Den Herbarius in Dyetsche.

Inleiding.

(1a) Den herbarius in dyetsche is een kruidboek. Het werd rond 1500 gedrukt door Willem Vorsterman te Antwerpen. Het enige overgebleven exemplaar van de druk bevindt zich nu in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. In 1974 verscheen naar dit exemplaar een facsimile-editie, bezorgd door L.J. Vandewiele. In de inleiding bij deze uitgave merkt Vandewiele op dat er veel overeenkomsten zijn met een eerdere Hollandse versie uit 1484, die gedrukt is door Jan Veldener, en de Herbarius latinus uit 1484 van Peter Schöffer uit Mainz. Deze laatste twee drukken zijn gebaseerd op de tekst van één handschrift.

 

In een eerder verschenen artikel stelt Vandewiele in de samenvatting, dat Veldener in 1484 een Latijnse en Nederlandse editie heeft gemaakt en dat hij daarvoor al in 1483 een herbarius had gedrukt. Dat leidt volgens hem tot de conclusie, dat aan de Nederlanden de eer toekomt het archetype gedrukt te hebben van al de herbariĎn die later in Europa werden uitgegeven. Een andere conclusie is, dat men daar meestal de Herbarijs voor aanziet, maar daarin wordt meer de nadruk op het geneeskundig gebruik gelegd. In de strikte omschrijving van een herbarius of kruidboek als planten- en platenboek komt daarom voor wat betreft het Middelnederlands Den herbarius in dyetsche in aanmerking als oudste herbarius. Het is een cultuurbezit dat het waard is om onder de aandacht gebracht te worden. Vooral omdat er het verhaal van de ouden bij zit en er over planten en methoden gesproken wordt die mogelijk al eeuwenlang in gebruik waren.

 

Over de bewerking.

 

De transcriptie van de oorspronkelijke Oud-Vlaamse tekst ging niet van een leien dakje. Het eerste lezen gaf problemen: geen punten, hoofdletters en vaak geen komma’s, je zit zo in een andere regel, s en f, u en v en n zijn vaak gelijk. Door het direct te typen werd het al een stuk duidelijker. De eerste bladzijden gingen moeizaam, meestal haalde ik 5-7 bladzijden in een paar uur en dan ben je na een maand een heel eind. Opvallend was wel, na dit eerste werk gedaan te hebben, dat het redelijk Nederlands was. Een Hollander zou zeggen, het is wat Drents, maar het zou zo gelezen kunnen worden. Dat heb ik gekopieerd en in gewoon Nederlands gezet. Het was leuk werk. De Middelnederlandse en Latijnse namen van de plant, gebruiken en folklore maken het boek bijzonder.

 

Opvallend is het medische gebruik. Het zijn geen vreemde zaken, ze wekken vertrouwen zodat je het nu nog zou willen proberen. Na een ziekte ben je natuurlijk verzwakt, maar hier wordt dan ook aanbevolen om versterkende middelen in te nemen. Wat dat betreft is dit werk beter dan latere kruidboeken. Ook het aantal daarin opgenomen ziektes is groot en meestal worden Latijnse namen erbij vermeld. Vooral veel huidziektes, blaren, zweren, lopende gaten en dergelijke, ook stinkend ‘vanuut’ komt nogal eens voor, verder de oude bekende kwalen als jicht. Er komen weinig exotische recepten voor in het boek die behoren tot de zogenaamde drekapotheek, we komen geen kippenbloed, hanenvet of de basilisk tegen.

 

De hertaling in modern Nederlands is naar best inzicht gedaan. Mijn dochter Ciska heeft de medische kant bekeken. Ze heeft verscheidene termen weten te verklaren. Interessant is dat je uit bepaalde teksten kan afleiden dat er anorexia voorkomt. Dat zou toch een luxe ziekte zijn die nog maar een paar honderd jaar bestaat.

 

De planten zijn ook nog eenvoudig, het zijn gewone en inlandse soorten. Wanneer specerijen genoemd worden die uit andere landen afkomstig zijn, gaat het om de gebruikelijke soorten. Voor de identificatie van de genoemde planten gaven de afbeeldingen in de Herbarius soms toch de doorslag. Na elk hoofdstuk in transcriptie/vertaling van de Herbarius volgt een toelichting, die bestaat uit een korte omschrijving van de plant, iets over het gebruik of andere bijzonderheden van de plant en iets over de etymologie. Het zijn meestal gegevens die gebaseerd zijn op vermeldingen in Den herbarius in dyetsche zelf.

 

Oude geneesheren.

 

Egypte.

 

Reeds de dichter Homerus roemde Egypte om haar vruchtbaarheid: er groeiden talloze kruiden, die als geneesmiddelen werden toegepast. En de oude Herodotus beschrijft de Egyptenaren in zijn HistoriĎn als de oudste en wijste onder alle mensen. Volgens Diodorus Siculus zijn zij de eersten geweest die de besnijdenis hebben ingesteld. Artsen waren bij hen al zeer vroeg bekend. Bij Johan van Beverwijck lezen we “dat door raad van de dokter Iacchenus de pest verjaagd werd. Die Iacchenus leefde twee honderd en zeventig jaar na de Bijbelse zondvloed. Na hem kwam Osiris en na hem zijn zoon Ordus die voor de Apollo van de Grieken gehouden wordt. Er zijn vele voortreffelijke beroemde dokters in Egypte geweest en zoveel dat Gryllus bij Plutarchus zegt dat alle Egyptenaars dokters waren. Herodotus verhaalt dat in deze natie elke ziekte zijn eigen dokter had en bij hem lezen we dat Cyrus, de grote heerser van PerziĎ, aan Amasis, de koning van Egypte, om een van de beste oogdokters vroeg. De Egyptenaar Orus Apollo heeft de kunst, die hij van zijn voorouders ontvangen had, het eerste in Griekenland gebracht en wordt daarom bij Plato en de andere Grieken voor de vinder van de medicijnen gehouden, hoewel dat bij anderen zijn zoon Aesculapius is zoals Galenus en Celsus zeggen, die voor de oudste auteur door de dokters geroemd wordt. Die werd door de Grieken meer vereerd dan zijn vader. Van hem zijn veel voorbeelden van doden die hij weer tot leven opwekte, waarom hij door Zeus met de bliksem is geslagen (waarschijnlijk niet door bliksem, maar door een brandende koorts die ook pur (=vuur) door Hippocrates genoemd wordt en zo als vuur van de hemel neergedaald is en daardoor verbrand zou zijn). Maar na zijn dood werd hij noch steeds vereerd en kwamen de zieken in zijn tempels en bleven er slapen omdat ze hoopten dat Aesculapius hun in de droom goede raad zou geven.” De Griekse geneeskunst, en dus ook de onze, heeft zo een Egyptische voorloper gehad. Mogelijk staat ook de verering van Isis (en andere oude Egyptische erediensten) in de folklore hiermee in verband.

 

Griekenland en later.

 

(Vrij naar Van Beverwijck) Aesculapius liet twee zonen en erfgenamen van de geneeskunst na: Podalirius en Machaon, die beide prinsen waren in hun land en de Grieken in de Trojaanse oorlog met macht, maar vooral met hun kunst te hulp kwamen. Ze brachten, zoals Homerus schrijft, tien schepen voor Troje. Door die voortreffelijke mannen en hun nakomelingen, onder wie ook de grote Hippocrates, is die kunst geleidelijk aan toegenomen. Hippocrates heeft de geneeskunst gescheiden van de filosofie (onderzoek van de wijsheid), waar ze vóór zijn tijd vast aan verbonden was. Na zijn tijd, toen de geneeskunst een hoge vlucht nam, is zij zelf nog in drie delen gesplitst, een dat door manier van leven, hygiĎne, een dat door geneesmiddelen, de gewone dokter, en een dat door de hand geneest, de chirurg (chirurgie betekent in het Grieks niets anders dan handwerk).

 

Hippocrates stamt dus uit het geslacht van Aesculapius en Hercules en zijn geschriften worden nog, na meer dan tweeduizend en vierhonderd jaar (want hij leefde ten tijde van koning Darius Longimanus, een zoon zoals geloofd wordt van Esther die met koning Ahasverus getrouwd was) gelezen en bestudeerd. Die leer begon wat te verflauwen ten tijde van de eerste Romeinse keizers, totdat ze wederom haar hoofd opstak onder de keizers Marcus Aurelius en Commodus, zijn zoon, toen die voortreffelijke geneesheer Galenus de verouderde en verdonkerde boeken van Hippocrates, die hij bijna voor een God hield, door de luister van zijn geleerde uitleggingen weer in het heldere licht bracht en die leer door zijn uitmuntende geschriften grote kracht verleende. Galenus ging tegen de mening in dat alleen uit Kreta stammende plantensappen werkzaam waren. Hij ging met precieze doseringen werken en gold daarom als de vader van de farmacie. Nog worden preparaten die bereid zijn zonder chemie, Galenische artsenijmiddelen of galenica genoemd.

 

Zo heeft evenwel Hippocrates zelf de leerstukken en ondervindingen van zijn kunst in de

Griekse, dat is zijn moedertaal, beschreven en na hem Aretaeus, Galenus, Russus, Ephesius,

Oribasius, Paul Aegineta, AĎtius, Alex. Trallianus, Acturius, Nic. Myrepsus. En in de Latijnse

op dezelfde wijze, Corn. Celsus, Plinius, Scrib. Largus, Marcellus Empiricus, Caelius

Aurelianus, als ook de Arabieren Avicenna, Mesue, Rhazes, Avenzoar, Haly, Haliabbas,

Isaac, Serapion en AveroĎ.

 

Tot zover deze korte historische schets naar Johan van Beverwijck.

 

Planten en hun naamgeving, een korte historische schets van oude kruidbeschrijvers.

 

De oudste overleveringen van planten zijn te vinden op de kleitabletten in spijkerschrift van de SumeriĎrs, 5000 v. Chr., verder bij de Meden, Perzen, IndiĎrs en Chinezen. In de Egyptische Ebers-papyrus (rond 1200 v. Chr.) worden een tachtigtal planten beschreven naar hun gebruik en aangevuld met hun dosering. In een van de oudste historische boeken, de Bijbel, worden meer dan honderd verschillende planten genoemd en vaak met hun gebruiken omschreven. Met behulp van andere bronnen is het mogelijk deze voor ongeveer de helft te identificeren, maar van een aantal planten blijft de identificatie twijfelachtig. Vele eeuwen na het sluiten van de bijbelhistorie bestond de ‘aarde’ uit de landen rondom de Middellandse Zee, West-AziĎ en Egypte. Meer was niet bekend bij de toenmalige geciviliseerde volkeren. Later ontdekte gebieden in andere landen komen hier niet ter sprake.

 

Een opmerkelijk feit is, dat van maar 6% van de 600.000 planten die op aarde voorkomen

de medicinale werking is onderzocht. Toch hebben de meeste volkeren zich gewijd aan de studie van de botanie (Grieks botanŹ: kruid). Koning Salomo sprak over de bomen, van de ceder van de Libanon tot de hysop die op de muren groeit. Hij plantte wijngaarden, legde hoven en parken aan met daarin allerlei vruchtbomen. Het is aannemelijk dat alle planten die onder zijn aandacht kwamen, gecatalogiseerd en geclassificeerd werden. Men zou hem daarom wel de eerste 'botanicus' kunnen noemen.

 

Al gauw had men door dat twee of meer planten eigenschappen en krachten hadden die overeenkwamen. Dit leidde ertoe dat men groepen van planten ging onderscheiden die een aantal kenmerken gemeenschappelijk hadden. Zo ontstond een indeling in grassen, kruiden en bomen. De toename van kennis leidde tot verfijndere classificatiesystemen.

 

Al in de oudheid probeerden natuuronderzoekers richting te geven en eenheid te scheppen in de verscheidenheid in de plantenwereld. Zo is van Aristoteles bekend dat hij zich intensief heeft beziggehouden met de botanie, maar zijn werken hierover zijn verloren gegaan. De oudst bekende en bewaarde geschriften over geneeskrachtige planten zijn die welke onder de naam van Hippocrates vermeld staan, het Corpus Hippocraticum. Deze verzameling geschriften uit de vijfde en vierde eeuw v. Chr. dankt haar ontstaan vrijwel zeker aan een aantal artsen. De bekendste onder hen was Hippocrates, geboren rond 460 v. Chr. op het eiland Kos en gestorven in 377 v. Chr. in Larissa in ThessaliĎ. In het Corpus Hippocraticum komen meer dan 200 kruiden voor, maar de identificatie hiervan is lastig.

 

Het eerste wetenschappelijke werk dat geheel gewijd was aan planten, was een boek van Theophrastus van Eresos (371-286 v. Chr., Athene): Historia plantarum (Peri futoon historia). Hierin werden 700 planten beschreven, waarvan de helft kon worden geēdentificeerd door moderne botanici en de andere helft vaag bleek voor een goede herkenning. Ook worden hier eenaantal nauwkeurige waarnemingen gedaan en komt er wat bijgeloof voor en andere verhalen die hij gehoord heeft. Voor de meeste geleerden tot de 16e eeuw bleven de werken van Theophrastus de belangrijkste naslagwerken en gebruikten men die als voorbeeld. Theophrastus wordt wel als de ‘vader van de botanie’ beschouwd.

 

Een andere bekende arts en kruidenkenner was de Griek Pedanios Dioskourides (Dioscorides) uit Anazarbos in CiliciĎ, die omstreeks 50 na Chr. zijn artsenijmiddelenleer (Peri hulŹs iatrikŹs, De materia medica, in vijf boeken) schreef. Hij beschreef daarin ongeveer 600 planten met hun medisch gebruik en vorm. Door zijn plaats van afkomst zijn het voornamelijk planten uit Griekenland en Klein-AziĎ. In de middeleeuwen probeerde men in onze streken die planten hier te vinden, waardoor er vele vergissingen optraden. Het is wat verbeterd omdat ook in oudere handschriften tekeningen in de tekst voorkomen van de te behandelen plant. Hierdoor is een perkamenten codex van de Materia medica beroemd geworden, die in de zesde eeuw in Constantinopel gemaakt werd en nu in de bibliotheek van Wenen ligt. Die afbeeldingen zijn wel gemaakt na het geēllustreerde kruidenboek van de arts Crataeus in het begin van de eerste eeuw na Chr. Crataeus heeft ze naar de natuur laten tekenen, maar in de codex berusten de afbeeldingen op overlevering. Ook de plantenafbeeldingen in een handschrift van Apuleius uit de vijfde eeuw gaan op de afbeeldingen van Crataeus/Dioscorides terug. Dioscorides’ artsenijmiddelenleer genoot groot aanzien tot in de middeleeuwen en nog lange tijd erna. Er bestaan verschillende uitgaven van. De meeste andere kruidenboeken zijn voornamelijk commentaren op het werk van Dioscorides, dat men voor onaantastbare waarheid hield. Ook kwam er door die oude kruidenboeken veel bij het volk terecht dat lang stand heeft gehouden. Van de bronnen die Dioscorides gebruikt heeft, is weinig bekend. Zeker lijkt het dat hij ze wat kritisch gebruikte en dat zijn middelen voor een deel op eigen waarnemingen berustten, zodat zijn hoge aanzien voor een deel gerechtvaardigd is.

 

De Romeinen hadden geen kruidbeschrijvers met de statuur van een Theophrastus of Dioscorides. Toch vinden we ook in hun natuurwetenschappelijke en medische geschriften vele waardevolle opgaven voor het gebruik van onze geneeskruiden. De oudste zijn die van auteurs die schreven over de landbouw. Grote faam had de ook in de politiek en door zijn strenge zeden bekende Marcus Porcius Cato Censor (Cato maior), die in 149 v. Chr. Stierf. In zijn werk over de landbouw (De re rustica) worden ook enkele geneeskrachtige planten beschreven. Dezelfde stof wordt behandeld door Marcus Terentius Varro (gestorven 27. v. Chr.) en Junius Moderatus Columella (midden eerste eeuw na Chr.). Weinig oorspronkelijks bevat het werk over de landbouw van Palladius (vierde of vijfde eeuw na Chr.), maar het is van belang omdat dit de middeleeuwse schrijvers als bron diende.

 

Grote faam kregen de 37 boeken van de Naturalis historia (Natuurlijke historie) van Cajus Plinius Secundus (23-79 na Chr.). Plinius’ werk was vooral een encyclopedische samenvatting van de werken van zijn voorgangers. In de boeken 21 tot 27 worden geneeskrachtige planten beschreven, opgetekend naar wat Plinius van tijdgenoten hierover hoorde of kopieerde uit oudere auteurs, vaak nogal kritiekloos. Maar omdat Plinius een groot aantal bronnen gebruikte die verloren zijn gegaan, is zijn Natuurlijke historie van onschatbare waarde. Op vele plaatsen sluit zijn tekst zeer nauw aan bij de artsenijmiddelenleer van Dioscorides, die ongeveer in dezelfde tijd leefde zonder dat het zeker is dat de een de ander kende. Maar ze hebben waarschijnlijk dezelfde bron gebruikt. Plinius noemt of beschrijft ongeveer duizend planten waarvan we de namen voor een groot deel nu nog steeds gebruiken. Toch zullen er wel vele zijn die op een andere plant slaan als die welke nu die naam voert. Doordat nogal wat oude kruidbeschrijvers probeerden de door Plinius genoemde planten gelijk te stellen met planten van de Midden-Europese flora, konden wonderbaarlijke fouten ontstaan, zoals bijvoorbeeld de verwisseling van Cicuta virosa van Plinius met de waterscheerling of Conium maculatum.

 

Zeer uitvoerig, wat genezende planten aangaat, was ook het kort vóór Plinius geschreven verzamelwerk van Aulus Cornelius Celsus.

 

De Gallische volksmedicijnen leren we kennen uit het werk De medicamentis van Marcellus Empiricus uit Bordeaux (?), die rond 400 na Chr. schreef.

 

Zoals de talrijke overgeleverde handschriften bewijzen, was een van de geliefdste plantenartsenijboeken van de vroegere middeleeuwen de zgn. ‘Pseudo-Apuleius’. De schrijver is onbekend, maar in ieder geval niet de Romeinse schrijver Lucius Apuleius die rond 125 na Chr. geboren is te Madaura in NumidiĎ en de beroemde roman De gouden ezel schreef. Het handschrift van Pseudo-Apuleius is een verzameling van kruidenheelmiddelen die ongeveer rond 500 geschreven is. Als bronnen worden gedeeltelijk de Materia medica van Dioscorides en de Naturalis historia van Plinius gebruikt, verder is er vermoedelijk geput uit bij het volk populaire receptenboeken.

 

Ongeveer in deze tijd zou ook het receptenboek van Theodorus Priscianus ontstaan zijn, die ook vele heelmiddelen uit het plantenrijk beschrijft. Geen botanisch of medisch werk, maar een encyclopedisch lexicon, was de Origines van Isidorus (Hispalensis), die tegen het einde van de zesde eeuw aartsbisschop van Sevilla was. In het 17e boek (‘Werken’), dat handelt over de planten, vinden we vele dingen die een verhelderend licht werpen op de geschiedenis van de medicinale planten. De bron is meestal Plinius.

 

Na de Grieks-Romeinse invloed drong omstreeks de 10e eeuw, met de komst van de Moorse universiteiten in Spanje, ook de Arabische geneeskunst in het Westen door. De Arabische artsen hebben veel invloed gehad in de middeleeuwen, omdat ze de antieke overleveringen omarmden en veel Griekse boeken vertaald hebben, ook als zelfstandige onderzoekers. Dit waren onder anderen Rases, Mesue, Avicenna (980-1037) en AverroĎs.

 

Later waren het in Europa vooral de benedictijnerordes die zich met het kweken van Medicinale planten bezighielden. Het kweken van gebruiks- en geneeskrachtige planten werd in 812 door Karel de Grotes Capitulare de villis sterk bevorderd. In het zeventigste hoofdstuk van het Capitulare vindt men een opsomming van kruiden en bomen die in de keizerlijke hoftuinen geplant moesten zijn. De befaamd geworden beginwoorden luiden: ‘Volumus quod in horto omnes herbas habeant, id est lilium, rosas, fenu grecum…’, wat betekent: wij willen dat men in de tuin alle kruiden heeft, namelijk lelie, rozen, fenegriek… etc.

 

De monnik Walafridus Strabo, abt van het beroemde klooster van Reichenau aan het Bodenmeer, heeft een Latijns leerdicht over het bewerken van een tuintje (Hortulus) nagelaten. Dit kruidenboekje uit het jaar 842 beschrijft 24, merendeels geneeskrachtige planten. Andere benedictijner monniken brachten zuidelijke planten over de Alpen en plantten die in hun tuin. Langs deze weg kwamen ze dan in de boerentuin. Dat zijn vaak planten die een verduitst/verhollandst, Grieks/Latijnse naam hebben.

 

De Physica van de abdis Hildegard neemt als botanisch/medisch werk een bijzondere plaats in. Hildegard stierf in 1170 in het klooster op de Rupertsberg bij Bingen en vandaar heet ze Hildegard von Bingen. Ze schreef in het Latijn over volksheelmiddelen en natuurgeschiedenissen. Het eerste boek van de Physica handelt over kruiden, het derde over bomen. Ze observeerde zelf in de natuur en putte voor haar kennis ook bij het volk, in tegenstelling tot de gewoonte om het bij de ouden te halen. Omdat er veel Duitse namen in de Physica voorkomen, is dit werk ook van belang voor de spraakkundige en Duitse traditie.

 

In de late middeleeuwen was de Duitser Albertus Magnus de meest bekende geleerde. Hij was theoloog, filosoof en natuurvorser. In 1260 was hij bisschop van Regensburg, wat hij later opgaf, en stierf te Keulen in 1280. Van zijn vele geschriften zijn voor ons van belang de zeven boeken over planten (De vegetabilibus). Veel van zijn werk laat zien, vooral het zesde boek in het systematische deel, dat hij Avicenna heeft gelezen, maar ook zelf veel op zijn reizen gezien heeft. Van ongeveer eeuw later is Konrad von Megenberg, die in 1374 gestorven is. Deze schreef het eerste boek over natuurlijke historie in de Duitse volkstaal, het Buch der Natur. Dat boek is nog lang na Megenbergs dood in gebruik en gedrukt geweest. Zijn hoofdbron was het Liber de natura rerum, van de hand van (de toen nog jeugdige) Albertus Magnus en de dominicaan Thomas Cantimpratensis.

 

In de tijd van Albertus Magnus of kort erna werd in Frankrijk, waarschijnlijk door vorstelijke bemoeienis, een Salernitaner ‘Simplizienkunde’ of artsenijkunde in de 12e eeuw gemaakt. Dit werk verscheen onder de naam van Platearius en bevatte voor een deel nieuwe plantenafbeeldingen. Dit zouden dan de eerste naar de natuur getekende afbeeldingen zijn na Dioscorides. Het waren vaak weer voorbeelden voor botanische werken in de 15e en 16e eeuw.

 

Geheel apart werd de kennis van de geneeskruiden door een ander volksboek verspreid, de Gart der Gesuntheit, dat met onbeholpen houtsneden is uitgevoerd, maar dat in de 15e en 16e eeuw grote bekendheid genoot en waarvan vele uitgaven bekend zijn. Het waardevolste zijn de plantenafbeeldingen in de Gart der Gesundheit die in1485 bij Peter Schöffer in Mainz verschenen is. Die gaan ten dele op de afbeeldingen van de Franse Platearius terug, ten dele berusten ze op verlevering en enkele zijn van hemzelf, bijvoorbeeld mansoor, gele zwaardlelie en akelei. De tekeningen zijn zo levensecht dat ze zeker duidelijk naar de natuur getekend zijn. Deze werk behandelt in zijn 435 kapittelen 382 planten en maar 53 middelen uit de dieren/mineralen-reeks. De naam van de samensteller – voorzover men daarvan spreken kan, want de tekst is in hoofdzaak een allegaartje van de ouden en middeleeuwse artsen (Serapio, Dioscorides, Avicenna, Platearius, Galenus en Plinius) – is niet bekend. In het 76e kapittel is er sprake van een zekere Johann von Cube (Caub am Rhein), en het is niet uitgesloten dat hij de samensteller (Kompilator) is geweest. In de Frankfurter boeken van de burgerlijke stand wordt hij van 1483 tot 1503 als stadsarts van Frankfurt vermeld (bron: H. Marzell, Geschichte und Volkskunde der deutschen Heilpflanzen, Stuttgart 1938).

 

De Engelsen hadden reeds een bomencatalogus door de dichter Chaucer die beroemd was van de Canterbury Tales. In 1485 verscheen het kruidboek van de Engelse monnik Bartholomaeus Anglicus. Door het gebruik van de boekdrukkunst en de bloei van de houtsnijkunst kwamen er al snel kruidboeken en een nieuw tijdperk trad in.

 

Naamgeving.

 

Volgens de Bijbel gaf Adam namen aan de dieren en Eva aan de bloemen (Genesis 2). Vanouds hebben de planten specifieke namen gekregen die een duidelijke en nu soms vergeten betekenis hebben. In de loop der eeuwen ontstond er veel verwarring in de naamgeving. Planten werden vervangen door een ander en net zo geneeskrachtig kruid en die kreeg dan dezelfde of een erop gelijkende naam mee. Van sommige planten werden wel de producten gezien, maar niet de plant. Planten hadden tot na de middeleeuwen ook verschillende inlandse namen. Vooral in de volkstaal was die per streek of soms per plaats verschillend. In de horti werden ze kriskras door elkaar gezet met de naam van hun ontdekker(s), zodat er planten konden voorkomen met verschillende namen of met andere namen in andere horti. Soms waren het zeer lange of ingewikkelde namen waarin de vorm en kwaliteiten van de bloem of plant uitgedrukt werden.

 

Velen hebben geprobeerd daar een ordening in aan te brengen. Een aantal, zoals Gessner, probeerden de planten naar hun vruchten te ordenen. Anderen maakten een indeling naar het gebruik of zetten de planten gewoon in alfabetische volgorde. De eerste echte poging tot systematiseren staat op naam van Lobelius (1570). In 1583 verscheen De plantis van Caesalpinus, waarin hij een theorie ontwikkelde over de bouw van de bloemen. Deze leer werd later door Linnaeus overgenomen, hoewel er geen bewijzen voor de juistheid van de leer waren. Clusius was een van de eersten die de planten naar hun vorm gingen beschrijven en niet alleen naar het nuttigheidsstandpunt keek. Vele mannen volgden, zoals Matthioli, Columna, Dalechamp en anderen. De evolutietheorie was toen nog niet bekend. Door het scheppingsverhaal werden de onderzoekingen op een zijspoor gezet. Men ging er in die tijd vanuit dat alle soorten door de Schepper kant en klaar in raszuivere eenheden geschapen waren. Door de komst van buitenlandse planten werden vroegere theorieĎn echter overhoop gegooid. Kaspar Bauhin vermeerderde het aantal van de bekende planten door zijn ontdekkingen en probeerde de willekeur in benamingen te verbeteren. In zijn Phytopinax  (1596) gaf hij alle in zijn tijd 6000 bekende planten hun naam en synoniem. Dit boek was de sleutel tot de nomenclatuur voor latere schrijvers.

 

De invoering van de microscoop zorgde voor onderzoekingen naar de bouw van de bloem en de opkomst van de plantenanatomie. Ray (1683) bouwde op vorige plantensystemen verder en bekeek al de bloemkroon. Het idee om de planten in families te zetten, kwam eerst door Magnol in 1689. Die kwam tot 76 families en gebruikte bij deze indeling alle delen van de plant, in het bijzonder de bloem en de vrucht. Dit systeem werd weer achterhaald door de komst van vele nieuwe planten. In 1700 publiceerde Tournefort zijn Institutiones Rei Herbariae, een complete opsomming van alle bekende geslachten met omschrijving en tekening. Hij wordt beschouwd als de stichter van de tegenwoordige geslachten en nomenclatuur. Daarom wordt het jaar 1700 door sommige botanici wel voorgesteld als het startpunt van de nomenclatuur. Tournefort gebruikte echter nog een paar van de ongebruikelijke algemene namen.

 

Dit verdween voorgoed met de komst van Linnaeus. Hij bracht een verbetering van de al bekende methodes. Deze naamgeving was zo simpel en gemakkelijk dat dit spoedig populair en algemeen werd. Zijn grote verdienste is de strenge doorvoering van de door zijn voorgangers gebruikte binaire nomenclatuur. Deze nomenclatuur bestaat uit een geslachtsnaam en soortnaam die hij voor het gehele planten- en dierenrijk heeft doorgevoerd.

 

Linnaeus gaf elke plant een naam die equivalent was aan de christelijke naam en bijnaam in een familie, dus een geslachtsnaam en soortnaam. De hele plantenwereld is dus in klassen gezet. Daarvan zijn er hoofdklassen met bepaalde, ruwe kenmerken. Grofweg is er het verschil tussen monocotylen of eenzaadlobbigen en dicotylen of tweezaadlobbigen. De eenzaadlobbigen spruiten met 1 bladkiem uit de aarde, zoals de grassen, en de tweezaadlobbigen met 2 kiemen, zoals bonen. Die groepen worden weer onderverdeeld. Bij de eenzaadlobbigen hebben sommige opvallend mooie bloemen, bijvoorbeeld de soorten uit de leliefamilie. Neem je nu de gewone witte lelie die Lilium genoemd wordt, dan is dit de naam van het geslacht die voor een specifieke groep met zeer mooie bloemen geldt. Gaat men dit verder specificeren, dan wordt een witte lelie candidum genoemd en dit wordt de ‘roepnaam’ waaraan men die plant herkent. Het is net als bij mensen. Koomen is mijn geslachtsnaam, dan weet je iets: bouw, huidkleur, blond, blauwe ogen en dergelijke. Maar er zijn meer Koomens. Als je dan echter Niek roept, zal ik opkijken. Degene die de plant het eerst beschreven had, zette zijn naam achter die plant, in dit geval Lilium candidum, L. waar L. voor Linnaeus staat. Een ander kan dan geen recht meer laten gelden om de plant een andere naam te geven. De eerste naam begint altijd met een hoofdletter en de tweede met een kleine letter. Als je nu in die witte bloem een kleurverandering ziet, wat met de bol mee gaat als je die wilt kweken, dat is dan een cultuurvorm en die naam schrijf je tussen aanhalingstekens en met een hoofdletter achter candidum.

 

Over de hoedanigheden van planten.

 

Volgens de drievormige hoedanigheden van de enkele geneesmiddelen (simplicia) worden die in drievormige soorten verdeeld. Dan wordt er in het begin van elk kapittel vermeld of ze ‘heet’ of ze ‘koud, ‘droog’ of vochtig’ zijn. Dit is een moeilijk onderwerp. Johan van Beverwijck schrijft hierover:

 

“De eerste hoedanigheid komt uit de vermenging van de elementen en volgt de natuur van hetgeen het de anderen in gematigdheid te boven gaat. Hierdoor is een geneesmiddel heet, koud, vochtig of droog. En omdat alles als van bijvoorbeeld diegene die heet zijn niet even

grote hitte maakt, zo heeft het gebruik daarin vier verschillende trappen ingesteld, in de eersten zijn die noch wat duister en werken niet zo duidelijk, in de tweede opmerkelijker, in de derde zeer goed en in de vierde die op het allerhoogste werken als diegene die onder de hete branden een korst maken.

 

“De tweede hoedanigheid van de geneesmiddelen komt uit hun stof die met de kracht van de gematigdheid of eerste hoedanigheid overgoten zijn. Van deze stof zijn sommige dun die zich gemakkelijk in het lichaam en door de vochtigheden verspreiden, sommige zijn dik en taai die ondertussen hangen blijven en niet diep doordringen, sommige zijn middelmatig wiens kracht midden tussen beide staat. Nu vermeerdert de hitte, in wat voor stof ze komt, de kracht en de snelheid in het werken net als de droogte, maar koude en vochtigheid houden die tegen. Uit deze verschillende vermengingen spruit de tweede hoedanigheid van de geneesmiddelen voort zoals voornamelijk het verdunnende en dik makende zijn, het zuiverende en pleisters, het rauw makende en vlakkende, het openende en sluitende, het trekkende en verdrijvende en wegstotende, het verzachtende en verhardende, het rijp makende en verrottende, het helende en openende, het vlees makende en in etende, vel makende en brandende. Nu de werking uit zodanig mengsel van hoedanigheid en stof gaat er aldus aan toe, een geneesmiddel dat dun van stof is dat meteen heet is en zoiets dat onder de derde graad is zoals peterselie opent van binnen de kleine wegen van het lichaam en verdrijft de dunne vochtigheid en verwekt alzo waterlozing en zweten, maar verdunt de dikke vochtigheid. Als het van buiten opgelegd wordt maakt het een open huid en trekt ook uit het lichaam de geesten en vochtigheid. Maar wat op de vierde graad van hitte geklommen is wordt in etend genoemd en die verwekt of brand of verzweert of maakt blaren of neemt die weg. Dan wat dun van stof en gematigd of ook koud is, zoals azijn die ingenomen wordt, opent ook en verdunt dan niet zo goed als dat wat warm is, maar buiten op het lichaam stoot het door zijn koude terug en zulks met meer macht danhetgeen dat koud en tezamen trekkend is omdat het door zijn dunheid de kracht van de koude dieper inbrengt. Maar een geneesmiddel dat in een matige stof koud is zoals verjus of postelein verstoot en weerhoudt matig de zinkingen, verdroogt en trekt tezamen. Hetgeen van matige stof en meteen in hoedanigheden gematigd is zoals olie, verzacht, kookt, rijpt en maakt etter. Maar als het matig warm is, zoals kamillen, stilt het de pijn. Dat noch wat heter is, maar onder de derde graad, als alsem, opent als het ingenomen wordt de aderen, zuivert de taaie vochtigheden en ontsluit alle verstoppingen, dat kunnen dunne stoffen niet zo goed omdat ze te snel door schieten. Dat nu alles boven de derde graad van hitte geklommen is, zoals kolokwintappel, zuivert niet alleen, maar omdat het behoorlijk scherp is schrapt het de delen en zulks zowel van buiten als van binnen. Een geneesmiddel dat in dikte en aardachtige stof een gematigdheid van hitte en koude gekregen heeft, zoals bolus of gezegelde aarde, verstopt de inwendige wegen en sluit de huid, verzacht hetgeen te ruw is en heelt hetgeen vaneen gescheiden is. Maar dat matig warm of koel is als rozen of Myrthus, maakt de weke delen vast en heeft dientengevolge een versterkende kracht. Maar hetgeen bovenmatig, als in de vierde graad, heet is zoals kalk, auripigment of rattekruid eet in, verbrandt en maakt een korst. Dan hetgeen bovenmatig koud en droog is zoals cypresnoten of galnoten verstoppen niet alleen inwendig de mondjes van de aderen, maar sluiten die geheel toe, net zoals het ook alle andere wegen benauwd en dicht maakt en de vochtigheden zelfs boven matig dik maakt. Als het van buiten opgelegd wordt laat het de huid vast worden, houdt de loop van de zinkingen tegen en laat vel op een wond groeien.

De graden kan je zo samenvatten, de eerste graad is gewoon water waarin je hand steekt zonder iets te voelen. De tweede graad is lauw water waarbij je iets voelt. De derde graag is heet water waarin je hand net kan houden. De vierde is zo heet dat je de hand er gauw uittrekt omdat het te heet is.

 

“Nadat met goede redenen, zoals wij menen, bewezen is het rechte gebruik van de inlandse kruiden, zo staat nu aan te tonen hoe dat men tot kennis van hun krachten zal komen. De krachten moeten in enkelvoudige en geen gemengde geneesmiddelen onderzocht worden en

dan ook op letten, zoals Galenus beide vermaant, niet welke hoedanigheid ze in zichzelf hebben of naar hun aard en ganse natuur, zoals de natuurlijke wijsgerige doen, maar naar dat ze met ons en onze natuur gesteld zijn. Te weten niet of iets in het algemeen heet, koud, vochtig of droog is of dat het enig ander dier kan verwarmen, verkoelen, vochtig maken of verdrogen, maar dat het zodanige hoedanigheden het menselijke lichaam mededeelt.

 

“De enkelvoudige of ongemengde geneesmiddelen hebben hun kracht naar drievormige hoedanigheid zoals uitvoeriger aangewezen is in het eerste deel, 4de boek, kapittel 1, no. 5 van de ‘Schat der Ongezondheid’. Na de eerste, te weten het uitsteken van enig element dat boven de andere de overhand heeft is een kruid heet, koud, vochtig of droog. Naar de tweede, te weten de stof, is het dun en fijn van delen, het ander grof en taai. De derde hoedanigheid spruit niet uit de gematigdheid, nog uit de stof, maar uit de gehele zelfstandigheid en is niet anders als een verborgen eigenschap van haar ganse wezen zoals er zijn die afzetten en het vergif weerstaan of dergelijke kracht hebben, net als die van de eerste slag verwarmen, verkoelen etc. van de tweede openen, sluiten etc. Van deze twee kunnen wij door kenbare tekens komen tot wetenschap van hun krachten, maar de derde hoedanigheid is niet als door ervaring te ondervinden.

 

“De kentekens worden gesteld in smaak, reuk, zelfde kleur en van vorm met de delen van ons lichaam of die met de gebreken overeen komen.

 

“De Griekse geneesmeesters Hippocrates, Theophrastus, Galenus als ook de kruidbeschrijver Dioscorides en na hen de Arabische hebben allen de herkenbare tekens van de krachten van de kruiden en drogen getrokken uit de smaak. Want omdat die voortkomt uit hun stof en gematigdheid, zo kan hij te kennen geven wat heet of koud, grof of fijn van delen is. Het onderscheid van de smaak wordt in negen vormen gesteld, scherp, zuur, vetachtig, zout, serp, zoet, bitter, wrang en smets, waarvan de drie eerste uit een dunne stof spruiten, de middelste uit een middelmatige en de laatste uit een grove en aardachtige.

 

Scherpe smaak is in hetgeen geproefd wordt op de tong, het bijt en meteen verwarmt, soms ook als brand, zoals peper, knoflook en kers. Het bestaat in een hete hoedanigheid en een fijne, droge stof. Derhalve is al wat scherp en bijtend van smaak valt heeft een aard naar het

vuur en als die noch niet te sterk is (de hoedanigheden van de drogen worden naar hun slappe of sterke werkingen in vier graden onderscheiden) maar buiten de derde graad blijft zoals in hysop, peterselie en venkel, heeft het kracht binnen in het lichaam om door te dringen, de wegen te openen en de dikke vochtigheden te verdunnen, als het van buiten opgelegd wordt om de huid open te maken, de vochtigheden uit te trekken en te laten vervliegen. Dat nog scherper en heter dan de derde graad is en als het geproefd wordt niet alleen een grote scherpte op de tong achterlaat, maar nog met een dunne damp in het hoofd opstijgt zodat die brand en puistjes maakt zoals mosterd of blaren verwekt zoals lopigkruid of zonnedauw, peterkruid en waterhanenvoet of laat verteren en verrotten zoals rattekruid of sublimaat.

 

Zure smaak prikkelt mede met een bijtende fijnheid de tong, doch zonder enige warmte en komt voort uit een dunne en droge stof wiens warmte of door bederven vervlogen is, zoals in azijn, of dat de koude onmatigheid van het begin af zijn stof bijgewoond heeft, zoals in zuring en citroensap. Derhalve is het zure niet minder doordringend en ontdoende dan het scherpe, ja, daartoe is niets krachtiger dan de azijn en vooral wanneer het oud of overgehaald is, want dan laat het zelfs het metaal, zoals het citroensap de parels, afeten en verteren. Dan dit onderscheid valt tussen deze twee smaken dat als het zuur van buiten opgelegd wordt niet ontdoet of laat vervliegen, zoals het scherpe, maar in tegendeel terug stoot en de zinkingen tegen houdt en zulks veel sterker dan hetgeen koud en tezamen trekkend is, want door fijnheid kan het de koude dieper indringen. Zo vinden we dat de azijn de zinkingen terug stoot, het bloeden uit de neus en allerhande bloedgang en loop zo door zijn damp, zelfs alleen of met water ingenomen, tegenhoudt.

 

Vette of smeerachtige smaak is eigenlijk geen smaak, maar evenwel onder die eerste gesteld door Theophrastus. Hij vertoont gans geen hitte, noch scherpte op de tong, maar alleen een slijmerigheid waar die als mee bestreken blijft. Zodanige is in verse boter, olie, vet en

heemstwortel. Het bestaat in een dunne en luchtige stof die in hitte en koude gematigd is zonder droogte, (want het zou anders mede, zoals scherp en zuur, doordringen en doorsnijden) deelachtig van een luchtige vochtigheid, waardoor hetgeen vet is vooral goed valt om te verzachten en vochtig te maken.

 

Zoute smaak verhit de tong niet zeer, dan schrapt het door zijn sterk verdrogen. Want hij komt niet van zeer scherpe hitte, maar die evenwel geleidelijk aan en mettertijd de aardachtige delen die in de waterige vochtigheid zijn opdroogt en verbrand, zo dat men in zoute smaak meer droogte dan hitte gewaar wordt. Zulks blijkt voornamelijk in het zout en salpeter en minder in de sautenelle. Hetgeen zout is bestaat in matige stof omdat ze waterige en aardachtige delen vermengd hebben, verdunt, prikkelt, zuivert en droogt de overtollige vochtigheid op, bewaart voor bederf, te weten als het matig gebruikt wordt, want anders valt het door te veel verdrogen hinderlijk.

 

Zoete smaak is de mond liefelijk en aangenaam, van geen uitstekende hoedanigheid deelachtig, doch wat naar de warmte trekkend. En zoals het warme water onze koude leden met vermaak verwarmt totdat de koude delen daaruit vervliegen zonder daar enige moeilijke hitte in de plaats te brengen, zo is ook alle zoetigheid warmachtig, maar zonder enige scherpte en blijft binnen de perken van verzoeten en verzachten. Zodanige smaak proeven wij in honing, suiker, zoethout, boomvaren, vijgen, zoete appelen en andere zoete vruchten. Deze smaak heeft grote gemeenschap met de vette omdat ze beide matig warm zijn, dan verschilt in de stof die in de vette wat dunner is en in de zoete wat grover, maar die evenwel niet buiten de middelmaat treedt. Derhalve verzachten de zoete dingen mede ten dele, maar minder dan de vette, zoals ze ook de ruwheid niet zo veel vereffenen. Dan omdat ze in stof en gematigdheid de maat houden, zo hebben ze kracht om de pijn te verzoeten, te laten rijpen en etter te maken.

 

Bittere smaak is niet zoet en staat tegen, steekt uit in alsem en duizendguldenkruid. Komt uit een grove en aardachtige stof die door grote hitte verbrand en verdroogd is. Waarom al hetgeen bitter smaakt een hete en droge aard heeft en een bijzondere kracht om af te vegen en te zuiveren, onderweg al mee slepend en afschrappend wat het ontmoet en zulks hoe bitterder, hoe sterker. Opent alle verstopping, weerstaat de verrotting, reinigt de vuile zweren en verdroogt de waterigheid die daar in vloeit. En in het kort, kan alles lang voor bederf bewaren en goed houden.

 

Wrange smaak valt tezamen trekkend op de tong. Zo zei Plato dat de aardachtige delen in vochtigheid gesmolten zijn, tezamen trekken en verdrogen in de vochtige en gevoelige delen van de tong. Is er in twee vormen. Sommige, zoals in niet rijp druivensap en onrijpe vruchten

bestaan in een middelmatige stof tussen waterig en aardachtig waarin niet de hitte, maar de koude de overhand heeft. Want omdat de onrijpe vruchten mettertijd rijpen en van wrang zoet worden, zo blijkt dat de zoetigheid haar aankomt door de warmte, maar dat de wrange smaak ontstaat uit koude. Al wat wrang smaakt is daarom verkoelend, verdrogend en belet de zinkingen, dit is de smaak die in Latijn Austerus en bij ons serp zou genoemd mogen worden. Andere wrangheid zoals in galnoten en granaatschellen is niet deelachtig van opmerkelijke vochtigheid, maar gans droog en aardachtig, derhalve als koude trekken ze tezamen en houden ze de zinkingen tegen, als verdrogende sluiten ze de wonden en maken daarover een roof, als aardachtig verdikken ze de vochtigheden die Acerba in het Latijn genoemd worden.

 

Onsmakelijk of smettigheid noemen wij dat gans geen smaak heeft, noch enige opmerkelijke hoedanigheid op de tong vertoont. Indien men de smaak van zuiver water vindt in iets dat droog is, dat mag geoordeeld worden bijna gematigd, doch wat naar de koelte en droogte hellende. Dan omdat beide niet uitsteken zo kan er geen smaak, noch enige hoedanigheid vernomen worden zoals in sommige vruchten als pompoenen en kouwoerden, als ook in tarwe, spelt en stijfsel. Wiens stof, omdat het echt kleeft, daarom voelt en verstopt alle wegen, zowel van binnen als buiten, verzacht de ruwheid en heelt toe hetgeen vaneen gescheiden is.

 

“Dit is zover aangaat de zuivere en ongemengde smaken, maar de dingen die verschillende smaak hebben zijn ook van verschillende krachten. In alsem proeven we behalve de bitterheid, die zich eerst openbaart, enige tezamen trekking, waarom het ook boven de zuiver makende een tezamen trekkende of versterkende kracht heeft.”

Nico Koomen

 

Tekstvak:  Zo is de tekst in het origineel.

De bewerking bestaat uit twee kolommen. Links staat de oorspronkelijke tekst, daarnaast de Nederlandse weergave.

In het origineel zijn de afbeeldingen, net als hier, veelal aan het begin geplaatst, maar ze komen ook regelmatig op enige afstand van het begin van een nieuw hoofdstuk voor.

Om de oorspronkelijke tekst en de Nederlandse vertaling gelijk te laten lopen, zijn de plaatjes in het bijgevoegde commentaar aan het slot van elk hoofdstuk geplaatst.

De letter(s) in het ( ) verwijst naar de autheur(s).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Den Herbarius in Dyetsche. Antwerpen ca 1500. Facsimile. Christian de Backer, Gent MCMLXXIV.

Bewerkt door N.J.Koomen, 2001-2002.

 

DYE PROLOGHE DES OVERSETTERS.

Uut den Latijn in Dyetsche.

Gods vreese dye wil mij omvaen, dat ic altijt wercken moet bestaen, daer duecht ende die Gods eere in ghescye. Menichwerven heb ic overdacht hoe grote proffitelicheyt in dye medecijn leet, hoe seere wij er in gehouden sijn die se ons yerst vonden. Ende hoe veel meer danckbarich wij schuldich zijn te sijn God van hemelrijc die hem die wijsheyt in plante. O, lieve heer Jhesus alder goetheit fundament, U sij alle lof ende eere dat ghi u arm, cranke kinderen met so duegdeliker giften het versterct. O, werde heere Jhesus alder duegden spiegel, U si geduerigen prijs ende danck dat ghi so goedertierlijc u quellende dieners met sulker proffiteliker genezinge hebt vergift. O alder ontfermhertichste Jhesus ten eewigen tijden, met al ons vermogen si v alle minlicheit ende liefste liefde van ons bewezen, dat ghi u mistrostigen minners mids der heyliger medecinen VII C iare ende XXXVI verloren ende alder werelt onbekent, so minlijc vertroesten doen die heylige vruchtbarege medecijne by Ypocryten soo vruchtbarichlijken verrijsen. En wilt toch minlijke Jhesus so goedertieren gewoelnijke gracie mij niet weygeren, mair wilt te mijnen beginsel zijn eenen voirganc te mijnder middelt een regeerder ende te minen eynde een priselic sluten jonnen. Ghebeden sijnde van sommeghe vrienden uut een duegdelijc versueck dat ick wou een cleenlick boek van den ghemeyne simpel medecijnen uut den Latijn in Dietsche versetten en hebs nie gherne willen consenteren midts zommege misbruyken dier uut mochten rijzen. Maer want daer oec veel goets uut mach comen, soe heb ic in den naem des Heyleghen Gheest bestaen, ordinerede in dat eynde desen prologen of voerspraken het verstant zommeger outheyets van scrijven in medecijnen. 2 Dair nae, uut mijn ruy verstant heb ic een tafel des geheels boecke van de ghemeynen simpel medecijnen nae den A. B.C. voertgaende gemaeckt niet van dat Dietsche beginnende om die groote bedriechtlicke verscheydenheit van noemmene die in Dietsche es, al eest datter in dat Latijn oec veel is. In dese tafel sal den naem een yegelijker simpelder medecijnen in Latin voer gaen en in Dietsche nae, is dat ic eeniger Duytsche noeminge af can gevinden.Want dit boeck, in VII partijkelen gedeylt, so sal altijt van eenderhande partijkel hoer getal boven hem staen. Voer een yegelijck simpele medecijne sal zijn het ghetal zijns capittels. Nae een yegelike medecine sal zijn het getal van den blayers des boecke daert in staet. Ic hope, als sommege duechdelijke personen dese tafel selen gronderen dat syer dancbarich af sullen Gode ten eerste zijn. En voir mij bidden diese met groote arbeyt heb bij der hulpen Gods te sijnder eere ende toet behelp der gheender die hier in lezen sullen geordineert. Ons Lieve Heer wil eenen yegelijken mensche die hier in lesen sal gonnen anders niet daer me te doen dan Gods eere sijnder zielen profeijt ende sijns evens Kerstes salicheyt en eyst, welc verleen de, Vader, die Soen, ende die Heylighe gheest. Amen.

 

 

Hier eyndt die voerspraek des oversetters. Die voerspraek des meesters des boeckx, daer dit van woerde te woerde uut gesyet is, volcht hier na.

Want vele lyen midts der armoeden dye apoteken ende vergheerde medecijn overmidts haerder costelicheit scouwen. So hebbe zommege vrienden de grote boeken Ypocras, Galienus, Hafis, Avicenna of der ghelycke dervende mij ghebeden dat ic een vergheringhe der crachten van die ghemeynste simpel medicinen wou maken. Also hoer doechdelijke beede verhoerende, hebbe ic uut der meesteren boeken, een vergheringe der ghemeynder simpelle medecinen ghemaect dye in hoven, in bosschen, beemden of andere plecken in manieren van practijken, waer uut deze boeck mach heeten de vergheringe der simpelder medecinen in manier van practiken. Want hier uut een verstandich mensche sal connen teghen drierhande werken die dagelijcx omtrent de menschen gheschyen hem ghesetten. 

Ten yerste, teghent gesunde dat omtrent den mensche gheschiet, sal hy hier uut manieren vinden hem in ghesonden te houden. 

Ten tweesten, tsegen die siecte die omtrent de menschen regneert, sal hy hier in groot behulpsel vinden die sieckte te ghenesen. 

Ten derden, tegen ongesteltenis omtrent den menschen sijnde die (dats noch recht ghesont) sal hi hier in vinden de manieren die onstelcenisse quijt te worden. Arnoldus de Villa Nova, in sijn Afforismen, (dat sijn corte renen die veel verstans besluten) seyt dus: Als yemant met weinich of luttel medecinen mach den sieken ghenesen tevergheefs ende bedriechlick sueckt hi veel samen ghesette medecinen. Avicenna seyt in sijnen tweeste boeck, in sijn vierde capittel, dat simpel medecinen hebben gemeyn ende sonderlinghe cracht hier uut sluytende, so es dit werc der simpelder medecinen te maercken. Want hierin vint men die manieren van te ghenesen alle gheneselijcke siecten sonder groote cost met luttel medecinen. Alle menichfuldicheyt of te confusie es te scouwen, wat hi stick noe dere der waerheyt es. Boecius, in sijnder Artimetrike seyt: Alle dinghen dye met ordinancie, met redene ende met ghetallen ghestrijckt of geordineert sijnde, sal men met renen en getallen kinnen.

Daerom wort dit boeck in VII partikelen ghedeylt, voer elc partikel hebbende sijn tafel.

Dat yerste partikel tracteert van die crachten der cruiden en heeft CL capittelen.

Dat tweeste partijkel tracteert van medeceynen die cameren maken ende heeft XII capittelen.

Dat derde partikel es van welriekende ende seer sterkende medecinen ende heeft XVI capittelen.

Dat vierde partykel es van vruchten, zayen ende wortelen ende heeft XXII capittelen.

Dat vijfde partikel es van gummen of derghelijke en heeft X capittelen.

Dat seste partijkel es van manieren van souten van minen ende ghesteynten ende heeft XVI capittelen.

Dat sevenste ende dleste partijkel des boeckx es van ghedierten ende datter afcompt en heeft XX capittelen. In desen sal sluuten die meneghe des boeckx in den naem Gods .

 

 

 

De Herbarius in Dietsche.

 

DE PROLOOG VAN DE VERTALER.

Uit het Latijn in Dietsche.

Gods vrees wil mij omvatten, dat bestaat daarin dat ik altijd werken moet waar deugd en Gods ere in geschiede. Vele malen heb ik overdacht hoeveel voordeel er in de medicijnen ligt en hoezeer wij diegene zouden moeten eren die ze het eerst vonden. En hoe groot moet onze dankbaarheid dan wel niet zijn aan onze God van het hemelrijk die hem die wijsheid bracht. O, lieve Heer Jezus, grond van alle goedheid, U zij alle lof en ere dat gij uw arme zieke kinderen met zo’n waardevolle gift hebt begunstigd. O, waarde Heer Jezus, spiegel van alle deugden, U zij gedurig lof en dank dat gij zo goedertieren bent om uw kwellende dienaars met zulke buitengewone genezingen te begunstigen. O, aller barmhartigste Jezus ten eeuwige tijde, met al ons vermogen bent U alle beminnelijkheid en liefste liefde van ons bewezen toen gij uw mistroostige beminnaars, die de heilige medicijnen 736 jaren verloren lieten gaan en in de gehele wereld onbekend, toch zo beminnelijk vertroostte toen de heilige vruchtbare medicijnen bij Hippocrates zo weldadig voor de dag kwamen. En wil toch, beminnelijke en zo goedertieren Jezus, de gewoonlijke gunst mij niet weigeren, maar wil voor mijn beginsel een voorspraak zijn en voor mij bemiddelen bij een regeerder om tot mijn doel tot een voordelige kostprijs te komen. Uit een redelijk verzoek werd ik door sommige vrienden gevraagd om een klein boek van de gewone, enkelvoudige (1) medicijnen uit het Latijn in Dietsche over te zetten. Ik heb eerst niet willen toestemmen vanwege sommige misbruiken die er uit zouden kunnen voort vloeien. Maar omdat er ook veel goeds uit voort kan komen zo heb ik in de naam van de Heilige Geest gebeden en op het einde van deze proloog of voorspraak de gedachten van sommige grote oude medische schrijvers gezet. Daarna heb ik ruwweg een index van het gehele boek van de gewone enkelvoudige medicijnen naar het A. B C. etc. gemaakt en ben niet in Dietsche begonnen vanwege de grote naamsverschillen die er in Dietsche zijn, hoewel je dat ook wel in het Latijn ziet. In deze tafel zal de volgorde van een naam van een enkelvoudige medicijn in het Latijn beginnen en daarna in het Dietsche volgen (als het mogelijk is zal ik ook enige Hollandse namen er bij geven, tenminste als ik er enige Hollandse namen bij kan vinden) Dat verdeelt dit boek in zeven hoofdstukken, dit getal vind je boven elk hoofdstuk. Van elke eenvoudige medische beschrijving zal dit het getal van zijn kapittel zijn. Na elk medicijn zal het nummer van de bladzijden van het boek zijn vermeld waar het in staat. Ik hoop dat sommige deugdelijke personen deze tafels zullen bestuderen en dat zij er zeer dankbaar voor zijn en God zullen eren. En voor mij zullen bidden vanwege de grote inspanning die ik met de hulp van God heb gedaan ter zijner ere en om diegene te helpen die hierin zullen lezen. Onze Lieve Heer zal iedereen die hierin gaat lezen niet anders laten doen dan daardoor God te eren en zijn ziel aan te bevelen voor zijn eeuwige Christelijke zaligheid en bidt wat u verleend wordt door de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, Amen.

 

Hier eindigt de inleiding van de vertaler. De voorspraak van de meester van het boek waar dit letterlijk wordt aangehaald volgt hier na.

Want vele lijden vanwege de armoede van de apotheken en verzamelde medicijnen omdat ze haar kosten schuwen. Zo hebben sommige vrienden de grote boeken van Hippocrates, Galenus, Rasis, Avicenna of dergelijke beschikbaar gesteld en me gevraagd of ik een verzameling van de krachten van de gewone medicijnen wilde maken. Zo heb ik hun redelijke bede verhoord en heb uit de boeken van de meesters een praktische samenstelling gemaakt van de gewone eenvoudige medicijnen die in hoven, in bossen, in beemden of op andere plekken groeien, zodat dit boek genoemd kan worden: “een verzameling van eenvoudige medicijnen in de praktijk’. Want hier uit kan een verstandig mens drie soorten werken halen die dagelijks rondom de mens gebeuren.

Ten eerste, voor het gezonde dat rondom de mensen gebeurt zal hij hier manieren vinden om hem gezond te houden.

Ten tweede, tegen ziekten die tussen de mensen heersen zal hij hier in een grote hulp vinden om die ziekte te genezen.

Ten derde, tegen ongesteldheid die in de mensen is (dat ze niet echt gezond zijn) zal hij hier de manier vinden om die ongesteldheid kwijt te raken. Arnoldus de Villa Nova zegt in zijn Afforismen (dat zijn korte regels die veel verstand bevatten) dus: ‘Iemand met weinig of wat medische kennis zal de zieken tevergeefs proberen te genezen, foutief zoekt hij het in veel tezamen gestelde medicijnen’. Avicenna zegt in het vierde kapittel van zijn tweede boek dat eenvoudige medicijnen gemeenschappelijk een bijzondere kracht hebben wat het voorgaande uitsluit en zo kan je dit werk van eenvoudige medicijnen opvatten. Want hierin vind je de manieren van genezing van alle te genezen ziekten zonder grote kosten en met weinig medicijnen. Alle hoeveelheid of fouten zijn te vermijden want dat zit in alles wat waarheid is. Boecius zegt in zijn Artimetrike; “Alle dingen die ingesteld zijn en die met reden en met getallen beschreven of geordend zijn die kan je met redenen en getallen kennen.

Daarom wordt dit boek in zeven hoofdstukken verdeeld en voor elk deel zijn index.

Het eerste hoofdstuk handelt over de krachten van de kruiden en heeft honderd vijftig kapittels.

Het tweede hoofdstuk handelt over de medicijnen die naar toilet laten gaan en heeft twaalf kapittels.

Het derde hoofdstuk gaat over welriekende en zeer versterkende medicijnen en heeft zestien kapittels.

Het vierde hoofdstuk gaat over vruchten, zaden en wortels en heeft twee en twintig kapittels.

Het vijfde hoofdstuk gaat over gommen en dergelijke en heeft tien kapittels.

Het zesde hoofdstuk gaat over zoutsoorten, van mijnen en van gesteente en heeft zestien kapittels.

Het zevende en het laatste hoofdstuk van dit boek gaat over dieren en dat wat er van afkomt en heeft twintig kapittels. Dit hoofdstuk zal sluiten met de bedoeling van het boek in de naam van God.

(1) Enkelvoudig in tegenstelling tot gemengde die meestal met dia of dya beginnen.

 

 

Afkortingen, gewichten gebruikt in de apotheek (officina)  en inhoudsopgave.

 

Dit is die mannier der vremde scriving in medecinen ende dat biediet daer af. Een medecijnspont scrijft men aldus lb, dats XII

Een uncie scrijft men aldus. ,.dats II loot.

Een dragma scrijft men dus. , dat is dat vierendeel van een loot.

Een scrupel scrijft men dus, dats derde deel van 1 dragma.

Een hant vol scrijft men in Latijn .

Een hant vol scrijft me in Dietsche

Een quaert, dats een vierendeel van I ponde, scrijft men dus

Een greyn scrijft men aldus , dats een greyn van gheerste.

Een half scrijft men dus .

Elckx al even veel of van een yeghelijc allevenleens, scrijft men dus

Neempt scrijft men aldus in Latijn  

Nempt scrijft men dus in Dietsche  

Avicenna scrijft men dus A, of Avi.

Serapio scrijft men dus Ser.

Galienus scrijft men dus Ga.

Platearius scrijft men dus Pla. Pandecta scrijft men al dus Pan.

Dat yerste partijkel des boeckx spreckt van die crachten der cruyden in maniere van ghenesingen der sieckten die te apoteken dienen ende heeft hondert capittelen.

 

Dat ierste capittel is van absinthium of alsen.

Dat II cap. es van abrotanum of agherande.

Dat derde cap. es van altea oft witten hoemsch.

Dat IIIII cap. es van acorus of geheel lielien.

Dat V cap. es van sulfer.

Dat VI cap. es van agrimonie.

Dat VII cap es van loock.

Dat VIII cap es van alkekengi of boberellen.

Dat IX cap. es van reynvaen.

Dat X cap. es van dille.

Dat XI cap. es van eppe of ioffrouw merke.

Dat XII cap. es van byvoet.

Dat XIII cap. es van sarasijne of langhe hoelwortel.

Dat XIIII cap.es van ronde hoelwortel.

Dat XV cap. es asarum of wilde nardus.

Dat XVI cap. es van melde of milde.

Dat XVII cap. es van calfsvoet of aaron.

Dat XVIII cap. es van muysoore.

Dat XIX cap. es van weechbrede.

Dat XX cap. es van wilde savie of reynvaen.

Dat XXI cap. es van affodillus of hondert hoefde.

Dat XXII cap. es van waterwilghe of agnus castus.

Dat XXIII cap. es van bernagie.

Dat XXIIII cap. es van ossen tonge of buglossa. Dat XXV cap. es van bottonie of betonie.

Dat XXVI cap. es van berenclau.

Dat XXVII cap. es van beete.

Dat XXVIII cap. es van teskens cruyt of stops bloet.

Dat XXIX cap. es van berberis vel amuberberis. Dat XXX cap. es van basilike.

Dat XXXI cap. es van brionie.

Dat XXXII cap. es van ciceroye of hemelsluetel. Dat XXXIII cap. es van catten cruyt of nepte of wilde poley of steenmunte of calamentum.

Dat XXXIIII cap. es van santorie.

Dat XXXV cap. es van wilt soffraen.

Dat XXXVI cap. es van honstonghe.

Dat XXXVII cap. es van camille.

Dat XXXVIII cap. es van groote gamandre of camepiteos.

Dat XXXIX cap. es van steenrute of capillus veneris.

 

 

Dat XL cap. es van eywijn.

Dat XLI cap. es van coriander of kalander.

Dat XLII cap. es van cuscuta dat is side of wranghe.

Dat XLIII cap. es van cyperus.

Dat XLIIII cap. es van gouwortel.

Dat XLV cap. es van scytcruyt of catapucia.

Dat XLVI cap. es van cucumeren.

 

 

Dat XLVII cap. es van wilt riet of calamus agrestis.

Dat XLVIII cap. es van kempe.

Dat XLIX cap. es van daucus creticus.

Dat L cap. es van dyptamus.

Dat LI cap. es van cleyn sporie of esule.

Dat LII cap. es van endivie.

Dat LIII cap. es van boelkenscruyt, dat es eupatorium.

Dat LIV cap. es van alant, dats enula.

Dat LV cap. es van leewerck cruyt, dats epatica.

Dat LVI cap. es van wit niescruyt of elleborus albus.

Dy LVII cap. is van theylich kerstcruit of elleborus niger.

Dat LVIII cap. es van adick of cleyn wilt vlier.

Dat LIX cap. es van onderave of edera terrestris.

Dat LX cap. es van velouwe of edera arborea. Dat LXI cap. es van grisecom of duyvenkervel.

Dat LXII cap. es van venkel of feniculus.

Dat LXIII cap. es van eertbesiencruyt.

Dat LXIIII cap. es van eschen of fraxinus.

Dat LXV cap. es van witte steenbreecke, is grana sol.

Dat LXVI cap. es van gallitricum of hanenkam.

Dat LXVII cap. es van gariofilaet.

Dat LXVIII cap. es van gantiaen.

Dat LXVIIII cap. es van brem of genesta.

Dat LXX cap. es van gherse of gramen.

Dat LXXI cap. es van titelose of hermodactilus.

Dat LXXII cap. es van balsem of insquiamus.

Dat LXXIII cap. es van yspe of  ysopus.

Dat LXXIIII cap. es van yreos of yris of swerdele.

Dat LXXV cap. en van genefer of iuniperus.

Dat LXXVI cap. es van yringium of secacul.

Dat LXXVII cap. es van lelien of lilium.

Dat LXXVIII cap. es van hoppe of lupulus.

Dat LXXIX cap. es van partike of lapacium acutum.

Dat LXXX cap. es van lachtike of lactuca.

 

Dat LXXXI cap. es van levesche of levesticus.

Dat LXXXII cap. es van lavendere of lavendula.

Dat LXXXIII cap. es van laureola of drankers saet.

Dat LXXXIIII cap. es van mellissa.

Dat LXXXV cap. es van garwe of dusentblat.

Dat LXXXVI cap. es van maluwe.

Dat LXXXVII cap. es van munte of menta.

 

Dat LXXXVIII cap. es van mallote of mellilotuu.

Dat LXXXIC cap. es van matre of matricaria.

Dat XC es van mageleyne of maiorana.

Dat XCI cap. es van maelrovie of marubium.

Dat XCII cap. es van moerbesien of mora celsi.

Dat XCIII cap. es van smeerwortel of mercuriael.

Dat XCIIII cap. es van mandragorem of doelwortel.

Dat XCV cap. es van hoefkerse of nasturcium domesticum.

Dat XCVI cap. es van  waterkerse of nasturcium aquam.

Dat XCVII cap. es van balsemsaet of aliquos.

Dat XCVIII cap. es van applompen of nenufer. Dat XCIX cap. es van wilde mageleyne of origanum.

Dat C cap. es van bertram of piretrum.

Dat CI cap. es van pionie of pionia.

Dat CII cap. es van peercelle of petercellen of petercilium.

Dat CIII cap. es van boemvaren of polipodium.

Dat CIIII cap. es van paridane of partarie.

Dat CV cap. es van porcelline of portulaca.

Dat CVI cap. es van onser vrouwen wiechstro. Dat CVII cap. es van pareye of porrum.

Dat CVIII cap. es van vijfblat of pentasilon.

Dat CVIIII cap. es van pimpinella of bevenelle. Dat CIX cap. es van oelsaet of papaver.

Dat CXI cap. es van popelboem of populus.

Dat CXII cap. es van wilde pasternake of pisternake.

Dat CXIII cap. es van pasternake of pastinaca domestica.

Dat CXIIII cap. es van roosen of rosa.

Dat CXV cap. es van radize of rafamis.

Dat CXVI cap. es van de wortel des tans radijs. Dat CXVII cap. es van rute of ruta.

Dat CXVIII cap. es van rosenmarijn of rosmarinus. 

Dat CXIX cap. es van rapen of rapa.

Dat CXX cap. es van aelbesien of rybes.

Dat CXXI cap. es van mede daer men me verwet.

Dat CXXII cap. es van nachtschaye of solatrum.

Dat CXXIII cap. es van spinagie of spinagia.

Dat CXXIIII cap. es van wilt commijn.

Dat CXXV cap. es van mostaert.

Dat CXXVI cap. es van hoy of van stroo of caf dat die kemelen eeten ende heet squinatum.

Dat CXXVII cap. es van serpentine of serpentaria.

Dat CXXVIII cap. es van wolfs of hasen cullen. Dat CXXIX cap. es van mottencruyt of sticados atrinum, is absinthium marinum.

Dat CXXX cap. es van sticados Arabicum, is van Arabien.

Dat CXXXI cap. es van sparagus, of spargus.

Dat CXXXII cap. es van savelboem of savina.

Dat CXXXIII cap. es van donckerbaert oft semper viva.

Dat CXXXIIII cap. es van eyuyn die squilla heet.

Dat CXXXV cap. es van vlier of sambucus.

Dat CXXXVI cap. es van wilghe of salix.

Dat CXXXVII cap. es van steenbreeck of saxifraga.

Dat CXXXVIII cap. es van hertstonge of scolopendra.

Dat CXXXIX cap. es van hasenoor of scabiosa. Dat CXL cap. es van savie of salvia.

Dat  CXLI cap.es van spica nardi.

Dat CXLII cap. es van roems spica of spica Celtica.

Dat CXLIII cap. es van onse vrouwen bedstro of serpillum.

Dat CXLIIII cap. es van wollecruyt of taxus barbascus.

Dat CXLV cap. es van tormencille of tormentilla.

Dat CXLVI cap. es van violetten of viola.

Dat CXLVII cap. es van wilde carden of virga pastoris.

Dat CXLVIII cap. es van netelen of urtica.

Dat CXLVIIII cap. es van valeriane of valeriana.

Dat CXL en tleste capittel deser iersten partijkelen es van usnea of mos.

Dit is de manier van het vreemde schrijven in medecijnen en de afkortingen daarvan (dat is in de tekst al opgelost) Een dokters pond (376, 4 gram) schrijft men aldus ,  dat is twaalf ons. (31, 2 gram) 

Een ons schrijft men aldus  ,dat is twee loot (7,8 gram)

Een maal 3,9 gram (3,9 gram)  schrijft men dus , dat is het vierendeel van een loot.

Een scrupel (ca 1,302 gram) schrijft men dus, , dat is het derde deel van een maal 3,9 gram.

Een hand vol schrijft men in Latijn  

Een hand vol schrijft men in Dietsche .

Een kwart, dat is een vierde deel van 1 pond, schrijft men dus  

Een grein (0,065 gram) schrijft men aldus , dat is een gerstekorrel.

Een half schrijft men dus  

Van elk even veel of van een ieder even veel schrijft men dus .

Neem schrijft men dus in Latijn .

Neem schrijft men dus in Dietsche .

Avicenna schrijft men dus A of Avi.

Serapio schrijft men dus Ser.

Galenus schrijft men dus Ga.

Platearius schrijft men dus Pla.

Pandecta schrijft men al dus Pan.

Het eerste hoofdstuk van het boek spreekt van de krachten van de kruiden op die manier om de ziekte te genezen zoals die in de apotheek gebruikt worden en heeft honderd (honderd vijftig) kapittels.

Het eerste kapittel is van Artemisia absinthium.

Het II kap. is van Artemisia abrotanum.

Het derde kap. is van Althaea officinalis.

Het IIII kap. is van Acorus calamus.

Het V kap. is van Rumex acetosa.

Het VI kap. is van Agrimonia eupatoria.

Het VII kap. is van Allium sativum.

Het VIII kap. is van Physalis alkekengi.

Het IX kap. is van Tanacetum vulgare.

Het X kap. is van Anethum graveolens.

Het XI kap. is van Apium graveolens.

Het XII kap. is van Artemisia vulgaris.

Het XIII kap. is van Aristolochia clematitis.

 

Het XIIII kap. is van Corydalis cava. 

Het XV kap. is Asarum europaeum.

Het XVI kap. is van Atriplex hortensis.

Het XVII kap. is van Arum maculatum.

Het XVIII kap. is van Anagallis arvensis

Het XIX kap. is van Plantago major en P. lanceolata.

Het XX kap. is van Salvia pratensis 

Het XXI kap. is van Asphodelus albus.

Het XXII kap. is van Vitex agnus-castus.

Het XXIII kap. is van Borago officinalis.

Het XXIIII kap. is van Anchusa officinalis.

Het XXV kap. is van Stachys officinalis.

Het XXVI kap. is van Heracleum sphondylium.

Het XXVII kap. is van Beta vulgaris.

Het XXVIII kap. is van Capsella bursa-pastoris.

Het XXIX kap. is van Berberis vulgaris.

Het XXX kap. is van Ocimum basilicum.

Het XXXI kap. is van Bryonia dioica.

Het XXXII kap. is van Cichorium intybus.

Het XXXIII kap. Is van Clinopodium calamintha, Clinopodium menthifolium en Clinopodium acinos

Het XXXIIII kap. is van Centaurium erythraea. Het XXXV kap. is van Carthamus tinctorius.

Het XXXVI kap. is van Cynoglossum officinalis. Het XXXVII kap. is van Anthemis nobilis

Het XXXVIII kap. is van Teucrium chamaedrys.

Het XXXIX kap. is van Asplenium ruta-muraria, vrouwenhaar is Adiantum capillus-veneris.

Het XL kap. is van Allium cepa.

Het XLI kap. is van Coriandrum sativum.

Het XLII kap. is van Cuscuta epithymum.

Het XLIII kap. is van Cyperus longus.

Het XLIIII kap. is van Chelidonium majus, Ranunculus ficaria is de mindere.

Het XLV kap. is van Euphorbia lathyrus.

Het XLVI kap. is van Cucurbita pepo de kalebas, Cucumis sativus de komkommer, Cucurbita citrullus de citrullen, Cucumis melo de meloen.

Het XLVII kap. is van Iris pseudo-acorus.

Het XLVIII kap. is van Cannabis sativa.

Het XLIX kap. is van Daucus carota.

Het L kap. is van Origanum dictamnus.

Het LI kap. is van Euphorbia esula.

Het LII kap. is van Cichorium endivia.

Het LIII kap. is van Eupatorium cannabinum.

Het LIV kap. is van Inula helenium.

Het LV kap. is van Marchantia polymorpha.

 

 

Het LVI kap. is van Veratrum album.

 

Het LVII kap. is van Helleborus niger.

 

Het LVIII kap. is van Sambucus ebulus.

Het LIX kap. is van Glechoma hederacea.

Het LX kap. is van Hedera helix.

Het LXI kap. is van Fumaria officinalis.

Het LXII kap. is van Foeniculum vulgare.

Het LXIII kap. is van Fragaria vesca en moschata.

Het LXIII kap. is van Fraxinus excelsior.

Het LXV kap. is van Lithospermum officinale

 

 

Het LXVI kap. is van Rhinanthus minor.

Het LXVII kap. is van Geum urbanum.

Het LXVIII kap. is van Gentiana pneumonanthe of G. cruciata.

Het LXVIIII kap. is van Cytisus scoparius.

Het LXX kap. is van gras, Elytrigia repens.

Het LXXI kap. is van Colchicum autumnalis.

 

Het LXXII kap. is van Hyoscyamus niger.

Het LXXIII kap. is van Hysopus officinalis.

Het LXXIIII kap. is van Iris germanica en Iris Iris germanica x var. florentina

Het LXXV kap. is Juniperus communis.

Het LXXVI kap. is van Eryngium maritimum.

Het LXXVII kap. is van Lilium candidum.

Het LXXVIIII kap. is van Humulus lupulus.

Het LXXIX kap. is van Rumex acutus en obtusifolius, mogelijk ook Rumex patientia.

Het LXXX kap.is van Lactuca sativa, de wilde Lactuca scariola of virosa.

Het LXXXI kap. is van Levisticum officinale.

Het LXXXII kap. is van Lavendula angustifolia.

Het LXXXIIII kap. is van Daphne mezereum en laureola.

Het LXXXIIII kap. is van Melissa officinalis.

Het LXXXV kap. is van Achillea millefolium.

Het LXXXVI kap. is van Malva alcea.

Het LXXXVII kap. is van Mentha spicata, arvensis en sylvestris.

Het LXXXVIII kap. is van Melilotus officinalis.

Het LXXXIC kap. is van  Matricaria recutita .

Het  XC kap. is van Origanum majorana.

Het XCI kap. is van Marrubium vulgare.

Het XCII kap. is van Morus alba en nigra en Rubus fruticosus.

Het XCIII kap. is van Mercurialis perennis.

 

Het XCIIII kap. is van Mandragora autumnalis.

 

Het XCV kap. is van Lepidium sativum.

 

Het XCVI kap. is van Rorippa nasturtium-aquaticum.

Het XCVII kap. is van Nigella sativa.

Het XCVIII kap. is van Nymphaea alba en Nuphar lutea.

Het XCIX kap. is van Origanum vulgare.

Het C kap. is van Tanacetum parthenium

Het CI kap. is van Paeonia officinalis.

Het CII kap. is van Petroselinum crispum en segetum.

Het CIII kap. is van Polypodium vulgare.

 

Het CIIII kap. is van Parietaria officinalis.

Het CV kap. is van Portulaca oleracea.

Het CVI kap. is van Mentha pulegium.

Het CVII kap. is van Allium porrum

Het CVIII kap. is van Potentilla reptans.

Het CVIIII kap. is van Pimpinella major.

Het CIX kap. is van Papaver somniferum.

Het CXI kap. is van Populus nigra.

Het CXII kap. is van Caucalis platycarpos.

 

Het CXIII kap. is van Pastinaca sativa.

 

Het CXIIII kap. is van Rosa soorten

Het CXV kap. is van Raphanus sativus.

Het CXVI kap. is van Armoracia rusticana.

Het CXVII kap. is van Ruta graveolens en Pegamum harmala.

Het CXVIII kap. is van Rosmarinus officinalis.

Het CXIX kap. is van Brassica rapa.

Het CXX kap. is van Ribes rubrum.

Het CXXI kap. is van Rubia tinctoria.

 

Het CXXII kap. is van Solanum nigrum.

Het CXXIII kap. is van Spinacia oleracea.

Het CXXIIII kap. is van Cuminum cyminum.

Het CXXV kap. is van Brassica nigra en Sinapis alba.

Het CXXVI kap. is van Andropogon schoenanthus.

Het CXXVII kap. is van Persicaria bistorta.

Het CXXVIII kap. is van Dactylorhiza majalis en maculata.

Het CXXIX kap. is van Helichrysum arenarium.

Het CXXX kap. is van Lavendula stoechas.

 

Het CXXXI kap. is van Asparagus officinalis.

Het CXXXIII kap. is van Juniperus sabina.

Het CXXXIII kap. is van Sempervivum tectorum.

Het CXXXIIII kap. is van Urginea maritima.

 

Het CXXXV kap. is van Sambucus nigra.

Het CXXXVI kap. is van Salix alba.

Het CXXXVII kap. is van Saxifraga granulata

 

Het CXXXVIII kap. is van Asplenium scolopendrium.

Het CXXXIX kap. is van Knautia arvensis.

Het CXL kap. is van Salvia officinalis.

Het CXLI kap. is van Nardostachys jatamansi. Het CXLII kap. is van Valeriana celtica.

 

Het CXLIII kap. is van Clinopodium vulgare en Thymus serpylum.

Het CXLIIII kap. is van Verbascum thapsus en V. lychnitis.

Het CXLV kap. is van Potentilla erecta.

 

Het CXLVI kap. is van Viola odorata.

Het CXLVII kap. is van Dipsacus fullonum en sylvestris.

Het CXLVIII kap. is van Urtica dioica.

Het CXLVIIII kap. is van Valeriana phu.

Het CXL en laatste kapittel van het eerste hoofdstuk is van Usnea barbatus.

 

 

 

I Absinthium, Alsen

Alsen of wit alsen oft absinthisium es heet in den iersten graet, droeg in den tweeden. Hevet eenen amperechtegher scerpen (dats pontiken) en alder bittersten smaeck. Int ieste van den lenten sal ment vergheren in die scaye, dats in die lommere van den sonnen. Een iaer in groter macht mach ment houden. Hebbende contrari macht als tontsluten oft te laxeren uut sijnre hette oft bitterheit ende te constringeren oft stoppen uut sijnre grover substantien. Ofte de ghedaenten ordeele men hem contrari macht te hebben waer om ment nyet en sal geven die materie en is bereet of gedigeert Also met zijnre heyten wordt dye materi ontbonden ende midts zijnder scerper amperheyt of pontiteyt sijnde te gader gedout, wort se neerwert uut gedreven. Alsen opent sterckelick verstoppinge comende als die gheel veru watersucht sonderlinge uut couder saken comende. So Avicenna II capittel, II. II tractaet seet dat III of een 1/2 unce smergens nuchter X dage lanc genomen van den sap van alsen gheneest des sieckten, maer om zijn versmayelike bitterheit mach ment met sukers ghenoegh versueten. Oft in gheyten wey mach men alsen sieden, luttel sukers toe doende. Ofte als men pillen van rebarben ghenomen heeft mach men dese navolghende syroep X dage lanc nemen, lau des smorgens 1½ gelaeske. Neemt van die soppekens van alsen1 half, neemt bloemen van santorye, van violetten, van bernagi, ende van tamariscus, elcks II dragma, wortelen van repontica, calissihout elck I dragma, rosinen 1½ unce, tsamen weynigh ghestoten, sal men se in water tot derdendeel versoden es zyden, ende dan doer eenen doeck gedaen mit genoech zukers versoet sal men syroep maken. Daer na om te stercken neempt dyarodon abbatis.

Teghen alopiciam (dat is uutvallighe van haer) ende tineam (dats scorftheyt) oft rappicheit van hoefde, siedt alsen, agherand, roems spica, van elcx soe veel als ghi wilt in wijn ende wast daer mede thoet.

Teghen doy verwe oft litteyken omtrent dooghen oft elders van stoten oft van slaghe, neempt tsap van alsen met honich ende gheersten meel ghemingt.

Tegen die wormen, neemt sap van alsen, poier van wormcruit met weinigh honichs ghemingt. Teghen rootheit van oghen ende duysternis es sap van alsen goet ende teghen doofheyt oft tuytinghe in die oren. Ende is goet in oren ontfaen den rueck van wijn in water der alsen in gesoyen is. Tsap van alsen, oly van dye kernen van persekens in die ooren gedaen doodt die wormen. Item teghen eenen stinckende mont van verrotten materien in de mage sijnde. Ende (is) goet wijn daer alsen ende scorsen van citrum in gesoden is.

Tegen dronckenheit is goet dat sap van alsen met honich genomen.

Een pessarium (dats een manier van instrument in die moyer als een clister in den eers) van raepoly daer alsen ende byvoet in gesoyen is doen den vrouwen menstrua comen.

I Alsem. (Artemisia absinthium)

Alsem, wit alsem of absinthium is heet in de eerste graad en droog in de tweede. Het heeft een bitterzure, scherpe (dat is een wrange smaak) en allerbitterste smaak. In het begin van de lente kan je het verzamelen in de schaduw, dat is uit de zon. Een jaar kan je het in goede staat houden. Het heeft krachten die met elkaar in tegenstelling zijn, namelijk om te ontsluiten of te laxeren vanwege zijn hitte of bitterheid en samen te binden of te verstoppen vanwege zijn grove substantie. Afgaande op het uiterlijk ben je gemakkelijk van oordeel dat het de tegengestelde werking heeft, daarom moet je het niet geven wanneer het plantmateriaal niet bereid of klaar gemaakt is. Vanwege zijn hitte wordt de materie los gemaakt en doordat het vanwege zijn scherpe zuurheid of wrangheid tezamen wordt geduwd wordt het naar beneden uitgedreven. Alsem opent sterk de verstoppingen zoals de geel gekleurde waterzucht die vooral uit koude zaken ontstaan zijn. Zoals Avicenna in het tweede kapittel, tweede fen en tweede traktaat zegt dat als je van het sap van alsem ’s morgens drie of een half ons nuchter gedurende tien dagen in neemt zal het deze ziekte genezen, maar vanwege zijn afstotende bitterheid kan je het met suiker voldoende zoet maken. Maar je kan alsem ook in geitenwei koken waarbij je een beetje suiker toevoegt. Of wanneer je pillen van rabarber genomen hebt kan je de siroop die hierna volgt tien dagen lang nemen en elke morgen anderhalf lauw glaasje; ‘Neem van de topjes van alsem de helft, neem de bloemen van santorie, van violen, van bernagie en van tamarisk en van elk twee maal 3,9 gram, van de wortel van rapunzel en zoethout van elk een maal 3,9 gram en van rozijnen anderhalf ons. Dit doe je bij elkaar, stamp het licht en kook het in water totdat een derde deel verkookt is, dan haal je het door een doek en met voldoende suiker maak je het zoet en moet je er een siroop van maken. Daarna neem je om aan te sterken van dyarodon abbatis.

Tegen alopecia (dat is het uitvallen van het haar) en tineam (dat is schurft/schimmel) of schurftachtige uitslag op het hoofd kook je alsem, abrotanum en roomse spica en van elk zoveel als je wilt in wijn en was je daarmee het hoofd.

Tegen bleekheid of littekens rond de ogen of elders die door stoten of van slagen gekomen zijn: ‘Neem het sap van alsem en meng het met honing en gerstemeel’.

Tegen wormen neem je het sap van alsem en meng het met poeder van wormkruid en wat honing.

Tegen het rood van de ogen en blindheid is het sap van alsem goed, ook tegen doofheid of tuiten in de oren. Het is ook goed om in de oren de damp van wijn die vermengd is met het water waar alsem in gekookt is te ontvangen.

Als je het sap van alsem en de olie uit de kernen van perziken in de oren doet doodt dat de wormen. Item tegen een stinkende mond als gevolg van verrotte materiĎn die zich in de maag bevinden. Het is een goede wijn waar alsem en de schil van citroen in gekookt is.

Tegen dronkenschap is het goed om het sap van alsem met honing in te nemen.

Een pessarium (dat is een soort van instrument in de baarmoeder net zoals een klysma in de aars) van raapolie waar alsem en bijvoet in gekookt is laat bij de vrouwen hun menstruatie komen.

 

                            1. Artemisia absinthium, L.

Algemene kenmerken.                                                      

De absintalsem wordt net zo groot als de bijvoet, zestig tot honderd twintig centimeter. De bladeren zijn een paar maal geveerd en aan beide zijden grijs zijdeachtig viltig, op droge arme gronden is het meer zilverachtig en op goede gronden meer groen. De kleine, knikkende en lichtgele bolvormige bloemhoofdjes, als knoopjes, staan in een pluim van juli tot september.

 

Werking.

Een versterkend bitter, Tinctura d'absynthe, kan er van verkregen worden. Het alcoholgehalte is hoog, de kleur er van is groen. De drank geeft eerst activiteit en aangename sensaties, inspireert tot grote gedachten maar bij gewoontedrinkers degenereert het de hersens, beschadigt het centrale zenuwsysteem en het eindigt in delirium en dood. Alsemolie is een uitgesproken hersengif. Het is het ‘kruid van het vergeten’. Een bepaald bestanddeel van de absintolie veroorzaakt onder andere epilepsie. In ons land werd volgens de Absintwet van 6 dec. 1909, in werking getreden 20 juli 1910, verboden absint in te voeren, te vervaardigen, te verkopen of af te leveren. In Duitsland werd het in 1923 verboden, in Frankrijk op 5 juli 1910. (het is onlangs weer vrij gegeven)

Het droge kruid werd gebruikt als bittermiddel om eetlust krijgen en als middel tegen maagstoornissen. Plinius zegt dat de alsem die in het land Pontus groeit bitterder is dan die van ItaliĎ; ‘Dit is het bitter land, het kan mij niet behagen.

Want hier de velden grijs niet dan droef alsem dragen’. (13)

 

Etymologie.

Absinthium is de oude naam. Waarschijnlijk stamt deze van het Griekse woord apsinthion, een leenwoord uit het Perzisch, dat ‘verliezen van vruchten’ betekent. De naam kan daarvan afgeleid zijn omdat men geloofde dat deze plant het voortijdig afvallen van de in de buurt groeiende vruchten, als druiven, veroorzaakte of als vruchtafdrijvend middel.

De naam Alsem komt van het Latijnse aloxinum wat stamt van Griekse aloĎ oxines. Het kruid werd met het bittere AloĎ vergeleken. Mogelijk is het verwant met het Hebreeuwse alua wat ‘’bitter’’betekent. Het woord kwam met de plant in de zesde eeuw, mogelijk door een Byzantijnse lijfarts van de Merovingers, naar Frankrijk. Uit aloxine ontstond het oud-Franse aluisne. Dat valt onder meer terug te zien in het Nederlandse alsene. Bij kinderen werd het gegeven als middel tegen oorwormen. Absint behoedde zelfs boeken, kleding en hout jarenlang voor wormen -zo werd het wormkruid, het Engelse wormwood.

 

II Abrotanum averone es heet in den iersten, droeg in den tweeden. Als tegen uutvallen des haers (dats alopicia), ende scorftheit oft schellinghe des hoets (dats tinea es) averoen gelijc alsen goet den baert oft elders daermen ghern haer hadde sal men strijken met desen om thaer oft den baert haest te doen wassen: Neempt sap van averoen met dyloly oft olye van squinati, ghemengt

Teghen ontsteltenis der borst uut couder saken siet averoen, ysop, calissihout in water met penyt suker gesuet, daer af drinckt. Van buten strijckt daer op die borst met meysche boter, of om meer te vermorwen die materie in die borst, salve van dialtea. Dan neemt pillen van agaricus om te suveren die borst. Daer nae om te stercken, neemt penijt zuker oft dye ayris salomonis. Tegen lange ronde wormen ende corte breede ormen: Neemt agerande, gewreven poier van lupinen, elcx een unce en een half greyn, minghet met gallen ende olie van alsen exiket buten op die dermen. Sap van alsen ende van agerand met melc gedroncken doget tselve.

Sap van agerand in manier oft een clisteer waer (dats een pessarium) doet den vrouwen menstrua comen, dat velleken daer de vrucht in den lichaem in rust ende die doy vrucht worpet uut, ende die beslotene moyer openet, genesende apostonien de fleumatijck zijn in de moyer of vulva.Oft dees wekinge doet sterckelijc de stonden comen: Neemt agerand, savelboem, bivoet, elcx II hant vollen, onser vrouwen wiechstroe, melde, mageleyn, reynvaen, elcx een hant vol, asare, beccareeppe, elcx een half hant vol, stoet se tsamen ende doeget roken als ghi wilt. Die self es oeck goet om te doen vergaen apostonien die hert sijn om te resolveren, eest datter men toe mingt tsap van agherand, ghersten meel ende honich, ende doeghet soe daer op. Dat self verdrijft oeck slagen oft stoten op de zijden.

Agherand in die houken van den huse gheleet verdrijft die fenijnde dieren, oft dat huys sal men daer met besprayen, oft agherand sal men nt huys laten roken. Agherand in wijn ghesoden is goet teghen fenijn.

Teghen die serpicheyt des aengaen der corts, stoet agherand, dan mingt se met sout ende oli ende strijct er dye polcen der handen ende voeten.

Agherand in wijn met eppen gesoden, met suker ghesuet, gheneest die coupis ende breect den steen.

Teghen omdrayinghe in die ogen (dats vertigo) oft schinsel der vlieghen in de ogen (dats scotomia) striket rhoet met agheranden ghestoten.

II Abrotanum of averone. (Artemisia abrotanum) Abrotanum is heet in de eerste en droog in de tweede graad. Tegen het uitvallen van het haar (dat heet alopecia) en schurft of roos van het hoofd (dat heet tineam) kun je averone net als alsem gebruiken om de baard of elders waar je graag haar had hiermee te bestrijken om het haar of de baard sneller te laten groeien: ‘Neem hiertoe het sap van averone en meng het met dillenolie of olie van kamelenhooi’.

Tegen ontsteltenis van de borst (1) die uit koude oorzaken ontstaan is kook je averone, hysop en zoethout in water, met fijne suiker maak je het zoet en drink hier van. Van buiten bestrijk je de borst met meiboter of om de materie in de borst meer te vermurwen met een zalf van Althaea. Dan neem je pillen van cantharel om de borst te zuiveren. Daarna neem je om te versterken fijne suiker of ayris salomonis.

Tegen lange, ronde wormen en korte, brede wormen: ‘Neem averone en gewreven poeder van lupinen, van elk een ons en een half van 0, 65 gram, vermeng het met gal en olie van alsem exicet en strijk het buiten op de darmen’. Het sap van alsem en van averone dat tezamen met melk wordt gedronken doet hetzelfde.

Het sap van averone dat je op de wijze van een klysma zet (dat is een pessarium) laat bij de vrouwen hun menstruatie komen, de moederkoek waar de vrucht in het lichaam rust en de dode vrucht worden uitgeworpen en de gesloten baarmoeder geopend. Het geneest de slijmachtig blaren in de baarmoeder of vulva.Vaak laat de volgende oplossing de stonden sterk komen: ‘Neem averone, savelboom en bijvoet, van elk twee handen vol; onze vrouwe wiegstro, melde, majoraan en reinvaren, van elk een hand vol, Asarum en Veronica beccabunga, van elk een halve hand vol, stamp dit tezamen en dan kan je als je het wil er mee roken’. Hetzelfde is ook goed om blaren te laten vergaan die te hard zijn om op te lossen vooral als je het sap van averone, gerstemeel en honing erbij mengt en het er zo op legt. Hetzelfde verdrijft ook de slagen of stoten van de zijde.

Als je averone in de hoeken van het huis legt verdrijft het venijnige dieren of besproei er het huis mee of laat de rook het huis doortrekken. In wijn gekookt is averone zo ook goed tegen gif.

Tegen scherpte bij het begin van de koorts stamp je averone, dan meng je het met zout en olie en bestrijk je er de polsen van de handen en voeten mee.

Averone die in wijn met wat met eppe gekookt en met suiker zoet gemaakt is geneest de aandrang tot waterlozing en breekt de steen.

Tegen het omdraaien van de ogen (dat is vertigo) (2) of het schijnsel van de vliegen in de ogen (3) (dat is scotomia) (4) moet je dit er uit strijken met gestampte averone.

(1)  Angina pectoris? Verkramping van de kransslagaderen: pijn op de borst. (2) =Duizeligheid. (3) Mouche volante= goedaardige losse stukjes in het oogvocht die je voorbij ziet dwarrelen als je kijkt. (4) =Verlies van een deel van je gezichtsveld.

                                          

Tekstvak:  2. Artemisia abrotanum, L.

Algemene kenmerken.

Dit is het citroenkruid met fijn ingesneden blad als zijdeachtig filigraan in fraai zachtgroen. Het groeit meer dan een meter hoog. Men zal het zelden in bloei zien en dan in augustus/oktober met gele knikkende bloemen in kleine bloemhoofdjes.

 

Werking.

Citroenkruid werd vroeger gebruikt in een pommade waarvan geloofd werd dat het de haargroei zou stimuleren en kaalheid zou voorkomen, vandaar ook de Engelse naam old man. De Engelse bijnaam lad's love is gebaseerd op hetzelfde idee. Jonge mannen gebruikten dit kruid om baardgroei te bevorderen zodat ze ouder zouden lijken. De sierlijke bladeren werden ook wel in boeketten gedaan die jonge mannen aan hun meisjes gaven. Liefde temidden van het zoete is voor kinderen, maar liefde in de bitterheid van citroenkruid of alsem is een zeker teken van affectie.

Dit kruid ruikt zeer sterk naar citroen en wordt wel gebruikt om muggen weg te houden. In de hoeken van het huis gezet verdrijft het "fenijnde dieren". Dit werd ook bereikt door dit kruid te roken of over vlees te strooien om de muggen weg te houden. In de kledingkasten werd het gelegd om ongedierte weg te houden. Plinius schrijft dat als het onder het bed gelegd wordt man en vrouw tezamen zullen komen en alle toverij weerstaat die zulke zaken tegengaan (1) Verder is het gebruik hetzelfde als van alsem.

 

Etymologie.

Abrotanum bestond vroeger uit twee soorten, manlijk en vrouwelijk. De vrouwelijke heette Santolina chamaecyparissus. Waarschijnlijk was abrotanum een naam voor meerdere struiken met een aangename geur.

Abrotonon is waarschijnlijk genomen van het Griekse abros: ’teer’ of ‘slank’ zodat we hieruit een plant kunnen veronderstellen van slanke en hoge groei. Die benaming past niet op de plant. Mogelijk komt de naam van het Grieks voor onsterfelijk; abrotos, (‘goddelijk’ of ‘onsterfelijk’, ‘ambros’) vanwege het frisse aanzien van de plant.

Averuit heet in het Duits Aberraute en Eberraute. In oud-Hoogduits komt Avaruza voor. Dit stamt uit het Latijnse abrotonum en dit weer uit het Griekse abrotonon, ‘staf’ of ‘staafkruid’. Onder invloed van de ruit ontstond de naam Aberuthe en in Nederlands averuit.

 

III Altea, witten hoemsch

Witten hoemsch oft altea es tusschen heet ende droeghe ghelijck. Sijn werckinghe ende eygentheyt es te saechten, te ripen, morw te maken, te verwandelen ende af te droeghen. Tsaet ende groen wortelen sijn van meester macht.

Teghen dye coupisse, den steen, die grove overvloedicheyt ende teghen sciaticam (dats een stercke pijne van ontrent die hope ten knien werts) siedt witten hoemschsaet ende wordel met agerand in wijn, drinct er af.

Teghen den tantzweer, siedet hoemsch wortel met bertran ende luttel mastike, wast den mont daer mede al lau. Tegen morpheam (dats een pleckinghe die wit oft swert int vel es) siedt hoemschzaet met loeck ende eeck, strijckt er mede daensicht oft die huyt in dye sonne want het royet dye plecken uut. Dat selve met olyen op die plaetse gheleet es goet teghen ghefenijnde beten, ende teghen steken der bien.

Teghen sweeringhe der dermen ende blutsinge der zenuen, siedt witten hoemschwortel in wijn ende water met weynigh masticke.

Hoemschwordel es goet teghen heete apostonien der borsten ende des ers, teghen die treckinghe der zenuen, teghen den herden apostonien oft clieren ende het verdwijnt opgeblasen apostonien oft gheswillen der oogheschelen. Het gheneest apostonien der oren dye ghandule heeten, het saecht pijne der juncturen oft ghebannen der been.Hoemsch, met meel van fenu graecum, met meel van lizaet, met smeer van eenden, ende termentijn is goet tegen de uutreikinge der zenuen want het verteert oft verwandelt, rijpt ende opent apostonien. Dat self suvert dye moyer ende die overvloedicheit. De ervaring eest dat men daer mede pessaria (dat zijn manaer van clisteren) in de moyer sedt.

Teghen uutvalling des haers siedt hoemsch wortel met agerand in eeck, strijckt er mede in dye sonne want hij geneest al droghende.

Tegen hoest uut couder saken om lichtelijck oeck te doen spuwen, siedt hoemssaet, calissiehout, vighen, int water, dan suetet met zuker. Eest dat men daer toe menghet dragagantum, soe eest goet tegen bloetspuwen. Dat self es goet teghen dorst ende die barrende pisse.

Teghen apostomen in die borst (dats pleuresis) ende in die longhene (dats periplemonia): Neempt witten hoemschwortel, een unce, calissihout een ½ unce, cicoreye wortel, gherste, van die IIII cou zayen (als cucureren, couworden, melonen, citrullen) endiviezaet, porcelynsaet elcx II dragma, violetten blomen, rosinen, elcx een ½ unce, stoet se al tsamen, dan siedt se ende gevet also int capittel van als hem geseet is.

III Althaea of witte heemst. (Althaea officinalis) Witte heemst of Althaea wordt gelijk tussen heet en droog gesteld. Zijn werking en eigenschap is om te verzachten, te rijpen, murw te maken, te veranderen en af te drogen. Het zaad en de groene wortels hebben de grootste kracht.

Tegen aandrang tot waterlozing, steen, grove overvloedigheid en tegen ischialgie (dat is een sterke pijn rondom de heup naar de knieĎn toe) kook het witte heemstzaad en zijn wortel met averone in wijn en drink er van.

Tegen tandpijn kook je heemstwortel met bertram en wat mastiek en was de mond daar lauw mee.

Tegen morfeem (dat zijn witte of zwarte plekken in de huid) kook je heemstzaad met knoflook en azijn en strijk je daarmee over het gezicht of de huid in de zon want dat roeit die plekken uit. Als je hetzelfde doet, maar met olie, en op die plaats legt is het goed tegen beten van ongedierte en tegen bijensteken.

Tegen zweren van de darmen en blutsingen van de zenuwen kook je witte heemstwortel in wijn en water met wat mastiek.

Heemstwortel is goed tegen hete blaren van de borsten en de aars, tegen het trekken van de zenuwen, tegen harde blaren of klieren en het laat de opgeblazen blaren of gezwellen van de oogschellen verdwijnen. Het geneest blaren van de oren die glandula parotis genoemd worden en (1) het verzacht pijnen van de gewrichten of gespannen benen. Heemst met meel van Grieks hooi, met meel van lijnzaad, met eendenvet en terpentijn is goed tegen het uittrekken van de zenuwen want het verteert of verandert, rijpt en opent de blaar. Hetzelfde zuivert de baarmoeder en haar overvloedigheid. Uit ervaring weet men dat je daarmee pessaria (dat is een soort van klysma) in de baarmoeder zet.

Tegen het uitvallen van het haar kook je heemstwortel met averone in azijn en bestrijk je het in de zon want het geneest al drogende.

Tegen hoest die uit koude zaken komt (2) en om ook gemakkelijk te kunnen spuwen kook heemstzaad, zoethout en vijgen in water en maak het zoet met suiker. Als je daar nog wat dragagantum bij doet dan is het ook goed tegen het bloed spuwen. (3). Hetzelfde is ook goed tegen dorst en het brandende plassen.

Tegen blaren in de borst (dat is pleuritis) (4) en in de longen (dat is peripneumonie) (5): ‘Neem een ons witte heemstwortel, van zoethout een half ons, cichoreiwortel, gerst, de vier koude zaden (als komkommer, kouwoerden, meloenen, citrullen) andijvie- en posteleinzaad, van elk twee maal 3,9 gram; violenbloemen en rozijnen, van elk een half ons, stamp dit alles tezamen, kook het en geef het zoals in het kapittel ervan verteld is.

(1) ) Een grote speekselklier die pal voor het oor zit en gezwollen kan zijn, bij de bof of door een steentje. (2) Bronchitis, longontsteking. (3) Door fikse ontsteking van de longen of een maag/slokdarm/drankprobleem. (4) Pleuritis, ontsteking van de longbladen. (5) Peripneumonie, =long- en longbladontsteking.

 

Tekstvak:   3. Althaea officinalis, L. (geneeskrachtig)

 Algemene kenmerken.

Witte heemst is een meerjarige plant die ruim een meter hoog wordt met overal een viltige, grijs groene beharing. Aanvankelijk heeft heemst een spindelvormige wortel van dertig centimeter lengte en een paar cm dik die met bruine nerven bezet is en snel door een kruipende, vingerdikke knoestige wortelstok vervangen wordt. Uit de wortel komen meerdere opgaande en weinig vertakte stengels waaraan wat hartvormig bladeren zitten. De heemst bloeit sterk met blauwroze tot witroze bloemen.

 

Werking.

De wortel van Althaea is gevuld met een slijmachtig sap dat in water gelegd zich verdikt als ware het stroop. Vanwege het slijmgehalte werd het ook gebruikt als inhullend, opwekkend, hoeststillend en pijn verminderend middel bij halsziektes en borstziektes.

 

Etymologie.

De naam Althaea is afgeleid van altheo: ‘genezen’. Dit komt omdat deze plant vele ziektes geneest. De Fransen noemen het la guimauve en mauve-gui, dat betekent ‘klamme malva’. In de grote Franse steden werd het verdikt met suiker en tot hoesttabletten gemaakt die men patés de guimauve noemden. Dit zijn de originele marshmallows. De marshmallows die gemaakt worden van meel, stroop, gelatine en suiker, werden oorspronkelijk gemaakt van de wortels van deze plant.

De Grieken noemden de heemst ook ebiskos. De Duitse naam ‘der Eibisch’ is hiervan afgeleid. Onze naam heemst is afgeleid van (H)ibiscus, in midden Noordduits is het witte Humst. De naam ‘tandwortel’ slaat op het gebruik dat moeders die geven aan kinderen waarvan de tanden doorkomen.

 

IIII Gheel lelien of acorus.

Gheel lelien oft acorus es heet ende droege in den IIden graet. Hebbende macht te openen verstoppinge der leveren, der nieren oft der blasen (dat heet diuerticiem) te ontbinden af te droghen ende te opene. Acorus is goet om te ontbinden die hertheit der milten ende te opene verstoppinge der milten, oec de leveren uut couden saken, aldus gemaeckt: Neempt van der wortelen van acorus gestoten het vierendeel van eenen pont, maect se nat in eeck, III dage, dan doet er toe II drachma der wortelen van repontijck, bernaidsebloemen, hertstonge, elcx een half hant vol, anijszaet, calissihout, rosinen, elcx een half unce, breect se al groffelijc ende siedt se in II pont waters dat derdendeel versoden si, dan doer eenen doeck gedaen, zuetet met suker, dat genoech si. Van desen dranc neemt smerghens ende tsavonts al lau telcken een half gleesken. Daer na neempt pillen van rebarben ende van lapide lazuli, elckx een half dragma, mingt se met syroep van hertstonghe ende maeckt er VII of IX. Dan neemt van dyagalanga of dyaboraginatum om te stercken. Alderlest bestrijct die plaetse, daer die lever ende milt rust, met dyaltea om te morwen die materie die verstopt. Wijn daer acorus in gesoden es tot tselve goet als sonder corts es.

Teghen die gheel vrou is goet acorus mit hertstonge, met adivie, met calissihout ende met die IIII cou zaden gesoden, gecoleert oft doer eenen doeck gedaen, met suker gesoet als voer.

Teghen die witheyt van den ogen (die albugo heet) ende tegen die duisternis der ogen: Neemt zap van acorus, ende van venkel, elcx III uncen, calmijnsteen een dragma, aloe, epatici, thutie elcx een half dragma, die te breken syn sal men cleyn breken ende met dan ger sien om een vergheringhe te maken, dan doer enen doeck ghecleert sal men se met een druppel smaels in een penne ghedaen aen die oghen beseghen.

Tsap van acorus te drincken gegheven, oft gesoden, doet pissen want het duuegt ende opent. Oec eest goed tegen pijn der zijden in der longhenen. Tselve is oec goet den gefenijnde beten.

Teghen pijn der moyer, siedt acorus ende sidt daer op.

Men seet als yemant acorus bi hem draegt dat hi nemmermeer den bloyende lichaem of roet merizoen en criget noch spasmum, (dats vertreckinge der leen) seit Pandecta.

IIII Gele lis of acorus. (Acorus calamus). Gele lis of acorus is heet en droog in de tweede graad. Het heeft de kracht om de verstoppingen van de lever, (1) van de nieren of van de blaas (dat heet diuretica) te ontbinden, af te drogen en te openen. De gele lis is goed om de hardheid van de milt te ontbinden en om verstoppingen van de milt te openen, ook van de lever die uit koude zaken komen (2). Dan moet je het zo maken: ‘Neem van de gestampte wortels van gele lis het vierde deel van een pond, week het drie dagen lang in azijn, doe er dan twee maal 3,9 gram van rapunzelwortels, bernagiebloemen en hertstong bij, van elk een halve hand vol; anijszaad, zoethout en rozijnen, van elk een half ons; breek het grof en kook het in twee pond water tot dat het derdedeel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak het zoet met suiker tot dat het zoet genoeg is. Van deze drank neem je ‘s morgens en ’s avonds telkens een half lauw glaasje. Daarna neem je pillen van rabarber en van lapis lazuli, van elk een half maal 3,9 gram, meng het met siroop van hertstong en maak er zeven of negen van. Dan neem je sap van galanga of sap van Borago om te versterken. Tot slot bestrijk je de plaats waar de lever en milt zitten met Althaea om de materie die verstopt is te vermurwen’. De wijn waar de gele lis in gekookt is helpt daar ook tegen mits je zonder koorts bent (3).

Tegen geelzucht is het goed om gele lis met hertstong, met andijvie, met zoethout en met de vier koude zaden te koken, zuiver het of doe het door een doek dat je met suiker zoet maakt zoals voorgaande.

Tegen witheid van de ogen (die albugo heet) (4) en tegen blindheid: ‘Neem het sap van de gele lis en van venkel, van elk drie ons, van kalmijn of zinkerts een maal 3,9 gram, AloĎ epatica en sap van stinkende gouwe, van die elk een half maal 3,9 gram; datgene dat je kan breken, breek je klein, dan moet je dit koken zodat het een mengsel wordt, dan wordt het door een doek gezuiverd en moet je het met een druppel per keer, in een pen gedaan, op de ogen strijken. Sap van gele lis dat je te drinken hebt gegeven dat vaak gekookt is zorgt ervoor dat je moet plassen want het werkt en opent. Ook is het goed tegen pijn in de zijden van de longen. Hetzelfde is ook goed tegen venijnige beten.

Tegen menstruatiepijn, kook gele lis en ga er op zitten. (op de damp)

Men zegt dat als iemand gele lis bij zich draagt hij nooit meer last heeft van een bloedende loop of rode bloedgang en ook dat hij geen spierkrampen krijgt, zegt Pandecta.

(1 en 2) Galstenen? (3) Die koorts zou veroorzaakt kunnen worden door een ontsteking van bijvoorbeeld de galblaas, wat lijkt op leverontsteking, als gevolg van stenen. (4) Het betekent witachtig, waarschijnlijk staar.

 

4. Acorus calamus L.

Algemene kenmerken.

Kalmoes heeft smalle, opgaande en zwaardvormige bladen die tot een meter lang kunnen worden en aan de randen wat gerimpeld zijn. De kegelvormige bloem is groenachtig en staat halverwege een platgedrukte stengel. De verspreiding gebeurt door de broze vlezige wortelstokken die horizontaal voortkruipen in de drassige gronden..

 

Werking.

De bladeren ruiken aangenaam als ze fijn gewreven worden. Ze worden gebruikt in parfums en lotions, likeuren en in Deventer koeken verwerkt. De wortelstok is echter het meest in gebruik. Deze smaakt vers bitter kruidig, later na drogen milder. Zo kan een wortelextract (een paar gram wortel fijn gestampt in kokend water) gebruikt worden als mondspoeling bij tandontstekingen. Inwendig werkt het eetlustbevorderend en bevordert de spijsvertering, helpt het tegen maagzuur en oprispingen. De pijnstillende kalmusolie is ook afkomstig uit de wortelstok. De plant gold vroeger bij de Berbers en Arabieren als een krachtig afrodisiacum. Van Beverwijk is het hier mee eens: "Gekauwd maakt een goede adem, en verwekt de geiligheid". (2)

 

Etymologie.

Acorus komt van het Griekse a, ‘niet’ of ‘zonder’, en kore, ‘de pupil van het oog’, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan ook zijn dat de plant genoemd is naar de appetijtverwekkende wortel, dan van akoras, a, ‘niet’, en koras, ‘verzadiging’.

De naam kalmoes of kalmus komt van calamus,riet’ (zie verder bij Swertia) Bij de Duitsers is het gewas bekend als Gewurzkalmus, bij de Engelsen als sweet flag en in Frans l’acore odorant.

 

V Sulker of acetosa es som tam of domestike die in die hoven wast, som wilt buten wassende. Si is cout in den eersten, droege in den II graet. In hoer es bedwininghe (dats stipticiteyt) ende zuerechticheyt waer uut de colere te boven gheet, maer haer vochticheit es te prisene. Tegen sweerende scorftheyt ende excoriacie (oft afvillige des nagels) es goet dye wortel van sulker mit eeck gesoien. Dat self es oec goet tegen pleckig des vels als morphea ende crupende sieckten oft scorftheien als serpigo ende tegen dyergeliken besmettinge des vels. Als men die plaetschen daer mede bestmet, dan sal men dees scorfte plaetsen met deser salven bestrijken: Neemt zap van zulker V unce, termentijn een half greyn, een unce sout, I dragma, minget met olye van bayen ende maeckt er bi dat vier ruerende salve af.

Tegen die gheel veru van van verstoppinghe uut couder saken: Neemt sulker ende de IIII cou sayen, siet se in endiviewater ende drincket. Oft met wijn, dien wijn seet men te ghenesen gheneychtheit tot walginge.

Serapio en Avicenna segghen eest dat yemant van sulker aet oft ghesoyen daer af dronckende, daer na van scorpionen ghesteken ware ten sal hem niet letten, daerom ees goet teghen venijn.

Teghen die pestilentie es goet sulker water met een weynich dryakelen: Neemt sulker water een ½ unce, van driakel een drachma, minghet en drincket al lau, omtrent middernacht dan deckt den zieken om te sweeten, want het seker bevonden es.

Sulker midts sinen sueren amperechteghen oft scerpen smaeck gheneest sweringe der dermen ende den lichaem, maer sulkersaet is sterker int stoppen den lichaem.

Teghen die lopende spenen ende dronckenheit, drincket sap van sulker.

Tegen die serofulen maeckter men I plaester af. Men seyt seghet het. Avicenna eest dat men die wortel van sulker in den hals leghet den ghenen die serofulen heeft dat hij se quijt wort.

Teghen den tantsuer, neemt sap van sulker of siedt hem met wijn ende al lau wast de tanden. Tegen den loep der moeyeren, wrijft die wortel ende syedt se in wijn, breket den steen der nyeren en afscabling der dermen.

v Zuring. (Rumex acetosa) Zuring of acetosa is soms tam en dat is de gekweekte die in de hoven groeit, (1) soms groeit het in het wild in buiten. Het is koud in de eerste en droog in de tweede graad. In haar is het bedwingende aanwezig (dat is stipticiteit) en zuurachtigheid waaruit de gal naar boven gaat, maar haar vochtigheid is te prijzen. Tegen zwerende schurft en oppervlakkig defect van de huid (of het afvallen van de nagels) kun je de wortel van zuring met azijn koken. Hetzelfde kun je ook gebruiken tegen plekken in de huid zoals morfeem (2) en kruipende ziekten of schurft zoals serpigo (3) en tegen dergelijke besmettingen van de huid. Als die plaatsen daarmee besmet zijn kun je deze schurftachtige plaatsen met deze zalf bestrijken: ‘Neem vijf ons van het sap van zuring; van terpentijn een half van 0, 65 gram, een ons en een maal 3,9 gram zout, meng het met olie van laurierbes en maak er al roerende bij het vuur een zalf van’.

Tegen de gele kleur van verstoppingen die uit koude zaken komen: ‘Neem zuring en de vier koude zaden, kook het in andijviewater en drink het’. Of met wijn en van die wijn zegt men dat je daarvan kan walgen.

Serapio en Avicenna zeggen dat als iemand van zuringzaad eet of het kooksel daarvan drinkt en daar na door een schorpioen gestoken wordt het hem geen last zal bezorgen, daarom is het goed tegen venijn.

Tegen pest kun je zuringwater met wat raapzaad te nemen: ‘Neem van zuringwater een half onsje, van knoflook een maal 3,9 gram, meng het en geef het rond middernacht lauw te drinken en dek de zieke toe om te zweten, dat is als een zeker middel bevonden’.

Zuring met zijn zure bitterzure of scherpe smaak geneest de zweren van de darmen en van het lichaam, maar zuringzaad is sterker in het stoppen van het lichaam.

Tegen lopende aambeien en dronkenschap, drink het sap van zuring.

Tegen scrofulas (4) maak je er een pleister van.

Men zegt, zei het. Avicenna vertelt dat als je de wortel van zuring in de hals legt bij diegene die kropzweren heeft dat hij ze dan kwijt raakt. Tegen het tandzuur neem je het sap van zuring of kook het met wijn en als het lauw is was je daarmee de tanden.

Tegen de loop van baarmoeder bloedingen (5) wrijf je de wortel en kook die in wijn, het breekt ook de nierstenen en het afschaven van de darmen. (6)

(1) Mogelijk Rumex acetosella. (2) Vormafwijking van de huid. (3) Dit is een kruipende ziekte, meestal een gezwel of zweer. aangezien er in de volgende zin sprake is van besmetting zal hier vast sprake zijn van een infectie zoals wondroos die een zweer veroorzaakt. (4) Opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (5) Bloedingen tussen menstruaties door, of hevige menstruaties. (6) Dysenterie.

 

Tekstvak:  5. Rumex acetosa, L.

Algemene kenmerken.

Veldzuring is een dertig tot zestig centimeter hoog kruid met roodachtige stengels. De bladeren zijn pijlvormig of spiesvormig, rijk groen en glad, in de herfst roodachtig. De donker rode bloemen staan in pluimen van mei tot augustus.

 

Werking.

Vanwege hun gehalte aan oxaalzuur werden de bladeren gebruikt om boterklompen fris te houden. Koks bonden zuringblad wel om taai vlees zodat dit onder het koken zachter werd. De zachte, halfvolgroeide bladeren worden gebruikt voor zuringsoep, een bloedzuiverende voorjaarssoep. Het zure sap werd ook gebruikt tegen huidaandoeningen Het werd gebruikt als een goede koortsdrank, stilt de dorst en vernieuwt zwakke gesteldheden. De oudere planten bevatten een hoog gehalte aan zuren die gebruikt worden om vlekken uit de kleren te verwijderen, maar ook om het zilver schoon te maken. De plant is goed tegen scheurbuik, het bevordert de eetlust, verkoelt de lever en versterkt het hart. Boerhaave vermeldt de zuring als prima geneesmiddel. ‘Geen plant kan het lichaam beter zuiveren als de plant groen gegeten wordt of zijn sap gedronken, het helpt tegen een slechte adem en zet losse tanden vast (29).

 

Etymologie.

Rumex kan komen van het Latijnse rumo,opzuigen’, naar de gewoonte van de Romeinen om op zuringbladen te zuigen tegen dorst. Dit wordt nog wel eens gedaan maar kan leiden tot infecties aan de mondhoeken.

Acetosa betekent ‘zuur’. Zuring, zuurling of zurkel werd in Middeleeuwen surkele genoemd. In het Engels heet het sorrel, dit van oud Engels sure en dat van het oud Franse surelle of sorele, een afleiding van sur, ‘zuur’ of ‘scherp’, een kleine, scherpe plant. Duits Sauerampfer en Frans oseille.

 

VI Agrimonia es heet ende droeghe in den tweeden graet. Teghen dye iecht neemt van desen navolghende syroep smerghens ende tsavonts een half gheleesken: Neemt agrimoniwortel, savie, primula van elcx een half hant, beverscullen (oft beverzijn) kaneel, elckx II dragma, dit stoot tsamen groffelijck, dan siedet in II ponts outs wijns tot dat derdendeel versoden es, cleret doer eenen doeck, ende met afgebloemt hoenich maeckt er af syroep. Als desen syroep al es ghedroncken: Neemt deser pillen tsavonts als men slapen gaet, VII of IX, te weten pillen van euforbium ende stinckende pillen, elcx een greyn, I drachma met syroep van sticados, daer na neemt van dyacastorium. ‘s Morgens strikende die lam leden met dese salven, gewermt: Neemt sap van agrimonien, mostaertsaet ende dat beste van pioniesaet, elckx een half greyn, beversijn, bertram, elckx een half greyn dragma, soffraen een half greyn een serupel, breeck se tsamen ende met olye van beversijn ende met was maect er af mors salve. Om die oghen te verclaren. Neemt sap van agrimonie dat gheclaert si, doet er in met cleynen vier luttel tuchia die gebroken si, ende alst beghint te stiven eest goet cout op die oghen gheleit. Teghen pine ende gheswil der leden, mingt sap van agri met meel van fenigrieck, met bolus armenicus (dats roye eerde) ende met swinensmeer en beseg het.

Agrimonie met wermoes als heete spinagie gheten es goet tegen pijn in den buyck ende der milten. Agrimonie es goet om te pissen, opende verstoppinge.

Groen gestoten ende met sulkerwater gedroncke es teghen quade puysten (als antrax (2) en teghen beten der serpenten of der verwoeder honden, buyten opgheleit eest oec goet tegen dat selve.

VI Agrimonia of agrimonie. (Agrimonia eupatoria) Agrimonia is heet en droog in de tweede graad. Tegen jicht neem je van deze navolgende siroop ‘s morgens en ‘s avonds een half glaasje: ‘Neem Agrimoniawortel, Salvia en Primula, van elk een halve hand vol, beversgeil (of beverzijn) en kaneel, van elk twee maal 3,9 gram; dit stamp je grof tezamen, dan kook je het in twee pond oude wijn totdat een derde deel verkookt is, dan zuiver je het door een doek en met afgeschuimde honing maak je er een siroop van’. Als je deze siroop hebt gedronken: ‘Neem dan zeven of negen van deze pillen ’s avonds als je slapen gaat, te weten: pillen van Euphorbia en stinkende pillen (1) van elk een 0, 65 gram; 3,9 gram siroop van lavendel spica, daarna neem je van beversgeil’. ’s Morgens bestrijk je de lamme leden met deze opgewarmde zalf: ‘Neem het sap van Agrimonia, mosterdzaad en het beste van pioenenzaad, van elk een half van 0, 65 gram; beversgeil en bertram, van elk een half van 3,9 gram; van saffraan een half van 0, 65 gram en 1, 3 gram; breek het en meng het met olie van bevergeil en met was maak je er een murwe zalf van’.

Om de ogen op te helderen. ‘Neem het gezuiverde sap van Agrimonia, doe er bij een klein vuurtje wat gebroken tuchia bij en als het begint stijf te worden is het klaar om het koud op de ogen te leggen’.

Tegen pijnen en gezwellen van de leden meng je het sap van Agrimonia met meel van fenegriek, met bolus armeniacum (dat is rode aarde) en met zwijnenvet en gebruik het.

Als je Agrimonia met warme groente als hete spinazie eet is het goed tegen pijn in de buik en de milt.

Agrimonia is goed om te laten plassen, het opent de verstoppingen.

Als je het groen stampt en samen met zuringwater drinkt is het goed tegen kwade puisten (als antrax) (2) en tegen beten van serpenten of dolle honden en als je het aan de buitenkant legt helpt het daar ook goed tegen.

(1) Ferula foetida.

(2) van Beverwijck; ‘Anthrax komt in alle delen van het lichaam voor als een klein puistje of hard knobbeltje met jeuk en grote brand, is in het begin nauwelijks zo groot als een erwt maar wordt geleidelijk aan groter met zeer stekende en onlijdelijke brandende pijn en vooral ‘s avonds en ’s nachts, ook meer terwijl de spijs in de maag verteerd wordt dan als het verteerd is. Werpt soms een, somts twee blaren op en als die geopend worden ziet men het vlees eronder dat net zoals met gloeiende kolen zwart verbrand is waarom het bij de Grieken Anthrax, bij de Latijnen Carbunculus en bij ons pestkolen genoemd wordt’.

 

Tekstvak:  6 Agrimonia eupatoria, L.

Algemene kenmerken.

Agrimonie heeft grijsgroene, geveerde en aromatische bladeren. Agrimonie met zijn slanke, lange aren van gele bloemen wordt een meter hoog in juni/juli. De bloe­sems worden gevolgd door stijve, harige en kleine zaden. De zaden hangen naar beneden en zijn klaar om je te bespringen.

 

Werking.

Het gedroogde kruid heeft een eigenaardige kruidachtige en bittere smaak. Het werd vroeger gebruikt als gorgelwater voor zangers en sprekers. De zogenaamde ‘heilandsthee’ is zeer goed tegen ontstekingen in de mond en daarom goed voor zangers. Al in de oudheid werd het kruid gebruikt als een opwekkende thee voor lever-, gal- en ingewandstoornissen. Tegen huidaandoeningen werd het vooral gebruikt in badwater.

 

Etymologie.

Agrimonia komt van het Griekse agros, ‘veld’, en ’mone, ‘woonplaats’, een plant die in de velden groeit. Het kan ook ontleend zijn van argemon, ‘een witte vlek op de ogen’, (arges, ‘wit’) die deze plant zou genezen. Volgens de fabelleer hield de reus Argus zijn honderd ogen in goede staat door deze plant. Op deze wijze is Agrimonia van Argus af te leiden. Argemone werd in het Latijn argemonia.

Eupatoria is zo genoemd naar Koning Mithridates Eupator, Koning van Pontus, die de geneeskracht ervan ontdekt zou hebben. Het is een koninklijk kruid. De medische kwaliteiten van deze plant worden vaak toebedeeld aan Eupatorium, een heel andere plant die pas later zijn naam gekregen heeft.

 

VII Loock of alleum

Dats een plante wel bekent. De es twerley als tam de in die hoven wast ende wilt dye scordeon heet. Tam loeck of huysloock es heet ende drooghe in den III graet tot den IIII graet. Wilt loock es heeter ende droegher, daerom magt licht verkeren dat venijn wort aldus doende: Neemt loecsaet ende sayet ende tsaet dat daer of coemt sayet voert dat doet V oft VI werven, Dan sal dat leste loeck venijn werden. Daerom sal men loeck verplanten ende niet versayen om deser saken wil ende anders gheen, al ist dat die hoveniers niet al en weten.

Teghen uutvallen van den haer mits stinckende humoren comende: Menghet loeck dat gestoten is met olye van bay ofte met den droessem (dats dat dic van den oly van den line) daermede striket op die plaetse.

Tegen vochtege sweeren ende scellige van den hoefde, neemt gestoten loeck, striket daerop. Tegen die luysen ende neeten es loeck goet gheten ende dat daer voer steet.

Die meesters seggen dat loeck dic gheten maect hoeftswer, ja seer dic geeten maeckt lazerie ende diergeliken swaer sieckten. Rou loec gheeten crancket gesichte want het droget seer mer natte ogen en lettet nyet.

Tegen den tantweer es goet den mont lau gewassen met water daer looc, mastic en bertran in gesoyen es.

Looc gebraden met suker gemingt ende gheeten cleert die stemme. Oec eest goet tegen den ouwen hoest ende tegen pijn in de maghe uut vercoutheit.

Loec verwermt, besnijt ende verteert, daerom eest goet den ghenen die grove tay humoren in den mage hebben.

Loeck es goet dengenen die fungen (dats comperlolien) hebben gheten, fungen seit men fenijn mids hoer der groter couden. Hets oec den rustieren goet de overdach coude water drincken ende grove spijse ende cou eten, daerom seyt men dat loock der rustieren. Drieakel es loock, corrigeert ende betert dwater dat nae sijn eetinghe ghedroncken wort, darom eest den scheepvaerders, die dic quaet water drincken, goet gheten.

Loeck ghewreven met honichwater ghenomen purgeert flumen ende die wormen.

Loeck is zeer verdwinende die opblasinghe die van windechtichheyt coempt, daerom seet Galenus dat loec meer de winden verteert dan eenighe ander medicijn die de winden verteert.

Teghen morpheam (dats pleckinghe) snijt eerst oft slaet die plecken, dan wrijft er tzap van loeck op.

Die wortel van yreas gheten es goet teghen den stanck van den loeck.

VII Knoflook. (Allium sativum en Allium scorodoprasum) Knoflook of Allium is een plant die goed bekend is. Er zijn twee soorten van als een tamme die in de hoven groeit en een wilde die Allium scorodoprasum heet. Tamme knoflook of huislook is heet en droog in de derde tot de vierde graad. Wilde look is heter en droger en daarom zal het gemakkelijk in venijn veranderen als je zo doet: ‘Neem knoflookzaad en zaai het en het zaad dat daarvan komt dat zaai je weer en zo een vijf of zesmaal door. Dan zal het laatste knoflook venijn worden’. Daarom moet je knoflook verplanten en niet zaaien vanwege deze zaak en niet anders al is het dat de hoveniers dit allemaal niet weten.

Tegen het uitvallen van het haar dat uit stinkende levenssappen voortkomt: ‘Meng gestampte knoflook met de olie van laurierbes of met het droesem (dat is het dikke van de vlasolie) en daar mee bestrijk je die plaats’.

Tegen vochtige zweren en roos van het hoofd neem je gestampte knoflook en strijk dit er op. Tegen luizen en neten is het goed om knoflook te eten en andere dergelijke soorten.

De meesters zeggen dat als je veel knoflook eet hoofdpijn krijgt, ja, als je het zeer veel eet geeft het melaatsheid en dergelijke zware ziekten. Als je rauwe knoflook eet verziekt dit het gezicht want het verdroogt zeer met natte ogen en houdt niet op. Tegen tandpijn is het goed om de mond lauw te wassen met water waar knoflook, mastiek en bertram in gekookt is.

Gebakken knoflook die met suiker gemengd is en gegeten wordt verheldert de stem. Ook is het goed tegen oude hoest (1) en tegen pijn in de maag die uit verkoudheid komt.

Knoflook verwarmt, besnijdt en verteert, daarom is het goed voor diegenen die grove, taaie levenssappen in de maag hebben.

Knoflook is goed voor diegene die paddestoelen (dat is een cantharel) hebben gegeten, paddestoelen, zegt men, zijn venijnig vanwege hun grote koude. Het is ook voor de rustende goed die overdag koud water drinken, grof eten en koude etenswaren gebruiken, daarom zegt men; ‘knoflook van de rustende’. Drieakel (2) is knoflook, het corrigeert en verbetert het water dat na het eten gedronken wordt, daarom is het voor de scheepslui die dikwijls slecht water drinken goed om te gebruiken.

Gewreven knoflook dat met honingwater ingenomen wordt laxeert slijm (uit de longen) en wormen.

Knoflook verdrijft heel goed de oprispingen die van windachtigheid komen en daarom zegt Galenus dat knoflook meer de winden verteert dan enig ander medicijn die de winden weg neemt.

Tegen morfeem (dat zijn plekken) snij eerst of sla op die plekken en dan wrijf je er het sap van knoflook op.

Als je de wortel van Iris eet is dit goed tegen de stank van knoflook.

(1) Tuberculose? (2) Boerenteriakel.

 

Tekstvak:  7. Allium sativum, L. (gekweekt of tam)

Algemene kenmerken.

Knoflook is een plant met platte bladeren. De vliezige schede om de bloeiwijze loopt uit in een lange punt, tussen de lang gesteelde bloemen vormen zich vele kleine broedbolletjes.

 

Werking.

Verse knoflook bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger en nog niet zo lang geleden dacht men dat ziektes door boze geesten, demonen, werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte het met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het zwart. Men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals of tegen een deur gespijkerd.

Volgens Herodotus werd knoflook vanouds gebruikt als middel tegen melancholie en wormen. Het kruid bezit een opwekkende werking en werd daarom mogelijk gegeven aan de arbeiders die de piramide van Gizeh bouwden. (38) Knoflook is goed voor het hart. De oude Grieken gaven het aan kemphanen om die sterk en onvermoeibaar te maken. Hanen die ui eten zijn meestal stevige vechters. Daarom gebruiken reizigers het en bijten ze erop. Zo ook met oorlogen, het vermeerdert woestheid, geeft kracht en maakt je kwaad..’Zo hebben ook de ouden de oorlog met look uitgebeeld als degene die de krijgsknechten kracht en sterkte gaf". Galenus beschrijft het als boerenteriakel; ‘antimiddel’, (1,2,5) Vanwege zijn antiseptische werking werd het als voorbehoedmiddel tegen pest gebruikt en ook om bedorven drinkwater te verbeteren.

 

Etymologie.

De naam Allium kan van het Keltisch all komen dat ‘heet’ of ‘brandend’ betekent. Misschien komt het echter van het Latijnse olere, ‘rieken’, naar de penetrante geur. Franse ail, afgeleid van Allium. De verzamelnaam van uiensoorten is look. Look komt in het midden-Hoogduits in Knobelouch voor, in het Angelsaksisch leac en Engelse leek. Look komt van midden-Hoogduits lauch, ‘sluik’, naar de vorm van de bladeren. Mogelijkerwijze is de plant naar zijn afwaarts gebogen bladeren genoemd. Knoflook is ontstaan door naamsverandering van kl tot kn knoflook. Het was eerst cloflooc en kloflook. Klof hangt evenals kloof en kluif samen met werkwoord ‘klieven’ of ‘splijten’, dus gespleten, gekloofde look omdat het in zogenaamde tanden gespleten is.

 

VIII Krieken van over zee of boberellen dats alkakengi oft, nae Serapio, kekengi zijn die tweetste manier van nachtscaye. Ende syn cout ende droeghe omtrent den II graet. Sy hebben blaeders ghelijck der nachtscayen. Sy hebben manieren van bleeskens daer roye vruchten in sijn als wijnbesien, welkx macht es ghelijck den lupinen.

Teghen loopende gaten als sijn fistilen: Neemt sap van desen alkakengi ende minghet met den sap van gouwortel ende met ghebroken roems, coperroot, doeter af int lopende gat, ende over anderen tijden wast dat gat of die fistile met honich van rosen totdat die fistile ghedoot es, dats als dat quaet etter achter blijft ende es wit etter want dan es sy bij dat heylen.

Teghen ou sweeren der oren ende opgheblasen sweeren: Nemet cruyt hier af met den stelen, stotet ontstucken ende met eeck maket ghelijck een plaester die men daer op sal legghen.

Teghen asma (dats swaren azem) ende opblasinge der lever, tegen die gheel vrou ende swaerheyt van pissen oft coupisse: Neemt sap van alkekengi, zap van percellen elcx een ½ pont, venkelzaet, ionffrou merckezaet, lachtichsaet, steenbreeckzaet of milysaet, elcks II dragma, rosinen, viletten blomen elcks een ½ unce, siedt se al tsamen in water ende lutter wijn dye wit si tot dat derdendeel versoien si, dan doeget doer eenen doeck ende suetet met suker dat ghenoech si tot een syroep van den welcken men sal smergens ende tsavonts lau een half gheleesken nemen. Teghen siecten lest ghenoemt, want het doet pissen ende verteert of breeckt den steen in die nieren ende der blasen, als desen syroep es ghenomen: Neemt van die clonte der stinkender pillen II dragma, der pillen der mezeroen een scru, maeckt IX of VII pillen met den syroep die acetolus de radiribus heet. Des anders daeges daer nae: Neemt electuarium ducis dyalacca om te stercken.

Teghen apostonien van binnen ende van buten, drinckt sap van alkakengi, sonderlinghe die vruchten ghedroncken sijn goet teghen sweeren der nieren ende der blasen.

VIII Krieken van over zee, lampionsplant. (Physalis alkekengi) Krieken van over zee of boberelle, dat is alkekengi of naar Serapio kekengi, dat is de tweede soort van nachtschade. En deze is koud en droog omtrent de tweede graad. Hij heeft dezelfde bladeren als de nachtschade. Hij krijgt een soort van blaasjes waarin rode vruchten komen als druivenbessen en waarvan de kracht dezelfde is als van lupinen.

Tegen lopende gaten als fistelen (1): ‘Neem het sap van deze alkekengi en meng het met het sap van stinkende gouwe en met gebroken roomse (2) en koperroot, doe het in het lopende gat, later was je dat gat of de fistel met honing van rozen totdat de fistel gedood is, dat wil zeggen als het kwade etter weg blijft en het witte etter wordt want dan is het vrijwel beter.

Tegen oude oorzweren en opgeblazen zweren: Neem het kruid met de stelen en stamp het stuk en met azijn maak je er een pleister van die je daar op moet leggen.

Tegen astma (dat is moeilijk adem halen) en een opgeblazen lever, tegen geelzucht en moeilijk plassen of aandrang tot waterlozing: ‘Neem het sap van alkekengi en het sap van peterselie, van elk een half pond; venkelzaad, selderijzaad, slazaad en steenbreekzaad of duizendbladzaad, van elk twee maal 3,9 gram; rozijnen en violenbloemen, van elk een halve ons; kook alles tezamen in water en wat witte wijn totdat een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak je het zoet met suiker zoveel als genoeg is voor een siroop waarvan je ‘s morgens en ‘s avonds een half glaasje lauw moet nemen. Tegen de laatst genoemde ziekte, want het laat plassen en verteert of breekt de steen in de nieren en de blaas als deze siroop is genomen: ‘Neem van de klonten van de stinkende pillen (3) twee maal 3,9 gram; van de pillen van Daphne mezereum 1, 3gram; maak hiervan negen of zeven pillen met de siroop die acetolus de radiribus heet’. De volgende dag: ‘Neem likkepot dulcis dyalacca om aan te sterken’.

Tegen blaren van binnen en van buiten drink je het sap van alkekengi, vooral als je het sap van de vruchten drinkt is dit goed tegen de zweren van de nieren en van de blaas. (4)

(1) Ffistel =buis, een verbinding tussen twee holtes die niet normaal is in een lichaam, meestal ontstaat deze door ontsteking, of door kanker. (2) Roomse spica of pioen? (3) Ferula foetida. (4) Waarschijnlijk een ontsteking van genoemde organen.

 

Tekstvak:   8. Physalis alkekengi, L.

Algemene kenmerken.

De lampionplant is afkomstig uit midden en zuid Europa tot aan Japan. Uit de oksels van de gegolfde bladeren ontluikt een enkele en vrijwel onbetekenende bloem. De bloem is een witte ster en daaruit komt een bes die omgeven wordt door een opgeblazen rood omhulsel.

 

Werking.

De kelk van de alkekengi geeft aan de binnenkant een bitter sap af dat bij het openen met de vinger op de bes wordt overgedragen. Aan dit sap dankt het zijn zoetzure smaak. De vrucht is eetbaar. Deze wordt gekonfijt of met azijn ingelegd en als dessert gebruikt. Het sap zou verkoelend en pijnstillend werken en tevens urinedrijvend. ‘Als je de krieken of vruchten inneemt opent het de verstopping van de lever en van de nieren en zuiveren de blaas en maken water en daarom zijn ze zeer goed tegen de geelzucht, pijn en smart in de lenden en van de blaas en diegene die hun water niet kunnen lozen of die hun water zeer snijdt’. (1)

 

Etymologie .

Physalis, het Griekse phusa betekent een ‘blaar’. In het Latijn wordt de plant vesicaria genoemd, naar vesica, een ‘blaar’ of ‘blaas’. Dit is een verwijzing naar de rode opgeblazen kelk. Ook kan de plant zo genoemd zijn omdat ze tegen blaasziektes gebruikt werd.

Alkekengi is of een Japanse naam of dit komt van het middeleeuws Latijns alkakenge dat op zijn beurt ontleend is aan het Arabische al-kakandj, a, ’de ultimate plant’, + het Perzische kakunadj, ‘nachtschade’.

Krieken over zee, ‘kers die van over zee gebracht wordt’. Boberelle, in midden Hoogduits komt Boberell voor, het ‘gebobbelde’ omhulsel? De lampionplant, Franse lanterne, Duitse Blasenkirsche naar de bloemvorm, Engelse winter cherry naar de besvrucht

 

IX Reynvaen, athonasia of tanacetum, dye som hetent ameos, maer ameos es anders. Het es een cruyt daer men tsaet af in medicijnen besicht dwelc es heet ende droeg in den derden graet.

Teghen pijn in den buyc uut winden, ende om te doen pissen, oeck om den vrouwen haer stonden te doen comen, ziedt reynvaen in wijn, alst van couder saken es, in water alst van heeter saken es.

Sap van reynvaen met honich ghemenget doet die breede wormen in den buick (die ascarides cucurbitini heeten) die van groven flumen comen. Het suvert oock dye nieren ende die ayeren dye mezeraye heeten, daerom eest goet teghent graveel.

Teghen die coupisse oft tegen die gheen die met swaerheyt pyssen, sonderlinghe reynvaen met venkelzaet, peerceelzaet, spargussaet ende saet van alkakengy met hoenich dat afghescuymt es, ghedroncken.

Ghesoden reynvaen met hertstong, met senebladeren, met peerceelzaet, venckelzaet, briseus, spargus, met rosinen ende calissihout, dan met suker ghesuet, es goet teghen die quaertaen, smerghens ende tsavonts telcken een half gleesken ghedroncken. Daer na dees pillen nemende, als neemt van die vergheering der pillen die lazuli ende der pillen van rebarbe elckx ½ dragma, dyagridij (dats bereyde scamonee) III greyn, ming se met syroep van hertstonghe, makende IX pillen. Dan neemt van metridatum met wijn tsmaels I dragma oft II dragma.

Teghen pleckinge (als morphea) ende doet verwe als liniditas, siedt reynvaen in water met teruwen meel en de luttel honich, ming het te gader ende striket.

Roeck onder in dye moyer ontfaen van reynvaensap ghesoden met laudanum suveret die moyer.

Teghen die ontsteltenis der borst ende des adems om dat etter lichtelijc uyt te spuwen, siedt reyn vaen met poyer van yreos in honich dat afghescuymt es.

Reynvaen met munten ende weynich galegaen ghesoden es goet teghen walling ende omkeringhe der maghen.

IX Reinvaren. (Tanacetum vulgare) Reinvaren, athonasia of Tanacetum wordt soms ameos genoemd, maar ameos is anders. (1) Het is een kruid waarvan het zaad in medicijnen gebruikt wordt. Het is heet en droog in de derde graad.

Tegen buikpijnen die uit winden ontstaan zijn en om te laten plassen en ook om bij vrouwen hun stonden te laten komen kook reinvaren in wijn als het uit koudheid komt en in water als het uit hete zaken komt.

Als het sap van reinvaren met honing gemengd is doodt het de brede wormen in de buik (die ascarides cucurbitini heten) (2) die van grove slijm komen. Het zuivert ook je nieren en de openingen die mezeraye heten, daarom is het goed tegen niergruis.

Tegen aandrang tot waterlozing of voor degene die met moeite plassen is het bijzonder goed om reinvaren met venkelzaad, peterseliezaad, aspergezaad en zaad van alkekengi met afgeschuimde honing te drinken.

Gekookte reinvaren met hertstong, sennebladeren, peterseliezaad, venkelzaad, Bruscus, asperge, rozijnen en zoethout dat met suiker gezoet is is goed tegen vierde daagse (3) malariakoorts door ‘s morgens en ‘s avonds telkens een half glaasje te drinken. Daarna neem je deze pillen die van de hoop van de pillen van lazuli en de pillen van rabarber gemaakt worden, van elk een half maal 3,9 gram; dyagridij (dat is klaar gemaakte scammonia) drie maal 0, 65 gram; meng het met de siroop van hertstong en maak er negen pillen van. Dan neem je per keer een of twee maal 3,9 gram van metridatum met wijn in. Tegen plekken (zoals morfeem) en die een kleur geeft als liniditas, kook reinvaren in water met tarwemeel en een beetje honing, meng het tezamen en strijk het er op.

De rook die van onder in de baarmoeder ontvangen wordt van reinvarensap dat gekookt is met laudanum zuivert de baarmoeder.

Tegen ontsteltenis van de borst en adem (4) en om het etter er gemakkelijk uit te spuwen, (5) kook reinvaren met het poeder van Iris in afgeschuimde honing.

Reinvaren dat met munt en een beetje galigaan gekookt is helpt tegen het walgen en het omkeren van de maag.

(1) Ammi majus. (2) Een soort worm die in de darm kan leven. (3) Malaria. (4) Angina. pectoris? verkramping van de kransslagaderen: pijn op de borst. (5) Longontsteking.

 

Tekstvak:  9. Tanacetum vulgare, L. (gewoon)

Algemene kenmerken.

Boerenwormkruid is een vaste plant met grote, meer dan een meter lange, holle stengel. De planten groeien rechtop en laten in juni en juli boven aan gouden bloemknopjes zien. De bladeren zijn dubbel geveerd en ingesneden in helder groen.

 

Werking.

De zeer sterk geurende bladeren van boerenwormkruid werden wel in pannenkoekenbeslag gedaan om die wat meer smaak te geven. Die geur verdrijft vliegen en vlooien en als strooimiddel hield het de vliegen uit huizen en kerken. Het vlees werd er wel mee ingewreven om het zo langer goed te houden. In de 16de eeuw werd de olie er van als middel tegen wormen gebruikt, boerenwormkruid. Het zou ook heil brengen bij ongeregelde menstruatie. In grotere dosis zou het kunnen leiden tot abortus en tot inwendige bloedingen waaraan men zelfs kan overlijden. Volgens Culpeper was vrouwe Venus zo aardig om zwangere vrouwen met de Tanacetum te plezieren want er zou geen beter kruid voor hen zijn dan dit. Volgens hem leek het wel alsof dit voor hen geschapen is. Als je het kruid kneust en op de navel legt behoedt het tegen misgeboorte. En is de baarmoeder niet zo als die moet zijn, drink dan gewoon bier met dit kruid. ‘Let those woman that desire children love this herb, it is their best companion, their husband excepted’. (6, 24)

 

Etymologie.

De naamsafleiding van Tanacetum is onzeker. In het middeleeuws Latijn was het kruid beroemd als athanasia. Dat is het Griekse woord voor onsterfelijkheid, ‘athanasia’, maar in het oud-Frans werd het verbasterd tot tanesie (nu tanaisie) en werd zo in het Engels tansy. De lange bloei van de plant kan een reden zijn voor de verwijzing naar onsterfelijkheid. In het oud-Hoogduits van 1100 komt het woord Reyn(o)fano voor dat in het midden-Hoogduits en het Midden-Nederlands rein(e)vane werd. Het woord ’rein’ komt van reen, waarmee een groenstrook tussen twee akkers of weilanden wordt bedoeld. Dit stukje groen doet dienst als een afscheiding of grens. Een ’fan’ betekent een vaan. Samengevat staat het gewas als een vaan in een verhoging van de berm. Naar zijn varenachtige bladeren werd de naam in 15de eeuw veranderd van Reinfarn tot reinvaan.

 

X Dille of anetum es heet tusschen den tweeden in den derden graet, droeghe tusschen den eersten in den tweden. Als dille gebrant wort soe eest droege in den II. Het is verwandelende (dats ontbindende of verteerende) ripende apostonien ende sweeren sonderlinghe.

Dillesaet gesleghen of gestoten met hoemschwortel ende swinensmeer rijpt die flumechteghe apostonien, makende dracht ende etter.

Om die sweeren te droeghen: Neemt aschen van dillesaet gebrant, mingt se met die wortel van yreos, ghebroken

Oly van dilsaet met dialtea gheminget gheneest die pijne der iuncturen.

Dilleolye met olye van oelsaet gheminget op die slapen van den hoefde ghestreken doeghet slapen.

Olye van dilzaet met olien van bitter amandelen gheminghet, lau in die oren ghedruupt gheneest dye pijn der oren, hoer vochticheyt droghende. Avicenna seet, dille saet dick gheten, flauwet tghesichte.

Dillesaet es goet teghen letsel der borst van couder saken comende.

Neemt V of meer vigen, legt se int sap van dille eenen nachte te weyke, dan sied se met luttel anijszaet, yspe ende calissihout in wijn, doer eenen doeck ghedaen, gheeft er af te drincken, want het doet die flumen die in dracht verkeert zijn uut spuwen.

Poyer van dilsaet in supenen, vleessop oft pappen ghegheven es goet den vrouwen want het doet dat melck in die borst over vloyen.

Teghen den hick, uut vervultheyden der spisen in den maghe swemmende, es dilsaet goet gheconfect. Dat selfs es oeck goet teghen stekende pijne des lichaems.

Aschen van dilsaet sijn goet op die spenen van den eerse, op die swerende manliker royen ende opt gheswilder cullen.

Teghen overgheven, walghinge ende teghen den hick uut couder saken es goet dilsaet met masticke ghesoden.

Het is quaet dick dilsaet gheten want het verteert spma, A. m Ser.

Als vrouwen in siedinge van dille sitten soe helpet teghen pijne der moyer.

Dilsaet gebroken es goet den sweren die draeght oft etter hebben, want het verteert dat etterende, doeghet vleesch wassen. Avicenna, Serapio, Pandecta.

X Dille. (Anethum graveolens) Dille of Anethum is heet tussen de tweede en de derde graad, droog tussen de eerste en de tweede. Als dille gebrand wordt dan is het droog in de tweede. Het verandert (dat wil zeggen het ontbindt of verteert) bijzonder goed rijpe blaren en zweren.

Geslagen of gestampt dillenzaad dat met heemswortel en zwijnenvet gemengd is rijpt de slijmachtige blaren en zorgt ervoor dat pusvormende ontstekingen rijpen en knappen. Om de zweren te drogen: ‘Neem as van verbrandt dillenzaad en meng het met de gebroken wortel van Iris’.

Olie van dillenzaad dat met Althaea gemengd is geneest van de gewrichten.

Dillenolie dat met olie van papaverzaad gemengd is en op de slapen van het hoofd gestreken wordt laat je slapen.

Olie van dillenzaad dat met olie van bittere amandelen gemengd is en lauw in de oren gedruppeld wordt geneest oorpijn en verdroogt haar vochtigheid. (1)

Avicenna zegt dat als je veel dillenzaad eet dat je dan minder kan zien.

Dillenzaad helpt tegen het letsel van de borst dat uit koude komt. (2)

Neem vijf of meer vijgen en leg die een nacht te weken in het sap van dille, dan kook je het met wat anijszaad, hysop en zoethout in wijn, dat doe je door een doek en geef daarvan te drinken want het laat slijm (uit de longen) die van binnen verkeerd zijn uitspuwen. (3) Het poeder van dillenzaad dat in soep, vleessap of pap gegeven wordt is goed voor vrouwen want het laat de melk in hun borsten overvloeien.

Tegen hik, vanweg de volheid van het eten dat in de maag zwemt, is het goed om gekonfijt dillenzaad te gebruiken. Hetzelfde tegen stekende pijnen van het lichaam.

As van dillenzaad is goed op aambeien van de aars, op de zwerende manlijke roede en op gezwollen ballen te leggen.

Tegen overgeven, walging en tegen hik die uit koude zaken komt is het goed om dillenzaad dat met mastiek gekookt is te nemen.

Het is een slechte zaak om veel dillenzaad te eten want het verteert sperma volgens Avicenna en Serapio.

Als vrouwen in een kooksel van dille zitten dan helpt het tegen menstruatiekrampen.

Gebroken dillenzaad is goed tegen zweren die vol zijn of etter hebben, het zorgt ervoor dat pusvormende ontstekingen rijpen en knappen en laat het vlees groeien. Avicenna, Serapio en Pandecta.

(1) Suppuratieve otitis externa. (2) Bronchitis/longontsteking. (3) Bronchitis/ tuberculose.

 

Tekstvak:  10. Anethum graveolens, L.

Algemene kenmerken.

Dille is een eenjarige plant die een 100 cm. hoog wordt met meestal maar een stengel. Hieraan komen fijngesneden, draadvormige bladslippen. De zachte kleur van de plant, die ligt tussen het groen en het geel van de bloemscherm, vormt een lichte waas boven de lagere bedekking. Goudgele schermen waaruit bruine en harde vruchten komen.

 

Werking.

Dille is al heel lang gebruikt als middel tegen gasvorming in maag en buik. Daarnaast verbetert het kruid de spijsvertering. De bladeren geven een geurige smaak aan sla en komkommer en worden ook bij vis en sausen gebruikt. Het zou door de middeleeuwse ridders gebruikt zijn om op open wonden te strooien. De vrucht bevat een vluchtige olie die in de geneeskunde wel gebruikt wordt als urineafdrijvend middel. Die olie, oleum anethi, zou antibacterisch en schimmeldodend werken, maar ook wel om de melkafgifte te bevorderen bij zogende vrouwen. ‘Het zaad in melk of bier gekookt opent de melkbuisjes van de mamklieren waardoor veel melk voortgebracht werd. Het kooksel daarvan verdrijft de buikpijnen en winden van de maag en darmen’. (2)

 

Etymologie.

Bij de Grieken was Anethum de naam voor de plant. Deze is afgeleid van aemi, ‘ ik blaas uit’ of ‘adem uit’ vanwege de sterke geur van de plant. Dat komt eveneens tot uitdrukking in de Latijnse naam graveolens, van gravis, zwaar’, en olere, ‘rieken’.

Dille zou een kalmerende uitwerking bezitten. Deze naam is afgeleid van het oud Noorse dilla, wat ‘sussen’ betekent. Al eeuwen wordt het kruid gebruikt om baby’s in slaap te krijgen. Een vergelijkbare naam is het Engelse dull, ‘verminderen’ of ‘verzachten’. Dill, in Duits Till of Dill, Engels dill, kan ook afgeleid zijn van delen, omdat de plant in veel takken verdeeld is. Omdat dille wordt gebruikt bij het inmaken van augurken heet het ook augurkenkruid. Pickles maakten dille beroemd, het verbetert de spijsvertering. Frans fenouil batard.

 

XI Eppe oft ionffrou merck es apium, welcks es heet in den I graet in den tweeden graet, so Avicenna seyt. Maer na Platearius eest heet ontrent den III ende droege in de midden van den derden graet. Hy heeft macht te ontbinden die opblasinghe ende gheswillen, te openen die verstoppinghe ende te saechten die pijne. Eppe es veelderleie als tam die in die hoven wast, ende wilt dat int wilt wast, oeck een ander esser dat int water wast. Het saet sal men in medicinen doen want in hem die meeste macht is, eppezaet ghenoemt, es goet teghen eenen stinkende mont. Oeck es eppe goet teghen verstoppinghe der lever ende der milten uut couder saken aldus gemaect: Nemet eppen saet III, hertstong, bornaidze elcx een half greyn, hant van den wortelen van acorus, van bruscus ende spargus elcx II dragma, venkelsaet, peercelsaet, elcx een dragma, dees siedt in water dat die helft versoden si ende doer eenen doeck ghedaen, versuetet met wit suker ende maect er af eenen dranck, den welcken besicht als voer int IX capittel met sine pillen ende versterckende dinghen.

Teghen verstoppinge der leveren ende der milten, daer op gheleit is goet dees plaester: Neemt sap van eppe, dillezaet, hoemschwortel, minget met meyboter tsamen.

Teghen den steen om hem te breken: Neempt sap van eppe, milie, steenbreeck saet, van krieken over zee, hier af maket syroep.

Teghen uutvallinghe des haers: Neempt loeghe daer in ghesoden es eppe ende agherand, daer mede wasschet thoeft.

Eppe sterckt ende maeckt een toeneighen der vallender sieckten, daerom seit Galenus vrouwen die kinder draghen sullent scuwen, want het ontbint die kinden daer die vrucht in den lichaem mede ghebonden es. Makende in dye vrucht apostonien ende scorftheyden. Die dye kinder sogen sullen der afwachten opdat tkint die vallende sieckte niet en crijget, noch sot en wort want het ontbint dye materie ende jaegste opwaert, die gangen der kinderen sijn nau, daerom sijn se bereet die vallende sieckten te crijghen.

Eppenwortel ende venkel int sap van grisecom ende van scaerleye ghesoyen, met zuker ghesuet, es goet siroep teghen dye watersucht uut flumen. Oeck teghen dye gheelsucht uut verstoppinge. Eppe, venkelzaet, peercelsaet, milye in win gesoden es goet teghen die coupisse, doende pissen ende menstrua comen, sonderlinghe doget pissen als in die siedinge licoutripon wordt gedaen.

XI Eppe. (Apium graveolens) Eppe of juffrouw merk is hetzelfde als Apium, die is heet in de eerste en droog in de tweede graad zoals Avicenna zegt, maar volgens Platearius is het heet omtrent de derde en droog in het midden van de derde graad. Het heeft de kracht om oprispingen en gezwellen te ontbinden, verstoppingen te openen en tevens om de pijn te verzachten. Er zijn vele eppesoorten zoals de tamme die in de hof groeit en de wilde die in het wild groeit, ook is er nog een andere die in het water groeit. Het zaad, eppezaad genoemd, moet je in medicijnen doen want dat heeft de meeste kracht, het is goed tegen een stinkende mond.

Ook is eppe goed tegen verstopping van de lever (1) en van de milt die uit koude zaken komen als je het zo maakt: ‘Neem van eppezaad drie maal 0, 65 gram; van hertstong en bernagie elk een half van 0, 65 gram; een hand vol van van gele lis wortels; van Bruscus en asperge, van elk twee maal 3,9 gram; venkelzaad en peterseliezaad, van elk een maal 3,9 gram; dit kook je in water totdat de helft verkookt is, dat doe je door een doek en maak het zoet met witte suiker waar je een drank van maakt die je gebruikt zoals eerder in het negende kapittel is beschreven met zijn pillen en versterkende dingen’.

Tegen verstoppingen van de lever (2) en van de milt leg je er deze pleister op: Neem het sap van eppe, dillenzaad en heemstwortel en meng het tezamen met meiboter.

Tegen de steen om die te breken: ‘Neem het sap van eppe, duizendblad, steenbreekzaad en krieken over zee, hiervan maak je een siroop’.

Tegen het uitvallen van het haar: ‘Neem loog en daarin kook je eppe en averone en daar mee was je het hoofd’.

Eppe sterkt en maakt een geneigdheid tot de vallende ziekte, (3) daarom zegt Galenus dat vrouwen die kinderen dragen dit moeten vermijden want het ontbindt de stof waar de vrucht in het lichaam mee gebonden is. Het maakt in de vrucht blaren en schurft. Diegene die hun kinderen zogen zullen moeten afwachten of hun kind de vallende ziekte krijgt of gek wordt want het ontbindt hun materie en jaagt die opwaarts omdat de gangen van de kinderen nauw zijn, daarom zijn ze bevattelijk om de vallende ziekte te krijgen. Eppewortel dat met venkel in het sap van aardrook en van Salvia sclarea gekookt en met suiker zoet gemaakt wordt is een goede siroop tegen waterzucht die uit slijm komen. Ook tegen geelzucht die uit verstopping (4) komt.

Eppe, venkelzaad, peterseliezaad dat met duizendblad in wijn gekookt wordt is goed tegen aandrang tot waterlozing (5), het laat plassen en de menstruatie komen, vooral laat het plassen als in het kooksel licoutripon wordt gedaan.

(1, 2, 4) Galstenen? (3) Epilepsie. (5) Urineweginfectie.

 

Tekstvak:  11. Apium graveolens, L. (sterk geurend)

Algemene kenmerken.

Eppe of selderij is een tweejarig kruid met een gevoorde en vertakte stengel. De bladeren zijn glimmend, gelobd of drievoudig gedeeld. De witte bloemen staan in eindstandige of okselstandige schermen, van juni tot september.

 

Werking.

De zaden van selderij leveren een vluchtige olie die voor likeur, parfum en zeep gebruikt worden, ook voor het kruiden van voedingsmiddelen. Een extract van de zaden wordt wel voor medische doeleinden gebruikt. Omdat het veel keukenzout bevat werkt het gunstig op blaasziektes en nierziektes. Het wordt beschreven als werkzaam tegen reuma, bronchitis en zou gunstig op koorts werken. Het was een aan de goden van de onderwereld geheiligde plant van treur en tranen. Bosjes selderij werden bij de Romeinen op lijken gelegd. Bij het dodenmaal was selderij een overheersend kruid. Van een op stervend liggend iemand zei men dan ook ‘apio indi­get’, ‘hij heeft selderij nodig’ (2, 24).

 

Etymologie.

Apium is afgeleid van apon: een Keltisch woord voor ‘water’, een waterplant. De naam verbasterde van apium (eigenlijk een plant die door de bij (apis) bij voorkeur bezocht wordt) tot het Midden-Nederlands eppe en midden-Hoogduits Eppe.

Jonkfrou merck en merck heette het vroeger ook in Duitsland. Waarschijnlijk stamt dit woord van merk, ‘de gemerkte’ wortelknol. Vervolgens zal het wel Juffrouw merk genoemd zijn omdat de vrouwen het gebruikten.

Onze naam selderij, de Duitse Sellerie en Engelse celery stammen uit het Franse celeri uit de 17de eeuw. Dit op zijn beurt is ontleend aan het Italiaans selleri, dat weer afkomstig is van het Latijnse selinum en deze weer van een Griekse naam voor de plant, selinon.

 

XII Bivoet of arthimesia es een cruyt, dat heet ende droge in den derden graet es, soe Plaetearius seet. Het heyt mater herbarum (dats moeder der cruden) waer af die groen bladeren sijn van meester macht. Bivoet opent seer, daerom eest goet teghen verstoppinghe der lever ende der milten uut couder sakeen alst men met hertstonghe ende met lutter alsen in wijn siedet ende dan met suker suet. Als men daer toe doet luttel bloemen van santorie so eest goet teghen die gheel vrou uut ghebreck der milten. Dye cruden die daer nae de cleering bliven sal men op die milte legghen al lau, dit self es oec goet teghen dye verheffinghe der milten.

Om die stonden te doen comen ende den doden lichaem te verdriven: Maeckt een badt van water daer bivoet, laurierbladeren ende reynvaen in ghesoden es, daer in doet se sitten, of neempt een sponcie dout se daer in ende legtse op dye moyer. Bivoet met laurierbladeren in olye van noten oft van oliven ghesoden, dan daer mede die moyer ghepessariseert doet die stonden comen. Teghen tenasmonen (dats appetijt van sciten sonder yet te connen doen die uyt couder saken compt) leght Griex peck op die colen ende dien asem sal die sieck van onder al den eers ontfaen, dan warmt bivoet in wijn ende lechten op enen molesteen daer die sieck op sidt, want het es geproeft.

Teghen onvruchtbaricheyt uut vochticheyden, pulveriseert bivoet met scafelinghe van yvoren ende hertshoren met nootmuscaten ende honich ghemingt, dit drincket met wijn daer bivoet in ghesoden es, Pandecta et Platearius. Want waert onvruchtbaricheyt van droechten, soe soude scaden, dit sal men kennen daerbi of si vet is of magher. Daerna sal men se bayen ende met sponcien daer op douwen, soet voergheseyt is, ende pessariseren.

Poyer van bivoet ende van doye netelen es goet teghen apostonien die glandines heeten die omrent den aers oft die oren comen, maer eerst sal men se op slaen, dan het poyer dair op leggen.

Bivoet in huys gheleet ende gheroeckt veriaghet die duvelie.

Ende op den voet geleet, als si gestoten is, mit smeer gemingt, verdrijft se die pijne der voeten van gaen comende.

XII Bijvoet. (Artemisia vulgaris) Bijvoet of Artemisia is een kruid dat heet en droog is in de derde graad volgens Platearius. Het wordt Mater Herbarum genoemd. (dat is de moeder van de kruiden) Daarvan hebben de groene bladeren de grootste kracht. Bijvoet opent zeer, daarom is het goed tegen verstoppingen van de lever (1) en van de milt die uit koude zaken komen (2) als je het met hertstong en met wat alsem in wijn kookt en dan met suiker zoet maakt. Als je daar nog wat bloemen van santorie bij doet is het goed tegen geelzucht als gevolg van miltziekte. De kruiden die na de zuivering achter blijven moet je lauw op de milt leggen, hetzelfde is ook goed tegen opheffing van de milt.

Om de stonden te laten komen en de dode vrucht te verdrijven: ‘Maak een bad van water waar bijvoet, laurierbladeren en reinvaren in gekookt zijn, daarin moet ze zitten of neem een spons doe het daar in en leg dit op de baarmoeder’. Bijvoet die met laurierbladeren in olie van noten of van olijven gekookt zijn en als het daarmee in de baarmoeder als een pessarium gezet wordt laat het de stonden komen.

Tegen tenasmonem (dat is graag naar toilet willen zonder te kunnen dat uit koude zaken komt) leg Grieks pek op de kolen en die damp moet de zieke van onderen in de aars ontvangen, dan warm je bijvoet in wijn en leg dit op een molensteen waar de zieke op zit, want het is bewezen.

Tegen onvruchtbaarheid die uit vochtigheid ontstaan is verpulver je bijvoet met het schaafsel van ivoor en hertshoren, meng het met nootmuskaten en honing en drink dit met de wijn waar bijvoet in gekookt is, Pandecta en Platearus. Als de onvruchtbaarheid van droogte komt dan zal dit schadelijk zijn, je kunt dit herkennen of ze vet (3) of mager is. Daarna moet ze een bad nemen en met een spons er op duwen, zo het net verteld is, en een pessarium zetten.

Het poeder van bijvoet en van dove netelen is goed tegen klieren die glandines heten die rond de aars of de oren komen, maar eerst moet je er op slaan en dan het poeder er op strooien.

Als je bijvoet in huis legt en rookt verjaagt dit de duivels.

En als je het op de gekneusde voet legt maar dan met wat smeer gemengd verdrijft het de pijn van de voeten die van wandelen komt.

(1) Galstenen. (2) Stenen. (3) Vette mensen zijn minder vruchtbaar.

 

Tekstvak:  12. Arthemisia vulgaris, L. (gewoon)

Algemene kenmerken.

Bijvoet is een bossig vertakt plantje van ongeveer een meter hoog. Het geveerde blad is aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant witviltig. De talrijke, langwerpige, bruingele en kleine bloemkorfjes vallen vrijwel niet op. Deze plant komt algemeen voor langs de wegen.

 

Werking.

‘Bijvoet die in water gekookt is is zeer goed voor de vrouwen om daar op of in te zitten in een bad of zweetkuip want als het op die manier gebruikt wordt dan laat het bij de vrouwen hun menstruatie komen en drijft de moederkoek en de dode vrucht af.’(1)

 

Etymologie.

Waarschijnlijk is de plant zo genoemd naar de Griekse Godin Artemisia, de dochter van Zeus en Leto, de godin van de kuisheid, geboorte en jacht. De reden daarvoor is de gunstige werking op vrouwenziektes en zijn vele geneeskrachtige eigenschappen. (In christelijke tijd werd Artemis vervangen door een van de H. Margaretas’, meestal de H. Margarete van Antiochie)

Bijvoet, de Duits Beifuss, werd vroeger dan als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of men stopte bijvoet in de schoenen en maakte daardoor de voet onvermoeibaar. Zo zegt Plinius al dat een reiziger geen vermoeidheid (artemes) zal voelen als hij een takje van bivot in zijn schoenen heeft. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden. De Griekse (ook Latijnse naam) Artemisia wordt overigens door sommigen afgeleid van artemes, ‘fris’ of ‘gezond’, want de voetganger die bijvoet draagt blijft onvermoeid. (22) Het vermoeidheidsgevoel wordt veroorzaakt door het warm worden van onze voeten. Voor ons gevoel gaan onze voeten gloeien en steken. De bijvoetbladeren bevatten een vluchtige olie die, als deze met warme voeten in aanraking komt, verdampt en zo de warmte afvoert, een soort eau de cologne. Verder werkt de olie gunstig op het lichaam en heeft deze een opwekkende werking. Het geloof dat men op reis niet ver­moeid werd als men de plant aan het been bond, zal bijgedragen hebben tot de vervorming van het Midden-Nederlands biuot, ongeveer halfweg de dertiende eeuw, tot bivoet en tenslotte tot bijvoet. Engelse mug wort en Franse herbe de Saint-Jean.

 

XIII Sarasine oft lange hoelwortel oft aristologia longa. Holwortel es tweederley als lang hoelwortel ende ronde hoelwortel. Dye welcke beyde sijn heet in den eersten graet, droege II. Sommege segghen dat si heet sijn in den III, droege in den II. Lange hoelwortel is afdroghende ende verwermende in sijnre kracht, daerom eest goet in dye sweeren om daer dat vleesch in te doen wassen.

Als dat poyer der langer hoelwortel met poyer van yreos ghemenghet wort, soe heelet dye sweeren.

Teghen ghebreck in den azem als asma uut vochticheyt: Neemt die II deel langher hoelwortel, een half greyn, deel ganciaen ende lutter poyer van yreos, maeckt er af met afghescuimt honich een electuarium, beseghet als ghy wilt.

Poyer hyer af in sap van ruten oft munten mit honich ghemenget, gheft tseghen fenijnen ende fenijninghe beten.

Poyer deser langher hoelwortel bijtet doer vleesch af in wonden ende fistelen als men een wieke maeckt ende met honich bestrijct dan dat poyer daer op stroyt so in de fistile stect.

Om de doye vrucht ende levende met vellekin, daer de vruecht in leet, quijt te worden, sied lange hoelwortel met peper ende mirre daer af nempt. Van buten siedet in wijn lange hoelwortel daer douet in ende uut een sponcie ende legse op de moyer. Oeck siedt dese wortel met mirren ende peper in olie maect er af pessarium (dats een manier in die moyer als de clisteer in den ers es).

Tpoyer deser wortel met de wortel van yreos ende diptamus ende honich te gader ghemingt in een manier van salven gemaect trect uut dat int lijf oeck in wonden of in zweren steckt.

Teghen de vallende siecte, uut grove humoren, es goet water gedroncken daer dese wortel in ghesoden es. Oeck eest goet tegen asma uuyt gheliken humoren.

Hoelwortel, die lanck heet, ghestoten met huemschwortel, met olien ende zwijnensmeer ghemingt ende op vertrockenen leen, (dat sijn gespasmeerde) ghestreken es boven alle medicine goet.

Dese wortel in huus geweckt veriaecht duvelie ende de duvels.

Pandecta, water daer lange hoelwortel in gesoden es gedronke is goet tegent fleerlijn in den voet.

XIII Sarasine. (Aristolochia longa) Sarasine of lange holwortel of Aristolochia longa. Van holwortel zijn er twee soorten, zowel een lange en een ronde holwortel (Corydalis cava). Beide zijn heet in de eerste graad en droog in de tweede. Sommige zeggen dat ze heet zijn in de derde en droog in de tweede graad. De lange holwortel is afdrogend en verwarmend in zijn kracht, daarom is het goed om het in zweren te doen om het vlees er in te laten groeien.

Als het poeder van de lange holwortel met het poeder van Iris gemengd wordt dan heelt het zweren.

Tegen ademgebrek zoals astma uit vochtigheid: ‘Neem twee delen van de lange holwortel, een half van 0, 65 gram, en een deel gentiaan met wat poeder van Iris, maak er met afgeschuimde honing een likkepot van en gebruik het als je wilt’.

Het poeder hiervan dat in het sap van ruit of munt en met honing gemengd is helpt tegen gif en venijnige beten van ongedierte.

Het poeder van deze lange holwortel bijt door het vlees heen in wonden en lopende gaten, (1) als je een verband maakt en dit met honing bestrijkt en daar het poeder op strooit en het zo in lopende gaten steekt.

Om de dode vrucht en de levende met de moederkoek waar de vrucht in ligt kwijt te raken, kook de lange holwortel met peper en mirre en dit neem je in. Voor de buitenkant kook je de lange holwortel in wijn, daarin doe je een spons en leg die op de baarmoeder. Ook kun je deze wortel met mirre en peper in olie koken en er een pessarium van maken (dat is hetzelfde in de baarmoeder als de klysma in de aars is).

Het poeder van deze wortel dat met de wortel van Iris, dictamnus en honing tezamen gemengd en als een soort zalf gemaakt is trekt uit je lijf wat in wonden of in zweren steekt.

Tegen vallende ziekte die uit grove levenssappen komt is het goed om water te drinken waar deze wortel in gekookt is. Ook is het goed tegen astma uit gelijke levenssappen.

De lange holwortel die gestampt is met heemstwortel en met oliĎn en zwijnenvet gemengd en op vertrokken leden (dat zijn spierkrampen) gestreken is is een van de beste medicijnen.

Als de wortel in huis geweekt wordt verjaagt deze kwade geesten en duivels.

Volgens Pandecta helpt het als je het water drinkt waar de lange holwortel in gekookt is tegen jicht in de voet.

(1) Fistel =buis/verbinding tussen twee holtes, meestal ontstaat deze door ontsteking, of door kanker.

 

Tekstvak:  13. Aristolochia longa, L. (lang. De wortel)

 

Algemene kenmerken.

Aristolochia heeft lichtgele bloemen die met bundels recht op staan in de bladoksels. Het onaangenaam ruikende kruid heeft rechtopstaande, onvertakte en heen en weer gebogen stengels waaraan ronde bladeren zitten met een hartvormige voet.

 

Werking.

‘Zowel de ronde als de lange en met myrrhe en peper ingenomen of ook van onderen gezet maakt dat de stonden, moederkoek en dode vrucht afschiet en reinigt de baarmoeder van haar vuiligheid. De soorten van Aristolochia of baarwortel omdat zij gemakkelijk laten baren’. (2) De plant bezit de stof aristolochine dat werkzaam is tegen bloedingen. Het kruid zou alle kwade geesten verdrijven. ‘Is het dat een jong kind bedroefd is, men zal het beroken met oosterlucey en het zal blij worden en genezen, de kwade geest is dan verdreven’. (2)

 

Etymologie.

Aristolochia, is afgeleid van het Griekse aristos,best’of ‘uitmuntend’, en locheia, ‘geboorte’, of van lochos, ‘kraamvrouw’. Deze afleiding is gebaseerd op zijn vermeende medische eigenschappen. De familie waartoe de plant behoort, de Aristolochiaceae, heet dan ook geboortekruidfamilie omdat deze de bevalling zou bevorderen. Ook de bloemvorm werkt aan het ontstaan van de naam mee, de doorsnede ervan doet denken aan een ongeboren kind in de baarmoeder. Het heet letterlijk, ‘de beste voor een wieg’. Een andere naam voor de plant is pijpbloem, de bloem lijkt bij veel vormen op die van een pijp, niet bij deze vorm, de naam is voor deze plant dan ook verkeerd gekozen, wordt en werd ook wel holwortel genoemd. Zie hiervoor het volgende kapittel.

In het verleden werd de Aristolochia ook wel saracynscruyt genoemd, het Duitse Saracenkraut,  en het Engelse sarrasine. Dit komt omdat het door kruisvaarders meegenomen is, de Arabieren waren voor hen Saracenen. Volgens van Beverwijck; ’Omdat de bloemen een omgewrongen of gedraaide sarasijns hoed schijnen te gelijken’.

 

XIIII Ronde hoelwortel is van der selver macht als lange hoelwortel in hitten ende droechten. De wortele der ronder is zonderlinge der medicinen nut. Sy heeft macht te ontbinden, te verteren ende uut de driven. De wortele sal men eer si blomen heeft vergheren. De wortel der ronder hoelwortelen es machtegher dan der langher in te ghenesen want si subtiliseert meer, daerom in allen is de ronde hoelwortele crachtiger dan de lange. Pandecta seyt in wat wonden oft ontsteltheyen willen wi de grove humoren sterckxt subtijl maken, daer es die ronde hoelwortel de best.

Tegen scroftheye conficeert dat poyer der ronder hoelwortelen met den sap van partike ende van grisecum met weynich van aloe, epatici, met levende calck ende met olie van bayen, minghet te gader.

Poyer der ronder hoelwortelen met honich ghemingt in wonden ghedaen bijt af dat doot vleesch sonderlinge in lopende gaten.

Tegen de vallende siecte ende dat fleerfijn. Neemt II deelen der ronder hoelwortelen, gebroken, beversijn een deel, levende soltere ende euforbij elcx een ½ deel, minghet te gader met olie van beversijn ende met was, maect er af salve, dier strijcket wat op den cnocht, te weten achter aent fas van boven neerwert.

Wijn daer dese ronde hoelwortel in gesoden es ende wil nardus met jouffrou merck ende gedroncken doet den vrouwen stonden comen, verdrivende de levende ende dode vrucht met dat velleken daer si in rust. Pessaria hier af gemaect met honich ende mirre is toet selve goet.

Teghen asma is goet wijn ghedroncken daerin gesoyen es ronde hoelwortel, yspe, calissihout. Tpoyer deser wortel, niet poyer van aloe en levende calck met honich gemingt es goet tegen cankerechtige sweren in den nose.

Ronde hoelwortel is bat genesende pijn die in den ganck der spiriten oft asem compt uut verstoppende humoren dan die langhe.

Poyer der ronder hoelwortel met honich is goet tegen corruptie in den mont aent tantvleesch ende tkinnebacken.

Poyer dese met poer van diptamus ende honich te gader trect den doerne uut want dese ronde wortel heeft macht af te droghen, te subtileren, te dunnen ende aen te recken, synde in desen sterker, al es die lange in stinckende wonden oft sweeren beter want si meer afdroget. Serapia, Platearius, Pandecta.

XIIII Ronde holwortel. (Corydalis cava) Ronde holwortel is van dezelfde kracht als de lange holwortel in hitte en droogte. De wortel van de ronde is bijzonder goed als medicijn. Hij heeft de kracht om te ontbinden, te verteren en uit te drijven. De wortel moet je verzamelen voordat hij bloeit. De wortel van de ronde holwortel is krachtiger dan de lange in het genezen want het verfijnt meer, daarom is in alles de ronde holwortel krachtiger dan de lange. Pandecta zegt dan ook dat in elke wond of ongesteldheid de grove levenssappen zo sterk mogelijk verfijnd moet worden, daarom is de ronde holwortel de beste.

Tegen schurft meng je het poederachtige mengsel dat samengesteld is uit het poeder van de ronde holwortel, het sap van zuring en aardrook en wat AloĎ epatica en ongebluste kalk en olie van laurierbes.

Het poeder van de ronde holwortel dat je met honing mengt en in de wonden doet bijt het dode vlees af, vooral in lopende gaten.

Tegen vallende ziekte en jicht. ‘Neem twee delen van de gebroken ronde holwortel; van bevergeil een deel; levende zwavel en Euphorbia, van elk een half deel; meng het tezamen met olie van bevergeil en met was en maak er een zalf van, die strijk je wat op de ruggengraat, te weten achter aan het nekhaar van boven naar beneden’. Wijn waar deze ronde holwortel met Asarum en selderij in gekookt en gedronken is laat bij de vrouwen hun stonden komen, het verdrijft de levende en dode vrucht met de moederkoek waar het in rust. Een pessarium die hiervan gemaakt is met honing en mirre is tegen hetzelfde goed.

Tegen astma is het goed om de wijn te drinken waarin de ronde holwortel met hysop en zoethout in gekookt is.

Het poeder van deze wortel dat met het poeder van AloĎ en levende kalk in honing gemengd is is goed tegen kankerachtige zweren in de neus.

De ronde holwortel is beter om pijn die in de gangen van de geest of adem komt vanwege verstoppende levenssappen te genezen dan de lange. Het poeder van de ronde holwortel is met honing goed tegen bederving in de mond, aan het tandvlees en de kin.

Het poeder hiervan dat met het poeder van dictamnus en honing tezamen gemengd is trekt dorens uit want deze ronde wortel heeft de kracht om af te drogen, te verfijnen, te verdunnen en aan te trekken, het is hierin sterker, al is de lange in stinkende wonden of zweren beter omdat het meer afdroogt. Serapio, Platearius en Pandecta.

 

 

 

Tekstvak:  14. Corydalis cava, Schweigg & Koerte. (hol)

Algemene kenmerken.

De holwortel bloeit in het vroege voorjaar van maart tot mei. De twee binnenste kroonblaadjes zitten met de top aan elkaar en vormen een helm, vandaar dat de naam helmbloemachtige ook bestaat. De plant heeft zachte, dubbel samengestelde bladeren die na het afplukken spoedig verwelken

 

Werking.

‘Boontjes holwortel of Aristolochia Fabacea en Radix cava. Het kooksel van de wortels laat zweten, laat wateren, en verwekt de vrouwenvloed, daarmee gorgelen verdrijft het de keelgezwellen en stinkende adem, rot tandvlees en zuivert rotte zweren als een waswater gebruikt’. (2)

 

Etymologie.

De naam Corydalis kan van het Griekse korydalis, ‘leeuwe­rik’ komen. De soortgelijke Duitse naam is Lerchensporn, de Engelse larkspur en de Franse pied d'alouette. Bij ons komt ook de naam vogeltje op een kruk voor omdat de bloem op een stengeltje staat. Een andere mogelijkheid is dat de naam ontleend is aan het Griekse korys, ‘helm’, de bloemvorm, vergelijk onze naam helmbloem.

Holwortel, omdat de knolvormige wortelstokken in de bloeitijd komvormig zijn uitgehold.

 

 

XV Wilde nardus of asarum es heet ende droge in den derden. Het opent, het verteert, droget of het verwermt met couwe leden.Genesende alle pijnen van binnen, het doet den stonden den vrouwen comen, het doet pisse, die mitsgrove flumen verhouwen is lossen, daerom eest goet den watersuchtigen purgerende hem bij der pisse aldus: Neemt asarum, reijnvaen, de wortel van acorus elcx ½ hant brusci, spargi, venbelsaet, petercelisaet, mili, elck ½ uncie, grisecum ½ hant, seveblayeren, rosinen elckx een ½ oncie, stoot se te gader, dan sied se in wijn ende water, elck I pont met witte wijn, eeck I unche, tot dat derdendeel versoyen is, daer nae claret doer eenen doec ende suetet met suker. Desen syroep sal men tsmergens ende tsavens nemen so et voer van ander syropen is geseit. Als dezen syrope al uut es: Neemt van den clonten der pillen rebarben, van grisecum ende van mesereon (deser drierhande pille in Latyn coconidinum heet) mingt tsamen met syrope van grisecom ende maect af VII of IX pillen. Des ander daechs neempt dijalacca of dyacostum om te stercken. Alle dese sijn goet tegen verstoppinge der leveren, der melten ende teghen dye gheelsucht (of gheel vrow) uut couder saken. Dits ock goet tegen die artetike, teghen sciacica (dats pijn in de hope).

Asarum reijnt weinich den lichaem so elleborus. Avicenna, asarum in honich water ghesoyen doeget self. Galenus in den VI der simpelder medecinen int cap. van asarum seyt dat die wortel es te verstaen als men van asarum seit ende si es van meest macht, si heeft de selve macht die acorus heeft.

Pandecta, asarum in medicinen der oghen ghedaen subtileert den roec der ogen, daerom claret ghesiechte. Oec in most gesoyen den watersuchtigen gegheven ende den geelsuchtegen ist goet.

Met hertstongen ende seveblayeren in wijn gesoyen es goet tege ou cortzen, als quartenen, want het opent verstoppinge der lever ende der milten, ghenesende hoer heetheyt.

In wijn ghesoyen vermeerdert sperma.

Om te purgeren mit er toe keeswey met honichwater. Johannes Mesue, olie daer af met laudanum op die knochten achter omtrent den fasse gestreken hebt in die cortzen uut verstoppige.

XV Wilde nardus. (Asarum europeanum) Wilde nardus of Asarum is heet en droog in de derde graad. Het opent, het verteert, het verdroogt en het verwarmt de koude leden. Het geneest alle pijnen van binnen, het laat de stonden bij de vrouwen komen, het laat plassen en wat vanwege de middelmatige slijm afgesloten is geweest lossen, daarom is het goed voor de waterzuchtige, het laxeert de plas als je het zo neemt: ‘Neem Asarum, reinvaren en de wortel van gele lis, van elk een halve hand vol; Ruscus, asperge, venkelzaad, peterseliezaad en duizendblad, van elk een halve ons; van aardrook een halve hand; van zevenblad (1) en rozijnen elk een halve ons; stamp het tezamen, kook het dan in wijn en water, van elk een pond; witte wijn en azijn een ons totdat het derde deel verkookt is, daarna zuiver je het door een doek en maak het zoet met suiker’. Deze siroop moet je ’s morgen en ’s avonds nemen zoals het voor van andere siropen gezegd is. Als deze siroop op is: ‘Maak van de voorraad pillen van rabarber, van aardrook en van mezereon (deze drie soorten pillen die men in Latijn coconidinum noemt) meng het tezamen met siroop van aardrook en maak er zeven of negen pillen van’. De volgende dag neem je dijalacca of sap van Costus om te aan te sterken. Deze zijn allen goed tegen verstoppingen van de lever (2), van de milt en tegen geelzucht (of gele vrouw) die uit koude zaken komt. Dit is ook goed tegen arthritis/artrose, (3) en tegen ischialgie (dat is pijn in de heup).

Asarum reinigt het lichaam weinig zoals Helleborus het doet. Maar Avicenna zegt dat als Asarum in honingwater gekookt wordt ze hetzelfde doet. Galenus zegt in het zesde boek van enkelvoudige medicijnen in het kapittel van Asarum dat de wortel wordt bedoeld als je over Asarum spreekt, die is van de grootste kracht, het heeft dezelfde kracht als gele lis.

Pandecta zegt dat als Asarum in de oogmedicijnen gedaan wordt het de rook van de ogen verfijnt, (4) daarom heldert het gezicht op. Ook in most gekookt en de waterzuchtige gegeven is het goed, zo ook de geelzuchtige.

Met hertstongen en zevenblad (5) in wijn gekookt is het goed tegen oude koortsen als de vierdedaagse malariakoorts (6) want het opent de verstoppingen van de lever (7) en van de milt en geneest haar heetheid.

In wijn gekookt vermeerdert het sperma.

Om te purgeren voeg je er kaaswei met honingwater bij. Volgens Johannes Mesue heft olie van deze plant die met laudanum op de ruggengraat achter omtrent het nekhaar gestreken wordt de koorts op die van verstoppingen komen.

(1,5) Aegopodium podagraria. (2, 7) Galstenen? (3) Gewrichtspijn. (4) Staar. (6) Malaria.

 

 

Tekstvak:  15. Asarum europaeum, L. (uit Europa)

Algemene kenmerken.

Mansoor heeft vele donkere bladeren die elk op hun eigen stengel staan en ronder en groter zijn dan viooltjesbladeren. Het blad is vetglanzend, niervormig of oorvormig en altijdgroen. Daaronder zitten de bruinachtige paarse bloemen in mei. De bruin/purperen wortelstok kruipt aan de oppervlakte.

 

Werking.

De wortels zijn wat zoetachtig in geur en lijken wat op nardus, vooral als ze droog zijn. Ze hebben een scherpe, maar niet onaangename smaak en smaken peper/kamferachtig. ‘Mansoren zijn geheel fijn van delen, openen de verstopte milt en lever, verdrijven haar verharding, genezen de geelzucht en helpen tegen de langdurige koortsen’. (2) De gepoederde bladen worden als snuif gebruikt en zouden goed zijn tegen hoofdpijn. De stof van de wortel bevordert het niezen, werkt braakverwekkend en purgerend en zou nadelig zijn voor zwangere vrouwen.

 

Etymologie.

Asarum komt van Grieks a,niet’, en saron, ‘vrouwelijk’. De reden kan zijn dat het gewas te giftig is voor zwangere vrouwen. Een andere mogelijkheid is dat het komt van Griekse ase, ‘walging’. Mogelijk vanwege de geur heeft het iets van doen met de beroemde nardus, vergelijk de Duitse naam Wilde Narde, Franse nard sauvage en Engelse wild spikenard.

Mansoor is zo genoemd naar de vorm van de bladen.

 

XVI Milde of melde of atriplex is cruyt dat nat maeck in den II ende vercoelt in den iersten, het verdwijnt wenich ende is goet teghen heete apostonien als erisipila int beginsel of in dat ende. Tegen dwelck alst verherdt ende vercoelt es wilde milt best.

Teghen die gheelvrou van verstopping der leveren oft der milten uut heeter sake, siedt mildsaet ende endivie, hertstongen met water, dan doet er in suker als voer.

Als mild met wermoes en mercuriael gesoyen wordt dan morwet den lichaem.

Milde met hoemsch wortelen in water ghesoyen daer af een plaester ghemaect ende op heete apstonien geleit doet se verdwijnen.

Mildsaet in radijswater met weinich sofferaens gemingt soberlijck lau een goet deelken ghedroncken al lau doet walgen, ende niet alleen dat, maer oec doeget cacken, iae tsap van mild alleen II of III drachma doet spouwen ende scijten, Serapio. Mild, donderbaert, ghestoten met eec, is goet op theylich vier geleit .

Mild met honich gewreven op dat fleerzijn in de voet gedaen geneest fleerfijn .

Die blayers van mild geeten in vleessop of wermoes verdrijven pijn der blazen.

Met beten ende mercuriael geten doot de scerpe cortzen. Met wormcruyt gemingt verdrijft de wormen. Gheeten is goet tsegen dissinteriam (dats velling der dermen).

Milde, gestoten met hoemschwortel, op de moyer gheleet saecht de pijn der moyer.

Mild rou of gecoeckt dertoe hoemsch wortel, saet van fenigrieck ende lisaetsaet met wenich boteren gestoten geneest alle hertheit.

Sap van mild met honich ghemingt is goet tsegen de pijn der nagelen, zonder zweren.

Milde die in de hoven wast is couder dan dye int wilde wast, daerom gestoten met eeck opgeleit es goet den aposto van bloye, ende in wermoes ghesoyen vued wel den geelsuchtegen en hete leveren.

XVI Melde. (Atriplex hortensis) Milde, melde of Atriplex is een kruid dat vochtig maakt in de tweede en verkoelt in de eerste graad, het verdwijnt weinig en is goed tegen hete blaren als erisypelas (1) in het begin of op het eind. Tegen diegene die verhard en koud zijn is de wilde melde het beste. (2)

Tegen geelzucht, vanwege opstopping van de lever of van de milt uit hete zaken, (3) ‘kook melde zaad, andijvie en hertstongen met water, dan doe je er suiker bij zoals (voor eerder) beschreven is’.

Als melde met warme groente en bingelkruid gekookt wordt dan vermurwt ze het lichaam.

Als melde met heemstwortelen in water gekookt en daarvan een pleister gemaakt en op hete blaren gelegd wordt laat het die verdwijnen.

Meldezaad dat in radijswater met wat saffraan gemengd wordt waarvan matig lauw een goed deel gedronken wordt laat walgen en niet alleen dat, maar het laat ook schijten, ja, als je twee of drie maal 3,9 gram van het meldesap neemt laat het spuwen en schijten volgens Serapio.

Melde en donderbaard die met azijn zijn gestampt is goed om op het heilig vuur te leggen.

Leg melde die met honing gewreven is op de jichtzijde van de voet, het geneest jicht.

Als je de bladeren van melde in vleessap of warme groente eet verdrijft het de pijn van de blaas. Melde dat met biet en bingelkruid tezamen gegeten wordt doodt scherpe koortsen. Met wormkruid gemengd verdrijft het wormen. Gegeten is het goed tegen dysenterie (dat is de afschaven van de darmen)

Gestampte melde die met heemstwortel gemengd op de baarmoeder gelegd wordt verzacht de menstruatiepijn.

Melde, rouw of gekookt waar heemstwortel bij gedaan wordt dat met het zaad van fenegriek en lijnzaadzaad in wat boter gestampt wordt geneest alle hardheid.

Het sap van melde dat met honing gemengd is is goed tegen nagelpijn zonder zweren. (4)

De melde die in de hoven groeit is kouder dan die in het wild groeit, als die dan gestampt met azijn en opgelegd wordt helpt deze tegen bloedblaren en in warme groenten gekookt is het nuttig voor zowel geelzuchtige als hete lever. (5)

(1) Een vorm van ontsteking. (2) de wilde is mogelijk een Chenopodium soort. (3) Ontsteking. (4) Paronychia/omloop. (5) Hepatitis.

 

Tekstvak:  16. Atriplex hortensis L. (van de tuin)

Algemene kenmerken.

De tuinmelde is een eenjarige, lage plant met succulente bladeren.

 

Werking.

Deze vorm van de tuinmelde is eetbaar en wordt meestal als een soort spinazie gekweekt onder de naam Franse spinazie, omdat het in Frankrijk veel gekweekt werd De zaden werden wel als grutten gegeten. ’Overvloedig aan de wegen groeit en wordt weinig voor moeskruid gebruikt hoewel het anders mede een goed moeskruid is, verkoelt, bevochtigt en maakt de buik week.’. (2)

 

Etymologie.

Atriplex is afgeleid van het Grieks, of wel van atraphaxis, ‘spinazie’, of van ater, ‘zwart’, en plexus, ‘samen vlechten’, vanwege de donkere kleur en vorm van sommige soorten.

De naam tuinmelde is hetzelfde als het Duitse Gartenmelde. Soms ook heet de plant melganzenvoet omdat de bladeren een gelijkenis vertonen met de poten van een gans. Mel heeft dezelfde stam als meel en betekent malen en vandaar stuiven. Mogelijk is dit een verwijzing naar de witviltige, melige beharing of omdat de zaden vermalen werden. Engels arach en Frans arroche komt uit Latijn atriplic-em en dit uit Grieks atraphaxus.

 

 

 

 

 

XVII Calfsvoet of aaron of aron of iarcus es heet ende droghe in den iersten graet Pandecta seet, mer Platearius seit dat heet ende droge es in den derden. Het heeft macht tontbinden, te laxeren, te dunnen en af te drogen.

Met den sap van calfsvoet met laudanum ende mirre maect men een pessarium in de moijer om de stonden te doen comen.

Een plaester van calfsvoet ende comijn in wijn gesoyen ende gemeyn olye es goet op de opblasing of opheffinge de oren.

Tseghen de spenen is goet calfsvoet, al heel, dat cruyt ende wollecruyt in wijn en water gesoyen der in geseten.

Oec ist goet tegen ficus (dat zijn swerende hertheijen omtrent den ers).

Dat cruyt es oec goet gestoten met out smeer gemingt, heet opgeleit, tegen cou apostonien. Tegen scrofulas (dat zijn maniren van herde buulkens oft clieren waren) en verherde apstonien: Neempt dat cruyt met squilla ende out beerensmeer, ming het te gader ende legget daerop.

Om dat aensicht schoon te maken ende de huyt te cleren, maeckt cleijn poyer van gedroechder wortel ende van os sepie (dats een been van eenen vische) minget met cerusen ende rooswater, daer me waschet aensicht.

Dijaf seit int capittel van aaron, die cracht van aaron es it saet, in die blayers ende in die wortele.

Aaron met ossenmeest ghemingt, gheneest fleerfijn in den voet.

De wortel van binnen esi van buten ghegeven neert seer de geswollen leen uut groven humoren, met wijnsteen ende suker van binnen ende met wijnsteen ende gemeyn olij van buten.

Dat cruyt gheten verdrijft grove, taye humoren uut der borst, oft siedet cruyt in lutter water ende honichs ende beseghet om de grove, taye vochticheyen oft humoren in de borst ende scorten sijnde uyt te spuwen.

Poyer van calfsvet op verrotte sweren ghedaen bijt af dat quaet overvloedich, dick vleesch.

Also hevet in die blaijers ende saijen groote macht, in de wortel alder meeste, Pandecta, Platearius etc.

XVII Kalfsvoet. (Arum maculatum) Kalfsvoet, aaron, Arum of iarcus is heet en droog in de eerste graad volgens Pandecta, maar Platearius zegt dat het heet en droog is in de derde graad. Het heeft de kracht om te ontbinden, te laxeren, te dunnen en af te drogen.

Met het sap van kalfsvoet, laudanum en mirre maak je een pessarium in de baarmoeder om de stonden te laten komen.

Een pleister die gemaakt is van kalfsvoet en komijn en in wijn is gekookt met gewone olie is goed voor het opblazen of opheffen van de oren. Tegen aambeien is het goed om de hele plant met wolkruid in wijn en water te koken en daarin te zitten.

Ook is het goed tegen aambeien (1) Het gestampte kruid is ook goed tegen koude blaren als je het met oud vet mengt en dat er heet op legt.

Tegen scrofulas (dat is een soort van harde builtjes alsof het klieren zijn) (2) en verharde blaren: ‘Neem dit kruid met zeeui en oud varkensvet, meng het tezamen en leg het er op’.

Om het gezicht schoon te maken en de huid te zuiveren maak je van de gedroogde wortel een fijn poeder en van os sepia (dat is een been van een vis) meng het met loodwit en rozenwater en daarmee was je het aangezicht.

Dyaf zegt in het kapittel van Arum dat de kracht van Arum in het zaad ligt, in de bladeren en in de wortel.

Arum dat met ossenmest gemengd is geneest jicht in de voet.

De wortel van binnen en van buiten gegeven is zeer goed tegen gezwollen leden die uit grove levenssappen ontstaan zijn, (3) met wijnsteen en suiker van binnen en met wijnsteen en gewone olie voor van buiten.

Als je het kruid eet verdrijft het de grove, taaie levenssappen uit de borst (4) of kook het kruid in wat water en honing en gebruik het op de grove, taaie vochtigheden of levenssappen in de borst en binnen korte tijd zal je het uit spuwen.

Het poeder van kalfsvet dat op verrotte zweren gedaan wordt bijt het kwade overvloedige vlees weg. Zo heeft het in zijn bladeren en zaad grote kracht en in de wortel het allermeest volgens Pandecta, Platearius etc.

(1)  ) Perianale abcessen. (2) =opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (3) Oedeem, vocht in de ledematen? (4) Bronchitis?

(2)   

Tekstvak:  17. Arum maculatum, L. (gevlekt)

Algemene kenmerken.

Kalfsvoet krijgt in mei een zeven cm hoge bloemstengel met geelgroen of groenpurperen schutblad. Daaruit komen dikke, gladde en groene vruchten die tegen september rood beginnen te kleuren op een dertig cm hoge stengel. De bladen zijn pijlvormig, gaaf en helder groen, soms gevlekt en verdwijnen in de zomer.

 

Werking.

Culpeper vermeldt dat de wortel vroeger, in plaats van stijfsel, gebruikt werd om linnen te stijven. Het zetmeel dat in de wortel zit werd gebruikt in de bereiding van met zorg gemaakte plooikragen. Vanwege de moeilijkheid om het gif te verwijderen werd het weinig inwendig gebruikt. (6) Het sap en de bessen werden als blanketsel gebruikt door adellijke dames in vroegere tijden, toen de mode was om zo blank mogelijk te zijn. Mogelijk is dit gebruik ontstaan omdat om vlekken en ander ongerief van de huid te schonen, een soort nachtcrŹme. Vondel zegt hierover in ‘Noach of ondergang der eerste wereldt’;

Laat ge u bekoren van blanketsel en bedrog

Een schoonheid haast verwelkt. Geen roos verwelkte ooit radder’. (57)

 

Etymologie.

De Egyptische naam aur of ar, ‘brandend’of ‘vurig’, vanwege de smaak van de plant, werd vertaald in het Grieks als Arum, ‘nuttig’ en kwam daarna in het Latijn als aron. Waarschijnlijk werd het woord volksetymologisch met Exodus 4:17 verbonden en de kolf met de Aronstaf vergeleken omdat de naam Aron een gelijke klank bezit.

De naam kalfsvoet is te herleiden naar de vorm van de bladeren. In het Engels starchwort, Duits Aronsstarke en bij ons stijfselkruid genoemd vanwege het gebruik voor blanketsel.

 

XVIII Muysoren oft auricula muris oft pilosella verwermet weijnich ende verdroecht sonder bijtinghe. Het droghet oft vaghet sterckelyck af ende treckt tou tseghen gheswil aen den eers: Maect een plaester van muijsoren, van calfsvoet ende wollecruyt in wijn ghesoyen. Tsap van muysoren met gouwortel ghemingt gheneest donckerheyt der ooghen.

Tsegen der watersucht, het graveel ende tgebreck in de lever: Nempt muysoren, mesereon, grisecom, adivie, sietse int water met weynich eeckx, met rosinen, venkelsaet, petercelisaet, alst gesoyen is doeghet doer eenen doec, dan suetet met sukere ende dan besieghet smergens ende tsavons. Daer nae nempt van den hoop der pillen van mesereon, ende der pillen van rebarbe elcx een ½ dragma, ende van V sayen, die cocognidium heeten, het middelste, ming het tsamen met syropen van grisecom ende maeckt IX pillen. Daer na, ten derden, om te conforteeren ende sterken, nempt dyalecca oft electuarium ducis.

Muysoren met der wortel van diptamus ghestooten trect dat in den lichaem sterck toet hem of uuijt als pillen ende diergelijck. Oec en latet gheen gheswil in de wonde bliven.

Teghen pijn der tanden: Neempt sap van muysoren, daer me stoot onderave, ende doeter af in den noese.

Dit sap van muysoren es goet tegen duysternisse der oogen, het gheneest oec die ghefenijnde beten. In den noese ghedaen purgeert die onreynicheyt des hoofts.

Met mulsa (dats wijn ende honich te gader geminghet) te drincken ghegheven heelet wonden ende morwet den lichaem.

Tsap van desen met wollecruyt in wijn ghesoyen es goet teghen dat uutgaen van den ende of erse alst werm es ende men daerin sit.

Gedroncken met wijn is goet teghen den vallende siecte.

Poyer daer af met gimberpoyer gemingt doet niesen, oec reyniget der hersenen.

Dit cruyt met schiterwit ende comijn in wijn gesoyen es goet in colica ende int lancevel.

Tsap hier af met bolus armenicus ghemingt es goet tsegen dbloet spouwen.

Poyer van muysoren in den noese gedaen es goet tegen omdrayinghe in der ooghen ende reyniget de flumen.

Tsap hier af met bivoetwater es goet tseghen der opclimminghe oft verworghinge der moijeren.

XVIII Muizenoor (Anagallis arvensis) Muizenoor, auricula muris of pilosella verwarmt weinig en verdroogt zonder bijten. Het droogt of veegt sterk af en trekt tegen het gezwel van de aars aan: ‘Maak daarvoor een pleister van muizenoor, van kalfsvoet en wolkruid door het in wijn te koken’.

Als je het sap van muizenoor met stinkende gouwe wortel mengt geneest het de blindheid van de ogen (1).

Tegen waterzucht, (2) het niergruis en het gebrek in de lever: ‘Neem muizenoor, mezereum, aardrook en andijvie, kook het in water met wat azijn, met rozijnen, venkelzaad en peterseliezaad en als het gekookt is doe je het door een doek, dan maak je het zoet met suiker en gebruik je het ’s morgens en ’s avonds’. Daarna neem je van de hoop de pillen van mezereum en de pillen van rabarber, van elk een half maal 3,9 gram; het binnenste van de vijf zaden die cocognidium heten, meng het tezamen met siroop van aardrook en maak er negen pillen van. Daar na als derde om te verbeteren en te versterken, neem dyalecca of een zoete likkepot.

Muizenoor die met de wortel van dictamnus gestampt is trekt in het lichaam sterk tot zich of uit als pillen en dergelijke. Ook laat het geen gezwel in de wond achterblijven.

Tegen tandpijn: ‘Neem het sap van muizenoor, daar mee stamp je hondsdraf en doe het in de neus’.

Dit sap van muizenoor is goed tegen blindheid van de ogen en geneest ook venijnige beten. In de neus gedaan laxeert het de onreinheid van het hoofd. (3)

Met mulsa (dat is wijn en honing tezamen gemengd) te drinken gegeven heelt het wonden en vermurwt het ‘t lichaam.

Het sap hiervan dat met wolkruid in wijn gekookt is is goed tegen het uitgaan van het einde of aars als je er warm in zit.

Als je het drinkt met wijn is het goed tegen vallende ziekte.

Het poeder daarvan dat met gember gemengd is laat je niezen, ook reinigt het de hersens.

Dit kruid dat met schijtwit en komijn in wijn gekookt is is goed tegen koliek en onderbuikspijn.

Het sap hiervan dat met bolus armeniacus gemengd is is goed tegen bloed spuwen.

Als je het poeder van muizenoor in de neus doet is het goed tegen het omdraaien van de ogen en reinigt het slijm.

Het sap hiervan met bijvoetwater is goed tegen het opklimmen of verwurging (4) van de baarmoeder.

(1) Staar. (2) Oedeem. (3) Voorhoofds/neusholteontstekingen. (4) Krampen of kanker?

 

Tekstvak:  18. Anagallis arvensis (van de velden)

Inleiding.

Herbarius in Dyetsche heeft; ‘Muysoren oft auricula muris oft pilosella’. Die laatste naam slaat dan wel op Hieracium pilosella die nog muizenoor heet. Dodonaeus noemt ‘Groot Pilosella of Groot Nagelcruyt;  Sommige noemen het Auricula muris, dat is Muysoor; het is nochtans verschillend van de echte Muys-oor’. Dan zou de echte Anagallis zijn. In de Gart heet mauszore ook Auricula muris (muizenoor) in Latijn en in Grieks Anagallus.  Dan moet het op Anagallis arvensis slaan. Ook omdat er daar van twee kleuren gesproken wordt, blauw en rood.

 

Algemene kenmerken.

Guichelheil heeft tegenoverstaande bladeren die soms in kransen van drie staan, eivormig en van een zeegroene kleur, aan de onderkant zitten zwarte klierpuntjes.

Een lage eenjarig van een 15cm hoogte met opgaande stengels die soms wat kruipen. De plant bloeit op dunne stengeltjes die uit de oksels van de bladeren oprijzen. De vrucht is een bolletje dat als het zaad rijp is met een deksel openspringt.

 

Werking.

Gart der Gesundheit; ‘Auricula muris Latijn. Anagallus Grieks, vel mōoschais, vel xantalia. Arabisch ōppia.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anagallis, id est auricula muris, spreekt dat guichelheil heeft subtiele kleine bladeren en heeft ook takken die zijn vierkantig en draagt zaden gelijk de koriander. En dat kruid is tweevormig, de ene heeft bloemen die zijn van verven roodachtig en is de man, de andere heeft bloemen die hebben hemelkleur en dat is de vrouw en groeien ook beide erg graag aan de stenige einden en ook aan de kale bergen. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Anagallis spreekt dat ze beide van natuur erg droog zijn en ook een kleine warmte in zich hebben. Dioscorides spreekt dat guichelheil ook erg goed is de wonden buiten aan het lijf en laten die niet zweren, daarover gelegd.

Item. Het sap van guichelheil in de mond gehouden beneemt de tandpijn. Guichelheilsap en stinkende gouwe wortelwater gemengd met honing is erg goed de donkere ogen, daarop gelegd. Item.Een pleister gemaakt van guichelheil en van wol met wijn gekookt en gelegd op het achterste dat voor het lijf gaat helpt ook dat het weer aan zijn rechte plaats komt. Het sap van guichelheil in de oren gelaten beneemt ook dat suizen daarin en drijft uit de wormen in de oren. Het sap in de neusgaten gelaten maakt niezen en reinigt dat hoofd van kwade vochtigheid. De meester Serapio spreekt dat Anagallis, dat is guichelheil, die bloemen hebben gelijk de verf van de hemel erg goed is voor het achterste dat voor het lijf gaat, daarop gelegd gelijk als een pleister. En spreekt ook dat die guichelheil met de rode bloemen van natuur aan zich trekt. Daarom mag man die gebruiken wie een pijl of doorn in een lid steekt dat trekt ook guichelheil zachtjes uit, daarop gelegd gelijk als een zalf of een pleister alzo gemaakt: Neem guichelheilsap en diptamsap en magnetensteen gepoederd en met varkensvet vermengt in een zalfwijze. Item. Guichelheil en ook hondsdraf gestoten of gekwetst en in de oren gedaan is tegen tandpijn.  Item. Guichelheilsap genuttigd is ook erg goed tegen beten van de venijnige dieren. Item. Guichelheilsap met honingwater vermengt is ook goed tegen de buikpijn. Ook is guichelheilsap met wijn gekookt goed tegen de vallende ziekte. Item. Guichelheil en springwortel en komijn gekookt in wijn met weinig honing of suiker vermeng en daarvan genuttigd is goed tegen dat darmjicht’.

 

Etymologie.

Dodonaeus; ‘‘Guichelheil wordt in het Grieks zowel als in het Latijn Anagallis genoemd, in het Hoogduits Gaucheyl, in het Nederduits guichelheil. Het kan ook wel wezen dat de ouders dit kruid Anagallis, dat is verheugende, genoemd hebben omdat het zeer moedig overal de wegen versiert met aardige bloempjes die zeer lieflijk en lustig zijn om te zien’.

Anagallis komt van het Griekse anagelao: lachen, dit naar de fabel dat het kruid de kracht zou bezitten om droefheid tegen te gaan. Plinius en Dioscorides vertellen van zijn gebruik om te bemoedigen, vanwege het gebruik bij nierziektes waar de lach vergaat. Vandaar de naam guichelheil. Of dat het woord afgeleid is van het Griekse anagallis: de bescheidene, omdat het gewas zo klein is.

Muizenoren is zo genoemd naar de bladvorm, een vertaling van middeleeuws Latijn auricula muris wat op zijn beurt uit Grieks muos ota vertaald is.

 

XIX Weechbree of plantago of sarnoglossa is cout ende droge in den IIden graet. Ende is twederhande als meeste ende minste. Si is goet om wonden t drogen en om te suveren haer vulicheyt, als het tsap daer af, weijnigh gebroken aloe, epatici, wort gheminghet. Wegbre met endiviewater gesoyen, doer eenen doec, gesuvert ende met wit suker ghemingt sterket der lever dye heet is. Buten sal men de lever striken of epithimeren met sap van weeghbree, der endiviwater toe gemigt ist.

Tsap der af met sap van donderbaert ende eeck gemingt es goet tegen eenderhande zeer, dat heylich vier heet of wilt vier seggen der zommegen

Tseghen de spenen is goet sap van wegebre met dat poyer der wortelen van calfsvoet.

Ende alt vleescij dat van den vier verbeert es vercoelet.

Het is oec goet tsegen den lichaen met scafeling van dermen en anderen lichaem.

Oec seggen de vrouwen stonde, tsegen dat bloetspouwen ende sweringe der longeren: Neemt sap van wegebree ende saet daer af, bolus armenicus (of root bolus) ende cort coraelpoyer, minghet tsamen ende drincket.

De wortel des cruyts met bertram in water ghesoyen es goet teghen den tansweer, als men lau dye tanden daer me wascht, so Serapio ende Pandecta seggen.

Dat sap met eeck ghemingt is goet om die swerte plecken int aensicht af te droghene. Ock ist goet tseghen wonden ontrent den nose of den ooghen

Dat sap met luttel driakelen ghemigt, II uuren voir den corts, is goet tsegen de quaratana.

Oeck tsap met ou swijnensmeer es heylende versche wonden, met cerusen oec ende lutter eeckx es goet tsegen tvijften ende stinckende mont, tseghen heete colerike oft vierachtige apstonien eest oeck goet. Daerom ist goet den bijtachtigen apstonien ende de sweeren der dermen of den fistilen, heylende hoer lien ende genesende oude sweeren

Dat saet, de wortelen ende blayers openen verstoppinge der nieren ende der leveren.

Sap van dese voir den aenganck des corts genomen eest goet tsegen tercianen ende quartyenen. Oeck eest goet tsegen lopende sweren, tseghen beeten der honden, tseghen de watersucht ende tseghen der teringhe, als Pandecta, Plateaerius etc. segghen.

XIX Weegbree. (Plantago major en de kleine Plantago lanceolata) Weegbree, Plantago of sarnoglossa is koud en droog in de tweede graad. Er zijn twee soorten van, de grote en de kleine. Het is goed om wonden te laten opdrogen en om vuiligheid ervan te zuiveren als het sap daarvan met wat gebroken AloĎ epatica wordt gemengd. Weegbree dat met andijviewater gekookt en door een doek gedaan zodat het gezuiverd wordt en met wit suiker gemengd is versterkt de lever die heet is. Van buiten moet je de lever bestrijken (of epithimeren) met het sap van weegbree waar andijviewater bij gemengd is.

Het sap hiervan dat met sap van donderbaard en azijn gemengd is is goed tegen allerhande zeer dat heilig vuur genoemd wordt of wild vuur zoals sommigen zeggen.

Tegen aambeien is het sap van weegbree met poeder van de wortels van kalfsvoet goed.

En oude vleesranden die door het vuur verbrand zijn verkoelt het.

Het is ook goed tegen de loop met dysenterie en andere zwellingen.

Ook tegen vrouwenstonden, tegen bloedspuwen en zweren van de longen (1): ‘Neem het sap van weegbree en het zaad daarvan, bolus armeniacus (of rood bolus) en kort koraalpoeder, meng het en drink het op’.

De wortel van dit kruid dat met bertram in water gekookt is is goed tegen tandpijn als je de tanden daarmee lauw wast volgens Serapio en Pandecta.

Het sap ervan dat met azijn gemengd is is goed om de zwarte plekken in het aangezicht af te drogen. Ook is het goed tegen wonden rond de neus of de ogen.

Het sap dat met wat raapzaad gemengd is en twee uren voor de komst van de koorts gedronken wordt is goed tegen vierde daagse koorts (2). Ook als het sap met oud zwijnenvet gemengd is heelt het verse wonden, met bloem van lood en met wat azijn gemengd is het goed tegen een vuile en stinkende mond en tegen hete galachtige of vuurachtige blaren (3) is het ook goed. Daarom is het goed tegen bijtachtige blaren en de zweren van de darmen of lopende gaten, het heelt hun lijden en geneest oude zweren.

Het zaad, de wortels en de bladeren openen verstoppingen van de nieren en van de lever (4).

Het sap hiervan dat je voor de aanvang van de koorts in neemt is goed tegen derde en vierde daagse malariakoorts (5). Ook is het goed tegen lopende zweren, tegen beten van honden, tegen waterzucht (6) en tegen tering (7) volgens Pandecta, Platearius etc. .

(1) Tuberculose. (2,5) Malaria. (3) Ontsteking. (4) Galstenen? (6) Oedeem. (7) Ftisis.

 

Tekstvak:  19. Plantago major, L. (groter) en Plantago lanceolata, L. (lansvormig)

Algemene kenmerken.

Respectievelijk de grote en smalle weegbree zijn meestal onkruiden in gazons en ruigtes. Het plat groeiende blad heeft duidelijke nerven. Onopvallende bloemen staan in aren. De zaden bezitten een gelei waardoor ze gemakkelijk aan schoenen en voetzolen blijven plakken.

 

Werking.

Vanwege zijn goede werking werd het ook wel geneesblad genoemd.De wortel van weegbree die alleen of met de wortels en zaad in zoete wijn gekookt en gedronken wordt, openen de verstopte lever en nieren en zijn goed tegen de geelzucht en zweren van de nieren en de blazen’. (2)

Weegbree is ook goed om te gebruiken tegen alle kwade lopende blaren en zweren, oude en nieuwe wonden, alle hete blaren en gezwellen, tegen kanker, open en lopende gaten, kwade kriebels en tegen de beet van kwade en dolle honden, als de bladeren gestampt en daarop gelegd worden of het sap daar in gedruppeld of vermengd wordt met de pleisters en zalven die daar toe gebruikt worden.

Een thee van de bladeren zou helpen tegen aambeien, tegen hoesten als bij astma en werkt bovendien bloedzuiverend. De smalle weegbree zou goed werken tegen wespensteken.

 

Etymologie.

Plantago is zo genoemd naar zijn Latijnse naam, planta pedis, ‘plant’ en ‘voetzool’, naar zijn vorm en voorkomen op vastgelopen paden.

Weegbree heette vroeger wegebreit. In het oud-Engels komt men wegbrade en in het oud-Hoogduits Wegbrade tegen. Het is duidelijk een West Germaans woord waar ‘weg’ een weg is. Het tweede deel, ‘bree’ heeft te maken met iets dat breed is. Tezamen genomen gaat het dus om een aan de weg groeiende, breed uitgroeiende plant.

De weegbree werd wel onderscheiden in twee soorten; de grote werd bij ons de mannelijke plantein genoemd en de kleine de vrouwelijke plantein. Ook het Engels plantain is afgeleid van Plantago. De mannelijke plantein werd als heelmiddel door de mannen en de vrouwelijke als heelmiddel door de vrouwen gebruikt

In het Grieks was de plant ook bekend als arnoglosson, ‘lammerentong’. Mogelijk is het zo genoemd vanwege de bladvorm of omdat de lammeren er graag van eten. Het midden-Hoogduits heeft Schafzunge en Frans langue d'agneau, ‘lammerentong’.

 

XX Dats Salvia agrestis ende is heet ende droghe in den tweden. Diaf seit dat ambrosiana hetet, een maniere van bivoet die tanacetum heet. Dat self seyt oock Pandecta.

Si es goet tegen de ghemeyne iecht ende tegen die deelechtige of parciale iecht, aldus ghemaect: Nempt wilde savie, herba paralisis (die heet van den sommeghen primula veris), schijtcruijt, elc I, nempt santorie die minste, dragma, nempt beversijn, mostaertsaet, elcx I unche, saet van cubeben I dragma, stoot se al, dan siedt se in wijn ende water elcx I pont tot dat derdendeel versoyen is, doeghet doer eenen doec, met luttel gescuympt honichs suetet des dranckx. Neemt tsmerghens ende tsavons al lau telker reysen in IIII uncen. Als desen dranck uut es nempt dese pillen als: Neemt van den clonten der pillen van euforbio ende der stinckender pillen elcx I ½ dragma, mingt se met syrope van sticados ende maecter, VII. Daer na om te stercken, nempt van dyacostoreum ende dyamuscus. Teghen de iecht der tongen dickwil gorghelende is dien ghesyden dranck oeck goet, daerom is hi goet den genen die haer stemme midts populsien in die tonghe verloren hebben.

Tegen de watersucht ende die gheel vrou, siedt wilde savie met de sayen die doen pissen ende diuretike sijn als venkelsaet, petercelisaet, spargussaet, etc in de sappen van eppe, van endivie ende herstonghe. Daer nae neempt dese pillen als van den clonten der pillen van mesereon, der pillen van grisecum ende der pillen van rebarben, elcx 1 scrupel, mingt se met oximel squilliticum ende maect er IX. Dan om sterken nempt van dyalecca of van dyarodon abbatis. Teghen de lange wormen, sied wilde savie met kerne van persiken.

Seghen tenasmonen (ende es een appetijt van schijten sonder doen) siedt wilde savie met bivoet ende wollecruit in wijn, daer in setten al werm ende die werme cruyden onder den ers.

Wilde savie met yeder savie dye in de hoven wast ende venkelsaet in wijn ghesoyen drincket tegen emigraneam (dats pijne in deen helft van den hope) Die siedinghe es oeck goet tegen die pijn der genuen ender der voeten.

XX (Salvia pratensis) (1) Salvia agrestis is heet en droog in de tweede. Dyaf zegt dat het ambrosiana genoemd wordt en een soort van bijvoet is die Tanacetum heet. Hetzelfde zegt ook Pandecta.

Het is goed tegen gewone jicht en tegen deelachtige of gedeeltelijke jicht als je het zo maakt: ‘Neem wilde Salvia, herba paralisis (die door sommige Primula veris genoemd wordt) schijtkruid, van elk een (?); neem van de kleine santorie een maal 3,9 gram; neem van bevergeil en mosterdzaad, van elk een ons; van het zaad van cubeben een maal 3,9 gram; stamp dit klein, dan kook je het in wijn en water, van elk een pond; totdat een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en met wat afgeschuimd honing maak je deze drank zoet. Neem ’s morgens en ’s avonds elke keer vier ons lauw in. Als deze drank op is dan neem je deze pillen als: ‘Neem van de wortels de pillen van Euphorbia en van de stinkende pillen, (2) van elk een anderhalf maal 3,9 gram; meng het met siroop van sticados lavendel en maak er zeven’. Daarna neem je om te versterken van beversgeil en muscus. Door dikwijls met deze drank te gorgelen is het ook goed tegen jicht van de tong en daarom is het goed voor diegene die hun stem door het trillen van de tong verloren hebben. Tegen waterzucht (3) en geelziekte, kook wilde Salvia met zaden die laten plassen en diuretica zijn (4) zoals venkelzaad, peterseliezaad, aspergezaad etc. in het sap van eppe, van andijvie en van hertstongen. Daarna neem je deze pillen als uit de hoop de pillen van mezereon, de pillen van aardrook en de pillen van rabarber, van elk 1,3 gram; meng het tezamen met oxymel van zeeui en maak er negen. Dan neem je om te versterken van dyalecca of van dyarodon abbatis.

Tegen lintwormen kook je wilde Salvia met

perzikpitten.

Tegen tenasmonem (dat is graag naar toilet willen zonder te kunnen) kook wilde Salvia met bijvoet en wolkruid in wijn, daarin zit je warm met het warme kruid onder de aars.

Wilde Salvia die met de gewone Salvia die in de hoven groeit en venkelzaad in wijn gekookt wordt drink je tegen migraine (dat is pijn in de ene helft van het hoofd) Dit kooksel is ook goed tegen pijn van de zenuwen en de voeten.

(1) Ook Salvia sclarea en Eupatorium cannabium werden zo genoemd. (2) Ferula foetida. (3) Oedeem. (4) =Bevordert het plassen, dus tegen verstopping.

 

Tekstvak:  20. Salvia pratensis, L.. (van de weiden)

Algemene kenmerken.

De veldsalie is een stevige meerjarige die oprijst met vierkante stengels die bovenaan klierachtig behaard zijn. Onderste bladeren staan in rozetten en zijn langwerpig/eirond, spits en gekarteld, rimpelig en donkergroen, kort behaard. Twee bladen zitten aan elke knoop en lijken wat op die van de gewone salie, zijn kleiner en zachter, witter en ronder met een wat sterkere geur. Meestal wat vertakte bloemtrossen van 20-30cm lang in 4-8bloemige kransen, violetblauw kleuren in augustus.

 

Gebruik.

Zie Salvia.

 

Etymologie.

Zie Salvia, kapittel 140. Het is de veldsalie, de Engelse meadow sage of meadow clary, Duitse Wiesensalbei, een kruid van Venus.

 

 

 

 

 

 

XXI Hondert hoyen oft wilde lelien oft affodillus of albunum is heet ende droghe in den derden graet, Platearius. Het doet pissen, het doet den vrouwen haer stonden comen, het verdrijft pijn dye van slaen of stoten comt.

Dat sap van affodillus, eppe ende reijnvaen met de wortelen van bruscus, spargus, venkelsaet en peterceliesaet siedt met wijn, want het is tegen die voorgenoemde goet.

Poyer dese wortel is goet tegen dye verrotte sweren of stinkende. Affodillus met wijn ghesoyen es tegen diergelike sweren goet als men der me wast.

Dat sap des cruyts met wijnsteen, mirren ende met sofferaen ghemingt es goet tegen gheswil omtrent den ogen of tegen ordeolen. (dats een lange apstonien der gheesten, geluc of een cleyn apstonie in dat ende des oegschels).

Het sap der af lau in de oren gedaen.

Met den sap van onderave gemingt is goet tegen die pijne der tanden ende tegen die pijne der’ooren ist zonderlinge helpe. Tegen dat uutvallen van den haer siedt die wortel van affodillus met agherande in loghe ende daer mede waschet het hooft.

Die wortel met zemelen van tarwe in water gesoyen verdrijft die smetten uut den aensicht die van der sonnen comen.

Water daer die wortel in gesoyen is vermorwet den lichaem.

Effodillus is den serpenten zeer contrarie.

Die wortel met olie ghestoten of met honich daer met gestreken die plaetse die sonder haer is doet haer wassen.

Teghe ghebrec in der blasen als coupisse ende diffurie (dats nu wat pissen ende over een ure noch wat etc): Nemet affodillium, milie folis, eppesaet, sieghet in wijn op de helft, ghevet met suker.

Als men seet:. Neemt affodillus, versteet men die wortel.

Teghen de watersucht uut couder saken als  fleumantia ende yposarcham: Neemt van den sap van affodillen, van der middelder scorsen van vlier ende adeck elcx IIII onchen, eppesaet, spargi, brusci elcx II dragma, gestoten, siedt se in wijn met weynich eeckx tot derdendeel versoyen es, doer eenen doeck ghedaen, suetet met suyker, desen dranck is den besten boven alle drancken tsegen dergelijcke siecten. Als hy gedroncken es: Nempt van pillen mezereon ende van stinckende pillen elckx een ½ dragma, turbich een ½ dragma, scrupel : zz een greyn, ming se met oximel squilliticum ende maect er af IX. Daer na om te sterken:. Neemt van dijalacca oft diacurcuma of dijacostum.

XXI Thondert hoy, affodillen. (Asphodelus albus) Honderd hoofden, wilde leliĎn, affodillen of albunum is heet en droog in de derde graad volgens Platearius. Het laat plassen, het laat bij de vrouwen hun stonden komen en het verdrijft de pijn die van slagen of stoten komt. Het sap van affodillen, eppe en reinvaren dat met de wortel van Ruscus, asperge, venkel- en peterseliezaad met wijn gekookt wordt is tegen het eerder genoemde goed.

Het poeder van deze wortel is goed tegen verrotte of stinkende zweren. Affodillen met wijn gekookt zijn tegen dergelijke zweren goed als je ermee wast.

Het sap van dit kruid dat met wijnsteen, mirre en met saffraan gemengd is is goed tegen gezwellen rondom de ogen of tegen ordeolen. (dat is een lange blaar van de luchtwegen, net zoals een kleine blaar op het einde van de oogschellen) (1)

Het sap hiervan wordt lauw in de oren gedaan. Als het met het sap van hondsdraf gemengd is is het goed tegen tandpijn en tegen oorpijn is het een bijzonder goede hulp. Tegen het uitvallen van haar kook je de wortel van affodillen met averone in loog en daarmee was je het hoofd.

Als de wortel met tarwezemelen in water gekookt wordt verdrijft het de smetten uit het gezicht die van de zon komen.

Het water waar de wortel in gekookt is vermurwt het lichaam.

Affodillen zijn de serpenten zeer tegengesteld. Als je de wortel met olie of met honing stampt en strijkt op de plaatsen die zonder haar zijn laat het daar haar groeien.

Tegen gebreken in de blaas als aandrang tot plassen en dysurie (dat is nu wat plassen en over een uur noch wat, etc.): ‘Neem affodillen, steenzaad en eppezaad, kook het in wijn tot op de helft en geef het met suiker’.

Als men zegt: ‘Neem affodillen’, bedoelt men de wortel.

Tegen waterzucht die uit koude zaken stamt als leucofleumantia (3) en yposarcham: ‘Neem het sap van affodillen, de middelste schors van vlier en van kruidvlier, van elk vier ons; eppezaad, asperge en Ruscus, van elk twee maal 3,9 gram; stamp het en kook dit in wijn met wat azijn totdat een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak het zoet met suiker, deze drank is de beste van alle dranken tegen dergelijke ziekten’. Als het gedronken is: ‘Neem dan van de pillen van mezereon en van de stinkende pillen, (2) van elk een half maal 3,9 gram, van turbith een half maal 3,9 gram en een derde deel van een 0, 65 gram; meng het met oxymel van zeeui en maak er negen’. Daarna om te versterken:’ Neem van de dijalacca of sap van Curcuma of Costus’.

(1) Pterygium. (2) Ferula foetida. 3. Leucofleumancia of leucophlegmasia: gegeneraliseerd oedeem.

 

21. Asphodelus albus, Mill. (wit)

Algemene kenmerken.

De affodil is een lelieachtige plant die in bosjes groeit. Hieruit komen smalle bladeren en een rechte bloemstengel. Op de top daarvan verschijnen de stervormige bloemen in juni. 

 

Werking.

De asphodelweiden zijn een voorbeeld van overbegrazing door geiten en schapen. Die dorre, woeste en onvruchtbare oorden waren verdorven plaatsen waar duistere verschijningen samenkwamen. Homerus spreekt over de weiden des doods in de Hades, de asphodelweiden, waar de schaduwen van de helden verzameld waren. Odyssee, XI 539 - 540 en XXIV 12 - 14. Het verhaal luidt dat als de schimmen eenmaal binnen de poort van Hades duistere rijk zijn ze voor de drie rechters moeten verschijnen, Minos, Rhadamanthys en Aiakos, zonen van Zeus, die wijze koningen op aarde waren en nu oordelen over het aardse bestaan van de doden. Wie goed noch slecht geleefd heeft en dat is het geval bij de meeste mensen wordt verwezen naar de Asphodelweiden. Daar leiden ze een vreugdeloos bestaan; ze kunnen niet meer denken en voelen en weten ook niets meer van hun bestaan op aarde want ze hebben gedronken uit de Lethe, de rivier van ‘Vergetelheid’. Men schreef deze plant wonderbare krachten toe en zette ze rondom de graven om reden dat de zaden en wortels voedsel zouden vormen voor de geesten van de doden, hoewel ze ongekookt niet te eten zijn. Waarschijnlijk is dit een overlevering uit zeer oude tijden, voor de introductie van de granen was dit het basisbestanddeel van het Griekse menu.

 

Etymologie.

Asphodelus is een Griekse naam van onzekere afkomst. In het Latijn werd dit Asphodilus en werd van affodil of aaffodil in het Engels asphodel en in Duits Affodill. Het is de narcis van de vroegere Engelse en Franse dichters. Lelie, zie Lilium. Honderd hoofden naar de vele lelieachtige bloemen

 

XXII Waterwilghe oft agnus castus es een boem heet ende droghe in den derden graet, Serapio. Hebbende macht subtijl oft claer te maken en te verwandelen. Het heeft oeck macht af te snijden ofte verbieden oncuysheit (dats minnen sonderlinge dat saet gheten) Van desen boem besicht men in medicinen de blayers der bloemen ende dat saet.

Waterwilge ghesoyen doet den vrouwen haer stonden comen.

Het saet wel geten doeget thoft sweeren, oeck doeghet diepe slapen.

Tsegen der leveren of milten siedt waterwilge, hertstongen, alsen, calissihout in wijn, doer eenen doec ghedaen gesuet met suker te drincken. Teghen de watersucht es dat self goet met oximel ghedroncken.

Teghen herdicheyt des buyckx of der melten: Nemt saet van waterwilghen, gearoeken II dragma, witten hoemschwortel ghestoten met den gronde of dat dicke van der olien tot weynich wijns ende maect salve. Daer me strijckt de plaetsen der milten of des buyckx der verherd es. Tegen dat quijt worden van sperma (dats der naturen in den slaep) is goet om een plaestere ghemaeckt van bloemen oft blayers des booms met beversijn ende eeck, als men se op die manlicheyt leet.

Tegen die oncuysheyt gheeft te drincken van den sap der waterwilgen daer beversijn in ghesoyen es. Een sponcie in ende uut ghedout in der siedinge van waterwilghe op die manlijchijt gheleyt bedwingt die oncuysheit. Sommegghe maken van den blayeren een bedde, omdat si suver souden sijn. Sommeghe dooden de oncuysheyt, dat sperma of de nature vergrovende met desen dranck gedroncken oft met eender sponcien ontrent de manlickheyt als voer: Als lachticksaet, psilizaet de IIII cou sayen (als citrullen, melonen, cucumeren ende couworden) porcellijnsaet met eeck ende veriuijs ende weynigh camphora ghesoyen. Sommegen verteeren sperma met desen, als rute, mageleyne, waterwilghe, comijn, dille, cattencruyt, ende diergelijke want si sijn heet, opende ende de winden verterende. Ende somentacie met eender sponcien in dese siedinghe droecht de overvloedicheit der moyer horen mont nauwende, maket die moyer bequaem te ontfanghen, als van waterwilghe, haenencam ende bivoet.

Teghen litargiam (dats een apstonie achter in de hersenen): Neemt waterwilghe, beversijn, eppe ende savie, siedt se in sout water, daer mee enibroceert of beghetet hoot achter, Pandecta, Platearius.

XXII Waterwilg. (Vitex agnus-castus) Waterwilg of agnus castus is een boom die volgens Serapio heet en droog is in de derde graad. Het heeft de kracht om fijn of zuiver te maken en te veranderen. Het heeft ook de kracht om af te snijden of om de onkuisheid tegen te gaan (dat is minnen zonder dat er zaad gaat) Van deze boom gebruik je in medicijnen de bladeren, bloemen en het zaad.

Gekookte waterwilg laat bij de vrouwen hun stonden komen.

Als het zaad gegeten wordt krijg je last van hoofdzweren, ook laat het diep slapen.

Tegen de lever of de milt kook je waterwilg, hertstongen, alsem en zoethout in wijn, dit doe je door een doek, maak het zoet met suiker en geef het te drinken. Tegen waterzucht (1) is hetzelfde goed, maar wordt dan met oxymel gedronken.

Tegen hardheid van de buik of van de milt: ‘Neem van het gebroken zaad van waterwilg twee maal 3,9 gram en gestampte witte heemstwortel, meng het met het grove deel of het dikke van olie en met wat wijn en maak er een zalf van. Daarmee bestrijk je de plaats van de milt of de buik waar die verhard is’.

Tegen het kwijt raken van sperma (natte dromen) is het goed om een pleister te maken van de bloemen of bladeren van deze boom met bevergeil en azijn, leg dit op de mannelijkheid.

Tegen onkuisheid geef je van het sap van de waterwilg te drinken waar bevergeil in gekookt is. Een spons die in het afkooksel van waterwilg gedompeld en op de manlijkheid gelegd is bedwingt onkuisheid. Sommige maken van de bladeren een bed omdat ze zo zuiver willen blijven. Sommige doden de onkuisheid doordat ze het sperma van de natuur grover maken door deze drank te drinken of met een spons omtrent de mannelijkheid zoals eerder is beschreven en door slazaad, Plantago psylliumzaad (2) de vier koude zaden (als citrullen, meloenen, komkommer en kouwoerde) posteleinzaad met azijn en jus en wat kamfer tezamen te koken. Sommigen verteren het sperma met deze kruiden als ruit, majoraan, waterwilg, komijn, dille, kattekruid en dergelijke want zij zijn heet, openen en verteren de winden. En warme stoving met een zelfde spons die in dit kooksel gedaan wordt verdroogt de overvloed van de baarmoeder, vernauwt haar mond en maakt de baarmoeder geschikt om te ontvangen; in het kooksel zit wat waterwilg, hanenkam en bijvoet. Tegen litargiam (dat is een blaar achter in de hersenen): ‘Neem waterwilg, bevergeil, eppe en Salvia, kook het in zout water, daarmee enibroceert of begiet je het hoofd van achteren’, volgens Pandecta en Platearius.

(1) Oedeem (2) Plantago psyllium.

 

Tekstvak:  22. Vitex agnus castus, L.

Algemene kenmerken.

De kuisheidsboom is een 2-3m hoge en bossige struik. De jonge takken zijn witviltig waaraan lang gesteelde, 5‑7 geveerde bladeren zitten. De struik geeft laat in het jaar geurende, helviolette bloemen waaruit vlezige en roodzwarte vruchten komen.

 

Werking.

In het Middellandse Zeegebied heerste de mening dat de kuisboom zijn zaad afwerpt voordat dit rijpt en zo geslachtelijk onvruchtbaar is. Daarom is de struik het symbool van kuisheid. Tijdens de Thesmophoria, het feest van Demeter Thesmophoros, zaten de Griekse vrouwen op de takken van deze struik om vruchtbaar te worden en gedurende het festival gevrijwaard te zijn van het samengaan met hun echtgenoten (2) Deze plant bezit de kracht om de geslachtsdrift tussen de seksen te verminderen. Door monniken werd het daarom nog lang gebruikt samen met kamfer. Het middel zou nu nog in gebruik zijn bij Oosterse kloosters als ideale plant om de geslachtszin te verdrijven. Het wordt daar gedragen als amulet, waarschijnlijk over het hele lichaam.

 

Etymologie.

Vitex is een oude Latijnse naam die afgeleid zou zijn van vieo, ‘binden’, omdat de flexibele twijgen daarvoor gebruikt konden worden. De naam Vitex werd gekopieerd met de Griekse naam voor de struik, agnos’, wat tot een verwisseling leidde met het Latijnse agnus, ‘lam’. Doordat verder het woord met Grieks voor onbevlekt, ‘hagnos’, verwisseld werd, kreeg agnos de Latijnse bijnaam castus. (zie castreren) Die naam paste bij het gebruik van de struik als middel tegen onkuisheid. Agnus castus is dan ook de klassieke Latijnse naam voor deze struik en betekent letterlijk kuisheidslam. Soortgelijke namen in West-Europese landen zijn het Engelse chaste-tree, onze kuisheidsboom en de Duitse Keuschlamm-baum. Christelijke symbolen brachten de naam verder in verband met het Agnus Dei, ‘kuisheidslam Gods’. De naam Vitex is oerverwant met Salix, de waterwilg.

 

XXIII Bernage of bernaidge of borago is heet ende voechtigh in den iersten graet, waer af de blayeren als si groen sijn der medicine bequaem zijn, maer droog niet, daerna dat zaet. Bernaige maect goet bloet daerom gesoyen eest bequaem den ghenen die van langher siecten ghenesen. Oec es si goet teghen den hert vanck, teghen dat in onmacht gaen, ende den melancolosen, met vleesch of in manier van pottagien gheten.

Tegen sincopium (dat es in onmacht oft van hem selven te gaen): Neempt I pont van den sap van bernagien, wijn daer citrum in ghesoyen es, I quar, been van dat herte des herts, I dragma, minget met suker ende drinckt er af smergens en tsavons so veel als ghi wilt.

Tsege verstoppinge der milten ende tegen melancolie of de quarteyne: Neemt I pont van den sap van bernagien, hertstongen, cuscute of wranghe in de vlasse elck een ½ hant seneblayren, der wortelen brusci, spargi ende der sayen van venkel, peercelle, anijs ende calissihout elcx I1/2   unche, sied se al in wijn ende water elcx pont, tot dat IV deel versoyen es, alst doer eenen doeck ghedaen es doetter suker in. Van desen syrope neempt telker reysen glaesken tsmerghens ende tsavonts. Daer nae nempt van den clonten der pillen van rebarben, ende de lapide lazuli elcx een 1/2 dragma, met syrope van hertstongen maeckt pillen IX. Dan om te stercken, nempt daer nae I dragma van drijakel met lutter wijns of dijacorus.

De wortel van bernage en es der medicinen niet goet.

Het cruyt al rouw gheten met ossentonge maket goet bloet.

Tsege die gheel vrou es hoer sap goet, of dat cruyt met milden in vlees ghesoyen, daer af dat sap ghedroncken.

In wermoes oft pottagye met bernage, beten, petercelie in vleessop gesoyen gheeft goet voetsel.

Bernaedse heeft uut zijn der eygher macht dat hert te stercken, daerom es water daer af seer hertelijcken ende doech in veel siecten. Seneblayeren in hoer watere ghesoyen, daer af syrope ghemaetst es goet den siecken die seer gheflaut sijn ende ghecranckt, Serapio, Pandecta.

XXIII Bernagie. (Borago officinalis) Bernagie, bernaidge of Borago is heet en vochtig in de eerste graad waarvan de groene bladeren het beste medicijn zijn, maar droog niet, daarna het zaad. Bernagie maakt goed bloed daarom is het gekookt goed voor diegene die van lange ziektes genezen. Ook is het goed tegen hartkramp, (1) tegen het in onmacht gaan (2) en voor de droefgeestige om het met vlees of als stamppot te eten.

Tegen syncope (dat is in onmacht of van je stokje gaan): ‘Neem een pond bernagiesap; een kwart pond wijn waar citroenen in gekookt zijn; een maal 3,9 gram been van het hart van een hert; meng het met suiker en drink er ‘s morgens en ‘s avonds van zoveel als je wil'. Tegen verstoppingen van de milt en tegen droefgeestigheid of de vierdedaagse (3) koorts: ‘Neem een pond van het sap van bernagie; hertstongen, Cuscuta (of warkruid in het vlas) van elk een halve hand; sennebladeren, de wortels van Ruscus en asperge, de zaden van venkel, peterselie, anijs en zoethout, van elk anderhalf ons; kook dit alles in wijn en water, van elk anderhalf pond; totdat het vierde deel verkookt is en als het door een doek is gedaan doe je er suiker bij’. Van deze siroop neem je elke keer anderhalf glaasje ’s morgens en ’s avonds. Daarna neem je van de hoop de pillen van rabarber en lapis lazuli, van elk een half maal 3,9 gram; met siroop van hertstongen maak je negen pillen. Dan neem je daarna om te versterken een maal 3,9 gram van knoflook met wat wijn of sap van Acorus.

De wortel van bernagie is niet goed als medicijn. Als je het kruid rouw met ossentong eet maakt het goed bloed.

Tegen geelzucht is het sap goed of kook het kruid met melde in vlees en drink daarvan het sap.

In warme moes of als stamppot met bernagie, bieten en peterselie in vleessap gekookt geeft het goed voedsel.

Bernagie heeft uit eigen macht de kracht om het hart te versterken, daarom is het water dat daar van gekookt is hartversterkend en doet het goed in veel ziekten.

Sennebladeren die in het water ervan gekookt zijn waarvan een siroop gemaakt is is goed voor de zieken die zeer krachteloos en ziek zijn volgens Serapio en Pandecta.

(1) Angina pectoris (2) Syncope (3) Malaria.

 

Tekstvak:  23. Borago officinalis, L. (geneeskrachtig)

Algemene kenmerken.

Bernagie is een eenjarige en sterk vertakte plant van een halve meter hoog. Het is een ruige plant, over het geheel zilverachtig behaard. De bloeiwijze is een schicht die zich tijdens de bloei verlengt en tot bijna bovenaan toe bebladerd is. Het gewas kan, net als andere leden van deze familie, blauw en roze tegelijk bloeien. Ze werden daarom wel beschaamde meiskens genoemd. Wil je mooie dromen hebben, dan moet je een vaas met deze bloemen naast je bed zetten.

 

Werking.

De naar augurken smakende bladeren werden wel in verfrissende slaschotels gelegd met de bloem als garnituur. Geplaatst in thee of lichte wijn maakt het kruid een heerlijke drank. Als cosmetisch artikel zou het verjongend en reinigend op de huid werken. De borago is door artsen in de oudheid als zweetdrijvend middel gebruikt en als middel voor het uitdrijven van koorts.

De Latijnse spreuk ‘ego borago gaudia semper ago’, ‘Ik borage, breng altijd moed’, werd al meer dan duizend jaar geleden geciteerd. (7) Bloemen van dit kruid vloeiden in de wijn van de bekers die de kruisvaarders dronken voor hun vertrek. Mogelijk is dit woord beēnvloed door Keltisch borrage, ‘moed brengen’. De bernagie zou de ‘Nepenthe’ van Homerus zijn geweest, ‘de drank die vergetelheid bracht’.

 

Etymologie.

Het Arabische abu-aracq, ’vader van zweet’, heeft over midden-Latijn Borago de Europese vormen geleverd. Bernagie, de Duitse Borago en Engelse borage komt van het oud-Franse bourage (nu bourrache) Dit op zijn beurt stamt van het laat Latijn burra, ‘harig’, de ruige huid van die­ren. Borage is zo de harige plant, een treffende naam. Linnaeus stelde een gewijzigde naam voor, van cor, ‘hart’, en ago, ‘bij voorkeur’, als een verwijzing naar de hartversterkende kwaliteit van de bladeren. Of naar courage, ‘moed’, vanwege de opwekkende kracht en smartwerende eigenschappen.

Vanwege de vorm van het zaad en de naar augurken smakende bladeren werd de plant ook augurkenkruid of komkommerkruid genoemd en in het Duits Gurkenkraut.

 

XXIIII Ossentonge oft buglossa oft lingua bovis, dat is allele ens, want het ghelijckt der tongen van den osse. Het es heet ende nat uut sijnre ierste macht, zijn II machts is dat goet es den hoestende mensche, van scerpicheit der longheren. Aldus sap van ossentongen: I pont, yspe, mellisse elcx hant, der wortelen van selie, van yreos, van enula campana (of alant) en van calissihout elcx unche, vighen, VII in ghetael, siedt se al in II pont waters toet dat de helft versoyen is, dan doir eenen doec ghecleert ende met honich dat afgeschuijmt es ghesuet, maeckter af dranck, dien gheeft al lau tsmerghens ende tsavons telken V unche. Als hy ghedroncken es so nempt omtrent middernacht dese pillen: Nempt van de clonten der pillen van agaricus, I dragma, goet agaricus een ½ scrupel, salis gemme 1 greyn, met syrope van calissihout, maeckt IX pillen. Daer na: Nempt dyapenidium of dijaijris salomonis om te stercken, ten lesten strijket de borst met der salven van dijaltea met weinich olien van zueter amandelen ghemingt, tsmerghens ende tsavons.

De derde macht van ossentonghe es dat hert te verbliden als men se met vleesch siet oft int werm moes doet dat int vleeschsop ghesoyen es. Of met wijn siedt, dien wijn heeft de selve macht. Serapio.

Als de blayeren van ossentonge worden verbrant, so sijn se goet tsegen die lopinge der tanden of des tantvleesch, dat self es oeck goet teghen alcolaz. (dat sijn puystkens in den mont, sonderlinge die den jonghen kinderen comen uut hitten des monts)

Die proprieteyt van ossentongen es die coleren te reynen ende die melancolie Ende als yemant hoer wilt nemen, so sal hy tsap daer af met senepoyer, met weinich ghingebeers ende lutter suker nemen, Mesue.

Sap dair af met bolus armenicus (dat is roy eerden) ende met weynich mellicratum (dats wijn met water gesoyen ende honich ghemingt) es goet tseghen der hertvanck, Pandecta.

XXIIII Ossentong. (Anchusa officinalis) Ossentong, buglossa of lingua bovis is allemaal hetzelfde want het blad lijkt op de tong van een os. Het is heet en nat in zijn eerste kracht, zijn tweede kracht is dat het goed is voor de hoestende mens vanwege de scherpheid van de longen. ‘Neem hiertegen een pond van het sap van ossentong; van hysop en Melissa van elk een halve hand; de wortel van selderij, van Iris, van Inula campana (of alant) en van zoethout, van elk anderhalf ons; zeven vijgen en kook dit alles in twee pond water tot dat de helft verkookt is, dan zuiver je het door een doek en maak het zoet met afgeschuimde honing zodat je een drank hebt waarvan je ‘s morgen en ‘s avonds telkens vijf ons lauw geeft’. Als dit gedronken is dan neem je rond middernacht deze pil: ‘Neem van de wortels de pillen van cantharel een maal 3,9 gram; van goede cantharel een half van 1,3gram; van zoutsteen een 0, 65 gram; en met siroop van zoethout maak je er negen pillen van’. Dan daarna: ‘Neem dyapenidium of dijaijris salomonis om te versterken en tot slot bestrijk je de borst ’s ochtends en ’s avonds met de zalf van het sap van Althaea dat met wat olie van zoete amandelen gemengd is.

De derde kracht van ossentong is om het hart te verblijden als je het met vlees kookt of het in warme moes doet dat in vleessap gekookt is. Of kook het met wijn, volgens Serapio heeft die wijn dezelfde kracht.

Als de bladeren van ossentong verbrand worden dan zijn ze goed tegen het lopen van de tanden of van het tandvlees. Hetzelfde is ook goed tegen alcolaz (dat zijn puistjes in de mond en vooral bij jonge kinderen die uit de hitte van de mond komen. (1)

De voornaamste kracht van ossentong is om de rode gal en de zwarte gal te reinigen. En als iemand het in wil nemen dan moet hij volgens Mesue het sap daarvan nemen met sennepoeder, met wat gember en wat suiker.

Het sap daarvan dat met bolus armenicus (dat is rode aarde) en met wat mellicratum (dat is wijn dat in water gekookt en met honing gemengd is) is volgens Pandecta goed tegen hartkramp. (2)

(1) Aften ? (2) Angina pectoris.

 

 

Tekstvak:  24. Anchusa officinalis, L. (geneeskrachtig)

Algemene kenmerken.

De ossentong is meestal ruw behaard en grijsgroen gekleurd door de dichte beharing. De diepblauwe bloemen staan in ruige hoofdjes en zijn samengesteld uit vele bloempjes. Net als meer leden van deze familie is de bloemkleur eerst roze en wordt na de bevruchting meer en meer blauw. Dit is mogelijk een teken voor bezoekende insecten.

 

Werking.

Met Anchusa tinctoria werd de plant gebruikt tegen huidziektes, vanwege de kleurovereenkomst van de geērriteerde huid. Medicinaal werd de ossentong gebruikt om de stoelgang te bevorderen door een paar gram versnipperde bladeren in een kopje warm water te laten weken.Deze wortel in wijn voor diegene die zonder koorts zijn of in mede voor diegene die koortsachtig zijn gekookt en gedronken is goed tegen de geelzucht, verstopte milt en voor de pijn van de lendenen en de nieren’. (1)

 

Etymologie.

Anchusa is een naam die afgeleid is van het Griekse agkhousa, ’een plant waarvan de wortels een rode verf leveren voor de huid en lippen’. Van de wortel werd wel een poeder gemaakt dat gebruikt werd om de gezichten van dames te verven. Ook van andere planten uit deze orde wordt een roodbruine verfstof verkregen die gebruikt wordt om stoffen te verven, bijvoorbeeld alkanet.

De naam ossentong is ontstaan omdat de bladeren ruw en breed zijn als een ossentong. Door oude schrijvers wordt deze plant aangeduid met de Griekse naam bouglossa, bous, ‘os’, en glossa, ’tong’, ossentong. Soortgelijke namen zijn in het Frans langue de boeuf, de Engels oxtongue en Duitse Ochsenzunge.

 

XXV Bottonie of betonie, dat es betonia, die is heet ende droeghe in den derden graet. Hebbende macht af te drogen ende grove humoren te besniden of te cleyne. Si heeft de macht den steen der nieren oft der blasen te breken, ende doet den vrouwen hoer stonden comen. Oeck es si goet tsegen pijne der sijden ende tsegen verstopping der milten als men de wijn drincket daer si met hertstongen, venkelwortel in ghesoyen is. Dien selven dranck, als dair me ghesoyen, siedt de wortelen van spargi ende brusci sonderlinge es goet tegen de watersucht uut couder saken.

Bottonipoyer met mirren ende weynigh soffraen ghemingt gheneest de wonden des hoofs.

Teghen pijn der tanden es goet bottonie met onderave in eeck ghesoyen daer me die tanden ghewasschen.

Tegen duysternisse des ghesichs, mingt bottoniewater met poyer van aloe, epatici ende luttel gebroken der tuchien ende droghet met druppelen smaels in de oogen.

Bottonie, alsem ende cubeken in wijn ghesoyen es goet tegen hooftswere, sterkende den genuen. Bottonie met reems spica ende cubeben in loeghe ghesoyen ende daer me dat hoft ghewasschen, dicke, es goet tseghen dat omdraijen der ooghen als vertigo ende tseghen hooftsweer, dat self is oeck goet teghen die vallende sieckte.

Tseghen die venineghe beten, siedt betonie in wijn, leg se daer op.

Teghen suere of amper oprupsinghe: Nempt wijn, der bottonie ende lutter poyer van galgaen in ghesoyen es.

De wortele van bottonie ghesoyen met bloemen van wilt soffraen, dan ghedroncken met ijdromel doet seer die flumen overgheven.

Bottonie in wijn gesoyen is goet teghen dat letsel der medicinen die doen sterven, Serapius.

Wijn daer in ghesoyen es bottonie met bolus armenus ghemingt is goet denghenen dye bloet uut der borst spouwen.

Tseghen dat fleerfijn: Nempt wijn daer in ghesoyen bottonie, adick ende scijterwijt, dat self is oeck tseghen colicam goet.

Wijn daer bottonie in ghesoyen is goet den vrouwen die baren ende gheen cortsen en hebben. Ende dye den corts hebben is bottoniewater goet. Pandecta, Serapio, Platearius.

XXV Betonie. (Stachys officinalis, oude naam was Betonica officinalis) Bottonie, betonie is betonica is heet en droog in de derde graad. Het heeft de kracht om af te drogen en de grove levenssappen te besnijden of te verkleinen. Het heeft de kracht om de steen in de nieren of de blaas te breken en laat bij de vrouwen hun stonden komen. Ook is het goed tegen pijn van de zijde en tegen verstoppingen van de milt als je de wijn drinkt waar het met hertstongen en venkelwortel in gekookt is. Dezelfde drank, als waar het in gekookt is, daarin kook je de wortel van asperge en Ruscus en dat is bijzonder goed tegen waterzucht (1) die uit koude zaken komt.

Betoniepoeder die met mirre en wat saffraan gemengd is geneest de wonden van het hoofd. Tegen pijn van de tanden is het goed om betonie met hondsdraf in azijn te koken en daarmee de tanden te wassen.

Tegen slecht zien meng je betoniewater met het poeder van AloĎ epatica en wat gebroken tuchia en doe het met enkele druppels per keer in de ogen.

Betonie die met alsem en cubeben in wijn gekookt is is goed tegen hoofdzweren en versterkt de zenuwen.

Betonie die met roomse spica en cubeben in loog gekookt zijn en als daarmee het hoofd veel gewassen wordt is goed tegen het omdraaien van de ogen zoals vertigo en tegen hoofdpijn, hetzelfde is ook goed tegen vallende ziekte .

Tegen venijnige beten, kook betonie in wijn en leg het daar op.

Tegen zure of bittere oprispingen: ‘Neem wijn waar betonie en wat poeder van galigaan in gekookt is’.

Als je de wortel van betonie kookt met de bloemen van saffloer en het drinkt met hydromel (dat is honingwater) zorgt dit ervoor dat je veel slijm (uit de longen) overgeeft.

Betonie die in wijn gekookt is is volgens Serapio goed tegen schade van medicijnen die laten sterven.

Wijn waar betonie in gekookt is en dat met bolus armeniacus gemengd is goed voor diegene die bloed uit de borst spuwen.

Tegen jicht: ‘Neem wijn waar betonie, kruidvlier en schijtwit in gekookt zijn, hetzelfde is ook goed tegen koliek’.

Wijn waar betonie in gekookt is is goed voor de vrouwen die baren en geen koorts hebben. En voor diegenen die wel koorts hebben is betoniewater goed, Pandecta, Serapio en Platearius.

(1) Oedeem. (2) Duizeligheid.

 

 

Tekstvak:  25. Stachys officinalis, Trevisan. (geneeskrachtig)

Algemene kenmerken.

Betonie heeft vele brede en wat gezaagde, aromatische bladeren. Ze staan aan smalle, vierkantige maar opgaande en harige stengels. Aan de top staan hoofdjes als die van lavendel, meestal dikker en korter. Ze zijn van een roodachtige of purperen kleur en gevlekt met witte spotten in juli en augustus.

 

Werking.

In vroegere tijden werd zijn geneeskracht op hoge prijs gesteld. Antonius Musa, de lijfarts van keizer Augustus, heeft over deze plant een boek geschreven en het tegen 47 verschillende ziektes aanbevolen. ‘Venda la tonica e compra la betoncia’’, zo schreef hij, ‘verkoop het kleed en koop betonie’. Zulke geweldige geneeskracht. Van een persoon met vele goede eigenschappen was het gezegde, ‘hij heeft meer krachten dan betonie’. Dodonaeus zegt,‘Met korte woorden gezegd, betonie is zo vol van deug­den en krachten dat men daarom in ItaliĎ een spreekwoord gebruikt, Gij zijd voller van deugden dan de Betonie, ‘Tu hai piu virtu che la Betonica’. Het had een grote reputatie in middeleeuwen vanwege lichamelijke en geestelijke genezing. Het is goed tegen verkoudheid, hoesten en lange koortsen. Het frisse kruid werkt wat verdovend, wat verdwijnt bij het drogen. Gedroogde bladeren veroorzaken niezen. De geur van betonie maakt het hoofd vast en helder en schenkt de mens de tegenwoordigheid van geest die hem tegen kwade bedoelingen beschermt. (1, 2 17, 22, 25)

 

Etymologie.

Stachys is afgeleid van het Griekse stachus, ‘een aar’, het is een verwijzing naar de bloeivorm.

Volgens Plinius stamt de naam bettonica van de Betto­nes, een Spaans volk. Latere auteurs verwierpen deze theorie en namen aan dat het woord stamt van de Keltische vorm bew, ‘hoofd’, en ton, ‘goed’, omdat het vooral goed was tegen hoofdpij­nen. Via het Latijnse betonica en het Frans betoine kwam het midden-Nederlands betonia, zo ook in Duits, het Engels heeft betonica. (17)

 

XXVI Berenclauwe oft branca ursima is cruijt dat heet ende nat es in den tweeden graet. Het heeft dye macht te morwen, te ripen ende te saechten den lichaem tseghen die dorrigheyt der genuen ende der leen, tseghen verherde apstonien ende tsehen de hertheyt der milten. Maeckt een salve van berenclauwe, van witten hoemschwortel, van den saye van fenigreeck ende lisaet ghesoyen in gemeyne olie ende ghecleert, dan daer toe was dat genoch si ghedaen. Dese salve is ghemeijnlic tsegen alle verherde apstonien goet.

Tseghen letsel dat in die borst es uyt taye flumen, die behoeven verworwinghe op dat si te sachtelijc uut de borst moghen lossen, voer der ghemeyn olye, olie van sueten amandelen ghenomen es beeter der borst ende saecht meer. Item nempt van den sap van beerenclauw IIII unche, savelboom, onser vrouwen wiechstroe, bivoet, agherhande, alsem, savie, mageleyne, rosenmarijn elcx I hant, kaneel, spica nardi, comijn, galegaen elcx II dragma, stoot se al ende siedt se met wijn tot dat hi versoyen es, dan douwet wel uut dat sap, daer toe mingt wyt was dat ghenoch si ende maect er af morwe salve. De voergheneemde cruyden achter nae toe doende, daer me strijckt den lichaem ende ander plaetsen die pijne van flumen of winden hebben. Dese salve es goet teghen de pijne der moyer ende ander pijnen uut flumen oft van winden comende. Beerenclauwe met gheytensmeer ende hoemschwortel in lutter wijns ghemingt es goet tseghen dye pijne der iuncturen of leen, oeck ist goet teghen die uutreckinghe der leen, als ment daer op strijckt.

Tseghen pijne der dermen ende barringhe der pissen, siedt berenclauwe, hoemschblaijeren ende saet dat psilium heet in water, sonderlinghe eest goet tegen den dorst en apstonien van den eerse ende teghen verwoede beeten. Pandecta, Platearius.

XXVI Berenklauw. (Heracleum sphondylium) Berenklauw of branca ursina is een kruid dat heet en nat is in de tweede graad. Het heeft de kracht om te vermurwen, te rijpen en het lichaam te verzachten. Tegen de dorheid van de zenuwen en van de leden, tegen verharde blaren en tegen de hardheid van de milt. ‘Maak een zalf van berenklauw, van witte heemstwortel, van het zaad van fenegriek en lijnzaad, kook het in gewone olie en zuiver het, dan voeg je daar zoveel was bij als genoeg is’. Deze zalf is gewoonlijk tegen alle verharde blaren goed.

Tegen het letsel in de borst dat uit taai slijm (1) is ontstaan en dat vermurmt moet worden zodat het zacht uit de borst zal lossen: ‘Neem voor de gewone olie de olie van zoete amandelen, dat is beter voor de borst en verzacht meer’. Item; ‘Neem van het sap van berenklauw vier ons; van savelboom, onze vrouwen wiegstro, bijvoet, averone, alsem, Salvia, majoraan en rozemarijn van elk een hand vol; van kaneel, nardus, komijn en galigaan,van elk twee maal 3,9 gram; dit stamp je en kook het met wijn tot dat het verkookt is, dan duw je het sap er goed uit, daarbij meng je zoveel witte was als genoeg is en maak er een murwe zalf van’. De voorgenoemde kruiden, van de laatste af aan, gebruik je dan om het lichaam en andere plaatsen te bestrijken die pijn van slijm of winden hebben. Deze zalf is ook goed tegen de pijnen van de baarmoeder en andere pijnen die uit slijm of uit winden komen.

Berenklauw die met geitensmeer en heemstwortel in wat wijn gemengd is is goed tegen pijn van de gewrichten of van de leden, ook is het goed tegen uittrekking van de leden als je het daar op strijkt.

Tegen pijn van de darmen en het brandend plassen, kook berenklauw, heemstbladeren en zaad dat psilii (2) heet in water, dit is bijzonder goed tegen dorst en de blaren van de aars en tegen beten van dolle (honden). Pandecta en Platearius.

(1) Taaislijmziekte/cystische fibrose, of een forse ontsteking als tuberculose. (2) Plantago psyllium.

 

Tekstvak:  26. Heracleum spondylium, L. (wervel, naar de opgezwollen bladstelen die er als een gewricht uitzien)

 

Algemene kenmerken.

De berenklauw kan hier een anderhalve meter hoog worden. Die hoogte bereikt het pas in het tweede jaar, in het eerste jaar maakt het een bladrozet van grote getande, harige bladeren. Bij verwondingen kan het sap van de bladeren blaren veroorzaken waardoor de plant niet geschikt is voor kleine tuinen. De berenklauw geeft grote geel/witte bloemschermen.

 

Werking.

Naar de Griekse sage vindt Hercules de spelonk van de rover Kaukus door middel van een kruid. Dit is het Herculeskruid dat als toverroede door Hercules gebruikt werd om de dief op te sporen. Daarom wordt Hercules met een kroon van deze plant afgebeeld.

 

Etymologie.

Heracleum is zo genoemd naar Hercules, omdat die deze plant als medicijn gebruikt zou hebben. Vele oude krijgers waren bekend met heilplanten om de wonden te genezen.

De berenklauw, Duitse Barenklau, Franse branc-ursine en Engelse bear's breech is zo genoemd, niet naar de grote bladeren, maar naar de afdruk van een berenklauw op zijn zaden.

 

 

 

 

XXVII Beete of bleta of beeta is cout ende nat. Ende es twederleye als witte ende swerte. Der witte heeft macht af te droghen, te sachten, te vochteghen ende te vercouwene. Maer dye swerte heeft eenderhande scerpe suerachtiheyt (dat es stipticiteijt) daerom stopt de swerte den lichaem.

Dye witte met hoerder vochticheit purgeert den lichaem of doet ter cameren gaen, dairom is si goet den gestopten in vleesch ghesoyen.

Van den sap van beeten met honich ende weynich ghinbeers in den nose weynich ghedaen wort men niezende, al so rumen de overvloedicheyn der hersenen.

Dat sap van beeten met donderbaert ghemingt verbiedt die apstonien te comen, dat selve met eeck ghemingt es goet tseghen dat heylich vier of teghen ignem sacrum (dats allevenleens) ende teghen de erispille. (dats een apstonie van vierachtigher coleren).

Beete te veel ghenomen bijt der maghe ende die dermen, alle beye die manieren van beeten sijn van wenich voetsel om dye soutachheyt die in hem es, Serapio. Maer beete es goet om te openen die verstopping der leveren ende der milten als men se met hertstonge siedt ende eet. Tegen scellinge des hofs, tsegen neeten of lusen, wasschet hoet met dye siedinghe daer beete wortel ende agherande in ghesoyen es.

Teghen plecking of morphea, mingt sap van beeten met sal nitrum ende wast si dae me, dat selfs is oeck goet teghen bedriechteghe sweeren, dat quaet vleesch af wassende, oec tegen sweringhe in den mont, ooc tegen impetiginem (dats een smettinge in dat vel die roewchtich of rou es) ende het gheneest die sweeren van den noese.

Dat hoot met sap van beeten ende agherande ghestreken es goet tsegen alopicie ende doet dat haer wassen.

Beete ghesoien is goet tegen den dorst.

Beete met mostaert ende eeck gheten is goet den ghebreckeghen in die milte, hoer lijen meer medicinen dan voetsele, Dyaf int capittel bleta seet, beete met mostaert gheten es goet den siecken, in die lever ende milte.

Met wit van den eye opt heylich vier ghestreken bedwinghet ende gheneset.

Tsap van beten lau in die ooren gedaen is goet tegen de pijn in die oren.

Ende opt lickteeken, doncker bleeckheyt of swertheyt ghestreken der quetsinge, gheneest. Pandecta.

XXVII Biet. (Beta vulgaris) Biet, bleta of beeta is koud en vochtig. Er zijn twee soorten als wit en zwart. (1) De witte heeft de kracht om af te drogen, te verzachten en te bevochtigen en te verkoelen. Maar de zwarte heeft een bijzondere scherpe zuurachtigheid (dat is stipticiteit) daarom stopt de zwarte de loop. (2) De witte laxeert met haar vochtigheid het lichaam of laat naar toilet gaan, daarom is het goed voor de verstopte als je het in vlees kookt. Als er wat sap van biet met honing en wat gember in de neus gedaan wordt laat het niezen en ruimt het de overvloedigheid van de hersens op. (3)

Het sap van biet dat met donderbaard gemengd is voorkomt dat er blaren komen. Hetzelfde dat met azijn gemengd is is goed tegen het heilig vuur of ignis sacrum (dat is allemaal hetzelfde) en tegen erisypelas. (dat is een blaar van een vuurachtige kleur)

Als je teveel biet eet dan bijt het de maag en de darmen, alle beide soorten biet geven volgens Serapio weinig voedsel vanwege de zoutachtigheid die in hen is. Maar de biet is goed om de verstopping in de lever en de milt te openen als je het met hertstongen kookt en eet.

Tegen roos op het hoofd, tegen neten of luizen, was het hoofd met het kooksel waar de bietwortel en averone in gekookt zijn.

Tegen plekken of morfeem (4), meng het sap van biet met sal nitrum en was het daarmee, hetzelfde is ook goed tegen bedrieglijke zweren want het wast het kwade vlees er af, ook tegen zweren in de mond en tegen impetigo (dat is een huidbesmetting die ruwachtig of rouw is) en het geneest de zweren van de neus.

Als je het hoofd met het sap van biet en averone bestrijkt is dat goed tegen alopecia (5) en laat het haar groeien.

Gekookte biet is goed tegen dorst.

Als je de biet met mosterd en azijn eet is het goed tegen de gebreken van de milt, het geeft meer medicijn dan voedsel in je af. Dyaf in het kapittel van biet zegt dat als je bieten met mosterd eet het goed is voor de ziekten van de lever en van milt.

Als je het met het wit van een ei op het heilig vuur strijkt bedwingt en geneest het die.

Als je het sap van bieten lauw in de oren doet is dat goed tegen pijn in de oren.

En als het gestreken wordt op een litteken, donkere bleekheid of zwartheid van kwetsingen (6) geneest het die volgens Pandecta.

(1) Rode biet. (2) Obstipeert. (3) Voorhoofdsholteontsteking? (4) Vormafwijking van de huid. (5) =Kale plekken. (6) Hematomen/necrose.

 

Tekstvak:  27. Beta subspecie vulgaris, L. (gewoon)

 

Algemene kenmerken.

Alle vormen van de biet zijn waarschijnlijk afkomstig van de zeebiet Beta maritima, L. (van de zee) De zeebiet is onaantrekkelijk, maar de stichter van een grote familie. Dit door meer dan 2000 jaar cultivatie, selectie en kruisingen door de wind tussen de wilde en de tamme vormen.

De bladeren zijn dik, glanzend en wuivend. De onopvallende bloemaren zijn lang en smal, bladig en komen in juni tot september. De wortel is tweejarig of meerjarig.

 

Werking.

Suiker was al in de oudheid bekend, maar speelde geen belangrijke rol, werd meer gebruikt in de artsenij. Suiker behoorde tot de 15de eeuw nog tot de apothekerswaren, ook al werd het al lang voor bakwerk en als genotmiddel gebruikt. ‘Biet wordt wel smids kost genoemd omdat de smids die veel plachten te eten om de hardlijvigheid die ze van steeds bij het vuur te zijn krijgen daardoor te verdrijven." (2) De rode biet is nog maar een paar eeuwen in cultuur, mogelijk vanuit Frankrijk.

 

Etymologie.

Beta is zo genoemd naar de letter BŹta. Het kan een verwijzing zijn naar de vorm van het blad dat overal de B in dubbelheid behoudt. Het is een woord dat wel uit de Germaanse landen geleend is. Het Keltische bett betekent ‘rood’, naar de kleur. Of het woord komt van het Keltisch bwyd of biadh, ‘voedsel’ of ‘voeding’. In het oud-Hoogduits komt Bieza voor zodat het nu Bete is. De Fransen hebben betterave en bette waaruit het Engelse beet en onze biet ontstond.

 

XXVIII Teskenscruyt of bursa pastoris of sanguinaria es cout van complexien, hebbende een stoppende of stiptike cracht. Sij es tweerley, de een heeft blayeren in maniere eender tesschen, die ander heet centinodia ende es een cruyt op die eerde cruypende, hebbende blayeren ghelijc rute ende saet omtrent die blayeren. Het heet oock lingua passerina of muschen tonghe. Dese cruyden syn seer goet tsegen heete apstonien als erispillen (dat sijn apstonien van vierigher coleren) ende tseghen flegmonem (dat sijn apstonien of puysten van heeten bloede) als teskenscruijt met eeck ghestoten daer op es gheleet, want het weerstaet die materie dy ten apstonien wert sou loopen. Het is oeck een overste medicine den diffenterias (dat sijn die den lichaem root met scaffeling van dermen hebben) ende den bloet spouwende menschen, als teskenscruyt met weegbre ende met bolus armenus in reghewater ghesoyen, daer af ghedroncken, toet den lichaem achter blijft. Buyten op die dermen so leght teskenscruyt, weeghebree, bolus armenus ende wit van den eye met reghewater ghesoyen want het seer helpt. Dat sap van teskenscruyt es seer heylende die bloijeghe wonden, tes oeck toet sweeren in die ooren met vuylicheyt vervult ende dat etter daer sijnde droeghet. Oec ghesoyen in reynwater met een cruyt dat persicarie heet (want het den persenblayeren ghelijckt, hebbende swerte plecken ende wast by dat water) es goet tseghen den loop der stonden van de vrouwen, van onder met eender sponcien daer in ende uut ghedout, omtrent den dijen al werm gheleyt helpt teghen dat selve oock.

Tsap van teskenscruyt ghedroncken es goet tseghen dat bloet spouwen, helpende teghen die coupisse ende doet wel pissen.

Met wijn ghedroncken es goet tseghen die fenijnige beeten.

Tegen dat heylich vier is goet teskenscruyt met donderbaert ende eeck ghesoyen ende daer op gheleyt.

XXVIII Tasjeskruid. (Capsella bursa-pastoris) Tasjeskruid, bursa pastoris of sanguinaria is koud van samenstelling, het heeft een stoppende of zuurachtige kracht. Er zijn twee soorten, de ene heeft bladeren op de wijze van een tasje, de ander heet centinodia en is een kruid dat op de aarde kruipt, het heeft bladeren als de ruit en zaad rond de bladeren. Het heet ook lingua passerina of mussentong. (1) Deze kruiden zijn zeer goed tegen hete blaren als erisypelas (dat zijn blaren van vurige kleur) en tegen flegmones (dat zijn blaren of puisten die van heet bloed komen) als tasjeskruid met azijn gestampt en daar op gelegd wordt want het weerstaat de materie die naar de blaren toe zou lopen.

Het is ook een prima medicijn tegen diffenterias (dat is een ziekte die de loop rood maakt met afschaven de darmen (2)) en de bloed spuwende mensen als tasjeskruid met weegbree en met Armeense aarde in regenwater wordt gekookt en daarvan wordt gedronken dan laat dit het lichaam goed blijven. Buiten leg je op de darmen tasjeskruid, weegbree en Armeense aarde met het wit van een ei dat in regenwater gekookt is want het helpt zeer.

Het zaad van tasjeskruid heelt zeer goed de bloedende wonden, het is ook goed tegen zweren in de oren die met vuiligheid vervuld zijn, het etter dat daar in is droogt het op. Ook als het gekookt wordt in helder water met een kruid dat persicarie heet (3) omdat het blad op een perzikblad lijkt, het heeft zwarte plekken en groeit bij het water) is goed tegen de loop van vrouwenstonden als het van onder met een sponsje daar in en uit geduwd wordt. Als je het warm omtrent de dijen legt helpt het tegen hetzelfde ook.

Als je het sap van tasjeskruid drinkt is dit goed tegen het bloed spouwen, het helpt tegen het aandrang tot waterlozing en laat goed plassen.

Met wijn gedronken is het goed tegen venijnige beten.

Tegen het heilig vuur is het goed om tasjeskruid met donderbaard en azijn te koken en dit daar op te leggen.

(1) Polygonum aviculare. (2) Dysenterie. (3) Persicarie maculosa.

 

Tekstvak:  28. Capsella bursa‑pastoris, Med.

Algemene kenmerken.

Het herderstasje heeft variabele bladeren die in een rozet staan. Het is een eenjarige of tweejarige die tot een halve meter kan komen. De kleine witte bloempjes zijn in trossen verenigd.

 

Werking.

Vooral werd het plantje gebruikt bij verschillende bloedingen, na de 18de eeuw werd het plantje vergeten. Het sap werd tegen bloed spuwen en vuiligheid in de oren, bij nierziektes en vrouwenziektes gebruikt. ‘Tasjeskruid dat in water gekookt en gedronken is stelpt de loop van de buik, rode loop, bloed spuwen, bloed plassen en de overvloedige vloed van de vrouwen en allerhande bloedgang, hoe en in welke manier dat het gebruikt wordt en is daar toe zeer krachtig dat sommige schrijven dat het ‘t bloed stelpt al wordt het maar in de hand gehouden of over het lichaam gedragen’ (1) Het kruid bevat, net als andere kruisbloemigen, veel vitamine C. 9.

 

Etymologie.

Capsella bursa-pastoris, Grieks kapsa komt het Latijnse capsa, ‘zakje’ of ‘tasje’, naar de vorm van de vrucht. Bursa is een ‘zak’ of ‘beurs’, en pastor is een ‘herder’, dat zijn dus twee tassen van een herder, dus dubbel op. De zaaddozen zijn gevormd als harten maar harten die in tweeĎn breken. De zaden zitten erin als geld en vormt zo de smalle beurs van de schaapherder. Herderstasje, Duitse Hirtentaschen, Franse bourse a pasteur en Engelse shepherd’s purse.

 

 

XXIX Berberus oft berberis of amiberberis es heet ende drooghe in den tweeden graet, maer die wilde es heet ende drooghe in dat ende van den derden graet. Het es een spruyt met dornen, hoer vrucht is seer stiptic of stoppende ende verwinnende coleram. Dat sap van hoerder vrucht met weghebreewater gheneest ende verbiedt den ouden oft langhen lichaem, ende de vochtigheyen van der moyeren vloyende. Een plaester van der vrucht van berberis gebroken met den sap van diptamus of muysooren ghemaect, trect pilen, doerdnen of ander dingen int lijf stekende uut. Dat sap dese vrucht verbiet den dorst die van hitten compt, sterkende die mage ende de lever die overmits der coleren onnatuerlick verhit is.

Het sap daer af met rooswater ende wit van den eye ghemingt es goet tseghen heete apstonien, daer op gheleet. Ende es goet tseghen den bloyende lichaem uut scaffeling van den dermen als men tsap deser vrucht met weghebree water ende lutter mastike te gaijere drinckt.

Een epitima tseghen de verhittinge der leveren maeckt men van den sappe van berberis met endiviwater ende roije sandelen tsamen ghemingt, legghet dick dit op de lever toet men ghewaer wort hoer vercoelinghe.

Tseghen die ontsteltenisse van den cortse als terciane: Nempt van den sap van berberis ende van endivi elcx I pont, violetten bloemen, I hant vol, der IIII coude sayen II dragma, prumen van damaste, VII, siedt dit tsamen in een ½ pont dat het derdendeel versoyen es, dan doeghet het doer eenen doec ende met suker maeckt een sijroep als voer van anderen sijropen is gheseyt, sal men me dese sijroep nemen. Als hy al ghedroncken es so nempt dese pillen als: Neemt van den clonte der pillen van rebarben, II loot, ende van de pillen van grisecom I loot, dijagridij (dats ghecorrigeerde oft gherechtverdeghe scamonee) III greyn, mingt se met sijrope van adivi ende maecter af pillen, IX. Des anderdaeghs nemet dyarodon abbatis of triasandali om te sterken, daer nae epithimeert de levere als were, Pandecta, Platearius.

xxix Berberis. (Berberis vulgaris) Berberus, Berberis of Amiberberis is heet en droog in de tweede graad, maar de wilde is heet en droog op het einde van de derde graad. Het is een struik met dorens, haar vrucht is zeer zuurachtig of stoppend en overwint gal. Het sap van de vrucht met weegbreewater geneest en voorkomt het oude of lange loop en vochtigheid die uit de baarmoeder vloeit. Een pleister dat van de gebroken vrucht van Berberis met het sap van dictamnus of muizenoor gemaakt is trekt pijlen, dorens of andere dingen die in het lijf steken er uit. Het sap van deze vrucht voorkomt dorst die van hitte komt, het versterkt de maag en de lever die vanwege gal onnatuurlijk ontstoken zijn.

Als het sap daarvan met rozenwater en het wit van een ei gemengd wordt is het goed tegen hete blaren als je het erop legt. En het is goed tegen bloedende loop die uit dysenterie ontstaan is, als je het sap van deze vrucht met weegbreewater en wat mastiek tezamen drinkt.

Een strijksel tegen de verhitting van de lever maak je door het sap van Berberis met andijviewater en rood sandaalhout te mengen, leg het dik op de lever totdat je in de gaten krijgt dat het koeler wordt.

Tegen de ontsteltenis van de koorts als derdedaagse (1): ‘Neem sap van Berberis en van andijvie, van elk een pond; van violenbloemen een hand vol; van de vier koude zaden twee maal 3,9 gram; zeven Damascener pruimen; kook dit tezamen in een half pond (water) tot een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en met suiker maak je een siroop zoals eerder van andere siropen gezegd is, dan moet je deze siroop nemen’. Als het gedronken is, dan neem je deze pillen als: ‘Neem van de hoop de pillen van rabarber, twee loot; van de pillen van aardrook, een loot; dyagridium (dat is verbeterde of klaar gemaakte scammonia) drie maal 0, 65 gram; meng het met de siroop van andijvie en maak er negen pillen van’. De volgende dag neem je dyarodon abbatis of sap van Santalum om te versterken, daarna epithimeert de lever volgens Pandecta en Platearius als vanzelf.

 

Tekstvak:  (1) Malaria

29. Berberis vulgaris, L. (gewoon)

Algemene kenmerken.

De zuurbes is een struik van twee tot drie meter groot. De zeegroene bladeren zijn omgekeerd eivormig en gezaagd. Hangende, gele bloemtrossen in mei en juni worden gevolgd door trossen van rode kraalbessen. De dorens zijn driedelig.

 

Werking.

De bes bevat veel vit. C., verder appel-, citroen- en wijnzuur en is goed voor het maken van dranken. Medisch werd de bes ook gebruikt als een samentrekkende en terugdrijvende kracht. De onrijpe vruchten werden ook wel in water gekookt en als een mondspoeling gebruikt. Het sap was goed tegen dorst die van hitte kwam.Uit de bessen wordt een sap geperst waaruit men siroop maakt als mede rode suikerkoekjes, ook laat men het sap gisten en werken of men giet daar een bodem olie op om het te bewaren wat dan dient om zure sausen te maken en wordt daarom sausenboom genoemd. De bladeren gebruikt men mede in sausen in plaats van zuring. De parels en koralen smelten in het sap en hier maken de alchemisten een valse Tinctura Corallorum van’ (2)

 

Etymologie.

De hoge glans van de bladen zou aanleiding hebben gegeven voor de naam Berberis die Brunfels aannam van de Arabieren. In die taal betekent berberys een ’mossel’. (5) Dit is een naam die waarschijnlijk uit de Phoenische taal ontleend is waar barbar een schitterende polis betekent. Er is zo ook een Grieks woord berberi dat ‘pareloester’ betekent. Berberis is zo verwant met een parel. Het kan ook dat de plant genoemd is naar de plaats Berberei in Afrika waar het door de Arabieren naar Spanje gebracht werd. Het Engelse barberry zou een verbastering zijn van amyrberis bij welke term de Arabische geneesheren de Berberis kenden.

Zuurbes is zo genoemd naar zijn zure bessen’, de Duitse der Sauerdorn, in Frans l’epine vinette.

 

XXX Baselike of baselicon of osimum es tweerleie, de een es gariofilata want si eenen rueck van groffelsnagelen heeft, ende es heet in den iersten graet ende droghe in den II, den dese is van meerder macht, Platearius, uut der macht of conste van Constantijn. Maer dat gheel osimum is heet ende droghe in den iersten graet. Als men in recepten basilicon vindt so sal men dat saet verstaen, in de plaesteren sal men de blayeren nemen. Basilike uut hoeren goeden reuck heeft macht te sterken, te ontbinden, te verteeren, af te droghen ende te suveren. Pandecata, uut de autoriteyt van Dyaf, seyt int capittel van osimum of basilicon, dat een es, dat hoer macht den medicinen es onseker want si som segghen dat si quaet der maghen es, dat si verduuijstert de ooghen ende dat si doet verwoen. Ende als basilike in de sonne verrot, soe worden der wormen uut hoer gheboren. Sommeghe meynen waert dat yemant van basilike nuue ende binen dien selven daghe van eenen scorpioen ghesteeken, waer af hi niet en sou genesen. Maer het es al valsch seyt Dyaf, want sies de maghen goet omdat si dye winden verteert ende si is toet ander dinghen goet want si is goet tegen dat in onmacht gaen ende tegen den hertvanck, aldus siedt basilike met citrum in water of wijn, ende latet eenen nacht weyken, dan ghevet.

Dit cruyt es goet tseghen dye vercoelinghe der maghen als ment met munten ende galegaen in wijn siedt. Dit self is ooc goet tsegen dye onverteringhe der maghen uut coutheyen.

Tegen den lichaem uut couwen, sonderlinge als es lienteria. (dats den lichaem van gheen onthouinghe der spijsen): Nempt saet van basilike ende van den sappe der wilde prunen met reeghenwater. Basilike ghesoyen met bivoet ende met blayeren van laurier, daer in een spocie ende uut ghedout, also op die moyer gheleyt suvert de moyer, doende haer stonden comen. Maeckt er oeck af een pessiarum oft een suppoeste in de moyer, ende het helpt oock om te ontfaen een vrucht. Tseghe tenasmonen, siedt dit cruyt ende wollecruyt in wijn, dat doet er olye toe legghende, dat also op de dijen, oeck sidt daer op want het gheneest.

Basilike int wermoes gheten maect goeden adem of azem.

Wijn ghedroncken daer si inne ghesoyen es, is goet tseghen de pijne der ooghen. Pandecta, Platearius.

XXX Basilicum. (Ocimum basilicum) Basilicum, Baselicon of Ocimum. Er zijn twee soorten, de ene heet gariofilata (1) omdat het geurt als een kruidnagel en die is heet in de eerste graad en droog in de tweede, dit is volgens Platearius de krachtigste uit de macht of kennis van Constantijn. Maar het gele Ocimum is heet en droog in de eerste graad. Als je in een recept basilicum vindt dan wordt het zaad bedoeld, in de pleisters moet je de bladeren nemen. Vanwege haar goede geur heeft basilicum de kracht om te versterken, te ontbinden, te verteren, af te drogen en te zuiveren.

Pandecta zegt uit de autoriteit van Dyaf in het kapittel van Ocimum of basilicum dat haar kracht in de medicijnen onzeker is omdat sommige zeggen dat het slecht voor de maag is, dat het de ogen verduistert en dat het verwondt. En als basilicum in de zon verrot dan worden er wormen uit haar geboren. Sommige menen dat als iemand wat basilicum neemt dat hij dezelfde dag door een schorpioen gestoken zal worden waarvan hij niet zal genezen. Maar Dyaf zegt dat dit allemaal vals is want het is goed voor de maag vanwege de winden die het verteert en het is voor andere dingen goed want het is goed tegen het in onmacht gaan (2) en tegen hartkramp (3) als je het zo gebruikt: ‘Kook basilicum met citroenen in water of wijn en laat het een nacht weken en dan geef je het’.

Dit kruid is goed tegen de verkoeling van de maag als je het met munt en galigaan in wijn kookt. Hetzelfde is ook goed tegen onverteerbaarheden van de maag die uit koude komen. (4)

Tegen loop uit koude, vooral als het lienterie is (ontlasting van onverteerde spijzen): ‘Neem zaad van basilicum en het sap van wilde pruimen met regenwater’.

Als je basilicum met bijvoet en laurierbladeren kookt en dat goed in een spons duwt en dit zo op de baarmoeder legt zuivert het de baarmoeder en laat haar stonden komen. Maak er ook een pessarium of een suppoost in de baarmoeder van, het helpt ook om in verwachting te raken.

Tegen tenasmonem (5) kook je dit kruid en wolkruid in wijn, dat doe je in olie en leg dit op de dijen, ook zit je daar op want het geneest. Basilicum die in warme groente gegeten wordt geeft een goede adem.

Als je wijn drinkt waar het in gekookt is, is het goed tegen oogpijnen. Pandecta en Platearius.

(1) Geum urbanum of Clinopodium vulgare. (2) Syncope. (3) Angina pectoris. (4) Maagzuur, branden/pyrosis. (5) Loze aandrangskrampen.

 

 

Tekstvak:  30. Ocimum basilicum, L.

Algemene kenmerken.

Een halve meter groot kruid met recht opgaande en sterk vertakte stengels. De op salie gelijkende blaadjes zijn met een roestkleurige dons bedekt en ovaal tot langwerpig. De lipbloemen staan in schijnkransen, lila of wit in juni/augustus. Het blad geurt alsof het met wierook doordrenkt is.

 

Werking.

De plant werkt desinfecterend doordat het rhymol, eugenol en kamfer bevat. Om die reden werd het ook als geneesmiddel gebruikt, bovendien werkt het kalmerend, helpt tegen pijnen en zenuwzwaktes. Van de aangenaam kruidige en vluchtige olie worden likeuren gemaakt, het is een van de bestanddelen van de likeur Chartreuse. Ook wordt het gebruikt om motten en vliegen uit slagerijen te verdrijven en slaapkamers.

 

Etymologie.

Ocimum is genomen van ozo, ‘reuk’, naar de krachtige geur van de plant. De late Griekse naam was basilikon, ‘koninklijk’. Men neemt aan dat het die naam kreeg vanwege het gebruik van het aromatische kruid in zalven, bad of medicijn. In Latijn werd het Basilisca, maar ofschoon dit woord geassocieerd was met het Grieks, kreeg het woord een heel andere richting om zijn oorsprong te achterhalen. De verbeelding van de ouden gaf geboorte aan een opmerkelijk reptiel dat zijn kwalijke krachten over de geesten van de mensen uitoefende tot ver in de middeleeuwen. Dit was de gevreesde basilisk, de mythische koning van serpenten. De Grieken noemden dit beest basiliskos, een andere afleiding van hun woord voor ‘koninklijk’. Vanwege zekere opmerkingen begreep men dat er op het reptielenhoofd een kroon zou staan. Daarom wordt in sommige middeleeuwse tekeningen op het hoofd van het monster zorgvuldig een diadeem afgebeeld. Mogelijk is er ergens een overeenkomst gevonden met de basiliek. Geen mens weet het. De Romeinen, door een warboel in etymologie, werden door de Grie­ken geholpen die het kruid als antimiddel tegen de steek van schor­pioenen gebruikten.

Naar middeleeuwse beschrijvingen is de Basilisk uit een dooierloze hanenei door een pad in de mest uitgebroed. Hieruit kwam een dier met een hanenkop en acht hanenvoeten, met een kroon op zijn kop en fonkelende ogen dat door zijn blik doodt, via een spiegel doodt hij uiteindelijk zichzelf. Zie Shakespeare in Henry V ‘Come besilisk, and kill the innocent gazer with thy sight’. Basilicum of bazielkruid, Duits Basilienkraut, Franse basilic en Engelse basil.

 

XXXI Brionie of brionia, sommeghe heetent wilde zewael of witte wigaert. Ende al dat cruyt is heet ende droge, mair de blayers, vruchten ende wortelen hebben macht af te drogen, cleijn te maken ende te ontbinden, daerom zijn se goet tseghen de hertheyt der milten als men hoer ende hoemschwortel met vighen in water siedt, dan met verkens of swijnensmeer mingt ende daer af een plaester op de herdicheyt leet.

Met de sappe van brionie doet men die haren van de vellen.

Dat sap van brionie es goet den bedriegheliken sweeren als men se daer me wascht. Dat self is oeck goet tseghen cliefinge der schenen.

De wortel van brionie ghestoten met fenigrieck ende vitzen in eeck ghemingt, daer me de huyt bestriken, suvert se, droech se af, ende doet af de duysterhuuijt, dye swerte littekenen ende de littekenen der sweeren. Oeck verdrijvende die duysterhuuyt onder die ooghen.

Tseghen fistelen des eers ende pijne: Nempt van brionie, minghet met olijen ende lutter was.

Die soppekens des cruyts int beginsel hoerder rijpheyt ghesoyen met venkel ende peercelie ende ghedroncken, doen water maken ende dye camer hebben.

Een plaester van brionie in wijn ghesoyen geneest, verwandelt ende opent pannoricium. (dats een scerpe apostonie aen den naghel). Brionie treckt oeck uut den benen ende dat stinckende vleesch als men salve van horen sap maeckt met olie ende was. Ende wijn daer dat sap van brionie in ghesoyen es, is goet tseghen die popelsie ende tseghen die vallende siecte, oec doodet hi dye vrucht in den lichaem ende is goet tseghen die beeten van tijrus. (dats een serpent). Maer men sals weynich nemen, want veel ghenomen doet elsfsheyt comen. Die mate van nemen sal sijn II dragma.

Als een vrouwe hoer een suppoeste van brionie in de moyer doet dan verdrijft se dye vrucht ende dat velleken daer de vrucht in rust. Wijn ghedroncken dair si inghesoyen es doet pissen ende de stonden comen als die vrou daer over sidt, so suver se haer moyer.

Een plaester ghemaeckt van brionie in hoemsch ende swijnensmeer tsamen ghesoyen op rijpe apstonien gheleet, doet se breken. Serapio, Avicenna, Pandecta.

XXXI Brionia. (Bryonia dioica) Brionie of Bryonia, sommige noemen het wilde zedoar of witte wijngaard. Het hele kruid is heet en droog, maar de bladeren, vruchten en wortels hebben de kracht af te drogen, klein te maken en te ontbinden, daarom zijn ze goed tegen de hardheid van de milt als je dit met heemstwortel en vijgen in water kookt en dan met varkens- of zwijnenvet vermengt en daar een pleister van maakt die je op de hardheid legt.

Met het sap van Brionia haal je de haren van de vellen.

Het sap van Brionia is goed tegen bedrieglijke zweren als je ze daar mee wast. Hetzelfde is ook goed tegen de kloven van de schenen.

Als je de wortel van Brionia stampt en met fenegriek en vitzen in azijn mengt en daar mee de huid bestrijkt zuivert het die, droogt af en verwijdert de donkerheid van de zwarte littekens (1) en littekens van zweren. Ook verdrijft het de blindheid van de ogen.

Tegen lopende gaten (2) van de aars en pijnen: ‘Neem Brionia en meng het met olie en wat was’.

Als je de toppen van het kruid in het begin van hun rijpheid met venkel en peterselie kookt en dit drinkt maakt het water en laat het naar toilet gaan. Een pleister van Brionia die in wijn gekookt is geneest verandert en opent panaritium. (3) Brionia trekt ook het stinkende vlees (4) uit de benen als je daar zalf op doet dat van haar sap gemaakt is met olie en was. Wijn waar het sap van Brionia in gekookt is is goed tegen vallen (5) en tegen vallende ziekte, ook doodt het de vrucht in het lichaam en is goed tegen beten van tyrus. (dat is een slangachtig serpent) Maar je zal er weinig van nemen want als je teveel neemt laat het je gek worden. De hoeveelheid die je er van mag nemen is twee maal 3,9 gram.

Als een vrouw zich een suppoost van Brionia in de baarmoeder zet dan verdrijft ze de vrucht en de moederkoek waar de vrucht in rust. Als je wijn drinkt waar het in gekookt is laat het plassen en de stonden komen en als een vrouw daar boven zit dan zuivert ze haar baarmoeder. Een pleister die gemaakt is van Brionia die met heemst en zwijnenvet tezamen gekookt en op rijpe blaren gelegd is, laat ze breken. Serapio, Avicenna en Pandecta.

(1) Necrose. (2) Fistel =buis, verbinding tussen 2 holtes, meestal ontstaat deze door ontsteking, of door kanker. (3) = Omloop: ontsteking van de nagelbasis. (4) Zweren. (5) Multiple sclerose.

 

Tekstvak:  31. Brionya dioica, Jacq. (tweehuizig)

Algemene kenmerken.

De heggenrank is een eenjarige klimplant die zich drie meter kan uitstrekken. De blauwachtige, druifvormige bladeren zijn drie tot vijflobbig en bedekt met stevige, prikkelige haren. Klokvormige en groen gestreepte bloemen van een geelwitte kleur komen in mei tot september. De rode bessen lijken op schaapskeutels en worden ook zo genoemd.

 

Werking.

Een vurige martelplant. Het melksap veroorzaakt op de huid blaren. De witte, vuistdikke penwortels smaken scherp bitter en ruiken naar vers gebakken brood, maar werken drastisch afvoerend en in grote dosis braakverwekkend, zelfs dodelijk. De bessen en de wortelstok zijn het meest giftig. Na drogen wordt het minder scherp.

De dikke en vlezige lange bolachtige verdikkingen van de wortels zijn vaak vertakt en worden zo dubbel. Ze lijken zo in voorkomen op een mensengestalte en worden mandrakes of in Duits Zaunrube genoemd. Deze wortels waren de vervangers van de dure mandraak, zie Mandragora. Men droeg de wortels om de hals en geen heks durfde het te wagen de drager te betoveren. De medicantibus herbarum 6de (?) eeuw schreef over de bryonie; ‘Si in capite vel in cinctu eam tecum portaveris, nulla mala te contingent’, dat is ‘Indien gij het om het hoofd of in de gordel met u draagt, kan u geen onheil treffen.’(22)

 

Etymologie.

Bryonia is afgeleid van het Griekse bryo, ‘uitspruiten’. Het is een verwijzing naar de stengels die elk voorjaar weer uit de knollen tevoorschijn komen.

Later werd het ook wel wilde zedewaer en in het Duits Wilder Zitwer genoemd omdat de plant gebruikt werd als vervanger van de dure zedoarwortel (Curcuma zedoaria)

 Een klimmer met blad die wat op de druif lijkt en daarom komt in middeleeuws Latijn ook de naam Vitis alba voor, ‘witte wijngaard’, het is de Franse vigne blanche en Duits wilder Wein, Engelse wild vine.

 

XXXII Cicoreije oft hemelslotel oft cicorea es cout ende nat in den II graet. Ende is tweerleijs, te weten die in de hoven wast ende die int velt wast. Die in der hoven wast vercoellet meer dan die int wilt wast. Dat sap cicoreijen es sere goet teghen die verstoppinge der leveren ende hoerder hitten aldus sijroep af ghemaect: Neemt van den sap van cicoreijen, van endivien ende hertstonge a II (dats elcx even veel) te weten een ½ pont, violet bloemen, rosinen elcx ½ unche, der vier cou sayen, lachtichzaet, porcelleynsaet elcx, II dragma, van ghabranden sivoren I dragma, siedt al lutter ghestooten met II pont waters ende lutter eeckx toet dat dye helft versoyen es, dan doeghet doer eenen doeck ende zuetet met wit suker. Desen sijroep neemt tsmerghens ende tsavons op de manier als voer. Als hy ghenomen es, so nempt van den clonten der pillen van rebarber II scrupel ende van pillen die stomaticef heeten I scrupel, diagridii (dat is bereyde scamoneye) III greyn, mingt met siropen van endivie ende maeckt er af IX pillen. Dese nemp op eenen tijt. Dan des anderen daeghs: Nempt van dijarodon abbatis of triasandali of dijadragaguntum frigidum om te stercken. Van buten strijket op de lever van der salven die trisandali heet. Of maeckt een epithima op dye feuere van endiviwater daer roy ghebroken sandalen in sijn, daer in drucket eenen lijnen doeck ende doet se so op dye lever.

Dat sap van cicoreijen is oec goet teghen de feninighe beeten.

Dat selve is oec goet tseghen een apstoni die erispilla heet die van colere compt, oeck tseghen viereghe apstonien. Als ment minget met den dicke van den tijseijne (dats dat si ghesoyen wort tot dat si dick wort) oft met ghebrokender ghersten met weynich eeckx ende lutter cerusen, makende dair af salve, want si vercoelt..

Dat sap van cicoroyen ghemingt met den sap van hoemsch ende van herba paralisis met lisaet olien ende weynigh soffraen es goet teghen die iecht in den voet, sachtende die pijne.

 Cicoreyewater met nitrum ghemigt es goet teghen morfeam (dats pleckinge) Pandecta.

Dat sap van cicoreye met lachtich water sterckt herte. Alividus Viribus Cordus in dat boeck.

XXXII Cichorei. (Cichorium intybus) Cichorei, hemelsleutel of cicorea is koud en nat in de tweede graad. Er zijn twee soorten, te weten die in de hof groeit en die in het veld groeit. Die in de hof groeit verkoelt meer dan die in het wild groeit. Het sap van cichorei is zeer goed tegen verstoppingen van de lever (1) en haar hitte (2) als je er zo’n siroop van maakt: ‘Neem het sap van cichorei, van andijvie en van hertstong, van elk even veel, te weten een half pond; violenbloemen en rozijnen, van elk een half ons; de vier koude zaden met slazaad en porseleinzaad, van elk twee maal 3,9 gram; van gebrand ivoor een maal 3,9 gram; na het wat gestampt te hebben kook je het met twee pond water en wat azijn tot dat de helft verkookt is, dan doe je het door een doek en maak het zoet met witte suiker’. Deze siroop neem je ’s morgens en ‘s avonds op dezelfde manier als al eerder genoemd is. Als het genomen is neem je van de hoop de pillen van rabarber, twee maal 1,3 gram; van de pillen die maagzuiverend heten, 1,3 gram; diagridii (dat is klaar gemaakte scammonia) drie maal 0, 65 gram; meng het met siroop van andijvie en maak er negen pillen van. Deze neem je in een keer in. De volgende dag: ‘Neem van dijarodon abbatis of sap van Santalum of dragaguntum frigidum om te versterken’. Van buiten strijk je op de lever de zalf die sap van Santalum heet. Of maak een strijksel op het vuur waar andijviewater met ruw gebroken rood sandaalhout in is, dit druk je door een linnen doek en dat doe je zo op de lever.

Het sap van cichorei is ook goed tegen venijnige beten.

Hetzelfde is ook goed tegen een blaar die erispilla heet en die van rode gal komt, ook tegen vurige blaren. Als je het mengt met het dikke van de tijsijne (dat is als het gekookt wordt totdat het dik wordt) of met gebroken gerst met wat azijn en wat bloem van lood en daar een zalf van maakt, want dit verkoelt.

Het sap van cichorei dat gemengd is met het sap van heemst en primula, met lijnzaadolie en wat saffraan is goed tegen jicht in de voet, het verzacht de pijn.

Cichoreiwater dat met nitrum gemengd is is volgens Pandecta goed tegen morfeem. (3) dat zijn plekken)

Het sap van cichorei met slawater versterkt het hart. Alivid viribus Cordus in dat boek.

(1) Galstenen. (2) Hepatitis. (3) Vormafwijking van de huid.

 

Tekstvak:  32. Cichorium intybus, L. (ingesneden)

Algemene kenmerken.

Van witlof zijn de lancetvormige bladeren zijn soms wat ingesneden. De blauwe bloemhoofden zijn okselstandig en komen in paren. De wortel is meerjarig.

 

Werking.

‘Cichoreiwortels worden mede gekookt en tot salade bereid en de bitterheid daarin met krenten gematigd. Zij verkoelen en openen, vooral de lever, zowel de tamme die in de hoven groeit als de wilde die vanzelf in de velden voortkomt en gewoonlijk papenkruid of kankerbloemen genoemd wordt, (Taraxacum) hebben een tezamen trekkende en zuiverende kracht en zijn daarom geschikt voor het wild‑vuur, allerhande ontstekingen, en brandende gezwellen en niet minder om de vervuilde zweren te zuiveren’. (2)

 

Etymologie.

Cichorium is afgeleid van een oude Egyptische naam, kehsher of chicourueh. In het Grieks werd het kikhorion en in Latijn cic(h)orium. Het Griekse kio betekent, ‘ik kom’, en chorion, ‘veld’, dus niet op veld maar aan de rand, wegen. Chicory, Duits Cichori, Engelse chicory en Franse chicoree stammen uit Cichorium.

De mooie blauwe bloemen openen zich alleen in de volle zon, staan dus naar het oosten gericht en gaan om 4‑5 uur open en verwelken tegen 10‑11 uur. De volgende dag bloeien er weer nieuwe ogen. ‘s Ochtends is ze helder blauw, 's middags lichtblauw en 's avonds bijna wit, de drie stadia die er ook in het leven van de mens zijn. Hemelsleutel wordt het kruid genoemd. Zulke mooie bloemen moesten uit de hemel gevallen zijn, zie de hemelse kleur.

 

XXXIII Steenmunte oft cattenmente of dye sommeghe cattencruyt, dats calamentum, oech hetet wilde poley. Ende is heet ende droge in den derden graet, het is drijerleij, te weten, een die in hoeren roeck ende blaijeren is ghelijck onser vrouwen wiechstroe, dats poley, dan dat de blayere meerder zijn, zommege noement wilde poleye.

Die ander heet nepita.

Die derde is gelijc der wilde munten dan dat dye blayers langher dan der munte zijn, Pandecta, Serapio uut der macht van Galenus.

Als dat sap van calametum met honichwater wort gedroncken, so doeget sweeten.

Dit cruyt gebroken met luttul eeckx ende souts ghemingt op den polst van handen ende voeten gheleet is goet tseghen die beefinghe of scuddinge int aengaen des corts. Dat self is goet tseghen die pijne in de side langs de hoep neerwaerts ende heet sciatica, alst daer op ghestreeken wort.

Dat sap van calamentum met wijn ghedroncken, of dat cruyt in wijn ghesoyen, gedroncken, doet den vrouwen haer stonde seer comen.

Als calamentum in medicinen genomen wort, so eest zeer goet der lazereyen, hoer zeer verterende.

Met wijn gheplaestert op de plaetse verdrijft de doye verwe onder der ooghen.

Als hoer zap ghedroncken wort of in een clisteer ghedaen wort so doodet de platte ende langhe wormen in de ooren, in den buuijck ende diepe sweeren.

Een manier oft een clisteer waer of een poppeken in de moyer ghedaen van calamentum ghestoten, met wijn ghemingt doodt ende verdrijft der vrucht in de lichaem, want het heeft een besnijdende macht mits sijnder hitten, mits sijnder subtijlheyt en bitterheyt

Dat cruyt alleen te drincken ghegeven es goet den ghebrekegen in den asem ende den gheelsuchtighen. Met sijn der bitterheyt opende die verstoppinge der leveren, dair om ghesoien ende ghedroncken doet pissen

Dat sap op de ghefenijnde beten ghestreken of op ghestoten gebluste leen gheneest.

Calamentum met wijn ghedroncke verdrijf dat fenijn, ghegeten ende ghedroncken helpt de quellende in de maghe.

Int huys geroect veriaecht de feninige beesten van den huyse.

Die hedendaechs der medicinen heeten dijacalmentum.

XXXIII Steentijm. (Clinopodium calamintha is Nepeta, Clinopodium menthifolium is de wilde munt, Clinopodium acinos is de polei) Steenmunt of kattenmunt wordt door sommige kattenkruid genoemd, dat is calamintha, ook heet het wilde poley. En het is heet en droog in de derde graad. Er zijn drie soorten van, te weten een die in de haar reuk en bladeren gelijk is aan onze vrouwen wiegstro, dat is polei, die grotere bladeren heeft, sommige noemen het wilde polei.

De ander heet Nepeta.

De derde is gelijk aan de wilde munt omdat de bladeren langer dan die van de munt zijn volgens Pandecta en Serapio uit de macht van Galenus. Als het zaad van steenmunt met honingwater wordt gedronken laat het zweten.

Het gebroken kruid dat met wat azijn en zout gemengd en op de polsen van de handen en voeten gelegd wordt is goed tegen het beven of schudden bij het begin van de koorts. Hetzelfde is ook goed tegen pijn in de zijde langs de heup naar beneden toe en ischialgie heet als het daar op gestreken wordt.

Het sap van steentijm dat met wijn gedronken of het kruid in wijn gekookt en gedronken wordt laat bij de vrouwen hun stonden goed komen.

Als steentijm in medicijnen genomen wordt dan is het zeer goed tegen melaatsheid wat het verteert zeer.

Met wijn op die plaats gepleisterd verdrijft het de bleekheid onder de ogen (1).

Als haar sap gedronken of in een klysma gedaan wordt dan doodt het de platte en kleine wormen in de oren, in de buik en in diepe zweren (2)

Een soort van een klysma waarbij een popje in de baarmoeder gedaan wordt van gestampte steentijm dat met wijn gemengd is doodt en verdrijft de vrucht in het lichaam want het heeft een besnijdende kracht vanuit zijn hitte, vanwege zijn subtielheid en bitterheid.

Als je het kruid alleen te drinken geeft is dat goed voor de gebrekkige in de adem en de geelzuchtige. Met zijn bitterheid opent het de verstoppingen van de lever, daarom wordt het gekookt, gedronken laat het plassen.

Het sap dat op de venijnige beten of op gestoten gekwetste leden gestreken wordt geneest het.

Steentijm dat je met wijn drinkt verdrijft het venijn en als je het eet en drinkt helpt het tegen kwelling in de maag.

In het huis gerookt verjaagt het de venijnige beesten van het huis.

Dat nu tegenwoordig in de medicijn gebruikt wordt heet sap van steentijm.

(1) Wallen. (2) Maden.

 

Tekstvak:  33. Clinopodium acinos, Clinopodium calamintha en Nepeta cataria.

Algemene kenmerken. (uit Dodonaeus (1)

1          Het eerste geslacht dat bergcalament genoemd mag worden heeft vierkantige stelen die met dunne en tere haartjes bekleed zijn. De bladeren zijn de bladeren van basilicum wat gelijk, maar ruwer. De bloemen groeien aan de stelen tussen de bladertjes. Het hele kruid is het tweede geslacht van Calaminthum vrij gelijk, maar het is groter, harder van stelen, ruwer en bruiner van bladeren en kruipt niet, maar groeit rechtop. Dit is Calamintha alterum genus of wilde polei. (=Clinopodium acinos, Kuntze

2          Het tweede geslacht dat wilde polei genoemd wordt heeft ook zachte, haarachtige en vierkantige stelen die over de aarde kruipen. Daaraan groeien altijd twee tegen een, kleine en zachte bladertjes doe op de bladeren van polei lijken maar groter en witter zijn. De bloemen groeien met kroontjes rondom de steel en zijn licht purperblauw van kleur. (=Clinopodium calamintha, Stace)

3          Het derde geslacht dat hier te lande kattekruid heet is de witte wilde munt vrijwel gelijk. Het heeft vierkante en zachte stelen met vele leden. Uit elk lid komen twee bladeren, tegenover staand, en ook andere steeltjes voort. En deze bladeren zijn de bladeren van witte watermunt vrij gelijk, maar wat langer en rondom gekerfd, zacht en wit, vooral aan de onderkant van de bladeren. De bloemen groeien met kroontjes rondom de stelen en het meest aan de top. Calamintha tertium genus, (Nepeta cataria, L)

 

Werking.

Calamentum en vooral de berg calamantum, is zeer goed voor diegene die door venijnige gedierten gebeten zijn, hetzij gekookt en gedronken en van buiten op de beten gestreken of gelegd. Hetzelfde kruid dat met wijn tevoren ingenomen wordt beschermt de mensen tegen alle hinderlijk venijn, het verjaagt ook alle venijnige gedierten waar het gelegd of gebrand wordt. Calamantum met honingwater gedronken verwarmt het lichaam, het verdeelt de grove levenssappen, het verjaagt de koude huiveringen en laat het zweet voortkomen. Hetzelfde doet het ook als het in olie gekookt is en het lichaam daarmee bestreken wordt. Calamentum, op dezelfde manieren gedronken is goed voor diegene die gevallen, gesmeten of geborsten zijn om het geronnen bloed te scheiden, die pijn en smart in de buik hebben en die kort van adem en verstopt van borst zijn en die de geelzucht hebben. Calamantum dat met wijn gekookt is en gedronken lost de urine, verwekt de menstruatie bij de vrouwen en jaagt de dode vrucht af. Hetzelfde doet het ook als het met een pessarium van onder gezet wordt. Calamentum is ook zeer goed om door de melaatse mensen gegeten te worden als er daarna wei van zoete melk gedronken wordt. Calamentum die rouw of met eten gekookt en gegeten wordt of met zout en honing gedronken doodt en jaagt af alle soorten wormen in welke plaats van het lichaam dat ze groeien. Hetzelfde doet ook het sap als je het drinkt. Calamentum laat ook littekens en blauw geslagen of gestoten plekken vergaan, als je het kruid in wijn kookt en daar die plekken vaak mee wast, of het verse kruid stampt en er op legt.

 

Etymologie.

Deze soorten van munten heten in Grieks Calaminthe en in Latijn Calamintha. In de apotheken Calamentum, door Plinius en Apuleius Mentastrum.

1) De eerste wordt in de apotheken Calamentum montanum genoemd, dat is berg Calamentum. In Frans calament.

2) Het tweede geslacht wordt in Grieks Glechon agrion genoemd. In Latijn Pulegium sylvestre en Nepita. In Hoogduits Klein bachmuntz en Wild Poley. Hier te lande wilde polei en veld munt. In Frans poliot saulvage.

3) Het derde geslacht wordt tegenwoordig in de apotheken Nepita genoemd. In Hoogduits Katzenmuntz. Hier te lande kattekruid en door sommige nepte en in Frans herbe au cat.

 

XXXIIII Santorie of centaurea, sommege heetent eertgalle. Ende es heet ende drooghe in den III graet. Si is tweerley als de meerdere ende de mindere. Santorie es gheheylsen, want doet men santorie in eenen siende pot, daer vleesch in es dat in stucken ghesoyen es, die santorie doet die stucken weer om aeneen heylen. Si gheneest met allen seere als si versch op de wonde gheleyt wordt, oeck ghedroecht en ghebroken daer op gheleyt doet sijt selve.

De wortel van santorie de meeste met calissiehout ghedroncken es goet tegen dat bloet spouwen.

Tseghen den corts es goet die siedinge van santorie, de meeste of de minste, met hertstonghe, met rosinen ende calissihout, doer eenen doeck gheclaert, met suker ghesuet, dan ghedroncken.

Platearius, uut die conste van Galenus, seyt dat santorie es een eel medecine om te verdriven die verstoppinge der lever ende der milten sonder letsel, daerom ghesoyen als nu gheseyt es verdrijft sij die gheel vrouwe uut verstoppinghe. Met wijn ghesoijen doodt si de stonden vrouwen ende die vrucht voert comen. In gheenderande manieren en sal ment den vruchtbareghen gheven, want sij doodt die vrucht. Al sulke siedinghe met venkelsaet ende petercelisaet doet pissen.

Ooc wijn daer santorie me ghesoyen es dan met suker ghemingt es goet tsegen de verstoppinge der leveren, der milten, der nieren oft der blasen. Oock tegen die coupisse ende diffurie. (dat es nu wat pissen ende over een ure noch wat etc). Santorie met wijn ende olie ghecockt ende so op de nieren of ontrent de scaemlechyet ende op die milte gheleyt es toet selve goet.

Tseghen die verhertheyt der milten, maeckt salve met des cruyts, sap of poyer met olie ende weynich was mingt.

Tseghen die verhertheyt der lever, der milten ende toet anderen dinghe, voer gheseyt, sonderlinghe tsegen de gheel vrou, maeckt dese sijroep: Nempt des saps van santorie I pont, hertstonghenwater een ½ pont, der wortelen van venkel, petercelie, eppe, ende van de IIII cou sayen elcx een ½ unche, siedt se toet dat derdendeel versoyen es, dan doeghet doer eenen doeck ende suetet met suyker. Desen syroep nempt als voer. Dan nempt pillen van rebarbe, daernae dijacalementum om te stercken. Dien selven dranck is goet tseghen het lanckevel. Dit sap met rooswater verclaert de ooghen. Pandectus, Platearius.

XXXIIII Santorie. (Centaurium erythraea, grote is Rhaponticum) Santorie of Centaurium, sommige noemen het aardgal, is heet en droog in de derde graad. Er zijn twee soorten van als de grotere en kleinere. (1) Santorie heelt, want doe je santorie in een kookpot waar vlees in is dat in stukken gekookt is dan laat santorie die stukken weer aaneen helen. Het geneest zeer als het vers op de wond gelegd wordt, ook als het gedroogd en gebroken wordt en er op gelegd wordt doet ze hetzelfde.

De wortel van de grote santorie die je met zoethout drinkt is goed tegen bloed spuwen. Tegen koorts is het goed om het kooksel van santorie te gebruiken, de grote of de kleine, met hertstongen, met rozijnen en zoethout, dat zuiver je door een doek en maak het zoet met suiker en daarvan drink je.

Platearius zegt uit de kennis van Galenus dat de santorie een prima medicijn is om de verstoppingen van de lever (2) en de milt zonder letsel te verdrijven, daarom wordt het gekookt zoals nu gezegd is, dan verdrijft het de geelzucht die uit verstoppingen komt (3).

Met wijn gekookt doodt het de stonden van de vrouwen en de vrucht die daar uit voort komt. Op geen enkele manier zal je het de vruchtbare geven want het doodt de vrucht. Zo’n kooksel met venkelzaad en peterseliezaad laat plassen. Ook wijn waar santorie in gekookt is en dan met suiker gemengd is goed tegen verstoppingen van de lever, (4) van de milt, van de nieren of van de blaas. Ook tegen aandrang tot waterlozing en dysurie. (dat is nu wat plassen en over een uur noch wat etc.) Santorie die met wijn en olie gekookt is en zo op de nieren of omtrent de schaamdelen en op de milt gelegd wordt is tegen hetzelfde goed.

Tegen verharde milt, maak een zalf van dit kruid, het sap of poeder, met olie en meng het met wat was.

Tegen de harde lever, de milt en andere zaken zoals voor vermeld en vooral tegen geelzucht, maak je deze siroop: ‘Neem van het sap van santorie een pond; van hertstongenwater een half pond; de wortels van venkel, peterselie, eppe en de vier koude zaden, van elk een half ons; kook het tot dat een derde deel verkookt is, dan doe je het door een doek en maak het zoet met suiker’. Deze siroop neem je als voorgaand vermeld is. Dan neem je pillen van rabarber en daarna steentijm om te versterken. Diezelfde drank is goed tegen onderbuikspijn. Dit sap dat met rozenwater gemengd is heldert de ogen op. Pandectus en Platearius.

(1) De grote is Centaurium scabiosa. (2, 4) Galstenen? (3) Ontsteking.

 

Tekstvak:  34. Centaurium erythraea, Rafn. (rozerood)

Algemene kenmerken.

Duizendguldenkruid is een klein plantje van veertig cm.hoog. Het is een eenjarige, soms tweejarig met rozetvormige bladeren die duidelijke nerven bezitten. De licht rode bloemen staan op de toppen van de vele zijtakjes zodat ze in een scherm lijken te bloeien. Komt voor in de hei op duinen.

 

Werking.

Alle delen smaken bitter. Het kruid werd gebruikt als bitter maagversterkend en eetlust stimulerend middel. Plinius noemt het fel terrae wat zoveel als ‘aardgal’ betekent naar de bittere smaak. De gal uit de aarde zou in de plant getrokken zijn. Dioscorides noemt het ook febrifuga: koortsverdrijvend. (4,10) Het is de koortsbloem, Duits kent Fieberkraut, het Engelse feverfew betekent weinig koorts en Franse herbe al la fievre is het koortskruid, plante febrifuge is de koortsverdrijvende plant.

 

Etymologie.

Centaurium. Door de monniken werd het erop gehouden dat deze plant gebruikt werd door de centaur Chiron om de wond in de voet van Patroklos mee te genezen en noemden dit kruid dan ook Herba Centauri. Daar is ook de Hollandse naam santorie of sentaurie van afgeleid. Vrij vertaald, naar het rekenstelsel, betekent centaurium, ‘100’. Duizendguldenkruid verkreeg zijn naam door zijn vele goede eigenschappen en werd vroeger dan ook met honderden ponden tegelijk ingezameld, dit voornamelijk op Ameland. Het kruid werd wel in de beurs gedaan om de eigenaar van voldoende geld te verzekeren. Het was vroeger voor alles goed en dus duizend gulden waard.

 

XXXV Wilt soffraen of tartamus es heet in den yersten, ende droghe in den tweeden. Het beste des cruyts es dat saet (dat heeten die sommeghe papegaijsaet) daernae es dat beste de bloeme. Cartamus is opende, afdroghende, verstoerende, dairom hevet de macht te doen walghen ende ter cameren doen gaen. Het es zeer quaet der magen makende hem een verdriet, mair het doet weynich niet sterckelijc ter cameren gaen waerom men met hem lutter gingebeers mingt om hem in den camerganck te stercken. Tseghen dat letsel dat der maghen doet mingt men daer me galegaen of folie.

Het papegaijssaet (dats saet van cartamus) met lutter ghescuymt honich gemingt ende weynich galegaen, reynigt ende purgeert den lichaem. De bloemen cartamus ghewreven, met eeck ghemingt, op quaet vleesch of op die ruytheit des vels als impengo gestreken, verdrijft se.

Dat selve, so Mesue seit, es oeck goet ghestreeken op die tonghe of den mont die versworen oft vol puystkens es.

Die bloemen van cartamus met wijn ghesoyen buyten op gheleet ontbinden dat melck dat gheronnen ende doen rinnen dat ongheronnen es. Met lutter ghingbeers ghemingt purgeert die fluymachtige oft verbrande humoren.

Dat mergh of dat binnenste van dezen saye met cruyden als voere, in dat sop van eenen haene ghesoyen is goet om te rumen met walginge oft van ouder ten lichaem de fluijmachtighe materie die in die borst of’der maghen is.

Dat self in een clisteer es goet tseghen colica.

Die siedinghe der bloemen van cartamus in honichwater verdrijft dye gheel vrou

Die bloemen ghedroncken, sijn goet tseghen de steeckinghe van scorpione.

Teghen den roijen lichaem met scafelinge van dermen siedt tsamen amandelenmelck met den sap deser sayen, met gherstenwater of met water van psillium, daer psillium in ghesoyen es, met anijs ende lutter honichs, dan doeget doer eenen doeck, dits seer goet VI dragma tsmaels ghenomen.

Die bloemen gestoten met eeck sijn goet op scorpionen steken. Sommege meynen hiel yemant in sijn hant die wortel van cartamus ende waer van eene scorpioen ghesteeken, hi en sal die pijn niet ghevoelen, ende worpt hij se wech hi sal se ghevoelen. Item slaet eenen ouwen haen met eender roijen ende terstont dodet hem en ontpluymten, dan steckt in den buyck van cartamus, boomvaren, steenmunte, anijs ende caneel ende siedt tsamen in water, dwelck ghedroncken es goet met allen seer tseghen die voergheseyde dinghen. Pandecta, Platearius.

xxxv Wilde saffraan, saffloer. (Carthamus tinctorius) Wilde saffraan of Carthamus is heet in de eerste en droog in de tweede graad. Het beste van het kruid is het zaad (dat wordt door sommige papegaaienzaad genoemd) en daarna is het beste de bloem. Carthamus opent, droogt af en verstoort, daarom heeft het de kracht om te laten walgen en naar toilet te laten gaan. Het is zeer slecht voor de maag, is voor die niet aangenaam en doet weinig om de toiletgang te bespoedigen, daarom moet je er wat gember bijmengen om het in de toiletgang wat te versterken. Tegen het letsel dat het de maag doet meng je daar galigaan of foelie bij.

Het papegaaienzaad (dat is zaad van Carthamus) dat met wat afgeschuimd honing en wat galigaan gemengd is reinigt en laxeert het lichaam.

De gewreven bloemen van saffloer dat met azijn gemengd zijn waar het slechte vlees of de ruwheid van het vel zoals ipengo (1) mee bestreken wordt verdrijft die. Hetzelfde, zoals Mesue zegt, is ook goed om op de tong of de mond te strijken die verzworen of vol puistjes is (2).

Als je de saffloerbloemen met wijn kookt en aan de buitenkant legt ontbindt het de melk die gestremd is en laat stremmen dat niet gestremd is. Met wat gember gemengd laxeert het de slijmachtige of verbrande levenssappen. (3)

Het merg of het binnenste van dit zaad, met kruiden als eerder vermeld, in het sap van een haan gekookt is goed om op te ruimen doordat je er van walgt of in oude zwellingen de slijmachtige materie die in de borst of in de maag is. Hetzelfde in een klysma gedaan is goed tegen koliek. Als je de bloemen van saffloer in honingwater kookt verdrijft het geelzucht.

Als je de bloemen drinkt is dat goed tegen schorpioenensteken.

Tegen rode loop met afschaven van darmen, (4) kook amandelmelk met het sap van dit zaad of met gerstewater en het water waar Plantago psyllium in gekookt is met anijs en wat honing, dat doe je door een doek en dat is zeer goed als je er zes maal 3,9 gram per keer van in neemt.

De gestampte bloemen die met azijn gemengd zijn zijn goed om op schorpioenensteken te leggen. Sommige denken dat als iemand in zijn hand de wortel van de saffloer heeft en dan door een schorpioen wordt gestoken dat hij die pijn dan niet zal voelen, maar werpt hij het weg, dan zal hij het voelen. Item, sla een ouwe haan met deze twijgen en terstond wordt die gedood en vallen zijn veren af, dan steek je in zijn buik saffloer, boomvaren, steentijm, anijs en kaneel en kook het tezamen in water, drink het want samen is dit zeer goed tegen de voorgenoemde ziektes. Pandecta en Platearius.

(1) Ichtyosis? Een aangeboren huidafwijking: geschubde huid. (2) Aften? (3) Slijmen ontstaan door ontstekingen. (4) Dysenterie.

 

Tekstvak:  35. Carthamus tinctorius, L. (verstof leverend)

Algemene kenmerken.

De valse saffloer is een prikkelig en stijf bladig struikje. Het is een eenjarige van een zestig cm hoog. De doornige hoofdjes met de rode bloemen komen in juli tot september.

 

Werking.

De valse saffloer geeft een zeer waardevolle verf die varieert tussen rood en geel. Dit wordt verkregen van de rode bloemen die geplukt worden vlak voor het opengaan. De kleur wordt gebruikt voor zijde en wol en is het hoofdingrediĎnt van de rouge die door de artiesten gebruikt wordt. Het kleuren met de beroemde saffloer is als een komedie, volgens de klassieke regels in vijf bedrijven. De plant wordt eerst met water uitgetrokken, waarna het aflopende gele water het doek op een omslachtige manier geel verft. Vervolgens wordt de kleurstof vermengd met een mengsel van andere plantendelen. Na dooreen te zijn gekneed wordt dit mixtum compositum roodgekleurd met citroensap. Daarmee wordt het eerst geel geverfde doek in alle nuances van rood tot hoog purper toe gekleurd. Blauw gekleurd goed verf je hiermee bruin of licht violet, oranje kleuren verkrijg je door er wat geelwortel bij te voegen. Toch zijn die kleuren niet sterk, komen ze in aanraking met zweet, dan verschieten ze van kleur.

 

Etymologie.

Carthamus komt van het Arabische quarton, ‘verven’, het is een verwijzing naar het gebruik van de bloemhoofdjes.

Het werd veel gebruikt als vervalsing van de saffraan, -vandaar de naam valse saffloer. Duitse Saflor, Engelse safflower en Franse safranon komt van oud-Frans saffleur en dit van Italiaans saffiore wat van het Arabische safra, ‘vrouwelijk’, of asfar, ‘geel’, is afgeleid. Alle woorden hebben als tweede element flower of fiore, ‘bloem’. Zie verder saffraan, Crocus.

 

XXXVI Honstonghe of lingua canis of cinoglossa es gheseet, van cinos, dats een hont en der glossos, dats een tonghe. Dit cruijt es ghelijck der weechbree, anders dan dat der honstonghe heeft rillekens in der blaijers. Weghebree heeftse se in de brekinghe.

Dat zap van honstong met eeck gheminghet gheneest de sweeren des monts ende ander quaije bedriechelike sweren.

Honstongen van couder ende droegher complexie, hoer zap ghemingt met zap van ijreos en der weijnich honichs te gader es tegen alcolam (dat sijn abstonien of swering in den mont). Honstonge met weghebree ende teskenscruuit ghesoijn en daer in ghebaijt es goet tsegen gomorream. (dats dat men teghen sinen wil sperma of sijn natuere quijt wort).

Alst ghebaijts doet in die siedinghe van waterwilgen met lutter beversijn ende eeck in een sponcie ende so leg se werm op die manlijckheyt of vroulicheyt. Of nempt saet van lachtike, van psillium, van citrullen, van melonen, van cucumeren, van porcelleyne ende van scarleye, hier me gebroken oft ghesoyen in eeck ende veruys, maeckt eenen dranck, desen dranck es goet tegen dye oncuysheyt ende vergrooft oft dickt dat sperma. Ander dingen sijnder die sperma ende de spiritus verdroeghen of te uieuten brenghen als waterwilghe, rute, mageleyne, steenmunte, comijn, dille, want si openen ende verteeren als Platearius int capittel van waterwilghe seet.

Dranck daer in, dats es honstonghe ghesoyen met honichwater gheminget, es goet tseghen die flumachtighe of vette maghe ende teghen die ontsteltenis der longhenen uut heeter saken: Nempts honstonghe met dat hert van een cleijn vorsken met sijnder matricen oft moyer, leg se waer ghy wilt. Een weynich daer nae sel di alle die honden van dier plaetsen vergheren. Eest dat ghi oeck dit selve onder den duijm of groten teen van den voet doet, alle die honden selen swijghen ende en felen met moghen bassen. Oeck ist dat ghi dit self aen den hals eens honts, bit alsoe dat hijt met sijnen wil niet af en can ghecrijgen, dye hont sal ghelijck eenen raye om drayen toet dat hi valt op die eerde als of hi doot waer. Dit is bij onzen tijden waer ghevonden seit Albertus van die crachten der cruyden.

XXXVI Hondstong. (Cynoglossum officinalis) Hondstong, Lingua canis of Cynoglossum wordt het genoemd, cinos betekent een hond en glossos is een tong. Dit kruid is net als de weegbree, maar de hondstong heeft voren in de bladeren. Weegbree heeft het als je het breekt.

Het sap van hondstong dat met azijn gemengd is geneest de zweren van de mond en andere kwalijke, bedrieglijke zweren.

Hondstong is van koude en droge samengesteldheid, als je haar sap samen met het sap van Iris en wat honing mengt is dat goed tegen alcolam (dat zijn abstomen of zweren in de mond) (1)

Als je hondstong met weegbree en tasjeskruid tezamen kookt en daar in een bad neemt is het goed tegen het gomorream. (dat is dat je tegen je wil sperma of je natuur kwijt wordt) (2)

Als je een bad genomen hebt doe je in het afkooksel waterwilg met wat bevergeil en azijn op een sponsje en leg het zo warm op de mannelijkheid of vrouwelijkheid. Of neem het zaad van sla, van Plantago psyllium, van citrullus, van meloenen, van komkommer, van postelein en van Salvia sclarea, dit wordt gebroken of gekookt in azijn en jus waarvan je een drank maakt wat goed is tegen onkuisheid en grover of dikker sperma maakt. Andere dingen zijn er die de sperma en de geest verdrogen of naar buiten brengen zoals waterwilg, ruit, majoraan, steentijm, komijn en dille, want ze openen en verteren zoals Platearius in het kapittel van waterwilg zegt. Drank van gekookte hondstongen dat met honingwater gemengd is is goed tegen slijmachtige of vette maag en tegen ontsteltenis van de longen die uit hete zaken komen.

Neem hondstong met het hart van een klein kikkertje met zijn matrices of baarmoeder en leg het waar je wilt. En wat later zullen alle honden van die omgeving tezamen komen. Als je hetzelfde onder de duim of grote teen van de voet doet zullen alle honden zwijgen en niet meer kunnen bassen. Als je hetzelfde aan de hals van een hond bindt, maar zo dat hij het van zichzelf niet af kan krijgen, zal die hond als een razende omdraaien totdat hij op de aarde valt alsof hij dood is. Dit is bij onze tijden waar gehouden zegt Albertus van de krachten der kruiden. (3)

(1) Stomatitis/aften? (2) Gonorrhoeae is nu een geslachtsziekte. (3) Albertus Magnus.

 

Tekstvak:  36. Cynoglossum officinale, L. (geneeskrachtig)

Algemene kenmerken.

Hondstong heeft vele zachte en wat lange, grijze bladen. Hier uit rijst een ruige en harige stengel van een halve meter hoogte op die zich aan de top in diverse delen vertakt. Op de top van de stengel komen donkerkleurige bloemen in juni tot augustus. Samen is het een doffe kleur die omringd wordt door een sterke muizengeur. 

 

Werking.

De oorsprong van de naam heeft een duidelijke verbinding, hoewel soms wat vreemd, met een hond. ‘Neem hondstong met het hart van een klein vosje en legt het waar je wilt. Wat later zullen daar alle honden van die plaats tezamen komen. Als je dat ook onder de duim of grote teen van de voet doet, dan zullen alle honden zwijgen en kunnen niet meer bassen. Als je dan dit aan de hals van een hond vast maakt bijt er naar, maar omdat hij het er niet af kan krijgen zal de hond als een tol omdraaien tot dat hij op de aarde valt alsof hij dood is, en dit is bij onze tijden waar gehouden’, (.2, 22, 25, 36)

 

Etymologie.

Cynoglossum is een samengesteld woord. Het Griekse kyon betekent evenals het Latijnse canis een ‘hond’, glosse en lingua is een ‘tong’, en zo wordt het hondstong. De ouden kenden een hondstong die goed was tegen het bijten van dolle honden. Mogelijk is dit, via de signatuurleer, naar de vorm van het ruwe blad.

Hondstong, de meeste namen, ook in het buitenland, zijn verbindingen met het woord hond of tong. In het Engels is het hound’s tongue, in Frans werd het langue de chien en in Duits Hundszunge.

 

XXXVII Camille of camomilla is heet ende droge in den irsten graet. Hebben macht te vermorwen ende te ontbinden, die telgeren ende bloeme sijn van gelijker macht om de stonden te doen comen. Den vrouwen siedt camille met bivoet in water, dan doet er al werm sijnde een sponcie inne ende legse op de moyer. Dat selfs es oec goet den vrouwen die met pinen baren. Tegen dese navolghende: Nempt camille bloemen, de soppekens van alsen, venkelwortel, peterceliwortel en de IIII cou sayen in wine, dan sueter met suker, daer af drinckt desen dranck, doet pissen, hij verdrijft den steen die opblasinghe der milten, die pine der lever ende der lancken verteert hy oft ontbindt ende de gheelsucht gheneest.

Teghen apostonien in de longhene ende de lever: Nempt camillenbloemen, violetten bloeme, de IIII cou sayen, lachticksaet endivisaet, calissihout ende vighen, syedt se in watere dan mingter tou lutter zukers ende drinkt.

Camilbloemen, eeck, sout ende olye van camillen tsamen wel gheruert es es goet tegen cortzen die niet daghelikx syn als men een ure voer den aenganck op die pulsen der handen of der voeten plaestert. Den rugghe met camilolie ghestreken es goet teghen de beefing of feudig der tercianen (dats cortze over den anderen dach)

Als yemant zeer vermoyt es van arbeyen en sinen rugge met olie van camille, met olie van dille savons strickt hi en sal morgens niet gevoelen. Camille ende bivoet met wijn ghesoyen, daerin een sponcie ghedroncken ende op de moyer gheleet doet de stonden comen, het doet de vrucht, den steen breket, het doet pissen ende der pine van stoting of opblasing in den buuick verdrijvet.

Camille doet magheren of dunne worden, daerom doet se pissen oft verstoppinge der nieren verdriven ende si es seer ontbinnende. Si dout te gaijer ende maeckt dorre, daerom es si goet in de pinen te saechten.

Camillebloemen in olie ghesoeden, ghestreken op de cortribben of onder saecht hoer pine, oeck ghenest hoeftswer ende de pine der ooghen. Dat zap van camillen met endiviewater ghedroncken es zeer goet in de lever bijsonder der den corst hebben, Pandecta.

Camille saecht de pine der apstonien, morw makende verwandelende ende ontbinnende. Avicenna.

XXXVII, Kamille. (Anthemis nobilis) Kamille of chamomilla is heet en droog in de eerste graad. Het heeft de kracht om te vermurwen en te ontbinden, de twijgen en bloemen zijn van dezelfde kracht. De vrouwen koken kamille met bijvoet in water en als het warm is doen ze er een spons in en leggen die op de baarmoeder. Hetzelfde is ook goed voor de vrouwen die met pijn baren.

Tegen het navolgende: ‘Neem kamillebloemen, de toppen van alsem, venkelwortel, peterseliewortel en de vier koude zaden in wijn, dan maak je het zoet met suiker en drink je deze drank, het laat plassen en het verdrijft de steen, de oprispingen van de milt, de pijn van de lever en de zijde verteert het of ontbindt en geelzucht geneest het.

Tegen blaren in de long en de lever (1): ‘Neem kamillebloemen, violenbloemen, de vier koude zaden, slazaad, andijviezaad, zoethout en vijgen, kook het in water, dan meng je er wat suiker bij en drink het’.

Als je kamillebloemen, azijn, zout en olie van kamille tezamen goed roert is dat goed tegen koortsen die niet dagelijks zijn als je het een uur voor het begin daarvan op de polsen van de handen of de voeten pleistert. Als de rug met kamilleolie gestreken wordt is het goed tegen het beven of het schudden van de derdedaagse (2) koorts (dat is een koorts die om de andere dag komt).

Als iemand zeer vermoeid is van arbeid en ’s avonds zijn rug met olie van kamille en met dillenolie bestrijkt zal hij het ’s morgens niet meer voelen.

Kamille en bijvoet met wijn gekookt waarin je een spons drenkt die je op de baarmoeder legt laat de stonden komen, het doodt de vrucht, het breekt de steen, het laat plassen en verdrijft de pijn die van slaan of oprispingen in de buik komen.

Kamille laat vermageren of dunner worden, daarom laat het plassen of verdrijft de verstoppingen van de nieren en het ontbind zeer. Het duwt tezamen en maakt zacht, daarom is het goed om de pijn te verzachten.

Kamillebloemen die in olie gekookt en op de korte rib of eronder gestreken worden verzachten haar pijn, ook geneest het de hoofdpijn en de pijn van de ogen.

Als het sap van kamillen met andijviewater gedronken wordt is het zeer goed voor de lever volgens Pandecta vooral bij hen die koorts hebben. Kamille verzacht de pijn van de blaren, maakt die murw, verteert en ontbindt het. Avicenna.

(1) Tuberculose ? (2) Malaria, er zijn meer vormen van.

 

Tekstvak:  37. Anthemis nobilis, L. (edel of voortreffelijk)

Algemene kenmerken.

De roomse kamille is een nobele plant met zeer fijne, diep en grijsgroen ingesneden bladeren. Het is nobel omdat het zulke grote bloemen heeft voor zo’n klein plantje. De mooie geurende bloem is geel of wit met een geel hart.

 

Werking.

Kamille groeit langs de kanten van wegen, voetpaden en randen van akkers. Zie Shakespeare King Henry IV, deel 1, 2de akte, 4de toneel: ‘for though the camomile, the more it is trodden on, the faster it grows". Men had ontdekt dat het dan sneller groeide, zodat er dagelijks over de kleine kweekbedden gewandeld werd. J. Cats kende dit verhaal ook. "Indien gij op het veld ziet met de voeten treden Den groenen Camomil... Gij zult merken, Dat leed en ongemak die Plant kunnen sterken". (14)

De meeste delen van de bloemen dragen klierharen die een vluchtige, in het begin blauwe en later groene tot bruingeel wordende olie leveren. Het kruid werd soms wel gebruikt voor een medicinale thee, maar heeft niet de eigenschappen van echte kamille, waar het wel wat op lijkt, is misschien wel te sterk. De ‘roomse’ heeft een gevulde bloembodem, bij de echte kamille is die hol. Hoewel, de Engelsen gebruiken deze plant als de ‘echte’. En dan wordt de plant aanbevolen tegen nachtmerries en verkoelt het de koortsige patiĎnt. Lotions waren goed tegen kiespijnen, oorpijn en inwendige pijnen. Een aftreksels van de bloemen in water was goed om het hoofd te wassen wat ook goed is voor de hersens.

 

Etymologie.

Anthemis komt van Griekse anthos, ‘bloem’, hemisys, ‘half’, de bloemen hebben alleen maar een stamper, een halve bloem.

Roomse kamille, de Franse chamomille romaine, Engelse roman chamomile en Duitse Romische Kamille. ‘Rooms’ zou afgeleid zijn van rom, vergelijk het Engelse to roam, ‘zwerven’. Zigeuners werden wel rom genoemd, ‘mens’, zie RoemeniĎ. Het betekent een buitenlander, in tegenstelling met onze inlandse soort. Zie verder bij Matricaria, hoofdstuk 89.

 

XXXVIII Camipiteos of de groete gamandre es heet ende droege in den tweden graet. Het heet oec groete camedreos. Camepitheos heeft macht diureticam. (dats de verstoppinge der blasen, der nieren of der leveren te openen). Het suvert, het purgeert, het vertert de winden ende dunt die grove humoren. Daerom ist goet tegen die verstopinge der lever, der milten ende der moijer. Het doet pissen ende den vrouwen de stonden comen, het gheneest de gheel vrouwe, die sieckte der nieren als nekrosis. Ende de dermen reinet alsdus ghedroncken: Neemp camepitheos, byvoet, hertstonge elcx I hant, der wortelen van bruscus ende spargus, der zaijen van venkel, van peercel, elckx II dragma, dees zied in wijn ende water dat III derden deel versoijen es, alst ghecleert es doeter tou zuker, dezen dranck es toet alle dees voergheneemde goet.

Dat zap des cruuits met mellicratum (dats wijn met honich ende water ghesoyen) ghedroncken, es goet tsegen die coupisse. Dit sap heeft macht te heylen, het vleesch te doen wassen ende te ghenezen groote wonden. Het gheneest stinckende gaten, en verteert de herdicheyen der borst, als men met den sappe meel van fenigrieck, meel van lizaet ende hoemsch wortel mingt. Tseghen de gheel vrou es seer goet dat sap van camepitheos met honichwater ghedroncken, XL dagen lanck. Dit self gedroncken es oec goet teghen de sieckten der lever, teghen die coupisse, tseghen pijne der nieren ende teghen steeckte in die dermen. Dit sap met den sap van coelen ende met honych ghemingt, geneest die wonden ende verbiedt die verbreedinghen der formicen (dats een cleyn puyste met ioecksel met grooter pijnen, met hitten ende berringhe) ende ander apstonien, van seer bijtende verrotte materie.

Teghen de wormen: Nempt poyer van camepitheos met den sap van santorie, minghet te gader.

Teghen de iecht es seer goet dat sap van camepitheos met den sap van primula veris (of herba paralisis), met beversijn in wijn ghesoyen. Camepoitheos met agherande in wijn ghesoijen, dan suker na die cleringe daer toe ghemingt ende ghedroncken, verwermt de vercoude moijer ende reynt se van fluymachtighe overvloedicheyen. Pandecta.

XXXVIII Gamander. (Teucrium chamaedrys) Camipiteos of de grote gamander (1) is heet en droog in de tweede graad. Het heet ook grote camedreos. Gamander heeft de kracht die diuretica genoemd wordt. (dat is om de verstopping van de blaas, nieren of de lever te openen) Het zuivert, het laxeert, het verteert de winden en verdunt de grove levenssappen. Daarom is het ook goed tegen verstoppingen van de lever, (2) van de milt en van de baarmoeder. Het laat plassen en bij de vrouwen de stonden komen, het geneest de geelzucht en de ziekte van de nieren als nekrosis (3). En darmen reinigt het, aldus gedronken: ‘Neem gamander, bijvoet en hertstongen, van elk een hand vol; de wortels van Ruscus en asperge, de zaden van venkel en van peterselie, van elk twee maal 3,9 gram; dit kook je in wijn en water tot een derde deel verkookt is en als het gezuiverd is doe je er suiker bij, deze drank is voor alle eerder genoemde goed’.

Het sap van dit kruid met mellicratum (dat is wijn in honing en water gekookt) gedronken is goed tegen aandrang van waterlozing. Dit sap heeft de kracht om te helen, het vlees te laten groeien en om grote wonden te genezen. Het geneest stinkende gaten en verteert de hardheid van de borst als je met het sap meel van fenegriek, meel van lijnzaad en heemstwortel mengt. Tegen geelzucht is het zeer goed om veertig dagen lang het sap van gamander met honingwater te drinken. Als je dit drinkt is het ook goed tegen de ziekte van de lever, tegen aandrang tot waterlozing en tegen steken in de darmen. Als dit sap met het sap van Satureja hortensis en met honing gemengd wordt geneest het de wonden en voorkomt de verbreding van de formicen (4) (dat is een klein puistje met jeuk en met grote pijnen, met hitte en branden) en ander blaren van zeer bijtende, verrotte materie.

Tegen wormen: ‘Neem het poeder van gamander met het sap van santorie en meng het tezamen’.

Tegen jicht is zeer goed om het sap van gamander met het zaad van Primula veris (of herba paralisis) met bevergeil in wijn te koken. Gamander dat met averone in wijn gekookt wordt en waar na de zuivering suiker bij gemengd en van gedronken wordt verwarmt de koude baarmoeder en reinigt het van de slijmachtige overvloedigheden. (5) Pandecta.

(1) De kleine is Ajuga chamaepitys. (2) Galstenen ? (3) Versterving. (4) Formicen: beten van (giftige) mieren. (5) Fluor ten gevolge van ontstekingen.

 

Tekstvak:  38. Teucrium chamaedrys, L.

Algemene kenmerken.

De gamander is een vertakt halfheestertje dat uitlopers vormt. De bladeren zijn kort gesteeld, ovaal, ingesneden en gezaagd, groen aan beide kanten. In de zomer tooit het zich met roze–purperen bloempjes.

 

Werking.

Echte gamander smaakt bitter en scherp: "Heeft een doorsnijdende en afvegende kracht, zuivert en opent het ingewand, maar voornamelijk de lever waardoor het geelzucht geneest."(2)

 

Etymologie.

Teucrium. Teukros was een Trojaanse koning, de zoon van Telamon en broer van Ajax. Hij zou voor het eerst vastgesteld hebben dat de plant een werking op de milt heeft. Bij een offerfeest werd namelijk het kruid op de ingewanden van dode dieren geworpen. Bij zo'n gelegenheid zag de koning dat een milt langzaam verdween.

Het kruid chamaedrys heet vanwege zijn bijzondere bladeren in het oud Grieks bodemeik, chamae betekent ‘klein’, en drys is de ‘eik’. Uit deze naam stammen midden Latijnse vormen als chamandros. De gedachte aan het oud-Hoogduits gaman, in midden-Hoogduits gamen, ‘vreugde’, gaf aanleiding tot een omvorming naar Duitse Gamander en onze gamander, Engelse germander en ground oak, Franse petite chene, ‘kleine eik’. Het is de grote gamander, de kleine is Veronica chamaedrys. Ook werd het wel Chamaepitys quercula genoemd.

 

XXXIX Steenrute of vrouwenshaer of minnen haer of iouffrouwen haer es een. Ende heet capillus veneris of adiantos, Pandecta, ende so heet es Mesue in dit capittel, segghen dat capilius fontium ende na de sommeghen coriandrum pueti. Het is een cruyt welckr blayeren sijn kalandersblaijeren ghelijc. Dijaf hetet politricon, al dese namen comen op ende uut. Steenrute wast uut der zonnen in waterachte plaetzen op vuchteghe muren of natte wanden bi fonteynen. Ende is van complexien tusschen cout ende droge ghetimpert, Platearius. Het heeft macht de diuretica (is dats ontstoppende de nieren of blasen). Versch is si van grooten macht, droech van weynich. Het cruyt is profitelic der wortel, nz. Tegen die verhitting aer leveren, en teghen die terciaen, nempt tsmergens ende tsavons een half ghelaesken smaels van desen syroep: Nempt endivie, hertstonghe, de IIII cou sayen, porcelleynsaet, lachticksaet, siedt se in water, alst ghecleert es ming ter tou zuker. Daer na: Neemt pillen van rebarbe met III greyn dijagridij ghesterckt, of voer de pillen: Neemt van electuarium de succo rosarum, dijasene van elckr II dragma, cassifistile IV dragma, ming het samen ende maeckt er af een stuck. Daerna om te stercken: Neemt triasandalum of dyadragagantum Steenrute doeghet haer wassen in de alopicie (dats een sieckte daert haer af uuijt valt) ende ontbindt die scrofulen, als men van hoer dat zap met den zap van agherande ende weinich honichs mingt, dan op die plaetse daert haer uuijt es of de serofulen, strijckt. Of doet se in loeghe ende daer me wascht de plaetse sterckenden het vel als voere met ende zap ende honich.

Dat zap van steenrute met venkelzaet ende milium solis (dats wite steebreeke) ghesoijen met wijn breckt den steen en met den zap van ijreos in weinich ginbeers ghemingt es goet om te rumen de flumechteghe materien uuijt der borst, Serapio.

Steenrute met hertstonghe in wijn ghesoyen es goet teghen de verstoppinghe der leveren, der milten, teghen de coupisse ende tseghen de bloyeghen lichaem, Pandectus.

XXXIX Steenruit. (=Asplenium ruta-muraria, vrouwenhaar is Adiantum capillus-veneris, ze worden door elkaar gebruikt) Steenruit, vrouwenhaar, minnenhaar of juffrouwhaar, het is allemaal hetzelfde. Het heet capillus veneris of Adiantum bij Pandecta en zo heet het bij Mesue in zijn kapittel en die zegt dat het ook capilius fontium genoemd wordt. Volgens sommige Coriandrum pueti. Het is een kruid waarvan de bladeren op Coriandrumbladeren lijken. Dyaf noemt het Polytrichum en al deze namen komen op een dezelfde plant uit. Steenruit groeit uit de zon in waterachtige plaatsen, op vochtige muren of natte wanden bij bronnen. Het is volgens Platearius van samengesteldheid tussen koud en droog gesteld. Het heeft de kracht die diuretica genoemd wordt (dat is dat het de nieren of blaas ontstopt) Vers is het van grote kracht, droog weinig. Van het kruid is de wortel voordelig. Tegen verhitting van de lever (1) en tegen de derdedaagse (2) koorts neem je ’s morgens en ‘s avonds een half glaasje per keer van deze siroop: ‘Neem andijvie, hertstongen, de vier koude zaden, posteleinzaad en slazaad en kook het in water, als het gezuiverd is meng je er suiker bij’. Daarna: ‘Neem pillen van rabarber dat met drie maal 0, 65 gram klaar gemaakte Scammonia versterkt is’ of van de pillen: ‘Neem de likkepot van rozensuiker en sap van senne, van elk twee maal 3,9 gram; cassiafistelen, vier maal 3,9 gram; meng het tezamen en maak er een stuk van’. Daarna om te versterken: ‘Neem sap van Santalum of sap van dragagantum’.

Steenruit laat het haar groeien in de alopecia (dat is een ziekte waarvan het haar afvalt) en ontbindt de scrofulas (3) als je met haar sap het sap van averone en wat honing mengt en het dan op die plaatsen waar het haar weg is of op de menstruatiepijn strijkt. Of doe het in loog en was daar mee de plaats, het versterkt de huid als voor met het sap en honing.

Als je het sap van steenruit met venkelzaad en milium solis (dat is parelzaad) in wijn kookt breekt het de steen. Met het sap van Iris en wat gember gemengd is het volgens Serapio goed om de slijmachtige materiĎn in de borst op te ruimen.

Steenruit dat met hertstongen in wijn gekookt is, is goed tegen verstopping van de lever en (4) van de milt, tegen aandrang tot waterlozing en bloedende loop, volgens Pandectus.

(1) Hepatitis. (2) Malaria. (3) Opgezwollen lymfeklieren, dit kan komen door ontsteking in de hals of in het gelaat, oren en dergelijke, of door kanker. (4) Galstenen?

 

Tekstvak:  39. Adiantum capillus‑veneris, L. (Venus haar)

Algemene kenmerken.

Venushaar is een bekende kamervaren. De onregelmatig bladeren hebben rondachtige tot wigvormige en afwisselend geplaatste lobben. De onvruchtbare lobben zijn gezaagd, de vruchtbare eindigen in lijnvormige tot ovale vruchtgroepjes. De glanzend zwarte stengel is zelden dikker dan pakdraad en zo licht en elastisch, zo zwart en haarachtig dat het de specifieke naam gaf.

 

Werking.

De ouden onderscheidden twee soorten venushaar, de witte en zwarte. De laatste, de grotere donkere wordt Trichomanes (Asplenium) ofwel vrouwenhaar genoemd. De andere is Adiantum capillus‑veneris. Beide zijn ze zeer behulpzaam in alle ziektes van het hoofd en voor het herstellen of het opnieuw groeien van haar. ‘’Ditzelfde vrouwenhaar laat ook de gezwellen aan de keel, strumas genaamd, zinken en vergaan, vooral bij de jonge maagden als het groen gestampt en daarop gelegd wordt. Een loog daar vrouwenhaar in geweekt of gekookt is geneest de kwade, dragende schurft van het hoofd en laat de schellen vergaan als het hoofd daarmee gewassen wordt. Als je een hoed van vrouwenhaar op het hoofd draagt geneest dat de pijn in het hoofd, als Plinius schrijft’’. (1) Het werd nog lang als Herba Capilli Veneris in de apotheek gebruikt als een middel tegen borstziektes en aandoeningen van de luchtwegen.

 

Etymologie.

Adiantum komt van Grieks a, ‘niet’, en diainein, ‘bevochtigen’, omdat het blad niet nat wordt. Dit verwijst naar het haar van Venus dat niet nat was toen ze uit de golven stapte. Capillus‑veneris, betekent ook ‘venushaar’. Het wordt Venushaar, maagden- of meisjeshaar genoemd naar de fijne zwarte bladsteeltjes die in massa uit de zwarte vezels ontspringen, Duitse Frauenhaar, de Franse chevaux de Venus en in Engels true maidenhair en Venushair.

Asplenium ruta‑muraria, L (muurruit) Asplenium is afgeleid van Grieks asplenos, a, ‘niet’, en splen, ‘milt’, omdat deze plant gebruikt zou kunnen worden om de opgezwollen milt te laten krimpen. Engels spleenwort, Duits Miltzkraut, ons miltkruid en Franse asplenon. Ook wordt het steenruit genoemd naar de groeiplaats en ruitachtig blad, Engelse stone-farn of rue of the wall, Franse rue des murailles en Duitse Stein- en Mauerraut.

 

XI Eijwijn of sibollen of cepe of cepa, sijn heet in den IIIIden graet met weynich vochticheijen. Die langhe ende roije es scerper dan de ronde ende de witte. Eyuuijn heeft macht te openen, daerom op den eers gheleet openen de gaten der aijeren als de speenen, hi doet den vrouwen die stonden comen in maniere van een passarium in de moijer gheset. Cepa es opblasende, swaer te verteren, sonderlinge dye rou es, gecoect verwermt hi den lichaem ende versubtilieert die grove flumachtyghe humoren der om es hi den colereinen quaet, maer den fleumatiken ende dye vol flumen hebben, de taije ende onverteert sijn, es hy goet want hy besnijt ende subtilieert die grove humoren, daerom es hi hem goet gheeten. Hij doet dorst hebben, hi bijt, hi maeckt winden ende hi vermorwet den lichaem als mi er een suppoest af maeckt.

Dat sap van eijwijn met poyer van magedeijne ende weinich gingebeer in den nose gheblasen ruimet hoeft.

Ghestoten met water ende rute ghemingt es hy goet teghen beten der verwoeder honden. Eijwijn met der swalewenneste ende honich gemingt es goet op de apstonie in die keele van buyten gheleet.

Eijwijn gestoten, met eeck ghemingt, op die pleckinge als morfea es in die sonne ghestreeken es goet daer teghen.

Dat sap van eijwijn met tuthia ghemingt op de ooghen gheleyt es goet teghen dat ioecksel der ooghen van soute flumen comende.

Ghemingt met soute ende op die werten gheleet, verdrijft die werten.

Dat sap met hinnensmeer op die exterooghen of op die herdicheijen gheleet dye van scoyene comen, verdrijft se ende gheneest se.

Teghen dye flauheyt van hoeren, teghen duijsing of tutinghe in dye oore es goet dat sap in de ooren ghedistileert.

Op die uutvallinge van den haer strijcket sap van eijwijn op de plaetse, op den baert ghestreken doet den baert haest wassen. Want wrijfinge met eijwijn opent de gaetkens, makende dye plaetse bequaem om dat haer te wassen soet Serapio bevonden heeft.

Eijwijn gheeten doet oppetijt van minnen comen, dick gheten verduystert ghesichte.

Oeck doeghet slapen, want het vervult hooft met lochten of vaporen.

XI Ui. (Allium cepa) Ui, sibollen, Cepe of Cepa is heet in de vierde graad met weinig vochtigheid. De lange en rode zijn scherper dan de ronde en de witte. (1) Ui heeft de kracht om te openen en als het op de aars gelegd wordt opent het dan ook de gaten van de buizen van de aambeien, volgens Serapio, het laat het bij de vrouwen hun stonden komen als het als een soort pessarium in de baarmoeder gezet wordt. Ui blaast op en is slecht te verteren, vooral als het rauw gegeten wordt, gekookt verwarmt het ‘t lichaam en verfijnt de grove slijmachtige levenssappen, daarom is het slecht voor de galachtigen, maar voor de slijmachtige en diegene die vol slijm zitten die taai en onverteerd zijn (2) is het goed want het besnijdt en verfijnt de grove levenssappen en daarom is het goed om dit te eten. Het maakt dorstig, het bijt, het maakt winden en het vermurwt het lichaam als je er een suppoost van maakt.

Als je het sap van ui met het poeder van majoraan en wat gember in de neus blaast ruimt dit het hoofd op.

Gestampt en met water en ruit gemengd is het goed tegen beten van de dolle honden.

Als je ui met een zwaluwnest en honing mengt is dat goed om van buiten op de blaren van de keel te leggen.

Gestampte ui dat met azijn is gemengd en op de plekken als morfeem (3) in de zon bestreken wordt is daar goed tegen.

Het sap van ui met tuthia gemengd en op de ogen gelegd is goed tegen jeuk van de ogen die van zout slijm komen. (4).

Gemengd met zout en op de wratten gelegd verdrijft het de wratten. Het sap met kippensmeer op de eksterogen of op de hardheden gelegd die van schoenen komen verdrijft het en geneest het.

Tegen het slecht horen, tegen het suizen of het tuiten in de oren is het goed om het sap in de oren te druppelen.

Op het uitvallen van het haar strijk je het sap van ui op die plaats en als je het op de baard strijkt laat het de baard sneller groeien. Want wrijven met ui opent de gaatjes en maakt die plaats gereed om het haar te laten groeien zoals Serapio bevonden heeft.

Als je ui eet krijg je appetijt van minnen, veel gegeten veroorzaakt blindheid.

Ook laat het slapen want het vervult het hoofd met luchten of geuren

(1) Allium fistulosa. (2) Taaislijmziekte?/tuberculose. (3) Vormafwijking van de huid. (4) Onsteking van een ooglid?/phlebaritis.

 

Tekstvak:  40. Allium cepa, L.

Algemene kenmerken.

De ui heeft lange en bijna rechtopstaande holle bladeren die in het midden buikig opgezwollen zijn, een soort kokervorm. De groen/witte bloemen staan in trossen.

 

Werking.

Rauw is de ui een voorbehoedmiddel tegen dorst. De ui wordt gebruikt tegen brandwonden en oogklachten, het versterkt het geheugen en verlaagt de bloeddruk. Het is een goede nierstimulans. Het sap op een kaal hoofd in de zon zalven brengt het haar vlot terug. "Cepa anders eujen en cipels, het sap in de oren druppelen, beneemt de tandpijn, dat doet het ook als het door de neus opgesnoven wordt. De eerst geborene kinderendie flauw zijn of dat men weten wil of zij leven houdt men een vers doorgesneden ui voor de neus, wat men ook met oude luiden doet. Ze dienen ook degene welke haar maandtijden te spaarzaam gaan (2)

Bij Shakespeare in “The Taming of the Shrew’1, 2, moet Bartholo zich verkleden als een vrouw en net doen alsof hij de eega is van de dronken bedelaar:

Verstaat hij de kunst der vrouwen niet’.

En kan hij niet, zo vaak hij wil, een vloed’.

Van tranen storten, dan helpt hem een ui’.

Daarbij wel, die, verborgen in een zakdoek’.

Hem, trots zijn aard, het vocht uit de ogen perst’.

 

Etymologie.

De naam Allium komt van het Keltisch all, wat ‘heet’ of ‘brandend’ betekent. Of misschien van het Latijnse olere, ‘rieken’, naar de penetrante geur.

1) In het Latijn komt unionem voor, dit is afgeleid van Latijn union, (em) ‘eenheid’, van unus, ‘een’. Unio is een ui met een steel. Dit is een synoniem voor cepa, het gewone woord voor ui. Dit gaf via oud-Frans oignon het Engelse onion dat in GalliĎ voortleeft en over unja in Luxemburg en het Rijngebied als onn en enn verschijnt en in Duitsland als Unne, in midden-Nederlands als ajuun, ook eniuun en eijwijn, en later van ajuin tot ui werd. In Frans werd dit ail of ailloignon.

2) Het Angelsaksische cipe komt uit het Latijnse cepa, wat uit het Griekse kepe, ‘dat hoofd betekent’, omgevormd is. In Frans is het ciboule en in oud-Hoogduits verschijnt Cibolla, in midden-Hoogduits is het al Zibolle wat nu Zibel is.

3) Uit midden-Latijn is als kloosterwoord ook het midden-Nederlands cipel, sipel, sibollen en chibole overgenomen. Hier zien we al een aanleuning met bol. Het midden-Hoogduits Zwibolle, ‘tweevoudige veelhuidige bol’, omvat het ganse woord. Overwonnen heeft het woord Zwibel als Luthers vorm. (4 Mozes 11.5)

 

XLI Kalander oft coriander, oft coriandrum, es een plante welke saet men in medicinen beseght. Hets cout in den iersten graet, droge in den tweden, Avicenna, maer Serapio ende Galenus seggen dat ter hitten waert daelt Diaf die seyt tsegen ende wilt dat cout si.

Het sap van coriander met eeck ende sap van donderbaert ghemingt is goet tegen heete apstonien. Tegen die swillinge der cullen: Neempt dat sap van coriander, meel van bone ende meel van terwen, minget met rooswater ende eeck, doeghet daer op.

Corander met eeck bereyt na de maeltijt gheten, verbiedt de opclimminge der lochten te hoywaert, daerom wort de vallende sieckte van sulken opclimminge der lochten en ten hove waert comende met dufteneghe coriander ghenezen. Coriander bereyt gebroken met weghebree sap gedroncken es goet tseghen den roijen of bloijeghen lichaem.

Met eeck ghemingt is goet tseghen dat heylich vier of ignus sacrum. Van eender vrouwen ghedroncken met weghebrewater stopt terstont de vrouwen dye stonden ende den lichaem, als Pandectus int capittel van coriandrum seyt. Versch coriander es cout ende stupefactijf (dats een meslicheyt of wonderlicheyt of slapinge water in den lijf makende). Het doet sincopim hebben (dats in onmacht gaen) want met sinen reuck verstivet de lochten ende winden dye te hoefde vlieghen, daerom eest goet teghen dye hoftsweer. Teghen die vallende sieckte van optrecking der lochte ten hoywert ende teghen dronckenheyt, dairom doet ment in de spise der gheender die de vallende sieckte hebben, als de saken van opclimminge uut der maghen comen.

Water daer corianderen in te weyke hebben ghestaen, met suker ghemingt, verbiedt de stivicheyt der manlijckheyt, verdroghende spma, dat es die nature. Het sap van coriandren in den noese gheblasen steelpet of stopt dat bloijen der nozen, dat self gheschiet als ment rieckt.

Teghen erisipillam (dat is een apstonie van vuerder coleren) en teghen heete apstonien: Nempt sap van coriander, mingt met donderbaert, eeck ende bivoet of minghet sap met melck, cerusen ende eeck of met olie van roosen, dit self doeghet oeck steghen ignem sacrum of heylich vier, Serapio.

Bereyde corianderen sijn goet tegen die omdraijinghe in die ooghen van heete roeken oft fleumatike.

Het sap van coriander in dye ooghen ghedropen es goet tseghen die slainge of cloppinge (dats pulsatio) in die ooghen.

Coriandrum ghebroken met bernagiwater ghedroncken es goet tseghen die bevinghe der herten.

XLI Koriander. (Coriandrum sativum) Kalander, koriander of Coriandrum is een plant waarvan je het zaad in de medicijnen gebruikt. Het is volgens Avicenna koud in de eerste en droog in de tweede graad, maar Serapio en Galenus zeggen dat het heter is, Dyaf zegt het tegenovergestelde, dat het koud is.

Het sap van koriander dat met azijn en het sap van donderbaard gemengd is is goed tegen hete blaren. Tegen zwellingen van de ballen: ‘Neem het sap van koriander, bonenmeel en tarwemeel, meng het met rozenwater en azijn en doe het er op’. Koriander dat met azijn klaar gemaakt is en dat je na de maaltijd eet voorkomt de opklimming van de luchten om naar het hoofd te komen, daarom wordt de vallende ziekte van zulke opklimmende luchten die naar het hoofd gaan met geurende koriander genezen.

Klaar gemaakte en gebroken koriander dat met weegbreesap gedronken wordt is goed tegen rode of bloedende loop.

Met azijn gemengd is het goed tegen het heilig vuur of ignus sacrum. Als een vrouw het met weegbreewater drinkt dan stopt het terstond haar stonden in het lichaam zoals Pandectus in het kapittel van koriander zegt.

Verse koriander maakt koud en verdwaasd (dat is dat het een misselijkheid of verwonderlijkheid of slaperig water in het lijf maakt). Het laat syncope hebben (dat is in onmacht gaan) want met zijn reuk verstijft het de luchten en winden die naar het hoofd vliegen en daarom is het goed tegen hoofdpijn. Tegen vallende ziekte, vanwege de optrekking van de luchten die naar het hoofd gaan, en tegen dronkenheid doe je het in het eten van diegene die de vallende ziekte hebben vanwege de gevolgen van de opklimmingen die uit de maag komen.

Water waar koriander in te weken heeft gestaan dat met suiker gemengd is voorkomt de stijfheid van de manlijkheid, het verdroogt sperma, dat is de natuur. Als je het sap van koriander in de neus blaast stelpt of stopt dit het bloeden van de neus, hetzelfde gebeurt als je er aan ruikt.

Tegen erisypelas (dat is een blaar van vurige kleur) en tegen hete blaren (1): ‘Neem sap van koriander, meng het met donderbaard, azijn en bijvoet of meng het sap met melk, bloem van lood en azijn of met olie van rozen, dit is volgens Serapio ook goed tegen ignus sacrum of het heilig vuur’.

Klaar gemaakte koriander is goed tegen de omdraaiing in de ogen dat van hete rook of van slijmerigheid komt.

Als je het sap van koriander in de ogen druppelt is dat goed tegen het slaan of kloppen (dat is pulseren) (2) in de ogen.

Gebroken koriander dat je met bernagiewater drinkt is goed tegen hartkloppingen.

(1) Ontstekingen. (2) Dat meestal versterkt wordt door een ontsteking.

 

Tekstvak:  41. Coriandrum sativum, L. (gekweekt)

Algemene kenmerken.

Koriander is een zestig cm hoge plant. De stengels zijn opgaand, bladig, rond en gemarkeerd met lijnen. Het is een plant met fijne veerspletige en sterk ruikende bladeren. De wit/roodachtige schermen komen in juni.

 

Werking.

Terwijl de plant zeer onaangenaam ruikt is het zaad zeer aromatisch en behulpzaam als toevoeging om specerijen te combineren. De bladeren en zaden worden, na gedroogd te zijn en de onaangename geur weggetrokken is, gebruikt in kruidenazijn, likeuren, kleren, sausen, vis en gebak, in koeken en speculaas. Een vluchtige olie wordt ervan verkregen die gebruikt wordt voor parfums en jenever. Om de scherpte wat te verminderen werden ze vroeger wel eerst in wijn gedaan en daarna in azijn. Het bekendst zijn de zaden wel als geboortemuisjes waar de aromatische zaden bedekt zijn met een suikerlaagje die daardoor eirond worden. Bij de jongens zijn ze meer kogelrond gevormd omdat die van de ronde zaden van de koriander komen, bij een meisjes worden anijszaden, Pimpinella anisum, gebruikt die een staartje hebben.

 

Etymologie.

Coriandrum komt van het Griekse koriannon dat mogelijk stamt van koris, ‘een wandluis’, en annon, ‘anijsachtig’. Het is een verwijzing naar de geur van de onrijpe vruchten. Hieruit kwam het midden-Latijn coliandrum, oud-Frans coriandre en Engels coriander. De vorm coriander verscheen in Duitsland eerst na 1450 en is nu Koriander. Een tweede vorm gaf in midden-Hoogduits Kullander en het midden-Nederlands kalander.

 

XLII Cuscuta of podagra es side opt vlas of wranghe int vlas. Hets een dinck op tvlas gewonnen. Ende is heet in den iersten graet, droge omtrent den tweden. Cuscuta heeft macht te suveren, te purgeren principaellic dye melancolie, dan nae dye flumen. Aldus syrope daer af ghemaeckt: Nempt cuscute, hertstonghe, elcx een hant, boemvaren, der wortelen van sporie, sevebladeren elcx ½ unche, bloemen van violetten ende van bernaijdse elcx ½ hant, siedet tsamen in wijn ende water elcx in I pont ende lutter eeckx toet dat derdendeel versoyen es. Alst ghecleert es doeter suker toe ende nempten als voer. Dan nempt dese pillen, als van den hoep der pillen de lapide lazuli ende der pillen die stomatice heeten, elckx ½ dragma, turbith 1/2 loot, ghinbeers III greyn, met syrope van hertstong, maeckter IX, of nempt I ½ unche dijasene met de voerghenoemde siedinge voer de pillen. Ten lesten neempt dijacalamentum of dijacapparis om te sterken. Dese syroep es oeck goet om dye verstoppinghe der leveren, der milten of der nieren te openen. Tot dat selfs es goet cuscuta, hertstong, met venkelsaet ende percelisaet in wijn gesoyen. Dyen selven dranck doet pissen ende es goet tsegen der gheel vrou die van verstoppinge der leveren of der milten compt. Oeck met suker ghesuet es goet tegen den corts der iongher kinderen.

Cuscuta met anijs, eppe ende galegaen ghesoyen es goet der maghen, de maghe verdrivende de overvloeicheyt dyer in es. Als sy met eeck ghedroncken word, so gheneest se de den hick, si opent die verstopping met wijn ghedroncken. Dat water daer cuscuta in ghesoijen es, dats wonderlyken goet teghen die gheel vrou. Teghen die stekende pine in die maghe. Sied cuscuta met anijs ende haesooren want het suvert die vulicheyt der dermen, der moijer ende der nieren. Avicenna.

Die complexie van cuscuta es nae die complexie des cruyts daer si aen hangt want si wort heet by aenhanging des hets cruuiyts of boem ende wort cout bi aenhangins des couts cruyts, Pandecta.

XLII Warkruid of podagra. (Cuscuta epithymum) Cuscuta of podagra is side op het vlas of wranghe in het vlas, het is iets dat op het vlas groeit. En het is heet in de eerste graad en droog omtrent de tweede. Warkruid heeft de kracht om te zuiveren en te purgeren, voornamelijk de zwarte gal en daarna slijm. Aldus een siroop daar van gemaakt: ‘Neem warkruid en hertstongen, van elk een hand vol; boomvaren, de wortels van kleine wolfsmelk en zevenblad, (1) van elk een half ons; bloemen van violen en van bernagie, van elk een halve hand, kook het tezamen in wijn en water, van elk een 1 pond, en wat azijn tot dat het derdedeel verkookt is. Als het gezuiverd is doe je er suiker bij en neem het als voorgaande’. Dan neem je deze pillen als van de hoop van de pillen van lapis lazuli en van de pillen die maagzuiverend heten, van elk een half maal 3,9 gram; van turbith een half loot; van gember drie maal 0, 65 gram; met siroop van hertstong maak je er negen of neem een halve ons sap van senne met het voor genoemde kooksel voor de pillen. Tot slot neem je sap van steentijm of sap van Capparis om te versterken. Deze siroop is ook goed om de verstoppingen van de lever, (2) van de milt of van de nieren te openen. Tegen hetzelfde is ook goed om warkruid, hertstong, venkelzaad en peterseliezaad in wijn te koken. Dezelfde drank laat plassen en is goed tegen geelziekte die van de verstopping van de lever of van de milt komt. Als je het met suiker zoet maakt is het goed tegen koorts van jonge kinderen. Warkruid dat met anijs, eppe en galigaan gekookt is is goed voor de maag en verdrijft de overvloedigheid die in de maag is. Als het met azijn gedronken wordt dan geneest het de hik, het opent de verstopping als het met wijn gedronken wordt.

Het water waar warkruid in gekookt is, is verwonderlijk goed tegen geelzucht. Tegen de stekende pijn in de maag: ‘Kook warkruid met anijs en hazenoren want het zuivert de vuiligheid van de darmen, van de baarmoeder en van de nieren, volgens Avicenna.

De samengesteldheid van warkruid is naar de samengesteldheid van het kruid waar het aan hangt want het wordt heet door het aanhangen aan een heet kruid of boom en wordt koud als het aan een koud kruid hangt, volgens Pandecta.

(1) Aegopodium podagria. (2) Galstenen?

 

Tekstvak:  42. Cuscuta epithymum, L.

Algemene kenmerken.

Het kleine warkruid heeft bloemhoofdjes met vele kleine vleeskleurige bloemetjes. De bloempjes zijn zo dik dat ze wel wasachtig lijken. De plant komt veel voor op heidevelden en windt zijn donkerrode draden om de planten. Het is een wurger die zelf geen wortels heeft.

 

Werking.

Dodonaeus behandelt het warkruid als Cuscuta, "dat is wranghe of schorfte". Het zonderlinge, dat de plant geen groene bladeren en wortels heeft, weet hij evenmin als zijn tijdgenoten te verklaren. De geleerden konden dit niet doorgronden en de eenvoudige vlasboer brengt het Boze in het spel. De duivel heeft zijn vlas aaneengenaaid. Afmaaien en afbranden van het gewas, voordat het warkruid zaad had gezet, was vroeger het enigste middel om het te bestrijden

Zijn medische krachten hangen af van de moederplant, de gastheer die de doder wurgt. Zo was het warkruid die op de brandnetel parasiteert, Cuscuta europaea L. (uit Europa) goed om urine te produceren. Cuscuta epithymon L. (op tijm) parasiteert op de wilde tijm en was goed tegen verstoppingen en hoofdpijn.

 

Etymologie.

Cuscuta is een naam die afgeleid is van het Arabische chasuth, ‘duivelskruid’. Het kan ook afgeleid zijn van het Arabische ar kuchuta, ‘een kruid zonder blad’.

De vlasdoder, de Duitse Dotter, ‘doder’ en Engelse dodder. In Duits heet het ook wel Flachs-, Hopfenseide, seide, omdat de plant andere planten omspint als zijdehaar. Het is het warkruid en duivelsnaaigaren, Franse bourreau du lin, ‘linnenbeul’, chevelure de diable, ‘duivelshaar’.

Podagra betekent ‘jicht’ dat in de grote teen begint, naar de slechte groei van de planten?

 

XLIII Ciperus es heet ende droge in den II graet. Het es een driehoeckigh cruyt. De wortel es der medicinen, met hebbende die macht die diurenca heet. (dat es die verstoppinghe der nieren of der blasen opent) Daerom est goet tegen de coupisse ende tegen diffurie (dat es een pine der blasen, waerom men nu een weynich moet pissen ende over een ure noch wat). Ende soe wertet aldus ghenomen: Neemt der wortelen van cyperus wel ghebroken ende van peercelle elx VI unchien, der saien van eppe, van venkel ende van steenbreken, elx I unche, alle ghestoten, siet se in wyn, doet dattet derdendeel versoyen sij, doer eenen doec gheclaert, zuetet met suker, dan drincket. Tot selve es goet ciperus ghestoten ende ghesoyen in olie soe op die blase gheleit of omtrent de heimelecheit, dat doet sekerlick pissen, die humoren ontbynende.

Die siedinghe van ciperus met steenbreeck in wyn, met eender speuten in die mannlinke roeye ghedaen, breckt sekerlick den steen. Denselve voerghenoemden dranck es goet tegen de pine der magen of der dermen, uut couwen of wijnden. Of tot dat selve es goet, wijn daer ciperus met kaneel in ghesoyen es, want si heft macht te stercken die vertheringhe.

Tegen litergiam (dat es vergeerinhe of een apstonie van flumen achter in die hersene) een der beste medecine: Nempt ciperus dat ghebroken es, siedet in de olie tot dat si bicans verteert si, daer na settet op de colen ende de siecke sal den roeck doer noes ende mont ontfaen.

Dat poijer deser wortel in vuyl wonden ghedaen verdrijft dye vuylheyt, Platerius.

Dicke ghebeset maeckt goy verwe ende reuck. Ciperus ghewreven met de sap van herba paralisus ende weinigh olye van beversijn tsamen ghemingt es goet lau op die flau genuen, tseghen die pijne der genuen.

Dicke van ciperus genut doet lazarus worde, want het verbart dat bloet, Avicenna.

Die siedinghe van ciperus es goet tseghen die stinckinge der nozen ende mont ende tsegen die vermorwinge des tantvleesch.

Wijn dar ciperus in ghesoyen es, is goet tseghen die druyping der pissen, tseghen die flauheyt der blasenseere, ende steghen der couwen met allen seere, also werckt se oeck in die nieren.

Dye siedinge daer af geplaestert es goet der couwen des moijers ende den spenen. Dye siedinghe voergheseet es goet tseghen dye veronde cortsen van flumen, Serapio, Pandecta, Platearius.

XLIII Cyperus. (Cyperus longus) Cyperus is heet en droog in de tweede graad. Het is een driehoekig kruid. De wortel is de medicijn, het heeft de macht die diuretica genoemd wordt. (dat is om de verstopping van de nieren of van de blaas te openen) Daarom is het goed tegen aandrang tot waterlozing en tegen dysurie. (dat is een pijn in de blaas waarom je nu een beetje moet plassen en over een uur noch wat) En zo wordt het aldus genomen: ‘Neem de wortels van Cyperus die je goed breekt en peterselie, van elk zes ons; de zaden van eppe, van venkel en van steenbreek, van elk een ons; dit alles stamp je en kook het in wijn tot dat een derde deel verkookt is, dat zuiver je door een doek en maak het zoet met suiker en dan drink je het’. Tegen hetzelfde is het goed om gestampte Cyperus in olie te koken en dit zo op de blaas te leggen of omtrent de schaamstreek want het laat zeker plassen en ontbindt de levenssappen.

Het kooksel van Cyperus dat met steenbreek in wijn en dan met een soort spuit in de mannelijke roede gedaan wordt breekt zeker de steen. Dezelfde voornoemde drank is goed tegen pijn van de maag of van de darmen die uit koude of winden komen. Tegen hetzelfde is ook de wijn goed waar Cyperus met kaneel in gekookt is want dat heeft de kracht om de vertering te versterken.

Tegen litergiam (dat is een groep of een blaar van slijm achter in de hersens) is een van de beste medicijnen: ‘Neem gebroken Cyperus, kook het in de olie totdat het vrijwel verteerd is en doe het daarna op de kolen, de zieke zal de rook ervan door de neus en mond ontvangen’.

Als je het poeder van deze wortel in vuile wonden doet verdrijft het volgens Platearius de vuiligheid.

Als je het veel gebruikt geeft het je een goede kleur en geur.

Gewreven Cyperus met het sap van Primula veris en wat olie van bevergeil tezamen gemengd is goed om dit lauw op de krachteloze zenuwen te leggen tegen pijnen van de zenuwen.

Als je veel Cyperus eet heb je kans om melaats te worden want het zet het bloed om volgens Avicenna. (2) Het kooksel van Cyperus is goed tegen de stinkende neus en mond en tegen zwerend tandvlees.

Wijn, waar Cyperus in gekookt is, is goed tegen de druppelende plas, (1) tegen uitgeputheid vanwege een zere blaas en tegen koude met alle zeer, alzo werkt het ook in de nieren.

Als je van het kooksel een pleister maakt is dit goed tegen kou van de baarmoeder en de aambeien. Het net genoemde kooksel is goed tegen verouderde koortsen die van slijm komen volgens Serapio, Pandecta en Platearius.

(1) Vergrote prostaat?/ overloopincontinentie. 2. Elefancia, huidziekte, ogelijk een huidziekte die uit moederkoren ontstaan is.

 

Tekstvak:  43. Cyperus longus, L. (lang)

Algemene kenmerken.

Cypergras is een opgaande plant die dertig tot tachtig centimeter hoog word met driekantige stengels. De bladeren staan in drie rijen in een rozet. Het plantje bloeit met een gele scherm.

 

Werking.

Volgens Dodonaeus waren deze waterplanten ook rookkruiden. ‘Apollodorus schrijft dat Cyperus in oude tijden veel heel AziĎ door gebruikt werd zodat de Barbaren ‘s morgens nimmermeer uit gingen zonder een beroking er van ontvangen te hebben’. Tevens leveren ze een goed smakend en aangenaam ruikende olie. Deze olie levert een spijsolie wat ook wel gebruikt wordt bij zeepfabricage. Het uitgeperste deel is dan nog eetbaar voor mens en dier. De overige delen worden gebruikt als groenvoer en vlechtwerk.

 

Etymologie.

Cyperus stamt mogelijk van Cypris (Venus) naar zijn minnen driftverwekkende eigenschappen. Het is ook mogelijk dat het van het Hebreeuwse kophur, ‘hars’, stamt. Dit naar de wortelstok van Cyperus longus die in de parfumindustrie gebruikt wordt. Cypergras, Duits Zypergras en Engels cyperous, Frans souchet, van souche, de sterke en vele wortels vormen een kleine souche, ‘stronk’.

 

 

 

 

XLIIII Gouwwortel offceel wortel oft celidonia es heet ende droge in den vierden graet. Si is tweerleye, te weten meerder ende minder, nochtans die een nempt men voir dander. Als men in recepten gouwortel vint so sal men dye wortel, niet dat cruyt nemen, want de wortel is van meester macht. Si heeft macht te onbinden, te verteeren ende aen te trecken.

Teghen die tantsweer uuijt couder saken hout die wortel weynich ghewreven omtrent den tant.

Om dat hooft te rumen van couwen humoren ende de moijer met flumen vervult te droeghen: Neempt de wortel van de gouwortel ghewreven, sied se ende dien roeck sal die siecke al den mont otfaen. Daerna sal men gorgelen, den wijn ghecleert, daer gouwortel in ghesoyen is, lutter gingbeers, bertramwortel, weinich eekx met honich daer toe ghebesigt.

Gouwortel ghewreven in wijn ghesoeyen, daer in een sponcie ghedout, ende op die dermen gheleit es goet tegen colicam.

Om die stonden te doen coemen ende die moyer te suveren, siet gouwortel daer in doet een sponcie dicke ende leg se op de moeyer.

Teghen den canker des monts, dat water daer si in ghesoeyen is, menckt met hoenich, daer toe poeyer van drogen rosen, maket daer af een pappe.

Teghen de lopende gaten: Neemt poeyer van gouwortel met den zap van gouwortel, doeghet daer in, Platearius.

Dat zap van gouwortel daer in ontbonden, of ghemenckt es nu tuthia. Dat es goet om dat ghesicht te sterken, daer wat groefs omtrent de starren des ghesichts wort ghesoeyen.

Sommighe nemen wyn daer de wortel in ghesoeyen es teghen die gheel vrou.

Dijaf int capittel van gouwortel seet dat zap der meester gouwortelen met hoenich op die colen ghesoyen, doet die plecken der oghen uyt. Dat zap met weynich solfers ghemingt, daer me dat vel ghesaelft droeget de scorftheit af en der die lazersche naghelen verdrieft se. Dit zap oeck met honich in den noese ghedaen purgeret of reynet dat hoeft, Pandecta, dat self seit Serapio uyt die woerden van Diascorides.

XLIIII Stinkende gouwe. (Chelidonium majus en Ranunculus ficaria is de mindere) Stinkende gouwe, genezende wortel of Chelidonium is heet en droog in de vierde graad. Er zijn twee soorten, te weten de grotere en kleinere, nochtans de een neem je voor de ander. Als je in recepten stinkende gouwe vindt dan moet je de wortel en niet het kruid nemen want de wortel is van grotere kracht. Het heeft kracht om te ontbinden, te verteren en aan te trekken. Tegen tandpijn die uit koude zaken komt hou je de licht gewreven wortel bij de tand. Om het hoofd van koude levenssappen te ruimen en de baarmoeder die met slijm (1) vervuld is te drogen: ‘Neem de gewreven wortel van de stinkende gouwe, kook het en die rook zal de zieke in de mond ontvangen’. Daarna moet je gorgelen met wijn die gezuiverd is na het koken waar stinkende gouwe met wat gember, bertramwortel en wat azijn met honing bij gevoegd zijn.

Gewreven stinkende gouwe die in wijn gekookt is waar je een spons in duwt en die op die darmen legt is goed tegen koliek.

Om de stonden te laten komen en de baarmoeder te zuiveren kook je stinkende gouwe, daar in doe je een spons vol in en leg die op de baarmoeder.

Tegen kanker van de mond neem je het water waar het in gekookt is en meng het met honing en doe daar poeder van droge rozen bij, maak er een pap van.

Tegen lopende gaten: ‘Neem het poeder van stinkende gouwe met het sap van stinkende gouwe en doe het er in, Platearius.

Het sap van stinkende gouwe dat daarin ontbonden of gemengd is heet nu tutia. (2) Dat is goed om het gezicht te verbeteren daar waar wat grofs omtrent de pupillen van het oog groeit. (3)

Sommige nemen wijn waar de wortel in gekookt is tegen geelzucht.

Dyaf in het kapittel van stinkende gouwe zegt dat als het sap van de grote stinkende gouwe met honing op kolen gekookt wordt het de plekken van de ogen laat verdwijnen. Als je het sap met wat zwavel mengt en daar mee de huid zalft verdroogt het de schurft, de melaatse nagels verdrijft het ook.

Dit sap dat met honing in de neus gedaan wordt laxeert of reinigt het hoofd, volgens Pandecta, hetzelfde zegt Serapio uit de woorden van Dioscorides.

(1)  Fluor. (2) Zie ook tutia bij de metalen als oogheelmiddel, (3) Oogkanker?

 

Tekstvak:  44. Chelidonium majus, L. (groter)

Algemene kenmerken.

De stinkende gouwe heeft mooi zacht blauwachtig groen blad. De vier gele bloem­bladen staan in losse trossen, van april tot oktober. Die worden gevolgd door een hauwvormige en rechtopstaande doosvrucht.

 

Werking.

Het scherpe, bittere en vies ruikende gele melksap komt in alle delen van de plant voor. De reuk verdwijnt met opdrogen. Vanwege zijn kleur werd het in de signatuurleer gebruikt tegen geelzucht. Het sap werkt in kleine hoeveelheden prikkelend en in grotere hoeveelheden narcotisch scherp. Sinds de oudheid is het sap in de artsenij gebruikt als een populair middel tegen wratten, huiduitslag en zomersproeten. Gemengd met melk werd het gebruikt als een ogenwas omdat het de vlekken van het hoornvlies weg haalde.

 

Etymologie.