Jacob van Maerlant, der naturen bloeme, ca. 1266.

 

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Klik hier voor de index.

Hetzelfde verhaal schreef ook Megenberg.

Inleiding staat onderaan.

 

 

 

Jacob van merlant die dit dichte

Omme te sendene tere ghifte

wil datmen dit boec nome

jn ulaems der naturen bloeme

5want noch noint in dietscen boeken

ne gheen dichtre wilde soeken

hiet te dichtene van naturen

van so messeliken creaturen

alse in desen boeken staen

10niemene nebbe dies waen

dat ic die materie vensede

els dan ic die rime pensede

want de materie vergaderde recht

van colne meester albrecht

15hute desen meesters die hir comen

die ic iv sal bi namen nomen

die erste es aristotiles

die met rechte wel deerste es

want hi van alre phisosophyen

20van alre naturliker clergien

bouen allen eidinen die hoit waren

crone draghet inder scaren

waer somen dit teikin siet AR

dats dat hi segghens pliet

25plinius die comet hier naer

wis boeke men oudet ouer waer

solinus dar na die van naturen

spreket scone in sire scrifturen

jn enen boeke diemen weet

30die vander werelt wondre heet

Sente ambrosius van melane

die van naturen doet te verstane

jn sinen boeke Exameron

dien nopmen dicken in dit doen

35sente bazelis sekerlike

dien got sende van emelrike

enen boec van beesten nature

staet dicken oec in dese scrifture

Sente isidorus oec mede

40die dicken groote nuttelikede

ghescreuen heuet in sinen boeken

dicken moetmen sijns hier roeken

echt meester iacob van vitri

bisscop van hakers so was hi

45sident cardinael van rome

sijns eist recht dat ic hier gome

een boec oec mar menne weet

wiene makede ghereet

die es geheeten onder hem somen

50experimentator hormenne nomen

sijn wort setti hier mede

alst noot es ter menegher stede

Galienus palladius

platearius fisogolus

55lucillus piso teofrastus

entie keiser claudius

dorothenus van athenen

ende dyogenus ghemeene

dymocritus apollodijn

60die vanden beesten die draghen venijn

jn sinen boeken latet besien

dionisius die fisisien

katon verro ende marcus

eraclides ende orpheus

65pitagoras ende menander

omerus ende nicander

mucianus dyagoras

virgilius ende andreas

coninc iuba patroneus

70coninc philometor metellus

coninc tholomeus vmbricus

coninc antigonus alfeus

coninc archelaus flaminus

philiomon ende nigidius

75ceneca ende cicero

entie wise ipocras also

nigidius ende matulidus

dit sijn die meesters dar wi dus

dit werc af ebben ghemaket

80dar toe die bouen allen smaket

dats die wise sente agustijn

seghet hier mede toe dat sijn

dar toe vander biblen de glose

saiet hier meneghe soete rose

85wien so fauelen dan vernoien

ende onnutte loghenen moien

lesier nutscap ende waer

ende uersta dat noit een haer

om niet ne mekede nature

90het nes so onwerde creature

sones teregher sake goet

want got die bouen al es vroet

dans te gheloeuene meer no min

dat hi hiet makede sonder min

95noch gheene dinc ne makede har seluen

noch die duuel noch die heluen

ne makeden creaturen nie

dies willic dat elc besie

ende loue gode van allen saken

100die wonderlic es in sijn maken

jc ebbe belouet ende wilt ghelden

ghewilleghelike ende sonder scelden

te dichtene .i. bestiaris

nochtan wetic wel dat waer is

105dat dar willem huten houe

een priester van goeden loue

van erdenborch: enen heuet ghemaket

mar hi waser in ontraket

want hine huten walsche dichte

110dies wart hi ontledet lichte

ende heuet dat ware begheuen

mar daric dit hute ebbe bescreuen

ebbic van broeder albrechte

van colne diemen wel met rechte

115hetet bloeme van der clergien

vp hem dar ix conlike lien

deerste boec sal iv bedieden

dat wonder datmen vindet van lieden

dander van .iiii. uoeten beesten

120darmen uele af spreket in geesten

die derde die sal sonder lieghen

sijn uan uoghelen die ulieghen

die vierde dats noch mee

es vanden wondre vander ze

125die uichte van uisschen meneghertiere

die die zee uoedet entie riuiere

den sesten belouic te sine

van serpenten met venine

die seuende sal sijn van wormen

130die sijn van messeliken uormen

die achtende van bomen die int wout

wassen arde menech fout

de neghende sal ghewaghen

van bomen die specie draghen

135die tiende sal bedieden dat cruud

dat menegherande heuet vertuud

die .xi. spreket van fonteinen

beeda van soeten ende van onreinen

die twelefste van dieren steenen

140beede van groten ende van cleenen

de dertienste van .vij. metalen

diemen moet huter erden halen

ende in allen desen boeken

mach hi vinden dies wilroeken

145medicina dachcurtinghe

scone redene ende leringhe

ende dit dichtic dor sinen wille

dien ix ian lude ende stille

dats mine here niclaus van cats

150ende omme dat mi ghebreket scats

biddic dat hem ghename si

dit iuweelkin van mi

Gode biddic al te voeren

ende sine moeder hute vercoren

155ende si minen sin verlichte

also dat ic moete dichte

dat vromelic si ende bequame

jc beghinne in marien name

Proloog.

 

Jacob van Maerlant die dit dicht

om te zenden een tere gift

wil dat men dit boek noemt

in Vlaams ‘der naturen bloeme’,

want nog nooit in Dietse boeken

en geen dichter zal het zoeken

om hier te dichten van de natuur

van zulke verschillende creaturen

zoals in deze boeken staan.

10 Niemand heeft de waan

dat ik deze materie veinsde

anders dat ik de rijmen peinsde

want de materie verzamelde echt

van Keulen meester Albrecht (1)

uit de meesters die hierna komen

en die ik bij namen zal noemen.

De eerste is Aristoteles

die met recht wel de eerste is                           

omdat hij van alle filosofen

20 en van andere klerken over de natuur

boven alle heidenen die er ooit waren

de kroon draagt van de schare

waar je soms dit teken ziet, AR (2)

dat is dat hij het hier te zeggen pleegt.

25 Plinius die komt hierna

wiens boeken men houdt voor waar

Solinus daarna die van natuur

mooi spreekt in zijn geschriften

in een boek die men kent

30 en die ‘Van de wereld wonderen’ heet.

Sint Ambrosius van Milaan

die van de natuur laat verstaan

in zijn boek ‘Exameron’

die noopt men veel hier te gebruiken.

35 Sint Basilius zeker

die God zond vanuit het hemelrijk

een boek over beesten natuur

staat ook vaak in dit schrift.

Sint Isidorus ook mede

40 die vele grote nuttigheden

geschreven heeft in zijn boeken

vaak moet men hem hier waarnemen.

Echt meester Jacob van Vitri

bisschop van Akko, dat was hij

45 en nu zittend kardinaal van Rome.

Ze hebben er echt op dat ik ze hier noem.

Een boek ook waarvan men weet

wie het maakte gereed

die is genoemd onder hen sommige.

50 Experimentator horen we wij het noemen.

Zijn woord zetten we hier mede

als het nodig is, op menige plaats.

Galenus en Palladius,

Platearius en Physologus,

55 Lucillus, Piso, Theophrastus

en de keizer Claudius,

Dorotheus van Athene,

en Dyogenus algemeen,

Dymocritus Apollodijn,

60 die van de beesten die dragen venijn

in hun boeken laten zien,

Dionysus de geneesheer

Cato, Varro en Marcus,

Eraclides en Orpheus,

65 Pythagoras en Menander,

Homerus en Nicander,

Musianus en Dyagoras,

Virgilius en Andreas,

Koning Juba, Patronius,

70 koning Philometor, Metellus,

koning Ptolomeus, Umbricus,

koning Antigonus, Alpheus,

koning Archelaus, Flamicius,

Philemon en Nigidius,

75 Seneca en Cicero

en die wijze Hippocrates alzo

Hygienus en Matilius,

dit zijn die meesters waarvan wij dus

dit werk van hebben gemaakt.

80 Daarbij die boven allen staat

dat is de wijze Sint Augustinus

zeg het hier mede bij dat je van zijn

glossaria van de bijbel

hier ziet menige zoete strofen.

85 Wie zo fabels dan verdrieten

en onnutte leugens vermoeien

lees hier de nuttigheid en waarheid

en begrijp dat nooit voor niets

om niet nee maakte de natuur,

90 zelfs al is het zo’n onwaardig creatuur

het is voor enige zaken goed

want God die boven alles verstandig

dat te geloven is meer of min

dat Hij het niet maakte zonder bedoeling

95 nog geen ding maakt zichzelf

nog de duivel, nog de elven

nee, maakten die creaturen niet.

Zo wil ik dat elk beziet

en God looft in alle zaken

100 die wonderlijk zijn in hun maaksel.

Ik heb beloofd en laat het gelden

gewillig en zonder schelden

te dichten een bestiarium.

Nochtans weet ik wel dat het waar is

105 dat heer Willem uit de Hof,

een priester van goede lof

van Aardeburg, er een heeft gemaakt

maar hij was er in verdwaald

want hij uit het Frans dichtte

110 dus werd hij gemakkelijk ontwricht

en heeft het ware opgegeven.

Maar waar ik dit uit heb beschreven

heb ik van broeder Albrecht

van Keulen die men wel met recht

115 noemt ‘bloem van de geestelijkheid.

Op hem durf ik koen te vertrouwen.

Het eerste boek zal u verklaren

van het wonder dat men vindt van lieden.

De volgende van viervoetige beesten

120 waarvan men veel spreekt in verhalen.

De derde, die zal zonder liegen,

zijn van vogels die vliegen.

De vierde, dat is nog meer,

is van de wonderen van de zee.

125 De vijfde is van vele soorten vissen

die de zee voedt en de rivieren

De zesde beloof ik te zijn

van serpenten met venijn.

De zevende zal zijn van wormen

130 die zijn van misselijke vormen

De achtste van bomen die in het woud

groeien zeer menigvuldig.

De negende zal gewagen

van bomen die specerijen dragen.

135 De tiende zal verklaren het kruid

dat menigvuldige kracht heeft.

De elfde spreekt van fonteinen

beide, van zoete en van onreine.

De twaalfde van dure stenen

140 beide, van grote en van kleine.

De dertiende van zeven metalen

die men uit de aarde moet halen.

En in al deze boeken

mag hij vinden, die zich er toe zet,

145 medicijnen en tijdverdrijf,

mooie redenen en lering.

En dit dicht ik door zijn wil

die 9 luid en stil,

dat is mijn heer Niclaus van Cats

150 omdat hij mijn gebreken schat

bid ik dat het hem aangenaam zij

dit juweeltje van mij.

God bid ik van tevoren

en zijn Moeder uitverkoren

155 dat zij mijn geest verlicht

alzo dat ik moet dichten

dat goed is en bekwaam

Ik begin in Maria’s naam.

(1) Albertus Magnus.

(2) Aristoteles.

 

Menselijke levensstadia

 

Omme dat de mensce nader scrifturen

160coninc es der creaturen

es dus van hem mijn beghin

alst kint comet ter werelt in

so eist bouen allen dieren cranc

want het neuet crupen no ganc

165ende aristotiles die seghet

dat hem te wassene pleghet

ter seuender maent hare tande

ende meest es hare soch sulkerande

dat der vrouwen melc si heet

170dat kindekin ne doet noch weet

altoes negheen quaet

voer dat sprekens bestaet

dits deerste etaet vanden kinde

also als icket bescreuen vinde

175dandre etaet die gaet in

alst kint doet sprekens beghin

ende men seghet die spade gaen

dat si erst sprekens bestaen

lettel vindemerre die wel sproken

180her hem die moude werdet beloken

jn .v. iaren als aristotiles telt

heuet kint sire langhen delt

dese kintsce etaet strecket te waren

alsemen seghet te .xv. iaren

ende heuet ene name van suuerheden

jn latijn maer al nu heden

es die quateit so verheuen

datter lettel suuer leuen

tote dat si tharen daghen comen

hier bi heuet menscheit af ghenomen

ioghet hetet de derde etaet

die te .xv. iaren bestaet

ende strecket tote xxv iaren

dan wint die mensche uort te waren

mar lase de menscelichede

vloiet so nu in die onsuuerhede

dat de mensce hem seluen vertert

met te doene dat hi beghert

dat hi cume mach heten man

200gans ende salech raet wart dan

datmen huwelic wilde sparen

tote .xxii. iaren

dan sijn die senewen entie been

beede wlcomen ouer een

205ende die waesdoem es al wlcomen

plaghemens het soude nu vromen

manneit es die vierde etaet

die te xxxv. jaren ane gaet

dan es die mensce wlcomen

210ende nature heuet ghenomen

hare groue ende hare linghe

entie luxurie ende hare dinghe

beghinnen inden man te gaen

dan willi starke dinc bestaen

215dese etaet van deser tijd

maket orloghe ende strijd

ende nijd ende ouerde riset

die dicke te stride wiset

dese etaet loept te waren

220vpward tote .L. jaren

ten .L. iaren comt die oude

die noit niemen ebben woude

nochtan wilt al lange leuen

aristotilus heuet bescreuen

225dat die houde comen moet

alse den mensce ontgaet sijn bloet

al houden saen man ende wijf

die lettel bloets ebben int lijf

dese etaet vallet in een strec

230want so ghierech wert ende vrec

ende dit es de redene twi

die mensce merket wel dat hi

te dale gaet. ende wille sparen

hem die na hem comen te waren

235te ebne hare lijfnere

ende oec om sijn selues there

alse die curtelike dernaer

niet ne wint ende es swaer

jnde oude mindert inden man

240alle smette die hem ghinc an

maer vrechede ende gierechede

beghinnen eerst dan wassen mede

ja al plachire niet te voren

nv heeftise vaste vercoren

245dese etaet strecket te waren

nv bi tide tote lxx. jaren

vort meer alse die mensce lijd

van lxx. jaren die tijd

so gaet hi tsuffen ende rasen

250hem dinket al die werelt duasen

al dat hi siet dinket hem quaet

hi lachtert al dat wale staet

mar hi priset al datter was

datter nv es dinket hem gheduas

255sine crachte die te breken

jn allen dinghen sonder in spreken

dat andre liede bringhen vort

dinken hem [wesen] dulle word

ende tsine dinket hem wesen groot

260dese etaet die loept ter doot

want al dat lijf heuet ontfaen

moet ter doet ten hende gaen

maer dar na comt dat langhe lijf

dies nemmermeer ne wert gheblijf

265iof du sies dat enech man

ter gadoet spoet so nem dan

een mes ende mac int hore .i. gat

ende jof tu heues tijd ende stat

doe hem laten die mediane

270want bloet doet hem na minen wane

1. Menselijke levensstadia.

 

Omdat de mensen naar de schriften

160 koning is van de creaturen

is dus van hem mijn begin.

Als kind komt het ter wereld in

Zo is het boven alle dieren zwak

want het niet kruipt of gaat.

165 En Aristoteles die zegt

dat bij hem te groeien pleegt

in de zevende maand zijn tanden.

En meestal is hun zog zodanig

dat de vrouwenmelk is heet.

170 Dat kindje dat niets doet of weet

in ieder geval nog geen kwaad

voordat het spreken gaat.

Dat is de eerste staat van het kind

zoals ik het beschreven vindt.

175 De andere staat die gaat in

als het kind met spreken begint.

En men zegt het, die laat gaan lopen

dat die het eerste spreken gaan.

Weinig vindt men er die goed spraken

180 eer hem de schedel werd gesloten.

In vijf jaren, zoals Aristoteles telt

heeft het kind zijn langste gedeelte.

Deze kindse staat strekt ze te bewaren,

zoals men zegt, tot vijftien jaren

en heeft een naam van zuiverheden (1)

in Latijn. Maar nu tegenwoordig

is die kwaadheid al zo verheven

dat er weinig zuiver leven

totdat ze tot hun dagen komen.

Hierom heeft de mensheid achteruit gegaan.

Jeugd heet de derde staat

die vanaf vijftien jaar bestaat

en strekt tot vijf en twintig jaren.

Dan wint de mens voort te waren

maar helaas, de menselijkheden

vliedt zo in onzuiverheden

dat de mens zichzelf verteert

met te doen wat hij begeert

dat hij nauwelijks mens mag heten.

200 Goede en zalige raad is het dan

dat men het huwelijk moet sparen

tot de twee en twintigste jaren

dan komen de zenuwen en de benen

beide volkomen met elkaar overeen

205 en is de volwassenheid zo volkomen

doet men dit, het zou verbeteren.

Manlijkheid is de vierde staat

die met vijf en dertig jaren aangaat

dan is de mens volkomen

210 en de natuur heeft genomen

zijn dikte en zijn lengte

en wulpsheid en haar dingen

beginnen in de man te gaan,

dan wil hij sterke dingen doen.

215 Deze staat van deze tijd

maakt oorlog en strijd

en afgunst en hoogmoed die rijst

die vaak tot strijd wijst.

Deze staat loopt te waren

220 opwaarts tot vijftig jaren.

Met vijftig jaren komt de ouderdom

die nooit iemand hebben wou

nochtans willen allen lang leven.

Aristoteles heeft geschreven

225 dat de ouderdom komen moet

als de mens ontgaat zijn bloed

al ouderdom gelijk, man en wijf

die weinig bloed hebben in het lijf.

Deze staat vervalt in een streek

230 dan wordt hij gierig en een vrek.

Dit is om reden twee,

De mens merkt wel dat hij

te dal gaat en wil sparen

voor hen die na hem komen te waren

235 en te hebben hun leeftocht

en ook om zichzelf te daar

als ze dit kort daarna

niet verdienen kunnen en het zwaar wordt.

Met de ouderdom vermindert in de man

 240 alle smetten die hem gingen aan,

maar vrekkigheid en gierigheid

beginnen dan eerst te groeien mede.

Ja, al was hij dat niet tevoren

nu heeft hij het helemaal uitverkoren.

245 Deze staat strekt te waren

opwaarts soms tot zeventig jaren

verder meer als de mens gaat.

Vanaf zeventig jaren die tijd

dan gaat hij suffen en razen

250 en denkt dat iedereen in de wereld daast.

Van alles wat hij ziet denkt hij kwaad

hij lacht alles uit dat goed staat

maar hij prijst alles dat er was

dat er nu is is voor hem dwaas.

255 Zijn krachten die breken

in alle dingen, uitgezonderd in het spreken.

Wat andere lieden brengen voort

denkt hij te zijn gekke woorden

en het zijne dat denkt hij wijsheid groot.

260 Deze ouderdom loopt ter dood

want alles wat het lijf heeft ontvangen

moet met de dood ten einde gaan.

Maar daarna komt dat lange leven

dus nimmermeer is er een blijven.

265 Als je ziet dat enig man

naar snelle dood of pest spoedt neem dan

een mes en maak in het oor een gat

en als je hebt tijd en plaats

laat hem een ader in het midden van de arm.

270 want het bloed doodt hem naar mijn waan. (3)

 

 

 (1) Burger: De kindertijd […] ontleent haar naam (pueritia) aan het woord dat ‘zuiverheid’ betekent (puritas) - de afleiding is onjuist, maar typerend voor de middeleeuwse etymologie, die vrijwel uitsluitend gericht was op het achterhalen van de vermeende grondbetekenis van een woord.

(3) zijn bloed is dodelijk, vandaar het bloed laten.

 

nv hord van wonderliken lieden

dar ons die wise of bedieden

maer eer wi spreken van elken allene

horter of teersten int ghemeene

275om dat dese eerste boec bedied

dat wonder dat men ter werelt siet

so vraghemen of dat volc te samen

van adame onsen vader quamen

ende wi segghen neensi niet

280het ne sij also ghesciet

als ons scriuet adelijn

die seghet dat centauroene sijn

ghewassen ter werelt an

van den beesten ende van den man

285die wise segghen ieghen dat

al eist ghesciet te menegher stat

dat sulke dier onlanghe leuen

sente Jeronimus heuet bescreuen

jn sente pauwels vite

290die was die eerste heremite

datten sente anthonis sochte

jn die woude dar hi mochte

hem quam een wonder te ghemoete

een man staende up gheets uoete

295ende vor sijn vorhoft horne twe

alse buxhorne min no me

ende seide aldus spreke die scripture

jc bem eene steruelike creature

ende van minen ghesellen bode

300ende wi bidden v dat ghi bid gode

ouer mi ende ouer de mine

die hier wonen in de wostine

want wi bekennen dat hi es comen

den mensce te salicheden ende te vromen

305an scijnt na die vraie word

die men van Jeronimuse hord

als of dese creature adde jn

menscelike redene ende sin

maer wine segghen altoes niet

310dat dus beestelic een ghediet

van adame moghen sijn comen

ende al vindemen an hem somen

menscelike lede .i. deel

onse geloue es dat geheel

315dat si die siele niet hebben ontfaen

die nemmermeer machte gaen

ende het nes te wonderne niet

dat dus beestelic een ghediet

een deel van meeren sinne si

320want bi auonturen bedj

dat si in vterliken leden

gheliken der menscelicheden

si sijn een deel van binnen

machlichte van subtilen sinne

325dan andre bestelike diere

dit machmen dit merken schiere

nu es hier ghesproken int ghemene

vort hort van elken wondre allene

2. Nu hoort van wonderlijke lieden

daar ons de wijzen van aanwijzen,

maar voor wij spreken van elk alleen

hoor er eerst van in het algemeen.

275 Omdat dit eerste boek aanwijst

van het wonder dat men in de wereld ziet,

dan vraagt men of dat volk tezamen

van Adam onze vader kwam.

En wij zeggen, neen, dat is het niet

280 het is niet zo geschied.

Zoals ons schrijft Adelinus

die zegt dat er Centaurs (1) zijn

gewonnen in de wereld van

de beesten en van de man.

285 De wijzen zeggen er tegen dat

al is het gebeurd op vele plaatsen

en dat zulke dieren niet zeer lang leven.

Sint HiĎronymus heeft ze beschreven

in Sint Paulus leven.

290 Die was de eerste heremiet

die naar Sint Antonius zocht

en in het woud waar hij mocht

kwam hem een wonder tegemoet

een man staande op geitenvoeten

295 en voor zijn voorhoofd horens twee

als bokkenhorens min of meer

en zei, aldus zegt de schrift,

‘ik ben een sterfelijk creatuur

en van mijn gezellen een bode

300 en wij vragen u opdat u bidt tot God

voor mij en de mijnen

die hier wonen in de woestijn

want wij bekennen dat Hij is gekomen

om de mensen zalig te maken en te bate.

305 Nu schijnt het na die fraaie woorden

die men van HiĎronymus hoorde

alsof dit schepsel had in

menselijke rede en geest.

Maar wij zeggen altijd niet

310 dat dusdanige beesten die dit doen

van Adam mogen zijn gekomen.

En al vindt men aan hen soms

menselijke leden, een deel

ons geloof is geheel

315 dat ze niet de ziel hebben ontvangen

die nimmermeer mag uit gaan.

Het is te dan niet te verwonderen

dat dusdanig beestachtig volk

een deel van meerdere geesten is.

320 Want uit verhalen blijkt

dat ze in uiterlijke leden

gelijken op de mensen.

Ze zijn een deel van binnen

mogelijk van subtielere geest

325 dan andere beestachtige dieren.

Dit mag men opmerken snel.

Nu is hier gesproken in het algemeen

voort hoort van elk wonder alleen.

(1) paring van mens en dier, een onocentaur. Dit fabuleuze dier begon zijn literaire bestaan in de Septuagint. De Griekse versie van Jesaja 13: 21 en 34: 14 geeft onocentaurs weer voor het Hebreeuwse woord wat in de geautoriseerde versie ‘veldgeesten’ geworden is. ...’en veldgeesten daar rondhuppelen, wilde honden zullen huilen in de burchten en jakhalzen in de paleizen van wellust’, 34; 14 ‘..veldgeesten ontmoeten elkander, ja, daar zal het nachtspook verwijlen en een rustplaats voor zich vinden’. Dat deze vertalers van Jesaja het woord niet uitgevonden hebben zien we in een passage van Aelianus waar hij, na de beschrijving van de onocentaur, zegt: “Pythagoras stelt dat dit ding, naar de getuigenis van Crates, uit Pergamum komt’. Naar alle waarschijnlijkheid waren de vertalers bekend met Crates. Toen ze dan ook dit vreemde woord tegenkwamen hadden ze een probleem om het Hebreeuwse woord voor een ‘verschrikkelijke dier’ te vertalen en maakten er een onocentaur van.

De onocentaur is een van de dieren die voorkomt in de Physiologus. Het dier heeft een menselijk gezicht en is omgeven door dik haar, heeft handen en het bovenste deel van het lichaam is menselijk in vorm, maar het lagere gedeelte met de achterpoten lijkt op die van de ezel. Er wordt geen melding gemaakt van een staart. De kleur van het lichaam is asgrijs met wat wit aan de lendenen. De handen hebben een dubbele functie, als snelheid nodig is worden ze gebruikt als voeten en gaat het dier net zo snel als andere viervoeters. Als het nodig is om iets te plukken of te grijpen worden ze weer handen, dan wandelt het niet maar zet zich neer. Naar deze opmerkingen zou je zeggen dat het een staartloze aap was. Zonder deze beschrijving zou de naam suggereren dat het een monster was die van de klassieke centaur verschilt doordat het lichaam een ezelsgedeelte heeft in plaats van een paard. Het is de satyr, zie onder. Er zijn schrijvers als Adelinus die zeggen dat deze monsters ontstaan uit de paring van ezels met mensen.

Burger: Volgens Lucretius (De rerum natura, boek v) kunnen centauren niet bestaan, aangezien het paarddeel zou sterven voordat de menselijke helft de volwassenheid zou kunnen bereiken.

Mulder: De onocentaurus verenigt in zijn naam onager (ezel) en centaur. Ook dit wonderwezen kwam in de bijbel voor: in Job 13:21, zoals geciteerd door de Physiologus, verschenen ‘sirenen en onocentauren’. In de bijbelvertaling van Hieronymus, de Vulgaat, zijn beide verdwenen. Plinius verhaalt hoe hij ten tijde van keizer Claudius een hippocentaur gezien heeft die met honing gebalsemd van Egypte naar Rome werd gebracht (Naturalis Historia, VII, 35).

 

Jacob van vitri die seghet

330dat in orienten leghet

lande van wonderliken lieden

jn sinen boeken ormen bedieden

ende in andren boeken mede

dat daer es in ere stede

335volc van vremder manieren

een lant belopen met riuieren

dat amasonia es ghenant

el niet dan vrouwen wonen int lant

sonder gheselscap van manne

340entar sijnre meer nochtanne

danne .cc. dusent vrouwen

weltijt datse manne scouwen

dat si van .i. wighe keeren

dar si zeghe ebben met eren

345so nighen si hem alle daer

nemmeer dan ene warf int iaer

e willen si te manne gaen

ende alsi kint ebben ontfaen

eist cnapelin si oudent .vii. iaer

350ende sendent den vader dar naer

eist maghedekin si oudent dan

dus ouden si har lant sonder man

de manne wonen van hem verscheden

dar nes gheen geselscap van em beeden

355ghelijc recht datmen mach merken

dat die uoghelen met crommen becken

die femelen starker sijn

dan die merlen alst es anschijn

also machmen dar bescouwen

360starker bouen mannen vrouwen

oec neist ieghen redene niet

diemen bi naturen siet

want somen sere wederstaet

der onsuueren luxurien raet

365darmen bi uele machts verdriuet

somen met rechte starker bliuet

hoe dat beghin van desen vrouwen

erst quam machmen bescreuen scouwen

si quamen huten lande van sweden

370ende waren hem met moghenteden

hare manne af ghesleghen

van volke was dar bi gheleghen

dar quamen si met ghemenen rade

vp hem die hem daden die scade

375ende sloghent alte male doot

ende wraken hare scade groot

ende voeren wonen in dat lant

dat amasonia es ghenant

ende nemmermer vort sine wouden

380dat manne hare heren wesen souden

dese wijf sijn den kerstinen houd

ende ebben gheuochten met ghewoud

met ons up die sarrasine

dus es hare gheloue an scine

 

 

 

 

 

 

 

 

3, Jacob van Vitry die zegt

330 dat in de OriĎnt ligt

een land van wonderlijke lieden.

In zijn boeken hoort men aanduiden

en in andere boeken mede

dat daar is in een plaats

335 een volk van vreemde manieren

in een land doorlopen met rivieren

dat Amazonia (1) is genoemd

en er alleen maar vrouwen wonen in dat land

zonder gezelschap van mannen

340 en daar zijn er meer nochtans

dan twee honderdduizend vrouwen.

Soms dat ze mannen aanschouwen

als ze van een strijd keren

waar ze zegen hebben met eren

345 dan buigen ze voor hen alle daar.

Nooit meer dan eenmaal in het jaar

dan willen ze naar de mannen gaan.

En als ze een kind hebben ontvangen

en is het een jongen dan houden ze het zeven jaar

350 en zenden het de vader daarna.

Is het een meisje dan houden ze het.

Dus houden ze hun land zonder man

en de mannen wonen van hen gescheiden.

Daar is geen gezelschap van hen beiden

355 gelijk dat men terecht mag opmerken

dat er vogels zijn met kromme bekken

de vrouwtjes sterker zijn

dan de mannetjes, als het lijkt,

alzo mag men het daar beschouwen.

360 Sterker boven mannen zijn die vrouwen. Ook is het tegen de reden niet

die men bij natuur ziet,

want zo men zeer weerstaat

de onzuivere wulpse raad

365 waar men veel kracht bij verdrijft

zodat men met recht sterk blijft.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe dat het begin was van deze vrouwen

eerst kwam mag men beschreven beschouwen

dat ze kwamen uit het land van Zweden

370 en waren hen met mogendheden.

Hun mannen afgeslagen

door volk dat daarbij was gelegen.

Toen kwamen ze met algemene raad

op hen die hun deden de schande

375 en sloegen hen allen dood

en wraken hun grote schade

en gingen wonen in dat land

dat Amazonia is genoemd.

En nimmermeer wilden ze

380 dat mannen hun heer wezen zouden.

Deze wijven zijn de christenen goedgunstig

en hebben gevochten met geweld

met ons tegen de Sarasijnen

dus is hun geloof aanzienlijk.

(1) Deze, tot de verbeelding sprekende amazones, zouden hun woonplaats te Themistyra aan de vloed Thermodon in Pontus hebben. Toen de Grieken daar later met Alexander de Grote aankwamen en er geen amazones aantroffen vertelden ze dat ze allemaal door Hercules overwonnen waren. Men heeft ze nooit gevonden. Toch bleven ze tot de verbeelding spreken. In de Griekse mythologie is het zo een strijdlustig vrouwvolk geworden die onder een koningin leeft en maar een maal in een jaar met mannen tezamen komt. Bij de geboorte hielden ze alleen de meisjes waarvan later een borst weggebrand werd zodat ze de boog beter konden hanteren. De jongens werden naar de vaders gezonden of gedood of aan handen en voeten verminkt zodat ze alleen tot ondergeschikt huiselijk werk in staat waren Soms worden ze dochters van Ares genoemd, ze zouden hun mannen deels gedood en deels verjaagd hebben. Of ze worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een Scythisch volk waarvan de mannen alle in de oorlog omgekomen zijn.

De krijgszuchtige vrouwen waren een geliefd onderwerp voor de Griekse artiesten. Maar in de Griekse kunst worden ze meestal met beide borsten, in Scythische of in Griekse kleding met opgetrokken chiton en een schouder en borst bloot en te paard of te voet afgebeeld. Nergens vind je het verhaal bevestigd dat ze de pas geboren meisjes de rechterborst afgebrand zouden hebben. Dit verhaal is waarschijnlijk een mislukte poging om de naam te verklaren. Het Griekse amazon, (in meervoud amazones) werd door de Grieken opgevat als a-mazos: zonder (rechter)borst.

Hun strijd tegen de Griekse helden en de nederlaag die ze telkens lijden, is waarschijnlijk niet anders dan een mythologische voorstelling van een poging om een eredienst uit te breiden die op de hogere Griekse beschaving afstuitte. Waarschijnlijk gaat de sage op Scythische volkeren terug waarin de voortijd het moederrecht bestond en de vrouwen met de mannen mee vochten.

Het geloof bleef bestaan. Toen de Europese ontdekkers aan de oever van de Marannon gewapende vrouwen ontdekten, gaven ze die stroom dan ook de naam van Amazonenrivier.

Een Boheemse overlevering verhaalt van een merkwaardige geschiedenis van vrouwen in de geest van de mythische Amazones. Onder aanvoering van een zekere Wlasta scheidde zich een menigte jonge vrouwen af tot een organisatie die op militaire wijze werd ingericht. Ze versterkten de streek die ze tot woonplaats hadden gekozen met forten en handhaafden zich acht jaren lang tegen de hertog van Bohemen, Przemyslas. De manspersonen die in hun macht vielen werden omgebracht of voor slavendiensten gebruikt.

Burger: Geloof in de kracht die seksuele onthouding en maagdelijkheid schonken, was wijdverbreid in de middeleeuwen. Jacobus van Vitry vertelt in een van zijn exempelen over een jongen die opgevoed is in een klooster en nog nooit van zijn leven een vrouw gezien heeft. Op een dag neemt de abt hem mee op reis. Ze houden stil bij een smidse om de paarden van nieuwe hoefijzers te laten voorzien. De jongen neemt een roodgloeiend hoefijzer van het aambeeld en geeft dat aan de smid - zonder kreet van pijn, zonder zich te branden. De twee brengen de nacht door in een herberg, waar de jongen wordt verleid door de vrouw van de waard. Als hij de volgende dag bij een smid nogmaals een heet hoefijzer oppakt, moet hij het met een gil van pijn laten vallen.

 

385andre lieden heten nakede vroede

wonen daer in hare hoede

homoedech naket ende arem mede

die onwert ebben die hoechede

van arderike alte male

390jn holen wonen si sonder zale

hare wijf ende hare kinder

wonen metten beesten ghinder

sine vechten none striden

wilen quam in ouden tiden

395alexander in hare lant

ende alsise wijs ende arem vant

heuet hi homoedelike gheseit

bidt dats ghi wilt ets iv ghereit

doe seiden si doe onse bede

400wi bidden di dan ontsteruelicede

alexander antworde hem

jc die selue steruelic bem

welker wijs mochtic v gheuen

dat ghi soudet ewelike leuen

405doe seiden si seghet dat dijn raet

datti emmer te steruene staet

twi iaghestu achterlande dan

te scendene so meneghen man

daer sijn lieden van andre maniere

410ouer ganges die riuiere

dien de lettre hetet bracmanne

van sonderlanghen liue nochtanne

want dats wonderlike dinc

her de gots sone lijf ontfinc

415screuen wiselike de gone

vanden vader ende vanden sone

ende van hare euengheweldechede

an alexandre dor sine bede

ende scinen hare wort openbare

420joft kerstinlic gheloue ware

andre lieden wonen dar neuen

die om te comene in dat leuen

dat na dat steruen comet hier

hem verbernen in .i. vier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. 385 Andere lieden heten naakte wijzen

en wonen daar in hun hoede.

Ootmoedig, naakt en arm mede

die niets ophebben met hoogheden

van het aardrijk allemaal.

390 In holen wonen ze zonder zaal

hun wijf en hun kinderen

wonen met de beesten ginder

zij vechten niet of strijden.

Wijlen kwam in oude tijden

395 Alexander in hun land

en toen hij ze wijs en arm vond

heeft hij barmhartig gezegd,

‘bidt wat gij wilt en het wordt gedaan’.

Toen zeiden ze, ‘doe ons deze bede

400 wij bidden u dan om onsterfelijkheid’.

Alexander antwoordde hen,

‘ik die zelf sterfelijk ben,

Op welke manier mag ik je geven

dat gij eeuwig zou leven?’

405 Toen zeiden zij, ‘zeg dan uw raad

omdat u immer te sterven staat,

waarom jaagt u in achter landen dan

om te schenden zoveel mannen?’

 

 

 

 

 

 

 

 

Daar zijn lieden van een andere soort,

410 over de Ganges, de rivier,

die de boeken noemt Brahmanen.

Van apart leven leven nochtans

want dat is een wonderlijk ding,

eer God de Zoon een lijf ontving

415 schrijven al wijs diegene

van de Vader en van de Zoon

en van haar eeuwigheid

aan Alexander, door zijn bede

en schijnt hun woord openbaar

420 alsof het Christelijk geloof ware.

 

 

 

 

 

 

 

Andere lieden wonen daar naast

die om te komen in dat lange leven

dat na het sterven komt hier

zich verbranden in een vuur.

425ander uolc es daer onuroeder

die haren uaer ende hare moeder

alsi van ouden sijn uersleten

te doot slaen ente samen heten

ende dit ouden si ouer weldaet

430dies niet ne dade hi hiete quaet

oec vindemen dar in somech lant

menghen grooten gygant

[die .xii. cubitus sijn lanc]

ende uolxkin so clene so cranc

435cume so groot wi lesent dus

alse .iii. uoeten iofte .ii. cubitus

ar sijn urouwen horic iwagen

die als enewarf kinder draghen

entie werden grau geboren

440ende alsi out sijn als wijt horen

so werdet hem al swart dat aer

ander wijf wonen dar naer

diere viue bringhen tere drachte

mar sine leuen der iare mar achte

445oec es dar .i. uolc geseten

die die rowe visscen heten

ende drinken die soute zee

ander uolc so wont dar me

die de hande ebben verkert

450ende andie voete als men ons lert

ebben si theen twewarf viere

volc esserre van vremder manire

dien de uoeten stan verkert

ende als ons sente ieronimus leert

455so esser erande volc vonden

die sijn gehoeft ghelijc den onden

met crummen clawen ende met langhen

ende met beesten uellen behanghen

ende ouer hare spreken bassen

460ander uolc es dar ghewassen

so cleenen mont ebben die liede

dat si met enen cleenen riede

n sughen moeten dar si bi leuen

ander uolc es dar beneuen

465die menschen heten als ict ore

dese uolghen lieden bi spore

bider roke dats hare maniere

tote dat si comen tere riuiere

ende dar nemen si den lieden dat lijf

470weder het si man of wijf

 

 

 

 

 

 

 

 

425 Ander volk is daar dwaas

die hun vader en hun moeder

als ze van oudderdom zijn versleten

dood slaan en samen eten.

En dit houden ze voor weldaad

430 die het niet doet, hij heet daar slecht .

 

 

 

 

 

 

 

Ook vindt men daar in sommig land

menige grote gigant.

[die 5,5 m zijn lang]

 

 

 

 

 

 

435 En een volkje zo klein en zo zwak nauwelijks zo groot, wij lezen aldus,

als drie voeten of negentig cm.

 

 

 

 

 

Daar zijn vrouwen, hoor ik gewagen,

die eenmaal een kind dragen en die worden grauw geboren.

440 En als ze oud zijn, zoals wij het horen,

dan wordt hen helemaal zwart dat haar.

 

 

 

 

 

 

Een ander wijf woont daar naast

die er vijf brengt in een dracht

maar zij leven daar maar acht jaar.

 

 

 

 

 

 

445 Ook is daar een volk gezeten

die rouwe vissen eten

en drinken van de zoute zee.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ander volk zo woont daar meer

die de handen hebben verkeerd

450 en aan die voeten, als men ons leert,

hebben ze tenen, twee maal vier.

 

 

 

 

 

 

 

 

Volk is er van een vreemde soort

van wie de voeten staan verkeert.

 

 

 

 

 

En zoals onze Sint HiĎronymus leert

455 is er een soort volk gevonden

die voeten heeft gelijk de honden

met kromme klauwen en met lange

en met beestenvellen behangen

en in plaats van spreken bassen.

 

 

 

 

 

 

460 Ander volk is daar gegroeid

zo’n kleine mond hebben die lieden

dat ze met een klein rietje

zuigen moeten willen ze blijven leven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ander volk is daar naast

465 die mensen eten, zoals ik het hoor,

en volgen lieden bij een spoor

via de geur, dat is hun manier,

totdat ze komen bij een rivier

en daar nemen ze van die lieden het lijf

470 of het een man of wijf is.

 

ander lieden die wonen daer bi

die heeten arismaspi

ofte ciclopen in latijn

die maer met enen oge sien

475ende staet hem int vorouet voren

5, Andere lieden die wonen daarbij

die heten Arismaspi (1)

of Cyclopen in het Latijn

die maar met een oog zien

475 en dat staat hen in het voorhoofd voor.

(1) Aristeas, 900 v. Chr., had een reis gemaakt naar het land der Issodoniers (ongeveer bij Irkoetsk) die de buren waren van de Arismaspen en mensen waren met een oog (arima: een, spou: oog) Dat de griffioenen in het hoge noorden op de Rhipaise bergen de goudmijnen tegen de Arimaspen bewaakten. De griffioenen leefden met de rijdende Scythisch Arimaspen en zo ook met hun paarden in vaste vijandschap. Vandaar het spreekwoord: “iugentur grypes equis, dat is ‘het onmogelijke zal mogelijk worden’. De verhalen over hen, over eenogige demonen en over wezens die de gouden hemelberg bewaakten bleven eeuwenlang een gezocht onderwerp.

Burger: Ook bekend als ‘gymnosofisten’, de middeleeuwse versie van de Indiase yogi's. Misschien danken ook de parasolvoeten hun ontstaan aan ontmoetingen met yogi's.

Mulder: Mede-eeuwigheid - van ‘medeĎeuwig’, ‘met iemand of iets eeuwig bestaande’ (theol.).

De meeste middeleeuwse geleerden zagen de aarde als een bol, verdeeld in vijf klimaatgordels - het is een lasterlijke misvatting dat middeleeuwers dachten dat de aarde plat was. De gordels rond de polen waren onbewoonbaar door de grote koude; het gebied rond de evenaar liet geen mensen toe door overmatige hitte. De enige twee bewoonde gebieden waren dus de gematigde zones ten noorden en ten zuiden van de evenaar. In de loop der tijd werden de mensen die aan de ommezijde van de wereld leefden, onze tegen voeters, verward met het door de Griekse reizigers beschreven mensenras waarvan de voeten naar achteren wezen, zodat ze in de dubbele betekenis van het woord ‘tegenvoeters’ of ‘antipoden’ werden. Dit volk veroorzaakte doctrinair ongemak: als het evangelie gepredikt was ‘tot de einden der wereld’, dan was het niet mogelijk dat er op het zuidelijke deel van de aarde, door hitte en oceanen gescheiden van de rest van de mensheid en verstoken van de heilsboodschap, ook bezielde wezens leefden. Bovendien stammen volgens de Schrift alle mensen af van Adam - hoe konden er dan aan de andere kant van de wereld, aan gene zijde van de ondoordringbare hittegordel rond de evenaar, óók mensen leven? Tot ver in de dertiende eeuw werd de antipodenleer dan ook fel bestreden van kerkelijke zijde.

Toch bood het bestaan van dergelijke volkeren, op veilige afstand van de mogelijkheid tot verificatie, ook theologische voordelen. Augustinus bezwoer de ketterse gedachte aan uitzonderingen op de natuurlijke orde met het argument dat het bestaan van monstervolkeren ons toont dat Gods wijsheid niet faalt als er bij ons een mismaakt kind geboren wordt. Kinderen met een staart, met twee hoofden, bedekt met haar of schubben, zonder mond, of met aaneengegroeide benen (‘sirenenvorming’) werd met deze redenering de status van ‘speling der natuur’ ontnomen. Strikt genomen bestonden spelingen der natuur dan ook niet: de uitdrukking was bekend, maar het was alleen onwetendheid die de mens een spelende natuur deed zien.

Mensen met hondekoppen - in het Latijn de cynocephali. Vaak afgebeeld op kathedralen en kerken in voorstellingen van de apostelen die het Evangelie over de gehele aarde verspreiden - de cynocephali vertegenwoordigen daarin he PygmeeĎn - de vroegste verwijzing naar de strijd tussen kraanvogels en pygmeeĎn is te vinden in Homerus' Ilias, in de eerste regels van het derde boek.

Brixant - een mythische zijrivier van de Nijl. ‘t meest onbeschaafde en afgelegen volk.’

 

ander volc es daer gheboren

die loepen vtermaten seere

met enen uoete ende met nemmere

nochtan es die voet so bret

480dat si hem ieghen die sonne heet

hem bescermen dar mede

war dat si rusten teregherstede

ander lieden dies gheloeuet

vindemen dar al sonder houet

485hare oghen in hare scouderen staende

jn hare barste .ij. gate hute gaende

houer nese ende houer mont

eisemlic sijn si als .i. hont

ander lieden sijn dar beneuen

490die bi enes appels roke leuen

sonder andre spise tontfane

eist dat hem uerre staet te gane

si draghene uoer hem ter noot

want ander sijns so bleuen si doot

495quame hem eneghe quade lucht an

oec wonen daer wilde man

met .vi. vingheren an elke hant

6, Ander volk is daar geboren,

die lopen uitermate snel

met een voet en niet meer,

nochtans is die voet zo breed

480 dat ze tegen de zonnehitte

zich beschermen daarmee

waar ze rusten in enige plaats.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere lieden, wat men gelooft,

vindt men daar al zonder hoofd, (1)

485 hun ogen in hun schouders staan

in hun borst gaan twee gaten uit

voor neus en voor de mond,

ijselijk zijn ze als een hond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere lieden zijn daar naast

490 die bij een appelgeur leven

zonder andere spijs te ontvangen.

Is het dat ze ver moeten gaan

dan dragen ze (appels)voor de nood

want anders bleven ze dood

495 als er bij hen enige kwade luchten aankwamen.

 

 

 

 

 

 

 

Ook wonen daar wilde mannen

met zes vingers aan elke hand.

 

 

(1) Albertus Magnus, 1186-1280, bespreekt mensen in warme streken. Er zouden er zijn zonder hoofd waarbij de ogen in de schouders zitten, in de borst zitten twee gaten voor de neus en mond. Hij besluit: “Eyselijc sijn si als een hont”. Mogelijk had hij dat van Plinius, die beschreef al vreemde mensenrassen in Afrika. Mogelijk de hondskopapen. Plinius verhaalt dat er een reuzenras was die Syrbotas genoemd werd en een klein ras de Pygmae, verder dat de Machlyes van beide sekse zijn en dat de Maritimi vier ogen hadden, op vier voeten wandelden de Limantopodes, ook was er een ras die geen mond had maar zich voedde via strootjes. Het ras Blemnyae had geen hoofden maar gezichten op hun borst. Daar lijken ze geen hinder van te hebben, het enigste probleem was dat ze hun hele lichaam moesten omdraaien als ze iets achter zich wilden zien. Dit beschrijft Shakespeare in het verhaal van de Moor Othello, 1, 2:

‘Van kannibalen die elkaar verslinden’.

De anthropophagen en van mensen wier

hoofd in hun borst zit.’

 

oec so wonen dar int lant

wijfs van sere scoonre maniere

500die ouden hem in ene riuiere

ende want sine ebben iser neghen

wapen si hem al in een

met wapinen van selure al

hoec wonen dar in somech dal

505van india wijf gebart

toten mammen nederwart

entie cleder van uden draghen

entie hem al gheneren int iaghen

entie cleder van huden draghen

si ebben luparde ende lioene

510ende tigren tharen doene

ghetammet dar si iaghen mede

noch es dar te somegher stede

volc beede man ende wijf

die gheen cleet draghen ant lijf

515ende ru gehart anden lachame

wart dat hem enech man to quame

so doken si int water dan

want die wijf entie man

leuen wel na hare lieder maniere

520bede upt lant ende in de riuiere

oec vindemen dar wilde liede

groot starc ende onghiere

die ru als .i. suijn sijn van hare

ende brieschen alse oft een stier ware

525jn ene riuiere wonen dar wijf

die hutscone ebben dat lijf

sonder dat si inden mont

sijn ghetant ioft ware .i. ont

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook zo wonen daar in het land

wijven van zeer schone manieren,

500 die houden zich op in een rivier

want zij hebben ijzer, nee geen,

ze wapenen zich geheel

met wapens van zilver al.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook wonen daar in sommige dalen

505 van India wijven met een baard

al tot de mammen nederwaarts

en die klederen van huiden dragen

en die zich voeden met jagen

en die klederen van huiden dragen,

ze hebben luipaarden en leeuwen

510 en tijgers tot hun doen

getemd waar ze jagen mee.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nog is daar in sommige plaatsen

Volk die beide, man en wijf,

geen kleed dragen aan het lijf

515 en ruw gehaard zijn op het lichaam

zo er een man op hen toekomt

dan duiken ze in het water dan

want dit wijf en deze man

leven wel naar hun lieden manier,

520 beide, op het land en in de rivier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook vindt men daar wilde lieden

groot, sterk en onguur,

ruw als ze zijn van haar

en briesen alsof ze een stier ware.

 

 

 

 

 

 

 

525 In een rivier wonen daar wijven (1)

die zeer schoon hebben dat lijf,

bijzonder dat ze in de mond

getand zijn als een hond.

(1) Hier zullen mensen bedoeld zijn. Mogelijk zijn de tanden gevijld, wat in sommige streken sier is. Apen hebben een afkeer van water, ze zijn al bang als ze een smal stroompje over moeten steken, in dierentuinen is dat handig.

 

oec wonen daer die pigmeene

530liedekine arde cleene

inde montanien van endi

ten derden iare pleghen si

dat si winnen ende draghen kinder

menne vindet gheen uolxkin minder

535ende si ouden te achtenden iare

ene orloghe arde sware

jegen de cranen die met gewelt

willen hem al winnen de vrucht upt uelt

 

 

 

 

 

 

 

8, Ook wonen daar de pygmeeĎn, (1)

530 lieden erg klein

in de bergen van IndiĎ,

in het derde jaar plegen ze

dat ze winnen en dragen kinderen,

men vindt geen volk kleiner.

535 En ze houden om de acht jaar

een oorlog te maken, erg zwaar

tegen de kranen die met geweld

van hen willen winnen de vrucht op het veld.

(1) Pygmae; zo groot als een vuist. Een volk van dwergen wier land zou bestaan aan de kust van de Oceaan, de bronnen van de Nijl, in IndiĎ of in het hoge Noorden. Hun bestaan werd al door de ouden geloochend. Later geloofde men hen terug te vinden in een Afrikaans volk van kleine mensen bij de evenaar.

Bij zijn tocht kwam Marco Polo in Klein Java en ziet daar de kleine mensjes wat apen zijn.

‘ En ik zeg u dat ze liegen degene, die bij ons kleine uitgedroogde mensjes komen vertonen, zogezegd uit IndiĎ, want het zijn aapjes, die op dit eiland wonen en ik zal u zeggen hoe men ze opzet. Op dit eiland leeft een kleine apensoort die het aangezicht heeft van een mens. Men vangt ze, scheert ze over het hele lichaam, behalve dat men ze een beetje haar laat op de kin en rond de penis. Daarna laat men ze drogen en bewerkt ze met saffraan en andere dingen, tot ze inderdaad op een mens gelijken. Maar dit is niet waar, want noch IndiĎ noch in nog wilder streken heeft men ooit zulke mensjes gezien’.

 

oec hebbemen in ouden stonden

540erande uolc met starten vonden

men vindet in orienten mede

wilde lieden in wilder stede

alsemense int wout vangen mochte

ende mense onder lieden brochte

545mochten si dan niet ontgaen

gheen eten ne wilden si ontfaen

ende dooden hem met ongre dan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9, Ook heeft men in oude stonden

540 een soort volk met staarten gevonden. (1)

 

 

 

 

 

 

 

Men vindt in de OriĎnt mede,

wilde lieden in wilde plaatsen.

Als men ze in het woud vangen mocht

en men ze onder het volk bracht

545 mochten ze dan niet ontgaan

geen eten wilden ze ontvangen

en doden zich met honger dan.

(1) Semnopithecus, zijn de slankapen uit IndiĎ. Een soort ervan is de Hamman die door de IndiĎrs bijzonder wordt vereerd. Die heet ook wel hoedaap of Chinese aap, omdat het haar op de kruin van het hoofd zich uitspreidt in de gedaante van een Chinese muts.

Dit is een grote, slanke, langstaartachtige aap. Deze aap is het symbool van kracht, trouw en opoffering.

Er zijn soorten die tot de boomgrens komen, men heeft ze ook in de sneeuw zien rondstappen, (sneeuwmannen)

 

men uindet in india oec man

die doghen nachts ebben so claer

550als ioft ene kerse ware dats waer

oec wonen daer scone lieden mede

vp de ze in ere stede

die niet neten dan vlesch al ro

ende sughen honech oec also

555jn ene riuiere heit brixant

lopet tote endi int lant

sijn lieden hutermaten lanc

die de hut ebben sere blanc

ende tanschin ghedelet in tween

 

560dit wonder ende menech een

dat hier bouen staet bescreuen

alse ons die vraie boeke gheuen

vintment int lantscap van endi

doch hort wonder meer van mi

 

 

 

 

 

 

 

10, Men vindt in India ook een man

die ’s nachts de ogen heeft zo helder

550 alsof het een kaars was, dat is waar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook wonen daar schone lieden mede

op de zee in plaats

die niet eten dan vlees geheel rauw

en zuigen honing ook alzo.

 

 

 

 

 

 

 

 

555 In een rivier die heet Brizantis

en loopt tot IndiĎ in het land

zijn lieden uitermate lang

die de huid hebben zeer blank

en het aanschijn is gedeeld in tweeĎn.

 

560 Dit wonder en menigeen

die hierboven staan beschreven

zoals ons die fraaie boeken geven

vindt men in het landschap van IndiĎ.

Nog hoort wonder meer van mij.

 

565jacob van vitri die zeghet

dat in europa en lant leghet

dar als de kinder werden gheboren

alreerst comet ene padde voren

ware oec geboren teregher stede

570een kint ende ghene padde mede

men soude der moeder tien an

dat soet an enen andren man

ghewonnen hadde entese onwarde

segmen wesen onder die lumbarde

11, 565 Jacob van Vitry die zegt het

dat in Europa een land ligt

waar als de kinderen worden geboren

allereerst een pad komt tevoren. (1)

Wordt er ook geboren op enige plaats

570 een kind en geen pad mede,

men zou de moeder zien aan

dat ze het van een andere man

gewonnen had. En deze onwaardigheid

zegt men te wezen onder in Lombardije

Geboortemiddel.

Heget is een Egyptische godin met een kikkerhoofd. De godin van geboorte en wederopstanding.

Dat het paddenvlees zelfs als geboorteverlichtend middel officieel was bewijst weer hoe hardnekkig het volksgeloof is. De levende pad is een zielendier.

Ieder die een pad doodt zal zijn eigen moeder doden, daarom durven alleen diegene een pad te doden wiens moeder al gestorven is. Als ze uit haar dierlijke vel, waarin de ziel geband is, verlost is dan ontvouwt zich een prachtige vrouw (sprookjes) of twee witte duiven

Als in de volkssages de ziel van een zieke vrouw als pad uit haar mond wandelt dan is dat een teken. De levende pad is een van de vele vormen waaronder de menselijke ziel, naar het volksgeloof, verschijnt. Als zielendier houdt de pad als een geest de gestorvene in zich en geeft hen voeding, ze zit zowat op het zielenbroedsel en werd, net als de natter die ook een zielendier is, tot huisschutgeest. In Zweden heet het bolvoetter, in SiciliĎ donna di casa. Ze woont onder het kruidvat, in de kelder, de grond en bewaart onderaardse schatten, ze is een onderaardse, een schatpad. Zoals elk huis zijn huispad heeft, zo heeft ook elk huis een schatje. De pad voorspelt als huispad geboortes maar ook sterfgevallen. Graaf je een pad uit de grond dan komen er gauw kinderen, dat wil zeggen er komt al gauw een nieuwe ziel, een nieuwgeboren kind. De onsterfelijke ziel wordt met het zielendier uitgegraven en komt in het nieuwe kind.

Is dit nieuwe kind misvormd, ‘verpaddert’, (cretino) is dit naar het volksgeloof een duidelijk “Demonstratio ad oculos” een teken dat de pad, als paddendemon, de vrouwelijke vrucht van de mens beēnvloed heeft. Alles wat in de baarmoeder mis kan gaan is beēnvloed door de pad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

575jn borgoenien int een hende

den berghe van moniou ghehende

sijn lieden vtermaten vele

met enen croppe onder de kele

alse groot alst ene coworde ware

 

 

 

 

 

 

 

 

12, 575 In BourgondiĎ op het einde

waar de berg de Sint Bernhard gaat ten einde

zijn er lieden uitermate veel

met een krop (1) onder de keel

alzo groot alsof het een kauwoerde ware.

 

(1) Misschien gaat het hier om een kropgezwel waar de bewoners van Tirol veel mee te maken hadden.

 

580jnt vrankerike eist worden mare

datmen lieden heuet ghesien

die hadden tusschen hare dien

vorme van wiue ende van manne

 

 

 

 

 

 

 

 

13, 580 In Frankrijk is het bekend

dat men lieden heeft gezien

die hadden tussen hun dijen

vormen van wijven en van mannen

Dit verhaal zal wel op een soort aap slaan.

 

jn cicilien nochtanne

585es .i. wout den berghe na

die bernet ende etet etna

dar sijn lieden met .i. oghe

bouen allen bomen hoge

thoghe alse groot als .i. scilt

590die sijn ureselic ende wilt

ende leuen bi uleesche ende bi bloede

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

14, In SiciliĎ nochtans

585 is een woud bij de berg bijna

die brandt en heet Etna.

Daar zijn lieden met een oog

en boven alle bomen hoog,

met een tong zo groot als een schild,

590 die zijn vreselijk en wild

en leven van vlees en bij bloed.

Meer dan 2000 jaar geleden rustten de mensen van Carthago (Phoeniciers) een vloot uit met het doel om volksplantingen te stichten op de westkust van Afrika. Duizenden mannen en vrouwen, voorzien van leeftocht en benodigde hulpmiddelen, vertrokken met zestig schepen. De bevelhebber was Hanno die zijn reis in zijn ‘Periplus Hannonis’ beschreef. Gedurende de reis stichtten ze zeven koloniĎn, door gebrek aan levensmiddelen moesten ze eerder terug dan aanvankelijk de bedoeling was. Ze waren de kust van Sierra Leone al voorbij toen dit gebeurde. Hanno meldt: ‘De derde dag, nadat wij van daar weg gezeild waren en de vuurstromen hadden doorkruist, kwamen wij aan een zeeboezem die de zuiderhoorn genoemd wordt. Op de achtergrond was een eiland met een meer en hierin weer een eiland waarop zich wilde mensen bevonden. De meeste van hen waren vrouwen met een behaard lichaam, de tolken noemen ze gorilla’s. De mannetjes konden wij niet inhalen, die konden gemakkelijk ontsnappen doordat ze over afgronden klommen en zich met rotsklompen verdedigden. Wij maakten ons meester van drie wijfjes, maar konden ze niet meenemen omdat zij beten en krabden. Wij moesten ze daarom doden, trokken hun echter het vel af en zonden het naar Carthago’. De huiden werden, naar Plinius bericht, in de tempel van Juno bewaard.

Hanno heeft een mensaap gezien. Mogelijk was dat de chimpansee, maar naar zijn verhaal is de reusachtigste van alle apen gorilla genoemd. Een tekening van een chimpansee is gevonden op het beroemde mozaēekwerk dat eertijds de bodem van de Fortuna tempel te Praeneste sierde. Naast vele andere dieren die in ‘t stroomgebied van de Nijl leven was er ook een staartloze aap afgebeeld die voor de chimpansee wordt gehouden. Een chimpansee is mogelijk ook de eenogige cycloop van Homerus geweest.

Of zie 5, de Arimaspi of eenogigen, de bewoners heten Arimi. Dat heeft aanleiding gegeven tot de mening dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels was bedoeld.

 

jnt westhende als ict beurode

van europen so was vonden

een wijf uersleghen tere stonden

595met ere wonden als wijt horen

die stont hare int uorouet uoeren

ende quam ghedreghen metten ze baren

menne wiste wanen te waren

met purpre was soe ghecledet

600hare langhe was alsemen weet

die istorie bescriuet ons dus

ghemeten .l. cubitus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15, In het westelijk eind, als ik bevroed,

van Europa was gevonden

een wijf verslagen te ene tijd

595 met een wond, zoals wij het horen,

die stonden haar in het voorhoofd van voren

en kwam gedragen met de zeebaren.

Men wist niet waarvan te waren

met purper was ze gekleed,

600 haar lengte was, als men weet,

de historie beschrijft ons dus

gemeten een een cubitus. (1)

60 cm?

Op vele kustplaatsen komen verhalen voor van zeemeerminnen. Mogelijk doelt van Maerlant op het verhaal van Westerschouwen.

Jaren geleden vingen de vissers van Westerschouwen een meermin in hun netten. Ze beloofde zegen, als men haar liet gaan; de vissers bleven onbewogen. De meerman riep om zijn vrouw, men liet hem roepen. De meermin stierf weldra in haar gevangenschap. Toen zong de meerman het lied van de straf:

 Westenschouwen

Het zal u berouwen,

Dat ge genomen hebt mijn vrouwe,

Westenschouwe zal vergaan,

Alleen de toren zal blijven bestaan’. En zo is het uitgekomen.

 

die groote nochtan van ercules

dar ons niet af bleuen es

605wondert der wonder ghemeinlike

sine wapine sonder ghelike

die so groot sijn dar mense siet

wondert al der werelt diet

die na dien dat hi uerwan

610menech lant ende meneghen man

sette tekine ende pale

van sinen zeghe scone ende wale

jnt westende van spaenien lant

colummen vpter ze cant

615ten lijctekine dat hi uerwonnen

hadde vanden risene vander sonnen

al de lande tote daer

dar naer quam hem .i. euel swaer

dat hem swaer was ende onghier

620ende warp hem seluen in .i. vier

dar hi te puluere es uersleten

dus es langhe sijns vergheten

16, De grootte nochtans van Hercules (1)

waar niets van gebleven is.

605 Verwonder je over het gewone wonder, zijn wapens zijn zonder gelijke

die zo groot zijn waar men ze ziet.

Verwondert de hele wereld volk

die nadat hij overwon

610 in menig land en menig man

zette teken en gedenktekens

van zijn zegen, schoon en wel,

in het westen van Spanje land

zuilen op de zeekant,

615 ten teken dat hij overwonnen

had van de reuzen van de zon

het hele land tot daar.

Daarna overkwam hem een euvel zwaar

dat hem zwaar was en guur

620 en wierp zichzelf in een vuur

waar hij tot poeder is versleten

dus is zijn lengte al lang vergeten.

(1) Hercules, bekende mythische held die geducht was vanwege zijn knots. Hij trok naar de Hesperiden: avondland, om de gouden appels te halen. Hij versloeg de draak en zette als teken van overwinning de zuilen op bij Gibraltar. Hercules werd vergiftigd door een pijl en wierp zich in het vuur van berg Etna.

Mulder: De Zuilen van Hercules - in de klassieke oudheid en de middeleeuwen benaming voor de straat van Gibraltar, meer in het bijzonder de rots van Gibraltar en de tegenoverliggende Djebel Musa. Hercules besteeg de brandstapel om een einde te maken aan de ondraaglijke pijnen die hij leed nadat hij een in gif gedrenkt hemd had aangetrokken, dat hem als straf voor zijn ontrouw was geschonken door zijn vrouw.

 

also alsmen lijtteken vint

sone twifelmens twijnt

625henne was menech starc gigant

wilen eer in duutscer lant

so datter een was hiet teuca

dar dutscelant of heuet ontfaet

sine name ende out noch eden

630sijn graf es noch tere steden

bider dunauwen sekerlike

bider weinden in ostrike

twe milen al dar beneuene

jn .i. dorp het sente steuene

635dat .xc. cubitus es lanc

die dar toe doet sinen ganc

hi vint dar beenre vp desen dach

meere danne men gheloeuen mach

tersinbeckin leghet daer

640broeder albrecht seit vorwar

name .i. man diet prouen begerde

tusschen appel ende hilte .ij. swerde

dat .i. vp entander neder

hi mochtse keren uort ende weder

645namelike int ersinbeckin binnen

sine tande segghen diet kinnen

die sijn meer dan twe palmen breet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

17, Alzo als men tekens vindt

zodat men niets twijfelt.

625 Er was menige sterke gigant (1)

wijlen eerder in Duitsland

zo dat er een was die heet Teuta (Teutonia)

waar Duitsland van heeft ontvangen,

zijn naam en houdt het nog heden.

630 Zijn graf is nog ter plaatse

bij de Donau zeker,

bij de Weemen in Oostenrijk

twee mijl daar beneven

in een dorp dat heet Sankt Stephan

635 dat meer dan veertig meter is lang.

Die daar doet zijn gang

vindt daar beenderen tot op deze dag

groter dan men geloven mag,

het hersenbekken ligt daar.

640 Broeder Albrecht zegt voor waar,

nam een man die het proberen begeerde

tussen appel en hilt twee zwaarden

de een op en de ander neer

hij mocht ze keren heen en weer

645 namelijk in het hersenbekken van binnen.

Zijn tanden, zeggen diegene het kennen,

die zijn meer dan twee handpalmen breed.

(1) In vroegere tijd hield men het voor de beenderen van St. Christophorus, hij was tenslotte een reus of van een andere heilige wie men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te moeten toeschrijven. Vele van zulke overblijfsels worden daarom in de kerken als relikwieĎn bewaard.

Het veld van Lyon heet sedert oude tijden “reuzenveld’ omdat in de leemgroeven aldaar talloze beenderen waren opgegraven die men voor overblijfselen van reuzen hield. Toen in 1577 de storm een eik ontwortelde bij het klooster Reyden, Luzern, kwamen grote beenderen te voorschijn. Dit verklaarde een dokter de Bazel voor het geraamte van een zes meter lange reus. Het zou een van de gevallen engelen geweest zijn geweest die tegen God in opstand was gekomen. Anderen hielden ze voor de beenderen van de reuzen Gog en Magog die in de bijbel worden genoemd of van ander minder beroemde reuzen. Door hen die met de klassieke oudheid meer bekend waren werden zij aan de Germaanse koning Teutobod toegeschreven. Dat was in de 16de eeuw toen men zulke beenderen in Aix ontdekt.

Het zijn de beenderen van de mammoet. Mammoet heet in Duits Mammut, in Engels mammoth en in Frans mammouth, dit komt van Russisch mammut of mamant. De Jakuten noemden het mamont, mamma is land, het betekent aardvreter. Ze geloofden dat deze dieren, net als de mol, onder de aarde leefden.

 

Van beesten of dieren.

 

 

 

Ghemeinlike salic salic te uoeren

660ghemeenlike nature iv laten horen

die beesten ebben int ghemanghe

dar na van elker sonderlanghe

 

aristotiles die seghet

wat dat uoete tebbene pleghet

665jofte .ij. iofte .iiii. iof negheene

die diere ebben alle ghemeene

adren ende bloet der in

diere meer ebben seit sijn sin

dan uiere,nebben gheen bloet

670ende merket datmen verstaen moet

dat hi bloet in adren seghet

want de worem bloet tebbne pleghet

mar hare neghen neuet adre

de vissche ebben allegadre

675benine oghen ende starc dat vel

omme dat si dat water wel

weren sullen ende ghedoghen

dit machmen wel met redenen toghen

biden watre si iv bekent

680dese werlike torment

biden visschen suldi bekinnen

lieden die de werelt minnen

nu merket van wereldliken lieden

al horsi hiet van gode bedieden

685si ebben so arde verstannesse

negheene ghestelike lesse

ne moghen si verstaen wel

so art ebben si oghe ende vel

 

diere die ebben horen gemeene

690roerense sonder de mensce alleene

dat meent dat hi ontoude ende lere

wat dat hi hort van onsen here

ende someghe creaturen oren

met gaten al sonder horen

695alse alle uoghelen ghemene

alle dieren groot ende clene

die roeren die onderste caken

twe diere gaen ieghen dese saken

dats cocodrillus entar na

700een dier heetet gentilia

die de vpperste cake roeren

ende dats maniere van vremder uoeren

 

Ambrosius spreket dat got heuet

sulke diere dat leuet

705ghemaket den als lanc dats bedi

dat sine spise vp darde si

alse den kemel enten parde

maer dien wolue enten liebarde

heuet hi den als curt ghegheuen

710want si bider proihen leuen

de langhe als menet de langhe ope

elc man die merke wien ic nope

de ghene die met proien leuen

hoe mach hare ope sijn verheuen

715enechsijns te gode wart

dieden aremen niet ne spart

ende met hem oudet sine ghile

hoe mach hi ter lester wile

an onsen here vinden ghenaden

720die emmer darme sal beraden

almeest alrande diere

die pleghen edekens maniere

dats die vermaken hare spise

ebben alse van langher wise

725dat meenet die langhe wort

die hi leset ofte hort

verandelt dicken sonder ontloepen

die behort ter langher open

 

men vindet onder alrande diere

730tande van drieranden maniere

some effene ende some alse zaghen

ende some tande die huteraghen

effene tande heuet die man

ende wat dat horne draghet nochtan

735hetne ware gehornet serpent

wat so hem met proien bekent

es ghetant ghelijc zaghen

sulke meenic als onde draghen

die euer entie olifant

740si draghen den raghenden tant

 

al dat bloet heuet int houet

dat heuet hersinen des gelouet

sonder worme seggic iv

ende wat diere den start heuet ru

745heuet grote kinbacken gemene

ende dat ersinbeckin cleene

o wi wacharmen hoe waer est eden

jnder eren der moghendelicheden

hare starte hare meisenieden

750die verteren dat arme lieden

souden ebben thare noot

si ebben de kinbacken groot

dat si verteren in houerdaden

hare goet te haren scaden

755dus so werdet hem clene thouet

want si werden so verdoeuet

dat si laten varen al

wat datter hem af comen sal

 

haer ende wlle van allen dieren

760verwandelt na des lants manieren

jn heten lande karsp ende swart

ende in tastene endeel hart

jn couden lande slecht ende wit

aldus machmen marken dit

765vieruoete georende diere

bouen dats hare maniere

sonebbensi ghene tande

also alst aristotiles cande

alle creaturen van hare ru

770noeten uele seggic iv

jn die maghe der sugender diere

vindemen lib van goeder maniere

so ouder so van betren doene

ets sloten vanden menisone

775des erts lib entes hasen mede

es vander meester mogentede

mar de diere die niet vermalen

hare spise die si in halen

nebben lib groot no clene

780sonder dase allene

al dat heuet oghe lede

luketer sine oghen mede

alst slapet sonder de liebart

entie blode hase cuward

785al dat voete heuet sonder ghile

mach wel swemmen ene wile

die mensche minst van em allen

men seit dat hem doet geuallen

[dat hi heuet bouen hem allen

790na sire grote alreminst gallen]

want die galle es heet ende droghe

ende effet upwart int hoghe

mar de swinbalch die den wint out

doet vissche swemmen met gewout

 

795men vraget des in menghen lande

twi de heuer heuet sine tande

die liebart clawen entie bere

die stier sine horne ter were

die ree de hase hare snellede

800die mensce van mester wardechede

nature ne wapinde niet so wel

none makede ter vlucht so snel

dus machmen antworden hier inne

mensche die redene heeft van sinne

805heuet tweirande ghewerke an

dats raet ende daet nochtan

dies heuet hi met sinne vonden

jn orloghen tallen stonden

dat hi hem dartoe wapinen can

810ende alsi pais heeft latise dan

wari gheboren dan der mede

so sceni altoes buten vrede

wari oec snel als die re

hine wachtets hem nemmerme

815hine soude verliesen der mede

sine edele ghestadechede

nu alst tijt es ende stede

raet hem die behendechede

sijt vp waghene of up parde

820snellike te varne sire varde

ende in scepen met corten stonden

houer liden des waters gronden

dus machmen antworden dan

hem die vraghet twi die man

825trach ende onghewapint mede

gheboren es ter menscelichede

 

ghetande diere zaghewise

ebben uercoren vlesch ter spise

si lapen metter tonghen in

830dat water dus leert hem ar sin

mar diere met effenen tanden

sughen in twater thande

dt vele tande ende ganse heuet

men seghet dat het langhe leuet

835eist dier of man dit verstaet

dat houer de meere menege gaet

wat diere ghere longre heuet

es sonder luud als langhe alst leuet

 

niet dat leuet werpet sijn saet

840buter femelen dart toe gaet

wakende slapende sonder de man

dits grote onsalicheit nochtan

dat hi so swarlike hem besmet

die redene verstaet ende wet

 

845alrande creaturen

nemen voetsel bi naturen

jn spisen die hem best ghenoeghet

ende in dranke die hem geuoeghet

 

bi naturen die diere alle

850die leuen ende sijn sonder galle

alse herte ende olifante sijn

die kemel ende dat delfijn

die moghen alle lange leuen

et es recht want ets bescreuen

855die goedertiere sullen ter heruen

dar niemen nemmermer mach steruen

 

diere die groot sijn van lachamen

winnen lettel alle te samen

ende so dierkine oec sijn minder

860so si winnen te meer kinder

o wi hoe waer es dit noch heden

grote heren van moghenteden

hoe lettel baten doen si den lieden

si gapen also seere ter mieden

865dat si thare langher ulucht

moghen winnen ghene vrucht

 

vijfterande creaturen

die verwinnen bi naturen

ons menscen in onse .v. sinne

870linx siet clare als ict kinne

die ghier rieket vorder ene sake

tsiminkel es van scarper smake

die coppe gaet int gheuoelen voeren

die heuer es subtilre int horen

875de creaturen horic gewaghen

die de moeder langhe draghet

plinius die heuet bescreuen

dat si langhest leuen

 

nu hort vort van elken diere

880sine sonderlinghe maniere

jn latijn salic hare namen

ordineren al te samen

omme datter menech dier in steet

dar ic dat dietsch niet af ne weet

885vander ordinen int a.b.c.

terst in .a. dar na in .b

sullen haren namen sijn gheset

atmense vinden mach te bet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Proloog.

 

Gewoonlijk zal ik van tevoren

660 de gewone natuur laten horen

die de beesten in het algemeen hebben en

daarna van elk apart.

 

Aristoteles die zegt het

wat dat voeten te hebben pleegt

665 of twee of vier of geen een

die dieren hebben algemeen

aderen en bloed daar in.

Dieren die er meer hebben, zegt zijn geest,

dan vier die hebben geen bloed.

670 En merk op dat men verstaan moet

dat hij ‘bloed in aderen zegt’,

want de worm pleegt bloed te hebben

maar dat die geen aderen heeft.

De vissen hebben allen

675 benen ogen en een sterk vel

omdat ze het water wel

weren zullen en gedogen,

dit mag men wel met redenen staven.

Bij het water is u bekend

680 deze wereldse kwelling

bij de vissen zal je bekennen

lieden die de vaste wereld beminnen,

merkt nu van wereldlijke lieden

al horen ze iets van God aanduiden

685 ze hebben zo’n hard verstand,

nee, geen geestelijke lessen

nee, mogen ze verstaan goed

zo hard hebben ze de ogen en het vel.

 

Dieren die hebben oren algemeen

690 roeren ze, uitgezonderd de mens alleen,

dat betekent dat hij onthoudt en leert

wat dat hij hoort van Onze Heer.

En sommige creaturen horen

met gaten zonder oren

695 zoals alle vogels algemeen.

Alle dieren, groot en klein

die bewegen de onderste kaken,

twee dieren gaan in tegen deze zaken

dat is de krokodil en daarna

700 een dier dat heet Gentilia

die de bovenste kaken bewegen

en dat is een manier van vreemd beroeren.

 

Ambrosius spreekt dat God heeft

van sommig dier dat leeft

705 de hals lang gemaakt, dat is bij daarom

dat hun eten op de aarde is

zoals kameel en het paard,

maar de wolf en luipaard

heeft hij de hals kort gegeven

710 omdat ze van prooi leven.

De lange hals bedoelt de lange hoop

elke man merkt op wie ik bedoel

diegene die van prooien leven

hoe kan hun hoop zijn verheven

715 enigszins zijn ze te God waart

die de armen niet spaart

en met hem houdt zijn grappen

hoe denkt hij te laatste tijd

bij Onze Heer te vinden genade

720 die immer de armen zal beraden?

Andere en meestal allerhande dieren

die doen het op geiten manieren,

dat is ze vermalen hun spijs

en hebben een hals van lange wijze.

725 Dat bedoelt het Heilig woord

die men leest of hoort

verandert veel zonder ontlopen

die behoort langer te hopen.

 

Men vindt onder alle dieren

730 tanden van drie soorten

soms effen en soms als zagen

en soms tanden die uitsteken.

Effen tanden heeft de man

en dat wat horens draagt nochtans.

735 Het waren geen gehoornde serpenten

wat zich met prooien bekend

en is getand gelijk een zaag.

Zulke, bedoel ik, als honden dragen

en de ever en de olifant

740 dragen een ragende tand.

 

Al dat bloed heeft in het hoofd

dat heeft hersenen, dat geloof

uitgezonderd wormen, zeg ik u.

En de dieren die de staart hebben ruw

745 hebben grote kinnebakken algemeen

en het hersenbekken is klein.

O wi! och arme! hoe waar is het op heden

in heren der mogendheden

hun staarten, hun huisgenoten

750 die verteren dat de arme lieden

zouden moeten hebben in hun nood.

Zij hebben de kinnebakken groot

dat ze verteren in overdaad

hun goed tot hun schaden,

755 dus zo werd hem te klein het hoofd

want ze werden zo verdoofd

dat ze laten varen al

wat hen hiervan komen zal.

 

Haar en wol van alle dieren

760 worden veranderd naar lands manieren.

In hete landen krullig en zwart

en in het voelen een deel hard.

In koude landen recht en wit

aldus mag men opmerken dit.

765 Viervoetige, gehoornde dieren

hebben boven, dat is hun manier,

zo hebben ze geen tanden

alzo als Aristoteles kende.

Alle creaturen van haar ruw

770 nuttigen veel, zeg ik u.

In de maag van zuigende dieren

vindt men leb van goede soorten

hoe ouder, hoe van betere doen,

het is de sleutel van de buikloop.

775 Het herten leb en van de haas mede

is van de grootste krachtheden,

maar de dieren die niet vermalen

hun spijs die ze inhalen

hebben geen leb, groot of klein,

780 uitgezonderd de haas alleen.

Al dat heeft oogleden

dat sluit er zijn ogen mede

als het slaapt, uitgezonderd de luipaard

en de de bange haas cuwaard.

785 Al dat voeten heeft zonder grap

kan wel zwemmen een tijdje

de mens het minst van hen allen.

Men zegt dat hem bevalt

dat hij heeft boven hen allen

790 naar zijn grootte de allerminste gal.

Want de gal is heet en droog

en heft hem opwaarts in de hoogte,

maar de zwembalg die de wind vast houdt

laat vissen zwemmen met geweld.

 

795 Men vraagt dus in menige landen

waarom de ever heeft zijn tanden

de luipaard klauwen en de beer

de stier horens om te verweren

de ree en de haas hun snelheid

800 en de mens van grootste waardigheden

de natuur niet bewapend zo goed

niet maakte ter vlucht zo snel

Dus mag men antwoorden hiernaar,

de mens die reden heeft van geest

805 heeft twee soorten werken aan zich

dat is raad en daad nochtans.

Zo heeft hij met zijn geest gevonden

in oorlogen te alle tijden

dat hij zich daartoe wapenen kan

810 en met vrede laat hij ze dan.

Was hij geboren dan daarmee

dan schijnt hij altijd zonder vrede.

Was hij ook zo snel als de ree

hij wachtte zich nimmermeer

815 en zou verliezen daarmee

zijn edele gestadigheid.

Nu als het de tijd is en plaats

raadt hem die handigheid

zij het op een wagen of op een paard

820 snel te gaan in zijn vaart

en in schepen met korte stonden

glijden over de watergronden.

Dus mag men hem antwoorden dan

die vraagt waarom de man

825 traag en ongewapend mede

geboren is in menselijkh.

 

Getande dieren, zaagvormig

hebben gekozen vlees tot spijs.

Ze slurpen met de tong in

830 het water, dat leert hun geest.

Maar dieren met effen tanden

zuigen het water op gelijk.

Die vele tanden en heel heeft

men zegt dat het lang leeft

835 is het dier of man, dit verstaat.

Dat over de meren veel gaat

welk dier geen longen heeft

is zonder geluid zolang als het leeft.

 

Niets dat leeft werpt zijn zaad

840 buiten het femelen daar het toe gaat

wakende of slapende, uitgezonderd de man

en dit is een grote onzaligheid nochtans

dat hij zo zwaar zich besmet

die reden verstaat en weet.

 

845 Allerhande creaturen

nemen hun voedsel bij naturen

in spijzen die hem het beste genoegen

en in drank die hem voegt.

 

Van naturen die dieren allen

850 die zijn zonder gal

zoals hert en olifant zijn

de kameel en de dolfijn

die mogen alle lang leven,

het is echt, want het is beschreven

855 ‘die goedertieren zijn zullen erven

daar niemand nimmer mag sterven’.

 

Dieren die groot zijn van lichamen

winnen weinig al tezamen

en zo dieren die zijn kleiner

860 zo winnen ze meer kinderen.

O, wi! hoe waar is dit nog op heden!

grote heren van mogendheden

hoe weinig baat doen ze de lieden!

ze gapen alzo zeer tot winst

865 dat ze voor hun lange vlucht

niet mogen winnen geen vrucht.

 

Vijf soorten creaturen

die overwinnen door natuur

onze mensen in onze vijf zintuigen.

870 De lynx ziet helder, zoals ik het ken,

de gier ruikt verder een zaak,

de aap is van scherpe smaak,

de spin gaat in het voelen voor,

de ever is subtiel in het horen.

875 Die creaturen, hoor ik gewagen,

die de moeder lang draagt,

Plinius die heeft het beschreven

dat ze het langste leven.

 

Nu hoort voorts van elk dier

880 zijn zonderlinge manieren.

In Latijn zal ik hun namen

ordenen alle tezamen

omdat er menig dier in staat

waar ik het Diets niet van weet,

885 naar de ordening in het a.b.c.

het eerst in a en daarna in b

zullen hun namen zijn gezet

zodat men ze vinden mag beter.

 

Asinus dats des esels name

890.i. lelic dier ende ombequame

met .i. groten houede met oren lanc

ende sere traghe an sinen ganc

ende dat niet can werden vet

vp sine scoudere es gheset

895dat teken vander passien ons heren

om dat hi ons wilde leeren:omoedecheit

eet hi sulc part

al dar hi uoer ter passien wart

die esel hi ne can niet vechten

900ende hi ghedoghet oec van knechten

sware steken ende slaghe

ende wilmen oec hem doen draghen

meer dan hi gheleesten can

hine striter niet ieghen nochtan

905dit es sine doghedachtechede

nu hort uort sine quatede

hijs luxurieus hute vercoren

starker bachten danne voeren

ombedecter van manieren

910dan enech vanden andren dieren

dar hi sinen wech sal striken

dar ne can hi niemens wiken

dar toe es sijn luud so swaer

dat hi quets al dat em es nar

915alse clene sijn hare ionghe

sijn si scoenst ten ersten spronghe

mar si leliken emmer vort

so ouder so argher es har wort

ten .xxx. maenden noten si te waren

920mar si winnen ten .iij. iaren

esels melc es sere wit

plinius bescriuet ons dit

datso witte hud mach gheuen

plinius die euet bescreuen

925dat pompea skoninx noroens wijf

dede dwaen der mede har lijf

om dat soe wilde wesen wit

de roemsce iesten ouden dit

esels ulesch dat maket quat bloet

930om dat quaet te verduwene doet

die esel heuet in spisen vercoren

scarpe destelen ende doren

esels melc warem als bloet

es ieghen de tantswere goet

935wilmer de tande mede dwaen

ende soe doetse vaste staen

wilmense der vp striken

oec es soe goet ieghen versiken

die esel es van groter coutheden

940hine winnet niet in couden steden

bedi ne draghen si no winnen

jn lande die cout sijn van binnen

noch si noten in ghere stede

jn herefste no in lentin mede

945mar in des hetes somers cracht

een iar draghen si hare dracht

als deselinne es upten spronc

dat soe werpen sal hare dracht

wilse in demstereden vlien

950darse gheen man mach ghesien

hare leuen es .xxx. iaer

also langhe winnen sij dats waer

sine sparen gheen vier dat si uinden

sine gaenre dore tharen kinde

955merct alle liede an dese brieue

scamenesse ende kinder lieue

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Asinus dat is de ezel naam.

890 Een lelijk dier en onbekwaam

met een groot hoofd, met oren lang

en zeer traag in zijn gang

en dat niet kan worden vet.

(a) Op zijn schouder is gezet

895 het teken van het lijden van Onze Heer

omdat Hij ons wilde leren ootmoed

reed hij op zo’n paard

waar hij mee reed te lijden waart.

(b) De ezel kan niet vechten

900 en hij verdraagt ook van knechten

zware steken en slagen.

En wil men ook hem laten dragen

meer dan hij hebben kan

hij strijdt er niet tegen nochtans.

905 Dit zijn z’n deugden

nu hoort voorts van zijn kwaadheden.

(c) Hij is wulps uitverkoren

sterker van achter dan van voren

onberekenbaar van manieren

910 dan enig ander dier.

Waar hij zijn weg zal gaan

daar kan niemand hem van afwijken

daarbij is zijn geluid zo zwaar

dat hij kwets alles dat dicht bij hem is.

915 Als ze klein zijn hun jongen

het mooist zijn ze bij de eerste sprongen,

maar ze worden lelijker immer voort

hoe ouder, hoe erger is hun woord.

Met dertig maanden genieten ze te waren,

920 maar ze winnen dan het derde jaar.

(d) Ezelsmelk is zeer wit,

Plinius schrijft ons dit

dat het zo’n witte huid mag geven

Plinius die heeft het beschreven

925 dat Pompea, koning Nero’s wijf

waste daarmee haar lijf

omdat ze wilde wezen wit.

De Romeinse verhalen schreven ons dit

ezelsvlees dat maakt kwaad bloed

930 omdat slecht verteren doet.

De ezel heeft als spijs gekozen

scherpe distels en dorens.

Ezelsmelk warm als bloed

is tegen de tandpijn goed,

935 wil men er de tanden mee wassen

laat ze die vaster staan

wil men het daar op strijken.

Ook is ze goed tegen zuchten.

(e) De ezel is van grote koudheid

940 hij wint niet in koude plaatsen

daarom dragen ze niet of winnen

in landen die koud zijn van binnen

nog ze genieten ze in gure plaatsen

in herfst niet en in lente mede,

945 maar in de hete zomerkracht.

Een jaar dragen ze hun dracht.

Als de ezelin is op springen

dat ze werpen zal een jongen

wil ze in het duister vlieden

950 waar ze geen man mag zien.

Ze leven dertig jaar en

zolang winnen ze, dat is waar.

(f) Ze sparen geen vuur dat ze vinden

ze gaan door tot hun kinderen.

955 Merk op alle lieden aan deze brieven

schaamte en kinderliefde.

Equis asinus: uit AziĎ

Ezel, midden-Nederlands esel, oud-Saksisch Esil, oud-Hoogduits Esil (nu Esel) oud-Engels esol (nu ass, in Frans asil) Gotisch asilus, uit Latijnse asinus, dit uit Grieks dat door Thrakisch/Illyrisch bemiddeling uit een Klein Aziatisch gebied in het zuiden van de Zwarte Zee ontleend is, in Armeens heet het es, wat ezel betekent.

(a) Op de oudste voorstellingen verschijnt de ezel al met het zwarte rugkruis wat een erfenis is van de Nubische wilde ezel.

In vredestijd was het in Palestina en omliggende landen gewoon dat heersers op een ezel reden, mogelijk omdat het paard met de oorlog verbonden was, zie Zach. 9: 9: ‘Zie uw koning komt tot u,… en rijdende op een ezel, op een ezelhengst, op een ezelinnenjong’…. Dan zal hij de paarden uit Jeruzalem te niet doen, ook de strijdboog wordt teniet gedaan, hij zal den volken vrede verkondigen’. Dit verhaalt precies waarom onze Heer op een ezel Jeruzalem binnen reed.

(b) De verachtelijke ezel is goedhartig, lijdzaam, nederig, stil, matig en nuttig. Het is een beest dat met standvastigheid, misschien met grootmoedigheid de kastijdingen en slagen verdraagt, dat zich met de slechtste kruiden, die andere dieren vermijden, vergenoegt.

(c) Maar zijn lasten zijn dat het zeer onkuis is. Uit religieus standpunt werd ze als onrein en wellustig gezien, net als de rest van de paardenfamilie, Ex. 13: 13, Lev. 11: 3, Num 18: 15, Jer. 2: 24.. Als wellustig dier komt ze in vele landen voor, bij de Romeinen was hij het symbool van de vruchtbaarheidsgod Priapus. Echtbrekers waren dan ook wel eens verplicht om in het openbaar een ezel te berijden.

(d) Plinius zegt dat de melk van de ezelin zeer wit is en ook de mensen helpt wit te worden, daarvan leest men dat de vrouw van keizer Nero, Pompaea, zich in ezelsmelk baadde. Die nam dan ook altijd vijf honderd ezels met zich mee zodat ze er altijd in kon baden zodat haar ‘gheheele lichaam om het selve sonder rimpelen, mals ende wit te houden’. Ook Cleopatra baadde in ezelinnenmelk.

(e) De ezel is van een zeer koude natuur. Aristoteles zegt ook dat de ezel de koude meer vreest dan andere dieren. Daarom paren ze niet in de tijd als paarden, maar paren in de zomer zodat de jongen in het warme jaartijd geboren worden.

(f) Het wijfje houdt zeer veel van haar jong en men wil dat ze zelfs door vuur en water gaat om het te beschermen of terug te vinden.

 

Aper siluester in latijn

wil .i. wilt euer sijn

ende es .i. beeste starc ende wreed

960doemen hem lieue ofte leed

men maghene in ghere manieren

te enegher doghet bestieren

maer emmer blijfti wreed ende fel

van swarten hare es sijn vel

965merct so men den scalc me bid

so hem die als crommer sid

sijn sin es ongheleerd ende ard

dus es sijn uel dan sward

raghende tande crom ende lanc

970heueti die scarp sijn ende stranc

ende met scarpen snidende ecghen

maer men horter wonder of segghen

die scarpe egghe die tant heuet

die wile dat die beeste leuet

975verlieset die tant also es doot

dit heuet bekennesse groot

al dert ons in dit lijf die felle

hi uoerd methem in die elle

sine quateit altemale

980men mach den euer lichte ende wale

moede maken met cleenre pine

bestaet mene eer hi maect orine

tilike in die morghenstond

anders ontgaeti lichte den hont

985ende nochtan al es hi moede

hi werpt hem ter were enter woede

ende bijt den iaghere enten man

bede camp ende were nochtan

ende wacht hem wie sone bestaet

990het ne sij dat die euer ontfaet

j. doodwonde ter ersten steke

hi es in ureesen sekerleke

so uliet hi in die dorne dan

dat hi den honden enten man

995also de bet mach ontulien

bouen allen beesten die sien

horti best vor alle die leuen

experimentator heuet bescreuen

dat siin drec uersch es goet

1000want het stelpt ter nose bloet

alle zwine souken har eten

jn die erde dar sijd weten

ende wintelen gerne in die gore

verdoemt woukerare nu hore

1005twi setstu al dinen moet

jn dit neder artsce goet

jn artsch goed legt al din sin

dar of naect di .i. swar ywin

jn jndia wi lesen dus

1010siin alse lanc al .i. cubitus

euerstande ende yhorent mede

vindmense te somegher stede

jn arabia es bescreuen

dat altoes ghen zwijn mach leuen

 

 

 

 

 

 

2 Aper silvester in Latijn

wil een wilde ever zijn.

(a) En is een beest sterk en wreed

960 doet men die liefde of leed

men kan het op geen manier

in enige deugd sturen,

maar altijd blijf het wreed en fel.

Zwart van haar is zijn vel.

965 Merk op, hoe meer men het hard bindt

hoe meer zijn hals krom zit.

Zijn geest is ongeleerd en hard

dus is zijn vel dan zwart.

(b) Ragende tanden, krom en lang

970 heeft het die scherp zijn en sterk

en met scherpe snijdende hoeken.

Maar men hoort er wonder van zeggen

die scherpe eg, die de tand heeft,

die tijd dat het beest leeft

975 en verliest de tand het gaat dood.

Dit heeft een betekenis groot.

Al deert ons in dit lijf dat felle

het voert het hem ter helle

zijn kwaadheid helemaal.

980 Men kan de ever gemakkelijk wel

moe maken met kleine pijn.

Doet men dit voor hij maakt urine

tijdig in de morgenstond

anders ontgaat het gemakkelijk de hond.

985 En nochtans al is hij moe

hij werpt zich te weren en te woede

en bijt de jager en de man

beide strijd en te weren nochtans.

En past op als wie hem zo bestaat

990 tenzij dat de ever ontvangt

een doodwonde met de eerste steek

hij is in vrees zeker

en vliegt in de dorens dan

dat hij de honden en de man

995 alzo beter mag ontvliegen.

Boven alle beesten die zien

hoort hij het beste van allen die leven.

Experimentator heeft beschreven

dat zijn verse drek is goed

1000 want het stelpt de neusbloeding.

(c)Alle zwijnen zoeken hun eten

in de aarde waar zij het weten

en wentelen zich graag in het gore.

Verdoemde woekeraars nu hoor

1005 waarom zet u al uw moed

in dit lage aardse goed?

In aards goed ligt al uw geest

daarvan maakt u een zwaar gewin.

In India, wij lezen dus,

1010 zijn ze lang als een halve meter

evertanden en horens mede

vindt men daar in sommige plaatsen.

In ArabiĎ is beschreven

dat daar geen zwijn mag leven.

Sus scrofa, in Latijn aper.

Ever, oud-Hoogduits Ebar en Ebur (nu Eber) oud-Saksisch Evur, in Angelsaksisch eofur.

(a) De wilde beer is nauwelijks een attractief beest, honderd twintig tot honderd tachtig cm lang en negentig cm hoog aan de schouder met een gewicht van tegen de twee honderd kilogram. Het dier is spaarzaam bedekt met lange, stijve en borstelige haren, meestal met opstaande manen aan de nek en vaak langs het centrum van de rug. De kleur is donker grijs tot bruin, soms vrijwel zwart. De ever is gewoonlijk eenzaam, vooral als hij getergd wordt is het een zeer gevaarlijk dier.

(b) De hoektanden, ‘geweren’, in beide kaken worden lang en groeien omhoog, en steken ver buiten de mond uit. Ze zijn spits en driekantig, het dier kan er vreselijke wonden mee slaan, ze groeien steeds aan en worden formidabele wapens. Het is een van de jachttrofeeĎn.

(c) Zwijnen hebben behoefte aan baden, waar geen water is wentelen ze zich in het moeras. Vandaar ook de neiging van het tamme varken om zich in vocht te wentelen.

 

1015 Aper domesticus in latijn

es in dietsch .i. tam euerswijn

en beer heet in onse tale

wreet es hi ende die hem te male

jndie meudre gerne besmid

1020ende al war hi ghewasschen wit

hi ghinghe weder in die gore

metten beere alsict hore

hoe uel res tere partien

een heuet al die uoghedie

1025comt onder hem .i. starker dan

so gaet hi den uoghet an

ende so wie dar wint den seghe

hi blijft uoghet alle weghe

so welken tijd dat .i. zwijn ghellet

1030al die rote hare uersellet

om dat sie horen baren

als of si alle verwoet waren

ende dan eist vreselic tallen tiden

hare uerwoetheit ombiden

1035so wilken tijd si zueghen riden

verwoedsi in dien tiden

dat si gherne scoren den man

die .i. wit cleet euet an

dit seghet plinius te waren

1040.j. beer ne wint niet na iij. iaren

die den sueghen of snijd de manen

men wille segghen ende wanen

dat hare luxurie coelt te bet

dar mede werdsi uet

1045aristotilus heuet bescreuen

dat si xv. jaer moghen leuen

bouen uele viruoeten beesten

mach die beer meest ridens ylesten

es dat sake dat hi es uet

1050zwinin uleech es in saisone bet

jn den somer dan int lentjn

want toten oeste slaept dat zwijn

so uele dat vleesch dar mede

ontfanghen moet onreinechede

 

 

 

 

 

 

3 1015 Aper domesticus in het Latijn

is in Diets een tam everzwijn.

Een beer heet het in onze taal.

Wreed is het en die zich te ene male

in de modder graag besmet

1020 en al was hij gewassen wit

hij ging wederom in het gore.

Met de beer, als ik het hoor,

hoeveel er ook zijn in die partij

een heeft al de voogdij.

1025 Komt er bij hem een sterkere dan

dan gaat hij het gevecht aan

en wie daar wint de zege

hij blijft voogd allerwege.

In welke tijd dat een zwijn gilt

1030 en al die groep zich vergezelt

omdat ze zich tonen

alsof ze alle dol waren

en dan is het vreselijk te allen tijden.

Hun dolheid somtijds

1035 in de tijd dat de zeugen rijden

worden ze dol in die tijden.

Dat ze verscheuren graag de man

die een wit kleed heeft aan.

Dit zeg Plinius te waren

1040 een beer wint niet dan na drie jaren.

Die van de zeug afsnijdt de manen

men wil zeggen en wanen

dat hun wulpsheid dan verkoelt beter

en daarmee worden ze vet.

1045 Aristoteles heeft beschreven

dat ze vijftien jaar mogen leven.

Boven vele viervoetige beesten

mag de beer het meeste van rijden genieten

als hij tenminste is vet.

1050 Zwijnenvlees is in het seizoen beter

in de zomer dan in de lente

want tot het augustus slaapt het zwijn

zoveel dat zijn vlees daarmee

ontvangen moet onreinheid.

Sus scrofa, tam varken. Onder de dieren is het varken de beestachtigste van de viervoeters. Maar na hun dood wordt dit alles vergoed. Hun vlees is zeer goed, doch alleen voor gezonde lieden en voor hen die veel werken. De borstels dienen tot vele gebruiken en de reuzel komt van pas in zalven. Het zwijn wordt pas nuttig na zijn dood, niet ten onrechte heeft men een rijke vrek dan ook vaak met een zwijn vergeleken.

Toch is het vreemd dat het verboden was om te eten als onrein dier. Het feit dat ook lange tijd Brits varkensvlees alleen eetbaar was als de R in de maand zat zal dan mogelijk betekenen dat varkensvlees wat anders is dan gewoon vlees. Ontdekkingen over menselijke ziekten hebben nieuwe feiten aan het licht gebracht waardoor de oude ban opeens helder wordt. We weten dat varkensvlees heel goed en gezond is als het maar goed gekooktwordt. Een varken heeft verschillende parasieten, de spoelworm en andere enge ziektes. Het is altijd een wroeter en rond de nederzettingen graaft het ziek materiaal op, mogelijk zelfs nadat dit begraven was, infecteert zich er mee en loopt er mee rond. In tegenwoordige tijd zijn die ziektes vrijwel verbannen en wordt het vlees goed gekookt of gebraden. Vroeger was dat wel eens anders, het koken ging niet zo als bij ons, zo dat verbieden het beste voorbehoedsmiddel was. Het heeft wel meer dan twintig eeuwen geduurd voordat men dit besefte.

 

1055Alay dats sonder waen

een dier naden kemel ydaen

maer sonder knien ende been

alst hem sal rusten al in een

moet an enen boem staen

1060alst die jaghere wille vaen

onderhouwen si den boem

die beeste nemest ghenen goem

ende uallet metten boeme ter neder

so nes gheen up comen weder

1065anders es dat dier so snel

dat ment yuanghen niet ne can el

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. 1055 Alay dat is zonder waan

een dier naar de kameel gedaan.

Maar zonder knieĎn zijn z’n benen

als het zal rusten al ineen

moet het tegen een boom aan staan.

1060 Als de jagers het willen vangen

houwen ze om de boom

die beesten nemen daar geen notitie van

en valt met de boom om

dan kan het niet opkomen weer.

1065 Anders is dat dier zo snel

dat men het niet goed vangen kan.

Alces alces. Eland, midden-Nederlands elen en elant, Duitse Elen en Elch, midden-Hoogduits Elen, oud-Hoogduits Elho of Elaho, oud-Noors elgr, Angelsaksisch eohl of elh, Engelse elk en Frans elan, Zweeds elg. Litouws elnis betekent hert, Letlands alnis betekent eland, vergelijk ook het Griekse woord ellos: jong hert. Caesar in Bell. Gall. 6,27 noemt het dier alces, dit is meervoud en geeft daarmee een Germaans woord elch weer dat van Indogermaans elk stamt.

Caesar kreeg vreemde informatie. ‘De eland heeft heel lange en stijve poten zonder gewrichten. Daarom kan het dier niet op de grond gaan liggen om te slapen maar doet dit staande en leunt tegen een boom. Als je nu ‘s avonds voorzichtig naar die boom gaat hoef je alleen maar die boom om te zagen zodat de eland met de boom en al omvalt. Omdat hij door zijn lange stijve poten niet meer kan opstaan kan je hem zonder moeite vangen’.

 

Anabula es in etyopen

j. dier datmen dar siet lopen

plinius segt dens men gheloeft

1070dat heuet .i. kemels hoeft

ende yalst als .i. pard

mar hets so edelike yhard

ouer al gader sine lede

dat te siene es wonderlichede

1075om sine sconeit weet wel

so es te diere uele sijn vel

om die ynoechte uan den oghen

die hem niet ne connen ydoghen

no die men sat ne can ymaken

1080om te siene niewe saken

dit sijn die uenstren dat uerstaet

daer die dood bi der zielen gaet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. Anabula is in EthiopiĎ

een dier dat men daar ziet lopen.

Plinius zegt dat men gelooft

1070 dat het heeft een kamelenhoofd

en een hals als het paard

maar het is zo ijselijk behaard

over al zijn leden

dat te zien is een wonderlijkheid.

1075 Om zijn schoonheid weet het wel

dat is te duur veel zijn vel.

Om de geneugten van de ogen

die hem niet kunnen gedogen

nog die men bijna niet kan maken

1080 om te zien nieuwe zaken.

Dit zijn de vensters, dat verstaat,

daar de dood uit de ziel gaat.

Ana: gelijk, bula? bulla is wat ronds.

Mogelijk Antilope dorcas, de antiloop. Antilope, deze naam stamt uit een Grieks woord voor bloemenoog. Uit het Grieks komt midden-Latijn antalopus en vandaar Engels antelope, Franse antilope en onze antilope.

Ze worden afgebeeld als sneeuwwit met zilveren voeten, en ze eten lelies. Het is het beeld van vrouwelijke sierlijkheid en schoonheid. De sierlijkheid van de nek maakt de godinnen jaloers, de lichte stap is de wanhoop van de nimfen, hun zachte zwarte ogen, groot en sprekend, donker en verlegen, het is het oog van Venus. De bijzondere charme van hun bewegingen, hun geduld, zo lichtvoetig en zacht. Naar die ogen is dit dier hier misschien gebruikt.

 

Alches als ons solinus seghet

dar wonder oec groot in leghet

1085es .i. dier dat bi garse leuet

dat dupperste lep so lanc euet

eist dat eten begard

so moet gaen achterward

dat doen sine lippe lanc

1090sondare doe weder dinen ganc

te leuene ter onnoselleden

ende beghef ter uullicheden

ende mac reine dinen moet

oftu wils wesen yuoed

1095metter spise dar god of sprect

die altoes nemmermeer ybreect

dine langhe lippe din quade bec

heuet di brocht in sulc .i. strec

gaestu uord du bliues doet

1100jn die ewelike nood

 

 

 

 

 

 

 

6. Alches, als ons Solinus zegt,

daar ook een groot wonder in ligt

1085 is een dier dat van gerst leeft.

De bovenste lip zo lang heeft

Is het dat het eten begeert

moet het gaan achteruit

dat doen zijn lippen lang.

1090 Zondaren doe weer je gang

te leven in onnozelheden

en begeef je in vuiligheden

en maak rein je gemoed

of wil je wezen gevoed

1095 met de spijzen waar God van spreekt

die altijd nimmermeer ontbreekt

je lange lippen, je kwade bek

heeft je gebracht in zo’n streek

ga je voort, je blijft dood

1100 in de eeuwige nood.

Zie voorgaande Alces, 4. Opvallend is de slurpvormige verlengde en zeer beweeglijke bovenlip. Daarmee pakt hij de planten. Het achteruitgaan is te verklaren doordat de elk op vochtige gronden waar de bodem hem niet dragen kan de achterpoten uitstrekt en wel zo dat de hele achterpoot recht uitgestrekt op de grond ligt, schuift zo het lichaam naar voren en achter door met de voorhoeven te trekken en over de glibberige vlakte te glijden.

 

Achune es .i. dier

als aristotilus spreect hier

dar nature in verkert heuet

trecht dat so allen beesten gheuet

1105want uieruoete beesten alle

ebben binnen hare galle

maer dit heuetse int .i. hore

die dit maket nes gheen dore

wie heuet anders int hore die galle

1110dan de ghene diese hort alle

die orscalke ende hem ylouet

dicke ward hi so uerdouet

ende so ontweghet bi haren rade

dat up hem moet uallen de scade

 

 

 

 

 

 

 

 

7. Achune is een dier

als Aristoteles spreekt hier

daar natuur veranderd in heeft

terecht dat ze alle beesten geeft

1105 want viervoetige beesten allen

hebben van binnen hun gal

maar deze heeft het in een oor

die dit maakte is geen dwaas.

Wie heeft anders in het oor de gal

1110 dan degene die hoort alles

dat (oor) ogendienaar en hem vloeit

Vaak werd hij zo verdoofd

en zo ontspoord hij bij hun raad

dat op hem moet vallen de schade.

? A; niet

 

1115Ana spreect aristotiles

dat in orienten .i. dier es

ende es utermaten wreed

mar hare negheen heeft andren leed

so ghelieue sijnsi onderlanghe

1120comt enich dier in hare ganghe

dat es uan andren manieren

alle de scaren van dien dieren

comen vp hem ghescoten

ende wondent so met haren roten

1125dat vliet iofte steruet thant

want die hana es wel becant

dit exemple seggic den leeken

wat so de clerke segghen iof smeken

si draghen ouer een also wel

1130nopen si enen ant vel

si ebben up hem thanden

die clergie met haren tanden

die dorbiten wijf ende man

diemen uerwinnen niet ne can

1135hier henden vanden dieren in a.

nu hort vort van .b. hier na

 

 

 

 

 

 

8, 1115 Ana, spreekt Aristoteles,

dat in de OriĎnt een dier is

en is uitermate wreed.

Maar van haar nee geen heeft de ander leed

Zo lief zijn ze onderling

1120 komt er enig dier in haar gang

dat is van andere soort

De hele groep van die dieren

komen op dat dier toegeschoten

en verwonden het zo met hun groep

1125 dat het vliedt weg of sterft gelijk

want de ana is goed bekend.

Dit voorbeeld zeg ik de leken

hoe zo de klerken zeggen of smeken

ze komen overeen alzo goed

1130 knijpen ze iemand aan het vel

ze hebben hem op gelijk

de klerken met hun tanden

die doorbijten wijf en man

die men niet overwinnen kan.

1135 Hier eindigt van de dieren in a

nu hoort voorts van b hier na.

Tana of klimegels? Ana: gelijk?

 

 

Bubalus dat es .i. dier

ende als mi dinket te merkene hier

het menet in buffel in leke wort

1140ende dats mere alse men hort

dan sijn onse ossen sum

dorne heuet lanc ende crum

den als lanc ende swart van haren

thouet groot ende niet van vare

1145want sijn upsien es goedertiere

magher sijn dusdane diere

ende si ebben cleinen start

alse dit dier uerbolghen wart

so eist vtermaten fel

1150nuteliker vintmen cume iet el

tote des menscen nuttelicede

want et heuet dorstarke lede

experimentator seghet

dat de melc van bubalus pleghet

1155dat so den lachame gheuet vart

ende varsce wonden soe bewart

ende soe den gonen staet te staden

die met venine sin verladen

bubalus es dinne van hare

1160ende hi mach pine doghen sware

sijn lud es torne pine

sine galle es medicine

ten lijxmen van swaren wonden

met melke gheminget tallen stonden

1165gheneset de galle als wijt horen

die mesquame vanden oren

sijne hud es art utermaten

men pleget in sine nasegaten

datmenre enen rinc in doet

1170datmenne dar bi leeden moet

dat hi met sulken bedwanghe

jndes menscen ghenaden ganghe

verleedemenne oec te seere

so uerwoet hi ilanc so mere

175ende werpet van hem den last saen

ende niet gherne willi weder up staen

her sijn last ghemindert es

bubalus draghet des sijt ghewes

ondert water grooten last

1180nochtan sijn adem es so vast

dat sijn adem gaet al dure

oec vintmen somege scrifture

die van deser beesten weet

entiese bisontes heet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9. Bubalus dat is een dier,

als ik denk op te merken hier,

het bedoelt een buffel in leken woorden

1140 en dat is groter, zoals men hoort,

dan onze ossen zijn soms.

De horen heeft het lang en krom

de hals lang en zwart van haren

het hoofd groot en niet van gevaar

1145 want zijn opzien is goedertieren.

Mager zijn dusdanige dieren

en ze hebben een kleine staart.

Als dit dier verbolgen wordt

dan is het uitermate fel.

1150 Nuttiger vind men nauwelijks iets

voor de mensen nuttigheden

want het heeft zeer sterke leden.

Experimentator zegt het

dat de melk van bubalus pleegt

1155 te geven het lichaam vaart

en verse wonden beschermt

en ze voor diegenen goed is

die met venijn zijn verladen.

Bubalus is dun van haar

1160 en hij mag pijn gedogen zwaar.

Zijn geluid is om te horen pijnlijk.

Zijn gal is medicijn

voor het lijmen van zware wonden

met melk gemengd te alle stonden,

1165 de gal geneest, zoals wij het horen,

het ongeval van de oren.

Zijn huid is hard uitermate.

(a) Men pleegt in zijn neusgaten

dat men er een ring in doet

1170 waarbij men hem leiden moet

dat hij met zo’ n bedwang

en de mensen genade gaat.

Belaadt men hem ook te zeer

dan wordt dol hoe hoe langer hoe meer

175 en werpt gelijk de last van hem af

en wil niet graag meer op staan

tot zijn last verminderd is.

(b) Bubalus draagt, dat is het gewis

onder het water een grote last

1180 nochtans is zijn adem zo vast

dat zijn adem gaat al door.

(c) Ook vindt men in sommige schriften

die van deze beesten weet

dat ze bizon heet.

Buffel, in Latijn heet het Bubalus, in Grieks bubulcus. Het de klassieke naam van de gazelle, die werd vanwege dezelfde klank als het Griekse bous: rund, op de buffel overgedragen die omstreeks 600 als geschenk van Avarenchans aan de Langobardenkoning Agilulf naar ItaliĎ kwam en voor arbeid tam gemaakt werd. Franse buffle, Duitse Buffel. De hard werkende dieren (Buffelerbeit bij Luther) gaven aanleiding tot het buffelen, het lievelingswoord van studenten.

De buffel werd gebruikt voor ploegen en wagens trekken. De buffels overtreffen ons rund in grootte en hebben ook dikkere horens en beminnen vooral waterrijke streken.

(b) Bubalus bubalis, de wilde buffel. Hieruit is al reeds in prehistorische tijd in IndiĎ, misschien ook in MesopotamiĎ, de waterbuffel gefokt die tegenwoordig in veel landen als huisdier wordt gehouden.

B. vulgaris, (gewoon) de Indische buffel houdt men als huisdier in AziĎ, N. Afrika en Z. Europa. Hier zijn verschillende rassen van. Het dier wordt ook wel waterbuffel en karbouw genoemd, Engelse Indian buffalo, Duitse Wasserbuffel, Franse buffle des Indes. Dit dier is kleiner dan zijn wilde voorvader.

(a) De ring in de neus wordt nog steeds gebruikt, vooral bij stieren

(c) Verwant aan de buffel is de bizon, Frans bison, dit van Latijn bison dat bij Seneca, 65 na Chr., voor komt. Aristoteles noemt hem bonassus, Plinius bison, dit stamt uit Germaans, vergelijk oud-Hoogduits Wisunt, onze wisent, oud-Engels wesend en oud-Noors visundr. Het dier is zo genoemd naar de scherpe muskusreuk van bronstige mannetjes. Een soort was vroeger in midden Europa verspreid. (Bonassus bison)

‘Het woudrund heeft die eigenaardigheid dat het, wanneer men tegen zijn wil een zeer zware last oplaadt, zo kwaad wordt dat die zich op aarde neer strekt en men hem niet meer omhoog kan krijgen, hoe je hem ook slaat. Je maakt dan de last lichter waarmee hij bezwaard was’.

 

1185Bonacus es .i. dier

dat heuet thouet naden stier

dat lijf entie manen mede

recht nader parde zede

horne met so menghen keere

1190sine moghen wenden nemmermere

alsment wil iaghen int strec

werptet na hem sinen drec

dart henen loepet verre seere

ende wien soet gheraket mere

1195dien maketet dat lijf verbolghen

dus ureken hem die em uolghen

dit dier bediedet den ipocrite

die uoeren scinen ofsi quite

waren van hare mesdaet

1200maer wie so na hem gaet

ende ondersoeket hare meninghe

hi salre in vinden sulke dinghe

dar hi mede werdet bescout

eist dat hi hem met hem hout

1205hier enden de namen in .b

nu hort vort vander .c

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10. 1185 Bonasus is een dier

dat het hoofd heeft naar de stier

dat lijf en de manen mede

recht naar de paarden zede.

Horens met zo veel draaiingen

1190 dat ze mogen verwonden nooit meer.

(a) Als men het wil jagen in de strik

dan werpt het achter zich zijn drek

wat heen schiet verre zeer

en wie zo geraakt wordt ermee

1195 die maakt het lijf verbolgen

aldus wreekt hij zich die hem volgen.

Dit dier betekent de hypocriet of huichelaar

die van voren lijken of ze onschuldig

zijn van hun misdaad.

1200 Maar wie zo naar hem gaat

en onderzoekt hun bedoeling

hij zal er in vinden zulke dingen

daar hij mede werd beschuldigd

als hij zich daaraan houdt.

1205 Hier eindigt de namen in b,

nu hoort voort van de c.

Bonassus, is de wisent, zie voorgaande. Die leefde als bosrund ten tijde van de oude Kelten en Germanen in de woeste wouden. Is uitgestorven in de dertig jarige oorlog.

(a) zie 106

 

Camelus es des kemels name

ende es .i. dier ombequame

de kemele ebben bulken twee

1210vpten ruc ende noch ene mee

neffens rux vp hare barste

ar si vp nemen hare arste

langhe been enten als lanc

ende traghe seere an haren ganc

1215solinus seghet datmen achter lande

vindet kemele drierande

deene sijn last te draghene goet

ende dandre es te ridene spoet

mar de derde ne wil altoes niet draghen

1220mer dan hem mach behaghen

ende dander ne loepet wat soes ghesciet

houer sinen pas niet

jacob seit alsemenne sal laden

nopemen sine knien met staden

1225ende knielende ontfaet hi dan

den last dien hi ghedraghen can

aldus soutu ontfaen sondare

du best onscone ende ommare

ghebulet ende onreine van sonden

1230omoedelike ontfa tallen stonden

de penitentie die du mots draghen

dits de last van dinen daghen

plinius seit alst comt ten tiden

dat si willen noten of riden

1235sin si verwoedet ende wreet

ende ebben alle parde leet

vier daghe sijn si wel sonder dranc

ende alsi doen ten watre ganc

drinken si so uele ebben sijs stade

1240dat si verhalen hare scade

om dat hem es ontouden al

ende dat hem ghebreken sal

si scuwen dat water claer

mar dat dicke es ende swaer

1245dat ouden si gherne ouer goet

want si wanen dat wel voet

baselius spreket dat de kemel lange

ghedinket der slaghe in sinen bedwange

ende vart iof hijs niet nachte mede

1250ende alsi vint stade ende stede

so wreket hi dat hi was gesleghen

men seget dat die kemele pleghen

stater enech inden stal

siec onder dandre al

1255ende niet netet dat dandre mede

vasten dor ontfarmichede

ay mensce du nachtes niet

al heuet dijn euenkerstin verdriet

plinius scriuet ouer waer

1260dat .i. kemel leuet .c. iaer

eist dat hi in sinen arde bliuet

ende eist soe datmenne verdriuet

dat si ne noeten none riden

si sijn te starker tallen tiden

1265erande kemel cursaris

es diemen heetet dromadaris

die vtermaten seere sijn snel

die kemel draghet weet men wel

xij. maende ende si noeten

1270ende alsi riden dan gaen si stoeten

ende dan si in eimeliceiden

scamedi mensce dire seden

als du salt soeken dijn genoet

dattu di dan laets sien al bloet

1275rechte kemele die ne draghen

maer enen bult horic ghewaghen

die dromadarise ebbenre .ij

hare uoete doen em so wee

alsi swaren wech sullen doen

1280datmen hem moet maken scoen

plinius de meester toghet

die eens kemels ersinen droghet

ende dan drinket met aisine

dat soe sochtet de grote pine

1285vanden euele darmen af walt

nu es vanden kemele gecalt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

11, Camelus is de kameels naam

en is een dier onbekwaam.

De kamelen hebben bulten twee

1210 op de rug en nog een meer

(a) naast de rug op hun borst

waar ze opnemen hun dorst.

Lange benen en de hals lang

een zeer traag in hun gang.

1215 Solinus zegt dat men in achter landen

vindt kamelen in drie soorten.

De ene is om de last te dragen goed

en de andere om te rijden snel,

(b) maar de derde wil altijd niet meer dragen

1220 dan hem mag behagen

en anders niet loopt, wat zo er geschied

over zijn kunnen niet.

Jacob zegt als men ze zal laden

klopt men aan zijn knieĎn met pozen

1225 en knielende ontvangt hij dan

de last die hij dragen kan.

Aldus zal jij ontvangen zondaar

je bent smerig en onwaardig

gebult en onrein van zonden

1230 ootmoedig te ontvangen in alle stonden

de penitentie die je moet dragen

dat is de last van jouw dagen.

Plinius zegt als het komt ten tijden

dat ze willen genieten of paren

1235 zijn ze verwoed en wreed

en hebben alle paarden leed.

Vier dagen kunnen ze wel zonder drank

en als ze dan naar het water gaan

dan drinken ze zo veel, hebben ze de tijd

1240 dat ze inhalen hun schade

omdat het hen onthouden is al

en dat hem ontbreken zal.

Ze schuwen dat water helder

maar dat dik is en zwaar

1245 dat houden ze graag voor goed

want ze menen dat het wel voedt.

(c) Baselius spreekt dat de kameel lang

denkt aan de slagen die hem in bedwang houden en gaat alsof hij het niet heeft gevoeld

1250 en als hij vindt tijd en plaats

dan wreekt hij dat hij was geslagen.

 

 

 

 

 

Men zegt dat de kamelen plegen

als er een staat in de stal

ziek tussen de anderen al

1255 en niet eet dat de anderen mede

vasten door barmhartigheid

Ay! mensen, jullie achten het niet

al heeft jullie mede cristen verdriet!

Plinius schrijft voor waar

1260 dat een kameel leeft honderd jaar

als het op zijn plaats blijft.

 

 

 

 

 

 

Is het zo dat men ze verdrijft

dat ze moeten toch rijden

ze zijn sterker te alle tijden.

1265 Een soort kameel, Cursaris,

die men heet dromedaris

die uitermate zeer zijn snel.

De kameel draagt weet men wel

twaalf maanden en ze genieten

1270 als ze paren dan gaan ze stoten

en dan zijn ze in heimelijkheid.

Schaam je, mens, van uw zeden

als je zal zoeken jouw geneugte

dat je laat zien al dat bloot!

1275 Echte kamelen die dragen

maar een bult, hoor ik gewagen,

de dromedarissen hebben er twee.

(d) Hun voeten doen hen zo wee

als ze een zware weg zullen doen

1280 dat men hen moet maken schoenen.

Plinius de meester getuigt

die een kameelhersen gedroogt

en dan gedronken met azijn

dat het verzacht grote pijn

1285 van het euvel waar men van af valt.

Nu is van de kameel gepraat.

Camelus

Kameel, midden-Nederlands cameel of kemel, Duitse Kamel of Trampeltier, Engelse camel en Franse chameau, van Latijnse camelus, dit uit het Griekse kamelos, en dit van Hebreeuws gamal, vergelijk het Arabische jamala wat dragen betekent. De vorm kemel uit de 13de eeuw kwam tijdens de kruistochten waarschijnlijk rechtstreeks van het Arabische gemel. (c) Sommigen zeggen dat hij geleden kwaad lang kan verbergen, maar omdat hij zeer wraakzuchtig is en zijn slag slaat als zijn tijd daar is, vandaar zou de naam betekenen, ‘de kwaadheugende’ Vandaar een spreekwoord bij de Perzen: ‘de toorn des kameels’.

Dromedaris, zo was het ook in midden-Nederlands of dromedarijs, midden-Hoogduits Dromedar, Engelse dromedary, (one humped camel) Franse dromadaire, van laat-Latijn dromedarius, van Grieks dromados, wat lopend betekent, een dromos is een renner, wat we terug zien in het Engelse hippodrome, een plaats voor paardenrennen. Camelus bactrianus heeft twee bulten, het is de kameel. Camelus dromedaris heeft er maar een, het is de dromedaris.

(a) Wanneer het dier dorst heeft of het droge voedsel wil bevochtigen, weet het, door een eenvoudige samentrekking van de spieren, dit water in de maag en zelfs tot in de strot te laten opstijgen. Anderen beweerden dat er een extra bult is die de dienst van waterzak vervult. Plinius schreef al over hun voorraad water in de bult. Dat werd nog in de 19de eeuw geloofd en getekend. Dat men kamelen in nood slacht en de in hun bulten opgeslagen water drinkt, is een fabel. Ook dat de maag een waterzak bevat is een fabel.

(b) ‘Een kameel’ is een gezegde voor iemand die in alles obstinaat is. Een kameel is de ergste bruut die er is, alleen honger kan hem omhoog krijgen. Bewegingsloos blijven is alles wat de kameel wil. Begin je hem te laden dan gromt en knort hij alsof al zijn vitale delen worden afgesneden. Zo gewoon is hij hieraan dat hij al protesteert als een steen ter grootte van een walnoot op zijn rug wordt gelegd, het begint te grommen en tegen te spartelen alsof hij door die lading gekruisigd wordt. Het is niet graag overbelast en komt dan niet omhoog. De kameel is het zinnebeeld van het onderscheidingsvermogen. Omdat niet iedereen deze gewoonte kende, zagen sommigen het als een symbool van luiheid.

(d) Het is het enige dier dat herkauwt en geen gespleten hoeven heeft. De brede kussens van de voetzolen stellen het dier in staat over het hete woestijnzand te lopen, over graniet of rotsen, maar in vochtige streken is het onbruikbaar.

 

Canis dats in dietsch .i. hont

iacob van vitri maket ons cont

dat beesten sijn dien men mach wel

1290leren mengerade spel

ende al slapen si gherne mede

nochtan esset hare zede

dat si thus wachten voer den dief

hare eren ebben si lief

1295dat si dicken doot sijn bleuen

om te beoudene hars eren leuen

ende dies toghen si noch uele

nachtes met haren ghebele

oec es dicken dat gesproken

1300dat onde hare heren wroken

ende sente ambrosius scriuet mede

selue ouer ene warede

plinius ende solinus leeren

doe alexander soude keeren

1305tlant van endi te bestane

dat hem de coninc van albane

enen hont sende so groot

datmen noit vant sijn ghenoot

alexandre wonderets seere

1310ende dede heuere ende beere

voer ghenen hont ghinder toghen

cume kerdi omme sine oghen

ende bleef ligghende stille

alse die sulker proien niet ne wilde

1315doe gheboet hine te verslane

dit orde de coninc van albane

ende sende noch enen van dien doene

ende omboet hem dat hine an lione

proeuede wes hi ware wert

1320alexander liet gaen enen liebart

entien scordi alte hant

entar na enen olifant

jacob spreket van vitri

dat somege maniere van onden si

1325die morders rieken ende dieue

mar als ons seggen some brieue

si sijn met vrouwen melke geuoedet

ende getemmet in mans bloet

drie manieren sijn van onden

1330alse ons vraie boeke orconden

dedelste sijn oghe ende lanc

ende snel in lopene ende in ganc

te bassene nebsi ghene macht

dese die sijn goet ter iacht

1335o wi die onde die niet ne bassen

hoe si alle daghe wassen

dese edele honde vander iacht

edelinghe ebben nu de macht

ouer dat kerkelike goet

1340dar ihesus omme sturte sijn bloet

dit souden ebben ons here lede

nu heuet al die edelede

dese honde ne bassen niet

bassen: predeken bediet

1345want edelinghe niet ne leren

dar sijt folc mede bekeren

mar si gheneren hem metter proie

ende .i. die euets ioie

alsi vrouwen bedrieghen mach

1350dits sine proie ende sijn beiach

ndre manieren heten bracken

met langhen oren entie backen

na de diere ende rieken wel

ende al ne sijn si niet so snel

1355si maken de beesten moede

oec vintmen riekende so vroede

dat al dore inden woude

emmer hare erste proie ouden

husonde es de derde maniere

1360ende alne rekenmense niet so diere

nochtan sin si inder wachte

nuttelic bi daghe ende bi nachte

plinius bescriuet ons dit

als .i. man ter erden sit

1365dattene dan die onde sparen

ets recht die hem omoedeghet te waren

voer die hem fellike vermeten

dat hi ontgaet hare beten

die ont wert iboren blent

1370ende xl. daghe ets bekent

so draghet de teue alsment waent

de hont ridet ter achtender maent

ende de teue alsoere euet seuene

xv. iar pleghen si te leuene

1375sulc mach oec .xx. iaer leuen

dat si bachten te samen cleuen

comet van hare luxurien

dat welp etemen best bi naturen

datter spaets sien beghint

1380oftat de moeder mest mint

xii. daghe sijn si blent

ende sulc ene maent omtrent

men sal gheuen verwoeden onden

jn hare eten tallen stonden

1385capoens drec dats hem goet

ende bitet di een hont verwoet

de wortel vander wilder roesen

saldi ghenesen vander nosen

als .i. ont beghinnet gellen

1390lopen vp hem sine gesellen

ende bitene alleghemeene

pissende effen si up die beene

weltijt so si iarech sijn

want si ebben de roke fijn

1395ende in riekene gnoechte grot

rieket elc andren bachten bloot

die iachont ne leuet mar .x. iaer

ende die teue .ij. iar der naer

jn al dat leuet sonder in desen

1400leuen langher als wi lesen

de hie dan de zoen ghemeene

sonder in lachonde allene

aristotiles seghet

alse den ont sieceit an leghet

1405hetet hi gras ende ander cruut

ende spuwet dan dat euel huut

sulke segghen oec hier an

gheen ont mach leuen sonder man

des onts tonge es goet ten wonden

1410es hi gewont oec tereger stonde

ende hijt gelecken niet mach bloot

so lecket hi sines selues pot

ende salfter sine wonden mede

nature leret hem die zede

1415der ouder filosofen boec

seit enen vremden ondersoec

nem .i. welpkin als men seghet

ende enen sieken die ghedoghet

oronica dat euel groot

1420leghet hem upte barst bloot

dat des des siecmans elpe

entie doot vanden welpe

onde biten niet de teuen

sine sire toe verdreuen

1425dus eist wel naer in allen dieren

scamedi man van felre maniere

hines des mans name niet wart

de man de vrouwen niet ne spart

ets mets alronden seden

1430dat si ontsuueren reine steden

ondine scoen sijn sekerlike

goet iegen dartitike

maer riketse .i. hont dar gaet .i. man

hi licht sijn been ende pister an

 

 

 

 

 

 

 

12. Canis, dat is in Dietse een hond.

Jacob van Vitry maakt ons kond

dat het beesten zijn die men mag wel

1290 leren menig spel.

En al slapen ze graag mede

nochtans is zo hun zede

dat ze het huis bewaken voor de dief.

(a) Hun heren hebben ze lief

1295 zodat ze veel dood zijn gebleven

om te behouden hun heer het leven

en dit getuigen ze nog veel

‘s nachts met hun geblaf.

Ook is er veel over gesproken

1300 dat honden hun heren wraken

en Sint Ambrosius schrijft mede

hetzelfde voor een waarheid.

(b) Plinius en Solinus leren

toen Alexander zou keren

1305 om het land van IndiĎ te veroveren

dat hem de koning van AlbaniĎ (L)

een hond zond zo groot

dat men nooit vond er een even zo groot.

Alexander verwonderde zich zeer

1310 en liet een ever en beer

voor die hond ginder brengen

nauwelijks draaide hij zijn ogen om

en bleef liggen stil.

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Als hij zulke prooien niet wil

1315 toen gebood hij hem dan te doden.

Dit hoorde de koning van AlbaniĎ

en zond nog een van die vorm

en zei hem dat hij een leeuw

moest proberen om te zien wat hij waard was.

1320 Alexander liet gaan een leeuw

en die verscheurde hij gelijk

en daar na een olifant.

 

 

 

 

 

 

 

(c) Jacob van Vitry spreekt dat er sommige soorten van honden zijn

1325 die moordenaars ruiken en dieven

maar, zoals ons zeggen sommige brieven,

zijn ze met vrouwenmelk gevoed

en getemd in mannen bloed.

Drie soorten zijn er van honden

1330 zoals ons fraaie boeken verkondigen.

(e) De edelste zijn hoog en lang

en snel in het lopen en in gang

om te bassen hebben ze geen macht

deze zijn goed voor de jacht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1335 Ach! die honden die niet kunnen bassen

hoe dat ze alle dagen groeien

deze edele honden van de jacht!

Edelen hebben nu de macht

over het kerkelijke goed

1340 waar Jezus om stortte zijn bloed

dit zou geven onze Heer leed

nu hebben het al die edelen.

Deze honden bassen niet

en bassen prediken betekent.

1345 Want edelen niet leren

waar ze het volk mee bekeren

maar ze generen zich met de prooi

en een edele die heeft vreugd

als ze vrouwen bedriegen mogen,

1350 dit is hun prooi en hun jacht.

(f) Een andere soort heet brak

met lange oren tot op de rug

nu die dieren ruiken goed

en al zijn ze niet zo snel

1355 ze maken de beesten moe.

Ook vindt men ze ruikende al zo goed

dat ze al dwalende door het woud

immer hun eerste spoor houden.

(g) Huishond is de derde soort

1360 en al rekent men ze niet zo duur

nochtans zijn ze in de waakzaamheid

nuttig bij dag en bij nacht.

Plinius schrijft ons dit

als een man ter aarde zit

1365 dat de honden hem dan sparen,

het is terecht voor hen die ootmoedig waren

voor diegene die zich fel vermeten

dat ze ontgaan aan hun beten.

De hond wordt geboren blind.

1370 En veertig dagen, het is bekend,

draagt de teef zoals men waant.

De hond rijdt de achtste maand

en de teef alzo bij zeven

Vijftien jaar plegen ze te leven

1375 sommige mogen ook twintig jaar leven.

Dat ze van achter te samen kleven

komt van hun wulpsheid.

Die welp is het beste van naturen

dat het laatst met zien begint

1380 of degene die de moeder het meest bemint. Twaalf dagen zijn ze blind

en sommige een maand omtrent.

Men zal geven dolle honden

in hun eten direct

1385 kapoendrek, dat is voor hen goed.

(h) En wordt je gebeten door een dolle hond

de wortel van de wilde roos

zal je genezen van dit nadeel.

Als een (gekwetste) hond begint te janken

1390 lopen naar hem toe zijn gezellen

en bijten hem algemeen.

Pissende heft ze op het been

op de tijd dat ze een jaar zijn

want ze hebben de reuk fijn

1395 en in het ruiken geneugte groot

en ruiken elk bij van achter bloot.

De jachthond leeft maar tien jaar

en de teef twee jaar daarna.

In al dat leeft en vooral in deze

1400 leven langer, als wij het lezen,

hij dan zij in het algemeen,

uitgezonderd in jachthonden alleen.

(i) Aristoteles zegt

als de hond ziek wordt

1405 eet hij gras en een ander kruid

en spuwt dan dat euvel uit.

Sommige zeggen ook hierbij

geen hond mag leven zonder een mens.

De hondentong is goed tegen wonden

1410 en is hij gewond op een keer

en het niet belikken kan met zijn tong

dan likt hij zijn eigen poot

en zalft daar zijn wonden mee

natuur leert hem dit gebruik.

1415 Het oude filosofen boek

zegt van een vreemd onderzoek;

(j) Neem een welp, zoals men zegt,

en een zieke die lijdt aan

vallende ziekte, dat euvel groot,

1420 leg het hem op de borst bloot

dat het deze zieke man helpt

met de dood van de welp.

Honden bijten niet de teven

tenzij ze er toe gedwongen worden

1425 zo is het vrijwel bij alle dieren.

Schaam je man van felle manieren!

hij is de naam man niet waardig

de man die de vrouwen niet spaart.

(k) Het is meestal bij alle honden het gebruik

1430 dat ze vervuilen reine steden.

Schoenen van hondenleer zijn zeker

goed tegen de jicht,

maar ruikt een hond daar gaat een man

hij licht zijn been en pist er aan.

Canis

Canis, hond, in Duits Hund en in Engels hound, van Germaanse hunda, dit van Indogermaans kuon, vergelijk het Griekse kyon en Latijn canis wat allemaal hond betekent. Het Griekse woord betekent zoveel als ‘bijzonder liefhebben’, wat de honden bij hun meesters veel doen, of van ‘ik bemin’, omdat ze sterk tot vermenging overhellen.

(a) Als zinnebeeld van trouw vind je de hond op veel op grafstenen staan onder de voeten van de daar afgebeelde figuur. Bij vele volkeren uit de oudheid en nog later, begroef men de hond naast zijn meester. Vaak werd de hond daartoe eerst gedood. Lang niet iedere hond treurde boven het graf van zijn meester.

(b) Toen Alexander de Grote hij naar IndiĎ trok had de koning van AlbaniĎ (een landstreek in AziĎ, ongeveer gelijk aan het huidige Azerbeidzjan) hem een grote hond geschonken waarmee hij zeer ingenomen was. Hij liet daarom beren, evers en dergelijke dieren bij de hond brengen, maar die bleef stil liggen en wilde niet opstaan. Alexander meende dat de hond lui was en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van AlbaniĎ dit vernam zond hij nog een hond van dezelfde soort met de boodschap dat Alexander geen zwakke dieren tegenover de dog moest plaatsen maar leeuwen en olifanten. Hij, de koning, had slechts twee van zulke honden gehad, als Alexander deze liet doden had hij er geen meer. Alexander liet het dier dus eerst met een leeuw, later met een olifant vechten. De hond doodde ze allebei.

(c) Er is een zekere klasse van honden die dieven herkennen aan hun geur die ze met onverzoenlijke haat onderscheiden van andere mensen, dat is de speurhond.

(e) De windhonden zijn herkenbaar aan hun uiterst slanke, sierlijke romp, de spits toelopende fijn gebouwde kop, de dunne, hoge ledematen en in de regel ook aan de kortharigheid en gladheid van hun vel.

 (f) Bij de parforce-jacht wordt het wild door honden, vaak in koppels van zes a veertig stuks, zo lang nagejaagd dat het wild door vermoeienis uitgeput blijft staan en vaak door de honden gegrepen of door de jager, die te paard volgt, afgemaakt. Het wild wordt dus par-force (door krachtsinspanning) verkregen en niet van af de verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende hondenrassen die daarom parforce honden of brakken (in Frans chien courants) heten. Brak of brach is een kleine hond, het Italiaanse equivalent is bracca, Duitse Bracke, Franse brachet of braque, het bestemmingswoord is ruiken.

Taming of the Shrew , Induction 1, 17-8;

‘Ik zeg u, jager, zorg voor deze honden’.

Zie, vlugvoet schuimt, voer deze aan de lijn’.

En koppel Nero met de diepe blaffer’.

(g) Deze omvat een groep honden die de mens zeer trouw dienen, vaak voor slavenarbeid gebruikt worden, het zijn de huishonden in engere zin als bijvoorbeeld de herdershond

(h) Genees die ziekte door de wortel van de hondsroos te eten. Die heet ook Rosa canina: hondsroos.

(i) Kweek, het bekende onkruid, werd wel hondsgras genoemd, in Frans heet die dan ook chiendent rampant, in Duits Hundsgras en in Engels dogs-grass. Culpeper verhaalt ervan als je het kruid niet kent wacht dan tot je hond ziek is, het zal naar dit gras toegaan en je er snel naar toe leiden, er zijn maag mee vol eten om zo tot braken te komen.

(j) Het likken van een hond zuivert en verzacht de oude verzweringen van de benen en geneest de wonden waar andere middelen geen uitwerking hadden. Misschien berust deze werking wel op Lucas 14: 21-22: ‘en er was ook zekere bedelaar, welke lag voor de poort, vol zweren. Maar ook de honden kwamen en lekten zijn wonden’. Lang werd het likken gebruikt om eczeem te laten genezen. Ongetwijfeld is dit likken een bron van infecties, maar de vochtige werking kan zeker een gunstige invloed hebben. De pijn kan bedaren en de wond enigermate beschermd worden doordat het speeksel een beschuttend vlies vormt. Daardoor wordt toetreding van lucht verhinderd en jeuk vermindert. Vaak wordt daarom bij Aesculapius een hond afgebeeld. Reuma werd genezen door een hond naast de pijnlijke gewrichten te leggen. De dierlijke warmte gaf wat verlichting, door het contact zou de kwaal verder op de hond overgaan. De natuurlijke warmte vooral van ‘vette jonge honden’ was niet alleen goed voor reuma, maar ook voor ‘oude luiden’ .

(k) hondenstront was toen ook al een probleem.

L. (Mulder) Albania - landstreek in AziĎ, ongeveer gelijk aan het huidige Azerbeidzjan.

 

 

1435Castor dit wort in latijn

mach in dietsch .i. beuer sijn

castorium heten sine hoeden

die sijn nutte te vele nooden

ende dits dar mense omme iaghet

1440ende als den beuer dan wanhaghet

so bijt hise af selue te waren

ende dan latene de iagre varen

ende alsmenne anderwarf iaghet

dan toghet hi dat hi niet draghet

1445ende valt voer de iagers neder

die pollane segghen hier weder

hare bouers ebben die oeden binnen

recht als wi nieren segghen kinnen

oec mochten si dan hem seluen wuren

1450die beuers pleghen bi naturen

alse ene gans te smeltene daer

plinius seget ouerwaer

dat hi sine galle hute spuwet

die messelic euel verduwet

1455want hi waent datmenne bedi iaghet

sijn lib es nuttelic dat hi draget

want et geneset als men ons calt

dat euel darmen aue valt

dit dier ne mach niet lange leuen

1460sijn start ne si den watre beneuen

ende dies gescepen als .i. vis start

experimentator seit ets sijn art

dat sijn start smaket na vissce

bedi hetene sonder wissce

1465die kerstine alsmen vasten sal

mar some eten sine ende niet al

sijn lijf es vlesch dats waer

sijn start .iii. uoete lanc ets war

entie vtermaten vet

1470subtiliter mochte niet bet

macht ghene beeste onder darde

husekine na sire warde

some vp ende some weder

wasset water of dalet neder

1475dat hi dale ofte cliue

so dat die start int water bliue

scorsen van bomen ente blade

heti dar hijs heuet stade

bouen allen dinghen diemen weet

1480jnt biten es de beuer wreet

wat dat hi mach metten tanden slaen

datne lati niet ontgaen

heri beseft den tant al dure

experimentator scriuet sine nature

1485ende seghet dat si met scaren

te samene te woude varen

ende alsi boeme ebben geuelt

met haren tanden met gewelt

ende of ghebeten dat hem genoeget

1490nemen si enen die hem uoeghet

ende werpene dan vpwart onsoete

ende laden tusscen sine voete

ende slepene also te hole

dit ne doen si niemene ut are scole

1495mar vremden hute vremden lande

dien doen si dusdane scande

want sise in eigindome ouden

andre segghen si doent den ouden

dien hare tande so sijn versleten

1500dat si niet doghen ter beten

dese beuers kennen iagers wel

want hem es vpten rug dat vel

vanden slepene bloot

ende latense lopen uter noot

1505hout minnen si dor .ij. saken

omme dat sire hare hus af maken

ende om die scortse die si eten

vp dachterste voete es hi gheseten

ende out uoeren in de voete

1510sine spise met goeder moete

alle die scortse eti dan

die sijn poet beluken can

dachterste voete sijn min no me

alse ganse voete twee

1515mar meere entie clawen ront

die vortste recht als .i. ont

dies prisemen die nature groot

omme dat dier uoren es gheuoet

alse .i. ont vpt lant te gane

1520ende bachten mede te bestane

te swemmene alst euet noot

sines tants cracht es so groot

weltijt hi slaet .i. boem

vliethi ende nemet goem

1525joftie boem iet vallet noch

so dicken doet hijt doch

dat die boem dan uallen moet

viere tande heuet hi starc ende goet

twe beneden ende bouen

1530ende salmen ouden boeken geloeuen

so es die tant ent cakebeen

bede massijs ouer een

sijn smere [e]s edel ende goet

so swarter so meer te prisene doet

1535solinus seit dat dier aer euet

bouen allen haren wel goud

ende es .i. dinc die seere es diere

onder deidine maniere

dien de crampe wee doet

1540dien es beuers smere goet

ende hem dien de lede beuen

mach dit grote bate gheuen

vanden balge es goet sijn smoud

darmen sine oeden in houd

1545wijn met beuers cul gesoden

entie roke vanden hoeden

es hem goede medicine

die vander iucht euet pinesijn

 

 

 

 

 

 

 

13. 1435 Castor, dit woord in Latijn

mag in Diets een bever zijn.

(a) Castorium heten zijn ballen

die zijn nuttig in vele noden

en dit is waar men ze om jaagt

1440 en als de bever dan wanhoopt

dan bijt hij ze zelf te om te beschermen

dat de jager hem dan laat gaan.

En als men hem andermaal jaagt

dan laat hij zien dat hij ze niet draagt

1445 en valt voor de jagers neer.

De Polen zeggen hier weer

hun bevers hebben de ballen van binnen

net zoals wij van de nieren zeggen kunnen

hoe mogen ze dan zichzelf afbijten?

1450 De bevers plegen van naturen

als een gans dun uit te laten daar.

Plinius zegt voor waar

dat hij zijn gal uitspuwt

dat misselijke euvel verteert (vallende ziekte)

1455 want hij waant dat men hem daarom jaagt. Zijn leb is nuttig dat hij draagt

want het geneest, als men ons vertelt

dat euvel waar men van valt.

Dit dier mag niet lang leven

1460 (b) als zijn staart niet is in het water beneven en die is geschapen als een vissenstaart. Experimentator zegt, dit is zijn aard, dat zijn staart smaakt naar de vissen,

daarom eten zonder wroeging

1465 de christenen als men vasten zal,

maar sommige eten ze niet geheel want zijn lijf is vlees, dat is waar.

Zijn staart is negentig cm lang, het is waar

en die is uitermate vet.

1470 (c)Subtieler mag het niet beter

maakt geen beest onder de aarde

huisjes maken naar zijn waarde

sommige zijn hoog op en sommige laag naardat het water stijgt of daalt

1475 dat hij daalt of klimt

zodat de staart in het water blijft.

Schors van bomen en de bladeren

eet hij, daarvan hij heeft het liefst

boven alle dingen die men weet.

1480 In het bijten is de bever wreed

want wat hij met de tanden mag slaan

dat laat hij niet ontgaan

voor hij beseft dat de tand is duur.

(d) Experimentator beschrijft zijn natuur

1485 en zegt dat ze met groepen

tezamen in de wouden gaan

en als ze bomen hebben geveld

met hun tanden met geweld

afgebeten zoveel als genoeg is

1490 nemen ze er een die hen voegt

en werpen hem dan hard op de rug en laden het tussen zijn voeten

en slepen het alzo naar het hol.

Dit doen ze niet met iemand uit hun groep

1495 maar vreemde uit andere groepen

die doen ze dusdanige schande

omdat ze die in eigendom houden.

Anderen zeggen, ze doen het de ouden

waarvan hun tanden zo zijn versleten

1500 dat ze niet deugen voor bijten.

(e) Deze bevers kennen jagers goed

want bij hen is op de rug dat vel

van het slepen bloot

en die laten ze lopen uit nood.

1505 Hout beminnen ze door twee zaken

omdat ze er hun huis van maken

en om de schors die ze eten

Op de achterste voeten is hij gezeten

en houdt voor in de voeten

1510 zijn spijs met goede moed

alleen de schors eten ze dan

die zijn poot omsluiten kan.

De achterste voeten zijn min of meer

als ganzenvoeten twee

1515 maar groter en de klauwen rond

de voorste is recht als een hond.

Dit prijst men in de natuur groot

omdat het dier voor is gebouwd

als een hond om op het land te gaan

1520 en van achter mede te bestaan

te zwemmen als het heeft nood.

Zijn tanden kracht is zo groot

soms slaat hij een boom

vliegt weg en neemt een kijkje

1525 of die boom niet valt nog

en zoveel doet hij dan toch

dat die boom vallen moet.

Vier tanden heeft hij sterk en goed

twee beneden en twee boven

1530 en zal men oude boeken geloven

dan zijn die tanden en het kaakbeen

beide massief en al een.

Zijn vet is edel en goed

hoe zwarter hoe meer het kosten doet.

1535 (e) Solinus zegt dat dier haar heeft

dat boven alle haren wel goed blijft

en is een zaak die zeer is duur.

Onder de heidense manier

die de kramp pijn doet

1540 voor die is bevervet goed

en hem die de leden beven

mag dit grote baat geven.

Van de balzak is goed zijn vet

waar het zijn ballen in houdt.

1545 Wijn met beverskullen gekookt

en de rook van de ballen

is voor hem een goede medicijn

die van de jicht heeft pijn.

Castor fiber, van Grieks kastor: bever. Bever, midden-Nederlands bever, oud-Hoogduits Bibar (nu Biber) oud-Saksisch Bibar, oud-Engels beofor (nu beaver) oud-Noors bifa en oud-Frans bievre: gal, dit van Gallisch bebros en dit van Latijn fiber dat met Litouws bebrus en Russisch bobr vergeleken wordt dat men vergelijkt met oud-Indisch babhru: roodbruin.

(a) Dioscorides hield het bevergeil valselijk voor de testikels van de bever. Het heet castor a castrado, (gecastreerd) dat betekent lubben, wat zijn kullen zijn in de medicijnen bekwaam Als hij gejaagd wordt weet hij de oorzaak, dan bijt hij zelf zijn ballen af en ontkomt zo’. Hij bijt zelf zijn testikels af om aan de jagers te ontkomen. Bij beide geslachten komen aan de onderbuik, in de liesstreek die onder de huid verborgen is, twee eigenaardige klierzakken voor die een vreemdsoortige stof bevatten, het bevergeil. Dit is een donkerroodachtig, geelachtig of een zwartachtige bruine stof. Eerst is dit zacht maar droogt weldra op tot een hars gelijkende massa. Het heeft een eigenaardige doordringende reuk, die maar weinig mensen aangenaam vinden. Het is nuttig voor diegenen die door nerveuze ziekte de handen sidderen. Het werd in de oudheid veel gebruikt vooral als rustgevend en krampstillend middel.

(b) Het was de monniken opgevallen dat de staart van de bever min of meer geschubd is, wat dus op een vis slaat. Vis mag je op vrijdag eten. Vroeger mochten de gelovigen op de vastenvrijdagen alleen vis eten en geen vlees. Doordat een bever zo een vis werd mocht die ook op tafel komen.

(c )Bevers maken bouwwerken waar vooral de Amerikaanse bevers om bekend zijn geworden. De Europese maakt meer ‘huizen’ die met het water meegaan.

(d) Zijn voornaamste voedsel bestaat uit zetmeelhoudende wortelstokken van waterlelies en de schors van jonge boomtakken. Zijn snijtanden zijn buitengewoon scherp, hij kan met een beet een tak van drie cm doorsnede zo glad afsnijden als was het met een stalen werktuig gedaan. Hij velt bomen van een halve meter doorsnede waartoe hij een diepe ringvormige gleuf in knaagt tot ze neerstorten. Met die tanden kan hij zich ook goed verdedigen.

(e) Uit de beverharen maakte men hoeden, de ‘kastoren’ hoeden, die tegen ziekten behoedden. Zijn vacht wordt tot voering in onderrokken gebruikt.

 

Chama es ene beeste

1550dar plinius af spreket inder ieste

dat hi den wlf geliket wel

mar dat spekelde es sijn vel

hute ethiopen sin si comen

dese beesten die wi nomen

1555al vintmense in ander lant

pompeus iulius viant

was derste diede dor wonderlichede

brochte te rome inde stede

14. Chama is een beest

1550 waar Plinius van spreekt in zijn jeeste

dat hij de wolf gelijkt wel

maar dat gespikkeld is zijn vel.

Uit EthiopiĎ zijn ze gekomen

deze beesten die wij noemen

1555 al vindt men ze in een ander land.

Pompeus Julius vijand

was de eerste die ze door wonderlijkheden

bracht te Rome in de stad.

Chama: klein, dit is wel een hyena die kleiner is dan de wolf, zie onder.

 

Calepus es .i. dier

1560stout sere ende onghier

so vreselic in allen saken

negheen iagre dar hem ghenaken

want langhe orne si draghen

ende sijn getant gelijc der zaghen

1565so dathet der mede velt

langhe bome met sire gewelt

want het can wel zaghen der mede

vp die eufrate es sine stede

nu wassen dar erande aghen

1570die clene langhe roeden draghen

ende alset dan gedronken heuet

ende hem dinket dat met festen leuet

gatet spelen in die roeden

ende met sinen ornen verwoeden

1575ende spelet so vele inden wedouwe

dat sine orne getacket nouwe

hem verwerren in die telghen

dan alreest so moetet belghen

ende gheuet enen vreseliken luud

1580dan so comet de iagre vt

ende slaet sonder pine doot

nu merket hier exemple groot

hi starke die niet nontsiet

dieden cranken niet ne vliet

1585ende niet nacht dien iof desen

altoes mach hi niet seker wesen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15. Calepus is een dier

1560 dapper zeer en onguur

zo vreselijk in alle zaken

en geen jager kan hem daar genaken.

Want lange horens ze dragen

en zijn getand gelijk de zaag

1565 zodat het daarmee velt

lange bomen met zijn geweld

want het kan wel zagen daarmee.

Op de Eufraat is zijn stede

nu groeien daar allerhande hagen

1570 die kleine, lange twijgen dragen.

En als het dan gedronken heeft

en denkt dat het van feesten leeft

gaat het spelen in de twijgen

en het met zijn horen te verwonden

1575 en speelt zoveel in het bosje

dat zijn horens, vertakt nauw

zich verwarren in die twijgen

dan aller eerst moet het verbelgen

en geeft een vreselijk geluid.

1580 Dan komt de jager uit

en slaat het zonder moeite dood.

Nu merk op hier een voorbeeld groot

hij de sterke die niemand ontziet

die de zwakken niet uit de weg gaat

1585 en die niet acht voor die of deze

altijd kan hij niet zeker wezen.

Ovis ornata sive orientalis, het wilde schaap is een zeer imposant dier dat veel op de mouflon lijkt. Het heeft zeer lange haren aan de voorpoten en aan de onderkant van de hals. Een dergelijk wild schaap zal Abraham gevonden hebben in het land Moriah, vast geraakt in het struikgewas, Gen. 22: 13. “Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam den ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon’. Dit woord wordt meestal in figuurlijke zin gebruikt of voor afbeeldingen maar verwijst ook naar horens die voor bijzondere zaken gebruikt werden. Van hem heet het in de wijsheid van Jeremia: ‘ze zijn gebonden aan het water van de Euphraat en zijn gevallen’.

 

Cameleopardalis

lesemen dat ene beste is

jn ethyopen entus gedaen

1590alsons de glose doet verstaen

houet naden kemel als naden parde

voete been na des herts arde

dat gespekelt es harentare

met enen sconen clenen hare

1595dit dier was oec te rome mede

wilen brocht dor wonderlicede

 

 

 

 

 

 

 

 

 

16. Cameleopardalis

leest men dat een beest is

in EthiopiĎ. En is zo gedaan

1590 als ons de glossaria laat verstaan

hoofd naar de kameel, hals naar het paard

voet en been naar het hert geaard

dat gespikkeld is hier en daar

met een mooie kleine haar.

1595 Dit dier was ook te Rome mede

wel gebracht door wonderlijkheden.

Giraffa camelopardalis, is de zorafeh, zurafa, seraphe of serafe: de lieflijke, van de Arabieren. Dit werd bij ons tot giraf, in Duits en Engels Giraffe en in Frans girafe.

De cameleopardalis heeft een eigenaardige bouw. Ze geeft de indruk dat het uit lichaamsdelen van verschillende dieren samengesteld is. Het is alsof ze de kop en de romp van het paard, de hals en schouders van een kameel, de oren van een rund, de staart van een ezel en de poten aan de antiloop heeft ontleend, terwijl de kleur en de tekening van het gladde vel aan een panter, pardalis, doet denken.

Mulder: ‘Tegen deze achtergrond verdienen de schrijvers en kopiisten van de middeleeuwse natuurboeken eerder bewondering dan honend gelach. ‘Het kan nauwelijks te vaak herhaald worden dat een bestiarium een serieus wetenschappelijk werk is; […] dat een Cameleopard […] een echt dier is, en helemaal geen slechte poging om een ongezien wezen te beschrijven dat zo groot was als een kameel, maar gevlekt als een luipaard, dat wil zeggen een giraffe; en dat het identificeren van het bestaande wezen het ware genoegen schenkt, niet het lachen om een wezen dat men voor denkbeeldig houdt.’ (T.H. White)

 

Capra dats in dietsch de gheet

die orne heuet scarp ende wreet

ende onder den kin enen bart

1600hare weide es te dale wart

ende in berghen ende in haghen

al daer soese can beiaghen

hare melc es sere goet

mar als merre lib toe doet

1605so corrumpert want dat case

segmen niet wert ere blase

v maent so draghet die gheet

also alsment uan scapen weet

jnden uorwinter es best hare riden

1610so dat si in lentins tiden

moghe bringhen hare dracht

dit sijn die beste scape yacht

ysodorus spreect oec hier

dat de buc es luxurieus dier

1615dat altoes bi na wil riden

sine oghen lopen ende gliden

vele na der luxurien cracht

euen wele sieti dach ende nacht

die nauons niet ne siet yreet

1620ete de leuere van der gheet

hi siet nauonts uele te bet

aristotiles heuet yset

dat nochtan dicke up dien dach

die buc lettel ysien mach

1625maer nauonts sieti claer

experimentator seghet ouer waer

dat uan dien bucke die galle

de winbrawen doet uallen alle

kamidarium bouc seegt

1630dar doude filosofie in leecht

dat uanden bucke dat bloed

al hare uallen doet

oec seiti buxbloet ybrant

doet waken tehant

1635die ligghen in letargien

ofte in swaren epelenchien

oec maket donker oghen clar

bux galle out ouer waer

es soe in enegher stede yleghen

1640datter pude oec uersamene pleghen

bux haer te puluer uerbrant

stopt bloet althehant

ende jegen slachamen uloet

ende jegen venijn drinc sijn bloet

1645besefstud ydronken ofte gheten

smare sijn es goet ieghen beten

ende ieghen quetsinghe dere

sijn drec es goet jegen tantsuere

maket dar of .i. plaester upt seer

1650gheets horen dats wonder meer

ghebernet ende ybonden dan

vor die nasegate uan den man

die warlike heuet theuel swaer

stappans moeti uallen daer

1655serpente die ulien oec mede

die roke het es hare sede

die buc es es arde fier

ende starc ende i. moilic dier

jn orne in hoeft leit sine cracht

1660sijn bloet es oec uan sulker macht

dattet scort den adamant

die noit anders meester ne uant

gheets bete es bomen quaet

want si uerliesen urucht ende saet

 

 

 

 

 

 

 

17. Capra dat is in Dietse de geit.

De horens heeft het scherp en wreed

en onder de kin een baard.

1600 Hun weide is te dalwaarts

en in bergen en in hagen

al waar het zich kan bejagen.

Hun melk is zeer goed

maar als men er leb bij doet

1605 dan verbastert het want de kaas,

zegt men, is niets waard.

Vijf maanden draagt de geit

net zoals men het van schapen weet.

In de voorwinter is het best hun paren

1610 zodat ze in de lente tijden

mogen brengen hun dracht

dit zijn de beste schapen echt.

(a)Isidorus spreekt ook hier

dat de bok is een wulps dier

1615 dat altijd bijna wil paren.

Zijn ogen staan en glijden

veel naar de wulpse kracht

(b) evenwel ziet hij dag en nacht.

Diegene die ‘s avonds niet goed ziet

1620 eet de lever van de geit

hij ziet ’s avonds veel beter.

Aristoteles heeft gezegd

dat nochtans vaak op de dag

de bok weinig zien mag,

1625 maar ‘s avonds ziet het helder.

Experimentator zegt voor waar

dat van de bok de gal

de wenkbrauwen laat vallen alle.

(c)Kamidarium boek zegt

1630 waar oude filosofie in ligt

dat van de bok het bloed

alle haar uitvallen doet.

Ook zegt het bokkenbloed gebrand

laat gelijk ontwaken

1635 die liggen in slaapzucht

of in zware epilepsie

ook maakt het blinde ogen helder.

Bokkengal zegt hij voor waar

is het in enige plaats gelegen

1640 dat er padden zich ook verzamelen plegen. Bokkenbloed tot poeder verbrand

stopt het bloeden gelijk

en van ontlasting de vloed.

En tegen venijn drink zijn bloed

1645 dat je gedronken hebt of gegeten.

Zijn vet is goed tegen beten

en tegen kwetsingen daar.

Zijn drek is goed tegen tandpijn

maak daarvan een pleister op het zeer.

1650 Geitenhorens, dat is een wonder meer.

gebrand en gebonden dan

voor de neusgaten van de man

die werkelijk heeft epilepsie zwaar

gelijk moet hij vallen daar.

1655 Serpenten die vlieden ook mede

van de rook, het is hun zede.

De bok is hard en fier

en sterk en een moeilijk dier

in horens, in het hoofd ligt zijn kracht.

1660 Zijn bloed is ook van zulke macht

dat het scheurt de diamant

die nooit een andere meester vond.

Geitenbeten is voor de bomen kwaad

want ze verliezen vrucht en zaad.

Capra hircus, Latijn hircus: bok, Grieks chimaira werd in Latijn capra: geit. Varro zegt dat ze capra of carpa heten omdat ze alles afeten. Isidorius zegt dat ze caprae en capri zijn genoemd omdat ze hoge en ruwe plaatsen beminnen en er zich naar toe wenden.

Geit, midden-Nederlands gheet of gheit, oud-Saksisch Gett, oud-Engels gat, (nu goat) oud-Hoogduits Geiz (nu Geiss en Ziege) Mogelijk van de Indogermaanse basis ghai(d): springen. Griekse tragos is de bok. Midden-Nederlands buc of boc, oud-Hoogduits Bock (nu Bock) oud-Noors bukkr en bokkr, midden-Iers bocc, oud-Engels bucca (nu buck). Mogelijk stamt dit van Indogermaans bhugno: gebogen, dus een dier met gekromde horens.

(a) De bok wordt meestal als een viriel dier afgeschilderd, een oude bok. Bij de heksen zie je dan ook veel de bok in de gedaante van een duivel optreden. Vandaar dat de bok in mengwezens optreedt, saters en faunen, die zich onderscheiden door hun wellust.

Er zijn vele verwijzingen in het O.T. naar geiten. Het basiswoord is ‘ez’, met meervoud ‘izzim’,wat een zestig maal voorkomt. Van de geit, ez, die in het Syrisch izza genoemd wordt, zegt men dat het woord komt van de bron ‘sterk, krachtig’ zijn, omdat ze sterker zijn dan schapen. Dit woord wordt meestal gebruikt in niet religieuze passages. Soms echter wordt het gegeven aan geofferde dieren, vooral bij zondeoffers. Hier kan het niet onderscheiden worden van een ander gewoon woord, ‘sa’ir’: de harige’. Dit woord wordt meestal vertaald als een jong en met zijn vrouwelijke vorm ‘se’irah’ is dit vrijwel even gewoon als ‘ez’. Met een enkele uitzondering als in Genesis 37: 31 waar het geitenbloed op Jozefs kleed kwam wordt het alleen gebruikt voor zondeoffers. Het woord ‘sa’ir’, meestal in meervoudsvorm se’irim’, wordt ook gebruikt in een andere zin en vertaald als satyr. Dit wordt gevonden in vier verzen en kan niet als geit vertaald worden. Het wordt een satyr in Jeaja 13: 21, 34: 14 en de duivel in Lev. 17: 7, 2 Kronieken. 11: 5. Gewoonlijk denkt men dat ze de vertegenwoordigers zijn van de heidense geesten die de mens afbeelden als half mens, half geit. (zie aap)

(b) ‘Geiten zien ‘s nachts net zo goed als overdag. Geiten zien niet best in daglicht maar beter in de nacht. Geitenogen lichten ‘s nachts op en geven licht. Geiten knipperen nooit in hun slaap’. Zijn ogen zijn als die van de Heer die ook alles ziet en van verre herkent’.

(c )’Zijn bloed heeft bijzondere krachten, dat komt omdat hij bijzondere kruiden eet. Als het bloed op een diamant gesprenkeld wordt barst die uit elkaar, het is het hardste materiaal dat niet kan barsten, het kan tegen vuur en ijzer, maar niet tegen het warme bokkenbloed’.

Vele horens hielpen tegen epilepsie, vooral die van de eland.

 

1665Capreola dats die ree

den aren pijnlic emmermee

nochtan ieghen andre diere

sere sochte ende goedertiere

als die ree int lant

1670scoten wert soecsoe te hant

polion om dat si uerdriuen

dat yserscote in hare liue

ree bucke uechten om die reen

arde sere wel nar in een

1675ende dats alsi riden dan

ende als men hem gaet met honden an

ontuliensi want si sijn snel

maer aldus uaenghemense wel

want si altehant dan ulien

1680dar si dogheste berghe sien

dar uolghet die jaghere naer

ende alsi wert yware daer

datse die jaghere wacht dar nedre

ende soe ne mach no uort no wedre

1685soe siet den iaghere ende den spiet

soe screie soe ets omme niet

want hine soeket elniet dan hare

hi doese neder uallen sware

ja somwile clemt die jagere nar

1690dat hi mede moet uallen dar

die up montaingen oghe

ende laet uerre gaen hare oghe

ende siet soe liede uan verren gaen

altehant heuet soet uerstaen

1695oft jaghers sien dat soe siet an

dit doet nature diet al can

 

 

 

 

 

 

 

18. 1665 Capreola, dat is een ree

de arend pijnlijk immermee

nochtans is ze tegen andere dieren

zeer zacht en goedertieren.

Als de ree in het land

1670 geschoten wordt zoekt het gelijk

polei om te verdrijven

de pijlscheuten in hun lijven.

De bok vecht wel om de ree

zeer hard bijna ineen

1675 en dat is als ze paren gaan.

En als men hem gaat met honden aan

ontvlieden ze want ze zijn snel.

Maar zo vangt men ze wel

want als ze gelijk vandaan vlieden

1680 waar ze de hoogste bergen zien

daar volgt de jager ze na

en als ze wordt gewaar daar

dat de jager wacht daar beneden

en ze niet kan verder of terug

1685 en ziet de jager en de speer

dan schreit ze, het is om niet

want hij zoekt niets anders dan haar

hij laat laat zich neervallen zwaar.

Ja, soms klimt de jager na

1690 zodat hij mede moet vallen daar.

Die ree op de bergen hoog

ziet ver met haar ogen

en ziet ze lieden in de verte gaan

gelijk heeft zo het verstaan

1695 of het jagers zijn die ze zo ziet dan

dit doet de natuur die het al kan.

Capreolus capreolus, is de ree, midden-Nederlands ree, oud-Saksisch en oud-Hoogduits Reho (nu Reh) oud-Engels ra(ha) (nu roe, roebuck en roedeer) oud-Noors ra, dit van Germaans raixa, mogelijk hangt dit samen met oud-Iers riabach: gespikkeld, Let’s raibs betekent bont gevlekt. Het is de kleinste van onze herten.

Zie voor pulegium nr. 21, gelijksoortig verhaal. Ook steenbok voor het vallen van hoogtes.

Shakespeare, Taming of the Shrew, Induction 2, 50 ;

‘Say, thou wilt course; thy grey-hounds are as swift’. ‘Verkiest gij lange jacht? Uw hazewinden’.

As breathed stags, ay, fleeter than the roe’. Zijn sneller dan het hijgend hert of ree’’.

 

Cacus es i dier .i. wonder

jn die moreie besonder

dat es yburstelt als .i. zwiin

1700ende als ons scriuet adeliin

alst gram es ende onghier

so werpet ute sinen buke uier

dit houten uerstolen

jn aghedochten ende in olen

1705ende es wreet ende fel

.j. osse ynoucht hem niet wel

maer het neemter .iii. of .iiii

vaste bi den starte sciere

met crachte trecthise achterwart

1710jn sinen ole metter uaert

ende dat mense uinde niet wel

ende al eist den beesten fel

nochtan dit den mensce ontsiet

nochtan latet sijn laghen niet

1715het ne wacht uroe ende spade

altoes om des menschen scade

 

 

 

 

 

 

 

 

19. Cacus is een dier, een wonder

in de Moreyne vooral

en is geborsteld als een zwijn.

1700 En zoals ons schrijft Adelinus

al het kwaad wordt en nijdig

dan werpt het uit zijn buik vuur.

Dit houdt zich verscholen

in spelonken en in holen

1705 en is wreed en fel.

Een os genoegt hem niet goed

maar het neemt er drie of vier

vast bij de staart snel

met kracht trekt het ze achterwaart

1710 en in zijn hol met vaart

zodat de mensen ze niet vinden snel.

En al is het de beesten fel

nochtans dat het de mensen ontziet

nochtans laat het zijn listen niet

1715 en wacht vroeg en laat

altijd om de mensen te schaden.

Cacus is de zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus die in een hol van de Aventijnse berg woonde en de omstreken door moord en roof teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar aangekomen en door vermoeidheid is slaap gevallen was stal Cacus van hem enige runderen die hij om de eigenaar het spoor bijster te maken achterwaarts in zijn hol dreef. Hercules ontdekte toch zijn hol of door het loeien of door zijn zuster Caca die liefde voor hem had opgevat. Na een verschrikkelijk gevecht werd hij verslagen. Het was wel een listig mythisch figuur, geen dier.

 

Cefusa es .i. wonderlike beeste

dar of seghet solinus ieeste

dat mense wilen te rome brochte

1720om dat mense te wonder sien mochte

hare achterste uoete ende been

ende des menscen scinen een

nde hare uortste uoete tuee

als menschen ande min no me

 

 

 

 

 

 

 

 

 

20, Cefusa is een wonderlijk beest

daarvan zegt Solinus verhaal

dat men ze vroeger te Rome bracht

1720 omdat mensen het wonder zien mocht.

Hun achterste voeten en benen

en die van de mensen schijnen een

en hun voorste voeten twee

als mensen handen min of meer.

De baviaan, mogelijk de mantelbaviaan, werd naar Rome gebracht. Het is de hamadrys van de Egyptenaren, bij Strabo heet die Cebus.

Papio hamadryas, mantelbaviaan, Engelse hamadryas baboon of Arabian baboon, Duits Mantel pavian, Franse hamadryas en tartarin.

Baviaan, in midden-Nederlands was het baubijn of bobijn, in Engels baboon wat uit het Franse babouin stamt en verwant is met het Franse babine: lip.

 

1725Seruus es hert weetmen wel

.i. beeste arde snel

gheornet met telghen langhe

alsi ii jaer euet omganghe

beghinnen die orne ute gaen

1730ende elx jaers uort sonder waen

achter een tote vi iaren

wast hem .i. telg uort te waren

nemmer telghe wassen hem dan

newaer si meeren uort ward an

1735aristolus die seghet

dat gheen els te wassene pleget

sine horne uan jare te jare

alsi siecheit beseffen sware

of als hem doude gaet an

1740soeken si serpente dan

ende gaen te fonteinen drinken

dus doensi hare euel sinken

ende sinsi suaer

sente augustijn scriuet ouer waer

1745alsi ter betre weiden tiden

ende alsi twater sullen liden

die starcste suemmet uoren dan

ende alle dandre uolghen hem an

elc houet ligghende up anders stiet

1750dus elpt elc andren inden uliet

hier bi si elc mensche beraden

dat elc andren staen in staden

als die erte willen riden

verwoedensi wel na tien tiden

1755alsoe sere sinsi uerhit

ende na oest ysciet hem dit

solinus seit dat sire ii draghen

die siin in rise ende in aghen

ende deckense arde nerenstelike

1760ende leerense ligghen eimeleike

ende alsi starc sijn leerensise mede

lopen springhen dapperede

erts calf die in de modre sterft

siin uleesch uerduet ende uerderft

1765venijn ende ets tallen stonden

goet ieghen serpents wonden

blasen pipen bassen uan honden

horen si node tallen stonden

ende men seit dat si best oren

1770alsi staen met ystrecten horen

ambrosius doet te uerstane

dat sijd dat heet diptane

erst den mensche makede cont

want als die hert was ywont

1775met enen yuenijnden strale

athi dat cruud ende ynas wale

herts uliesch dicke gheten

verdriuet den curts wille men weten

der persen ystorie seghet

1780dat die ert te leuene pleghet

.c. jaer ende dar toe mere

venijn scuweti altoes sere

alsi sine orne heuet niet

gaet hi dar menne niet ne siet

1785ende hetet in donker nacht

dan scuweti der wulue cracht

alse die selue weet te uoren

dat sine wapinen sijn uerloren

ende alse hare orne niewe sin

1790soukensi dat sonnescijn

om dat sire droghen sullen ende stiden

ende dat sire up moghen tiden

dan gaensi ieghen de bome slaen

ende proeuen of si uaste staen

1795haren rechtren horen deckensi werde

sijd in watre sijd in derde

ende dat sciint van nide wesen

hi es sere goet als wi lesen

want sine roke die uerdriuet

1800die serpente alsmen ons scriuet

als hi int uier es yleghet

platearius die seghet

vte sire herten machmen halen

.j. been dat machmen te sticken malen

1805dat puluer gheuet ueruanc

jeghen dien starken ertuanc

esculapius die seghet

datmen den horen te berne pleghet

ende puluert dat thanden

1810dat es goet onuasten tanden

vp datmense der mede wriuet

met wine ghedronken dit alsi scriuet

es ieghen tgroot euel goet

ende het stoppet der urouwen bloet

1815ende stoppet des lachamen onurede

platluse doedemerre mede

die hem bewint in eens erts vel

serpente ne sijn hem niet fel

jnde matrise vanden inden

1820machmen enen steen vinden

die vrouwen kint draghen doet

march vanden erte es goet

dathet driuet huten leden

de noot van menegher siecheden

1825ende iagers segghen onder hem somen

mach die ert te watre comen

dat hi sire moeteit wert los

die hert ontsiet tluud vanden vos

die herte uechten onder hem seere

1830ende wie datdaer boudet de ere

dandre alle ouden hem vrede

met arde grooter wardichede

herts ulesch es te uerduwene swar

de caluer dar af weet uoer waer

1835sijn ghesonder ende warder dan

ende sijn alrebest den man

 

 

 

 

 

 

 

21. 1725 Cervus is een hert, weet men wel,

een beest aardig snel.

(a) Gehoornd met takken lang

als het tweede jaar is aangegaan

beginnen de horens uit te gaan

1730 en elk jaar voort, zonder waan,

achtereen door tot zes jaren

groeit hem een tak meer te waren

nimmermeer takken groeien er dan

maar ze groeien meer vooraan.

1735 Aristoteles die zegt het

dat er geen andere te groeien plegen

zijn horens van jaar tot jaar.

(b) Als het ziekheid beseft zwaar

of als hem de ouderdom gaat aan

1740 zoeken ze serpenten dan

en gaan naar een fontein te drinken

aldus zo laten ze hun euvel zinken

en zijn ze zuiver.

Sint Augustinus schrijft voor waar

1745 als ze naar betere weiden gaan

en als het in het water zullen glijden

de sterkste zwemt van voren dan

en alle anderen volgen hem dan

elk hoofd ligt op de ander zijn staart

1750 dus helpt elk de ander in de vliet.

Hierbij zou elk mens zich beraden

om elkander bij te staan in tijden.

Als het herten wil paren

verwoeden ze wel in die tijden

1755 alzo zeer zijn ze verhit

en na augustis gebeurt hem dit.

Solinus zegt dat ze er twee dragen

die ze in twijgen en in hagen

en bedekken en erg vlijtig

1760 en leren ze leggen heimelijk.

En als ze sterk zijn leren ze hen mede

lopen, springen en dapperheden.

Hertenkalf, die in de moeder sterft,

zijn vlees verdrijft en verteert

1765 venijn en het is te alle tijden

goed tegen serpenten wonden.

(c)Blazen, fluiten en bassen van honden

horen ze node te allen stonden

en men zegt dat ze het beste horen (k)

1770 als ze staan met gestrekte oren.

Ambrosius laat verstaan

dat ze het kruid, dat heet diptamus

eerst de mensen maakten bekend

want toen het hert was gewond

1775 met een venijnige pijl

at het dit kruid en genas wel.

Hertenvlees veel gegeten

verdrijft de koorts, wil men weten.

(f) De Perzische historie zegt

1780 dat het hert te leven pleegt

honderd jaar en daartoe meer.

Venijn schuwt altijd zeer.

Als het zijn horens niet heeft

gaat het daar waar men hem niet ziet

1785 en het heet in die donkere nachten

dan het schuwt de wolven kracht

als die hetzelf weet van tevoren

dat hij zijn wapens heeft verloren.

En als zijn horens nieuw zijn

1790 zoeken ze de zonneschijn

omdat ze drogen zullen en verstijven

en dat ze daarop mogen vertrouwen

dan gaan ze tegen bomen slaan

en proberen of ze vast staan.

1795 (g) Hun rechterhoren bedekken ze waardig, hetzij op het water, hetzij op de aarde en dat schijnt van nijd te wezen.

Die is zeer goed, als wij lezen,

want zijn rook die verdrijft

1800 de serpenten zoals men ons schrijft

als het in het vuur is gelegd.

(h) Platearius die zegt het

uit zijn hart mag men halen

een been en dat mag men stuk malen

1805 en dat poeder geeft steun

tegen de sterke hartaanval.

Aesculapius die zegt het

dat men de horens te verbranden pleegt

en verpoedert dat gelijk

1810 dat is goed voor losse tanden

als men ze er mee inwrijft

Met wijn gedronken dit, zoals hij schrijft,

is tegen epilepsie goed

en het stopt de vrouwen bloed

1815 en stopt het lichaams onvrede. (menstruatie) Platluizen doodt men er mede

die zich windt in een hertenvel.

Serpenten zijn hem niet fel.

(I) In de baarmoeder van de hinde

1820 mag men een steen vinden

die vrouwen een kind dragen doet.

Merg van het hert is goed

dat het verdrijft uit de leden

de nood van menige ziekte.

1825 En jagers zeggen onder hen soms

mag het hert te water komen

dat hij van zijn moeheid wordt kwijt.

Het hert ontziet het geluid van de vos.

De herten vechten onder hen zeer

1830 en wie daar behaalt de eer

alle anderen houden met hem vrede

met erg grote waardigheid.

Hertenvlees is te verteren zwaar

de kalven daarvan, weet voor waar,

1835 zijn gezonder en meer waard dan

en zijn het allerbeste voor de man.

Cervus elaphus. Hert, midden-Nederlands hert of hart, oud-Frans hirot, oud-Hoogduits Hiruz (nu Hirsch) oud-Engels heorot en heort (nu hart) oud-Noors hjotr. Het is een woord dat uit het Germaanse heruta stamt wat een gehoornd dier betekent. Dezelfde betekenis heeft het Latijnse Cervus dat afgeleid is van het Griekse keraos wat ook gehoornd betekent. De Griekse naam voor het hert is elaphos, wat veel op die van de olifant lijkt, elephas. Het mannetje heet in het Latijn cervus, vandaar de Franse naam cerf, de Engels cervine.

(a) Het hertenkalf wordt, als het een jaar oud is, speishert, spitser of spiesbok genoemd. In grootte neemt een gewei elk jaar toe van het tweede tot het achtste jaar, elk jaar schiet er een tak meer uit die ze polijsten door tegen bomen te schuren. Het gewei wordt alle jaren gewisseld. In het tweede jaar komen aan die spits aan weerszijden ook twee takken. Dan heet het gaffelhert of gaffeler. In het derde jaar wordt het een zes-ender, naar het aantal spitsen van beide stangen tezamen. Dit gaat zo door tot het hert bij ouder worden minder vertakkingen gaat krijgen.

(b) ‘Als ze zich niet goed voelen dan eten ze om de ziekte te overwinnen slangen. Het hert, als hij een serpent vindt, vult zijn mond met water en gooit dit in het hol van het serpent, dan jaagt hij met de adem van zijn mond het serpent eruit en trapt erop met zijn voeten en doodt en eet het als een stuk selderij. Verslindt het hert een slang dan verkrijgt die nieuwe jeugd en kracht’. In middeleeuwse literatuur is dit zo overgenomen die het toepast op Christus, de bestrijder en overwinnaar van de helse slang. (duivel) Daarom is hertenvlees goed tegen venijn. Het idee dat harten slangen opzoeken en uit hun holen verdrijven door middel van hun adem verschijnt bij Oppianus en Nicander. Plinius zegt: “De herten vechten met slangen, ze zoeken hun holen op en met de adem uit hun neusgaten drijven die weg tegen hun wil’. Er is geen vermelding van het verbranden door hun adem. Maar Plinius zegt in een andere passage: ‘de adem van olifanten verdrijft serpenten, die van herten verbrandt hen”. Physiologus voegt er aan toe dat de hart het hol binnenkomt met zijn mond en het serpent verzwelgt. Dit wordt herhaald door Isidorius.

(c)Herten horen graag fluiten. Als ze naar lawaai luisteren lichten ze de kop omhoog en steken de grote oorlappen omhoog, ze staan van tijd tot tijd stil om het geluid en de richting te vernemen. Ze verwonderen zich bij het geluid van pijpen en luisteren graag naar muziek. Ze horen goed als ze hun oren omhoog steken en dragen die oren naar beneden als ze de rivieren en waters overzwemmen. En als ze zwemmen, zwemt de sterkste vooraan en de zwakkere legt zijn hoofd op de lende van de sterkere.

(e) Ze leerden ons het eerst de krachten van het kruid dictamnus want ze aten hiervan zodat pijlen en pijlkoppen uit hun lichamen geworpen werden toen ze opgejaagd werden door jagers. Origanum dictamnus had de kwaliteit om splinters uit te trekken. Het werd in 13-16de eeuw springkruid genoemd, het kruid laat de pijl uit de wond van het hert springen. Het originele verhaal werd verteld door Aristoteles van wilde geiten van Kreta. Hij zegt dat als ze gewond zijn door pijlen ze dictamnus zoeken zodat de pijlen eruit vallen. Plinius zegt hetzelfde van herten, de legende werd uitgebreid door andere schrijvers.

(f) Herten leven zeer lang, twee tot honderd twaalf jaren Om dat te ontdekken liet Alexander de Grote verscheidene een gouden halsband omdoen die na honderd jaar gevangen zijnde nog geen teken van ouderdom hadden, hoewel de halsbanden hen in de nek gegroeid waren. We lezen ook hoe een hinde van keizer Augustus die lange jaren na zijn overlijden gevangen werd en niet gekeeld kon worden doordat de huid overgroeid was over een zilveren halsband. Daarin stond geschreven ‘nolime tangere, quia Caesaris sum’. ‘Raak me niet aan, ik behoor tot de keizer’.

(g)Vroeger waren in de fabels alle delen van het dier belangrijk, nu is er meer de nadruk komen te liggen op zijn gewei. De rechterkant van de hoorn werkt beter dan de linkerkant Vondel, Bespiegelingen van Godts wercken; ‘Hartshoren wekt het lijk, dat dood lag en vergeven ‘. Vroeger was het als ‘Cornu cervi raspatum ustum” een medicijn. ‘Een gewei is een wonderlijk schoon geneesmiddel om onze vervallen geesten op te wekken en onze hersens te versterken. Daarom werpen de herten hun gewei in het water zodat de mens het niet kan vinden, ze weten van naturen dat het voor de mensen zeer dienstig is. Vooral het echte gewei is goed tegen slangen’’.

(h) Platearius zegt dat in het hart van de hart een knekel zit, os de corde cervi, die zoveel als de grondstof van het hart is. Het heeft de lengte van een halve vinger, de breedte van een nagel en is plat, dun, blank en soms driehoekig. Als je dit eruit haalt en hard laat worden en er een poeder van maakt en dat een zieke geeft is dat goed tegen pijnen in het hart en duizelingen. Het weerstaat venijn en belet het bloed spuwen.

(I) Als het vrouwelijke hart zwaarte voelt, verzwelgt ze een steen en wordt geholpen door de kracht van die steen. Geef het been van een hertenhart aan een onvruchtbare vrouw, maal het eerst, drink het en je zal de glorie van God zien’.

(k) Burger; Herten horen het beste als ze op hun rechterhoorn staan, lezen we in een van de handschriften: ‘alsi staen opt rechter horen’. Uit andere afschriften blijkt wat de bedoeling was: herten horen het beste met gespitste oren, ‘opgherechter oren’.

 

Chimera es .i. vanden dieren

diemen van meneger manieren

want mense int woeste babilonien vint

1840selsienre es cume hiet en twint

voeren hoghe ende neder bachten

jacob seit dat deidine wachten

nauwe te vane dese beeste

ende maker omme grote feeste

1845weltijt dat sise ebben gheuaen

met dieren cleeden ane ghedaen

prosentersise haren here

om hem te doene sonderlange ere

chymera mach de ziele bedieden

1850de nerenst vanden eidinen lieden

dats der viande endyen

die vtermaten nauwe spien

hoe sise bringen tenen prosente

haren here ten tormente

1855dar si hem mede dienen lieue

elc wachtem van desen diede

 

 

 

 

 

 

 

 

22. Chimera is een van die dieren

die men in vele soorten

in het woeste Babylon vindt.

1840 Zelden zie je er van een schimp

voor hoog en laag achter.

Jacob zegt dat de heidenen zich wachten

om goed te vangen deze beesten

en maken daarom grote feesten.

1845 Als ze er een hebben gevangen

en met dure kleden aan gedaan

presenteren ze het aan hun heer

om hem te doen bijzondere eer.

Chimaera mag de zielen betekenen.

1850 De naarste van de heidense lieden

dat is de vijand van IndiĎ

die uitermate nauw spioneren

hoe ze brengen een presentje

aan hun heren ten kwelling

1855 waar ze hem mee dienen liever.

Iedereen kijkt uit voor deze dieven.

De chimara, chimaira of chimaera was in de Griekse mythologie een vuurspuwend beest op de gelijknamige, nog steeds brandend gas uitstromende berg (nu Yanar) in Lycie. Van die naam is het Franse woord chimere afkomstig dat de betekenis heeft van hersenschim. Het is de Engelse chimney: schoorsteen.

Naar Homerus was hij van voren een leeuw, in het midden een geit en van achter een slang dat het land verwoestte tot Bellerophon het doodde. Bij Hesiodus is het een dochter van Typhon, het monster van de onderwereld, en Echidna die half vrouw half slang was, een monster met drie koppen, een geiten-, leeuwen- en slangenhoofd. Haar broer was de hellehond Cerburus.

De chimaera verzinnebeeld waarschijnlijk de vulkanische eigenschappen van een berg. Ook wordt verhaald dat het een indeling van het jaar in drieĎn is, de leeuw is dan de lente, de geit de zomer en de slang de winter.

 

Cyrogrillus es .i. dier borgroot

dat moyses in de wet verboot

ende al eist cranc ende cleene

1860nochtan eist quaet al ghemene

ende vreeselic allen dieren

so fel esset van manieren

 

 

 

 

 

 

23. Cyrogrillus is een dier berg rood (?)

dat Mozes in de wet verbood

en al is het zwak en klein,

1860 nochtans is het kwaad algemeen

en vreselijk voor alle dieren

zo fel is het van manieren.

De Cyrogrillus is een klein dier dat de Heilige Schrift verboden heeft om te eten en heet egel. Maar Papias zegt dat het groter is dan een egel. Het diertje is van kleine en zwakke vorm. Het heeft een merkwaardige eigenschap, hoewel het zwak is, is het toch aanvallend en nijdig tegenover andere levende wezens op de aarde en doodt ze. Toch geloven enigen dat de cyrogrillus een egel is, maar dat klopt niet, het is groter. Zie egel.

 

Cuniculus es dat cunijn

dier uele in menegen lande sijn

1865jn derde wonen si in olen

nachts comen si ut uerstolen

ende doen scade ende toren

beide in wijngarde ende in coren

dan keeren si ter morgenstont

1870ende stoppen weder des gaets mont

datmense sdages niet vinde daer

waer dat conijn woent .i. iaer

dar dien si seere in corten tiden

want si uele dragen ende riden

1875mescomet hem hiet in ere stede

si loepen wech ende dandre mede

die van hare kennessen sijn

lange ridet dat cunijn

 

 

 

 

 

 

 

24. Cuniculus is dat konijn

waar van er vele in vele landen zijn.

1865 In de aarde wonen ze in holen

‘s nachts komen ze uit heimelijk

en doen schade en vernieling

beide, in wijngaard en in het koren

dan keren ze met de morgenstond

1870 en stoppen weer dicht het gat mond

zodat men ze op de dag niet kan vinden daar.

Waar dat konijn woont een jaar

omdat ze zeer en in korte tijden

veel dragen en paren.

1875 overkomt hen iets in een plaats

ze lopen weg en de andere mede

die van hun kennissen zijn.

Lang paart dat konijn.

Oryctolagus cuniculus (Lepus cuniculus) Konijn, midden-Nederlands conijn, midden-Engels cining en conig (Engels con(e)y) midden-Hoogduits Konine, soms tot Kuniglin en Konighase of Ken. Via de Lutherbijbel 3 Mozes 11, 5 kwam het via Cunykel tot Caninichen (nu Kaninchen). In oud-Frans was het conin, een bijvorm van het Latijnse cuniculus, dit komt van een Iberische taal, in Baskisch heet het unchi. Bekend vanwege de vele jongen.

 

Crisetus es .i. clene dierkin

1880dier uele int lant van poelien sijn

alse groot als .i. encoren es dit

sijn houet es swart ende wit

sijn aer segmen dat so uaste sit

vpten ric root anden buuc wit

1885men moetem her scoren die huut

hermense mach bringen vt

dit bediedet wel den vrecken

bedi menne can getrecken

altoes niet hoe dat vare

1890hem ne dinket dat sijn uel ware

so uaste outi datti heuet

dese beeste alsoe leuet

wonet in darde alst conijn

niet lichte machmense verdreuen sijn

1895huten holen dar soe in gheet

menne ghieter in water scout heet

aldus heuet de vrecke rike

gheset hier in arderike

also uaste sine sine

1900dat hi doot bliuet derinne

 

 

 

 

 

 

 

25. Cricetus is een klein diertje

1880 die er veel in het land van Polen zijn.

Alzo groot als een eekhoren is dit.

Zijn hoofd is zwart en wit.

Zijn haar, zegt men, dat het zo vast zit

Is op de rug rood en aan de buik wit

1885 men moet afscheuren de huid

eer men het er af kan halen.

Dit betekent wel de vrekken

Want men kan van hem niet trekken

altijd niets, hoe dat het gaat

1890 hij denkt niet dat het zijn vel was

zo vast houdt hij het hij heeft.

Dit beest alzo leeft

woont in de aarde zoals het konijn

niet gemakkelijk mag ze verdreven zijn

1895 uit hun holen, waar ze ingaat

men giet er in water al kokend heet.

Aldus heeft de vrek rijk

gezet hier in het aardrijk

alzo vast zijn geest

1900 zodat hij dood blijft daarin.

Cricetus cricetus, L. De hamster heet in Duits Hamster of Kornferkel, Engels hamster of German marmot, Frans hamster. Zijn verspreidingsgebied is van de Rijn tot de Ob. Komt nu voor in verschillende kleuren. Maakt op geschikte grond gangen.

Hij is zeer boosaardig en heeft een onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden karakter. Als hij toornig is maakt hij haastiger bewegingen dan gewoonlijk en kan dan tamelijk ver en hoog springen. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich vermetel te weer en laat een dof gebrom horen, knarst met de tanden en slaat ze ontzettend snel en hevig tegen elkaar. Niet zelden gebeurt het, dat als iemand een hamsterwoning voorbijgaat, plotseling dit woedende dier aan zich (aan de kleren meestal) voelt hangen. Als hij zich ergens aan vastgebeten heeft laat hij niet los tenzij men hem doodslaat. Daarom leeft hij eenzaam in zijn hol en verenigt zich alleen in de paartijd. Hamstergravers trekken het veld in, hun hoofdwinst zijn de opgegraven granen uit de voorraadkamer. De pels wordt in het voorjaar gewonnen, het is een licht duurzame pels, het vlees is te eten. Zie 37.

 

Corocrotes es ene beeste

als ons seghet solinus ieste

ende iacob van uitri nochtan

die heuet den luud als .i. man

1905sine oghen ondaen talre stont

ende negheen tantulesch inden mont

enen tant heuet starc ende groot

van crachte nes ghen sijn genoet

so ureselic es hi sonder waen

1910want uorden tant ne mach niet staen

dit dier es comen es bescreuen

vanden wolf ende vander teuen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

26. Corocrotes is een beest

als ons zegt Solinus verhaal

en Jacob van Vitry nochtans

die het geluid heeft als een man

1905 zijn ogen open altijd

en geen tandvlees in de mond

een tand heeft het, sterk en groot.

Van kracht is geen zijn gelijke

zo vreselijk is hij zonder waan

1910 want voor de tand mag niets staan.

Dit dier is gekomen is beschreven

van de wolf en van de teef.

‘De cyrogrates is een dier dat de menselijke stem leert, net zo als een ander dier doet, dat hyena heet. Dat dier heeft zijn ogen altijd open, dat zeggen Solinus en Jacobus. Het dier heeft geen tandvlees en maar een tand. Dat werd van natuur uit niet stomp en is zo krachtig dat het alles versnijdt wat het aangrijpt. Het dier stamt van een vrouwelijke hond, een teef, en een wolf.

Crocuta crocuta, (saffraanachtig) gevlekte hyena wordt wel tijgerwolf of lachende hyena genoemd . Hij komt van Z. Afrika tot AbessiniĎ voor. Zijn gehuil lijkt op een afgrijselijk gelach en is huiveringwekkend. Dit dier is wel gevaarlijk voor de mens. Men verhaalt dat het vaak ’s nachts in de hutten van de Kaffers komt en de kinderen van hun ouders weg rooft. Zijn huilen is hypocriet: als de hyena treurt moet je oppassen.

 

Cathapleba es .i. dier

vreeselic seere ende onghier

1915ende es vp nilus de riuiere

vander vreseliker maniere

traghe eist ne bore groot

den last heuet swar ter noot

van sinen houede dat hem verweget

1920vandeser beesten es datmen seget

comet hiemen up hem onuersien

ende tusscen den oghen siet metdien

hi es dan quite vanden liue

dit dier slachtet een deel den wiue

1925die thouet draghet geornet so seere

dathet stinket uoer onsen here

ende scinet offet hare uerwoeghe

so comet .i. ries die tongeuoeghe

vp hare siet ende werdet gheuaen

1930ende van herten so ondaen

dat hi siele ende lijf verlieset

entie doot der omme kieset

vander c. dat nemet hier hende

nu hort wat ic vander .d. vende

 

 

 

 

 

 

 

27. Cathaplebas is een dier

zeer vreselijk en onguur

1915 en is op de Nijl, de rivier,

van de vreselijkste manieren.

Traag is het en niet bar groot.

De last heeft het zwaar ter nood

van zijn hoofd dat hem zwaar weegt.

1920 Van deze beesten is het dat men zegt

komt het op je aan onvoorzien

en tussen de ogen ziet het je

dan ben je weg van het lijf.

Dit dier lijkt op een deel der wijven

1925 die het hoofd dragen gehoornd zo zeer

dat het stinkt voor Onze Heer

en schijnt of het hen verwurgde

dan komt er een dwaas die ongepast op haar ziet en wordt zo gevangen

1930 en van hart alzo ontdaan

dat hij ziel en lijf verliest

en de dood daarom kiest.

Van de c dat neemt hier een einde,

nu hoort wat ik van de d vindt.

Catoblepas gnu, (of Connochaetes gnou) gnoe, Engels gnu, Duits Gnu, Frans gnou. Van de Hottentotten is de naam ‘gnoe’ afkomstig. Het woord is ontleend aan het bulkende geluid dat dit dier laat horen. Grieks catoblepas betekent hij die naar beneden kijkt.

Mulder:. Mogelijk gaf het uiterlijk van de gnoe (Gorgon taurinus, een Afrikaanse antilope) aanleiding tot het ontstaan van dit fabeldier. Dertiende-eeuwse zedenpredikers die uiterlijk vertoon van rijke dames hekelden, wezen bij voorkeur op hun buitenissige kapsels en op de buitensporig lange slepen van hun jurken.

Het schijnt een wonderbaarlijke combinatie van verschillende diervormen te zijn, de romp, de manen en de staart zijn die van een paard van gemiddelde grootte, de poten zijn die van een antilope, de kop, met de naar voren als een haak gekromde horens, lijkt op die van een stier. Zoals ze er uit ziet doen ze, ook tegen elkaar.

Aelianus zegt dat het een soort stier is. Daardoor veronderstelde men dat het een soort dier van het buffelsoort was of meer waarschijnlijk een gnoe. Anderen dachten dat de catoblepas van Plinius een soort basilisk was. Dit komt door het er onmiddellijk op volgende statement “Het serpent basilisk heeft dezelfde krachten”. (vermoorden door zijn blik)

Dit Ethiopische wilde beest was van gewone afmetingen, behalve het hoofd dat zo zwaar was dat het naar de grond hing. Die eigenschap is gelukkig voor het menselijk ras want allen die het ziet sterven bij de eerste aanblik. Dit dier lijkt op de vrouwen die hun haar in grote horens opgestoken dragen, dat is een doorn in het oog des Heren. Als een goed gelovige een blik op hen werpt wordt hij gegrepen door liefde en verliest hij zijn verstand waardoor hij lichaam en ziel verspeelt en uiteindelijk de dood vindt.

 

1935Damma dats .i. dier dat also heetet

ende es ghescepen nadie gheet

ende starc na sire grote voren

het heuet sere starc den horen

nauwe rieket ende es snel

1940ende can sijn leuen hoeden wel

sine horne sijn .ij. uoete lanc

vpwart heuet sinen ganc

ende ghescepen dar si staen

alse ens menschen ande ondaen

 

 

 

 

 

 

 

 

28. 1935 Damma dat is een dier dat alzo heet

en is geschapen naar de geit

en sterk naar zijn grootte voren.

Het heeft zeer sterk de horens

goed ruikt het en is snel

1940 en kan zijn leven behouden wel.

Zijn horens zijn zestig cm lang

opwaart heeft het zijn gang

en geschapen zoals ze daar staan

als een mensenhand geopend.

Dama dama, (Cervus dama) Latijn dama: hert, van Libische (a) damu: gazelle.

Het damhert, Frans daim, Duits Dambock of –hirsch, oud-Hoogduits Tam, midden-Hoogduits Tame, in midden-Nederlands dame en Angelsaksisch da, vandaar ontleend is het Deense daa, vergelijk hierbij ook het oud-Ierse dam: os, en dam allaid: hert (eigenlijk een wild hoorndier) Engelse fallow deer. Plathoorn is de letterlijke vertaling van zijn oude naam platyceros.

Het is het hert van de hertenkampen. De bok draagt een gewei, een soort plaat met puntige einde, de schoffels. Met zijn dertiende heeft het gewei zijn hoogste ontwikkeling gehad.

Voor de laatste ijstijd kwamen ze in geheel Europa en AziĎ voor. In het wild zijn ze reeds lang uitgestorven. De Romeinen namen ze mee naar het noorden. In de Middeleeuwen zag je ze al veel in wildparken waaruit ze wel ontsnapten en verwilderden. Het damhert is veel gekruist waardoor er verschillende kleurtinten zijn.

 

1945Dammula ouer dat ict hiet

es in dietsch .i. damwilt

ende es bloede ende cranc

dar .i. poete dus af sanc

die heuer wert hem metten tanden

1950die hert met ornen sine viande

mare dat damwilt nes niet el

danne proie den beesten fel

dese beesten wel bedieden

de ghemente vanden lieden

1955die proie sijn der ogher heren

warwart datsi hem bekeeren

alle die heren uphem gapen

beede rudders ende cnapen

 

 

 

 

 

 

29. 1945 Dammula, voor dat ik het hield,

is in Diets een damwild.

En is bang en zwak

waar een poeĎt dus van zong.

De ever weert zich met de tanden

1950 het hert met zijn horens de vijanden

maar dat damwild is niets anders

dan een prooi voor de beesten fel.

Deze beesten die betekenen

de gemeenschap van de leden

1955 die de prooi zijn van de hoge heren

waar ze zich heen keren

alle de heren op hen gapen,

beide, ridders en papen.

Is wel dezelfde als voorgaande.

 

Duran spreket aristotiles

1960dat .i. uresam dier es

vtermaten starc ende snel

alsen de iagers sijn te fel

ende sijt moede ebben ghemaket

so dat hem sijns liues wanaget

1965penset dus tontgane dat strec

ende werpet dan ute sinen drec

jeghen donde die hem uolghen

ende het makese so uerbolghen

met sire onreinre lucht

1970dat het ontgaet metter ulucht

 

 

 

 

 

 

 

30. Duran spreekt Aristoteles

1960 dat een wreed dier is

uitermate sterk en snel.

Als de jagers zijn te fel

en zij het moe hebben gemaakt

zodat het zijn lijf wanhoopt

1965 denkt het dus te ontgaan die streek

en werpt dan uit zijn drek

tegen de honden die hem vervolgen

en het maakt ze zo verbolgen

met zijn onreine lucht

1970 dat het ontgaat met de vlucht.

‘De duran is een grimmig, onvriendelijke en zeer sterk dier. Het heeft de eigenaardigheid dat het als de jager komt en meent dat het niet ontkomen kan zijn uitwerpselen in zijn lijf verzamelt en dan uitdrukt en de uit het lijf uitgedrukte uitwerpselen tegen de jachthonden werpt die ze door de vuile stank verdrijft’.

De duran is mogelijk de das. Worden ze door vijanden aangetast dan werpen ze zich aanstonds op hun rug en verweren ze zich met hun zwarte, lange en uitstekende scherpe nagels waarmee ze honden vaak zware wonden weten toe te brengen.

 

Daxus wanic dats die das

die selden meere ysien was

dan die uos ende curte been

ende alle uiere niet ouer een

1975want curtst sijnsi ter luchter side

ende dar omme soeketi ulucht ter lide

emmer in die waghenslaghen

welkentijt dat hi hem hort jaghen

hi set die rechtre been int dal

1980ende die luchtre bouen al

dat uel eueti dicke yard

ende yuarwet ten grauuen ward

sijn smer wast ende waent

metter mane in elke maent

1985ja slamene alse die mane es niet

dat mere gheen smere inne siet

men maect salue uan sinen smare

jeghen quetsinghe die goet es ende mare

ende dit es dat te wonderne scijnt

1990want sine bete es yuenijnt

ende sijn smare so gans mede

jeghen misselike siechede

maer die redene dier men toe segt

dats dat hi bi wormen leeft

1995die gheuenint sijn ende bi slanghen

dar of moeti sine spise ontuanghen

esculapius die uroet was

hi scriuet dus uanden das

bestrijc den ghenen hare leden

metten smare die ebben den rede

em wert te bet in hare node

sine ersenen in olie ysoden

die doet al euel ghenesen

dat ans menscen scamenesse mach wesen

2005sijn bloet ende sout der mede

ghestreken an des menscen lede

bescermet iii daghe den man

dat hem ghene plaghe comt an

dar toe mede sine oden

2010jn oneghe wel ysoden

ende nuchterne gheten dan

gheuen macht den uercouden man

dat hi iij daghe der na wel

pleghen mach der vrouwen spel

2015van der .d. segic nemmee

nu hord uort uan der .e

 

 

 

 

 

 

31. Daxus, waan ik, dat is de das

die zelden meer gezien was

dan de vos. (a) En heeft korte benen

die alle vier komen niet overeen,

1975 want de kortste zijn aan de linkerzijde

en daarom zoekt het zijn vlucht te gaan

immer in het wagenspoor

in de tijd dat hij hoort jagen

hij zet het rechter been in het spoor

1980 en de linker erbovenop.

Het vel heeft het dik behaard

en naar het grauwe geverfd.

Zijn vet groeit en waant

met de maan in elke maand,

1985 ja, slaat men hem als de maan er niet is

dat men er dan geen vet in ziet.

(b) Men maakt zalf van zijn vet

die tegen kwetsingen goed zijn en meer

en dit is dat te verwonderen schijnt,

1990 want zijn beet is venijnig

en zijn vet geeft geheel mede

tegen menigerlei ziektes.

Maar de reden die men er bij zegt

is dat het van wormen leeft

1995 die giftig zijn en van slangen

daarvan moet ze hun spijs ontvangen.

Aesculapius, die wijs was,

die schrijft dus van de das

bestrijk diegenen hun leden

met het vet die hebben de koorts

het wordt ze beter in hun nood.

Zijn hersens in olie gekookt

die laat alle euvel genezen

dat aan mensen schaamheid mag wezen.

2005 Zijn bloed en zout daar mede

gestreken aan mensen leden

beschermt drie dagen de man

dat hem geen plaag komt aan.

Daar toe mede zijn ballen

2010 in honing goed gekookt

en nuchter gegeten dan

gegeven aan de verkouden man

dat hij drie dagen daarna wel

plegen mag het vrouwenspel.

2015 Van de d zeg ik nimmer,

nu hoort voorts van de e.

Meles meles. Das, midden-Nederlands das, oud-Hoogduits Dahs (nu Dachs) dit uit Germaans baxsa: eigenlijk bouwer. Hieruit stamt het midden-Latijn taxus of taxo, (texere: bouwen) Italiaanse tasso en Franse taisson.

De das komt in de verhalen vrijwel gelijk met de vos voor, is ongeveer even groot

(a) ‘De das heeft korte poten die niet gelijk zijn aan beide kanten maar korter aan de linkerkant zodat hij zijn poten in de rechterkant van wielsporen kan plaatsen en zo snel kan lopen en aan zijn achtervolgers kan ontsnappen’.

(b)‘Het is vreemd, ondanks dat het vet van het beest als medicijn kan worden gebruikt, dat zijn beet vaak gevaarlijk en fataal is. De reden hiervoor is dat de das van wespen en dieren leeft die over de grond kruipen en vaak giftig zijn. Daarom infecteren ze zijn tanden’. Dassenvet is goed tegen jicht, zijde- en rugpijnen.

 

Eleuas es die olifant

jn dutsch est elpen ghenant

een dier groot ende stranc

2020ter mule anct hem .i. snauel lanc

die groot es ende dar hi mede

doet al sine beeshede

entie snauels heueti noet

want die beeste es hoech ende groet

2025ende mach hem niet ter erden boghen

anders ne mochti niet ydoghen

em gheuoeden in ghere wise

hi neemter mede dranc ende spise

ende doeter mede in sinen mont

2030jacob uan uitri maect ons cont

dat sire mede in wighe slaen

hare uiande ende uaen

want si goet sijn in wighe ende stout

ende si sijn hare partien hout

2035toghemen hem roed wiin of bloet

dar mede wast hare moet

die persine ende die uan inden

siin die hem uechtens onderwinden

met beesten ende doenre up dan

2040jn enen casteel wel .l. man

ende dorbreker mede die scaren

dar mach niet wederstaen te waren

hare luud es so swaer

dat hi elken man gheeft uar

2045langhe tande heuet delpen dier

vte raghende lesewi hier

crom bouen alle ij cubitus

van desen tanden makemen dus

medicine goet ende diere

2050te puluere bernemense in viere

dat puluer stopt der nasen bloet

menison stopet metter spoet

menstrua ende emoroide

ne stoppen niewer mede me

2055dat moetmen drinken ende yreeden

met sape uan weghebreeden

dese tant es yuor fijn

dat dandre alle niet sijn

no so grot no so diere

2060der hien tande dats hare maniere

siin crom bouen ende der soe recht

die cromme siin die wertste echt

ende men leest in houden bouken

dat mense dus can uanghen ende soeken

2065twe maghede gaen in die wostine

naket dat si pleghen te sine

deene draghet .i. vat ande uart

ende dandre i scarp suard

soete singhende gaensi uort

2070als dit die olifant uerhord

comti toe ghelopen dan

ende alsi siet die maghede an

naturlike minti suuerhede

so lecti die reine lede

2075hare burste ende hare liif bloet

so heeftire in gnoechte so groet

dat hi dar slaept metter uart

dene joncurouwe neemt dat swart

ende wonten dar metter spoet

2080dandre joncurouwe ontuaet tbloet

ende dus bliuet dat edel dier doet

men uarwet mettien bloede roet

purpere die coninghe draghen

dus horic inden boeke ywaghen

2085dit bloet bediet dat soete bloet

dat ute jhesus side woet

die .ij. ioncurouwen bedieden

.ij. wette ii manieren uan lieden

dats doude ente niewe wet

2090dar jueden ende kerstine in sijn yset

synagoga der iueden ioncurouwe

die bose was ende onghetroue

dat es die ihesus side ondoet

ecclesia ontfaet dat bloet

2095jnden keelct up den outare

dat soete uleesch dat purper clare

want ihesus waser yuerwet mede

met ute nemender sierede

dies singt die brud in haren sanc

2100mijn lief es wit ende roet ymanc

van .m. vte uercoren

vort suldi die materie horen

hoe men tempt dat elpen dier

dat uindewi bescreuen hier

2105also alst die glose seghet

die up die fraie bible leghet

alse dolifant es yuaen

met angiene dier toe staen

so blumen enen hont ende slaet

2110die in wies beduanghe staet

ende dan comter toe .i. ander saen

ende dan wil dat dier sijn onderdaen

ende men uersteectene uan den diere

soes die beeste so goedertiere

2115dat soe den ghenen doet grote here

diese quiten uan den sere

dat soe hem bliuet onderdaen

dit soude elc mensce uerstaen

ende gode danken diene ontbant

2120van den eweliken uiant

tuschen telpen dien enten drake

soes uan nide ene sake

die nemmermee staet in ureden

die drake es starc ende groet van leden

2125ende jagt de diere te waren

dar si te gadre gaen in scaren

ende cnoept hem om die uoete den start

ende het ontknopet ter uart

met sinen snauele die olifant

2130so uart hem die drake te hant

jn oghen ende in nese gate

want dar ne macht ghene bate

hem seluen metten snauele doen

so sughet ute die dragoen

2135van dien elpen diere dat bloet

plinius seit als die was uroet

dat die drake es so groot .i. dier

dat dat bloet uan den elpen dier

lettel gnouch es teere thueghe

2140die drake wert des bloets in hueghe

ende wert dronken an die dranc

ende die olifant wert cranc

ende moet uallen dor die noet

somwile ualti den drake doet

2145nv hort met welkerande sake

dolifant belacht den drake

si merken arde nouwe de stede

dar die drake slapen mede

eist onder roetse of onder boem

2150ende dan nemsi nauwen goem

dat si up hem uellen den last

de strijt es ewelike uast

darsi de serpente begaen

si uerterense ende uerslaen

2155aristotiles scriuet te waren

alse die soen sijn uan .x. jaren

ende van .v. jaren die hien

dat sij dan notens plien

ii jar notensi achter een

2160ende elkes jars in daghe tween

ende oec nemmeer int iaer

scamenesse ebbensi daer

ende noten eimelike te waren

noc ne keren niet tharen scaren

2165heer si ghedueghen na hare maniere

siin in lopende riuieren

sine striden niet om hare soen

want si gheen ouerspel ne doen

mensche nu merc houesce maniere

2170na desen stommen dullen dieren

alsi noten deen rijd den andren

ende die moeder die moet wandren

ij. jaer omme metter dracht

eer hare der of wert ysacht

2175ende dan gaet soe in brouken

hare urucht te werpene souken

want uiel soe up die erde sonder waen

nemmermeer ne mocht soe up staen

ende some doensi altehanden

2180hare caluer up heilanden

ende dat es om die sake

dat si ontsien dien drake

ende emmer alsoe caluen sal

so es die hie bi hare dan al

2185solinus die meester ywaghet

dad dolifant mar eens ne draghet

mar ets war vonden dat ic scriue

hi draghet iii.warf ofte .v

siet hi de muus hi es uersaghet

2190hi uliet of hi ware ueriaghet

ende dit es te wonderne sere

wonderlic bestu god here

jn alle dinen werke ghemene

weder si sijn groot of clene

2195den olifant onsiet dat pard

ende hi es uan der muus ueruard

si leuen .ccc. iaer

coude dat es em te swar

tam olifant nighet den coninc

2200ende dat es wonderlike dinc

alse delpen dier rusten sal

sittet up sinen ende al

die uortste uoete staende recht

ende an enen boem lenende echt

2205ende alsi breket si uallen neder

ende dan esser gheen upstaen weder

ende somwile nemen iaghers goem

die ontwe saghen den boem

dan brieschet sere ende mesbard

2210dan comen dandre darwart

ende mesbaren ende onthueghen

alsi hem niet ghelpen mueghen

somwile elpen hem die clene

met snauele ende met liue ghemeene

2215so dat up comt ende uliet

ende alsem dat niet ne ghesciet

so bliueti van den man gheuaen

sine .iiii. uoete staen

alse poste sonder cnien

2220bedi maghetem niet gescien

valti dati niet up comen mach

die wint es em .i. swar slach

ende alle elpen diere die sijn

drinken alle gerne wijn

2225si wassen tote xl jaren

riuieren minnen si te waren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

32. Elephas is de olifant

in Diets is het elpendier genoemd.

Een dier groot en sterk.

2020 Aan de muil hangt bij hem een lange snavel die groot is en waar hij mede

doet al zijn bezigheden

en die snavel heeft het nodig

want het beest is hoog en groot

2025 (a) en kan zich niet naar de aarde buigen

anders kan het niet doen vanwege de hoogte

zich voeden op geen wijze,

hij neemt er mee drank en spijzen

en doet het er mee in zijn mond.

2030 (b) Jacobus van Vitry maakt ons bekend

dat zij er mee een weg slaan

tussen hun vijanden en vangen

omdat ze goed zijn in strijd en dapper

en ze hun partij goed gezind.

2035 Laat men hun zien wijn of bloed

daarmee groeit hun moed.

De Perzen en die van IndiĎ

zijn het die hun vechten ondervinden

met die beesten en daar op dan

2040 in een kasteel wel vijftig man

en doorbreken er mee de scharen

daar mag niets zijn dat dit kan weerstaan.

Hun geluid is zo zwaar

dat het elke man geeft gevaar.

2045 Lange tanden heeft het elpendier

uitstekende, lezen we hier,

krom van boven en lang een meter.

Van deze tanden maakt men dus

medicijnen goed en duur

2050 tot poeder brandt men het in het vuur

dat poeder stopt de neusbloeding

buikloop stopt het met spoed,

menstruatie en hemorroēden

nee, stopt het nergens meer mee

2055 dat moet men drinken en bereiden

met sap van weegbree.

Deze tand is ivoor fijn

wat alle anderen niet zijn

niet zo groot en niet zo duur.

2060 Hij heeft tanden, dat is hun manier,

hij zijn krom van boven en van haar zo recht

de kromste zijn de duurste echt.

(c)En men leest in oude boeken

dat men ze dus zo kan vangen en zoeken,

2065 twee maagden gaan in de woestijn,

naakt dat plegen ze te zijn,

de ene draag een vat en gaat

en de andere een scherp zwaard

zoet zingende gaan ze voort

2070 als dit de olifant hoort

komt hij toegelopen dan

en als het ziet die maagden aan

natuurlijk bemint hij zuiverheden

zo likt hij die reine leden

2075 hun borsten en hun lijf bloot

daar heeft hij genoegen in zo groot

dat hij daar gaat snel slapen

de ene jonkvrouw neemt dat zwaard

en verwondt daar mee met spoed,

2080 de andere jonkvrouw ontvangt het bloed en dus blijft dat edele dier dood.

Men verft met dat bloed rood

purper die koningen dragen,

zo hoor ik in de boeken gewagen.

2085 Dit bloed betekent het zoete bloed

dat uit Jezus zijde woedt,

de twee jonkvrouwen betekenen

twee wetten, twee soorten van lieden

dat is de oude en de nieuwe wet

2090 waar Joden en christenen in zijn gezet,

synagoge, (K) de Joden jonkvrouw

die boos was en ontrouw

dat is die Jezus zijde opent,

Ecclesia ontvangt dat bloed

2095 in de kelk op het altaar

dat zoete vlees, dat purper helder

want Jezus was geverfd ermee

met uitnemende sieraden,

dus zingt de bruid in het Hooglied

2100 ‘mijn lief is wit en rood gemengd

van tienduizend uitverkoren’.

Voorts zal je de materie horen

hoe men temt dat elpendier

dat vinden we beschreven hier

2105 alzo als de glossaria zegt

die op die fraaie bijbel ligt.

Als de olifant is gevangen

met listen die er toe staan

ze bloeden het al slaande

2110 dat doet diegene in wiens bedwang het staat, dan komt er een andere bij

en dan wil dat dier zijn onderdanig

en men verstopt diegene van het slaan

dan is het beest zo goedertieren

2115 dat ze diegene doet grote eer

die haar weg hield van het zeer

zodat hij blijft hem onderdanig.

Dit zou elke mens verstaan

en God danken die hem bevrijdt

2120 van de eeuwige vijand.

(d) Tussen het elpendier en de draak

is van nijd een zaak

die nimmermeer staat in vrede

de draak is sterk en groot van leden

2125 en jaagt het dier op plaatsen

daar ze tezamen gaan in groepen

en knoopt hem om de voeten z’n staart

en opent dan met dezelfde vaart

met zijn snavel de olifant,

2130 dan vangt de draak hem gelijk

in ogen en in neusgaten

want daartegen is geen baat

om hetzelfde met de slurf te doen

dan zuigt uit die draak

2135 van dit elpendier het bloed.

Plinius zegt het, die was goed,

dat de draak is zo’n groot dier

dat al het bloed van het elpendier

net genoeg is voor een teug.

2140 De draak wordt van het bloed verhoogd en wordt dronken van die drank

en die olifant wordt zwak

en moet vallen door die nood

soms valt het op draak dood.

2145 Nu hoort met welke soort zaken

de olifant uitlacht de draak.

Ze merken aardig goed de plaatsen

waar de draken slapen mede

is het onder rotsen of onder bomen

2150 en dan nemen ze goede gok

dat ze die op hem laten vallen ten laatste.

De strijd is eeuwig vast

waar ze de serpenten zien

ze verteren ze en verslaan.

2155 Aristoteles schrijft te waren

als de zij zijn van tien jaar

en van vijf jaren de hij

dat ze dan geneugten plegen.

Twee jaar genieten ze achtereen

2160 en in elk jaar dagen twee

en ook nimmer meer in het jaar.

Schaamte hebben ze daar

en genieten heimelijk te waren

nog keren ze niet naar hun scharen

2165 voor ze gewassen naar hun manieren

zijn in lopende rivieren.

Ze strijden niet om haar zo

omdat ze geen overspel doen.

Mensen, nu merk hoofse manieren

2170 naar deze stomme en dulle dieren

als ze paren de een paart de ander

en de moeder die moet wandelen

twee jaar om met de dracht

voor ze daarvan wordt verzacht

2175 en dan gaat ze in moeras

haar vrucht te werpen te zoeken

want viel het zo op de aarde, zonder waan,

nimmermeer mocht het opstaan.

En soms doen ze gelijk

2180 haar kalf op een eiland

en dat is om die zaak

dat ze ontzien de draak

en immer als ze kalven zal

dan is hij bij haar al.

2185 Solinus die meester gewaagt

dat de olifant maar eens draagt,

maar het is waar gevonden wat ik schrijf

het draagt drie maal of vijf.

Ziet hij de muis, hij is verslagen

2190 en vliedt alsof hij was verjaagd.

En dit is te verwonderen zeer

wonderlijk bent u, God de Heer

in al uw werk algemeen

of ze nu groot zijn of klein.

2195 De olifant ontziet het paard

en hij is van de muis bang.

Ze leven driehonderd jaar.

Koude is voor hem te zwaar.

(a) Tamme olifant buigt voor de koning

2200 en dat is een wonderlijk ding.

Als het elpendier rusten zal

zit het op zijn einde al

de voorste voeten staan recht

en tegen een boom leunt het echt

2205 en als die breekt dan valt hij neer

en dan is er geen opstaan weer

en soms nemen jagers daar notie van

die omzagen de boom

dan briest hij zeer en maakt misbaar

2210 dan komen de andere daarheen

en misbaren en ongenoegen

als ze hem niet helpen mogen

soms helpen hem de kleine

met slurven en met lijf algemeen

2215 zodat hij op komt en vliedt

en als hem dat niet geschiedt

dan blijft hij door de man gevangen.

Zijn vier voeten staan

als steunbalken zonder knieĎn

2220 bij hem mag het niet geschieden

valt hij dat hij niet opkomen mag.

Wind is voor hem een zware slag .

En alle elpendieren die er zijn

drinken allen graag wijn.

2225 Ze groeien tot veertig jaren

Rivieren minnen ze zeer.

Elephas.

Olifant, Duitse Elefant, Engelse elephant en Franse elephant, van Latijn elephantus, dat van Grieks elephas. Het tweede deel, -ephas, is geleend van de Egyptenaren, ab(u) (bw) in Koptisch is het eb(o)u.

Als Elephas was het ivoor een belangrijk handelsartikel al bij de oude EthiopiĎrs, Homerus vermeldt het onder die naam. In midden-Nederlands heette het ivoor elpenbeen, in noord-Hoogduits was dat Elfenbein en in oud-Engels elpenban, letterlijk betekent het olifantsbeen. Dat komt van een woord dat in midden-Nederlands elpendier heet, dit stamt uit Latijn ebur, en dit van Grieks elephas dat oorspronkelijk ivoor betekende en later het dier.

Ktesias, de lijfarts van Artaxerxes Menmon, was de eerste die een olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. (a) Hij was de eerste die het sprookje beschreef dat de olifant geen gewrichten in de poten had, niet kan gaan liggen en daarom staande slapen moet. Het onbuigzame ivoor, de Elfenbein, was het enigste wat men van de olifant te zien kreeg. Dat ivoren been was zeer lang en onbuigzaam, conclusie een olifant heeft geen gewrichten.

Shakespeare, Troilus and Cressida, ii, 3, 113 “The elephant hath joints’. ‘De olifant heeft gewrichten’, but none for courtesy’.. Maar niet om beleefd te kunnen zijn’. Zijn benen zijn benen omdat hij ze nodig heeft, maar niet om buigingen mee te maken. Om te rusten gaat een olifant op zijn achterste zitten, de voorpoten steekt hij recht vooruit en leunt met zijn rug tegen een boom. Als de boom breekt, valt hij op de grond en kan hij niet meer opstaan. Soms zagen jagers de boom half door. Dan briest de olifant geweldig, dat is een signaal voor de andere olifanten die hem moeten helpen. Maar dat lukt vaak niet. Soms helpen kleine olifanten hem met overeind met hun slurp, zodat hij kan ontkomen.

(b) De olifant komt voor in de twee boeken van de Maccabeeers als een deel van de strijdkrachten tegen de Joden. Dat was onder leiding van Antiochus Epiphanes en zijn zoon Antiochus Eupater, vroeg in de tweede eeuw v. Chr.. In de eerste campagne waren er twee en dertig olifanten die speerhoofden vormden voor twintig duizend ruiters en honderd duizend man voetvolk, 1 Mac. 6: 30. Elke olifant zou de weg moeten vrij maken voor duizend lopende soldaten en vijf honderd ruiters, vers 5. Het lijkt er op dat de olifanten niet wilden en dat ze in paniek gedreven moesten worden door iets dat op bloed leek, druivenbloed en moerbei, vers 34. De in ’t oog lopende ‘howdah’ is beschreven in vers 37 ,‘ sterke houten torens.. hen listig omgord’.

(c ) Er is nog iets zeer bijzonders. Als de EthiopiĎrs in sommige landen op olifanten gaan jagen kunnen ze op het op deze manier doen. In de wildernis gaan twee naakte maagden met los haar, een van hen draagt een mand en de ander een zwaard. Deze maagden beginnen te zingen, de beesten vinden dit mooi en luisteren met plezier, ze houden van alles wat kuis is en komen naar hen toe en likken aan hun borsten en vallen in slaap door het zingen, dan steekt een maagd het zwaard door de keel en de ander vangt het bloed in de emmer op. Met dat bloed verven de mensen in dat land de kleren van de koningen, dit wordt purper genoemd. Het bloed van de olifant is het zinnebeeld van het dierbare bloed dat uit Jezus' zijde stroomde. De maagden zijn de twee wetten, het Oude en het Nieuwe Verbond, waar Joden en Christenen onder zijn gesteld. Synagoge, de verraderlijke joodse maagd, is degene die Jezus' zijde doorboort; Ecclesia, de Kerk, vangt in de miskelk het bloed op waarmee zijn prachtige purperen koningsmantel zo wondermooi werd geverfd. Daarom zingt de bruid in het Hooglied: ‘Mijn geliefde is blank en rood, uitblinkend boven tienduizend.’

(d) ‘In de Ganges zijn er grote wormen die twee armen bezitten die (een wurgslang, Python) als de olifanten in de rivier komen te drinken, hun lichaam in hun handen nemen en ze naar beneden trekken. Of de draak ligt op de loer bij plaatsen waar de olifanten komen te drinken. Eerst slaat de draak zijn staart om de poten van de olifant maar die weet door middel van zijn slurp er zich van te bevrijden. Dan gaat de draak naar de ogen en neusgaten van de olifant want daar kan zijn slurp hem niet van dienst zijn en zuigt de draak het bloed uit de olifant. Plinius zegt dat de draken zo groot zijn dat al het bloed van een olifant nauwelijks genoeg is voor één teug. Maar het olifantenbloed maakt de draak duizelig, de olifant is verzwakt en stort ter aarde en verplettert in zijn val gelijk zijn vijand. Maar ook de olifant vecht tegen de draak. Hij zoekt de draak in zijn schuilplkaats op, een rots of boom, en bedelft hem onder een zware massa stenen. Als ze onverwachts een draak tegen komen trappen ze hem dood’.

(e) Volgens Aristoteles paren de olifantenvrouwtjes als ze tien jaar oud zijn, bij de mannetjes is dat vijf jaar. De paartijd duurt twee jaar, maar ze benutten slechts twee dagen van ieder jaar om te paren, meer niet. Bij Plinius staat de olifant hoog aangeschreven. Hij is rechtvaardig en heeft een groot schaamtegevoel en is zedig wat blijkt uit het feit dat olifanten in het geheim paren. Als ze paren beklimt het mannetje het vrouwtje en ze keren niet eerder terug naar de kudde voordat ze zich gewassen hebben in het stromende water van een rivier. Ze vechten niet om hun wijfje want ze plegen geen overspel of echtbreuk.

(K). Mulder Synagoge en Ecclesia - een populair motief in de beeldende kunst van de middeleeuwen. De illustratie beeldt links de geblinddoekte Synagoge af, symbool van het jodendom dat blind is voor de komst van de Verlosser, met in haar linkerhand een gebroken piek en in haar rechterhand de Tafelen der Wet. De kroon die haar van het hoofd valt is overgenomen door Ecclesia, de Kerk, die als attributen de altaarkelk met de hostie en de kruisstaf draagt.

De prachtige purperen koningsmantel van Christus - beeldspraak voortvloeiend uit de opvattingen over de goddelijke en menselijke natuur van Christus, Wiens goddelijkheid bekleed was met een menselijk omhulsel, zoals een lichaam met een kledingstuk.

Mijn geliefde is blank en rood - Hooglied 5:10.

De paartijd duurt twee jaar - een van de kopiisten van Maerlants natuurboek voegde hier door een leesfout of uit persoonlijke verontwaardiging aan toe: ‘Mens, schaam je toch voor je schandelijke gedrag! Zelf weet je van geen ophouden!’ Hiermee zijn de gegevens over de legendarische kuisheid van olifanten niet uitgeput. Volgens Plinius paarden de dikhuiden terwijl ze elkaar uit preutsheid de rug toekeerden. Veel bestiaria vermelden bovendien dat olifanten de alruin of liefdesappel (zie Gen. 30:14-17) nodig hebben om de vereiste geslachtsdrift op te wekken.

 

Equus es in latijn dat pard

ende es ene beeste wart

dat men in menich lantscep kint

2230mar die beste diemen vint

die sijn in capidotia

ende int lant van sitia

die thouet dieps in water steken

sijn de beste oric spreken

2235die wilde parde wilde tamen

men snidem of die manen

om dat hem die luxurie ontuart

dat hem thar uerhouart

dit selue vintmen an die wijf

2240die em uerheffen an dat lijf

om hare har groot ende lanc

jnt lant van siten ende oec ghemanc

jn capadotia sonder waen

segmen dat die merien ontfaen

2245vanden winde mar ouer war

so ne leuensi mar iij. Iar

alst part es out iij. jar of .ij

dan notet maer nemmerme

ne diet dat si tinlike winnen

2250tote xx iaren wilmen kinnen

es hare noten wel inden tijd

dat pard notet ende rijd

altote sinen xxx. Jaren

ende die merie tote xl. te waren

2255xxxv. jaer es parts lijf

ende xl iar so leuet hare wijf

mar men segt dat in cecile

.j. pard leuede lxx. jaer wile

noch segmen dat die parde dar

2260leuen noch also menech jar

vp dat tpard uan danen si

dat selue segmen van persi

die spainsche parde ende van gallen

leuen onlanghe met allen

2265jn parde meest bouen alle diere

machmen merken hare maniere

oegedane wijs dat si sijn ysinet

ande horen eist dat mense kinnet

hoet hem uan moede mach staen

2270sijnsi uermoiet si latense gaen

sijnsi gram si legense ant houet

sijnsi ueruart des gelouet

so recsise uortward weder

ende sijnsi siec si legghense neder

2275ysodorus seget dat dat pard

.iiij. pointe moet ebben sael siin wart

sceppenesse doghet ende sconede

ende varewe van den are mede

dits sine sceppenesse nu marct

2280dat sijn lijf sij ard ende starc

wel ysonke sine side

oech yricht rechte int riden

ront ende gheclouet ouer dien stiet

ende euet an die uoete niet

2285hol ende uast ende droghe die houen

ouer al sijn lijf sal hi bouen

dat ront sal scinen sijn uel

sine doghet ort also wel

dat stout si ende snel ende niet ne sneue

2290ende het metten leden beue

dits i tiekin van crachte

ende alst stille staet ende sachte

dattet sij te porne goet

ende alsem uerhit sijn moet

2295dat et goet te oudene sij

ende saen gesit sijn moet derbj

die sconeit prisemen int ghemene

dat het thouet heuet clene

droghe dat fel an die bene

2300doren curt scarp ende clene

grote ogen nase gate wijt

den als upward talre tijt

dicke manen ende start

die uoete ten rontsten ward

2305sine varewe vanden hare

suart segmen dat best ware

roet appelgrau ende wit

andre varwe dan dit

en es niet uander bester warde

2310men vint drierande parde

j. dat es torloghen goet

j. ander dat men riden moet

elkes daghes na geuouch

j. darde dat nutte es der plouch

2315men vant parde in ouden tiden

die hem niet lieten riden

dan hem die terst hare here wart

also dede julius cesaris pard

ende des coninx pard van citen

2320men vint in alexanders viten

dat was busifal sijn pard

doet starf addit so ward

dat hijt herelike grauen dede

ende makede in sine here .i. stede

2325oec ware sulke parde hir uoren

alsi haren here uerloren

dat si nemmermeer ne aten

ende oec weenden utermaten

heuemen geweten dat pard

2330dar sijn here uerslaghen wart

ysodorus segt ende meent

dat sonder die mensce niet ne weent

oec sin parde dar liede an sien

wat in wighe sal yscien

2335sijnsi droeue ofte vroe

dat derna die dinc comt soe

dit uintmen an someghe parde

merien ebben sulke warde

deene up dandre sterueter ene

2340jn hare scare ghemeene

dar dandre up houden hare uole

so ghelieue es hare scole.

 

 

 

 

 

 

 

 

33. Equus is in Latijn het paard.

(a) En is een beest waardig

dat men in menig landschap kent

2230 maar de beste die men vindt

die zijn in Cappadocie

en in het land van Scythia.

Die het hoofd het diepst in het water steken

zijn de beste, hoor ik spreken.

2235 Die wilde paarden wil temmen

men snijdt af de manen

zodat bij hem de wulpsheid verdwijnt

omdat het hen verhovaardigt,

ditzelfde vindt men aan het wijf

2240 die zich verheft in dat lijf

vanwege hun haar groot en lang.

(b) In het land van Scythia en ook gemengd

in Cappadocie zonder waan

zegt men dat de merries ontvangen

2245 van de wind, maar voor waar,

zulke leven maar drie jaar.

Als het paard oud is, drie jaar of twee

dan paart het maar nimmermeer

dient het dat ze tijdig winnen

2250 tot twintig jaren, wil men kennen

is hun paren wel in die tijd

dat paard paart en rijdt

al tot zijn dertigste jaren

en de merrie tot veertig te waren.

2255 Vijf en dertig is het paardenlijf

en veertig jaar zo leeft zijn wijf

maar men zegt dat in SiciliĎ

een paard soms leeft zeventig jaar,

nog zegt men dat die paarden daar

2260 leven alzo menig jaar

omdat het paard daar vandaan is,

datzelfde zegt men van Perzen.

De Spaanse paarden en die van GalliĎ

leven niet zo lang met allen.

2265 In paarden meer dan alle dieren

mag men merken hun manieren

en hoedanig wijs dat ze zijn gezind.

Aan de oren is het dat men ze kent

hoe het hem van moed mag staan,

2270 zijn ze vermoeid ze laten ze hangen

zijn ze kwaad ze leggen ze tegen het hoofd,

zijn ze bang, dat geloof het,

zo rechten ze zich voorwaarts weer

en zijn ze ziek ze leggen ze neer.

2275 Isidorus zegt dat het paard

vier punten moet hebben, zal het waard zijn, vorm, deugd en schoonheid

en de verf van het haar mede

dat is zijn vorm. Nu merkt

2280 dat zijn lijf hard zal zijn en sterk

goed gezonken langs de zijden

hoge rug, recht in het rijden

rond en klauwende voor je staat

en heeft aan de voeten niet

2285 hol en vast en droog de hoeven

over zijn hele lijf zal hij boven

dat rond zal schijnen zijn vel

zijn deugd hoor je alzo wel

dat dapper is en snel en niet sneeft

2290 en het met leden beeft,

dat is een teken van kracht

en als het stil staat en zacht

dat het te gaan is goed

en als het verhit zijn moet

2295 dat het goed te houden is

en gelijk gezeten zijn moet daarbij.

De schoonheid prijst men in het algemeen

dat het hoofd heeft klein

droog het vel aan de benen,

2300 de oren kort, scherp en klein

grote ogen, neusgaten wijd

de hals opwaarts te alle tijd

dikke manen en staart

de voeten te ronde waart

2305 zijn verf van de haren

zwart zegt men dat de beste waren

rood, appelgrauw en wit,

andere kleuren dan dit

zijn niet van de beste waarde.

2310 (c) Men vindt drie soorten paarden,

een dat is voor oorlogen goed,

een ander daar men op rijden moet

elke dag naar gebruik,

een derde dat nuttig is voor de ploeg.

2315 Men vond paarden in oude tijden

die zich niet lieten berijden

dan door hem die het eerste hun heer werd,

alzo deed Julius Caesars paard

en des konings paard van Scythen.

2320 Men vindt in Alexanders leven

dat Busifal was zijn paard,

toen hij stierf had hield hij het zo waardig

dat hij het heerlijk begraven deed

en maakte te zijner eer een stad.

2325 (d) Ook waren zulke paarden hier te voor als ze hun heer hadden verloren

dat ze nimmermeer aten

en ook weenden uitermate

heeft men geweten van een paard

2330 waarvan zijn heer verslagen werd.

Isidorus zegt en meent

dat uitgezonderd de mensen niets anders weent. Ook zijn er paarden waar lieden aan zien wat op de weg zal geschieden,

2335 zijn ze droevig of blij

dat daarna die dingen komen alzo,

dit vindt men bij sommige paarden.

Merries hebben zulke waarde

de ene bij de ander, sterft er een

2340 in hun kudde algemeen

dat de andere ophouden hun veulen

zo geliefd is hun kudde.

Equis caballus Paard, midden-Nederlands paert of peert, oud-Hoogduits Parafrid of Pferfrit (nu Pferd en in Engels palfrey. In Frans is het palefroi) uit midden-Latijn en Keltisch paraveredus: handpaard. Het Griekse para betekent ‘erbij’ en Keltisch veredus: postpaard. Het werd veredus genoemd omdat het de rheda: wagen, trok. Verudus veranderde geleidelijk aan in verd, ferd, pherd, paerd, paard.

(a) De vlakten van Turkestan worden als startpunt gezien voor de domesticatie, de Scythische volken.

(b) Het paard versmelt zich bij de komst van de storm, is sneller dan de havik en sneller dan vogels. Het paard van Rhesus leek op de wind. Achilles was de zoon van Zephyr (wind) en de Harpye Podarge, dat betekent de snelvoetige. Nog geloven sommigen dat paarden door de wind drachtig worden, zo bij Varro.

(c ) Het paard varieert naar de man of ding die er achter staat. Staat er een ploeg, dan is het opeens zwaar en onnozel, zet er een soldaat op dan is het vurig en trots, een ridder, dan is het edel.

(d) Het was een gewoonte van de Germanen om bij het verbranden van de lijken hun wapens en soms ook hun paarden in het vuur te werpen. (Tacitius) Hendrik de Vogelaar verbood in 931 een Deens feest dat alle jaren omstreeks Driekoningen gevierd werd waar negen en negentig mannen en negen en negentig paarden met honden en kippen geofferd werden. Dit hield op toen bij de invoering van het Christendom het lijken verbranden door Karel de Grote verboden werd. Het paard ontbrak echter bij de begrafenissen niet. Paarden werden nog in 1318 bij begrafenissen geofferd.

 

Equiceruus es .i. dier

uan orienten solinus sprect hier

2345dat maket es als dat part

onder den kin enen bart

die hie euet orne die soe neghene

spletuoetech sijnsi ymeene

ende siin na den hert ghemaect

2350ende ebben uleesch dat sere wel smaect

34. Equicervus is een dier

van de OriĎnt. Solinus spreekt hier

2345 dat het manen heeft als het paard

onder de kin heeft het een baard.

die hier heeft horens, die zijn smal,

spleethoevig zijn ze algemeen

en zijn naar het hert gemaakt

2350 en hebben vlees dat zeer goed smaakt.

Equis: paard, cervus: hert. Door de tocht van Alexander de Grote kwam de nijlgau bij de Grieken die bekend werd als hippelaphus: paardhert. Het is een naam die later aan het Java hert werd gegeven. Het heet nu Boselaphus tragocamelus: dat betekent dus rund en hert, het tweede deel betekent bok en kameel. Het dier is verwant met de runderen en buffels.

Nilgau of nijlgau is een algemene naam. Het wordt ook wel blauwbok, in het Engels blue bull, genoemd vanwege de donkergrijze vachtkleur.

Ze hebben een zwaar voorlichaam dat naar achteren enigszins afloopt. Bij het grazen laten ze zich dan vaak op de knieĎn zakken, hun nek is te kort.

 

Cale dats ene beeste

ghelijc den parde segt de jeeste

als dolifant eist ghestart

ende hets pecsuart yhart

2355ghekinbacht als .i. euerswijn

ende euet orne die langher sijn

dan ij uoete dart mede doet

menech vreselic ymoet

dit spreket solinus ende jacob segt

2360alst wille dattet achter legt

deen enen horen ende orebard

den andren te stride ward

ende als die plonc es moede

rechtet den andren up met spoede

2365ende laet dit ligghen na sire maniere

dit dier es gherne bi riuiere

 

 

 

 

 

 

 

 

 

35. Eale dat is een beest

gelijk het paard zegt het verhaal

als de olifant is het gestaard

en het is pikzwart behaard

2355 een kinnebak als een everzwijn

en heeft horens die langer zijn

dan zestig cm daar het mee doet

menig vreselijk ontmoeting.

Dit spreekt Solinus en Jacob zegt

2360 als het wil dat het achter ligt

de ene horen en gebruikt

de andere te strijden waart

en als dit stomp is en moe

richt het de andere op met spoed

2365 en laat die liggen naar zijn manieren.

Dit dier is graag bij de rivier.

Waterbuffel of neushoorn?

Mulder: Door onderzoekers van bestiaria geēdentificeerd als de waterbuffel en, met even grote stelligheid, als de Afrikaanse tweehoornige neushoorn. De herkomst van het dier blijft onzeker maar naar de afbeelding wel de waterbuffel.

 

Intures es .i. dier bekent

in dat lant uan orient

dat den stiere ghelijc es

2370als ons seghet aristotiles

mar den manen als dat part

curter ende sachter nederward

anghende bi den scouderen dar

bruun roet heuet dat har

2375sijn ander aer na wulle maniere

ende sijn luud es ghelijc den stiere

sine orne crom alomme gheanghen

enten stride wel ganghe

sijn uorhoft ru sin har ysceden

2380bouen sinen oghen beede

gheuoet ende ghestard der toe

recht ghetant als die coe

maer curter es hi ende sijn uel

mach uele slaghe ydoghen wel

2385so dore sba uleesch et draecht

dat ment der omme slaet ende jaecht

ende alsement jacht ouer sinen wille

bliuet somwile staende stille

ende rust em ende uecht

2390ende werpt ute sinen drec echt

j. roede verre ofte mee

ende als hem van calue werdet wee

so comen die diere elkerlijc

ende maken uan drecken .i. dic

2395omtrent dat dier om die saken

dat men hem niet mach ynaken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

36. Intures is een dier bekend

in dat land van de OriĎnt

dat de stier gelijk is

2370 zoals ons zegt Aristoteles,

maar de manen als van het paard

korter en zachter, nederwaarts

het hangt bij de schouders daar

bruin/rood heeft het dat haar.

2375 zijn andere haar is naar wolsoorten

en zijn geluid is gelijk de stier.

Zijn horens zijn krom, alom gaande

en te strijden goed staande

zijn voorhoofd is ruw, zijn haar gescheiden

2380 boven zijn ogen beide

voeten en een staart daar toe

recht getand als een koe

maar korter is hij en zijn vel

mag vele slagen gedogen wel.

2385 Zulk door zoet vlees het draagt

dat men het daarom slaat en jaagt

en als men het jaagt tegen zijn wil

blijft het soms staan stil

en rust en vecht

2390 en werpt uit zijn drek recht

een roede ver of meer.

En als het van kalven wordt wee

dan komen die dieren elk

en maken van drek een dijk

2395 omtrent dat dier om die zaken

dat men het niet kan genaken.

Een rund.

 

 

Entira es i dierkin

diere uele in almaingen sijn

hi ende soe doen als die wise

2400ende vergadren hare spise

mar die hie es uan vrecker wise

ende die soe ghierech om hare spise

onder derde om die somer tijt

om tetene als die somer lijd

2405so dat hi cume hem seluen gheuet

dar hi nouwelike bi leuet

alsi uernempt dat sine soe

gulselike gaet der spisen toe

soe uerstopti are dat gat

2410ende alse die soe merket dat

dat besloten es die spise

so doet soe na des scalkes wise

so maecse i ander eimelic gat

ter spisen wart ende gaet in dat

2415ende hetet der spise al hare gheuouch

ende laet den vrecken wachten ynoech

alse somer comt geuallet wel

dat die soe euet i. scone uel

ende so ront ende so uet

2420die hie die hem ter vreckeit set

heuet i veronghert lijf

de man die wille wachte sijn wijf

 

 

 

 

 

37. Entira is een diertje

die er veel in Duitsland zijn.

Hij doet zo als de wijze

2400 en verzamelt zijn spijs.

Maar de hij is van vrekkige wijze

en die zo gierig om zijn spijs

onder de aarde rond de zomertijd

om te eten als de zomer gaat

2405 zodat hij nauwelijks zichzelf wat geeft

waar hij nauwelijks van leeft

als hij verneemt dat de zijne zo

gulzig gaat naar de spijzen toe

dan stopt hij het gat dicht

2410 en als de zij zo merkt dat

opgesloten is de spijs

dan doet ze het op de schalkse wijze

dan maakt ze een andere, heimelijk gat

ter spijzen waart en gaat in dat

2415 en eet de spijs tot ze heeft genoeg

en laat de vrek wachten genoeg.

Als de zomer komt gevallen goed

dat de zij heeft een mooi vel

en zo rond en zo vet

2420 en de hij die zich te vrekken zet

heeft een verhongerd lijf.

De man kijkt uit voor zijn wijf.

‘Er is een soort hamster (of das) dat met het vrouwtje vlees verzamelt tegen de winter en dit in zijn hol legt. Als de koude winter komt ziet het mannetje dat er een tekort zal ontstaan en weigert om het vrouwtje vlees te geven, ze krijgt haar deel niet. Zo aan het zien heeft ze er vrede mee dat ze haar mans wil opvolgt. Maar als ze aan de andere kant van het hol komt opent ze haar kaken, dan eet ze het deel dat daar is verzameld zonder dat aan het mannetje te vertellen.’ De hamster is dan ook het volmaaktste type van een zelfzuchtig, wantrouwig en slecht gehumeurd persoon, die als het ware met zichzelf in strijd verkeert. Zie 25.

 

Crinatius dats i dier

ende men waent de wareit hier

2425dat cytogrillus dermede heet

dat genoemt hier uoren steet

j. egel etet in dutsce tale

jn vlaenderen .i. herts wetic wale

na .i. swijnkin eist gedaen

2430ende es al van dornen beuaen

sonder anden buuc allene

beseffet anden vrese grot of clene

windet hem te gader als .i. bal

ende dect em in sine wapine al

2435hets te siene ende te tastene quaet

doch doemer toe desen raet

alsment in waremen watre doet

eist te siene ende te tastene goet

ambrosius ons te verstane doet

2440dat es bi naturen vroet

het maket te sinen ole ii. vte ghanghe

ende uorsiet te uoren langhe

welkes sints de wint sal gaen

gaetj nort hi stoppet saen

2445dat gat dat int norden staet

ende weltijt dat die wint suut gaet

stoppet suden ende ontdoet norden

dit sijn sente ambrosius worde

sijn vleesch droghe ende binnen tlijf

2450dat es der maghe confortatijf

het doet wel orine maken

nuttelic eist tharen saken

die yset sijn lasers te sine

die inden point gheeten sijn elefantine

2455die gans es ende moet vet sijn

gheuleghen eist ydaen alse i. swijn

dit dier ende anders nemmee

heuet beneden gate twee

dar der uogle eyer ligghen dats waer

2460ligghen hare hoeden dat ligghen dar

ysodorus segt dat clemt ter vart

in erfste up den wijngard

ende velt de druue neder

ende leese up weder

2465ende wonter up ende draghetse soe

sinen jonghen des sijnsi vroe

herts vleesch te puluere gebrant

met pecke yminghet te hant

doet in lijxemen wassen aer

2470dit segt plinius vor waer

aristotiles seit al bloet

alse deen jeghen dander noet

dat si staende em geuoughen

nature mach elken genoughen

2475die elken creature geuet

dar het sine gnouchte bj euet

 

 

 

 

 

38. Erinaceus dat is een dier

en men waant de waarheid hier

2425 (a) dat het Cyrogillus mede heet

dat genoemd is en hiervoor staat.

Een egel heet het in Dietse taal

in Vlaanderen een heerts, dat weet ik wel.

(b) Naar een zwijntje is het gedaan

2430 (c)en is geheel met dorens bevangen

uitgezonderd aan de buik alleen.

(d) Beseft het vrees, groot of klein

het windt zich op als een bal

en dekt zich in met zijn wapens al

2435 het is te zien en te pakken kwaad

doch doet men er toe deze raad

als men het in warm water doet

is het te zien en te pakken goed.

(e) Ambrosius ons verstaan doet

2440 dat het is van natuur intelligent.

Het maak zich een hol met twee uitgangen

en voorziet tevoren al lang

welke kant de wind zal gaan

gaat het noord, hij stopt dicht

2445 dat gat dat in het noorden staat

en als de wind uit zuiden gaat

stopt het zuiden en opent het noorden,

dit zijn Sint Ambrosius woorden.

Zijn vlees is droog en binnen het lijf

2450 dat is voor de maag comfortabel

het doet goed urine maken.

Nuttig is het haar zaak

die gezegd zijn melaats te zijn

die in de Punt genoemd zijn Elefantaisis.

2455 Dat geheel is en moet vet zijn.

Gevild is het en gedaan als een zwijn.

Dit dier en anders nimmer

heeft beneden gaten twee,

waar bij de vogels eieren leggen, dat is waar,

2460 liggen zijn ballen die liggen daar.

(f) Isidorius zegt, dat klimt snel

in de herfst op de wijngaard

en velt de druiven neder

en verzamelt ze weer

2465 en wentelt er op en draagt het zo

zijn jongen zijn dan blij.

Egelsvlees tot poeder gebrand

met pek gemengd gelijk

laat in littekens groeien haar,

2470 dit zegt Plinius voor waar.

(g) Aristoteles zegt al blode

als de een tegen de ander ontmoet

dat ze staande zich voegen.

Natuur mag elk genoegen

2475 die elke creatuur geeft

waar het zijn genoegen bij heeft.

Erinaceus europaeus: europees

Egel, midden-Nederlands eg(h)el, oud-Saksisch, oud-Engels en oud-Hoogduits Igil (nu Igel) dat met het Griekse ekhinos van Indogermaans egh afstamt wat steken betekent. Engelse urchin van Frans en dat van Latijn voor de egel, ericius. In het Vlaams ‘heerts’. Zijn lichaam lijkt van onder op een speenvarken. (b) Ook komt de naam stekelvarken voor, Engelse hedge-hog, hedge is een soort boom die als haag gebruikt werd, hog: varken. Franse herisson.

(a) Cyrogillus, zie 24.

(c ) Midsummer’s Nights Dream”. ii, 2, 9,

You spotted snakes with double tongue’. ‘Boze slangen, schuifelt niet’. Thorny hedge-hogs be not seen’. Weg, gij egels, scherp van pin!

(d) Vervolgd zijnde haalt het de kop en de poten in die met de buik en de staart alleen met een witharig bekleedsel bedekt zijn en maakt zich door het inhalen van die delen bolrond. Het zet zijn stekels op waarmee de rug bezet is zodat men hem niet kan aanraken zonder zich te bezeren.

(e) Aristoteles zegt dat als de wind draait van noord naar zuid en van zuid naar noord de egels de ingang van hun holen veranderen. Plinius meldt dat ze het weer kunnen voorspellen, van noord naar zuid, door het verschuilen in hun holen. Anderen dat ze hun holen voorzien van twee ventilatiegaten en als de noordenwind blaast ze het gat aan de noordkant dicht maken, bij de andere wind de zuidkant.

(f) Een nuttig gebruik maakt de egels van zijn pinnen. ‘Het is een beest die zich zelf levensmiddelen verschaft. Want hij klimt in een appel- of druivenboom en schudt appels en druiven naar beneden. Als ze gevallen zijn draait hij zich erin rond en steekt en prikt erin zodat hij op die manier voedsel naar zijn kroost brengt. Buiten dat hij appels op zijn rug draagt, steekt hij er een in zijn mond. Als hij volgeladen is met druiven of appels en er een verliest, gooit hij de rest van zijn rug en gaat opnieuw terug om weer een volle vracht op te halen’. Dit naar Plinius. De Physiologus spreekt alleen over druiven en zegt dat ze die ze die naar beneden halen en zich er overheen rollen. Isidorius volgt deze versie.

(g) Aristoteles zegt dat de egel zijn wijfje staande beslaapt zodat de stekels op de rug van het wijfje hem niet zullen steken. Toch zegt iedereen dat het wijfje op haar rug gaat liggen wat ik eerder geloof, dit is handiger.

Mulder: De soort melaatsheid die elefantiasiswordt genoemd - een vroeg-veertiende-eeuws medisch handboek (de Chirurgie van Jan Yperman) onderscheidt vier soorten lepra of melaatsheid, alle genoemd naar een dier (slang, vos, leeuw en olifant) en veroorzaakt door een teveel van een van de vier lichaamssappen. Elefantia zou volgens hem een aandoening zijn van mensen met een melancholisch temperament. (Zie ook nawoord, p. 137.)

Volgens Aristoteles paren egels staande - ‘Het hardnekkige misverstand spruit waarschijnlijk voort uit het door natuurvorsers waargenomen voorspel. Daarbij staat het vrouwtje op haar achterpoten. Het mannetje nadert haar, ook rechtop, met uitdagend opgerichte penis, en als ze vlak bij elkaar zijn bepist hij het wijfje.’ (G. Brands, Een bever als knecht. Amsterdam 1973, p. 16.)

 

Erminius es .i. ermelijn

.j. vte scone dierkin

ende es van wesels yslachte

2480oec segghen meer dan si viij

dat alleens es dat ende dit

te wintertide eist snee wit

sonder anden start ant ende

als des somers hitte em comt ghehende

2485[so eist upten ric bruun root

muse bitet gherne doot

want bi haren vleesche leuet

alse men sijn vel snee wit heuet]

so eist wart ende diere

2490 anders ne doghet in ghere maniere

van der .e. ebdi ghehord

nv uerstaet van der .f. uord

 

 

 

 

 

39. Erminius is een hermelijn.

Een uitermate mooi diertje

en is van wezels geslacht,

2480 ook zeggen er meer dan 8

dat het allemaal gelijk is en dat dit

in de wintertijd is het sneeuwwit

alleen niet aan de staart op het eind

als de zomerhitte komt gaan

2485 dan is het op de rug bruin/rood.

Muizen bijt het graag dood

want van hun vlees leeft het.

Als men zijn vel sneeuwwit heeft

dan is het waard en duur,

2490 anders deugt het op geen manier.

Van de e heb je gehoord,

nu verstaat van de f voorts.

Mustela erminea. Wezel, midden-Nederlands ermelijn, oud-Saksisch en oud-Hoogduits Harmo of Harmili, oud-Engels hearma (nu ermine) oud-Frans ermine (nu hermine) uit midden-Latijn hermelinus, in laat Latijn betekent armelinus hermelijn bont.

De wezel wordt vaak verwisseld met het hermelijntje. In zijn zomerkleed wordt het hermelijntje vaak ‘wezel’ genoemd terwijl hij in het witte winterkleed hermelijntje en witte wezel heet. De hermelijn is aanmerkelijk groter dan zijn soortgenoot, de wezel, maar kleiner dan de bunzing.Vondel, Geboorteclock;

‘…en wereldlijk en geestelijk

Met hermelijn praalde’. Zo worden de mantels van koninklijke en edelen afgezet met dit bont als een teken van innerlijke zuiverheid dat hun gedrag regelt. ‘To wear, assume, the ermine’. De functie van de rechter in de High Court werd zo genoemd omdat zijn kleren afgezet waren met hermelijnbont.

 

Soflenena es i dier

vreselic ende onghier

2495verre in arden woesten lande

ende es ghemaect tes menscen scande

om te mattene sine ouerde

want met so groter onwerde

bestaet den fieren man

2500ende uerwintene mede dan

ende scortene in uele sticken

ende oec eist geuallen dicken

dattet ghemoete van der vlucht

enen man met groter urucht

2505ende alstene omoedich uerstoet

sone det hem no quaet no goet

 

 

 

 

 

 

40. Felena is een dier

vreselijk en onguur,

2495 ver in erg woeste landen.

En is gemaakt te mensen schande

om te meten zijn hovaardigheid,

want met zo’n grote onwaardigheid

bestaat het de trotse man

2500 en overwint hem mede dan

en scheurt ze in vele stukken

en ook is het gebeurd vaak

dat het ontmoet in de lucht

een man met grote vrees

2505 en als het ootmoedigheid verstond

dan deed het hem geen kwaad of goed.

‘’Falena is een dier dat in verre landen geboren wordt. Dat heeft God als straf voor hovaardige mensen geschapen want het dier haat en verafschuwt van nature de hovaardigheid van mensen. Als het met hovaardige mensen vecht, dan vecht het zonder ophouden en als het gewonnen heeft dan wrijft hij de hovaardige en onbarmhartige stuk. Ziet het echter mensen op zich toekomen die deemoedig zijn en herkent het hun deemoed omdat ze vluchten of angstig zijn, dan blijft het stil liggen en laat die mensen voorbijgaan.’

Felis jubata, L. (gemaand), heeft wat langere haren op de nek, het is de jachttijger.

Die wordt even tam als onze huiskat, maar is veel leerzamer. Goede ?

 

Furunculus es dat furet

ende sijn na oeghelen wel na yset

meere dan de wesel .i. deel

2510ghemaket naer fissou gheel

stouter ende wreet nochtan

dan sine macht wlleesten can

si sijn also gheset ter scole

dat sij gaen inder conine ole

2515ende bitense alle doet

of si moeten steruen dor noet

allene ne adtsi niet dese beeste

mar alle die leuen mintst ende meeste

bestaen si moghensise uerwinnen

2520niet dat si dat uleesch so minnen

want si nutten elniet dan bloet

ter quateden so staet hem hare moet

vele jonghe heuet furet

seuene ofte viij. es yset

2525ligghende segmen dat si riden

ende als die soe wille notens tiden

heuet soe niet dan hare genoet

soe te drent ende bliuet doet

xl daghe draghesi omtrent

2530ende xl daghe sin si blent

ende dar ouer xl daghe

beghinnen sj biten ende jaghen

 

 

 

 

 

41. Furunculus is de fret

(a) en zijn naar het bekijken bijna gezet

meer dan de wezel een deel

2510 en gemaakt naar de bunzing geheel

dapperder en wreder nochtans

dan zijn macht voldoen kan.

(b)Ze zijn alzo gezet ter school

zodat ze gaan in het konijnenhol

2515 en bijten ze allen dood

of ze moeten sterven door nood,

alleen nee aten ze deze beesten niet

maar alle die leven, klein en groot

bestaan ze en mogen ze overwinnen,

2520 niet dat ze dat vlees zo beminnen

want ze nuttigen niets anders dan bloed

ter kwaadheden staat hem zijn moed.

Vele jongen heeft de fret

zeven of acht is gezegd.

2525 (c) Liggende, zegt men, dat ze paren

en als de zij wil ze paren gaan

heeft ze dan niet haar genot

ze verderft en blijft dood.

Veertig dagen draagt ze ongeveer

2530 en veertig dagen zijn ze blind

en daarna binnen veertig dagen

beginnen ze te bijten en te jagen.

Mustela putorius furo (Putorius furo, Martes furio) Fret, midden-Nederlands foret, Duits Frett of Frettchen, Engelse ferret, Deense fritte, van oud-Frans furet, dat uit vulgair Latijn furittus: kleine dief, (Latijn fur: dief) Het woord verspreidde zich met de Romeinse kunst om het dier voor rattejacht, konijnen en vogels in te zetten.

(a) De fret lijkt qua grootte en vorm wat op een bunzing. Is iets kleiner en schraler. De fret is sinds overoude tijden bekend, hoewel alleen in getemde toestand.

(b) Op de Balearische eilanden hadden de konijnen zich eens zo sterk vermenigvuldigd, aldus Strabo, dat de bewoners keizer Augustus om hulp smeekten. Hij zond enige ‘viverae’ die zich zeer verdienstelijk maakten. Ze werden in de gangen van de konijnen gelaten en dreven de verderfelijke knaagdieren eruit in het net van hun vijanden. Isidorius schreef over een dier dat gebruikt werd bij de konijnenjacht en noemde die furo.

(c)De fret is een teugelloos dier, zoals Aristoteles zegt, het overvoert zich met voedsel en waagt vaak zijn leven vanwege het voedsel. Op grond van zijn onbeheerstheid kan het niet lang leven. Het dier is onmatiger in de geslachtsdaad dan andere dieren, dat komt omdat het grager is dan anderen. Bij de daad richt het zich op het wijfje en beweegt zich in als een in telgang gaand paard. Als hij het werk niet volledig volbrengen kan waar hij zo uitzinnig naar verlangt dan huilt hij en is rusteloos. De natuur kan die sterke uitoefening van het geslachtsverkeer niet verdragen en de natuur is bij alle dieren zo ingericht dat ze de bevrediging van het geslachtsverkeer zo zeer begeren. De geslachtelijke zaden zijn namelijk een eigenschap van het bloed die tegelijk met de levensgeest uitgestoten worden. Vandaar dat het leven door overmatig geslachtsverkeer verkort wordt en moet de mens of het dier voor zijn tijd sterven en wordt zeer zwak. Je hoort dan ook vaak dat een man bij geslachtsverkeer plotseling gestorven is. Daarom paart het dier zich op de manier van de mens zodat het wijfje onder ligt en het mannetje boven. Deze houding keert het dier niet om. Maar de mens stoot het meest tegen de gevestigde orde bij geslachtelijk verkeer, die keert de menselijke geslachtsdaad om en houdt zich als de egel of de gans of neemt de plaats van de vrouw in. Dat is zeer schadelijk en zeer zondig, dat doet geen ander dier, behalve de mens. Zie volgende.

 

Furionus segt aristotiles

dat .i. luxurieus dier es

2535ende guls van etene nochtan

ende dicke moetet vanghen an

sware auonture om sijn eten

niet langhe leuet wilmen weten

warbj dat dit es mede

2540dats bj sire onsuuerhede

want als hem die wille wee doet

ghebartet alset ware uerwoet

sijn wille es mere dan die macht

ende om dat der naturen cracht

2545allen creaturen onseghet

luxurie die es ongheweghet

bouen der naturen ganc

so ne mach hare lijf niet wesen lanc

die so node rustet stille

2550die so node vleesch anders wille

furionet notet mede

recht na des menschen sede

want soe leegt onder ende hi bouen

ende in desen machmen louen

2555dit dier dat sere es ongheleerd

dat sine nature niet ne verkeert

dies quade menschen plien ende plaghen

dies jc lase niet ne dar gewaghen

 

 

 

 

 

42. Furionus, zegt Aristoteles,

dat een wulps dier is.

2535 En gulzig van eten nochtans

en veel moet het vangen aan

zware avonturen om zijn eten.

Niet lang leeft het wil men weten

waardoor dat is mede?

2540 Dat is door zijn onzuiverheid

want als bij hem de lust pijn doet

gebaart het alsof het dol wordt

zijn lust is meer dan zijn macht

en vanwege de naturen kracht.

2545 Alle creaturen ontzeggen

wulpsheid die is losbandig

boven de natuur zijn gang,

dan mag zijn lijf er niet wezen lang

die zo nodig rust heeft stil,

2550 maar als het vlees anders wil.

Furionet geniet mede

recht naar de mensen zede,

want zij ligt onder en hij boven.

En in deze mag men het loven

2555 dit dier dat zeer is dom

dat zijn natuur niet verandert

wat kwade mensen plegen en plagen

aan dit laat ik me niet wagen.

Zie voorgaande

 

Fenes es i dier dar aldus

2560of scriuet ons plinius

van quateit groot van liue clene

dese diere wonen in derde ymene

si decken haren decken aren drec in derde

of enech dier ghinghe sire verde

2565dat sijn drec niet openbarde

dat feles dar ware

alst dan die diere siet

want et ne mach oec lopen niet

gatet suarlike ende stille

2570ende alster i siet te sinen wille

mordadelic varter up thanden

bede met clauwen ende met tanden

so gaet scoren ende biten

dit dier yslacht den ypocriten

2575die maken eimeliken dec

ouer hare sonden dats hare drec

met biechten die sij spreken

ende al om hare lose treken

om dat mense sal eten goet

2580mar comt hem eneghe int ghemoet

die scoren si ende menen thare

hoe soet emmer vort gheuare

 

 

 

 

43. Feles is een dier daar aldus

2560 van schrijft ons Plinius.

Van kwaadheden groot, van lijf klein.

Deze dieren wonen in de aarde algemeen

ze bedekken hun dek van drek in de aarde

zodat als er enig dier in ging zijn gang

2565 dat zijn drek niet openbaarde

dat het Feles dier daar was.

Als het dan die dieren ziet

want het mag ook lopen niet

gaat zwaar en stil

2570 en als het er een ziet naar zijn wil

moorddadig springt hij gelijk erop

beide met klauwen en met tanden

dan gaat het scheuren en bijten.

Dit dier slacht de hypocrieten,

2575 die maken een heimelijke dek

over hun zonden, dat is hun drek,

met biechten die zij spreken

en al om hun loze streken

omdat men ze zal noemen goed,

2580 maar komen ze er een tegen naar hun zin die verscheuren ze en nemen het hunne

hoe zo het immer voort gaat.

Felis catus ‘Ferus’, de wilde kat, is een kwaadaardig en sterk roofdier. Die vervolgt hazen, zelfs jonge reeĎn en loert ineengedoken op een dikke boomtak op allerlei vogels. Hij woont in holle bomen, in spleten van rotsen en holten van afgronden waar hij gewoonlijk ’s nachts al sluipend uit te voorschijn komt. Zijn gehuil in het woud bij nacht heeft een bijzondere verschrikkende en huiveringwekkende uitwerking. Het diepe droefgeestige janken van de wilde kat schijnt de jagers in de wildernis met een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid te vervullen dat hij die dit eenmaal heeft gehoord nooit meer vergeet.

Men heeft tevergeefs getracht de wilde kat tam te maken. Hij lijkt op onze gestreepte huiskat maar is groter. Jongen, uit het nest genomen, bleven woest en wild, stierven uiteindelijk van de honger. Ze bedekken hun uitwerpselen net als de kat.

 

Finges dat siet men lopen

jnt lantscep van etyopen

2585ende .i. deel bruun van are

plinius segt openbare

dat die soe ande burst uoren

.ij. spenen draghet als wijd horen

ende pleghens lettel diere dan dit

2590jnt lant dart in wont ende sit

so eist sochte ende niet wreet

 mar doetem hiemene enich leet

dat ne cant niet lichte uerdraghen

die sinen pais wille beiaghen

2595met desen diere in hare stede

si dat si hem houden vrede

hier compt die lettre inde .g

van der .f. wetics nemmee

 

 

 

 

 

 

 

 

44. Finges die ziet men lopen

in het landschap van EthiopiĎ

2585 en is een deel bruin van haren.

Plinius zegt openbaar

dat die zo aan de borst van voren

twee spenen draagt, zoals wij het horen,

en plegen weinig dieren te zijn dan dit.

2590 In het land waar het in woont en zit

is het zacht en niet wreed

maar doet men hem enig leed

dat kan het niet licht verdragen

die zijn vrede wil belagen,

2595 met deze dieren in hun steden

zorg dat je er mee houdt vrede.

Her komt de letter in de g,

van der f weet ik nimmer meer.

Een soort aap, magot.

Burger: ‘De viervoeter finges heeft twee borsten met ‘spenen’. Een van de kopiisten las of hoorde ‘serpenten’, schreef dat op en de tekenaar beeldde trouw een dier af met slangen aan de borsten.

 

Glis es .i. dier no bore groet

2600some wit some swart ende roet

jn vlaendren etent slaepmuse bj namen

want den winter althe samen

slapen sonder spise ende dranc

ende als die sonne haren ganc

2605verheft ende somer ynaect

bi naturen dat dier uerwaect

minder dan die ratte est

van desen diere est dat men leest

jn plinis bouke dat sijn smare

2610gesoden ieghen sere nuttelic ware

hem die hem onsaghe der scaden

dat hijt water soude laden

bestrakire mede sine lede

vp derde ende up bome mede

2615lopet euen wel als wijd oren

appele euet vercoren

ende doeter in alset vint stade

dicke uernoi ende scad

 

 

 

 

 

45. Glis is een dier niet bar groot

2600 soms wit, soms zwart en rood.

In Vlaanderen heet het slaapmuis bij naam

want in de winter al tezamen

slapen ze zonder spijs en drank

en als de zon haar gang

2605 verheft en de zomer naakt

bij naturen dat dit dier dan ontwaakt.

Kleiner dan de rat is het.

Van deze dieren is het dat men leest

in Plinius boeken dat zijn vet

2610 gekookt zeer nuttig ware

hem die ontzag de schade

dat hij het water zou laden,

bestrijk er mee zijn leden.

Op de aarde en op bomen mede

2615 loopt het even goed zoals wij het horen,

appels heeft het uitverkoren

en gaat er in als het vindt tijd

veel verdriet en schade.

Glis glis. Relmuis, zevenslaper of slaapmuis heet in Duits Glis en Siebenschlafer, in Engels dormouse en in Frans loir. Het Latijnse dormire betekent slapen, dormouse is zo de slapende muis. Als de herfst komt begint hij winterproviand in te zamelen om die in zijn hol op te bergen. In die tijd is hij ‘zo vet als modder’. In koude bergstreken valt hij al in augustus, in warmere streken in oktober in slaap. Je kan ze gerust uit het nest weghalen en vervoeren, ze merken er niets van. Soms worden ze wakker en eten van hun wintervoorraad. Meestal worden ze wakker tegen het voorjaar, zelden voor eind april. Zijn winterslaap duurt dus zeven maanden. Zie de eeuwig slapende en suffende slaapmuis in het verhaal van Alice in Wonderland van L. Carroll, onbewogen temidden van zijn slapende omgeving. Hij wordt alleen wakker als hij het woord ‘kat’ hoort. Shakespeare, Twelfth Night, iii, 2,20;

She did show favour to the youth in your sight only to exasperate you, to awake your dormouse valour, to put fire in your heart, and brimstone in your liver’. ‘Zij gaf die jonge mens voor uwe ogen die bewijzen van haar gunst, alleen om u te prikkelen, om uw mormeldier, (slaapdier) dapperheid op te wekken, om vuur te brengen in uw hart en zwavel in uw lever”.

Bij de Romeinen golden ze als lekkernij en werden in een gliriari vet gemest. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als een grote lekkernij op de dis van de rijke fijnproevers. Ze lieten ze zelfs wegen voor de ogen van hun gasten.

Plinius zegt dat hun vet als je het kookt zeer goed is tegen pijnlijke leden die door verlammingen aangetast zijn als je ze daarmee inwrijft.

 

Galis segt aristotiles

2620dat .i. sere stout dier es

want het out ter menegher tijt

jegen die serpente strijt

ende alsetse euet uerbeten

so gaetse tehant eten

2625ende stappants etet rute

also jaghet tfeniin vte

dartoe es .i. redene groot

twi dat bijt de serpente doot

want gali bi musen leuet

2630ende omme dattet verstaen heuet

dat si de muse verteren

dar omme willet hem deren

om dat si minderen hare beiach

hier bj eist datmen segghen mach

2635onder stompers was oit nijt

want elc man om sijn winnen tijt

 

 

 

 

 

 

46. Galis, zegt Aristoteles,

2620 dat een zeer dapper dier is

want het houdt te menige tijd

tegen de serpenten strijd

en als het die heeft gebeten

dan gaat ze die gelijk eten

2625 en gelijk eet het ruit

en zo jaagt ze het venijn uit.

Daartoe is een reden groot

het waarom dat het bijt de serpenten dood

want de wezel van muizen leeft

2630 en omdat ze begrepen heeft

dat die de muizen verteren

daarom wil ze hen deren

zodat ze verminderen haar bejag.

Hierbij is het dat men zeggen mag

2635 onder stumpers was nooit nijd

want elke man om zijn winnen gaat.

Mustela nivalis, het laatste woord betekent wit en het eerst zoveel als een lange muis. Grieks gale: wezel. Wezel, midden-Nederlands wesel, oud-Hoogduits Wisula, (nu Wiesel) oud-Engels weosule (nu weasel) oud-Zweeds heeft visla. Dit woord komt van een Germaans wisulo. Het dier heeft zijn naam naar zijn stank gekregen, men verbindt het met Indogermaanse uiso: stank.

‘Wezels beschikken van nature over kennis van medicijnen. Als de wezel zijn jongen dood vindt, haalt hij ruit dat ze weer tot leven wekt. Hij vecht met de slangen omdat slangen muizen eten zoals ook de galy muizen eet. Daarom vangt hij slangen omdat die zijn voedsel weg pakken. Ze vecht zoals de Grieken en Romeinen al wisten, met slangen Plinius beschrijft zo’n gevecht.

De wezel weet al gauw dat er een basilisk is en gaat naar zijn hol, eet ruit en vett zich met het sap ervan in en valt dan de basilisk aan en doodt die zonder zelf pijn op te lopen. Ruit is een krachtig middel. De serpenten worden door de geur van ruit verdreven, als het verbrand wordt, zelf zo erg dat als een wezel met een serpent vecht ze zichzelf bewapent met ruit tegen de kracht van het serpent.

 

Geneta es i beeste

mere dan die uos die meeste

valu roet alse bont

2640swarte sciuekine ront

.j. beeste goedertire gnouch

men dadare ongeuouch

so nes fier no clemt oghe

mar gemate ende gedoghe

2645ende bi riuieren es hare ganc

ende souken spise na hare belanc

 

 

 

 

 

 

 

47. Geneta is een beest

groter dan de vos; de meeste

vaal rood en alzo bonte

2640 zwarte schijven rond.

Een beest goedertieren genoeg

men deed haar ongevoeg

dan is het niet fier of klimt hoog

maar gematigd en gedegen

2645 en bij rivieren is haar gang

en zoekt spijs naar haar belang.

Viverra genetto of Genesta genesta. De enigste in Europa voorkomende civetkat of genetkat.

Ook leveren ze mooi bont. Karl Martell veroverde in 731 na een slag tegen de Saracenen vele kleren die met dit bont voorzien was. Hij stichtte een orde van Ginsterkat wiens leden de eerste vorsten waren.

 

Guesseles es i dier

no wreet no fel no onghier

bj watre eist alle stont

2650mere eist dan die muushont

ende minder eist dan theencoren

roet valu als wijt oren

maer die wamme es wit

onder derde wonet dit

2655sijn drec rieket als muscheliaet

ende menech die hem diet uerstaet

heuet ouer muscheliaet yacht

mar et ne euet niet die cracht

ende dits wonder des et pleget

2660dattet int openbare leghet

sinen drec als offet woude

dat men al dar vinden soude

allen lieden te baten

nochtan vliet vtermaten

2665war soet mach wijf ende man

dar ment niet ysien can

jn desen doene leert ons hier

dit ongheleerde wilde dier

dat elc wel doe in elker wijs

2670ende nemmermeer ne soeke prijs

ter werelt hoe soet gaet der of

der werelt prijs en es maer stof

hier nemet of vander .g.

vander .j. ort uort mee

 

 

 

 

 

48. Gresselus is een dier

niet wreed of fel of onguur

bij water is het te alle stonde,

2650 groter is het dan de wezel

en kleiner dan de eekhoorn,

rood vaal is het, als wij het horen,

maar de buik is wit,

onder de aarde woont dit.

2655 Zijn drek ruikt als muskus

en menigeen die hem niet verstaat

heeft het over de muskusjacht,

maar het heeft niet die kracht.

En dit is het wonder dat het pleegt

2660 dat het in het openbaar legt

zijn drek alsof het wou

dat men het daar vinden zou

voor alle lieden te baten.

Nochtans vliedt het uitermate

2665 waar het zo mag, wijf en man

dat men het niet zien kan.

In deze doen leert het ons hier

dit ongeleerde, wilde dier

dat ieder wel doet in ieders wijs

2670 en nimmer meer zoekt prijs

ter wereld, hoe zo het gaat daarvan

de wereld prijs is maar stof.

Hier neemt af van de g,

van de j hoort voorts meer.

‘Zijn mest is zeer welriekend en ruikt als bisam (muskus) maar het heeft niet dezelfde eigenschap. En dat is het verbazende aan het dier, het hoopt zijn mest op een plaats op zodat de mensen het zien en ze het voor hun gebruik nemen. Daar wordt hij niet kwaad over, maar gunt het de mensen zeer. Maar het laat zich niet graag aan de mensen zien en vlucht weg’. Dat lijkt op de civetkat Civettictis civetta, de Afrikaanse civet, of Viverra zibetha, L. , de Aziatische civetkat. (V. civetta, Schreb)

Civetkat, Duits Zibet, Engels civet, Frans civette, van Arabisch zabad: schuim, omdat ze een sterk riekende schuimachtige stof afzondert. Muscuskat, moschuskat. De civetkat geeft een sterk riekende, muskusachtig geurende afscheiding uit de klieren in de buurt van de geslachtsorganen van manlijke en vrouwelijke dieren gelegen zijn, in de natuur ontleegt het dier die door op bomen te drukken en te wrijven.

Shakespeare, As You Like It, iii, 2, 69, ‘De handen van de hovelingen geuren naar civet..…

Civet is van een minder komaf dan teer; het is de onzindelijkheid van een kat”,

Guessides heet op zijn Duits Bizamrussel.

 

2675Ibex es i. dierkin clene

vp roetsen wandelende ende stene

als ons sente gregorijs seget

dat dar sine joghet pleghet

dar no serpent no man

2680no ander dier ynaken can

plinius seit dat es so snel

ende gheornet sere wel

vernemensi yet vresen met allen

si laten hem van der roetsen uallen

2685ende behouden hem iegen den ual

vp hare orne onghequets al

sulke bouke wanen des

dat dit van herte comen es

 

 

 

 

 

 

 

49. 2675 Ibex is een diertje klein

op rotsen wandelt het en stenen,

zoals ons Sint Gregorius zegt,

dat het daar zijn jongen pleegt

waar geen serpent of man

2680 of een ander dier geraken kan.

Plinius zegt, dat is zo snel

en gehorend zeer goed.

Vernemen ze iets vrees met z’n allen

ze laten zich van de rotsen vallen

2685 en beschermen zich tegen de val

op hun horens ongekwets al.

Sommmige boeken wanen dit

dat het van het hert gekomen is.

Capra ibex, is de steenbok, Duitse Steinbok, Engels capricorn. Die leeft in troepen van meestal niet meer dan vijftien stuks. Op de dag koesteren ze zich in de warmste gebieden van de bergen. Als de zon begint onder te gaan dalen ze al grazende af naar de hoogst gelegen bossen waar ze gedurende de nacht blijven grazen. Zodra de zon opkomt beklauteren ze de bergen weer. Vaak gebeurt het ook dat de steenbok als hij van dichtbij achtervervolgd wordt zich van de steile hellingen afwerpt en dan zodanig op zijn horens weet neer te komen dat hij ongedeerd blijft.

 

Ibida es i. dier

2690ghemanc ende sere onghier

van enen euere dies wilt

ende van der sueghe die men thuus hilt

al eist dat si selsame sijn

nochtan sin beter die huus swijn

2695[oft die wilt swijn in den woude

want sine vetten niet also houde]

no hare uleesch es niet gesont

dits naturlike cont

 

 

 

 

 

 

 

 

50. Ibida is een dier

2690 gemengd en is zeer onguur

van een ever die is wild

en van de zeug die men thuis houdt.

Al is het dat ze zeldzaam zijn

nochtans zijn ze beter dan het huiszwijn

2695 of het wilde zwijn in het woud

wat zijn vetten niet zo houdt.

Maar hun vlees is niet gezond

dit is natuurlijke kond.

Ibrida of hybride, is een viervoetig dier en is een bastaard dat stamt van het wilde zwijn en van een tam varken, zoals een muilezel van een paard en ezel komt. Men kan het bastaardzwijn noemen.

 

Istrix als seit solijn

2700es i. dier dat heet porkespijn

dit dier wandelt bi der zee

ende jn ole van berghe mee

alst nieweren eentuint

bj der zee te luscene vint

2705te somere comtet selden vort

mar alset den winter hort

van couden maken groot ydinghe

dan es hare wandelinghe

vpt lant ende jnt water mede

2710houtet sine legherstede

met burstelen swart ende wit

so eist beanghen dit

die scarp sijn grof ende stide

dart hem mede wert ten stride

2715ghenaket hem man of hont

het scuddet hem ende in curter stont

so scietet dure .ij. of eene

die jn vlieghen in toten beene

ende hier mede eist altoes bewart

2720sowar et enen gaet ofte vart

van desen burstelen es ysciet

dat mere echte van messen of siet

 

 

 

 

 

 

 

 

51. Istrix, als zegt Solijn,

2700 is een dier dat heet porkespijn.

Dit dier wandelt bij de zee

en in holen van bergen meer

als het nergens iets vindt

bij de zee te weg te kruipen vindt.

2705 In de zomer komt het zelden voort

maar als het de winter hoort

van koude maken ze groot geding

dan is haar wandeling.

Op het land en in het water mede

2710 houdt het zijn legerstede.

Met borstels zwart en wit

is het bevangen dit

die scherp zijn, grof en stevig

waar het zich mee weert ten strijde

2715 genaakt hem man of hond

het schudt zich en in korte stond

dan schiet het af twee of een

die invliegen tot het been

en hiermee is het altijd beschermd

2720 zo waar een gaat of vaart.

Van deze borstels is geschied

dat men er hechten van messen van ziet.

Hystrix cristata (hanekamvormig, van een kam voorzien) Stekelvarken, Duitse Stachelschwein of Dornswin. Het woord stamt uit m idden-Latijn porcus spinosus: doornig varken, vergelijk Italiaans porco spino en oud-Frans porc espin (nu porc epic) en midden-Engels porcepyn of porkepin wat porcupine werd. Mogelijk werd het varken genoemd naar zijn knorrend geluid.

Het stekelvarken had lang de reputatie dat die in staat was zijn pijlen op zijn aanvallers af te schieten. Dit geloof is zo oud als Aristoteles die spreekt van een alles of niets daad, de creaturen schieten dan uit hun haren zoals bijvoorbeeld het stekelvarken.

Plinius beschrijft ze aldus: ‘De porkpens komt uit India of Afrika, het is een soort van egel en met stekels zijn ze beide gewapend, maar de porkpens heeft langere en scherp gepunte naalden die als hij zijn huid uitstrekt van daaruit afvuurt’. Aelianus voegt toe dat ze zo goed afschieten dat ze hun aanvallers bezeren. (Als een stekelvarken in het nauw gedreven wordt dan zet hij zijn stekels op en valt door vlugge zij- of achterwaartse bewegingen aan zodat de uitdager voor hij er erg in heeft een aantal pennen in zijn huid heeft.)

 

 

Iena es i beeste

jn doede graue es hare feeste

2725dar dode gedoluen sijn

plinius scriuet ende solijn

dat hem twe dinghe behoren toe

want ets bede hie ende soe

bede als ende alsbeen

2730sijn hem euen stijt ouer een

so dat niet omme ysien can

en kerem altemale dan

dar erden sijn in die wostinen

gatet nachtes stillekine

2735ende verstaet nouwe ende hort

hoe van hare name es dat wort

ende lert haren name nomen

dan eist dicken bj nachte comen

roepen ter erden keten

2740nomende hoe si heten

ende alsetse vte brochte

doedese of et mochte

dicken dat dier ybaren leert

als een die wee heuet ende hem keerd

2745dat hi euet in sine maghe

ende als hi vant in sine claghe

weder dat man was ofte ont

dien verbeet al dar ter stont

jachonde comensi dar et gaet

2750ende het sine scade beslaet

so ebsi are bassen verloren

alle die dolen in are sporen

eist datetse mach begaen

danne verbitetse saen

2755ende dits wandel in sine maniere

dits wonder van desen diere

dese beeste draghet .j. steen

sijns gelike es negheen

voren int houet ofte int oghe

2760hier na alsic van stenen toghe

salic v gewaghen des

van des wulues grote so es

ende es ymanc na parde ghelike

vele vintmere in afrike

2765van der .j. gaet vte dat spel

nv hort vort van der .l

 

 

 

 

 

 

 

 

52. Hyena is een beest

in begraafplaatsen is haar feest

2725 waar doden begraven zijn.

(a) Plinius schrijft het en Solinus

dat hem twee dingen behoren toe,

want het is beide, hij en zij.

(b) Beide hals en halsbeen

2730 zijn hem even stijf overeen

zodat het niet omzien kan

en keert zich telkens om dan.

(c)Waar kudden zijn in de woestijn

gaat het ‘s nacht stilletjes

2735 en verstaat goed en hoort

hoe van hun naam is het woord

en leert die namen noemen

dan is het vaak ‘snachts gekomen

roepende bij hun hutten

2740 en noemde hoe ze heten

en als ze er dan uitkwamen

doodde hij ze als hij kon.

Veel dat dier gebaren leert

als een die wee heeft en zich uitgeeft

2745 wat hij heeft in zijn maag

en als hij dan vindt in zijn klagen

of dat een man was of een hond

die verbeet het al ter plaatse.

Jachthonden komen waar ze gaat

2750 en het zijn schaduw beslaat

dan hebben ze het bassen verloren.

(d)Alle dieren verdwalen in hun sporen

is het dat het ze kan pakken

dan verbijt het ze samen.

2755 En dit verandert zijn kleuren

dit is een wonder van deze dieren.

(e) Dit beest draagt een steen,

zijn gelijke is er geen

voorin het hoofd of in het oog,

2760 hierna als ik van stenen getuig

zal ik gewagen van dit.

Van de wolf grootte is het

en is gemaakt naar luipaard gelijk.

Veel vindt men er in Afrika.

2765 Van de j gaat uit het spel,

nu hoort voort van de l.

Hyaena, Latijn, van Grieks huaina, wat zwijn betekent vanwege de borstelige rug. Hyena, oud-Hoogduits IJena en Hienna, nu Hyane, Engelse hyena en Franse hyene.

De hyena kan men gerust grafdier noemen, want zowel Plinius als Solinus zeggen dat dit dier in de graven van gestorven mensen woont. De hyena voedt zich met menselijk vlees zoals andere dieren van gras leven.

(a) Het is in zijn soort dat die van sekse verandert want hij is nu en dan manlijk, dan weer vrouwelijk en daarom een onzuiver beest. Ze gaan niet alleen samen met hun eigen soort, maar ook met leeuwen, honden tijgers en wolven. Al bij Aristoteles wordt gezegd dat ze elk jaar van sekse veranderen. Het was een algemeen geloof dat ze om de zeven jaar van sekse veranderen of dat elk dier vrouwelijk en mannelijk was. Aristoteles ontkent dit, anderen bevestigen dit. Plinius accepteerde Aristoteles ongeloof, maar het geloof bleef zo in tot de middeleeuwen bestaan.

(b) ‘Zijn zeer stijve nek kan niet gebogen worden behalve als het hele lichaam draait. Zijn nek bestaat uit een enkel been, zonder gewricht waarin een bijzondere toverkracht zat’. Wat het gewrichtloze nekbeen betreft, dit denkbeeld is waarschijnlijk ontstaan uit de stijfheid van zijn nek die zodanig is dat als het dier achter zich wil zien of iets zijwaarts wil grijpen genoodzaakt is om zijn ganse lijf om te draaien.

 (c) ‘Komt hij ‘s nachts bij de huizen doet hij de stem van de mens na. Als hij spreekt als een mens dan moet je voor hem oppassen’. Plinius zegt dat als dit dier naar de stemmen van mensen luistert en de naam van een van hen leert dat hij hem dan roept met een geveinsde menselijke stem die hem naar de dood lokt. Hij bootst de mensenstem na en weet daardoor de schaapherders te betoveren zodat ze vastgenageld blijven staan op de plek waar ze zich bevinden. En schaapherders vertellen dat hij bij stallen als een man spreekt en sommige mannen bij hun naam noemt en met hen buiten afspreekt. Hij doet vaak voor alsof hij de man is die honden uitlaat zodat hij ze kan pakken en eten. Aristoteles heeft vermeld dat de hyena de honden aantrekt door het geluid van overgevende mensen na te doen. Zijn schaduw maakt dat honden stoppen met blaffen en stil zijn als hij in de buurt komt. Een aanleiding tot dit geloof is dat de hyena zich volkomen dood kan houden als er een troep honden in de buurt is, de honden snuffelen eraan en gaan tenslotte weg. Dan springt de hyena op en sprint weg. Zijn schaduwvacht van avondkleur, zijn lachen dat onderbroken wordt door gesteun en gegrom zijn allemaal geestenwerk.

(d)In de hyena is een zekere magische kracht die de geest van man en vrouw bezet of hun gevoel steelt. Als de hyena voor de jager uitvliegt en niet gevangen genomen kan worden draait ze met een bocht naar zijn rechterkant en draait door totdat de man voor hem is. Dit doet hij omdat hij zijn sporen en voeten wil ruiken, dan zal je zien dat de jager zo verdwaasd wordt dat hij niet in staat is om zijn hoofd te dragen of om op zijn paard te zitten maar er van af valt. In het geval dat hij naar de linkerkant draait is het een teken dat de hyena moe is en dan wordt hij gauw gepakt. Een vertaling van Plinius meldt dat het beest hyena wegvliegt voor de jager in een bocht draait via de rechterkant om het spoor van de man op te nemen, komt hij die niet achterna gaat de man door met zijn bezigheid anders valt de man van zijn paard. Wat Plinius werkelijk zegt dat, als de hyena rondgaat en de man zijn spoor oppikt, de ander dronken wordt en van zijn paard valt.

(e) Het midden van zijn rug is wat krom, geel van kleur en bespikkeld aan de andere kant met blauwe vlekken wat hem meer angstaanjagend maakt waarbij het lijkt alsof hij vele ogen heeft. ‘De ogen veranderen van kleur naar de stemming van het beest, een duizend keer per dag. Dit beest heeft eindeloze vele manieren