ORBIS TERRARUM, Theatrum, Patriae et Amicis, 1570.

Abraham Ortelius.

 

Uit de Herzogin Anna Amalia Bibliothek.

http://ora-web.swkk.de/digimo_online/digimo.entry?source=digimo.Digitalisat_anzeigen&a_id=1504

 

Originele tekst met zo goede mogelijke vertaling door Nico Koomen, Alkmaar.

 

 

 

 

 

1. ORBIS TERRARUM.

Der Welt Kraysz.

 

ise TabŸl begreifft und stellet und fŸr ein form oder bildnus desz gantzen Erdbodens, sampt den OCEANO, oder hohen Meer, soherumb fleust, welchen gantzen Erdkreys die Alten, so von der newen Welt noch nichts gewžst, in drey theil, Nemlich, Asiam, Africam, und Europam, getheylet haben. Nach dem aber America, das ist, New Indien erfunden worden, wirt sie, als fŸr den vierdten theyl, jetsziger zeyt, hinzu gesetzt, und man ist auch des fŸnfften, so gegen Mittag ligen sol, gewertig. Gerardus Mercator, der fŸrnembste unter den Geographen, unserer zeyt, theylet disen Erdkrays in seiner nimmer mehr genug gelobten Universal tabul in drey Continenter oder Landschafften, und nennet dise die Ersten, so von den alten, wie gesagt, in drey theyl ist gheteylet worden, Ausz welcher auch das Menschliche geslacht, wie die Heylige schrifft beweiset, seinen ursprung genomen hat. Die ander ist die, so man jetziger zeit Americam oder das Indiam gegem Nidergang nennet. Die dritte, nennet er Terram Australem, das Land gegen dem Mittag, so ettliche auch Magellanicam heissen, und heutiges tages nur an ettlich wenig Ufern bekandt ist. Dise Welt sol in jrem umbkraysz wie die Alten gelehret, und auch jetziger zeyt darfžr gehalten wirt, da sie am weitesten, indie 5400 Teutscher, oder aber 21600 Welscher Meyln begreiffen. Und dise Portiones oder theyl der Erden (sagt Plinius in seinem andern Buch der Natur erkundiging) oder vil mehr (wie andere gelehret) der Punct der Welt, (dann je das Erdrich gegen dem gantzen Universal nichts anders zuachten) ist der zeug oder Materi, an der wir ehr und ruhme suchen, da ist unser sitz und wonung, da treiben wir ubermut und gewalt, trachten nach grossem Reichthumb, da rumoret das Menschliche geschlecht, da erregen wir auch BŸrgerliche Krieg, machen, das durch mord und Todschlag das Erdrich onde und weit wirt, Und (das ich der offentlichen und gemeynen unsinnigkeyt der V™lcker geschweyge) disz ist das Erdrich, in dem wir unsere benachbawrte vertreiben, und mit unrecht und betrug, einer des andern Marcken auszgrebt, und zu seinem vortheyl versetzt, damit nur, der, so seine Nachbawren ausz jren Grenitzen veriaget, vil Landes innen haben und bezitzen k™nne, Und wann er nun sein gentziges mžtlein ers‰ttigt, wie mit einem geringen ™rtlein, musz er nach seinem Tod zu friden sein, So vil sagt Plinius. Dises Erdrichs, sampt des Oceani oder Hohen Meers gelegenheyt, ordnung der LŠnder, den krŸmmen der H‰fen oder grossen BŸgen des Meers, sampt der V™lcker sitten und gebreuchen, und was sonsten zuwissen, haben sich understanden zubeschreiben.

 

Ausz den Alten.

Ptolomaeus Alexandrinus. C: Plinius secundus, in seinem 3, 4, 5, 6 Buch der Natur erkundigung. Strabo, in 17 Bžchern. Solinus Polyhistor. Pompenius Mela. Dionysius Apher Sampt dem, so uber in Commentirt. Eustathius. Apuleius in seinem bžchlein vonder welt. Diodorus Siculus in v™rdern 5 Bžchern der Bibliothec. Martianus Capella. Paulus Orosius zu f™rderste seiner histori. Berosus hat die Antiquiteten der Welt beschriben. Antonius Augustus (ist anderst der Titel recht) die Raysen. Stephanus derselben St‰tt. Vibius Equester, nach ordnung des Alphabethes, die Flžsz, brunnen, See, W‰lde, Berge, V™lcker.

 

Ausz den Newen.

Rapha‘l Volaterranus. Albifedea Isma‘l, in Arabischer sprach. Iohannes Honterus. Sebastianus MŸnsterus. Antonius Ertzbischoff zu Florentz, im 3. Capittel des 1. Titels, seiner Geschicht Bžcher. Dominicus Niger. Ioannes Aventinus in seiner Bayerischen Histori. Ioannes Camers uber den Solinum. Georgius Rythamerus. Ioachimus Vadianus. Laurentius Corvinus Novof. Antonius Veronensis. Petrus Ioannes Olivarius uber den Melam. Gualterus Ludovicus in seinem Weltspiegel. Zacharias Lilius Vicent, von gelegenheyt der Welt. Alexander Citolinus, in senier Typocof. Vicentius Gallus im andern Buch Speculi Historialis. Gulielmus Postellus. Hartmanus Scheydel, zu ende seines Cronici Cronicorum. Ioannes Mandevilius, und sein geferte. Odericus von Friaul. Gaudentius Merula, im fžnfften Buch Memorabilium, das ist, der ding so wol zu mercken sein. Franciscus Monachi, in der Epistel an den Bischoff zu Panormitan. Antonius Pinetus, hat in Frantz™sischer sprach, und Conterfeungen viler L‰nder (Dann so laut der Titel) grosser und kleiner St‰tt, Europae, Asiae, Africae, und der newen Welt Tabulen beschrieben und an tag geben. Iulius Ballinus hat der beržmbtesten in der gantzen Welt St‰tt Conterfeyungen, sampt derselben kurtzen Historischen erklerung, in Italianischer sprach auszgehen lassen. Benedictus Bordonius der gantzen Welt Insulen. Petrus Apianus und Bartho, Amantius derselben alte namen. Iohannes Bohemus von allerley V™lckern moribus und gebreuchen.

1. ORBIS TERRARUM.

De Wereld Omvang.

 

Deze map bevat en stelt voor een vorm of afbeelding van de ganse aardbodem met de Oceaan of groe zee zo die er eromheen vloeit welke ganse cirkel de ouden, die van de nieuwe wereld nog niets wisten, in drie delen verdeeld hebben, namelijk Azi‘, Afrika en Europa. Nadat echter Amerika, dat is nieuw Indien, gevonden is geworden wordt ze in deze tijd als het vierde deel erbij gezet en men heeft ook de vijfde die zo tegen het Zuiden ligt vermeld.

Gerardus Mercator, de voornaamste onder de geografen van onze tijd deelt deze aardcirkel in zijn nooit genoeg geprezen universele map in drie Continenten of landschappen en noemt de eerste die van de ouden, zoals gezegd is, in drie delen gedeeld wordt. Daaruit heeft het menselijke geslacht zoals de Heilige Schrift bewijst zijn oorsprong genomen. Die andere is zo men men tegenwoordig Amerika of het Indie tegen het Westen noemt. De derde noemt hij Terram Australem, het land tegen het Zuiden zo ettelijke Magellaan noemen en tegenwoordig maar van een paar oevers bekend is. Deze wereld zou in zijn omvang, zoals de ouden leerden en ook nu daarvoor gehouden wordt, in het breedste 5400 Duitse (1 mijl = 7, 5325 kilometer) maar echter 21600 Italiaanse mijlen omvatten. En deze porties of delen van de aarde (zegt Plinius in zijn andere boek van de natuur verkondiging) of veel meer (zoals anderen leren) is het punt van de wereld (dan het aardrijk is tegen de ganse universum niet anders te achten) is de getuigenis of materie waarin we eer en roem zoeken, dat is onze zetel en woning, daar drijven we overmoed en geweld, zoeken naar grote rijkdom, daar roert zich het menselijke geslacht, daar provoceren we ook burgelijke oorlogen, maken dat door moord en doodslag het aardrijk onder wijd wordt en (dat ik van het openbare en gewone onzinnigheid van de volkeren zwijg) dat is het aardrijk waarin we onze buren verdrijven en met onrecht en bedrog de ene zijn andere markten uitgraaft en tot zijn voordeel zet zodat hij, zo hij zijn buren uit hun grenzen verjaagd heeft, veel landen hebben en bezitten kan. En als hij dan zijn ganse moed verzadigd heeft moet hij na zijn dood tevreden zijn met een klein plaatsje tevreden zijn. Zo veel zegt Plinius. Dit aardrijk samen met de oceaan of grote zee gelegendheid, ordening van de landen, het krommen van de havens of grote bogen van de van de zee met de volksgebruiken en zeden en wat verder te weten hebben zich bemoeid om er van te schrijven.

 

 

 

 

Uit de ouden.

Ptolemaeus Alexandrinus. C: Plinius secundus, in zijn 3, 4, 5 en 6de boek van de natuur verkondiging. Strabo in 17 boeken. Solinus Polyhistor. Pomponius Mela. Dionysius Apher samen met die zo over hem commentaren geven. Eustathius. Apuleius in zijn boekje van de wereld. Diodorus Siculus in de verdere 5 boeken van de bibliotheek. Martianus Capella. Paulus Orosius in het vervolg van zijn historie. Berosus heeft de antiquiteiten van de wereld beschreven. Antonius Augustus (is anders de titel echt) die reizen. Stephanus van dezelfde stad. Vibius Sequester, naar ordening van het alfabet de vloeden, bronnen, zee, wouden, bergen en volkeren.

 

Uit de nieuwe.

Rapha‘l Volaterranus. Albifedea Isma‘l, in Arabische spraak. Johannes Honterus. Sebastianus MŸnsterus. Antonius aartsbisschop in Florence in het 3de kapittel van het 1ste titel van zijn geschiedenis boeken. Dominicus Niger. Joannes Aventinus in zijn Beierse historie. Joannes Camers over de Solinus. Georgius Rythamerus. Joachimus Vadianus. Laurentius Corvinus Novof. Antonius Veronensis. Petrus Joannes Olivarius over de Melam. Gualterus Ludovicus in zijn wereldspiegel. Zacharias Lilius Vicent, van de gelegenheid der wereld. Alexander Citolinus, in zijn Typocofsmia, Vincentius Belvacensis (Gallus) in het andere boek Speculi Historialis. Guilielmus Postellus. Hartmanus Scheydel, op het eind van zijn Cronici Cronicorum. Joannes Mandevilius, en zijn vaaarreizen. Odericus von Friaul. Gaudentius Merula, in het vijfde boek Memorabilium, dat is, de dingen zo goed te merken zijn. Franciscus Monachi, in het epistel aan de bisschop te Panormus (Palermo). Antonius Pinetus, heeft in Franse spraak en afbeeldingen van vele landen (dan zo luidt de titel) grote en kleine steden van Europa, Azie, Afrika en de nieuwe wereld mappen beschreven en aan het licht gebracht. Julius Ballinus heeft de broemdste steden van de ganse wereld afbeeldingen en daarmee ook een korte historische verklaring in Italiaanse spraak laten uitgeven. Benedictus Bordonius alle eilanden van de hele wereld. Petrus Apianus en Bartholomaeus Amantius van die hun oude namen. Johannes Bohemus van allerlei volkeren en gebruiken.

 

 

2. Es ist sich nicht genugsam zuverwundern, dasz das gantze Hemisphaerium oder halbe Kugel, so America, und von wegen jhrer unmeszlichen gr™sse, die Newe Welt genendt wirt, den Alten sol unbekandt bliben, und allererst nach Christi geburt, 1492, durch Christophorum Columbum von Genua erfunden worden sein. Dann wann man den grossen fleisz der Alten in beschreibung der Welt, auch die gute und fžgliche gelegenheyt grosser Regiment frembde L‰nder zuersuchen, neben dem unersttlichen Geysz der Menschen betrachten wil, die sich allerley unterstehen, Geld und Gut, dessen in disen Landen ein unglaublicher uberflusz ist, an sich zubringen, hab ick mich offt verwundert, das uns in diser Welt, dise Land, so lang haben verborgen k™nnen sein. Etlich meynen, Plato hab solche unter dem namen Atlantis beschriben, Und Marinaeus Siculus sagt in seiner Spannischen Chronica, das dises orts in einem Goldbergwerck ein alte MŸntz auff welcher desz Keysers Augusti Bildtnusz gewesen, sey gefunden, und zum warzeychen von Johann Ruffo Ertszbischoffen zu Consentz, dem Bapst verehrt worden. Es w™llen auch etliche dafžr halten, als habe Seneca durch einen Poetischen trieb beweget, vor erfindung diser Land, in nachfolgenden Verslein geweissagt:

Venient annis

Saecula seris, quibus Oceanus

Vincula rerum laxet, & ingens

Pateat tellus, Typhisque novos

Detegat Orbes,

Nec sit terris ultima Thylei.

 

Zu Teutschem so vil:

Nach disen sp‰ten Jaren werden zeyten

kommen, das der Oceanus, sampt den gros-

sen Erdboden sich auffthun, Typhis der kžnst-

liche Schiffman Newe Land an Tag brin-

gen, Und also Thyle nit mehr das Eusserste

ort der Welt sein wirt.

 

Oder Reymweis also:

Es komot nach disen spaten Jarn

Die zeyt, darinn man wirt erfahren,

Wie das der grosz Oceanus

gerissen sey ausz seinem Flusz.

Und sich das grosz Land hab auffthan,

Und Thyphis der Kžnstliche Schiffman,

Hab erfunden und zeige Land,

Die man vor niemals hat erkandt,

Und Thyle nit mehr werd genend,

In der Welt aller Land ein End.

 

Hiemit stimmet auch der Sibyllae Carmen, welchs, wie Iacobus Navarchus schreibet, Anno 1505, da Emanuel in Lusitanien regiert, zu ende des Promontorij oder Vorgebirgs Lunae (sonsten Rochan de Sinna genandt) am Ufer desz Meers in eine vierckichte Seulen gehawen, ist gefunden worden.

Volventur saxa litteris, & ordine rectis,

Cum videas Occidens, Orientis opes.

Gangus, Indus, Tagus, erit mirabile visu,

Merces commutabit suas uterque sibi.

 

Zu Teutsch also:

Es werden durch Briefe und Cleye gewerb geschehen,

weil du Nidergang sihest was grossen Reichthumes in Orient

Ist. Ganges, Indus, Tagus, dises Flusz (welche wun-

derlich wirt zuschen sein) werden jhre Wahren beyderseyts

gegen einander verstechen.

 

Oder Reymweis also:

Es werden durch Brief und Gcleyt,

Gewerb geschehen weit und breyt,

Weil du Nidergang sihest klar,

Desz Orients Richthumb und Wahr,

Da Ganges, Indus und Tagus

(Welchs selzam zuschen sein musz)

Werden offt mit G‰ttern auff brechen,

Und einander jhr Wahr verstechen.

 

Disen gantzen Theyl der Welt, hat man zu unsern zeyten umbschifft, ausser den Tract oder Strich gegen Mitternach, welchs Ufer noch nicht bekandt sein, Und streicht von Mitternacht gegen Mittag, in form zweyer Peninsularum oder halben Insulen, soo durch ein Isthum oder klein land zwischen zweyen Meeren gelegen, unterschieden werden. Die Peninsula oder halbe Insul so etwas mehr gegen Mitternacht ligt, Begreifft in sich, New Hispanien, die Provinsz Mexicana, Terram floridam, Terram novam. Die ander so bas gegen Mittag ligt, ende von den Spanniern Terra firma das veste Land genandt wirt, begreifft Peruviam und Bresiliam. Was mehr van disen Landen zuwissen, kan ein jeder so lust zur Geographia hat, beym Levino Apollonio, Petro Martyre van Meyland, Maximiliano ausz Sibenbžrgen, so in Lateinischer sprach davon geschriben haben, lesen. Man findet auch vil, so nit zuverachten, in der Jesuiter Epistolen. So verheist auch Postellus Commentaria oder verzeychnus derer ort und Geschicht, desz Atlantischen Meeres. Volgende Historij haben von disen Landen offentlich und expresso, doch alle in jhrer Mutter sprach, so gemeynglich Spannisch, geschriben, man findet sie aber auch alle in Italianische sprach transferirt.

 

Petrus Ciecus Legionensis. Gonsalus Ferandus Oviedus. Fernandus Cortesius. Peterus Alvaradus. Diegus Godoyus. Alveres Nunnius. Nunnius Gusmannus. Franciscus Ullaus. Franciscus Vasques. Antonius Mendoza. Frater Marcus Nizzensis. Fernandus Xeresius. Ioannes Verazzanus. Americus Vespucius. Franciscus Lopes de Gomara. Hieronymus Benzonius. Iacobus Cartier, und Andreas Thevetus in Frantz™sischer sprach. Iohannes Stadensis, Teutsch.

Men kan zich niet genoeg verwonderen dat de ganse hemisfeer of halve kogel, zo Amerika die vanwege haar onmetelijke grootte de Nieuwe Wereld genoemd wordt, de ouden onbekend zou zijn en allereerst in 1492 na Christus geboorte door Christophorus Columbus van Genua is gevonden. Dan als men de grote vlijt van de ouden in de beschrijving van de wereld en ook de goede en gevoeglijke gelegenheid van grote regiment om vreemde lande te doorzoeken naast de onverzettelijke geest van de mensen betrachten wil die zich van alles ondernemen om geld en goed dat in deze landen in een ongelooflijke overvloed is tot zich te brengen heb ik me vaak verwonderd dat bij ons in deze wereld dit land zo lang verborgen kon zijn. Ettelijke menen dat Plato die onder de naam van Atlantis heeft beschreven. En Marinaeus Siculus zegt in zijn Spaanse kronieken dat in dit oord in een goudvindplaats een oude munt gevonden is waarop de keizer Augustus afbeelding is gevonden die als symbool van Johann Ruffo, aartsbisschop van Konstanz, aan de Paus vereerd is geworden. Er willen ook ettelijke het daarvoor houden als zou Seneca door een po‘tische drang bewogen het vinden van dit land in het volgende versje voorspeld heeft:

ÒVenient annis

Saecula seris, quibus Oceanus

Vincula rerum laxet, & ingens

Pateat tellus, Typhisque novos

Detegat Orbes,

Nec sit terris ultima Thylei.Ó

 

In Duits zoveel als:

Na deze laatste jaren zullen tijden

komen dat de oceaan samen met

de grote aardbodem zich opent en Typhis

de kunstige scheepvaarder nieuw land aan de dag

brengt en alzo zal Thule niet meer het uiterste

oord van de wereld zijn.

 

Of rijmvormig alzo:

Er komt na deze late jaren

De tijd waarin men zal ervaren,

Hoe die grote oceaan

Gerezen is uit zijn vloed.

En dat zich het grote land heeft open gedaan

En Thypis ze kunstige zeevaarder,

Heeft gevonden en toont nieuw land,

Die man hiervoor niet heeft gekend,

En Thule niet meer wordt genoemd,

In alle landen van de wereld het einde.

 

Hiermee stemt ook overeen de Sibyllae Carmen die, zoals Jacobus Navarchus schrijft anno 1505, toen Emanuel in Portugal regeerde toen op het eind van de Promontorio of voorgebergte van Lunae (anders Rochan de Sines genoemd) aan de oever van de zee in een vierkante zuil gehouwen gevonden is:

Volventur saxa litteris, & ordine rectis,

Cum videas Occidens, Orientis opes.

Gangus, Indus, Tagus, erit mirabile visu,

Merces commutabit suas uterque sibi.

 

In Duits alzo:

Er zal door brieven en klei werk geschieden,

Terwijl u in het Westen ziet welke grote rijkdom er in Ori‘nt

Is. Ganges, Indus,  Tagus (Taag) deze rivieren (die het wonderlijk

waard zijn te zien zijn) zullen hun waren aan beide kanten

tegen elkaar verstoppen.

 

Of rijmvormig alzo:

Er zal door brieven en klei,

Handel geschieden wijd en breed,

Terwijl u helder in het westen ziet,

Dat de rijkdom en waren van de Ori‘nt,

De Ganges, Indus en Tagus

(die zeldzaam moeten te zien zijn)

worden vaak met gaten open gebroken,

om elk hun waren te verstoppen.

 

 

Dit ganse deel van de wereld heeft men in onze tijden omvaren buiten het traject of streek rond het Noorden wiens oevers nog niet bekend zijn en gaat van het Noorden naar het Zuiden in de vorm van twee schiereilanden of halve eilanden zo door een Isthum, of kleine land, dat tussen twee Zee‘n ligt onderscheiden worden. Die schiereilanden of half eiland zo wat meer in het Noorden liggen bevat Nieuw Hispania, (Amerika) de provincie Mexico, Terra Florida en Terram Nova (Nieuw Land) Die andere zo beter tegen het Zuiden liggen en van de Spanjaarden Terra Firma, het vaste land, genoemd wordt omvat Peru en Brazili‘. Wie meer van deze landen wil weten kan iedereen die lust tot geografie heeft bij Levino Apollonia, Petro Martyre van Milaan, Maximiliano uit Siebenburgen die er in Latijnse spraak van geschreven hebben lezen. Men vindt ook veel en niet te verachten in de Jezu•eten epistels. Zo noemt ook Postellus Commentaren of betekenis van het oord en geschiedenis van de Atlantische Zee. De volgende historici hebben van deze landen openbaar en bewust gesproken maar alle in hun moeder taal en meestal Spaans. Men vindt ze echter ook in Italiaanse taal overgezet.

 

Petrus Ciecus Legionensis. Gonsalus Ferandus Oviedus. Fernandus Cortesius. Peterus Alvaradus. Diegus Godoyus. Alveres Nunnius. Nunnius Gusmannus. Franciscus Ullaus. Franciscus Vasques. Antonius Mendoza. Pater Marcus Nizzensis. Fernandus Xeresius. Joannes Verazzanus. Americus Vespucius. Franciscus Lopes de Gomara. Hieronymus Benzonius. Jacobus Cartier en Andreas Thevetus in Franse taal. Johannes Stadensis in Duits.

 

 

3. Asia.

Asia wird durch den flusz Tanaim (und so man von desselben Quelle oder ursprung ein lini bisz zum Sinu Grandvico desz hohen Meers gegen Mitternacht zeucht) von Europa abgetheilet: Von Africa aber, durch den Isthmum oder enge Land, so zwischen dem Mari mediterraneo oder mitl‰ndischen Meer, und dem Sinu, Hafen oder Meers in Arabia ligt, sonsten ist es allenthalben mit Meer umbgeben. Disz Asiam haben die Alten mancherley weysz getheilet, Diser zeit aber, achte ick, k™nne es nit uneben in fžnff theil, nach zal der Herrschaften, so es administrien, unterschiden werden, unter welchen der erste, so an Europam st™szt, und dem GroszfŸrsten in der Moscaw unterthenig ist, sich an dem Mari Glaciali, eisigten Meer, dem Flusz Obio, dem See Kythaia, und von dannen in einer starcken lini bisz an das Mare Caspium, an dem Istmo oder kleinem Land, zwischen dem Caspischem Meer, und Ponto Euxino gelegen, endet. Das ander, so dem grossen Cham der Tattarn FŸrsten unterworffen, st™sset gegen Mittag an das Mare Caspium, den Flusz laxartem, und an den Berg Imaum: Gegen Morgen und Mitternach, an Oceanum oder hohe Meer: Vom Nidergang, an das obgedachte Reich des Moscowiters. Den dritten theil hat das Geschlecht oder Stamme der Ottomannen innen, und begreifft alle die Land, so zwischen dem Ponto Euxino, Mari Aegeo (jetzund Archipelagus, das Ertzmeer genannt) und Mediterraneo oder mitl‰ndischen Meer. Item, zwischen Egypten, dem Sinu oder Hafen in Arabia, und dann dem in Persia ligen, sampt dem Flusz Tigri und dem Isthmo oder kleinen land, zo zwischen dem Caspischen Meer und Ponto Euxino zesehen. Unter dem vierdten, ist das Reich der Perser, in welchem die Sophi jetziger zeit regirn, haben gegem Nidergang die Ottomannen, wider die sie stettige Krieg fžren, Gegen Mitternacht des grossen Chams Reich, Gegen Orient streckt es sich fast bisz an den Flusz Indum, Und st™sset gegen Mittag an das Meer, so jetzund das Indianische, vor zeiten das rote Meer genannt wurde. Der fŸnffste theil, ist das ubrige, so man jetzund, wie auch vor zeiten Indiam nennet, und ist nicht einem allein, wie die andern, sonder vilen FŸrsten unterworffen, Dann fast ein jedes Land dises theils sein eigen Herren hat,unter welchen auch etliche dem grossen Cham zinsbar sein. Es ist aber auch das n™ttig zuwissen, das schier alle die ort, so von dem Sinu Arabico an, bisz an das Promontorium oder vorgebirg, das man gemeiniglich Cabo de Lampo nennet, am Meer ligen (wie by dem 30. Grad latitudinis Borealis zusehen) dem K™nig in Portugal unterthenig, oder zinsbar sein. Disz Asiam beschreibt Strabo, von dem 6 anzufahen, in 11 BŸchern, Item, in 12 Tabulen, und gibt jm 40 Provintzen oder Landschafften. Aus den newe hat es keiner durch aus, und ein jedes sonderheit beschriben, M. Paulus Venetus, Ludovicus Vartomannus, und Ioannes Mandevilius (der doch voller Fabulen ist) haben allein das, sie sie auff jhren Raysen gesehen, und fžr n™ttig zuwissen geacht, verzaichnet. Besihe aber auch Iacobi Nomarchae des Jesuiten Epistel, Und wr habens auch in einer grossen Tabul beschriben, und vor dreyen Jarn in Druck verfertigt.

3. Azi‘.

Azi‘ wordt door de vloed Don (en zo men van die bron of oorsprong een lijn tot de golf of haven Grandvico (Baltische zee) van de grote zee tegen het Noorden ligt) van Europa afgedeeld. Van Afrika echter door de Isthmus, of klein of eng land, zo tussen de Mari Mediterraneo of Middellandse Zee en de Sinu, of golf of zee, die in Arabi‘ ligt, verder is het geheel door zee omgeven. Dit Azi‘ hebben de ouden op vele manieren verdeeld. In deze tijd echter, acht ik, kan het niet ongelijk in vijf delen naar het getal van de heersers zo het administratief onderscheiden wordt. Daaronder is de eerste zo aan Europa stoot en aan de grootvorsten in Moskou onderdanig is zich aan het Mari Glaciali, de ijszee, de stroom Ob, het meer Kytaia en vandaar in een sterke lijn tot aan de Kaspische Zee en isthmus, of kleine land, tussen de Kaspische Zee en Pontus Euxino (Zwarte Zee of Cappadoci‘) gelegen eindigt. Die ander zo aan de grote Khan van de Tartaren vorsten onderworpen stoot tegen het Zuiden aan de Kaspische Zee, de stroom Chesel (Iaxartes) en de (Imaus) Pamir mountains. Tegen het Westen en Noorden aan de oceaan of hoge zee. Van het Westen aan dat opgenoemde rijk van die van Moskou. Het derde deel heeft dat geslacht of stam van de Ottomanen en omvat alle landen zo tussen de Pontus Euxino, (Zwarte Zee) Maria Aegaeus, (nu Ege•sche zee, het erts-meer genoemd) en Mediterraneo of Middellandse Zee. Item, tussen Egypte, de Sinu of haven in Arabi‘ en die er in Perzi‘ liggen met de vloed Tigris en de Isthmus of klein land wat zo tussen de Kaspische Zee en Zwarte Zee te zien is. Onder de vierde is het rijk van Perzi‘ in welke de Sophi nu regeren, die hebben tegen het Westen de Ottomannen tegen wie ze steeds oorlog voeren, tegen het Noorden het rijk van de grote Khan en tegen Ori‘nt strekt er zich de vloed Indus en stoot tegen het Zuiden aan de zee dat nu Indische Oceaan en vroeger Rode Zee genoemd werd. Het vijfde deel is het overige zo men nu en ook vroeger India noemt die is niet een rijk alleen zoals de andere maat aan vele vorsten onderworpen. Want vast heeft elk land van dit deel zijn eigen heer waaronder ettelijk ook de grote Kan dienstbaar zijn. Het is echter nodig om te weten dat vrijwel alle oorden zo van de Sinu of haven van Arabi‘ af tot aan het Promontorium of voorgebergte dat men gewoonlijk Cabo de Lampo (bij de mond van de Jangtse of Yangtze) aan zee liggen (die bij 30 graden latitude Noordelijk te zien zijn) aan de koning van Portugal onderdanig en dienstbaar zijn. Dit Azi‘ beschrijft Strabo van de 6de aan te vangen in 11 boeken, item in 12 mappen en geeft die 40 provincies of landschappen. Uit de nieuwe heeft het geen geheel en elk apart beschreven M. Paulus Venetus, Ludovicus Vartomannus en Johannes de Mandeville (die toch vol fabels is) en hebben alleen dat wat ze op hun reizen gezien en voor nodig te weten geacht aangetekend bezie ook Jacobi Nomarchae het Jezu•eten epistel. We hebben het ook in een grote map beschreven en drie jaar geleden in druk gemaakt.

 

 

4. Africa.

Disz haben die Alten mancherley weise getheilet, jetziger zeit aber wirt es in vier Landtschafften, Nemlich, Barbariam, Numidiam, Libyam, und das Land der Nigriten oder schwartzen Moren, unterschieden. Der Barbariae, so etwas besser sein sol, geben sie das Atlandische und Mittl‰ndische Meer, den Berg Atlas und das Land Barcha, so an Egypten st™sset zu grenitzen. Numidia, welchs sie Biledulgeriol nennen, und vil Datteln bringet, daher es dann die Araben nit anderst, als Dactyliferam Regionem, das Dattelreiche Land nennen, gegem Nidergang an das Mare Atlanticum Atlantische Meer, von Mitternacht an den berg Atlas. Gegem Auffgang strecket es sich bisz an die Statt Eleacat, so van Egypten in 100 Meylen liget, Und hat gegem Mittag das sandichte wžste oder oude Libyen. Libya der dritte theyl, in Arabische sprach Sarra, welchs wort so vil als eine wžsten heissen sol, sehet gegen Orient am Nilo an, und strecket sich von dannen gegem Nidergang bisz an das Atlandisch Meer, hat gegen Mitternacht Numidiam, gegen Mittag grentzes es mit den Nigritis. Volget nu das vierdte theil, das Land der Nigritarum, so also entweder von den schwartzen inwonern, oder aber, von dem Flusz Nigro, so daran rŸret und hin fleust, ist genennet worden. Hat Libyam gegen Mitternacht, von Mittag Oceanum, Aethiopicum das hohe Meer in Morenland, Gegem Nidergang das K™nigreich Gualatae, vom Orient des K™nigreich Goagae. Und das ist zu mercken, das also etliche gantz Africam, in das Mare Mediterraneum, Atlanticum, Aethiopicum, und den Flusz Nilum, zusammen ziehen, und einschliessen, daher dann Egypten und Aethiopia oder Morenland dem Asiae zugetheylt werden, Ich achte aber neben Ptolemaeo, das es vil mehr durch das Mare Mediterraneum, und den Ocenanum oder hohe Meer, dann durch den obgedachten Flusz, mžsse umbschriven oder eingefangen werden, also das Africa welchs durch den Isthmum oder kleine Land zwischen dem Mari Mediterranco und Sinu Arabico gelegen, an Asia hanget, wie eine Peninsula oder halbe Insul gestalt sey. Diser theyl gegen Mitternacht, ist den Alten unbekandt blieben, bisz auff das 1497 Jar, in welchem Vasco de Gama, der erste gewesen, so fŸr das Promontorium oder vorgebirg bonae spei, oder tr™stlichen hoffnung, obergefarn, Africam umbschiffet, und bisz gen Calecutten kommen ist, Die Persi und Araber, nennen dise theil Lanzibar. Bey gedachtem Promontori Bonae spei, sein die Leut kolschwartz, welchs ich derhalben hab w™llen vermelden, weil jederman meinet, solche schwartze komme von hitz oder n‰hen der Sonnen, so doch dises ort (wann wir nach gelegenheit der Sonnen die hitz eines Landes rechnen w™llen) die Sonne nichts heisser ist, als bey dem Freto Magellanico Magelanische Meer, da doch sch™ne weise Leut wonen sollen. Solte aber solche schwartze von der Sonnen hitze kommen, mžste man besehen, warumb die Itali und Spanier, so eben so weit vom Acquinoctial Circul, als die umb das Promontorium Bonae spei, nemlich gegen Mitternacht, wie jene, bey gedachten Promontorio gegen Mittag wonen so weise leib hetten. Des Priester Ioahnni unterthane, sein etwas braunlechtig, Die aber in Zeylan und Malabar sein gar schwartz, und wonen doch eben so weit von dem Aequatore, und unter einem Parallelo oder Lini. Das ist sich aber zuverwundern, das in gantz America keine schwartze Leut, ohn an einem eynigen ort, von jnen Quareca genandt, sein sollen. Was aber fžr ein ursach solcher farb sey, ob sie von des Himels oder der Erden hitz džrren komme, oder von einer unbekandten eygenschafft des Landes, oder obs die Leut von Natur, ausz sonderer angeborner art, oder ausz disen ursachen allen haben, w™llen wir die urteylen lassen, so sich, die Natur zuerkundigen, befleissen. Die Groci, nennen dises Land Libyam, die Latini Africam, Darumb das es nicht seht kalt ist, Dem Iosepho nach aber, hat es den namen von einen Afro, so des Abrahe Nachk™mmling sol gewesen sein, Ein andere ursacht dises namens, findest du bey Ioanne Leone, Keiner ausz den Alten, hat dises land in sonderheit beschrieben, Besihe aber davon Arrium in des Hannonis, und Diodorum Siculum in des Iambolij Africanischer Schiffart. Ausz den Newem mag man lesen Aloysium Cadamostum, Vascum de Gama, Franciscum Alvares, welcher gantz Morenland durch raiset hat, Unter allen hat es Iohann Leo am fleissigsten beschrieben, So verheist Iohannes Barrius ein Buch von Africa, Vom Nilo, so der gr™ssiste Flžss der Welt sein sol, mag man das schreiben Ioann Baptistae Rhamusij, und Hieronymi Fracastorij lesen.

4. Afrika.

Dit hebben de ouden op vele manieren verdeeld maar nu wordt het in vier landschappen verdeeld. Namelijk Barbaria, (Marokko, Tunesi‘, Algerije) Numidi‘, Libi‘, en het land der Nigriten of zwarte Moren. (Mauritania tot Nigeria) Barbaria wat iets beter zou zijn geven ze het Atlantische Zee en Middellandse Zee, de berg Atlas en het land Barcha (nu rechts van Libi‘) zo aan Egypte stoot als grenzen. Numidi‘ (Noord Algerije en deel Tunesi‘) wat ze Biledulgeriol noemen en veel dadels geeft vandaar dat het door de Arabieren niet anders dan Dactyliferam regio, het dadelrijke land, noemen. Het ligt van het Westen aan het Mare Atlanticum of Atlantische Oceaan en in het Noorden aan de berg Atlas. Tegen het Oosten strekt het zich tot aan de stad Eloacat (Al Wahat) zo een 100 mijl van Egypte ligt en heeft in het Zuiden die zandige woestijn of oude Libi‘. Libi‘, het derde deel, in Arabisch Sarra (Sahara) wat woord zoveel als een woestijn heten zou, gaat tegen de Ori‘nt naar de Nijl en strekt zich vandaar naar het Westen tot aan de Atlantische Oceaan, heeft tegen het Noorden Numidi‘ en tegen het Zuiden grenst het aan de Mauritani‘. Volgt nu het vierde deel het land van de Nigritarum of van de zwarte inwoners of echter van de vloed Niger zo daarin roert en vloeit genoemd is geworden. Heeft Libi‘ in het Noorden en in het Zuiden de Oceaan Ethiopi‘, de grote zee in Morenland. Tegen het Westen tot aan de Atlantische Oceaan het koninkrijk Gualata of Mali en Mauritani‘  en in de Ori‘nt het koninkrijk Goagae (Burkina Faso) en het is te merken dat alzo gans Afrika de Middellandse, Atlantische, Indische en de vloed Nijl tezamen komen en insluiten waar dan ook Egypte en Ethiopi‘ en Morenland Azi‘ toebedeeld wordt. Ik acht echter met Ptolemaeus dat het veel meer door de Middellandse Zee en de Oceaan of grote zee dan door de boven vermelde vloeden moet omschreven of omvangen worden alzo dat Afrika die door de Isthmus of kleine land tussen de Middellandse Zee en de golf van Arabi‘ gelegen aan Azi‘ hangt zoals een schiereiland of half eiland gevormd is. Dit deel tegen het Noorden is de ouden onbekend gebleven tot het jaar 1497 toen Vasco da Gama de eerste was die zo voor het Promontorium of voorgebergte van Kaap de Goede of vertroostende hoop gevaren en rond Afrika gekomen is tot Calcutta. Die Perzen en Arabieren noemen dit deel Zanzibar. Bij vermelde Promontirium Kaap de Goede Hoop zijn de lieden koolzwart die ik derhalve heb willen vermelden omdat iedereen meent dat zoÕn zwarte kleur komt van de hitte of nabijheid van de zon zo toch dit oord (als we die naar gelegenheid van de zonnehitte een land rekenen willen) de zon niets heter is dan bij Freta Magellico of Zee van Magellaan waar toch mooie witte mensen wonen. Zou echter die zwartheid van de zonnehitte komen moet men bezien waarom die Italianen en Spanjaarden die net zo ver van de equinox cirkel als de Kaap de Goede Hoop, namelijk tegen het Noorden, zoals diegene bij vermelde Promontoria in het Zuiden wonen, zoÕ n wit lijf hebben. De priester Johannes (O. Afrika) onderdanen zijn wat bruinachtig. Die echter in Ceylon of nu Sri Lanka  wonen en Malabar zijn geheel zwart en wonen toch even ver van de equinox en onder een parallel of lijn. Dat is echter te verwonderen dat er in gans Amerika geen zwarte mensen zijn, uitgezonderd op een plaats die van hen Quareca genoemd worden. (Langs de Orinoco in Venezuela) Wat echter die oorzaak van die kleur is en of het van de hemelse of aardse droge hitte komt of van een onbekende eigenschap van het land of die mensen van natuur uit een bijzondere aangeboren aard of uit al deze oorzaken hebben willen we die oordelen laten zo zich van de natuur te verkondingen onderzoeken. De Grieken noemen dit land Libi‘, de Latijnen Afrika daarom omdat het niet zeer koud is. Naar Josephus echter heeft het de naam van een Afra die een nakomeling van Abraham geweest zou zijn. Een andere oorzaak van deze naam vind u bij Johannes Leo. Geen van de ouden heeft dit land bijzonder beschreven. Bezie daarvan Arrianus in de Hanno en Diodorus Siculus in de Jambolij Afrikaanse zeereis. Uit de nieuwen mag men lezen Aloysius Cadamostus, Vasco da Gama, Franciscus Alvares die geheel Morenland door gereisd heeft. En onder alle heeft Johannes Leo het beste beschreven. Zo noemt Jo‹o de Barros een boek van Afrika van de Nijl wat de grootste rivier van de wereld mag zijn en mag men het schrijven van Giovanni Battista Ramusio en Girolamo Fracastoroj lezen.

 

 

 

5. Europa.

HERODOTUS, sagt in seinem vierdten Buch, das man niemals von einigen Menschen hab erfahren k™nnen, woher, und von wem Europa den namen bekommen habe, on das er so von der Europa Tyria (Agenoris des K™nigs in Phoenicia Tochter) sol genennet worden sein. Plinius, nennet es ein erneererin des Volcks, so allen andern obsieget, und das sch™nest unter allen Landen, das es auch nicht der gr™sse, sonder der tugent halben, bisweilen Asiae und Africae sey vergleichet worden, Gewisz ist es, weil es sehr wol erbawet und volckreich ist, das es an menge des Volcks, nicht geringer, als der beyden eines, sol geacht werden. St™sset gegen Mitternacht und Morgen an den Oceanum, Gegen Mittag scheydet es das Mare Mediterraneum von Africa. Darnach gegen Auffgang, wirt es durch das Mare Aegoeum (jetzund Archipelagus das Ertzmeer) Pontum Euxinum (jetzt Mare Maggiore) dem See Meotidum (jetzt Mare delle Zabacche genandt) und de Isthum oder kleine Land, so von der Quelle oder ursprung des Flus Tanais (sonst Don genandt) in einer stracken Lini sich gegen Mitternacht strecket, von Asia abghetheylet, wie Glareanus bezeuget. Und ist also wie in der Tabul augenscheinlich, als ein Peninsula oder halbe Insul gestalt und anzusehen, Hat Rom, so vor zeitten ein Herrscherin uber die gantze Welt gewesen, zur Hauptstatt. Disz unser Europa, hat auszerhalb des R™mischen Reichs, so billich die gantze Welt ehren sol, wann man die vierzehen, welcke, wie Damianus schreibt, inn Spanien sein sollen, auch darzu rechnet, in die 28 unterschiedliche Reich, die sich alle zum Christlichen Glauben bekennen, daher dann leicht die Wžrde und Herrligkeit dises Landes zu crachten. Ist ein uberausz fruchtbar Land, natžrlich temperirt, und hat einen sanfften milden lufft, ja es ist so lžstig, un von wol erbawten St‰tten, D™rffern, M‰rckten, so hŸbsch gezieret, das es, ob es schon kleiner, dannoch von wegen der Tugent und dapfferkeyt des Volcks, den andern theiln, jeder zeit ist vorgezogen worden, und noch. Alle alte Scribenten haben es sonderlich, von wegen der Macedoner Kayserthumb, und der R™mer gewalt, hoch gepreiset. Davon lise mehr om Strabone, der es dann in seinem dritten und siben volgenden BŸchern, gar schon und zyrlich beschriben hat, Besihe aber gleichwol auch andere alte Geopgraphen. Ausz den newen haben sich auch unterfangen davon zuschreiben: Volaterranus, Sebastianus MŸnsterus, Dominicus Niger. Georgius Rythaimerus, in seiner Geopgraphi, Besonder aber habens beschrieben, Pius II, Christophorus & Ancelmus Cella. Es haben auch Cherubinus Stella, Iohannes Herbaceus und Georgius Meyerus Rayszbžchlein durch gantz Europam auszgehen lassen, in welchem auch, wie weit ein jedes ort von dem andern gelegen, verzeychnet ist. Dergleichen findest du auch zu ende des Buchs Grataroli, von jme Regimen iter agentium, das ist, Ein anleytung, derer so raysen w™llen, genandt.

5. Europa.

Herodotus zegt in zijn vierde boek dat men nooit van enig mens ervaren heeft vanwaar en van wie Europa de naam gekregen heeft, alleen dat het zo van Europa Tyria (de dochter van Agenoris de koning van Phoenici‘) genoemd zou zijn geworden. Plinius noemt het een voedster van het volk zo het alle andere overwint en de mooiste onder alle landen dat het ook niet de grootste maar vanwege de deugden soms met Azi‘ en Afrika vergeleken wordt. Zeker is het, omdat het zeer goed gebouwd en bevolkt is, dat het aan hoeveelheid van volk niet geringer is dan die beide geacht zal worden. Stoot tegen het Noorden en Westen aan de Oceaan. Tegen Zuiden scheidt de Middellandse Zee het van Afrika. Daarna tegen het Oosten wordt het door de Ege•sche of Archipelago) Pontum Euxinum (nu Mare Maggiore of Zwarte Zee) en de zee Meotidum (nu Mare delle Zabacche genoemd of Maeotis of zee van Azof)  en de Isthmus of klein land zo van de bron of oorsprong van de vloed Tanais (anders Don genoemd) in een strakke lijn zich naar het Noorden strekt en van Azi‘ afgedeeld wordt zoals Glareanus betuigt. En is alzo in de map ogenschijnlijk als een schiereiland of half eiland aan te zien. Heeft Rome, die vroeger een heerseres over de gehele wereld geweest is, als hoofdstad. Dit, ons Europa, heeft buiten het Romeinse rijk die zo billijk de ganse wereld eren zal, wanneer men die veertien die, zoals Damianus schrijft, in Spanje zullen zijn ook daartoe rekent in 28 te onderscheiden rijken die zich allen tot het Christelijke geloof bekennen vandaar dan licht de waarde en heerlijkheid van het land te achten is. Is een buitengewoon vruchtbaar land en natuurlijk getemperd en heeft een zachte milde lucht, ja het is zo lustig en vol goed verbouwde steden, dorpen, markten zo hubs versierd dat het, ofschoon kleiner, dan nog vanwege de deugd en dapperheid van het volk de andere delen elke tijd is voorgetrokken geworden en nog. Alle oude scribenten hebben het bijzonder en vanwege het Macedonische keizerrijk en Romeinse geweld zeer geprezen. Lees daarvan meer bij Strabo die het dan in zijn derde en zeven er op volgende boeken erg mooi en sierlijk beschrijft. Bezie ook gelijk andere oude geografen. Uit de nieuwe hebben zich daar mee bezig gehouden er van te schrijven: Volaterranus, Sebastian MŸnster, Dominicus Niger. Georgius Rithaimerus, in zijn Geopgraphi. Bijzonder echter hebben het beschreven Pius II, Christophorus & Ancelmus Cella. En hebben ook Cherubin Stella, Johannes Herbaceus en Georgius Meyerus reisboekjes door gans Europa laten uitgaan waarin men ook hoe ver een oord van de andere gelegen vermeld is vindt. Dergelijke vind u ook een het eind van het boek van William Gratarolus die van hem Regimini iter agentium, dat is, een aanleiding die zo reizen willen genoemd.

 

 

6. ANGLIA. Engeland.

Gantz Britania, so diser zeit dise zw‘n namen Engeland und Schottland hat, und zwey K™nigreich in sich begreifft, ist in unserer Welt die aller gr™ssiste Insul, und wirt in den Oceanum und das Teutsch und Frantz™sische Meer eingefangen. Der gr™ssiste theyl, so gegen Mittag ligt, und von den Englischen die es eingenommen, Engeland heist, Hat seinen eygen K™nig, und wirt in 30 Conventus oder gebieten, die man Graffschaften hessiet, auszgetheylet, Solche Graffschafften werden widerumb in 17 Bistumb oder Geystliche Regierungen, so die Grecken Diaeces, verwaltung nennen, getheylet. Disz Engeland stosset gegen Morgen an den Oceanum, Gegen Nidergang an Vualliam und die Grenitzen Corumbiae. Gegen Mitternacht hat es den Flusz Tueda, der es von Schotlland abtheylet. Ist ein sehr fruchtbar Land, hat sonderlich und grosse Viehzucht, daher es auch kompt, das die Leut mehr mit dem Vihe, dann dem Veldbaw umbgehen, und mehr fleisz auff die fžterung, dann das Ackerwerck legen, also das fast der dritte theyl diser Insul ungebawet, fŸr das Vihe behalten wirt. Ist zu vilen zeitten des Jars ein mittelmessige temperirt Land, eines gesunden unbeschwerlichen Luffts, daher es dann wenig Kranckheyten gibt, und also des orts die artzney weniger dann anderwo gebraucht wirt. Gibt da schier gar keine Erdbeben, auch schlecht das Wetter selten ein, hat ein fruchtbaren boden, aber keinem Weinwachs, aber man trinckt Bier an stat des Weins. Allenthalben gibt es vil Hžgel oder Berglein, auff denen kein Holtz oder B‰umen seien, auch nicht mit Brunnen oder W‰sserlein durchfeuchtet, und bringen gleichwol kurtz subtil Gras, davon die Schaf uberflžssig wayde haben k™nnen. Da sihet man auff gedachten Hžgeln die sch™nesten Herd Schafen, alle gantz weisz, welche entweder von wegen des Himels, oder des Landes art und gžten, die aller lindest und subtileste Wollen bringen, so in allen Landen zufinden ist, Disz ist das rechte Aureum vellus, Gžlden fehl, auff welchen vornemlich der gantze Reichthumb diser Insul stehet, Dann da wirt j‰rlich ein grosser schatz Gold und Silbers von den H‰ndlern, sonderlich dise Wahr ein zukauffen, in die Insul gebracht. Sie bringet kein vergifft Their, Aber von allerley art Vischen einen grossen uberflusz, Item da sind auch mehr und wolgeschmackere oder k™stlicher Ostreen, dann anderswo zufinden. Es hat auch Gold, Silber, Zin, Bleybergkwerck, auch Eisen, aber nicht vil.

 

SCOTIA. Schottlandt.

Den ubrigen theyl diser Insul nimmet Schottland ein, welchs allenthalben vil sicherer Port und anfurten hat, durch die das Meer gehen kan, Item See, lachen, flissende Wasser, so alle uber die masz Vischreich sein. Die Sprach vergleichet sich mit der Englischen. Und weil es wenig W‰ld und Holtz hat, brennet man an staat desselben, schwartze Kolen, so man ausz den Erdrich gr‰bet. Ire Gesetz und Regierung belangend, kommen sie mit den Englischen uberien, dann dise das Keyserliche Recht brauchen, Jene aber die Schotten, haben jre eygene und besondere Landordnung, satzung und gewonheiten.

 

HIBERNIA. Irland.

HIBERNIA oder Irland, ligt gegen Nidergang nahent bey Britannia, der sie auch lufft und landes halben nit fast ungleich, aber etwas Bergichter, und Wasserreicher ist, dann man auch auff den hohesten Bergen See und Weyer findet. Der gantzen Insul Hauptstatt, ist Dublinum Dublin. Der theyl diser Insul so gegen Orient und Engeland, ist dem K™nigreich Engeland unterworffen. Das ander theyl aber gegem Nidergang ist fast eittel gehžlsz, und wildtnus, und hat vil Herrschafften. Disz haben wir fast alles ausz Polydoro Virgilio genommen, welcker sehr weitleufftig und kžnstlich von disen Brittanischen Insulen geschrieben hat. Mehr haben auch davon geschriben, Paulus Iovius, Iohannes Mayer der Schott, Robertus Coenalis in seiner andern Periocha von Frantz™sischen H‰ndeln, Gregorius Lilius, Silvester Giraldus Cambrensis, Guilhelmus Paradinus, Ant: Sabellicus Enn: na, der Druiden Insula, so wider zu recht gebracht, findest du zu ende dises Buchs, eine sehr kžnstliche Epistel Humfredi Lhuid.

4. Anglia. Engeland.

Gans Brittanni‘ die zo in deze tijd twee namen heeft als Engeland en Schotland bevat twee koninkrijken in zich. Het is in onze wereld het allergrootste eiland en wordt in de Oceaan en de Noordzee en Kanaal omvat. Het grootste deel, zo tegen het Zuiden ligt en van de Engelsen is ingenomen heet Engeland. Heeft zijn eigen koning en wordt in 30 Conventies of gebieden die men graafschappen heet verdeeld. Zulke graafschappen worden wederom in 17 bisdommen of geestelijke regeringen, zo de Grieken Diacones of beheerder noemen, verdeeld.  Dit Engeland stoot tegen het Westen aan de oceaan, tegen het Noorden aan Cambria en Cumbria. Tegen het Noorden heeft het de rivier Tweed die het van Schotland deelt. Is een zeer vruchtbaar land en heeft bijzondere en goede veeteelt vandaar het ook komt dat de mensen meer met het vee dan met veldwerk omgaan en meer vlijt op de voedering dan op akkerwerk leggen. Alzo dat vast een derdedeel van dit eiland ongebouwd en voor het vee behouden wordt. Is in de meeste tijden van het jaar een middelmatig getemperd land met een gezonde en geen bezwaarlijke lucht waar het dan weinig ziektes geeft en alzo dit oord de artsenij minder dan ergens anders gebruikt wordt. Geeft daar vrijwel geen aardbevingen en slaat het weer zelden in. Heeft een vruchtbare grond maar geen wijn gewas, maar men drinkt bier in plaats van wijn. Overal zijn er veel heuvels of bergjes waarop geen hout of bomen zijn en ook niet met bronnen of watertjes bevochtigt en brengen overal kort subtiel gras waarvan de schapen overvloedige weide hebben kunnen. Daar ziet men op gedachte heuvels die mooiste kudden schapen die alle gans wit zijn wat vanwege het hemelse weer of het land aard goed en de aller zachtste en subtielste wol brengen wat in alle landen te vinden is. Dit is de echte Aureum vellus of gulden vlies waarop voornamelijk de ganse rijkdom van dit eiland staat. Dan daar wordt jaarlijks een grote schat aan goud en zilver van de handelaren om vooral deze waar te kopen in het eiland gebracht. Ze brengt geen vergiftige dieren, maar van allerlei soorten vissen een grote overvloed. Item, daar zijn ook meer en goed smakende oesters dan ergens anders te vinden. Het heeft ook goud, zilver, zink, loodvindplaatsen en ook ijzer, maar niet veel.

 

 

 

Scotia, Schotland.

Het overige deel van dit eiland noemt men Schotland die overal veel zekerder havens voor aanvoer heeft die door de zee kunnen gaan. Item, zee, meren en vloeiende wateren die alle bovenmate visrijk zijn. De spraak vergelijkt zich met de Engelsen. En omdat het weinig wouden en hout heeft brandt men in plaats van die zwarte kolen die men zo uit het aardrijk graaft. Hun wetten en regering aangaande komen ze met de Engelsen overeen, dan dat ze het keizerlijke recht gebruiken, maar die Schotten hebben hun eigen en bijzondere landordeningen, statuten en gewoonheid.

 

 

Hibernia, Ierland.

Hibernia of Ierland ligt tegen het Westen bij Brittanni‘ die het vanwege de lucht en land niet erg ongelijk is, maar wat bergachtiger en waterrijker, dan men op de hoogste bergen meren en weiden vindt. De ganse eiland hoofdstad is Dublinum of Dublin. Het deel van het eiland zo tegen het Oosten en Engeland is aan het koninkrijk Engeland onderworpen. Het andere deel achter tegen het Westen is enkel struiken en wildernis en heeft veel heren. Dit hebben we vast alles uit Polydorus Virgilius genomen die zeer uitvoerig en kunstig van deze Britse eilanden geschreven heeft. Meer heen daar ook van geschreven: Paulus Jovius, Johannes Mayer de Schott, Robertus Coenalis in zijn andere Periocha van franse halden, Gregorius Lilius, Silvester Giraldus Cambrensis, Guilhelmus Paradinus, Ant. Sabellicus Ennna. de Dru•den

Insula zo weer terecht gebracht heeft vind u aan het eind van dit boek een zeer kunstig epistel vam Humfredi Lhuid.

 

 

7. HISPANIA. Spannien.

Strabo, vergleicht Spannien einer auszgespanten Ochsenhaut, hat auff allen seitten Meer, auszerhalb des theyls, da es durch den Berg Pyraneum oder Rontzeval van Franckreich abgeschieden wirt. Gegem Auffgang hat es den Berg Pyrenaeum, welcher bey der Kirchen oder Promontorio Veneris anfehet, und nicht ferrne van den Illiberis (jetzund Colibre) bisz an das Britannische Meer sich erstreckt, und ist dises ortes Spanien sehr eng, also das ich, da ich (sagt Vaseus) durch Cantabriam raysete, auff dem Berg S. Adrians (es hette mich dann mein gesicht betrogen) beyde Meer, nemlich, Oceanum, dem wir an nechsten waren, und dann von ferne, so weit sich unser gesicht erstreckt, die wellen desz Mediterranei oder Mittl‰ndischen Meers, so etwas weisz schimmerten und gl‰ntzten, gesehen hab. Von Mitternacht, wirt es in das Cantabrische Meer, gegem Nidergang, in das Meer gegen Abent von Mittag in das Fretum Herculeum, und Mare Balearicum eingefangen. Man theylet aber gemeynglich dises Spanien in drey Provintzen, nemlich in Beticam, Lusitaniam und Tarraconensem. Betica oder das K™nigreich Granat, wirt gegen Mitternacht durch den Flusz Ana eingefangen, und st™sset gegen Abent an den theyl des Atlandischen Meers, so zwischen dem einflusz des Wassers Anae, ins Meer, und dem Freto Herculeo ist. Gegen Mittag hat es das Mare Balearicum, so zwischen den Freto Herculeo und dem Promontorio Charidami sonst gemeynglich Cabo de Gata genandt, ist, und endet sich gegen Orient, so man ein gerade linivon gedachtem Promontorio bisz an den Flusz Ana zeuhet. Hat den namen Betica von dem vortrefflichen Flusz Beto, so die gantze Provinsz von einander theylet, welcher in dem Tygensischen Wald entspringet, und in das Atlantische Meer laufft. Diser zeyt nennet man in auff Arabisch, Quadalquibir, welchs so vil als einen grossen Flusz heissen sol. Dise Provinsz hat nachmals von den Uvandalis oder Wenden, so darinn gewonet, Uvandalica geheissen, wie mans dannoch heutiges tages Corrupt Andalusia nennet. Lusitania oder Portugal, hat gegen Mitternacht den flusz Durium, von seinem einflusz ins Meer, an, bisz zur Prucke gegen den Septimancis uber gelegen, und st™sset gegen dem Nidergang, an den theyl des Atlantischen Meeres, so ist zwischem den einflžssen beyder Wasser, des Durij und Anea ins Meer, Von Mittag hat es Beticam, und endet sich gegen Morgen an Tarraconensi, wann man von dem alten Oretania eine gerade lini zeuhet bisz zur Prucke so gegen den Septimancis uber liget. Es hat aber Lusitania den n‰men von Luso des Bachi Son, und Lysa seinem Gesellen, welche mit einander herumb gelauffen, und des Bachi Fest begangen haben. Das ubrige Spanien geh™ret zu der Tarraconensischen Provintz, und hat den namen von des Landes Haupstatt, welcke, (wie Strabo vermeldet) sonderlich geschickt gewesen frembde Herrschafften zu entpfahen, Auch haben vor zeitten die Keyser daselbst jre Hofgericht gehalten. Disz Land begreifft in sich das K™nigreich Murciae, das K™nigreich Valetiae, der Arragoner und Chatalonier reich, die alte Castellam, das K™nigreich Navarra. Portugalliam interamnem, dat K™nigreich Gallicien, Asturius und gantz Cantabriam. So vil sagt Vaseus in seinem Spanischen Chronico, bey welchen du davon mehr findest. Besihe aber auch Marineum Siculum, Marinum Aretium, Damianum ˆ Goes, Franciscum Tarrassam, Item andere mehr so Spanien beschrieben, und von Vaseo im 4. Cap. seines Chronici angezogen werden. Ausz den Alten magst du lesen den Caesarem, Strabonem und andere mehr, deren Damianus ˆ Goes in seinem Bžchlein Hispania hgenandt, meldung thut. Auch findet man ein wanderbŸchlein, van Alonse de Meneses Spanisch geschriben, in welchem fast alle Raysen in Spanien und wie weit ein ort von dem andern ligt, angezeygt werden.

7. Hispania, Spanje.

Strabo vergelijkt Spanje met een uitgespannen ossenhuid. Het heeft aan alle kanten een zee buiten dat deel daar het door de berg Pyrenee‘n of Rontzeval van Frankrijk afgescheiden wordt. Tegen het Oosten heeft het de Pyrenee‘n welke bij de kerk of Promontorio Veneris (Venus) aanvangt en niet ver van de Illiberis (nu Colibre) tot de Golf van Biskaje zich strekt en dit oord van Spanje is zeer eng alzo dat ik waar ik (zegt Vaseus) door  Cantabria reisde of de berg San Adrian ( of mijn gezicht heeft me dan bedrogen) bij de zee, namelijk Oceaan waar we het dichtste bij waren en dan van ver zo ver ons gezicht strekte die golven van de Mediterranei of Middellandse Zee zo wat schemerde en glansde gezien heb. Van het Noorden wordt het in de Golf van Biskaje en tegen het Westen in het Zuiden in de zee tegen Gibraltar of Fretum Herculeum en de zee bij de Balearen of Middellandse Zee omvangen. Men deelt echter gewoonlijk dit Spanje in drie provincies, namelijk Baetica, Lusitania of het Spaanse deel van Portugal en Tarraconensis. Baetica of dat koninkrijk Granada wordt in het Noorden door de vloed Guadiana gevangen en stoot tegen het Zuiden aan dat deel van de Atlantische oceaan zo tussen de invloed van het water Guadiana in de zee en tegen Gibraltar. Tegen het Zuiden heeft het de zee van Balearen zo tussen Gibraltar en de Promontorio Charidami die gewoonlijk Cabo de Gata genoemd wordt en eindigt zich in het Oosten zo men een gewone lijn van vermelde Promontorio tot aan de vloed Guadiana trekt. Heeft de naam Baetica van de voortreffelijke vloed Beto (Guadalquivir) zo die de ganse provincie van elkaar deelt die in het woud van Tygensis ontspringt en de Atlantische Oceaan loopt.

Deze provincie is ooit van de Vandalen of Wenden zo daarin woonden Vandalica geheten zodat men het nog tegenwoordig verbasterd Andalusi‘ noemt. Lusitania of Portugal heeft tegen het Noorden de vloed Douro van zijn invloed in de zee tot aan de brug tegenover de Septimancas en stoot tegen het Westen aan het deel van de Atlantische oceaan en zo is het tussen de invloeden van beide stromen, de Doura en Guadiana, in de zee. Vanaf het Zuiden heeft het Baetica en eindigt tegen het Westen aan Tarragona als men van het oude Oretania een recht lijn trekt tot de brug zo tegenover Simancas of Septimancas trekt. Lusitania heeft de naam van Luso de zoon van Bacchus en Lysa zijn vrouw die met elkaar rond zijn gelopen en het Bacchus feest gehad hebben. Dat overige Spanje behoort tot de provincie Tarragona en heeft de naam van de hoofdstad van het land die (zoals Strabo vermeld) bijzonder geschikt was om vreemde heren te ontvangen. Ook heeft vroeger de keizer daar zelf zijn hof gericht gehouden. Dit land omvat in zich het koninkrijk Murcia, het koninkrijk Valencia, Aragon en Cataloni‘, die oude Castelia Vieja en het koninkrijk Navarra. Portugalliam interamnum, (Spaanse deel van Portugal tussen  Douro en Minho) het koninkrijk Galicia, Asturias, en gans Cantabri‘.  Zo veel zegt Vaseus in zijn Spaanse kroniek en bij die mag u er meer van vinden. Bezie echter ook Marinaeus Siculum, Marinum Aretium, Damianus ˆ Goes, Franciscum Tarrassam. Item, andere meer zo Spanje beschreven hebben en van Vaseus in het 4de kapittel van zijn kronieken aangehaald worden. Uit de ouden mag u lezen de Caesar, Strabo en meer andere die Damianus ˆ Goes in zijn boekje Hispania genoemd vermeld. Ook vind u een wandelboekje van Alonso de Meneses in Spaans geschreven waarin vast alle reizen in Spanje en hoe ver het ene oord van de andere ligt genoemd wordt.

 

 

 

8. PORTUGALLIA. Portugal.

PORTUGALLIAM nennet man sonsten Lusitaniam, aber unrecht, dieweil weder Lusitania gantz Portugal, noch Portugal gantz Lusitaniam begreifft, doch ist unlaugbar, das der gr™ssiste theil an Lusitania unter dem K™nig in Portugal ist. Man theilet aber gemeinglich gantz Portugal in Cistaganam, Transtaganam und Interamnem. Transtagana st™sset anden theil Beticae, so von dem Flusz Ana, bisz an des reichs Grenitzen sich erstrecket. Portugalliam Interramnem, nenne ick das Land zwischen beden Flžssen Durio und Minio, und ist sehr sch™n und fruchtbar. Disz Portugal, so Interamnis heiszt, ligt gar ausser Lusitania. Wir wolten dann gegenwertige Description verwerffen, und Strabo beyfallen, welcher saget, das man den meisten theil der Lusinater Callaicos genennet habe. Dises Land hat in die lengde 12 Leucas (ein leuca thutI ½ welsche Meiln) und in die brayten, da es am weitisten ist, auch 12, sonsten 6 oder aber auch 4. In disem so kleinen Lande, findestu, ausser der zwo Hauptkirchen oder Bistumb, das Bracarense und Portugallense, und ander fŸnff Stifften oder Collegia, mehr dan 130 Cl™ster, so alle ein grosses einkommen haben, Item, uber ernannte summa, wie sonst einer davon schreibt, mehr dann 1460 Pfarrkirchen, so alle jre eigne Tauffstein haben, Das ist ja gewis, das deren die dem Bracarensischen Bistumb unterworffen, uber 800 gezelet werden, Daher leichtlich zuerachten, wie fruchtbar disz Land, und andechtich vor alters disz Volck gewesen sey. Wie sch™n aber und lustig es sey, achte ick unn™ttig zuschreiben, weil uber die 2500 Quelbrunnen darinn gezelet werden. Item, fast in die 200 Brucken, aus viereckichten Werckstžcken gantz zierlich gebawet, neben 6 Porten des Meers. Solches alles hab ich derowegen nit w™llen unvermeldet lassen, weil die gžte und wirdigkeit dises Landes fast jedermann unbekant ist. An diser Provintz hanget auch das Land, so man gemeinglich Transmontanam, jenseit des Gebirgs gelegen, nennet, und sehr guten Waitzen end k™stlichen Wein bringet, in welcher auch Brigantia eines gewaltigen Hertzogthums Haupstatt liget. Disz haben wir aus Vaseo genommen, Besihe aber auch Marineum Siculum, Sebaldum MŸnsterum. Item, lise auch von dises Reichs ankunfft, das erste Caput der Decadum Asiaticarum Iohannis Barri. Damianus ˆ Goes hat Ulissiponam dises K™nigreichs vormenbste Statt, in einem sondern BŸchlein beschriben. Die Hersschafft oder das Gebiet der Lusitaner, strecket sich diser zeit sehr weit, dannes sich von Herculis Seulen, bisz an Chinam und Lequios durch alle Provintzen des Meeres end beyliggende Insulen ausbreittet.

 

8. Portugallia. Portugal.

Portugallium noemt men soms Lusitania, maar te onrecht omdat nog gans Lusitania gans Portugal, nog Portugal gans Lusitania omvat, maar het is onloochenbaar dat het grootste deel van Lusitania onder de koning van Portugal is. Men deelt echter gewoonlijk gans Portugal in Cistaganam, Transtaganum en Interamnem. Transtagana stoot aan dat deel Baetica zo van de vloed Guiadiana tot aan de grenzen van het rijk strekt. Portugallis Interamnis noem ik dat land tussen beide stromen Douro en Minho en is zeer mooi en vruchtbaar. Dit Portugal, zo Interamnis heet, ligt geheel buiten Portugal. (Eerder Spaans gedeelte) We willen de tegenwoordige beschrijving verwerpen en Strabo bijvallen die zegt dat men het grootste deel van Portugal Callaicos genoemd heeft. Dit land heeft in de lengte 12 leucas (een leuca doet 1 ½   kilometer) en in de breedte waar het breedste is ook 12, soms 6 of ook 4. In zoÕn klein land vind u buiten de twee hoofdkerken of bisdommen, Bracarense en Portugallense, verder ook vijf stiften of Collegia en meer dan 130 kloosters zo die allen een groot inkomen hebben. Item, boven genoemde summa en wie verder daarvan schrijft meer dan 1460 parochie kerken die zo allen hun eigen doopvont hebben. Dat is zeker dat diegene die aan het bisdom van Bracarense zijn onderwerpen er meer dan 800 geteld worden. Vandaar ook licht te merken is hoe vruchtbaar dit land en vroeger aandacht voor het volk geweest is. Hoe mooi en lustig het is acht ik niet nodig te schrijven omdat er meer dan 2500 welbronnen daarin geteld worden. Item,  het heeft 200 bruggen die uit vierkante werkstukken gans sierlijk gebouwd zijn naast die 6 zeehavens. Zulks alles heb ik daarom niet onvermeld willen laten omdat het goede en waardigheid van dit land vast iedereen onbekend is. Aan deze provincie hangt ook dat land zo men gewoonlijk Transmontana noemt dat voorbij de bergen ligt en zeer goede weide en kostelijke wijn brengt waarin ook Bragana een geweldige hoofdstad van het hertogdom ligt. Dit hebben we uit Vaseus genomen. Bezie echter ook Marinaeus Siculum, Sebaldus Munster. Item, lees ook van dit rijk begin het eerste kapittel van de Decadum Asiaticarum Johannes Barrius. Damianus ˆ Goes heeft Lissabon de belangrijkste stad van dit koninkrij in een bijzonder boekje beschreven. Het rijk of het gebieden van de Portugezen breidt zich deze tijd zeer ver uit dan het gaat van Gibraltar tot aan China en Filippijnen door alle provincies van de zee en bijliggende eilanden.

 

 

9. GALLIA. Franckreich.

Die Latini haben alle die Land, so von dem Rein an bisz zu der Statt Ancona, in den Oceanum, die Berg Pyreneos, mare Mediterraneum, und den Berg Apenninum eingfangen worden, mit dem gemeinen Namen Gallia oder Franckreich genannt. Dann gegen dem Nidergang, wird es durch das Pyreneische Gebirg beschlossen, und van Spanien abghetheilet, st™sset gegen Mitternacht an das Frantz™sische und Brittannische Meer, und hat gegen Orient, den Rein und Alpen, eben so weit in Oceanum, als ferne das Pyreneische Gebirg vom dem jnnern zum eussern Meer streichet, Gegen mittag st™sset es an das Narbonensische Meer. Es hat aber Gallia von dem weiszfarben Volck den Namen. Dann umb des Gebirges und rauhen lufftes willen, kan da die Sonne nicht heisz scheinen, werden auch darumb die Leut von derselben nicht geferbet oder schwartz gemacht. Daher dann die Griecken, von wegen der Milch oder weissen farb, die Gallos Gallatas nennen, Dann gala jnen so vil als lac ein milch heisset, Von demn wort haben die Latini dise V™lcker Gallos genennet, und jr Land in Cisalpinam, das ist, in das Land, so disseit der Alpen, und Transalpinam, das ist, so jenseit der Alpen ligt, getheilet. Cisalpina ist jnen theil Italiae gewesen, den man jetzund Lombardiam nennet. Transalpina aber, so sich in disen fŸnff Grenitzen, dem Rein, Oceano, Pyreneischem Gebirg, mari Mediterraneo und den Alpibus endet. Disz Transalpinam haben sie (wie Caesar in seinen Commentarien bezeuget) widerumb dreyerley, nemblich, in Belgicam, Celticam und Aquitanicam getheilet, und disz Belgicam genennet, so in Oceanum und die Flžsz Rein, Matrona und Sequana eingefangen wird, diser zeit den meisten theil Teutsch redet, und daher auch das Niderteuschland heisset. Celticam oder Lugdunensem aber, so jnnerhalb der Flžsz Garumna, Matrona, Sequana und dem Rodana begriffen wird, Und disz theil nennet man jetzund Franciam, Franckreich, Dann die Celtae, da sie von den teutschen Francken bezwungen, sein nachmals Franci occidentalis die Francken gegem Nidergang genennet worden. Aquitancia, so von den krummen wassern, Ligeris genennet, ende vor zeitten Aremorica geheissen hat, ist diser tract, der sich von dem Flusz Garumna, bisz an Oceanum oder hohe Meer, und das Pyreneische Gebirg erstrecket, hat von der Refier, da Circius der Mittn‰chtische Wind her wehet, etwas gegem Nidergang, den Oceanum, Aquitanicus Sinus genannt, st™sset vom Abend an Spannien, gegen Mitternacht an die Lugdunensische, und gegen Mittag an die Narbonensische Provintz, Zwischen disen und den andern theiln, ist bede, was die Sprach und Leiber des volcks belanget, ein grosse unterscheid, heisset diser zeit Gasconia, und da sind der Frantzosen alte Grenitzen. Die Landschafft aber Galliae, so diser zeit das K™nigreich ist, auff jr Sprach Francia oder Franckreich genennet wird, ist nicht so weitleufftig, sonder umb so vil enger und kleiner, so vil jr durch eine lini von Straszburg am Rein an, bisz zum porto Iccio, (jetzund Vales) gezogen, benommen wird, Begreifft also den gantzen strich Landes, so in dise lini, den Oceanum, Pyreneische Gebirg, mare Mediterraneum und die Alpen oder Schweizterische Gebirg beschlossen wird. Gantz Gallien oder Franckreich, hat Robertus Caenalis in einem sondern Buch beschriben. Besihe darvon auch Gilbertum Cognatum Nozorenum. Ioannem Marium in libello universitatis, oder von der gantzen Welt. Aimoinum anfangs seiner Fr‰nckischen Histori. Sebastianum MŸnsterum, und ander mehr, so der Welt kraysz beschriben. Aus den Alten lisz vor allen den Gaesarem. Paris hat Eustathius von Knobelsdorff Carminicea oder Versweise beschriben.

9. Gallia. Frankrijk.

De Latijnen hebben alle land zo van de Rijn af tot de stad Ancone, de Oceaan, de bergen Pyrenee‘n, Middellandse Zee en de bergen Apennijnen omvangen met de gewone naam Gallia of Frankrijk genoemd. Dan tegen het Westen wordt het door de Pyrenee‘n besloten en van Spanje afgedeeld, stoot tegen het Noorden aan het Kanaal en Oceaan en heeft tegen het Oosten de Rijn en Alpen even ver van de oceaan als dat van de Pyrenee‘n van het binnenste tot uiterste zee strijkt. Tegen het Zuiden stoot het tegen de Middellandse zee bij Narbonne. Het wordt Gallia genoemd naar de witte kleur van het volk. Dan vanwege de rauwe lucht van de bergen waar de zon niet heet schijnen kan worden de mensen daarom ook niet van die gekleurd of zwart gemaakt. Vandaar dan de Grieken vanwege de melk of witte kleur die Gallos Galatas noemen, want gale heet bij hen zoveel als melk. Van dat woord hebben de Latijnen dit volk Gallo genoemd en hun land in Cisalpina, dat is land zo aan deze zijde van de Alpen en Transalpina, dat is zo aan de andere kant der Alpen ligt verdeeld. Cisalpina, is een deel van Itali‘ geweest dat men nu Lombardije noemt. Transalpina heeft echter zo in  zich deze vijf grenzen, de Rijn, Oceaan, Pyrenee‘n, Middellandse Zee en eindigt bij de Alpen. Dit Transalpina hebben ze (zoals Caesar in zijn commentaren aantoont) weer in drie, namelijk Belgi‘, Celtica en Aquitaine gedeeld. Ze hebben Belgi‘ genoemd zo wat door de Oceaan en de stroom Rijn, Marne en Seine omvat wordt waarvan de meeste deze tijd Duits spreken en vandaar het ook Neder Duitsland heet. Celtica of Lyon zo binnen de stroom Garonne en Marne, Seine en de Rh™ne begrepen wordt. En dit deel noemt men nu France of Frankrijk. Dan de Kelten daar ze van de Duitse Franken bedwongen zijn, zijn later Franci occidentalis, de Fransen tegen het Westen genoemd. Aquitaine dat zo van het kromme water Loire genoemd is en vroeger Armoracia genoemd werd heeft dit traject van de stroom Garonne tot aan de Oceaan of grote zee en de Pyrenee‘n strekt. Het heeft van de rivier daar Cirsius de Noordelijke wind waait iets naar het Westen de Oceaan, Golf van Biskaje genoemd, en stoot in het Zuiden aan Spanje, tegen het Oosten tegen Lyon en tegen het Zuiden aan de provincie Narbonne. Tussen deze en de andere delen is beide, wat de spraak en leven van het volk belangt, een groot verschil. Het heet in deze tijd Gascogne en daar zijn de oude grenzen van Frankrijk. Het landschap echter van Galli‘ zo het in deze tijd een koninkrijk is en in hun taal Francia of Frankrijk genoemd wordt is niet zo uitgebreid, maar zo veel enger en kleiner en zoveel als je door een lijn van Straatsburg aan de Rijn tot de haven Iccio (nu Calais) getrokken benomen wordt. Omvat alzo die ganse streek land zo in deze lijn de Oceaan, Pyrenee‘n, Middellandse Zee en de Alpen of Zwitserse bergen besloten wordt. Gans Galli‘ of Frankrijk heeft Robertus Caenalis in een apart boek beschreven, bezie daarvan ook Gilbert Cognatus Nozorenus. Johannes Marius in libello universitatis of van de ganse wereld. Aimoinum in de aanvang van zijn Franse historie. Sebastian MŸnster en meer anderen zo de wereldbol beschrijven, uit de ouden lees vooral Caesarum. Parijs heeft Eustathius von Knobelsdorff als Carminicea of versvormig beschreven.

 

 

 

10. BITURGIUM REGIO. Der Biturgier oder Burdeauser Lande.

Anno 1791, nach erschaffung der Welt, hat Gomer Gallus ein Volck in der Bituriger Land zuwohnen gefŸret, mit dem derselben Bituriger vornemste Statt besetzt, und die Inwohner Ehren halben nach seinen Grosvatter Noha Ogyges genennet.Disen Namen haben nachmals die Inwohner aus gunst und lieb gegen jrem Fundatore oder Stiffter, so von des Ogygis Geslecht herkommen, geendert, und sich Bitagyges genennet, welches in Armenischer Sprack so vil, als des Ogygis Nachkommen bedeutten soll. Aber wie durch lange gewonheit fast alle ding corrumpirt werden, und man oft einem ding nimmet oder daran endert, damit es mehr bekant und verstendtlicher werde. Also ist auch (wie ick glauben will) mit bewilligung eines der Bituriger Fžrsten dises Land Bitogyges, und die vornembste der Bituricenser Hauptstatt Bituriges oder Burges genennet worden. Unter mancherley bedencken diser sachen halben, sind auch etliche der Opinion, das sie mainen, Bituris heisse, als wenn man spreche: biturris, von zweyen alten Thžrnen, die vorzeitten in derselben alten Statt sollen gewesen sein, daher man dann noch ein solch Verszlin eines alten Grammatici liset: Turibus ˆ binis inde vocor Bituris. Zu teutsch: Ich hab meinen Namen Bituris von zweyen Thžrnen. So vil meldet Ioannes Calamaeus in seinem Buch von der Bituriger ankunfft, daher wir dann auch dise Tabul genommen haben.

 

 

LIMANIA.

Dises gantze Land (welches etliche Alimaniam, von Alimonijs, oder guten narung, Andere von dem faiszten und limoso schlammigen Erdtrich Limaniam nennen, und einen theil des Averniae Overingen begreifft, Auch an allerley Fržchten, Wein, Honig, Vihe, Thier, den menschen zur arbeit dientlicht, Saffran, Nžsz, Speyskraut, Vihewaid, lustigen W‰lden, Brunnen, Flžssen, Baden, Hartz oder Schweblichtem zehem Erdrich, Seen, Silberbergkwercken, berhžmbten und Edlen Geslechten, Vestungen, Kauffmannwahren einen uberflus hat) ist von der Brucken der alten Bravatae, bis an Ganatum in die 20 Leucas (30 welscher Meilen) lang, und bey 8. Leucas(12 welscher Meylen) breit.

Wir haben aber umb kžrtze der zeit willen, und das es sich mit Berg und Th‰lern, von wegen der kržmme des Landes, in die runden so in einander wicklet und flichtet, die in diser Tabul nit gantz auffweisen, und jede ort, wie weit sie von einander gelegen, mit puncten anzeigen und abmessen k™nnen, Sonder nur den theil, so etwas fruchtbarer und erbauter, vorgenommen, bey 8 Leucas (12 welsche Meiln) in die lenge, und bey 7 (10 ½ welsch Meiln) in die breitten begriffen, und also dise kleinere zal die St‰tt und D™rffer ordenlich zusetzen behalten.

So machet es auch der Auctor, so den Dialogum pium und Speculativum (wie der Titul lautet) Italianisch geschriben hat, da man denn dise Tabul zusehen findet.

10. Biturgium Regio, de Biturger of land van Bordeaux.

Anno 1791 na de schepping van de wereld heeft Gomer Gallus een volk in het Bituriger land te wonen  gevoerd en met dezelfde Bituriger de voornaamste stad bezet en de inwoners hebben het om zijn grootvader te eren Noha Ogyges genoemd. Deze naam hebben de inwoners later vanwege liefde en gunst aan hun stichter of fundator zo van Ogygis geslacht gekomen veranderd en zich Bitagyges genoemd wat in Armeense spraak zo veel als Ogygis nakomelingen betekenen zou. Maar door lange gewoonheid worden zeker alle dingen verbasterd en men neemt vaak een ding wat men verandert zodat het meer bekend en begrijpelijk wordt. Alzo is het ook (zoals ik geloven wil) met goedkeuring van een Biturierger vorst van dit land

Bitogyges en de voornaamste Bituricenser hoofdstad wordt Bituriges of Bourges genoemd. Onder vele bedenkingen van deze zaak echter zijn ook ettelijke van de opinie dat ze menen dat het Bituris heet  als men uitspreekt; biturris, vanwege twee oude torens die vroeger in die oude stad geweest zouden zijn vandaar men nog zoÕ n versje van een oude grammatici leest: Turibus ˆ binis inde vocor Bituris In Duits: Ik heb mijn naam Bituris van twee torens. Zo veel meldt Joannes Calamaeus in zijn boek van de aankomst van de Bituriger waarvan we dan ook deze map genomen hebben.

 

 

Limousin.

Dit ganse land (welke ettelijke Alimaniam, van Alimonia of goede voeding, andere van het vochtige en Limosa of modderige aardrijk Limaniam noemen en een deel van het overige Auvergne omvat. Ook aan allerlei vruchten, wijn, honing, vee, dieren die de mensen voor arbeid dienstig zijn, saffraan, noten, spijskruid, weiden, lustige wouden, bronnen, vloeden, baden en een hars of zwavelachtig taai aardrijk, meren, zilverwerk in de bergen, beroemde edele geslachten, vestingen, koopmanschap waren een overvloed heeft) is van de brug van het oude Brivata tot aan Gannat in 20 leucas (een leuca doet 1 ½ kilometer) lang en bij de 8 leucas of (12 Italiaanse mijlen) breed.

We hebben vanwege de kortheid van tijd en dat het zich met bergen en dalen en vanwege het krommen van dit land, dat zich in de rondte zo wikkelt en vlecht, in deze map niet geheel aangewezen en elk oord hoe ver ze van elkaar gelegen zijn met punten aanwijzen en afmeten kunnen. Maar dat deel zo wat vruchtbaarder en bebouwd voorgenomen die bij de 8 leucas  (12 Italiaanse mijlen) lang en bij de 7 (10 ½ Italiaanse mijlen) in de breedte omvat en alzo deze kleine steden en dorpen ordelijk te zetten behouden.

Zo maakt het ook de auteur die zo het Dialogum pium en Speculativum (zoals de titel luidt) in Italiaans geschreven heeft waar men dan deze map om te zien vindt.

 

 

11. Die CALETES, und Bononienser.

Von den tract oder lande der Bononienser, sagt Robertus Caenalis in der 3 Periocha seines andern Buchs rerum Gallicarum also: Ich halte mit Meiero, das Gessoriacus der Moriner Port, recht Bolonia am Meer, von dem man am nechsten zu dem Doverischen Port in Engeland schiffet, k™nne genennet werden. Aber Gessoriacum navale (welches Bilibaldus fŸr Gandavum, aber unrecht helt) wil ich lieber das es Castellum jetzund Cassel sey. Auch sind etliche, die es mit andern Namen, nemlich, Petressam und Scalas, sonst gemeinglich Scales nennen. Es ist aber leicht abzunemen, ob Bolonia der gelegenheit nach der Portus Iccius sein k™nne. Und damit desz fals niemand zu zweyfeln hab, soll man ausz Strabone wissen, dasz das Meer zwischen dem portu Iccio und Engeland, nicht over 320 Stadia, so gerade 40 Welscher meylen thun, breyt ist, Nun weisen aber die newern Tabulen, das in 16 Englische meyln, so gr™sser sein als die Welschen, von Bolonia gen Davorium sein, van Cales aber 18. Daher dann auch gewis ist, das von Bolonia die nechste uberfart in Engeland ist, musz man derhalben zwischen dem portu Gessoriaco, und Gessoriaco navali eine unterscheid machen, welchs letzte so es jemand Casletum nennen wolte, wil ich nit darwider streitten. So vil sagt Strabo, Arnoldus Ferronius aber, so Pauli Aemilij Frantz™sische Historien bisz auff seine zeyt continuirt und gebracht hat, beschreibet Boloniam mit disen worten: Es sind zwey Kirch dem heyligen Nicolao gestifft, und ein Franciscaner Closter, An gemeltes Dorff st™sset das Englische Meer, und ist von der Franciscaner Kirch, so nit ferne vom Meer ligt, gar leicht in Engeland zuschiffen, Ligt van dem Obern Bononia bisz in die 100 oder mehr schritt, Das Ober Bononia, ist in starcke Rinckmawren eingefasset, hat auch umb die Mawrn sehr tieffe gr‰ben, Dise gantze gegend hat sehr vil Sandes, und der art, so die Leut am Meer Fervens fabulum nennen. Daher dann ettlich meinen, das von demselben Fervente fabulo, Bolonia in Frantz™sischer sprach disen namen bekommen hab, So vil sagt Ferronius.

 

 

VEROMANDUI.

Den gantzen Strich in welchem vor zeitten die Veromandui gewonet haben, nennet man noch heutiges tages mit dem alten namen Vermandois. Inn demselben entspringen zwey Wasser, nemlich de Soma und Schald, Voor zeitten ist daselbst, wie Robertus Coenalis meldet, die Statt Augusta Veromanduorum, ein Bischopfflicher Sitz, gewesen, aber diser zeit nichts dann ein Closter uberig, Besihe von disen V™lckern Petri Diuci, van den Antiquiteiten Galliae Belgicae des Niderlandes.

11. Van Calais en Boulogne sur Mer.

Van het traject of land van Boulogne zegt Robertus Caenalis in de 3de Periocha van zijn andere boek rerum Gallicarum alzo: Ik hou het met Meierus dat het met zijn Latijnse naam Gesoriacum de Moriner haven (Keltisch ras Moriner) het echte Boulogne sur Mer is waarvan men het dichts bij de haven in Dover naar Engeland vaart. Maar Gesariacum navale (die Bilibaldus voor Gend, maar te onrecht houdt) hou ik liever voor het Castellum dat nu Cassel (Kassel) is. Ook zijn er ettelijke die het met andere namen, namelijk Petressam en Scales noemen zo in het algemeen Scales. Het is echter licht te vernemen dat Boulogne naar de gelegenheid de haven Iccius kan zijn. En zodat zeker niemand twijfelen zou zal men uit Strabo weten dat de zee tussen de haven Iccius en Engeland niet meer dan 320 stadia, zo 40 Italiaanse mijlen doen, breed is. Nu weten echter de nieuwere mappen dat het in 16 Engelse mijlen die zo groot zijn als de Italiaanse doen van Boulogne naar Dover, van Calais maar 18. Vandaar het ook zeker is dat van Boulogne de volgende overvaart naar Engeland is moet men derhalve tussen de haven van Gessoriacus (Gend) en Gessoricus navale een onderscheid maken welke laatste zo het iemand Castellum noemen wilde wil ik daar niet tegen strijden. Zo veel zegt Strabo. Arnoldus Ferronius echter zo Pauli Aemilij de Franse historie tot op zijn tijd continueert en gebracht heeft beschrijft Boulogne met deze woorden: Er zijn twee kerken aan de heilige Nicolaas gesticht en een Franciscaner klooster. Aan vermelde dorp stoot het tegen het Kanaal en is van de Franciscaner kerk, dat niet zo ver van de zee ligt, zeer gemakkelijk naar Engeland te varen. Ligt van bovenste Boulogne tot in de 100 of meer schreden. Het bovenste Boulogne is met sterke ringmuren omvat, heeft ook om die muren zeer diepe grachten. Dit ganse gebied heeft zeer veel zand en de aard zoals de mensen aan de zee Fervens fabulum noemen (sterke fabels). Vandaar dat er ettelijke menen dat van dezelfde Fervente fabulum Boulogne zijn naam in Franse spraak gekregen heeft. Zo veel zegt Ferronius.

 

11. Veromandui.

De ganse streek waarin vroeger de Veromandui gewoond hebben noemt men nog tegenwoordig met de oude naam Vermandois. Daarin ontspringen twee wateren, namelijk de Somme en Schelde. Vroeger is die, zoals Robertus Coenalis vermeld, die stad Augusta Veromanduorum (Vermand bij Saint Quentin) een bisschoppelijk zetel geweest, maar in deze tijd is er alleen een klooster over. Bezie van dit volk Petri Diuci van de antiquiteiten van Galliae Belgicae des Nederlanden.

 

 

12. GALLIAE NARBONENSIS ORA MARITIMA, Die Landschafft GALLIAE NARBONENSIS, so zu eusserst am Meer ligt.

Was berhžmbte, namhaffte ort dises Landes sein, beschreibet Guilielmus Paradinus mit desen worten: Die Scribenten geben fžr, das Arelas oder Arla, sey der Sextanor Colonia, das ist, dahin sie Leut zu wohnen gefžhrt haben, gewesen, Dise Statt ligt an Rodana, uns it allenthalben mit wassern oder pfulen umbgeben, in denen, diser zeit, wilde und freche Ochsen erzogen werden. Strabo sagt, das es vor Jaren ein berhžmbte Kauff oder Handelstatt sey gewesen, mit denen worten: Narbo die berhžmbte desselben Landes Handelstatt ligt oberhalb des einflusz des Wassers Atax ins Meer, und des Narbonensischen Sees, Am Rodano ligt Arla, auch nicht ein geringe Handelstatt, Nicht ferr von danne hat es haisse Wildbad, den welchen wie Strabo meldet, Sextius eine Statt gebawet, und die nach seinen namen, Aquas Sextias oder Aix genennet hat, Solchen baw hat er ausz disem raht fžrgenommen, damit er daselbst ein R™mische Quardi oder Besatzung, halten k™nte. D. Hieronymus schreibt, das dises ortes, Marius, die Cymbros geschlagen hab. Die Statt Arausio (diser zeyt Orange) ist von wegen der Cabilonenser Herrschafft, vor zeitten sehr berŸmbt gewesen, In derselben haben wir ein eingefallen Theatrum oder Spilhausz, und ein wunderliche Mawrn von viereckichten Werckstžcken, so kžnstlich gebawet, gesehen, das ick nicht glaube, das der gleichen in gantz Galliae zufinden. Auch ist bey den Thor so auff Leon zu ligt, ein Triumphbogen, in den eine Schlacht zu Rosz gehawen, welche wir lang mit grosse lust geschawet haben. Es geh™rt auch daher die Statt Nemausum oder Nymes, in der man ein Amphitheatrum oder rundes Spilhausz, so ein sehr alt werck und gebew ist, und Arenas genennet wirt, zusehen findet, und ist zu wundern, das man dises ortes auch einen gang unter der Erden zeyget, der zich zwergs unter dem Rodano durch, bisz an eine Statt, ferrne davon gelegen, erstrecken sol. Da ist auch Plotinae Basilica, welche, wie Spartianus anzeyget, der Keyser Hadrianus gebawet hat. Disz haben wir ausz dem Paradino genommen. Iohannes Poldo Albenas aber, hat dise Statt am fleissigsten beschrieben, und jhr Antiquiteiten auff figurn abconterfeyet und fžrgerissen, auch alle alte namen und gelegenheyt der ™rter zum fleissigsten erforschet. Davon besige auch Strabonem in seinem vierdten Buch, Item den Po‘ten GŸntherum Ligurium. Diser Tabul Original, hat uns unser guter freund D. Carolus Clusius, wie er die mit eygner hand abgerissen hat, mitgetheylet.

 

Die Graffschafft Burgund.

Es sind zwey Burgund, eines, das unter, oder nider Burgund, welchs auch Regia das K™nigliche genennet wirt, Ist ein Hertogthumb, und habens vor zeytten die Hedui innen gehabt. Das ander, ist das ™ber oder hohe Burgund, das man (wie Martianus zeugt) auch Imperatoriam das Keyserische nennet, ist ein Graffschafft, und haben da vor zeitten die Sequaner gewonet. Disz hoge Burgund, wirt in diser Tabul begriffen, und ist ncht zusagen, was fruchtbaren Landes es sey, dann es von allerley fržchten einen solchen oberflusz bringet, das da jeder zeit, getrayd, Wein, Oele in eim sehr geringen gelt verkaufft werden, hat auch an Fleisch und allem anderm, zu t‰gliche narung geh™rig, einen vollen genžgen, also das es die gelegenheyt und den lieblichen heylsamen oder gesunden lufft belangend, wol fŸr das ander Italia k™nte geacht werden, Was es fŸr hubsche lange und gerade Personen darinn gibt, die sich auch aller tugent und erbarkeyt befleissen, ist jederman bekandt. Bisontium oder Bisantz ist dises Landes Haupststatt, Aber alle und jede desselben St‰tte, findest du beim Cognato Nozoreno, sonderlich beschrieben, Besihe auch Paradinum und Robertum Coenalem.

12. Galliae Narbonensis ora maritima. Het landschap Galliae Narbonne zo  in het uiterste aan de zee ligt.

Welke beroemde en bekende oorden in dit land zijn beschrijft Guilielmus Paradinus met deze woorden: De scribenten geven op dat Arelas of Arles de Sextanor Colonia is, dat is, waarin ze de lieden gevoerd hebben om te wonen geweest is. De stad ligt aan de Aude en is geheel met wateren of poelen omgeven waarin in deze tijd de wilde ossen geteeld worden. Strabo zegt dat het jaren geleden een beroemde koop- of handelsstad is geweest met deze woorden: Narbonne die beroemde handelsstad van dit land ligt boven de invloed van het water Atax (Aude) in de zee en de zee van Narbonne. Aan de Aude ligt Arelate (Arles) wat ook niet een geringe handelsstad is. Niet ver daar vandaan is er een heet wildbad die zoals Strabo vermeld dat Sextius er een stad gebouwd heeft en die naar zijn naam Aquas Sextia of Aix genoemd heeft. ZoÕn bouw heeft hij naar deze raad voorgenomen omdat hij daarmee een Romeinse Quardi of bezetting kon houden. D. Hi‘ronymus schrijft dat in dit oord Marius de Cymbren of Cymbri verslagen heeft. De stad Arausio ( in deze tijd Orange) is vanwege de Cabilonenser heerschappij vroeger zeer beroemd geweest. Daarin hebben we een ingevallen theater of speelhuis en een wonderlijke muur van vierkante werkstukken en zo kunstig gebouwd gezien dat ik niet geloof dat een dergelijke in Galli‘ te vinden is. Ook is bij de deur zo op Leon (Lyon) ligt een triomfboog waarin een slag of ros gehouwen is die we lang met grote lust bekeken hebben. Er behoort ook daartoe de stad Nemausum of N”mes waarin men een Amfitheater of rond speelhuis vindt wat een zeer oud werk en gebouw is en Arena genoemd wordt en het is een wonder dat men in dit oord ook een gang onder de aarde aantoont die zich dwars onder de Aude door tot aan een stad er ver vandaar gelegen strekken zou. Daar is ook Basilica Plotinae die, zoals Spartianus aanhaalt, keizer Hadrianus gebouwd heeft. Dit hebben we uit Paradinus genomen. Johannes Poldo Albenas echter heeft deze stad het vlijtigste beschreven en haar antiquiteiten en figuren afgebeeld of nagetekend, ook alle oude namen en gelegenheid van de oorden het vlijtigste doorzocht. Bezie daarvan ook Strabo in zijn vierde boek. Item de po‘et GŸntherum Ligurium. Deze originele map heeft onze goede vriend D. Carolus Clusius meegedeeld zo hij die met zijn eigen had getekend heeft.

 

Het graafschap Bourgondi‘.

Er zijn twee Bourgondi‘, ene de onderste of laagste Bourgondi‘ die ook Regia of de koninklijke genoemd wordt.  Het is een hertogdom die vroeger de Hedui of Aedui bezeten hebben. De andere of hogere Bourgondi‘ dat men (zoals Martianus aantoont) ook Imperatoriam of het keizerlijke noemt is een graafschap en daar hebben vroeger de Sequani gewoond. Dit hoge Bourgondi‘ wordt in deze map begrepen en het is niet te zeggen hoe vruchtbaar land het is want het brengt aan allerlei vruchten zoÕ n overvloed dat het elke tijd graan, wijn, olie voor zeer weinig geld verkocht wordt. Heeft ook aan vlees en alle andere dingen zo voor dagelijks onderhoud behoren een voldoende hoeveelheid alzo dat het wat van gelegenheid en de lieflijke en heilzame of gezonde lucht aangaat wel voor Itali‘ gehouden kon worden. Wat er voor hupse en lange en gewone mensen daarin zijn die zich ook alle deugd en eerbaarheid bevlijtigen is iedereen bekend. Bisontium of Visontio (Besanon) is de hoofdstad van dit land. Maar alle en elke van die steden daarin vind je bij Cognatus Nozorenus bijzonder beschreven. Bezie ook Paradinus en Robertum Coenalem.

 

 

13. Germania, Teutschland.

Teutschland ist unter andern L‰ndern Europae, das gr™ssist, und mit mancherley namen unterschiden, welches Grenitzen die Autores, nach dem ein jeder der weise und gewonheyt seiner zeyt gefolget, so mancherley beschrieben, das sie anzusehen, als ob sie dreyerley Teutschland, Nemlich, ein altes, mittles und newes macheten. Das alte w™llen wir Berosianam (das ist nach dem Beroso) nennen, welcher es in den Rein, Oceanum, den Flusz Tanaim (oder Don) Euxinische Meer, und die Donaw sampt denen V™lckern, so an derselben wonen, eingefangen hat. Das mittler sol das sein, welchs dem Tacito, Ptolemaeo und Plinio, so fast zu einer zeyt gelebet, bekandt ist gewesen, und weil man sich desselbigen ausz gedachten Autorib: genugsam hat zuerkundigen, achte ichs widerumb davon zu schreiben hie unvonn™ten. Das newe Teutschland aber, so zu unsern zeitten mehr bekandt und gebreuchlich, streket sich so ferrne uber den Reyn, das es fast alle Belgas, das ist, gantze Niderland, bisz an die Alpen Tridentinas, das Trientische Gebirg begreifft, Also auch gegen dem Morgen, reichet es uber die Weissel, bisz an die Scythen und Alanen, so wir diser zeyt Litthawen nennen. Also das es nach der lenge, von dem  Portu, sonst gemeiniglich Cales genand, bisz an die Littawischen Grenitzen, Nach der breiten aber von dem teutschen und Venedischen Meer, bisz an die Alpen sich erstrecket. Dises Teutschland, ist zu unser zeit vol hžbscher und vester St‰tt, Schl™sser, D™rffer, und sehr Volckreich, Also, das es weder Italia, Franckreich, oder Spanien, was bevor gibet, an Getrayd, Weinwachs, Vischreichenwassern, kan es den allerfruchtbaersten Landen vergleicht werden, Hat sžsse Brunnquellen, warme Wildbad, und vil Saltzgruben. Item, an allerley Metallen, als Gold, Silber, Zyn, Bley, Ertz, Eysen, einen uberflusz, Also, das es keinem Reich unterlegen ist, Ich geschweyge, das nirgend mehr H™fligkeit, gute Sitten, ehrliche Kleydung, geschickligkeyt, in Kriegshandlungen und ržstungen, und gr™sserer Adel, dann da zu finden ist. Dises ist das Land, welchs vor zeitten, wie Cornelius Tacitus bezeuget, vol wilder rawher W‰lde, und wžster, unstettiger Sžmpff und Wasser gewesen ist. Ausz den Newen, habens sonderlich fleissig beschrieben, Beatus Rhenanus, MŸnsterus in seiner Cosmographia, Franciscus Irenicus, Ioannes Aventinus in seinem Bayerischen Annalibus oder Jarregistern, Etwas kŸrtzer Bilibaldus Pirrckheymerus, Gerardus Novimagus, Chonradus Peutingerus, Chonrades Celtes der Poet, Iacobus Vuimphelingius von Seletstatt, Aimoinus im amfang des Buchs von der Francken Historien, und Pantaleon im anfang des ersten Buchs, der Prosopographiae, Sebastianus Brandt, hat in dem selben mancherley Raysen, und wie weit ein ort von dem andern gelegen, deszgleichen der Wasser lauf verzeychnet. So hat auch Iohannes Herold zwey Bžchlein, eines von den Alten, des ‰ltern Teutschlandes orten und etlichen Stationen oder l‰gern des R™mischen Kriegvolcks, das ander von der R™mer Stationem, l‰gern, oder Wach in Rhetia litorali, auszgeben lassen. Caspar Bruchsius hat von den Cl™stern Teutschs landes ein grosz Buch geschrieben. Ausz den Alten hat es sonderlich Cornelius Tacitus in eim sondern BŸchlein fleissig beschriben, welchs Andreas Althamerus und Iodocus Vuilichius mit sehr kžnstlichen Commentarien oder auszlegungen ercleret und ilustuirt haben, Auch ander mehr so van Teutschland geben, und die wir nit gesehen haben, erzelet Francicus Irenicus im II Cap. desl. Buchs, Exogeseos Germaniae.

13. Germani‘, Duitsland.

Duitsland is onder de andere Europese landen de grootste en met vele namen onderscheiden wiens grenzen de auteurs naar dat dan elk de wijze en gewoonte van zijn tijd volgt zo veelvormig beschreven dat het aan te zien is of er drie soorten van Duitsland zijn, namelijk een oude, middelbare en een nieuwe maakten. Die oude willen we Berosus (dat is naar Beroso) noemen die de Rijn, Oceaan, de stroom Don, Zwarte Zee en de Donau met zijn volkeren zo daaraan wonen omvangen heeft. De middelste zou die zijn welke Tacitus, Ptolemaeus en Plinius die zeker in een tijd geleefd hebben bekend is geweest en omdat men zich die uit vermelde autoriteiten voldoende bekend is acht ik om hier weer van te schrijven onnodig. Dat nieuwe Duitsland echter zo het in onze tijden meer bekend en gebruikelijk is strekt zich zover over de Rijn dat het alle Belgas, dat is gans Nederland tot aan de Alpen, het gebergte bij Trente omvat. Alzo ook tegen het Westen reikt het over de Wisla (Weichsel) tot aan de Scythen en Alanen zo we deze tijd Litouwen noemen. Alzo dat het in de lengte van Iccio Portu die gewoonlijk Calais genoemd wordt tot aan de grens van Litouwen, in de breedte echter van de Duitse zee een zee van Veneti‘ tot aan de Alpen zich strekt. Dit Duitsland is in onze tijd vol hupse en versterkt steden, kastelen, dorpen en zeer volkrijk. Alzo dat het voor Itali‘, Frankrijk of Spanje gaat, aan graan, wijnbouw, visrijke wateren kan het met de aller vruchtbaarste landen vergeleken worden. Heeft zoete bronnen, warme wildbaden en veel zoutopgravingen. Item, aan allerlei metalen als goud, zilver, zink, lood, erts, ijzer een overvloed. Alzo dat het geen rijk onder doet. Ik zwijg dat er nergens meer hoffelijkheid, goede zeden, eerlijke kleding, geschiktheid en oorlogshandelingen en uitrustingen en betere adel dan hier te vinden is. Dit is het land die vroeger, zoals Cornelius Tacitus verhaalt, vol wilde ruwe wouden en woeste onregelmatige moerassen en wateren geweest is. Uit de nieuwen hebben het bijzonder vlijtig beschreven Beatus Rhenanus, MŸnster in zijn Cosmographia, Franciscus Irenicus, Joannes Aventinus in zijn Beierse Annalibus of jaarregister. Wat korter Bilibaldus Pirrckheymerus, Gerardus Novimagus, Chonradus Peutingerus, Chonrades Celtes de po‘et, Iacobus Vuimphelingius van Seletstatt, Aimonius en de aanvang van het boek van de historie van de Franken en Pantaleon in de aanvang van het eerste boek de Prosopographiae, Sebastianus Brandt heeft daarin vele reizen en hoe ver een oord van de andere gelegen is en desgelijks de loop van de wateren opgenomen. Zo heeft ook Johannes Herold twee boekjes, de ene van de ouden de oude Duitse oorden en ettelijke stations of legerplaatsen van het Romeinse krijgsvolk en de andere van de Romeinse stations, legerplaatsen of bewakingen in Rhetia litorali (boven in Zwitserland) uitgaan laten. Caspar Bruchsius heeft van de kloosters in het Duitse land een groot boek geschreven. Uit de ouden heeft vooral Cornelius Tacitus in een apart boekje het vlijtig beschreven die Andreas Althamerus en Jodocus Vuilichius met zeer kunstige commentaren of uitleggingen verklaard en ge•llustreerd hebben. Ook meer andere zo van Duitsland geven en die we niet gezien hebben verhaalt Franciscus Irenicus in het 2de kapittel van zijn boek Exogeseos Germaniae.

 

 

14. GERMANIA INFERIOR. Niderteutschland.

In diser Tabul, findest du nicht gantz Niderland, sonder nur allein den theyl, welchen Philippus Keyser Caroli des fžnffsten Son, Erblich innen hat, und dise 17 Herrschafften unnd Gebieten begreifft, Nemlich, das Hertzogthumb Braband, Limpurg, Lžtzenburg unnd Geldern, Die Graffschafft Flandern, Arres, Hennengew, Holland, Seeland, Namurck unnd Zithphaniae oder Zutphanten, Des heyligen R™mischen Reichs Marckgraffthumb. Die Herrschafften Frislandes, Mechlen, Utrecht, Transysalane, (das ist das Land uber der Isel) und Gr™ningen. Dise Land sein sonderlich und vor andern sch™n und wol erbawet, als in denen (wie Ludovicus Guiciardinus bezeuget) in 208 St‰tt, alle mit w‰len und Mawren verwaret, und mehr dann 6300 D™rffer, so Kirchen und Thžrm haben, ausser andern, H™sen, Flecken und Schl™ssern, deren dann auch nicht ein geringe anzal ist, zufinden sein. Und hat diser Tract oder Strich (gegem Orient am Meer anzufahen, bisz an den Flusz Amisum, gemeynglich die Ems genand, so an dem Oceano, die Grenitz ist, dise benachbawrte Fžrsten: Den Graven in Ostzfriesland, den Bijschoff von Mžnster, den Hertzogen von Cleve, die Ertzbischoffe zu C™lin und Trier, und letzlich den K™nig in Franckreich, bisz an die eusserste Grenitz am Meer bey dem Flusz Aa, an dem es sich gegem Abent endet. Der lufft dises Landes, ober wol etwas feuchter anzusehen, wirt dannoch zur gesundheyt und d‰wwnug der Inwoner, sehr dienlich geachtet, weil es da, sonderlich aber in Campania so ein stžck von Braband, sehr vil alten Leut gibet. Hat allenthalben fliessende Wasser. Ist auch mit Holtz und W‰lden, so vil zur luste, J‰gereyen und sch™nheit des Landes von n™then, allenthalben gezieret. Nicht vil Gebirg hat es, on allein umb Lžtzenburg und Namurck, und in Hennengew, gibt es an etlichen orten Hžgel oder Berglein. Ist sehr fruchtbar an Getrayde und andern gewechs, auch an Kreutern zur Artzney dienlich. Man findet aber doch etliche ort, welche die Inwoner von dem Erica, Heydekraut, so mit hauffen daselbst wechst, Ericeta nennen, als in Campania, so ein stžck von Braband ist, in denen obgedachte frucht nicht so reichlich wachsen, aber doch nicht zusagen ist, wie gut und reiche Fžttering solche Ericeta dem Viehe geben, also, das es (wie auch die umbligende L‰nder bezeugen) nyrgend dann da, basz und wolgeschm‰cker Fleisch hat. Bringet kein Their, das den Menschen sch‰dlich ist. Dise Lande alle zusammen, nennnen gemeynglich alle auszlander ( in dem sie ausz unwissenheit, einen theyl fžr das gantze nennen) mit einem Namen Flandern, und desselben Inwoner Flandros oder Fl‰ming, so doch Flandern nur ein stžck, und eines aus disen Landen is, wie in gegenwertiger Tabul zusehen, derhalben jrren dise nicht weniger, als jene, welche, wann sie von Spanien reden w™llen, Castellae, Andalusiae oder einer andern des selben Landes, Provintz gedencken, Oder von Italia und Tusciam, Calabriam &c., nennen, oder von der gantzen Cron Franckreich, und nennen doch nur Normandiam, oder ein andern Provintz, und w™llen doch nichts desto weniger alle geacht sein, als die von gantz Hispania, Italia, Franckreich, gesagt hetten. Dise Land, haben sich in jren kžnstreichen Bžchern zubeschreiben und clerlich auszzustreichen unterstanden: Ioannes Goropius Becanus in seinem Becceselanis, Petrus Diveus Lovaniensis, Hubertus Thomas Leodius, Iohannes Calvetus Stella der Spanier, hat in seiner Sprach, Philippi des Spanischen K™niges Raysen durch dise Land beschrieben, da er vil mit eingemengt hat, so wel zu lesen, und zu erkundigung diser Land und Stett nit undienstig ist. Wer aber ettwas mehr und volk™mmlichers, von disen landen zuwissen begert, der lese Lodovicum Guicciardinum, der wirt es dafžr halten, als ob ers nit gelesen, sonder selbst mit augen gesehen hette.

14. Germani‘ Inferior, Neder Duitsland.

In deze map vind u niet gans Nederland maar alleen het deel die Philippus, keizer Karels vijfde zoon, erfelijk bezit en deze 17 heerschappijen en gebieden omvat. Namelijk het hertogdom Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelderland. De graafschappen Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namur en Zithpanaia of Zutphen het heilige Romeinse rijk markgraafdom.  De heerschappijnen Friesland, Mechelen, Utrecht, Transysalanae (dat is het land over de IJsel, Overijssel) en Groningen. Deze landen zijn bijzonder en voor anderen zeer mooi en goed gebouwd zoals in die (zoals Ludovicus Guiciardinus aantoont) in 208 steden die allen met wallen en muren bewaard zijn en meer dan 6300 dorpen die zo kerken en torens hebben buiten anderen broeken, vlekken en kastelen waarvan er ook geen klein aantal is te vinden zijn. En heeft dit traject of streek (tegen het Oosten aan de zee aan te vangen tot aan de vloed Illyri‘ Amisum die gewoonlijk Eems genoemd wordt zo aan de Oceaan die de grens is deze vorsten als buren: De graaf in Oost Friesland, de bisschop van Munster, de hertogen van Kleef, de aartsbisschop van Keulen en Trier en tenslotte de koning van Frankrijk tot aan het uiterste grens aan de zee bij de stroom Aa (Weser of in Aa Groningen?) waar het zich dan tegen het Noorden eindigt. De lucht van dit land, ofschoon het wat vochtiger is om aan te zien, wordt dan toch voor gezondheid en vertering van de inwoners zeer dienstig geacht omdat het daar en vooral in Campania, (Kempen) wat een stuk van Brabant is, zeer veel oude lieden geeft. Heeft overal vloeiende wateren. Is ook met hout en wouden zo veel voor lust, jagen en schoonheid van het land nodig is overal versierd. Het heeft niet veel bergen alleen in Luxemburg, Namur en Henegouwen zijn er in ettelijke oorden heuvels of bergjes. Is zeer vruchtbaar aan graan en andere gewassen, ook aan kruiden zo voor artsenij dienstig. Men vindt er toch ettelijke oorden die de inwoners Erica of heide zo het daar met hopen groeit Ericeta (ook boekweit) noemen zoals in Campania (Kempen) wat een stuk van Brabant is waarin de vermelde vrucht niet zo rijkelijk groeien maar het toch niet te zeggen is hoe goede en rijke voedering zulke Ericeta het vee geeft alzo dat het (zoals ook de omliggende landen betuigen) nergens dan daar beter en welsmakende vlees heeft. Brengt geen dieren dat de mensen schadelijk is. Deze landen alle tezamen noemen gewoonlijk alle buitenlanders (waarin ze uit onwetendheid het ene deel voor die ganse noemen) met een naam Vlaanderen en diens inwoners Flandro of Vlamingen zo toch Vlaanderen maar een stuk en er een uit deze landen is wat in de tegenwoordige map te zien is en daarom vergissen die zich niet weinig dan diegene als ze van Spanje willen spreken Castili‘, Andalusi‘ of een andere van datzelfde land provincies gedenken. Of van Itali‘ en Toscane, Calabri‘ etc. noemen of van de ganse Franse kroon en noemen toch Normandi‘ of een andere provincie en willen toch niet minder geacht worden als die van gans Spanje, Itali‘ of Frankrijk gezegd hebben. In dit land hebben zich om hun kunstvolle boeken te beschrijven en helder uit te schrijven bezig gehouden, Joannes Goropius Becanus in zijn Becceselanis, Petrus Divaeus Lovaniensis, (uit Leuven) Hubertus Thomas Leodius, (uit Luik) Johannes Calvetus Stella de Spanjaard heeft in zijn taal de reizen van Philippus, de  Spaanse koning, door dit land beschreven waar hij er veel bijgemengd heeft en zo wel om te lezen en onderzoek van dit land en plaatsen niet ondienstig is. Wie echter wat meer en volkomener van dit land te weten begeert die leest Ludovico Giucciardini en die zal het er daarvoor houden alsof hij het niet gelezen maar zelf met ogen gezien heeft.

 

 

15. Geldern.

Geldern ist nach aller Scribenten einheiligem consens, der alten Sicambrer Satz. Hat genen Mitternacht Frisland, und den Sinum oder Hafen des Teutschen Meers, gemeinglich der Zuyderset genandt, vom Auffgang, das Hertzogthumb Cleve, st™sset gegen Mittag an Julich, und hat Brabant und Holland gegem Nidergang. Ist ein flach und eben Land, on alles Gebirg, aber doch allenthalben mit Holtz und lžstigen Walden gezyret, an allen gewechse, sonderlich aber an Getrayd, sehr fruchtbar, und von wegen desz uberflžssigen reichen graszwachs, uber die masz bequem zur Vihewayde, also das man zu eusserst ausz Denmarck die magern Rinder dahin zu meszten schicket.Wirt von dreyen berhžmpten Wasern Nemlich, dem Reyn, der Mas und Wahl, durchfeugt und begossen, Nymegen ist die Hauptstatt disen Landes, welcher Gepiet mit eines Reichs Titul verehrt und gezyrt wirt. Begreifft in sich die Graffschafft Zutphen, und dann den Tract oder Strich Velaniam, so gemeynglich die Veluwe genandt wirt. Es ist aber Velania die Insul zwischen dem einflusz des Reyns ins Meer by Arnheim uber, und der Isel ligt, und streckt sich ans Meer, zimmlich fruchtbar, sehr Waldich und Bergicht. Jr vil sein der meynung, das diser Insul Jnwoner die Caninefates Kannemerlender sein sollen. Geldern hat 22 St‰tt, so alle mit Mawren und Graben verwaret sein, Und uber 300 D™rffer, hat sonderlich unter Graf Otthen dem dritten, sehr zugenommen, dann er dise St‰ttlein, Ržrenmund, Arnheym, Harderwick, Boemelia, Goch und Wagening, so der zeyt nur D™rffer gewesen, in Mawern eingefast, und mit Bžrgerlichen Privilegien begabet hat. Den Titul und namen einer Graffschafft, hat es bisz auff Reinhaldum den andern behalten, Da her gedachts Reinhaldi Tugent und macht, den benachbawrten Landern etwas besorglich worden, und jederman von seine; Gerechtigkeit, Gottseligkeit und trew gegen dem R™mischen Reich zu rhžmen und zusagen wuste, ist er Anno Christi 1339, zu Franckfurt auff einem offentlichen Reichstag, von Kayser Ludwigen, in bey sein des K™nigs in Franckreich, des K™nigs in Engeland und aller Churfžrsten, zum Hertzogen gemacht worden. Etliche sagen, das zu Keyser Caroli des kalen zeitten, umb die gegend dat die Statt Geldria ist, ein ungehewer vergifft Thier, dergleichen vor nie gesehen worden, unter einer Aychen verborgen gelegen, und wunder grosz, und unglaubich grimmig gewesen sey, dise Bestia hat alles dem Velde verwžst, das Vihe und andere kleine Their gefressen, Auch der Menschen nicht verschonet. Die Nachbawren haben umb dises grausamen unerh™rten dinges willen, jre Grenitzen und land verlassen, und sich in die ein™den versteckt. Ein Herr aber von Ponth hat zwey S™ne gehabt, Dieselben damit sie jeren eygen nusz bef™rderten, und denn auch den Nachbawren in jhrem elende hžlff und rettung theten, haben gedachtes Thier mit sonderm list und kžnheit angegriffen, und nach langer mŸhe und kampff entwžrget. Diser Herr hat zu ewigem gedechtnus solcher That, nicht ferne von der Mas, am Ufer das Wassers Nersa ein Schlosz gebawet, und Gelre genennet, darumb das die erwžgte Bestia mit vil und graussamen Bržllen Gelre, Gelre, geschrien hatte, Und davon sollen die Geldrer jhren namen haben. Disen des namens ursprung und herkommen, lassen jhnen vil gefallen, wiewol auch etlich sagen: Das die Geldres nach dem Geldusa oder Gerlaco, jtem andern Vogt oder Hauptman sollen genennet worden sein. Disz haben wir fast alles ausz der Geldrischen Cronica Henrici Aquilij genommen. Davon mehr bey dem Fransisco Irenico. Am besien aber und volkžmlichtsten findest du es beschriben und abgebildet, bey dem Ludovico Guicciardino in seinem Niderland.

15. Gelderland.

Gelderland is naar alle scribenten een heilige consent, de oude zetel van de Sicambri. Heeft tegen het Noorden Friesland en de Sinum of haven van de Noordzee gewoonlijk Zuiderzee genoemd. Van het Oosten het hertogdom Kleef en stoot tegen het Zuiden aan JŸlich (Gulik) en heeft Brabant en Holland in het Westen. Het is een vlak en plat land zonder bergen toch overal met hout en lustige wouden versierd en aan allerlei gewas en vooral aan graan zeer vruchtbaar. Vanwege het overvloedige rijke grasgewas uitermate geschikt om vee te weiden alzo dat men in het uiterste tot Denemarken toe de magere runderen daarheen om te mesten stuurt. Wordt van drie beroemede wateren begoten en bevochtigd, namelijk de Rijn, Maas en Waal. Nijmegen is de hoofdstad van dit land wiens gebied met een rijks titel vereerd en gesierd wordt. Omvat het graafschap Zutphen en dan het traject of streek Velaniam die gewoonlijk Veluwe genoemd wordt. Maar het eiland Velania (Betuwe) dat tussen de invloed van de Rijn tegenover Arnhem en de IJssel ligt en strekt tot aan de zee is tamelijk vruchtbaar, zeer woudachtig en bergachtig. Van hen hebben veel de mening dat de inwoners van dit eiland de Kaninefaten (konijnen vangers) of Kennemers zouden zijn. Gelderen heeft 22 steden zo alle met muren en grachten bewaard zijn. En meer dan 300 dorpen en is vooral onder graaf Otto de derde zeer toegenomen want hij heeft deze stadjes Roermond, Arnhem, Zaltbommel,  Goch (in Duitsland) en Wageningen zo vroeger dorpen waren met muren omvat en met burgerlijke privileges begiftigd. De titel en naam van een graafschap heeft het tot Reinhald de andere behouden. De hier gedachte Reinhald deugd en macht die zijn buren wat zorgen maakte en elk van zijn gerechtigheid, Godzaligheid en trouw tegen het Romeinse rijk te roemen en te zeggen wist is hij anno Christi 1339 te Frankfurt bij een open Rijksdag van keizer Lodewijk in bijzijn van de koning van Frankrijk, de koning van Engeland en alle koorvorsten tot hertog gemaakt. Ettelijke zeggen dat in de tijd van keizer Karel de Kale om het gebied waar de stad Geldria (Rhenen) een onbehoorlijk giftig dier en dergelijke die nog nooit gezien is geweest onder een eik verborgen gelegen en wonderlijk groot on ongelooflijk grimmig is geweest, deze bestia heeft alle landen verwoest en het vee en andere kleine dieren opgevreten en ook de mensen niet verschoond. De buren hebben vanwege deze gruwzame ongehoorde ding hun grenzen en land verlaten en zich in de einden verstopt. Een heer echter van Ponthis (streek rond Arnhem) had twee zonen en die daarmee ze hun eigen nut bevorderen en ook de buren in hun ellende hulp en redding deden hebben gedacht dier met bijzondere list en koenheid aangepakt en na lange moeite en gevecht gewurgd. Deze heer heeft tot eeuwige gedachtenis van zoÕ n daad niet ver van de Maas aan de over van het water Niers, bij Gennep, een slot gebouwd en Gelre genoemd, daarom dat die gewurgde bestia met veel gruwzaam brullen Gelre, Gelre geschreeuwd had. En daarvan zouden die van Gelder hun naam hebben. De oorsprong en herkomst van deze naam laten veel zich bevallen hoewel ettelijke zeggen dat die Gelderen naar de Geldusa of Gerlaco, item een andere voogd of hoofdman genoemd zou zijn. Dit hebben we van vast alles uit de Gelderse kroniek Henricus Aquilius genomen en daarvan meer bij Franciscus Irenicus. Om te bezien echter en het beste vind u beschreven en afgebeeld bij Ludovico Guicciardini in zijn Nederland.

 

 

16. Braband.

Das Hertzogthumb Brabandt, wirt fast allenthalben in dise Wasser, Nemlich, die Mas, Scheld, Sabi und Teneram, oder Denner, eingefangen, also das es dieselben nyrgend uber schreytet, auch gleichwol nicht uber al beržret, weil disseits der Mas die Provintz Lžttich, an derselben einen guten strich einnimet. Hat (damit wir seine grenitzen etwas volkommlicher beschreiben) Holland und Geldern gegen Mitternacht, Das Lžticher Gebiet tegen Morgen, St™sset von Mittag an die Graffschafft Namurck und Hennegew, Vom Nidergang hat es Flandern, von welchem es auch zum theyl durch den Flusz Scheld, abgetheylet wirt. Ist ein sehr lustig und edel Land, und das Volck darinn fr™lich, also das man kauw wenet, das sie das alters beschwerligkeyt entpfinden sollen, daher ich dann achte, dise schimpffrede, so die benachbawrten, als ein Sprichwort, stettigs im munde fžhren, entstanden sein, das sie sagen: Ye ‰lter ein Brabender wird; Ye n‰rrischer er gebierd. Der lufft ist da sehr heylsam und gesund, dann wir offt mit grossem wunder erfahren haben das es, ob wol die Pestilentzische seuch in umbligenden Landen hefftig regiret, dannoch die Brabendter unverletzt und sicher bliben seyen. Disz Land begreifft in sich des heyligen R™mischen Reichs Marckgrafftthumb (darinn Antdorff die Hauptstatt) das Marckgraffthumb Bergen, das Hertzogthumb Arschet, die Graffschafft Hochstraten und Megen, etc. Hat auch lžstige W‰ld und forscht, unter welchen dise fžnffe sonderlich vortreflich sein, und auff jre Sprach also genennet werden: Soenien, der im umbkreis 7 Meyln, darinn D™rffer und Cl™ster sein, begreyfft, Grottenhout, Grooten heyst, Meerdael und Zaventerloo, in denem mancherley art Wildes ein uberflusz ist, Das Jagen und Vogelstellen, ist jederman frey, auszgenommen gedachte fŸnff ort, welche allein dem FŸrsten zur lust und ergetzligkeit dienen mžssen. Dise vor andern namhaffte St‰tt hat es in Braband: Antdorff (antwerf*) an der Scheld gelegen, nit allein Teutschen landes, sonder auch gantzen Europae, ein weitbekandte Handelstatt, und wider allen Feindseligen gewalt, als jrgend eine, sehr wol verwaret, auch von wegen des wunder hohen Thurns, so an der Kirchen Marie gelegen, und ausz weissen M‰rbel gebawet ist, berhžmpt, Da sihet man auch ein Rathause von newen mit grossem unkosten erbawet, also, das dergleichen in gantze Europa kaum zu finden. Bržssel ist von wegen der ewigen oder reichen Qu‰lbrunnen bekandt. Der Fžrst hat da seinen Sitz, derhalben sie auch von wegen der meng der Hofleut, und desz Adels pracht, desto Herrlicher und ansehlicher ist. L™ven ist ein Herrliche und grosse Statt, hat innerhalb der Ringmawrn, G‰rten, Weinberg und Viheweyd, Man k™ndte es billich einen Sitz und wohnung der Musarum nennen, derohalben dann Iohannes der vierdte ein Hertzog in Braband im 1426 Jar daselbsten ein Hoheschul, in der man alle ehrliche Kžnst met hauffen lehret, auffgericht und gestifftet hat. Von diser Statt gebiet, hat Braband die ehr, das es sich des Weinwachses rhžmen kan. Volget Mecheln, welche von wegen des K™niglichen Rahts (das Perlament genandt) berhžmbt ist, welchen Carolus hertzog in in Burgund Anno Christi 1473 da eingestz und geordnet hat. Auch ist die Statt Buscum Ducis, Hertzogenbusch nit zuverachten, welche von wegen der vortrefflichen Schul und streittbaren Volcks vor Jaren, wol bekandt gewesen. Hat auch sonsten andere mehr St‰tt so nit zuverachten, welche alle zuerzelen hie nicht unsers vorhabens ist. Kanst aber von disen allen in Ludovici Guicciardini Niderteutschlanden lesen, da du alles so fleissig, als ob du es vor augen sehest, beschriben findest. Dises landes Inwoner sein vor zeitten die Advatici gewesen, von welchen lise Iohannis Goropij Becani Becceselana, von der Lžtticher Provintz, so fast gantz in diser Tabul zu finden, Lise Huberti Leodij Bžchlein von den Tungris und Eburonibus, Iacobus Lessanbeus hat in seinen Comentarien Hennengaw (dessen grenitzen du in diser Tabul sehen kanst) beschriben.

16. Brabant.

Het hertogdom Brabant wordt overal door deze wateren, namelijk Maas, Schelde, Sambre en Dender omvat alzo dat het die nergens overschrijdt en eveneens ook niet overal beroert omdat aan deze kant van de Maas die provincie Luik daarvan een goed eind inneemt. Heeft (zodat we zijn grenzen wat volkomener beschrijven) Holland en Gelderland tegen het Noorden, het Luikse gebied in het Westen en stoot tegen het Zuiden aan het graafschap Namur en Henegouwen. In het Westen heeft het Vlaanderen waarvan het ook voor een deel van de stroom Schelde gedeeld wordt. Is een zeer lustig en edel land en het volk daarin vrolijk alzo dat men nauwelijks weent dat ze van de ouderdom bezwaren ontvankelijk zouden worden vandaar ik dan acht de schimprede zo de buren als een spreekwoord steeds in de mond voeren ontstaan zal zijn wanneer ze zeggen: Hoe ouder een Brabander wordt, hoe nijdiger hij gebaart. De lucht is daar zeer heilzaam en gezond zodat we vaak met grote verwondering ervaren hebben dat het, ofschoon de pestachtige ziekte in omliggende landen heftig regeert, dan nog de Brabanders onverlet en zeker gebleven zijn. Dit land omvat in zich het heilige Romeinse rijk markgraafdom (waarin Antwerpen de hoofdstad is) het markgraafdom Bergen, het hertogdom Aarschot, Hoogstraten en Megen etc. Heeft ook lustige wouden en bos waaronder deze vijf bijzonder voortreffelijk zijn en in hun taal alzo genoemd worden: Zoni‘n bos die omvat 7 mijlen waarin dorpen en kloosters zijn. Grotenhout, Groot-Heist,  Meerdaal woud en Zaventem waarin van alle soorten wild een overvloed is. Het jagen en vogelstellen is voor iedereen vrij, uitgezonderd de net genoemde vijf plaatsen die alleen voor vorsten als lust en tijdpassering dienen moeten. Deze voor andere bekende steden zijn er in Brabant: Antwerpen aan de Schelde gelegen en niet alleen het Duitse land maar ook in gans Europa en zeer bekende handelsstad en tegen alle vijandige geweld zoals er ergens enige zeer goed beschermd is en ook vanwege de wonder hoge torens zo aan de Mariakerk gelegen en uit witte marmer gebouwd is beroemd. Daar ziet men ook een nieuw raadhuis die met grote kosten gebouwd is alzo dat dergelijken in gans Europa nauwelijks te vinden is. Brussel is vanwege de eeuwige of rijke kwelbronnen bekend. De vorst heeft daar een zetel en derhalve wordt het ook van een grote hoeveelheid hoflieden en de pracht van de adel des te heerlijker en aanzienlijker. Leuven is een heerlijke en grote stad en heeft van binnen ringmuren, tuinen, wijnteelt en veeweide. Men kan het billijk een zetel en woning Muses noemen daarom omdat Johannes de vierde, een hertog van Brabant, in 1462 daar een hogeschool opgericht gesticht waarin men alle eerlijke kunsten met hopen leert. Van het gebied van deze stad heeft Brabant de er dat het zich de wijnteelt roemen kan. Volgt Mechelen die vanwege de koninklijke raad (het parlement genoemd) beroemd is die Carolus, een hertog in Bourgondi‘, anno Christi 1473 daar gezet en geordend heeft. Ook is de stad Buscum Ducus, Hertogenbosch, niet te verachten die vanwege de voortreffelijke school en strijdbare volk jaren geleden goed bekend is geweest. Heeft verder ook meer steden die niet te verachten zijn maar om die alle te vertellen is hier niet ons voornemen. Kan echter van dit land alles in Ludovici Guicciardini Neder Duitsland lezen daar u alles zo vlijtig alsof u het voor ogen ziet beschreven vindt. Dit land zijn inwoners zijn vroeger de Advatici geweest en daarvan kan je lezen Johannis Goropius Becanus Becceselana van de Luikse provincie die goed in deze map te vinden is. Lees Hubertus Leodius boekje van de Tungris en Eburonibus. Jacobus Lessabaeus heeft in zijn commentaren Henegouwen (wiens grenzen u in deze map zien kan) beschreven.

 

 

17. Flandern.

Disen gantzen Strich Landes so zu eusserste Europae gegen der Insul Britania uber, zwischen Franckreich, Teutschland, und dem Oceano ligt, nennen die Inwoner das Niderland, die Frantzosen aber und fast all Auszl‰nder, nennens mit einem namen Flandern. Aber Flandern, ist nicht so grosz und weitleufftig. Dann das so jetziger zeyt Flandern ist, endet sich an Braband, Hennegaw, Artois, und dem Oceano, dises theylet man in drey theyl, in das Teutsche, Frantz™sische, und Keyserische, so sonst auch Proprietaria, fŸr sich eigen (weil es nie keinen, als den FŸrsten in Flandern fŸr seinen Oberherren erkennet hat) genennet wirt. Das Teutsche Flandern hat dise St‰tt, Nemlich, Genth, Bruck, Hypra, Cortrick, Owdenard und Pamelia, Newport, Fyrneu, Bergen, Schlusz, Dam, Bierfliet, Dixmued, Cassel, Dunckerck, Greveling, Broburg und Hulst. Das Frantz™sische, hat Rysel, Duway, Orchies. Das Keyserische hat Aelst, Dendermund, Gerhartsberg und Ninoven. Die beržmpten Wasser darinn sein: die Scheld, Lisa, und Dender. Dises Land hat sehr gute Wayd, sonderlich gegen Nidergang, bringt gut Rindvihe, und sehr vortrefliche adeliche Rosz, so zum Krieg, wol dienstig sein. Hat an K‰s und Butter ein uberflusz, Wechst auch da sehr vil und guter Waytzen. Das Volck treibet gemeynglich Kaffmanschafft, machet ausz Flachs (dessen da sehr vil und gut wechst) und ausz Wollen (die man ausz Engeland dahin bringet) ein grosse meng Leinen und W™llen Thuchs, welchs sie weit und breyt verh‰ndlen und verschieben. Disz Flandern hat 28 St‰tt so in Mawren eingefast sein, und 1154 D™rffer, ohne Schl™sser, Flecken, und der Edelleutsitz. Unter disen ist die Statt Genth die gr™ssest, von welcher Erasmus Roterodamus in seinen Episteln also sagt: Ich achte nicht, (spricht er) das so weit die Christenheit sich erstreckt, eine Statt, die mit der zuvergleichen, gefunden werde, beyde was die gr™sse und macht, die Policey und des Volcks art und natur belanget, so vil Erasmus. Begreifft in jrem gecirck und umbkreys 3 unserer Meyln. Wirt met dreyen fliessenden Wassern durchfeucht und begossen, durch welche es in 20 unterschiedliche Insulen darinn man wonet, getheylet wirt. Bruck ubertrifft mit vilen und sch™nen Heusern, fast alle St‰tt des gantzen Niderlandes. Ist vor zeitten ein so berhžmbte Handelstatt gewesen, das umb solcher gelegenheyt willen, der name des landes Flandern ander umbligende und benachbawrte Land (wie Iacobus Marchantius sagt) verdunckelt und in abnemen gebracht hat. Ypern, hat den Flusz Hypran, so den Tuchmackern sonderlich dienlich und bequaem ist. Durch Wollenwerck hat sie vor Jaren sehr mechtich gewachsen und zugenommen, bisz sie die Engelender und die von Genth bel‰gert, jhre grosse und herrliche Vorst‰tt zurissen, und also wider in grosz abnemen gebracht haben. Disz Land ist anfengklich den meysten theyl unter der K™nig in Franckreich schutz gewesen, aber jetzund durch Keyser Carlen den fŸnffsten, etc., Graffen in Flandern, der solche dienstbarkeit durch den Madriszschen vertrag gantze auffgehaben hat, widerumb fžr sich selbs und frey worden. Dises Land hat Ludovicus Guicciardinus sehr fleissig, Sehr kžnstlich aber Iacobus Marchantius beschrieben.

17. Vlaanderen.

Deze ganse streek land zo in het uiterste van Europa tegenover Brittanni‘, tussen Frankrijk, Duitsland en de Oceaan ligt, noemen de inwoners Nederland, de Fransen echter en vast alle buitenlanders noemen het met een naam Vlaanderen. Maar Vlaanderen is niet zo groot en uitgebreid. Dan wat nu Vlaanderen is eindigt bij Brabant, Henegouwen, Artois en de Oceaan. Dit deelt men in drie delen, in de Duitse, Franse en keizerlijke die soms Proprietaria (eigen bezitter) voor zichzelf (omdat het geen zoals de vorsten in Vlaanderen voor zijn bovenste heer erkent) genoemd wordt. Het Duitse Vlaanderen heeft deze steden: namelijk Gent, Brugge, Ieper, Kortrijk, Oudenaarde en St. Pamela, Nieuwpoort,  Veurne, Bergen, Sluis, Damme, Biervliet,  Diksmuide, Kassel of Cassel,  Duinkerken, Greveling, Broekburg en Hulst. Het Franse  heeft Rijsel, Douai of Dowaai en Orchies. De keizerlijke heeft Aalst, Dendermonde, Geraardsbergen en Ninove. Die beroemde wateren daarin zijn: Schelde, Leie en Dender. Dit land heeft zeer goede weide vooral tegen het Westen en brengt goed rundvee en zeer voortreffelijke adellijke paarden zo voor oorlog goed dienstig zijn. Heeft aan kaas en boter een overvloed en groeit daar ook zeer veel en goede wede. Het volk drijft gewoonlijk koopmanschap en maakt uit vlas (die daar veel en goed groeit) en uit wol (die men daar vanuit Engeland brengt) een grote menigte linnen en wollen doeken die ze wijdt en breed verhandelen en verschepen. Dit Vlaanderen heeft 28 steden die zo in muren omvat zijn en 1154 dorpen zonder de kastelen, vlekken en de edele lieden zetels. En onder die is de stad Gent de grootste waarvan Erasmus Roterodamus in zijn epistels alzo zegt: Ik acht niet (spreekt hij) dat zo ver de Christenheid strekt er een stad is die met die te vergelijken is gevonden wordt, beide wat de grootte en macht, die politiek en de aard en natuur van het volk aangaat, zo veel Erasmus. Begrijpt in haar cirkel en omvang 3 van onze mijlen. Wordt met drie vloeiende wateren bevochtigd en begoten die in 20 aparte eilanden waarin men woont gedeeld wordt. Brugge overtreft met vele en mooie huizen vast alle steden van gans Nederland. Is vroeger zoÕ n beroemde handelsstad geweest dat het vanwege die gelegenheid de naam van het land Vlaanderen in andere omliggende en naburige landen (zoals Jacobus Marchantius zegt) verdonkert en in afnemen gebracht heeft. Ieper heeft de stroom Ieperleet (later een kanaal) zo de doekmakers bijzonder dienstig en bekwaam is. Door wol werken is ze jaren geleden zeer machtig gegroeid en toegenomen tot de Engelsen en die van Gent ze belegden en hun grote en heerlijke voorstad vernield en alzo weer in grote afname gebracht. Dit land is aanvankelijk voor het grootste deel onder de bescherming van de koning van Frankrijk geweest maar nu door keizer Karel de 5de etc. graaf van Vlaanderen die zulke dienstbaarheid door het verdrag van Madrid gans opgeheven heeft wederom op zichzelf en vrij geworden. Dit land heeft Ludovico Guicciardini zeer vlijtig, maar zeer kunstig echter door Jacobus Marchantius beschreven.

 

 

18. Seeland.

Levinus Lemnius Zirizaeus sagt in seinem Bžchlein von dem heymlichen Wunderwercken der Natur, under andern dises von seinen Seel‰ndern: Man kan ausz Cornelio Tacito abnemen, das dise Landtschafft am meer gelegen, den alten, wiewol nit mit namen so es jetzund hat, aber doch ausz dem gemeynen gebrauch, die ein Einheymischer und Mitburger den andern hat pflegen anzusprechen, nit ist unbekandt gewesen. Derhalben er sie mit dem namen der Mattiacorum anzeygt, und zuverstehn gibt, da er spricht: Es sein die Mattiaci in einerley dienst und gehorsam fast den Batavis gleich, ohn das jene jhres Landes halben ettwas mutiger und freydiger sein, Damit zuverstehen gibt, ob wol dieselben als benachbawrte, mit den Batavis oder Holl‰ndern, so vom den holen Lande den namen haben, grenitzen, und also unter sie gerechnet sollen werden, das sie dannoch des gemeynen namens halben, unterschieden, dem Oceano oder hohen Meer n‰her, und derohalben auch ettwas fecher und mutiger sein, wie dann in der warheyt dieselben an krafft, verstandt, geschickligkeyt, arglist, geschwindigkeyt, betrug, vervorteylung, Handels erfarungen und geschikligkeyt gžter zuverwerben, ubertreffen. Sie werden aber Matteaci, nicht von einem ort oder Fžrsten, sonder dem gemeynen brauch zureden, und dem w™rtlein Maet, also genandt, welches w™rtlein in teglicher Sprach, wann sie in Freundschafft zusammen kommen, so vil, als bey uns, einen Freund, gesellen, oder mitgenos, bedeuten sol, der alle H‰ndel, gewerb, raht und that, mžhe und arbeyt mit einem gemeyn hat, und deren zu gleich theylhafftig wirt. Dann der name Seeland new, und den Alten unbekandt ist, und ausz dem Land und Meer oder See, zusamen gesetzet, als nennest du es ein Land so am Meer ligt, dann es allenthalben mit demselbigen umbgeben, und in vil, Nemlich, fžnfftzehen Insulen unterschieden wirt, wiewol dises Land vor wenig Jaren, grossen schaden vom Meer erlitten, welches wžten und grauwsamkeyt, die Th‰me von grund zerrissen, und einen guten theyl Seelandes mit Wasser veschwemmet und bedeckt hat. Bestehen aber doch noch etliche fžrneme Insulen, unter welchen sonderlich drey, mit des Meeres wžtten stettigs kempffen, und mit grossen unkosten schwerlich sich wider das Barbarische unbendige Element, schžtzen und auffhalten. Unter disen ist wenn man vom hohen Meer zu land fehret, Walchern die erste, welche entweder von dem Inwonern, so ist genennet worden, oder aber, wie ich darfžr halte, von den Gallis oder Frantzosen, so offt dise gegent besucht, und in Niderlendischer sprach noch heutiges tages die Walhen heyssen: Oder von disem theyl Britanniae, in welchem gegen dem Nidergang, die VValli, so bey den Engellendern die fŸrnembsten vom Adel sein, wonen, und wie jr Sprach anzeygt, auch von den Frantzosen herkommen. Von dannen uber gegen dem Wind Aquila Nordwind, vom Ortu Solstitiali ligt Scaldia, von dem Flusz Scalde also genennet. Suytbevelandia, welchs von dem Lande so gegen Mittag ligt, den namen hat, und mit einem sehr weitten und lustigen Strich an die Flandrische und Brabandische grenitzen erstreckt, wiewoles voor kurtzen Jaren grossen schaden genommen, und fast den halben theyl kleiner worden ist. Was mehr zuwissen, lise bey dem Autore selbst, der alle dises Landes Jnsulen und St‰tt, sehr lustig und sch™n beschriben hat. Magst auch, so du wilt, Ludo: Guicciardinum dazu nemen, so hast du dessen einen volkomen bericht. Item Adriani Barrij beschreibung der Stett des Niderlandes.

18. Zeeland.

Levinus Lemnius Zirizaeus (van Zierikzee) zegt in zijn boekje van de heimelijk wonderwerken van de natuur onder andere dit van zijn Zeelanden: Men kan uit Cornelius Tacitus vernemen dat dit landschap aan zee gelegen de ouden, hoewel niet met de namen zo het nu heeft, maar toch uit het algemene gebruik die de inwoners en medeburgers de andere plegen aan te spreken niet onbekend is geweest. Derhalve dat hij het met de naam Mattiacorum aanduidt en te verstaan geeft waar hij spreekt: Die Mattiaci zijn in enerlei dienst en gehoorzaamheid vast de Batavieren gelijk buiten dat vanwege hun land ze wat moediger en vrediger zijn. Daarmee geeft hij te verstaan of wel diezelfde als buren met de Batavieren of Hollanders die zo van het holle land de naam hebben grenzen en alzo onder die gerekend zullen worden dan dat ze nog vanwege de algemene naam onderscheiden en de Oceaan of grote zee dichter en daarom ook wat vechtachtiger of moediger zijn zo ze die dan in de waarheid aan kracht, verstand, geschiktheid, arglist, snelheid, bedrog en bevoordeling, handelservaringen en geschiktheid om goederen te verwerven overtreffen. Ze worden Matteaci genoemd en niet naar een oord of van een vorst, maar van het gewone gebruik om te spreken en het woordje Maet, (maat) alzo genoemd, welks woordje in dagelijkse spraak als ze in vriendschap tezamen komen net zo veel als bij ons een vriend, gezel of meegenoot betekenen zou die alle handel, wervingen, raad en daad, moeite en arbeid met een gemeen heeft en die gelijk er een deel van wordt. Dan de naam Zeeland is nieuw en is de ouden onbekend en is uit het land en meer of zee tezamen gezet als noem je het een land zo aan de zee ligt want het is geheel met die omgeven en wordt in veel, namelijk 15 eilanden onderscheiden hoewel dit land enige jaren geleden grote schade van de zee heeft geleden wiens woeden en gruwzaamheid die dammen van de grond vernielde en een goed deel Zeeland met water overspoeld en bedekt heeft. Bestaan echter toch nog ettelijke voorname eilanden waaronder er vooral drie zijn die met het zee woeden steeds vechten en met grote onkosten zwaar zich tegen het barbaarse losbandige element beschutten en ophouden. Onder deze is als men van de grote zee naar het land gaat Walcheren de eerste die of zo van de inwoners zo genoemd is geworden of echter, zo ik het daarvoor hou, van de Galli‘rs of Fransen die zo vaak dit gebied bezochten  en in Nederlandse taal nog op heden de Walen heten. Of van dit deel Brittanni‘ waarin tegen het Westen de Walen, zo bij de Engelsen de voornaamste van adel zijn, wonen en zoals hun spraak aantoont ook van de Fransen afstammen. Vandaar tegenover de wind Aquila of Noordenwind, van Ortu Solstiliali ligt Schouwen die zo genoemd wordt van de stroom Schelde. Zuid Beveland die van het land zo tegen het Zuiden ligt heeft daarvan de naam en grenst met een zeer wijde en lustige streek aan Vlaanderen en de grens van Brabant, hoewel het pas geleden grote schade genomen heeft en vast het halve deel kleiner is geworden. Wat meer te weten lees bij de auteur zelf die al deze eilanden van dit land en steden zeer lustig en mooi beschreven heeft. Mag ook, als u wil, Ludovico Guicciardini daartoe nemen dan heeft u hiervan een volkomen bericht. Item Adrian Barland Ôs beschrijving van de  plaatsen van Nederland.

 

 

19. Holland.

Erasmus Roterodamus der Hollender, beschreibet sein Holland mit disen worten: Es sein alle Gelehrte in dem eines, ist auch den vermutungen und anzeygungen nicht zuwider, das die Insul des Reyns am Oceano oder hohen Meer, deren auch Cornelius Tacitus in seinem 20 Buch gedenckt, eben die sey, so man jetzund Holland nennet, und von mir sonderlich, weil sie mir zum Vatterland worden, sol gerhžmet und geehret worden, Und wolte Gott, das sie von mir so vil ehr haben k™nte, so wol ich mit derselben zufriden bin. Dann das Martialis disz Volck fŸr Beiwrische acht, und Lucanus es wild und grimmig nennet, geht entweder uns nichts an, oder sol uns vil mehr zum lob gereichen. Dann welches Volck ist dermal eins nit etwas gr™ber und unverstendiger gewesen. Und wann ist die Statt Rom jemals mehr rhums und ehren wert gewest, dann da sie von keinen andern Kžnsten, dann dem Ackerbaw und Kriegsžbungen gewist. Solte aber das, so vor zeyten von Batavis gesagt worden, auch von unsern zeyten verstanden werden, wie k™ndte man mein liebes Holland h™her und mehr lonen, dann so man sagt, das es vor des Martialis bossen, die er selbs schalckheit und bžberen nennet, einen abschew trage. Und wolte Gott alle Christen h™reten mit Hollandische ohren, das sie dises Po‘ten schadliche schwenck nit annemen, und dieselben, jhenen nit gefallen liessen. Wil jemand dises fŸr einfalt oder grobheyt halten, lassen wir es uns, weil wirs mit den ehrlichen und dapffern Lacedemoniern, den alten Sabinis und den weitberhžmpten Catonibus gemeyn haben, gerne zur schmach nasachagen. Lucanus, achte ick, hab die Hollander eben auff die weisz wild und grimmig, gleich wie Virgilius die R™mer, Arres, dapffer, handvest genennet. Sonst so du jre tegliche hauszsitten und geberd wilt betrachten, wirst du kauw ein Volck, so mehr zur freundligkeyt und gžtigkeyt geneygt, und weniger undfreindligkeyt und grimmigkeyt an sich hat, finden. Sie sind eines einfeltigen unarglistigen gemžts, ohne betrug und falscheit, und mit keinem schweren laster behafftet, one das sie etwas zuvil dem wolluste, sonderlich mit Gastungen und Pancketen nachhengen, Zu welchem ich achte den grossen uberschwencklichen uberflusz, so zu wollust reytzet, ursach geben, welcher uberflusz zum theyl daher kompt, das man, weil es der zweyen herberžmbten Wasser, der Masz und Reyns einflusz ins Meer hat, und zum theyl selbst auch am Meer ligt, allerley mit guter gelegenheyt dahin bringen und zufuhren kan, Darnach das es auch fŸr sich selbsten sehr fruchtbar ist, und allenthalben mit Schiffreichen und Vischreichen Wassern befeucht, Auch uberflžssige Weyd hat. Zu dem bringen auch die Sžmpff und W‰lde darinn, unzelig vil V™gel und Schnabelweyd, Derohalben man dann wenet, nicht leicht ein land zufinden sein, das in dergleichen begriff und umbfang so vol St‰tt und Flecken hab, die wol nit so gar grosz, aber mit sonder guter Policey versehen sein. Die zyr und sch™nheyt des Hauszrahts belangend, geben alle Kauffleut, so weit raysen, und fast aller ort gelegenheyt wissen, allein Holland den preys. Man findet nirgent ein gr™ssere anzal zimlich gelehrter leut. Das aber jr nicht vil zu volkommener auszerlesener geschickligkeyt, wie bey den Alten gewesen ist, kommen, geschihet entweder von dem unzimlichen unm‰ssigen leben, oder aber das bey jnen ein auffrichtig redlich leben und sitten, mehr denn grosse Kžnst und geschickligkeyt, in ehren gehalten wirt. Dann das es jhnen am Ingenio und verstand nit mangle, kan man ausz vilen beweissungen darthun, wiewol mir ein eben geringes, wil nicht sagen gar kleines, wie sonsten auch ander ding, bescheret ist. So vil sagt Erasmus, in seinen Chiliadibus. Von Neapolis hat disz Oland, (wie ers nennet) in einer zyrlichen Epistel an Graf Nugarolum beschriben, Besihe von derselben auch die Hollendische Histori, Gerhardi Geldenhaurij, und Petrum Diveum, Von dem wunder grossen aller ding Vorrhat in disem lande, lise Ludovicum Guicciardinum, Von dem eingefallen der R™mer Zeughausz, so am ufer des Teutschen Oceani bey dem Dorff, Catwijck uff der See genandt, ist nit ferrne von dem St‰ttlein Leida, Auch von den uberschrifften und namen so in Merbel gehawen, daselbst sein gefunden worden, haben wir vor der zeyt, ein sondere abbildung und Figur auszgeben lassen. Von der Utricher Lande, welche auch in diser Tabul begriffen ist, Lise Lamberti Hortensij Montfortij Historiam.

19. Holland.

Erasmus Roterodamus de Hollander beschrijft zijn Holland met deze woorden: Alle geleerden zijn het daarmee overeen en is ook het vermoeden en aanwijzingen daar niet tegen dat het eiland in de Rijn bij de Oceaan of grote zee die ook Cornelius Tacitus in zijn 20ste boek gedenkt dat is wat men nu Holland noemt en van mij bijzonder omdat ze mijn vaderland is geworden geroemd en ge‘erd zou worden. En wil God het dat ze van mij zoveel eer hebben kunnen dan zou ik met mijzelf tevreden zijn. Dan dat Martialis dit volk voor boers acht en Lucanus het wild en grimmig noemt gaan beide ons niets aan of zal ons veel meer tot lof rijken. Dan welk volk is toentertijd niet wat grover en onverstandiger geweest. En wanneer is de stad Rome ooit tot meer roem en eer geweest dan toen ze van geen andere kunsten dan de akkerbouw en oorlogshandelingen wisten. Zou echter dat zo vroeger van de Batavieren gezegd werd ook van onze tijden verstaan worden hoe kan men dan mijn lief Holland hoger en meer lonen dan zo men zegt dat het voor de Martialis boze, die zichzelf schalksheid en boef noemt, een afschuw draagt. En wilde God dat alle Christenen hoorden met Hollandse oren dat ze die po‘et zijn schadelijke draai niet aannemen en die hen niet gevallen laat. Wil iemand dit voor een eenvoud of grofheid houden laten we het zo omdat we met de eerlijke en dappere Lacedaemoni‘r, de oude Sabinis en de zeer beroemde Catonibus gemeen hebben graag smakelijk napraten. Lucanus acht ik, heeft de Hollander op deze wijze wild en grimmig genoemd gelijk zoals Virgilius de Romeinen Arres, dapper en hand vast genoemd. Verder zo u uw dagelijks  huishouden en gebaren wil betrachten zal u nauwelijks een volk vinden dat meer tot vriendelijkheid en goedheid geneigd is en minder onvriendelijkheid en grimmigheid aan zich heeft. Ze zijn van een eenvoudige en niet arglistig gemoed zonder bedrog of valsheid en met geen zware laster behept alleen dat ze wat teveel tot de wellust en vooral met gasten en banketten aanhangen. Daartoe acht ik de grote overspoelende overvloed zo tot wellust opwekt een oorzaak geeft welke overvloed voor een deel daarvan komt dat men, omdat er twee zeer beroemde wateren de Maas en Rijn in zee vloeit en het voor een deel ook zelf aan de zee ligt, allerlei met goede gelegenheid daarheen brengen en voeren kan. Daarna dat het van zichzelf zeer vruchtbaar is en overal met scheeprijke en visrijke waters bevochtigd wordt en ook overvloedige weide heeft.  Daartoe brengen ook de moerassen en wouden daarin ontelbaar veel vogels en snavelweide. Daarom men dan meent dat er niet licht een land te vinden is dat in dergelijk begrip en omvang zoveel steden en vlekken heeft die hoewel niet zo groot maar met bijzonder goede politiek voorzien zijn. De sier en schoonheid van het huisraad aangaande geven alle kooplieden zo ver reizen en zeker alle oorden gelegenheid weten alleen de Hollanders de prijs. Men vindt nergens een groter aantal tamelijk geleerde lieden. Dat echter van hen niet veel tot volkomen uitgelezen geschiktheid, zoals bij de ouden geweest is, komen geschiedt of van het onbetamelijke onmatige leven of dat zij hun oprecht redelijk leven en zeden meer dan de grote kunst en geschiktheid in eren gehouden wordt. Dan het aan ingenieus en verstand niet ontbreekt kan men uit vele bewijzen zien, hoewel me een kleine en wil niet zeggen een erg kleine en verder ook andere ding bezwaard. Zo veel zegt Erasmus in zijn Chiliades. Chrysostomus Neapolitanus heeft dit Oland (zoals ze het noemen in een sierlijk epistel aan graaf Nugarolo beschreven. Bezie daarvan ook de Hollandse historie van Gerhardi Geldenhaurij en Petrum Diveum. Van de wonderlijke grote voorraad in dit land lees Ludovico Guicciardini. Van de ingevallen Romeinse voorraadkamer zo aan de oever van de Noordzee bij het dorp Katwijk aan de Zee genaamd is het niet ver van Leiden. Ook van de overschrijvingen en namen zo in marmer gehouwen daar gevonden worden hebben we vroeger een bijzondere afbeelding en figuur uitgeven laten. Van het Utrechter land die ook in deze map begrepen is lees Lambertij Hortensij Montfortij Historie.

 

 

 

20. Frisland.

Die Frisen, sind bey den Alten dise V™lcker gewesen, so an den Ufern Teutscheslandes gegen Mitternacht gewonet haben. Sind einerley Volck, haben auch einerly sitten, wiewol sie an den Ufern Teutsches landes weit von ein ander ligen, Dann (von Holand gegem Nidergang anzufahen) ir Land gegem Orient, durch Geldern, die Isel des Reynes auszflusz die Bistumb Utrich, Mžnster und Bremen, bisz an die Elb sich erstrecket. Darnach von der seitten gegen Holland, henckt es sich auff Jutland (welchs auch Cimbrica Chersonesus das ist Dennmarck, oder das Hertzogthumb Holsteyn und Schleswick) heisset, und wirt biszweilen durch die Pfulen und Sžmpff (welche Tacitus grosse See nennet) Biszweiln durch des Meers H‰fen oder grosse Bžge abgeschnitten und zertheylet. In diser grenitz lauffet die Ems bey Emden in das Meer. Der Flusz Iader, dessen auch Ptolemaeus gedenckt, und gemeynglich Iada genennet wirt, ržret an Frisland, von welchem auch die gegend so zu eusserst dar an ligt Budiagan heysset. Der Vidrus aber, so zwischen den Busactern (jetzund die Westphalen) und den Frisen fleusset, und zwischen dem Reyn und der Ems ins Meer fellt, wirt das Schwartzwasser genennet. Jetziger zeyt, weis man von disen V™lckern nicht so vil zusagen, und werden durch den Flusz Ems in die West und Ostfrisen getheylet. Die Westfrisen (wie Iacobus von Deventer bezeuget) haben sich dises namens, als einer alten gerechtigkeyt vor langst angenommen und gebraucht, sind auch allezeyt den andern vorgezogen und besser geacht worden, und streckt sich jr Land von der Isel, so der eusserste des Reyns auszflusz ist, bisz an das Wasser Ems, und begreifft Ostergaw, Westergaw, Sibenw‰lde, die herrliche Statt Gr™nigen, sampt der gegend so darbey herumb ligt. Hat sehr vil Vihe und uberflžssige Wayd, ist auch met D™rffern, und andern gebewen vor andern Landen gezyret. Transisalana ober Oberysel, Drent, und Twent geh™ren auch dazu, und werden dise alle unter dem Hertzog von Burgund als dessen Erbl‰nder glžcklich und wol regirt. Die Ostfrisen, ob sie wol vor jaren, den grafen in Holland fžr jhren Herren, (wiewol nit unwillen) erkandt, haben doch jetziger zeit jhren eygnen Grafen. Petrus Olivarius sagt in seinen Annotationibus uber Melam, da er von den Westfrisen redet, das er in keinem so kleinen Land mehr Pfarrkirchen gefunden hab. Etliche (spricht er) sagen, das ausz der ursach so vil Kirchen gebawet worden seyen, Dann es haben zich zwischen denen vom Adel derselben gegend, ein zwyspalt, desz ortes oder vorzuges halben unter disen Kirchen zugetragen, dann ein jeder den ™bersten ort, und vorzug zu haben vermeynt, und als diser unwill teglich zu genomen, haben endlich die so es verm™gt, beschlossen, in jren D™rfffern eygene Pfarren zu bawen, haben also ein jeder jme auff seinem eygen Gut und Sitz, das ™berste ort und vorzug selbs genommen, und disz sol so vil Kirchen zu bawen verurzacht haben. So vil meldet diser, bey welchem magst du, so du wilt, mehr lesen. Besihe davon auch Alberti Krantz Saxoniam. Da aber jemand was weitleufftigers von disen Landen zuwissen begert, der lese Ludovici Guicciardini Beschreibung desz Niderlandes.

20. Friesland.

De Friezen zijn bij de ouden die volkeren geweest zo aan de oever van Duitsland tegen het Noorden gewoond hebben. Het is een volk en hebben ook een zeden hoewel ze aan de oever van Duitsland ver van elkaar liggen. Dan (van Holland tegen het Westen aan te vangen) hun land tegen het Oosten door Gelderland, de IJssel de uitvloeiingen van de Rijn, het bisdom Utrecht, Munster en Bremen tot aan de Elbe zich strekt. Daarna aan de zijden van Holland hangt het aan Jutland (die ook Cimbrica Chersoneus, dat is Denemarken of het hertogdom Holstein en Schleeswijk) heet en wordt soms door de grote poelen en moerassen (die Tacitus grote zee noemt) en soms door de zeehavens of grote bogen afgesneden en verdeeld. In deze grens loopt de Eems bij Emden in de zee. De stroom Iadera die ook Ptolemaeus gedenkt en gewoonlijk Iada genoemd (Weser of JŸmme? roert aan Friesland waarvan ook het gebied zo in het uiterste daaraan ligt Budiagan (rond Bremen) heet. De Vidrus (Oude IJssel) echter zo tussen de Busactern (nu Westfalen) en de Friezen vloeit en tussen de Rijn en de Eems in de zee valt wordt het Zwarte Water genoemd. In deze tijd nu men van deze volkeren niet zo veel te zeggen heeft worden ze door de stroom Eems in West en Oost Friezen verdeeld. De West Friezen (zoals Jacobus van Deventer betoont) hebben zich deze naam naar een oude gerechtigheid vanouds aangenomen en gebruikt  en worden ook altijd de anderen voorgetrokken en beter geacht en strekt hun land zich van de IJssel, wat de uiterste uitstroom van de Rijn is, tot aan het water Eems en omvat Oostergauw,  (Oosterwold) Westergauw, (bij Harlingen) Zevenwouden, de heerlijke stad Groningen met de omgeving die daarbij ligt. Heeft zeer veel vee en overvloedige weide, is ook met dorpen en andere gebouwen voor andere landen versierd. Transisalana of boven Overijssel, Drenthe en Twente behoren ook daartoe en worden deze alle onder de hertog van Bourgondi‘ als hun erflanden gelukkig en goed geregeerd. De Oost Friezen, ofschoon ze jaren geleden de graven van Holland voor hun heer (hoewel niet onwillig) erkend hebben maar in deze tijd hebbe ze hun eigen graven. Petrus Olivarius zegt in zijn Annotationibus over Melam, waar hij van de Friezen spreekt, dat hij in geen zoÕ n klein land meer parochie kerken gevonden  heeft. Ettelijke (spreekt hij) zeggen dat uit die oorzaak zoveel kerken gebouwd zijn, dan er is tussen de adel van die omgeving een tweespalt geweest en dit oord vanwege voorkeuren deze kerken toegedragen, dan elke overste van een oord de voorkeur te hebben meenden en toen deze onwil dagelijks toenam hebben eindelijk diegene die het kunnen besloten in hun dorpen eigen parochies te bouwen en hebben alzo elk op zijn eigen goed en zit het bovenste oord en voorkeur zelf genomen en daarom dat er zoveel kerken gebouwd zijn veroorzaakt hebben. Zoveel vermeldt deze waarbij u ook mag, als u wil, meer lezen. Bezie daarvan ook Alberti Krantz Saxoniam als iemand wat meer uitgebreid van deze landen te weten begeert die leest Ludovico Guicciardini beschrijving van Nederland.

 

 

21. Dennmarck.

Des Landes Dennmarck setzen wir ausz Saxo

ne Grammatico dise Beschreibung hieher: Dennmarck wirt durch des Meeres Wellen mitten von einander getheylet, hat derowegen wenig stžck Landes so gantz aneinander hangen, sonder wirt durch des gew‰ssers durchbrechen, nach dem sich das Meer mancherley weyse kržmmet und beuget, unterschieden. Ausz denselben ist Jutland das gr™ssest, und des Denischen Reichs anfang, und gleich wie es etwas mehr fornen ligt, also streckt es sich auch mehr in die lenge, und reichet an des teutschen Landes Grenitzen, wirt aber von desselben zusammenfžgung durch den Flusz Eydoram die Eyder, so darzwischen kommet, abgescheyden, und streicht, nach dem etwas in die breyte gewachsen, gegen Mitternacht bisz an das Ufer des Meers, so man Fretum Noricum nennet. In disem ist der Sinus, Hafen oder Bžge des meers, der Lymicus heisset, und so Vischreich ist, das von demselben die Inwoner nicht weniger genies und narung, als von den gantzen Velde desz Landes haben k™nnen. Es st™sset auch an dises das kleiner Frisen, welches nachmals von Jutland, da das selbe etwas herfŸr raget, weg gehet, sich senckt und niderlesset, und also durch den Oceanum oder Meer, wann es sich ergeusset und zulaufft, so fruchtbar gemacht wirt, das alles gew‰chs sehr reichlich und wol bekommet. Ist also ungewies, ob dises des Meers an und zulauffen den Inwonern mehr schreckens, oder nutzes bringe. Dann in grossem ungewitter reisset es biszweilen durch die Th‰me und Gr‰bern, mit welchen man die wellen des ungestummen Meeres zusperren und auff zuhalten pfleget, und lauffet ein solcher gewalt Wassers ins Lande, das es nit allein das gebawte Veld, sondern auch die Leut sampt jhren Heusern uberfellet und zudecket. Nach Jutland findet sich gegen Morgen die Insul Fionia oder Fuinen welch ein kleines enges Meer, so da zwischen ist, von dem Continenti oder vesten lande abscheidet. Hat gegem Nidergang Jutland, Gegem Auffgang aber Seeland, so von wegen der grossen fruchtbarkeyt aller ding so zur notturft dienen, sehr berhžmbt ist. Dises ubertrifft der sch™nen und lžstigen gelegenheyt halben, alle Provintzen unsers Landes, und ligt (wie man meynet) mitten in Dennmarck, Also das von dannen zu den eussersten grenitzen gleich weit sein sol. Von dises Landes seitten gegen Morgen, pflegt das Meer so in der mitte gegem Nidergang an Scania eingedrungen, wider abzulauffen, und bekommen die so J‰rlich mit Garnen fischen, eine sehr gute und reiche beuth. Dann der gantze Sinus oder Hafen wirt mit Vischen so erfžllet, das man die Schiff so nein kommen sein, kauw mit den Rudern widerumb herausz treiben kan, Und man darff darzu keiner garn, sonder kan sie slecht mit der hand fangen. Halland aber und Blecking gehen von dem gantzen Scania, nicht anders als zwey ‰st von einem Baumen, und nach dem sie weit auff zweyerley ort hinweg gangen sein, hengen sie sich an Gothland und Norwegen. So vil sagt Saxo Grammaticus. Besihe aber Albertum Krantz und Sebastianum MŸnsterum, bey welchem du auch findest, wie Petrus Artopoeius das Land zu Pommern, so du in diser Tabul auch abgerissen findest, beschriben hat. Die Insul Gothia oder Gothland ist desz Bischoffs von Lincoping, und dem K™nigin Schweden unterthenig, hat ein Veldwerck, so dem Vihe Pferden und Rindern sonderlich dienlich ist. Item ein grosse Jagt von Vischfang, Sehr sch™nen M‰rbel, und an allem so die Menschen bed™rffen, einen grossen vorraht. In derselben ist die treffliche Statt Visbui, welche vor zeitten so ein berhžmpte Handelstatt, als eine in Europa, gewesen ist. Man findet noch heutigs tages verfallene Merbelstžck, bey denen man jre alte Herrligkeit wol verstehen und abnemen kan. Diser zeit ist sie noch eins Closters halben Benedicter ordens, bekandt, in welchem en Liberey von 2000 Autorum und alten Bžchern ist. So vil melden Olaus Magnus und Iacobus Ziglerus.

21. Denemarken.

Dit land Denemarken zetten we uit Saxo Grammaticus deze beschrijving hier: Denemarken wordt door de zee golven midden van elkaar gedeeld, heeft daarom weinig stukken land die zo gans aan elkaar hangen maar wordt door wateren doorbroken naar dat de zee zich op  vele wijzen kromt en buigt onderscheiden. Uit die is Jutland de grootste en de aanvang van het Deense rijk en net zoals het meer naar voren ligt alzo strekt het zich ook meer in de lengte en rijkt aan de Duitse land grenzen maar wordt echter van die door de samenvoeging van de stroom Eydoram of Eider die daartussen komt afgescheiden en strijkt nadat het wat in de breedte is gegroeid tegen het Noorden aan de oever van de zee zo men Kattegat noemt. Hierin is de Dinus, haven of bocht van de zee die Limfjord (en) heet en zo visrijk is dat van diezelfde de inwoners niet minder genot en voeding als van het ganse van het land hebben kunnen. Het stoot ook aan die kleinere Friezen die later van Jutland, waar het zich wat uitsteekt, weg gaat, zich zinkt en neerlaat en alzo door de Oceaan of zee al het zich uitgiet en toeloopt zo vruchtbaar gemaakt wordt dat alle gewas zeer rijkelijk en goed aanslaat. Het is alzo onzeker of deze de zee op en afgaan die inwoners meer schrik of nut brengt. Dan in groot onweer stijgt het soms door de dammen en grachten waarmee men de bronnen van de onstuimige zee probeert te versperren en tegen te houden en loopt met zulk geweld van water in het land zodat niet alleen het gebouwde veld maar ook de lieden met hun huizen overspoeld en bedekt. Na Jutland bevindt zich tegen het Westen het eiland Fyn of Funen die van het continent of vaste land door een kleine enge zee zo daar tussen afgescheiden wordt. Heeft tegen het Westen Jutland en tegen het Oosten echter Sjaellland dat zo vanwege de grote vruchtbaarheid van alle dingen zo tot nooddruft dienen zeer beroemd is. Dit overtreft vanwege de mooie en lustige gelegenheid alle provincies van ons land en ligt (zoals men meent) midden in Denemarken. Alzo dat het vandaar tot de uiterste grenzen  even ver zou zijn. Van dit land zijde tegen het Westen pleegt de zee zo in het midden tegen het Westen aan Scandinavi‘ ingedrongen weer af te lopen en bekomen die zo jaarlijks met garens vissen een zeer goede en rijke buit. Dan de ganse sinus of haven wordt met vissen zo gevuld dat men de schepen zo daarin gekomen zijn nauwelijks met de volgeladen er weer uit drijven kan. En men hoeft daartoe geen garen te gebruiken maar kan ze gewoon met de hand vangen. Halland echter en Blekinge gaan van het ganse Scandinavi‘ niet anders als twee takken van een boom en nadat ze wijd in twee oorden weg gelopen zijn hangen ze zich aan Gotland en Noorwegen. Zo veel zegt Saxo Grammaticus. Bezie ook Albert Cranzius en Sebastian MŸnster waarbij u ook vindt hoe Petrus Artopeoius het land van Pommeren zo u in deze map afgetekend vindt beschreven heeft. Het eiland Gotia of Gotland is de bisschop van Linkšping en de koning van Zweden onderdanig. Het heeft een veldwerk zo het vee, paarden en runderen bijzonder dienstig is. Tem, grote jacht van visvangst en zeer mooie marmer en aan alles zo wat de mensen nodig hebben een grote voorraad. Daarin is de voortreffelijke stad Visby die vroeger zoÕ n beroemde handelsstad als er een in Europa was gewezen is. Men vindt nog tegenwoordig vervallen marmeren stukken waarbij men de oude heerlijkheid goed verstaan en vernemen kan. In deze tijd is er nog een klooster van de Benedictijner orde bekend waarin een bibliotheek van 2000 auteurs en oude boeken is. Zo veel meldt Olaus Magnus en Jacobus Zieglerus.

 

 

22. Thietmarsen.

Der Marsorum (so von dem Marso herkommen) gedenckt auch Strabo, und saget, das sie vor langer zeyt ausz den orten an Reyn in ein nider und sumpffig Land gezogen seyen. Diser Nachtk™mmling die Theutomarsi, oder wie man sie gemeynglich nennet, die Thietmarsen, Sein vor 400 Jaren dem alten Geschlecht der Stadienser (oder von Staden) unterworffen gewesen, deren sie vil betržglich umbgebracht, allen Adel vertrieben, und sich endlich frey gemacht haben. Dise hat Henricus Leo der hertzog zu Sachsen uberwunden. Da aber derselbige von Keyser Fridrichen in die Acht gethan worden, hat Waldemar der K™nig in Dennmarck das Land eingenommen, und als derselb die Thietmarsen, in Krieg wider Adolph Graffen in Holsteyn und die von Lžbeck gebraucht, seind sie zu den Feynden gefallen, von welchen, der K™nig, bey den Dorff Bornhovet, in die flucht ist geschlagen worden. Also sind sie widerumb und zum andermal frey worden, Haben aber, damit si nicht ohne Regiment und Herrschaft weren, den Ertzbischoff zu Bremen fŸr jhren Fžrsten dargegeben, Ime aber weder Tribut bezolet, noch seinem Befelch und Gepotten jemals gehorsamet. Von den Holsteynern sind sie offtmals angefochten worden, haben sie aber allmal abgetrieben,Keyser Friderich der dritte, hat disz Land Christiano dem ersten dises Namens, K™nigen in Dennmarck, unter dem Titul eines Hertzogthumb verlehent, Welches Son Iohannes dar er Anno 1500 sie die Thietmarsen mit Krieg angriffen, alle sein Volck erschlagen, er selbst mit weinigen kaum in der flucht enttrunnen, und hat den gr™sten theyl Holsteynnischen Adels auff de Wallstatt gelassen und verloren. Seit derselben zeyt sind sie die Thiermarsen von wegen dises Sieges ubermutiger gewest, und haben den FŸrsten in Holsteyn vil zuschaffen gemacht. Solcher mutwill verdrosse Adolphum K™nig Friderichs in Dennmarck Son, des K™nigreichs in Norwegen Erben, Hertzogen in Schleewick und Holsteyn, uber die masse sehr, name derhalben Anno 1559 Kriegsvolck an, welchem auch Fridericus der ander K™nig in Dennmarck, und sein Bruder Johan jhre hžlff zuschickten. Ist also nach dem er sein gantzes Volck zusammen gebracht, angezogen und hat Meldorp, sampt den gantzen Strich gegen Mittag, eingenommen. Nach etliche wenig tagen fžhret man das Kriegsvolck durch den Wahl, die Tielepruck genandt, Und da die Thietmarsen ausz Hemmingstatt vor dem St‰ttlein Henda deselben entgegen kommen, und das Kriegsvolck so von wegen des raysens matt und mŸd war, wider weg zu schlagen vermeyneten, seind sie etlichs mals hindersich getrieben, und, ob sie wol die Schlacht wider angefangen und ernewert, endlich erlget, in die flucht geschlagen und das St‰ttlein angezžndet worden. Denselben tag sind in 3000 Thietmarchen umbkommen. Hertzog Adolph, weil er sich hefftig bemžhet, das Kriegsvolck so sich schou in die flucht geben hatt, wider zu wenden, ist auch verwundet worden. Und solches ist den 13 Iuni geschehen. Da die Thietmarsen dise niderlag erlitten, haben sie dem K™nig und dem Fžrsten einen Fuszfall gethan, sind auch als sie veniam impetrirt, wider zu gnaden an und auffgenommen worden. Also ist Thietmarsen, so lange zeit seine freyheit mit gewehrter hand erhalten, in der Holsteynischen Fžrsten gewalt kommen. So vol sagt der Autor in seiner Tabul, die wir auch disem unserm Operi verleihet haben. Lise aber auch Saxoniam Alberti Krantz.

 

 

Preussen.

Prussia, Preussen zu Latein Borussia, hat vor zeitten Hulmigeria geheyssen, wie dann noch ein stžck desselben Landes bey dem Flusz Weissel, Culmigeria genennet wirt. Man helt dafžr, das die gantze Provintz von denen V™lckern jey bewonet worden, so vor zeyten dem Flusz Tanai, der Europam von Asia scheydet, gesessen sein.Da sie aber des unfruchtbaren Landes uberdržssig worden, seyen sie auszgezogen, ein besser Land zusuchen, in Hulmigeriam kommen, und daselbst umb desz fruchtbaren bodens willen, bewegt worden, sich nider zulassen, Und haben also dasselbe gantze Land nach jhrem namen genennet. Ist ein Traydreich Land, mit Wasser durchfeugt und ergossen, und diser zeit sehr wol bewonet, Hat vil zyrlicher St‰tt, und vil Sinus, auszflžsz oder Bžge des Meers, die das Land sehr lustig machen. Auch findet man vil Vihes darinnen, ein gute Wildtban, und reichen Vischfang. Es hat aber Preussen gegem Morgen Litthawen, gegen Mittag Poln, gegen Mitternacht Lislande, und gegem Nidergang das Land zu Pommern. An dem theyl so am Meer ligt, ist es heutiges tages in St‰tten und Schl™ssern, Teutsch, aber das ins Land hinein, findet man noch etlich wenig leuth, so die alte Preusische sprach brauchen, Hat dise St‰tt so am Meer ligen, K™ningsberg, die ein K™nig in Behaym gebaiwet, und jetzund der Fžrst seinen Sitz und Hofhaltung da hat, Elbing und Gedanum (jetzund gemeynglich Dantzig genandt) welche die reichest, berhžmpteste, und ein gewaltige Handelstatt ist, So vil sagt MŸnsterus. Besihe hie von auch Cromeriz Buch, von Polnischen geschichten. Und Erasmi Stellae zwey Bžchlein von den Antiquiteiten in Preussen. Am Ufer dises Landes sammlet man das Succinum, welchs die Alten Glessum, die Inwoner Pirnsteyn, adere Teutsche Augsteyn nennen.

22. Dithmarschen.

De Marsi (zo van Marsus afkomstig) gedenkt ook Strabo en zegt dat ze lang geleden uit de oorden van de Rijn in een laag en moerassig land getrokken zijn. Deze nakomelingen de Theutomarsi of zoals men ze gewoonlijk noemt Dithmarschen zijn voor 400 jaar aan het oude geslacht van de Stadiense (of von Stade) onderworpen geweest waarvan ze er veel bedrieglijk omgebracht en alle adel verdreven hebben en zijn eindelijk vrij geworden. Deze heeft Henricus Leo, de hertog van Saksen overwonnen. Omdat die echter door keizer Fredrik in de ban gedaan werd heeft Waldemar, koning van Denemarken, het land ingenomen en toen hij de Dithmarschen in de oorlog tegen Adolph, graaf van Holstein, en die van Lubeck gebruikte zijn ze weer tot de vijand gevallen waarvan de koning bij het dorp Bornhšved op de vlucht is geslagen. Alzo zijn ze weer de volgende keer vrij geworden. Ze hebben echter zodat ze niet zonder regiment en heerschappij waren de aartsbisschop van Bremen tot hun vorst gekozen en hem geen tribuut of belasting nog zijn bevelen en gebonden ooit gehoorzaamd. Ze zijn vaak aangevallen door die van Holstein en hebben ze weer weg gedreven. Keizer Frederik de derde heeft dit land aan Christian de eerste, koning van Denemarken onder de titel van hertogdom gegeven. Zijn zoon Johannes nam een oorlog tegen hem en de Dithmarschen op in 1500 en werd al zijn volk verslagen zodat hij zelf met weinigen nauwelijks wist te vluchten en heeft het grootste deel van de adel van Holstein op het slachtveld gelaten en verloren. Sinds die tijd zijn die van Dithmarschen vanwege deze zege overmoediger geweest en hebben het de vorsten in Holstein moeilijk gemaakt. Die moedwil verdroot Adolphus, de zoon van koning Frederik uit Denemarken en erfgenaam van Noorwegen, met de hertogen van Schleeswijk en Holstein overmatig en namen derhalve anno 1550 soldaten aan die ook Fridericus, de andere koning in Denemarken, en zijn broer Johan hem tot hulp stuurden. Hij is alzo nadat hij dat ganse volk tezamen gebracht vertrokken en heeft Meldorf met de gehele zuidelijke streek ingenomen. Na enkele weinige dagen voerde men de soldaten langs de Tilenbrugge en daar zijn die van Dithmarschen uit Hemmingstedt voor het stadje Heide hen daartegen gekomen en de soldaten zo vanwege het reizen mat en moe waren en weg van de slag meenden te gaan zijn ze ettelijke keren naar achteren gedreven en ofschoon ze het gevecht weer aangingen en vernieuwden eindelijk opgegeven en op de vrucht geslagen en is dat stadje in brand gestoken. Diezelfde dag zijn 3000 Dithmarschen omgekomen. Hertog Adolph die omdat hij zich heftig bemoeide omdat de soldaten die op de vlucht geslagen waren terug te komen is ook gewond geraakt. En dat is de 13de juni gebeurd. Daar de Thietmarschen deze nederlaag leden hebben ze de koning en de vorsten een voetval gedaan en hebben dan ook pardon gekregen en in genade aan en opgenomen. Alzo dat Thietmarschen zoÕ n lange tijd zijn vrijheid verdedigd hebben zijn ze in de macht van de Holsteiner vorsten gekomen. Zo veel zegt de auteur in zijn map die we ook in ons theater hebben ingevoegd. Leest ook Saxoniam Albert Krantz.ius.

 

 

 

Pruisen.

Pruisen, in Latijn Borussia heette vroeger Hulmigeria zoals nog een stuk van dat land bij de stroom Weichsel (Wisla) Culmigera (Kulm) genoemd wordt. Men houdt het daarvoor dat de ganse provincie van de bewoners zoals het nu bewoond wordt zo vroeger van  de stroom Don Europa van Azi‘ scheidt afkomstig waren. Omdat ze het onvruchtbare land verdrietig werden zijn ze vertrokken om een beter land te zoeken en kwamen zo in Hulmigeria en daar vanwege de vruchtbare bodem zijn ze bewogen zich te vestigen en hebben alzo dat ganse land naar hun naam genoemd. Het is een graanrijk land met water bevochtigt en begoten en in deze tijd zeer goed bewoond. Heeft veel sierlijke steden en veel havens, uitvloeiingen of bogen van de zee die het land zeer lustig maken. Ook vindt men daar veel vee in, een goede wild baan en rijke visvangst. Pruisen heeft tegen het Oosten Litouwen, in het Zuiden Polen en tegen het Noorden Lijfland (deel van Letland en Estland) en in het Westen Pommeren. Aan het deel dat zo bij de zee ligt is het tegenwoordig in steden en kastelenen Duits, maar in het binnenland vindt men nog ettelijke lieden die de oude Pruisische spraak gebruiken. Heeft deze steden zo aan de zee liggen, Koningsberg, gesticht door de koning van Bohemia (Tsjechi‘) en nu voor de vorst zijn zetel en hofhouding heeft. Elbag en Gedanum (dat nu gewoonlijk Dantzig of Gdansk wordt genoemd) die de rijkste, beroemdste en een geweldige handelsstad is. Zo veel zegt Munster. Bezie hiervan ook Cromerus boek van Poolse geschiedenis. En Erasmus Stella twee boekjes van de antiquiteiten in Pruisen. Aan de over van dit land verzamelt men Succinum die de ouden Glessum en de inwoners pirnstein andere Duitse augstein of amber noemen.

 

 

23. Sachsen.

Das Land zu Sachsen, so seinen alten namen beheltet, endet sich gegem Abent an dem Flusz Weser, hat gegen Mitternacht dien Dennm‰rcker, oder Cymbren, und das Mare Balthicum, Teutsche Meer, gegem Auffgang st™sset an die Oder (von den Alten Viadrus genandt) Preussen und Schlesien, und hat von Mittag den Main und Behaimerlande, Es entspringet aber der Main in der Margraven von Brandeburg lande, in Fichtelberg, ausz welchem vier berhžmpte Wasser (welchs wunderluch zu sagen, gegen den vier orten der Welt lauffen, Nemlich, der Mayn gegen Nidergand, Gegem Auffgang die Eger, welche in Behaimen in die Elb fleust, Die Saal gegen Mitternacht, und fleust auch in die Elb, die Nab laufft durch das Nortgaw (villeicht gegen Mittag, wie MŸnsterus sagt) doch sieht es so im lateinischen Exemplar in Occident, und fellet bey Regenspurg in die Donaw. Die St‰tt in Voythland, damit wir auch dises kžrtzlich melden, sind dise: Chulmbach, Parreyt, Hoff. Das Land zu Sachsen, begreifft auch Thžringen, welches gegen Auffgang Meissen, gegem Nidergang Hessen, und gegen Mitternacht Braunschweig hat, und st™sset gegen Mittag an das Franckenland, und die Flusz, Weser, Saal und Mayn. Die Hauptstatt in Thžringen, ist Erdfurt, so unter den St‰tten Teutsches Landes, fŸr die gr™ssist geacht wirt. Das die Thžringen von den Gothis herkommen sollen, hat man dise vermutung, weil bey gedachten Thžringen, die Gothi ein Statt gebawet, und die nach jhrem namen, Gotha genennet haben. Ist ein genugsam fruchtbar und selig Land von allem, das man zu t‰glicher narung bedarff. Daselbst wechst auch das kraut Isatis, so man gemeynglich Quada oder Wayde nennet, und denen so Wollen ferben, dienlich ist, von welchem Kraut der meyste teyl Leut, das gantze Jar jhren narung gewinnen. Uber das, theylet man auch Sachsen in zwo Landtschafften, so alle beyde die Marcken heyssen. Durch das Land so man die Newmarck nennet, fleust das Wasser Oder. Die Alte Marck zertheilet die Elb mitten, an welcher Ufer oder gestatt, ligen: Wittenberg, Magdeburg, Stendel, Osterburg, Hamburg, LŸbeck, so doch ettwas weitter von der Elb ligt. Die Newmarck, streicht gegen Mitternacht auff Behaymen und Schlesien, und hat die St‰tt: Franckfurt, Berlin, Brandeburg, Stettin, Havelburg. Meissen, rechnet man auch unter Sachsen, so man das Obere nennet, und ligt zwischen der Saal und Elb, vorzeitten habens die Hermanduri und die Sorabi, so ein Wendische Natio ist innen gehabt. Es hat aber Meissen den namen entweder von dem See Mesia, bey welchem sie villeicht vor zeitten gewonet haben, oder aber von der Statt Meissen, welchs ick lieber glauben wil. Die St‰tt darinnen sein dise: Meissen, Chemnisz, von dem Flusz dabey fžržber lauffent, so genennet, Zwickaw, Leypzig, da ein Hoheschul, Altenburg, S. Annaberg, Das Gebirg dises Landes ist Ertzfžndig. Die Flusz oder Wasser sein: die Mulda, die Elb und Saal. Lausnisz das l‰ndlein, ob es wol der Kron Behaym unterthenig, wird dannoch auch zu Sachsen gerechnet, ligt zwischen der Elb, der Oder und den Behamischen gebirg, die fžrnembste Statt darinne ist G™rlitz. Und das Wasser die Neysse laufft dadurch oder befeuchtet es. So vil sagt Georgius Rithamerus in seiner Beschreibung der Welt. Mehr findest du von disen landen, beym Pio Secundo in seiner Beschreibung Europae. Besihe aber auch MŸnsterum, Unter allen aber, hat Albertus Crantz Sachsen in einem sondern gantzen Buch am fleissigsten beschriben. Ioan Gerson, beschreibt auch Meissen kžrtzlich in seinem Bžchlein de rebus Saxioniae. Dise l‰nder haben wir ausz der Mappa Ioannis Crigingeri so Anno 1568 zu Prag gedruckt worden ist, abgerissen, und disem unserm Operi inferirt und verleibet.

23. Saksen.

Het land Saksen zo het zijn oude naam behoudt eindigt tegen het Westen aan de stroom Weser, in het Noorden heeft het Denemarken of Cymbren en de Baltische zee, in het Oosten stoot het tegen de Oder (van de ouden Viadrus genoemd) Pruissen en Silezi‘ en heeft in het Zuiden de Main en het Bohemerland.  De Main ontspringt echter in de  markgraaf van het Brandenburger land in de Fichtelberg waaruit vier beroemde stromen (wat wonderlijk te zeggen is, tegen de vier oorden van de wereld lopen, Namelijk de Main in het Westen, tegen het Oosten de Eger die in Tsjechi‘ in de Elbe vloeit, de Saal tegen het Noorden en vloeit ook in de Elbe, de Naab loopt door Nortgaw (Bij Weissenburg)  (mogelijk naar het Zuiden zoals Munster zegt) maar ziet zo in het Latijnse exemplaar in het Oosten, en valt bij Regensburg in de Donau. De steden in Voigtland (Vogtland) zodat we dit ook kort vermelden, zijn deze: Kulmbach,  Parreyt en Hof. (?) Het land Saksen omvat ook ThŸringen die tegen het Oosten Meissen, tegen het Westen Hessen en tegen het Noorden Braunschweig heeft en stoot tegen het Zuiden aan het Frankenland en de stromen Weser, Saale en Main. De hoofdstad in ThŸringen is Erfurt die zo onder de steden van Duitsland voor de grootste geacht wordt. Dat de ThŸringers van de Goten zouden afstammen is vanwege dit vermoeden omdat bij gedachte ThŸringen de Goten een stad gebouwd hebben die naar hun naam Gotha genoemd hebben. Het is een voldoende vruchtbaar en zalig land van alles wat men tot de dagelijkse behoefte nodig heeft. Daar groeit ook dat kruid Isatis zo men gewoonlijk Quada of wede noemt en diegene zo wol verven dienstbaar is en van dat kruid de meeste mensen het ganse jaar hun behoefte winnen. Boven die verdeelt men ook Saksen in twee landschappen die zo alle beide marken heten. Door het land zo men Newmark noemt vloeit het water de Oder. De oude mark verdeelt de Elbe middendoor aan wiens oever steden liggen: Wittenberg, Maagdenburg, Stendal, Osterburg, Hamburg, LŸbeck die toch wat verder van de Elbe ligt. Dat Newmark strijkt tegen het Noorden aan  Bohemen en Silezi‘ en heeft deze steden: Frankfurt, Berlijn, Brandenburg, Stettin, Havelberg. Meissen rekent men ook onder de Saksen zo men de bovenste noemt en ligt tussen de Saale en Elbe. Vroeger hebben de Hermanduri en Sorabi, zo een Slavisch natie, het bezeten. Meissen heeft de naam of van het meer Mesia waarbij ze vroeger mogelijk gewoond hebben of echter van de stad Meissen wat ik liever wil geloven. De steden daarin zijn deze: Meissen, Chemnitz van de stroom die daar voorbij loopt zo genoemd, Zwickaw, Leipzig met een hogeschool, Altenburg, Annaburg. Die bergen van dit land bevatten erts. De stromen of wateren zijn: De Moldau, Elbe en Saale. Lausnitz dat landje ofschoon de kroon van Bohemen onderdanig wordt ze dan toch tot Saksen gerekend en ligt tussen de Elbe, de Oder en de Boheemse bergen. De voornaamste stad daarin is Gšrlitz. En het water de Neisse loopt door en bevochtigt het. Zo veel zegt Georg Rithaymerus in zijn beschrijving van de wereld. Meer vind u van deze landen bij Pius Sextus in zijn  beschrijving van Europa. Bezie ook Munster maar onder allen heeft Albert Crantzius Saksen in een bijzonder gans boek het vlijtigste beschreven. Johan Gerson beschrijft ook Meissen kort en zijn boekje de rebus Saxioniae. Deze landen hebben we uit de map Joannis Criginger zo anno 1568 te Praag is gedrukt en in dit ons theater gedaan en verlevendigd.

 

 

24. Franckenland.

Das Franckenland ist zum theyl eben, zum theyl Bergicht, doch sind die Berg nit zu gehe, und hoch. Hat nit gar einen fetten, sonder gemeynglich Sandigen Boden. An vilen orten sind auff den Hžglein Weingarten, welche sehr guten und lieblichen Wein bringen, sonderlich bey Wirtzburg. Es gibt auch vil W‰ld und Jagens. Das land ist in vil Herrschafften getheylet, wiewol man den Bischoff zu Wirtzburg Hertzogen in Francken nennet. Die Bisthumb Meintz und Bamberg, haben den meysten theyl landes, Deszgleichen auch der Pfaltzgraff nit wenig. Auch sind Marchiones Orantes, Margraffen Oranten darinn. Es hat auch vil berhžmpter Reichst‰tt im Franckenland. An Nžrmberg zweyffelt man, ob es zum Francken, oder Bayerland geh™re, Der name zeygt an, das es mehr mžsse Bayrisch sein, Dann Norimberga Nžrmberg heist montem Norium einen Berg in Nortgew, daher dann clar, das die Statt der Nortgewer gewesen sey. An der Nortgewer stat aber sind Bayern kommen. Und wird diser zeit disz stžck Bayerlandes, so zwischen der Donaw und Nžrnberg ligt, Noricum oder Nortgew genennet. Doch ist die Statt genn Bamberg den Francken zustendig, gepfarret. Sie die Nžrmberger w™llen weder Francken noch Bayern, sondern besonder und fžr sich selbst sein. Ist sehr ein berhžmpte Edle Statt, mit gemeynen und Privat gebewen sehr herrlich gezyret. Das Wasser die Pegnitz laufft mitten durchhin, ligt auff einem Sandigen, unfruchtbaren Boden, gibt derohalben da ein Kžnstlich geschickt Volck, und den meysten theyl Handwercker und Kauffleut, haber aber auch grosse Gžtter, und in gantz Teutschland einen berhžmpten namen, Die Keyser haben da einen bequemen fŸglichen Sitz, Ist eine Freystatt, fast mitten in Teutschland gelegen. Zwischen Bamberg und NŸrmberg licht auch das St‰ttlein Forchaim, so van wegen des sch™nen weissen Brotes berhžmpt ist. Die Burger daselbst halten es fžr Pilati Vatterland. So vil sagt Pius II, in seiner Beschreibung Europae, Besihe aber Hermannum Comitem Nuenarium, MŸnsterum, Rithamerum, Hunibaldum, Abbatum Trithemium und Iohannem Aventium, welcher wenet, Wirtzbaurg dises landes fŸrnemeste Statt, vor zaytten Poeoniam genennet worden sein.

 

 

Das Bistumb Mžnster.

Von disem Bistumb, sagt Sebastianus MŸnsterus in seiner Cosmographi so vil: Carolus der grosse, hat mitten in Sachsen, jetzund Westphalen, zu Mingenradae, drey Bischofflicher Kirchen gestifft, an dem ort, welchs nachmals von den fžrtrefflichen Closter, so da gebawet, Monasterium oder Mžnster ist genennet worden, und hat daselbst Lugderum ausz Frisland zum Bischoff gemacht. Hermannus, so an gedachtes Ludgeri stat kommen, hat das Klosters und Kirchen jenseyt dem wasser im namen und ehr Mariae der seligen Junckfrawen geweihet, welches Kloster in kurtzem so zugenommen hat, und berhžmpt ist worden, das von demselben die Statt und Bischoff den namen bekommen, Also das sich allgemach der alte dises orts name verloren, und die Statt und Kirche oder Bistumb, Mžnster seyen genennet worden, welcher name noch auff den heutigen tage bleibet. Von disem und den Oldenburgischen Bistumb, besihe des Alberti Crantz Saxoniam. Dise Statt hat Anno Christi 1533, grossen schaden von der Widertauffern erlitten, welche die Burger vertriben, und der Statt sich angemasset haben, auch dieselbe, nach dem sie ausz jhrem gesamleten P™bel einen K™nig auffgeworffen, schier bey eim Jar wider jhren Bischoff, den Ertzbischoff von C™ln und Hertzogen van Cleve, die mit einem starcken Kriegsvolck darvor lagen, jnnen gehalten. Da aber der Boschoff sampt den seinen den sieg erhalten, hat er dise mit jhrem K™nig, wie sie verdienet hatten, gestraffet.

23. Frankenland.

Het Frankenland is voor een deel vlak en voor een deel bergachtig, maar die bergen zijn niet te begaan en hoog. Heeft geen vette maar gewoonlijk een zandige bodem. Aan veel oorden zijn op de heuveltjes wijntuinen die zeer goede en lieflijke wijn brengen en vooral bij WŸrzburg. Er is ook veel woud en jagen. Het land is in veel heerschappijen verdeeld hoewel men de bisschop te WŸrzburg de hertog in Franken noemt. De bisdom Mainz en Bamberg hebben het grootste deel van het land. Desgelijks ook de paltsgraaf niet weinig. Ook zijn Marchiones Orantes, markgraaf van Orange daarin. Er zijn veel beroemde rijkssteden in Frankenland. Van NŸrnberg twijfelt men of het tot de Franken of Beieren behoort. De naam toont aan dat het meer Beieren moet zijn. Dan Norimberga of NŸrnberg heet Montem Norium een berg in Nortgaw, het is dan duidelijk dat de stad van de Nortgawers geweest is. In de plaats van de Nortgawers zijn de Beieren gekomen. En wordt in deze tijd dit stuk Beieren, zo tussen de Donau en NŸrnberg ligt Noricum of Nortgew genoemd. Maar die stad is een buur van Bamberg, gedeeld. Die van NŸrnberg willen nog Franken nog Beieren maar voor zichzelf zijn. Is een zeer beroemde edele stad met gewone en private gebouwen zeer heerlijk versierd. Het water de Pegnitz loopt er midden door en ligt op een zandige onvruchtbare bodem en geeft daarom daar tot kunsten geschikt volk en het meeste deel handwerker en kooplieden, hebben ook grote goederen en in gans Duitsland een beroemde naam. De keizers hebben daar een geschikte goede zetel. Het is een vrijstad die midden in Duitsland gelegen is. Tussen Bamberg en NŸrnberg ligt ook dat stadje Forchheim dat zo vanwege het mooie witte brood beroemd is. De burgers daar houden het voor Pilatus vaderland. Zo veel zegt Pius II in zijn beschrijving van Europa. Bezie ook Hermannus Comes Nuenarius, Munster, Rithaymer, Hunibaldsus, Abt Trithemius en Johannes Aventinus die meent dat WŸrzburg dit land voornaamste stad is vroeger Poeonia genoemd is.

 

 

 

Het bisdom Munster.

Van dit bisdom zegt Sebastian Munster in zijn Kosmografie zo veel: Karel de Grote heeft midden in het Saksenland, nu Westfalen, in Myningrode drie bisschoppelijke kerken gesticht aan die plaats waar later het voortreffelijke klooster zo daar gebouwd Monasterium of Munster is genoemd geworden en heeft daar zelf Ludgerus uit Friesland tot bisschop gemaakt. Hermannus die zo in plaats van die Ludgerus plaats is gekomen heeft het klooster en kerken aan de andere kant van het water in naam en eer van Maria de zalige jonkvrouw gewijd en dat klooster is in korte tijd zo toegenomen  en beroemd geworden dat daarvan de stad en bisschop de naam heeft gekregen. Alzo dat het geheel de oude naam Mingavordens van die plaats heeft verloren en de stad en kerk of bisdom Munter genoemd is geworden welke naam er nog op de huidige tijd is. Van deze en het Oldenburgse bisdom bezie Albertus Crantzius Saxoniam. Deze stad heeft anno Christi 1533 grote schade van de wederdopers gelegen die de burgers verdreven en de stad ingenomen hebben en ook die nadat ze uit het verzamelde gepeupel een koning gekozen en vrijwel na een jaar hun bisschop, de aartsbisschop van Keulen en de hertogen van Kleef die met een sterk krijgsvolk daarvoor lagen buiten gehouden. Daar echter de bisschop later met de zijnen de zege behaalden heeft hij die met hun koning, zoals ze verdiend hebben, gestraft.

 

 

25. Behemerlandt.

Behemen ist ein Stžck van Teutschlande, ligt dem Aquiloni oder Nordiwind fast uberal offen, ane der seite gegen Morgen, hat es die M‰thern und Schlesier, gegen Mitternach auch Schlesier und die Sachsen, so man Meichsner und Thžringer nennet, Gegem Abent ist Voithland und Bayerland, und wonen gegen Mittag, auch Bayern und Oesterreicher so an der Tonaw ligen, Also das kein anders dann Teutschland an B™hemen st™sset. Wirt allenthalben durch den Wald, von den Alten, der Hartzwald genannt, dessen auch die Griechischen und Lateinischen Scribenten gedencken, eingeschlossen. Alle die Flusz so das Land w‰ssern und ergiessen, lauffen in die Elb, Dieselbe entspringet in dem Gebirg, so Behemen und Schlesien von einander scheydet, und laufft mitten durch das Land, Erstlich gegem Abent, Nachmals gegen Mitternach, da sie dann dise Landschafft verlest, und durch ein eng gehGebirg auff Sachsen zustreicht, dasselb in zwey theyl theylet, fellet nachmals ins Meer, Und ligt allenthalben gleich weit vom Reyn. Andere Wasser, der die Behem gedencken sind Orlioze, welchs so vil als eenen Adeler heissen sol, Die Eger, davon die Statt an der sie hinfleust, den namen hat, entspringet im Voithland, und fellet bey Leitmeritz in die Elb. Die Molta aber, so in des Landes Haupstatt Prag fleust, ubertrifft die andern alle, und nimmet Satzawa, Lusmitz, Misa und die Elb mit sich. Uber al im Reich sind berhžmte Herrliche St‰tt, Prag, da der K™nig und Bischoff jhre ehrliche Sitz haben, die auch nit geringer und unedler als Florentz in Hetruria zu achten, wirt in drey theyl, die man klein Prag, die Alte und Newe statt nennet, getheylet. Klein Prag ligt auff der lincken seitten desz Wassers Molta, und st™sset an den berg, auff welchem das K™nigliche Schlosz und die herrliche Pfarrkirch S. Veit ligen. Alte Prag, oder die Alte statt, ligt auff der ebne, und ist durchausz Herrlich und sch™n erbawet, hanget an der kleinen Statt durch ein Steynerne Pruck, so 24 schwibb™gen hat. Die alte scheidet von der Neuen statt ein tieffer graben, beyderseits gemawret, in den man ausz dem Flusz das Wasser leichtlich leitten kan. Nach Prag, ist Litemesce die ander Bischofflich Statt, nahendt bey M‰rhern. Es hat auch Cuthna, da Silbergbergkwerck sein, nicht einen geringen namen, Auch ist Budiwick nit zuverachten, So sindt Schlackenwerd, beyde Broda, Budinge, K™ln, Leitmeritz, auch zimlich namhafft. Ist ein kalt Land, hat sehr vil Visch und Vihe, bringt auch vil geflžgels, Wild und Getrayd. Man trincks an stat des Weins, Ciceram, das sie sonst Bier nennen. Der Boden ist durchausz im gantzen Reich sehr gut und fruchtbar, Der wein so im Lande wechst, ist sawer, derhalben die reichen, Oster und Ungerische Wein, die man zufžhrt, trincken. Das Volck redet einerley Sprach, mit den Dalmatern oder Wenden. Diser alte brauch wirt noch heutiges tages gehalten, das man in den Kirchen Teutsch, und auff den Kirchof dem Volck Behemisch prediget. Allein den Bettelm™nchen ist erlaubt, das Volck in waferley Sprach sie w™llen zu unterweisen. Das Volck im gantzen Reich, ist gar dem Fressen und Saussen ergeben, Wann die Wirth einen Malvasier auffthun, findet man jrer vil, die sich zusammen verschweren nicht ausz dem Weinkeller zukommen, sie haben dann ein Vasz Wein auszgetruncken. Der Adel strebt sehr nach grossen ehren, ist auch in Kriegsh‰ndeln wol erfahren. Disz alles haben wir ausz desz Aneae Sylvij Behemische Histori genommen. Findest auch etwas meyhr beym MŸnstero, Rythamero, und Sabellico im andern Buch seiner 10 Aenn: Item beym Alberto Crantz in der beschreibung Wandali oder Wendische landes. Von den Inwonern dises Landes, wo sie herkommen, und vor alters gesessen haben, lise Martinum Cromerum, im ersten Buch seiner Polnischen Histori. Diser citirt auch eines Dubravij Bischoffen zu Ulmitz Behemische Histori, welche ich noch nit gesehen hab. Georgius Handschius hat Prag dises landes vornemeste und Haupstatt beschriben. Dise Tabul hab ich ausz Iohannis Crigingeri Mappa Anno 1568 zu Prag auszgangen, genommen, und nachgerissen.

25. Bohemer land.

Bohemen is een stuk van Duitsland, het ligt tegen de Aquiloni of Noordenwind vast overal open en aan de kant tegen het Oosten heeft het de Moravi‘ en Silezi‘, tegen het Noorden ook Silezi‘ en de Saksers zo men Meissen en ThŸringen noemt. Tegen het Westen is Voigtland en Beieren en wonen in het Zuiden ook Beieren en Oostenrijkers zo aan de Donau liggen alzo dat geen ander Duitsland aan Bohemen stoot. Wordt overal door woud, van de ouden Harzwald genoemd wat ook de Griekse en Latijnse scribenten gedenken, ingesloten. Alle stromen zo het water doorlopen lopen in de Elbe. Die ontspringt van de bergen zo Bohemen en Silezi‘ van elkaar scheidt en loopt midden door het land. Eerst tegen het Westen en later Noordelijk waar ze dan het landschap verlaat en door een eng gebergte naar Saksen loopt en zich daar in twee delen deelt en valt later in de zee en ligt overal even ver van de Rijn. Andere wateren die de Bohemers gedenken zijn Ohre wat zoveel als een adelaar heten zou. De Eger waarvan de stad waar ze heenloopt de naam heeft en ontspringt in Voigtland en valt bij Litomerice in de Elbe. De Moldau echter zo in de hoofdstad van het land Praag vloeit overtreft alle andere en neemt Sazava, Lainsitz en de Elba met zich mee. Overal in het rijk zijn beroemde en heerlijke steden. Praag daar de koning en bisschop hun eerlijke zetel hebben die ook niet geringer en minder edel dan Florence in Etruri‘ te achten is wordt in drie delen verdeeld die men klein Praag, de oude en nieuwe stad noemt. Klein Praag ligt op de linkerkant van de water Moldau en stoot aan de berg waarop het koninklijke slot en de heerlijke parochie kerk St. Veit liggen. Oud Praag of de oude stad ligt op het vlakke en is geheel mooi en prachtig gebouwd en hangt aan de kleine stad door een stenen brug die 24 zweefbogen heeft. De oude scheidt van de nieuwe door een diepe gracht die aan beide kanten ommuurd is waarin men de stroom van het water licht leiden kan. Na Praag is Litomerice de andere bisschoppelijke stad dicht bij de Moravi‘. Het heeft ook Kutna Hora door zilvermijnbouw is niet een geringe naam. Ook is Budweis niet te verachten. Zo zijn Schlackenwerd of Wostrow, beide Brod, Budingen, Keulen (?) en Leitmeritz redelijk bekend. Het is een koud land dat zeer veel vis en vee heeft en brengt veel vogels, wild en graan. Men drinkt in plaats van wijn Ciceram dat ze soms bier noemen. De bodem is door het ganse rijk zeer goed en vruchtbaar. De wijn die zo in het land groeit is zuur daarom drinken de rijken Oostenrijkse en Hongaarse wijn die men invoert om te drinken. Het volk spreekt een taal met de Dalmati‘rs of Wenden. Dit oude gebruik wordt nog steeds gehouden dat men in de kerken Duits en op het kerkhof de volk Boheems preekt. Alleen de bedelmonniken is het toegestaan dat volk in twee spraken die ze willen te onderwijzen. Het volk in het ganse rijk is erg het vreten en zuipen vergeven. Als de waard een malvezij open doet zijn er van hen veel zich zich tezamen zweren om niet uit de wijnkelder te komen dan nadat ze een vat leeg gedronken hebben. De adel streeft zeer naar grote eer en is ook in oorlogshandelingen goed ervaren. Dit hebben we alles uit Aeneas Sylvius Boheemse historie genomen. Men vindt wat meer bij Munster, Rithaymer en Sabellicuso in het andere boek van zijn 10 Aeinn. Item bij Albertus Cranzius en de beschrijving van de Wandalen en Wendische land. Van de inwoners van dit land en waar ze vandaan komen en vroeger gezeten hebben lees Martin Cromerus in het eerste boek van de Poolse historie. Die citeert ook een Dubrabius, bisschop te Olmutz Boheemse historie die ik nog niet gezien heb. Handschius heeft Praag als het land voornaamste hoofdstad beschreven. Deze map heb ik uit Johannes Crigingerus map anno 1569 te Praag uitgegeven genomen en nagetekend.

 

 

26. Die Schlesy.

Dise Provintz oder Landschafft ist lang unter dem K™nig von Poln gewesen, entlich aber der Cron Behaym unterthenig worden. Hat den namen von dem Flusz Schleso, oder wie etliche meynen von dem K™nig dises namens. Das Wasser die Oder laufft durchhin. Ist in drey Tagraysen breyt, und in die vier lang, Strecket sich von Ungerland bisz an die Brandeburgische Marck. Der Bischoffliche Sitz ist erstlich zu Nysa gewesen, aber hernach durch Casimirum den ersten dises namens, gen Preszlaw desz Landes Haupststatt, transferirt und verlegt worden. Dans Volck braucht sich der Teutschen sprach, aber auff der andern seitten der Oder gegen Poln, redet man mehr Polnisch. Disz Land hat fžrnemlich zwo Graffschafften oder Hertzogthumb, Eine zur Lignitz, unter welcher der meyste theyl landes ist, Die ander zur Schweyndnitz, dem K™nig in Behaime zustendig, welcher auch daselbst seinen Vice Comiten, Vogt, oder Verwalter hat, so in der Statt Jawer pflegt zu wonen, un des Jars viermal neben andern Adelspersonen in der Statt Schweydnitz gericht helt. Weil der Hertzogen (unter welche das Land hat Erblich mžssen getheylet worden) so vil gewesen sein, ist es in vil Stžck zerrissen worden, daher es dann auch mancherley anst™sz leidet, und offt mit rauberen angefochten wird. Das Land ist mit Gebirg und W‰lden umbgeben, wirt mit vilen W‰sserlein, so ausz dem Behaimischen Gebirg in die Oder rinnen, durchfeuchtet, daher es dann auch sehr fruchtbar ist. Die Inwoner trincken ein getranck ausz Getrayd gemacht, das sie Bier nennen, Man fžhret aber ausz dem land zu M‰rhern und Ungern auch Wein zu, und bey dem St‰ttlein Crossa wechst Wein, wirt aber den meisten theyl auff der Oder in Preussen und andere ort am Meer ligend, verfŸhrt. Man sagt das die Narung in disem Land vil leichter zu gewinnen, und wolfeyler sey, als in andern umbligenden orten. So vil sagt MŸnsterus in seiner Cosmopgraphi. Was sonst zuwissen, findest du beym Pio II, in beschreibung Europae. Item beym Laurentio Corvino von Newmarck, Francisco Irenico, Sabellico im 2 Buch seiner 10 Aenn: Am besten aber, beym Georgio Rithamero und Andrea Althamero. Preszlaw so die Hauptstatt dises Landes genennet, ist seht eine vortreffliche Statt, und von Vratislao dem Behaimischen K™nig gebawet, hat zu vor Budorgis geheyssen, ligt zwischen zweyen bergen an der Oder (wie Pius II sagt) und ist mit gemeynen und Privat Gebewen sehr Herrlich gezyrt. Das Wasser die Oder, (von Ptolemaeo Viadrus genandt) so sie mitten von einander theylet, entspringet im Behaimerwald, und laufft bey Stettin in das Schwevische Meer.

 

26. Silezi‘.

Deze provincie of landschap is lang onder de koning van Polen geweest en eindelijk onder de kroon Bohemer onderdanig geworden. Heeft de naam van de stroom Schlesus of zoals ettelijke menen van een koning van deze naam. Het water Oder loopt er doorheen. Is een drie dagreizen breed en vier lang. Strekt zich van Hongarije tot aan de Brandenburgse mark. De bisschoppelijke zetel was eerst te Neisse maar daarna door Casimir de eerste naar Bratislava, de hoofdstad van het land, getransporteerd en verlegd geworden. Het volk gebruikt de Duitse spraak maar aan de andere kant van de Oder tegen Polen spreekt men Pools. Dit land heeft voornamelijk twee graafschappen of hertogdommen. De ene te Liegnitz waaronder het meeste land is. De ander te Schweidnitz en onderdanig aan de koning van Bohemen die daar ook zijn burggraaf, voogd of leider heeft die in de stad Jawer pleegt te wonen en vier maal per jaar met andere adellijke personen in de stad Schweidnitz gerecht houdt. Omdat er van de hertogen (waaronder het land erfelijk verdeeld moet worden)  zoveel zijn is het in veel stukken verdeeld geworden zodat het ook vaak aangevochten wordt en met roven bevochten wordt. Dat land is met bergen en wouden omgeven en wordt met vele watertjes zo uit het Boheemse bergen in de Oder lopen bevochtigd vandaar dat het ook zeer vruchtbaar is. De inwoners drinken een drank uit graan gemaakt dat ze bier noemen. Men voert uit het land tot Marhern  en Hongarije ook wijn aan en bij het stadje Crosse groeit wijn dat echter voor het grootste deel op de Oder naar Pruisen en andere oorden die aan zee liggen gevoerd. Men zegt dat het voedsel in dit land veel lichter te winnen is en welvarender is dan in andere omliggende oorden. Zoveel zegt Munster in zijn kosmografie. Wat verder te weten vind u bij Pius II in de beschrijving van Europa. Item bij Laurentius Corvinus van Newmarck, Franciscus Irenicus, Sabellicus in het 2de boek van zijn Aenn. Het beste echter bij Georgius Rithamerus en Andreas Althamerus. Wroclaw wat de hoofdstad van dit land genoemd wordt is een zeer voortreffelijke stad en van Vratislaus de Bohemer koning gebouwd. Het heette daarvoor Budorgis en ligt tussen twee bergen aan de Oder (zoals Pius II zegt) en is met gewone en private gebouwen zeer heerlijk versierd. Het water de Oder (van Ptolemaeus Viadrus genoemd) zo die het midden door elkaar deelt ontspringt in Bohemer woud en loopt bij Stettin in de Zweedse zee.

 

 

27. AUSTRIA. Oesterreich.

Georgius Rithamerus beschreibet in seinem Compendio von gelegenheyt der Welt, Oesterreich, unter dem namen desz Obern Pannoniae mit disen worten: Dasz Ober Pannonia, st™sset gegem Aufgang an das Wasser die Leythe. Nach Ptolemaei meinung, hat es dise grenitzen: Gegem Auffgang Rab, Gegen Nidergang das Wasser Onasum oder Enis und das Nortgaw. Etlicht w™llen auch, das es sich in diser gegend am Kalenberg ende. Gegen Mitternacht hat es das Wasser die Teya und M‰rhern, dann so ferrn erstreckt es sich diser zeyt. Gegem Abent ligt das Steyrische Gebirg, hat einen sehr geschlachten und von allerley gewechs fruchtbaren Boden, so mit geringen costen gebawet wirt. Der Bawersman in der gegend so das Land uber der Donaw und die Marck genennet wirt, da vor zeiten die Chetuari und Parmecampi gesessen sein, bawet das Veld mit sehr geringen und magern Pferden. Was aber Marga sey, disseit welchem das Veld in Bayerland unfruchtbar und džrr ist, konnen die Oesterreicher nicht sagen, So k™stlicher Saffran wechst in disem Land, das gžten halber mit demselben keiner kan vergleicht werden. Der Wein so darinn wechst, ist der Natur sehr bequem und dienlich. Auch hat es vil alter und namhaffter St‰tt, Sonderlich Steyer, Wadenhofen, Melck, Cassel, vor zeiten Claudianum, Krembs, Cetro castellum, so jetzund Zeiselmawer heist, S. Hyppolyt, die zwey Newburg, unter welchen das eine von dem Closter, das das ander vom Getrayde den namen hat, Petronella, jetzund ein Dorff, vor zeitten aber, wie an dem eingefallen gemewer abzunemen, ein grosse Statt, die Newstatt, Bruck an der Leythe gelegen, Hamburg. Unter allen aber, ist Wien die Herrlicheste, Hat vor zeitten Flaviana oder Iuliobona geheissen, ist von wegen der Studia und guten Kžnst sehr berhžmpt, daher es dann, nyrgent, dann da, mehr und vortrefflichere Mathematicos gegeben hat. Rings herumb ligen Weing‰rten. Der Burger Heuser sind sehr gewaltig und Herrlich, also das sie wol auch Fžrsten herbergen k™ndten, wenn die Fenster offen stehen, kan der lžfft uberaldurchstreichen, und weil sie fast alle jre Pl‰tz oder H™f haben, kan der lufft darinne nicht faul und ungesund werden. Vil frembde Nation pflegen dahin zukommen. Man findet auch da an allem so zu unterhaltung Menschlichers lebens geh™ret, einen grossen uberflusz. Oesterreich hat dise fliessende Wasser: Die Donaw, vor zeitten desz landes Grenitz, laufft aber jetzund mitten durchhin, Onasum oder die Enis, die Traun, die Erla, welche bey Cell, so von wegen unser Frawen Kirchen berhžmpt ist, ausz einem lžstigen See entspringet, die Draisn, die Ypff, der Melick die Marck, Tcium oder die Tey, so M‰rherrn von Oesterreich abscheydet. Der Boden bringt mancherley art gute Visch, sonderlich in der Leyth und Schwegad, so auch gar wol geschmacke Krebs givet. So vil sagt Rithamerus. Von ankunfft oder ursprung dises namens, schreibt Lasius in seinen Commentarijs, derer ding so mit Wien sich begeben also: Der name Oesterreich is nemlich auffkommen, ungefehrlich voor 400 Jaren, von dem Wind Austro, Sudwind (wie ich halte) der in disem Land vil pflegt zu wehen. Oder aber, (welchs glaubwirdiger ist,) von dem Teutschen wort Ostenreich, so jhme etwas gleichet, welchen namen, die K™nig in Francken jhrer L‰nder grenitzen gegen Morgen gegeben, Gleich wie sie die gegem Abend, Westrich genennet haben. Disz Land hat vor zeitten Marckgraffen, hernach Hertzogen, Endlich Ertzhertzogen, unter denen es noch ist, gehabt, wie ausz desz Lasij Commentarijs zusehen. Zum Wapen hat es vor Jaren fžnff gžlden Lerchen in einem schilt gefžhret, Aber Marggraff Lžpold hat ausz vergžnstigung disz reichs disz newe Wapen mit roth und weisz unterschiden gebrauchet, von wegen disz geschichtes, das er im Sturm und eroberung der Statt Ptolomais, und nur bisz an die Gžrttel, so den wetsen Leyb abtheylet, vom blut unbesudelt gewesen ist. Was mehr zuwissen, suche bey MŸnstero und Cuspiniano. Das Oesterreich findest du auch beym Bonfinio beschriben, zu ende seines vierdten Buchs der 4 Decad: von den Ungerischen geschichten. Pius II citirt, in seinem Buch von Beschreibung Europae, ein Historibuch, so er sonderlich von diser Landschafft geschriben, ist uns aber noch biszher nit zusehen worden. Er hat auch in seinen Episteln Wien dises Landes Hauptstatt, sehr sch™n beschriben.

27. Austria, Oostenrijk.

Georg Rithmayer beschrijft in zijn compendia van de gelegenheid van de wereld Oostenrijk onder de naam van het bovenste Pannonia (Hongarije) met deze woorden: Het bovenste Pannonia stoot in het Oosten tegen de stroom Leitha. Naar Ptolemaeus mening heeft het deze grenzen: Tegen het Oosten Raba, tegen het Westen het water Onasum of Enns in Beieren. Ettelijk willen ook dat het zich in dit gebied aan de berg Caetius of Kahlenberg eindigt. Tegen het Noorden heeft het dat water Thaya en Moravi‘, dan zo ver strekt het zich deze tijd. Tegen het Zuiden ligt het aan het Steyrische gebergte. Heeft een zeer geschikte en voor allerlei gewas  vruchtbare bodem die zo met geringe kosten verbouwd wordt. De boeren in het gebied wat het land over de Donau en Marchfeld genoemd wordt waar eerder de Chetauri en Parmecampi gezeten waren verbouwen het veld met zeer geringe en magere paarden. Wat echter bemesting is aan deze kant waar het land in Beieren zonder onvruchtbaar en dor is kunnen de Oostenrijkers niet zeggen want zulke kostbare saffraan groeit in dit land zodat het van goedheid met die geen vergeleken kan worden. De wijn zo die daarin groeit is de natuur zeer bekaam en dienstig. Ook heeft het veel oude en bekende steden en vooral Steyr, Waidenhofen, Melk, Castel(?) en wat vroeger Claudonium, Krems, Cetro castellum en nu Zeiselmauer heet, St. Hippolytus, (Zelle am See?) de twee Neuburg waaronder de ene van het klooster en de andere van het koren de naam heeft, Petronell-Carnuntum is nu een dorp maar vroeger zoals aan de ingevallen muren te zien is een grote stad, de nieuwe stad Bruck an der Leitha gelegen en Hamburg (?). Onder allen echter is Wenen de heerlijkste en heette vroeger Flaviana of Juliobona en is vanwege de studie of goede kunst zeer beroemd waar dan en nergens dan daar meer een voortreffelijke mathematici gegeven heeft. Rondom liggen wijntuinen. De burger huizen zijn zeer geweldig en heerlijk alzo dat ze ook wel vorsten kunnen herbergen en als de vensters open staan kan de lucht er overal door strijken en omdat ze vast al hun binnenplaats of hof hebben kan de lucht daarin niet vuil of ongezond worden. Veel vreemde naties plegen daar naartoe te komen. Men vindt dan ook dan alles zo wat voor onderhoud van het menselijke leven behoort een grote overvloed. Oosterrijk heeft deze vloeiende wateren: Donau die vroeger de grens van het land was maar loopt er nu midden door, Onasum of de Enss, de Traun, de Moezel die bij Zell zo vanwege onze Vrouwen kerk beroemd is en uit een lustig meer ontspringt, de Drava, de Ybbs, de Melik, Morava en Thaya of de Dyje zo Moravi‘ van Oostenrijk afscheidt. De bodem brengt vele soorten goede vissen en vooral in de Leitha en bij Schwechad zo ook goed smakende kreeft geven. Zoveel zegt Rithayer. Van de aankomst of oorsprong van de naam schijft Lazius in zijn commentaren. Diegene die zich met Wenen bemoeien alzo: De naam Oostenrijk is namelijk opgekomen voor een 400 jaren van de wind Austro, Zuidenwind (zo ik hou) die in dit land veel pleegt te waaien. Of echter )wat geloofwaardiger is) van het Duitse woord Ostenreich zo het daarop wat lijkt welke naam de koningen van Franken hun land tegen het Westengegeven hebben gelijk ze tegen het Westen Westrich of het Westerse rijk genoemd hebben. Dit land heeft vroeger markgraven, daarna hertogen en eindelijk aartshertogen, waaronder het nog is, gehad wat uit Lazius commentaren te zien is. Als wapen had het jaren geleden vijf gouden lariksen in een schild gevoerd, maar markgraaf Leopold heeft het als begunstiging van dit rijk het nieuwe wapen met rood en wit onderscheiden gebruikt vanwege deze geschiedenis dat het in de storm en verovering van de stad Ptolemaidos tot maar aan de gordel zo het zwakste lijf verdeelt van bloed onbezoedeld is geweest. Wat meer te weten zoek bij Munster en Cuspinianus. Het Oostenrijk vind u ook bij Bonfinius beschreven op het einde van zijn vierde boek de 4de decade van de Hongaarse geschiedenis. Pius II citeert in zijn boek van de beschrijving van Europa een historieboek zo hij bijzonder van dit landschap geschreven heeft maar dat hebben we nog niet gezien. Hij heeft ook in zijn epistels Wenen de hoofdstad van dit land zee mooi beschreven.

 

 

28. Des Bistumbs Saltzburg Gebiet.

Franciscus Irenicus nennet unter den fŸnff Bistumen des Bayerlandes disz das vornemeste, und MŸnsterus beschreybt dessen Urbem Cathedralem (das ist die Statt, in der der Bischoffliche Sitz und Thumbstifft ist) welche Aeneas Sylvius Metropoliticam die Hauptstatt nennet, der Conterfeyt wir auch in dise Tabul gesetzt, mit disen worten: Da Iulius Caesar die Teutschen angreiffen und bekriegen wolt, hat er in der Clausen oder engen Gebirg, ein sehr vest Schlosz bawen lassen, damit die Kriegsleut zu demselben jhr zuflucht, und ausz demselben die Trabanten hžlff und entz‰tzung haben k™nten. Daher dasselbe Schlosz, Castrum Iuvaviense, zu Teutschem, Helffenberg ist genennet worden. Men meynet das der Flusz so nahend dabey ist, und Iuvavius heyst,dem Schlosz den namen gegeben, Und das auch die Statt so nachmals gebawet, vom demselben Iuvavia sey genennet worden. Dise Statt hat sžmpffebene Pl‰tz, HŸgel und Berg. Die Sžmpff geben Wayd, die Berg V™gel, und etlichs Jagwerk. Als aber dise Statt lange zeyt in grossen wžrden und wolfahrt gestanden, hat sie zur zeyt Attilae der Hunnen K™nig, grossen anstosz, verwžstung und brandt erlitten. Hernach ungefehrlich 520 Jar nach Christi gepurt, da der heilige Ruprecht ausz dem K™niglichen Stammen der Francken geborn, Bischoff zu Worms gewesen, und nach dem tod desz K™nigs Childeberti, ausz demselbigen wider verjagt ward, hat Thedo Hertzogin Bayern, denselben in Regenspurg mit frewden auffgenommen, und sich, seine Herrn und Volck, von jhme t‰uffen lassen. Und ist diser Bischoff Ruprecht durch das Nortgew, bisz an Pannoniam oder Oesterreich herumb gezogen, hat Christum gepredigt, und jhrer vil zum Glauben bekert, Da er aber zu dem Flusz Iuvavio kommen, da vor zeitten die Statt Iuvavia gestanden, so dazumal verfallen, mit gestreussig verwachsen und wžst war, und gesehen, das der ort zu einem Bischofflichen Sitz und Thumbstifft sehr bequem und fžglich wer, hat er, nach dem er die eygenschafft dises orts bey dem Hertzogen erlangt, alle B‰um und gestreuch, auszgereut, und als er gebew und gržnd gefunden, dem heyligen Petro zu Ehren, ein Kirch gebawet. Er hat auch mit verwilligung, milder hžlff und stewer desz Hertzogen, ein Closter Benedicter Ordens auffgericht, und ist dem Bistumm in 44 Jar vorgestanden, etc. Hat auch andere Bischoff und Ertzbischoff desselbe nach einander erzelet. Besihe davon auch Aventinum, welcher meynet das dise Statt bey dem Ptolomeao, Poedicum sey.

28. Het gebied van het bisdom Salzburg.

Franciscus Irenicus noemt onder de vijf bisdommen van Beieren dit de voornaamste en Munster beschrijft diens Urban Kathedraal (dat is de plaats daar de bisschoppelijke zetel en dom stift is) die Aeneas Sylvius Metropoliticam of hoofdstad noemt wiens afbeelding we ook in de map gezegd hebben met deze woorden: Daar Julius Caesar de Duitsers aan wilde grijpen en beoorlogen wilde  heeft hij in de dalen of enge bergen een zeer vast slot laten bouwen waarmee de soldaten hun toevlucht en uit die de Trabanten hulp en bevrijding hebben konden.  Daarom is dat slot Castrum Juvaviense in Duits Helpberg genoemd geworden. Men meent dat het van de stroom zo daarbij ligt en Juvavius (nu Salzach) heet het slot de naam gegeven en dat ook later die stad daar gebouwd van dezelfde Juvavia is genoemd geworden. Deze stad heeft vlakke moerassige plaatsen, heuvels en bergen. De moerassen geven weide, de bergen vogel en ettelijk jachtwerk. Toen echter de stad lange tijd in grote waarde en welvaart gestaan heeft is in die tijd Attila, de Hunnen koning, gekomen en heeft het grote schade, verwoesting en brand geleden. Hierna, ongeveer 520 jaar na Christus geboorte toen de toen de heilige Rupertus die uit de koninklijke stam van de Franken geboren is en bisschop te Worms werd en na de dood van koning Childebert uit die stad weer verjaagd werd heeft Theodo de hertog van Beieren hem in Regensburg met vrede opgenomen en zich, zijn heren en zijn volk van hem laten dopen. En is deze bisschop Rupertus in Nortgew (Beieren) tot aan Hongarije of Oostenrijk rond getrokken en heeft Christus gepredikt en van velen tot het geloof bekeerd. Toen hij echter bij de stroom Juvavius kwam waar eerder de stad Juvavia gestaan heeft en toen vervallen en met struiken overgroeid en woest was en zag dat het oord als een bisschoppelijke zetel en dom stijft zeer geschikt was heeft hij, nadat hij de eigenschap van dit oord bij de hertogen vertelde alle bomen en struiken uitgeroeid en met hup en steun van de hertog een klooster van de Benedictijner orde opgericht en heeft dit bisdom 44 jaar geleid etc. Heeft ook andere bisschoppen en aartsbisschoppen na elkaar gehad. Bezie daarvan ook Aventinus die meent dat deze stad bij Ptolemaeus Poedicum is.

 

 

29. BAVARIA, Bayerlandt.

Bavaria, hat den namen (allein das noch ein Buchstab dazu kommen) von den Avaribus, so von den Hunuis, welche die Nortgewer ausz ihrem Lande geiagt, und sich drein gesetzt haben, uberbliben sein. Es wirt auch von den Boijs, so vor zeitten in Franckreich disseyt der Alpen gesessen, Boiaria genennet. Ist vor Jaren das Nortgew gewesen, und wirt mit dem Herrlichen Flusz der Donaw, so ausz Schwaben fleust, durchfeuchtet und begossen. Kein Provintz Teutschlandes, hat mehr hžbscher und wol erbawter St‰tt. Saltzburg, so vor zeitten Iuvavia sol gewesen sein, ist die Hauptstatt. Dise Landtschafft, ehe zie zur Provintz des Reichs worden, hat jhren eygnen K™nig, bisz zu Keyser Arnolphi zeiten gehabt, wie etliche schreiben, darnach hat es Hertzogen, die noch sein, su Herren bekommen. Wirt nicht besehet, ohne da es gegen Mittag ligt, Ist sehr W‰ldig und Birgig. Es werden mit Eycheln und Holtz™pffeln, so vil Schwein darinn erzogen, das es den andern Landen Europae, Schwein genug gibt, gleich wie das Ungerland Ochsen. Das Volck kleyder sich gemeynglich in gelb: tregt lieber Stiffel dann Hosen, Heutigs tages ist es nit wžst, wie zu Strabonus zeitten, sonder sehr wol besetzt, hat vil grosser und pr‰chtiger St‰tt, und andere berhžmpte Flecken, also, das ick nicht weys, ob in gantz Europa etlick seyen, die es denen mit zyrligkeyt und wirden vorthun k™nten. Hat auch ein grossen Traydbaw,sonderlich umb Regenspurg und Landshut, Wein aber wechst an wenig orten, und darzu derselb grob und ungeslacht. Man fžhret aber auff dem Neccar und der Etsch, sehr k™stlichen Wein ausz Elsasz und Francken zu, und l‰det dagegen Saltz, dessen vil da gemacht wirt. Die Statt Mžnchen an der Iser gelegen, da die Fžrsten von Bayern jhr Residentz und Hofhalten haben, ist unter allen Fžrsten St‰tten Teutsches Landes, die vortrefflicheste. Da halten die Fžrsten stettigs L™wen, pflegen auch die L™winnen biszweiln da Junge zugeperen. Einer mit namen Marcus, desz heyligen Pauli Discipul, hat dises Land zum Christlichen glauben bekehrt. Der erste Bischoff in Bayern ist, wie man ausz altem Briefen kan abnemen, zu Laureac oder L™rch, gesessen, die da zumal eine grosse und mechtige Statt gewesen, an dem ort gelegen, da der In und Donaw zusammen kommen. Aber die Bayrischen Fžrsten haben die Residentz von dannen in die Statt Passaw, Und Carolus der grosse wider van Passaw gen Saltzburg transferirt, Da sie noch heutiges tages ist. So vil findest du bey dem MŸnstero, Etwas mehr bey dem Pio II. Wer aber alles zur beschreibung dises Landes geh™rig, wissen wil, der lese die Annales oder Jarbžcher Ioannis Aventini, der ein sehr fleissiger Historicus ist.

29. Bavaria of Beieren.

Bavaria heeft de naam (alleen dat er nog een letter bijkomt) van de Avares zo van de Hunnen die die van Nortgew uit hun land joegen en zich daarin gezet hebben overgebleven zijn. Het wordt ook van de Bois die vroeger in Frankrijk aan deze kant van de Alpen gezeten Boaria is genoemd. Heette jaren geleden Nortgaw en wordt met de heerlijke stroom Donau zo die uit Zwaben (Schwaben) vloeit doorgoten en bevochtigd. Geen provincie in Duitsland heeft meer hupse en goed gebouwde steden. Salzburg die eerder Juvavia zou geheten zijn is de hoofdstad. Dit landschap eer het een provincie van het rijk werd had haar eigen koning tot keizer Arnophus tijd toe, zoals ettelijke schrijven, daarna hertogen die er nog zijn tot heer gekregen. Wordt niet bezet alleen daar het tegen het Zuiden ligt en is zeer woudachtig en bergachtig. Er worden met eikels en houtappels zoveel zwijnen daarin geteeld dat het de andere landen van Europa zwijnen genoeg geeft net zoals Hongarije ossen. De kleren van het volk zijn gewoonlijk geel en dragen liever leren schoenen dan laarzen. In deze tijd is het niet woest als in de tijd van Strabo maar zeer goed bezet en heeft vele grote en prachtige steden en andere beroemde vlekken alzo dat ik niet weet of er ergens in Europa zijn die het met sierlijkheid en waarde voorbij kunnen streven. Heeft een grote graanteelt en vooral om Regensburg en Landshut. Wijn groeit er echter aan weinig plaatsen en dan nog grof en niet geacht. Men voer uit de Neckar en de Etsch zeer kostelijke wijn uit de Elzas en Franken toe en laadt daartegen zout wat daar veel gemaakt wordt. De stad MŸnchen is aan de Isar gelegen daar de vorsten van Beieren hun residentie en hofhouding hebben en is onder alle vorstelijke steden van Duitsland de voortreffelijkste. Daar houden de vorsten steeds leeuwen en baren de leeuwinnen daar soms jongen. Een met name Marcus, een discipel van de heilige Paulus, heeft dit land tot het Christelijke geloof bekeerd. De eerste bisschop in Beieren is, zoals men uit oude brieven kan vernemen, te Laureac of Lorch gezeten wat toen een grote en machtige stad was en lag aan het oord daar de Inn en Donau tezamen komen. (nu Innsbruck) Maar de Beierse vorsten hebben de residentie vandaar in de stad Passau en Karel de Grote weer van Passau naar Salzburg gebracht waar ze nu nog is. Zo veel vind u bij Munster en wat meer bij Pius II. Wie echter allen wat tot dit land behoort weten wil die leest de annalen of jaarboeken van Johannes Aventinus die een zeer vlijtige historicus is.

 

 

30. Das Nortgew, oder Pfaltz in Bayern.

Das ander theyl Bayern, so uber die Donaw bisz an Behemerwald gehet, nennet man zu unsern zeytten, wie auch vor alters, Nortgoiam, Nortgew, hat Nžrmberg zur Hauptstatt, daher auch noch etlicher meynung, das Lande den namen sol bekommen haben, Ob aber wol Nžrmberg nit eine gar alte Statt ist, so ist doch das Schlosz, so daselbst auff einem Berg ligt, alt, und hat vor Jaren Castrum Noricum die Nordtburgh geheyssen. Disz Land hat vil St‰tt, Cl™ster und Flecken, vornemlich aber die: Amberg, Sultzbach, Castel das Closter, da vor zeytten die Fžrsten in Nortgew jhr Rahtsversammlung der Hofgericht gehabt haben. Eger, Parreuth, Aistatt, Napurg, welche den meysten theil dem Pfaltzgraven zu geh™ren. Dann Keyser Ludwig ein Hertzog in Bayern, hat Anno Christi 1339 dise theylung gemacht, das von dem gantzen Bayerland den Pfaltzgraven das Nortgew werden solte, auszgenommen etlich St‰ttlein zum Krieg geh™rig, Auch sind vil Flecken dem Reich zustendig, die vor Jaren den Bayerischen Fžrsten sein zum Pfandschilling eingesetzt worden. In disem Land zwischen Bamberg und Nžrnberg ligt gegen dem Auffgang auff Eger zu, der grosse Berg, der Fichtelberg genandt, ausz welchem vier berhžmpter Wasser, nemlich der Mayn, die Nab, Sal und Eger entspringen, Er begreifft in seinem circk in 6 Meiln, bringt mancherley art metall, ein sehr K™stlich blawe farb, die man gemeynglich Lasur nennet. Auch findet man zu ™berste desz berges Zyn, und vil Gruben, ausz denen vor der zeit Metall ist gegraben worden. Und steckt in summa disz gantze Land vol Ertz, sonderlich aber Eisens, ausz welchem die Nortgewer J‰rlich ein grosz geld l™sen. So vil sagt MŸnsterus. Besihe aber auch Pium II. Von ankunfft der Pfaltz, lise Franciscum Irenicum. Conradus Celtes der Po‘t hat Nžrnberg dises Landes Hauptstatt sehr sch™n, und zirlich beschriben. Den Fichtelberg hat Caspar Brusch von Eger in einem sondern Bžchlein beschriben.

 

 

Das Hertzogthumb Wirtenberg.

Das Land desz Hertzogen von Wirtenberg, ligt gleichsam in einem circul, und begreifft St‰tt, M‰rckt, vil Schl™sser und Cl™ster, und schier unzelig vil H™fe und D™rffer, Auszgenommen drey Reichst‰tt, nemlich, Eszling, Wail und Reutling, die in desz Fžrsten Land ligen, Haben aber jhre eygne Jurisdiction. Die vornemesten St‰tt dises Hertzogthumbs sind Thžbingen, da eine Hohe Schul ist, und Stutgard, da der Fžrst Hof helt. So vil und ein mehrers sagt MŸnsterus. Den Neccar dises landes vornemesten Flusz, und auch andere, beschreibt Franciscus Irenicus sehr fein im 8 Buch am 34 Cap. Am Neccar wechst auch k™stlicher Wein den man von jhm den Neccarwein nennet.

30. Nortgew of Pfalz in Beieren.

Het andere deel van Beieren zo over de Donau tot aan het Bohemerwoud gaat noemt men in onze tijden net zoals vroeger Nortgoia of Nortgew en heeft NŸrnberg als hoofdstad vandaar dat er ettelijke menen dat het land de naam er van gekregen zou hebben en ofschoon NŸrnberg geen erg oude stad is toch heeft het een slot die daar op de berg ligt en vroeger Castrum Noricum  of Nordtburgh heette. Dit land heeft veel steden, kloosters en vlekken maar voornamelijk deze: Amberg, Sulzbach, (Faber) Castell het klooster waar vroeger de vorsten in Nortgew hun raadsverzameling en hofgericht gehad hebben. Eger, Bayreuth, EichstŠtt, Nabburg die het meeste deel onder de paltsgraven behoren. Dan keizer Lodewijk, een hertog in Beieren, heeft anno Christus 1339 deze verdeling gemaakt dat van het ganse Beieren de pfaltsgraven NŸrnberg zou zijn uitgezonderd ettelijke stadje die tot de oorlog behoren. Ook zijn veel vlekken die tot het rijk behoren jaren geleden van de Beierse vorsten als een pandgoed ingezet worden. In dit land tussen Bamberg en NŸrnberg liggen tegen het Oosten tegen de Eger de grote berg, Fichtelberg, waaruit vier beroemde wateren stromen, namelijk Main, Naab, Saale en Eger. Het omvat een 6 mijlen en brengt vele metaalsoort, een zeer kostbare blauwe verf die men gewoonlijk lazuur noemt. Ook vindt men in het bovenste van de berg zink en veel gangen waaruit vroeger metaal is gegraven. En steekt in summa dit land vol erts en vooral ijzer waaruit de Beieren jaarlijks groot geld winnen. Zo veel zegt Munster. Bezie echter ook Pius II. Van de aankomst in Pfalz lees Franciscus Irenicus. Conrad Celtes de po‘et heeft NŸrnberg als het hoofdstad van het land zeer mooi en sierlijk beschreven. De Fichtelberg heeft Caspar Brusch von Eger in een apart boekje beschreven.

 

 

 

Het hertogdom WŸrttemberg.

Het land van de hertogen van WŸrttemberg ligt net zo in een cirkel en omdat steden, markten, veel kastelen en kloosters en ongeveer ontelbaar veel hoven en dorpen. Uitgezonderd drie rijkssteden namelijk, Eszlingen, Weil en Reutlingen die in het land van de vorst liggen hebben ze alle hun eigen jurisdictie. De voornaamste steden van dit hertogdom zijn TŸbingen waar een Hogeschool is, en Stuttgart waar de vorst hof houdt. Zo veel en meer zegt Munster. De Neckar van dit land de voornaamste stroom en ook andere beschrijft Franciscus Irenicus zeer mooi in zijn 8ste boek in het 34ste kapittel. Aan de Neckar groeit ook kostelijke wijn die men daarom Neckarwijn noemt.

 

 

31. Schweytzerlandt.

Von disem Lande sagt MŸnsterus also: Dises Land, oder der gr™sseste teyl desselben, so vorzeitten die R™mer Helvetiam geheissen, nennet man jetziger zeit das Schweytzer oder der Aidgnossen Lande, sehet an dem hohen Gebirg den Alpen an, und endet sich gegen Auffgang an dem Rein, Von Mitternacht aber strecht es sich bisz an Waldshut und Lauffenberg, und kržmet sich van dannen herumb gegen dem Nidergang, zu dem Berg Iura, bisz an Genffer see, und erreicht entlich widerumb das hoge Gebirg, die Alpen, da es dann dazumal Oberfranckreich genannt worden ist. Zu derselben zeit wurde es in vier Landtschafften geteilet, unter welchem die ZŸrcher eines bewohnen, dise haben hundert und etlich Jar vor Christi gepurt, (wie aus Iulius Caesare abzunemen) aus jrem Lande einen zug wider die R™mer gethan, derselben Consulem und Kriegsobersten Lucium Cassium erschlagen, und das gantze Heer gefangen und erleget, Und sein damals die Helvetij von wegen jrer Mannheit und dapffern Krigsthaten vor andern V™lckern Galliae oder Franckreich, beržmet gewesen. Ongeferlich 60 Jar vor Christi gepurt, haben die Schweitzer mit jren Nachbaurn den Rauracern (im Basler Bistumb) und andern beyligenden V™lckern, eine Bžndnus gemacht. Nachmals haben sie jr Land verlassen, so jenen zu enge war, die St‰tt verbrennet, damit jederman die hoffnung wider heimzukeren, entnommen wžrden, und sein andere und bessere ort zusuchen ausgereiset, auch willens gewesen, gantz Gallien, wann sie k™nten, untersich zubringen.Erstlich aber, sein sie auff Genff zugezogen, gegen der R™mer Provintzen, so jetzund das Hertzogthumb Sophoi und der Delphinat genannt werden. Da jnen aber Julius Caesar des R™mischen Kriegsvolck Oberster, den Pasz mit vil Gr‰ben, W‰hlen und andern hindernussen verschlossen, musten sie auff de Sequamer, jetzund die Graffschafft Burgund, zulencken, und da sie durch Hedvos zogen, so jetzt auch in Burgund wonen, ist es nach vilen Scharmžtzeln entlich zu einer harten Schlacht kommen, so von der sibenden stund an, bisz in die nacht geweret, in welcher, ob wol bede partheyen ritterlich stunden, und sich wehrten, hat doch entlich Julius Cesar den sieg erhalten, die Helvetier bezwungen, und dises streitbare Volck wider in jr Land, wie die Hirten das Viehe in die st‰lle getriben. Dann wo solches nicht geschehen, hette er besorgen mžssen, das die Teutschen uber den Rein ziehen, und das Land so die Schweitzer verlassen, einnemen hetten mžgen, Nachdem nun die Schweitzer uberwunden waren, hat der Caesar one verzug die Gallen so lang bekriegt, bisz er sie entlich dem R™mischen Reich gar unterworffen hat.

Was aber dazumal al die Helvetij und Galli fŸr ein Sprach geredt, sein zweyerley meinung vorhanden, Dann etliche (als Beatus Renanus) meinen, das die Gallische sprach weder Teutsch noch Frantz™sich (wie jetziger zeyt daselbst geredt wird), sondern ein besonder, und fŸr sich selbs eigene spracht gewesen sey,Andere unter welchen auch Egidius Tschudus und Heinricus Glareanus sein, meinen, das die Galli die Teutsche sprach, so noch heuttigs tags die Schweitzer reden, gebraucht haben, unnd hat jeder teyl glaubliche ursachen, Sovil sagt MŸnsterus. Uber dises, so du von disem Land im Caesare und Strabone lisest, findest auch etwas mehr beym Vadiano, Tschudo, Henrico Glareano, in Osvaldi Molitoris Commentarien, und entlich in Joanne Stumpff, so von disen V™lckern ein grosz Buch geschriben, Zu disen kanstu auch Ioannis Rellicani Commentariae oder erclerung in Caesarem nemen, Es verheist auch Nicolaus Stupanus Rethus des Lands am Ries beschreibung.

31. Zwitserland.

Van dit land zegt Munster alzo; Dit land of het grootste deel wat de Romeinen vroeger Helvetia noemden heet tegenwoordig Zwitsers of het confederaties land en ziet naar de hoge Alpen en eindigt zich tegen het Westen aan de Rijn, van het Noorden strekt het zich van Waldshut en Laufenburg en kromt zich vandaar weer naar het Westen naar de berg Jura aan het meer van Geneve en bereikt weer die hoge bergen Alpen waar het dan boven Frankrijk genoemd wordt. In dezelfde tijd werd het in vier landschappen verdeeld waarvan die van Zurich een gedeelte bewonen en die hebben honderd en meer jaren voor Christus geboorte (wat uit Julius Caesar te vernemen is) hun land van de Romeinen in een strijd weer bevrijd en diens consul of krijgsheer Lucius Cassius verslagen en het ganse leger gevangen en verslagen. Toen zijn daarna de Zwitsers vanwege hun dapperheid en dappere krijgsdaden voor andere volkeren van Galli‘ of Frankrijk beroemd geweest. Ongeveer 60 jaar voor Christus geboorte hebben de Zwitsers met hun buren de Rauraci (in het bisdom Baselsavoy) en andere bijliggende volkeren een verbond gemaakt. Later hebben ze hun land verlaten die hun te nauw was, de steden verbrand zodat ze elke hoop om terug te keren ontnomen werd en zijn afgereisd om andere en betere oorden te zoeken en wilden ook, als ze konden, gans Galli‘ onder zich brengen. Eerste zijn ze naar Geneve getrokken tegen de Romeinse provincie waar nu het hertogdom Savoie en DauphinŽ genoemd wordt. Daar echter de overste van het Romeinse krijgsvolk Julius Caesar de pas met veel grachten, dammen en andere hindernissen gesloten heeft moesten ze via de Seine, nu het graafschap Bourgondi‘, gaan en daar ze door Hedui trokken, wat nu ook in Bourgondi‘ is, zijn ze na veel schermutselingen eindelijk tot een slag gekomen zo van zeven uur af aan en tot de nacht duurde waarbij, ofschoon beide partijen ridderlijk stonden en zich weerden, dan toch eindelijk Julius Caesar de overwinning behaalde en de Zwitsers bedwongen en dit strijdbare volk weer in hun land zoals de herders het vee in de stal gedreven. Dan was zulks niet gebeurd hat hij zich zorgen moeten maken dat de Duitsers over de Rijn trokken en het land zo de Zwitsers verlaten hebben zouden innemen. Nadat hij de Zwitsers overwonnen had heeft Caesar Galli‘ zo lang beoorloogd totdat ze eindelijk geheel onder het Romeinse rijk onderworpen waren.

Welke spraak toen de Zwitsers en Galli‘rs voerden zijn er twee meningen aanwezig. Dan ettelijke (als Beatus Rhenanus) menen dat de Gallische spraak is geweest. Andere waaronder ook Aegidius Tschudi en Henricus Glareanus zijn menen dat de Galli‘rs de Duitse spraak zo nog op heden de Zwitsers spreken gebruikt hebben en heeft elk deel gelijke geloofwaardige redenen. Zoveel zegt Munster. Over dit als u van dit land in Caesar  en Strabo leest vind u wat meer bij Vadianusus Tschudi, Henricus Glareanus, in Oswald Molitor commentaren en eindelijk in Johann Stumpf die van dit volk een gans boek geschreven heeft. Hiertoe kan u ook Johannes Rhellicanus commentaren of verklaring in Caesar nemen. En ook Nicolaus Stupanus Rethus heeft beloofd een beschrijving van Rhetia. (bij Graubunden, Tirol)

 

 

 

32. ITALIA. Welschlandt.

Gleich wie Italia, die vornembste Provintz der Welt, nach gelegenheit der zeyt, und anderer ding, seinen Namen offt verendert hat, Dann es Oenotria, Ausonia, Hesperia, Saturnia etc., genant worden, Also werden auch die Grenitzen desselben Landes von den Autoribus auff mancherley weysz beschriben, Die aber, so am neulichsten geschriben haben, setzen dise, den Flusz Varrum, und von dannen in eine starcke lini durch die Alpes Coctias, das Gebirg in Piemont, den Berg Adulam, der Urster oder Vogel genannt, und das Etschl‰ndische Gebirg, sampt andern so daran ligen, bisz an den Flusz Arsa, an welchem Histrich grentzet, auff einer seitten, an den andern leit es an eytel Meer. Ptolemaeus beschreibt es fŸr ein Peninsulam, ein halbe Insul, so an dreyen seytten Meer hatt, und an einer mit dem hohen Gebirg den Alpen, gleich wie mit einem Waal verwaret ist, Die alten Scribenten vergleichen es einem blat von einem Aychelbaum, Die aber, so neulicher gelebt, bilden es nicht uneben in form eines gantzen menschenschenckels, von der Hžfft bisz zum untersten fusz zurechnen, fŸr. Und hat Italia, so einem Vischgrad von dem Kopff an, bisz unten ausz zurechnen, nit ungleich ist, einen Ruck, der der Berg Apenninus ist, welcher von den Alpen, da sie beim untern Meer auff h™ren, sein ursprung hat, und ob er wol anzusehen, als wolt er sich stracks auff die Statt Ancona nahen, dem obern Meer zustreichen, und daselbst sich enden, so gehet er doch von demselben Meer widerumm weg, und streicht mitten durch Italia, bisz an unter Calabria, und das Sicilische Meer. Vor zeitten, wie Aelianus zeugt, sind in disem land 1166 St‰tt gewesen, Guido Presbyter von Ravenna, zeigt an, aus Igino, so vor 600 jarn von den St‰tten in Italia geschriben, das jr zu desselben zeitten nur 700 gewesen sein. Blondus theilt disz Italiam in 18 L‰nder, Leander in 19, und haben dise Namen:

 

Alte namen.                Newe Namen.

Liguria,                       Die Revier umb Genua,

Hetruria,                     Thuscana,

Umbria,                      Hertzogthumb Spolet,

Latium,                       Der Latiner Land, umb Rom,

Campania foelix,        Das glžckseelig Campania,

Lucania,                      Basilicata,

Brutij,                         Unter Calabria,

Magna Graecia,          Ober Calabria,

Salentini,                    Die Salentiner, das Land Otranto,

Apulia Peucetia,         Das Land Barri,

Apulia Daunia,           Das Land Apulia, Ebenland,

Samnites,                    Die Provintz Abruzo,

Picoenum,                  Die Marck zu Ancona,

Flaminia,                    Romania oder Romagna,

AEmilia,                     Lombardia disseits Padu od Pfo,

Gallia Transpadana, Lombardia jenseits Padu od Pfo,

Veneti,                        Die Marck Trevigiana.

Forum Iulij,                Friaul oder Patria,

Histria,                       Histrich.

 

Plinius macht den See Velin, so bey der Statt Reate in Umbria gelegen, das mittl Italiae. Nicht weit von disem See ist, nach Varronis meinung, auch die Statt Rosella, welche den fruchtbaresten boden in gantz Italia haben soll, (daher dann Vergilius die Rosae rura velini, &c, das veld unnd Ackerwerk diser Statt bey dem See Velin nennet) welcher wie Varro bezeuget, so fruchtbar ist, das, wenn ein stabe oder stange darinn ligen blieben, man dieselbe desz folgende tages, von wegen des Gras, so daržber gewachsen, nit mehr sehen kan, und auch derohalber diser ort das marck Italiae genennt werde. Vorzeitten hat man Campum Stellatum das sch™nste und lieblichest ort Italiae genannt, jetzund aber, wie Blondus anzeigt, ist es die gegend umb Bolonia und Mutina. Sabellicus gibt de vornembsten St‰tten Italiaen aus der gemeinen rede des Volcks dise zunamen, und nennet Venedig die reichest, Melland die gr™ssest, Genuam die st™ltzest, Florentz die sch™nest, Bononiam die fruchtbarest, Ravenna die eltest, Rom die heiligest, und Neapolin die edlest. Aus den Alten haben disz Land beschriben, C.Sepronius, M. Cato, Polybius im andern Buch, Sonderlich aber, und am fleissigsten, der Strabo, so auch in andern dingen fleissig ist. Aus den newen Scribenten aber, Blondus, Ioannes Annius Viterbiensis, in seinen Commentarijs uber Berosum und andere. Volateranus, Sabellicus, Domi: Niger, am volkomlichsten der Leander.

32. Itali‘. Welse land.

Net zoals Itali‘ de voornaamste provincie van de wereld en andere dingen zijn naam vaak veranderd heeft, want het is Oenotria, Ausonia, Hesperia, Saturnia etc. genoemd worden alzo worden ook de grenzen van dit land van de auteurs op vele manieren beschreven. Die echter het nieuwste geschreven hebben zetten die de stroom Var en vandaar in een sterke lijn door de Cottische Alpen, het gebergte in Piemont, de berg Adula, (Rheinwaldhorn) die Urster of vogel genoemd en het Raetia gebergte met anderen zo daaraan liggen tot de stroom Raŝa waaraan Istri‘ grenst aan de ene kant en aan de andere ligt enkel zee. Ptolemaeus beschrijft het voor een schiereiland, een half eiland zo het aan drie zijden zee heeft en aan ene met hoge bergen, de alpen, gelijk alsof het met een muur beschermd is. De oude scribenten vergelijken het met een blad van een eikenboom. Die nieuwe echter beelden het in de vorm van een mensenbeen, van de heup tot de onderste voet te rekenen. En heeft Itali‘ zo een visgraat van de kop aan tot onder te rekenen niet ongelijk een rug wat de Apennijnen zijn die van de Alpen daar ze bij de onderste zee ophouden zijn oorsprong heeft en ofschoon het wel lijkt alsof ze de stad Ancona wilde naderen bij de bovenste zee heengaan en daar te eindigen zo gaat het toch van dezelfde zee weer weg en strijkt midden door Itali‘ tot aan onder Calabri‘ en de Sicilische zee. Vroeger, zoals Aelianus zegt, zijn er in dit land 1166 steden geweest. Guido, presbyter van Ravenna, toont aan uit Iginus die een 600 jaar geleden van de steden van Itali‘ heeft geschreven er in die tijd maar 700 waren. Blondius deelt dit Itali‘ in 18 landen, Leander in 19 en die hebben deze namen:

 

 

Oude namen.  Nieuwe namen.

Liguria,                       De rivier om Genua,

Hetruria,                     Toscane,

Umbria,                      Hertogdom Spoleto,

Latium,                       Het Latijnse land om Rome,

Campania felix,          Het gelukzalige Campania, Terra di Lavoro,

Lucania,                      Basilicata,

Brutij,                         Onder Calabri‘,

Magna Graecia,          Boven Calabri‘,

Salentini,                    De Salentiner, het land dÕ Otranto,

Apulia Peucetia,         Het land Bari,

Apulia Daunia,           Het land Apuli‘, vlak land, Puglia Piana.

Samnites,                    De provincie Abruzzo,

Picenum,                    De Marchia Anconitana,

Flaminia,                    Roemeni‘ of Romagna,

Aemilia,                      Lombardije aan deze zijde van Padu of Po,

Gallia Transpadana,   Lombardije aan de andere kant van Padu of Po,

Veneti,                        De Marca Treviso bij Veneti‘.

Forum Iulij,                Friaul of Patria, Friuli & Patria.

Histria,                       Istri‘.

 

Plinius maakt het meer Velinum zo bij de stad Reatino in Umbri‘ gelegen het middelste Itali‘. Niet ver van deze zee is, naar Varro Õs mening) ook de stad Rosella die de vruchtbaarste bodem in gans Itali‘ zou hebben (daar dan Virgilius de Rosa rura velini etc., het veld en akkerwerk van deze stad bij de zee Velin noemt) die zoals Varro betoont zo vruchtbaar is dat als een staf of stang daarin liggen blijft het men de volgende dag niet meer kan zien vanwege het gras dat daarover gegroeid is en vandaar dat dot oord ook de mark van Itali‘ genoemd wordt. Vroeger heeft men Campum Stellate het mooiste en lieflijkste oord van Itali‘ genoemd maar nu echter, zoals Blondus aantoont, is dat het gebied om Bologna en Modena. Sabellicus geeft de voornaamste steden van Itali‘ uit de gewone uitspraken van het volk deze namen en noemt Veneti‘ de rijkste, Milaan de grootste, Genua de trotste, Florence de mooiste, Bologna de vruchtbaarste, Ravenna de oudste, Rome de heiligste en Napels de edelste. Uit de ouden hebben dit land beschreven: Caius Sempronius, M. Cato, Polybius in het tweede boek, maar vooral het vlijtigste Strabo die zo ook in andere dingen het vlijtigste is. Uit de nieuwe scribenten echter: Blondus, Joannes Annius Viterbiensis en zijn commentaren over Berosus en andere. Volaterranus, Sabellicus, Domincus Niger en het volkomenste Leander.

 

 

33. Das Hertzogthumb Meiland.

Leander, nach dem er in seiner Beschreibung Italia weitluefftig von dises Hertzogthumbs geredt, setzet entlich von Meiland desselben Landes vornemsten Statt, dises: Die Statt Meiland ligt an einem sehr bequemen ort, in dem nit allein allerley fržcht wol bekommen, sonder dahin man auch aus der gantzen Lombardi alles zur teglichen notturfft, und wollust breuchlich, zufžren kan. Begreifft ein grossens spacium und raum in sich, also auch, das sie unter die gr™ssesten St‰tt Europa gezelt wird. Hat sehr lange und weite Vorst‰tt, von denen sie sonderlich grosz gemacht wird, unter welchen etlich so gewaltig sein, das sie auch wol grossen St‰tten Italiae nichts bevor geben. Haben aber gleich wol vor denen Jarn her, von wegen stetter Krieg zwischen Carolo dem fŸnfften, den Frantzosen, und Venedigern grossen schaden gelitten, in welchem sie dem meisten theil sind zerrissen und verwžstet worden, wiewol diser zeyt stettigs wider erbauet werden. Umb die Statt und umb die Vorst‰tt gehen breitte wasser gr‰ben, auff welchen alles dessen, so teglicher unterhaltung n™ttig, ein grosser uberflusz zugefžrt wird, also, das nichts ist, so nicht in zimlichem werth kan zuwegen gebracht werden, Und ist warlich zuverwundern, das man in diser Statt von allem, so die menschen haben mžssen, so ein grosse menig und reichen vorrath findet. Auch hat es da von vil und mancherley Handwerckern ein solche menig, das es nit wol zuerzelen. Daher dann dises gemein Sprichwort kommen, das man sagt: Wer gantz Italia wider bawen w™ll, der soll Meiland zerst™ren, das nemlich ausz derselben alle Kžnstler sich, als ausz jrem sitz, hauffen weisz in gantz Italia ausstreuen wžrden. Vil gewaltige und herrliche Gebew sind in diser Statt, und sonderlich, ein grosz und ansehliche Kirchen, von jnen Domus oder die Thumkirch genannt, so mit grossem uncosten, und sonderlicher kunst erbauet ist, Also, das mit derselben wenig Kirchen in der gantzen Welt zuvergleichen sein, bede was die gr™sz und kunst, und dann auch die k™stliche Merbel und arbeit belanget, Dann sie nicht allein innen und aussen, mit weissem gleissenden Merbel uberzogen, sondern auch mit Merbelen bildern gezieret ist, welche so kžnstlich gemacht sein, das sich nicht genugsam darob zuverwundern, Hat auch sonsten andere mehr beržmbte Kirchen, unter welchen ist die zu den Gratijs, oder zur Gnade, dem Prediger Orden zugeh™rig, gegen dem sehr vesten Castell Porta Iovia uber gelegen, an welcher ein sonder k™stlich rund Gewelb ist, so Ludovicus Sfortia machen lassen, und unter demselben sampt seinen Gemahel in einem sch™nen Merbelstainen Grab, daselbsten auffgericht, hat w™llen begraben werden. An diser Kirch ligt das sch™ne Closter Prediger Ordens, so ein fžrtreffliche Liberei hat, und gezieret ist, mit dem uberaus sch™nen gem‰lde des letzten Abendmals, so Christus mit den Aposteln gehalten, Welches gem‰lde des Leonardi Vincij von Florentz Werck ist, und wie alle in der Malerey erfarne zeugnus geben, welches Porta Iovia genennt wird, helt man fžr die vornemste Vestung in gantz Europa, die mit gewalt niemals hat k™nnen erobert werden, Vil andere k™stliche Gebew mehr sind in diser Statt, welche wir kžrtz halben ubergehen. Sovil sagt Leander, der beschreibt gantz eigentlich, was fŸr Stett und zugeh™rung das Hertzogthumb Meiland hat, Besihe davon auch Volateranum in seiner Geographej. Item, Bonaventuram Castilionem, derselbig hat ein sonderlich Buch von dises Hertzogthumbs altem herkommen und antiquiteten lassen auszgehen. Es hat auch Bernardinus Corius in Italianischer Sprach der Meil‰nder Histori beschriben.

33. Het hertogdom Milaan.

Leander, nadat hij in zijn beschrijving van Itali‘ uitvoerig van dit hertogdom spreekt zet eindelijk van Milaan hun belangrijkste hoofdstad dit: De stad Milaan ligt in een zeer geschikte omgeving waarin niet alleen allerlei vruchten goed te bekomen zijn maar waar men ook uit gans Lombardije voor dagelijkse nooddruft en wellust te gebruiken aanvoeren kan. Omvat een grote spatie en ruimte alzo ook dat ze onder de grootse steden van Europa geteld wordt. Heeft zeer lange en wijde voorsteden waarvan het bijzonder groot gemaakt wordt waaronder sommige zo geweldig zijn dat ze ook de grote steden van Itali‘ niets voor geven. Hebben echter gelijk wel van jaren geleden vanwege de steeds durende oorlog tussen Karel de 5de, de Fransen en die van Veneti‘ grote schade geleden waarin ze voor het meeste deel zijn vernield en verwoest hoewel deze tijd steeds weer opgebouwd. Om de stad en de voorsteden gaan brede watergrachten waarop alles wast voor dagelijkse onderhoud nodig is in grote overvloed aangevoerd wordt alzo dat er niets is wat niet in tamelijke waarde er gebracht kan worden. Het is werkelijk te verwonderen dat men in deze stad van alles wat de mensen hebben moeten in zoÕ n grote menigte en rijke voorraad vindt. Daarvan heeft het ook veel en veelvormige handwerkers in zoÕ n menigte dat het niet te vertellen is. Daar komt dan dit algemene spreekwoord vandaan dat men zegt: Wie in gans Itali‘ bouwen wil die zal Milaan verstoren omdat namelijk uit die alle kunstenaars zich als uit hun zetel hoopvormig in Itali‘ zullen uitstrooien. Veel geweldige en heerlijke gebouwen zijn er in deze stad en vooral een groot aantal aanzienlijke kerken, van hen Domus of domkerk genoemd die zo met grote onkosten en bijzondere kunst gebouwd zijn. Alzo dat met dezelfde kerken weinig kerken in de ganse wereld te vergelijke zijn, beide wat grootte en kunst en dan ook nog die kostbare marmer en arbeid aangaat. Da ze zijn niet alleen van binnen en buiten met witte glanzende marmer overtrokken maar ook met marmeren beelden versierd die zo kunstig gemaakt zijn dat men zich niet voldoende daarover kan verwonderen. Heeft verder ook meer andere beroemde kerken waaronder is die tot de Grati‘n of tot de Genade die tot de prediker orde behoren tegenover het zeer vaste kasteel Porta Iovia  (Porta Lodovica) gelegen waaraan een zeer kostbaar rond gewelf is die Ludovicus Sfortia heeft laten maken en onder die met zijn gemalin in een mooi marmerstenen graf die daar opgericht is begraven heeft willen worden. Aan deze kerk ligt dat mooie klooster van de prediker orde die een voortreffelijke bibliotheek heeft en versierd is met uiterste mooi tekening van het laatste Avondmaal die Christus met de Apostels hield. Die afbeelding is door Leonardo da Vinci van Florence gemaakt en waarvan alle die in het schilderen ervaren zijn getuigenis geven. Die Porta Iovia genoemd wordt die houdt men voor de voornaamste vesting in gans Europa die met geweld nog nooit veroverd heeft kunnen worden. Vele andere kostbare gebouwen zijn er meer in deze stad die we vanwege de kortheid willen overslaan. Zo veel zegt Leander en die beschrijft gans eigenlijk wat voor stad en toebehoren het hertogdom Milaan heeft. Bezie daarvan ook Volaterranus in zijn geografie. Item, Bonaventura Castillion die een apart boek van dit hertogdom van oude herkomst en antiquiteiten heeft laten uitgaan. Ook Bernardinus Corius heeft in Italiaanse taal de historie van Milaan beschreven.

 

 

34. Das Land Pemont.

Das Land der Taurinorum, nennet man jetzund Pedemontium Pemont, gleichsam pedum montium, ein Flusz der Gebirgs, weil es unten an den Alpen ligt, welche Franckreich und Sophoi von Italia scheiden. Zu Grenitzen disz Lands w™llen wir gegen Auffgang den Flusz Padum setzen, von Mittag die Alpen in Liguria, vom Nidergang, die Alpen in Franckreich, den Flusz Duriam ripariam oder Doriato, gegen Mitternacht, Ist ein sch™n und lustig Land, vol fruchtbarer Hžgel, welche Getraid und ander Fržcht, auch sehr guten Wein, sampt anderm edlen Gewechs bringen, Ist auch von Stetten, D™rffern und M‰rckten sch™n gezieret. Von den Longobarden ist es zu einem sondern Hertzogthumb gemacht, und dasselbige Taurinum genennet worden. Nach dem aber der Longobarder Regiment auffgeh™ret hat, sein sie erstlich den K™nigen Italiae, so die Kaiser dahin geordnet, unterthenig worden, nachmals in viler Herrschafft hand kommen, letzlich aber von den Hertzogen oder Graven von Sophoi als jre eigenthumb eingezogen worden, so lang, bisz Anno 1536, Fransciscus der erste K™nig in Franckreich einen teyl desselben eingenommen, welchs aber jetzund dem Hertzogen von Sophoi wider zugestellt worden ist. Die Haupststatt ist Taurin, da der Flusz Duria in den Padum fellet, welche Ptolemaeus, Plinius und Tacitus Augustam Taurinorum nennen, und das sie vor alters auch einen beržmpten Namen gehabt, kan man daher leichtlich abnemen, weil sie der R™mer Colonia gewesen. Sie ligt unten am Gebirg, ist viereckicht, hat vier Thor, ein Edle und beržmbte Burgerschafft, und sch™n zierlich Gebew, unter welchen auch die oberste Kirch ist. Da ist auch ein hohe Schul, in der man alley gute Kžnst lehret. Es ist auch an allen dingen, so zu teglichem brauch n™ttig und nutzlich sein, ein solcher uberflusz da, das es zuverwundern. Das Land umbher ist sehr gut und fruchtbar, sonderlich gegen Morgen und Mittag, da dann auch gute Eisenbergkwerck sein. Paulus Diaconus segt: das zu Taurin der Longobarder Hof haltung gewesen sey, die haben daselbst geherrschet, bisz der K™nig Desiderius von Carolo magno im Krieg ist gefangen worden, Darnach ist dises Hertzogthumb, unter den K™nigen Italiaen, den Kaisern, den Marggraven von Mentferrar, und den Fžrsten in Sophoi (unter denen es dann noch ist) gewesen. Gegen Ripello und Pisana, da der Padus entspingt, bricht man gar k™stliche Merbelstain, Auff der rechten oben am Pado ist ein sehr lustige eben, welche man des Padi, oder wie es die Einwoner nennen, Lusernerthal heisset, von dem St‰ttlein Luserna, so daselbst ligt, ist bey 30 tausent passus oder schritt lang, und auff das meiste viertausent breit, vorn im eingang desselben, gegen Morgen, ist ein Mambrin, zu ende im auszgang gegen Abend, ein hoch stainete Creutz. Die Inwoner nennet man gemeiniglich Christen, man beschuldigt sie aber, das sie gar keine Christliche breuch und Ceremonien halten, Ja sie sollen vil mehr uberaus schandliche und leserliche ordnungen haben, unter welchen sonderlich dise auch ist, das sie jede Monat auff einen bestimpten tag alle in die Kirche zusamen kommen, und nach dem sie von einem unzŸchtigen Pfarherrn Predig geh™ret, leschen sie in finsterer Nacht alle Liecht aus, fallen ubereinander und treiben unzucht, also, das kein vernžnfftiger Mensch disz Exempel genug straffen kan. Disz haben wir ausz dem Leandro genommen, der mehr davon hat. Lise aber auch Domi: Nigrum von diser Landschafft. In diser Tafel ist auch die Graffschafft Montisferrat (welche heuttigs tags dem Hertzogen von Mantua zugeh™rig) gantz eigentlich abgerissen, von derselben hat Merula lib. 6. Historiae Vicecomitum, weitleuffig geschriben.

34. Het land Pi‘mont.

Het land van de Taurinorum noemt men nu Pedemontana of Pi‘mont of pedum montius en betekent een stroom van de bergen omdat het onder aan de Alpen ligt die Frankrijk en Savoie van Itali‘ scheiden. Als grens van dit land willen we tegen het Oosten de stroom Po zetten en in het zuiden de Alpen in Ligurie en in het Westen de Alpen in Frankrijk en de stroom Duriam riparia of Doria in het Noorden. Het is een zeer mooi en lustig land vol vruchtbare heuvels die graan en andere vruchten en ook zeer goede wijn met andere edele gewassen voortbrengen. Is ook van steden, dorpen en markten mooi versierd. Van de Langobarden is het tot een apart hertogdom gemaakt die het Taurinum noemden. Nadat het Longobarden regiment ophield zijn ze eerst onder de koningen van Itali‘, zo de keizer bevolen had, onderdanig geworden en later en vele heerschappijen handen gekomen en laatst echter van de hertog of graaf van Savoie als hun eigendom behandeld geworden zo lang tot anno 1536 Franciscus de eerde koning van Frankrijk een deel ervan heeft ingenomen die nu weer tot de hertogen van Savoie weer is teruggegeven geworden. De hoofdstad is Turijn daar de stroom Doria in de Po valt die Ptolemaeus, Plinius en Tacitus Augusta Taurinorum noemen en dat ze vanouds ook een beroemde naam heeft gehad kan men daar licht van afnemen omdat het een Romeinse kolonie is geweest. Ze ligt aan het gebergte, is vierkantig en heeft vier deuren, een edele en beroemde burgerij en mooie sierlijke gebouwen waaronder de mooiste een kerk is. Er is ook een hogeschool waarin men allerlei goede kunsten leert. Het is ook aan andere dingen zo voor dagelijks gebruik nodig en nuttig zijn zoÕ n overvloed dat het te verwonderen is. Dat land eromheen is zeer goed en vruchtbaar en vooral tegen het Westen en Zuiden want daar zijn ook goede ijzerwerken. Paulus Diaconus zegt; dat te Turijn de Langobarden hofhouding is geweest en die hebben daar geheerst tot koning Desiderius door Karel de Grote gevangen werd genomen. Daarna is dit hertogdom onder de koningen van Itali‘, keizers, markgraven van Montferrat en de vorsten van Savoie (waaronder het dan nog is) geweest. Tegen Ripellum (Ripetta?) en Pisano daar de Po ontspringt brengt men erg kostbare marmerstenen. Recht boven Padua is een zeer lustige vlakte die men des Padi of zoals de inwoners het noemen Luzerne dal noemen van het stadje Luzern zo daar ligt en is ongeveer 30 000 passen of schreden lang en op het grootst 4 000 breed, voren in de ingang ervan tegen het Westen is een Mambrinum en op het eind in de uitgang tegen het Noorden een hoge stenen kruis. De inwoners noemt men gewoonlijk Christen maar men beschuldigt ze echter dat ze geen Christelijke gebruiken en ceremonies houden. Ja ze zullen veel meer zeer schandelijke en lasterlijke verordeningen hebben waaronder vooral deze is dat ze elke maand op een bestemde dag allen in de kerk tezamen komen en nadat ze van een ontuchtige pater de preek horen laten ze in de duistere nacht alle lichten uit en vallen over elkaar en drijven ontucht, alzo dat geen verstandige mens dit voorbeeld genoeg straffen kan. Dit hebben we uit Leander genomen die meer daarvan heeft. Lees echter ook Dominicus Niger van dit landschap. In deze tafel is ook het graafschap Montferrat (die nu onder de hertogen van Matua behoort) geheel eigenlijk afgebeeld en van die heeft Merula lib. 6 Historiae Vicecomitum uitvoerig geschreven.

 

 

35. Der Cumersee.

Der Cumersee, Lacus Larius oder Comanus, hat den Namen von der Statt, erstrecket sich von Mitternacht gegen Mittag, in 60 tausent passus, Etliche sagen er sey Larius genennt worden, von dem Griechischen W™rtlein laros, so einen Vogel heist, den man zu Latein fulciam, ein wilde oder Hagelgans nennet, darumb, das er derselben vil hat. Item, auch, einen Visch, wie Plinius sagt: Es lauffen in den vil, aber doch kleine B‰chlein, von dem umbligende Gebirg, so zu oberste lustige W‰ld von Castaneen Beumen, an den seitten Wein und Oelbeume, zu unterst W‰lde haben, in den man vil Wildes jagt. Am gestatt des Sees ligen etliche Castell, unter welchem Lechum ist gegen Mittag, da ein Bruck ist uber den Flusz Ada, so von eim ufer zum andern reicht. Weiter am ufer gegen morgen, an den Berg (dann der Zee hat allenthalben umbher Gebirg, auszgenommen, das ufer gegen Nidergang, von welchem die Berg, wiewol nit weit, sich weg lencken) ligen die Castell Mandellum, Varena, Bolanum &c. Am ufer des Sees gegen Mittag ligt die beržmbte Statt Comum, welche die Galli Orobij, oder nach etlicher meinung, die Cenomanni sollen gebauet haben. Der keyser Julius hat ein Coloniam romanam, etliche Leut aus Rom dahin gefžrt, daselbst zuwonen, unter welchen, wie Strabo anzeigt, in die 500 beržmbter Grecken gewesen sein, daher sie dann nachmals new Comum ist genennet worden, Ligt an einem sehr sch™nen und lustigen ort, also, das es scheinet, als wer sie nur zu eytel wollust erdacht worden, Dann fornen hat sie den lustigen See, hindenein sch™n gebaut Feld, so allerley Fržcht reichlich tregt, Und darzu einen lieblichen und gesunden lufft. Dises setzt Dominus Niger in seiner Geographej. Besihe aber auch Leandrum in seinem Italia. Sonderlich aber Pauli Iovj Bžchlein von Comersee, aus welchem wir dise Tabul gezogen haben, in welchem Bžchlein diser See und Statt, nach der er jetzund genennet wird, so fleissig beschriben ist, das dich duncken wird, nit das du es lesest, sonder sehest.

 

 

 

FORUM IVLII, oder Friaul.

Wo der Namen Forum Iulium Friaul herkomme, stimmen die Scribenten (wie Leander sagt) nit mit einander uberein, Etliche sagen, es hab den namen von dem Kaiser Iulio, Blondus lest sich ansehen, als nenne er es nach der Statt Foroiulio. Man findet auch in gelehrter Leut Bžchern, das mans nach seiner Haupstatt, das Aquileische oder Aglarische Land geheissen hab. Letzlich ist auch wissentlich, das man es der Venediger Patriam oder Vatterland genennet hat, welchen namen es dannoch heutiges tags behelt. Es ligt aber dises Land also, das es sich anfehet an der ebne am Meer gelegen, von dannen steigt es gemachsam ubersich, und gewinnet Hžgel, bisz es entlich in grosz Gebirg sich erh™het, welchs dann als die Grenitzen das Land allenthalben einschleust, also, das dise ebne mit den spitzen der Berg, als einer mawren verwaret, wie ein Theatrum oder Spilhaus anzusehen ist. An einer eintzigen und engen Clausen ist es offen, durch welche man von Tervis uber den Flusz Sontium, wie durch ein Thor eingehet. An den andern Grenitzen, ligen allenthalben die Alpen, darumb man nirgend dann von dem Meer durch die Thal, oder aber uber das hoge Gebirg hinein kommen kan. Zu eusserst an Meer hat es vil Port oder Anfurt. Dises Edle Land hat ein grosz, breit, wolgefeucht und fruchtbar Feld, der Weinst™ck so k™stlichen Wein bringen, ein grosse menig, welchen Wein, Plinius in seinem urteil von den Weinen, vor allen andern rhžmet, und nennet jn Pucinum, nach dem ort. Dises haben wir ausz Leandro, bey welchem du mehr magst lesen. Besihe auch Blondum, und Iohannis Candidi Aquileische Histori.

 

 

Die Landschafft umb die Statt Rom.

Weil es dich dises ortes nit leiden will, die Statt Rom, so vor zeitten ein herrscherin uber die gantz Welt gewesen, sampr jrem Territorio, nach wirden zubeschreiben, und auch fžr besser geacht wird, von derselben gar still zusweichen, dann weinig sagen,halten wir es hie genug sein, wann wir die Autores, so dieselben in jren Schrifften geržmet, erzelen, und sein unter denselben, so etwas Eiter, Q. Fabius pictor. Sex. Ruffus, und Pub. Victor. Aus den newen, beschreibt sie auch Blondus in seinem Italia. Item Fabius Calvus von Ravenna, Barth. Marlianus, Georg. Fabricius, Lucius Faunus, Andreas Palladius, Pirrhus Ligorius, Lucius Maurus, Iacobus Mazocchius, hat derselben alte Epigrammata colligirt, und beschriben, und Ulysses Aldroandus jre Statuas oder Bilder. Hubertus Goltzius hat mitt grosser Kunst, vleisz und umbcosten diser Statt Fastos, oder wie wird nennen, Calender auff Eherene Tafeln, in form eines Buchs gebracht.

35. De Comer See.

De Comer See Lacus Larius of Lago di Como heeft de naam van de stad en strekt zich van het Noorden tegen het Zuiden in 60 000 passen. Ettelijke zeggen het is Larius genoemd van het Griekse woordje laros zo een vogel heet die men in Latijn Fulica of meerkoet noemt omdat er daar veel van zijn. Item, ook een vis zoals Plinius zegt. Er lopen daarin veel maar geen kleine beekjes van het omliggende gebergte en zo in het bovenste lustige woud van kastanjebomen en aan de zijden wijn en olijfbomen en in het onderste woud hebben waarin men veel wild jaagt. Aan de plaatsen van de zee liggen ettelijke kastelen waaronder Lechum (Lecco)  is tegen het Zuiden waar een brug is over de stroom Ada die van de ene over naar de andere rijkt. Verder aan de over tegen het Westen aan de berg (dan het meer heeft overal bergen rondom, uitgezonderd de oever tegen het Westen waarvan de bergen, hoewel niet ver, weg gaan) liggen de kastelen Mandella, Varena, Bolanum etc. Aan de oever van het meer tegen het Zuiden ligt de beroemde stad Como die de Galli Orobij of naar ettelijke menen de Cenomanes gebouwd zouden hebben. Keizer Julius heeft er een Romeinse kolonie en ettelijke lieden uit Rome daarheen gevoerd om daar te wonen waaronder, zoals Strabo aantoont, er 500 beroemde Grieken bij geweest waren waarna ze daarna Novum Comum genoemd is geworden. Het ligt aan een zeer mooi en lustig oord alzo dat het schijnt alsof het alleen voor wellust gemaakt is. Dan van voren heeft het de lustige meer en achter gebauwd veld wat allerlei vruchten rijkelijk draagt en daartoe een lieflijke en gezonde lucht. Dit zet Dominicus Niger in zijn geografie. Bezie ook Leandrus in zijn Italia. Maar vooral echter Paulus Jovius boekje van Comersee waaruit de deze map getrokken hebben in welk boekje de meren en steden waarna het genoemd is vlijtig beschreven wordt zodat je gaat denken dat je het niet leest maar ziet.

 

 

 

Forum Iulii of Friaul.

Waarvan de naam Forum Iulium of Friaul van komt stemmen de scribenten (zoals Leander zegt) niet met elkaar overeen. Ettelijke zeggen het heeft de naam van keizer Julius, Blondius laat zich aanzien alsof hij het naar de stad Forum Iulii noemt. Men vindt ook in geleerde boeken dat men naar zijn hoofdstad het Aquileische of Aglarische land genoemd heeft. Als laatste is nog te weten dat men het Veneetse Patria of vaderland genoemd heeft welke naam het nog in de huidige tijd heeft. Dit land ligt echter zo dat het zich aanvangt aan de vlakte bij de zee gelegen en vandaar stijgt het geleidelijk aan omhoog en krijgt heuvels tot het zich eindelijk in grote bergen verhoogt welke dan als de grenzen van het land het overal insluit alzo dat deze vlakte met de spitsen van de bergen als een muur bewaard is zoals een theater of speelhuis aan te zien. Aan een enkele en enge doorgang is het open waardoor men van Tarvisio over de stroom Gail als door een deur gaat. Aan de andere grenzen liggen overal de Alpen, daarom kan men nergens van het meer door het dal komen of over die hoge bergen komen. Aan het uiterste van het meer heeft het veel havens of aanvoert. Dit land heeft een groot en breed, goed bevochtigd en vruchtbaar veld waar de druiven zulke kostelijke wijn brengen in grote menigte welke wijn Plinius in zijn oordeel van de wijnen voor alle anderen roemt en noemt het Pucinum naar het oord. Dit hebben we uit Leandrus waarbij u meer mag lezen. Bezie ook Blondius en Johannes Candidus Aquileia historie.

 

 

Het landschap om de stad Rome.

Omdat dit oord het niet lijden wil de stad Rome zo vroeger een heerseres over de ganse wereld geweest is met haar territorium naar waarde te beschrijven en ook voor beter geacht wordt van die geheel niets te zeggen dan weinig te zeggen houden we het ervoor dat het hier genoeg is wanneer van de auteurs zo die het in hun schriften roemen te verhalen en zijn onder die zo wat ouder Q. Fabius Pictor. Sextus Ruffus en Pub. Victor. Uit de nieuwen beschrijft ook Blondus het in zijn Itali‘. Item, Fabius Calvus van Ravenna. Bartholemaeus Marlianus. Georgius Fabritius, Lucius Faunus, Andreas Palladius, Pyrrhus Ligorius, Lucius Maurus, Jacobus Mazocchius heeft die oude epigrammatisch verzameld en beschreven en Ulysses Aldroandus hun statuten of beelden. Hubertus Goltzius heeft met grote kunst, vlijt en kosten deze stad Fasti of zoals wij het noemen kalenders op eren tafels in vorm van een boek gebracht.

 

 

36. Tuscania.

Die Grenitzen desz Landes Tuscania, so vor zeiten Hetruria geheissen, sein gegen dem Auffgang die Tiber, gegen Nidergang, der Flusz Magra, vom Mittag, das nider oder untere Meer, von Mitternacht der Berg Apenninus. Ist ein sehr Edel, sch™n und k™stlich Land. Die Inwohner haben zu allen dingen, im Fride und Kriegsleufften dienlich, Item nit weniger zu den studijs und guten Kžnsten, als zu andern gewerben sehr fertige Ingenia und naturen. By den alten Autoribus und Scribenten findet man, das dises Volck allezeyt zu Ceremonien und Gottesdienst lust gehabt hab. Zu eussert am Tyrrhenischen Meer ist es diser zeit vol Wald, gleich wie auch zu desz Eutropij zeit, wie er selbst in desz Aureliani leben meldet, sonderlich aber jenseit des Flusz Arni, bisz uber Plumbium. Der jnnere theil des Landes ist fast den meisten theil bergicht, Hat dise St‰tt, so vor andern berhžmet, Nemblich, Florentz, Sena, Luca, Perusia, Pisa, Viterb, &c. Florentz ligt zu beiden seiten am Flusz Arno, hanget mit vier Brucken aneinder, ist herrlich und sch™n gebawet, daher mans dann auch gemeinigklich Florentiam bellam, das sch™ne Florentz nennet, als die fŸr die Blum des gantzen Italiae geachtet wird, Dann sie mit sehr k™stlichen Geb‰wen, bede so zum Gottesdienst geh™ren, und dann auch die Burger brauchen, gezieret ist. Sonderlich aber ist sich zuverwundern uber der Kirch D. Maria floridae, so gantz mit Merbel incrustirt und uberzogen ist, und ein Gewelb hat mit wundersamer arbeit gemacht, Dabey stehet ein vortrefflicher Thurn mit Glocken, auch gantz merbelstaine, und hernach ein wenig von dannen, die uralte Kirche Martis, in runder form sehr kžnstlich gebawet, so jetzund dem heiligen Johanni Baptistae geheiliget oder geweihet ist, Sie hat Thor ausz Ertze gegossen, und so kžnstreich gemacht, sonderlich die, gegen der Mariae floridae uber, das alle (so etwas verstendig) dafžr halten, man finde dergleichen in gantz Europa nicht. Es will sich aber dises orts nicht leiden, das wir alle und jede Gebew diser Statt so zum Gottesdienst, und andern gemeinen H‰ndeln geh™rig, erzelen solten. Wer mehr zu wissen begert, der besehe Leandrum. Sene oder Senis, ligt auff einem Hžgel, ist rings mit hohen gehen und rauhen Felsen umbgeben, hat ein grosse und Edle Burgerschafft, und sch™n Gebew, unter welchen auch die gr™ste Kirche der heiligen Jungkfrawen und Mutter Mariae, ist, so unter die herrlichen und k™stlichen Kirchen, die in gantz Europa sein, kan gezelet werden, bede was den k™stlichen Merbel, ausz dem sie gantz auffgebawet, und dann auch die grosse kunste und arbeit des Wercks selbs belanget. Auch hat sie uber das mehr herrliche und grosse Kirchen, welche Bapst Pius II aus Quader und Werckstucken hat bawen lassen, und andere beržmbte Gebew mehr. Will nichts sagen, von dem grossen und sch™nen Marckt, sampt dem vortrefflichen springenden Brunnen, darauff so stettigs sch™nes und lauttern Wassers einen uberflusz hat. Perusia auff einem Hžgel des Bergs Apennini gelegen, hat den meisten theil ein fruchtbar Lande, und lustige Berglein, so gemachsam auffsteigen und in die h™he wachsen, bringet Edlen Wein, Oel, Feigen, Obs, und andere der besten Fržcht, Unter der Statt, gegen Assisio und Tuder oder Tiora, bey der Tiber breitet sich das feld ausz in ein feine lustige eben, so Waitz und anders Getraids in uberflusz bringt, Ist des orts, natur und gelegenheit halben ein sehr veste Statt, geziert mit sehr herrlichen Geb‰wen, den gemeinem Burgern, und dann auch dem Gottesdienst geh™rig, Hat ein grosz Volck, an kžnheit und verstand fžrtrefflich, so nit allein zu guten Kžnsten, sondern auch zu Krieg und Waffen fertig und geschickt ist. Pisa ist vol alters her ein reiche gewaltige Stat gewesen, nit allein ehe das R™mische Regiment mechtig worden, sondern auch da dasselb gecrunet und in der blže gewesen, ist auch hernach vil Jar gebliben, Solches zeigen an vil gewaltiger Sieg, so sie zu Wasser erlangt, durch welche sie die Insul Sardiniam unterthenig gemacht hat.Pancrmum die Statt in Sycilia hat sie den Saracenern abgedrungen, und von derselben Raub die grosse Kirchen oder den Thum, und die herrliche Bischofliche Residentz angefangen zubawen. Hat eine hoge Schul von allerley guten Kžnsten, welche Anno Christi 1309 ist fundirt und auffgericht worden. Viterbum ligt an einem lustigen und weitraumigen ort dringen jr die spitzen des Berges Cymini auff den rucken, ist mit vilen und nit geringen Kunststžcken und Gebewen gezieret, Unter welchen auch der sch™ne herrliche und so wasserreiche Brunne ist, das alle so jhn sehen, sich darob verwundern. Luca ligt auff der ebne, nit fern von den Bergen, ist herrlich gebawet, hat ein vermžglich, fžrsichtig und sinnreich Volck, das seine freiheit mit grosser Weiszheit ungeswecht erhalten hat, ob es wol von den benachbaurten offt mit Krieg angefochten ist worden. Was mehr zu wissen, das suche beim Leandro. Es haben auch dises Land Mirsilus Lesbius, und M. Cato in den Originibus &c, in dem Buch von den ankunfften beschriben. Item jr Commentator oder Auszleger, Annius Viterbiensis, so auch ein besonder Buch von den Antiquiteten Hetruriae hat lassen auszgehen. Item auch Guilielmus Postellus, Volateranus, &c, Iohannes Campanus hat den See Thrasimenum (lago di Perugia) sehr fein beschriben.

36. Toscane.

De grenzen van het land Toscane dat vroeger Etruri‘ heette zijn tegen het Oosten de Tiber, tegen het Westen de stroom Arno en in het Zuiden het lagere of onderste zee en in het Noorden de Apennijnen. Het is een zeer edel, mooi en kostelijk land. De inwoners hebben alle dingen die in vrede en oorlog dienstig zijn. Item, niet minder voor studies en goede kunsten als tot andere dingen zeer vaardige ingenieus en naturen. Bij de oude auteurs en scribenten vindt men dat dit volk altijd tot ceremonies en godsdienst lust heeft gehad. Aan het uiterste van de Tyrrheense zee is het deze tijd vol wouden net zoals het in de tijd van Eutropius tijd zoals hij zelf in het leven van Aurelianus vermeldt en vooral aan die kant van de stroom Arno tot over Piuobino. Het binnenste deel van het land is zeker het meeste deel bergachtig. Heeft deze steden die zo voor anderen beroemd waren, namelijk: Florence, Siena, Lucca, Perugia, Pisa, Viterbo etc. Florence ligt aan beide kanten aan de stroom Arno en hangt met vier bruggen aan elkaar, is heerlijk en mooi gebouwd vandaar dat men het gewoonlijk Fiorenza la bella, dat mooie Florence noemt en als de bloem van gans Itali‘ geacht wordt. Want ze is met zeer kostelijke gebouwen, beide tot godsdienst en die ook de burgers gebruiken versierd is. Maar vooral is te verwonderen over de kerk D. Maria Florida die geheel met marmer ge•ncrusteerd en overtrokken is en een gewelf heeft wonderlijke arbeid gemaakt. Daarbij staat een voortreffelijke toren met klokken, ook geheel uit marmerstenen. Hierna en een weinig verder de oeroude kerk Mars die in ronde vorm zo kunstig gebouwd is en nu aan de heilige Johannes de Doper gewijd is. Ze heeft een deur uit erts gegoten en zo kunstig gemaakt en vooral die tegenover Maria Florida dat alles ( zo wat verstandig) het daarvoor houden dat men dergelijke in gans Europa niet vindt. Dit oord wil het niet lijden dat we alle en elk gebouw van deze stad zo tot godsdienst en andere gewone handelen behorend verhalen zullen. Wie meer te weten begeert die beziet Leander. Siene of Senis ligt op een heuvel en is ringsom met omhoog gaande en ruwe rotsen omgeven en heeft een grote en edele burgerschap en mooie gebouwen waaronder ook de grootse kerk van de heilige Jonkvrouw en moeder Maria is die zo onder de heerlijke en kostbare kerken die er in gans Europa zijn geteld kan worden, beide wat kostbare marmer waaruit ze geheel opgebouwd is en dan nog de grote kunst en arbeid van het werk zelf aangaat. Ook heeft ze boven de meer heerlijke en grote kerken, die paus Pius II uit rechthoekige en werkstukken heeft laten bouwen en andere beroemde gebouwen meer. Wil niets zeggen van de grote en mooie markt met de voortreffelijke springende bronnen waaruit zo steeds mooi en helder water een overvloed heeft. Perugia is op een heuvel van de Apennijnen gelegen en heeft voor het meeste deel een vruchtbaar land en lustige bergjes die zo geleidelijk aan opstijgen en in de hoogte groeien en brengt edele wijn, olie, vijgen, ooft, en andere van de beste vruchten. Onder de stad tegen Assisi en Tuder of Tiora bij de Tiber breidt zich het veld uit in een fijne lustige vlakte zo tarwe en ander graan in overvloed brengt. Het is een oord vanwege de natuur en gelegenheid een zeer vaste stad met zeer heerlijke gebouwen die dienen voor godsdienst en de gewone burgers. Heeft een groot volk dat aan koenheid en verstand voortreffelijk is en niet alleen tot goede kunsten maar ook tot oorlog en wapens vaardig en geschikt is. Pisa is vanouds een rijke geweldige stad geweest en niet alleen het Romeinse regiment machtig geworden maar ook daar gekroond en in bloei geweest en is het ook daarna vele jaren gebleven. Zulks toont aan vele geweldige overwinnen zo via het water waardoor het eiland Sardini‘ onderdanig gemaakt werd. Palermo de stad in Sicili‘ heeft ze de Saracenen afgedrongen en van die roof is de grote kerk of toren en de heerlijke bisschoppelijke residentie aangevangen te bouwen. Er is een hogeschool van allerlei goede kunsten die anno Christi 1309 is gesticht en opgericht. Viterbo ligt aan een lustig en ruime oord en dringt de spits van de berg Viterbo in de rug. Het is met vele en niet geringe kunststukken en gebouwen versierd. Waaronder ook de mooie en heerlijke waterrijke bron is die allen die het zo zien zich daarover verwonderen. Lucca ligt op een vlakte niet ver van de bergen en is heerlijk gebouwd, heeft een vermogende, voorzichtige en geestrijk volk dat zijn vrijheid met grote wijsheid in stilte behouden heeft ofschoon het van de buren vaak met oorlog aangevochten is geworden. Wat meer te weten zoek dat bij Leander. Dit land hebben ook Myrsilus Lesbius en M. Cato in de Origines etc., in het boek van de aankomst beschreven. Item, hun commentator of uitlegger Annius Viterbiensis die ook een apart boek van de antiquiteiten van Etruri‘ heeft laten uitgaan. Item, ook Guilielmus Postellus, Volaterranus etc., Johannes Campanus heeft het meer Trasumeno (Lago di Perugia) zeer fijn beschreven.

 

 

37. Das K™nigreich Neapolis.

Dises gantze K™nigreich ligt zwischen dem Adriatischen und Tyrrhenische Meer, von dem Flusz Tronte und dem St‰ttlein Fondi, bisz an das Meer bey Messana, und begreifft die neun reichesten und lustigsten Landschafften Italiae, Nemlich ein stuck von Ladio, das seelige Campaniam (Terra laboris genannt) Lucaniam, Calabriam, Magnam Greciam, (das ober Calabria) die Salentiner, die Apulos Peucetios, Apulos Daunos, und die Aprutier. Neapolis, von der das K™nigreich den Namen hat, ist ein sehr k™stliche Statt, am gestatten des Meers, unten an lustigen Hœgeln gelegen, Hat ein linden und sanfften lufft, und ein sch™ne lustige gegend, Daher dann diser zeit nit weniger Fžrsten und hohe vom Adel, als vor iaren in Neapolis pflegen zusamen zukommen, Dann schier alle Fžrsten dises K™nigreichs, den meisten teil des jares in diser Statt zubringen, haben auch fast alle daselbst jr stattliche Pall‰st, daher sie dann von Fžrsten, Hertzogen, Marggraven, Graven, Rittern, Doctorn, Freyherrn und anderer Adelspersonen so bewohnet ist, das ich achte, es k™nne des Adels halben, so darinnen wohnet, wenig St‰tt des gantzen Erdkreisses, mit diser verglichen werden. Die Statt hat ein weiten und grossen raumb jnnen, und ist zwischen dem Meer und Lustigen Hžgeln gantz herrlich erbawet, und mit starcken Ringkmauren, sonderlich aus bevelch Kaiser Caroli des fŸnfften, umbgeben und bevestiget. Hat herrliche und wolgebutzte Kirchen, und sonst Heuser, auch Schl™sser so schier ungewinnlich. Vor andern aber, sein des Hertzogen zu Gravin und Fžrsten zu Sallerno Pallast und H™fe gewaltig und grosz. Die Gassen der Statt sein sch™n und gerad, hat vier Rhatheuser, welche sie Sedes oder sitz nennen, Nemlich: Capuanam, Nidensem, Montanam, und des heiligen Grogorij, dahin sich die Fžrsten, Hertzogen, Marggraven, und alle andere Stende versamlen, wann sie des gemeinen Nutzes halben was berhatschlagen. Die vestesten Schl™sser sind dise: Castellum novum, das new Castell, so Alphonsus der erste gebauet, und mit sehr starcken Pollwerck verwaret hat, also das es billich unter die vestesten Propugnacula oder streitwehren des gantzen Europae kan gezelet worden, Darnach das Castellum Capuanum, welches man jetzund in den Concilien und andern in des Reichs und der Stette hendeln braucht. Item, das Castellum Ovi, von den Alten Meagrum genennt, so ein wenig ausserhalb der Statt mitten im Meer ligt.Uber dise ist auch da das Castellum Santemerenso (Sant Ermo) auff einem Fels gegen der Statt gelegen, welches in vorhenden Jaren Kaiser Carl der fžnfft wunder fest gemacht hat. Ausserhalb der Mauren, sihet man gegen Mittag grosse molem oder Schžtt im Meer, welche ein sonder kžnstlich werck, und zu nutzbarkeit und schutz des Ports gebaut ist, welcher alle zeit der Schiff, so von allen orten der Welt hinkommen, vol ist. Auch hat es zu Neapolis ein hohe Schul, von allerley guten Kžnsten, welcher die Studiosen aus dem gantzen reich mit grosser anzal zulauffen. Ausser diser herrlichen und gewaltigen Statt, ist das Land sehr lustig und lieblich, und hat an allem, so Viehe und Menschen bed™rffen, nit allein ein notturfft, sonder auch zu lust und wolleben, einen grossen uberflusz. Sonderlich aber wechst darinn sehr vil allerley Getrayds, und des besten Wein, also, das es keiner, so es selbst nit gesehen, wol glauben kan, das ein eintzig stuck oder Tagwerck Feldes sovil Getrayd und Wein bringen solt. Es sind auch in derselben gegent, fruchtbare Hžgel, aller Erdenfržcht vol, unter welchen etlich umb die feinen ebennen, auff denen man auch Wild sehet, gleich wie umb Theatra oder schawpletz herumb ligen. Es hat auch ferner umb Neapolis sehr lustige und wolgebaute G‰rten, mit allerley, zur Artzney dienstlich, und sonsten andern andern Edlen Kreutern und Baumen gezieret, in denen die B‰chlein, so hin und wider lauffen, ein sehr lieblich gereusch haben. Auch mangelt es da nit an lieblichen geruch, welchen die Myrten, Lorberbeum, Gelsamini, Rosmarin, Rosen, deren alles da reichlich wechst, von sich geben. Kžrtzlich dunckt mich, das dise ort mit jrer lieblichet und zier, kaum bey der masz Menschlicher ding bleiben, Also, das keiner wundern darff, das vorzeiten und noch, die fžrnembsten Leut da haben pflegen zuwonen. Dises haben wir aus Leandro genommen, bey dem du mehr findest, welcher auch dise Statt und Land, sampt den gantzen reich so volk™mlich beschriben hat das ich den leser zu keinem andern Autore weisen mag. Antonius Galateus hat auch sein Iapigiam, so ein halbe Insul, und heuttiges tags Pulia heits, sehr kžnstlich beschriben.

37. Het koninkrijk Napels.

Dit ganse koninkrijk ligt tussen de Adriatische en Tyrreense zee, van de stroom Tronto en het stadje Fondi tot aan de zee bij Messina en begrijpt de negen rijkste en lustigste landschappen van Itali‘. Namelijk een stuk van Latium, het zalige Campani‘ (Terra laboris genoemd) Lucania, Calabri‘, Magnam Greciam (het bovenste Calabri‘) de Salento, de Apulia Peucetios, Apulia Daunia en de Aprutium (Praetutii). Napels die van het koninkrijk zijn naam heeft is een zeer kostelijke stad en gelegen aan de zee onder aan lustige heuvels gelegen. Heeft een milde en zachte lucht en een mooie lustige omgeving. Vandaar dat er in deze tijd niet weinig vorsten en hoge van adel, net zoals vroegere jaren in Napels tezamen plegen te komen. Dan vrijwel alle vorsten van dit koninkrijk brengen het meeste deel van het jaar in deze stad door en hebben ook zeker daar alle hun statige paleizen waarom dat het van vorsten, hertogen, makgraven, graven, ridders, dokters, vrijheren en andere adellijke personen zo bewoond is dat ik acht er kan vanwege de adel weinig steden van de ganse aardbol met deze vergeleken worden. De stad bevat een wijde en grote ruimte en is tussen de zee en lustige heuvels gans heerlijk gebouwd en met sterke ringmuren vooral op bevel van Karel de IV omgeven en bevestigd. Heeft heerlijke en goed gebouwde kerken en soms huizen, ook kastelen zo vrijwel onoverwinnelijk. Voor anderen echter zijn de hertogen, graven en vorsten te Salerno paleis en hof geweldig en groot. De openingen van deze stad zijn mooi en opgaand, heeft vier raadhuizen welke ze Sedes of zetels noemen, namelijk: Capuana, Nida, Montana en de St. Georgius waarin zich de vorsten, hertogen, markgraven en alle andere standen verzamelen wanneer ze vanwege het algemene nut wat beraadslagen. De sterkste kastelen zijn deze: Castello Novo of het nieuwe kasteel zo Alphonsus de eerste heeft gebouwd en met zeer sterk stukwerk bewaard heeft alzo dat het billijk onder de sterkste Propugnacula of weerbaarste van gans Europa kan geteld worden. Daarna het Castello Capuano die men nu in de concilies en andere in het rijk en de stad te handelen gebruikt. Item, het Castellum Ovi die van de ouden Meagrum is genoemd die wat buiten de stad midden en de zee ligt. Hierboven is ook het Castellum Santemerense (Sint Ermo) op een rots tegen de stad gelegen die in vorige jaren keizer Karel de V wonderlijk vast heeft gemaakt. Buiten de muren ziet men tegen het Zuiden grote blokhuis of beschutting in de zee dat een bijzonder kunstwerk is en voor gebruik en beschutting van de haven gebouwd is die altijd vol is van de schepen zo die van alle oorden ter wereld komen. Ook is er te Napels een hogeschool van allerlei goede kunsten waar de studenten uit het ganse rijk met grote aantallen toelopen. Buiten deze heerlijke en geweldige stad is het land zeer lustig en lieflijk en heeft aan alles wat vee en mensen nodig hebben en niet alleen levensonderhoud maar ook tot lust en het goede leven een grote overvloed. Vooral echter groeit daarin allerlei soorten graan en de beste wijn alzo dat er geen zo die het zelf niet gezien heeft wel geloven kan dat er een enkel stuk of dagwerk veld zoveel graan en wijn kan brengen. Er zijn ook in dezelfde omgeving vruchtbare heuvels die alle vol aardenvruchten zijn waaronder ettelijke om die fijne vlakte waarop men wild ziet gelijk als om een theater of schouwburg liggen. Verder heeft Napels zeer lustige en goed gebouwde tuinen met allerlei wat tot artsenij nodig is en verder andere edele kruiden en bomen versierd waarin de beekjes zo heen en weer lopen een zeer lieflijk gedruis hebben. Ook ontbreekt het daar niet aan lieflijke reuk die de mirt, laurier, jasmijn, rozemarijn en rozen die daar rijkelijk groeien van zich geven. In het kort denk ik dat dit oord met lieflijkheid en sier nauwelijks bij de maat van de menselijke dingen blijft, alzo dat het geen wonder nodig is dat vroeger en nog de voornaamste leiden daar wilden wonen. Dit hebben we uit Leander genomen waarbij u meer vindt die ook deze stad en land met het ganse rijk zo volkomen beschreven heeft dat ik de lezer geen andere auteur hoef aan te wijzen. Antonius Galataeus heeft ook zijn Iapygia zo een schiereiland en nu Apuli‘ heet zeer kunstig beschreven.

 

 

38. Sicilia.

Keiner ist unter den alten Historicis oder Geographis, der diser Insul nit gedacht, und dieselbe fleissig beschriben hette, Sonderlich aber Strabo, Plinius, Solinus und andere. Aus den newen Scribenten aber beschreibt sie einer also: Sicilia ist vor allen andern Insulen beržmbt, nit allein von wegen jrer fruchtbarkeit, derohalben sie von den Alten der Cereri und Bacho geheiligt, und fžr der Statt Rom Getrayboden ist geacht worden, sondern auch von wegen jrer vil und alten St‰tt, guten gelegenheit der Flusz, und dann der herrlichen Thaten und Victorien, deren man noch gedenkt, so sich in werender uneigkeit zwischen den R™mern und Carthaginesern zugetragen haben. Zu Plinij zeiten sind 72 St‰tt darinn gewesen, heuttigs tages sollens zw™lf Bisthumb sein, welcher Gepiett sich weit strecket. Die Hertzogen in Schwaben haben sie vil Jar innen gehabt, ist auch von den Engelendern, und denen in Lothring uberfallen worden, am allermeisten zu der zeit, da ein zug in Syriam wider die Saracener fžrgenommen wurde, Entlich aber in der K™nig Arragoniae und Hispaniae hend kommen, denen sie dann noch unterthenig. Ist auch, sovil mir bewust, kein Insul in der gantzen Welt, welche zugleich die Latinischen und Greckischen Scribenten zum theil jrer vortrefflichen gžte, zum theil auch der grossen Thatten halben, so daselbst geschehen, also beržmbt und bekant gemacht haben. Wer mehr zuwissen begert, der lese Benedictum Bordonium, so alle Insulen der Welt in ein Buch verfasst und beschriben hat, Leandrum Albertum, Dominicum Nigrum, Marium Aretium, welcher sie sehr kžnstlich, und letzlich Thomam Faselium aus Sicilua, der sie auff das genauest und volkomenest beschriben, bey dem du auch die Histori des Bergs Acthnae hast, von welchem Petrus Bembus ein sonder Bžchlein hat lassen auszgehen.

 

Sardinia.

Dise Insul findestu sehr fein beschriben durch Sigismundum Arquer, von Calaris aus Sicilien, findest sie auch neben den alten Scribenten, beim Leandro Alberto, und Benedicto Bordonio. Ist, nach dem der R™mer macht gefallen, eine zeitlang unter den Saracenern gewesen, aber durch die Pisaner wider erobert. Jetzund aber ist sie sammt dem K™nigreich Sicilien, den Hispaniern unterworffen.

 

Malta vor zeiten Melita.

Dise Insul hat Quirinus Heduus sehr artig beschriben, und von derselben ein besonder Bžchlein ausgehen lassen. Der heilige Paulus hat sie mit seiner zulendung und schiffbrug bekant gemacht, Ist aber in Kurtz verschinen Jarn, da sie die Ritter Hierosolymitaner Ordens sehr mannlich und mit ewegen ehren verfochten und beschžtzet, auch die gewaltige Schifffart der Tžrcken in die flucht geschlagen haben, vil beržmpter und bekanter worden.

 

Elba vor zeiten Ilva.

Diser zeit ist dise Insul den Hertzogen in Tuscania unterworffen, und mit einem newen Propugnaculo oder Vestung wider der TŸrken einfall verwaket. Von den newen Rittern Stephaniter Ordens, so in der Insul (wie die Hierosolymitaner in Malta) sein, und durch Cosmum Medicem, anno 1563, instituirt und gestifft worden, Besihe Coelium secundum, in der Malteser Krieg.

 

Corfu vor zeyten Corcyra.

Dise Insula ligt im Adriatischen Meer, und geh™rt den Venedigern. Hat dises Namen ein sehr starckes Schlos, so mit einer Besatzung wider den TŸrcken verwaret ist. One die alten Geographos beschreiben sie auch Benedictus Bordonius, und N. Nicolai, in seinen Orientalischen Observationibus.

 

Zerbi.

Ist durch die Niderlag, welche die Christliche Armada diser Insul erlitten, bekant worden. Anno 1560, Von jrer gelegenheit, gr™sse, und von wem sie regirt wird, lise bey Ioanne Leone aus Africa, in seinem vierdten Buch der Beschreibung des Landes Africae.

38. Sicili‘.

Er is er geen onder de oude historici of geografen die dit eiland niet vermeld en die vlijtig beschreven heeft en vooral echter Strabo, Plinius, Solinus en andere. Uit de nieuwe scribenten echter beschrijft een het alzo: Sicili‘ is voor andere eilanden beroemd en niet alleen vanwege haar vruchtbaarheid waarom ze van de ouden aan Ceres en Bacchus gewijd is en voor de stad Rome als graanschuur geacht is geworden maar ook vanwege haar vele en oude steden, goede gelegenheid van de stromen dan de heerlijke daden en victories die men nog gedenkt zo zich in werende onenigheid tussen de Romeinen en die van Carthago toegedragen hebben. In Plinius tijd waren daar 72 steden in en nu zouden er 12 bisdommen zijn wiens gebied zich wijdt strekt. De hertogen van Beieren hebben het vele jaren bezeten en is ook van de Engelsen en die van Lotharingen overvallen geworden, maar het meeste in de tijd toen een tocht in Syri‘ tegen de Saracenen voorgenomen werd. Eindelijk zijn echter de koningen van Aragon en Spanje daar gekomen waar ze nog onderdanig aan zijn. Er is ook, zoveel me bewust is, geen eiland in de ganse wereld die tegelijk de Latijnse en Griekse scribenten voor een deel hun voortreffelijke goedheid en voor een deel ook vanwege de grote daden zo daar gebeurden zo beroemd en bekend hebben gemaakt. Wie meer te weten begeert die leest Benedictus Bordonius die alle eilanden van de wereld in een boek gebracht en beschreven heeft. Leander Albertus, Dominicus Niger, Marius Aretius die het zeer kunstig  en tenslotte Thomas Fazellus uit Sicili‘ die het beste en volkomenste beschreven heeft waarbij u ook de historie van de berg Etna heeft waarvan Petrus Bembus een apart boekje heeft laten uitgaan.

 

Sardini‘.

Dit eiland vind u zeer fijn beschreven door Sigismundus Arquerus Calaritanus uit Sicili‘. Naast de oude scribenten vind u bij Albertus Leander en Benedictus Bordonius. Het is toen de Romeinse macht gevallen is een tijdlang onder de Saracenen geweest maar is door die van Pisa weer veroverd. Nu is het met het koninkrijk Sicili‘ aan de Spanjaarden onderworpen.

 

Malta en eerder Melita.

Dit eiland heeft Quintinus Heduus zeer aardig beschreven en daarvan een apart boekje laten uitgaan. De heilige Paulus heeft het met zijn landing en schipbreuk bekend gemaakt. Het is pas enkele jaren geleden dat de Jeruzalem ridderorde zeer mannelijk en met eeuwige eer het  bevochten en beschutten en ook de geweldige scheepsvloot van de Turken op de vlucht hebben geslagen is het veel beroemder en bekender geworden.

 

Elba en eerder Ilva.

In deze tijd is het aan de hertogen van Toscane onderworpen en met een nieuwe Propugnaculo of vesting tegen de Turkse inval bewaakt. Van de nieuwe Stephaniter ridderorde die zo in het eiland (zo die van Jeruzalem in Malta zijn) en door Cosmus Medice anno 1563 gevestigd en gesticht geworden. Bezie Caelius Secundus in de Maltezer oorlog.

 

Corfu en eerder Corcyra.

Dit eiland ligt in de Adriatische zee en behoort tot die van Veneti‘. Heeft deze naam van een zeer sterk kasteel die zo met zijn bezetting tegen de Turken beschermd is. Buiten de oude geografen beschrijft het ook Benedictus Bordonius en Nicolas Nicolai in zijn Ori‘ntaalse observaties.

 

Djerba.

Is door de nederlaag die de Christelijke Armada anno 1560 in dit eiland geleden bekend geworden. Van haar gelegenheid, grootte en door wie ze geregeerd wordt lees bij Joannes Leo Africanus in zijn vierde boek de beschrijving van het land Afrika.

 

 

39. Cypern.

Cypern ist eine unter den gr™ssern Insulen des mediterranei oder mitl‰ndischen Meers, und auff der einen seiten etwas lengek. Ir Haupt und K™niglich Statt ist Nicosia, auch ist Famagusta sehr berhžmpt, der gantzen Insul Handelstatt, und des Ports und Zoles halben sehr reich. Keiner Insul gibt sie was bevor, dann sie Weins einen uberflusz, auch Oels und Getraydes ein genžgen hat, Auch ist Metall und Ertz da gewesen, an dem Vitriel und Gržnspan zur Artzney dienlich gewachsen ist. Des Honigrores, aus dem man den Zucker seudet, wechset auch vil. Man macht auch da aus Gaishaarn ein Tuch, so man zu unser zeit Schamlot nennet. Undvil ander ding schickt dise Insul zu andern V™lckern, von denen sie nicht einen kleinen gewinn hat, Frembder und Ausl‰ndischer ding darff sie nichts sonders, Hat aber nit gar einen gesunden lufft. Die gantze Insul legt sich nur auff Wellust, und hat sonderlich gayle Weiber. Wie Bordonius zeuget, so begreifft die Insul in die runden 427000 schritt, und in die leng 200000. Die Venediger haben sie erblich jnnen, und regirn sie durch einen Vicere oder Statthalter. Aus den Alten haben sie Strabo, Mela und andere Geographi in jren Schrifften gerhžmet und bekannt gemacht. Aus den newen aber, Benedictus Bordonius, in seinem Opere von den Insulen. Vadianus, Bapst Pius II, und Dominicus Niger. Dises Cypern ist vor zeitten so fruchtbar gewesen, das man sie Macariam, die seelige genennet hat, und der Wollust so gar ergeben, das man sie derhalben der Veneri fŸr heylig und zugethan gehalten hat.

 

 

Candia vor zeiten Creta.

Creta, so jetzund Candia heist, ist etwas gr™sser dann Cypern, aber kleiner dann Sicilia und Sardinia, denen allein sie im Mittl‰ndischen Meer weicht, und den vorzug lest, aber doch an rhumb und fruchtbarkeit den andern allen gleich. Ist vor alters mit hundert St‰tten (deren zu Plinij zeyt, noch viertzig bekandt waren) berhžmbt gewesen. Diser zeit sind jr, wie Bellonius vermeldet, uber drey nicht, so etwas namhafft, Nemlich, Candia, der Venediger Colonia, von der die Insul den namen hat, Canea, und Rhetino. Der Circkel der Insul begreifft in 50000 schritt. Ist fast durch ausz Bergicht, derhalben denn die jnwoner sehr mit Jagen und Weydwerck umbgehen. Kein Schiffreich Wasser ist in der Insul, bringet auch kein sch‰dlich Thier. Sonderlich aber wechst in diser Insul, der k™stliche beržmbt und uber al bekandt Wein, welchen die jnwoner Malvasiam, Malvasier nennen, und fast in alle L‰nder der Welt verfŸrt wirt. Der Cupressenbaum, so zum Schiffgeb‰w dienlich, sind da ein grosse menig. Jetziger zeit, ist die den Venedigern unterworffen, Vor zeitten, ist die dem Abgott Iovi geheiliget gewesen, darumb, das man vor alters geglaubt, das er in diser Insul geborn end erneeret worden seye. Unter den Alten hat sie Strabo vleissig beschriben. Aus den newen Scribenten, Dominicus Niger, Vadianus, Benedictus Bordonius, Aber am besten zu unsern zeiten, Bellonius, als der selben alles vleissig erkundiget und besehen hat.

39. Cyprus.

Cyprus is er een van de grootste eilanden van de mediterranei of Middellandse Zee en aan de ene kant wat langachtig. Hun hoofd en koninklijke stad is Nicosia, ook is Famagusta zeer beroemd en de handelsstad van het ganse eiland en vanwege de haven en belasting zeer rijk. Geen eiland geeft ze wat voor want ze heeft wijn een overvloed en ook olie en graan voldoende. Ook is metaal en erts daar geweest, aan vitriool en groenspaat voor de artsenij dienstig  gegroeid heeft. Het suikerriet waaruit men suiker kookt groeit er ook veel. Men maakt daar uit geitenharen een doek zo men in deze tijd karmozijnen doek noemt. En veel andere dingen stuurt dit eiland naar andere volkeren waarvan ze niet weinig winst heeft. Vreemde en buitenlandse dingen behoeft ze niet bijzonder. Heeft echter niet zoÕ n gezonde lucht. Het ganse eiland legt zich op wellust en heeft bijzonder geile vrouwen. Zoals Bordonius betoont zo omvat het eiland in het ronde 427 000 schreden en in de lengte 200 000. Ze behoort tot Veneti‘ die het regeert door een vicaris of stadhouder. Uit de ouden hebben Strabo, Mela en andere geografen het in hun schriften geroemd en bekend gemaakt. Uit de nieuwen echter Benedictus Bordonius en zijn opera van de eilanden. Vadianus, paus Pius II en Dominicus Niger. Dit Cyprus is vroeger zo vruchtbaar geweest dat men het Macariam of de zalige genoemd heeft en  aan wellust zo vergeven dat men ze daarom aan Venus voor heilig en toegedaan gehouden heeft.

 

Candia eerder Kreta.

Kreta dat nu Candie heet is wat groter dan Cyprus maar kleiner dan Sicili‘ en Sardini‘ die ze alleen in de Middellandse Zee wijkt en voor laat gaan, maar aan roem en vruchtbaarheid de anderen gelijk. Had vroeger honderd beroemde steden. (in Plinius tijd waren er nog veertig bekend) In deze tijd zijn er, zoals Bellonius vermeldt, niet meer dan drie die wat bekend zijn, namelijk: Iraklion, de Veneetse kolonie waarvan het eiland de naam heeft, Chania en Rhetimnon. De omvang van het eiland bevat 50 000 schreden. Is geheel bergachtig waarom dat de inwoners zeer met jagen en weide werk omgaan. Er is geen scheeprijk water in het eiland en geeft ook geen schadelijke dieren. Vooral groeit in dit eiland de kostelijke en beroemde en overal bekende wijn die de inwoners Malvasiam of malvezij noemen en vast in alle landen van de wereld gevoerd wordt. De cipres die voor de scheepsbouw dienstig is groeit daar in grote menigte. In deze tijd is het aan Veneti‘ onderworpen. Vroeger was de afgod Jovis of Zeus er geheiligd en daarom omdat men vroeger geloofde dat hij in dit eiland geboren en gevoed is geworden. Onder de ouden heeft Strabo het vlijtig beschreven. Uit de nieuwen scribenten Dominicus Niger, Vadianus, Benedictus Bordonius. Maar het beste in onze tijd Bellonius die het zelf vlijtig verkondigd en gezien heeft.

 

 

40. Griechenlandt.

Dit Griechenland, welches vor Jaren, wie eine Mutter oder gepererin aller gutten Kžnst gewesen, ist es zu diser zeit dahin kommen (so gar verkerrt das glžck und zeit aller ding) das von einem so vollen und reichen Lande, welchs durch seine Tugens uber den gr™sten teil der Welt geherrscht, nichts uberblieben ist, so nit entweder dem Tžrckischen Joch, oder der Venediger dienstbarkeit unterworffen und zinsbar worden wer. Den gr™ssesten theil hat der Tžrck jnnen, Die Venediger haben in demselben nur etliche Insulen, Die unter den Venedigern, meinet man, habens etwas leidlicher, was die Religon belanget, dann je, so dem Tžrcken unterworffen. Und gleich wie die so unter dem Tžrcken sein, der Tžrcken mores und sitten haben, Also volgen die unter den Venedigern, derselben sitten und gebreuchen nach, Und leben doch alle durchaus, in so grosser unwissenheit und finsternus, das man in gantz Griechenland keine hohe Schul findet, Sie lassen auch jre Kinder in guten Kžnsten nit unterweisen. Reden alle ohne unterscheid, die alte, aber verderbte Sprach, doch etliche zierlicher, als die andern, kompt aber doch jre sprach besser mit der alten Griechischen, dann die Italianische mit der alten Lateinischen uberein. Die, so in den St‰tten der Venediger Herschafft zugethan, wohnen, reden Griechisch und Italianisch, welche, aber auff dem Lande wohnen, reden nur Griechisch, Die aber in den Tžrckischen St‰tten wohnen, reden Tžrckisch und Griechisch, die auff den D™rffern, k™nnen nur Griechisch reden. Sie haben auch jetziger zeit, gleich wie vor alters, mancherley gemeine Idiomata oder eigenschafften der Sprach, dann die Leut reden in einer Provintz besser, in der andern erger, geschicht derhalben bey jenen das, so in andern gegenden Europae sich zutregt. Nemblich, das einer den andern von ungeschickter oder seltzamen (wie jn gedunckt) Pronucation oder aussprach halben, verlacht und verspottet, Also, das die Kinder zu Constantinopel geporn, derer uber das Meer spotten, von wegen des accents oder ausrede, inder sie mit jenen nit uberein kommen, nit anderst, als wie ein Italianer, so Tuscanisch, ein Frantzos, so gut Frantz™sisch, und ein Spanier, so die Castellanische sprach redet, alle andere seines Landes weise zureden, verlachet und verspottet. Damit wir aller Inwohner sitten und leben in gemein beschreiben, hat mich fŸr nutzlich angesehen, eine unterschied zwischen denen von Adel, Burgern, und dann dem andern gemeinen geringes standes, und verm™gens leuten zu machen, Dann, die so etwas mehr einzukommen haben, w™llen auch desto h™her gehalten sein, kleyden sich jren Fžrsten, denen sie unterworffen sein, gleich, also das die unter den Venedigern, Venedische tracht haben, jene aber unter dem Tžrcken, sich Tžrckisch kleiden, das andere gemeine P™bel aber, unter was Herrschafft es geh™rt, so wol auff dem vesten lande, als in den Insulen, behellt noch biszher etwas von seiner antiquitet, und altem herkommen, Dann sie lassen jenen gemeinglich das Haar hinden am Haupt wachsen, und scheren es vorne von der stirn hinauff ab, und brauchen grosse swifache Bireth oder Hžt. Die in den Insulen halten in Religions žbungen oder Gottesdienst schir einerley gebrauch, und form der Ceremonien, Haben gemeinglich alle nach gewonheit der Tžrcken, nit vil Hauszraht, brauchen auch keine federbett, brauchen aber an stat derselben etliche P™lster, mit scher und anderer Wollen zugericht. Dem Wein mit Wasser gemžscht, sind sie allen feind, und behalten noch bisz auff disen tag, die gewonheit des zu trinckens, sonderlich aber die Cretenser. In dem aber ist zwischen jnen und den Teutschen ein unterschied, das die einander mit grossen Krausen n™tigen, die Griechen aber einander kleine tržnck bringen. Daher dann noch, wie vor alters Graecari, truncken sein heist. Weil sie aber im trincken gewisse gesetz und Ceremonien observiren, haben wir diselben auch nit w™llen auszlassen. Und erstlich brauchen sie sehr nidere Tisch, trincken umb einander, und obergehen die ordnung nit, also das es fŸr ein grosse unh™fligkeit gehalten wžrd, wann einer ausserhalb der ordnung, das ist, ehe die ordnung zu trincken an jn kem, wein forderte. Der so des einschenckens am fertigsten hat, hat das Trinckgeschir, und schenckt allein den andern allen ein. In solcher zech brauchen sie ein klein glasz, das keinen breyten boden oder fusz hat, also das mans ausz den henden nit setzen kan, und dasselb trincken sie gar ausz, das sie kein tr™pfflein wein darinnen lassen, biszweiln fordern sie auch einander nach Teutscher gewonheit auff zum trincken, und als dann umbfahen sie einander, und betastet einer des andern Hand, kžsset sie, und thut se zu der stirn, darnach kžssen sie auch einander die rechte und lincke wange, Aber als dann halten sie die orndnung in trincken nicht, Und weil derselbe Wein, in den sie also mit kleinen tržncken zechen, sehr starck ist, und sie hefftig davon erhitzen, haben allweg ein Kanden wasser bey der hand, dessen sie gleicher weisz grosse tržnck in sich schžtten, damit sie sich wider kžlen, dann sie sonsten den durst nit stillen k™nten, Die Weiber sind nicht bey jren zechen oder schlemmen.

Der alte Heidnische geprauch die Toden zubeweinen, wird noch heutigs tages durch gantz Graeciam, wie auch den benachbaurten L‰ndern gehalten, welchs dann ein sehr ongereimbt ding ist, Dann wann einer mit tod abgangen ist, kommen die Weiber an einem gewisen ort zusamen, heben von frŸe morgens ein geheul an, schlagen an die Brust, zekratzen mit den Negeln die Backen, und reissen das Haar aus, also, das es ein sehr erb‰rmlich spectackel ist zusehen, Und damit sie dise mysteria oder geheimnus desto basz vetrichten, bestellen sie ein Weib dazu, so sonderlich hell und lautstimmig ist, die singet den andern vor, damit die absetz (die sie pausen nennen) und der Thon dises Clag oder Todenlieds desto bas verstanden werde, Und in solchem trawren und clagen recitirn sie das Lob und Tugenden des verstorbenen, anzufahen von seiner gepurt, bisz auff den letzten geber. Dises haben wir aus dem ersten Buch der Observationum Petri Bellonij genommen, in welchem weitleufftiger davon gehandelt wird. Aus den alten haben dises Land Strabo und Mela, am vleissigsten aber unter allen Pausanias beschriben, Aus den newen Nicolaus Gerbelius, VVolfgangus Lazius, welcher auch einen Antonium Urantium, Bischoven zu Agrien anzeucht, als der dasselbe selbsten durchraiset, und dessen newe Beschreibung mit newen Worten oder Namen bald ans liecht geben werde. Zu disem mag man auch Hugonis Favolij Byzanzische raise, und N. Nicolai, observationes Orientalis, Andream Theuctum, Petrum Bellonium &c., Petrus Gyllius hat Bosphorum und die Statt Constantinopel gar vleissig beschriben.

40. Griekenland.

Griekenland wat jaren geleden als een moeder of draagster van alle goede kunsten geweest is, is deze tijd daarheen gekomen (zo gauw verandert het geluk en tijd alle dingen) dat van een zo vol en rijk land die vanwege zijn deugd over het grootste deel van de wereld heerste niets over gebleven is en of aan het Turkse juk of in de dienstbaarheid van Veneti‘ onderworpen is. Het grootste deel hebben de Turken en Veneti‘ heeft er wel ettelijke eilanden. Die onder Veneti‘ staan meent men het wat lichter  te hebben wat de religie aangaat dan die aan de Turken onderworpen zijn. En gelijk die onder de Turken zijn en de Turkse moraal en zeden hebben alzo volgen die onder die van Veneti‘ diens gebruiken en zeden. Ze leven toch alle in zo grote onkunde en duisternis dat men in gans Griekenland geen hogeschool vindt. Ze laten ook hun kinderen in goede kunsten niet onderwijzen. Ze spreken alle zonder onderscheid die oude maar bedorven taal hoewel ettelijke sierlijker dan de anderen, maar hun taal komt beter overeen met het oude Griekse dan de Italianen met het oude Latijn. Diegene die in de steden van de heerschappij van Veneti‘ zijn spreken Grieks en Italiaans en die op het land wonen spreken alleen Grieks. Die echter in de Turkse steden wonen spreken Turks en Grieks en die in de dorpen kunnen alleen Grieks spreken.  Ze hebben ook nu net zoals vroeger vele algemene idiomatisch of eigenschappen van de taal want de lieden spreken in de ene provincie beter en in de andere erger en gebeurt bij hen wat ook in andere delen van Europa gebeurt. Namelijk dat de ene de ander van ongeschikte of zeldzame (zoals ze denken) pronunciation of uitspraak uitlacht en bespot. Alzo dat de kinderen die in Constantinopel geboren zijn die over de zee bespotten vanwege het accent of uitspraak waarin ze met hen niet overeen komen en dat is niet anders als een Italiaans zo Toscaans of een Fransman zo goed Frans en een Spanjaard die de taal in Castili‘ spreekt en alle andere landswijze uitlacht en bespot. Zodat we de zeden en leven van alle inwoners in het algemeen beschrijven lijkt het me nuttig om enig onderscheid tussen die van adel, burgers en dan de anderen van de gewone geringe stand en vermogende lieden te maken. Dan diegene die wat meer inkomen hebben willen ook des te hoger gehouden worden en kleden zich als hun vorsten waaraan ze onderworpen zijn net zoals die onder Veneti‘ Veneetse dracht hebben en die onder de Turken zich Turks kleden. Het gewone gepeupel echter onder welke heerschappij het behoort en zo wel op het vaste land als de eilanden behoudt tot nog toe wat van zijn antiquiteit en oude herkomst. Want ze laten gewoonlijk het haar achter het hoofd groeien en scheren het van voren van het hoofd af en gebruiken een grote tweevoudige baret of hoed. Die in de eilanden behouden in religie oefeningen of godsdienst vrijwel een gebruik en vorm van ceremonies en hebben alle naar de gewoonte van de Turken niet veel huisraad en gebruiken geen bed van veren maar in plaats daarvan ettelijke vullingen met scheerwol en andere wol uitgerust. De wijn met water gemengd zijn ze allen vijandig en behouden nog tot op deze dag de gewoonte het te drinken en vooral die van Kreta. Daarin is tussen hen en de Duitser een onderscheid die elkaar met grote kroezen uitnodigen maar de Grieken brengen een kleine dronk en vandaar dan zoals de oude Grieken dronken zijn heet. Omdat ze echter in het drinken zekere wetten en ceremonies gebruiken hebben we die niet willen weglaten. Eerst gebruiken ze een laag bankje en drinken om elkaar en gaan die orde niet te boven alzo dat iemand het voor een grote onhoffelijk houdt als die buiten de orde, dat is eer de orde te drinken aan hem komt wijn drinkt. Die zo met het inschenken het beste is  heeft het drinkgerei en schenkt alle anderen in. Daarin gebruiken ze een klein glas dat geen brede bodem of voet heeft alzo dat men het niet uit de handen zetten kan en dat drinken ze geheel leeg zodat ze er geen druppeltje wijn er in laten ondertussen toepen ze ook naar Duitse gewoonte elkaar tot drinken en dan omvangen ze elkaar en betast de ene de hand van de ander en kust ze en doet die naar zijn hoofd en daarna kussen ze elkaar de rechter en linker wang. Maar dan houden ze de orde in drinken niet en omdat die wijn waarin ze met kleine slokjes drinken zeer sterk is en ze sterk daarvan verhitten hebben ze altijd kannen water bij de hand die ze gelijker tijd met grote slokken drinken waarmee ze zich weer verkoelen want zonder die kunnen ze de dorst niet stillen. De vrouwen zijn niet bij hun drinken of slempen.

Het oude heidense gebruik om de doden te bewenen wordt nog heden door gans Griekenland en ook bij de naburige landen gehouden wat een zeer ongerijmd ding is. Dan als een met de dood afgegaan is komen de vrouwen aan een zeker oord tezamen en heffen van de vroege morgen een gehuil aan, slaan zich op de borst en krassen met de nagels op de wangen en trekken het haar uit alzo dat het een zeer erbarmelijk spektakel om te zien is. En zodat ze deze mysteries of geheimen des te beter verrichten bestellen ze een vrouw daartoe die bijzonder helder en luidstemmig is en die zingt de anderen voor zodat ze de rust (die ze pauze noemen) en de toon van dit klagen of doodslief des te beter verstaan wordt. En in zulk treuren en klagen reciteren ze de lof en deugd van de gestorvene en aan te vangen van zijn geboorte tot zijn laatste gebaar. Dit hebben we uit het eerste boek van de observaties Petrus Bellonius genomen waarin uitvoeriger daarvan gehandeld wordt. Ook uit de ouden hebben dit land Strabo en Mela, maar het vlijtigste onder alle heeft Pausanias het beschreven. Uit de nieuwen Nicolas Gerbelius, Wolfgang Lazius die echter een Antonius Urantz als een bisschop te Agria aanhaalt die er doorgereisd heeft en deze nieuwe beschrijving met nieuwe woorden of namen gauw in het licht zal brengen. Hiertoe mag men ook Hugo Favolius Byzantische reis en N. Nicolai Oosterse observaties, Andreas Thevet, Petrus Bellonius etc. Petrus Gyllius heeft de Bosphorus en de stad Constantinopel erg vlijtig beschreven.

 

 

 

41. Sclavonien.

Es sein vor zeitten zwischen dem Adriatischen Meer und K™nigreich Ungern, zwo herrlicher Landschafften gewesen, die man Illyricum und Dalmatiam nennte, unter welche die erste zu disen zeiten, in vil stžck und L‰nder, Nemlich Kernten, Croatien, Crain, und marcam Sclavonicam, (so jetzt gemeinglich die Windische Marck genennet wird) ist zerrissen und geteilet worden. Etliche zelen Bosnam auch dazu, und setzen auch die alten Dalmater und Liburnam unter dir Illyrier. Aber heutigs dages sind die Grenitzen diser Land und Provintzen in einander vermenget, Disz Land aber, ist diser zeit zum theil dem K™nigreich Ungern, zum theil den Venedigern unterthenig, und wohnen die Luet gemeinglich in hžltzern Geb‰uen, mit stro bedeckt, ausgenommen wenig Stett am ufer gelegen, in denen man ettwas leutseeliger lebet, und hat ein sehr guten und fruchtbaren boden. Zwen Flusz, nemblich, die Saw und die Trab, durchfuechten das gantze Land. So vil sagt MŸnsterus. Georgius Raithamer aber sagt, das der name Illyricum schier unmeszlich weit sich erstreckt und augebreittet habe, und meinet, das unter demselben die Dalmater, Liburnia, (Crabaten genannt) Histerich und Crain begriffen sein. Er hat diser L‰nder, nemblich Kernten, Steir und Histerich beschreibungen, welche wir dann, weil sie diser Tafel begriffen sein, gerne hieher haben setzen w™llen. Das Volck in Histerich ist nach etlicher meinung ein stžck Illyriae, oder der Wenden, haben (wie man sagen will) jr ankunfft von den Colchis. Gegen Nidergang ligt jnen Kernten, von Mitternacht die Alpen, der Sinus des Adriatichen Meers gegen Mittag, In diser gegend sind die Stett, Scardona, Iadara oder Zara, Parenzo, Aquileia oder Aglar, Triest &c. Croatia, so vor zeiten Liburnia gewesen, auff unser Sprach Crabaten, ligt zwischen den Flussen Cuspa, der Saw, und dann dem obern Moesia. Stett, so etliche Valeriam, etliche Iapigiam nennen, ist ein stŸck vom Norckaw, allenthalben met Gebirgen umbgeben, ubertrifft fast alle Land an Eisenbergwerck, hat auch sonsten an allem, sie die Menschen zu t‰glicher notturft bed™rffen, keine mangel, bringt Weins, Getraids, Vihes und Saltzes ein uberflusz, Man pflegt schimpffsweise zusagen, das in Steir, und Westphalen zwey widerwertige ding sind, Dann gleich wie in Westphalen vil ehe verschalckte, dann einfeltige, nerrische Leut geborn werden, Also gibt es in der Steir ehe Kr™pffige, einfeltige, nerrische, dann verschlagene und boszhafftige Leut, Die Graveschafft Ciliae wird auch zu disem land gerechnet. Carinthia, so currupt Carinthia, oder Kernten, und desselben Inwohner Carni, auff unser Sprach die Crainer heissen, zu welcher auch Carniola geh™rt, Hat dise St‰tt, S. Veit, Villach, Clagenfurt. Man sagt das die Burger diser Statt gegen Dieben gantz hart, und unzuerbitten seyen, und k™nne einer, von den man meinet, das er sich mt stehlen nehre, durch geringen verdacht in grossen schaden kommen, dann er unverh™rt zur straff und Galgen gezogen, und jem kein zeit sich zu entschuldigen heben wird, Drey tag nach ergangener straff, halten die Gericht uber den Todten, findes es sich dann, das er unschuldig ist gewesen, so begraben sie jn herrlich, wird er aber schuldig erkant, so lassen sie jn hangen. Was mehr von disem Lande zuwissen, findet man auch beym Raithamero, Item auch, bey Martino Cromero, Dominico Nigro, Volaterano, und andern mehr. Man findet auch ein Bžchlein, oder wie er selbst nennet, Cronica des Landes Kernten, von Aurcolo Theophrasto paracelso Teutsch geschriben. Die Sclavonische sprach, (damit wir auch darvon ettwas melden) so etliche die Windische heissen, und bey den latinis Illirica soll genant sein, gehet diser zeit am weitesten, als die sich von dem Adriatischen Meer, bisz an Oceanum oder hohe Meer gegen Mitternacht streckt, Dann es brauchen sich derselben die Histerischen, Dalmater, Bosner, Merherrn, Behem, Lausnitzer, Glesier, Poln, Litawen, Preussen, die so in Scandinavia wonen, die Reussen so weit und breit regirn, die Bulgari, und vil andere umbher benachbaurte L‰nder, bisch schier an Constantinopel, Also das sie auch bey den Tžrcken sehr gebreuchlich ist.

41. Sloveni‘.

Vroeger waren tussen de Adriatische Zee en het koninkrijk twee heerlijke landschappen die men Illyri‘ en Dalmati‘ noemde. Onder de eerste zijn in deze tijd veel stukken ervan landen als namelijk: Karinthie, Kroati‘, Carnia en mark Sloveni‘ die zo gewoonlijk de Wendische mark wordt genoemd is gescheurd en verdeeld geworden. Ettelijke tellen Bosni‘ ook daartoe en zetten ook de oude Dalmati‘ en Liburnian onder Illyri‘. Maar tegenwoordig zijn de grenzen van dit land en provincies in elkaar vermengd. Dit land echter is deze tijd voor een deel het koninkrijk Hongarije en voor een deel aan Veneti‘ onderdanig. Die mensen wonen gewoonlijk in houden gebouwen met stro bedekt, uitgezonderd weinig steden die aan de oever liggen waarin men wat liefelijker leeft en heeft een zeer goede en vruchtbare bodem. Twee stromen, namelijk de Save en de Drau bevochtigen het ganse land. Zoveel zegt Munster. Georg Rithaymerus echter zegt dat de naam Illyri‘ zich vrijwel onmetelijk wijdt uitstrekt en uitgebreid is en meent dat daaronder Dalmati‘, Liburnian (Kroaten genoemd) Istri‘ en Carnie begrepen zijn. Het heeft deze landen, namelijk KŠrnten, Stiria en Istri‘ beschrijvingen die we dan omdat ze in deze tafel begrepen zijn graag hierbij zetten willen. Het volk in Istri‘ is naar ettelijke meningen een stuk van Illyri‘ of van de Wenden en hebben (als men zegt) hun aankomst van Colchis. Tegen het Westen ligt hun KŠrnten en in het Noorden de Alpen, de haven van de Adriatische Zee in het Zuiden. In deze omgeving zijn de steden Skradin, Zadar of Zara, Parentum, Aquileja of Aglar, Triest etc. Kroati‘ zo vroeger Liburnia was en in onze spraak Kroaten ligt tussen de stromen Kupa en de Save met de het bovenste Moesia. Steden zo ettelijke Noricum en ettelijke Iapigiam noemen is een stuk van Beieren en overal met bergen omgeven en overtreft vast alle landen aan ijzerwerk. Heeft verder ook alles wat de mensen voor dagelijkse behoefte nodig hebben geen tekort, brengt wijn, graan, vee en zout in overvloed. Men pleegt schimpvormig te zeggen dat in Stiria en Westfalen twee tegenover staande dingen zijn. Dan gelijk als in Westfalen veel eerder schalkse dan eenvoudige narrige lieden geboren worden alzo zijn er in Stiria eerder koppige, eenvoudige narrige dan verslagen en boze lieden. Het graafschap Cilia wordt ook hiertoe gerekend. Karinthie, zo verbasterd Carinthia of KŠrnten en diens inwoners Carni en in onze taal de Crainer genoemd waartoe Carniola behoort heeft de steden; St. Veit, Villach en Klagenfurt. Men zegt dat de burgers van deze stad tegen dieven erg hard en onverbiddelijk zijn en komt er een waarvan men meen dat hij zich met stelen onderhoudt komt door geringe verdachtmaking in grote problemen want hij wordt onverhoord tot straf naar de galg gevoerd en krijgt geen tijd zich te verontschuldigen. Drie dagen na de straf houden ze gerecht over de dode en vinden ze dan dat hij onschuldig was dan begraven ze hem heerlijk, wordt hij schuldig bevonden dan laten ze hem hangen. Wat meer van dit land te weten vindt men ook bij Rythamerus. Item, ook bij Martinus Cromerus, Dominicus Niger, Volaterranus en meer andere. Men vindt ook een boekje of zoals hij het zelf noemt een kroniek van het land KŠrnten van Aurelius Theophrastus Paracelsus in Duits geschreven. De Slavische spraak (zodat we daar ook wat van melden) zo ettelijke de Wendische noemen en bij de Latijnen Illyrica genoemd zou zijn gaat deze tijd het verste als van de Adriatische Zee tot aan de Oceaan of grote zee zich tegen het Noorden strekt. Dan gebruiken die van Istri‘, Dalmati‘, Bosni‘, Moravi‘, Bohemen, Lusatia, Silezi‘, Polen, Litouwen, Pruisen en zo in Scandinavi‘ wonen en die de Russen zo wijdt en breed regeren, de Bulgaren en veel andere omliggende buurlanden tot vrijwel aan Constantinopel. Alzo dat het ook bij de Turken zeer gebruikelijk is.

 

 

42. Ungerlandt.

Ungern, (so den Namen von den Hunnis oder Ungaris hat, welche V™lcker aus Scythia dahin gezogen, und nun daselbst wohnen) begreifft die Pannonien, und uber die Tonaw der lazygen oder Sibenbžrger, und auch schier der Dacorum gantzes Land: Hat den anfang gegen Mittag, von dem Flusz Trab, und endet sich gegen Mitternacht an den Sarmaten, die wir Poln, und den Gothen, so wir die Walachen nennen: Vom Nidergang hat es Austriam Oesterreich, so vor zeyten das Haupt in ober Pannonia gewesen: Gegen Auffgang Mysiam, so jetzund Retina genannt wird. Die Tonaw, so der gr™sseste unter allen Flžssen Europae ist, rinnet mitten durchhin, und theilet es in Citeriorem, das ist, in das Land, so disseit des Wassers, und Ulteriorem, das ist, so jenseit dem Wasser ligt: Citerior, so disseit des Wassers gelegen, ist disz Land, da vor zeitten Pannonien gewesen, und wird durch die Tonaw, Austria oder Oesterreich, Norckaw, und den radicibus oder untersten orten des Kalenberges (wie man mennet) von der Ulteriore Ungaria, so jenseit des Wassers ligt: Von Sclavonien aber, Bosna und Rascia oder R‰sz, durch die Flusz Trab und Saw, getheilet und abgemercket. Dises theils Ungern, so Citerior, das ist, disseit des Wassers ligt, ist Ofen, da der K™nigliche Sitz gewesen, das Haupt, andere namhaffte St‹tt in demselben sein Stulweissenburg, so durch Cr™nung und Begreptnussen der K™ning berhžmbt ist, Cron oder Metropolitana die Haupstatt, Fžnffkirch, der Bischofliche Sitz, Item, Sopronium, laurinum oder Rab, Sabaria Stein am Anger, des heiligen Martini, und Stridon oder Strigna des heiligen Hieronimi Vatterland. Es sein auch vil bekante Flžsz darinn, und zwey berhžmbte See, Nemblich, Balaton, und Fertou, der Neusidlersee genannt. An disem theil Ungern, so Citerior, hanget, wann man uber die Trab kompt, Sclavonien, zwischen den beden Wassern Saw und Trab gelegen, gewesen ist, gehet aber auch weit uber die Saw, und streckt sich bisz an den Flusz Hunnam (dann so nennet man jhn jetzund) da Croatien anfenget. Darnach folget darauff Dalmatia, durch die Grenitzen oder eussersten ort des Adriatischen Meers, so zum theil den Venedigern, zum theil dem Tžrkcken unterworffen, der geringste theil ist des K™nigs in Ungern. Die loca mediterranea, das ist, die ™rter, so etwas weit vom Meer mitten in dem Lande ligen, haben jnnen die Bosnenser, und Rasciani, so vor zeiten die obern Misi waren. In Sclavonia, ist das haups oder vormembste Statt Zagrabia, in Croatien jetzund Bigihon, vor ist es Fumium gewesen. Ulterior Ungaria, so uber die Tonaw gelegen, wirt durch das Carpatische Gebirg, so von Posonio anfenget, und in einer langen krumme such bisz an das ufer des Meers Euxini erstreckt, von Merherrn, Slesien, Poln, und Reussen underschiden, bisz an den ort, da die Landschafft ist, so vor zeiten Maromarusia geheissen: Daselbsten scheiden dann jetzt von Transsylvania und der Walachei so uber die Alpen gelegen, an dero Gebirg und W‰ld, die von dem ort auff Severin zugehen. Mitten durch disz Ulteriorem Ungariam rinnet der vischreiche Flusz Tibiscus oder Theisz, so in dem Maromusischen Gebirg entspringet. Und hat diser theil Ungerlandes dise namhaffte St‰tt, nemblich, gegen Mitternach Posonium, Tirnaw &c. Gegen Mittag, Colocia, Bachia, Zegedin. Jenseit der Theisz Varadin, Debrecin, sampt dem Gold und Silberbergwerck, Severin, da noch etliche Vestigia oder anzeigungen der Prucken, so der Kaiser Traianus gebawt hat, zu sehen sein, and andere mehr, so die kžrtz diser, Historien nit erzelen lest. Die Inwoner reden die Scytische Sprak, so von andern umbligende gar abgesondert und unterschiden ist. Was die stercke der Leut, reiche Vihezucht, fruchtbarkeit des Landes, und den uberflusz der Metall belangt, gibt es keinem Land was bevor, des guten luffts halben, und das es sonst so sch™n und wol gelegen ist, k™nt es billich allen landen des gantzen Erdbodens vorgezogen werden. Dann die Natur disz Land mit allerley dingen reichlich begabt hat, da kan man Gold, Silber, Saltz, Edelgestain, Farb etc., graben, ist an Getraid, Fžtterung, Hžlsenfržchten und Obs fžrtrefflich reich, Da ist auch kein mangel an Vischen der fliessenden Wasser, item, an Kupfferwerck, Man findet schier in alle Flžssen schr™tlein des besten Goldes, Ja man findet auch Gold umb die Weinst™ck, so auff einen Goldreichen boden geplantzet sein. Disz haben wir aus dem Opulsculo oder Bžchlein Stephani Broderich, und Antonij Bonfinij, Decadibus rerum Ungaricum zusamen gezogen, welche der fleissige Leser selbst mag ersuchen. Item er besehe auch Matthiam ˆ Michou von den Sarmaten, und MŸnsterum. Es hat auch Georgius VVernherus ein Buchlein von den wunderbaren Wassern des Ungerlandes geschriben.

42. Hongarije.

Hongarije (dat de naam van de Hunnen of Hungaria heeft welke volkeren uit Scythi‘ daarheen getrokken en nu daar wonen) omvat Pannonie en over de Donau in Transsylvani‘ of Zevenburgen en ook vrijwel het het ganse land van de Dacians. Heeft de aanvang in het Zuiden van de stroom Drava en eindigt tegen het Noorden bij de Sarmati‘rs die we Polen en de Gothen zo we Walachrians noemen. Van het Westen heeft het Oostenrijk of Austria dat eerder het hoofd van Pannonia was. Tegen het Oosten Mysia dat nu Rhetiana genoemd wordt. De Donau zo de grootste onder alle stromen van Europa is rent er midden doorheen en deelt het in Citerior, (lagere) dat is in het land dat aan deze kant van het water en Ulterior, (hogere) dat is zo aan de andere kant van het water liggen. De lagere zo aan deze kant van het water gelegen is het land dat eerder Pannonia was en wordt door de Donau, Austria of Oostenrijk, Beieren en de radicibus of onderste oord van de Leopoldsburg of Kahlenberg (zoals men het noemt) van het bovenste Hongarije zo aan andere kant van het water ligt. Van Sloveni‘ echter, Bosni‘ en Raška of Rasz door de stroom Drava en Save gedeeld en afgescheiden. Dit deel van Hongarije zo Buda, dat is aan deze kant van het water ligt is open waar de koninklijke zetel geweest is en andere bekende steden daarin zijn Alba Regalis of Stuhlweissenburg dat door kroning en begrafenissen van de koningen beroemd is, Graun is de hoofdstad, Quinquecclesiae of PŽcs of Funffkirch de bisschoppelijke zetel, item Sopronium, Taurinum of Belgrado, Sabaria of Szombath hely aan de Anger waar de heilige Martinus is geboren en Stridon of Sdrigna het vaderland van de heilige Hi‘ronymus. Er zijn ook veel bekende stromen daarin en twee beroemde meren, namelijk Balaton en Fertou die Neusiedlersee genoemd wordt. Aan dit deel van Hongarije zo Citerior hangt als men over de Drava begint Sloveni‘ tussen beide stromen Save en Drava gelegen en gaat echter ook ver over de Save en strekt zich tot aan de stroom Huna (dan zo noemt men die nu) waar Kroati‘ begint. Daarna volgt daarop Dalmati‘ door de grenzen of uiterste oord van de Adriatische Zee wat voor een deel aan Veneti‘ en voor een deel aan de Turken onderworpen is het kleinste deel van de koning van Hongarije is. De loca mediterranea, dat is die oorden die wat ver van de zee in het land liggen zijn van de Bosni‘rs en Rascians zo vroeger de bovenste Moesi waren. In Sloveni‘ is het hoofd of voornaamste stad Zagreb, in Kroati‘ nu Bigontina wat eerder Fumium heette. Bovenste Hongarije zo over de Donau gelegen wordt door de Karpaten die van Posonium aanvangt en in een lange kromme bocht zich tot aan de oever van de Zwarte Zee zich strekt en van Moravi‘, Silezi‘, Polen en Rusland onderscheiden tot aan een oord waar het landschap is dat ooit Maromarussia of Marmarosz heette. Daar scheidt dan nu van Transsylvani‘ en de Walachia zo over de Alpen gelegen aan de bergen en wouden zo van het oord Severin gaan. Midden door het hoger Hongarije rent de visrijke stroom Theiss of Tisza die in het gebergte van Maromorussia ontspringt. Dit deel van Hongarije heeft deze beroemde steden, namelijk tegen het Noorden Pozsony of Bratislava, Tirnavia of Dijru etc. Tegen het Zuiden Colocia, Bacchia, Szeged. Aan deze kant van de Tibiscus (Thisza) Varadinum, Debreczin met goud en zilverwerken Severin waar nog ettelijke Vestigia of aanwijzingen van bruggen zijn zo keizer Traianus heeft laten bouwen te zien en andere meer zo vanwege de kortheid niet te vertellen laat. De inwoners spreken de Scytische taal die van andere omliggende geheel afgezonderd en verschilt. Wat de sterkte van de lieden, rijke veeteelt en vruchtbaarheid van het land en de overvloed van metaal aangaat geeft het geen land wat voor vanwege de goede lucht en dat het zo mooi en goed gelegen is kan het billijk alle landen van de ganse aardbodem voorgetrokken worden. Want de natuur heeft dit land met allerlei dingen rijk begiftigd, daar kan men goud, zilver, zout, edelstenen, verf e.d. graven en aan graan, voedering, peulvruchten en ooft voortreffelijk rijk. Er is ook geen gebrek aan vissen of vloeiende wateren, item, aan koperwerk. Men vindt vrijwel overal stukjes van het beste goud, ja men vindt ook goud om de druiven die op een goudrijke bodem geplant zijn. Dit hebben we uit de Opulsco of boekje van Stephanus Broderith en Antonius Bonfinius Decades rerum Ungraricum tezamen getrokken die de vlijtige lezer zelf mag doorzoeken. Item, hij beziet ook Matthias ‡ Michou van de Sarmaten en Munster. En heeft ook George Wernher een boekje van de wonderbare wateren van Hongarije geschreven.

 

 

43. Transsylvania oder Sibenbžrgen.

Disz Land beschreibt D. Stephanus Broderich, in seinem Bžchlein zu Basel gedruckt, und Antonius Bonfinus, inn seiner Ungerischen Histori, mit disen worten: Transsylvania, ein stuck von Dacia, welches Haupt Alba Iulia ist, so entweder vom Iulio Caesare, oder aber vil mehr von Hiula einem Hunnischen Fžrsten also genennet worden, Hat vil namhaffter St‰tt, unter welchen Cibinium oder Hermanstatt, Brassovia oder Cronenstatt, Colosium, Bistritz, und andere mehr von den Teutschen, so wir Sachsen nennen, erbawet sein, und bewonet werden. Es sein auch in demselben die Siculi, so ein frech und streittbar Volck ist, unter welchen weder Adel noch Bawren sein, sondern allen gleich (wie bey den Schweytzern) eines standtes, wirden und gerechtigkeyt. Das Land Transylvana aber ist an allen dingen, sonderlich aber an Gold, Silber, und andern Metalen sehr fruchtbar, dazu auch an Felsen oder Steinsaltz. Bringt gar adeliche Rosz, hat auch vil, aber nicht so k™stliche Wein, wie Ungern und Sclavonien. Die zwo Walachei, nemlich die so uber die Alpen ligt, und die Moldaw umbringen Transsylvanam, unter welchen jene so uber den Alpen, an der Donaw, die ander aber, nemlich die Moldaw, an dem Euxinischen Meer ligt, und begreiffen dise bede, sampt dem lande Transsylvanien, disen teyl Europae, so vor zeiten Dacia gewesen, wirt also diser gantze Tractus oder gegend uber der Donaw, welcher nit allein Ungariam ulteriorem, sonder auch bede Walachen begreifft, in die Donaw, das Carpatische gebirg, Euxinische Meer, und dann widerumb in die Donaw allenthalben eingeschlossen. So vil meldet D. Stephanus. Ich wil aber auch dises Landes beschreibung ausz des Antonij Bonfinij Lib. I Decad I rerum Ungaricum hieher setzen. Uber das Carpatische gebirg (sagt er) ligt das eusserste Land der Dacorum, so sich bisz an den Flusz Axiacem strecket, welches man jezt Transsylvaniam nennet,und ist sehr reich, und fruchtbar an Vihe, Wein, Getreyd, Gold und Silber, als in dem dann etliche Flžsz Gžldene schr™tlein f‰ren, biszweilen auch wol stžcklein Gold zu ½ libras schwer, und ist allenthalben mit gebirg, in form einer Cron umbgeben. In den W‰lden hat es Rinder, so lange Mehn haben, Item BŸffel, und Awrochsen, und wilde Pferd, so bedes teils sonderlich geschwind lauffen, die Pferd aber haben lange Mehn bisz auff die erden, die zamen so man in den Heusern hat, gehn von jenen selbsten ein sanfften pasz, also das sie fein sacht einen schenckel umd den andern heben. In disem Lande wonden die Scythiae, und zum theil auch Sachsen und Daci, unter welchen dise etwas kleiner, jene aber r‰wher, und herter sind. Vor zeiten, ehe die Gothi und Hunni auszgefallen sein, ist gantz Dacia der leut vol gewesen, so von den R™mern, und Sarmaten, dasselbe zu bewonen sein hin gefŸrt worden etc. Besihe auch Georgium Raithamerum, Pium II, in der beschreibung Europae. Iohannem Aventinum, und Martinum Cromerum, in seinen zw™lfften Buch rerum Polonicarum. Disz Land, wie Sebaldus MŸnsterus sagt, wirt gemeinglich Sibenbžrgen, und das Zipferland genennet.

43. Transsylvani‘ of SiebenbŸrgen.

Dit land beschrijft D. Stephanus Broderith in zijn boekje dat te Bazel gedrukt is en Antonius Bonfinus in zijn Hongaarse historie met deze woorden: Transsylvani‘ was een stuk van Dacia wiens hoofdstad Alba Iulia is en zo of van Julius Caesar of beter van Hiula een vorst van de Hunnen alzo genoemd geworden. Heeft veel beroemde steden waaronder Sibiu of Hermannstadt, Brasov of Kronstadt, Colosseum of Klausenburg, Bistritz of Bistrita en meer andere van de Duitsers zo we Saksers noemen gebouwd zijn en bewoond worden. Daarin zijn ook de Siculi wat een strijdbaar volk is waaronder nog adel nog boeren zijn, maar ze zijn allen gelijk (zoals bij de Zwitsers) van een stand, waarde en gerechtigheid. Het land Transsylvani‘ echter is in alle dingen en vooral aan goud, zilver en andere metalen zeer vruchtbaar daartoe ook aan rotsten of steenzout. Het brengt erg adellijke paarden en heeft ook veel maar niet zulke kostelijke wijn zoals de Hongaren en die van Sloveni‘. De twee Walachie, namelijk die over de Alpen ligt en de Moldavi‘ omringen Transsylvani‘ waaronder diegene zo over de Alpen aan de Donau en de ander namelijk de Moldau aan de Zwarte Zee ligt. Zo omvat deze beide met het land Transsylvani‘ dit deel van Europa wat vroeger Dacia was en wordt alzo dit ganse traject of gebied tegenover de Donau die niet alleen met bovenste Hongarije maar ook beide Walachie omvat in de Donau, Karpaten en Zwarte Zee en dan weer terug door de Donau geheel ingesloten. Zoveel vermeldt D. Stephanus. Ik wil echter ook uit het landbeschrijving van Antonius Bonfinius lib. 1 van zijn historie van Hongarije hier zetten. Boven de Karpaten (zegt hij) ligt het uiterste land van de Dacia zo zich tot de stroom Oczacow strekt die men nu Transsylvani‘ noemt en is zeer rijk en vruchtbaar aan vee, wijn, graan, goud en zilver als dan in ettelijke stromen gouden stukjes drijven soms ook wel stukjes goud van een ½ libras (half pond) zwaar en is overal met bergen in de vorm van een kroon omgeven. In de wouden zijn er runderen die lange manen hebben, item buffels en oerossen en wilde paarden die beide zeer snel lopen, de paarden hebben lange manen tot op de aarde en de tamme die men in de huizen heeft gaan van zichzelf een zachte pas alzo dat ze fijn zacht de ene been om de andere heffen. In dit land wonen de Scythen en voor een deel ook Saksers en Dacia waaronder die wat kleiner maar ruwer en harder zijn. Vroeger toen de Goten en Hunnen ingevallen zijn is gans Dacia van die mensen vol geweest zo van de Romeinen en Sarmaten daar te wonen heengevoerd zijn geworden etc. Bezie ook George Rithmayer, Pius II in de beschrijving van Europa. Johannes Aventinus en Martinus Cromer in zijn 12de boek de geschiedenis van Polen. Dit land, zoals Sebastian Munster zegt, wordt gewoonlijk SiebenbŸrgen en het Zipferland (Slowakije) genoemd.

 

 

44. POLONIA. Das K™nigreich Poln.

Poln ist sehr ein grosz undweit Land, nahet sich gegen dem Nidergang an Schlesien, und gr‰ntzet mit Ungern, Litawen, und Preusen, Man theilt es in grosz und klein Poln, Grosz Poln heist das, so gegen Mitternacht ligt, in welchem Guesna, ond Posen die fŸrnembste, und beržrmbste ort sein, Kleiner Poln ist, so gegen Mittag ligt, in welchem die berŸmbte stat Cracaw, fornen an der Weissel, so das Land teilt, gelegen ist, Andere St‰tt sind nit sonderlich sch™n, die Leut bawen gemeinglich Heuser ausz allerley steinen, und verstreichens fast alle mit Laimen oder Th‰n, Die gegend dises Landes ist sumpficht, und W‰ldicht, das Volck trinckt Bier, brauchen selten Wein, man weis auch von keinem Weinbaw, an Getraid ist es ein fruchtbar Land, das volck hat vil grosses oder hauptviehe, f‰het vil Wildes, hat H™nigs einen uberflusz, Item Saltzes, so sie ausz der Erden graben, ein grosse menig, Hat auch Ertz und Schwefelgruben, auff den spitzen der berg, so die jnwohner Tatri nennen, unter dem K™nigreich Poln, wirt auch Litauen, Samogetia, und die Masau begriffen, welche MŸnsterus mit disen worten beschreibt: Littawen ist den meesten teil sžmpffigt, und W‰ldicht, kan man der wegen Wasserhalben, so allles einnimmet, nit wol hinzu kommen, Winter zeitten ist besser mit den Littawen zu handlen, dann wann die pfžtzen, laggen und Teych mit dickem eise verfrieren, und es darauff schneyet, k™nnen die Kauffleut allenthalben wol durch kommen, Nit vil St‰tt und D™rffer sind in Littawen, Ir reichthumb ist an Vihe, und rauchwerck, von mancherley Thieren deren das land vol ist, Auch Wachs und H™nigs haben sie einen uberflusz, Brauchen kein Geld, Reden wie die Poln, die Sclavonische oder Windische sprach, Dises Landes Haupststatt Vilna, fast so grosz als Cracaw, in welcher dann auch ein Bischofflicher sitz ist, Die Heuser stehn nicht hart an einander, sondern sein, wie auff den D™rffern, H™se und Obsgarten darzwischen. Im Samgoetia hat es ein sch™n, gerad und lang volck, aber von groben bewirschen sitten, lebet sehr kerglich und genaw, Da ist kein sonder gebew, sonder brauchen nur hžtten, von holtz und stroh zusammen gebawet, unten sein sie ettwas weit, werden aber auffwerts jmmer enger, fast wie ein grosser sturmhut, oder untertheil eines Schiffes formirt, Am Gibel ist ein Fenster, durch welches von oben das licht einfellt, darunter ein Herd auff dem sie die speyse so leichtlich zuverwermen ist, kochen, In dem hause seind sie, jere Weyber, Kinder, Knecht, Magd, klein und Grosz Vihe, getrayd, und aller hauszraht. Masau gehet den K™nigen in Poln zu lehen, Warschaw ist die Hauptstatt, in welcher man die besten Meeth macht, so ein tranck ist, ausz H™nig zugericht, von disem Landen findestu mehr bey Matthiam von Michuo, in seinem Bchlein von den Sarmaten, Item beym Alberto Crantz, in des Windischen Landes beschreibung, Beym Bonfinio, in seiner Ungerischen Histori, Unter allen aber habens am besten beschriben, Martinus Cromerus, und Sigmund vom Herberstein, in seinen Moscovitischen Commentarien.

44. Polonia. Het koninkrijk Polen.

Polen is een zeer groot en wijdt land en nadert in het Westen Silezi‘ en grenst met Hongarije, Litouwen en Pruisen. Men deelt het in groot en klein Polen in. Groot Polen heet dat wat zo tegen het Noorden ligt waarin Gniezno en Poznan de voornaamste en beroemdste plaatsen zijn. Klein Polen is zo tegen het Zuiden ligt waarin de beroemde stad Krakow ligt voor aan de Wisla die zo het land deelt. Andere steden zijn niet bijzonder mooi. De lieden bouwen gewoonlijk huizen uit allerlei stenen en bestrijken het zeker met leem of klei. De omgeving van dit land is moerasachtig en bosachtig. Het volk drinkt bier en gebruiken zelden wijn men wet ook van geen wijnbouw. Aan graan is het een vruchtbaar land en het volk heeft veel groot of hoofdvee, vangt veel wild en heeft van honing een overvloed. Item, zout dat ze uit de aarde graven een grote menigte en heeft ook erts en zwavelgroeven op de toppen van de berg zo de inwoners Tatra noemen. Onder het koninkrijk Polen wordt ook Litouwen, Somogitia en Masovia begrepen die Munster met deze woorden beschrijft: Litouwen is voor het grootste deel moerasachtig en bosachtig en men kan vanwege het water wat zo alles inneemt niet goed daartoe komen. In de winter is het beter met die van Litouwen te handelen want dan zijn de moerassen en meren met dik ijs bevroren en als het daarop sneeuw kunnen de kooplieden overal goed doorkomen. Er zijn niet veel steden en dorpen in Litouwen. Hun rijkdom is aan vee en rookwerk van vele soorten dieren waar dat land vol van is. Ook was en honing hebben ze een overvloed. Ze gebruiken geen geld en spreken als de Polen, de Slavonische of Wendische taal. Het hoofdstad van dit land is Vilnius en zeker zo groot als Krakow waarin dan een bisschoppelijke zetel is. De huizen staan niet dicht bij elkaar maar zijn zoals in de dorpen huizen met fruittuinen daartussen. In Samogitia is een mooie opgaand en lang volk maar van grote boerse zeden en leven zeer karig en nauw. Daar is geen bijzonder gebouw maar gebruiken maar hutten die van hout en stro tezamen gebouwd zijn en onder zijn ze wat breder en worden boven steeds enger vast zoals een grote stormhoed of een onderdeel van een schip gevormd.  Aan de top is een venster waardoor van boven het licht invalt en daaronder een haard waarop ze de spijs zo licht te verwarmen is koken. In het huis zijn ze met hun vrouwen, kinderen, knechten, maagden en klein en groot vee, graan en alle huisraad. Masovia houdt van de koning van Polen. Warsaw is de hoofdstad waarin men de beste mede maakt wat een drank is uit honing gemaakt. Van dit land vind u meer bij Matthias van Michou in zijn boekje van de Sarmaten. Item, bij Albertus Crantzius in de beschrijving van het Wendische land. Bij Bonfinius in zijn Hongaarse historie. Onder allen hebben het beste Martinus Cromerus en Sigmund von Herberstein in zijn Moskouse commentaren het beschreven.

 

 

45. SCANDIA. Norwegen, oder die Mittern‰chtische L‰nder.

Dise Tabul begreifft vast den gantzen Tractum, oder gegend, so ferne die Welt gegen Mitternacht bekandt ist, sonderlich die Peninsulam oder halbe Insul, so den alten unter den namen Scandia, Scandinavia, Baltia, und Basilia, ubel bekandt ist gewesen, welche sie auch jrer gr™sse halben, den andern theil der Welt, Item Officinam, ein werckstat, und Vaginam, ein schyde, oder behaltung der V™lcker genandt haben.Zu unserer zeit, begreifft dise Peninsula, drey Reich, Nemlich, Norwegen, Schweden, Gothiam, und ein stžck, zur Cr™n Dennmarck geh™rig, Item andere Provintzen mehr, als da sind, Bethnia, Finmarck, Finland, Lapponia, oder die wilden Lappen rc. Dises landes sonderliche beschreibung wollen wir ausz Iacobo Zigler hieher setzen. Norwegn, heist ein Mittern‰chtischer weg oder gegend, und ist vor zeiten ein Herrlich und sch™n K™nigreich gewesen, hat uber Dennmarck, Frisen, und andere beyligende Insulen geherrschet, so lang das Regemint Erblich von einem auff den andern gebracht, und administrirt ist worden. Da aber auff ein zeit, ein Inter regnum, das ist, kein gewisser K™nig gewesen, ist mit verwilligung der fžrnembsten Herrn, die K™nig zuerwehlen, beschlossen worden. Diser zeit, ist es, Dennm‰rckern unterworffen, welche jenen nit allein rechtmessige Zintz, und leidliche Z™ll aufflegen, sonder kratzen allen geniesz zu sich, und bringen jhn inn Dennmarck, Zu diser beschwerung hilfft auch die gelegenheit der ™rter, Dann Dennmarck hat die Norwegischen Schifffahrten in jrer gewalt, und k™nnen jene die See nit bawen, und die Wahren ausz dem lande fŸren. Was auch ferrner den lufft, boden, und das Meer belanget, wirt es mit nichten fŸr ein gering, und unselig Land geacht. Ausz disem landt bringet man in andere gegend Europaea, Fisch ausz der art, so Aselli heissen, welche in der kelt, ged™rret, und erhardtet, und in form eines klotzes oder bržgels, davon sie dann zu teutsch Stockfisch genandt werden, ausz gedorret sein, Das gef‰ng im Jenner, hat man am liebsten, weil noch kelt genug vorhanden ist, davon sie erhardten m™gen, Die so man in w‰rmern Monaten fenget, verwelcken, und tžgen nit ausz dem land zu fžren. Die gantze gegend ja Norwegen, so am ufer gelegen hat ein sanfften lufft, das Meer gefrewert nit zu, ligt auch ken Schnee lang. Schweden, ist ein reich K™nigreich an Silber, Ertz, Pley, Eisen, fržchten, und Vihe, hat ummeszlich vil Fisch, ausz Flžssen, Seen, und dem Meer, und ein reiche Wildtban. Stockholm, ein Handelstatt, van natur und gebewen wol befestiget. Bey der Statt Tingualla auch gut Eisenbergkwerck. So vil meldet Ziglerus. Von Dennmarck, setzen wir hieher nichts, weil in ei

ner sondern Tabel genug davon gesagt wirt. In Diser Tabul, ist auch die Insul Island, von den Alten Thule genandt, welche vor andern seltzamer miracul halben beržmbt ist. Item Groenland, von der wenig wissen, Bey den alten Scribenten findet man nit vil zeugneusz von disen Landten, Ausz den newen habens beschrieben Olaus Magnus, ein Gothi Bischoff zu Upsalien, Albertus Crantz, Saxo Grammaticus, Iacob Zigler, Sigmund vom Herberstain, Es hat auch Nicolaus VVidman die Schiffart auff dem Mittern‰chtischen Meer lassen auszgehen, Besihe auch Nicolai Geni Commentaria, Item den Schiffbruch Petri Quirini, von jem, Christophero Fierovante, und Nicolao Michaelis in Italianischer sprach beschrieben.

45. Scandinavi‘, Noorwegen of de Noordelijke landen.

Deze map omvat het ganse trajct of omgeving zo ver de wereld in het Noorden bekend is en vooral het schiereiland of halve eiland wat de ouden onder de namen Scandia, Scandinavie, Baltia en Basilia slecht bekend is geweest. Die ook vanwege hun grootte het andere deel van de wereld, item officinam of werkplaats, en Vagina of een schede of behoud van de volkeren genoemd hebben. In onze tijd omvat het schiereiland drie rijken, namelijk Noorwegen, Zweden, Gotland en een stuk dat tot de kroon van Denemarken behoort. Item meer andere provincies als er zijn, Bothnia, Finmarck, Finland, Lapland of de wilde Lappen etc. Dit land zijn bijzondere beschrijving willen we uit Jacobus Zieglerus hier zetten. Noorwegen heet een Noordelijke weg of gebied en was vroeger een heerlijk en mooi koninkrijk dat over Denemarken, Friezen en andere bijliggende eilanden heerste zo lang het regiment erflijk van de ene op de andere kwam en geadministreerd werd. Toen er echter op een tijd een Inter regnum, dat er geen zekere koning is geweest is met inwilliging van de voornaamste heren om te besluiten om een koning te kiezen. Deze tijd is het aan Denemarken onderworpen die hen niet alleen rechtmatige winsten en aanvaardbare belasting opleggen maar halen alle genietingen tot zich en brengen dat in Denemarken. Tot dit bezwaar helpt ook de gelegenheid van het oord want Denemarken heeft de Noorweegse scheepvaart in haar macht en ze kunnen de zee niet bevaren en de waren uit het land voeren. Wat verder ook de lucht, bodem en de zee aangaat wordt het niet voor een gering en onzalig land geacht. Uit dit land brengt men in andere delen van Europa vis van de vorm zo men Aselli noemen die in de koude gedroogd en hard wordt en in de vorm van een kluit of stok waarvan ze dan in het Duits stokvis genoemd wordt als ze uitgedroogd zijn. Dat vangen ze in januari en die heeft men het liefste als de koude er nog genoeg is waarvan ze harden mogen. Die men in de warmere maanden vangt verwelken en deugen niet om uit het land te voeren. De ganse omgeving van Noorwegen die zo aan de oever liggen hebben een zachte lucht en de zee vriest niet dicht en ligt ook de sneeuw niet lang. Zweden is een rijk koninkrijk aan zilver, erts, lood, ijzer, vruchten en vee en heeft onnoemelijk veel vis uit stromen, meren en zee en een rijke wildbaan. Stockholm is een handelsstad en van natuur en gebouwen goed bevestigd. Bij de stad Tynwald ook goed ijzerwerk. Zoveel vermeldt Zieglerus. Van Denemarken zetten we hier niets omdat er in een aparte map daarvan genoeg gezegd wordt. In deze map is ook het eiland IJsland die van de ouden Thule is genoemd die ook vanwege andere zeldzame mirakels beroemd is. Item, Groenland waarvan we weinig weten. Bij de oude scribenten vindt men niet veel getuigenis uit deze landen. Uit de nieuwen hebben het beschreven Olaus Magnus, een bisschop van Gotland te Uppsala. Albertus Crantzius, Saxo Grammaticus, Jacobus Zieglerus, Sigmundus von Herberstein. Ook heeft Nicolaus Wimman de scheepvaart op het Noordelijke Zee laten uitgaan. Bezie ook Nicolaus Zeni commentaren, item, de schipbreuk van Peter Quirinus van hem en Christopher Fioravante en Nicolas Micha‘lis in de Italiaanse taal geschreven.

 

 

 

 

46. Reussen, oder vil mehr das Gebiet und Herrschafft, des grossen Fžrsten in der Moscaw.

Dise Tabul begreifft nit gantz Reussen, dann Poln und Littawen, so auch unter die Reussen geh™ren, nit dabey sein. Sonder weiset nur die gantze Herrschafft des Fžrsten inder Moscaw, welche sich gegen Mitternacht an dem Mari Glaciali, das ist, an dem Eisichten oder verfrornen Meer endet, gegen Auffgang, hat es die Tatarn, gegen Mittag, die Tžrcken und Poln, gegen dem Nidergang die Lisl‰nder, und den K™nig in Schweden zum nachbawrn. Diser Herrschafft alle und jede L‰nder beschreibet Herr Sigmund Freyherr vom Herberstain, zu dem wir dann den leser, so zu disen dingen lust hat, weisen, Wir haben aber ausz demselben von der jnwoner Religion, gebreuchen, und wie sonst zu leben gewohnet, dises kŸrtzlich w™llen exerpirn, unnd zusammen ziehen, Unnd was die Relegion anlangt, haben sie vast einerley breuch mit den Griechen. Jhrer Priester nemen Weiber, sie ehren auch die Bilder in den Kirchen, Wanne sie jre Kinder Tauffen, tauchen sie dieselben zu dreyenmalen gar ins Wasser, Zu jedem Kindt weihen oder segnen sie das Wasser zur Tauff, Ob sie wol die Beicht auch in jhren Ordnungen haben, so hellt sie doch das gemeyne Volck, fŸr ein solch werck, das nur den Fžrsten und Adels personen gebžre, Wann sie die Beicht verricht, und nach gelegenheit der Sžnde ein Busz entpfangen haben, machen sie ein Creutz an die Stirn und Brust, und schreyen mit grossen seufftzen; O Jesu Christe du Son Gottes, erbarm dich unser, disz ist jr gemeines Gebett, dandas Vatter unser, k™nnen jr wenig, Sie Communicirn unter beyderley gestalt, (wie mans nennet) unnd mischen den Wein mit dem Brodt, ober den Leyb mit dem Blut, Den Kindern von sieben Jaren reichen sie das Sacrament, und sagen, das als dann der Mensch sžndige, Was FŸrtreffliche leut sein, begehen die Festtag, nach dem in der Kirchen verrichten Ampt, mit k™stlichen Malzeyten, voltrincken, und sch™nen Kleydungen, Das Gemeyne volck aber und die Knecht, arbeyten gemeynglich, und sagen, das feyern und mžssig sein, nur den Herren gebžre. Sie glauben nit das ein fegfewer sey, aber doch opffern sie fŸr die verstorbenen, Mit dem Weihewasser besprengt sich niemand, es were denn, das jemand von dem Priester damit besprenget wžrde, Die Fasten halten sie gantzer sieben wochen, Sie werden auch Ehelich, lassen zu, das einer zwey Weiber neme, meinen aber doch nicht, das solches eine reche Ehe sey, Lassen zu das man die Eheleut von einander scheyde, Halten nur das fŸr Ehebruch, wann einer eines andern Eheweib bey sich hat, Die Weyber haben ein elendes thun, dann man keine fŸr fromb helt, sie werde dann daheim verschlossen, und so verwaret, das sie nyrgend herfŸr komme, und sich sehen lasse. Ist ein listig und tržglich Volck, das mehr lust zur dientbarkeyt, dann zur freyheyt hat, und bekennen alle, das sie jres Fžrsten, Knecht sein. Haben selten fried und ruhe, dann sie entweder, die Littawen, Lissl‰nder, oder Tatarn bekriegen, oder sein, da sie keine Krieg fŸren, umb die Flžsz Tanaim, und Occam, in den Besatzungen, damit sie die Tartaren an jerer rauberen hindern und abhalten, Tragen lange R™ck, one falten, mit engen ermeln, schier wie die Ungern, Item rote stiffel, etwas kurtz, also das sie jenen nit bisz an die knye reichen, an denen die solen mit eysernen n‰gelein wol gehefft, und verwart sein, GŸrten sich nit uber den Bauch, sonder uber die hžffte, und lassen die Gžrtel, damit der Bauch desto sehrer herfŸr gehe, schier auff die schame nunter. Wider die Rauber halten sie streng Iustia, Diebstal aber und Todschlege, werden selten an dem leben gestrafft, Brauchen ein Silberne Mžntz, die nicht rund, sonder lenglich, und wie ein ay formirt ist. Das Land ist vol des besten Rawhwercks, so von dannen in gantze Europam verfžrt wirt, Und ist fast uberal ein w‰ldicht land. Das alles haben wir ausz obgemelten Sigmundo genommen. Findest aber mehr von disen Landen, beym Matthia von Michou, im Bžchlein von Sarmaten, Item in des Alberti Crantz Uvandalia. Im Paulo Iovio von der Moscowiter Legation. In Pabst Clement dem siebenden, Im Alberto Campense, auch zu gemelten Bapst, und in Ambrosij Cantareni beschreibung der Persischen Reyse, Besihe aber auch Bonfinij Ungerische Histori, im ersten und andern Buch, der ersten Decade.

46. Rusland of veel meer het gebied en heerschappij van de grote vorsten in Moskou.

Deze map omvat niet gans Rusland want Polen en Litouwen die ook onder Rusland behoren zijn niet daarbij. Maar het gehele rijk van de vorsten in Moskou wijst in het Noorden naar de Mari Glaciali, dat is aan de IJszee of bevroren zee eindigt en tegen het Oosten heeft het de Tartaren, tegen het Zuiden de Turken en Polen, tegen het Westen Lijfland en de koning van Zweden als buren. Deze heerschappij en alle landen beschrijft de heer Sigismundus, vrijheer van Herberstein tot we dan de lezer zo die tot deze dingen lust heeft wijzen. We hebben daaruit van de religie, gebruiken van de inwoners en hoe ze verder leven dit in het kort een paar dingen willen samen vatten. En wat de religie aangaat hebben ze zeker hetzelfde gebruik met de Grieken. Hun priesters nemen vrouwen, ze eren ook de beelden in de kerken en wanneer ze hun kinderen dopen laten ze die driemaal geheel in het water dopen. Bij kind wijden of zegenen ze het water van de doop. Ofschoon de wel de biecht en ook die orde hebben zou houdt toch het gewone volk dat voor zulk werk dat het alleen voor vorsten en adellijke personen behoort. Want die gebiecht hebben en naar gelegenheid van de zonde een boete ontvangen hebben maken een kruis aan het voorhoofd en borst en schreien met grote zuchten: ÔO, Jezus Christus de zoon van God erbarm u zich over onsÕ, dat is hun gewone gebed dan het Onze Vader kennen er weinig. Ze gaan ter communie in beide vormen (zoals men het noemt) en mengen de wijn met het brood of het lijf met het bloed. De kinderen van zeven jaren rijken ze het sacrament en zeggen dat dan de mens zondigt. Wat voortreffelijke lieden zijn vieren de feestdag na de in de kerk verrichte dienst met kostelijke maaltijden, veel drinken en mooie kleren. Het gewone volk echter en de knechten werken gewoonlijk en zeggen dat feesten en niets doen er alleen voor de heren is. Ze geloven niet dat er een vagevuur is maar toch offeren ze aan de gestorvene. Met het wijwater besprengt zich niemand of hij moest dan door een priester besprengd worden. De vasten houden ze gehele zeven weken. Ze trouwen en laten toe dat iemand twee vrouwen neemt en menen toch niet dat zulks een echt huwelijk is. Laten toe dat men de getrouwden van elkaar scheidt en houden dat voor echtbreuk wanneer een andere zijn vrouw bij zich heeft. De vrouwen hebben een ellendig leven omdat men er geen voor vroom houdt en ze worden dan in het huis opgesloten en zo bewaard dat ze nergens voort komen en zich zien laten. Is een listig en bedrieglijk volk dat meer lust tot dienstbaarheid dan tot vrijheid heeft en bekennen alle dat ze hun vorsten knechten zijn. Hebben zelden vrede en rust dan of ze voeren oorlog tegen die van Litouwen, Lijfland of Tataren of zijn als ze geen oorlog voeren om de stroom Don en Occo om de roverijen van de Tartaren te hinderen en weerstaan. Dragen lange rokken zonder vouwen en enge armbedekking vrijwel zoals de Hongaren. Item, rode wat korte laarzen alzo dat ze bij hen niet aan de knie‘n rijken waaraan de zolen met ijzeren nagels goed gehecht zijn. Gorden zich niet over de buik maar over de heupen en laten de gordel, zodat  de buik des te beter naar voren komt, vrijwel tot op de schaamstreek neer. Tegen de rovers houden ze streng gericht, diefstal en doodslag worden zelden met het leven gestraft. Gebruiken een zilveren munt die niet rond maar langachtig is en als een ei gevormd is. Dit land is vol van de beste bont wat vandaar in gans Europa vervoerd wordt en is zeker overal een bosachtig land. Dit alles hebben we uit boven vermelde Sigismund genomen. U vindt meer van deze landen bij Matthius van Michou en het boekje van de Sarmaten. Item, in Albert Crantz Wandalia. In Paulus Iovius van de ambassade van Moskou. In paus Clement VII, in Albertus Campensis van deze paus en in Ambrosius Contarenus beschrijving van de Perzische reis. Bezie echter ook Bonfinius Hongaarse historie in het eerste en volgende boek de eerste decade.

 

 

47. TARTARIA. Tattern, oder das grossen Chams Gebiet, und Herrschafft.

Welcher die Tartarn beschreiben wil, musz zugleich vil andere Nationen, und dieselben weit von einander ligend, beschreiben, Dann alle die L‰nder (von dem Oriental Oceano, oder Mangico, dem Hohen Meer gegen Morgen anzufahen) so zwischen dem Oceano oder Hohen Meer gegen Mitternacht, und den Mitt‰glischen L‰ndern, Sina einem stžck von India, auszerhalb Gange, den Sacis, den Flusz Oyo (jetzt Abiamu) Caspischen Meer, und dem grossen See in Maectide, bisz an die Moscowiter, gegen dem Nidergang gelegen sein, werden diser zeit die Tartari genandt, Dann dises alles haben die Tartari eingenommen, und an den orten sich nider gelassen und gesetzt, also das sie der alten Scribenten Sarmatiam in Asia, bede Scythien, und das Land Serica, (villeicht diser zeit Cataia) begreifft, Diser der Tartaren namen ist erst Anno 1212 in Europa erh™rt worden, werden in Hordas auszgetheilt, welches wort bey jnen eine versamlung oder menig bedeut, Gleich aber wie sie vil und mancherley Provintzen, und dieselben weit von einander ligen, bewonen, Also sind sie an moribus und andere art zu leben ungleich, Sind von Person viereckichte, gesetzte oder getruckte Leut, haben breyte v™llige Angesicht, verkehrte und helle Augen, sind nur am Barth haarig und rauh, sonsten beschoren, starck von Leyb, und unverzagtes gemžths. Essen gern Rosz und andere Thiere wie die auch umbgebracht sein, allein von Schweinen enthalten sie sich, k™nnen wel hunger leyden, und wachen, Wann sie auff einer Raise der hunger oder durst molestirt, und hart zusetzt, schlagen sie jren Pferden darauff sie reitten, eine Ader, trincken dasselb Blut, und stillen also den hunger. Und weil sie an keinem gewiesen ort bleiben, sonder hin und wider stettigs vagirn, richten sie sich im raisen nach dem gestirn, sonderlich aber nach dem Polo artico, oder Nortspitzen, die sie auff ihre Sprach (wie Sigmund von Herberstein zeuget) Selesni kol, ein eiseren Nagel nennen, Bleiben nit lan am einen ort, haltens fŸr ein beschwerlich unglŸck, wann einer lang an einem ort beharren musz, Halten auch klein Iustitia, sind Rauberische leut, als die da arm sind, und stettigs nach frembden gžtern trachten. Man braucht bey jen weder Gold oder Silber. Herr Sigmund vom Herberstein, hat die Tartarn sampt jren moribus und gebreuchen, sehr fleissig beschriben. Besihe aber gleichwol auch Antonij Bonsinij Ungeriche Commentarien, und M. Palum Venctum, so lang unter jenen sol gelebt haben, Woher sie jre ankunfft haben, das lise bey Matthia von Michou, Haythono Armenio, Coelio Curione, in seiner Saracenischen Histori, und den Brief Iacobi Novarchi des Iesuiten, Es ist von den Tartarn etwas beym Nicephoro, so nicht zuverachten, in seinem 30 Cap. Des 18 Buchs.

47. Tartaria. Tartaren of de grote Khan gebied en heerschappij.

Die de Tartaren beschrijven wil moet tegelijk veel andere naties en die ver van elkaar liggen beschrijven. Dan alle landen (van de Ori‘ntaalse Oceaan of Mare Mangicum, de grote zee tegen het Oosten aan te vangen) zo tussen de Oceaan of grote zee tegen het Noorden en de Oostelijke landen, China een stuk van India buiten de Ganges, de stroom Oxum (nu Abianus) Kaspische Zee en de grote zee in Moeotis palus waar de Don in valt tot aan Moskou en tegen het Noorden gelegen zijn worden in deze tijd Tartaren genoemd. Dan dit alles hebben de Tartaren ingenomen en in die oorden zich gevestigd en gezet zoals dan de oude scribenten Samarti‘ in Azi‘, beide Scythen en het land China (mogelijk in deze tijd Cataio) omvat. De naam van de Tartaren is eerst anno 1212 in Europa gehoord geworden en worden in hordas verdeeld welk woord bij hen een verzameling of menigte betekent. Net zoals ze veel provincies en die ook gelijk ver van elkaar liggen bewonen. Alzo zijn ze aan moraal en andere vorm van leven ongelijk. Zijn van persoon vierkantige, gezette of gedrongen lieden en hebben brede volle gezichten met holle ogen en zijn alleen aan de baard harig en ruig die ze nooit scheren, sterk van lijf en overzaagd gemoed. Eten graag paarden en andere dieren hoe die ook omgebracht zijn en onthouden zich alleen van zwijnen. Kunnen goed hoger lijden en waken. Wanner op een reis hun de honger of dorst kwelt en hard toeslaat slagen ze de paarden waarop ze rijden een ader en drinken dat bloed en stillen alzo de honger. En omdat ze op geen vaste plaats blijven maar steeds heen en weer roven richten ze zich naar de sterren en vooral naar de Polo Artico of Noordpool die ze in hun taal (zoals Sigismund von Herberstein getuigt) Selesni kol, een ijzeren nagel noemen. Blijven niet lang op een plaats en houden het voor een bezwaarlijk ongeluk als iemand lang op een plaats blijven moet.  Houden ook geen Justitia, zijn roofachtige lieden omdat ze arm zijn en steeds weer naar vreemde goederen zoeken. Men gebruikt bij hen geen goud of zilver. Heer Sigismund van Herberstein heeft de Tartaren met hun moraal en gebruiken zeer vlijtig beschreven. Bezie echter ook Antonius Bonsinius Hongaarse commentaren en M. Paulus Venetus die lang onder hen geleefd zou hebben. Van waar ze komen dat lees je bij Matthius van Michou, Haithon de Armeni‘r, Caelius Curio en zijn Saraceense historie en de brief van Jacobus Navarchus van de Jezu•eten. Er is van de Tartaren wat bij Nicephorus en niet te verachten in  zijn 30ste kapittel van het 18de boek.

 

 

48. INDIA.

Es bezeugen alle Scribenten einmžtigleich, das India, das aller edelste theil des gantzen Erdkreisses sey, das auch sonsten wit einem namen kein gr™sser Land genendt werde, Hat den namen von den Flusz Indo. Der raum oder weitten dises landes, wirt nach Strabonis und Plinij meynung, vom Nidergang in den Flusz Indum, von Mitternacht in das Tawrische gebirg, vom Auffgang in das Meer gegen Morgen, von Mittag aber in sein (das ist) in das Indische Meer eingeschlossen. Der Flusz Ganges, rinnet mitten durch hin, und teilet es in zwey Land, unter welchen das seine so gegen Abent gelegen, intra Gangem, das Land jnnerhalb des Flusses Gangi, das ander aber so etwas bas gegen Morgen ligt, extra Gangem, das Land ausserhalb des Gangis genennet wirt. In heiliger Schrifft lesen wir, das jenes intra Gangem, Evilat, dises aber extra Gangem, Seria geheissen hab, wie Dom: Niger zeuget, Es letz sich an sehen als theile M. Paulus Venetus dises Land in drey theil, Nemlich in grosz und klein Indiam, und dann intermediam, (das ist) das so in der mitt gelegen, welchs (wie er sagt) Abasia, genannt wirt. Und ist dises Land nicht allein an V™lckern und unzelig vil St‰tten, sonder auch an allerley einkommens (auszgenommen Ertz und Bley, wann anderst Plinio zuglaben) sehr reich, hat vil und grosse Flžsz, welche mit jrem Wasserreichen auszlauff machen, das durch krafft der nahenden Sonne, alle ding, als auff einem feuchten boden, volkommenlich und grosz wachsen, fžllet schier die gantze Welt mit Specerey und Edlen steynen, dessen dann dises land vor allen andern einen uberflusz hat. Vil Insuln so im selben Indischen Meer hin und wider zerstriwet ligen, stossen an disz Land, also das es billeich ein Welt der Insuln kondte genandt werden, unter welchen sonderlich Iapan ist, die M: Paul: Vener: Zipangri nennet, welcke, weil sie vor nit vilen jaren wenig leuten bekandt gewesen, w™llen wir an disem ort von derselben etwas melden, Und ist sehr ein weit und grosse Insul, hat vast einerley Elevation des Himels mit Italia, Die jnwoner legen sich sonderlich auff die Religion, gute Kžnst und weiszheit, und forschen scharff und fleissig nach der warheit. Das Gebet ist sonderlich gemeyn bey jenen, welchs, sie, wie auch wir, in den Kirchen thun. Nur einen erkennen sie fŸr jren Fžrsten, nach welches gebott und willen sie so gentzlich richten, derselb aber hat noch einen uber jm, den sie Voo nennen, welche uber Geistliche ding und Religions sachen, zugebieten hat, den man nicht umbillig k™ndte unsern Pabst, jenen aber unsern Keyser vergleichen. Disem vertrawt das Volck jrer Seelen seligkeit, Sie betten nur einen Gott an, mit einem dryfachen Haupt, abgebildet, dessen sie doch keine ursacht wissen anzuzeygen. Tauffen jre Kinder, befleissen sich jren Leyben, zum zeugnusz der Busse, mit fasten wehe zuthun, machen gleich wie auch wir, das Creutz fŸr sich, wider des b™sen Feyndes plag und anfechtungen, Also das sie in der Religon und andern gewonheiten des leben, so zu achten, den Christen nachfolgen, bemžhen sich aber doch die, so sich zum namen Christi bekennen, mit h™chstem fleisz, ob sie dieselben gar und durch ausz zur Christilichen Religion bringen m™chten. Daselbst sein auch die Insulen Moluccea, welche von wegen der Specerey, so darin wel gerahten und des Vogels Manucodiatra (denwir den Paradeis vogel nennen) bekandt sein. Es ligt auch daselbst die Insula Sumatra, so vor zeiten Taprobana genandt, und bey den Alten wol bekandt gewesen ist. Item andere mehr, als klein und grosz Iava, Borneo, Timor &c., welche man in der Tabul sehen mag. Dise Indien haben ausz den alten Diodorus Siculus, Herodotus, Plinius, Strabo, Q. Curtius und Arrianus in des grossen Alexandri leben zum h™chsten gelobt und gepreiset. Auch findet man ein Epistel desgrossen Alexandri an Aristotelem geschriben, von Indiae gelegenheyt. Unter den newem Scribenten habens Ludovicus Vartomannus, Maximilianus aus Sibenbžrgen, und Iohannus Barrius, in seinem Asiatischen Decadibus beschrieben. Besihe aber auch der Iesuiten Episteln, in welcher du vil gutes dings von der Insula Iapani finden wirst. Es hat auch Iohannes Macer ein Jurist 3 Bžcher von Indischen Historien geschrieben.

48. India.

Alle scribenten betuigen gelijk dat India het aller edelste deel van het ganse wereldrijk is dat ook verder met een naam geen groter land genoemd wordt. Heeft de naam van de stroom Indus. De ruimte of grootte van dit land wordt na Strabo en Plinius mening van het Westen in de stroom Indus en in het Noorden de Taurus of Himalaya, in het oosten de Oosterse Archipel, in het Zuiden de Indische Zee omsloten. De stroom Ganges stroomt er midden doorheen en deelt het in twee landen waaronder dat zo tegen het Oosten ligt intra Gangem of het land binnen de stroom Ganges en de andere zo wat beter tegen het Oosten lig extra Ganges, het land buiten de Ganges genoemd wordt. In de Heilige Schrift lezen we dat intra Ganges Evilat (of Havila) en extra Ganges Seria (of Serres of China) genoemd wordt zoals Dominicus Niger aantoont. Het laat zich echter aanzien dat M. Paulus Venetus dit land in drie delen verdeelt, namelijk in groot en klein India en dan intermedia (dat is) zo in het midden gelegen die (zoals hij zegt) Abasia genoemd wordt. Dit land is niet alleen in veel volken en ontelbaar veel steden maar ook aan allerlei inkomen (uitgezonderd koper en lood als Plinius te geloven is) zeer rijk. Het heeft veel en grote stromen die met hun waterrijke uitlopen maken dat door kracht van de dichtbij staande zon alle dingen als op een vochtige bodem volkomen en groot groeien en vult vrijwel de hele wereld met specerijen en edelstenen die dit land voor alle andere een overvloed heeft. Veel eilanden die zo in de Indische Oceaan heen en weer verstrooid liggen stoten aan dit land alzo dat het billijk een wereld van eilanden genoemd kan worden. Daaronder is bijzonder Japan die M. Paulus Venetus Ziprangi noemt die omdat ze weinig jaren geleden nog weinig lieden bekend was willen we op deze plaats daarvan wat melden. Het is een zeer groot en wijdt eiland en heeft overal een gelijke luchtgesteldheid van de hemel met Itali‘.  De inwoners leggen zich bijzonder op religie, goede kunst en wijsheid en zoeken scherp en vlijtig naar de waarheid. Het gebed is bijzonder gewoon bij hen die ze net zoals wij in de kerken doen. Ze erkennen maar een vorst naar wiens gebod en wil ze zich gans richten en die heeft nog een boven hem die ze Voo noemen die over geestelijke dingen en religieuze zaken te gebieden heeft die men niet onbillijk onze paus en hen echter met onze keizer vergelijken. Die vertrouwt het volk hun ziel en zaligheid. Ze aanbidden maar een God die  met een drievoudig hoofd wordt afgebeeld waarvan ze toch geen oorzaak weten aan te wijzen. Ze dopen hun kinderen en bevorderen zich hun leven tot getuigenis van boete en met vasten pijn te doen en maken net zoals wij dat kruis voor zich tegen de boze vijand plaag een aanvechtingen. Alzo dat ze in de religie en andere levensgewoontes te achten zijn en de Christen navolgen maar bemoeien zich echter met die zo tot Christus bekeren met hoge vlijt of ze die geheel en uit de Christelijke religie brengen mogen. Daar zijn ook de Molukken eilanden die vanwege de specerijen zo daarin goed groeien en de vogels Manucodiatta (die we Paradijsvogels noemen) bekend zijn. Daar ligt ook het eiland Sumatra die eerder Taprobana genoemd werd en de bij de ouden goed bekend was. Item andere meer als klein en groot Java, Borneo, Timor etc., die men in de map zien kan. Dit Indi‘ hebben uit de ouden Diodorus Siculus, Herodotus, Plinius, Strabo, Quintus Curtius en Arrianus in het leven van de grote Alexander in het hoogste geprezen. Ook vindt men een epistel van de grote Alexander aan Aristoteles geschreven van de gelegenheid van India. Onder de nieuwe scribenten hebben Ludovicus Vartomannus, Maximilianus uit Sibenburgen en Johannes Barrius in zijn Aziatische decaden beschreven. Bezie echter ook de epistels van de Jezu•eten waarin u veel goede dingen van het eiland Japan vinden zal. Ook heeft Johannes Macer, een jurist, 3 boeken van de Indische historie geschreven.

 

 

49. PERSIA, oder des Sophi Reich und Herrschafft.

Gleich wie das K™nigreich Persen vor alters beržmpt gewesen ist, Also hat es noch heutigs tags einen herrlichen namen, und begreifft unter sich vil gewaltiger L‰nder, Dann den gantzen strich in Asia, so zwischen den Flusz Tiger, dem Sinu oder Hafen in Persia, dem Indianischen Meer, (vor zeitten das Rote genandt) den Flžssen Indo, und Laxarte, (so jetzt Chesel heist) und dann dem Caspischem Meer gelegen ist, haben heutigs tages die Sophi innen. Coelius Curio, hat von der Sophorum ankunfft und herkommen dises ausz Iohannis Barij Decadibus, Asiae in seine Saracenische Histori gesetzt, Anno Christi 1369, war bey den Persen ein Fžrst Sophi genandt, der hatte das St‰ttlein Ardenelim innen, und gab fŸr das er herkeme, ausz dem Geschlecht des Alis, Muamedis Ayden, er zeuget durch desselben Enicki Musam Cazinnum, Diser nach dem Calysa zu Babel gestorben, und sein widerwertige faction oder anhang, so die Tžrcken verteydigten, durch die Tattern etwas geschwecht und untergetruckt ward, hat nachmals seine meynung von der Religion etwas freyer herfŸr gebracht, und anden tag gegeben, Und weil Hocemus Alis Son, von welchem der Sophi sich auch rŸhmet herkommen, zw™lff S™n hatte, hat er seine Seet durch ein sonderlich gemerck von andern absondern w™llen, und derhalben geordnet, das alle so seiner part und meynung sein wolten, unter dem Bundt, welchen die Tžrcken umb den Kopff wickeln (und Tulibantem nennen) einen Purpurfarben Huet tragen solten, der in der mitte ausserhalb des Tulibant, zw™lff gibel oder spitze hette. Als der mit tod abgangen, hat jme sein Son Guines genandt, succedirt, welcher in gantz Orient, fŸr ein sonderlich gelehrten und heyligen Man gehalten worden ist, also das auch Tamerlanes der beržhmpte der Parther K™nig, Bayazethem den Tžrkischen Keyser gefangen, disen, als er durch Persiam gerayset, umb seiner sonderlichen Heyligkeit willen, besuchen dat w™llen, Es hat auch gemelter Guines, von disem Tamerlane erlanget, das er jme dreyssig tausent gefangner, so er mit gefžrt, geschencket hat, welche er nachmals in seiner Sect unterwisen, und dieselben Secaider sein Son zu Kriegern gebraucht hat, Dann diser da Guines gestorben, hat ausz vertrawen auff der macht, seine Nachbawrn, die Georgen, so V™lcker in Scythia, und Christen waren, mit Krieg angriffen, und jnen grossen schaden zugefžget, tc. Dises sey also von der Sophi ankunffte gesagt, Dise fžren stete Krieg mit den TŸrkcnen, von wegen der Mahometanischen Religion, weil die Sophianer einen andern auszleger und erklerer der Mahometische lehr, die TŸrcken auch ein andern haben, und sich dise auszleger wider einander, Also, das die TŸrcken die Sophianer, und herwiderumb die Sophianer die TŸrcken fŸr Ketzer halten, Ist von Natur ein milt und erbar Volck, hat zucht und erbarkeyt lieb, žbet sich in studijs und guten KŸnsten, lassen den Adel etwas gelten, und werden in dem von den TŸrcken unterschieden, das bey denselben kein ansehen des geblžtes oder Stamens ist. Wie aber dise L‰nder gelegen, was auch die V™lcker in denselben fŸr gewonheit und breuch haben, das lise bey Aloysio Ioannis dem Venediger, Item bey Josophat Barbaro, Ambrosio Contareno, Iohannnes Maria Angiolello, Und eines Kauffmans Reyse, so one namen zu disem Bžchlein gedruckt ist, Besihe aber auch der Iesuiter Episteln, Und Nicolai Genides Venedische Geschlechters Commentaria, der Persischen geschicht.

49. Perzi‘.

Net zoals het koninkrijk Perzi‘ vroeger beroemd is geweest alzo heeft het nog op heden een heerlijke naam en omvat onder zich veel geweldige landen. Dan de ganse streek in Azi‘ zo tussen de stroom Tigris, de Sinu of haven in Perzi‘. De Indische Oceaan (vroeger de Rode Zee genoemd) de stroom Indus en Jaxartes (wat nu Syrdaja heet) en dan de Kaspische Zee gelegen is bezetten nu de Sophie. Coelius Secundus Curio heeft van de Sophie aankomst en afkomst dit uit Johannis Barrius decades Azi‘ in zijn Saraceense historie gezet. Anno Christus 1369 was er bij de Perzen een vorst Sophie genoemd die het stadje Ardenelim had en gaf voor dat hij afkomstig was uit het geslacht van de Alis, Musa Cazino en neef van Ali Mohammed, en trok door dat Enicki Musam Cazinnum. Deze is na de kalief te Babylon gestorven en zijn tegenstrijdige facti‘n of aanhang zo zich tegen de Turken verdedigden door de Tartaren wat verzwakt en onderdrukt werd heeft later zijn mening van de religie wat vrijer naar voren gebracht en aan het licht gegeven. En omdat Hocemus, Ali Ôs zoon waarvan de Sophie zich ook beroemen afkomstig te zijn, 12 zonen har die hij door zijn teken door een bijzonder opmerking van de anderen wilde afzonderen heeft hij geordend dat allen die zo van zijn partij en mening wilden zijn onder de doek die de Turken om het hoofd wikkelen (en Tulband noemen) een purperkleurige doek dragen zouden die in het midden buiten de tulband twaalf rijen of spitsen heeft. Toen hij met de dood is afgegaan heeft zijn zoon, Guines genoemd, opgevolgd die in het ganse Ori‘nt voor een bijzonder geleerde en heilige man gehouden is geworden alzo dat ook Tamerlane, de beroemde Parther koning, de Turkse keizer Bayazet gevangen heeft en die toen hij door Perzi‘ reisde vanwege zijn bijzondere heiligheid hem had willen bezoeken. Ook heeft vermelde Guines van deze Tamerlane verlangt dat hij hem 3000 gevangenen die hij meevoerde geschonken heeft die hij later in zijn sekte onderwezen en die door zijn zoon Secaider tot oorlog gebruikt heeft. Dan toen deze Guines gestorven was hebben uit vertrouwen van hun macht zijn buren de Georgi‘rs, wat volken in Scythi‘ en Christen waren, met oorlog aangegrepen en hen grote schade toegevoegd etc. Dit is alzo van de aankomst van de Sophie gezegd. Die voeren steeds oorlog met de Turken vanwege de religie van Mohammed omdat de Sophie een andere uitlegger en verklaarder van de leer van Mohammed en de Turken ook een andere hebben en die uitleggers weer tegen elkaar. Alzo dat de Turken de Sophie en daartegen de Sophie de Turken voor ketters houden. Het is van natuur een mild en eerbaar volk en heeft deugd en eerbaarheid lief, oefent zich in studie en goede kunsten en laten de adel wat gelden en worden daarin van de Turken onderscheiden dat er bij hen geen aanzien van bloed of stam is. Waar echter deze landen zijn gelegen en wat die volken daarin voor gewoontes en gebruik hebben dat lees je bij Aloysius Joannes Venetus. Item bij Josaphat Barbarus, Ambrosius Contarenus, Johannes Maria Angiolellus. Verder onder een koopmansreis zo zonder naam in dit boekje gedrukt is. Bezie ook de epistels van de Jezu•eten en Nicolai Geni uit een geslacht Veneti‘ zijn commentaren van de Perzische geschiedenis.

 

 

50. Das Tžrckisch Reich und Herrschafft.

Wie das Tžrckisch Reich angefangen, zugenommen, und allgemach zu diser gr™sse und gewalt kommen, das es diser zeit und allen schr™cklich drohet, haben wir dem Leser ausz den Historischreibern, so zu unser zeit gelebt, dises kžrtzlich zusamm gezogen. Nach Christi unsers Herren Geburt, Anno 1300 hat Ottomannus ein Tžrck, des Zichi Son, eines geringen Standes und herkommens, von wegen seines hohen verstandes und das er in Kriegsh‰ndlen wol erfaren, einen grossen namen und dignitet bey den Tžrcken uberkommen. Diser hat dem Geschlecht der Tžrckischen Keyser den namen gegeben, sich zum ersten zu einem K™nig auffgeworffen, und die 28 Jar so er regiert, Bithyniam, Cappadociam, und vil wolbefestigter ort am Pontischen Meer gelegen, erobert und eingenommen. An dises stat ist sein Son Orchanes kommen, hat die grosz und Herrliche Statt Prusiam mit gewalt erobert, und zum Haupt seines Reichs gemacht, Im 22 Jar aber seines Reichs, hat er unglžcklich mit den Tartern geschlagen, und ist umbkommen, Und hat seinem Son Amurahte, das Reich gelassen. Derselbe da er von den Griechen, so mitt eiander uneins waren, erfordert worden, hat am ersten ausz Asia in Europam geschifft, Callipolim und Cherronesum eingenommen, Abydum uberweldigt, und nach dem er die St‰tte Philippopolim und Hadrianopolim unter seinen gewalt gebracht, Serviam und Bulgariam, den unsern genommen, und endtlich auch in ober Mysiam kommen, ist erim 23 Jar seines reichs, mit einem dolchen erstochen worden. Dises Son Baiazethes, nach dem er seinen BrŸder erwžrget, hat einen grossen theil an Thracia eingenommen, Und schier gantze Griechelandt, Auch Phocidem ein stžck Bulgariae unter sich gebracht, ist aber endtlich vom Tamberlane uberwunden, und on sonderliche erlangte ehr gestorben. Calepinus, Baiazethis Son, hat (da sein Vatter gefangen worden), das Reich erhalten, und nach dem er Keyser Sigmunden in Krieg gar erlegt, und dem Constantinopolitantschen Keyser seine Grenitzen hat angefangen zuverheeren, ist er, da er 6 Jar regirt, in seinem blženden alter gestorben. Nach disem hat Mohametes das Reich zu sich gerissen, die Walachen hart bekriegt, den gr™ssern theil Sclavoniae unter sich bracht, und ist der erste, so uber die Donaw geruckt, Er hat auch Macedoniam bezwungen, ist bisz an das Ionische Meer kommen, und da er seinen K™niglichen sitz ausz Bithynia gen Hadrianopolin gebracht, ist er daselbst im 14 Jar seines Regimentes gestorben. Nach jm hat Amurathes der ander regirt, und Epirum, Aetoleam, Achiam, Boeotiam, Atticam, und die Statt Thessalonicam (Venediger gebietes) uberkommen, Disem succedirt Mahometes der ander, welcher hat Athen zerst™ret, die statt Constantinopel, Anno Christi, 1452, den 29 May, mit gewalt erobert, und das Trapezuntische Keyserthumb unter seinen gewalt gebracht, Er hat auch Corinthum eingenommen, Die Insuln Lemnum Eubocam, und Mitylenen mit Krieg gezwungen, und auch Capham der Geneeser statt gewonnen, Regirte, 32 Jar. Baiazetes der ander hat die Venediger bekrieget und jnen Naupactum, Methonem, und Dyrrachium genommen Item gantz Dalmatiam verheeret, Ist mit gifft umgebracht worden. Nach jem hat Zelinus sein Son das Reich met gewalt angefallen, und da er die gewaltige und veste Statt Alcair in Egypten erobert, hat er auch den Sultan erwžrgt, und Alexandriam und gantz Egypten, seinen reich unterthenig gemacht, Item Damascum eingenommen. Solimanus, Selimi eyniger Son, ist an seines Vatters stat kommen, hat Griechisch Weissenburg mit gewalt erobert, Die K™nigliche statt Ofen, Item Gron, eingenommen, schier gantz Ungerland verwžstet, Die Insul Rodis hat sich ihme auffgeben, Er hat auch Fžnffkirchen zerst™ret, Die Statt Iula bezwungen, Zigeth belegert, und ist in der Belegerung gestorben. Aber sein Son Selimus der ander, so das reich ererbt, hat dasselb Zigeth nachmals in 1566 Jar zurrissen und geplžndert. Also und auff die weise haben in 260 Jaren dise eylff Tžrckische Keyser, ein guten theyl Affricae, ettwas mehr in Europa, und den gr™sten theil Asiae, unter jhr Tyrannen gebracht. Wer aber mehr von disen Historien zuwissen begert, der lese Paulum Iovium, Christophorum Richerium Senonem, Cuspinianum Baptistam Egnatium, Gilb: Nozorenum, Andream Lacunam, Pium II Cap. 4 von Europa, und andre mehr, so von Tžrckischen h‰ndeln geschriben haben Laonicus Chalcocondiles, hat der Tžrcken ankunfft, und das Ottomanische geschlecht sehr fleissig beschriben.

50. Het Turkse rijk en heerschappij.

Hoe het Turkse rijk is begonnen, toegenomen en geheel tot deze grootte en geweld is gekomen zodat het in deze tijd alle verschrikkelijk bedreigd hebben we de lezer uit de historie schrijvers zo in ons tijd leven dit kort tezamen getrokken. Na Christus onze Heer geboorte Anno 1300 heeft Ottomannus een Turk, de zoon van Zichi, van geringe stand en afkomst vanwege zijn grote verstand en dat hij in oorlogsvoeren goed ervaren was een grote naam en deugd bij de Turken gekregen. Deze heeft het geslacht van de Turkse keizers de naam gegeven en zich als eerste als koning opgeworpen en in de 28 jaar dat hij regeerde heeft hij Bythi‘, Cappadoci‘ en goed bevestigde oorden aan de Zwarte Zee gelegen veroverd en ingenomen. In zijn plaats is zijn zoon Orchanes gekomen en heeft de grote en heerlijke stad Prusia, (stad in Bythi‘) met geweld veroverd en tot hoofd van zijn rijk gemaakt. In de 22 jaren van zijn rijk is hij ongelukkig met de Tartaren slaags geweest en is omgekomen. Hij heeft zijn zoon Amurahtes het rijk gelaten. Die heeft zo met de Grieken, die het met elkaar oneens waren, gevraagd geworden en is als eerste uit Azi‘ vertrokken en Callipolis en Chersonesus ingenomen, Abydus overweldigd en nadat hij de stad Philippopolis en ons Hadrianopolis (Constantinopel) in zijn geweld gebracht en heeft Servi‘ en Bulgarije van ons genomen en eindelijk is hij ook in boven Mysia gekomen en is in het 23ste jaar van zijn rijk met een dolk doorstoken geworden. Zijn zoon Baiazethes heeft, nadat hij zijn broer gewurgd heeft, een groot deel van Thraci‘ ingenomen en vrijwel gans Griekenland. Ook Phocis (Fokida) en een stuk van Bulgarije onder zich gebracht en is eindelijk van Tamerlane overwonnen en zonder verlangde eer gestorven. Calepinus, de zoon van Baiazathes,  heeft (omdat zijn vader gevangen was) het rijk behouden en nadat hij keizer Sigismund in de oorlog overwonnen heeft en begon de grenzen van de Constantinopelse keizer te vervagen is nadat hij 6 jaar geregeerd heeft in zijn bloeiende ouderdom gestorven. Na hem heeft Mohammed het rijk tot zich getrokken en de Walachen zeer beoorloogd, het grootste deel van Sloveni‘ onder zich gebracht en is de eerste die over de Donau kwam. Hij heeft ook Macedoni‘ bedwongen en is aan de Ionische zee gekomen en heeft zijn koninklijke zetel uit Bythi‘ naar Hadrianopolis gebracht en is daar in het 14de jaar van zijn regering gestorven. Na hem heeft Amurath de tweede geregeerd en Epirus, Aetoli‘, Achaea, Boeti‘, Attica en de stad Thessalonica (gebied van Veneti‘) ingenomen. Die werd opgevolgd door Mohamed de tweede die Athene verstoorde, de stad Constantinopel anno Christus 1452 op 29 mei met geweld veroverd en het Trapezonda keizerrijk onder zijn geweld gebracht. Hij heeft ook Corinthi‘ ingenomen, de eilanden Lemnos,  Euboea en Mytilene met oorlog bedwongen en ook Capha, de stad van Genua, gewonnen en regeerde 32 jaar. Baiazetes de tweede heeft oorlog gevoerd met Veneti‘ en hun Naupacte, Methona en Dyrrachium genomen.  Item gans Dalmati‘ ontvolkt en is met vergif omgebracht geworden. Na hem heeft Zelynus, zijn zoon, dat rijk met geweld aangevallen en daar hij de geweldige en sterke stad Ca•ro in Egypte heeft veroverd heeft hij de sultan gewurgd en Alexandria en gans Egypte aan zijn rijk onderdanig gemaakt. Item, Damascus ingenomen. Solymannus, de enige zoon van Zelynus, is op zijn vaders plaats gekomen en heeft het Griekse Beograd (Weissenburg) met geweld veroverd, de koninklijke stad Buda, Item Strigonium ingenomen en vrijwel heel Hongarije verwoest. Het eiland Rhodes heeft zich overgegeven. Hij heeft ook Quinque-Ecclesiis (Funffkirchen) verstoord en de stad Jula bedwongen, Szeged belegerd en is in de belegering gestorven. Maar zijn zoon Zelinus de tweede zoon zo het rijk erfelijk is heeft hetzelfde Szeged later in 1566 vernield en geplunderd. Alzo op die manier zijn er in 260 jaren deze elf Turkse keizers geweest die een goed deel van Afrika en wat meer in Europa en het grootste deel van Azi‘ onder hun tirannie hebben gebracht. Wie echter meer van deze historie te weten begeert die leest Paulus Iovius, Christopher Richer van Siena, Cuspianus, Baptista Egnatius, Gilbertus Nozoremus, Andreas Lacuna, Pius II kapittel 4 van Europa en andere meer zo van het Turkse handelen geschreven hebben Laonicus Chalcondylas heeft de Turkse aankomst en het Ottomaanse geslacht zeer vlijtig beschreven.

 

 

51. PALESTINA, oder das Heylige Land.

Palestina, vor zeitten Chanaan genandt, begreifft Iudaeam, Samariam, und Galilaeam, wiewol man offt gantz Palestina Iudaeam nennet, Gegen dem Auffgang, grenitzet es mit den Berg Libanon, gegen den Nidergang, st™sset an das Ph‰nieische Meer, hat gegen Mitternacht Phoenicen, und gegen Mittag das steynigte Arabiam. Gegen Abent, da der See Sirbonis herfŸr kompt, wonen die Idumaei, welcher St‰tte sein, Maresa, Rhinocorura, und das hinein, Raphae, Gaza, (welche etliche zu Iudaea rechen) Anthedon, Ascalon, Azotus. Iudaea, ligt vom Nidergang und Mittag an Idumaea, haben aber doch keine gewiese grenitzen, und erstrecket sich von unserm Meer, so jme gegen Mitternacht ist, an den See Asphaltiten, und etwas bas nžber, da mans uber den Iordan heist. Vil St‰tte sind in Iudaea, aber unten allen St‰tten des gantzen Orients, ist Ierusalem die beržmptest, von wegen des Tempels, der mit seinen namen und geržcht die gantze Welt erfžllet hat, Der K™nig Salomon hat denselben in 7 Jaren mit 150000 Wercleuten gebawet. Darnach ist der Marckt Ioppe, jetzund Iaffo genandt, der Thurn Stratonis, welchen der vierfŸrst Herodes wider auffgebawet, und dem Augusto zu ehren Caesaream genendt hat. Was hinein nit weit von Ierusalem, ligt Bethleem, Hebron, Cypris, und uber den Iordan, Macherus, Sodoma, Gomora, Auff Iudaeam volget Samaria, so zwischen unserm Meer, und dem See Tiberiades ligt, Hat dise st‰tte: Sichem, Sichima, welche hernach Neapolis genandt ist worden, Capernaum am Ufer des Sees Genezareth, Bethsaida am Iordan, Corazim, Magdalum. Galilaea wirt gegem Auffhang in Siriam Cavam, vom Nidergang Phoeniciam eingeschlossen, gegen Mitternacht ligt Libanus, und Antilibanus, vom Mittag Samaria, hat diese St‰tt: Nain, Cana, Nazareth, Gadera, Galilaea, die Heydnische genandt, so grentzet mit den Tyrern im Lande Nephtalim, Dann das ander ligt im Lande Zabulon, gegen Tiberias, und dem See Genezareth uber. Der Flusz Iordan entspringt Im Antilibanon, mit zweyen quelen, unter welchen die eine Ior, die ander Dan, genannt wirt, Rinnet mitten durch Iudaeam, wann er mit Wasser und namen wider zusammen kommt, macht er zwey See, Nemlich, Genesaram, und Tiberiadem, und fellet letzlich in den See Asphaltitem, der Bech auffwŸrfft, und nichts untergehen lest, und von wegen seines Wassers unbewegligkeit, das todte Meer genandt wirt, Mit dises Sees gifftigen und stinckendem Wasser, menget der Iordan sein gut und l™blich Wasser, bisz er sich in demselben gar verlewrt. Ein zimmlichen langen strich von Ierusalem, ligt ein gegend, so mit den Fewer Gottes von himel, ist auszgebrennet worden, Dann das Land hin und wider vol aschen ligt. Die ™pffel so desseleben ortes wachsen, ob sie wol aussen gržn und gut zu essen scheinen, sind sie doch inwendig vol schwartzes russes, also, das man jr nit geniessen kan. Wol in Iudaeam hinein, wonen die Esseer, welche jr besondere und von andern leuten abgesonderte breuch haben, enthalten sich von Weybern, Wein und Fleisch, fasten t‰glich, also das es jnen Natžrlich wirt, brauchen kein Geld, leiden gedultiger den Tod, dann das sie jre Gottesdiensten und andere gute welck solten lassen, Ist ein ewig und stetwerend Volck, Dann ob wol niemand bey jnen geboren wirt, erhalten sie sich doch und wachsen wider von denen die t‰glich zulauffen, Solchs haben alles wir ausz des Georgij Rithmeri beschreibung genommen, Und haben disz l™blich Lande neben der heyligen Bibel, auch andere beschrieben, Nemlich, Iosephus im 3 Buch, vom Jždischen Krieg, am 2 Cap. F. Brochardus der MŸnch, sehr weitluefftig, Vadianus in seinem Epitome oder kžrtzen auszzžglein von den dreyen theylen der Welt, auch sehr kžnstlich. Item Iacobus Ziglerus, Vvolffganges Vuissenburg, Postellus im Bžchlein de Universitate, und andere mehr, die es selbst gesehen und durchwandert haben, Als Petrus Bellonius, in seinen Observationibus, Andreas Thenetus in seiner Orientischen Cosmographi, Iodocus ˆ Gistele. Dises Landes, oder vil mehr, der gantzen Welt vornembste Statt Ierusalem, hat Iosephus in 6 Buch des Jždischen Kriegs, sehr eben und genaw beschrieben, Es hat auch von derselben newlichen Adamus Reisnerus 7 Bžcher auszgehen lassen, Zu disen kan einer auch nemen, der seligen Marie Rayse, von Georgio Agricola Hammonio beschriben.

51. Palestina of het heilige land.

Palestina dat eerder KanaŠn genoemd werd omvat Juda, Samaria en Galilea hoewel men vaak gans Palestina Juda noemt. Tegen het Oosten grenst het aan de Libanon en tegen het Westen aan de zee van Phoenici‘, in het Noorden Phoenici‘ en tegen het Zuiden het stenige Arabi‘ Petraea.  Tegen het Westen het meer Sirbonia verschijnt daar wonen de Idumaea wiens steden zijn: Maresa, Rhinocorura en naar binnen Raphaea, (Raphia) Gaza (die ettelijke tot Juda rekenen) Anthedon, Ascalon en Azotus.

Juda ligt van het Westen en Zuiden aan Idumaea en maar heeft echter geen zekere grenzen en strekt zich van het meer zo naar het Noorden aan het asfalt meer (Dode Zee) en wat beter verder dat men over de Jordaan noemt. Veel steden zijn er in Juda maar onder alle steden van het ganse Ori‘nt is Jeruzalem de beroemdste vanwege de tempel die met zijn naam en geur de ganse wereld gevuld heeft en koning Salomon heeft die in 7 jaren met 150 000 werklieden gebouwd. Daarna is de markt Joppe en nu Jaffa genoemd, de sterkte van Strato die de viervorst Herodes weer opgebouwd heeft en om Augustus te eren Caesarea genoemd heeft. Meer inlands en niet ver van Jeruzalem ligt Bethlehem, Hebron, Cypris en over de Jordaan Macherus, Sodom en Gomorra. Op Judea volgt Samaria zo tussen onze zee en het meer van Tiberias ligt. Het heeft deze steden: Sichem of Sichima die later Neapolis is genoemd geworden, Capernaum aan de oever van het meer van Genezareth, Bethsaida aan de Jordaan, Corazim, Magdalum. Galilea wordt tegen het Oosten ingesloten door de grotten van Syri‘ en in het Westen door Phoenici‘, in het Noorden ligt de Libanon en Antilibanon, in het Zuiden Samaria en heeft deze steden: Nain, Cana, Nazareth, Gadera, Galilaea die de heidense genoemd wordt en grenst met de Tyre in het land Naphtali. Dan het, het andere deel van Galilea ligt in het land Zebulon tegenover Tiberias en het meer van Genezaret. De stroom Jordaan ontspringt in de Antilibanon met twee bronnen waarvan de ene Jor en de andere Dan genoemd wordt en stroomt midden door Juda wanneer het met water en namen weer tezamen komt maakt het twee meren, namelijk Genesaret en Tiberias en valt tenslotte in de asfalt of Dode Zee die pek opwerpt en niets laat ondergaan en vanwege zijn water dat onbeweeglijk is Dode Zee genoemd wordt. Met dit meer vergiftige en stinkende water mengt de Jordaan zijn goede en lieflijke water totdat die zich er geheel in verliest. Een tamelijk lange streek van Jeruzalem ligt een gebied dat met het vuur van God vanuit de hemel verbrand is geworden. Dan dit land is heen en weer vol as. De appels zo in dit oord groeien en ofschoon ze van buiten groen en goed te eten schijnen zijn ze toch inwendig vol zwarte roer alzo dat men ze niet eten kan. Binnen Juda wonen de Essenes die hun bijzondere en van andere lieden afgezonderd gebruik hebben en onthouden zich van vrouwen, wijn en vlees, vasten dagelijks alzo dat het hun natuurlijk wordt en gebruiken geen geld, lijden geduldig de dood dan dat ze hun Godsdiensten en andere goede werken zullen laten. Het is een eeuwig en steeds durend volk. Ofschoon er niemand bij hen geboren wordt houden ze zich toch en groeien weer van diegene die dagelijks toelopen. Zulks hebben we alles uit Georg Rithaymer beschrijving genomen. En hebben dit loffelijke land naast de Heilige Bijbel ook andere beschreven, namelijk Josephus in het 3de boek van de Joodse oorlogen in het 2de kapittel. F. Brochardus de monnik zeer uitvoerig. Vadianus in zijn epitome of korte uitlegging van de drie delen van de wereld, ook zeer kunstig. Item Jacobus Zieglerus, Wolfgang Wissenburgius, Postellus in het boekje de Universitate en andere meer die het zelf gezien en doorgewandeld heeft als Petrus Bellonius in zijn observaties, Andreas Thevetus in zijn Ori‘ntaalse kosmografie. Jodocus van Ghistel. Dit land of veel meer en de ganse wereld voornaamste stad Jeruzalem heeft Josephus in 6 boeken van de Joodse oorlogen zeer goed en nauwkeurig beschreven. Daarvan heeft ook Adamus Reisnerus 7 boeken er van laten uitgaan. Hiervoor kan  iemand ook nemen de zalige Maria reis van Georgius Agricola Hammonius beschreven.

 

 

52. NATOLIA, oder klein ASIA.

Petrus Bellonius, sagt in den gelehrt oder Kžnstreichen Observationib: seiner Raysen, das diser theyl Asiae, von den alten das kleiner genandt, diser zeyt bey den Tžrcken Natolia oder Anatolia heisse, von dem Gr‰ckischen w™rtlein Anatole, so den Oriem oder Auffgang bedeut, Das auch alle L‰nder in Asia, uber Propontidem und Hellespontum (so dem Ottomanischen Geschlecht unterthenig) gelegen, unter disen namen begriffen worden, Nemlich gantz Phrygia, Galatia, Bithynia, Pontus, Lydia, Caria, Paphlagonia, Lycia, Magnesia, Cappdadocia, und Comagena, Welcher nur diser L‰nder gelegenheit, und was heutiges tages fŸr gewonheyt zuleben, und andere gebreuch darinnen sein, begert zuwissen, der suches es bey disem Authore, welcher dann am besten, als der es selbs mit augen gesehen, davon zeugnus geben kan. Er besehe auch Andreae Theveti Orientische Cosmographi, wie ers nenet. Item Nic: Nicolai Orientales observationes, Petri Gillij Bosphorum, Die Insul Rodis so an klein Asia leit, hat Theodoricus Adamaeus von Schwallemberg beschriben.

 

AEGYPTUS, Egypten.

Egypten ist von wegen jres alters und Herrlicher thaten, so darinn geschehen, bey allen Autoribus wol bekandt, wirt in das Meer Mediterraneum, Arabischen Sinum, das Land Bugia, unddie Wžsten in Lybia eingeschlossen, Nilus, so der gr™ssiste Flusz des gantzen Erdbodens ist, theylt es mitten von einander, In dem ligen Alexandria, von alters ein beržmmte Kauffstatt, Item Cayrus, oder Alcayr, so diser zeit unter die gr™ssisten Statt des gantzen Africae gerechnet wirt, und dann die wunder grossen Pyramides, so von wegen jrer h™he, jeder zeyt beržmpt, und unter die siben wunderwerck der Welt sind gerechnet worden, Wer nun von disen allen etwas zu wissen begert, der lese ausz den Alten: Diod: Siculus, Lib: I, Strabonem, Herodotum, und Plinium. Ausz den Newen, Petrum Bellonium, Dominicum Nigrum, und Laurentium Corvinum Novoforensem. Sonderlich aber, Iohannem Leonem, so dises Land vleissig durchsehen, und alle antiquiteiten und gelegenheyt der St‰tt und V™lcker, in sonderheit beschrieben hat. Ludovicus Nugarola hat ein Dialogum den er Timotheum oder vom Nilo nennet, lassen auszgehen, Auch hat Ioannes Goropius Becanus unter seinen Beccesilanis ein Niloscopium geschriben, Und wir haben auch vor jaren ein Tabulam Egypti grosser form auszgehen lassen, in welcher die alte und newe delineation oder entwerffung, ausz den Alten und Newen Scribenten (nach unsern verstand und masz) begriffen ist, Dise aber so du hie sihest haben wir ausz den Tabulen, in Italia gedruckt.

 

Der Port zu CARTHAGO.

Es ist nicht unsers vorhabens, das wir die Statt Carthago, so nach dem R™mischen Reich geeyffert, und nechst Rom, die ander zyr der Welt gewesen ist, beschreiben w™llen, weil wir aber derselben Sinum oder Hafen in diser Form in Italia haben feyl gesehen, haben wir dafŸr geacht, das denen so zur Geographia lust haben, nit ubel wžrde gedienet sein, wann wir denselben auch in dises Werck setzen, Haben je derohalben mit disen des Pauli Iovij worten exprimirn und beschreiben w™llen, Der Carthaginensische Sinus, Hafen, oder Buge des Meers, hat disen Form, das sein einfurt sich vor denen so vom hohen Meer hinzu schiffen, verbirget, dieweil das Promontorium oder vorgebirge, Clupeo, von den alten, Mercurij und Pulchri genennet, sich sehr gegem Nidergang oder Sonnen strecket, Un dwann es sich nachmals einwarts beuget, macht es ein ander Promontorium, oder vorgebirg, so die Alten Apollinis jetziger zeyt aber die Schiffleut Zafranium nennen, Von dannen aber kržmt es sich wider in form des Monds hindersich, gegen den Faucibus oder engenorten Guletae, und lest auff der lincken der Statt Radae so vom dem heylsamen warmen Bade beržhmet, das Land ligen, Dagegen uber aber, sihet man die zerst™rte verfallne Statt Carthago. So vil sagt diser. Magst aber bey Ioanne Leone auch ander nahend umbligende ort besehen.

52. Anatoli‘ of Klein Azi‘.

Petrus Bellonius zegt in de geleerde of kunstrijke observaties van zijn reizen dat dit deel van Azi‘, van de oude het kleinere genoemd, deze tijd bij de Turken Natolia of Anatoli‘ heet van het Griekse woordje Anatole wat het Oosten of opgang betekent. Dat ook alle landen in Azi‘ over de Propontis (zee van Marmara) en Hellespont of Dardanellen (aan het Ottomaanse geslacht onderdanig) gelegen onder deze namen begrepen worden, namelijk gans Phyrgi‘, Galati‘, Bythi‘, Pontus, Lydia, Caria, Paphlagonia, Lyci‘, Magnesia, Cappadoci‘ en Comagena. Die van deze landen gelegenheid en wat tegenwoordig voor gewoontes om te leven en andere gebruiken die daarin zijn begeert te weten die zoekt het bij de auteur die dan het beste als die het zelf met de ogen gezien heeft daarvan getuigenis kan geven. Hij beziet ook Andreus Thevetus Ori‘ntaalse kosmografie zoals hij het noemt. Item, Nicolas Nicolai Ori‘ntaalse observaties, Peter Gillius Bosphorus, het eiland Rhodes zo aan klein Azi‘ ligt heeft Theodoricus Adamaeus van Svallemberg beschreven.

 

Aegyptus, Egypte.

Egypte is vanwege zijn oudheid en heerlijke daden zo daarin geschiedden bij alle auteurs goed bekend. Het wordt in de Middellandse Zee en de Arabische golf, het land Bugia en de woestijn van Libi‘ ingesloten. De Nijl, wat de grootse stroom van de ganse aardbodem is, deelt het middendoor. Daarin liggen Alexandria een vanouds beroemde koopstad, item Cairo of Alcayr dat in deze tijd onder de grootste steden van het ganse Afrika gerekend wordt en dan die wonder grote piramiden die zo vanwege hun hoogte elke tijd beroemd en onder de zeven wonderwerken der wereld gerekend worden. Wie nu van dit alles wat te weten begeert die leest uit de Ouden; Diodorus Siculus boek 1, Strabo, Herodotus en Plinius. Uit de nieuwen Petrus Bellonius, Dominicus Niger en Laurentius Corvinus van Novoforensis. Maar vooral Joannes Leo die dit land vlijtig doorzocht en alle antiquiteiten en gelegenheid van de steden en volken apart beschreven heeft. Ludovicus Nugarola heeft een dialogue die hij Timotheum of van de Nijl noemt laten uitgaan. Ook heeft Johannes Goropius Becanus onder zijn Becceselana een Niloscopium geschreven. En we hebben ook jaren geleden een map van Egypte in grote vorm laten uitgaan waarin de oude en nieuwe declinatie of ontwerp uit de oude en nieuwe schrijvers (naar ons verstand en maat) begrepen is. Deze die u hier ziet hebben we uit de map die in Itali‘ is gedrukt.

 

 

 

De haven van Carthago.

Het is niet ons voornemen dat we de stad Carthago zo naast het Romeinse rijk geijverd en naast Rome de andere sier van de wereld is geweest beschrijven willen omdat e echter die sinum of haven in deze vorm in Itali‘ hebben gezien hebben we daarom geacht dat diegene die tot geografie lust hebben het niet slecht zou dienen als we die ook in dit werk zetten. We hebben daarom met deze van Paulus Jovius woorden discussie beschrijven willen. De haven van Carthago, sinus of bocht van de zee heeft deze vorm dat zijn invoer zich voor diegene zo van de grote zee er naar toe varen verbergt omdat het Promontorium of voorgebergte, Clupea, van de ouden en Mercurius voorland genoemd, zich zeer tegen het Westen of de zon zich strekt. Wanneer het zich dan later naar binnen buigt maakt een ander voorgebergte of Kaap die de ouden Apollinis en nu de scheepslui Zafranio noemen. Vandaar kromt het zich weer in de vorm van een maan naar achter tegen de Faucibus of enge oord Guleta en laat aan de linkerkant de stad Rada, zo van de heilzame warme baden beroemd, het land laat liggen. Daartegenover echter ziet men de verstoorde vervallen stad Carthago. Zo veel zegt hij. Mag echter bij Johannes Leo Africanus ook andere in de buurt liggende oorden bezien.

 

 

 

53. BARBARIA.

Die Scribenten, so Affricam am newlichsten beschrieben haben, theilen dasselb in vier theil, und nennen unter denselben dises Lands den ersten, Gegem Auffgang setzen sie jme die Wžsten Marmaricae, (jetzund Barcha genandt) bisz zu dem stžck ders Bergs Altantis, so heutiges tages Meies heist, und villeicht von Strabone unter den namen Aspis beschrieben wird, Den Berg Atlas aber (in die lenge von Auffgang gegen Nidergang zu rechnen, bisz ohne das Meer, so von jme Atlantiacum, das Atlantische Meer genandt wirt) hat es gegen Mittag. Von Nidergang das Atlantische Meer, und st™sset jme dar Mare Mediterraneum, das ist, das Meer so mitten durch die Welt gehet, an die seitten gegen Mitternacht. Diser teyl Africae, wird heutigs tages, fŸr den besten und edelsten gehalten, und in vier Reich oder Provintzen getheylet, Nemlich in Maroch, Fess, Tolesin, und Tunis. Die Leut si darinn wonen, sind etwas braun, In den St‰tten gibt es Leut, so sonderlich in bawen und allerley Mathematische kŸnst zuerfinden richtig und geschickt sein, wie dann solchs ausz jren kžnstlichen gebewen wolabzunemen ist, Seind (wann anderst Ioanni Leoni zuglauben) sehr from, on allen betrug, also das sie nit allein die eynfalt und warheit annemen, sonder auch selbsten dieselbsten mit der that beweisen, Halten alles was sie gelobet, und zugesagt, Kein Volck ist das si eyfert, also, das sie lieber sterben wollen, dann jhrer Weiber halben eynigerley schmach. Sonderlich sind si begirig nach Reichthumb und ehre, raysen derowegen Kauffmanschafft halben, schier durch die gantze Welt. Die so in Zelten wonen, das ist, des Vihes warten, fromm, groszmžtig, gedultig, freundlich hauszhalter, und haben, so jrgend ander, zur auffrichtigkeit und redligkeit lust, gleich aber wie niemand durch ausz unstreflich ist, also haben auch dise Leut jre m‰ngel und gebrechen, Dann die in St‰tten sein hoffertig und auffgeblasen, und dazu uber die masz geneygt, also das sie auch die geringste unbilligkeyt so jenen begegnet, in einen harten stein (wie das Sprichwort lautet) pflegen zuschreiben. Die so auff dem lande wonen, haben jren Bewrischen sitten und grobheit so ein lust und gefallen, das ein auszl‰ndischer schwerlich jr kund und freundschafft zuwegen bringen kan, Seind einfeltiges verstande, also das sie auch denen so unm™gliche ding erzelen, leichtlich glauben geven, Wissen nichtes von der Physica Philosophia oder Natur erkžndigen, Halte alle Natžrliche wžrckungen, fŸr G™ttliche ding. Der Cholerischen Gall stecken sie so vol, das man beym tage kaum durch ein gassen gehet, in der nit zwen oder dreysich mit einander schlagen, Reden alleweg, als weren sie zornig, und schreyen uberausz laut, Disz sey genug von der Inwoner sitten, Jetzt w™llen wir auch etwas von eygenschafft des Landes sagen: Der theyl so gegen dem Mari Mediterrane ligt, ist aller Birgicht, von disem Gebirg bisz an Atlanten ist ein grosse und breyte eben, und etliche Hžgel, Daselbst sein sehr vil Brunnen, und durchfeuchtens alles feine lžstige B‰chlein, Bringt vil Datteln und Granat™pffel. Am Getrayde ists nit so gar fruchtbar, andere frœchten aber wachsen reichlich, und hat Feygen und Oliven einen uberflusz. Der Berg Atlas ist seht kalt und unfruchtbar, allenthalben w‰ldicht und mit schnee bedeckt, ausz jm entspringen fast alle Flžsz in gantz Africa. Die kelt ist dan nie mehr so hefftig, das man derhalben Fewer anzžnden musz, zu ende des Herbstes, den gantzen Winter und gžten des Fržlings, gibt es ungestžme wind werden auch biszweilen mit Hagel, Blitz und schr™ckligem Donnern wol geplagt, So mangelt es auch an etlichen orten an vil Schnees nit, rc. Bey Iohanne Leone ausz Africa aber, findest du dise L‰nder fleissig beschrieben, Item bey Iazello in der 6 und hindersten Decade, desl. Buchs, von Sicilischen H‰ndlen, Das reich Mareck hat Coelius Augustinus Curio sonderlich beschriben, bey denen mag mans suchen.

53. Barbarije.

De scribenten zo Afrika op het nieuwste beschreven hebben delen het in vier delen en noemen als eerste daarvan tegen het Oosten de woestijn Marmorica (nu Barcha genoemd) tot het stuk van de berg Atlas wat tegenwoordig Meies heet en mogelijk van Strabo onder de naam Aspis beschreven werd. De berg Atlas echter (in de lengte van het Oosten tot het Westen te rekenen tot aan de zee zo het daarvan Atlantische Zee genoemd wordt) heeft het tegen het Zuiden. In het Westen de Atlantische Oceaan en stoot aan de Middellandse Zee, dat is het meer zo midden door de wereld gaat aan die kant tegen het Noorden. Dit deel Afrika wordt tegenwoordig voor het beste en edelste gehouden en in vier rijken of provincies gedeeld. Namelijk in Marokko, Fez, Telesine en Tunis. De lieden die daarin wonen zijn wat bruinachtig. In de steden zijn er lieden die vooral in bouwen en allerlei mathematische kunst te vinden goed en geschikt zijn zoals dan zulks uit hun kunstige gebouwen goed te vernemen is. Zijn (als Johannes Leo Africanus te geloven is) zeer vroom en zonder alle bedrog alzo dat ze niet alleen de eenvoud en waarheid aannemen maar die ook met de daad bewijzen. Houden van alles was ze beloofd en toegezegd is. Geen volk is er dat ijverig is dan dat ze liever willen sterven dan dat ze hun vrouwen iets verkeerd doen en vooral zijn ze begerig naar rijkdom en eren en reizen daarom vanwege koopmanschap vrijwel door de hele wereld. Die zo in tenten wonen en het vee bewaken zijn vroom, grootmoedig, geduldig, vriendelijk huishouden en grote liefhebbers tot oprechtheid en redelijkheid, maar gelijk echter zoals niemand geheel zonder zonden is zo hebben ook deze lieden hun kwalen en gebreken. Dan die in de steden zijn hovaardig en opgeblazen en daartoe over de mate geneigd dat zo ook de geringste onbillijkheid zo iemand doet en met een hard hart (zoals het spreekwoord luidt) plegen te toe te schrijven. Die zo op het land wonen hebben hun boerse gebruiken en grofheid zoÕ n lust in hun geest dat een buitenlander moeilijk tot hun vriendschap gebracht kan worden. Zijn eenvoudig van verstand alzo dat ze ook diegene die onmogelijke dingen vertelt licht geloven kunnen. Weten niets van de fysica, filosofie of natuur verkondiging. Houden alle natuurlijke werkingen voor goddelijke dingen. Ze zijn zo haastig en gauw aangeschoten zo dat men over dag nauwelijks door een poort gaat waarin er niet twee of drie met elkaar slaags zijn. Spreken altijd alsof ze toornig zijn en schreien zeer luid. Dit is genoeg van de zeden van de inwoners. Nu willen we ook wat van het eigenschap van het land zeggen. Dat deel zo tegen de Middellandse Zee ligt is geheel bergachtig en van dit gebergte tot aan de Atlas is een grote en brede vlakte en ettelijke heuvels. Daar zijn veel bronnen en bevochtigen alle fijn lustige beekjes. Brengt veel dadels en granaatappels. Aan graan is het niet zo vruchtbaar, andere vruchten echter groeien rijkelijk en heeft vijgen en olijven een overvloed. De berg Atlas is zeer koud en onvruchtbaar en overal woudachtig en met sneeuw bedekt waaruit vast alle stromen van Afrika ontspringen. De koude is dan niet meer zo heftig dat men daar vuur moet maken. Aan het einde van de herfst, de ganse winter en goed deel van voorjaar geeft het onstuimige winden en ook soms met hagel, bliksem en wordt met verschrikkelijke donderslagen veel geplaagd. Zo ontbreekt het ook niet aan ettelijke oorden aan veel sneeuw etc. Bij Johannes Leo uit Afrika echter vind u deze landen vlijtig beschreven. Item bij Fazellus in het 6de boek en achtste decade van dat boek van het handelen van Sicili‘. Het rijk Marokko heeft Coelius Augustinus Curio apart beschreven waarbij men het mag zoeken.

 

 

 

Epistel Humfredi Lhuid, von Mona der Druidum Insul. (Anglesey)

Ein Epistel, des Edlen und gelehrten Herrn Humfredi Lhuyd, von Mona, der Druidum Insul (deren wir in beschreibung Engelandes gedacht) wie die wider zu alten wirden gebracht worden. In welcher auch von dem Britannischen Schlosz, dessen in Holland meldung geschehen, nicht ein unebene Disputatio ist.

ein lieber und wolgelehrter Herr Orteli, ich bedancke mich gegen euch zum h™chsten, das jr freundschafft, so newlich zwischen uns entstanden, nicht vergessen habt, sonder schrifftlich mit ewren grus vermelden lassen, auch mich einer schenck die mir sonderlich angenembst ist, wirdig geacht: Und nime Gott zum zeugen, das mir auff Erden nichts liebers begegnen k™nte, dann das ich, so es der ferne von einander ligenden ort halben geschehen k™nte, bey gelehrten leuten, die die Antiquiteten erhalten und handhaben, leben solte. Ehe ich aber ewrer mir sehr angenemen und lieblichen Epistel vollend antworte, musz ich zuvor dises praesirn und melden, Nemblich, das ich mich, nach dem ich gute kunst kaum von ferne angesehen, in die kundschafft und Hofgesind desz Durchleuchtigen Fžrsten, des grafen von Arundeli begeben, bey demselben gantzer 5 Jar verharret, und daselbst dise gantze zeit keine gelegenheit, lateinisch zureden oder zuschreiben, hab haben k™nnen, daher es kommet, das ich die elegantz und zirligkeit der Lateinischen sprach, nicht halten kan. Derhalben ich dann ewer Gunst und Freundligkeit bitte, sie wolte, da ich im reden jrrete, und einen Barbarismum begienge, mir dasselbse zu gut halten, und nicht die Eloquentiam oder beredbarkeyt, sonder die sachen selbst, so mit gemeinen Lateinischen worten, one sonderlichen wolstand und zyr der Sprach, angezeygt werden, nehen freundlichem geneigten willen, ansehen. Da ich auch forrhin was wŸrd euch ubersenden, das jr ewrem Buch, (welchs dem verheissen mach, was sonderlich wirt sein mžssen) zuverleiben gedacht, wil ich euch hiemit mir zu einem logodaedalo und wirtzirer verordnet end bestellet haben. Unter desz wist euch des Britanischen Thurrens halben, welches namen durch desz Ortelij gedruckte Tabulen, der gantzen Welt bekand worden, si vil ausz etlichen vermutungen abzunemen (dann ich nichts gewises gelesen hab) dises zuberichten Nemlich, das man ausz unsern Annalibus oder Jarregistrn, so in Brittanischer Sprach geschriben, gewisz weis, das die Brittanni, und alle so am Oceano oder hohen Meer gewonet, vor zeitten Meerrauber gewesen, und derhalben offt in Morianam, Rutheniam oder Germaniam oder Teutschland geschiffet haben: Welche namen, Morianae und Rutheniae, die unsern und Engelander, so unsere Historien verdolmetschet, weil sie der Historien und Sprachen unerfaren gewesen, in Mauritiam und Russiam, das ist Morenland und Reussen, unrecht verkert haben. Weil nun kein gelegnerer Port war, dann desz grossen Wassers einflus ins Meer ist wol zuglauben, das sie offt in dieselbe gegent geschifft, und derhalben die Inwohner einen Thurrn, in dem sie sich wider derselben anlauff und gewalt schžtzen und auffhalten konnten, gebawet, welches Gebew nachmals die R™mischen Keyser (ob sie wol den namen behalten) anders wozu gebraucht haben. Eben ausz disem grund kan man eine andere vermutung haben: Da zu Keyser Antonini zeiten das Meer von wegen der Sachssen, und Phrisen unsicher war, hat er dises Gebew auffgericht, und in dasselbige ausz dem Brittanischen haussen Kriegsvolck gelegt, daher es dann auch disen namen kan bekommen haben. Noch eine vermutung ist vorhanden, die man an statt der aller behalten kan: Weil derselben zeit Britannia gleichsam en Getraydkaste desz Keyserthumbs in Occident gewesen, und von dannen das getraid over j‰rliche frŸcht und andere notturfft durch die Brittannen zu unterhaltung desz Kriegsvolcks, so die Teutschen Grenitzen schŸtzen und verwaren solten, verfžret wžrde, auch kein bequemer ort zur abladung und niderlag der gžter, dann da das grosse Wasser der Rhein ins Meer fleust, zu finden war, von dannen man gedachtes Getrayd und notturft, auff andern Schiffen gegen dem strom desz Wassers, durch die Geldrer, bisz an C™ln und Meyntz (wie auch diser zeit geschihet) fžren konnte, hat daher derselben ort, weil da sich die Britannischen Kauffleut verhielten, und desz zugefžrten getrayds gleichsam gemeyner Kast war (wie dann Ammianus Marcellinus schreibt, das der Keyser Iulianus in Franckreich und Teutschland, vil solcher ort zu verwarung desz Britannischen getraydes und Proviant habe gebawet, und die so verbrent und eingerissen waren, wider auffrichten lassen) von der Britannier menge, den Britannischen namen bekommen. Disen blossen vermutungen, wiel sie sich auff kein gewisz zeugnus gržnden, lasse ich ewren iuditio nach wietter nachforschen, und trage keinen zweifel, jr, als der von vilen dingen bericht weis, werdt vil besser ding auff die ban bringen k™nnen. Nun musz ich auch euch, dem ick one nachteil und schande nichts, so mir mžglich, versagen kan, etwas von dem namen und gelegenheit der Insul Mona schreiben, so vil ich in Alten und Newen Autoribus observirt, auch selbsten erfarung, und der Britannischen sprach, deren sich die Inwoner derselben Insul gebrauchen, gelernet hab. Wiewol ich weis, das mir dessen halben jr vil schimplich nachreden werden, weil man die jrrthummen, so einmal gefasset worden, den Leuten schwerlich entnemen kan, sonderlich dieweil sie auch durch desz beredten und Wolgelehrten Polydori Vergilij Autoriteit confirmirt und bekrefftiget sein. Aber ich kan (doch mit erlaubnusz und gunst) in der warheit sagen das diser Mann sein Annales oder Jarbžchern mit offentlichen erroribus, und wol tausenterley mengeln erfŸllet hab, welches jme dann nit alllein daher begegnet, das er der Britannischen sprach, (welche die Engelender nach Teutscher gewonheit, darumm das sie die nit verstehen, Uvallicam oder die Welsch nennen) unkžndig ist, da man doch one dieselben auch den namen der Insul nit verstehen kan, weil jn etliche einem mit P, etliche mit einem B, etliche mit einem Ph schreiben: Sonder auch, weil er die bessern Autores nicht gelesen, oder derselben Autoriter, ausz neyd gegen dem Britannischen namen, den doch die Edlen R™mischen Keyserlich und werth gehalten, gering achtet, von sich selbs vil helt, und (die bessern hindan gesetzt) einem Guilhelmo, so mit namen und that klein und blind, als een blinder gefolget hat, Aber wann gleich diser unverschampte l‰ster der Britannischen Glori und rhumes zerbersten solt, weil ausz den Greckischen Scribenten, Diodorus Siculus, Dion Cassius bis Consul, Herodianus, Plutarchus, Pausanias, Ptolemaeus und Strabo. Ausz den Lateinischen: Des Caesaris Commentaria, Cornelius Tacitus, Eutropius, Suctonius, Orosius, Aelius Spartianus, Iulius Capitolinus, Aelius Lampridius, Flavius Vopiscus, Aurelius Victor, Ammianus Marcellinus, Sextus Ruffus, Die Panegyrica oder Lobschrifften Mamertim und anderer, Plinius, Antonius, Mela, und Solinus, one die alten JarbŸcher in Brittanischer sprach geschriben, die drey Gyldas, Nenium, und vul andere Gelehrte leut die vor der Engelender zukunfft (welche die unsern noch, dem alten namen nach, Sachssen nennen) die Britannische H‰ndel und sachen, mit jren Schrifften illustrirt und berhžmbt gemacht. Und nach dem sie dises stžck der Insel erobert, das sie Engeland, wir aber, mit dem alten namen, Loegriam nennen, der Asserius, Obernus, Foelix, Monumentensis, Huntyntontensis, Malmesburiensis, Annovillanus, Iscanus, Necchiamus, Gyraldus von Paris, Trenetus und unzelig vil andere, wann gleich (sage ich) diser Meyster geschefftige und stoltze Urbinas, der die dapffern thaten der Britannen anbellet und lestert, zerbersten solt, wirt er doch mimmermehr, weil ehegedachte Scribenten den namen und Glori der Britannen so hoch rhžmen, mit seinen unwarrhaften Calumnien, desz Britannie gut geržcht und ehr, von so vil daffern und hohen Leuten gepreiset, verdunckeln, oder derselben einen schadfleck anhencken k™nnen.

Nun mŸssen wir wider zur Insul Mona kommen, welche Polydorus eben vermessen genug, jres alten namens beraubt, on namen letzt, und Menaviam met zweyen zyret, welches man dann leichtlich, ausz den R™mischen, Grichischen und Britannischen Scribenten, neben der jnwohner sprach, auff dise weise probiren und erweisen kan. Gewis weys man ausz Caesare, Tacito und andern, das die Insul Mona mit Britannia grentze, und zwischen derselben und Ivernia gelegen sey, in welchem Meer nur zwo Insulen, (one die Hebrides) etwas namhafft und grosz sein, und musz diser beyden eine der Alten Mona gewesen sein, derhalben wir beyder Insulen gelegenheyt fŸr augen stellen w™llen, damit man das ubrige desto leichter verstehen m™ge, Die erste, welche Polydorus, Angliseam nennet, grentzet mit disem theyl Britanniae, den wir Cambraim, die Engelender Uvalliam nennen, und wirt von demselben durch einen kleinen Sinum oder Hafe des Meers, (von den Jnwohnern Menai genandt) so beym mitterl der Insul nit uber tauset Schritt breyt ist, abgescheyden. Gegen Auffgang der Insul, ligt eine sehr starcke Vestung, und sch™ne Statt, von Eduardo K™nigen in Engeland, dem ersten dises namens, erbawet, und Bello Marisco genennet. Gerard gegen uber, hat es ein ort, von dem man sehr fžglich in Iverniam schiffen kan, welchs von den Engelendern offt geschihet, die denselben ort Holy head, ein heiliges Haupt, wir aber Ca‘rcybi, das ist: die Statt Kybij nennen. In derselben Insul ist Aberfrau, von dreyhundert Jaren her, desz Fžrsten in Guynedhia (welchs die Engelender Nortwallen, die Barbari Venedociam nennen) Fžrstlicher Sitz und wonung. Hat an Schafen und Rindern, der Insul gr™sse nach zurechnen, ein zimmlichen vorrat, und an Waytz ein solchen uberflusz, das mans von wegen solcher fruchtbarkeyt, gemeynglich Cambriae Mutter nennet. An Holtz aber ist grosser m‰ngel, wiewol man t‰glich grosse st™ck, Wurtzel, und uberausz lange Dannenb‰um auff dem Velde unter der Erden findet, Die Inwoner reden die Britannische sprach, k™nnen gar nit Englisch, doch sind sie jnnerhalb 300 Jaren sampt den andern Cambria den K™nigen in Engeland unterworffen gewesen.

Epistel van Humfredi Lhuid van Mona, het dru•den eiland. (Anglesey of Holy island)

Een epistel van de edele en geleerde heer Humfredi Lhuyd van Ynys M™n, het dru•den eiland (die we in de beschrijving van Engeland vermeld hebben) die weer tot de oude waarde gebracht zal worden. Waarin ook de Britse kastelen waarvan in Holland melding gedaan niet een onduidelijk disputatie is.

Mijn lieve en zeer geleerde heer Orteli, ik bedank me u ten hoogste dat uw vriendschap zo nieuw tussen ons ontstaan niet vergeten hebt maar schriftelijk met uw groet vermeldt en me een geschenk geeft wat me zeer aangenaam is waardig geacht. En neem God tot getuigen dat er me op aarde niets liever tegenkomt dan dat ik zo vanwege de ver van elkaar liggende oorden geschieden kon bij geleerde lieden die de antiquiteiten onderhouden en handhaven leven mag. Eer ik echter u zeer aangename en lieflijke epistel antwoord moet ik hiervoor dit presenteren en melden, namelijk dat ik me, nadat ik de goede kunst nauwelijks van verre gezien heb en in het werk en hofhouding van de doorluchtige vorst de graaf van Arundeli heb begeven waarbij ik de ganse 5 jaar gebleven ben en daar de ganse tijd geen gelegenheid heb gehad om Latijn te spreken of te schrijven waarvan het komt dat ik de elegantie en sierlijkheid van de Latijnse taal niet houden kan. Daarom ik dan uw gunst en vriendelijkheid bid dat u wil daar ik een fout maak in de taal en een barbarisme bega me daarvoor goed te houden en niet de eloquentie of bereidbaarheid maar de zaken zelf zo met gewone Latijnse woorden zonder bijzondere welstand en sier van de taal aan te tonen. Omdat ik eerder wat naar u wil zenden zodat uw boek (hoe dat heten mag en wat zeer waardevol moet zijn) verlevendigen mag wil ik u hier met een waarde geordend en gezegd hebben. Onder deze weet u ook vanwege de Britse torens wiens naam door de mappen van Orteli de ganse wereld is bekend geworden en zoveel uit ettelijke vermoedens af te nemen (dan ik niets zekers gelezen heb) dit te berichten. Namelijk dat men uit onze annalen of jaarregisters zo in Britse taal geschreven zeker weet, dat de Britten en allen zo aan de Oceaan of grote zee wonen vroeger zeerovers waren en daarom vaak in Morania, Ruthenia of Germani‘ of Duitsland gevaren hebben. Welke namen Moriana en Ruthenia de onze en Engelanders zo onze historie verdonkerd hebben omdat ze in de historie en taal onervaren waren in Mauritia en Rusland, dat is Morenland en Russen, ten onrechte veranderd hebben. Omdat er nu geen gelegener haven was dan de grote water invloed in de zee is het wel te geloven dat ze vaak in hetzelfde gebied gevaren hebben en daarom van de inwoners een toren waarin ze zich tegen aanloop en geweld konden ophouden gebouwd hebben. Welks gebouw later de Romeinse keizer (ofschoon ze de naam behield) ergens anders voor gebruikten. Dan in keizer Antonius tijden is de zee vanwege de Saksers en Friezen onzeker waren heeft hij deze gebouwen opgericht en daarin uit het Britse huis krijgsvolk gelegd, vandaar het dan ook deze naam gekregen kan hebben. Er is nog een vermoeden voorhanden die men in plaats van die kan behouden. Omdat in dezelfde tijd Brittanni‘ een graanschuur van het keizerrijk in het Oosten was en vandaar het graan als jaarlijks vrucht en behoefte door Brittanni‘ als onderhoud van het krijgsvolk die zo de Duitse grenzen beschutten en bewaren zou vervoerd werd en ook geen beter oord tot laden en neerslaan van de goederen dan het grote water van de Rijn in de zee vloeit op andere schepen tegen de stroom van het water door Gelderland tot aan Keulen en Metz (zoals ook nu in deze tijd gebeurd) vervoeren kon heeft dat oord, omdat zich daar de Britse kooplieden ophielden,  en het daar toegevoerde graan als een gewone schuur was (zoals dan Ammianus Marcellinus schrijft dat keizer Julianus in Frankrijk en Duitsland veel van zulke oorden tot bewaren van Brits graan en proviand heeft gebouwd en die zo verbrand en ingevallen waren weer laten oprichten) van de Britse hoeveelheid de naam Brittanni‘ gekregen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu moet ik ook u, zodat ik zonder nadeel en schande niets zo me mogelijk, zeggen kan wat van de naam en gelegenheid van het eiland Mona schrijven zoveel ik in de oude en nieuwe auteurs geobserveerd heb en ook mijn eigen ervaring en de Britse taal die de inwoners van dat eiland gebruiken geleerd heb. Hoewel ik weet dat me hiervan vanwege veel schimpachtige napraten komt omdat men de fouten zo eenmaal ingeprent zijn het de lieden moeilijk ontnemen kan vooral omdat ze door de bespraakte en zeer geleerde Polydorus Vergilius autoriteit bevestigd en bekrachtigd is. Maar ik kan (toch met verlof en gunst) in de waarheid zeggen dat deze man zijn annalen of jaarboeken met openlijke errores en wel duizend fouten gevuld heeft wat hem niet alleen daar overkomt dan dat hij de Britse taal (die de Engelanders naar Duitse gewoonte omdat ze die niet verstaan Uvallicum of de Walen noemen) onbekend is waar men toch zonder die ook de naam van het eiland niet kan verstaan omdat van het ettelijke met een P, ettelijke met een B en ettelijke met een Ph schrijven. Maar ook omdat hij de betere auteurs niet gelezen heeft of dezelfde autoriteit uit nijd tegen de Britse namen dan toch de edele Romeinse keizerlijke en waarde gehouden gering acht en van zichzelf veel hield en (de betere achteraan gezet) een Guilhelmo zo ment naam en daad klein en blind als een blinde gevolgd heeft. Maar wanneer gelijk deze onbeschaamde laster van de Britse glorie en roem sterven zal omdat ze uit de Griekse schrijvers Diodorus Siculus, Dion Cassius tot Consul, Herodianus, Plutarchus, Pausanias, Ptolemaeus en Strabo. Uit de Latijnse: De Caesaris Commentaria, Cornelius Tacitus, Eutropius, Suctonius, Orosius, Aelius Spartianus, Iulius Capitolinus, Aelius Lampridius, Flavius Vopiscus, Aurelius Victor, Ammianus Marcellinus, Sextus Ruffus, de Panegyrica of lofschriften van Mamertim en andere, Plinius, Antonius, Mela, und Solinus, zonder die oude jaarboeken in de Britse taal geschreven de drie Gyldas, Nenium en veel andere geleerde lieden van de Engelse toekomst (die de onze nog naar de oude namen Saksen noemen de Britse handel en zaken met hun schriften ge•llustreerd en beroemd gemaakt. En toen ze nadat ze dit stuk van het eiland veroverd hebben dat ze Engeland maar wij echter met de oude naam Loegriam noemen, de Asserius, Obernus, Foelix, Monumentensis, Huntyntontensis, Malmesburiensis, Annovillanus, Iscanus, Necchiamus, Gyraldus von Paris, Trenetus en ontelbaar veel andere wanneer gelijk (zeg ik) deze meester geschapen en trotse steden die de dappere daden van de Britten aanhoort en belasterd sterven zou wordt het toch nooit meer omdat eerder gedachte schrijvers de naam en glorie van de Britten zo hoog roemen met zijn onware calamiteiten de goede geruchten en eer van zoveel dappere en hoge lieden geprezen verdonkeren of die een schandvlek kunnen aanhangen.

Nu moeten we weer tot het eiland Mona komen die Polydorus even vermetel genoeg van haar oude naam beroofd en zonder naam laat en Menavia er met twee versierd die men dan licht uit de Romeinse, Griekse en Bitse schrijvers naast de taal van de inwoners op deze wijze verklaren en bewijzen kan. Zeker is uit Caesar, Tacitus en andere dat het eiland Mona aan Brittanni‘ grenst en tussen die en Ierland gelegen is in welke zee er twee eilanden (zonder de Hebriden) wat bekend en groot zijn en moet een van deze beide eilanden het oude Mona geweest zijn. Daarom willen we van beide eilanden de gelegenheid voorstellen zodat we het overige des te lichter mogen begrijpen. De eerste die Polydorus Angliseam noemt grenst met dit deel aan Brittanni‘ die we Cambria (Wales) en de Engelsen Uvalliam noemen en wordt daarvan door een kleine sinus of haven van de zee (van de inwoners Menai genoemd) dat in het midden van het eiland niet meer dan 1000 schreden breed is afgescheiden. Tegen het Westen van het eiland ligt een zeer sterke vesting en mooie stad die van Eduard de 1ste, koning van Engeland, gebouwd is en Bellus Mariscus genoemd. Recht er tegenover is er een oord waaruit men zeer goed naar Ierland kan varen wat van de Engelsen vaak gebeurd die hetzelfde oord Holyhead of een heilig hoofd noemen maar wij echter Ca‘rcybi ,  dat is, de stad Kybij (Kear Kybi of Ucheldre) noemen. In hetzelfde eiland is de parochie Aberfrau van 300 jaar geleden die de vorsten van Guynedhia (Gwynedd) (die de Engelsen Nortwall en de barbaren Venedocia noemen) vorstelijke zetel en woning. Heeft aan schapen en runderen, naar de grootte van het eiland te rekenen, een tamelijke voorraad en aan graan zoÕ n overvloed dat men het vanwege zoÕ n vruchtbaarheid gewoonlijk CambriaÕ s moeder noemt. Aan hout is echter groot tekort hoewel men dagelijks grote voorraden wortels en zeer grote dennenbomen op het veld onder de aarde vindt. Die inwoners spreken de Britse taal en kunnen geheel geen Engels maar zijn toch binnen 300 jaren met het andere Cambria aan de koningen van Engeland onderworpen geweest.

 

 

Nun w™llen wir zu der andern Insul kommen, welcher Polydorus newlich den namen Mona gegeben har, dieselb ligt mitten im Meer, ohne gefehr in 25 Meilen von dem nehisten Vorgebirg Britanniae. Ist an der gr™sse fast der andern gleich, aber etwas unfruchtbarer und unerbawet. Hat ein sehr verzagt, unstreitbar volck, ohne was der Grafe von Derbien, dem sie Erblich von seinem Vatter zugeh™rt, ausz Engeland, die Insul zu beschžtzen, dahin sendet. Reden die Sch™ttischen oder Ivernische (dann es sind einerley) Sprach. Bede Insulen ligen gleich weit von Ivernia. Nach dem wir nun dises vorher vermeldet, w™llen wir besehen, was die R™mer von derselben geschriben haben, unter welchem Caesar der Insul Monae am ersten gedenckt, und nach jhme Plinius und Dion Cassius, bringen aber nichts auff die ban, dann nur den blossen namen, und das sie im Meer zwischen Britannia und Jvernia lige, welches dann wir beyde auch bekennen. Cornelius Tacitus ein sehr gelehrter Man, und der Britannischen H‰ndl, welcher er von seinen Schweher Iulio Agricola bericht, wol erfahren, hat von derselben gelegenheit, und wie weit sie vom Continento oder Vestenland sey, uns ein mehrers mitgheteylet, den w™llen wir nun h™ren, und sagt in seinem vierzehenden Buch also: Es hatte dazumal Paulinus Suetonius, die Britannen unter sich, welcher in Kriegserfarung und gemeynen geschrey des Volcks, so keinen one aemulum oder nacheyferer lest, mit Corbulone kempffet, (oder uber jhn sein wolt) gedachte auch, nach uberw‰ldigung der Perduellen und Auffržhrer die Her desz eroberten Arminiae zuerreichen. Ržstet sich derohalben, die Insul Monam anzugreiffen, so mit Inwonern starck und wol besetzt, auch ein receptaculum und auffenhalt, aller abtržnnigen und flžchtigen war, bawet schiff gegen dem kleinen und ungewisen Ufer, mit ebenen oder flachen b™den, und wo das Wasser tieffer gewesen, demselben zugeswummen, mit den Pferden hindurch kommen. Auff der andern seitten, stund der Feynd Schlachtordnung, mit Mannen und Waffen dick uber einander, das Ufer oder gestatt zubewaren, unter welchen die Weyber in trawrichen schr™cklichen Kleidern und hangendem oder fligendem Haar, wie die Furiae oder Teufel, hin und wider lieffen und Fackeln trugen, Und die Druidae (das ist, die Geystlichen und Priester) so mit auffgehabenen Henden gen Himel, jhr gebet sprachen, und die Feynd verfluchten, erchreckten durch disz ungew™nlich Spectacul die Kriegsleut also, das sie gleichsam an allen Glieden erstarret, unbeweglich stunden, und sich wund schlagen liesen. Sind aber nachmals, als sie von jrem Obersten auffgemanet worden, und sie sich auch selbs ermundert, damit sie sich nicht vor disem hauffen der rassenden Weyber entsetzten, eingefallen, haben alles so jn entgegen kommen, nidergeschlagen, und sie mit jrem Fewer selbst in einander verwicklet. Nach dem hat man in die Flecken Quardi oder Besatzungen gelegt, und die W‰lde so su jren schr™ckligen Aberglauben geheyligt warden, auszgereuttet. Dann sie auff jren Altaren, der gefangenen Blut zu verprennen, und die G™tter durch der menschen geander zufragen fŸr recht und billich hielten. Da h™rst du lieber Leser, dasz das Futzvolck, durch die Furt, und da das Wasser tiefer gewesen, zu den Pferden geschwummen, und so hinžber kommen sey. Eben diser Autor, schreibt von gemeltes Agricolae Zug in dise Insul, also: Iulius Agricola hette jm vorgesetzt, die Insul Monam, welche Suetonius, wie oben gemeldet, nit besitzen k™nnen, sonder von wegen desz gantzen Britanniae rebellion unt entp™rung, wider hat abziehen mžssen, unter seinen gewalt zubringen. Da es aber, als in einem gef‰hrlichen jehen Rathschlag und vorhaben an schiffen mangelt, ist das Volck durch desz Obersten hohe vernunfft und bestendigkeyt, hindurch gebracht worden, also, das er, nach dem alle bŸrden und hinderung abgelegt, die auszerlesenesten, unter denen, so jme zu hžlffe kommen, denen die Furth bekandt, auch nach Landes und jhrer Eltern brauch desz schwimmens, gežbt waren, das sie zugleich sich selbs, jhre Wehren und Pferdt regirn konten, also gehling hinein gelassen hat, das die Feind, so auff Schiff und das Meer warteten, sich daržber entsetzt, und gentzlich dafŸr gehalten haben, es were den jenigen, so also zum Krieg kemen, nichts zu hoch und unžberwindlich. Ist also Agricola, nach dem fride begert, und die Insul auffgeben, Herrlich und hoch geachtet worden, als der im eingang seiner Provintz lust zur mžhe und gefahr gehabt, welche zeyt andere zum prangen und Empter zubegeren und zu besetzen brauchen. Da h™rest du widerumb, das die Kriegsleut one eynig oder vil Schiff allein durch schwimmen in die Insul Monam kommen seyen, und solches hat der Autor von keinem geringen unbekanten, sondern von seinem Schweher, so ein berhžmpter vortrefflicher Mann, und desselben Zuges ™berster Hauptman gewesen, geh™ret. H™re aber was hiezu Polydorus antwortet, in seinem ersten Buch der Englischen Historien, schreibt er also: Dise Insul, (verstehe Monam) so durch ein klein eng Meer abgesondert ist, war so nahe beym Lande, das man ohne Schiff (wann der Oceanus oder hohe Meer, so allezeyt grosse ungestžmme bewegung hat, ablieff) hinzu kommen konte. Und hernach sihe (spricht er) was die zeit vermag, dise Insul ist nun in die 25 oder mehr meiln allenthalben von land, so vor Jaren nit uber 3000 schritt wege war. In was fŸr gefahr eines guten namens und geržchtes, treibet nur der neyde und lust, allen dingen zuwidersprechen, auch hohe vortreffliche ingenia. Diser Urbinas treumet jhme von grossem Gew‰sser und verschwemmung desz Landes, deren noch weder die Lateinischen, noch Englischen, Hibernischen, noch Sch™ttischen Scribenten yemals gedencken, ist auch, das noch mehr zuverwundern, von solchem Gew‰sser niemans eynig geschrey unter gemeynen Volck auszkommen. Darnach klagt er auch uber die enge der andern Insul, deszgleichen uber den mangel an Fržchten und B‰wmen, da man gleichsfals mehr warheit von jme begeten konte. Dann dise Insul (ich verstehe sein Angliseam, welche in der warheit Mona ist) hat in die lenge 25, In die breyten 16, unserer Meiln, deren ein jede 1200 passus Geographicas helt: Begreifft derhalben circk und umbkreys, weil sie an entlichen orten enger ist, in 72 Welsche meyln. Das er aber vom mangel desz Holtzes und der B‰um sagt, ist war, dann auch Tacitus affirmiret, das man die W‰lde auszgereuttet hab, von denen, wie vorgemeldet, noch unzelich vil kl™tz, hin und wider der Erden vergraben, gefunden werden. Man weis auch ausz unsern Historien, das vor 400 jaren daselbsten W‰lde gewesen seyen. Dit unfruchtbarkeyt belangend, weis ich nit was ick sagen sol dieweil er etwas solches affirmiren darff, dessen unwarheit menniglich bekandt ist. Dann die Fruchtbarkeit diser Insul, bey den unsern dises Sprichwort verursacht hat: Mon mam Gymry, das ist: Mona ist Cambriae Mutter. Und sind auch die Inwoner, nach gelegenheit unserer L‰nder, sehr reich und starck, wie ausz den Englischen Historiographen offenbar, Dann die Englischen offt mit Schiffen in die Insul, aber umb sonst, gefallen sein, Dann sie von den Inwonern bisz auffs haupt erlegt worden. Wie solches Hugo Grafe zu Salopia und Arundeli, so daselbst umbkommen, bezeuget. Item, Henricus, Henrici desz ersten dises namens, natžrlicher Son, welcher da auch mit vilen vom Adel ist erschlagen worden. Was darff es aber vil wort: Des Polydori Mona, in 25 meilen vom lande gelegen, so diser an gr™sse gleich, aber unfruchtbar ist, und verzagte, und zum Krieg untŸchtige Ivernische Leut bringet, hat mit Polydoro auffgeh™ret Mona zusein. Wir w™llen aber auch besehen, was andere von diser sach halten. Ptolemeus der fŸrnembste Geopgraphus, setzet gegen dem Auffgang Iverniae vier Insulen, Nemlich, Monarinam, (andere Exemplaria lesen Monaidam) Monam, Adron und Lymnon. Unter welchen die letzern, si jre alte namen behalten, uns sehr wol bekandt sein. Adros, nennen die usnern Ynysadar, das ist eine Insul der V™gel. Lymnos heissen sie Enllj, die Englischen Bardsey, das ist der Bardorum oder Narren Insul. Nun sind jr noch zwo ubrig, unter welchen einer unser, die andere desz Polydori Mona sein musz. Monarinam setzet Ptolemaeus etwas bas gegen Mitternacht, und Monam gegen Auffgang. Desz Polydori Mona geht auch basz gegen Mitternacht und auffgang. Ist derhalben beim Ptolemaeo Monarina, und nit Mona. Und unser Mona heisset bey jme auch Mona.

Nu willen we weer tot het andere eiland komen die Polydorus nieuw de naam Mona gegeven heeft en die ligt midden in de zee ongeveer een 25 mijlen van de naaste voorgebergte van Brittanni‘. Het is aan grootte zeker de andere gelijk maar wat onvruchtbaarder en niet gebouwd. Heeft een zeer rustig en geen strijdvaar volk en buiten de graaf van Derby die het erfelijk van zijn vader gekregen heeft uit Engeland om de eilanden te beschutten daarheen gezonden. Spreken de Schotse of Ierse (want ze zijn gelijk) taal. Beide eilanden liggen even ver van Ierland. Nadat we dit nu het vorige gemeld hebben willen we bezien wat de Romeinen ervan geschreven hebben en waaronder Caesar het eiland Mona het eerste gedenkt en na hem Plinius en Dion Cassius. Ze brengen echter niets op de naam dan een blote naam en dat het in zee tussen Brittanni‘ en Ierland ligt wat we dan beide ook bekennen. Cornelius Tacitus, een zeer geleerde man die de Britse handel waarvan hij bericht werd door zijn zwager Julius Agricola goed ervaren, heeft van die gelegenheid en hoe ver ze van het continent of vastenland is ons wat meer medegedeeld. Die willen we nu horen en hij zegt in zijn viertiende boek alzo: Ooit had Paulinus Suetonius Brittanni‘ onder zich die in oorlogservaringen en gewone geluid van het volk zo geen vergelijking of afgunst laat met Corbulone gevochten (of boven hem wilde zijn) en dacht ook na overweldiging van Perdullen en uitrusting het leger het veroverde N. Engeland te bereiken en rustte zich daarom uit om het eiland Mona aan te grijpen die met inwoners sterk en goed bezet was ook een plaats en oponthoud en alle afscheidingen en vluchtige waar en bouwde een schip tegen de kleine en onzekere oever met een gelijke of vlakke bodem en was het water dieper geweest dan hadden ze die overgezwommen met de paarden achter zich. Op de andere kant stond de vijand in slagordening met mannen en wapens dik bezet om die oever of plaats te bewaren waaronder de vrouwen in treurige verschrikkelijke kleren en hangend of vliegend haar zoals de Furi‘n of Duivels heen en weer liepen en fakkels droegen. En de dru•den (dat zijn de geestelijke en priesters) zo met opgeven handen naar de hemel hun gebed spraken en de vijand vervloekten waardoor de krijgslieden van dit ongewone spektakel zo schrokken zodat ze gelijk aan alle leden verstarden en onbeweeglijk stonden en zich wonden lieten slaan. Ze zijn echter later toen ze van hun oversten vermaand werden en zich ook zelf opmonterden zodat ze zich niet voor die hoop razende wijzen ontzetten ingevallen en hebben alles wat ze zo tegenkwamen neergeslagen en ze met hun vuur zelf in elkaar verwikkeld. Daarna heeft men in die vlekken Quardi of bezettingen gelegd en het woud zo hun verschrikkelijk bijgeloof geheiligd was uitgeroeid. Dan ze op hun altaren van de gevangene het bloed verbranden en de goden door de mensen gedrag te vragen wat recht en billijk is. Daar hoort u, lieve lezer, dat het voetvolk door de voorde en was het water dieper geweest naar de paarden gezwommen en zo achter hen aan gekomen zijn. Ook deze auteur schrijft van vermelde Agricola Õs tocht in dit eiland alzo: Agricola had zich voorgenomen het eiland Mona die Suetonius, zoals boven vermeldt, niet bezetten kon maar vanwege de ganse rebellie van Brittanni‘ en ontbering weer vertrekken moest onder zijn macht te brengen. Daar het echter vanwege het gevaarlijke voornemen aan schepen ontbrak is het volk door het vernuft en bestendigheid van de oversten erdoor gebracht geworden alzo dat ze nadat ze lasten en hindering afgelegd hadden de beste onder hen die hem te hulp kwamen en die de voorde bekend was en ook naar het land van hun ouders gebruik van zwemmen geoefend waren dat ze tegelijk zichzelf, hun waren en paarden beheersen konden en alzo weinig achter gelaten hebben zodat de vijand die op schepen en de zee wachten zich daarover ontstelden en het gans daarvoor hielden dat diegene die tot oorlog kwamen niets te hoog en onoverwinnelijk waren. Alzo is Agricola nadat hij vrede begeerde en het eiland opgegeven heerlijk en hoog geacht geworden toen hij in het begin van zijn provincie lust en moeite en gevaar had in welke tijd andere drongen en ambten begeerden om te bezetten gebruikten. Daar hoor je weer dat de krijgslieden zonder enige of veel schepen en alleen door zwemmen in het eiland Mona gekomen zijn en zulks heeft de auteur van geen geringe onbekende gehoord, maar van zijn zwager die een beroemde en voortreffelijke man was en die in die tocht de hoogste hoofdman was. Hoor echter wat hiertoe Polydorus antwoord in zijn eerste boek van de Engelse historie schrijft hij alzo: Dit eiland (versta Mona) dat door een klein enge zee afgezonderd is was zo dicht bij het land dat men zonder schepen (toen de Oceaan of grote zee die altijd grote onstuimige bewegingen heeft afliep) daartoe konden komen. En hierna (spreekt hij) wat de tijd kan is dit eiland nu in 25 of meer mijlen overal land dat jaren geleden niet meer dan 3000 schreden groot was. In wat voor gevaar een goede naam en gerucht drijft nu de nijd en lust alle dingen te weerspreken, ook hoge voortreffelijke ingenieuze. Deze stedeling droomt van grote wateren en overzwemmen van het land wat nog de Latijnse, nog Engelse, nog Ierse, nog Schotse schrijvers ooit gedenken en is ook, wat meer te verwonderen is, van zulks water nooit iemand geluid onder het gewone volk gekomen. Daarna klaagt hij over de engte van het andere eiland, desgelijks over het gebrek aan vruchten en bomen waar men gelijk meer waarheid van hem kon begeren. Dan dit eiland (ik versta zijn Anglisea die in de waarheid Mona is) heeft in de lengte 25 en in de breedte 16 van onze mijlen die elk 1200 passen geografen bevat. Omvat derhalve in cirkel en omvang, omdat ze aan ettelijke oorden enger is, een 72 Romeinse mijlen. Dat hij echter van het gebrek van hout en bomen zegt is waar, want ook Tacitus bevestigt dat men de wouden uitgeroeid heeft van die voor vermeld nog ontelbaar veel blokken die heen en weer in de aarde begraven gevonden worden.

Men weet ook uit onze historie dat er een 400 jaar geleden daar wouden geweest zijn. Wat de onvruchtbaarheid aangaat weet ik niet wat te zeggen omdat hij iets van zulks bevestigd en die onwaarheid menigeen bekend is. Dan de vruchtbaarheid van dit eiland heeft bij ons dit spreekwoord veroorzaakt: Mon Mam Gymry; dat is; Mona is CambriaÕ s moeder. En zijn ook de inwoners naar gelegenheid van ons land zeer rijk en sterk zoals uit de Engelse historiografen openbaar is. Dan de Engelse vaak met schepen in het eiland, maar om niets, gevallen zijn. Dan zijn ze door de inwoners tot het hoofd verslagen geworden. Zoals zulks Hugo, graaf van Salopia, en Arundeli die daar zelf zijn omgekomen betuigen. Item, Hendrik de eerste van deze naam zijn natuurlijke zoon die ook met velen van adel versagen zijn geworden. Wat behoeft het veel woorden: Mona van Polydorus in 25 mijlen van het land gelegen zo deze aan grootte gelijk maar onvruchtbaar is en zei dat tot de oorlog ontuchtige Ierse lieden gebracht zijn met Polydorus opgehouden Mona te zijn. We willen ook bekijken wat anderen van deze zaak vinden. Ptolemaeus de voornaamste geograaf zet tegen het Westen van Ierland vier eilanden, namelijk, Monarinam (andere exemplaren lezen Monaidam) Monam, Adron en Lymnon. Waaronder behalve de laatste hun oude namen hebben behouden. Adros noemen wij Ynysader, dat is een eiland van de vogels. Lymnos noemen ze Enllh, de Engelsen Bardsey, dat is de Bardorum of narren eiland. Nu zijn er nog twee over waaronder een de onze en de andere Polydorus Mona moet zijn. Monariam zet Ptolemaeus wat beter tegen het Noorden en Monam tegen het Oosten. Dus Polydorus Mona gaat ook beter tegen het Noorden en Oosten, is derhalve bij Ptolemaeus Monarina en niet Mona. En onze Mona heet bij hem ook Mona.

 

 

So vil ausz den auszlendischen Scribenten. Nun w™llen wir auff die unsern kommen, denen ick achte mehr und bas, dan einem Italiener, so der Sprach unerfaren, zuglauben sein. Damit es aber desto verstendlicher sey, mžssen wir zuvorn etwas hie untermengen. Es weis jederman, das die Britanner, vor der Engelendet zukunfft die gantze Insul innen gehabt haben, sind aber von denselben mit betrug und list uberwunden, und von dem besten Stžck, in die eusserste Land gegenden getrieben worden, und haben von den orten jhre namen bekommen, also, das die, so in Cambriam gezogen, die Cambri, die in Cornoviam, Cornuvij genennet sein worden. Doch haben die Engelender nach der Teutschen gewonheyt, so die Italianer und Frantzosen, Wallen nennen, dise alle Wallos oder Wallen genennet, und der L‰nder namen darzu gethan, wie ausz denen Bžchern so in S‰chssischer (verstehe die Englische) Sprach geschriben, und noch heutiges tags vorhanden sein, zusehen ist. Dann in denselben Bžchern heissen die unsern Brytas uvallas Britawallen, die Cornuvienses, die Curnewallen, nicht von Cornugallia, wie die unerfarnen jhnen treumen. Und kan ich auch die unverschembte vermessenheyt desz Virgilij nicht unvermeldet lassen, der sich rhžmet, als ob der erste von disen dingen geschriben habe, so er doch dise ware notation und erclerung desz namens Uvalli, ausz Sylvestro Gyraldo gestolen hat. Aber wir w™llen widerumb zu dem kommen, da wirs gelassen haben. Die Britanni so in die enge des Lands getriben sein worden, haben nichts desto weniger jhre Britannische Sprach behalten, also das die L‰nder, St‰tt, Flžsz, Insulen und V™lcker, bey den unsern noch jre namen haben. Dann der namen Angli Engelender uns bekandt ist, und nennen wir alle Engelender noch heutiges tages Saison (dann wir den Buchstaben X nit haben) das ist, Saxones die Sachssen. Engeland aber mit seinem alten namen Lhoeger, das ist, Loegriam, Uvalliam Cambry, das ist Cambrium, Cornugalliam, Corniw, das ist, Cornoviam, Scotiam Alban und Hiberniam auch von den Alten Geographis nicht Hibernia, sonder Ivernia genandt, Ywerdhon. Also nennen wir auch alle St‰tt in Engeland mit jren alten namen, die se vor der Sachssen zukunfft gehabt haben. Aber widerumb zur Mona. Alle die unseru, deszgleichen derselben Insul Inwoner (die sich eben diser alten sprach gebrauchen) wissen jhr keinen andern namen zugeben, dan Mon, dann so nennet sie jederman. Polydorus aber heist sie Angliseam, das ist der Engelender Insul. Ich bekenne das dise Insul von den Engelendern erobert, und von jnen den namen bekommen hab. Aber lieber sage mir, ist dan dise Insul allererst mit den Engelendern entstanden und herfŸr kommen, oder hat sie vor der Engelender zukunfft keinen namen gehabt. Hie munder dich was auf Polydore. Eben auff die weise wirt weder Engeland Britannia, oder Franckreich Gallia sein k™nnen. In diser Insul aber, das noch mehr ist, wissen die Inwohner (wiewol dem K™nig in Engeland unterworffen) weder was Anglus oder Anglisea ist, weil sie den Engelender Sais, von einem zureden, und vol oder pluraliter Saison, und jr liebes Vatterland Mon nennen. Weiter liget auch ein sehr sch™ne und zyrliche Statt, uber dem Sinu oder Hafe gegem Nidergang der Insul, nit weit von dem ort, da vor zeitten Segontium den R™mern eine wolbekante Statt gewesen ist, die nennet man Caerarvon, das ist die Statt uber Mona. Dann Caer bey den unsern eine Statt in Mawren eingefasset, und Ar so vil als supra, držber heisset. Das aber in der letzten Syllaben das M in ein V verwandelt wirt, bringet der Sprachen eygenschafft mit sich, Dann dise wort, so von einem M anfahen, wandeln daselb in contextu, und einer gantzen rede aneinander nach etlichen gewisen Consonanten in ein V an welches stat die unsern, weil jenen das V allweg ein vocall ist, das F brauchen, und werden also Dies Mercurij die Mercher, Nox Mercurij, nos Mercher auszgesprochen, Also nennen wir Mariam Mair. Fanum Mariae Lham vair, das ist Mariae Kirch. Und wirt nicht allein in dise Statt, sonder auch derselb gantze Strich des Continentis oder vesten landes gegen der Insul uber, Arvon, das ist, gegen oder uber Mona genennet. Zusetzen aber, das sie nicht Mona gewesen, so solte dannoch Polydorus seiner Autoriteit nach, jr einem andern namen gedichtet, und sie nicht gar one namen gelassen haben. Nun w™llen wir auch zur andern Insul kommen, welche die unsern Manaw, alle Inwohner aber, Engelender und Schotten, so den Britannischen namen Contrahirn und zusammen ziehen, Man nennen. Hat ir derowegen, mit meinem wissen, keiner jemals, auszgenommen disen Urbinatem, und sonst noch einen zunichten Menschen, der sich Hectorum Bo‘thium nennet, disen namen Mona gegeben. Wir w™llen aber dise Argumenta so doch heller, dann der Mittag sein, lassen, und auch authoritates anziehen, damit wie durch derselben grund und zeugnus beyden Insulen jre rechte namen geben k™nnen. Man findet in des Durchleuchtigen Helden, und diser zeyt bey den unsern, eynigen gelehrter Leuth Mecoenatis, und f™rderer Henrici Grafen zu Arundeli, meinses Genedigen unnd Hochachtbaren Herren vorrtreflichen, und von allerley guter Authorum Bibliotheca, ein Fragmentum oder stžck desz alten Scribenten und sehr gelehrten Mannes Gilde Britanni. Bey welchem in beschreibung Britanniae, dise wort stehen: Britania hat drey Insulen, Vectam, gegen den Armoricis uber. Die ander ligt mitten im Meer, zwischen Iuvernia und Britannia, mit namen Eubonia gemeynglich Manaw genandt. Da h™ret freundlicher lieber Leser ein Britannum Britannisch reden, Dann also nennen wir diser zeyt in unser sprach desz Polydori Monam. Beda der Engelender, in allerley guten Kžnsten en sehr berhžmpter und gežbter Mann, setzet auch im 2 Buch seiner Histori am 9 Cap., dise wort: Zu derselben zeit hat auch das Volck Nordam Humbrorum, das ist, dise Englische Natio, so gegen Mitternacht am flusz Humbro wonete, sampt Edvyno jrem K™nig, durch die predig Paulini, dessen auch oben gedacht worden, des wort des Glaubens angenommen, welcher K™nig zum glŸcklichen anfangdesz glaubens, an gewalt und krafft desz Himlischen und Irdischen Reichs also gewachsen und zugenommen hat, das er (welchs zo vor keinem Engelender widerfaren) aller grenitzen Britanniae und Provintzen, so von jenen selbst, oder den Britonibus (denen in Bartennia) bewonet wurden, unter sein Herrschafft und gewalt, gebracht hat. Ja er hat auch die Insulen Menanias der Engelender gewalt unterth‰nig gemacht. Da achte ich, das man Menavias fŸr Menanias schreiben mŸsse, dieweil man da leichtlich jrren, und ein n fŸr das u setzen kan. So leszt dich Henricus der Huntyngdonenser Kirchen Archidiaconis, so ein guter Historicus gewesen, und im 1140 Jar unser erl™sung, fast auff Bedae schlag, geschriben hat, ansehen, als ober disen mangel endern und corrigiren wolte. Dann da er von Edvyni der Northumbrer K™nig, gewalt, und victorien redet, setzet er dise wort: Edvvin der Nortumbrer K™nig, ist uber alle V™lcker in Britannia, die Engelender und Britones oder Bartenier, ein Herr gewesen. Hat auch, one die Cantvarios, Menaviam die Insul, so zwischen Hibernia und Britannia liget, und gemeynglich Man genennet wirt, unter der Engelender gewalt und Herrschafft gebracht. Da dann auch zu mercken, das diser Engelender, der Insul, welche Virgilius unrecht Monam nennet, jren rechten Englischen namen geben hat, dann er saget, das man sie gemeinglich Man nennet, mit welchem namen sie noch heutiges tages bey den Engelendern wol bekandt ist. Uber dise saget auch Ranulphus Cestrensis in I lib. Cap. 44, seines Polychronici von den Britannischen Insulen also: Britannia (sagt er) hat one die Orchades, drey Insulen so nahent beysame ligen, welche so zu achten gleichsam mit den dreyen vornemesten Landschafften derselben uberein kommen, Dann Vecta ligt an Lo‘gria, jetzund Anglia Engeland genandt, Mona, so die Engel‰nder Angliseam heissen, geh™ret zu Cambria, welchs Wallia ist. Aber die Insul Eubonia, so sonsten auch zwey andere Namen, nemlich, Menavia und Mania hat, st™sset an Schottland, und sind dise drey Insulen, nemlich Vecta, Mania und Mona fast in einer gr™sse. Das aber Gyldas und andere mehr dise Insul in Lateinischer sprach Euboniam nennen, achte ich komme daher, das sie von einerley (nemlich der Ivernischen) Nation, welche auch die Eubonias (von etlichen Hebrides genandt) innen haben, bewonet werden. Beda und der Huntyngthoniensis achte ich, w™llen, wann sie die Manaviam nennen, den Britannischen namen Manau, zuverstehen geben und andeuten, nennet sie aber doch deren keiner Mona.

Zo veel uit de buitenlandse schrijvers. Nu willen we op die van ons komen die ik meer en beter acht dan een Italiaan die in de taal onervaren te geloven zijn. Zodat het des te verstandiger is moete we eerst hier wat onder mengen. Iedereen weet dat de Britten voor de Engelanders komst het gehele eiland bezet hebben en zijn van die met bedrog en list overwonnen en van de beste stukken naar het uiterste land gedreven geworden en hebben van de plaatsen hun namen gekregen alzo dat die, zo naar Cambria getrokken zijn de Cambri, die in Cornwall Cornuvij genoemd zijn geworden. Toch hebben de Engelse naar de Duitse gewoonte zo de Italianen en Fransen Walen noemen deze alle Wallos of Walen genoemd en de namen van de landen er bij gedaan zoals uit de boeken zo in Saksische (versta de Engelse( taal geschreven en nog in deze tijd voorhanden te zien is. Dan in die boeken heten de onze Brytas uvallas Britse walen, de Cornuvienses Cornwall en niet van Cornugallia zoals de onervaren dromen.  En ik kan ook de onbeschaamde vermetelheid van Virgilius niet onvermeld laten waar hij zich roemt alsof hij de eerste is die van deze dingen geschreven heeft zo hij toch deze notitie en verklaring van de naam Uvalli (Cambria) uit Sylvestrus Gyraldus gestolen heeft. Maar we willen weer tot daar komen waar we het gelaten hebben. De Britten die zo  in de engte van het land gedreven zijn geworden hebben toch niet minder hun Britse spraak behouden alzo dat de landen, steden, stromen, eilanden en volkeren bij de onze nog hun naam hebben. Dan de naam Angli Engelender is bij ons bekend en noemen we nog alle Engelander nog hop de huidige dag Daison (want we hebben de letter X niet) dat is de Saxers of Sakser. Engeland echter met de oude naam Lhoeger, dat is Loegriam, Uvalliam Cambry, dat is Cambria, Cornugalliam, Carniw dat is Carnish, Scotiam Alban of Schotland en Hiberniam of Ierland die ook van de oude geografen niet Hibernia maar Ivernia genoemd wordt, Ywerdhon. Alzo noemen we ook alle steden in Engeland met hun oude namen die ze voor de aankomst van de Saksers hadden. Maar weer terug naar Mona. Alle die van ons en desgelijks de eiland bewoners (die zich ook deze oude taal gebruiken) weten zich geen andere naam te geven dan Mon, dan zo noemt iedereen het. Polydorus echter noemt het Angliseam, dat is het eiland van de Engelsen. Ik beken dat dit eiland van de Engelsen veroverd is en van hen de naam gekregen heeft. Maar zeg me liever is dit eiland dan allereerst met de Engelsen ontstaan en naar voren gekomen of heeft ze voor de komst van de Engelsen geen naam gehad. Hieronder wat uit Polydorus. Gelijk op deze wijze zal nog Engeland Brittanni‘ of Frankrijk Galli‘ kunnen zijn. In dit eiland echter wat nog meer is weten de inwoners (hoewel ze aan de koning van Engeland onderworpen is) nog wat Anglus of Anglisea is omdat ze de Engelsen Sais van een toenaam en vol of meervoud Saison en hun lieve vaderland Mon noemen. Verder ligt ook een zeer mooie en sierlijke stad over de sinum of haven tegen het Noorden van het eiland en niet ver van het oord waar vroeger Segontium voor de Romeinen een goed bekend stad is geweest en die noemt men Caerarvon, (nu Caernarfon) dat is de stad over de Mona. Dan Caer betekent bij ons een stad binnen muren en Ar zo veel als supra, erover heet. Daar echter de laatste syllaben de M in een V veranderd wordt brengt de eigenschap van de spraak met zich mee. Dan dit woord zo van een M aan te vangen veranderen daar zelf in de contekst en een ganse rede aan elkaar na ettelijke zekere consonanten in een V in welke plaats wij, omdat de V een vocaal is, de F gebruiken en worden alzo Dies Mercurij de Mercher, Nox Mercurij als nos Mercher uitgesproken. Alzo noemen we Maria Mair, Fanum Mariae Lham vair, dat is Maria kerk. Dat wordt niet alleen in deze stad maar ook de ganse streek van het continent of vaste land tegenover het eiland Arvon, dat is tegenover Mona genoemd. Te vermelden echter dat het niet Mona geweest is zo zou dan toch Polydorus naar zijn autoriteit het een andere naam hebben toegedicht en het niet geheel zonder naam hebben gelaten die wij Manaw maar alle inwoners echter, Engelsen en Schotten die de Britse naam Contrahirn tezamen trekken het Man noemen. Had hij daarom met mijn weten toen geen, uitgezonderd deze stadsmens en verder nog een niets zeggend mens die zich Hector Bo‘thius noemt deze naam Mona gegeven. We willen echter deze argumenten toch duidelijker dan de middag laten zijn en ook autoriteiten aanzien zodat we door die grond en getuigenis beide eilanden hun echte naam kunnen geven. Men vindt in de doorluchtige helden en in deze tijd bij ons enige geleerde lieden Mecoenatis en bevorderaar Henricus, graaf van Arundeli, mijn genadige en hoog achtbare heer voortreffelijke en van alle goede auteurs voorzien bibliotheek een fragment of stuk van de oude schrijver en zeer geleerde Mannes Gilde Britanni. Daarbij staan in de beschrijving van Brittanni‘ deze woorden: Brittanni‘ heeft drie eilanden, Vectam tegenover Armoricis. (Bij de kust van Hampshire) De andere ligt midden in de zee tussen Ierland en Brittanni‘ die met de naam Eubonia gewoonlijk Manaw genoemd wordt. Daar hoor je, vriendelijke lezer een Brit Brits spreken. Dan alzo noemen we in deze tijd in onze taal Polydorus Monam. Bede, de Engelsman en in allerlei goede kunsten een zeer beroemde en geoefend man, zet ook in het 2de boek van zijn historie in kapittel 9 deze woorden: In dezelfde tijd heeft ook het volk Nordam Humbrorum, dat is deze Engelse natie zo in het Noorden aan de stroom Humbro wonen met Edvyo hun koning door het preken van Paulinus, die ook boven is gedacht, het woord van het geloof aangenomen welke koning tot het gelukkige aanvangen van het geloof aan geweld en kracht van het hemelse en aardse rijk alzo gegroeid en toegenomen heeft dat hij (wat voor hem geen Engelander ervaren heeft) alle grenzen van Brittanni‘ en provincies zo van zichzelf of de Britonibus (die in Bartennia) bewoond worden onder zijn heerschappij en geweld gebracht heeft. Ja, hij heeft ook de eilanden Menanias aan het Engelse geweld onderdanig gemaakt. Daar acht ik, dat men Menavias voor Menanias moet schrijven omdat men daar gemakkelijk fouten maakt en een n voor een u zetten kan. Zo laats Henricus de aartsdiaken van de kerken van Huntingdon, wat een goede historici geweest is, en in het 1140ste jaar van onze verlossing en zeker op BedaÕ s verhaal geschreven heeft aan te zien of hij deze fout veranderen en corrigeren wilde. Dan toen hij van Edvymi de Northumbri‘ koningÕ s geweld en victories sprak zette hij deze woorden: Edwin de Northumbri‘ koning is over alle volkeren in Brittanni‘, de Engelsen en Britten of Bartenier, een heer geweest. Heeft ook zonder de Cantvarios het eiland Menaviam zo tussen Ierland en Brittanni‘ ligt en gewoonlijk Man genoemd wordt onder het Engelse geweld en heerschappij gebracht. Dan daar is ook te merken dat deze Engelsman het eiland wat Virgilius ten onrechte Monam noemt zijn echte Engelse naam gegeven heeft toen hij zei dat men het gewoonlijk Man noemt met welke naam ze nog tegenwoordig bij de Engelsen goed bekend is. Hierover zegt ook Ranulphus Cestrensis in 1 boek kapittel 44 van zijn Polychronic van de Britse eilanden alzo: Brittanni‘ (zegt hij) heeft buiten de Orkneys drie eilanden die zo bij elkaar liggen die zo te achten gelijk met de drie voornaamste landschappen ervan overeen komen. Dan Vecta ligt aan Lo‘gria en nu Anglia of Engeland genoemd, Mona zo de Engelsen Angliseam noemen hoort onder Cambria wat Wales is. Maar het eiland Eubonia die soms ook twee andere namen heeft, namelijk Menavia en Mania stoot aan Schotland. Deze drie eilanden namelijk Vecta, Mania en Mona zijn zeker van een grootte. Dat echter Gyldas en meer andere dit eiland in Latijnse taal Euboniam noemen acht ik dat ze van een (namelijk de Ierse) Natie die ook Eubonias (van ettelijke Hebriden genoemd) hebben bewoond worden. Beda en de Huntyngthonensi acht ik willen wanneer ze het Manaviam noemen de Britse naam Manau te verstaan geven en aanduiden en noemt toch geen het Mona.

 

 

Ausz disen Argumenten und zeugnussen, halte ich ja clar genug sein, das dise Insul, welche auch die Inwoner (wie oben vermeldet) Monam, die Engelender aber Angliseam nennen, das rechte Mona sey, und von keinem andern namen wisse: Das auch die ander Insul, welcke Polydorus und andere so mit jme in seinen schlamm und kot stecken, Mon heissen, von Gylda Eubonia, von Huntyngthonensi Menavia, von andern aber Mania, genennet werde. Und hie w™llen wirs also beschliessen, ohne das wir noch in einigs zeugnus, das man an stat viler anderer mercken kan, anziehen wollen, Nemlich Sylvestris Gyraldi Cambrobritanni, welcher nicht allein seiner hohen Geburt und herkommens, sonder auch Kunst und geschickligkeit halben, berhžmpt isr. Als der ausz dem Edlen der Gyralden geslecht, durch welche die K™nig in Engeland Iverniam unter sich gebracht, entsprossen, auch fŸr sich selbst K™nig Henrico dem anderrn dises namens sehr lieb, und auch Johannis desselben Sohn Secretaria gewesen. Welches namen in der R™mischen P‰bst Decreten (weil er als der Menuenser Bischoff mit dem Ertzbischoff zu Cantuaria, der Prerogativae vorzug oder wirdigkeit der Kirchen halben strittig gewesen) sehr wol bekandt ist. Diser sage ich, hat in seinem Bžchlein, welcher er selbst Itenerarium, das ist, ein beschreibung der Raise Baldvvini, des Ertzbischoffs zu Cantuaria, so durch Cambraim das Creutz wider dien unglaubigen geprediget, dessen gedachter Sylvester auch stetter unabgesonderter gefert gewesen, von der Insul Mona so vil an tag gegeben: Desz morgens (sagt er) sind wir durch die Vestung von Caerarvon geraiset, durch Thal und jehe Gebirg gen Bangor kommen, und von dem Bischoff so Guianus geheissen, gebžrlich entpfangen worden, welcher dann schier ben™ttiget mit grossem weynen und geschrey der Mann und weibs personen, das Creutz angenommen hat. Darnach als wir uber einen kleinen Arm des Meers geschiffet, sind wir in die Insul Monam, ungefehrlich in 20000 schritt van dannen gelegen, kommen, da uns dann Rothericus desz Oeni jžngere Son,mit der gantzen Insul, und andere nahent beyligender Landen V™lckern, mit grosser andacht entgegen kommen. Daselbst als wir in dem felsigen Gebirg bey dem Ufer gleichsam ein Theatrum oder Schawplatz gemacht, und der Ertzbischoff, deszgleichen Alexander desselben ortes Archidiaconus predigte, sind jr vil dem Creutz zugethan worden. Aber etliche auszerlesene JŸngling ausz desz Rothericj geslacht, so genen uns sassen, kondten keines weges das Creutz anzunemen beredt werden. Ausz denselbigen, sind hernach etliche da sie sich zu den Raubern geschlagen, erwžrgt worden, Die andere so verwundet haben jenen einander selbst an jr Fleisch freywillig Creuts gepfetzet.

Rothericus hat dise FŸrsten Resij Tochter so jhme im dritten Gras gesipt gewesen, zum Weib gehabt, welcher er auch durch keinerley vermanung, von jhme hat lassen w™llen, der hoffnung, von dannen wider desz Bruders S™ne die er enterbet, hžlff zuhaben, aber doch haben dieselben kurtz hernach alles wider zu sich gebracht. Dise Insul, hat in 343 Bawernh™fe oder flecken, und wirt doch darfŸr gehalten, das in drey Cantreden, Gebiet, oder Herrschafften unterschieden sey. Andere drey Insulen hat Britannia, so nahend beysame ligen, und fast in einer gr™sse sein, Gegen Mittag Vectam, gegen Abend Monam, gegen dem wind Circio so von Mitternachte wehet, Maniam, Aber die zwo ersten ligen dem Continenti oder vesten land etwas nehrer, und werden durch ein klein Iterstitium und raum desz Meers abgetheilet. Die dritte so Mania heisset, schwebet in der mitte zwischen Hibernia, Ultonia und den Sch™ttischen Galovidijs. Monam nennen die Inwoner von wegen desz reichen Weytszwachs Monam Cymbri. Und hernach weitter sagt er: Als die Graf Hugo von Slopesburi und Arundeli, sampt Hugen dem Grafen von Cestrensi, nach dem er mit gewalt in die Insul kommen, die Hund bey n‰chtlicher weil in S. Fefridanci kirchen verschlossen, hat er morgens sie alle wžtend gefunden, und ist er nachmals selbs von den Meerraubern, die von den Orcadibus kommen, welcher Oberster Magnus gewesen, vom Schipff mit einem Pfeyl von Magno selbst in ein aug (dann er allein desz theils am Leib blosz und mit Eisern unverwaret gewesen) geschossen worden, und tod ins Meers gefallen. Solchs da es Magnus gesehen, hat er D‰nisch gesagt: Leit loupe, das ist, lasz in springen. Item, da Henricus der ander sein Kriegsvolck in Venedotiam gefžrt, das glžck desz Krieges in einemengen und W‰ldischen ort, bey Caleshull zuversuchen, hat er seine schiff gen Monam geschickt, welche ehegedachte Kirchen geblžndert und beraubt haben, daher sie dann von denen so an demselben ort wonen, jr vil von wenigen, und gewapnete und geržste, von wehrlosen und ungeržszten, uberwunden, verwundet, gefangen, und fast alle erwžrget worden sein. Es waren zwey vom Adel, und dessen so dises geschriben, Mutter Bržder vom K™nig neben andern hieher abgefertiget, Nemlich, Henricus, K™nig Heinrichen desz ersten Son, und desz andern Mutter Bruder, so von den Grenitzen Demetiae sein herkommen hatte. Und nachmals desz Stephani Son, Henrici, nicht von Vatter und mutter, sonder allein von der Mutter rechter und Leyblicher Bruder, welcher Mann andern zu unsern zeitten den weg gezeyget, und Hiberniae Eroberung angefangen hat, dessen lob und rhum die Histori so von jme weiszsagt, genugsam an tag gibt. Henricus so seiner kžnheit zu vil vertrawet, und gar keinen nachsatz von den seinen hatte, ist bald unter den ersten mit Spiessen erstochen und umbbracht worden. Roberutus aber, so an der defension und gegenwher verzagte, ist hart verwundet, kaum zu den Schiffen entrunnen. Dise Insul, wiewol sonst an vilem sehr fruchtbar, ist doch von aussen etwas rawh und unfruchtbar, wie an dem Land von Pebidion bey Manavia zusehen. So vil sagt Gyraldus. Was k™ndte nur deutlichers und cl‰rers von dem namen, gelegenheyt und Fruchtbarkeyt der Insul Monae, deszgleichen von derselben Inwoner dapffern Mannheyt, Auch von der andern Insul gelegenheyt und namen geschriben worden? Eben diser Autor, redet von diser Insul, in Cambriae Topographia oder sondern beschreibung also: In Nortwalen, zwischen Mona und dem gebirg Eryri, ist dasselb ort unter Danielis Banchoriensis schutz und nachmals. Gleich wie der gantze strich Walliae, so gegem Mittag umb die Cterische Landschafft, und sonderlich Demetiam liget, desz ebenen und flachen Veldes, und Ufers am Meer halben, vil sch™ner und lžstiger ist: Also ist Venedotia gegen Mitternacht, der gelegenheyt desz Landes nach vester, bringet sterckere, hertzenhafftigere Mann, Hat auch sonst durchausz einen fruchtbaren Boden. Dann wie das Gebirg Eryri, wann man gleich alles Viehe in gantz Wallia zusamen triebe, Wayd und Futter genug gebe: Also sagt man, k™nte Mona, den wolwachs desz Weitzens belangende, gantz Walliam eine zeitlang versorgen. Wer wolte nun, so dises gelesen und recht betrachtet, so grob und unverstendig sein, und zweisten, ob desz Polydori Anglisea, das rechte Mona, der Druidum Sitz, so durch der R™mer Krieg und Schrifften bekandt worden, sey. Item, nicht fŸr gewisz halten, das die ander Insul, welcher er, der Polydorus und andere Gelehrte, so mit jme ausz seinen tržben pfžtzen trincken, unrecht Monam genennet haben, den Britanis, Manau, und den Engelendern Man sey, Und das man sie billicher und rechter Monariam, oder Monaidam, wie Ptolemaeus, Euboniam wie Gyldas, oder Menaviam Beda und Huntingdonensis, oder Maniam, wie Gyraldus, heissen solt. Ick k™nte noch mehr beweis, und Gelerhter Leut zeugnus auffbringen, wil es aber damit ich den Leser nicht verdrieslich, bey disen bleiben lassen, zweiffels one, sie werden einem jedem Gelehrten, und in Britannischen Historien geŸbten Man, zu ablainung aller der widersacher calumnien und einrede starck genug sein. Wil derhalben euch gebeten haben, jhr w™llet ewrer Auffrichtigkeyt und Freundligkeyt nach, mit disem vor liebe nemen, und unser Monam durch den Abdruck, wider in jhr alte Ehr und Wirden setzen. Verhoffe auch, ick w™ll in kurtzem, euch ein sehr gewisse genawe beschreibung, nit allein der Insul Monae, Sonder das gantzen Cambriae, mit den alten R™mischen und Britannischen, Und dann auch den Englischen namen illustrirt, zuschicken. Item ein chartam Geopgraphicam, oder Mappam Engelands, sampt den alten Nomenclaturis ausz Ptolemaeo, Plinio und Antonino, Damit man desz Hectoris Boethij unzelige lžgen, desto leichter erkennen k™nne, wider welchen unser Laelandus disz sehr eben und gerumbt Epigramma gemacht hat:

Hectoris historici tot, quot mendacia scripsit,

Si uis ut numerum, Lector amice, tibi?

Me iubeas etiam fluctus numerare marinos,

Et liquidi stellas connumerare Poli.

 

Das ist:

Wann ich dir soll alle Lžgen sagn

Die Hector thet, So thu auch fragn:

Wievil W‰llen im Meere gehn,

Und wievil Stern an Himel stehn.

 

Ich hab auch ein sehr genawe und richtige Beschreibung des gantzen strichs Schottlandes am Meer gelegen, welchs ich alles, wenn ich gen Lunden kome (das ob Gott will, vor ausgang des Aprillen geschehen sol) euch uberschicken will, aus welchen man etlicher gelerhter Leut offentliche errores sehen wird, die etlichen unerfaren, zuvil vertrawet, und von den Namen, viler ort, St‰tt und Flusz, in jren charus Geographicis oder Mappen, sehr onglžcklich und der warheit weit ungemesz, geschriben haben.

Unter dessen gehabt euch wol, und da ick sonst in andern dingen euch k™nte zugefallen sein, so wolt nit bitten, sondern was jr wolt, gebietten. Richardus Cloughus ein sehr Erbarer, redlicher Mann, so unserer freundschafft ein ursacher, auch unser beder guter Freund ist, wird der freundschafft nach, zwischen und, ewre Brief mir zuschicken, und meine euch wol zu antworten wissen. Gehabt euch wol freundlicher lieber Ortelj. Denbighiae in Nortwallen, oder Gugnedhiae, den 5 Aprilis, Anno, 1568.

 

Ewer williger

Per saxa perignes,

Humfredus Lhuyd Dembighiensis Cambrobritannus.

 

Uit deze argumenten en getuigenissen hou ik dat het duidelijk genoeg is dat dit eiland die ook de inwoners (zoals boven vermeldt) Monam en de Engelsen echter Angliseam noemen het echte Mona is en van geen andere naam weet. Dat ook het andere eiland die Polydorus en andere zo met hem in zijn modder en vuil steken Mon noemen en van Gylda Eubonia, van Huntyngthonensi Menavia en van andere echter Mania genoemd wordt. En hier willen we het alzo besluiten zonder dat we nog een getuigenis dat men in plaats van veel andere merken kan aanhalen willen. Namelijk Sylvestris Gyraldi Cambrobritanni die niet alleen van zijn hoge geboorte en afkomst maar ook vanwege kunst en geschiktheid beroemd is. Hij is ontsproten uit het edele geslacht van de Gyralden waarvan de koning in Engeland Ierland onder zich gebracht heeft en ook voor zichzelf koning Henricus de tweede van deze naam zeer lief en ook Johannis zijn zoon secretaris is geweest. Welke naam in de pauselijke decreten (omdat hij als de bisschop van Menuenser met de aartsbisschop van Canterbury de eigenschap of voorkeur of vanwege de waardigheid van de kerk strijdig geweest is) zeer goed bekend is. Deze zeg ik heeft in zijn boekje die hij Itenerarium, dat is een beschrijving van de reis van Baldwinus de aartsbisschop van Canterbury zo door Cambria het kruis bij de ongelovige preekte deze gedachte Sylvester ook steeds onafgezonderd erbij was en van het eiland Mona zo veel aan het licht brengt: Deze morgen (zegt hij) zijn we door de vesting van Caernarfon gereisd en door dal en berg aan Bangor (Wales) gekomen en van de bisschop, Guianus geheten, behoorlijk ontvangen geworden die dan vrijwel de mannen en vrouwen met luid geschreeuw uitnodigde en het kruis heeft aangenomen. Daarna toen we over een kleine arm van de zee voeren zijn we in het eiland Mona, ongeveer een 2000 schreden daarvandaan gelegen, gekomen waar ons dan Rothericus, de jongere zoon van Oeni, met het ganse eiland en andere daarbij liggende volkeren met grote aandacht tegen kwamen. Daar hebben we toen we in rotsige bergen bij de oever een theater of schouwplaats gemaakt en de aartsbisschop en desgelijks de aartsdiaken Alexander op dezelfde plaats preekte zijn er veel tot het kruis gekomen. Maar ettelijke uitgelezen jongeren uit het geslacht van Rothericus zo tegenover ons zaten konden op geen manier bereid worden het kruis aan te nemen. Uit die zijn hierna ettelijke omdat ze begon te roven gewurgd geworden. De andere die verwond waren hebben elkaar zelf met hun vlees vrijwillig aan het kruis gezet.

Rothericus heeft de dochter van de vorst Resius zo hem in derde graad verwant was tot vrouw gehad die hij ook door geen vermaning van hem had willen laten gaan in de hoop daar weer de hulp van zijn broers zoon, die hij onterfd had, te krijgen, maar toch hebben die kort hierna alles weer tot zich gebracht. Dit eiland heeft een 343 boerenhoven of vlekken en wordt toch daarvoor gehouden dat het in drie contreien of gebieden of heerschappijen onderscheiden is. Andere drie eilanden heeft Brittanni‘ zo in de buurt bij elkaar liggen en zeker van een grootte zijn. Tegen het Zuiden Vectam, tegen het Westen Monam en tegen de wind Circio zo van het Noorden waait Maniam. Maar de twee eersten liggen wat dichter bij het continent of vaste land en worden door een kleine tussenruimte en ruimte van de zee afgedeeld. De derde zo Mania heet zweeft in het midden tussen Ierland, Ultonia en de Schotse Galovidia of Galloway. Monam noemen de inwoners vanwege het rijke graangewas Monam Cymbri. En hierna verder zegt hij: Toen de graaf Hugo van Shrewsbury met Arundeli en Hugen de graaf van Chester, nadat hij met geweld in het eiland gekomen was de hond in de nacht in de kerk van St. Fefridance opgesloten heeft hij ze Õs morgens alle woedend gevonden en is daarna zelf van de zeerovers die van de Orkneys kwamen wiens overste Magnus was en van een schip een pijl in zijn oog heeft geschoten zodat hij dood in de zee viel. Zulks heeft Magnus gezien en heeft op zijn Deens gezegd: Leit loupe, dat is laat hem springen. Item, daar heeft Henricus de tweede zijn krijgsvolk in Guynedhia  gevoerd om zijn geluk van oorlog voeren te verzoeken en bij een oord in Wales bij Caleshull en heeft een schip naar Mona gestuurd die de eerder gedachte kerk geplunderd en beroofd hebben vandaar dat ze van die in de plaats wonen van hen veel en van hen weinigen en gewapende en uitgeruste van weerloze en niet uitgeruste overwonnen, gewond, gevangen en zeker alle gewurgd zijn geworden. Er waren er twee van adel en deze zo dit geschieden de moeders broeder van de koning naast andere hier afgevaardigde als Henricus, de eerste zoon van koning Henricus en de andere moeder broeders zoon zo van de grenzen van Pembrokeshire of Dyfed afkomstig was. En later de zoon van Stephanus Henricus, niet van vader en moeder, maar alleen van de moeder echte en lijflijke broeder welke man andere tot onze tijd de weg toonde en IerlandÕ s verovering begonnen is wiens lof en roem de historie zo van hem zegt voldoende aan het licht brengt.

Henricus zo teveel op zijn  koenheid vertrouwde en geen nakomelingen had is al gauw als een van de eerste met een spies doorstoken en omgebracht geworden. Robertus echter die aan defensie en tegenweer mislukte is erg verwond en kon nauwelijks naar het schip vluchten. Dit eiland hoewel het op veel plaatsen zeer vruchtbaar is toch van buiten wat ruw en onvruchtbaar zoals aan het land van Pebidion bij Manavia te zien is. Zoveel zegt Gyraldus. Wat kan er nu duidelijker en helderder van de namen, gelegenheid en vruchtbarheid van het eiland Mona, desgelijks van diens inwoners dappere mannelijkheid en ook van de andere eilanden gelegenheid en namen geschreven worden? Zelfs deze auteur spreekt van dit eiland in Cambria Ôs topografie of bijzondere beschrijving alzo: In Nortwall tussen Mona en de berg Eryri (Snowdonia) is dat oord onder Danielis Banchoriensis bescherming en later; gelijk zoals de ganse streek Wales zo tegen het Zuiden bij het Cterische landschap en vooral Demetiam ligt (St. Davids head?) dien platte en vlakke veld en vanwege de oevers aan de zee veel mooier en lustiger is. Alzo is Guynedhia tegen het Noorden naar de gelegenheid van het land vaster en brengt sterkere, en mannelijke mannen. Heeft ook verder geheel een vruchtbare bodem. Dan zoals het gebergte Eryri als men gelijk alle vee in gans Wales tezamen drijft geeft het weide en voer genoeg. Alzo zegt men kan Mona, wat het groeien van graan aangaat, gans Wales en tijd lang verzorgen. We wil nu zo dit gelezen en goed bekeken zo grof en onverstandig zijn en als tweede of Polydorus Anglisea het echte Mona, de zetel van de dru•den zo door de Romeinse oorlog en schriften bekend geworden is. Item, niet voor zeker houden dat het andere eiland die Polydorus en andere geleerden zo met hem uit zijn troebele putten drinken ten onrechte Mona genoemd hebben, de Britten Manau en de Engelse Man is. En dat men billijker en beter Monariam of Monaidam zoals Ptolemaeus, Euboniam zoals Gyldas of Menaviam van Beda en Huntingdonensis of Maniam zoals Gyraldus noemen zal. Ik kan niet meer bewijzen en geleerde lieden tot getuige brengen zodat ik de lezer daarmee niet verdriet en bij deze laten blijven, twijfel alleen dat ze van elke geleerde en in Britse historie geoefende man tot afwijzing van alle tegengestelde fouten en bepaalde zaken sterk genoeg zijn. Wil daarom ook u gebeden hebben u wil naar uw oprechtheid en vriendelijkheid dit voor lief nemen en onze Mona door het afdrukken weer in haar oude eer en waarde zetten. Hoop ook, ik wil u gauw een zekere nauwkeurige beschrijving geven en niet alleen van het eiland Mona maar het ganse Cambria met de oude Romeinse en Britse en dan ook met de Engelse namen ge•llustreerd zenden. Item een geografische kaart of map van Engeland met de oude nomenclatuur uit Ptolemaeus, Plinius en Antonius waarmee ik Hector Boetius onzalige leugens des te lichter herkennen kan tegen wie onze Lealandus dit zeer even en beroemde epigram gemaakt heeft;

Hectoris historici tot, quot mendacia scripsit,

Si uis ut numerum, Lector amice, tibi?

Me iubeas etiam fluctus numerare marinos,

Et liquidi stellas connumerare Poli.

 

Dat is:

Wanneer ik u alle leugens zou zeggen

Die Hector deed. Zo zou u ook vragenÕ

Hoeveel golven er in de zee gaan

En hoeveel sterren er aan de hemel staan.

Ik heb ook een zeer nauwkeurige en goede beschrijving van de ganse streek van Schotland aan de zee gelegen die ik alles als ik naar Londen kom (als God het wil voor uitgang van april geschieden zal) u zenden wil waaruit men ettelijke geleerde lieden openlijke fouten zal zien die ettelijke onervaren teveel vertrouwen en van de namen van vele oorden, steden en stromen in uw charus geografie of mappen, zeer ongelukkig en ver van de waarheid, geschreven hebben. Onder deze hebt u wel gehad en omdat ik verder in andere dingen u welgevallig kan zijn zo wil niet bidden maar wat u wil gebieden. Richardus Cloughus een zeer eerbare redelijke man zo vanwege onze vriendschap een oorzaak en ook van ons beide een goede vriend is zal naar die vriendschap tussen u uw brief me zenden en mij ook wel te antwoorden weten. Gehad u wel vriendelijke Ortelius. Denbighiae in Nortwallen of Gugnedhiae de 5de april anno 1568.

 

Uw gewillige

Per saxa perignes,

Humfredus Lhuyd Dembighiensis Cambrobritannus.

 

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/