn aber essen wil·der lege jn voτ hyn in wein·und lasse jn bayssen zwen tag oder dτe˙·(Abschlag hat nicht hycze in jm·sunder ein scharpffe feüchtnuţ und von dem tauwe·( Item abschlag sollend die bτauchen oder nüczen die do beladen sind mit febτes·(Item wôlcher einen bôsen mĺgen hĺt und ĺsse abschlag·dem wirt wee davon·(Wisse auch das die natur aller lauch sind getemperieret mit h˙cze·und wachţen alle von fe˙chtung und von w˙nden. (Item·alle lauch geessen schaden nit on allein astlauch·der ist unnücz zů essen·(Auch spτechen die meister·das kranck leüt die do beladen sind mit grosser feüchtung me˙den sollen lauch·wann er meret die feüchtung·(Item. Von des lauches tugent stet geschτiben in dem capitel Poτrum·h˙uden de P·do findet man gar vil hübscher tugent von·

Sjalot, (1) 30ste kapittel.

Astromum. (Allium ascolonium)

De meesters spreken ook algemeen dat sjalot van koude natuur is en vergiftig en is ook niet gezonde noch zieke mensen te eten. Wie het echter eten wil die legt het daarvoor in wijn en laat het baden twee dagen of drie. Sjalot heeft niet hitte in hem, uitgezonderd een scherpe vochtigheid van de dauw. Item sjalot zullen die gebruiken of nuttigen die beladen zijn met koorts. Item wie een kwade maag heeft en eet sjalot die wordt ziek daarvan. Weet ook dat de natuur van alle look getemperd is met hitte en ze groeien alle van vochtigheid en van winden. Item, alle look gegeten schaadt niet uitgezonderd alleen sjalot, die is onnut te eten. Ook spreken de meesters dat zieke mensen die beladen zijn met grote vochtigheid mijden zullen look want het vermeerdert de vochtigheid. Item. Van de look zijn deugd staat geschreven in het kapittel Porrum onder de P, daar vind men erg veel leuke deugd van.

  

 

Vorm.

Wordt van de ui onderscheiden door de onvruchtbare bloemen en talrijke knollen. Sjalot  is vermoedelijk afkomstig uit Klein Azië en Palestina. De ui van Askalon beschreef Plinius, Theophrastus, Columnella als een variëteit van ui.

 

Naam.

(1) Dodonaeus over Allium cepa; ‘In oude tijden had deze uien vele en verschillende namen naar de verscheidenheid van de plaatsen daar ze groeiden, als gezegd is, want sommige heten Cypriae, sommige Sardiae, Cnidiae, Creticae, Samothraciae, Ascoloniae of Pompeianae naar de eilanden, rijken en steden van Cyprus, Sardos, Kreta, Samothracie en ook naar Ascalonon wat een stad van Joodse land was dat anders Pompeiana heet. Caepa Palaestina aut Ascalonica is de scaloegnie of, als andere menen, het bieslook. In Italië is er ook een ander Cepa Ascalonia die ze anders cipicchia noemen, (net zoals Palladius de kleine uitjes cipuilla noemt) die een middelsoort tussen bieslook en onze sjalot schijnt te wezen, in het Spaans cebolla Ascalonitica en in het Latijn Bulbus esculentus of Radix tunicata omdat uit de klister of bol vele schillen groeien en vele smalle bladeren als die van saffraan, maar dikker. Deze bol is soms als een narcis en trekt naar het roze. Enige noemen de sjalot ook Ast-Loock, andere hondts-loock, dan door die verwarring van namen kan men niet zo gemakkelijk tot het echt herkennen van de kruiden komen als men wel wensen zou’.

Dodonaeus noemt Abschlag als een naam onder Allium sativum; ‘Dit look heet tot verschil van de wilde soort in het Hoogduits Garten Knoblauch, Abschlag en Astlauch en daarnaar in onze taal ook ast look en knop look

Een vorm van de gewone ui is bekend als sjalot. De sjalot is door de kruisvaders meegenomen en zou naar de stad Askalon genoemd zijn in het land der Filistijnen. De naam is verder verbasterd, in het Latijn werd het ascalonitica, in oud-Frans escaluigne, tot eschalotte, e'chalote en bij ons astloock of abschlag, tegen 1700 werd het charlotten en nu sjalot, Duits van Abschlag, Aschlauch, Eschlauch, Schlotte tot  Schalotte, Engels shallot. 

 

Gebruik.

Zie ui. Herbarius en Dyetsche en Herbarijs hebben dit gewas niet, wel Dodonaeus, maar niet in een apart kapittel; ‘In Italië en Frankrijk worden de soorten van bieslook en sjalot klein gesneden in water te weken gelegd en gegeten met olie, azijn, zout en eppe of peterselie en salie want dan is al haar scherpte en schadelijkheid of afgelegd of bedwongen en verbeterd.

Doch hoe het gaat, het is duidelijk dat zowel dit tegenwoordig bieslook als de sjalot en ook de andere medesoorten van deze kruiden niet zo goed zijn als prei zijn en aangaande het gebruik er van is er niet veel hulp of nuttigheid van te verwachten, dan voor diegene die meer tot onkuisheid dan tot de gezondheid genegen zijn omdat ze voor de maag moeilijker zijn dan prei vanwege haar smaak die heter, dunner en scherper is en al deze wortels zijn slecht om te verteren, laten winden groeien, ontsteken de tong, en maken dorst, tenzij dat ze lang in water geweekt zijn of in wijn, als sommige verzekeren, en ze zijn meest alle warm tot in de vierde en droog in de derde graad. Men houdt ze nochtans voor nuttig in al hetgeen dat de Bulbi esculenti van de ouders vermochten en zeer geschikt diegene die etter spuwen. In azijn gekookt en gegeten beletten het opwerpen en oprispen van de maag. Maar zullen best gebruikt worden van diegene die veel arbeiden en van andere om de maag gretig te maken en appetijt te laten krijgen en in salade om de koude van andere kruiden te matigen’.

 

  

 

schyrling xxxi Ca

Appollonaria·

(Die meister spτechend auch·das dises se˙ gar ein gůt kraut unnd seye von natur h˙czigen·und ist auch gar schedlichen zů nüczen·es wĺr dann sache·das er gar not wĺr.wann wôlcher es nüczet·der zerstôτet jme sein geblŭte unnd alle feüchtnuţ und machet auch gar bôse tempfunge in dem le˙be. (Item·[51] Wer an dem le˙b zerschlagen wĺre mit stecken kolben oder anderen dingen oder gefallen wĺre·der siede schirling wol in wasser und trincke des·und lege das kraut auch also warm auff die stat do die verseret ist·und b˙nde dann auch ein thůch darüber so zerlĺsset sich das gelebert blůtte·das sich zů hauffen gezogen hat·wann sein natur ist das es von einader te˙let·und zerlasset auch das gelebert geblŭt·(Weer aber von stôssen oder auch von schlegen zwyschen haudt unnd fle˙sch geswyllet·der siede sch˙rling und nachtschatten ˙egkliches geleych als vile als des andern·und bestre˙che auch domit die geschwulste·s˙ verzeühet sich gar balde·(Item. Was von jme geschwyllet sucht halber in dem le˙be·darzů ist dyses kraut sch˙rling nicht gůt·wenn die feüchtigkeit auţbτechen sol·die tre˙bet es auch hyndersich·und bτĺcht vil schaden·(Dises kraut das he˙sset auch nach einem meister genant appolnius·Und diser meister gabe auch dises kraute dem grossen meister Plato·sich domit zů erczne˙end. Und auch domit die gifft vom jm zů treyben·(Item·Wôlcher ein sp˙nnen geessen hĺte der sol auch dises kraut nüczen grūne·mit salz und auch gesoten mit gůtem wein·die gifft zergeet on schaden·( Item·Wôlcher gestochen wĺre von einem vergifftigen thier·der mache hievon ein pflaster·und lege es darauff es hilfft·(Dises kraut hat bτe˙te bleter·geleich ungula caballina unnd lange stengel mit gellben blůmen·

Scheerling, 31ste kapittel. (1)

Appollonaria. (Doronicum pardalianches)

De meesters spreken ook dat dit is een erg goed kruid en is van natuur verhitten en is ook erg schadelijk te nuttigen, het was dan zaak dat het erg nood was want wie het nuttigt die verstoort hem zijn bloed en alle vochtigheid en maakt ook erg kwade dampen in het lijf. Item. [51] Wie aan het lijf geslagen was met steken, kolven of andere dingen of gevallen was, die kookt scheerling goed in water en drinkt dat en leg dat kruid ook alzo warm op de plaats die bezeert is en bindt dan ook een doek daarover zo lost zich op dat gestolde bloed dat zich op hopen getrokken heeft want zijn natuur is dat het van elkaar deelt en lost ook op dat gestolde bloed. (2) Wie echter van stoten of ook van slaan tussen huid en vlees gezwollen is die kookt scheerling en nachtschade, van elk evenveel als van de andere, en bestrijkt ook daarmee de gezwellen, ze trekt het erg gauw op. Item. Wie van zich gezwollen ziekte heeft in het lijf, daartoe is dit kruid scheerling niet goed want het zal de vochtigheid uitbreken en drijft dat ook achter zich en brengt veel schade. Dit kruid dat heet ook naar een meester genaamd Appolnius. En deze meester gaf ook dit kruid aan de grote meester Plato, zich daarmee tot artsenijen en ook daarmee dat gif van hem te verdrijven. Item. Wie een spin gegeten heeft die zal ook dit kruid nuttigen groen, met zout en ook gekookt met goede wijn, dat gif vergaat zonder schade. Item. Wie gestoken was van een vergiftig dier die maakt hiervan een pleister en leg het daarop, het helpt. (2) Dit kruid heeft brede bladeren gelijk ungula caballina en lange stengels met gele bloemen.

 

Inleiding.

In de oude botanische en medische literatuur wordt vaak de gevlekte scheerling, Conium maculatum en de waterscheerling Cicuta virosa niet scherp uit elkaar gehouden. In het algemeen kan men zeggen dat de scheerling van de ouden, koneion, van de Grieken en de Cicuta van de Romeinen zeker de gevlekte scheerling was. De waterscheerling komt in Griekenland en Italië uiterst zelden voor, terwijl de gevlekte scheerling vrij algemeen is.

 

Herbarius in Dyetsche heeft dit kruid en ook Conium niet. De Herbarijs spreekt over Cicuta. Het is dan opmerkelijk dat de Gart het wel heeft over schyrling en in kapittel 87 komt Cicuta voor. Hoewel, de afbeelding en de gele bloem in de Gart komt niet overeen met de vorm van onze gevlekte scheerling. Die is wit en staat in schermen. Volgens Dodonaeus is appolonaris het bilzekruid, Hyoscyamus. Daar komt de tekening ook niet mee overeen. De onderste bladeren zijn als het hoefblad met een lange stengel met korte scheuten of van afgevallen bloemen met bovenop ronde gele bloemen net zoals teunisbloemen of vingerhoedskruid.

Het zal wel giftig zijn, maar welke?

 

Dan een Aconitum. Maar die heeft ingesneden bladeren zoals alle ranonkelachtige. Doronicum pardalianches zou het kunnen zijn. Die heeft grote bladeren en gele bloemen. Het is een Schwindelkraut en heette vroeger ook Aconitum.

 

Vorm.

Dodonaeus; ‘De geslachten van Aconitum waren bij de oude kruidbeschrijvers tweevormig, het een is Pardalianches toegenoemd waarvan we in dit kapittel twee soorten zullen beschrijven die tegenwoordig hier de lande, doch te onrecht de naam van Doronicum voeren en daarvoor gebruikt worden en het ander heeft de toenaam Lyoctonon, dat is wolfswortel (Aconitum) daar we in de volgende kapittels van zullen handelen. Het eerst Aconitum Pardalianthes komt uit de aarde voort met rondachtige bladeren die breed zijn, bleekgroen, zacht en met een tere wolligheid ruig en lijken van gedaante wat op de bladeren van een soort van klimop of die van varkensbrood, doch groter en komen dichter bij de komkommerbladeren, hoewel ze nochtans niet volkomen zo groot zijn als de komkommerbladeren en bovendien ook zachter zijn dan die. De steel wordt hoger dan zeventien cm en is ook wat ruigachtig, gestreept of gevoord en veelhoekig en in het aanschouwen anders eigenlijk heel rond en deze steel wordt in sommige doch weinig zijsteeltjes verdeeld die op hun top bloemen dragen als die van de vokelaar, te weten zowel in hun middelste kruin als in hun rondom groeiende bladertjes geel van kleur die tenslotte tot dunne en witte stuifjes veranderen en met de wind verwaaien en daaronder schuilen kleine zwartachtige zaadjes’.

 

Naam.

Dodonaeus in het kapittel van dodelijke kruiden; ‘Dit kruid heet in het Latijn Aconitum Pardalianches, te weten de eerste soort Aconitum Pardalianches primum, in onze taal plag het behalve de oneigen naam van Doronicum niet bekend te wezen en daarom zullen we het eerste geslacht eerste of kleine Aconitum Pardalianches mogen noemen en het ander tweede of grootste Aconitum Pardalianches, in het Latijn Aconitum Pardalianches alterum en in het Grieks heten ze beide Aconiton.

De naam Aconiton is gekomen van de rotsen, klippen en steenachtige plaatsen daar deze kruiden plegen te groeien die in het Grieks Aconae heten zoals Ovidius in het 7de boek van zijne veranderingen of Metamorphoses te kennen geeft.

Doronicum. Voorts zo hebben vele kruidbeminnaars dit Aconitum dat we hier beschrijven Doronicum genoemd en zelfs meest alle apothekers plegen de worteltjes daarvan in plaats van het echt Doronicum in de dranken en andere geneesmengsels te doen. Nochtans hetgeen dat de Arabische meesters Doronicum noemen verschilt zeer veel van dit ons Aconitum Pardalianches wat Avicenna eigenlijk Strangulator Leopardi noemt die dat in zijn 685ste kapittel alle krachten toeschrijft die Theophrastus en Dioscorides het Aconitum Pardalianches of Thelyphonon eigen zeggen te wezen. Dan het Doronicum noemt dezelfde Avicenna in zijn taal durinigi, te weten in het 209de kapittel en zegt dat het warm en droog is in de derde graad. Van dezelfde mening is de Arabische schrijver Serapio ook wanneer hij het Doronicum in de derde graad van de verdrogende en verwarmende dingen stelt’.

De naam Doronicum wordt al gevonden bij Gessner. De naam is afkomstig uit het Arabisch/Perzisch daraniya voor goud. Of Grieks dory: lans, eikon: beeld, de wortelbladen hebben enige gelijkenis met een lansspits. De plant werd tot vergiftiging van speren gebruikt. "Demopho autem, quod ad inferendam mortem pares, vires habent, ut docet Gorr". ‘De plant zal net zo dodelijk werken als een speer.’

Doronicum werd dus als een soort van Aconitum gezien. Pardaliaches betekent, panter verstrengelend, pardalio is een luipaard en agho: verstrengelen of wurgen. Dit woord is afkomstig uit het Grieks pardaliagkhes, een naam van een plant die beschreven werd door Dioscorides en waarschijnlijk een synoniem was voor de akoniet.

Het was ook al een twistpunt in vroegere dagen. De heilzame werking van deze Doronicum was een twistpunt tussen de beroemde botanisten Matthiola en Gessner.

 

Gebruik

Dodonaeus; ‘‘Pardalianches, zegt Dioscorides, wordt bij de dingen gedaan die men bereidt om de smart en weedom van de ogen te verzoeten en door deze zijn eigenschap kan dat terwijl dat het noch vers is tegen de ontstekingen van de ogen nuttig wezen.

Dit kruid, zegt dezelfde Dioscorides, doodt de panters, everzwijnen, wolven en andere wilde dieren door het met vlees voor die te werpen. Dan Theophrastus schrijft niet dat het op die manier gebruikt de beesten ombrengen kan, maar dat de bladeren of de wortels in of bij het geslacht van de schapen, koeien, ossen, paarden, muilezels, ezels en alle andere viervoetige dieren gestoken die op die dag laten sterven en daartegen dat de wortel er van met enige drank ingenomen de steken van de schorpioenen geneest. Wat opmerkelijk betoont dat dit kruid of de wortel er van de mens niet, maar alleen ettelijk viervoetige dieren schadelijk en dodelijk is. Dit is met merkelijke en verschillende ervaringen bevonden en betoond geweest. Want Conradus Gesnerus, een zeer geleerd man in onze tijden en een zeer naarstig onderzoeker der verholen of onbekende dingen, verhaalt in een brief die hij aan Adolfus Occo schrijft dat hij de verse wortels van dit gewas en ook de droge heel in honig ingemaakt of met suiker gekonfijt of in klein poeder als meel gestoten dikwijls ingegeven heeft en zelfs ook dat hij op die dag dat hij die brief schreef met warm water twee drachmen of een half lood zwaar van de klein gestoten wortels er van ingenomen heeft en er nochtans geen letsel, ja totaal geen verandering door gewaar geworden is, ja dat hij die vele zieke mensen zowel alleen als met andere dingen vermengt met zeer grote baat aangeraden heeft het tegen hun ziekten binnen het lichaam te nemen. Ook zo ziet men tegenwoordig dat de apothekers meest overal deze wortel (hoewel met grote dwaling) voor het echt Doronicum gebruiken nochtans zonder er enig merkelijk letsel of kwaad mee te doen. Dan dat dit Aconitum Pardalianches een dodelijk ding is voor de honden is zeker en onderzocht genoeg wat Matthiolus nochtans niet gemakkelijk heeft willen geloven voordat hij het merkelijk door eigen ervaring waar bevonden heeft zoals hij in zijn boeken betuigt en bekent.

Sommige zeggen ook, voegt dezelfde Dioscorides er noch bij, dat de wortel van deze Pardalianches bij de schorpioenen gebracht en daaraan gehouden die slap en traag maakt en dat ze wederom wakker worden en tot zichzelf komen als men de witte nieswortel bij hun brengt. Hetzelfde betuigt Theophrastus ook van zijn Thelyphonon en zegt dat dit kruid omdat het van wortels op een schorpioen lijkt en bij de levende schorpioenen gedaan of er opgelegd die doden kan en dat ze wederom verrijzen als men er witte nieswortel bij brengt of ze besproeid met het water daar de witte nieswortel in gekookt of geweekt is’.

 

   

 

synaw xxxii Capit

ALchimilla artincilla lencopedion grece·latine·pes leonis sive planta leonis·

(Der meister Platearius spτichet·daz synaw sey he˙ţ und trucken an dem andern grad·(Dises kraut weret ein ganczes jar unverseeret in seiner natur·und ist doch frysch besser genüczt denn dürτ·(Plinius. Nymme synau sanickel und he˙des wundt kraut ˙eklichs ein handt vol·und seüde die in regen wasser·darnach n˙mm der langen regen wŭrm und zerstoţ die und dτucke d˙e [52, verder op pagina 53] feuchtung durch ein…. müsche die unnder d…. wasser·Dises getrunncken·st˙llet alle blůtende wunden·an dem le˙be·wie s˙ sein mügen·und lege dises kraut auţwendig auff die wunden gele˙ch einem pflasteτ die wunde he˙let fe˙n und auch schôn·(Der safft von s˙nawe dτe˙ moτgen nŭchteren ist auch gar gůt epilenticis·daz sind die die den fallende siechtagen haben. Darnach laţ ein adern schlĺhen auff der lyncken handt·zwyschen dem ze˙ger unnd dem daumen·du gen˙sest zůhandt·( Wer einen verwunndeten magen oder bτust hĺte·der trincke von s˙naw und sanickel·er gen˙set·(S˙naw gestossen·und die grůse bestr˙chen durch ein thůch·und under die gemüschet hartenaw od scharlach gebulfert und das getruncken·ben˙mmet auch colicam passionem·das ist·das darm gesücht·und domit alle wŭttende geblůtte in dem le˙be·(Diascorides·(N˙mm s˙naw fenchelkraut selbe petersilgen kraut·˙egklichs ein handt vol·unnd müsche auch darunder ĺniţ fenchel samen·˙sop·alantwurcz ˙egkliches zwey lot·und seüde das in zwe˙ pfundt wassers·als lang biţ das dτitte˙l ein seüdet·unnd trincke dises·es vertre˙bet alles gelebert blůt·und tre˙bet dyses auţ durch den harm unnd durch dev stůglang·

Vrouwenmantel, 32ste kapittel.

Alchimilla (1) artincilla lencopedion Grieks. Latijn pes leonis sive planta leonis. (Alchemilla vulgaris)

De meester Platearius spreekt dat vrouwenmantel heet en droog is aan de andere graad. Dit kruid blijft een geheel jaar onveranderd aan zijn natuur en is toch vers beter genuttigd dan droog. Plinius: Neem vrouwenmantel, sanikel en gulden roede, van elk een hand vol en kook die in regenwater, daarna neem de lange regenwormen en verstoot die en druk die [52] (nu eik, verder op pagina 53) vochtigheid door een…. meng de onder d…. water. (2) Dit gedronken stilt alle bloedende wonden aan het lijf, waar ze zijn mogen, en leg dit kruid uitwendig op de wonden gelijk een pleister, de wond heelt fijn en ook schoon. Het sap van vrouwenmantel drie morgens nuchter is ook erg goed epilepsie, dat zijn die de vallende ziekte hebben. Daarna laat een ader slaan op de linker hand tussen de aanwijzer en de duim, u geneest gelijk. Wie een verwonde maag of borst heeft die drinkt van vrouwenmantel en sanikel, hij geneest. Vrouwenmantel gestoten en dat gruis gestreken door een doek en onder die gemengd hertshooi of scharlei gepoederd en dat gedronken beneemt ook colicam passionem, dat is de darmziekte, en daarmee alle woedende bloedingen in het lijf. Dioscorides: Neem vrouwenmantel, venkelkruid, salie, peterseliekruid, van elk een hand vol en meng ook daaronder anijs, venkelzaden, hysop, alantkruid en van elk twee lood en kook dat in twee pond water alzo lang totdat het derde deel inkookt en drink dit, het verdrijft alle gestolde bloed en drijft dit uit door de plas en door de stoelgang.

 

Vorm.

Komt uit de Noordelijke gematigde zone en wordt 30cm hoog. Het blad is zeer decoratief, gelobd, gezaagd en mooi rond, verdeeld in 7-9 segmenten en is grijs groen door de zijdeachtige haren.

De vrouwenmantel is een van de weinige planten met groen/gele bloempjes. De pluimpjes vormen een sierlijke bloeiwijze die druk door bijen worden bezocht, mei/juni met soms met nog wat nabloei. .

 

Naam.

(1) Ofschoon de plant in gebergtegebieden van Italië en Griekenland voor komt en door zijn bladvorm zeker zou opvallen, vinden we dat het toch nergens beschreven is. Het komt niet voor in Herbarius in Dyetsche en ook niet de Herbarijs. Waarschijnlijk dat de ouden weinig acht geslagen hebben op bergplanten als onherbergzaam oord waarvan men het liefst weg bleef. Zo is ook de naam Alchemilla pas in het Latijn van de middeleeuwen gevormd en behoort niet tot de klassieken. In gedrukte schrift vinden we het pas in de Gart der Gesundtheit uit Mainz in 1485 waar in het 32ste kapittel staat, Alchemilla, Synaw. Het wordt hier met de plant Leontopetalon, Leontopodion of leeuwenvoet van Dioscorides gelijk gesteld wat zeker niet de vrouwenmantel is maar meer Leontice leontopetalum, L, (een verwant van Berberis) of de violet bloeiende Roemeria hybrida (verwant met Chelidonium) een akkeronkruid in M. Zeegebied. Dat verklaart ook de namen Lowenfuss die ze in oude kruidenboeken heeft, met de leeuwenvoet heeft ze geen overeenkomst. Linnaeus droeg die naam over op de edelweiss waar het beter op paste dan op de vrouwenmantel.

Dodonaeus; ‘Men noemt dit kruid tegenwoordig in het Latijn Alchimilla en Achimilla, sommige noemen het Stellaria maar er is nochtans een ander Stellaria die men ook Aster Atticus noemt. De Hoogduitsers noemen het Sinnauw, Lewenfuss, Lewentatzen, Unser Frauwen mantel en Gross Sanikel en daarnaar hebben sommige het op het Latijns Planta leonis, Pes leonis en Sanicula major genoemd. Hier te lande noemt men het ook naar de Hoogduitse naam vrouwenmantel en onzer vrouwenmantel, in Frankrijk pied de lion, in Engeland ladies mantel.

Het is bij de ouders niet bekend geweest dat men weet want al is het zaak dat sommige oordelen dat het echt Leontopodium van de ouders is, nochtans is het zeker dat ze bedrogen zijn geweest door de Hoogduitse naam die dat Lewenfuss noemen, want het is zeer verschillend van gedaante van het echt Leontopodium van de ouders’.

Alchemilla komt van het Arabisch alkemelych, omdat de plant voor proeven van Alchimisten heeft gediend. 

 Sinauw, synaw, sinouw of synnauw, van oud-Duits Sintau, sin: altijd, en tau: dauw, de vochtdruppeltjes ’s morgens op de bladeren.

 

Gebruik.

Dodonaeus; ‘Vrouwenmantel is nuttig in alle wonden en gebreken daar sanikel goed toe is als het op dezelfde manier als sanikel gebruikt wordt.

(2) Ze stelpt het bloed en de maandstonden die onmatig vloeden.

Hetzelfde gestampt en op de vrouwen en maagdenborsten gelegd maakt die hard en stijf en belet dat ze niet te zeer zwellen en te bol of dik worden.

Dit kruid wordt van de vrouwen veel geacht omdat het vooral goed is om de onvruchtbare vrouwen tot ontvangen te brengen, te weten een lepel vol van dit droge kruid twintig dagen achter elkaar met wijn of vleessap drinken.

Sommige houden dit kruid voor koeler dan sanikel en daarom achten ze dat zeer goed om de pijn te verzoeten en de hitte af te nemen van alle ontstoken wonden en zweren door het erop te leggen.

De chirurgen gebruiken dit kruid om de breuken en inwendige kwetsingen te genezen en de uitwendige te laten sluiten en vooral in de schenen daar het vel af gestoten is. Omdat het zo drogend en tezamen trekkend is daarom wordt het zeer geprezen tegen de witte vloed van de vrouwen en waterachtige vloeden die de baarmoeder zo nat en glad maken dat het zaad weer afschiet en het ontvangen van de vrucht belet wordt.

Het gedistilleerde water van dit kruid gedronken kan de witte vloed van de vrouwen laten ophouden, insgelijks ook van buiten met een spons er op leggen of baden.

Dit water heeft zo’n kracht om het vlees bijeen te halen en de huid stijf en vast te maken dat sommige jonge dochters, nadat ze geschonden zijn geweest, door het gebruik van dit water voor maagden aangezien zijn geweest en vooral als ze ettelijke dagen in het water daar dit kruid in gekookt was gezeten hadden.

Diegene die de borsten met dit water stijf, hard en rond willen maken zullen dat veel eerder teweeg kunnen brengen mits daar wat Hypocystis en droge rozen, paardenstaartkruid en ui bij te doen.

De alchimisten willen verzekeren dat ze met dit kruid hun Mercurius congeleren kunnen, immers ze doen alle dagen hun best omdat te proberen en te beproeven, maar of het naar hun hoop lukt dat willen we iedereen niet bekend maken’.

 

De Duitse namen Frauenhilf en Aller Frauen Heil bewijzen zijn geneeskracht. "Manche Kinder hatten noch ihre Mutter und mancher geschlagene Witwer hatten noch seine Frau, wenn sie diese Gottesgabe gekannt hatten",  zegt de Zwitserse kruidenpater J. Kunzle. De dauw geldt overals als een middel om schoonheid te krijgen.

 

  

 

eychbaum xxxiii Ca

Arboτ glandis latine·Hullis arabice·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capittel Hullus·idest arboτ glandis·spτicht·das aller gerauch dises baumes se˙ stopffen·und sunderlich die r˙nden die in der mitte ist dises baumes·Des geleichen die haut die do ist an den e˙cheln·W˙e d˙se genüczet werden so sind s˙ von natur stopffen und keltten·

(Serapio spτicht·das e˙chelen sind gar gůt genüczet den frauwen die auch zů vil flüssig sind in jrer zeyt·und auch sunderlich die mittel rynden an dem holcze gesoten in wasser und do unden [54, verder op pagina 52]

….(Item das mittel der rynden von dem e˙chbaum und dz mittel von den e˙cheln das do ist zwischen der schalen und der frucht mit einander gesoten in eţsig und wasser·und auff das he˙lig feüwer gelegt als ein pflaster·ben˙met die hycze zůhandt·(Item die bleter von e˙cheln gestossen und auff ein frysche gehauwen wunden geleget zeühet die zůsamen·also daz man die nit hefften darff·(Item wer h˙czig bôţ blatern hĺt·s˙ ziehen die h˙cz auţ. (Der meister Diascoτides spτichet·das e˙chen holcz gesoten gůt se˙ den·die einen alsen fluţ haben und sunderlichen den·die do blůtt spe˙en·das getruncken mit wein·(Item die frawen die lang zeit jr feüchtung gehabt haben·odeτ menstruose gewesen sind·die do mit e˙chen laub gebĺet unnden auff bereüchet·hilfft s˙ on zweyfel·(Item·Eycheln gebulferet und das getruncken mit wein· ben˙mmet die gifft in dem menschen·und tre˙bt s˙ auţ durch dem harm·(Item. Ettlich meister spτechen·das die bleter des eychbaumes gar gůt sind zů vil dingen·Der eins gelegt auff ein geschweer·ben˙mbt jm die h˙cze·und he˙let das zůhandt·(Item. E˙cheln sind haubtwee bτingen und sind den bauch auff blasen·(Item·E˙chen wurczeln gesoten·mit kŭe milch getruncken ist gůt wider vergifftig medicin·

(Item die frucht von eychbaume ist keltten und trucken be˙ dem .….quercinus hat macht subtil zůmachen·und hat macht zů jm ze ziehen·und feüchtung von einander zete˙len·unnd ist warm und trucken in dem dτ˙tten grad. (E˙chen mistel gebulfert und mit harcz vermenget·ist gůt wider verherttung des milczes·und auch mit wachţ vermenget·ist gar gůt wider das gegicht d gel˙der·(Item·Mistel ist zwe˙erle˙·auff dem e˙chen baumen·und auff dem b˙ren baumm·Mysteln auff dem e˙chen baume ist auch der beste der do grŭn ist·[53]

Eikenboom, (1) 33ste kapittel.

Arbor glandis Latijn. Hullis Arabisch. (Quercus robur)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hullus, id est arbor glandis, spreekt dat alle rook van deze boom (2) stoppend is vooral de bast die in het midden is van deze boom. Desgelijks de huid die er is aan de eikels. Wie deze nuttigt zo worden zo zijn ze van natuur stoppend en verkoelend.

(3) Serapio spreekt dat eikels erg goed genuttigd zijn de vrouwen die ook te veel vloeiend zijn in hun tijd en ook vooral de middelste bast aan het hout gekookt in water en daar onder [54, verder op pagina 52] ….

Item dat middelste van de bast van de eikenboom en dat middelste van de eikels, dat er is tussen de schalen en de vrucht, met elkaar gekookt in azijn en water en op dat heilig vuur gelegd als een pleister beneemt de hitte gelijk. (4) Item de bladeren van eik gestoten en op een vers gehouwen wond gelegd trekt die tezamen alzo dat man die niet heffen hoeft. (5) Item wie hete kwade blaren heeft, ze trekken de hitte uit. (6) De meester Dioscorides spreekt·dat eikenhout gekookt goed is diegene die een oude vloed hebben en vooral die er bloed spuwen, dat gedronken met wijn. (2) Item de vrouwen die lange tijd hun vochtigheid gehad hebben of menstruatie gewezen zijn, die met eiken loof baden en van onder af berookt helpt ze zonder twijfel. Item. (7) Eikels gepoederd en dat gedronken met wijn  beneemt dat gif in de mensen en drijft het uit door de plas. Item. Ettelijke meesters spreken dat de bladeren van de eikenboom erg goed zijn tot veel dingen. Die eens gelegd op een zweer beneemt het de hitte en heelt dat gelijk. Item. (8) Eikels zijn hoofdpijn brengen en zijn de buik opblazen. Item. Eikenwortels gekookt met koemelk en gedronken is goed tegen vergiftige medicijnen.

Item de vrucht van eikenbomen is koud en droog bij de .….Quercus heeft macht subtiel te maken en heeft macht tot hem te trekken en vochtigheid van elkaar te verdelen en is warm en droog in de derde graad. Eiken mistel gepoederd en met hars vermengt is goed tegen verharding van de milt (9) en ook met was vermengt is het erg goed tegen de jicht in de leden. Item. (10) Mistel is tweevormig, op de eikenbomen en op de peerboom. Mistel op de eikenboom is ook de beste die er groen is.[53]

 

Vorm.

De zomereik, houdt van veel licht en daarom dragen alleen de buitenste takken van de kroon de mooi gevormde, bochtig, ingesneden bladeren. Hierdoor komt het ook dat in een eikenbos een levendige flora op de grond is. Het blad is onregelmatig gelobd met 3-7 diepe bochtige insnijdingen en heeft een asymmetrische vorm. Het blad is kaal en heeft zijn grootste breedte boven het midden. De 2 - 3cm lange eikels staan op lange steeltjes, Duitse Stieleiche.

 

Naam.

Arbor glandis; boom met schaaltjes wat op de eikenappels slaat. Vreemd dat hier geen Quercus staat of het Griekse Drys.

Dodonaeus; ‘De andere soort heet hier te lande eigenlijk eycken-boom, in Hoogduitsland Eichelbaum, De Griekse naam is Drys agria en de Latijnse naam is Robur, maar gewoonlijk Quercus, dan tot verschil van de tamme eik mag men ze Quercus silvestris, dat is wilde eikenboom, noemen. De vrucht van deze bomen is hier te lande eeckel genoemd, in Hoogduitsland Eychell, in het Latijn Glans en in het Grieks Balanos.

De eigenlijke Germaanse naam voor deze boom is eiche. In het oud-Hoogduits is het Eih of Eych, in het Noors eik en in Zweeds ek. De oer Germaanse naam is aiks, Saksisch Ok, Okes of Oak, dit werd in Angelsaksisch ac, oud-Noors eik en in het Engels oak, (ac-corn of acorn: koren, van blijkbaar eetbare eik, oud-Engels aecern of aecer, een veld, een product van 't veld). Eik is een gewoon oud Germaans woord dat boom betekent en verwant is met oud-Indisch igja: verering, dat wil zeggen de boom die van oudsher als godenboom de hoogste verering genoot. Oerverwant met dit woord is het Latijnse aesculus die bij de Romeinen natuurlijk niet de huidige botanische Aesculus hippocastanum is, maar op een eikensoort, Quercus robur of Quercus aegilops, sloeg. Dit woord stamt van aigsculos, van Grieks aigilops, een soort eik met eetbare vruchten. Ook de Griekse boomnaam aegilops, Q. aegilops, (eerder aegsculus) behoort tot dezelfde stam als Eiche. De Agis of Aegis, het schild van Zeus en een teken van zijn macht, stelde men als eikenhout voor. Hetzelfde hout werd eerst gebruikt voor werpspiezen die in het Grieks aiganeai heten. De wortel hiervan is aik die we in het oud-Noorse eikinn: geweldig, nog bewaren.

Plinius; ‘Ceres frumenta invenit, cum antea glandes vescerentur’, ‘de godin Ceres vond het koren uit, tot dan toe hadden de mensen zich met eikels gevoed’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche heeft deze boom vreemd genoeg niet, wel de Herbarijs met de tegenwoordige naam; Quercus.

Herbarijs; ‘Quercus, dat is de eyke. En is koud en droog.

(3) De bladeren gekookt en de vrouw daarin gezeten stremt menstruatie. En die bladeren gestampt met azijn verslaan alle hitte.

Eeckelen die op eiken groeien verpoedert en gekookt en daarin gezeten die het achterste (aars) uitgaat laat het weer in keren en verdroogt de zenuwen die in het achterste liggen. (2) En stopt de loop, gedronken.

De gemalen schors van de eiken en de bladeren, dat getemperd met wit van een ei, is goed op gebroken been gepleisterd, ja als het net gebroken is. En benen die uit het lid zijn. Ditzelfde is goed op alle hete plaatsen. (4) En de bloem er van (meel van eikenschors) heelt en verdroogt verse wonden’.

 

Dodonaeus; ‘De bladeren en schorsen van de eiken en schaaltjes, knopjes of dopjes van de eikels en ook de eikels zelf zijn zeer (2) tezamen trekkend van aard met een sterke droog makende kracht zelfs tot in de derde graad met enige verkoeling. Dan voor alles is het beste dat men dat velletje of vliesje gebruikt dat tussen de schors en het hout van de eikenstam is en ook dat vliesje dat de eikel zelf of haar kern bekleedt.

(3) Deze bladeren, schorsen, schaaltjes en schelletjes of velletjes van eiken en eikels worden zeer nuttig en geschikt gehouden om de onmatige maandelijkse vloeden van de vrouwen te genezen en te stelpen, het bloedspouwen, bloed plassen en alle bloedgang en insgelijks ook de rode loop en allerhande loop van de buik, in water of rode wijn gekookt en gedronken of tot poeder gestoten en zo gebruikt of in enige pessarium en klysma’s gemengd of bij zalven, oliën, pleisters en andere dingen gedaan die men tot de voor vermelde gebreken plag te bereiden.

(8) Eikels gegeten kunnen niet goed of gemakkelijk verdouwt en verteerd worden en brengen de mens geen voedsel bij of het is dik, ruw en koud. Dan de varkens en wilde zwijnen worden daarmede gemest en krijgen daardoor vast en stijf of hard en geenszins week of waterig vlees.

De schorsen dienen om het leer mee te looien of te bereiden zoals de gewone man bekend genoeg is.

(4) De bladeren van eiken klein gestoten genezen en helen de verse worden en stelpen het bloeden, daarop gelegd, het water daar ze in gekookt zijn verkoelt en zuivert daarna de wonden. (5) De verse bladeren op de blaren gelegd verkoelen die en op de tong gelegd matigen ze de hitte van de maag.

Wijn daar de tere rosachtige bladeren in gekookt zijn verzacht de tandpijn die van koude komt en zuivert het bedorven of verrot tandvlees. Die is ook nuttig tegen de vuile zeren en ontstekingen van de schaamstreek van mannen en vrouwen.

Men mag van de jonge eikenbladeren of knoppen een bijzonder en uitstekend goed water distilleren tegen de vloeden van de lever, om de steen te breken en de witte vloed van de vrouwen te stoppen. Hetzelfde breekt de steen en helpt diegene die (6) bloedspouwen en rode loop hebben of bloed plassen of zeren in de darmen hebben, andere geven het te drinken tegen de pest en vergif.

 

Viscum album, L. (wit)

Vorm.

De maretak is een half parasiet waarvan de gladde, altijd geel/groene en tong, lepelvormige bladeren zelf ook bladgroen bezitten. Eindstandige en tweehuizige, groene bloemen staan in groepjes. In de herfst kleuren de eironde bladeren geelgroen, is dan opvallend met de witte bessen. Door de gegaffelde (in twee armen uitlopende vorm) was de maretak het symbool van geboorte, ‘één uit twee’. Door zijn goudgroene twijgen in de winter was de maretak ook een voorbeeld van de gouden toverroede of wensroede van de Griekse mythologie. (10) Dodonaeus; ‘Marentakken groeien niet uit de aarde, maar groeien op bomen net zoals schurft of warkruid op de kruiden en heesters en worden meest op de eikenbomen gevonden en op andere eikeldragende bomen, maar soms ook wel op de appelbomen, perenbomen, linden, berken, wilgen, mispelbomen, kweebomen en andere bomen’.

(2) Exact hetzelfde heeft Herbarius in Dyetsche.

 

Naam

Dodonaeus;Dit gewas wordt hier te lande marentacken genoemd, in Hoogduitsland Mistell, in Italië vischio, in Spanje liga en in Portugal visgo, op het Latijns Viscum en op het Grieks Ixos en Ixia.

De lijm die uit de bessen van deze marentakken geperst wordt heet ook in het Latijn en Grieks Viscum en Ixia’.

Viscum komt van viscus, ‘vogellijm’, de bessen bezitten een kleverige stof die gebruikt werd als een vogellijm. Engelse mistletoe, mistel, Duits Mistel, oud-Noors miste, ‘uit elkaar gaan’, de gaffelige stengels.

 

Gebruik

Sinds Plinius had de mistel specifiek tegen epilepsie gegeven, dat missen we bij onze schrijvers. (9) Hier en bij Herbarius in Dyetsche werkt het alleen tegen de milt, ook zo bij Dodonaeus.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Viscus, dat is lijm en dat groeit op eikenbomen en ook op perenbomen, de beste marentak is die je op eiken ziet groeien, het blijft lang groen. Het heeft de kracht om te verfijnen, aan te trekken en te ontbinden. De verse of aller jongste zijn slecht, die effen is en van binnen een kleur heeft als prei en van buiten groen, die zal je voor de beste kiezen. Viscum verwarmt niet als het maar weinig vertakt is. In hem is overvloedige onverteerde vochtigheid, het is heet en droog in de derde graad en lost op of verteert de grove vochtigheid van het lichaam vanwege zijn sterke kracht om vaneen te trekken. Het verzacht en rijpt blaren als je het met hars mengt van Pinus (anders heet dit Rasini de pini) het vermurmt de hardheid van de (9) milt en verzacht de gewrichten als je het mengt met net zoveel was als van Viscum en dennenhars’.

 

  

 

elephanten lausz

Das xxxiiii Capi

Anacardus latine et grece·

(Die meister spτechen dz·anacardi sind he˙ţ und auch gar dτucken in dem vierden grade.

(Dises ist ein frucht eins baumes pediculus elephantis genant·unnd die frucht bτauchet man in der ĺrczne˙·Dise frucht weret dτe˙ssig jare unverseret an jrer krafft·also das s˙ gehalten werde nicht in czů feüchten oder zů dτucken stetten·

(Paulus·wôlicher diser frucht esse so sý blŭet der mŭţ sterben oder er wirt ausseczig von stund.(Dise frucht wechset in jndien an eynem baume obgenant·In dem bŭch Circa instans beschτeiben uns die me˙steτ und spτechen·Wôlicher diser frucht nüczet alle˙n·das ist on ein zůsacze der můţ auch sterben·oder eτ wirdt ausseczig·(Wôlicher fast vergessen were unnd auch e˙n stumpffe vernunnfft hette·Der neme biberge˙l e˙n uncz·das ist zwey lot und seüde den in essig der starck und saur se˙e sechţ uncz und thů darzů diser frucht also daz die ausser scheln abe se˙e anderhalb uncz·unnd mische dises also under e˙n ander mit einem spattel dz es ein weinig taugenlich werde·unnd schmiere dich mit disem hinden in dem nacke der moτgens und des abents·du gew˙nnest e˙n gůtte gedechtnuţ genannt memoτien·(Item n˙mm das saffte von diser frucht und menge den mitt auripigmento und streich damit die rauden genant Serpigo es verzeret die·also dz dises balde darnach mit warmem wasser abe gewĺschen werd.

(Fűr die moτpheen·dz ist die unre˙n haudt der ausseczigkeit. Nymm selbe wermůt das ˙nder te˙l der coloquintiden ein halbe uncz bulverifier und conficiere s˙ mitt dem safft der anacarden·z·ij·Oder conficiere dises mitt essig und seüde dises geleich e˙nen pflaster und lege es auf die moτpheen.(Item anacardi sôllen genüczet werden wider dye bôsen gedechtnuţ und für die auţseczigkeit.(Item dise frucht ist gůtt s˙nne und vernunfft und gedechtnuţ bτingen·und ist gůtt wider alle kranckheit des h˙rnes die ein uτspzung hatt von einer kalten feüchtigkeit·Darumb ist dise frucht gůte wider weethumb der gelider·als wider das gegicht mit hônig vermenget·Wider dise kranckhe˙t voτ geschτiben ist gůt ein sterckung genant confectio anacardina·(Item dise frucht vermenget mit hônig auff warczen geleget ist s˙ vertre˙ben·Und ist gůt wider ungestalt d auffeczigkeit do mit geschmiert·Dises ist Serapio und Platearius und ander me˙ster beweren·Und dise me˙ster spτechen das man dise frucht sol vermengen mit b˙berge˙l·wann allein sol man s˙ nit nüczen·(d·j·) (55)

(1) Olifanten luis.

Dat 34ste kapittel.

Anacardus Latijn en Grieks. (Semecarpus anacardium)

De meesters spreken dat Anacardium heet en ook erg droog is in de vierde graad.

Dit is een vrucht van een boom pediculus elephantis genaamd en de vrucht gebruikt men in de artsenij. Deze vrucht blijft dertig jaar onveranderd aan haar kracht alzo dat ze gehouden wordt niet in te vochtige of in te droge plaatsen.

Paulus; wie deze vrucht eet zo ze bloeit die moet sterven of hij krijgt (2) huiduitslag van stond af aan. Deze vrucht groeit in Indië aan een boom boven genoemd. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken: Wie deze vrucht nuttigt alleen, (3) dat is zonder een toevoeging, die moet ook sterven of hij krijgt huiduitslag. (4) Wie erg vergeetachtig is en ook een stom verstand heeft die neemt bevergeil een ons, dat is twee lood, en kook dat in azijn die sterk en zuur is, zes ons, en doe daartoe deze vrucht alzo dat de buitenste schellen er af zijn, anderhalf ons, en meng dit alzo ondereen met een spatel zodat het een weinig deugdelijk wordt en smeer je met deze achter in de nek ‘s morgens en ’s avonds, je wint een goede gedachtenis genaamd memorie.(5)  Item neem dat sap van deze vrucht en meng dat met arsenicum en strijk daarmee de ruigte genaamd Serpigo, het verteert die alzo dat dit gauw daarna met warm water afgewassen wordt.

(5) Voor de morfeem, dat is de onreine huid van de huiduitslag: Neem salie, alsem, dat binnenste deel van kolokwint, een half ons, verpoeder en meng het met het sap van de Anacardium. Of vermeng dit met azijn en kook dit gelijk een pleister en leg het op de morfeem. Item, Anacardium zullen genuttigd worden tegen de (4) kwade gedachtenis en voor de huiduitslag. Item, deze vrucht is goed geest en verstand en gedachtenis te brengen en is goed tegen alle ziekte van de hersens die een oorsprong heeft van een koude vochtigheid. Daarom is deze vrucht goed tegen pijn van de leden zoals tegen dat jicht met honing vermengt. Tegen deze ziekte voor geschreven is het goed een versterking genaamd confectio anacardina. Item deze vrucht vermengt met honing op wratten gelegd is ze verdrijven. En is goed tegen slechte vorm van huiduitslag, daarmee gesmeerd. Dit is wat Serapio, Platearius en andere meesters beweren. En deze meesters spreken dat men deze vrucht zal vermengen met bevergeil want alleen zal men het niet nuttigen.

 

Deze plant kom je verder niet tegen bij de Herbarijs en Herbarius in Dyetsche.

 

Vorm.

De Oriëntaalse Anacardium is inlands in India en nauw verwant aan de cashew die ook olifantenluis genoemd wordt.

Het is een bladverliezende boom die gevonden wordt in de Himalaya tot 1000m en het hete weer van India. De boom wordt 10-15m hoog. De bast heeft een grijze kleur en geeft irritant sap bij insnijdingen. De bladeren zijn 30-60cm lang en 12-30cm breed. Ze zijn glanzend boven en donzig aan de onderkant. De groenwitte bloemen staan in trossen in juni en vandaar af geeft de plant vruchten. De vrucht is ongeveer 2,5cm lang, ovaal en glad en zwart. Dat bevat een bruine scherpe olie. De rijpe vrucht wordt verzameld. Vers is het scherp, geroosterd smaakt het wat naar geroosterde appels, droog wat op dadels.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Anacardium en in de apotheken Anacardus en is van de Grieken in deze laatste tijden eerst Anacardion genoemd geweest omdat het een vrucht is die op een mensenhart zo van gedaante als van kleur lijkt, in Arabië heet ze balador, in Indien bybo of bibo en in Portugal fana de maloqua omdat als ze noch groen zijn de gedaante van een boon heeft. Het wordt in de apotheken ook of Pediculus Elephantis genoemd, dat is olifantenluis’.

Anacardium, dit woord is afgeleid van ana: gelijkend, en cardia: hart, het is een verwijzing naar de vorm van de noot.

 

Gebruik.

Dodonaeus; ‘‘Dan voorwaar is dat merg en ook de groene vrucht die in zout of anders bewaard wordt niet zeer (2) lieflijk om te eten. Daarom zal men deze vrucht alleen buiten het lichaam gebruiken en die kiezen die vol, bruin en die veel zwart en zeer heet hars tussen de schorsen heeft en met een witte kern. Want ze geneest alle pijnlijkheid dat van koude komt en alle (4) ziektes van de hersens en van de zenuwen, de pijn van de lenden en jicht, met honig vermengt en opgestreken en zo opgestreken verdrijft ze de wratten en is goed tegen melaatsheid en versterkt ook de zinnen en het verstand als (3) men de buitenste schors met Castoreum of bevergeil kookt en daarvan een pap maakt en ons daarmee in de nek ‘s morgens en ’s avonds besmeert. Het sap met azijn of arsenicum vermengt geneest het wild vuur en de voortskruipende zeren, (5) de melaatsheid en onzuiverheden van de huid als men de huid daarna afwast met rozenwater. Heel Indien door wordt deze vrucht met kalk (a) vermengt en gebruikt om zijde en andere lakens te tekenen of te zegelen. Sommige Indiaanse bedriegers steken deze vrucht op de spits van een mes en houden die zo in de kaars omdat ze dan een vreemd geluid van zich geeft waaruit ze de toekomende dingen aannemen te voorspellen.’

 

(a) Het is bekend als bhallarak in India en werd ‘marking nuts’genoemd door Europeanen omdat het door waslui gebruikt werd om de kleren te markeren voor het wassen.

In de Ayurveda wordt de vrucht beschouwd als een middel om lang te leven en te vernieuwen, wordt bewerkt voor gebruik want het is toxisch van nature.

In India wordt het al eeuwen gebruikt. Het werd in hoge eer gehouden in de oude verhalen van de Ayurveda. Het werd gebruikt als een aphrodisiaca, vooral bij het gebrek van de erectie, verder bij huidziektes, geeft appetijt en helpt bij sommige reuma kwalen. Het wordt zowel in als uitwendig gebruikt. De vruchten, de olie en de zaden hebben een grote medische werking en worden tegen een uitgebreide schaal van ziektes gebruikt. Uitwendig wordt de olie, gemengd met kokosnoot of sesamolie, gebruikt op wonden en zeren om pusvorming te voorkomen. Het verzacht en heelt gebroken benen, dan gemengd met fala (Shorea robusta). (2) Het is wel extreem heet en scherp in zijn gebruik dus moet het voorzicht gebruikt worden. Sommige mensen zijn er allergisch voor. Ook niet gebruiken bij jonge kinderen, oude mensen of zwangere vrouwen en dan alleen gebruiken in de zomer. Inwendig gebruikt tegen aambeien, diarree, tumoren en wormen. Het werkt op de spieren als bij sciatica, reuma en (4) hersensstoornissen. Bevordert de hersenwerking. Het is het beste verjongmiddel voor huidziektes en vermeerdert de huid weerstand, voedt de kleine kanalen van het systeem. Moet dan wel uit de zon genomen worden en het liefst in de winter.

 

  

 

Mandelbaum xxxv c

Amigdala latine·arabice et grece Lavet·

(Der me˙ster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Lavet id est Amigdala spricht daz do se˙e zweyer handt mandeln·die eine sind sŭsse die anderen bitter·(Der meyster Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel Amigdala spτicht das in den sŭssen mandeln se˙e ein kleine bitterkeit·und die vernymmet man nitt wol umb des willen das die sŭssigkeit in den über triffet·aber so s˙e alt werden so vern˙mmet man die bitterkeit in jne gar wol·(Ir natur ist getemperiert in der würme und feüchtigkeit·(Diascorides in dem capitel Amigdala spτicht das die sŭssen mandeln nitt als vil wercklichke˙t in jn haben als die bitteren mandeln wenn die bittern machen subt˙l die feüchtigkeyt des menschen unnd machen wol harmen·(Serapio spτicht das die sŭţen mandel heiţ und feücht sind an dem ersten grade·(Mandel geessen mit zucker werden balde verdeüwet·und darumb laxieren s˙ den bauche·(Sŭsse mandeln merent materiam spermaticam das ist die natur des mannes unnd der frauwen.

(Item mandeln geessen·oder in dem munde behalten ben˙mmet den schmerczen des zan fleisches·(Gumme von dem mandel baum nüczet man in der ĺrczne˙ geleich dem gumm˙ arabicum unnd ist heyţ an seiner natur· (Der meister Galienus spτichet und Platearius das die bittern mandeln genüczet werden in d ĺrczne˙ und die sŭssen in der koste·Und spτicht auch daz die bitter mandeln ziehen auţ gar vil grober feüchtung·(Die bitter mandeln benemen dz milczen schwere·(Die wurczel von dem bittern mandeln baum gesotten und dz antlicz damit gewĺschen benemen d˙e flecken dar an·(Bitter mandel gesotten mit essig und rosen ôle und auff die st˙rn gelegt als ein pflasteτ benymmet daz haubt wee·(Mandeln gestossen unnd gemischet mitt hônig und auff die bôsen blatern gelegt senftiget·(Und [56] sunderlichen also gelegt auff die wunden die ein dobender hundt beysset·(Item er spτicht dz die sŭssen mandel fast gůt unnd natürlich sind zů essen und on schaden in allen süchten·Also wann du wilt hon daz s˙ stoppen die flüţ des menschen so magstu s˙ essen gesotten oder wie du wilt des geleichen der milch dar von. Wiltu aber das s˙ nit stoppen oder auch nit laxieren·so tů dar under uve passule dz sind kle˙ne rosyn und zucker so laxieren s˙ senfftigklich·(Item sŭţ mandel geessen machen wol schlaffen und harmen·(Mandel gemischet mitt menta benymmet den schmerczen der lenden·unnd benymmet peripleunioniam·dz ist ein geschwere an der lungen davon dann kommet ptysis·das die schwintsůcht des abnemes·und krafft des menschen·(Item sŭţ mandel geessen mitt milch unnd hônig benymmet die leber sucht und den bôsen hůsten und auff blasung des gedĺrmţ genant colon als Serapio spτichet·(Das gummy von mandelbaum getruncken mit wein benymmet daz blůt spe˙en·(Das gumm˙ gemischet mit essig und den bôsen gr˙nt mit gewaschen g