Gart der Gesundheit.

Gartten der Gesundtheyt, tuin van gezondheid, garden of health, Ortus sanitatis, 1485.

Voor de oorspronkelijke tekst, zie Missouri Botanical Garden Received Library. http://www.biodiversitylibrary.org/item/29685#

 

F als s wordt s.

Z teken in de betekenis r wordt τ.

Alle tekens op a worden aangeduid met á.

De randen zijn soms moeilijk te zien. Daar wordt of. voor gebruikt of een verwachte letter in gezet. Dat kan soms tot fouten leiden. Woorden worden op het eind van de regel samengevoegd, soms staat er niets, soms een / teken.

Normaal wordt dit teken gebruikt · als in het boek. Staat er geen punt bij een eind van een zin dan staat er.

Ook komen er geregeld verwisselde pagina’s voor, vooral de kapittels vanaf 50 tot 200. Waarschijnlijk is dit gebeurd tijdens het kopiëren. Of het stond zo al origineel in het boek. Die stukken zullen zo goed mogelijk bij elkaar gevoegd worden. Er zijn namelijk geen paginanummers. 

Het was lastig te typen vanwege al die ŝ,˙, ü etc. Ook omdat de meeste woorden op verschillende manieren gespeld worden. Verder lijkt de tekst en woordkeus veel op die van Herbarius in Dyetsche.     

 

Nico Koomen.

 

Het voorwerk van Gart der Gesundheit gaat duidelijk tot in de 1470 jaren terug. De opdrachtgever was Bernard von Breidenbach (rond 1440-1497) een bekende Domheer uit Mainz. Daarnaast nam er aan deel de bekende uitgever Peter Schöffer, een voormalige medewerker van Gutenberg die ook verantwoordelijk was voor de Latijnse Herbarius, (in Nederlands de Herbarius in Dyetsche).

Algemeen wordt aangenomen dat samenvatter (Compilator) van de ‘ Gart’ de Frankfurter stadsarts Johann Wonnecke von Kaub (Johann von Cube) was (rond 1430-1501-04) was wiens naam verschijnt in kapittel 76 onder het kapittel Bolus armenus.  Dat wordt echter door sommigen betwijfeld, waarschijnlijk omdat Cube in die plaats aangehaald wordt als zijn meester; ’dick mal versůcht an vil enden vonn mir meyster Johan von cube’. Op het eind staat; ‘ Gedrukt en voleindigd deze Herbarius door Hannsen Schônsperger in de keizerlijke stad te Augsburg in het midden van de week na de witte zondag Anno 1400 en in het 82ste jaar.’

Op de titel van blad [2]b staat: Und nennen dises bůch zu latein Oτtus sanitatis, auf teütsch· Ein gartten der gesundthe˙t. Het is uitgegeven ca. 1485 te Strassburg.

 

Het werk is een goede aanvulling op, en een gedeeltelijke vertaling van, de Latijnse uitgave van 1484 en is twee keer zo dik als deze uitgave. Deze herbarius werd een aantal keren herdrukt, met verschillende titels, zoals 1492: Gaerde der Suntheit, 1507-1509: Herbary oder Kruyterbuch, en 1508: Herbarius zu teutsche und von allerhand kreutter. De 'Gart' kreeg veel gevolg en grote invloed op latere kruidboeken. Samen is de 'Gart' er in 60 uitgaven, daarvan alleen 13 in de Incunabula tijd, en van 15de tot de 18de eeuw nagedrukt, overzet of bewerkt (onder andere door Echarius Eucharius Rößlin d. J.und Adam Lonitzer verschenen. Ook wordt er veel van besproken bij Dodonaeus bij van Ravelingen.

 

Er staan 379 afbeeldingen van planten in. Erhard Reuwich (ook Rewich, Reuwick, Reewyck) uit Utrecht heeft een deel van de illustraties gemaakt. Terwijl de tekst van de ‘ Gart’ al in 1483 vast gesteld was en aan de bewerker overhandigd was lagen er nog niet alle tekening van Reuwich er. Verder zouden er nog later bijgevoegd worden vooral die "Ausbeute" , een Palestina reis die Breindenbach met Reuwich vanaf 1483 ondernam. Gelijk daarbij konden kwalitatief goede afbeeldingen van Middellandse zeeplanten verwacht worden. Schöffer bracht al voor de terugkeer van de reizigers het boek uit. Wel tegen de oorspronkelijke planning ging er een maar vierde deel van de afbeeldingen op Rewich terug. Ze vertonen voornamelijk planten die in voorjaar en vroeg zomer bloeien. De kwaliteit was voor die tijd zeer goed. De andere illustraties zijn duidelijk snel gemaakt en zijn weinig natuurgetrouw. Voor een deel gaan ze op handgeschreven voorbeelden terug.

De Gart bevat alle medische kennis van die tijd. Zoals vele andere herbals denkt men dat het een samenvatting is uit vele bronnen. Naast andere bronnen diende Konrad von Megenbergs ‘ Buch der Natur en de 'Ältere deutsche Macer', een overzetting en bewerking van de 'Macer floridus' een leergedicht van Odo von Meung (= Otto von Meudon; 11de eeuw) als tekstbasis. De 'Macer floridus' lag van de 13de eeuw in een Thüringische -Schlesische proef overzetting en bewerking en was wijd verspreid. Een manuscript van de 'Macer' lag ook bij Johannes Wonnecke von Kaub voor.

 

Dit is een van de twee incunabula (boeken die gedrukt zijn voor 1501). Der Gart was de eerste herbal die niet in Grieks of Latijn was geschreven, maar in de gewone Duitse taal; hoewel, omdat het in Beierse dialect is, is het nog steeds moeilijk voor moderne lezers.

 

Der Gart geeft in alfabetische volgorde elke bekende ziekte of lijden op en geeft onder elk het hoofdstuk aan waar in dit hoofdstuk goede remedies besproken worden. In toevoeging hierop is er een index die de medische "simples" opnoemt die de enkelvoudige of hoofdingrediënten vormen waarvan samengestelde mengsels gemaakt werden. Er zijn 435 kapittels met 382 over planten, 28 kapittels over mineralen en 25 dierlijke producten, een kapittel over uroscopie, een methode om de urine van een patiënt te analyseren om een diagnose van zijn ziekte vast te stellen.

Voorrede.

                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving: Beschrijving: msotw9_temp0fft und vil habe ich bey mir selbs betrachtet die wundersamen weercke des schôpfers d naturen·wie er an den anbeginne d hymmeln hat beschaffen und gezieret mit schŏnen leüchtenden sternen·den er zů einfliessen in alles dz under dem hymmel ist·krafft und macht gegeben hat· (Auch wie er darnach die vieτ element beschaffen hat. Das feüer h˙czig und trucken·die lüfft he˙ŝ und feücht·daz wasser kalt und feücht·dz erdtrich trucken und kalt·yegklichem sein natur gegeben· (Auch wie d selb groŝs meister d natur darnach die kreüter mangerley nature·und allerley geschlăcht d thiere·und zůleczt den menschen und allen creaturen dz edlest·gemachet hat und beschaffen·Domit ein fiele mir die wunndersame oτdnung· die d schŏpffer den selben seinen creaturen hat egeben·also das alles dz und dem hymmel wesen hat sein natur von und durch die stern empfăcht und halttet· (Auch daz in einem ˙egklichen das in den obgemelten vier elementen entspτinget· wăchŝt·lebt·od schwebt·es se˙ ărcz·gestein·gekreüt·oder thiere·sind vermüschet die vier natur d element·h˙cze·kelte·feüchtigke˙t·und truckenhe˙t· Und also zů veτmercken ist die berürten vier natur auch in dem menschlichen kŏτper vermüschet od vermennget sind in einer maŝ und temperament bequem des menschen leben und natur·In wŏlcher masse od pτopoτtion od temperament die we˙l d mensch steet·ist er frisch und gesundt·So er aber tr˙tt od fellt auŝ dem temperament odeτ maŝs der vier naturen·daz dann geschicht so die hycz gancz über handt n˙mbt·und arbe˙tet die keltte zů tempffen·oder widerumb die kelte die h˙cze anhebet zů underdτucken·oder d mensche vol kalteτ feüchtigkeit wirt od seiner feüchtigkeit über die maŝs entseczet·fellet d mensch von not wegen in kranckhe˙t und nċhnet dem tode·Orsache aber solches eegemeldeten bτuches der vier naturen temperament·in wŏlchem des menschen gesundtheit und leben steet·sind vil ˙eczund des hymmels gifftig und verboτgen einflüŝs wider des menschen natur·dann d ummsteend lufft unre˙nigkeit und vergifftigung·Nun unbequem spe˙sen oder tranck· Od bequeme·aber nit in rechter maŝ od zeit genommen·Fürwar als leichte wolt ich dir zelen die bletter auff den baumen od die santkôτner in dem mǒτe·als ich dir erzelen und erklċren solt alle die ding die ein ursach sind abfallens von dem temperamentt d vier naturen und ein anfange des menschen kranckheyt darumb so umbsteen….sent unnd al… und fàrliche. [9] .ist er seiner gesundtheit oder lebens gancz sicher· Do ich soliches betrachten was·fiele mir auch ein wie der schôpffer der natur·der uns in solche fċrlicheyt geseczet hat·wider mit einen andern genċdigklich fürsehen hat·daz ist mit allerle˙ geschlċchten kreüter·thieren·und andern creaturen·den er krafft und macht gegeben hat·die obberůrten vier naturen·widerbτingen würcken geben und tempffen·Ein kraut h˙cziget·das ander kůlet·˙egkliches nach dem grad seiner naturen und complexion·Des gele˙chen vil ander creaturen auff dem erdtrich und in dem wasser dem menschen durch den schôpffer der naturen sein leben auff entheltet.

Durch wôlcher kreüter und creaturen krafft der kranck mensche in den vieτ naturen temperament und zů seines le˙bes gesundtheit wider mag kommen·Se˙d ein mal aber der mensche auff erden nit grôssers nitt edlers schaczes gehaben mag dem seines le˙bes gesundthe˙t· Lieŝs ich mich beduncken·das ich nicht erlichsers nit nüczers oder he˙ligers wercke oder arbe˙t begeen môchtte·dann ein bůch zůsamen bτingen darinnen vil der kreüter·und ander creaturen krafft und naturen mit jren rechten farben und gestalt würden begr˙ffen·zů aller welt trost unnd gemeynem nucze ….ach hab ich foli… lassen anfa…. ster in der…. meiner begierde auŝ den bewċrten meistern in der erczne˙·Galieno·Avicenna·Serapione·Diascoτide·Pandecta·Plateario·und andern vil kreüter krafft und naturen in ein bůch zůsamen hat bτacht·Und do ich auff entwerffung unnd kuuterfe˙ung der krütter gangen b˙n in mittler arbe˙tte·vermercket ich dz vil edler kreüter sind die in disen teütschen landen nit wachsen·darumb ich die selben in jrer rechten farbe unnd gestalt anders nicht entwerffen mochtte dem von hôτen sagen·Deŝhalben ich solichs angefangens werck unvolkommen und in der feder hangen lieŝ so lang biŝ ich zů erwerben genad und ablaŝ mich fertiget zů ziehen zů dem heyligen grab·auch zů dem berge s˙nai·do der lieben junckfrauwen sant katherinen kôτper rastet und růwet·Doch das solliches edles angefangens und unvolkommens wercke mit h˙nderstellig bel˙be·Auch das do mein fart nicht allein zů meiner selen heyle·sunder aller welte zů staten môchte kommen·Name ich mit mir einen maler vonn vernunfft und handt subtil und behende·Und so wir von teütschen landen gere˙ŝet haben durch wċlhische landt Histriam·und darnach durch die Schlavonei odeτ W˙ndische landt·Croacien·Albaney·Dalmacien·Auch durch die kr˙echischen lande·Coτson·Moτeam·Candiam·Rodiŝ·und Cypτien·b˙ŝ in das gelobet lande·unnd auch do in die he˙lig [10] en stat Jherusalen und von dannen durch klein arabien gegenn dem berge s˙nai·van dem berge s˙nai gegen dem roten môre·gegen calcair·Babylonien und auch Allexandτiam in egipten·und von dannen wider in Candien·in durchwandτung solcher künigre˙ch unnd landen·Ich mit fleysse mich erfaren hab der kreüter do selbst·und die in jeren rechten farben und gestaltten lassen kunterfe˙en und entwerffen.

(Und nach dem mit gots hilff wider in teütsche landt und heim kommen byn· Die groŝ liebe dye ich zů disem wercke hab gehadt·hat mich bewegt dat zů vollenden·als nun mit der gottes hilff volbτacht ist· (Und nennen dises bůch zů latein Oτtus sanitatis·auff teütsch·Ein gartten der gesundthe˙t·In wôlchem gartten man findet vierhundert und fünff und dτeyssig kreüter·mitt andern creaturen krafft und tugenden·zů des menschen gesuntheit dienend·und geme˙nlich in den apotecken zů erczne˙ gebτauchet werden·under disen bej vierd halbhunnderten mit jren farben und gestalten als s˙ hie ersche˙nen·und auff das es aller welt gelerten und leyen·zů nucz kommen müge·hab ich es in teütsch lassen machen·

(Dises bůch wirdt gete˙let in fünff te˙l·(Das erst·ist die voτrede ˙eczund hie berűrt·(Das ander te˙l·ist von den nachfolgenden kreütern·und ander creaturen krafft und tugent in oτdnunge des alphabets·(Das dτyt te˙l wirt sein ein register von kreüteren zů laxieren und zů krefftigen·(Item von den wol riechenden· (Item von den gummi·(Item von den früchten·samen·und wurczeln. (Item von edlem gestein·(Item von den thieren und was von jn entspτinget·und also was zů erczne˙ dient gemeynigklichen·(Das vierde te˙l·von allen farben des harms·und was ein ˙egkliche farbe bebeütet·

(Das fünfft teyl und dz leczte wirt sein ein register behend zů finden von allen gebτesten und kranckhe˙ten der menschen wie die sein mügen·

(Nun farh˙n im alle landt du edler und schôner gartt·du ein ergeczung den gesunden·ein trost hoffnung und hilffe den krancken·der deinen nucz dein fruchtbeτkeyt genůg auŝspτechen müge·lebt kein mensche· (Ich dancke dir schôpffer hymmels und d erden·der du den kreütern in disen garten begr˙ffen·krafft und macht gegeben hast·das du mir solche genad·disen schacz d byŝher der geme˙n begraben unnd verτboτgen ist gewesen·hast vergünnet an den tag zů bτingen·Dye sej ere und lobe ˙eczund und zů ewigen ze˙ten Amen· (·a·iij·) [11, 12]

Vaak en veel heb ik bij me zelf beschouwd de wonderbare werken van de schepper der natuur hoe hij aan het begin de hemel heeft geschapen en versierd met mooie lichtende sterren dat het tot invloed van alles dat er onder de hemel is kracht en macht gegeven heeft. Ook hoe hij daarna de vier elementen geschapen heeft. Dat vuur heet en droog, de lucht heet en vochtig, dat water koud en vochtig, dat aardrijk droog en koud, iedereen zijn natuur gegeven. Ook hoe dezelfde grote meester van de natuur daarna die kruiden van vele naturen en allerlei geslachten van dieren en tenslotte de mensen en alle creaturen de edelste gemaakt heeft en geschapen. Daarmee viel me in de wonderbaarlijke ordening die de schepper ervan zijn creaturen heeft gegeven alzo dat alles dat aan de hemel is zijn natuur van en door de sterren ontvangen heeft en houdt. Ook dat in iedereen dat in de boven vermelde vier elementen ontspringt, groeit, leeft of zweeft, hetzij erts, gesteente, kruiden of dier, zijn vermengd die vier naturen der elementen, hitte, koudheid, vochtigheid en droogte. En alzo te bemerken is zijn de aangeroerde vier naturen ook in het menselijke lichaam vermengd of gemengd in een maat en temperament bekwaam voor dat mensen leven en natuur. In welke maat of proportie of temperament de tijd dat de mens staat is hij fris en gezond. Zo hij echter treedt of valt uit het temperament of maat van de vier naturen, dat dan geschiedt zo de hitte gans overhand neemt en arbeidt om de koude te dempen of wederom de koudheid de hitte aanheft te verdrukken of de mens vol koude vochtigheid wordt of zijn vochtigheid over de maat zet, valt de mens vanwege nood in ziekte en nadert de dood. Oorzaak echter van zulke eerder vermelde breuk der vier naturen temperament waarin de mensen gezondheid en leven staat, zijn veel krachten van de hemel giftig en verborgen invloed tegen de mensen natuur dan de omstaande lucht, onreinheid en vergiftiging en nu ongeschikte spijzen of drank. Of bekwame, maar niet in rechte maat of tijd genomen. Voorwaar even gemakkelijk wil ik u vertellen van de bladeren op de bomen of de zandkorrels in de zee zoals ik u vertellen en verklaren zou al die dingen die een oorzaak zijn van het afvallen van het temperament van de vier naturen en een aanvang van de mensen ziekte . daarom zo omstaan….zendt en al… en gevaarlijk.(vlek) [9] .is er zijn gezondheid of leven gans zeker. Toch zal ik betrachten wat en voel me ook een als de schepper der natuur die ons in zulke gevaarlijkheid gezet heeft en weer met een andere genade voorzien heeft, dat is met allerlei geslachten van kruiden, dieren en andere creaturen die hij kracht en macht gegeven heeft die boven beroerde vier naturen weer te brengen, werken, geven en dempen. Een kruid verhit, dat andere verkoeld, elk naar de graad van zijn natuur en samengesteldheid. Desgelijks van veel andere creaturen op het aardrijk en in het water zodat de mensen door de schepper der natuur zijn leven ook behoudt.

Door welke kruiden en creaturenkracht de zieke mens in de vier naturen temperament en tot zijn lijf gezondheid weer mag komen. Is eenmaal echter de mens op de aarde mag hij niet grotere en niet edelere schat hebben dan zijn lijf gezondheid. Liet ik me bedenken dat ik niet eerlijkers, niets nuttiger of heiliger werk of arbeid begaan mocht dan een boek tezamen brengen daarin veel van de kruiden en andere creaturenkracht en naturen met hun echte kleuren en gestalte worden begrepen tot aller wereld troost en algemene nut (vlek) ook heb ik foli… laten aanva…. ster in de…. mijn begeerte uit de bewaarde meesters in de artsenij, Galenus, Avicenna, Serapio, Dioscorides, Pandecta, Platearius en andere veel kruidenkracht en naturen in een boek tezamen heb gebracht. En toen ik ook ontwerpen en kleuren ging de kruiden bij mijn arbeid bemerkte ik dat er veel edele kruiden zijn die in deze Duitse landen niet groeien, daarom ik dezelfde in hun echte kleur en gestalte anders niet ontwerpen mocht dan van horen zeggen. Derhalve ik zulks aangevangen werk onvolkomen en in de veer hangen liet zo lang tot ik tot verwerven genade en aflaat me vervaardigde ze te zien naar het Heilige Graf, ook tot de berg Sinaï daar de lieve jonkvrouw Sint Catherina lichaam ligt en rust. Doch dat zulke edel aangevangen en onvolkomen werk niet achterstallig blijft. Ook doe ik mijn reis niet alleen tot mijn zielenheil, vooral de hele wereld tot dienst mag komen nam ik met me een schilder van verstandige hand, subtiel en handig. En zo we van Duitse landen gereisd hebben door Wallisch land Hongarije en daarna door Slovenië of Wendische land, Kroatië, Albanië, Dalmatië. Ook door de Cyrische landen, Korfu, Moream, Kreta, Rhodos en Cyprus tot in dat beloofde land en ook zo in de heilige [10] plaats Jeruzalem en vandaar door klein Arabië tegen de berg Sinaï. van de berg Sinaï tegen de Rode Zee, tegen Cairo, Babylonië en ook Alexandrië in Egypte en vandaar tegen Kreta, in doorwandelen zulke koninkrijken en landen. Ik met vlijt me ervaren heb de kruiden daarvan en die in hun rechte kleur en gestalte laten kleuren en ontwerpen.

En na dan met Gods hulp weer in Duitse land en huis gekomen ben. De grote liefde die ik tot dit werk heb gehad heeft me bewogen dat te voleinden zoals nu met Gods hulp volbracht is. En noem dit boek in Latijn Ortus sanitatis, op Duits Ein gartten der gesundtheyt’’. In welke tuin men vindt vierhonderd en vijf en dertig kruiden met andere creaturenkracht en deugden tot de mensen gezondheid dienen en algemeen in de apotheken tot artsenij gebruikt worden. Onder deze bij vier en half honderd met hun kleuren en gestalten zoals ze hier verschijnen en opdat het alle wereld geleerden en leken tot nut komen mag heb ik het in Duits laten maken.

Dit boek wordt gedeeld in vijf delen. Dat eerste is de voorrede, nu hier aangeroerd. Dat andere deel is van de navolgende kruiden en andere creaturenkracht en deugd in ordening des alfabet. Dat derde deel wordt een register van kruiden te laxeren en te versterken. Item van de wel riekende. Item van de gom. Item van de vruchten, zaden en wortels. Item van edele stenen. Item van de dieren en wat van hen ontspringt en alzo wat tot artsenij dient algemeen. Dat vierde deel van alle kleuren van het plassen en wat elke verf betekent.

Dat vijfde deel en de laatste wordt een register handig te vinden van alle gebreken en ziekten der mensen wat die zijn mogen.

Nu ga heen in alle landen u edele en schone tuin, u een trouw der gezonden, een troost, hoop en hulp de kranke die uw nut en uw vruchtbaarheid genoeg uitspreken mogen, leeft geen mens. Ik dank u schepper hemel en de aarden dat u de kruiden die deze tuin begrijpt kracht en macht gegeven heeft dat u mij zulke genade, deze schat die tot nu algemeen begraven en verborgen is geweest heeft vergund aan de dag te brengen. U zei eer of lof nu en tot in eeuwige tijden. Amen.[11,12]

 

  

 

Beyfůsz erst Capit

Arthemisia mater herbarum Arivosa·ampolata Bτitanica Campanaria· Metricaria·minoτ latine· Melenoff Zantes Thagetes Leptafelos·

(Die wirdigen meister Avicenna Diascoτides·beschτeiben uns von disem kraut·und spτechen·daz arthemisia se˙ ein kraut und geleychet dem wermůt und der stabwurcz an der gestalt·allein das be˙fůŝ bτe˙ttere bletter hat. Die bleter sind auŝwenig weiŝ und jnnwenig grǔn·unnd haben einen starcken gerauch und bitter·Dises kraut hat lang stengel. Die blůmen daran gele˙chen den camillen blůmen· Unnd heysset darumb arthemisia· wann d künig mansolei genant het ein hausfrauwen die hieŝs Arthemisia· die wolt das dises kraute auch also genennet würd·vmb tugent willen die dise künigin an disen kraut befund· (Der meister plinius spτicht·daz diŝs kraut vor h˙n gehe˙ssen hat parthenis·

(Ysidoτus in dem·xvij·bůch genant eth˙mologiarum·spτicht das Arthemisia se˙ ein kraut und se˙ von dem he˙dnischen volcke d˙ane consecriert woτden·und von den also geheŭssenn·wann dyana in grecum ist als vil gespτochen als arthemis· (Platearius spτicht·das dises kraut ist he˙ŝ und trucken in dem dτitten grad· (Die bleter bτaucht man in der erczne˙ und selten die wurczel·und sind grǔn besser genüczet dann dürτ· (Platearius spτicht das be˙fůŝ gůt se˙e den frawen zü jrer sucht genant menstruum·Unnd wôlche frau das zů rechter zeyt nicht hat·die soll den be˙fůŝ sieden mit wein und sol den trincken·d hilfft on zweyfel· (Es hilffet auch ob sy sich domit in dem bad zům d˙ckeren mal bċet unden auff be˙denthalben den nabel. (Der meister diascoτides spτicht·Wŏlche frauwe wee mit einem k˙nde geet od in arbe˙t ligt eins kindes·seüdet s˙ den be˙fůŝ mit wein od mit bier und den also trincket·s˙ gen˙set zůhandt· Oder bindet man jr das gesoten kraut an jr rechtes diech s˙ gen˙set zůhant. Man sol auch zůhandt wenn das k˙ndt geboren wirt das kraut abnemen·sau (a·iiij·) [13] met man nich·des·das bτăcht grossen schaden· (Wŏlche frawe ein todtes k˙nd in jrem leyb hete·die trinck von be˙fůŝ·s˙ wirt des k˙ndes sanfft ledig· (Item Diascoτides in dem capittel arthemisia spτicht auch·Weer den be˙fůŝ nüczet das jm vergifftte und zauberey nit geschaden müge·Im schadet auch nicht ob ein thiere das nicht s˙nnig wăre jn be˙sset· (Item. Wer be˙fůŝs in seinem hauŝ hat·dem mag d teüfel keinen schaden zůfũgen·

(Item· Wer der be˙fůŝ wurcz an seinen halŝ tregt·kein vergifftig thiere mag jm nit geschaden. (Und ob ein vergifftig thiere einen schaden zůgefŭget hăte·d trincke des safftes von be˙fůŝs·er gen˙set zůhandt. (Die wirdigen meister spτechen geme˙inigklich·das do sey zwe˙er hant bejfůŝ·der ein ist rot an dem st˙l·d ander ist we˙ŝ· (Wġlche staw jr sucht genant menstruum leydet über die ze˙t·die sol der roten be˙fůŝ bletter sieden in wein und dem trincken. Weret aber die sucht menstruum zelang·so sol s˙ des we˙ssen beyfůŝ bletter sieden in wein und also nüczen·es vergeet jr zůhandt· (Item be˙fůŝ genüczet mit wein·machet wol hċrmen· (Diascoτides· be˙fůŝ d ist fast gůt für den stein wenn man den bulfert·unnd das bulfer nüczet mit eppich wasser·und das also getruncken· (Be˙fůŝ mitt wein gesoten und den getruncken vertre˙bet alle die suchte die do werend ist an der stat der weyber die do k˙ndt geberen·es sey geschwulst oder anders. (Wer den be˙fůŝ be˙ jm tregt wenn er wandert·der wirt nit mūd·

(Item· Wer der be˙fůŝ wurczlen über die thoτ des hauŝs legt·od henckt·dem hauŝ mag nichcz übels oder ungeheürigkeit zůgefūget werden· (Der hochgelert meister Galienus spτicht·dz be˙de be˙fůŝ rot und we˙ŝ gůt sey dan frawen genüczet wenn es jn not se˙· Und auch fast wol bekomme den·die den stein haben in den lenden· (Der meister Plinius in seinem·xv·bůch in dem capitel arthemisia·spτicht·das arthemisia die etwan geheyssen ist parthenis·sey zwe˙er handt·eine hat bτe˙te bleter·die and dünnere und kleinere·und haben beyd ein natur und tugent· (Item Diser meister in seinem·xxvj·bůch spτicht auch·Wer be˙fůŝ bey jm hab so er über felt gee·der werde nit mūd·und jm schadet auch d gang nit in den gel˙dern· (Er spτicht auch in dem selbigen capitel·das Arthemisia gestossen und gemüschet mit feygen und mirτa ˙egklichs ein quintin und das geleget in wein und den getruncken·erwġrmet den kaltten magen· (Er spτicht auch·dz dises krautes wurczel eingenommen so festigklichen laxieren ist und purgieren·das das kynd in můter leybe nitt beleyben müge·es se˙ todt od lebentig· (Der meister Platearius spτicht·das dises krautes bleter bequemer se˙en in der erczne˙ denn die wur [14] czel·und grunn mer nücz denn dürτ· Und se˙ sunderlich gůt genüczt den unfruchtbern frauen· (Item. Be˙fůŝ und d˙llsamen gebulferet und vermenget·ist gůt wider die feüchtblattern·darauff geleget·oder auff beülen hynder den oτen·darvoτ so sol man das mit einer schτepff sleten blůtend machen·und darauff das bulfer legen. (Item be˙fůŝ ist seer bestopfung der gel˙der auffthůn·als milcze und lebern die do von einer kalten materien kommet·also genüczet·N˙mm be˙fůŝ und hyrŝzungen ˙egklichs ein handt vol und wenig wermůt in wein gesoten·und mit zucker sūŝ gemachet· (Diser tranck ist auch gůt wider die geelsucht· so man darzů ist vermengen wenig tausent guldin genant centaurea·Und was nach dem getranck über bele˙bt von kreüttern sol man do warm legen auff die milcz·Das selb ist auch gůt so die milcz auswendig geschwollen ist· (Item be˙fůŝ und wulle genant taxus barbatus gesoten mit wein und also warm darauff gesessen·ist gůt dem der arŝsdarm auŝgeet·

1. (2) Bijvoet, eerste kapittel. (Artemisia vulgaris (1)

Arthemisia; mater herbarum, Arivosa, ampolata, Brittanica Campanaria, (6) Metricaria minor Latijn, Melenoff Zantes Thagetes (5) Leptafelos.

De eerwaardige meesters Avicenna en Dioscorides beschrijven ons van dit kruid en spreken dat Artemisia een kruid is en lijkt op alsem en staafkruid aan de gestalte(3), alleen dat bijvoet bredere bladeren heeft. De bladeren zijn aan de buitenkant wit en inwendig groen en hebben een sterke reuk en zijn bitter. Dit kruid heeft lange stengels. De bloemen daaraan lijken op de kamille bloemen. En heet daarom Artemisia want de koning Mansolei genaamd had een huisvrouw die heette Artemisia en die wilde dat dit kruid ook alzo genoemd werd vanwege de deugd die deze koningin aan dit kruid bevond· De meester Plinius spreekt dat dit kruid voorheen parthenis genoemd is geweest.

Isidorus in het 17de boek genaamd ethi˙mologiarum spreekt dat Artemisia een kruid is en dat ze van de heidense volkeren aan Diana gewijd werd en van hen alzo genoemd want Diana in Grieks is zoveel gesproken als Arthemis. Platearius spreekt dat dit kruid heet en droog is in de derde graad. De bladeren gebruikt men in de artsenij en zelden de wortels en zijn groen beter genuttigd dan droog· Platearius spreekt dat bijvoet goed is voor de vrouwen voor hun ziekte genaamd menstruatie. En welke vrouw dat op de rechte tijd niet heeft die zal de bijvoet koken met wijn en zal dan drinken, het helpt zonder twijfel. Het helpt ook als ze zich daarmee in bad vele malen baadt en vooral bij de navel. De meester Dioscorides spreekt; Welke vrouw in pijn met een kind gaat of in arbeid ligt van een kind, kookt ze de bijvoet met wijn of met bier en dan alzo drinken, ze geneest gelijk. Of bindt man haar het gekookte kruid aan haar rechter dij, ze geneest gelijk. Man zal ook gelijk als dat kind geboren wordt dat kruid afnemen,  [13] zou men het niet doen dat  bracht grote schade. Welke vrouw een dood kind in haar lijf heeft die drinkt van bijvoet, ze wordt dat kind zacht kwijt. Item Dioscorides in het kapittel Artemisia spreekt ook; (7) Wie bijvoet nuttigt dat hem vergif en toverij niet beschadigen mogen. Hem schaadt het ook niet of een dier dat niet venijnig is hem bijt. Item. Wie bijvoet in zijn huis heeft die mag de duivel geen schade toebrengen.

Item. Wie bijvoet kruid aan zijn hals draagt, geen vergiftig dier kan hem niet beschadigen. En als een vergiftig dier een schade toegevoegd had die drinkt het sap van bijvoet, hij geneest gelijk. De eerwaardige meesters spreken algemeen dat er twee soorten bijvoet zijn, de ene is rood aan de steel, de ander is wit. Welke vrouw aan de ziekte genaamd menstruatie leidt over de tijd, die zal de rode bijvoet bladeren koken in wijn en die drinken. Duurt echter die ziekte menstruatie te lang dan zal ze de witte bijvoet bladeren in wijn koken en alzo nuttigen, het vergaat haar gelijk. Item bijvoet genuttigd met wijn maakt goed plassen. Dioscorides; bijvoet is erg goed voor de steen als men het verpoedert en dat poeder nuttigt met selderij water en dat alzo gedronken· Bijvoet met wijn gekookt en dan gedronken verdrijft alle die ziekten die er zijn aan de plaats van de vrouwen die een kind baren, hetzij gezwellen of anders. (2) Wie bijvoet bij hem draagt als hij wandelt, die wordt niet moe.

Item. Wie bijvoet wortels over de deur van het huis legt of hangt, dat huis mag niets kwaads of onbehoorlijkheid toegevoegd worden. De zeer geleerde meester Galenus spreekt dat beide bijvoet rood en wit goed zijn voor de vrouwen genuttigd als het hen nood is. En ook erg goed bekomt het die de steen hebben in de lenden. De meester Plinius in zijn 15de boek in het kapittel Artemisia spreekt dat Artemisia de soms genoemd is parthenis dat die tweevormig is, ene heeft brede bladeren, de ander (6) dunnere en kleinere en hebben beide een natuur en deugd. Item. Deze meester in zijn 26ste boek spreekt ook; (2) Wie bijvoet bij hem heeft zo hij er over veld gaat, die wordt niet moe en hem schaadt ook het gaan niet in de leden. Hij spreekt ook in hetzelfde kapittel dat Artemisia gestoten en gemengd met vijgen en mirre, van elk een quintin, en dat gelegd in wijn en dat gedronken verwarmt de koude maag. Hij spreekt ook dat dit kruid de wortel ingenomen zo sterk laxeert en purgeert zodat het kind in moeder lijf niet blijven mag, is het dood of levend. De meester Platearius spreekt dat dit kruid bladeren beter zijn in de artsenij den de wortel [14] en groen meer nuttig dan droog. En is uitzonderlijk goed genuttigd de onvruchtbare vrouwen. Item. Bijvoet en dille zaden gepoederd en vermengt is goed tegen die vochtblaren, daarop gelegd, of op builen achter de oren, daarvoor zo zal men dat met een scherpe snee bloedend maken en daarop dat poeder leggen. Item, bijvoet is zeer de verstopping van de leden openend zoals milt en lever die van een koude materie komt alzo genuttigd; Neem bijvoet en hertstong van elk een hand vol en weinig alsem in wijn gekookt en met suiker zoet gemaakt. Deze drank is ook goed tegen de geelziekte zo men daartoe vermengt weinig duizend gulden kruid genaamd Centaurea. En wat er na de drank over blijft van kruiden zal men dan warm leggen op de milt. Datzelfde is ook goed zo de milt uitwendig gezwollen is. Item bijvoet en wol genaamd Verbascum gekookt met wijn en alzo warm daarop gezeten·is goed die de aarsdarm uitgaat.

 

Vorm.

Bijvoet is een bossig vertakt plantje van ongeveer een meter hoog. Het geveerde blad is aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant witviltig. De talrijke, langwerpige, bruingele en kleine bloemkorfjes vallen vrijwel niet op. Deze plant komt algemeen voor langs de wegen. (3). De plant behoort tot dezelfde familie als alsem en staafkruid.

 

Naam.

(1) Dodonaeus;  ‘Het kruid dat in het Grieks Artemisia genoemd is heeft dezelfde naam bij de Latijnen ook en eer dat men dat zo noemde werd het in het Grieks Parthenis genoemd, zoals Plinius verhaalt. Apuleius verzekert dat het ook Parthenion genoemd is. Dit kruid heeft zijn naam verkregen van koningin Artemisia, huisvrouw van koning Mausolus van Carië die dit kruid zeer lief en uitgekozen had en het gebruik ervan het meest openbaar of kennelijk gemaakt heeft zodat het zijn oude naam verloren en in plaats van die de naam van de koningin aangenomen heeft. Sommige andere zeggen dat bijvoet in het Grieks en in het Latijn Artemisia genoemd is naar de Godin Diana die ook Artemisia genoemd wordt en dat alleen daardoor omdat dit kruid zeer bijzonder voor de gebreken van de vrouwen is waarvan de heidenen Diana overste en Godin gemaakt hebben.’

De reden daarvoor is de gunstige werking op vrouwenziektes en zijn vele geneeskrachtige eigenschappen. (In christelijke tijd werd Artemisia vervangen door een van de H. Margareta’s, meestal de H. Margaret van Antiochië.) Ook Plinius weet te berichten dat de Artemisia vooral vrouwenziektes geneest en zegt dat koningin Artemisia, de vrouw van koning Mausoleus, het kruid dat daarvoor parthenis genoemd werd haar naam gegeven heeft. Vele leiden, gaat Plinius verder, de naam af van Artemis Ilithya (gezond helpster) naar het gebruik van deze plant bij vrouwenziektes’.

Waarschijnlijk is de plant zo genoemd naar de Griekse Godin Artemisia, de dochter van Zeus en Leto, de godin van de kuisheid, geboorte en jacht.

We lezen hier dus dat het een echt vrouwenkruid is, zo is het gebruik in Herbarius in Dyetsche, Herbarijs en Dodonaeus. Om de stonden te laten komen, onvruchtbaarheid, nageboorte en de dode vrucht te verdrijven. Het bloeiende kruid, dat met Johannis geplukt wordt, bevordert de maandstonden en drijft dood en nageboorte af. Sinds Mozaïsche tijd is het een bestanddeel van een afdrijvingmiddel, foetor judaicus, dat door joodse handelaren verkocht werd. Misbruik tot afdrijving kwam voor, of bij grote dosis als wormmiddel, bij overdosering tot dodelijke vergiftigingen door het in de vluchtige olie bevattende, toxisch werkende Thujon.

Dodonaeus; ‘De eerste soort van bijvoet wordt van sommige Mater herbarum, dat is Moeder der kruiden genoemd, in het Hoogduits Beifusz en Sant Johans gurtell, in het Nederlants bijvoet en Sint Janskruid’.

Walefridus Strabo (negende eeuw) noemt in zijn Hortulus de artemisia vanwege haar overdadige kracht; Mater herbarum; moeder der kruiden.

 

(2) Bijvoet, de Duits Beifuss, werd vroeger dan als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of men stopte bijvoet in de schoenen en maakte daardoor de voet onvermoeibaar. Zo zegt Plinius al dat een reiziger geen vermoeidheid (artemes) zal voelen als hij een takje van bivot in zijn schoenen heeft. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden. (Zo ook in Herbarius in Dyetsche) De Griekse (ook Latijnse naam) Artemisia wordt overigens door sommigen afgeleid van artemes, ‘fris’ of ‘gezond’, want de voetganger die bijvoet draagt blijft onvermoeid. Het vermoeidheidsgevoel wordt veroorzaakt door het warm worden van onze voeten. Voor ons gevoel gaan onze voeten gloeien en steken. De bijvoetbladeren bevatten een vluchtige olie die, als deze met warme voeten in aanraking komt, verdampt en zo de warmte afvoert, een soort eau de cologne. Verder werkt de olie gunstig op het lichaam en heeft deze een opwekkende werking. Het geloof dat men op reis niet ver­moeid werd als men de plant aan het been bond, zal bijgedragen hebben tot de vervorming van het Midden-Nederlands biuot, ongeveer halfweg de dertiende eeuw, tot bivoet en tenslotte tot bijvoet.

Hildegard von Bingen noemt het Biboz of Beifusz.

 

(4) Dodonaeus doelt wel op Artemisia campestris subsp. campestris als hij spreekt: De tweede soort van bijvoet heeft de toenaam gekregen van Leptophyllos in het Grieks, in het Latijn Tenuifolia, dat is smal van bladeren’.

 

(5) Thagetes. Die naam heeft vermoedelijk de naam gegeven aan het afrikaantje of Tagetes. Dodonaeus. ‘De nieuwe schrijvers stellen vele geslachten van bijvoet want ze rekenen mater en reinvaarn ook onder de soorten van bijvoet. Fuchsius heeft Flos Africanus of de Tunisbloemen ook hierbij willen hebben’.

 

(6) Brittanica Campanaria, omdat het op de vlaktes van Engeland groeit? Metricaria minor, kleine Matricaria of klein moederkruid?, Zantes, eiland in de Ionische zee,  Leptafelos.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Bivoet of Arthimesia is een kruid dat heet en droog is in de derde graad volgens Platearius. Het wordt Mater Herbarum genoemd. (dat is de moeder van de kruiden) Daarvan hebben de groene bladeren de grootste kracht. Bijvoet opent zeer, daarom is het goed tegen verstoppingen van de lever (a) en van de milt die uit koude zaken komen (b) als je het met hertstong en met wat alsem in wijn kookt en dan met suiker zoet maakt. Als je daar nog wat bloemen van santorie bij doet is het goed tegen geelzucht als gevolg van miltziekte. De kruiden die na de zuivering achter blijven moet je lauw op de milt leggen, hetzelfde is ook goed tegen opheffing van de milt.

Om de stonden te laten komen en de dode vrucht te verdrijven: ‘Maak een bad van water waar bijvoet, laurierbladeren en reinvaarn in gekookt zijn, daarin moet ze zitten of neem een spons doe het daar in en leg dit op de baarmoeder’. Bijvoet die met laurierbladeren in olie van noten of van olijven gekookt zijn en als het daarmee in de baarmoeder als een pessarium gezet wordt laat het de stonden komen.

Tegen tenasmonem (dat is graag naar toilet willen zonder te kunnen dat uit koude zaken komt) leg Grieks pek op de kolen en die damp moet de zieke van onderen in de aars ontvangen, dan warm je bijvoet in wijn en leg dit op een molensteen waar de zieke op zit, want het is bewezen.

Tegen onvruchtbaarheid die uit vochtigheid ontstaan is verpulver je bijvoet met het schaafsel van ivoor en hertshoren, meng het met nootmuskaten en honing en drink dit met de wijn waar bijvoet in gekookt is, Pandecta en Platearus. Als de onvruchtbaarheid van droogte komt dan zal dit schadelijk zijn, je kunt dit herkennen of ze vet (c) of mager is. Daarna moet ze een bad nemen en met een spons er op duwen, zo het net verteld is, en een pessarium zetten.

Het poeder van bijvoet en van dove netelen is goed tegen klieren die glandines heten die rond de aars of de oren komen, maar eerst moet je er op slaan en dan het poeder er op strooien.

(7) Als je bijvoet in huis legt en rookt verjaagt dit de duivels.

En als je het op de gekneusde voet legt maar dan met wat smeer gemengd verdrijft het de pijn van de voeten die van wandelen komt’.

(a) Galstenen. (b) Stenen. (c) Vette mensen zijn minder vruchtbaar.

 

Herbarijs; ‘Artemesia, dat is bivoet, en het is heet en droog in de 2de graad, sommige zeggen in de vierde graad. En het kruid wordt meer in de medicijnen gebruikt dan de bladeren of de wortels doen en het is veel beter groen dan droog, nochtans kan men het 1 jaar goed houden. En het is goed voor vrouwen die geen kind mogen dragen omdat ze daardoor overlijden. Maar komt het van droogte, dan is bijvoet slecht voor hen. Bijvoet ontstopt de geslachtsdelen en laat de vrouw haar stonden hebben en is goed gedaan in baden tegen koude ziektes en is goed gedronken tegen jicht. En gekookt en in de neus ontvangen is het goed tegen reuma in het hoofd. Het is goed tegen alle verstoppingen van de baarmoeder, ja gedronken of gebaad of de damp ontvangen in de vulva.

En tegen een ongemak dat men kramp noemt, dat is als de mens lust heeft om naar toilet te gaan en als hij er komt dat hij het niet doen kan van grote krampen in het fondament dat van koude komt. Neem Grieks pek en leg het op de kolen en die zieke zal die rook beneden ontvangen met een trechter of iets anders die men daar over die kolen welven zal en dan zal men bijvoet zeer warmen bij het vuur en die zieke zal er over zitten. Tegen de klieren; Neem bijvoet koud of heet en leg het er op, die klieren zullen vergaan. En bijvoet is goed tegen hoofdpijn, gekookt en gedronken’.

 

Broeder Thomas, tijdgenoot van de schrijver van de Herbarijs drukt zich aldus uit; ‘Hevet eene vrouwe dat buickoevell inden kraem so salmen nemen byvoet ende bindese op haer navele’. Ortus sanitatis zegt; ‘oft bint men haer dat gesoden cruyt an haer dye, si genesen oec ter stont’.

 

 (7) Als je bijvoet in huis legt en rookt verjaagt dit de duivels. Het is een St. Janskruid bij Dodonaeus, daar wordt In de Gart niets van verteld. Plinius vermeldt op een andere plaats, dat diegene die Artemisia bij zich dragen geen gif of wilde dieren kan schaden en ook de zon niet. De apostel Johannis zou dit kruid om zijn gordel gedragen hebben om zich niet te vermoeien. Op het feest van St. Johannis de Doper, het vroegere zonnewendefeest, omgordde men zich met dit kruid als bescherming tegen toverij.

 

  

 

Stabwurcz ii Capit

Abτotanum·Das woτt ist in grexum und in latinsum also genennet·Hesum ist es genant in arabischen·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Hesum·idest Abτotanum·spτicht·dz dises kraut se˙ zwe˙er hant·eins ist freülich·daz ander mċnlich·und sind be˙de einander gele˙ch·an d gestalt·und an der tugent·allein die freülich hat weiŝ blůmen·und die mċnlich gelb blůmen,und gele˙ch dem saffran.

(Der meister Plinius in seinen·xxj·bůch spτicht·das stabwurcz hab einen gůten gerauch· (Diŝ kraut hat fast kleine bleter· und [15] vil stengeln·und auch gar klein blümen und einen kleinen samen. (Der meister Avicenna in seinem andern bůch·spτicht·daz stabwurcz sei heyŝ an dem ersten grade und trucken an dem anderen· (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Abτotanum·spτicht·das stabwurcz gebτennet und gebulfert und dz gemüschet mit ŏle·von rċtich gemachet·und das geschmieret auff die kal stat·machet har wachŝsen· (Item stabwurcze machet auch wachŝen dem bart der lancksam herfür kumbt·domit bestrichen·mit namen·nymme stabwurczsafft mit d˙ll ôle veτmenget·davon den bart oder die stat geschmieret do man har begeret· (Stabwurcz resolvieret apostemen die kalte feüchtigkeit in jne haben genant flegmatica·gesoten mit kütenkern und also genüczet· (Stabwurcz gegrůset und getruncken mit wein·behŭtet den menschen voτ d suchtt genant paralisis· (Auch ist es gůt wider das gegicht d gel˙der die grůse darauff geleget· (Platearius Stabwurcz gesoten mit baummôl·und dz haubt domit bestr˙chen·ben˙mmet die kelte des haubtes·und wirt warm davon· (Stabwurcz mit wein und zucker gesoten und getruncken macht einen warmen magen d erkaltet ist von dem schle˙m genant zů latein flegma. (Stabwurcz seüberet den frawen jr sucht genantt menstruun·mit wein gesoten und getruncken·(Stabwurcze mit eppe und zucker gesoten und darvon genüczet·bτicht und tre˙bt auŝ den stein d in der blasen wċchset und n˙eren·und wid dem kalten siechtumb ist es gůt·(Item ól von stabwurcz gemachet·und sich domit und dem nabel geschmieret·machet hármen· (Stabwurcze getruncken mit wein·ist gůt für vergifft·(Item der gerauch von stabwurcz·vertre˙bt die schlangen die in den heüsern wonen. (Von d wurczel d˙ck getruncken sterben die spôlwůrm·oder mitt wenig milch stabwurcz safft gemenget· (Avicenna spτicht·wo man stabwurcz h˙n streüet·do bele˙bt kein vergifftig thier·und wôlches do bele˙bt·das styrbt· (Diascoτides spτicht·das stabwurcz bτing dem frawen jr ze˙t genant menstruum·die gebulfert und mit wein getruncken·und in wenig mirτa vermenget· (Der rauch von stabwurcz vertreibt die schlang·in dem hauŝ· (Von stabwurcz getruncken·ist gůt dem d do geb˙ssen ist von gifftigen thieren. (Dem die augen schweren von hycz d sol nemen stabwurcz ein quintin·und ein we˙sse bτosen bτotes·und sol das sieden in wasser und sol die augen domit bċen·es zeühet auŝ die h˙cz·und vertre˙bt das augen schwer· (Von d bitterkeit die die stabwurcze in jr hat·sterben die spolwŭrm·davon genommen auff ein halblot· (Serapio spτicht·das stabwurcz genüczet verczeret überflüssig feüchtigkeit die in den dċrmen sind davon ein kranckhe˙t kummt ge [16] nant colica passio·das ist·das darm gesücht· (Item·Stabwurcz gesoten mit wasser unnd wein mit ysop und leckricz·mit zucker sǔŝ gemachet·ist seer gůt wider süchtung der lungen und bτust·so die sucht kommet von kelte·und auŝwendig sol man schmieren die bτust mit buttern od mit einer salben genant ungentum d˙althee·Darnach sol man nüczen pillen von agarico·Darnach ist gůt zů nüczen ein sterckung genant dyapenidion·oder d˙aris salomonis· (Item stabwurcz mit olei·und salcz zůsamen gestossen·und auff den pulŝ hende und fŭsse geleget·ist gůtt wider das fieber·

Staafkruid, 2de kapittel. (1) (Artemisia abrotanum)

Abrotanum. Dat woord is Grieks en in Latijn alzo genoemd. Hesum is het genoemd in Arabisch.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hesum, id est Abrotanum, spreekt dat dit kruid tweevormig is (2), een is vrouwelijk en de ander mannelijk en zijn beide gelijk aan elkaar aan de gestalte en aan de deugd, alleen de vrouwelijk heeft witte bloemen en de mannelijk gele bloemen gelijk de saffraan.

De meester Plinius in zijn 21ste boek spreekt dat staafkruid een goede reuk heeft. Dit kruid heeft erg kleine bladeren en [15] veel stengels en ook erg kleine bloemen en kleine zaden. De meester Avicenna in zijn andere boek spreekt dat staafkruid heet is aan de eerste graad en droog aan de andere. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Abrotanum spreekt dat staafkruid gebrand en gepoederd en gemengd met olie van radijs gemaakt en dat gesmeerd op de kale plaats maakt haar groeien (3). Item staafkruid maakt ook groeien de baard die langzaam tevoorschijn komt, daarmee bestreken, met name; neem staafkruid sap met dille olie vermengt, daarmee de baard of die plaats gesmeerd daar men haar begeert. Staafkruid lost op gezwellen die koude vochtigheid in hen hebben genaamd flegmatici, gekookt met kweekern en alzo genuttigd. Staafkruid vergruisd en gedronken met wijn behoedt de mensen voor de ziekte genaamd paralysie. Ook is het goed tegen dat jicht der leden dat gruis daarop gelegd. Platearius; Staafkruid gekookt met olijvenolie en dat hoofd daarmee bestreken beneemt de koudheid van het hoofd en wordt warm daarvan. Staafkruid met wijn en suiker gekookt en gedronken maakt een warme maag die verkouden is van de slijm genaamd in Latijn flegma. (4) Staafkruid zuivert de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie, met wijn gekookt en gedronken. Staafkruid met Apium en suiker gekookt en daar van genuttigd breekt en drijft uit de steen die in de blaas groeit en nieren en tegen de koude ziekte is het goed. Item olie van staafkruid gemaakt en zich daarmee de navel gesmeerd maakt plassen. Staafkruid gedronken met wijn is goed voor vergif. (6) Item de reuk van staafkruid verdrijft de slangen die in de huizen wonen. Van de wortel vaak gedronken sterven de spoelwormen, of met weinig melk staafkruidsap gemengd. Avicenna spreekt; waar men staafkruid heen strooit daar blijft geen vergiftig dier en welke er blijft die sterft. Dioscorides spreekt dat staafkruid brengt de vrouwen hun tijd genaamd menstruatie, die gepoederd en met wijn gedronken en in weinig mirre vermengt. (5) De rook van staafkruid verdrijft de slangen in het huis. Van staafkruid gedronken is goed hen die gebeten is van giftige dieren. Die de ogen zweren van hitte die zal nemen staafkruid een 1,67 gram en een wit bros brood en zal dat koken in water en zal de ogen daarmee baden, het trekt uit de hitte en verdrijft dat ogenzweer. Van de bitterheid die staafkruid in hem heeft sterven de spoelwurmen, daarvan genomen een half lood. Serapio spreekt dat staafkruid genuttigd verteert overvloedig vochtigheid die in de darmen zijn daarvan een ziekte komt genaamd [16] colica passio, dat is de darmen ziekte. (6) Item. Staafkruid gekookt met water en wijn met hysop en zoethout en met suiker zoet gemaakt is zeer goed tegen ziekte van de longen en borst zo die ziekte komt van koudheid en uitwendig zal men smeren de borst met boter of met een zalf genaamd ungentum dialthee. Daarna zal men nuttigen pillen van agarico. Daarna is het goed te nuttigen een versterking genaamd diapenidion of diaris salomonis. Item staafkruid met olie en zout tezamen gestoten en de pulp op handen en voeten gelegd is goed tegen de koorts.

 

Vorm.

Dit is het staafkruid of averuit met fijn ingesneden blad als zijdeachtig filigraan in fraai zachtgroen. Het groeit meer dan een meter hoog. Men zal het zelden in bloei zien en dan in augustus/oktober met gele knikkende bloemen in kleine bloemhoofdjes.

 

Naam.

 (1) Dodonaeus; Dit kruid wordt in het Grieks Abrotonon genoemd en met die naam is het bij de Latijnen en in de apotheken bekend’. 

De Griekse botanicus Theophrastus noemde de plant abrotonon, waarschijnlijk uit Grieks abros: teer of slank, uit Latijn/Tracisch habrótanon. Dit woord lijkt aanzienlijk’’ te betekenen en ‘zich strekken’, zodat we hieruit een plant kunnen veronderstellen van slanke en hoge groei. Een benaming die niet op de plant past. Waarschijnlijk kan ook, waar de Latijnse vorm van af te leiden is, de Grieks naam van onsterfelijk afgeleid zijn, abrotos, (goddelijk, onsterfelijk, ambros) dit naar het frisse aanzien van de plant of geneeskracht. Sommigen leiden het af van een Grieks woord voor onmen­se­lijk omdat het nog bitterder is dan de alsem.

Dodonaeus; ‘Het heet in het Hoogduits Stabwurtz en Affrisch,  in het Nederduits averone en averruit’.

Het kruid komt voor in Capitulare de villis als Abrotanum. Dit uit het Latijnse abrotonum en dit weer uit het Griekse abrotonon: staf of staafkruid, vergelijk oud-Hoogduits Stabwurz en Stavewurz bij Hildegard. Onder invloed van de ruit kwam Aberuthe, in Nederlands averuit.

(2) Dodonaeus: “Averone, naar het zeggen van Dioscorides, is tweevormig van geslacht, te weten wijfje en mannetje die met de naam van grote en kleine averone overal bekend zijn.  De vrouwelijke heette Artemisia campestris. Waarschijnlijk was abrotanum een naam voor meerdere struiken met een aangename geur.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; Abrotanum averone is heet in de eerste en droog in de tweede graad. (3) Tegen het uitvallen van het haar (dat heet alopecia) en schurft of roos van het hoofd (dat heet tineam) kun je averone net als alsem gebruiken om de baard of elders waar je graag haar had hiermee te bestrijken om het haar of de baard sneller te laten groeien: ‘Neem hiertoe het sap van averone en meng het met dillenolie of olie van kamelenhooi’.

(6) Tegen ontsteltenis van de borst (a) die uit koude oorzaken ontstaan is kook je averone, hysop en zoethout in water, met fijne suiker maak je het zoet en drink hier van. Van buiten bestrijk je de borst met meiboter of om de materie in de borst meer te vermurwen met een zalf van Althaea. Dan neem je pillen van cantharel om de borst te zuiveren. Daarna neem je om te versterken fijne suiker of ayris salomonis.

Tegen lange, ronde wormen en korte, brede wormen: ‘Neem averone en gewreven poeder van lupinen, van elk een ons en een half grein, vermeng het met gal en olie van alsem exicet en strijk het buiten op de darmen’. Het sap van alsem en van averone dat tezamen met melk wordt gedronken doet hetzelfde.

(4) Het sap van averone dat je op de wijze van een klysma zet (dat is een pessarium) laat bij de vrouwen hun menstruatie komen, de moederkoek waar de vrucht in het lichaam rust en de dode vrucht worden uitgeworpen en de gesloten baarmoeder geopend. Het geneest de slijmachtig blaren in de baarmoeder of vulva.Vaak laat de volgende oplossing de stonden sterk komen: ‘Neem averone, savelboom en bijvoet, van elk twee handen vol; onze vrouwe wiegstro, melde, majoraan en reinvaren, van elk een hand vol, Asarum en Veronica beccabunga, van elk een halve hand vol, stamp dit tezamen en dan kan je als je het wil er mee roken’. Hetzelfde is ook goed om blaren te laten vergaan die te hard zijn om op te lossen vooral als je het sap van averone, gerstemeel en honing erbij mengt en het er zo op legt. Hetzelfde verdrijft ook de slagen of stoten van de zijde.

(5) Als je averone in de hoeken van het huis legt verdrijft het venijnige dieren of besproei er het huis mee of laat de rook het huis doortrekken. In wijn gekookt is averone zo ook goed tegen gif.

Tegen scherpte bij het begin van de koorts stamp je averone, dan meng je het met zout en olie en bestrijk je er de polsen van de handen en voeten mee.

Averone die in wijn met wat met eppe gekookt en met suiker zoet gemaakt is geneest de aandrang tot waterlozing en breekt de steen.

Tegen het omdraaien van de ogen (dat is vertigo) (b) of het schijnsel van de vliegen in de ogen (c) (dat is scotomia) (c) moet je dit er uit strijken met gestampte averone.

(a) Angina pectoris? Verkramping van de kransslagaderen: pijn op de borst. (b) =Duizeligheid. (c) Mouche volante= goedaardige losse stukjes in het oogvocht die je voorbij ziet dwarrelen als je kijkt. (d) =Verlies van een deel van je gezichtsveld.

 

(3) Als haargroeimiddel werd het al door Avicenna aanbevolen. Staafkruid werd vroeger gebruikt in een pommade waarvan geloofd werd dat het de haargroei zou stimuleren en kaalheid zou voorkomen, vandaar ook de Engelse naam old man. De Engelse bijnaam lad's love is gebaseerd op hetzelfde idee. Jonge mannen gebruikten dit kruid om baardgroei te bevorderen zodat ze ouder zouden lijken. De sierlijke bladeren werden ook wel in boeketten gedaan die jonge mannen aan hun meisjes gaven. Liefde temidden van het zoete is voor kinderen, maar liefde in de bitterheid van citroenkruid of alsem is een zeker teken van affectie.

 

Herbarijs; ‘Abrotanum, dat is averone of iagerande. Ze is heet in de 2de graad en droog in de eerste. En het sap gedronken laat het vrouw haar stonden hebben en leidt het dode kind uit de baarmoeder en het net daar het kind in ligt en heelt de vrouw weer en breekt de steen.

En het sap er van gedronken doodt alle soorten wormen in de maag en in de darmen en ontsluit en (4) opent de baarmoeder en heelt blaren in vulva en breekt de steen en laat goed urine maken en laat de koude plas overgaan (tenesmus). En het sap ervan gemengd met mirre en in vulva gestoken  zuivert die van haar vuile vochtvermenging en droogt de vochtigheid en opent de aderen in vulva en laat menstruatie hebben. En haar sap gemengd met oudere olie en gezalfd daar het haar valt dat versterkt de plaats en (3) laat het haar weer groeien’.

Iagerande is een vreemd woord. Mogelijk van jager (verjagen) en ande (hand) in de zin van symbool van sterkte, zo een sterk middel om te verjagen. Het was dan ook een van de antidiabolische rookplanten die op hete kolen werden gestrooid om boze geesten (bij de Romeinen) en later duivels (bij de Christenen) weg te roken. Waarschijnlijk werd met die rook ziektekiemen gedood.

 

  

 

wôτmůt iii Capit

Absinlhium latine·Gτece Absinthion·Arabice Saricon·

(Die meister in der erzcne˙ sprechen·das wôτmůt se˙ he˙ŝ in dem ersten grad·und trucken im dem andern· (Platearius spτichet·das wôτmůt ein widerwċrtige naturen an jr hab·wann s˙ laxiert und stopffet und die zwei sind wider einander· Und darumb spτicht er·das wermůt genüczet sol werden mit vermüschung·und das angesehen werde gebτesten des menschen·wann ist es sach das die natur des mennschen verstopffet wċr·so sal man der wôτmůt zůgeben ding die jr die natur beneme der stopffung·und allein laxiere·Ist es aber sache das die natur zů vil flüŝsig wċre·so sol man dem wôτmůtt nemen die natur des flusses·und zůgeben ding die do stopffen·

(Hierinn mercke eben·wilt du den menschen stopffen mit wermůt·so bτauche die mitt eŝsich oder mit wein· (Wilt du aber den menschen laxieren mit wôτmůt ·so bτauche die mit hônige oder zucker· (Avicenna spτicht das der saffte von wôτmůt fast stercker se˙e zů nüczen denn das kraute·wann der saffte der ist do heysser in dem ersten grad denn das kraut·

(Wer wermůt safft trincket ze [17] hen tag nach einander·und auff ein mal vier quintin mit zucker vermenget·der selb safft verczeret yctericiam·das ist die geschwulst·unnd benymmet auch dem menschen also genüczet ˙dτopisum·das ist die wassersucht·

(Und also genüczet zeühet vil feüchtigkeit von dem milcz und lebern· Johannes mesue·spτichet·das wermůt stercket dem magen und die leber·unnd bτinget lust zů essen·und machet gesunt die verstopfften kranckheyt·als dann ist die geelsucht unnd die wassersucht· (Wermůt tôdtet die wŭrm in dem bauch·und tre˙bet s˙ auŝ mċchtigklichen wann man davon machet ein pflasteτ also·N˙mme wermůt vier lot·eüfoτbie ein halb lot·gebτennett h˙rŝkoτn ein lot·und ein lot hasengallen·und darunder gemüschet hônig·und darauŝ ein pflaster gemachet·und das geleget auff den bauch· (Item·Wer daz kaltt lange ze˙t gehabt hatt·der nücze zů frummen den safft von wermůt mit zucker vermenget·er gen˙set davon zůhandt· (Wermůt safft vermenget mit pferŝichkeren·und in die oτen getrċfft·machet sterben die wŭrm in den oτen. (Wermůt re˙niget den magen und lebern von deτ gallen genant colera·und zeühet zů zeiten die selben feüchtung auŝ mit den hċrmen·(Auch behŭtet wermůt dem menschen voτ füllung des geblŭtes in dem le˙be·mit wein gesoten und des tags auff ein male nŭchter getruncken auff vier lot. (Wermůt wasser gemüscht under tinten·behŭtet dz papier voτ den meüsen und wŭrmen do mit geschτiben· (Wermůt ist fast gůt und nücz den zerknüscheten gel˙dern·wenn man darzů thůt oder vermüschet hônig·und ein wenig gůts weins und gestossen kümmel·und darauff gelegt gele˙ch einem pflaster· (öle von wermůt gemachet und in die oτen gelassen·bτingt widerumb dz gehôrde·(Item Wermut mit eŝsig gemenget und den mund mit gewċschen·machet einen wolriechenden mundt· (Die meister spτechen·das wermůt sterck fast den magen·also vertre˙bt s˙ alles das in dem magen bôŝ ist.

(Wermůt und eppich kraute·eins als vil als des andern·gestossen und den safft getruncken mit zucker und mit sŭssem holcz safft vermenget·vertreibt asma dz ist dz schwċr ċtmen· (Wermůt getruncken mit eŝsig·hilfft dem geschwollen milcz· (Wermůt gestossen und das safft gemenget mit hônig·und an die augen gestr˙chen·machet s˙ klar· (Wermůt gesoten mit baummôl und domit den bauch bestrichen·das hilfft dem krancken magen und der bôsen lebern. (Item wermůtsafft mit hônig vermenget·ist gůt wider die trunckenheytt·Und wermůtsafft ist auch gůtt feauwen feüchtigkeit zů bewegen·die zů mann ze˙t bestopffet ist·vermenget mit beyfůŝ safft·und auch mit ein weinig mirτa und auch hônig·darauŝ gema [18] chet ein zapffen in jr schame geleget als Avicenna und Serapio und Pandecta sind bewċren. (Item Wermůtsafft und poτris safft genant boτago·und tausent guldin blůmen·genant centaurea·gesotten mit geyschenn milchmolcken·mit zucker sŭŝ gemachet·ist gůt wider des milczs süchtung·und wider das fieber· (Item Wermůt gesoten in laugen mit stabwurcze·domitt das haubt gewċschen·ist gůt wider die har auŝfallung·genant alopicia·

(1) Alsem, 3de  kapittel.

Absinthium Latijn, Grieks Absinthion, Arabisch Saricon. (Arthemisia absinthium)

De meesters in de artsenij spreken dat alsem heet is in de eerste graad en droog in de andere. Platearius spreekt dat alsem een tegengestelde natuur aan hem heeft, (2) want ze laxeert en stopt en die twee zijn tegen elkaar. En daarom spreekt hij dat alsem genuttigd zal worden met vermenging en dat aangezien worden de gebreken des mensen, want is het zaak dat de natuur des mensen verstopt was zo zal men de alsem geven dingen die haar die natuur benemen van de verstopping en alleen laxeren. Is het echter zaak dat die natuur teveel vloeiend was dan zal men de alsem nemen van de natuur van de vloed en toe geven dingen die je stoppen.

Hierin merk even, wil u de mensen stoppen met alsem zo gebruik die met azijn of met wijn. Wil u echter de mensen laxeren met alsem, zo gebruik die met honing of suiker. Avicenna spreekt dat het sap van alsem erg sterk is te nuttigen dan dat kruid want het sap dat is zo heter in de eerste graad dan dat kruid.

Wie alsem sap drinkt [17] zeven dag na elkaar en op een maal vier quintin met suiker vermengt, datzelfde sap verteert yctericiam, dat is dat gezwel, en beneemt ook de mensen alzo genuttigd hydropisis, dat is die waterziekte.

En alzo genuttigd trekt het veel vochtigheid van de milt en lever. Johannes Mesue spreekt dat alsem versterkt de maag en de lever en brengt lust te eten en maakt gezond de verstopte ziekte zoals dan is de geelziekte en de waterziekte. (3) Alsem doodt de wormen in de buik en drijft ze uit machtig als men daarvan maakt een pleister alzo; Neem alsem vier maal 16,7 gram, Euphorbium een half van 16,7gram, gebrand Panicum koren een 16,7 gram en een 16,7 gram hazengal en daaronder gemengd honing en daaruit een pleister gemaakt en dat gelegd op de buik. Item.Wie dat koude lange tijd gehad heeft die gebruikt te verbeteren het sap van alsem met suiker vermengt, hij geneest daarvan gelijk. (3) Alsem sap vermengt met perzikkernen en in de oren gedruppeld maakt sterven de wormen in de oren. Alsem reinigt de maag en lever van de gallen genaamd colera en trekt in tijd diezelfde vochtigheid uit met het plassen. Ook behoedt alsem de mensen voor vulling van het bloed in het lijf, met wijn gekookt en per dag in een maal nuchter gedronken op vier lood. (3) Alsem water gemengd met een inkt behoedt dat papier voor de muizen en wormen, daarmee geschreven. Alsem is erg goed en nuttig de gekneusde leden als men daartoe doet of vermengt honing en een weinig goede wijn en gestoten komijn en daarop gelegd gelijk een pleister. Olie van alsem gemaakt en in de oren gelaten brengt terug dat gehoor. Item, alsem met azijn gemengd en dan de mond mee gewassen maakt een welriekende mond. De meesters spreken dat alsem versterkt erg de maag, alzo verdrijft ze alles dat in de maag kwaad is.

Alsem en selderij kruid, de een als veel als de andere, gestoten en het sap gedronken met suiker en met zoethoutsap vermengt verdrijft astma, dat is dat zware ademen. Alsem gedronken met azijn helpt de gezwollen milt. Alsem gestoten en dat sap gemengd met honing en aan de ogen gestreken maakt ze helder. Alsem gekookt met olijvenolie en daarmee de buik bestreken dat helpt de zieke maag en de kwade lever. (4) Item alsemsap met honing vermengt is goed tegen de dronkenschap. (5) En alsemsap is ook goed vrouwen vochtigheid te bewegen die ze in teveel tijd verstopt is, vermengt met bijvoetsap en ook met een weinig mirre en ook honing, daaruit gemaakt [18] een pen en in haar schaam gelegd zoals Avicenna en Serapio en Pandecta sinds beweren. Item. Alsemsap en bernagiesap, genaamd Borago, en duizend gulden bloemen, genaamd Centaurium, gekookt met geiten melkwei en met suiker zoet gemaakt is goed tegen de miltziekte en tegen de koorts. Item. Alsem gekookte in loog met citroenkruid en daarmee dat hoofd gewassen is goed tegen de haar uitval genaamd alopicia.

 

Vorm.

De absintalsem wordt net zo groot als de bijvoet, zestig tot honderd twintig centimeter. De bladeren zijn een paar maal geveerd en aan beide zijden grijs zijdeachtig viltig, op droge arme gronden is het meer zilverachtig en op goede gronden meer groen. De kleine, knikkende en lichtgele bolvormige bloemhoofdjes, als knoopjes, staan in een pluim van juli tot september.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit kruid Absinthion en sommige van hun komedieschrijvers noemen dat Apinthion of ook Apinon alsof men ondrinkbaar zei omdat het door zijn onlijdbare bitterheid niet in dranken gebruikt behoort te worden. In het Latijn noemt men het Absinthium en die naam heeft het in de apotheken behouden’.

Absinthium, is de oude naam,  waarschijnlijk stamt het van een Grieks woord apsinthion, een leenwoord van het Perzisch, dat verliezen van vruchten betekent (meer strooien of springen) De naam kan daarvan afgeleid zijn omdat men geloofde dat deze plant het voortijdig afvallen van de in de buurt groeiende vruchten, als druiven, veroorzaakte, of als afdrijvend middel bij geboorte. Of van Grieks a: zonder, psinthos: genoegen, ongenoegen, omdat de bittere smaak het genoegen beneemt, of ondrinkbaar wordt vanwege het bittere sap.

de Hoogduitsers noemen het Weronmut of Wermut’.

Dodonaeus; ‘Door de Duitsers wordt het Wermuth genoemd, oud Hoogduits Werimote en Weramote, Wermuda bij Hildegard, Weronmuth en Wermut bij Bock, wermut staat mogelijk met warm tezamen, zou een verwarmende drank zijn. In een oud kruidboek staat: ‘es erwermet den Leib’. Het tweede deel, het od of ot, betekent schat, (vergelijk Kleinod) bezit of kracht, dat tot uot werd  Later is het woord volksetymologisch an muot geworden. Het gaf als volksmedicijn warmte verlenende kracht (de drank) Vandaar het volksgebruik: "als men de handen van een kind, voor het einde van zijn twaalfde levensweek, met alsemsap overwrijft, zal het geduren­de zijn hele leven door warmte noch koude gekweld worden", Wiegenkraut, gebruikt als slaapbevorderend middel en men legde het in de bedjes, vergelijk Galium. Naar een andere verklaring omdat het de Mut weert, bitter smaakt en dronken maakt. Een dropje wermut die in de vreugdebeker valt, staat de bekervreugde wehrend in de weg. Het ontneemt alle mut door zijn bitterheid. "Ich spur genug an meiner Armut, dat mir das essen schmackt ohne Warnmut". "Ik heb genoeg aan armoede om het eten te laten bederven door wermuth".Symbool van bittere ellende.

 De naam Alsem is genomen uit het 6deeeuws Latijnse aloxinum, alosantus of aloxinum wat stamt uit Grieks aloë oxines, het kruid werd met bittere aloë vergeleken. (mogelijk verwant met Hebreeuws alua: bitter)

 

Gebruik.

Alsem zijn werking was vooral op de maag en zo op de darmen. De laxerende werking kan betwijfeld worden, maar het is erg bitter en bevat eetlustopwekkende stoffen en gebruikt als middel tegen maagstoornissen. Vanwege zijn extreme bitterheid wordt het meestal gebruikt met suiker. (a) De ziekten die voortkomen van ophoping van levenssappen in de holten van het lichaam worden door alsem genezen omdat ze de materis peccans (zondigende ingebeelde ziektestof) uitdrijft.

De laxerende werking kan betwijfeld worden, maar amarum; bitter, is het zeker, het bevat eetlustopwekkende stoffen.

Als abortivum heeft het in de geschiedenis faam gemaakt. Het bevat thuyon dat aanleiding geeft tot aanvallen, stuipen en zenuwstoornissen, zeker niet tegen dronkenschap.

Het gebruik tegen motten is algemeen bekend.

 

Een versterkend bitter, Tinctura d'absynthe, kan er van verkregen worden. Het alcoholgehalte is hoog, de kleur er van is groen. De drank geeft eerst activiteit en aangename sensaties, inspireert tot grote gedachten maar bij gewoontedrinkers degenereert het de hersens, beschadigt het centrale zenuwsysteem en het eindigt in delirium en dood. Alsemolie is een uitgesproken hersengif. Het is het ‘kruid van het vergeten’. Een bepaald bestanddeel van de absintolie veroorzaakt onder andere epilepsie. In ons land werd volgens de Absintwet van 6 dec. 1909, in werking getreden 20 juli 1910, verboden absint in te voeren, te vervaardigen, te verkopen of af te leveren. In Duitsland werd het in 1923 verboden, in Frankrijk op 5 juli 1910. (Het is onlangs weer vrij gegeven)

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Alsen, wit alsem of absinthium is heet in de eerste graad en droog in de tweede. Het heeft een bitter zure, scherpe ((a) dat is pontiken) en allerbitterste smaak. In het begin van de lente kan je het verzamelen in de schaduw, dat is uit de zon. Een jaar kan je het in goede staat houden. (2) Het heeft krachten die met elkaar in tegenstelling zijn, namelijk om te ontsluiten of te laxeren vanwege zijn hitte of bitterheid en samen te binden of te verstoppen vanwege zijn grove substantie. Afgaande op het uiterlijk ben je gemakkelijk van oordeel dat het de tegengestelde werking heeft, daarom moet je het niet geven wanneer het plantmateriaal niet bereid of klaar gemaakt is. (a) Vanwege zijn hitte wordt de materie los gemaakt en doordat het vanwege zijn scherpe zuurheid of wrangheid tezamen wordt geduwd wordt het naar beneden uitgedreven. Alsem opent sterk de verstoppingen zoals de geel gekleurde waterzucht die vooral uit koude zaken ontstaan zijn.

(3) Als je het sap van alsem en de olie uit de kernen van perziken in de oren doet doodt dat de wormen. Item tegen een stinkende mond als gevolg van verrotte materiën die zich in de maag bevinden. Het is een goede wijn waar alsem en de schil van citroen in gekookt is.

(4) Tegen dronkenschap is het goed om het sap van alsem met honing in te nemen.

(5) Een pessarium (dat is een soort van instrument in de baarmoeder net zoals een klysma in de aars) van raapolie waar alsem en bijvoet in gekookt is laat bij de vrouwen hun menstruatie komen’.

(a) Platearius zegt; ‘Absinthii duo sunt genera unum quod dicitur vel quia in ponto insula reperitur vel quod ponticum habet saporem’. Dodonaeus; ‘Plinius zegt dat diegene die in het landschap Pontus genoemd groeit veel bitterder is dan die in Italië groeit. En Ovidius zelf betoont dat de alsem van Pontus zeer bitter is en zegt aldus:

Dit is het bitter landt, het kan me niet behagen.

Want hier zijn de velden grijs die niets anders dan droeve alsem dragen’.

 

Maerlant; ‘Absinthium, als Platearius vertelt, is een kruid van groot geweld. Zeer bitter en doet zeer goed als je het met wijn drinken moet of het sap uitgewrongen alleen dan is zijn nuttigheid niet klein.  Alsem heet het en helpt steeds de lever en de milt, beide. (3) Wormen, zegt de schrift, verdrijft het mede, wat men gelooft. Het purgeert mede het hoofd, die aan beroerte lijdt ik raad hem dit te plegen want het verdrijft haar komen. Die de spraak is benomen is het nuttig dat men het geeft. Die wormen in zijn oor heeft, giet het er in, ze blijven dood. De maag is ze nuttig groot. (3) Ook verdrijft het wormen en mijten die kleren eten en bijten’.

 

Herbarijs;’ Abcincium, dat is alsene en dat is heet in de eerste graad en droog in de 2de.  En men zal het verzamelen op het eind van de lente en drogen en dan blijft het 1 jaar goed. Men zegt dat alsem van (2) zichzelf tegengesteld werkt. Geeft men het voor de vochtvermengingen rijp zijn dan verstopt ze het lichaam en maakt ze hard. (a) En rijpt men de materie voordat men het geeft dan laxeert ze de vochtvermenging, dat is dat ze laat schijten en dus heeft ze een kracht die de natuur helpt laxeren. En een andere is dat ze versterkt dat men stoppen wille en de materie van het euvel uitsluit die ligt in de holte van de leden.

Alsem versterkt de maag en purgeert hete vochtvermenging van rode gal met schijten en ze versterkt de lever en ontstopt en opent die. En ze maakt de lever en de geelzucht lust van eten dat van rode gal benomen werd. En ze geneest de geelzucht en vecht tegen dronkenschap. Met ciceleo (Cicer, ook Cicero) of met spica (Valeriana celtica of Nardostachys jatamansi) gedronken is het goed tegen pijn van de maag en in de darmen die van grove wind en van vochtigheden komen. En met azijn gedronken verzacht het versaagdheid (indigestie) van te veel eten en maakt goede urine. En met zeem (honing) getemperd  geneest het dat gezwel dat onder die oog ligt en droogt lopende oren.

Alsem gemengd met olie van rozen en gesmeerd omtrent de maag versterkt en verdrijft de pijn. En gepleisterd op een harde milt laat die hardheid scheiden. (5) En getemperd met zeem en in de baarmoeder gestoken laat de vrouw haar stonden hebben. En gekookt in olie en de maag daarmee gezalfd en de lever helpt hen zeer.

(3) Dioscorides zegt; Alsem gelegd in kisten  behoedt de klederen dat ze niet door de motten bedorven worden. En vindt men geen alsem neem dan anderhalf drachme polei, want het doet hetzelfde. Bedagoris (Pythagoras ?) zegt dat men net zoveel asa-foetida en mirabolanorum indorum mag nemen die hetzelfde werk doen wat alsem doet’

(2) De betekenis van deze zin is dat alsem een dubbele schijnbaar tegenstrijdige uitwerking heeft. De levensssappen rijpen was een noodzakelijk iets wilde men de opgehoopte levensssappen verwijderen, purgeren, zoals men toen zei.

 

  

 

Knoblach iiii Capi.

Allium latine Scoτdon vel stoτdeon grece·Thaum arabice·

(Galienus spτicht·das knoblach se˙ he˙ŝ unnd trucken in dem dτitten grad· (Platearius und ander meister spτechen·das er se˙ warm und trucken bey dem vieτden grad· (Serapio in dem bůch aggregatoris in dem capitel Thaum·spτicht·daz do se˙ zwe˙er handt knoblach·der ein wild der ander zam·unnd haben be˙d gele˙ch ein natur· (Avicenna·spτicht·das knoblach benemme und verdτucke die geschwulste des menschen in dem le˙be woo die se˙e·der geessen·Und weychet auch geschweren·und ôffnet s˙·und zeühet fast auŝ den eytter·die gesoten und darüber geleget· (Mit knoblach safft geschmieret das haubte tôdtet die leüse unnd auch die n˙ŝs darauff wachŝend·und ist auch gůt wider die har auŝfallung genannt alopicia· (Knoblach ċschen mit hônig gemüschet unnd auff die haut gestrichen·benymmet die bôsen gestalt der haut·moτfea genant· (Dise ċschen also genüczet he˙let bôse geschwere d˙e geôffnet sind·darein gestreüet·(Item knoblach ċschen mit hônig unnd me˙ischen buttern gemenget machet ein re˙ne glate haut·die mit reüdigkeit und auŝseczigkeit überzogen ist·sich domit bestr˙chen nach dem bade·

(Item knoblach ist schedlichen den augen· (Item knoblach gesotten und den genüczet·machet helle stymmen·und ben˙mmt den alten hůsten·und reyniget die bτust den s˙ erkalt ist· (Knoblach gesoten [19] mit seinem kraut mit wein und den getruncken·machet fast wo hċrmen·und bτingt auch also genüczet den frawen jr sucht genant menstruum· (Und zeühet auch auŝ secundinam·dz ist die ander geburd·den bauch domitt bestrichen·oder den gerauch des knoblachs sol die fraw unden herauf zů jrer scham lassen tempffen·und sol auff einen gelôcherten stůl siczen·und sich unden umb bedecken·(Platearius spricht·Wer mit frawen zůschaffen haben will·der me˙de knoblach·wann er verdτucket den samen genannt sperma·das ist·die natur des mannes·und wôlcher darüber sich nôtiget·dem entsteett davon grosse krancke˙t· (Wôlcher überzogen wċre mit bôser kalter feüchtung·jnnwenig oder auŝwendig des le˙bes·der eŝse dick knoblach· (Kein vergifftiges their st˙cht den menschen d jn genüczt hat mit wein. (Wen ein unsynniger hundt geb˙ssen het·der neme knoblach·fe˙genbletter·camillen blůmen·˙egkliches gele˙ch vil·und siede die in wasser·und stosse die·und mache darauŝ ein pflaster·und lege es auff des thieres byŝs·er gen˙set zůhanndt· (Knoblach gerauche vertre˙bet aller handt wŭrm die vergifft be˙ jnen tragen· (Knoblach gesotten mitt eŝsig·und jn getruncken mit hônig wasser genant mulsa·vertre˙bet die spôlwŭrm und aller hanndt wŭrm in dem bauche·

(Knoblach in baummôl gesoten·he˙let vergifftig b˙ŝs an be˙nen und an andern gelydern des le˙bes· (Mit diser salben vertre˙bet man den bġsen ungemach und geschwulst·auŝswendig daran gestrichen· (Item knoblach gesotten mit milch·und die getruncken·ben˙mmt peripleumoniam·das ist ein geschwer auff der lungen· (Diascoτides spτichet·Weer die wassersucht habe die von kalter materien kummt·genant yposarca·d neme knoblach und centaurien·und s˙ede die in wein unnd trincke den·er gen˙set· (Item Pitagoτas ein meister spτicht·Das knoblach gestossen·darunnder gemüschet coτiander·und also genüczett mit wein·vertreybet das lenden wee·und hilfft auch dem der do schwċr ċtmet·Also genüczet d selbig tranck weychet den bauch. (Item knoblach mit bonen gesotten und zerstossen·und darunder gemüschet baummôle·oder maiŝsamen ôle·und darauŝ gemachet ein salben·dise salb dienet fast wol·die schlċff genant tempoτa mit bestrychen für das haubtwee· (Item knoblach d mag leychtlichen verwandelet werden in fenein also·N˙mm den samen davon und sċe jn·davon wirtt knoblach·von dem selben knoblach n˙mm den samen unnd sċe jn auff das zwe˙et mal·dz thů fünff oder sechŝ male·so ist der leczte verwandelt in fen˙n·Darum sol man dem knoblach pflanczen und nit sċen·und geschicht geme˙nigklich von dene [20] gċrtnern·wiewol s˙ die ursach nit enwissen· (Item. Wer d˙ck mal und stċtigs knoblach ˙ŝset bτinget das haubtweetumb·und ist auch bτingen unreynigke˙t des geblŭtes·genannt lepτa. Auch ist knoblach besund bôŝs roch geessen den augen· (Item knoblach gesoten oder gebτaten mit mastix·und bertrum gebulferet·davon das maul gewaċschen·ist gůt wider die zeenweetagen· (Item. Knoblach ist gůt den arbe˙tenden menschen die stċtiges wasser trincken·und eŝsend auch kalte unverdeüliche spe˙ŝ. Darumb spτechen die lerer·das knoblach sej ein triackel der bauren·Wann knoblach ist rechtfertigen und gůt machen das wasser genüczet von den bauren·

Knoflook 4de kapittel. (Allium sativum)

Allium (1) Latijn, Scordon vel stordeon Grieks, Thaum Arabisch.

Galenus spreekt dat knoflook heet en droog is in de derde graad. Platearius en andere meesters spreken dat het warm en droog is bij de vierde graad. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Thaum spreekt dat er zijn twee soorten knoflook, (2) de ene wild en de andere tam en hebben beide gelijk een natuur. Avicenna·spreekt dat knoflook beneemt en verdrukt de gezwellen des mensen in het lijf waar die zijn, het gegeten. En weekt ook zweren en opent ze en trekt erg uit de etter, die gekookt en daarover gelegd. Met knoflooksap gesmeerd het hoofd doodt de luizen en ook de neten die daarop groeien en is ook goed tegen de haaruitval genaamd alopicia. Knoflook as met honing gemengd en op de huid (3) gestreken beneemt de kwade gestalte van de huid, morfeem genaamd. Deze as alzo genuttigd heelt kwade zweren die geopend zijn, daarin gestrooid. Item knoflookas met honing en meiboter gemengd maakt een reine gladde huid die met ruigheid en uitslag overtrokken is, zich daarmee bestreken na het bad.

Item knoflook is schadelijk de ogen. Item knoflook gekookt en dan genuttigd maakt heldere stem en beneemt het oude hoesten en reinigt de borst als ze verkouden is. (5) Knoflook gekookt [19] met zijn kruid met wijn en dan gedronken maakt erg goed plassen en brengt ook alzo genuttigd de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie. En trekt ook uit secundina, dat is de nageboorte, de buik daarmee bestreken of de reuk van knoflook zal die vrouw van onder af naar haar schaam laten dampen en zal op een aarden stoel zitten met gaten en zich onder om bedekken. (6) Platearius spreekt; Wie met vrouwen te doen hebben wil die vermijdt knoflook want het verdrukt de zaden genaamd sperma, dat is de natuur van de man, en welke daarvan zich nuttigt die ontstaat daarvan grote ziekte. Welke overtrokken was met kwade koude vochtigheid, inwendig of uitwendig van het lijf, die eet vaak knoflook. (7) Geen vergiftig dier steekt de mens die het genuttigd heeft met wijn. Als een dolle hond gebeten heeft, die neemt knoflook, vijgenbladeren, kamille bloemen, van elk gelijk veel, en kook die in water en stoot die en maak daaruit een pleister en leg het op dat dieren beet, hij geneest gelijk. Knoflook geur verdrijft allerhande wormen die vergif bij hen dragen. Knoflook gekookt met azijn en opgedronken met honingwater genaamd mulsa verdrijft de spoelwormen en allerhande wormen in de buik.

Knoflook in vijgenolie gekookt heelt vergiftige beet aan benen en aan andere leden des lijf. Met deze zalven verdrijft men het kwade ongemak en gezwellen, uitwendig daaraan gestreken. Item knoflook gekookt met melk en die gedronken beneemt peripneumonie, dat is een zweer aan de longen. Dioscorides spreekt; Wie de waterziekte heeft dat van koude materiën komt, genaamd yposarca, die neemt knoflook en Centaurea en kook die in wijn en drink het, hij geneest. Item Pythagoras, een meester, spreekt; Dat knoflook gestoten en daarin gemengd koriander en alzo genuttigd met wijn verdrijft dat lendenpijn en helpt ook die er zo zwaar ademt. Alzo genuttigd dezelfde drank weekt de buik. Item knoflook met bonen gekookt en gestoten en daaronder gemengd olijvenolie of boommoszadenolie en daaruit gemaakt een zalf, deze zalf dient erg goed de slaap, genaamd tempora, mee bestreken voor die hoofdpijn. (2) Item knoflook die mag lichtelijk veranderd worden in venijn alzo; Neem de zaden daarvan en zaai het, daarvan wordt knoflook, van dezelfde knoflook neem de zaden en zaai het voor de tweede keer, dat doe je vijf of zes maal, dan is de laatste verandert in venijn. Daarom zal men de knoflook planten en niet zaaien en gebeurt gewoonlijk van den [20] tuinders, hoewel ze de oorzaak niet goed weten. Item. Wie vele malen en steeds knoflook eet brengt dat hoofdpijn en is ook brengen onreinheid van het bloed genaamd lepra. Ook is knoflook bijzonder boos rauw gegeten voor de ogen. Item knoflook gekookt of gebraden met mastiek en bertram poeder, daarvan de muil gewassen is goed tegen die tandpijndagen. Item. (4) Knoflook is goed de arbeidende mensen die staand water drinken en eten ook koude onverteerbare spijzen. Daarom spreken de leraar dat knoflook een teriakel is van der boeren. Want knoflook is rechtvaardigen en goed maken dat water genuttigd van de boeren.

 

Vorm.

Knoflook is een plant met platte bladeren. De vliezige schede om de bloeiwijze loopt uit in een lange punt, tussen de lang gesteelde bloemen vormen zich vele kleine broedbolletjes.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt in onze taal loock genoemd en tot verschil van de wilde geslachten tam look, in het Latijn en in de apotheken Allium en Allium sativum, in het Hoogduits Knoblauch. In het Grieks heet het Scorodon. In het Grieks, zegt Lobel, is het Scorodon genoemd omdat het de mens tot uitrekken beweegt met gapen en geeuwen dat in het Grieks Scorodonismos heet wat het doet omdat het enige sterke reuk van zich geeft en in de mond een onlieflijke scherpte geeft als men dat eet en drijft de onnutte vuile dampen naar de huid’.

Look komt in het midden-Hoogduits in Knobelouch, Knoblach voor, in het Angelsaksisch leac en Engelse leek. Look komt van midden-Hoogduits lauch, ‘sluik’, naar de vorm van de bladeren. Mogelijkerwijze is de plant naar zijn afwaarts gebogen bladeren genoemd. Knoflook is ontstaan door naamsverandering van kl tot kn knoflook. Het was eerst cloflooc en kloflook. Klof hangt evenals kloof en kluif samen met werkwoord ‘klieven’ of ‘splijten’, dus gespleten, gekloofde look omdat het in zogenaamde tanden gespleten is.

De naam Allium kan van het Keltisch all komen dat ‘heet’ of ‘brandend’ betekent. Misschien komt het echter van het Latijnse olere, ‘rieken’, naar de penetrante geur. Franse ail, afgeleid van Allium. De verzamelnaam van uiensoorten is look.

 

Gebruik.

Verse knoflook bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger en nog niet zo lang geleden dacht men dat ziektes door boze geesten, demonen, werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte het met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het zwart. Men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals of tegen een deur gespijkerd.

Volgens Herodotus werd knoflook vanouds gebruikt als middel tegen melancholie en wormen. Galenus beschrijft het als boerenteriakel; ‘antimiddel’. Vanwege zijn antiseptische werking werd het als voorbehoedmiddel tegen pest gebruikt en ook om bedorven drinkwater te verbeteren.

De farmacodynamische eigenschappen voor knoflook aangegeven stemmen ongeveer overeen met deze die er door de huidige wetenschap aan wordt toegekend, alleen het gebruik bij huidziektes komt wat vreemd voor. Het lijkt toch vooral tegen huidzeer gebruikt te zijn. Mogelijk omdat dan die plaatsen gewassen, schoon gemaakt werden met het sap en de antiseptische stoffen deden de rest. Hetzelfde zie je in het volgende gebruik in Herbarius in Dyetsche; ‘Gebakken knoflook die met suiker gemengd is en gegeten wordt verheldert de stem. Ook is het goed tegen oude hoest en tegen pijn in de maag die uit verkoudheid komt’. Dat vermeldt Dodonaeus ook.

(2)  Allen spreken van twee soorten knoflook. Platearius spreekt van allium domesticum en allium silvestre. De tweede is Allium scorodoprasum die in de Gart in kapittel 358 verschijnt en hier dus ook besproken wordt, zie daar.

Herbarius in Dyetsche vermeldt dat van de wilde wat de Gart van de tamme zegt. Dodonaeus; ‘De geslachten van look zijn tweevormig, te weten de tamme wat wederom in meer andere geslachten verdeeld wordt en de wilde dat ook veelvormig. Zijn bladeren zijn groen en langwerpig als uienbladeren waartussen een ronde holle steel voortkomt daar de bloemen en het zaad op groeien die op de bloemen en zaad van ui lijken, maar dit voortkomen van de steel gebeurt zeer zelden en dat nimmermeer het eerste of het tweede jaar, maar vele jaren nadat het gezaaid is en dit is de oorzaak waarom dat vele gemeend hebben dat look geen steel, bloemen of zaad voortbrengt. Look wordt niet geplant met de gehele bol, maar van kleine klisters waarin het van de bol gedeeld wordt en wordt geteeld op vele vormen zoals in het lang geschreven staat in de boeken van de landwinning. Het groeit ook van zaad, maar traag en enige verzekeren dat het zaad van niet verplant look dat gezaaid is tot vijf of zes keren toe tenslotte een vergiftige wortel voortbrengt. En voorwaar hier te lande is de eerste soort van look die zaad voortbrengt van vele hoveniers niet bekend die geen ander look in hun hoven onderhouden dan dat klisters in plaats van zaad heeft, ja ze zullen zeggen dat het look nimmermeer zaad heeft’.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Loock of Alleum is een plant die goed bekend is. Er zijn twee soorten van als een tamme die in de hoven groeit en een wilde die scorodoprasum heet. Tamme knoflook of huislook is heet en droog in de derde tot de vierde graad. Wilde look is heter en droger en daarom zal het gemakkelijk in venijn veranderen als je zo doet: ‘Neem knoflookzaad en zaai het en het zaad dat daarvan komt dat zaai je weer en zo een vijf of zesmaal door. Dan zal het laatste knoflook venijn worden’. Daarom moet je knoflook verplanten en niet zaaien vanwege deze zaak en niet anders al is het dat de hoveniers dit allemaal niet weten.

(3) Tegen het uitvallen van het haar dat uit stinkende vochtvermenging voortkomt: ‘Meng gestampte knoflook met de olie van laurierbes of met het droesem (dat is het dikke van de vlasolie) en daar mee bestrijk je die plaats’.

Tegen vochtige zweren en roos van het hoofd neem je gestampte knoflook en strijk dit er op. Tegen luizen en neten is het goed om knoflook te eten en andere dergelijke soorten.

De Meesters zeggen dat als je veel knoflook eet hoofdpijn krijgt, ja, als je het zeer veel eet geeft het melaatsheid en dergelijke zware ziekten. Als je rauwe knoflook eet verziekt dit het gezicht want het verdroogt zeer met natte ogen en houdt niet op. Tegen tandpijn is het goed om de mond lauw te wassen met water waar knoflook, mastiek en bertram in gekookt is.

Gebakken knoflook die met suiker gemengd is en gegeten wordt verheldert de stem. Ook is het goed tegen oude hoest (a) en tegen pijn in de maag die uit verkoudheid komt.

Knoflook verwarmt, besnijdt en verteert, daarom is het goed voor diegenen die grove, taaie vochtvermenging in de maag hebben.

Knoflook is goed voor diegene die paddenstoelen (dat is een cantharel) hebben gegeten, paddenstoelen, zegt men, zijn venijnig vanwege hun grote koude. Het is ook voor de rustende goed die overdag koud water drinken, grof eten en koude etenswaren gebruiken, daarom zegt men; ‘knoflook van de rustende’. Drieakel (4) is knoflook, het corrigeert en verbetert het water dat na het eten gedronken wordt, daarom is het voor de scheepslui die dikwijls slecht water drinken goed om te gebruiken.

Gewreven knoflook dat met honingwater ingenomen wordt laxeert slijm (uit de longen) en wormen.

Knoflook verdrijft heel goed de oprispingen die van windachtigheid komen en daarom zegt Galenus dat knoflook meer de winden verteert dan enig ander medicijn die de winden weg neemt.

Tegen morfeem (dat zijn plekken) snij eerst of sla op die plekken en dan wrijf je er het sap van knoflook op.

Als je de wortel van Iris eet is dit goed tegen de stank van knoflook.

(a) Tuberculose?

 

Herbarijs; ‘Allium, dat is looc, en het is heet en vochtig in de 4de graad. (2) En er zijn 2 soorten van, de ene is wild en de andere tam en die groeit in de hof waar men het plant en dat is wat we gewoonlijk gebruiken. En de andere groeit op het veld en heet scordion. Dit is niet zo fel als de andere en daarom gebruikt men het meest voor genezing. En dit verzamelt men op het eind van de lente en droogt het. Zo kan men het 2 jaar gebruiken, maar het is beter dat men het elk jaar vernieuwt. Maar dat men gewoonlijk gebruikt heeft grote kracht in het hoofd op te lossen en te verteren. En deert diegene die van hete samengesteldheid zijn zoals heet bloedige. Maar flegmatische helpt het wel en diegene die aanleg hebben om jicht te krijgen. (6) En verdroogt wulpsheid en lost grote wind op en verstopping.

Hippocrates zegt dat look goed urine laat maken. Nochtans deert het de ogen. En doodt de wormen. (7) En geneest dolle hondenbeten en giftige beten, gepleisterd. En het is goed tegen alle pijn die van verkoudheid komt zoals triakel. (4) En sommige meesters noemen het dorpstriakel.

Dioscorides zegt dat het grote winden laat scheiden en het lichaam ververst en helpt diegene die slecht water gedronken hebben. Ja gepleisterd op de plaats daar grote vochtvermenging verzamelen of vergaderd zijn laat die scheiden. En verzacht tandpijn die van koude komt. En verslaat dorst die van koude uit de maag komt. En geneest druppels en huiduitslag en puisten op welke plaatsen dat ze zijn, ja daarop gewreven en gepleisterd. (5) En laat de vrouw haar stonden hebben en verdrijft het net daar het kind in ligt als het vrouw na haar pijnen in bronwater zit daar het in gekookt is. Look dat in bossen groeit is heter en droger.

 

   

 

Odermynge Das fünfft Capitel

Agrimonia ferτaria minoτ latine·Argemonia grece·scelen arabice·

(Der meister Platearius und ander meister in dem capitel Agrimonia·spτechend·das dises kraut se˙ he˙ŝ unnd trucken in dem zwe˙eten grad· (Diascorides·Odermynge grŭn gestossen·und also getruncken·vertreibet die erhabnen pestilencz in dem menschen·Unnd also genüczet·vertre˙bet s˙ alle geschwere jnnerlich. (Odermynge ist gůt dem die gestochen sind von vergifftigen thieren·als von schlangen des safftes getruncken·Und ob ein tobender hundt einen geb˙ssen het·der neme oderm˙nge und grüŝ die·und lege s˙ darauff·er gen˙set·(Odermynge safft getruncken·vertre˙bet das bauchwee· (Odermynge grŭn und fr˙sch gestossen·und auf die bôsen geschwere geleget·danon sich erhebet der wolff·er gen˙set·(Oderm˙nge gemüschet mitt eŝsig vertre˙bt die wċrczen daτ auff geleget geleych einem pflaster·(Wer ein bôses milcz hċt der bτauch oderm˙nge und h˙rŝzung in der kost·er genyset·

(Die wurczel von odermynge gesoten mit wein und den genüczet·ist gût den erlammten gel˙deren·(Der meister Galienus spricht·daz oderm˙nge fast gůt sej dem der den krebs hat·der sol odmynge eŝsen in aller kost er ge [21] n˙set davon· (Oderm˙nge n˙met h˙n alle unre˙nigkeit des menschen es se˙ auff dem haubt oder allenthalben an dem le˙be·domit gezwagen und gewċschen· (Oderm˙nge vertre˙bt den harwŭrm·die grůŝ darauff geleget·(Item allen zerknüscheten gel˙dern ist die grůse saft gůtt·darauff gebunden· (Oderm˙nge heylet schleg und zerschlagne gel˙der·mit dem safft darauf gestrychen· (Item wôlcher ermŭdet wċr von vil geen der bade die fŭŝ mit oderm˙nge·er wirt davon leychtlichen widerumb geen werden· (Von oderm˙nge getruncken·vertreybet allen schmeτczen in dem le˙be· (Item. Odermynge ist fast gůt für den stein domit gebadet in einem schweiŝ bade·der do gewachŝen ist von hycze und von der dürτe·als denn sind die colerici· (Item Oderm˙nge ist gůt wid die bestopffung der gelyder jnnwenig·wann oderm˙nge ist enge bestopffung we˙t machen·darumb so ist es wol machen hċrmen· (Item Odermynge safft mit sauer ampffer wasser vermenget·ist gůtt genüczt wider verh˙czet apostemen genannt antrox·und auch wider apostemen mit der pestilencz vermenget· (Item oderm˙nge wasser mit thncien vermenget·unnd zů den augen genüczet ist die augen gesundt machen und erklċren·

(1) Agrimonie. Het vijfde kapittel.

Agrimonia ferraria minor Latijn, Argemonia Grieks, scelen Arabisch. (Agrimonia eupatoria)

De meester Platearius en andere meesters in het kapittel Agrimonia spreken dat dit kruid heet en droog is in de tweede graad. Dioscorides; Agrimonie groen gestoten en alzo gedronken verdrijft die verheven pest (4) in de mensen. En alzo genuttigd verdrijft ze alle zweren innerlijk. Agrimonie is goed die gestoken zijn van (4) vergiftige dieren zoals van slangen, het sap gedronken. En als een dolle hond een gebeten heeft die neemt agrimonie en vergruis die en leg het daarop, hij geneest. Agrimonie sap gedronken verdrijft de buikpijn. Agrimonie groen en vers gestoten en op die kwade (5) zweren gelegd, daarvan zich verheft de huidsmet, hij geneest. Agrimonie gemengd met azijn verdrijft de wratten, dat opgelegd gelijk een pleister. (2)Wie een kwade milt heeft die gebruikt agrimonie en hertstong in de kost, hij geneest.

De wortel van agrimonie gekookt met wijn en dan genuttigd is goed de verlamde leden. De meester Galenus spreekt dat agrimonie erg goed is die de kanker heeft, die zal agrimonie eten in alle kost, hij [21] geneest daarvan. Agrimonie neemt heen alle onreinheid van de mensen, hetzij op het hoofd of geheel aan het lijf, daarmee gedweild en gewassen. Agrimonie verdrijft de haarwormen, het gruis daarop gelegd. Item alle gekneusde leden is dat gruissap goed, daarop gebonden. Agrimonie heelt slagen en geslagen leden, met het sap daarop gestreken. Item wie vermoeid was van veel gaan die baadt de voeten met agrimonie, hij wordt (5) daarvan lichtelijk wederom gaande worden. Van agrimonie gedronken verdrijft alle pijnen in het lijf. Item. Agrimonie is erg goed voor de steen, daarmee gebaad in een zweet bad, die zo gegroeid is van hitte en van de droogte zoals dan zijn de galachtige. Item. Agrimonie is goed tegen de verstopping van de leden inwendig want agrimonie is enge verstopping wijder maken, daarom zo is het goed om plas te maken. Item. Agrimonie sap met zuringkruid water vermengt is goed genuttigd tegen verhitte gezwellen genaamd antrax (3) en ook tegen gezwellen met de pest (4) vermengt. (4)  Item agrimonie water met thucia vermengt en tot de ogen genuttigd is de ogen gezond maken en verhelderen.

 

Vorm.

Agrimonie heeft grijsgroene, geveerde en aromatische bladeren. Agrimonie met zijn slanke, lange aren van gele bloemen wordt een meter hoog in juni/juli. De bloe­sems worden gevolgd door stijve, harige en kleine zaden. De zaden hangen naar beneden en zijn klaar om je te bespringen.

 

Naam.

 (1) Dodonaeus; ‘In het Grieks en Latijn heet dit kruid Eupatorium, Plinius noemt het Eupatoria. Het heeft ook sommige onechte namen, te weten Hepatorium en Hepatites. Daar is nochtans noch een ander kruid Eupatorium door Apuleius genoemd, te weten Malrove. Daar is ook een ander Hepatorium in de apothekerswinkels zo genoemd dat gewoonlijk gebruikt wordt wat Eupatorium adulterinum heet of boelkenskruid. Dan de apothekers plegen dit kruid dat we nu beschrijven en Eupatorium noemen Agrimonia te noemen sommige noemen het Ferraria minor’.

Agrimonia komt van het Griekse agros, ‘veld’, en ’mone, ‘woonplaats’, een plant die in de velden groeit. Het kan ook ontleend zijn van argemon, ‘een witte vlek op de ogen’, (arges, ‘wit’) die deze plant zou genezen. Volgens de fabelleer hield de reus Argus zijn honderd ogen in goede staat door deze plant. Op deze wijze is Agrimonia van Argus af te leiden, zie Herbarius in Dyetsche (c). Net zo de Herbarijs.

Dodonaeus; 'Dat kruid heeft zijn naam Eupatorium van de koning Eupator gekregen en mag om die reden (zoals Plinius zegt) voor een heerlijk, ja koninklijk kruid in de oude tijden geacht worden. Niet tegenstaan al deze krachten en deugden van dit kruid zijn er sommige die in plaats van deze agrimonie (die nochtans het echte Eupatorium van Dioscorides is) liever en meer boelkenskruid mannetje gebruiken (Eupatorium), wel verstaande in de gebreken en ziekten van de lever waarnaar dat kruid zijn naam heeft, maar die zijn niet te berispen aangezien dat ze dat kruid krachtiger en beter bevonden hebben in die gebreken dan dit kruid dat we nu beschrijven wat van de ouders meer gebruikt is geweest’.

 Het is de Eupatorium van de oude schrijvers. Plinius zegt; ‘Eupatorium quoque regiam auctoritatem’, koninklijk kruid zegt Dodonaeus (naar koning Eupator).

Dodonaeus; ‘in het Hoogduits heet het Odermeng.

Het is de Duitse Odermenning, oder: otter of slang, oud-Hoogduits menig: groot of machtig, dus een krachtig middel tegen slangenbeten, maar in laat oud-Hoogduits was het Avar- of Avermonia, ook Adermeng, het mennig leunt wel aan de rode loodkleur aan, dit uit Latijns agrimonia wat weer afkomstig is uit Grieks argemone van Dioscorides.

Bij ons heet het ook wel leverkruid en in Engels liverwort. De Herbarijs, Herbarius in Dyetsche en Dodonaeus vermelden niets tegen de milt of lever.

 

Gebruik.

Het gedroogde kruid heeft een eigenaardige kruidachtige en bittere smaak. Het werd vroeger gebruikt als gorgelwater voor zangers en sprekers. De zogenaamde ‘heilandsthee’ is zeer goed tegen ontstekingen in de mond en daarom goed voor zangers. Al in de oudheid werd het kruid gebruikt als een opwekkende thee voor lever-, gal- en ingewandstoornissen. Tegen huidaandoeningen werd het vooral gebruikt in badwater.

Hildegard von Bingen ziet Odermennig aan als een middel tegen huidziektes. De tamelijk hoge hoeveelheid looistoffen (5%) in Agrimonia kan, gezien de bactericide en adstringerende werking de wond zuiverende, bloedstelpende en oogklarende werking enigszins verklaren.

(4) Het helpt tegen gif en giftige dieren, dus ook tegen pest.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘(5) Tegen pijnen en gezwellen van de leden meng je het sap van Agrimonia met meel van fenegriek, met bolus armeniacum (dat is rode aarde) en met zwijnenvet en gebruik het.

Als je Agrimonia met warme groente als hete spinazie eet is het goed tegen pijn in de buik en de milt.

Agrimonia is goed om te laten plassen, het opent de verstoppingen.

(3) Als je het groen stampt en samen met zuringwater drinkt is het goed tegen kwade puisten (als antrax) (b) en tegen beten van serpenten of dolle honden en als je het aan de buitenkant legt helpt het daar ook goed tegen’.

 

Herbarijs; ‘Agrimonie heelt wonden en is goed in wonddranken en is goed om er de wonden mee te wassen. En het is goed in diepe etterwonden en in kanker en in alle vuile gaten. En ze stelpt bloed in de neus en die het gebruikt geeft ze helder zicht’.

 

  

 

eppich vi Capitel

Apium latine·Gτece Selvium. Arabice Kaspar vel karsi·

(Der meister Platearius spτichet·das eppich se˙ heyŝ unnd trucken bey dem dτytten grad.

(Der wirdig meister Avicenna spτicht·das eppich se˙ warm in dem ersten grad·und trucken in dem zwe˙eten grad·und d same von eppich mer genüczt weτde in der erczney denn das kraut oder die würczel· (Dises kraute gele˙chet den kerbeln.und hat we˙sse blŭmmlein.(Mercke·Wenn man schτe˙bet in den recepten apium·so me˙nend dye ċrczte den samen und nit dz kraut noch die wurcz. (Eppich samen gebulfert und eingenommen mit rċtich wasser·machet wol hċrmen [22] und zerbτicht dem steiu inn d blasen und auch in den lenden· (Item Avicenna spτicht·das in d wurczel mer krafft se˙ denn in dem samen·und der same mer krafft hat denn das kraut· (Der meister ˙saac in seinen bůch genant de dietis particularibus in dem capitel apium spτicht·Das eppich gemüschet mit wein sŭŝe gemacht mit honig genant mellecrat machet den menschen wol hċrmen· (Und also genüczet bτingt auch die kranckeit der frawen genant menstruum· (Eppich also genüczet machet wol dċuwen. (Plinius. Eppich wurczel gesoten mit wein und den getruncken treibet auŝ den steine in der blasen und auch in den lenden· (Diascoτides in dem capitel Apium spτicht·das der samen von eppich fast gůt se˙ dem der nit hċrmen mag· (Item die wurczeln von eppich gesoten in wein und den getruncken tre˙bt anŝ dem menschen vergifft·Und also genüczet ben˙mmet das bτechen genant vomitum·und ôffnet den zerschwollen magen· (Der meister galienus in dem bůch genant de agricultura spτicht·das eppich samen bτing lust den mannen und auch den frawen·und d ursachen halb ist es verboten zů nüczen den ammen die kinder seügen·wann von grosser begirde der eppiche samen bτingt zů unkeüscheit ben˙mmt er den ammen die milch und fallen die kind darnach in groŝ kranckheit· (Eppich samen genüczet machet einen wolriechenden mundt·Darumbe wôlicher mit fürsten oder mit herren reden wolt d mag voτh˙n epich bτauchen in der kost· (Wervon sucht sein farbe verloτn hett d esse eppich samen tċglich in der kost s˙ wirt im wider kommen· (Epich samen mit fenchel safft und also genüczet hilffet der geschwollen milch in den bτüsten·also das s˙ darnach nit schwerent· (Dises hilfft auch der siechen lebern und milcz· (Des geleichen ist epich mit petersilg wurczel mit wein gesoten den wassersüchtigen gůt die von kalter materien kommet. (Eppich safft mit dem weissen eines eyeŝ zerschlagen und mitt wercke also ein pflaster auff die wunden gelegt·seübert s˙· (Galienus spricht·Wġlche frauwen kinder tragen die sollen epich samen me˙den·wann an des kindes le˙b werden davon unre˙n plattern· (Auch spτichet Galienus. Eppich dicker mal genüczet ist die fallend zucht bτingen·Unnd schwanger frawen sollen nit nüczen eppich·wann es ôffnet die flüŝs des ungeboτnen kindes ee es die zeit begreiffet· (Und frauwen de kinder sind seügen sollen nit nüczen eppich·auff daz s˙ nit unsining werden od die fallend sucht nit überkommen·wann epich ist tċmpff in das haubt übersich bewegen· (Item.Eppich unnd stabwurczel gesotten in laugen davon gezwagen ist gůt für daz har auŝ fallen genannt alopicia.(b.j) [23]

Selderij 6de kapittel.

Apium Latijn, (1) Grieks Selvium. Arabisch Kaspar vel karsi. (Apium graveolens)

De meester Platearius spreekt dat selderij heet en droog is bij de derde graad.

De waardige meester Avicenna spreekt dat selderij warm is in de eerste graad en droog in de tweede graad en het zaad van selderij meer genuttigd wordt in de artsenij dan (2) dat kruid of de wortel. Dit kruid lijkt op de kervel en heeft witte bloempjes. Merk: Als men schrijft in de recepten Apium dan bedoelen de artsen de zaden en niet dat kruid noch het kruid. Selderij zaden gepoederd en ingenomen met radijswater maakt goed (3) [22] plassen en verbreekt de steen in de blaas en ook in de lenden. Item, Avicenna spreekt dat in de wortel meer kracht is dan in de zaden en de zaden meer kracht hebben dan dat kruid. De meester Isaac in zijn boek genaamd de dietis particularibus in het kapittel Apium spreekt dat selderij gemengd met wijn en zoet gemaakt met honing genaamd mellecratum maakt de mensen goed plassen. En alzo genuttigd brengt het ook de ziekte der vrouwen genaamd menstruatie. Selderij alzo genuttigd maakt goed verteren (verduwen). Plinius: Selderij wortel gekookt met wijn en dan gedronken drijft uit de steen in de blaas en ook in de lenden. Dioscorides in het kapittel Apium spreekt dat de zaden van selderij erg goed is die niet plassen mag. Item de wortels van selderij gekookt in wijn en dan gedronken drijft uit de mensen vergift. En alzo genuttigd beneemt dat braken genaamd vomitum en opent de gezwollen magen. De meester Galenus in het boek genaamd de agricultura spreekt dat selderijzaden brengt lust de mannen en ook de vrouwen en vanwege die oorzaak is het verboden te nuttigen de voedsters die kinderen zuigen want van grote begeerte der selderij zaden brengt het tot onkuisheid en beneemt de voedsters de melk en valt dat kind daarna in grote ziekte. Selderijzaden genuttigd maakt een welriekende mond. Daarom wie met vorsten of met heren reden wil die mag voorheen selderij gebruiken in de kost. Wie van ziekte zijn kleur verloren heeft die eet selderijzaden dagelijks in de kost, het zal hem weer komen. Selderijzaden met venkelsap en alzo genuttigd helpt de gezwollen melk in de borsten alzo dat ze daarna niet zweren. (6) Dit helpt ook de zieke lever en milt. Desgelijks is selderij met peterseliewortel met wijn gekookt de waterzuchtige goed die van koude materie komt. Selderijsap met het witte van een ei doorslagen en met (doek) werk alzo een pleister op de wonden gelegd zuivert ze. Galenus spreekt; (4)  Welke vrouwen kinderen dragen die zullen selderijzaden mijden want aan het kind lijf worden daarvan onreine plaatsen. Ook spreekt Galenus: Selderij dikwijls genuttigd is de vallende ziekte brengen. En zwangere vrouwen zullen niet nuttigen selderij want het opent de vloed van de ongeboren kinderen eer de tijd rijp is. En vrouwen die kinderen zuigen zullen niet nuttigen selderij opdat ze niet onzinnig worden of de vallende ziekte niet overkomen want selderij is damp in dat hoofd over zich bewegen. Item. (5) Selderij en staafwortel gekookt in loog en daarmee gedweild is goed voor dat haar uitvallen genaamd alopicia. [23]

 

Vorm.

Eppe of selderij is een tweejarig kruid met een gevoorde en vertakte stengel. De bladeren zijn glimmend, gelobd of drievoudig gedeeld. De witte bloemen staan in eindstandige of okselstandige schermen, van juni tot september.

 

Naam.

 (1) Dodonaeus; ‘In het Latijn is dit gewas Palustre Apium of, zo Gaza schrijft, Paludapium genoemd alsof men broek eppe zei, in de apotheken alleen Apium zonder enige toenaam, in het Grieks Elaeoselinon of liever Eleioselinon en in onze taal gewoonlijk eppe en soms joffrouw-merck, in het Hoogduits Epffich’.

Apium is afgeleid van apon: een Keltisch woord voor ‘water’, een waterplant. De naam verbasterde van apium (eigenlijk een plant die door de bij (apis) bij voorkeur bezocht wordt) tot het Midden-Nederlands eppe en midden-Hoogduits Eppe en Eppich of Epffich.

Onze naam selderij, de Duitse Sellerie en Engelse celery stammen uit het Franse celeri uit de 17de eeuw. Dit op zijn beurt is ontleend aan het Italiaans selleri, dat weer afkomstig is van het Latijnse selinum en deze weer van een Griekse naam voor de plant, selinon.

 

Werking.

De zaden van selderij leveren een vluchtige olie die voor likeur, parfum en zeep gebruikt worden, ook voor het kruiden van voedingsmiddelen. Een extract van de zaden wordt wel voor medische doeleinden gebruikt. Omdat het veel keukenzout bevat werkt het gunstig op blaasziektes en nierziektes.

 

Herbarius in Dyetsche: ‘Eppe of ionffrou merck is hetzelfde als Apium, die is heet in de eerste en droog in de tweede graad zoals Avicenna zegt, maar volgens Platearius is het heet omtrent de derde en droog in het midden van de derde graad. (3) Het heeft de kracht om oprispingen en gezwellen te ontbinden, verstoppingen te openen en tevens om de pijn te verzachten. (e )Er zijn vele eppesoorten zoals de tamme die in de hof groeit en de wilde die in het wild groeit, ook is er nog een andere die in het water groeit. Het zaad, eppezaad genoemd, moet je in medicijnen doen want dat heeft de meeste kracht, het is goed tegen een stinkende mond.

Ook is eppe goed tegen verstopping van de lever (a) en van de (6) milt die uit koude zaken komen als je het zo maakt: ‘Neem van eppezaad drie grein; van hertstong en bernagie elk een half grein; een hand vol van van gele lis wortels; van Bruscus en asperge, van elk twee drachmen; venkelzaad en peterseliezaad, van elk een drachme; dit kook je in water totdat de helft verkookt is, dat doe je door een doek en maak het zoet met witte suiker waar je een drank van maakt die je gebruikt zoals eerder in het negende kapittel is beschreven met zijn pillen en versterkende dingen’.

Tegen verstoppingen van de lever (b) en van de milt leg je er deze pleister op: Neem het sap van eppe, dillenzaad en heemstwortel en meng het tezamen met meiboter.

Tegen de steen om die te breken: ‘Neem het sap van eppe, duizendblad, steenbreekzaad en krieken over zee, hiervan maak je een siroop’.

(5) Tegen het uitvallen van het haar: ‘Neem loog en daarin kook je eppe en averone en daar mee was je het hoofd’.

(4) Eppe sterkt en maakt een geneigdheid tot de vallende ziekte, (c) daarom zegt Galenus dat vrouwen die kinderen dragen dit moeten vermijden want het ontbindt de stof waar de vrucht in het lichaam mee gebonden is. Het maakt in de vrucht blaren en schurft. Diegene die hun kinderen zogen zullen moeten afwachten of hun kind de vallende ziekte krijgt of gek wordt want het ontbindt hun materie en jaagt die opwaarts omdat de gangen van de kinderen nauw zijn, daarom zijn ze bevattelijk om de vallende ziekte te krijgen. Eppewortel dat met venkel in het sap van aardrook en van Salvia sclarea gekookt en met suiker zoet gemaakt wordt is een goede siroop tegen waterzucht die uit slijm komen. Ook tegen geelzucht die uit verstopping (b) komt.

Eppe, venkelzaad, peterseliezaad dat met duizendblad in wijn gekookt wordt is goed tegen aandrang tot waterlozing (d), het laat plassen en de menstruatie komen, vooral laat het plassen als in het kooksel licoutripon wordt gedaan’

. (a, b,) Galstenen? (c) Epilepsie. (d) Urineweginfectie.

 

Maerlant; ‘Apium, zoals Platearius dacht, dat verhit en verdroogt. De wortel is de medicijn hem die van dysenterie heeft pijn en is ook voor de lever goed opdat men ze stampen doet en men drinkt het met lauwe wijn tegen zulke pijn’.

 

Herbarijs; ‘Apium of marke of apie of eppe, dat is allemaal hetzelfde. Het is heet minder dan in de 3de graad en droog in het midden van de 3de graad. En het zaad heeft de meeste kracht, daarna de wortel en daarna het kruid. En als men het beschreven vindt zal men het zaad nemen. En het opent (6) verstopping van de milt en laat urine maken en de vrouw haar stonden hebben. Hippocrates zegt dat de bladeren van Apium beter urine maken dan ze de loop verstopt, nochtans verstopt ze de loop. Het sap van Apium met venkel verjaagt de koorts. En zaad van Apium is goed om alle koude vochtvermenging te laten rijpen. Apium zaad, zeem en tarwebloem tezamen gemengd en gepleisterd verzacht en verdroogt diepe etterwonden en alle vuile gaten en gezwellen en kanker. En Apium heeft kracht vloeiende vochtvermenging te verdrijven in het hoofd en in de maag en van de tong. (4)  En diegene die vallende ziekte hebben zal men het niet geven want ze deert hen en laat hen vallen en ze zullen het niet ruiken. En ze deert kinderen. En ze is kwaad gegeten door vrouwen die een kind dragen omdat kwade vochtvermenging in de baarmoeder van de vrouw gegroeid zijn want het kind is ermee gevoed en omdat ze de banden breekt waar het kind in gebonden ligt.

Galenus zegt dat vrouwen die kinderen dragen en veel Apiumzaad nuttigen dat die kinderen met recht vuile blaren hebben en veel vochtvermenging en vuile wonden en vuile gaten. En daarom verbieden de dokters de vrouwen die kind dragen of zuigen dat ze geen Apium eten zodat die kinderen niet besmet worden met vallende ziekte of met andere ziektes zoals gezegd is. En het is slecht voor de kinderen.

(e ) En het is er in 3 soorten; Apium reninum. Apium ermoroydarum. Die gekookt in wijn en gepleisterd op de geslachtsdelen of beneden de navel is goed voor de lendenen en laat goed urine maken. Een ander geslacht van Apium is er die de dokters Cerfolium (Anthriscus cerefolium) noemen en mensen schelden het uit voor kervel. En ze is heet in de 3de graad. En gedronken met wat zeem laat goed urine maken en de vrouw haar stonden hebben. En verzacht de nieren en de geslachtsdelen en kramp en de blaas dat van grove wind komt. En verzacht ook de wind in die en in de lever en opent alle leden binnen van verstoppingen die verstopt zijn.

En noch is er 1 geslacht van Apium dat men Petroselinum (Petroselinum crispum) noemt en sommige mensen noemen het persiin. En dat is heet en droog op het einde van de 3de graad. Galenus zegt dat peterselie gepleisterd op druppels en op huiduitslag en op puisten het zuivert. En het zaad er van laat goed urine maken en de vrouw haar stonden hebben en lost op wind en opblazen en verzacht de pijn van de blaas. En het is goed tegen het water en zuivert de lendenen en lever en vulva en de nieren het meest. En scheidt onderbuikspijn dat van wind komt. En in vulva gedaan laat het menstruatie hebben en leegt het dode kind uit het lichaam en het net daar het in ligt’.

(e) Platearius noemt de gewone, maneries apii; 1. Apium raninum vel reninum, de 2de is apium emorroydarum, emorroydas exiccat, de derde is Apium risus, ‘quia melancholicum purgat humorum abundantem, ex cujus abundantia fit tristitia’. De Gart noemt 4 soorten, 1; Eppe of Apium. 2. Wilde eppe, apium silvestre, (Ranunculus sceleratus),  3 Apium rusticum Latijn. Watermerk. (Sium latifolium.  4. Vighe bladeren eppe, apium emorroydarum latine, (Ranunculus ficaria).

 

Dodonaeus; ‘Juffrouwmerk is van aard en ganse gestalte de hofeppe of gewone peterselie gelijk, maar warmer en droger en in vele dingen krachtiger in het werken.(2) Maar in spijs wordt dit gewas niet gebruikt, noch men houdt het niet geschikt om er sausen van te maken of de spijzen enige smaak te geven, dan in de medicijnen en tot vele gebreken is het nuttig.

 

  

 

wilden eppich vii Ca

Aium silvestre latine·

(Die meister spτechen·das dises sey ein kraut ha˙ŝ und trucken be˙ dem dritten grade·(Dises wechŝt geren be˙ den faulen wassern do die frôsch wonen·(Auch nemen etlich dises apium risus·wann der mensche der dises nüczet in den le˙be der lachet also seer das er davon stirbt·(Darumbe dienet diŝes wol melancolicis·das ist·denen die kaltter und truckner natur sind und wenig freüd haben von natur·und gern mit jn selbŝ reden·Aber voτ allen dingen rat jch das mit in den le˙b zůnemen·der ursachenhalb das die frôsche und krotten darauff le˙chen und andere vergifftige thier·(Auch jst dises kraut von natur also das ein ˙egklich vergifftig thier davon nitt kumbt es hab seine nature darauff gewoτffen van freüden und küczlung seines samens·(Von disem kraut beschre˙bet uns diascoτides·und sprichet·das dises kraut beneme unnd he˙le acrocoτdines·das sind lichdoτn oder wċrczen auff den zehen an den fŭssen·(Auch nemen etlich meister dises poτrt·Diŝs kraut zerknüschet und auff gelegt gele˙ch nem pflaster·(Disses krautes safft ben˙mmet den frawen jr geschwulst an dem brüsten darauff geleget mitt e˙bisch wurczelen·(Der same dises krautes vermage alle dise obgeschribne stucke·und der same jst nit also soτgklich zů nüczen in den le˙be alŝ dann ist das kraut·(Von disem samen getruncken ist fast nücze denen die den viertċgklichen ritten haben·den mit wein eingenomen und machet wol hċrmen·(Auch ben˙mmet der samen die verstopffung des milczes unnd der lebern· [24]

Wilde selderij, waterhanenvoet, 7de kapittel.

Apium silvestre(1) Latijn. (Ranunculus sceleratus)

De meesters spreken dat dit een kruid is dat heet en droog is bij de derde graad. Dit groeit graag bij het vuile water daar de kikkers wonen. Ook noemen ettelijke dit Apium (2)  risus want de mens die dit nuttigt in het lijf die lacht alzo zeer dat hij daarvan sterft. Daarom dient dit goed melancholische, dat is die van koude en droge natuur zijn en weinig vreugde hebben van natuur en graag met zichzelf reden. Maar voor allen dingen raad ik dat niet in het lijf te nemen, vanwege de oorzaak dat die kikkers en padden daarop liggen en andere vergiftige dieren. Ook is dit kruid van natuur alzo dat ieder vergiftig dier daarvan niet komt het heeft zijn natuur daarop geworpen van vreugde en gauw zijn zaden. Van dit kruid beschrijft ons Dioscorides en spreekt dat dit kruid beneemt en heelt acrocordines, dat zijn likdorens of wratten op de nagels aan de voeten. Ook noemen ettelijke meesters dit porrt. Dit kruid gekneusd en opgelegd gelijk een pleister. Dit kruid zijn sap beneemt de vrouwen hun gezwellen aan de borsten daarop gelegd met heemstwortels. De zaden van dit kruid vermag alle deze opgeschreven stukken en het zaad is niet alzo zorgelijk te nuttigen in het lijf als dan is dat kruid. Van deze zaden gedronken is erg nuttig diegene die de vierdaagse koorts hebben, dan met wijn ingenomen en maakt goed plassen. Ook benemen de zaden de verstopping van de milt en de lever. [24]

 

Vorm.

Dodonaeus: ‘De eerste soort van wilde Ranunculus of hanenvoet die eigenlijk waterhanenvoet genoemd wordt heeft ronde, effen en binnen holle, soms dikke en in zijtakken verdeelde stelen, de bladeren zijn breed, effen en glad of kaal en aan de kanten gekerfd of gekloven die op lange dikke vette steeltjes voortkomen, de bloempjes die op de toppen van de stelen staan zijn geel van kleur, bleker nochtans en kleiner dan die van de boterbloemen en als die afvallen komen er ronde hoofdjes na die veel op de eerst uitkomende dotjes of toppen van de asperges of koraalkruid lijken. De wortels zijn wit en met vele vezels gevezeld. Dit gewas blinkt met een bleekgroene kleur in al zijn delen’.

 

Naam.

(1) Zie kapittel 6 over de verschillende soorten Apium.

Dodonaeus: ‘Deze kruiden voeren eigenlijk de Latijnse naam Ranunculus en de Griekse Vatrachion of Batrachion als of men kikkerkruid zei, soms ook Selinon agrion, in het Nederduits heten ze hanenvoet, in het Hoogduits ook Hanenfusz. Apuleius heeft er meer namen van, deze Latijnse namelijk Apium risus, Herba scelerata, Apiastellum, Dentaria en Auricomum waarvan er weinig aan de geslachten van hanenvoet eigenlijk toekomen, maar sommige mogen deze wel meegedeeld worden en sommige schijnen de andere geslachten eigener te wezen. De eerste soort mag eigenlijk Ranunculus silvestris primus heten, in het Latijn ook wel Apium palustre en Ranunculus aquatilis of Ranunculis palustris, ja ook niet slecht Apiastellum, in het Nederduits water-hanen-voet, in het Hoogduits Wasser Hanenfusz’.

De naam eppich is afgeleid van Apium en dan de wilde.  De naam komteppe komt wel van Hedera, epfich.

(2). Het gewas lijkt wel wat op selderij, Apium en doordat het krampen in het gezicht veroorzaakte was de naam vroeger Apium risus; lachselderij. Die stof zit vooral in de onrijpe zaden. De wortel is zeer scherp en in de neus gestoken wekt het niezen op en zo als een nieskruid gebruikt. In het eiland Sardinië groeit een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen die een stuipachtig vertrekken van de mond teweegbrengt, risus Sardonius. Ranunculus thora en Ranunculus sceleratus werden door de Romeinen sardonia genoemd omdat ze prikkelden tot een sardonische stuiplach. Bij de oerbevolking van Sardinië bestond het gruwelijke gebruik om de ouden mensen te doden, daarbij zou gelachen worden. Dat was de beruchte risus Sardonius, een krampachtig lachen waar de ziel niet aan deelneemt. Vandaar Italiaans riso sardonic, Frans ris sardonien, sardonique, Engels sardonic laughter.

Sceleratus betekent misdadig omdat de plant blaartrekkend is en door bedelaars en landlopers gebruikt werd om er zichzelf en hun kinderen mee in te smeren en zo blaren te veroorzaken om medelijden op te. Zo werden ze ook gebruikt door de mannen die voor militaire dienst opgeroepen werden om door de blaren afgekeurd te worden. Het is een ongelukkig gebruik, het veroorzaakt een wond die niet gemakkelijk heelt.

 

Gebruik.

Dodonaeus; ‘Deze wilde soorten van hanenvoet zijn door hun scherpe heet brandende aard zeer goed in alle gebreken van de huid als melaatsheden en meer andere diergelijke ruigheden en schurftheden op te halen en te laten vervellen, matig en voorzichtig gebruikt en zijn ook goed opgelegd om de kwade zwerende nagels te genezen en af te laten vallen en nemen ook de plakken en liktekens van de melaatsheid weg en zijn daardoor goed om alle wratten, knobbels en eksterogen weg te nemen.

Ze zijn ook goed om de kwade schurft van het hoofd te genezen en om het uitvallen van het haar te beletten als men die niet lang op de huid laat liggen maar terstond afneemt, (2) want als het wat lang op enig deel van het lichaam blijft liggen laten ze niet alleen de huid vervellen en open gaan, maar maken er bleinen, blaren, gaten en roven in door hun grote brandende kracht, niet zonder pijn en weedom.

Al dit kunnen de stelen en bladeren zeer krachtig doen als men die noch groen en vers oplegt.

 

  

 

bauern eppich

viii capitel

Apinm rusticum latine·

(Die me˙ster spτechen das diŝ kraut he˙ŝ und trucken se˙ be˙ dem vierden grade·und wirt von etlichen genant Apiuz regale d ursachen halb das es rechtfertiget alle andere kreüter mit denn es denn genüczet wirt auff zů lôsen uud zûbτechen den stein in dem lenden·(Diŝ kraut gestossen und gemüscet mit we˙n domitt die kalt haut gewċschen bτingt dar ein natürliche h˙cz·(Diŝ krantes safft he˙let den krebs den gemüschet mit eŝsig und darauff gelegt geleich einem pflaster·ix·tag nach einander·(Von disem kraut gemachet ein laug un dz haubt damit gewċschen ben˙mbt die schŭpen auff dem haubt und machet har wachŝen·(Der safft dises krauts dienet fast wol dem reüdigen menschen·die haut domitt bestrichen·und ben˙mbt die geschwulst des bauches behendigklich·

(1) Boeren selderij, 8ste kapittel.

Apium rusticum Latijn. Watermerk. (Sium latifolium)

De meesters spreken dat dit kruid heet en droog is bij de vierde graad en wordt van ettelijke genaamd Apium regale, vanwege de oorzaak dat het rechtvaardigt alle andere kruiden waarmee het dan genuttigd wordt op te lossen en te (2) breken de steen in de lenden. Dit kruid gestoten en gemengd met wijn en daarmee die koude huid gewassen brengt daar een natuurlijke hitte. Dit kruid zijn sap heelt de kanker dan gemengd met azijn en daarop gelegd gelijk een pleister 9 dagen na elkaar. Van dit kruid gemaakt een loog en dat hoofd daarmee gewassen beneemt de schilfers op het hoofd en maakt haar groeien. Het sap van dit kruid dient erg goed de ruige mensen, de huid daarmee bestreken en beneemt de gezwellen van de buik behendig.

 

Dit is weer een van de soorten van Apium of eppe die bij Herbarius in Dyetsche en Herbarijs alleen genoemd worden, verder niets. Zie kapittel 6

 

Vorm.

Dodonaeus; ‘De grote watereppe heeft recht overeind staande lange, honderd twintig of honderd vijftig cm hoge, dikke, gestreepte, kantige en holle stelen die naar boven wat dunner worden en in ettelijke zijscheuten verdeeld zijn. De bladeren zijn langwerpig en van vele tezamen verzameld en elk apart is effen, kaal, glad en vet en rondom als een zaag gekerfd en kleiner dan de enkele bladeren van Hipposelinum. Op het opperste van de stelen groeien kroontjes met witte bloempjes. De wortels zijn zwarte dunne en bijna haarvormige vezels die niet alleen onderaan en naast de grond en in de aarde groeien, maar ook aan de knoopjes van de steeltjes voortkomen zover als die onder het water schuilen of in het slijk vast houden. Voorts zo is dit kruid in alles sterker van reuk dan de echte eppe’.

 

Naam.

(1) Apium rusticum; van de boeren, vandaar bauern eppich.

Dodonaeus; ‘In onze taal is dit kruid watereppe genoemd, in het Hoogduits Wasser Eppich, Frosch Eppich en Wasser Marck, alsof men in het Latijn Apium aquatile of Hydroselinon zei. Plinius en andere oude schrijvers noemen het in Latijn Laver en Dioscorides Sion. Daarom hebben we de eerste soort eigenlijk Sium of Laver genoemd en in onze taal eerste watereppe of grote watereppe. Sommige zeggen dat het Sion genoemd wordt omdat ze eenparig geschud en van de voorbijlopende wateren, waar ze in het midden groeit, al waggelende tegenaan gesmeten wordt en gewassen waarvan dat het ook in het Latijn Laver genoemd wordt’.

 

Gebruik.

Dodonaeus: Het Sion, (dat is onze watereppe) als Galenus betuigt, is wel alzo zeer verwarmend van krachten als het welriekend in het smaken is.

Watereppe rauw of gekookt ingenomen verwekt de maandstonden van de vrouwen en laat ze gemakkelijker baren of van kind verlossen en jaagt de nageboorte en dode vruchten af, laat ook water maken en (2) breekt de steen en laat de gebroken steen rijzen en afgaan, hoe en op welke manier dat het gebruikt wordt, als Dioscorides betuigt, die ook schrijft dat het zeer nuttig ingegeven wordt aan diegene die de rode loop hebben of met enige buikloop gekweld zijn. Het gehele kruid gekookt en dat wat gedronken opent de verstoppingen van de milt en is goed tegen de geelzucht en waterzucht.

 

  

 

 feuchtblatern eppich.

ix capitel

Apium emoτrodiarum latine· (Die me˙ster spτechen gemeynigklich das diŝ kraut se˙ he˙ŝ und trucken·an dem vierden grad. Unnd dienet für den fluŝ genant emoτroidalis·das ist ein fluŝ in dem afftern gemüschet mitt feüchtblattern· (Für disem fluŝ sol (b.ij) [25] dises krant gestossen werden und davon gemachet ein pflaster und darauffe geleget·heylet den on zwe˙fel· (Auch mag dises kraut genüczet werden zů vunnden die seer blůten·darauff geleget mit eŝsig und rosenwasser· (Dises kraut gesoten mit wein und domit gewċschen die unre˙nen haut moτfea genant·reinigt die von grunt und machet die glat und schôn. (Die wurczel dises krautes gedoτret darnach die gestossen zů bulfer·und dises in ein faule wunden oder fle˙sch gestreüet eczet das auŝ on allen wee tag· (Und sunderlich sol disses kraut genüczet werden mit den erczne˙enn die do dienen zů den feüchtblattern·s˙ hilffet on allen zwe˙fel die von grundt auŝ verzeren·

Speenkruid,

9de kapittel. (Ficaria verna)

Apium emorrodiarum Latijn. De meesters spreken algemeen dat dit kruid heet en droog is aan de vierde graad. (2) En dient voor de vloed genaamd emorroidalis, dat is een vloed in de achterste gemengd met aambeien. Voor deze vloed zal [25] dit krant gestoten worden en daarvan gemaakt een pleister en daarop gelegd, het heelt dan zonder twijfel. Ook mag dit kruid genuttigd worden tot wonden die zeer bloeden, daarop gelegd met azijn en rozenwater. Dit kruid gekookt met wijn en daarmee gewassen de onreine huid morfea genaamd reinigt die van grond af aan en maakt die glad en schoon. De wortel van dit kruid gedroogd en daarna die gestoten tot poeder en dit in een vuile wond of vlees gestrooid eet dat uit zonder alle pijndagen. En vooral zal dit kruid genuttigd worden met de artsenijen die je dienen tot de aambeien, ze helpt zonder alle twijfel die van grond uit verteren.

Zie kapittel 6 voor een Apium soort.

 

Vorm.

Het blad is ei/niervormig en glanzend groen, ze variëren in vorm en grootte. De bladeren zitten aan zachte kruipende ranken. Ook in kleur variëren ze, van donker groen tot een lichtere tint.

Dit is een van de eerst voorjaarsbloeiers waar de bloem geboren wordt op lange stevige stengels. De bloemen hebben een glinsterende coating van een vernisachtige gom dat een gele weerspiegeling geeft aan de lippen en kin. Dit als kinderen ze gepro­beerd hebben als "boter". Sommige planten vormen geen okselknolletjes, maar produceren dan veel kiembaar zaad, de okselknol exemplaren hebben slecht kiemende zaden.

 

Naam.

De plant heeft een verbinding met twee andere planten, de eerste met Scrophularia nodosa als een plant die tegen aambeien gebruikt werd. De tweede is met stinkende gouwe of Chelidonium.

(1) Dodonaeus; ‘Dit eerste kruid wordt in het Dietse groot speenkruid genoemd, in het Hoogduits Grosz feigwurtzenkraut’.

Speenkruid, speen is de gouden ader, de hamorrhoide, de Franse herbe aux hemorroides. In oud-Hoogduits was het Vigwurz, midden-Hoogduits Vicwurz of Vicwarz, staat in de gelijke betekenis met vic, vergelijk Italiaans fico: vijg, uit die verkorte vorm is Feigwurz ontstaan, Feigwarzenkraut bij Bock, Feuchtblatern. Hildegard von Bingen noemt de kleine chelidonium Ficaria, Feigwurtz.

Dodonaeus; ‘Sommige noemen het ook vijgebladeren eppe, in het Latijn Apium haemorrhoïdale. De naam Haemorrhoidalis in het Latijn heet eigenlijk speenkruid in onze taal. Dit gewas heet in het Grieks Chelidonion micron, in het Latijn Chelidonium minus en Hirundinaria minor, in de apotheken en ook elders noemt men dat Scrophularia minor en Ficaria minor. Serapion noemt dat Memiten, in het Italiaans wordt het fanoscelle genoemd, in het Frans esclere en petit bassinet, in het Hoogduits Feigwurtzenkraut, Blaternkraut, Klein Schwalbenkraut, Pfaffenhoetlin en Meyenkraut, in het Nederduits speenkruid en klein gouwe’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche;’Gouwortel of sceelwortel of celidonia. Die is tweevormig, te weten de grotere en kleinere, nochtans de een neemt men voor de ander.’

Herbarijs; ‘Celidonia, dat is scelleworte en het is heet en droog in de 3de graad en sommige zeggen in de 4de . En men vindt er 2 soorten van, de ene heet Indicum en heeft gele wortels en is de beste. En de andere vindt men in vele plaatsen en die is niet zo goed…., zie stinkende gouwe, kapittel 85. Er zijn 2 soorten, Indicum, met gele wortels en de beste soort. De ander is een veel voorkomende soort die kleiner is en minder werkzaam. Hierin volgt hij Platearius; ‘due sunt maneries seu indica que maioris est effecacie et citrinam hebet radicem. Et (alia) quae in nostris partibus reperitur minoris est efficacie.tamen altera pro altera poni potest’.

 

Dodonaeus merkt al op dat het kruid veel lijkt op een Ranunculus; ‘Dit kruid heeft ook een hete en droge kracht en is zelfs veel heter en scherper dan de grote of stinkende gouwe en komt zeer dicht bij de krachten van hanenvoet of boterbloemen. Speenkruid kan de huid snel ophalen en laten zweren, zo Galenus en Dioscorides betuigen, het doet de oneffen of ruwe nagels afgaan en afzweren.

Het sap van de wortels van speenkruid door de neus opgetrokken, dat is met het snuiven ophalen of in de neusgaten steken, zuivert het hoofd door de neus.

(2) In onze tijden en wat er voor toen men de worteltjes met de aanhangende korreltjes of korentjes begon te gebruiken om de spenen te genezen en men heeft dit kruid daarom de naam van speenkruid gegeven want de spenen of aambeien dat met het sap van dit kruid of van zijn wortels met wijn of plas van de zieke gemengd is en dikwijls gewassen en nat gemaakt worden kleiner en ineen getrokken en verdrogen geheel en de pijn vergaat gans. Ja, sommige menen dat dit kruid maar bij ons gedragen de smarten van de aambeien genezen en verzoeten kan. Deze kleine gouwe is heet en scherp van krachten, zoals gezegd is, dan anderen zeggen dat ze noch een scherpere kracht krijgt als ze op droge plaatsen groeit.

Zowel de bladeren als de wortel genezen de kroppen of zweren aan de keel en andere vuile zweren, ook aambeien, kanker, wratten, zwammen en koude gezwellen door een zacht makende en verdelende kracht die ze heeft.

 

  

 

Holwurcz x capitel

Aristologia latine Accanug arabice vel Carabuth·Ariston grece vel fetalogos Apiston vel pavodτicia·

(Die meister spτechen·das do se˙ zwe˙er hant aristologia die ein lang·die ander rotund·und sind beyd he˙ŝ in dez ersten grad unnd trucken in dem andern· (Serapio spτicht·das die rotunde holwurcze hatt bletter geleich d gundelreben und lange stengel die geen auŝ einer wurczel·Dises hat ein weisse blůmen die ist jnwendig rot und stinckt unnd hat ein runde wurczel· (Es ist auch ein andere holwurcz die runde wnrczeln hat und bletter als rauten und ein blůmen die bτaun ist·Und spτichet auch das do sind zwe˙erle˙ gestaltt der holwurcz genant aristologia·Die lange mċnlich·die rotund freülich·Und die rotund holwurcze bτaucht man fast mer in d erczene˙ dann die langen·und die wurczel davon mer dannn die bletter. (Item·die wurczel sol man auŝ graben in dem winter voτ d zeit ee die blůmen herfür kumbt die selb wurczel hat vil tugent in ir wann sy verzeret und tre˙bt aus vergifft·und die wurzeln mag man halten zwe˙ jar unversert an ierer krafft·Wer do fast ke˙chet genant asmaticus·der nem holwurcz und wenig encian und leckricz·und müsche das mit hônig·und mache darauŝ ein müschung genant electuarius·und [26] nücze das·es hilfft· (Wôlicher hett epilentiam·das ist die fallent sucht·oder das gegicht in den gel˙dern·d neme holwurcz zwei lot und ein gummi genant eufoτbium und biberge˙l ˙egkliches ein quintin·unnd siede das mitt banmôle·und schmierbe domitt den ruck me˙sel von dem halŝ biŝ auff den afftern es hilffet·(Holwurcz gebulfert und gemüschet mit eŝsig·ist gůt den reüdigen domit gewċschen·(Holwurcz gebulfert und in die faulen wunden gestreüet·he˙let s˙·und verzert das faul fleisch darin. (Holwurcze he˙let fisteln·die fisteln voτhin geweschen mit laug gemacht von bircken ċschen oder mit alaunwasser·und darnach darein gestreüet holwurcz es hilffelt·(Wen ein frau geberen sol ir kinde·der siede man holwurcze mit wein und mit baumôle·und bestre˙che s˙ auff dem bauche·s˙ gen˙ŝt zůhanndt das kinde se˙ tod oder lebentig·(Diascoτides spτicht·das holwucz getruncken mit wein he˙let vergifftig b˙ŝs und vergifftig trċncke·(Also genützt·vertre˙bt s˙ secundinam das ist·die ander geburd·(Holwurcz ist gůt genüczet den frau so s˙ kindt gewinnen mit mirra und pfeffer gemüscht· (Also genüczet vertre˙bt s˙ das kalte·(S˙ jst auch gůtt pleureticis·das ist·ein geschweere umb die bτust· (Item holwurcz und aloe paticum gebulfert und mit kalch und hônig vermenget·ist gût für den krebs in der nasen. (Item holwurcz gebulfert mit hôning vermenget·ist gůt wider die faulung des mundes und zanfle˙schŝ. (Item holwurcz gestossen·und mit d˙ptam wurcze gebulferet·mit hônig vermenget in einer salben we˙se·und auff wunden geleget·ist beűlen und doτnen auŝ d wunden ziehen·

Holwortel, 10de kapittel.

Aristologia (1) Latijn, Accanug Arabisch vel Carabuth, Ariston, Grieks vel fetalogos Apiston vel pavodricia. (Corydalis cava)

De meesters spreken dat er zijn (2) twee soorten Aristolochia, de ene lang en de ander rond en zijn beide heet in de eerste graad en droog in de andere. Serapio spreekt dat die ronde holwortel heeft bladeren gelijk de hondsdraf en lange stengels die gaan uit een wortel. Deze heeft een witte bloem die is inwendig rood en stinkt en heeft een ronde wortel. Er is ook een andere holwortel die ronde wortels heeft en bladeren als ruit en een bloem die bruin is. En spreekt ook dat er twee gestalten van holwortel zijn genaamd Aristolochia. De lange mannelijk, de ronde vrouwelijk. En die ronde holwortel gebruikt man vast meer in de artsenij dan die lange en de wortel daarvan meer dan de bladeren. Item, die wortel zal men uitgraven in de winter voor de tijd eer die bloemen tevoorschijn komt, diezelfde wortel heeft veel deugd in zich want ze verteert en drijft uit vergift en die wortel mag men houden twee jaar ongedeerd aan haar kracht. (3) Als je erg kucht, genaamd astmaticus, die neemt holwortel en weinig gentiaan en zoethout en meng dat met honing en maak daaruit een mengsel genaamd likkepot en [26] nuttig dat, het helpt. Wie epilepsie heeft, (4) dat is de vallende ziekte of dat jicht in de leden die neemt holwortel twee lood en een gom genaamd Euphorbia en bevergeil, van elk een quintim, en kook dat met olijvenolie en smeer daarmee den ruggenwervel van de hals tot op het achterste, het helpt. (5) Holwortel gepoederd en gemengd met azijn is goed de ruigte daarmee gewassen. (6) Holwortel gepoederd en in de vuile wonden gestrooid heelt ze en verteert dat vuile vlees daarin. Holwortel heelt etterwonden, die etterwonden daarvoor gewassen met loog gemaakt van berkenas of met aluinwater en daarna daarin gestrooid holwortel, het helpt. Als een vrouw baren zal haar kind dan kookt men holwortel met wijn en met olijvenolie en bestrijk haar op de buik, ze geneest gelijk, dat kind is dood of levend. Dioscorides spreekt dat holwortel gedronken met wijn heelt vergiftig beten en vergiftige dranken. (7) Alzo genuttigd verdrijft ze secundinam, dat is die andere geboorte. Holwortel is goed genuttigd de vrouw zo ze kind wint met mirre en peper gemengd. Alzo genuttigd verdrijft ze dat koude. Ze is ook goed pleuris, das is een zweer om de borst. Item holwortel en Aloë paticum gepoederd en met kalk en honing vermengt is goed (8) voor de kanker in de neus. Item holwortel gepoederd en met honing vermengd is goed tegen die vervuiling van de mond en tandvlees. Item holwortel gestoten en met diptamkruid gepoederd en met honing vermengt in een zalf wijze en op wonden gelegd is builen en dorens uit de wonden trekken. (3)

 

Vorm.

 De holwortel bloeit in het vroege voorjaar van maart tot mei. De twee binnenste kroonblaadjes zitten met de top aan elkaar en vormen een helm, vandaar dat de naam helmbloemachtige ook bestaat. De plant heeft zachte, dubbel samengestelde bladeren die na het afplukken spoedig verwelken.

 

(2) ‘Serapio spreekt dat die ronde holwortel heeft bladeren gelijk de hondsdraf en lange stengels die gaan uit een wortel. Deze heeft een witte bloem die is inwendig rood en stinkt en heeft een ronde wortel’. Het is dus geen klimplant want de bladeren gaan uit de wortel. Ook de afbeelding laat meer een plant zien als Corydalis cava. De andere holwortel zie je in het volgende kapittel,  dat is dan Aristolochia longa die naar de tekst een lange steel heeft. Die heet bij Bock en andere oude Duitse schrijvers dan ook Hohlwurz.

In sommige kruidboeken als van Nylandt worden deze twee planten precies gelijk afgebeeld. Er worden maar 2 soorten Aristolochia genoemd, vanouds waren er 3 soorten, longa, rotunda en clematitis. Zo zegt Dioscorides al; ‘Tria ejus genera traduntur’, nadat hij de naam etymologisch heeft verklaard; Aristolochia nomen ex eo sibi adaptavit, quod existimetur optime puerperis opitular’. Inderdaad αριστος; beste, λοχεία; geboorte. Later was niet duidelijk meer welke de clematitis was. Pseudo-Mesues in de 12de eeuw noemt ze alle drie, de twee eersten worden afgebeeld en de derde heeft weinig belang. Platearius noemt er ook 2, Hildegard van Bingen noemt Aristolochia Byverwurtz, zonder verdere specificatie. Herbarius in Dyetsche noemt ze alle twee en elk in een apart hoofdstuk. Dodonaeus noemt weer 3 soorten naar Dioscorides. Het Sarasijnkruid noemt hij in het Latijn Aristolochia saracenia, in de apotheken Aristolochia longa, omdat men dat vroeger voor de lange Aristolochia hield, tenslotte begon men het Clematitis te noemen totdat de echte Clematitis gevonden werd.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas is in Hoogduitsland Holwurtz, in Nederduitsland hool-wortel genoemd, in het Latijn Radix cava, te weten de eerste is eigenlijk Radix cava of Radix cava major, dat is grote holwortel en de andere Radix cava minor, dat is kleine holwortel of boontjes holwortel. (Corydalis solida)

Dat de apothekers dit kruid in plaats van de ronde Aristolochia hier vroeger plegen te gebruiken is iedereen zo bekend dat het me nodeloos lijkt dat te verhalen of daarover te klagen en dat met enige redenen te willen weerleggen of te berispen’.

Holwortel wordt zo genoemd omdat de knolvormige wortelstokken in de bloeitijd komvormig zijn uitgehold. Hohlwurz en zo ook bij Cordus en Bock.

Corydalis is een naam die gegeven is door Galenus. De naam komt van het Griekse korydalis: een leeuwe­rik. Corydallis van 1864 is een verbeterde schrijfwijze, maar de originele spelling van Ventenat uit 1803 is Corydalis. De spoor van de plant lijkt op die van de kuifleeuwerik, dit geeft ook de Duitse naam Lerchensporn weer. Zo heeft het Engels larkspur en het Frans pied d'alouette. Bijna alle namen zijn aan vogels ontleend, onder andere haantjes, kippetjes en duifjes. De bloemetjes staan horizontaal op een dun steeltje en hebben de vorm van een vogeltje vandaar dat ook de naam vogeltje op een kruk nog wel eens voorkomt.

Of Corydalis komt van Grieks korys: helm, naar de bloemvorm, vergelijk onze helmbloem, Duits Helmwurz of Hellewurtz.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Ronde hoelwortel is van dezelfde kracht als de lange holwortel in hitte en droogte. De wortel van de ronde is bijzonder goed als medicijn. Hij heeft de kracht om te ontbinden, te verteren en uit te drijven. De wortel moet je verzamelen voordat hij bloeit. De wortel van de ronde holwortel is krachtiger dan de lange in het genezen want het verfijnt meer, daarom is in alles de ronde holwortel krachtiger dan de lange. Pandecta zegt dan ook dat in elke wond of ongesteldheid de grove vochtvermenging zo sterk mogelijk verfijnd moet worden, daarom is de ronde holwortel de beste.

(5) Tegen schurft meng je het poederachtige mengsel dat samengesteld is uit het poeder van de ronde holwortel, het sap van zuring en aardrook en wat Aloë, levermos en ongebluste kalk en olie van laurierbes.

Het poeder van de ronde holwortel dat je met honing mengt en in de wonden doet bijt het dode vlees af, vooral in lopende gaten.

(4) Tegen vallende ziekte en jicht. ‘Neem twee delen van de gebroken ronde holwortel; van bevergeil een deel; levende zwavel en Euphorbia, van elk een half deel; meng het tezamen met olie van bevergeil en met was en maak er een zalf van, die strijk je wat op de ruggengraat, te weten achter aan het nekhaar van boven naar beneden’. (7) Wijn waar deze ronde holwortel met Asarum en selderij in gekookt en gedronken is laat bij de vrouwen hun stonden komen, het verdrijft de levende en dode vrucht met de moederkoek waar het in rust. Een pessarium die hiervan gemaakt is met honing en mirre is tegen hetzelfde goed.

(3) Tegen astma is het goed om de wijn te drinken waarin de ronde holwortel met hysop en zoethout in gekookt is.

(8) Het poeder van deze wortel dat met het poeder van Aloë en levende kalk in honing gemengd is is goed tegen kankerachtige zweren in de neus.

De ronde holwortel is beter om pijn die in de gangen van de geest of adem komt vanwege verstoppende vochtvermenging te genezen dan de lange. Het poeder van de ronde holwortel is met honing goed tegen bederving in de mond, aan het tandvlees en de kin.

(6) Het poeder hiervan dat met het poeder van dictamnus en honing tezamen gemengd is trekt dorens uit want deze ronde wortel heeft de kracht om af te drogen, te verfijnen, te verdunnen en aan te trekken, het is hierin sterker, al is de lange in stinkende wonden of zweren beter omdat het meer afdroogt. Serapio, Platearius en Pandecta’.

 

Herbarijs; ‘Aristologia, dat is het sarasine kruid, die is er in 2 soorten, de ene noemt men Aristologia longa en de andere noemt men Aristologia rotunda. Het wordt holwortel in Diets genoemd en groeit meestal oostelijk en die wilde kruiden verkopen. Ze zijn beide heet in de eerste graad en droog in de tweede graad. De ronde gaat het meest in de medicijnen en vooral de wortels.

En ‘s winters zal men ze verzamelen als de bladeren vallen. En ze hebben beide kracht om te verteren en te verduwen. En men kan ze 2 jaar goed houden.

(a) Galenus zegt dat de lange Aristolochia zuivert waar weinig vochtvermengingen zijn. En de ronde zuivert waar veel  vochtvermengingen zijn en daarom opent de ronde (b)  grote verstopping in alle leden en laat grote winden scheiden en geneest (6) vuile zweren die binnen verrot zijn en buiten vuile blaren en zuivert tanden en tandvlees en is goed tegen (3) korte adem en tegen die verstopt zijn en tegen onderbuikspijn. En is goed tegen harde milt en tegen venijnige koorts en tegen de kramp. En het is goed tegen onderbuikspijn gedronken met bronwater.

(4) Galenus zegt dat ronde Aristolochia goed is gedronken met bronwater tegen de vallende ziekte en tegen jicht en tegen kramp. En voor die ronde Aristolochia mag men nemen anderhalve drachme lange Aristolochia.

Dioscorides zegt dat de lange Aristolochia gedronken met wijn anderhalve (c )drachme goed is tegen venijn. En gedronken met wijn waar peper in gemengd is met mirre (8) zuivert de vuilheid die van het kind komt die in de moeder blijft. En gedronken met wijn verzacht de pijn van de loop en laat de vrouw haar stonden hebben. En het is goed in wonddranken. En geen meester  zou er zonder zijn. En ze ontstopt de lendenen en de blaas en laat goed urine maken’.

(a) Claudius Galenus, geboren te Pergamon in 130 en gestorven te Rome? Ca. 201, heeft met zijn schriften eeuwenlang de geneeskunde beheerst.

(b) grote verstopping in alle leden, in ieder orgaan kan zich naar de toen geldende maatstaven obstructie voordoen door ophoping van humoren (levenssappen), vandaar dat door purgeren niet alleen zuiveren door de stoelgang te bevorderen verstaan met worden, maar ook het wegnemen van overtollige humoren uit een bepaald orgaan, zo kan men ook de lever purgeren, zenuwen etc.

(c ) 10 tarwekorrels is een halve scrupel, 20 tarwekorrels is 1 scrupel, 40 tarwekorrels is een drachme, 8 drachme  is een ons, 16 ons is een pond.

 

 

  

 

osterluczie xi Capitel

Aristologia longa·(Die wirdigen meyster Avicenna Galienus Diascoτides Platearius und Plinius spτechen·das die lange holwurcz se˙ warm an dem dτitten grade und trucken an dem andern grade·Die lange holwurcz hat einen langen styl und bletter daran die geleychen den blettern an der haselwurcze·allein das osterlucien oder holwurcz blet (V.iij.) [27] ter we˙cher sind an dem griffe·Die wurzel ist lang gele˙ch den petersilgen wurczeln. (Plinius spτicht·das be˙de osterlucien die lang und die rund gebulfert und darunder gemüschet mirren ˙egklichs geleich vile·und dises genüczet ein quintin mit warmeτ wein re˙niget die můter genant matrix·von ierer unflċtigkeite·und tre˙bet auŝ die todt geburt. (Für das podogram n˙m wegbτe˙te e˙bisch wurczeln und lange holwurczel ˙egklichs geleich vile·und müsche darunder hônig und lege das auff den gebτesten es senfftiget und m˙ndert den wetagen·Die osterluczie ist fast gůt den faulen wunden·des bulfers darein gestreüwet·(Wôlches pfċrd gewundet wirt von vil reiten oder tragen·d streüe des bulfers von diser osterlucien in die wunden und schlage darauff pfċrdes m˙st·es he˙let zů handt·

(Platearius. N˙mm osterlucien und aloe paticum ˙egkliches geleich vil·und müsch darunder rosen hônig·und mache darauŝe ein pflaster·Diŝs pflaster ist gůt genüczet allen alten schċden·alŝs dan ist der krebŝ·fistel·d wolff·wie die sein mügen an den be˙nen und anderŝwo·he˙let es senfftigklich darauff gelegt und die schċden oder gebτesten sollen voτh˙n geseüberet werden mit weinstein ôle·oder mit wasser darin mirra gesotten ist·(Dises also genüczet ben˙mmet die ausseczigkeit·(Diascoτides·osterlucien gebulfert und gemüschet mit hônigwasser und das getruncken·ben˙mbt asma·das ist das keychen und raumet die bτust·(Wer einen pfe˙le in se˙nen le˙be hett der neme be˙de osterluczien und d˙ptamus ˙egkliches gele˙ch vil·Und seüde dises in gůtem wein und se˙he den weine durch ein re˙nes tůch·und trinck dem des abents und des moτgens·und lege die gesoten kreuter auff dz loch do der pfe˙l in ist·es zeüchte herauŝ senfftigklichen und he˙let zů handt·(Item osterlucz˙ ist gůt für den kürczen atem der do kommet von schle˙miger feüchtigkeit in der bruste saugende genant asma humidum·N˙m zwe˙ te˙l osterlucz˙ und ein halb te˙l encian mit einen halben te˙l schwċrtelwurcz gebulfert mit gescheümten hônig vermenget davon genüczet·(Auch ist osterlucz˙e gůt wider fen˙n·der gethiercze und wider geb˙ŝs d fen˙nnige gethiercz·u˙m osterluczien bulfer mit rauten safft vermenget darauff geschmieret·[28]

(1) Pijpbloem, 11de kapittel.

Aristologia longa. Pijpbloem. (Aristolochia longa) De eerwaardige meesters Avicenna, Galenus, Dioscorides, Platearius en Plinius spreken dat de lange holwortel warm is aan de derde graad en droog aan de andere graad. De lange holwortel heeft een lange steel en bladeren daaraan die gelijken op de bladeren aan de hazelwortel, alleen dat pijpbloem of holwortel [27] bladeren weker zijn aan te pakken. De wortel is lang gelijk de peterselie wortels. (2) Plinius spreekt dat beide pijpbloemen, de lange en de ronde, gepoederd en daarna gemengd mirre en van elk gelijk veel en dit genuttigd een 1,67gram met warme wijn reinigt de baarmoeder genaamd matrix van haar onzuiverheid en drijft uit de dode geboorte. Voor dat podagra neem weegbree, heemstwortels en lange holwortel, van elk gelijk veel, en meng daarmee honing en leg dat op de gebreken, het verzacht en vermindert de pijndagen. (3) De pijpbloem is erg goed de vuile wonden, dat poeder daarin gestrooid. Wiens paard gewond wordt van veel rijden of dragen die strooit dat poeder van deze pijpbloem in de wonden en slaat daarop paardenmest, het heelt gelijk.

(3) Platearius: Neem pijpbloem en Aloë paticum, van elk gelijk veel, en meng daaronder rozenhoning en maak daaruit een pleister. Deze pleister is goed genuttigd alle oude schaden zoals dan is de kanker, etterwonden en de huidsmet waar die zijn mogen aan de benen en ergens anders, het heelt het zachtjes daarop gelegd en de schaden of gebreken zullen voorheen gezuiverd worden met wijnsteenolie of met water daarin mirre gekookt is. Dit alzo genuttigd beneemt de huiduitslag. (4) Dioscorides: pijpbloem gepoederd en gemengd met honingwater en dat gedronken beneemt astma, dat is dat kuchen, en ruimt de borst. Wie een peil in zijn lijf heeft die neemt beide pijpbloemen en Dictamnus, van elk gelijk veel, en kook dit in goede wijn en zeef de wijn door een reine doek en drink dat ‘s avonds en ’s morgens en leg die gekookte kruiden op het gat daar de pijl in is, het trekt het eruit zachtjes en heelt gelijk. (4) Item pijpbloem is goed voor de korte adem die je komt van slijmerige vochtigheid in de borst zuigt genaamd astma humidum. Neem twee deel pijpbloem en een half deel gentiaan met een half deel gladiool gepoederd met geschuimde honing vermengt en daarvan genuttigd. (5) Ook is pijpbloem goed tegen venijn van het gedierte en tegen beten der venijnige dieren, neem pijpbloem poeder met holwortel sap vermengt daarop gesmeerd. [28]

Zie kapittel 10.

 

Vorm.

Dodonaeus; ‘De lange Aristolochia spreidt uit haar wortel vele dunne twijgachtige steeltjes waaraan hier en daar zachte welriekende bladeren voortkomen die van maaksel enigszins, doch niet geheel rond zijn en naast deze bladeren groeien langwerpige bloemen die van binnen hol en aan de ene zijde langer zijn dan aan de ander en purperkleurig en zwaar van reuk zijn. De wortel is een zeventien cm lang of wat korter en een vinger dik, geelachtig van kleur en het Buxus of palmboomhout van geelheid gelijk, sterk van reuk, maar geweldig bitter van smaak en de mond zeer onaangenaam’.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Grieks en in het Latijn Aristolochia omdat het op het Grieks ariste tais lochois is, dat is zeer goed voor de vrouwen die gebaard hebben.

1. De eerste is in het Grieks Aristolochia macra en in het Latijn Aristolochia longa genoemd naar de gedaante van de wortel en insgelijks ook Dactylitis, Melocarpos en Teuxinos en soms ook Aristolochia mas, dat is Aristolochia mannetje of lange Aristolochia’.

Aristolochia, is afgeleid van het Griekse aristos, ’best’of ‘uitmuntend’, en locheia, ‘geboorte’, of van lochos, ‘kraamvrouw’. Deze afleiding is gebaseerd op zijn vermeende medische eigenschappen. De familie waartoe de plant behoort, de Aristolochiaceae, heet dan ook geboortekruidfamilie omdat deze de bevalling zou bevorderen. Ook de bloemvorm werkt aan het ontstaan van de naam mee, de doorsnede ervan doet denken aan een ongeboren kind in de baarmoeder. Het heet letterlijk, ‘de beste voor een wieg’.  De plant bezit de stof aristolochine dat werkzaam is tegen bloedingen.

Dodonaeus; ‘De lange oosterlucie wordt in Italië ook voor het mannetje gehouden en wordt daar aristologia genoemd en in het Spaans aristoloquia, in het Frans aristologe en in onze taal met een bedorven naam oosterlucey of oosterlucie, in het Hoogduits ook Osterlutzey. De ronde wordt in Italië voor het wijfje gehouden. In Frankrijk zijn ze allen met de naam sarasine bekend omdat de bloemen van al deze soorten van Aristolochia op een omgewrongen of gedraaide sarasijnshoed schijnen te lijken, hoewel dat Dodonaeus de vijfde soort eigenlijk die naam gegeven heeft’.

In het verleden werd de Aristolochia ook wel saracynscruyt genoemd, het Duitse Saracenkraut,  en het Engelse sarrasine. Dit komt omdat het door kruisvaarders meegenomen is, de Arabieren waren voor hen Saracenen.

 

Gebruik.

Bevat het alkaloïde aristolochine. Wordt vrijwel niet meer gebruikt, soms in homeopathie.

Vroeger werden ze blijkbaar ook geteeld buiten de plantentuinen van de kloosters en kwamen zo bij de kruideniers.

 

Herbarijs, zie voorgaande kapittel. de pijn van de loop en laat de vrouw haar stonden hebben. En het is goed in wonddranken. En geen meester  zou er zonder zijn. En ze ontstopt de lendenen en de blaas en laat goed urine maken’.

 

Nederbergse geneeskundige recepten uit het midden van de 13e eeuw. (2) ‘Als het de wijven gebeurt dat het tot het hart komt dan zal men nemen bijvoet en polei, agrimonia, duizendblad en oosterlucie, stamp dat tezamen en neem dat sap en doe daartoe een beetje wijn en doe dat in een pot en kook dat een tijdje, als het dan afgekoeld is zal men het nemen als de weeën komen’.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Sarasine of lange hoelwortel of Aristolochia longa. Van holwortel zijn er twee soorten, zowel een lange en een ronde holwortel. Beide zijn heet in de eerste graad en droog in de tweede. Sommige zeggen dat ze heet zijn in de derde en droog in de tweede graad. De lange holwortel is afdrogend en verwarmend in zijn kracht, daarom is het goed om het in zweren te doen om het vlees er in te laten groeien.

Als het poeder van de lange holwortel met het poeder van Iris gemengd wordt dan heelt het zweren.

(4) Tegen ademgebrek zoals astma uit vochtigheid: ‘Neem twee delen van de lange holwortel, een half grein, en een deel gentiaan met wat poeder van Iris, maak er met afgeschuimde honing een likkepot van en gebruik het als je wilt’.

(5) Het poeder hiervan dat in het sap van ruit of munt en met honing gemengd is helpt tegen gif en venijnige beten van ongedierte.

(3) Het poeder van deze lange holwortel bijt door het vlees heen in wonden en lopende gaten, (fistel, a) als je een verband maakt en dit met honing bestrijkt en daar het poeder op strooit en het zo in lopende gaten steekt.

(2) Om de dode vrucht en de levende met de moederkoek waar de vrucht in ligt kwijt te raken, kook de lange holwortel met peper en mirre en dit neem je in. Voor de buitenkant kook je de lange holwortel in wijn, daarin doe je een spons en leg die op de baarmoeder. Ook kun je deze wortel met mirre en peper in olie koken en er een pessarium van maken (dat is hetzelfde in de baarmoeder als de klysma in de aars is).

(3) Het poeder van deze wortel dat met de wortel van Iris, dictamnus en honing tezamen gemengd en als een soort zalf gemaakt is trekt uit je lijf wat in wonden of in zweren steekt.

Tegen vallende ziekte die uit grove vochtvermenging komt is het goed om water te drinken waar deze wortel in gekookt is. Ook is het goed tegen astma uit gelijke vochtvermenging.

De lange holwortel die gestampt is met heemstwortel en met oliën en zwijnenvet gemengd en op vertrokken leden (dat zijn spierkrampen) gestreken is is een van de beste medicijnen.

Als de wortel in huis geweekt wordt verjaagt deze kwade geesten en duivels.

Volgens Pandecta helpt het als je het water drinkt waar de lange holwortel in gekookt is tegen jicht in de voet’.

(a) Fistel =buis/verbinding tussen twee holtes, meestal ontstaat deze door ontsteking, of door kanker.

 

Dodonaeus; ‘De lange Aristolochia, zegt Dioscorides, te weten de wortel er van de zwaarte van een drachme of vierendeel lood met wijn gedronken wordt zeer nuttig geacht om de (5) beten van de slangen te genezen en alle vergif te weerstaan en hetzelfde doet ze ook van buiten op de wond gelegd.

(2) Die met Myrrhe en peper gedronken jaagt uit al hetgeen dat in de baarmoeder na het baren overgebleven is en drijft de maandstonden af en laat de vrucht gemakkelijk voort komen en hetzelfde doet ze ook als men het met een pessarium van onder in steekt want ze verlicht de arbeid van het baren wonderbaarlijk zeer. De lange Aristolochia is de gebreken van de baarmoeder zeer toegedaan en men zuivert alle (3) lopende gaten of fistels met het poeder van deze wortel en men brengt ze tot genezing. De bladeren van de gedroogde oosterlucie, zegt Apulius, zijn goed om daarmee diegene te beroken die koorts hebben want daardoor zullen ze blij van geest worden. Dezelve beroking verdrijft ook de kwade geesten.

(4) Het kruid oosterlucie met olie warm gemaakt en gemengd met varkensvet geneest diegene die van de borst gekweld zijn, van buiten op de kakhielen en gezwollen delen van het lichaam gelegd.

Is het dat een jong kind bedroefd is zal men het beroken met oosterlucie en het zal blij worden en genezen de kwade geest zal verdreven zijn.

De kanker die in de neusgaten groeit wordt genezen met oosterlucie gemengd met Cyperus en het zaad van Serpentaria en met honing door het in de neusgaten te steken.

 

   

 

eybisch xii Capi

Altea malva h˙spanica malva·agrestis malva·v˙scus ˙biscus·Eniscus latine·Arabice Cristotos·Shoboτeticum·Rososamen·Grece molochia Agria·

(Der meister Diascoτides in dem capitel altea spτicht·das die bletter sind rund gele˙che der haselwurcz·und has ein blůmen geleich den rosen·ir wurczel ist lang·und hat vil feüchtung in ir·und ist inwendig we˙ŝs· (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dez capitel Altea spτicht das altea se˙ he˙sser natur·Und spτicht·das die wurczel gesotten wit dem kraut und auff die herten geschwer gelegt·weychet s˙·(E˙bisch bletter gesotten mit baumôle·sind gůt zů aller hand h˙cze anŝwendig des leibes als ein pflaster darauff geleget·(E˙bisch wurczeln gesotten und gemenget mit eŝsig·n˙mbt hin moτfeaz·das ist·die bôse gestalten der ausseczigke˙t·

(Der samen von e˙bich ist vil stercker zů der ˙eczgenanten fücht·wan er we˙chet alle hertte geschwere die do h˙czig sind und he˙let sere·(Also genüczt·ist er auch fast gůt den zerschwollen gel˙dern·(E˙bisch wurczel und le˙nsamen gesotten und füro an den halŝ gelegt als ein pflaster weichet squinanciam·das ist·eine geschwere in der kelen. (Der samen von e˙bisch nimbt den hůsten der sich erhaben hat von hicze·vund machet fast auŝwerffen davon ein tranck gemacht mitt ˙sop und leckricz in wasser od in wein gesoten·(Der samen mit wein gesoten unnd darunder gemüschet baaumôle·vertre˙bt aller handt miŝflecken unnder den augen domit gewċchen· (E˙bich wurczeln gesoten·und geleget do sich ein mensche gebτennet hat·zeühet auŝ grosse hicze·

(Und die zerbτochen sind in dem le˙be sollen bτauchen den samen von e˙bisch und darüber dτucken s˙ genesen davon·(Item wo einen ein be˙n gestochen het d neme e˙bisch wnrczel·uud menge die mit eŝsig und streich den dar auff·er gen˙set zůhandt·(E˙bisch wurczel gesoten mit wein und den getruncken·macht fast (v.iiij·) [29] wol hċrmen·(Der samen von e˙bisch treybt auŝ den stein der in den lenden ligt·(Der meister Serapio spτicht·das der samen von e˙bisch so er frisch ist unnd getrucknet und darnach klein gestossen und gesoten mit eŝssig  uud domit geschmieret in der sunnen he˙let moτfeam·das ist ein unreinigkeit der haut eines auŝseczigen menschen·(E˙bisch wurczel gesoten mit wein und den also getruncken ist fast gůt den jnnerlichen gel˙dern die zerbτochenn wċren von schlegen stossen odeτ von fallen·(Item e˙b˙sch wurczel gesoten mit eŝsig unnd den muudt mit gewċschen·machett gůt zeen und ben˙mbt den schmerczen des zanfle˙sches·

(1) Heemst, 12de kapittel.

Althaea malva hyspanica, Malva agrestis, Malva viscus, Ibiscus, Eniscus Latijn. Arabisch Cristotos, Shoboreticum, Rosozaden. Grieks Molochia agria. (Althaea officinalis)

De meester Dioscorides in het kapittel Althaea spreekt dat de bladeren zijn rond gelijk het mansoor en heeft een bloem gelijk de rozen, haar wortel is lang en heeft veel vochtigheid in zich en is inwendig wit. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Althaea spreekt dat Althaea is van hete natuur. (2) En spreekt dat de wortel gekookt met het kruid en op de harde zweer gelegd ze weekt. Heemstbladeren gekookt met olijvenolie zijn goed tot allerhande hitte uitwendig aan het lijf als een pleister daarop gelegd. (3) Heemstwortels gekookt en gemengd met azijn neemt weg morfeem, das is die kwade gestalte van de huiduitslag.

De zaden van heemst zijn veel sterker tot de net genoemde vochtigheid want het weekt alle harde zweren die je heet zijn en heelt zeer. Alzo genuttigd is het ook erg goed de gezwollen leden. Heemstwortel en vlaszaden gekookt en vooraan de hals gelegd als een pleister weekt squinancie, das is een zweer in de keel. (3) De zaden van heemst neemt dat hoesten dat zich verheven hebben van hitte en maakt erg uitwerpen, daarvan een drank gemaakt met hysop en zoethout in water of in wijn gekookt. De zaden met wijn gekookt en daaronder gemengd olijvenolie verdrijft allerhande misvlekken onder de ogen, daarmee gewassen. Heemstwortels gekookt en gelegd daar zich een mens gebrand heeft trekt uit grote hitte.

En die gebroken zijn in het lijf zullen gebruiken de zaden van heemst en daarover drukken, ze genezen daarvan. Item wie een bij gestoken heeft die neemt heemstwortel en meng die met azijn en strijk die daarop, het geneest gelijk. Heemstwortel gekookt met wijn en dan gedronken maakt erg goed  [29] plassen. De zaden van heemst drijft uit de steen die in de lenden ligt. (2) De meester Serapio spreekt dat de zaden van heemst zo het vers is en gedroogd en daarna klein gestoten en gekookt met azijn en daarmee gesmeerd in de zon heelt morfeem, das is een onreinheid der huid van een schurftige mens. Heemstwortel gekookt met wijn en dan alzo gedronken is erg goed de innerlijke leden die gebroken waren van slagen, stoten of van vallen. Item heemstwortel gekookt met azijn en de mond mee gewassen maakt goede tanden en beneemt de pijn van het tandvlees.

 

Vorm.

Witte heemst is een meerjarige plant die ruim een meter hoog wordt met overal een viltige, grijs groene beharing. Aanvankelijk heeft heemst een spindelvormige wortel van dertig centimeter lengte en een paar cm dik die met bruine nerven bezet is en snel door een kruipende, vingerdikke knoestige wortelstok vervangen wordt. Uit de wortel komen meerdere opgaande en weinig vertakte stengels waaraan wat hartvormig bladeren zitten. De heemst bloeit sterk met blauwroze tot witroze bloemen.

 

Naam.

(1) Dodonaeus: ‘Het eerste en het gewoonste van deze twee kruiden heet hier te lande witte maluwe en witten huemst, in Hoogduitsland Ibisch, de Grieken noemen het Althaea en Ebiscos of Ibiscos, sommige Arisalthaea en de Latijnen noemen het ook Althaea en Ibiscus, de apothekers Bismalva en Malvaiscus als of men Malva Ibiscus zei. Sommige noemen het in het Latijn Malva Hispanica, Malva alba’.

Althaea is afgeleid van het Griekse woord „altho“ en betekent zoveel als helen’.

Uit Latijns Althea kwam in de 14de eeuw het midden-Hoogduits Alte en Altea van A. Magnus.

De naam Ibiscus en Eniscus is de naam in Latijn, agria is van het veld. Het is de Keltische naam van de plant die Virgilius in de Po vlakte in het Latijn als Ibiscum noteerde, van waaruit Iebiskos en Griekse Aebiscos en Hibiscus kwam. Van daaruit is het woord door monniken in het oud-Hoogduits gekomen, Ibischa bij Hildegard, wat tot der Eibisch of Eybisch is geworden. Het Ebich lijkt op dat van Apium =Eppich en Hedera =Epich. Maar als de plant uit Spanje kwam, malva hyspanica, zou de naam Ibiscum ook van Iberia afgeleid kunnen zijn.

Onze naam heemst is afgeleid van (H)ibiscus, in midden Noordduits is het witte Humst.

Malva viscus betekent kleverige heemst. Grieks Molochia betekent naar ik meen ook kleverig. De Fransen noemen het la  guimauve en mauve-gui, dat betekent klamme malva. De oude schrijvers noemden het Malva visca (kleverig) wat vooral in de wortel voorkomt en wat gemengd is met een suikerachtige stof. Een goede soort werd door de Fransen naar de grote steden gezonden waar het verdikt werd met suiker en gemaakt tot hoesttabletten die ze patés de guimauve noemden.

 

Gebruik.

De wortel van Althaea is gevuld met een slijmachtig sap dat in water gelegd zich verdikt als ware het stroop. Vanwege het slijmgehalte werd het ook gebruikt als inhullend, opwekkend, hoeststillend en pijn verminderend middel bij halsziektes en borstziektes.

Herbarijs heeft heel opvallend dit kruid niet.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Witten hoemsch of Altea wordt gelijk tussen heet en droog gesteld. Zijn werking en eigenschap is om te verzachten, te rijpen, murw te maken, te veranderen en af te drogen. Het zaad en de groene wortels hebben de grootste kracht.

Tegen aandrang tot waterlozing, steen, grove overvloedigheid en tegen ischialgie (dat is een sterke pijn rondom de heup naar de knieën toe) kook het witte heemstzaad en zijn wortel met averone in wijn en drink er van.

Tegen tandpijn kook je heemstwortel met bertram en wat mastiek en was de mond daar lauw mee.

(3) Tegen morfeem (dat zijn witte of zwarte plekken in de huid) kook je heemstzaad met knoflook en azijn en strijk je daarmee over het gezicht of de huid in de zon want dat roeit die plekken uit. Als je hetzelfde doet, maar met olie, en op die plaats legt is het goed tegen beten van ongedierte en tegen bijensteken.

(2) Tegen zweren van de darmen en blutsingen van de zenuwen kook je witte heemstwortel in wijn en water met wat mastiek.

Heemstwortel is goed tegen hete blaren van de borsten en de aars, tegen het trekken van de zenuwen, tegen harde blaren of klieren en het laat de opgeblazen blaren of gezwellen van de oogschellen verdwijnen. Het geneest blaren van de oren die glandula parotis genoemd worden en (a) het verzacht pijnen van de gewrichten of gespannen benen. Heemst met meel van Grieks hooi, met meel van lijnzaad, met eendenvet en terpentijn is goed tegen het uittrekken van de zenuwen want het verteert of verandert, rijpt en opent de blaar. Hetzelfde zuivert de baarmoeder en haar overvloedigheid. Uit ervaring weet men dat je daarmee pessaria (dat is een soort van klysma) in de baarmoeder zet.

Tegen het uitvallen van het haar kook je heemstwortel met averone in azijn en bestrijk je het in de zon want het geneest al drogende.

(3) Tegen hoest die uit koude zaken komt (b) en om ook gemakkelijk te kunnen spuwen kook heemstzaad, zoethout en vijgen in water en maak het zoet met suiker. Als je daar nog wat dragagantum bij doet dan is het ook goed tegen het bloed spuwen. (c). Hetzelfde is ook goed tegen dorst en het brandende plassen.

Tegen blaren in de borst (dat is pleuritis) (d) en in de longen (dat is peripneumonie) (e ): ‘Neem een ons witte heemstwortel, van zoethout een half ons, cichoreiwortel, gerst, de vier koude zaden (als komkommer, kouwoerden, meloenen, citrullen) andijvie- en posteleinzaad, van elk twee drachmen; violenbloemen en rozijnen, van elk een half ons, stamp dit alles tezamen, kook het en geef het zoals in het kapittel ervan verteld is’.

(a) Een grote speekselklier die pal voor het oor zit en gezwollen kan zijn, bij de bof of door een steentje. (b) Bronchitis, longontsteking. (c) Door fikse ontsteking van de longen of een maag/slokdarm/drankprobleem. (d) Pleuritis, ontsteking van de longbladen. (e) Peripneumonie, =long- en longbladontsteking.

Het werd net als de Gart gebruikt als een verzachtend middel en vooral tegen huidziektes. Als hoest stillend middel werd het toch maar weinig gebruikt. Dat is ook nog zo bij Dodonaeus die het als wel gebruikt tegen tandpijn waardoor later de naam tandwortel ontstond door het gebruik dat moeders die aan kinderen gaven waarvan de tanden doorkwamen.

 

Dodonaeus; ‘(2) De wortels van witte maluwe in wijn of honigwater gekookt en klein gestoten genezen en helen de verse wonden, laten scheiden en verdelen allerhande harde koude en ook andere gezwellen als ontstekingen, blaren of zwellingen en zweren achter de oren en van de borsten, vermurwen de klieren, laten rijpen en uittrekken alle verouderde gezwellen en blaren, genezen de kloven van het fondament en verdrijven dat beven en schudden van de zenuwen en zenuwachtige

aar de lering van Galenus en andere oude meesters laat de witte maluwe scheiden, verdrijft en vermurwt, maar de wortel en het zaad werken krachtiger dan de bladeren of bloemen en hebben daartoe enige afvegende kracht. Sommige verzekeren dat ze daarom Bismalva genoemd is alsof men dubbele maluwe zei om dat ze noch eens zo krachtig en nuttig is in alle gebreken daar de maluwen in gebruikt worden zoals de gewone maluwe.

Ze dient ook om de buik week te maken net zoals andere maluwen en vooral de kleine malse scheuten en laat daardoor de pijn van de lendenen vergaan.

De wortel is meest gebruikelijk in zalven, pappen en pleisters om de builen, knobbels, gezwollen en blauw geslagen leden te genezen en vooral haar slijmerig sap dat Muccago of Muccilago Althaea genoemd wordt.

De dokters en beste apothekers van Italië koken allen de wortel in water en duwen dat sterk door een doek of zeef en hetgeen dat doorgedaan is vermengen ze kunstig met suiker, altijd roeren, en maken daar hapjes of koekjes van die ze Polychteston noemen en nuttig is tot vele gebreken, (3) maar die meest tot de zinkingen en dunne katarren die op de longen vallen.

(2) De wortels van witte maluwe in wijn of honigwater gekookt en klein gestoten genezen en helen de verse wonden, laten scheiden en verdelen allerhande harde koude en ook andere gezwellen als ontstekingen, blaren of zwellingen en zweren achter de oren en van de borsten, vermurwen de klieren, laten rijpen en uittrekken alle verouderde gezwellen en blaren, genezen de kloven van het fondament en verdrijven dat beven en schudden van de zenuwen en zenuwachtige

leden. Die in vers zoet melk gekookt genezen de hoest, als Plinius zegt, maar in wijn gekookt en gedronken zijn goed diegene die slecht hun water kunnen maken en tegen pijn van niergruis, jicht, en ook diegene die van binnen geborsten en gescheurd zijn. Die wortels alzo gekookt en klein gestoten en met varkensvet of ganzenvet of met terpentijn vermengt verzoeten de blaren en zweren van de baarmoeder en openen de verstoppingen er van, met een pessarium van onder gezet. Ze genezen ook diegene die de kramp hebben.

 

  

 

sauerampfer xiii capi

Acetosa latine·Humat arabice, Grece Oxiolappacium·

(Der meister Paulus spτichet·das acetosa se˙ trucken und kalte in dem dτittenn grade·Unnd der same davon kalt in dem ersten grade·unnd trucken in dem andern·(Die wirdigen meister spτechen·das acetosa sey zwe˙er hand·eine groŝ die ander klein. Die groŝ hat lang stengel und oben daran knôpffe geleiche der grossen kletten und die ist genant Acetosa maioτ·D˙e kleine hatt kleive bletter die seind fe˙ŝt·und hat einen dünnen style und einen kleinen samen·unnd dises ist genannt accedula oder acetosella und diŝ ist auch kalt und truckner natur·und dienet dem heyssen magen und der bôsen lebern und zů dem herczen und bτinget luste zů essen·Aber zů disen allen ist acetosa maioτ besser· (Der meister Serapio spτicht das sauwer ampffer geessen vertre˙bet den unlust und machet den menschen lustig zů essen·(Item sauwer ampffer mit hauŝ moŝ czůsamen gestossen unnd darunder gemüschet eŝsig und gelegt auff das he˙lig feüer oder auff ein enczondet gel˙de·leschet das zů hand. (Item sauer ampffer gestossen und über die augen gelegt geleiche einen pflaster·vertre˙bet·dye geschwulst davon·(Item sauer ampffer he˙let die flecken an dem le˙b wo die sein mügen·genant moτfea·darauff geleget gele˙ch [30] einem pflaster·(Itez also genüczet heylet er den bτant und von disen obgeschrbnen kranckeiten mag man nemen das kraut den samen und wurczeln· (Diascorides·der safft von sauerampfeτ getemperiert mit baum ôle und an das haubt gestrichen das grossen schmerczen hat von h˙cze·ben˙mmet die h˙cze·(Item sauerampffer mit wein getruncken od stċtigklich geessen·vertreybt aller hand sucht die do kommen von hicze als die geelsuccht die do kommet von der lebern oder milcze genant ˙ctericia·(Das selb hilfft auch den we˙ben also getrnncken ob ir sucht zů lang weret genennet menstruum·und sunderlichen von dem samen·(Item d same genüczet vertreybt die spôlwŭrme·( Und ist auch gůt für vergifft·und besunder wider geb˙ŝs der vergifftigen thiere·als Avicenna und Serapio davon spτechen·Itez der safft von sauerampffer umb die augen gestrichen erleüchtet s˙· (Die meister sprechen Wer sauer ampffer be˙ jm trage·den steche der tharant nit. (Dises safftes in die oτen gelassen vertre˙bet die geschwulst in den oτen·(Der meister Plinius spτichet·daz do se˙ ein ander kraut das he˙ŝet hauŝwurcze oder hauŝlauch·und das hat alle d˙e krafft und tugent in im die der sauer ampffer hat·Und man mage auch das nüczen zů allen den süchten darzů man nüczet sauer ampffer·(Item. Wer sauer ampffer nüczet in einem salath mit eŝsig ist die schwindikeit d gallen uberwinden·(Und sauer ampffer wassers mit triackers vermüschet ist gůt wider die pestilencz·(Item sauer ampffer safft ist gůt wider den blůtgange des gedċrmes genant dssinteria·

(Dz selb safft ist auch gůt wid den fluŝ der guldin adern genant fluxus emoτrodiarin·(Item sauer ampffer safft genüczet·der ist gůt wid die trunckenheit·(Item Avicenna spτicht. Wer sauerampffer wurceln ann seinem halŝe tregt dem ist es vertre˙bend dye knoden und beülen an dem halŝ.

Zuring, 13de kapittel.

Acetosa (1) Latijn. Humat Arabisch, Grieks Oxiolappacium. (Rumex acetosa)

De meester Paulus spreekt dat acetosa droog en koud is in de derde graad. En het zaad daarvan koud in de eerste graad en droog in de andere. (4) De eerwaardige meesters spreken dat acetosa tweevormig is, een grote en de andere klein. De grote heeft lange stengels en boven daaraan knoppen gelijk de grote klis en die is genaamd Acetosa major. De kleine heeft kleine bladeren en die zijn vast en heeft een dunne steel en kleine zaden en deze is genaamd accedula of acetosella en dit is ook koud en droge natuur en dient de hete magen en de kwade lever en tot het hart en brengt lust tot eten. Maar tot dit alles is acetosa major beter. (2) De meester Serapio spreekt dat zuring gegeten verdrijft de onlust en maakt de mensen lust tot eten. Item zuring met huismos tezamen gestoten en daaronder gemengd azijn en gelegd op dat heilig vuur of op een ontstoken lid, lest dat gelijk. Item zuring gestoten en over de ogen gelegd gelijk een pleister verdrijft de gezwellen daarvan. (5) Item zuring heelt de vlekken aan het lijf waar die zijn mogen genaamd morfeem, daarop gelegd gelijk [30] een pleister. Item alzo genuttigd heelt het de brand en van deze opgeschreven ziekten mag man nemen dat kruid, de zaden en wortels. Dioscorides: het sap van zuring getemperd met olijvenolie en aan dat hoofd gestreken dat grote smarten heeft van hitte, beneemt die hitte. Item zuring met wijn gedronken of steeds gegeten verdrijft allerhande ziekte die je (3) komen van hitte zoals de geelzucht die je komt van de lever of milt genaamd ˙ctericia. (3) Datzelfde helpt ook de vrouwen alzo gedronken als hun ziekte te lang duurt genoemd menstruatie en vooral van de zaden. Item dat zaad genuttigd verdrijft de spoelwormen. En is ook goed voor vergift en uitzonderlijk tegen beten der vergiftige dieren zoals Avicenna en Serapio daarvan spreken. Item, het sap van zuring om de ogen gestreken verlicht ze. De meesters spreken; Wie zuring bij hem draagt die steekt de tarantella niet. Dit sap in de oren gelaten verdrijft de gezwellen in de oren. De meester Plinius spreekt dat er een ander kruid is dat heet huiskruid of daklook en dat heeft alle de kracht en deugd in hem die de zuring heeft. En man mag ook dat nuttigen tot alle de ziektes daartoe man nuttigt zuring. Item. Wie zuring nuttigt in een salade met azijn is de duizeligheid der gallen overwinnen. En zuringwater met teriakel vermengt is goed tegen de pest. Item zuringsap is goed tegen de bloedgang van de darmen genaamd dysenteria.

Datzelfde sap is  ook goed tegen de vloed der gulden aderen genaamd fluxus hemorrodiarium. Item zuring sap genuttigd dat is goed tegen die dronkenschap. Item Avicenna spreekt: Wie zuringwortels aan zijn hals draagt dat is hem verdrijven de knobbels en builen aan de hals.

 

Vorm.

Veldzuring is een dertig tot zestig centimeter hoog kruid met roodachtige stengels. De bladeren zijn pijlvormig of spiesvormig, rijk groen en glad, in de herfst roodachtig. De donker rode bloemen staan in pluimen van mei tot augustus.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Al deze kruiden worden onder een naam begrepen, in het Grieks Lapathon en in het Latijn Rumex. Dan Plinius in het 12de kapittel van zijn 19de boek schijnt de naam Rumex alleen aan de tamme soorten van Lapathum of patientie toegeschreven te hebben. Het vierde geslacht is in het Nederduits surckel en zurinck genoemd, in het Hoogduits Saurampffer, in het Frans ozeille, in het Engels sorrel, in het Spaans azederas, agrelles en azedas, in het Italiaans acetosa, in het Boheems Sfiowijk, in het Grieks Oxalis en Anaxyris of, zo Galenus zegt, Oxylapathum, dat is zure patich, in het Latijn ook Oxalis, Lapathum acidum, Rumex acidus of (zo het in de apotheken bekend is) Acerosa.

Rumex kan komen van het Latijnse rumo, ‘opzuigen’, naar de gewoonte van de Romeinen om op zuringbladen te zuigen tegen dorst. Dit wordt nog wel eens gedaan maar kan leiden tot infecties aan de mondhoeken. Oxiolappacium, Grieks voor een zuur bladig kruid.

Acetosa betekent ‘zuur’. Zuring, zuurling of zurkel werd in Middeleeuwen surkele genoemd. In het Engels heet het sorrel, dit van oud Engels sure en dat van het oud Franse surelle of sorele, een afleiding van sur, ‘zuur’ of ‘scherp’, een kleine, scherpe plant. Duits Sauerampfer. Ampfer, onze amper. Dit woord is genomen van het oud-Hoogduits Ampharo: zuur of scherp, Angelsaksisch ampre, in Nederlands, Zweeds en Noors betekent amper bitter en in oud-Noors apr en Deense mondspraak aber: scherp. Het Germaanse ampra voert terug op Indo-Germaanse ambro, met oudere am-ro: bitter. Beide vormen keren terug in oud-Indisch am(b)la: zuur. Oerverwant is ook Latijns amarus: bitter. Deze oude taalovereenkomst en het vroegere gebruik als voedsel voor de mens, de zeer oude conserverings- en bereidingsmethode door gisting bewijst al een vroege verspreiding van de monnikenrabarber die waarschijnlijk al op legerstede van zoogdieren uit de ijstijd groeide. Mogelijk is het de oudste moesplant van de alpenbewoners geweest.

Hildegard von Bingen spreekt van Amphora, Der Ampfer.

 

Gebruik.

Het zure sap werd ook gebruikt tegen huidaandoeningen. Het stilt de dorst, geeft een voorjaarsgroente, verkoelt en  herstelt zo verbranding dat van hitte komt. De oudere planten bevatten een hoog gehalte aan zuren die gebruikt worden om vlekken uit de kleren te verwijderen, maar ook om het zilver schoon te maken.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Sulker of acetosa is soms tam en dat is de gekweekte die in de hoven groeit, soms groeit het in het wild in buiten. Het is koud in de eerste en droog in de tweede graad. In haar is het bedwingende aanwezig (dat is stipticiteit) en zuurachtigheid waaruit de gal naar boven gaat, maar haar vochtigheid is te prijzen. Tegen zwerende schurft en oppervlakkig defect van de huid (of het afvallen van de nagels) kun je de wortel van zuring met azijn koken. (5) Hetzelfde kun je ook gebruiken tegen plekken in de huid zoals morfeem (b) en kruipende ziekten of schurft zoals serpigo (c) en tegen dergelijke besmettingen van de huid. Als die plaatsen daarmee besmet zijn kun je deze schurftachtige plaatsen met deze zalf bestrijken: ‘Neem vijf ons van het sap van zuring; van terpentijn een half grein, een ons en een drachme zout, meng het met olie van laurierbes en maak er al roerende bij het vuur een zalf van’.

Tegen de gele kleur van verstoppingen die uit koude zaken komen: ‘Neem zuring en de vier koude zaden, kook het in andijviewater en drink het’. Of met wijn en van die wijn zegt men dat je daarvan kan walgen.

Serapio en Avicenna zeggen dat als iemand van zuringzaad eet of het kooksel daarvan drinkt en daar na door een schorpioen gestoken wordt het hem geen last zal bezorgen, daarom is het goed tegen venijn.

Tegen pest kun je zuringwater met wat raapzaad te nemen: ‘Neem van zuringwater een half onsje, van knoflook een drachme, meng het en geef het rond middernacht lauw te drinken en dek de zieke toe om te zweten, dat is als een zeker middel bevonden’.

Zuring met zijn zure bitterzure of scherpe smaak geneest de zweren van de darmen en van het lichaam, maar zuringzaad is sterker in het stoppen van het lichaam.

Tegen lopende aambeien en dronkenschap, drink het sap van zuring.

Tegen scrofulas (d) maak je er een pleister van.

Men zegt, zei het. Avicenna vertelt dat als je de wortel van zuring in de hals legt bij diegene die kropzweren heeft dat hij ze dan kwijt raakt. Tegen het tandzuur neem je het sap van zuring of kook het met wijn en als het lauw is was je daarmee de tanden.

(3) Tegen de loop van baarmoeder bloedingen (e ) wrijf je de wortel en kook die in wijn, het breekt ook de nierstenen en het afschaven van de darmen. (f)

 (b) Vormafwijking van de huid. (c) Dit is een kruipende ziekte, meestal een gezwel of zweer. aangezien er in de volgende zin sprake is van besmetting zal hier vast sprake zijn van een infectie zoals wondroos die een zweer veroorzaakt. (d) Opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (e) Bloedingen tussen menstruaties door, of hevige menstruaties. (f) Dysenterie.

 

Herbarijs ; ‘Acetosa, dat is surkele, dat is koud in de 3de graad en droog in de eerste. (2) En die het eet in de lente maakt goede appetijt en laat zeer hongeren en verdrijft alle hitte. En het is goed gepleisterd op (5) alle druppels en op hete gezwellen. En ze (3) stremt de menstruatie in de vulva als het van onder ingestoken wordt. En het is goed in alle koude zalven en in alle koude pleisters om de hitte te weren. Echter die verbrand is van het vuur en de ogen gezwollen, voor die zal men zuring stampen en het erop leggen.

Echter het sap van haar stremt buikloop en (3) purgeert de vrouw van haar zaken en doodt de wormen en verslaat venijn en stopt de loop die te licht is. En is goed op alle hete ongemakken’

 

 

(4) Er worden 2 soorten beschreven, zo ook in Herbarius in Dyetsche. Herbarijs heeft er nog 3 alzo;

(a)   Lapacium acutum, met scherpe bladeren, de beste.

(b)  Lapacium rotundum met brede bladeren waar men boter in draagt.

(c)   Lapacium domesticum of tamme zuring, die gekweekt wordt in de moestuin.

(d)  Acetosa, dat is surkele.

Platearius heeft dezelfde indeling als de Herbarijs; Est autem triplex scilicet lapacium acutum et acuta habens fola et herba efficax est, et lapacium rotundum quod habet folia rotunda et minus efficax est, et lapacium domesticum lata habens folia magna aliquantulum competit usui medicine;.

Dioscorides beschrijft 4 soorten Lapacium, wilde, tamme, met ronde bladeren en met scherpe bladeren.

Dodonaeus beschrijft 8 soorten Lapathum of Patich.

 (a) Lapacium acutum, de beste. Dodonaeus; ‘Het eerste geslacht van Lapathum of Oxylapathum dat men hier te lande Patich of Peerdick noemt heeft lange, een zeventien cm hoge, voor scherpe, niet zeer brede, hardachtige bladeren. In Latijn Rumex acutus. Lapathum silvestre of Oxylapathum. In de apotheken Lapathium acutum’.  Dat is Rumex x pratensis Mert. & Koch. (R. acutus, L (scherp) een bastaard van crispus en obtusifolius. Hoewel herbarius in Dyetsche acutum partike noemt wat overeen komt met domesticum, hoewel hij er wel 2 soorten van vermaant.

(b) ‘Waar men boter in draagt’ moet een grootbladige vorm zijn, de grote patich of water patich van Dodonaeus, Rumex aquaticus L., paardezuring, waterzuring, Frans patience aquatique, oseille d’eau, Duits Wasser Ampfer, Engels water-sorrel, horse-sorrel’.

(c ) Domesticum zal Rumex patientia L zijn. Dodonaeus; ‘De tamme soort van Patich heet in Grieks Lapathon hemeron, in Latijn Rumex sativus en Lapathum sativum of zoals sommige apothekers zeggen Patientia’. Spinaziezuring, Engelse spinazie, Frans patience officinale, Duits Gartenampfer, Engels patience-dock’.

(d) Rumex acetosa, dat betekent meer zuur dan scherp wat met de naam sauerampfer overeen komt .

 

  

 

Dylle xiiii capitel [31]

Anetum latine·arabice Debeth. (Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis·in dem capitel Debet·idest Anetum spτicht·dz anetum allen leüten se˙ wol bekant unnd sein natur ist warme machen in dem leczten des dτitten grades·und trucken machen an dem anfang des audern grades·(Der wirdig meister Avicenna spτichet·das d˙lle genüczt machet wol schlaffen·und sunderlichen das ôle davon an das haubt gestrichen·(Der safft von dil oder d˙l olei ist gůt wider dem wetagen d oτen·darein warm gelassen·(Er spτicht auch·das d˙lle sei schedlich den augen die stċtiklich genüczet·Der same von dil und das kraut·genüczet den frauwen die kinder seügen bτinget jn vil milch·und sunderlich also genüczet mit linsen bτüe·(Wer vil speyet d neme ein te˙l wassers mit dill und ein teil gesotten mit maiŝ samn·und die unnder einander gemüschet und des getruncken·benymmbt das vil speyen·(D˙ll gesoten und getruncken·vertreibt des bauches ungemach·(Der samen von dill heilet emoτrodias·dz ist sein chloŝ in dem afftern davon entstend die feichtblatern·des bulfers von den samen darein gestreüet·(Dye ċschen von dill ist gůt für allen gebτesten des afftern und wetagen des mannes dinger genant testiculus et virga· (Paulus ein meister spτicht in dem capitel von dill·das dill gesotten und genüczet seye fast gůt stranguiriosis·dz ist·do dτŭplingen hċrmen·(Item dill gesotten mit zucker·und darunder gemüscht ôll und wein·ist fast gůt der můter genant matrix·unnd n˙mbt hin secundinam·und bringt den frauwen ir kranckeit genant menstruum des getruncken auff zwei quintin·(Platearius·dill gesoten und getruncken·ist fast gůt den die erkaltet sind umb die bτust·(Item der samen von dill·und nesseln samen·˙egklichs geleich vil gebulfert·und darunder gemüscht mett hônig·und dar auŝs gemachet ein pflaster·und gelegt auff die feüch blatern·he˙let die zů handt·(Der meister genant rabi mo˙ses·jn dem capitel Anetum spτichte das der dillsamenn vermenget mit mastix·ist gůtt für dz schlicken dz kumbt von einen follen magen·(Plinius spτicht die wurczel gestossen und geleget auff die augen·ben˙mmbt die hicze darauŝ·(Dill gesotten und darunder gemüschet mastix·benimet das bτechen genant vomitum·(Dill geessen stercket das hirn· und den magen·(Item dill ġle ist gůt in wetagen d odern genant artetica·mit d salbeenn genant ungentum die alte vermenget·(Item dillôle mit meiŝsamen ôle vermenget·ist machen schlaffen·die stirn damit geschmieret·(Item dill samen·zům dicker mal von dem genüczet d ist des mannes samen verzeren·genennet sperma·Alŝ Avicenna und Serapio die meister spτechende [32] Item. D˙ll samen gesotten in wasser darein sollen ftrawen siczen ist gůt wider den weetagen der můter·

Dille 14de kapittel. [31]

Anethum Latijn. (1) Arabisch Debeth. (Anethum graveolens)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Debet, id est Anetum, spreekt dat Anethum alle lieden goed bekend is en zijn natuur is warm maken in de laatste van de derde graad en droog maken aan de aanvang van de andere graad. De waardige meester Avicenna spreekt dat dille genuttigd maakt goed slapen (2) en vooral de olie daarvan aan dat hoofd gestreken. Het sap van dille of dillenolie is goed tegen de pijndagen van de oren, daarin warm gelaten. En spreekt ook dat dille schadelijk voor de ogen is die steeds genuttigd. (3) Het zaad van dille en dat kruid genuttigd door de vrouwen die kinderen zuigen brengt hen veel melk en vooral alzo genuttigd met linzen bouillon. Wie veel spuwt die neemt een deel water met dille en een deel gekookt met boommos zaden en die onder elkaar gemengd en dat gedronken beneemt dat vele spuwen. (4) Dille gekookt en gedronken verdrijft de buik ongemak. (6) De zaden van dille heelt hemorroide, dat zijn kloven in het achterste daarvan ontstaat de aambeien, dat poeder van de zaden daarin gestrooid (6) De as van dille is goed voor alle gebreken des achterste en pijndagen van de mannen ‘s ding genaamd testiculus en virga. Paulus, een meester, spreekt in het kapittel van dille dat dille gekookt en genuttigd erg goed is stranguriosis, dat is die druppelend plassen. Item dille gekookt met suiker en daaronder gemengd olie en wijn is erg goed de baarmoeder genaamd matrix en neemt weg nageboorte en brengt de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie, dat gedronken op twee maal 1,67gram. Platearius: dille gekookt en gedronken is erg goed diegene die verkouden zijn om de borst. Item de zaden van dille en brandnetelzaden, van elk gelijk veel, gepoederd en daaronder gemengd met honing en daaruit gemaakt een pleister en gelegd op die aambeien heelt die gelijk. De meester genaamd Rabbi Moises in het kapittel Anethum spreekt dat de dillenzaden vermengt (4) met mastiek goed is voor dat slikken dat komt van een volle maag. Plinius spreekt; die wortel gestoten en gelegd op de ogen beneemt de hitte daaruit. Dille gekookt en daaronder gemengd mastiek beneemt dat braken genaamd vomitum. Dille gegeten versterkt de hersens en de magen. Item dille olie is goed in pijndagen der aderen genaamd artetica met de zalf genaamd ungentum diealte vermengt. Item dillenolie met boommos zadenolie vermengt is maken slapen, dat voorhoofd daarmee gesmeerd. (5) Item dillenzaden vele malen ervan genuttigd dat is de mannen zaden verteren genoemd sperma. Zoals Avicenna en Serapio die meesters spreken. Item. [32] Dille zaden gekookt in water daarin zullen vrouwen zitten is goed tegen de pijndagen van de baarmoeder.

 

 

Vorm.

Dille is een eenjarige plant die een 100 cm. hoog wordt met meestal maar een stengel. Hieraan komen fijngesneden, draadvormige bladslippen. De zachte kleur van de plant, die ligt tussen het groen en het geel van de bloemscherm, vormt een lichte waas boven de lagere bedekking. Goudgele schermen waaruit bruine en harde vruchten komen.

 

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit kruid in onze taal dille, in het Hoogduits Tillen, in het Grieks Anethon en bij sommige Anekethon, in het Latijn noemt men het ook Anethum en met die naam is het in de apotheken bekend’.

Bij de Grieken was Anethum de naam voor de plant. Deze is afgeleid van aemi, ‘ ik blaas uit’ of ‘adem uit’ vanwege de sterke geur van de plant. Dat komt eveneens tot uitdrukking in de Latijnse naam graveolens, van gravis, ‘ zwaar’, en olere, ‘rieken’.

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Dillenolie dat met olie van papaverzaad gemengd is en op de slapen van het hoofd gestreken wordt laat je slapen’ . Dodonaeus gebruikt het ook als rustgevend middel. Dille zou een kalmerende uitwerking bezitten. Deze naam is afgeleid van het oud Noorse dilla, wat ‘sussen’ betekent. Al eeuwen wordt het kruid gebruikt om baby’s in slaap te krijgen. Een vergelijkbare naam is het Engelse dull, ‘verminderen’ of ‘verzachten’. Dill, in Duits Till, Dylle of Dill, Engels dill, kan ook afgeleid zijn van delen, omdat de plant in veel takken verdeeld is.

(4) Omdat dille wordt gebruikt bij het inmaken van augurken heet het ook augurkenkruid. Pickles maakten dille beroemd, het verbetert de spijsvertering. Zo ook in Herbarius in Dyetsche, Dodonaeus en Herbarijs is dille goed voor de maag.

 

Gebruik.

Dille is al heel lang gebruikt als middel tegen gasvorming in maag en buik. Daarnaast verbetert het kruid de spijsvertering. Herbarijs; ‘en ze slankt ziektes af dat van volheid komt’. Het zou door de middeleeuwse ridders gebruikt zijn om op open wonden te strooien. De vrucht bevat een vluchtige olie die in de geneeskunde wel gebruikt wordt als urineafdrijvend middel. In de oudste stedelijke farmacopees zijn ook de zaden alleen als officineel aangegeven. Later worden ook de bladeren gebruikt.

(4) Dille zaden bevatten een 4% Oleum anethi, een vrijwel kleurloze olie. Het zal dus wel aromatische waarde hebben met een antiseptische werking in de spijsverteringstractus en ook op de huid. Die olie zou antibacterisch en schimmeldodend werken, maar ook wel om de melkafgifte te bevorderen bij zogende vrouwen. Zo ook bij Herbarius in Dyetsche, niet in de Herbarijs.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Dille of Anetum is heet tussen de tweede en de derde graad, droog tussen de eerste en de tweede. Als dille gebrand wordt dan is het droog in de tweede. Het verandert (dat wil zeggen het ontbindt of verteert) bijzonder goed rijpe blaren en zweren.

Geslagen of gestampt dillenzaad dat met heemswortel en zwijnenvet gemengd is rijpt de slijmachtige blaren en zorgt ervoor dat pusvormende ontstekingen rijpen en knappen. Om de zweren te drogen: ‘Neem as van verbrandt dillenzaad en meng het met de gebroken wortel van Iris’.

Olie van dillenzaad dat met Althaea gemengd is geneest van de gewrichten.

Dillenolie dat met olie van papaverzaad gemengd is en op de slapen van het hoofd gestreken wordt laat je slapen.

Olie van dillenzaad dat met olie van bittere amandelen gemengd is en lauw in de oren gedruppeld wordt geneest oorpijn en verdroogt haar vochtigheid. (a)

Avicenna zegt dat als je veel dillenzaad eet dat je dan minder kan zien.

Dillenzaad helpt tegen het letsel van de borst dat uit koude komt. (b)

Neem vijf of meer vijgen en leg die een nacht te weken in het sap van dille, dan kook je het met wat anijszaad, hysop en zoethout in wijn, dat doe je door een doek en geef daarvan te drinken want het laat slijm (uit de longen) die van binnen verkeerd zijn uitspuwen. (c) Het poeder van dillenzaad dat in soep, vleessap of pap gegeven wordt is goed voor vrouwen want het laat de (3) melk in hun borsten overvloeien.

(4) Tegen hik, vanweg de volheid van het eten dat in de maag zwemt, is het goed om gekonfijt dillenzaad te gebruiken. Hetzelfde tegen stekende pijnen van het lichaam.

(6) As van dillenzaad is goed op aambeien van de aars, op de zwerende manlijke roede en op gezwollen ballen te leggen.

(4) Tegen overgeven, walging en tegen hik die uit koude zaken komt is het goed om dillenzaad dat met mastiek gekookt is te nemen.

(5) Het is een slechte zaak om veel dillenzaad te eten want het verteert sperma volgens Avicenna en Serapio.

Als vrouwen in een kooksel van dille zitten dan helpt het tegen menstruatiekrampen.

Gebroken dillenzaad is goed tegen zweren die vol zijn of etter hebben, het zorgt ervoor dat pusvormende ontstekingen rijpen en knappen en laat het vlees groeien. Avicenna, Serapio en Pandecta.

(a) Suppuratieve otitis externa. (b) Bronchitis/longontsteking. (c) Bronchitis/ tuberculose.

 

Het werkt dus volgens hen op de urine en voortplantingsorganen. Hildegard von Bingen wijdt een hoofdstuk aan De Dille, der Dill. ‘Ze zegt; ‘zur Unterdrucking sinnlichter Triebe’. In de Middeleeuwen gold dille in wijn als potentieverminderend middel en zo was ook de mening van Jacobus Theodurus Tabernaemontanus: ". / die so kinder zu zeugen begehren / und auch sonsten den ehelichen Werken ungeschickt sind / die sollen des Dills müßig gehen / und in ihren Speisen nicht gebrauchen / . ."  Dat het de winderigheid beneemt;  . / sondern er benimmt auch die Windigkeit / . . . In Suma unsere Weiber und Köch können des Dills in ihren Küchen keineswegs entbehren.".

 

Herbarijs; ‘Anetum, dat is dille. Beide, zaad en kruid, is heet en droog in de 2de graad, sommige zeggen in de 3de graad. En dit zaad behoort tot de medicijnen en de wortels ook. En als men vindt beschreven anetum, neem dan het zaad. En men zal het verzamelen en drogen en 3 jaar mag het goed blijven, maar het is beter dat men het alle jaren vernieuwt. En dit verdrijft knaging en heffing in het lichaam. En ze heeft meest verse hitte. En drank daarvan gemaakt en gedronken laat goed urine maken en verzacht epilepsie en kramp en bedwingt walging en spuwen van (4) spijzen die in de maag zijn of vloeit en ze slankt ziektes af dat van volheid komt. En gekookt met olie en op de huid gepleisterd dat opent de poriën en rijpt blaren. (5) Nochtans vaak genomen verdonkert ze het zien en verdroogt weelderigheid van mannen en van wijven. En verzacht de pijn in vulva, gekookt in bronwater en als het vrouw daarin zit laat het haar stonden komen. (6) En het zaad daarvan gebrand en op de aambeien gepleisterd laat die genezen. En gelegd op wonden of op murwe blaren in de ballen of op het eind van de roede, dat droogt en laat ze genezen. En de zweer van de jicht verzacht het en in de vulva gedaan verzacht de pijn daarin.

(5) En men zal weten dat men aldus het op 3 manieren medicijnen in de vulva doet; Men nat katoen of lappen in het sap of wat men daarin wil steken en dan steekt men het in vulva. En met klysma’s laat men het ook daarin lopen. En men stampt ook het verse en droge kruid en steekt het in een zakje zo groot als een gematigde schacht en steek het dan in vulva, welke het beste is dat zal men doen’.

 

Dodonaeus; ‘De droge toppen van dille en de zaden er van zijn zeer goed om het melk te laten voortkomen als men ze de vrouwen te drinken geeft als het in water gekookt is.

Dille laat alle krampen, zwellingen en rommelingen van de buik ophouden en vergaan en verwekt de plas.

Ze is ook zeer geschikt om de hik te slissen en het opwerpen of omkeren van de maag te beletten en het oprispen te verbieden, zo Dioscorides betuigt, want het zaad kan de hik laten ophouden alleen door zijn reuk maar vooral als men dat in wijn kookt, maar meestal als men dat met alsem en rode rozen vermengt tezamen in wijn kookt en zo de maag ermee stooft of baadt.

(4) Hetzelfde zaad laat de voedster veel melk krijgen alzo goed als het venkelzaad.

Een bad gemaakt van water daar dille in gekookt is wordt zeer goed gehouden voor de vrouwen die met gebreken van de baarmoeder gekweld zijn.

Het gebrande zaad wordt nuttig op de uitwendige gezwellen gedaan, wratten en diergelijke uitwassen en rouwigheden die omtrent de aarsdarm vooral en ook elders komen als men dat van buiten oplegt of strooit.

 (5) Dille veel gebruikt maakt donker en duister gezicht en verdroogt de natuur en dat mannelijk zaad als men dat dikwijls met drank of anders inneemt.

Groene dille is vochtiger en minder verwarmend dan de droge waarom dat het meer rijp maakt en tot slaap verwekt, maar verteert minder.

Olie van dille van buiten gestreken en gedistilleerd water er van gedronken belet de schuddingen en bevingen van de koortsen.

Men zegt dat dille met zijn reuk alleen al kan laten plassen.

Dille is zeer goed tegen dat opstijgen en opklimmen van de baarmoeder als men het in water kookt en de warme damp die er af komt van onder ontvangt.

Dit kruid wordt ook gedaan bij het teriakel van koning Antiochus dat tegen vergif zeer geprezen wordt.

Men plag dit kruid te gebruiken in sommige landen om bij de spijs te doen als bij de kool en bij de vis.

De Polen bereiden menige sausen en spijs met dit kruid en met het zaad er van’.

 

  

 

Enysz xv Capi

Anisum grece et latine·Aneisuz arabice·

(Der me˙ster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Aneisum spτicht das der ċniŝ gůt se˙ so er frisch se˙·und d ist gůt d grosse kġτner hat·(Der me˙ster Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel anisuz spτicht·das der ċniŝ se˙ heiŝ und trucken in dem dτitten grade·

(Er sprichet auch das ċniŝ gůt dem zerblasen antlicz·einen rauch davon gemachet und den gelassen in die naŝlôcher·(Er ben˙mmet auch also genüczet haubtwee und das schw˙ndeln·(ċniŝ gestossen und gemenget rosen ôl und daz gelassen in die oτen bτinget widerumb das gehôτde. (ċniŝ d˙ll und fenchel samen·bτingen den frawen vil milch·(ċniŝ genüczet leschet den durst·(ċniŝ geessen ist gůt der verstopfften lebern·(ċniŝ geessen macht wol hċrmen·(Der meister Galienus in den vj·bůch genant simplicium farmaciarum·in dem capitel Anisum spτichet·das ċniŝ se˙ durch dτingen die bôsen früchttung·und ben˙mmt das bauchwe und verzeret die windt genant vento sitates·(Item ċniŝ reiniget den frawen ir můter genant matrix von bôser feüchtigkeyt·(ċniŝ bτinget begierd den frauwen und den mannen·und meret des mannes samen in spe˙ŝe geessen·(ċniŝ genüczet thůt auff die verstopfften nieren unnd blasen·(ċniŝ gesotten mit fenchel ist fast gůt den die das katt lange zeit gehabt haben·(ċniŝ treibet auŝ vergifft.(Item ċniŝ stċtigklichen geessen gibet dem menschen gůte h˙cze·(Item wie man ċniŝ nüczet so vertreibet er den w˙ndt der die dċrme verhyrtet und den magen beschwċret·(ċniŝ gibt gůte h˙tze d lebern·und machet wol deüwen. (Der meister Diascoτides besche˙bet aüch alle stucke·wie der meister Avicenna vonn dem  ċniŝ beschre˙bet·[33]

(Item· ċniŝ jst auch gůt wider die sauren re˙czung die do kommet von einen kalten unverdċulichen magen·darczů in sunderhe˙t jst gůt ċniŝ gesoten in wein mit z˙mer˙nden und mit mastix vermenget·(Item wider bestopffung der lebern und des milczes ist gůt ċniŝ gesoten mit hirczung vermenget·

Anijs, 15de kapittel.

Anisum (1) Grieks en Latijn. Aneisur Arabisch. (Pimpinella anisum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anisum spreekt dat de anijs goed is zo ze vers is en die is goed die grote korrels heeft. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Anisum spreekt dat anijs heet en droog is in de derde graad.

Hij spreekt ook dat anijs goed is het opgeblazen aangezicht, een rook daarvan gemaakt en dan gelaten in die neusgaten. Het beneemt ook alzo genuttigd hoofdpijn en dat duizelen. Anijs gestoten en gemengd met rozenolie en dat gelaten in de oren brengt wederom dat gehoor. Anijs, dille en venkelzaden brengen de vrouwen veel melk. Anijs genuttigd lest de dorst. Anijs gegeten is goed de verstopte lever. Anijs gegeten maakt goed plassen. De meester Galenus in het 6de boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Anisum spreekt dat anijs is doordringen die kwade vochtigheid en beneemt dat buikpijn en verteert de wind genaamd vento sitates. Item, anijs reinigt de vrouwen hun baarmoeder genaamd matrix van kwade vochtigheid. (3) Anijs brengt begeerte de vrouwen en de mannen en vermeerdert de mannen zaden in spijs gegeten. Anijs genuttigd doet open de verstopte nieren en blaas. Anijs gekookt met venkel is erg goed die de koude lange tijd gehad hebben. Anijs drijft uit vergif. (2) Item anijs steeds gegeten geeft de mensen goede hitte. Item hoe men anijs nuttigt zo verdrijft het de wind die de darmen verhard en de maag bezwaart. Anijs geeft goede hitte aan de lever en maakt goed verteren. De meester Dioscorides beschrijft ook alle stukken die de meester Avicenna van de anijs beschrijft. [33]

Item, anijs is ook goed tegen die zure oprisping die je komt van een koude onverteerbare maag, daartegen en vooral is goed anijs gekookt in wijn met kaneel en met mastiek vermengt. Item tegen verstopping van de lever en de milt is het goed anijs gekookt met hertstong vermengt.

 

Vorm.

Anijs is een fijn bladig kruid van een zestig centimeter hoog met geurende en geveerde bladen. Het is een mooie bladplant. De witte bloemen staan op een gegroefde stengel. De zaden worden hier meestal niet geheel rijp, de beste komen uit Spanje, de Alicante anijs.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘Dit kruid ‘(Pimpinella major) wordt van de nieuwe kruidbeschrijvers Pimpinella op het Latijns genoemd. Gesnerus heeft het liever Peponella genoemd omdat het de reuk van de pompoen zo dicht bij schijnt te komen. Andere noemen het Pampinula of Bipennula of Bipinella en meer andere Solbastrella. De Nederduitsers noemen het pimpinelle.’.

(1) Dodonaeus; ‘De Nederduitsers noemen dit kruid anijs, de Hoogduitsers Aniss, alle naar de Latijnse en Griekse naam want in het Latijn heet het Anisum en zo is het in de apotheken ook bekend, in het Grieks Anison of zoals sommige schrijven Aneson’.

 Het behoort tot een van de vele ingevoerde kruidplanten die we met de Romeinse cultuur overnamen. Het heeft dan ook geen inheemse naam. Het woord  anijs verschijnt in midden-Hoogduits als Anis, Enysz en ook Enis dat duidelijk tegen het Latijnse anisum leunt, Grieks aneson of anethon. Grieks anison stamt van aniemi, ‘tevoorschijn laten komen’. Een andere verklaring wil men zien in Grieks a, ‘niet’, en isos, ‘gelijk’, dus ongelijk, misschien naar de eivormige vrucht.

 

Werking.

Herbarijs heeft dit kapittel niet.

Medisch zou het pijnstillend werken en vermindert het hoesten, werd gebruikt tegen spijsverteringsklachten, cholera en pest. In olie heelt het oorpijn, anijsdampen verminderen hoofdpijn. De bladeren werken antiseptisch. Pythagoras roemt het en zegt dat ze zowel rauw als gekookt lekker is en dat men anijs in het brood moet bakken. Bovendien wekt ze de eetlust op en voorkomt zware dromen. Als men de plant onder het hoofdkussen legt slaapt men heerlijk. Om er altijd jong uit te blijven zien moet men zich met anijswater wassen. Zo, eindigt hij, heeft men de plant de onoverwinnelijke, anicatum, genoemd.

 

Herbarius in Dyetsche; ‘Anisum of anijs is heet en droog in de derde graad. Het is het zaad van een kruid dat ook zo heet. Het is zoet en heeft de kracht om te verteren, te ontbinden en de winden te verminderen. (2) Anijs is goed tegen wind, tegen zure oprispingen en onverteerbaarheden als je het met mastiek en kaneel in wijn kookt en zo drinkt. Om stonden van de vrouwen te laten komen: ‘Neem een grote kan met water of wijn waar anijs in gekookt is’. Tegen verstopping van de milt en van de lever is het goed om een afkooksel van anijs met hertstongen te nemen. (3) Het poeder van anijs in het eten of drank genomen vermeerdert de sperma en melk.’

(2)  Van zijn welriekende zaden zegt Plinius: "Ze geven de adem een goede reuk, het gezicht een jong aanzien en verlichten zware dromen en bewerken eetlust".

De Romeinen deden de zaden in hun specerijenkoeken. Het is mogelijk een van de gebruiken die aanleiding gaf tot de huwelijkstaart. Het kruid wordt gebruikt bij fijne bakkerij. Verder is het een bestanddeel van verschillende als borst-, melk- en stengelpoeder genoemde mengsels en ook in verschillende theemengsels als borst, water en afvoerende kinderthee. De olie werd in giften van 3 tot 6 druppels met suiker gebruikt tegen winden, maagzwakte en mond en tandwaters, hoestmiddelen en likeuren. Kneipp beveelt anijs aan in een waterig afkooksel alleen of met venkel en kummel tegen kramp, koliek, ook als oogwater.  De gelaatshuid wordt schoon en blank door het wassen met anijswater.

 

Maerlant; ‘Anetum, dat is anijs. Platearius zegt dat, die was wijs, en zegt dat het droog is en heet. Als het gedroogd is een deel breekt het de steen. Tegen spuwen dat komt van koude zaken en die hem ziek maken daarvoor is het een goede medicijn. De hersens als ze hebben pijn zal je het koken en drinken en kauw het en laten zinken. (2) Goed is het voor de maag, als men vindt, en verdrijft ook de wind. Voor hem is het een goede medicijn die urineert met pijn’.

 

  

 

Aron xvi Capitel

Aron grece·arabice Siri cantica·latine Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minoτ vel Luff minoτ·

(Pandecta in dem capitel Aaron spτicht·das der se˙ he˙ŝ und trucken in dem ersten grade·(Platearius spτichet·das Aaron se˙e warm und trucken in dem dτitten grade·(Diŝ kraut und wurczel und samen nüczet man in ċrczne˙·als dann spτicht Diascoτides das die tugent des arons se˙ in dem samen·in der wurczeln·und in dem kraut·(Unnd wenn der eins gemenget wirt mit kům˙st und darauŝ gemachet ein pflaster ist fast gůt podagricis darüber gebunden·(Die wurczel von aaron zeücht auŝ vil bôser feüchtigkeit und machet den menschen mager der zů fe˙ŝt ist·die genüczet in der kost·(Die wurczel aaron und das kraut gestoŝsen·und den safft getruncken·ben˙mt die pestilentz·(Der me˙ster Galienus in seinen andern bůch genant de cibis spτicht·das aaron genüczt in d kost ist fast gůt der bestopfften bτust und d bôsen lungen·und tre˙bet auŝ den groben schle˙m und machet den menschen lustig umb das hercz·(Platearius. Wem die schwarczen bôsen blatern auffbτechen·doch dick und vil des menschen todt sind der esse dises kraut od seiner wurczeln·das senfftmŭtiget jm die bôsen hicze und benymmet das vergifft der blatern und heilet s˙·(Wer also streng vergiffttet wċr oder umbgeben wċre mit der pestilencz·und als ablegig und blôd wċre das er nit reden môchte·der esse die bletter dises krautes mit wenig salczs oder schne˙de die wurczeln des krautes in gesoten hônig·und esse das also hinein·es ben˙mbt jm die vergifft und sunderlichen die pestilencz·(Wer verschle˙met [34] wċr in dem magen und bôse fieber darinn hette·d siede die wurczel dises krautes in lautterem wein und laŝ den wein kalt werden·darnach stoŝ darein glŭenden stahel das der weine zů dem andern mal warm werde·unnd trinck den wein als warm du dem gele˙den magst·d ben˙mt dem schlein unnd die bôsen febτes·

(Der selb getranck vertre˙bet auch die melancole˙ und den schwċren můt des menschen·unnd machet dem menschen gůt geblût.(Item Aron bulfer von d wurczel mit zucker vermenget in einem ċrbe˙ŝ bτülein genuczt machet stůlgeng· (Unnd hat auch macht frawen feücktigkeit flŭŝsig zůmachen genant menstruum besunder so man ist machen zapfen genant pessaria von mirra und laudano mit aron safft vermenget·die in der frawen scham gelegt ist darzů gůt·(Item ein pflaster gemacht von aron wurczel und kümmel mit olei vermenget ist gůt wider die feüchtblattern·und aron ist auch gůt widden auŝgang des arŝdarms mit wulle in wein gesoten und wasser und darauff warm gesessen· (Item des menschen antlicz hŭbsche und re˙n zů machen. N˙mme arom wnrcel gebulferet und fischbe˙n genant ossepie undd ble˙we˙ŝ ˙egkliches ein lot mit rosen wasser vermenget·davon dz antlicz gewċschen ist darzů gůtt als Diascoτides spτicht·

Arum, 16de kapittel.

Aron Grieks. Arabisch Siri cantica. Latijn Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minor vel Luff minor. (Arum maculatum)

Pandecta in het kapittel Arum spreekt dat het heet en droog is in de eerste graad. Platearius spreekt dat Arum warm en droog is in de derde graad. Dit kruid en wortel en zaden nuttigt man in artsenij als dan spreekt Dioscorides dat de deugd van Arum is in de zaden, in de wortels en in het kruid. En als het eens gemengd wordt met koemest en daaruit gemaakt een pleister is het erg goed podagricis, daarover gebonden. (3) De wortel van Arum trekt uit veel kwade vochtigheid en maakt de mens mager die te vet is, die genuttigd in de kost. De wortel Arum en dat kruid gestoten en het sap gedronken beneemt de pest. De meester Galenus in zijn andere boek genaamd de cibis spreekt dat Arum genuttigd in de kost erg goed is de(5) verstopte borst en de kwade longen en drijft uit de grove slijm en maakt de mensen lustig om dat hart. Platearius: Als de zwarte kwade blaren openbreken dat toch vaak en veel de mensen dodelijk is die eet dit kruid of zijn wortels, dat verzacht bij hem die kwade hitte en beneemt dat vergif der blaren en heelt ze. Wie alzo sterk vergiftigd was of omgeven was met de pest en als verschrikt en bang was dat hij niet reden mocht, die eet de bladeren van dit kruid met weinig zout of snij de wortels van het kruid in gekookte honing en eet dat alzo op, het beneemt hem dat vergift en vooral de pest. (5) Wie verslijmt [34] was in de maag en kwade koorts daarin heeft die kookt de wortel van dit kruid in zuivere wijn en laat de wijn koud worden, daarna stoot daarin gloeiend staal zodat de wijn de volgende keer warm wordt en drink de wijn als warm als je verdragen kan, dat beneemt het slijm en de kwade koorts.

Dezelfde drank verdrijft ook de melancholie en dat zware gemoed des mensen en maakt de mensen goed bloed. Item, Arum poeder van de wortel met suiker vermengt in een erwt bouillon genuttigd maakt stoelgang. (4) En het ook maakt vrouwen vochtigheid vloeiend te maken genaamd menstruatie vooral als men maakt pennen genaamd pessaria van mirre en laudanum met Arumsap vermengt die in de vrouwen schaam gelegd is daartoe goed. Item een pleister gemaakt van Arumwortel en komijn met olie vermengt is goed tegen de aambeien en Arum is ook goed tegen de uitgang des aarsdarm met wol in wijn gekookt en water en daarop warm gezeten. (2) Item de mensen aanzicht mooi en rein te maken; neem Arum wortel gepoederd en visbeen genaamd sepia en loodwit, van elk een 16,7gram, met rozenwater vermengt en daarvan dat aangezicht gewassen is daartoe goed als Dioscorides spreekt.

 

Vorm.

Kalfsvoet krijgt in mei een zeven cm hoge bloemstengel met geelgroen of groenpurperen schutblad. Daaruit komen dikke, gladde en groene vruchten die tegen september rood beginnen te kleuren op een dertig cm hoge stengel. De bladen zijn pijlvormig, gaaf en helder groen, soms gevlekt en verdwijnen in de zomer.

 

Naam.

Dodonaeus; ‘ Dit gewas wordt hier te lande kalfsvoet genoemd naar de gelijkenis die het daarmee heeft, in Hoogduitsland Pfaffenpint en Teutscher Ingwer, in Spanje yaro, dan het is in het Grieks Aron genoemd en in het Latijn Arum, in de apotheken Iarus en Barba Aron, bij de andere Pes vituli, in Syrië lupha, in het eiland Cyprus Colacasia net zoals men onder de valse of bastaardnamen vindt waar dat het ook Alismos en Draconitia genoemd wordt. Voorts zo betuigt Plinius in het 16de kapittel van zijn 24ste boek dat Aron met het Dracontion grote gelijkenis heeft zodat sommige die twee voor hetzelfde gewas gehouden hebben. Sommige noemen het ook Serpentaria minor. De andere vreemde of buitenlandse soort van Arum is van sommige Arum Aegyptium genoemd, dat is Arum van Egypte, die van Castilië in Spanje noemen het manta de nuestra senora en meest alle kruidbeschrijvers zien het voor de Colocasi aan’.

Het gewas dat we Dodonaeus beschrijft heeft namen die op de Egyptische Colocasia antiquorum lijken en soms door elkaar gebruikt worden waar de afkomst van de naam ook wel mee zal overeenkomen. Dodonaeus heeft er geen raad mee geweten want hij gebruikt dezelfde afbeelding voor deze en Arum italicum die hij elk apart beschrijft terwijl die planten toch zeer veel op elkaar lijken. Bij Herbarius in Dyetsche zie je aan het gebruik dat toch de gewone Arum maculatum bedoeld wordt en geen Colocasia. In de Gart zie je dat het blad en knol gegeten worden waar dan toch vermoedelijk een vermenging ontstaan is van Arum en Colocasia.

Latijn Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minor, dus kleine slangen of drakewortel, Jaculus is een soort slang, vel Luff minor; klein.

Aronstaf, Duits Aronstab. De Aronstaf zou ontstaan zijn op de plaatsen waar Aron zijn staf had neergezet. Toen Joshua en Caleb in het beloofde land spioneerden namen ze de Aronstaf mee en hierop droegen ze op de terugweg de grote druiventrossen die ze plukten te Eschol en brachten ze het naar Mozes als bewijs van de rijkheid van het land. Nu, nadat ze de stok ontlast hadden van zijn lading, staken ze die in de aarde en zie! Daar sprong de Arum op. Het is het symbool gebleven van gezegende overvloed en vol met trossen vruchten bezet. De naam slaat dan vooral op de met bessen bezette vruchtenstengel die wel wat op een staf lijkt.

Natuurlijk kan men overal iets bij zoeken, zo ook hier. Plinius vermeldt XIX 30.: "Est inter genera et quod in Aegypto aron vocant." Naar Plinius stamt de naam uit Egypte. De Egyptische naam aur of ar: brandend of vurig, de smaak van de plant, werd vertaald in het Grieks als Arum: nuttig, en kwam daarna in het Latijn als aron. Waarschijnlijk werd het woord volksetymologisch met Exodus 4:17 verbonden en werd de kolf met de Aronstaf vergeleken, omdat de naam Aron een gelijke klank bezit. Waarschijnlijker is het dat Colocasia in Egypte de naam van aron had waar deze plant mee vergeleken werd.

Hildegard von Bingen; ‘De Herba Aaron’.

 

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; ‘Calfsvoet, aaron, aron of iarcus is heet en droog in de eerste graad volgens Pandecta, maar Platearius zegt dat het heet en droog is in de derde graad. Het heeft de kracht om te ontbinden, te laxeren, te dunnen en af te drogen.

(4) Met het sap van kalfsvoet, laudanum en mirre maak je een pessarium in de baarmoeder om de stonden te laten komen.

Een pleister die gemaakt is van kalfsvoet en komijn en in wijn is gekookt met gewone olie is goed voor het opblazen of opheffen van de oren. Tegen aambeien is het goed om de hele plant met wolkruid in wijn en water te koken en daarin te zitten.

Ook is het goed tegen aambeien (a) Het gestampte kruid is ook goed tegen koude blaren als je het met oud vet mengt en dat er heet op legt.

Tegen scrofulas (dat is een soort van harde builtjes alsof het klieren zijn) (b) en verharde blaren: ‘Neem dit kruid met zeeui en oud varkensvet, meng het tezamen en leg het er op’.

(2) Om het gezicht schoon te maken en de huid te zuiveren maak je van de gedroogde wortel een fijn poeder en van os sepia (dat is een been van een vis) meng het met loodwit en rozenwater en daarmee was je het aangezicht.

Dyaf zegt in het kapittel van Arum dat de kracht van Arum in het zaad ligt, in de bladeren en in de wortel.

Arum dat met ossenmest gemengd is geneest jicht in de voet.

(5) De wortel van binnen en van buiten gegeven is zeer goed tegen gezwollen leden die uit grove vochtvermenging ontstaan zijn, (c) met wijnsteen en suiker van binnen en met wijnsteen en gewone olie voor van buiten.

(2) Als je het kruid eet verdrijft het de grove, taaie vochtvermenging uit de borst (d) of kook het kruid in wat water en honing en gebruik het op de grove, taaie vochtigheden of vochtvermenging in de borst en binnen korte tijd zal je het uit spuwen.

Het poeder van kalfsvet dat op verrotte zweren gedaan wordt bijt het kwade overvloedige vlees weg. Zo heeft het in zijn bladeren en zaad grote kracht en in de wortel het allermeest volgens Pandecta, Platearius etc’.

(a) Perianale abcessen. (b) =opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (c) Oedeem, vocht in de ledematen? (d) Bronchitis?

(2) Het sap en de bessen werden als blanketsel gebruikt door adellijke dames in vroegere tijden, toen de mode was om zo blank mogelijk te zijn. Mogelijk is dit gebruik ontstaan omdat om vlekken en ander ongerief van de huid te schonen, een soort nachtcrème. Vondel zegt hierover in ‘Noach of ondergang der eerste wereldt’;

‘Laat ge u bekoren van blanketsel en bedrog

Een schoonheid haast verwelkt. Geen roos verwelkte ooit radder’.  Dat zuivert dan ook wel de zweren van de huid.

 

(3) Vanwege de moeilijkheid om het gif te verwijderen werd het weinig inwendig gebruikt. Toch zie je hier dat blad en wortel inwendig gebruikt werden, wel om mager te worden wat logisch lijkt. Dodonaeus; De wortels van onze gewone kalfsvoet worden meer geacht dan de bladeren of de andere delen van dit gewas want als die in spijs gebruikt worden zijn ze zeer nuttig om de dikheid en slijmerigheid van de humeuren of vochtigheden van het lichaam matig dun te maken op die manier dat ze daarom ook voor zeer nuttig gehouden worden om de slijmerigheid van de borst gemakkelijk door het spuwen of hoesten te laten voortkomen hoewel dat het Dracontium tot hetzelfde doel voor veel nuttiger en beter gehouden wordt.

 

Herbarijs heeft alleen; Iarus is heet en droog in de 3de graad en ze heet ook Arona. En heeft in de aarde als een wit balletje gegroeid als prei. En is goed tegen nieuwe klieren, ja gestampt en erop gelegd’.

Platearius; Iarus alio nomine barba aaron apellatur et etiam pes vituli apellatur’.

 

 

 

 

schyszmelde xvii capi

ATriplex latine·Andτafasis grece·arabice Araff·

(Die meister spτechen·das melde se˙e kalt in dem ersten grade und feücht in dem andern·Und dises ist auch die meinunge des wirdigen meisters galieni in den sechŝten bůch de simplicibus farmacijs·Diascoτides spτicht dz melde gestossen und gemüschett mit hônig·vertre˙bet das podograme darauff geleget mit eineτ pflaster· (Der samenn vonn melde gemüschet mit hônigwasser genant mulsa unnd getruncken vertre˙bet die geelsucht·

(Die bletter von melde gestossen·dem safft gelegt auff ein etzŭndets fle˙sch od gel˙de an dem leib [35] leschet dz zůhant·(Die do blůt spe˙end die mügen bτauchen melde·(Auch die do haben den auŝgang ist fast gůt melde gebτauchet in der kost·(Den frawen die gebτesten haben an d můter genant matrix·die sollen melde legen auff dem bauch so stillet sich das wee an der můter·(Melde geessen we˙chet den bauch·und verschwendet manger handt geschwulst·(Melde gestossen und ein pflaster davon gemachet und das gelegt auff ein gestochen gel˙d mit eine doτn oder nagel zeücht das auŝ on schaden und he˙let·(Melde gesotten mit hônig und auff den bôsen nagel gelegt an einem finger oder auff einer zehen des fůŝs·ben˙mmt den bôsen nagel und machet wachsen einen gůten·(Den samen von melde dick genüczet ist gůt denen die do ke˙chen und schwċrlichen ċtmen. (Melde dick genüczt treibt auŝ die spôlwürme·(Serapio spτicht das der samen von melde bτinge vomitum·das ist·sich oben auŝ bτechen. Und saget das er gesehen hab einen menschen der von dem samen getruncken hab auff zwei buintin·und hab sich davon gebτochen fast sere·und jm davon entstůnden groŝ onmċchtigkeit. (Almansoτis tractatu tercio capitulo de Atriplice·spτicht·das melde weichet den bauch·und jst fast nücze den geelsüchtigen·und auch fast nücze den kinden die do habend ein he˙sse leberen·Item sch˙ŝmelde mit bingelkraut in einem gemŭse gesoten·die bτŭ genüczet machet zů stůle geen·und ist auch weetagen der blasen ab nemen. (Item sch˙ŝmelde genüczet ist gůt wider den roten bauch weetag genant diŝsinteria. (Item sch˙ŝmelde mit rômŝ kôle und mit bingelkraut gesoten davon genüczet ist das fieber leschen·