Der naturen bloeme. Jacob van Maerlant, ca. 1350.

 

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

Mensen, viervoetige dieren, vogels, slangen, insecten, bestiaria en meervoud bestiarium. Hetzelfde verhaal schreef ook Megenberg.

Inleiding staat onderaan.

 

 

Jacob van merlant die dit dichte

Omme te sendene tere ghifte

wil datmen dit boec nome

jn ulaems der naturen bloeme

5want noch noint in dietscen boeken

ne gheen dichtre wilde soeken

hiet te dichtene van naturen

van so messeliken creaturen

alse in desen boeken staen

10niemene nebbe dies waen

dat ic die materie vensede

els dan ic die rime pensede

want de materie vergaderde recht

van colne meester albrecht

15hute desen meesters die hir comen

die ic iv sal bi namen nomen

die erste es aristotiles

die met rechte wel deerste es

want hi van alre phisosophyen

20van alre naturliker clergien

bouen allen eidinen die hoit waren

crone draghet inder scaren

waer somen dit teikin siet AR

dats dat hi segghens pliet

25plinius die comet hier naer

wis boeke men oudet ouer waer

solinus dar na die van naturen

spreket scone in sire scrifturen

jn enen boeke diemen weet

30die vander werelt wondre heet

Sente ambrosius van melane

die van naturen doet te verstane

jn sinen boeke Exameron

dien nopmen dicken in dit doen

35sente bazelis sekerlike

dien got sende van emelrike

enen boec van beesten nature

staet dicken oec in dese scrifture

Sente isidorus oec mede

40die dicken groote nuttelikede

ghescreuen heuet in sinen boeken

dicken moetmen sijns hier roeken

echt meester iacob van vitri

bisscop van hakers so was hi

45sident cardinael van rome

sijns eist recht dat ic hier gome

een boec oec mar menne weet

wiene makede ghereet

die es geheeten onder hem somen

50experimentator hormenne nomen

sijn wort setti hier mede

alst noot es ter menegher stede

Galienus palladius

platearius fisogolus

55lucillus piso teofrastus

entie keiser claudius

dorothenus van athenen

ende dyogenus ghemeene

dymocritus apollodijn

60die vanden beesten die draghen venijn

jn sinen boeken latet besien

dionisius die fisisien

katon verro ende marcus

eraclides ende orpheus

65pitagoras ende menander

omerus ende nicander

mucianus dyagoras

virgilius ende andreas

coninc iuba patroneus

70coninc philometor metellus

coninc tholomeus vmbricus

coninc antigonus alfeus

coninc archelaus flaminus

philiomon ende nigidius

75ceneca ende cicero

entie wise ipocras also

nigidius ende matulidus

dit sijn die meesters dar wi dus

dit werc af ebben ghemaket

80dar toe die bouen allen smaket

dats die wise sente agustijn

seghet hier mede toe dat sijn

dar toe vander biblen de glose

saiet hier meneghe soete rose

85wien so fauelen dan vernoien

ende onnutte loghenen moien

lesier nutscap ende waer

ende uersta dat noit een haer

om niet ne mekede nature

90het nes so onwerde creature

sones teregher sake goet

want got die bouen al es vroet

dans te gheloeuene meer no min

dat hi hiet makede sonder min

95noch gheene dinc ne makede har seluen

noch die duuel noch die heluen

ne makeden creaturen nie

dies willic dat elc besie

ende loue gode van allen saken

100die wonderlic es in sijn maken

jc ebbe belouet ende wilt ghelden

ghewilleghelike ende sonder scelden

te dichtene .i. bestiaris

nochtan wetic wel dat waer is

105dat dar willem huten houe

een priester van goeden loue

van erdenborch: enen heuet ghemaket

mar hi waser in ontraket

want hine huten walsche dichte

110dies wart hi ontledet lichte

ende heuet dat ware begheuen

mar daric dit hute ebbe bescreuen

ebbic van broeder albrechte

van colne diemen wel met rechte

115hetet bloeme van der clergien

vp hem dar ix conlike lien

deerste boec sal iv bedieden

dat wonder datmen vindet van lieden

dander van .iiii. uoeten beesten

120darmen uele af spreket in geesten

die derde die sal sonder lieghen

sijn uan uoghelen die ulieghen

die vierde dats noch mee

es vanden wondre vander ze

125die uichte van uisschen meneghertiere

die die zee uoedet entie riuiere

den sesten belouic te sine

van serpenten met venine

die seuende sal sijn van wormen

130die sijn van messeliken uormen

die achtende van bomen die int wout

wassen arde menech fout

de neghende sal ghewaghen

van bomen die specie draghen

135die tiende sal bedieden dat cruud

dat menegherande heuet vertuud

die .xi. spreket van fonteinen

beeda van soeten ende van onreinen

die twelefste van dieren steenen

140beede van groten ende van cleenen

de dertienste van .vij. metalen

diemen moet huter erden halen

ende in allen desen boeken

mach hi vinden dies wilroeken

145medicina dachcurtinghe

scone redene ende leringhe

ende dit dichtic dor sinen wille

dien ix ian lude ende stille

dats mine here niclaus van cats

150ende omme dat mi ghebreket scats

biddic dat hem ghename si

dit iuweelkin van mi

Gode biddic al te voeren

ende sine moeder hute vercoren

155ende si minen sin verlichte

also dat ic moete dichte

dat vromelic si ende bequame

jc beghinne in marien name

Proloog.

 

Jacob van Maerlant die dit dicht

om te zenden een tere gift

wil dat men dit boek noemt

in Vlaams ヤder naturen bloemeユ,

want nog nooit in Dietse boeken

en geen dichter zal het zoeken

om hier te dichten van de natuur

van zulke verschillende creaturen

zoals in deze boeken staan.

10 Niemand heeft de waan

dat ik deze materie veinsde

anders dat ik de rijmen peinsde

want de materie verzamelde echt

van Keulen meester Albrecht (1)

uit de meesters die hierna komen

en die ik bij namen zal noemen.

De eerste is Aristoteles

die met recht wel de eerste is                           

omdat hij van alle filosofen

20 en van andere klerken over de natuur

boven alle heidenen die er ooit waren

de kroon draagt van de scharen

waar je soms dit teken ziet, AR (2)

dat is dat hij het hier te zeggen pleegt.

25 Plinius die komt hierna

wiens boeken men houdt voor waar

Solinus daarna die van natuur

mooi spreekt in zijn geschriften

in een boek die men kent

30 en die ヤVan de wereld wonderenユ heet.

Sint Ambrosius van Milaan

die van de natuur laat verstaan

in zijn boek ヤExameronユ

die noopt men veel hier te gebruiken.

35 Sint Basilius zeker

die God zond vanuit het hemelrijk

een boek over beesten natuur

staat ook vaak in dit schrift.

Sint Isidorus ook mede

40 die vele grote nuttigheden

geschreven heeft in zijn boeken

vaak moet men hem hier waarnemen.

Echt meester Jacob van Vitri

bisschop van Akko, dat was hij

45 en nu zittend kardinaal van Rome.

Ze hebben er echt op dat ik ze hier noem.

Een boek ook waarvan men weet

wie het maakte gereed

die is genoemd onder hen sommige.

50 Experimentator horen we wij het noemen.

Zijn woord zetten we hier mede

als het nodig is, op menige plaats.

Galenus en Palladius,

Platearius en Physologus,

55 Lucillus, Piso, Theophrastus

en de keizer Claudius,

Dorotheus van Athene,

en Dyogenus algemeen,

Dymocritus Apollodijn,

60 die van de beesten die dragen venijn

in hun boeken laten zien,

Dionysus de geneesheer

Cato, Varro en Marcus,

Eraclides en Orpheus,

65 Pythagoras en Menander,

Homerus en Nicander,

Musianus en Dyagoras,

Virgilius en Andreas,

Koning Juba, Patronius,

70 koning Philometor, Metellus,

koning Ptolomeus, Umbricus,

koning Antigonus, Alpheus,

koning Archelaus, Flamicius,

Philemon en Nigidius,

75 Seneca en Cicero

en die wijze Hippocrates alzo

Hygienus en Matilius,

dit zijn die meesters waarvan wij dus

dit werk van hebben gemaakt.

80 Daarbij die boven allen staat

dat is de wijze Sint Augustinus

zeg het hier mede bij dat je van zijn

glossaria van de bijbel

hier ziet menige zoete strofen.

85 Wie zo fabels dan verdrieten

en onnutte leugens vermoeien

lees hier de nuttigheid en waarheid

en begrijp dat nooit voor niets

om niet nee maakte de natuur,

90 zelfs al is het zoユn onwaardig creatuur

het is voor enige zaken goed

want God die boven alles verstandig

dat te geloven is meer of min

dat Hij het niet maakte zonder bedoeling

95 nog geen ding maakt zichzelf

nog de duivel, nog de elven

nee, maakten die creaturen niet.

Zo wil ik dat elk beziet

en God looft in alle zaken

100 die wonderlijk zijn in hun maaksel.

Ik heb beloofd en laat het gelden

gewillig en zonder schelden

te dichten een bestiarium.

Nochtans weet ik wel dat het waar is

105 dat heer Willem uit de Hof,

een priester van goede lof

van Aardeburg, er een heeft gemaakt

maar hij was er in verdwaald

want hij uit het Frans dichtte

110 dus werd hij gemakkelijk ontwricht

en heeft het ware opgegeven.

Maar waar ik dit uit heb beschreven

heb ik van broeder Albrecht

van Keulen die men wel met recht

115 noemt ヤbloem van de geestelijkheid.

Op hem durf ik koen te vertrouwen.

Het eerste boek zal u verklaren

van het wonder dat men vindt van lieden.

De volgende van viervoetige beesten

120 waarvan men veel spreekt in verhalen.

De derde, die zal zonder liegen,

zijn van vogels die vliegen.

De vierde, dat is nog meer,

is van de wonderen van de zee.

125 De vijfde is van vele soorten vissen

die de zee voedt en de rivieren

De zesde beloof ik te zijn

van serpenten met venijn.

De zevende zal zijn van wormen

130 die zijn van misselijke vormen

De achtste van bomen die in het woud

groeien zeer menigvuldig.

De negende zal gewagen

van bomen die specerijen dragen.

135 De tiende zal verklaren het kruid

dat menigvuldige kracht heeft.

De elfde spreekt van fonteinen

beide, van zoete en van onreine.

De twaalfde van dure stenen

140 beide, van grote en van kleine.

De dertiende van zeven metalen

die men uit de aarde moet halen.

En in al deze boeken

mag hij vinden, die zich er toe zet,

145 medicijnen en tijdverdrijf,

mooie redenen en lering.

En dit dicht ik door zijn wil

die 9 luid en stil,

dat is mijn heer Niclaus van Cats

150 omdat hij mijn gebreken schat

bid ik dat het hem aangenaam zij

dit juweeltje van mij.

God bid ik van tevoren

en zijn Moeder uitverkoren

155 dat zij mijn geest verlicht

alzo dat ik moet dichten

dat goed is en bekwaam

Ik begin in Mariaユs naam.

(1) Albertus Magnus.

(2) Aristoteles.

Menselijke levensstadia

 

Omme dat de mensce nader scrifturen

160coninc es der creaturen

es dus van hem mijn beghin

alst kint comet ter werelt in

so eist bouen allen dieren cranc

want het neuet crupen no ganc

165ende aristotiles die seghet

dat hem te wassene pleghet

ter seuender maent hare tande

ende meest es hare soch sulkerande

dat der vrouwen melc si heet

170dat kindekin ne doet noch weet

altoes negheen quaet

voer dat sprekens bestaet

dits deerste etaet vanden kinde

also als icket bescreuen vinde

175dandre etaet die gaet in

alst kint doet sprekens beghin

ende men seghet die spade gaen

dat si erst sprekens bestaen

lettel vindemerre die wel sproken

180her hem die moude werdet beloken

jn .v. iaren als aristotiles telt

heuet kint sire langhen delt

dese kintsce etaet strecket te waren

alsemen seghet te .xv. iaren

ende heuet ene name van suuerheden

jn latijn maer al nu heden

es die quateit so verheuen

datter lettel suuer leuen

tote dat si tharen daghen comen

hier bi heuet menscheit af ghenomen

ioghet hetet de derde etaet

die te .xv. iaren bestaet

ende strecket tote xxv iaren

dan wint die mensche uort te waren

mar lase de menscelichede

vloiet so nu in die onsuuerhede

dat de mensce hem seluen vertert

met te doene dat hi beghert

dat hi cume mach heten man

200gans ende salech raet wart dan

datmen huwelic wilde sparen

tote .xxii. iaren

dan sijn die senewen entie been

beede wlcomen ouer een

205ende die waesdoem es al wlcomen

plaghemens het soude nu vromen

manneit es die vierde etaet

die te xxxv. jaren ane gaet

dan es die mensce wlcomen

210ende nature heuet ghenomen

hare groue ende hare linghe

entie luxurie ende hare dinghe

beghinnen inden man te gaen

dan willi starke dinc bestaen

215dese etaet van deser tijd

maket orloghe ende strijd

ende nijd ende ouerde riset

die dicke te stride wiset

dese etaet loept te waren

220vpward tote .L. jaren

ten .L. iaren comt die oude

die noit niemen ebben woude

nochtan wilt al lange leuen

aristotilus heuet bescreuen

225dat die houde comen moet

alse den mensce ontgaet sijn bloet

al houden saen man ende wijf

die lettel bloets ebben int lijf

dese etaet vallet in een strec

230want so ghierech wert ende vrec

ende dit es de redene twi

die mensce merket wel dat hi

te dale gaet. ende wille sparen

hem die na hem comen te waren

235te ebne hare lijfnere

ende oec om sijn selues there

alse die curtelike dernaer

niet ne wint ende es swaer

jnde oude mindert inden man

240alle smette die hem ghinc an

maer vrechede ende gierechede

beghinnen eerst dan wassen mede

ja al plachire niet te voren

nv heeftise vaste vercoren

245dese etaet strecket te waren

nv bi tide tote lxx. jaren

vort meer alse die mensce lijd

van lxx. jaren die tijd

so gaet hi tsuffen ende rasen

250hem dinket al die werelt duasen

al dat hi siet dinket hem quaet

hi lachtert al dat wale staet

mar hi priset al datter was

datter nv es dinket hem gheduas

255sine crachte die te breken

jn allen dinghen sonder in spreken

dat andre liede bringhen vort

dinken hem [wesen] dulle word

ende tsine dinket hem wesen groot

260dese etaet die loept ter doot

want al dat lijf heuet ontfaen

moet ter doet ten hende gaen

maer dar na comt dat langhe lijf

dies nemmermeer ne wert gheblijf

265iof du sies dat enech man

ter gadoet spoet so nem dan

een mes ende mac int hore .i. gat

ende jof tu heues tijd ende stat

doe hem laten die mediane

270want bloet doet hem na minen wane

1. Menselijke levensstadia.

 

Omdat de mensen naar de schriften

160 koning is van de creaturen

is dus van hem mijn begin.

Als kind komt het ter wereld in

Zo is het boven alle dieren zwak

want het niet kruipt of gaat.

165 En Aristoteles die zegt

dat bij hem te groeien pleegt

in de zevende maand zijn tanden.

En meestal is hun zog zodanig

dat de vrouwenmelk is heet.

170 Dat kindje dat niets doet of weet

in ieder geval nog geen kwaad

voordat het spreken gaat.

Dat is de eerste staat van het kind

zoals ik het beschreven vindt.

175 De andere staat die gaat in

als het kind met spreken begint.

En men zegt het, die laat gaan lopen

dat die het eerste spreken gaan.

Weinig vindt men er die goed spraken

180 eer hem de schedel werd gesloten.

In vijf jaren, zoals Aristoteles telt

heeft het kind zijn langste gedeelte.

Deze kindse staat strekt ze te bewaren,

zoals men zegt, tot vijftien jaren

en heeft een naam van zuiverheden (1)

in Latijn. Maar nu tegenwoordig

is die kwaadheid al zo verheven

dat er weinig zuiver leven

totdat ze tot hun dagen komen.

Hierom heeft de mensheid achteruit gegaan.

Jeugd heet de derde staat

die vanaf vijftien jaar bestaat

en strekt tot vijf en twintig jaren.

Dan wint de mens voort te waren

maar helaas, de menselijkheden

vliedt zo in onzuiverheden

dat de mens zichzelf verteert

met te doen wat hij begeert

dat hij nauwelijks mens mag heten.

200 Goede en zalige raad is het dan

dat men het huwelijk moet sparen

tot de twee en twintigste jaren

dan komen de zenuwen en de benen

beide volkomen met elkaar overeen

205 en is de volwassenheid zo volkomen

doet men dit, het zou verbeteren.

Manlijkheid is de vierde staat

die met vijf en dertig jaren aangaat

dan is de mens volkomen

210 en de natuur heeft genomen

zijn dikte en zijn lengte

en wulpsheid en haar dingen

beginnen in de man te gaan,

dan wil hij sterke dingen doen.

215 Deze staat van deze tijd

maakt oorlog en strijd

en afgunst en hoogmoed die rijst

die vaak tot strijd wijst.

Deze staat loopt te waren

220 opwaarts tot vijftig jaren.

Met vijftig jaren komt de ouderdom

die nooit iemand hebben wou

nochtans willen allen lang leven.

Aristoteles heeft geschreven

225 dat de ouderdom komen moet

als de mens ontgaat zijn bloed

al ouderdom gelijk, man en wijf

die weinig bloed hebben in het lijf.

Deze staat vervalt in een streek

230 dan wordt hij gierig en een vrek.

Dit is om reden twee,

De mens merkt wel dat hij

te dal gaat en wil sparen

voor hen die na hem komen te waren

235 en te hebben hun leeftocht

en ook om zichzelf te daar

als ze dit kort daarna

niet verdienen kunnen en het zwaar wordt.

Met de ouderdom vermindert in de man

 240 alle smetten die hem gingen aan,

maar vrekkigheid en gierigheid

beginnen dan eerst te groeien mede.

Ja, al was hij dat niet tevoren

nu heeft hij het helemaal uitverkoren.

245 Deze staat strekt te waren

opwaarts soms tot zeventig jaren

verder meer als de mens gaat.

Vanaf zeventig jaren die tijd

dan gaat hij suffen en razen

250 en denkt dat iedereen in de wereld daast.

Van alles wat hij ziet denkt hij kwaad

hij lacht alles uit dat goed staat

maar hij prijst alles dat er was

dat er nu is is voor hem dwaas.

255 Zijn krachten die breken

in alle dingen, uitgezonderd in het spreken.

Wat andere lieden brengen voort

denkt hij te zijn gekke woorden

en het zijne dat denkt hij wijsheid groot.

260 Deze ouderdom loopt ter dood

want alles wat het lijf heeft ontvangen

moet met de dood ten einde gaan.

Maar daarna komt dat lange leven

dus nimmermeer is er een blijven.

265 Als je ziet dat enig man

naar snelle dood of pest spoedt neem dan

een mes en maak in het oor een gat

en als je hebt tijd en plaats

laat hem een ader in het midden van de arm.

270 want het bloed doodt hem naar mijn waan. (3)

(1) Burger: De kindertijd [ノ] ontleent haar naam (pueritia) aan het woord dat ヤzuiverheidユ betekent (puritas) - de afleiding is onjuist, maar typerend voor de middeleeuwse etymologie, die vrijwel uitsluitend gericht was op het achterhalen van de vermeende grondbetekenis van een woord.

(3) zijn bloed is dodelijk, vandaar het bloed laten.

nv hord van wonderliken lieden

dar ons die wise of bedieden

maer eer wi spreken van elken allene

horter of teersten int ghemeene

275om dat dese eerste boec bedied

dat wonder dat men ter werelt siet

so vraghemen of dat volc te samen

van adame onsen vader quamen

ende wi segghen neensi niet

280het ne sij also ghesciet

als ons scriuet adelijn

die seghet dat centauroene sijn

ghewassen ter werelt an

van den beesten ende van den man

285die wise segghen ieghen dat

al eist ghesciet te menegher stat

dat sulke dier onlanghe leuen

sente Jeronimus heuet bescreuen

jn sente pauwels vite

290die was die eerste heremite

datten sente anthonis sochte

jn die woude dar hi mochte

hem quam een wonder te ghemoete

een man staende up gheets uoete

295ende vor sijn vorhoft horne twe

alse buxhorne min no me

ende seide aldus spreke die scripture

jc bem eene steruelike creature

ende van minen ghesellen bode

300ende wi bidden v dat ghi bid gode

ouer mi ende ouer de mine

die hier wonen in de wostine

want wi bekennen dat hi es comen

den mensce te salicheden ende te vromen

305an scijnt na die vraie word

die men van Jeronimuse hord

als of dese creature adde jn

menscelike redene ende sin

maer wine segghen altoes niet

310dat dus beestelic een ghediet

van adame moghen sijn comen

ende al vindemen an hem somen

menscelike lede .i. deel

onse geloue es dat geheel

315dat si die siele niet hebben ontfaen

die nemmermeer machte gaen

ende het nes te wonderne niet

dat dus beestelic een ghediet

een deel van meeren sinne si

320want bi auonturen bedj

dat si in vterliken leden

gheliken der menscelicheden

si sijn een deel van binnen

machlichte van subtilen sinne

325dan andre bestelike diere

dit machmen dit merken schiere

nu es hier ghesproken int ghemene

vort hort van elken wondre allene

2. Nu hoort van wonderlijke lieden

daar ons de wijzen van aanwijzen,

maar voor wij spreken van elk alleen

hoor er eerst van in het algemeen.

275 Omdat dit eerste boek aanwijst

van het wonder dat men in de wereld ziet,

dan vraagt men of dat volk tezamen

van Adam onze vader kwam.

En wij zeggen, neen, dat is het niet

280 het is niet zo geschied.

Zoals ons schrijft Adelinus

die zegt dat er Centaurs (1) zijn

gewonnen in de wereld van

de beesten en van de man.

285 De wijzen zeggen er tegen dat

al is het gebeurd op vele plaatsen

en dat zulke dieren niet zeer lang leven.

Sint Hi喪onymus heeft ze beschreven

in Sint Paulus leven.

290 Die was de eerste heremiet

die naar Sint Antonius zocht

en in het woud waar hij mocht

kwam hem een wonder tegemoet

een man staande op geitenvoeten

295 en voor zijn voorhoofd horens twee

als bokkenhorens min of meer

en zei, aldus zegt de schrift,

ヤik ben een sterfelijk creatuur

en van mijn gezellen een bode

300 en wij vragen u opdat u bidt tot God

voor mij en de mijnen

die hier wonen in de woestijn

want wij bekennen dat Hij is gekomen

om de mensen zalig te maken en te bate.

305 Nu schijnt het na die fraaie woorden

die men van Hi喪onymus hoorde

alsof dit schepsel had in

menselijke rede en geest.

Maar wij zeggen altijd niet

310 dat dusdanige beesten die dit doen

van Adam mogen zijn gekomen.

En al vindt men aan hen soms

menselijke leden, een deel

ons geloof is geheel

315 dat ze niet de ziel hebben ontvangen

die nimmermeer mag uit gaan.

Het is te dan niet te verwonderen

dat dusdanig beestachtig volk

een deel van meerdere geesten is.

320 Want uit verhalen blijkt

dat ze in uiterlijke leden

gelijken op de mensen.

Ze zijn een deel van binnen

mogelijk van subtielere geest

325 dan andere beestachtige dieren.

Dit mag men opmerken snel.

Nu is hier gesproken in het algemeen

voort hoort van elk wonder alleen.

(1) paring van mens en dier, een onocentaur. Dit fabuleuze dier begon zijn literaire bestaan in de Septuagint. De Griekse versie van Jesaja 13: 21 en 34: 14 geeft onocentaurs weer voor het Hebreeuwse woord wat in de geautoriseerde versie ヤveldgeestenユ geworden is. ...ユen veldgeesten daar rondhuppelen, wilde honden zullen huilen in de burchten en jakhalzen in de paleizen van wellustユ, 34; 14 ヤ..veldgeesten ontmoeten elkander, ja, daar zal het nachtspook verwijlen en een rustplaats voor zich vindenユ. Dat deze vertalers van Jesaja het woord niet uitgevonden hebben zien we in een passage van Aelianus waar hij, na de beschrijving van de onocentaur, zegt: メPythagoras stelt dat dit ding, naar de getuigenis van Crates, uit Pergamum komtユ. Naar alle waarschijnlijkheid waren de vertalers bekend met Crates. Toen ze dan ook dit vreemde woord tegenkwamen hadden ze een probleem om het Hebreeuwse woord voor een ヤverschrikkelijke dierユ te vertalen en maakten er een onocentaur van.

De onocentaur is een van de dieren die voorkomt in de Physiologus. Het dier heeft een menselijk gezicht en is omgeven door dik haar, heeft handen en het bovenste deel van het lichaam is menselijk in vorm, maar het lagere gedeelte met de achterpoten lijkt op die van de ezel. Er wordt geen melding gemaakt van een staart. De kleur van het lichaam is asgrijs met wat wit aan de lendenen. De handen hebben een dubbele functie, als snelheid nodig is worden ze gebruikt als voeten en gaat het dier net zo snel als andere viervoeters. Als het nodig is om iets te plukken of te grijpen worden ze weer handen, dan wandelt het niet maar zet zich neer. Naar deze opmerkingen zou je zeggen dat het een staartloze aap was. Zonder deze beschrijving zou de naam suggereren dat het een monster was die van de klassieke centaur verschilt doordat het lichaam een ezelsgedeelte heeft in plaats van een paard. Het is de satyr, zie onder. Er zijn schrijvers als Adelinus die zeggen dat deze monsters ontstaan uit de paring van ezels met mensen.

Burger: Volgens Lucretius (De rerum natura, boek v) kunnen centauren niet bestaan, aangezien het paarddeel zou sterven voordat de menselijke helft de volwassenheid zou kunnen bereiken.

Mulder: De onocentaurus verenigt in zijn naam onager (ezel) en centaur. Ook dit wonderwezen kwam in de bijbel voor: in Job 13:21, zoals geciteerd door de Physiologus, verschenen ヤsirenen en onocentaurenユ. In de bijbelvertaling van Hieronymus, de Vulgaat, zijn beide verdwenen. Plinius verhaalt hoe hij ten tijde van keizer Claudius een hippocentaur gezien heeft die met honing gebalsemd van Egypte naar Rome werd gebracht (Naturalis Historia, VII, 35).

 

Jacob van vitri die seghet

330dat in orienten leghet

lande van wonderliken lieden

jn sinen boeken ormen bedieden

ende in andren boeken mede

dat daer es in ere stede

335volc van vremder manieren

een lant belopen met riuieren

dat amasonia es ghenant

el niet dan vrouwen wonen int lant

sonder gheselscap van manne

340entar sijnre meer nochtanne

danne .cc. dusent vrouwen

weltijt datse manne scouwen

dat si van .i. wighe keeren

dar si zeghe ebben met eren

345so nighen si hem alle daer

nemmeer dan ene warf int iaer

e willen si te manne gaen

ende alsi kint ebben ontfaen

eist cnapelin si oudent .vii. iaer

350ende sendent den vader dar naer

eist maghedekin si oudent dan

dus ouden si har lant sonder man

de manne wonen van hem verscheden

dar nes gheen geselscap van em beeden

355ghelijc recht datmen mach merken

dat die uoghelen met crommen becken

die femelen starker sijn

dan die merlen alst es anschijn

also machmen dar bescouwen

360starker bouen mannen vrouwen

oec neist ieghen redene niet

diemen bi naturen siet

want somen sere wederstaet

der onsuueren luxurien raet

365darmen bi uele machts verdriuet

somen met rechte starker bliuet

hoe dat beghin van desen vrouwen

erst quam machmen bescreuen scouwen

si quamen huten lande van sweden

370ende waren hem met moghenteden

hare manne af ghesleghen

van volke was dar bi gheleghen

dar quamen si met ghemenen rade

vp hem die hem daden die scade

375ende sloghent alte male doot

ende wraken hare scade groot

ende voeren wonen in dat lant

dat amasonia es ghenant

ende nemmermer vort sine wouden

380dat manne hare heren wesen souden

dese wijf sijn den kerstinen houd

ende ebben gheuochten met ghewoud

met ons up die sarrasine

dus es hare gheloue an scine

 

 

 

 

 

 

 

 

3, Jacob van Vitry die zegt

330 dat in de Ori創t ligt

een land van wonderlijke lieden.

In zijn boeken hoort men aanduiden

en in andere boeken mede

dat daar is in een plaats

335 een volk van vreemde manieren

in een land doorlopen met rivieren

dat Amazonia (1) is genoemd

en er alleen maar vrouwen wonen in dat land

zonder gezelschap van mannen

340 en daar zijn er meer nochtans

dan twee honderdduizend vrouwen.

Soms dat ze mannen aanschouwen

als ze van een strijd keren

waar ze zegen hebben met eren

345 dan buigen ze voor hen alle daar.

Nooit meer dan eenmaal in het jaar

dan willen ze naar de mannen gaan.

En als ze een kind hebben ontvangen

en is het een jongen dan houden ze het zeven jaar

350 en zenden het de vader daarna.

Is het een meisje dan houden ze het.

Dus houden ze hun land zonder man

en de mannen wonen van hen gescheiden.

Daar is geen gezelschap van hen beiden

355 gelijk dat men terecht mag opmerken

dat er vogels zijn met kromme bekken

de vrouwtjes sterker zijn

dan de mannetjes, als het lijkt,

alzo mag men het daar beschouwen.

360 Sterker boven mannen zijn die vrouwen. Ook is het tegen de reden niet

die men bij natuur ziet,

want zo men zeer weerstaat

de onzuivere wulpse raad

365 waar men veel kracht bij verdrijft

zodat men met recht sterk blijft.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe dat het begin was van deze vrouwen

eerst kwam mag men beschreven beschouwen

dat ze kwamen uit het land van Zweden

370 en waren hen met mogendheden.

Hun mannen afgeslagen

door volk dat daarbij was gelegen.

Toen kwamen ze met algemene raad

op hen die hun deden de schande

375 en sloegen hen allen dood

en wraken hun grote schade

en gingen wonen in dat land

dat Amazonia is genoemd.

En nimmermeer wilden ze

380 dat mannen hun heer wezen zouden.

Deze wijven zijn de christenen goedgunstig

en hebben gevochten met geweld

met ons tegen de Sarasijnen

dus is hun geloof aanzienlijk.

(1) Deze, tot de verbeelding sprekende amazones, zouden hun woonplaats te Themistyra aan de vloed Thermodon in Pontus hebben. Toen de Grieken daar later met Alexander de Grote aankwamen en er geen amazones aantroffen vertelden ze dat ze allemaal door Hercules overwonnen waren. Men heeft ze nooit gevonden. Toch bleven ze tot de verbeelding spreken. In de Griekse mythologie is het zo een strijdlustig vrouwvolk geworden die onder een koningin leeft en maar een maal in een jaar met mannen tezamen komt. Bij de geboorte hielden ze alleen de meisjes waarvan later een borst weggebrand werd zodat ze de boog beter konden hanteren. De jongens werden naar de vaders gezonden of gedood of aan handen en voeten verminkt zodat ze alleen tot ondergeschikt huiselijk werk in staat waren Soms worden ze dochters van Ares genoemd, ze zouden hun mannen deels gedood en deels verjaagd hebben. Of ze worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een Scythisch volk waarvan de mannen alle in de oorlog omgekomen zijn.

De krijgszuchtige vrouwen waren een geliefd onderwerp voor de Griekse artiesten. Maar in de Griekse kunst worden ze meestal met beide borsten, in Scythische of in Griekse kleding met opgetrokken chiton en een schouder en borst bloot en te paard of te voet afgebeeld. Nergens vind je het verhaal bevestigd dat ze de pas geboren meisjes de rechterborst afgebrand zouden hebben. Dit verhaal is waarschijnlijk een mislukte poging om de naam te verklaren. Het Griekse amazon, (in meervoud amazones) werd door de Grieken opgevat als a-mazos: zonder (rechter)borst.

Hun strijd tegen de Griekse helden en de nederlaag die ze telkens lijden, is waarschijnlijk niet anders dan een mythologische voorstelling van een poging om een eredienst uit te breiden die op de hogere Griekse beschaving afstuitte. Waarschijnlijk gaat de sage op Scythische volkeren terug waarin de voortijd het moederrecht bestond en de vrouwen met de mannen mee vochten.

Het geloof bleef bestaan. Toen de Europese ontdekkers aan de oever van de Marannon gewapende vrouwen ontdekten, gaven ze die stroom dan ook de naam van Amazonenrivier.

Een Boheemse overlevering verhaalt van een merkwaardige geschiedenis van vrouwen in de geest van de mythische Amazones. Onder aanvoering van een zekere Wlasta scheidde zich een menigte jonge vrouwen af tot een organisatie die op militaire wijze werd ingericht. Ze versterkten de streek die ze tot woonplaats hadden gekozen met forten en handhaafden zich acht jaren lang tegen de hertog van Bohemen, Przemyslas. De manspersonen die in hun macht vielen werden omgebracht of voor slavendiensten gebruikt.

Burger: Geloof in de kracht die seksuele onthouding en maagdelijkheid schonken, was wijdverbreid in de middeleeuwen. Jacobus van Vitry vertelt in een van zijn exempelen over een jongen die opgevoed is in een klooster en nog nooit van zijn leven een vrouw gezien heeft. Op een dag neemt de abt hem mee op reis. Ze houden stil bij een smidse om de paarden van nieuwe hoefijzers te laten voorzien. De jongen neemt een roodgloeiend hoefijzer van het aambeeld en geeft dat aan de smid - zonder kreet van pijn, zonder zich te branden. De twee brengen de nacht door in een herberg, waar de jongen wordt verleid door de vrouw van de waard. Als hij de volgende dag bij een smid nogmaals een heet hoefijzer oppakt, moet hij het met een gil van pijn laten vallen.

 

385andre lieden heten nakede vroede

wonen daer in hare hoede

homoedech naket ende arem mede

die onwert ebben die hoechede

van arderike alte male

390jn holen wonen si sonder zale

hare wijf ende hare kinder

wonen metten beesten ghinder

sine vechten none striden

wilen quam in ouden tiden

395alexander in hare lant

ende alsise wijs ende arem vant

heuet hi homoedelike gheseit

bidt dats ghi wilt ets iv ghereit

doe seiden si doe onse bede

400wi bidden di dan ontsteruelicede

alexander antworde hem

jc die selue steruelic bem

welker wijs mochtic v gheuen

dat ghi soudet ewelike leuen

405doe seiden si seghet dat dijn raet

datti emmer te steruene staet

twi iaghestu achterlande dan

te scendene so meneghen man

daer sijn lieden van andre maniere

410ouer ganges die riuiere

dien de lettre hetet bracmanne

van sonderlanghen liue nochtanne

want dats wonderlike dinc

her de gots sone lijf ontfinc

415screuen wiselike de gone

vanden vader ende vanden sone

ende van hare euengheweldechede

an alexandre dor sine bede

ende scinen hare wort openbare

420joft kerstinlic gheloue ware

andre lieden wonen dar neuen

die om te comene in dat leuen

dat na dat steruen comet hier

hem verbernen in .i. vier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. 385 Andere lieden heten naakte wijzen

en wonen daar in hun hoede.

Ootmoedig, naakt en arm mede

die niets ophebben met hoogheden

van het aardrijk allemaal.

390 In holen wonen ze zonder zaal

hun wijf en hun kinderen

wonen met de beesten ginder

zij vechten niet of strijden.

Wijlen kwam in oude tijden

395 Alexander in hun land

en toen hij ze wijs en arm vond

heeft hij barmhartig gezegd,

ヤbidt wat gij wilt en het wordt gedaanユ.

Toen zeiden ze, ヤdoe ons deze bede

400 wij bidden u dan om onsterfelijkheidユ.

Alexander antwoordde hen,

ヤik die zelf sterfelijk ben,

Op welke manier mag ik je geven

dat gij eeuwig zou leven?ユ

405 Toen zeiden zij, ヤzeg dan uw raad

omdat u immer te sterven staat,

waarom jaagt u in achter landen dan

om te schenden zoveel mannen?ユ

 

 

 

 

 

 

 

 

Daar zijn lieden van een andere soort,

410 over de Ganges, de rivier,

die de boeken noemt Brahmanen.

Van apart leven leven nochtans

want dat is een wonderlijk ding,

eer God de Zoon een lijf ontving

415 schrijven al wijs diegene

van de Vader en van de Zoon

en van haar eeuwigheid

aan Alexander, door zijn bede

en schijnt hun woord openbaar

420 alsof het Christelijk geloof ware.

 

 

 

 

 

 

 

Andere lieden wonen daar naast

die om te komen in dat lange leven

dat na het sterven komt hier

zich verbranden in een vuur.

 

425ander uolc es daer onuroeder

die haren uaer ende hare moeder

alsi van ouden sijn uersleten

te doot slaen ente samen heten

ende dit ouden si ouer weldaet

430dies niet ne dade hi hiete quaet

oec vindemen dar in somech lant

menghen grooten gygant

[die .xii. cubitus sijn lanc]

ende uolxkin so clene so cranc

435cume so groot wi lesent dus

alse .iii. uoeten iofte .ii. cubitus

ar sijn urouwen horic iwagen

die als enewarf kinder draghen

entie werden grau geboren

440ende alsi out sijn als wijt horen

so werdet hem al swart dat aer

ander wijf wonen dar naer

diere viue bringhen tere drachte

mar sine leuen der iare mar achte

445oec es dar .i. uolc geseten

die die rowe visscen heten

ende drinken die soute zee

ander uolc so wont dar me

die de hande ebben verkert

450ende andie voete als men ons lert

ebben si theen twewarf viere

volc esserre van vremder manire

dien de uoeten stan verkert

ende als ons sente ieronimus leert

455so esser erande volc vonden

die sijn gehoeft ghelijc den onden

met crummen clawen ende met langhen

ende met beesten uellen behanghen

ende ouer hare spreken bassen

460ander uolc es dar ghewassen

so cleenen mont ebben die liede

dat si met enen cleenen riede

n sughen moeten dar si bi leuen

ander uolc es dar beneuen

465die menschen heten als ict ore

dese uolghen lieden bi spore

bider roke dats hare maniere

tote dat si comen tere riuiere

ende dar nemen si den lieden dat lijf

470weder het si man of wijf

 

 

 

 

 

 

 

 

425 Ander volk is daar dwaas

die hun vader en hun moeder

als ze van oudderdom zijn versleten

dood slaan en samen eten.

En dit houden ze voor weldaad

430 die het niet doet, hij heet daar slecht .

 

 

 

 

 

 

 

Ook vindt men daar in sommig land

menige grote gigant.

[die 5,5 m zijn lang]

 

 

 

 

 

 

435 En een volkje zo klein en zo zwak nauwelijks zo groot, wij lezen aldus,

als drie voeten of negentig cm.

 

 

 

 

 

Daar zijn vrouwen, hoor ik gewagen,

die eenmaal een kind dragen en die worden grauw geboren.

440 En als ze oud zijn, zoals wij het horen,

dan wordt hen helemaal zwart dat haar.

 

 

 

 

 

 

Een ander wijf woont daar naast

die er vijf brengt in een dracht

maar zij leven daar maar acht jaar.

 

 

 

 

 

 

445 Ook is daar een volk gezeten

die rouwe vissen eten

en drinken van de zoute zee.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ander volk zo woont daar meer

die de handen hebben verkeerd

450 en aan die voeten, als men ons leert,

hebben ze tenen, twee maal vier.

 

 

 

 

 

 

 

 

Volk is er van een vreemde soort

van wie de voeten staan verkeert.

 

 

 

 

 

En zoals onze Sint Hi喪onymus leert

455 is er een soort volk gevonden

die voeten heeft gelijk de honden

met kromme klauwen en met lange

en met beestenvellen behangen

en in plaats van spreken bassen.

 

 

 

 

 

 

460 Ander volk is daar gegroeid

zoユn kleine mond hebben die lieden

dat ze met een klein rietje

zuigen moeten willen ze blijven leven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ander volk is daar naast

465 die mensen eten, zoals ik het hoor,

en volgen lieden bij een spoor

via de geur, dat is hun manier,

totdat ze komen bij een rivier

en daar nemen ze van die lieden het lijf

470 of het een man of wijf is.

 

 

ander lieden die wonen daer bi

die heeten arismaspi

ofte ciclopen in latijn

die maer met enen oge sien

475ende staet hem int vorouet voren

5, Andere lieden die wonen daarbij

die heten Arismaspi (1)

of Cyclopen in het Latijn

die maar met een oog zien

475 en dat staat hen in het voorhoofd voor.

(1) Aristeas, 900 v. Chr., had een reis gemaakt naar het land der Issodoniers (ongeveer bij Irkoetsk) die de buren waren van de Arismaspen en mensen waren met een oog (arima: een, spou: oog) Dat de griffioenen in het hoge noorden op de Rhipaise bergen de goudmijnen tegen de Arimaspen bewaakten. De griffioenen leefden met de rijdende Scythisch Arimaspen en zo ook met hun paarden in vaste vijandschap. Vandaar het spreekwoord: メiugentur grypes equis, dat is ヤhet onmogelijke zal mogelijk wordenユ. De verhalen over hen, over eenogige demonen en over wezens die de gouden hemelberg bewaakten bleven eeuwenlang een gezocht onderwerp.

Burger: Ook bekend als ヤgymnosofistenユ, de middeleeuwse versie van de Indiase yogiユs. Misschien danken ook de parasolvoeten hun ontstaan aan ontmoetingen met yogiユs.

Mulder: Mede-eeuwigheid - van ヤmede粗uwigユ, ヤmet iemand of iets eeuwig bestaandeユ (theol.).

De meeste middeleeuwse geleerden zagen de aarde als een bol, verdeeld in vijf klimaatgordels - het is een lasterlijke misvatting dat middeleeuwers dachten dat de aarde plat was. De gordels rond de polen waren onbewoonbaar door de grote koude; het gebied rond de evenaar liet geen mensen toe door overmatige hitte. De enige twee bewoonde gebieden waren dus de gematigde zones ten noorden en ten zuiden van de evenaar. In de loop der tijd werden de mensen die aan de ommezijde van de wereld leefden, onze tegen voeters, verward met het door de Griekse reizigers beschreven mensenras waarvan de voeten naar achteren wezen, zodat ze in de dubbele betekenis van het woord ヤtegenvoetersユ of ヤantipodenユ werden. Dit volk veroorzaakte doctrinair ongemak: als het evangelie gepredikt was ヤtot de einden der wereldユ, dan was het niet mogelijk dat er op het zuidelijke deel van de aarde, door hitte en oceanen gescheiden van de rest van de mensheid en verstoken van de heilsboodschap, ook bezielde wezens leefden. Bovendien stammen volgens de Schrift alle mensen af van Adam - hoe konden er dan aan de andere kant van de wereld, aan gene zijde van de ondoordringbare hittegordel rond de evenaar, 覧k mensen leven? Tot ver in de dertiende eeuw werd de antipodenleer dan ook fel bestreden van kerkelijke zijde.

Toch bood het bestaan van dergelijke volkeren, op veilige afstand van de mogelijkheid tot verificatie, ook theologische voordelen. Augustinus bezwoer de ketterse gedachte aan uitzonderingen op de natuurlijke orde met het argument dat het bestaan van monstervolkeren ons toont dat Gods wijsheid niet faalt als er bij ons een mismaakt kind geboren wordt. Kinderen met een staart, met twee hoofden, bedekt met haar of schubben, zonder mond, of met aaneengegroeide benen (ヤsirenenvormingユ) werd met deze redenering de status van ヤspeling der natuurユ ontnomen. Strikt genomen bestonden spelingen der natuur dan ook niet: de uitdrukking was bekend, maar het was alleen onwetendheid die de mens een spelende natuur deed zien.

Mensen met hondekoppen - in het Latijn de cynocephali. Vaak afgebeeld op kathedralen en kerken in voorstellingen van de apostelen die het Evangelie over de gehele aarde verspreiden - de cynocephali vertegenwoordigen daarin he Pygmee創 - de vroegste verwijzing naar de strijd tussen kraanvogels en pygmee創 is te vinden in HomerusIlias, in de eerste regels van het derde boek.

Brixant - een mythische zijrivier van de Nijl. ヤt meest onbeschaafde en afgelegen volk.ユ

 

ander volc es daer gheboren

die loepen vtermaten seere

met enen uoete ende met nemmere

nochtan es die voet so bret

480dat si hem ieghen die sonne heet

hem bescermen dar mede

war dat si rusten teregherstede

ander lieden dies gheloeuet

vindemen dar al sonder houet

485hare oghen in hare scouderen staende

jn hare barste .ij. gate hute gaende

houer nese ende houer mont

eisemlic sijn si als .i. hont

ander lieden sijn dar beneuen

490die bi enes appels roke leuen

sonder andre spise tontfane

eist dat hem uerre staet te gane

si draghene uoer hem ter noot

want ander sijns so bleuen si doot

495quame hem eneghe quade lucht an

oec wonen daer wilde man

met .vi. vingheren an elke hant

6, Ander volk is daar geboren,

die lopen uitermate snel

met een voet en niet meer,

nochtans is die voet zo breed

480 dat ze tegen de zonnehitte

zich beschermen daarmee

waar ze rusten in enige plaats.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere lieden, wat men gelooft,

vindt men daar al zonder hoofd, (1)

485 hun ogen in hun schouders staan

in hun borst gaan twee gaten uit

voor neus en voor de mond,

ijselijk zijn ze als een hond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere lieden zijn daar naast

490 die bij een appelgeur leven

zonder andere spijs te ontvangen.

Is het dat ze ver moeten gaan

dan dragen ze (appels)voor de nood

want anders bleven ze dood

495 als er bij hen enige kwade luchten aankwamen.

 

 

 

 

 

 

 

Ook wonen daar wilde mannen

met zes vingers aan elke hand.

 

 

(1) Albertus Magnus, 1186-1280, bespreekt mensen in warme streken. Er zouden er zijn zonder hoofd waarbij de ogen in de schouders zitten, in de borst zitten twee gaten voor de neus en mond. Hij besluit: メEyselijc sijn si als een hontモ. Mogelijk had hij dat van Plinius, die beschreef al vreemde mensenrassen in Afrika. Mogelijk de hondskopapen. Plinius verhaalt dat er een reuzenras was die Syrbotas genoemd werd en een klein ras de Pygmae, verder dat de Machlyes van beide sekse zijn en dat de Maritimi vier ogen hadden, op vier voeten wandelden de Limantopodes, ook was er een ras die geen mond had maar zich voedde via strootjes. Het ras Blemnyae had geen hoofden maar gezichten op hun borst. Daar lijken ze geen hinder van te hebben, het enigste pr