Abraham Munting, Waare oeffening der planten, 1672.

Voorwoord.

Abraham Munting (1626-1683) schreef in 1672  Waare Oeffening der planten. In 1682 verscheen hiervan een veel uitgebreidere versie onder de titel Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen.. ., die in 1696, na de dood van de auteur, nog eens werd herdrukt. 

ヤHenricus Munting was niet minder dan de stichter van de Groningse Hortus. Wat er bekend is over zijn leven en werken wordt door Hans Andreas uitvoerig besproken. 
  

Henricus Munting (zijn voor- en achternaam werden al tijdens zijn leven op allerlei verschillende wijzen gespeld) werd geboren in 1583 als zoon van een Groningse zilversmid. Hij werd al op 16-jarige leeftijd door zijn ouders naar Middelburg gezonden om daar bij de destijds bekende apotheker en kruidkundige Willem Jasperduyn opgeleid te worden tot apotheker. Jasperduyn stond in contact met onder meer de beroemde Carolus Clusius, de stichter van de Leidse Hortus. Munting verbleef enkele jaren in Middelburg om vervolgens in 1604 naar Engeland te gaan. Daar ontmoette hij de eveneens vermaarde botanicus Lobelius, een Vlaming van oorsprong. Vandaar trok hij naar Frankrijk, Itali, Duitsland en Tsjechi. Overal trad hij in contact met vooraanstaande geleerden op het gebied van de botanie en de kruidkunde. In Praag was hij drie jaar verbonden aan het hof van graaf Wilhelm von F殲stenberg, die persoonlijk zeer ge貧teresseerd was in botanische en chemische zaken. Na een verblijf van in totaal twaalf jaar in het buitenland kwam hij in 1611 naar Groningen terug, waar hij zich vestigde als apotheker. Het jaar daarop trouwde hij met Hester Reneman. Ze kregen veertien kinderen van wie er evenwel maar vier hun ouders zouden overleven.
   

Het is een interessante tijd in Groningen; er gebeurt veel. In 1614 wordt de universiteit gesticht. In de jaren 1607-1624 vindt de ヤgrote uitlegユ plaats. Daarbij wordt een groot gebied ten noorden en oosten van de oude kern bij de stad getrokken en door wallen en grachten omgeven. In dat gebied koopt Munting in 1626 aan de ヤRoosenstraetユ (thans Grote Rozenstraat) een huis met tuin en daarna vergroot hij zijn terrein in de richting van de ヤKruisstraetユ (thans Grote Kruisstraat) door de huur van aangrenzende percelen en richt het in tot botanische tuin. Later gaat hij er ook wonen. De omvang en indeling van zijn tuin in zes vierkante vakken en daarachter een groot rechthoekig vak zijn te zien op de beroemde stadskaart van Haubois van omstreeks 1643.
Zijn energie en leergierigheid blijken als hij zich in 1633 aan de universiteit laat inschrijven als student in de geneeskunde. In 1637 verwerft hij de doctorstitel. In financieel opzicht heeft hij af en toe echter problemen. Kennelijk besteedt hij teveel geld aan zijn tuin. Hij kweekt vele soorten tulpen en in 1636 is hij een van de slachtoffers van de beruchte windhandel in tulpenbollen. In 1642 verklaart hij zich in een brief aan de Staten bereid om ten dienste van de Academie en de ingezetenen van de provincie een tuin te onderhouden ヤbij aldien hij daertoe en iaerlix subsidie mochte bekomenユ. Bij dit aanbod zullen financi鼠e motieven wel een rol gespeeld hebben. Hij krijgt inderdaad een aanstelling als ヤbotanicus provincialisユ bij de Academie ヤvoor het hebben ende onderhouden van een Hoff van allerhand vremde plantagien ende cruidenユ. Voor het salaris dat hij kreeg moest hij niet alleen de tuin onderhouden, maar ook onderwijs geven aan studenten en belangstellenden, ユs zomers in de tuin in de plant- en kruidkunde, ユs winters binnenshuis onder meer in het maken van chemische, plantaardige en dierlijke preparaten ten behoeve van de geneeskunde. De grondstoffen moest hij op eigen kosten verzamelen. Zijn instructie is bewaard gebleven. Colleges moest hij geven op maandag, woensdag en vrijdag van vier tot zes uur ヤs namiddag. In 1656 besteden de Staten een groot bedrag voor de bouw van een stookkas (ヤreconditorium ter bewaring van alle rare plantenユ).
   

In 1646 publiceert Munting een catalogus van de planten in zijn tuin en van zijn collectie van delfstoffen en andere materialen ten dienste van de farmacie. Bij de planten zijn natuurlijk een groot aantal soorten uit overzeese gebieden, zoals aardappel, tabak en bamboe, maar toch ook ruim vierhonderd die hij verzameld kan hebben in Groningen en Drenthe, zoals Beenbreek, Goudveil, Heelkruid en Parnassia, alsmede zoutplanten als Schorrenkruid, Zeekraal en Zulte. Zijn belangstelling voor de inheemse flora van de regio doet modern aan. Door problemen met de naamgeving – we zijn nog v覧r de tijd van Linnaeus - is de identificatie van de afzonderlijke soorten en geslachten overigens niet altijd even gemakkelijk. Deze catalogus is de enige publicatie die van Munting bekend is. Ook van zijn reizen zijn helaas geen aantekeningen of brieven bewaard gebleven.
    

De aanstelling bij de Academie in 1642 betekende niet, dat Munting nu meteen de functie van hoogleraar had. Onderwijs in de physica en ook in de botanie gaf destijds Petrus  Mulerius. Een offici鼠e aanstelling tot gewoon hoogleraar in de botanie kreeg Munting pas in 1654, toen hij al bijna 71 jaar oud was. Maar toen werd hem meteen ook een assistent toegewezen, zijn zoon Abraham Munting, die hem na zijn dood in 1658 zou opvolgen. Op zijn beurt werd die na zijn vroege dood in 1683 opgevolgd door zijn zoon Albertus Munting. Geldzorgen maakten dat de tuin, tot dan particulier bezit, in 1691 moest worden verkocht. Koper werd de provincie. Daarmee kwam een einde aan de periode van bijna een halve eeuw waarin drie generaties Munting de tuin hadden verzorgd.       
   

Nu de Hortus aan de Rozenstraat in Groningen naar Haren is verplaatst, is het goed dat daar een straatnaam herinnert aan de ondernemende Groningse stichter van de tuinユ.  (Uit Plantaardigheden)

Geschreven en bewerkt doorr Nico Koomen.

De tekst is vrij gemakkelijk te lezen, wel oubollig. Daarom zal ik het in normaal Nederlands beschrijven en wat inkorten met wat aantekeningen voor de duidelijkheid. Dat zoals de beschrijving van de temperaturen omdat die planten nu geheel in een plantenkas gaan. Verder is zijn soortbeschrijving en naamgeving te kort en onduidelijk, vaak met een enkele vreemde naam zodat het moeilijk is om de juiste soort terug te vinden. Verder begint hij altijd met ヤ de aart en Natuireユ de aart is meestal een soort met dan verschillend gekleurde bloem, gevlekte bladeren en dergelijke. De ヤ Natuireユ is veel onduidelijker, dan komen er ook andere soorten bij , zo wordt bij de roos net zo gemakkelijkbij  de roos van Jericho, Anastacia, gezet omdat het een ヤroosユ is. Met die korte omschrijving wordt dat heel moeilijk, vooral omdat er weinig afbeeldingen zijn. Ook zijn de planten vanaf Ravelingen tot Linnaeus weinig bekend hoewel er veel veranderde door nieuwe invoer uit Amerika. Daar heb ik dan ook minder informatie van dan van ヤ de oude plantenユ. En zal ik zeker de plank wat misslaan.

Het bevat de teeltwijze en vermeerdering van vele planten. Zelfs ongedierte bestrijding en bemesting, soorten tuingrond en overpotten zo dat het nu nog in de hortus op biologische manier gebruikt kan worden.

Hij wist toch ook wat van de geschiedenis af zoals je af en toe merkt waar hij er wat uitvoerig op ingaat. Het boek bevat een 40 gedetailleerde kopergravures die soms vervangen worden door de mooiere gekleurde afbeeldingen uit latere uitgaven die afkomstig zijn van http://www.google.nl/search?q=abraham+munting&hl=nl&fhp=1&prmd=imvnso&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ei=__8kT6LYL4WP0AW7iJHOCg&sqi=2&ved=0CGEQsAQ&biw=927&bih=905

De tekst en zwart-witte afbeeldingen komen van http://books.google.nl/books? GEDIGITALISEERD DOOR GOOGLE. Een enkel blad mist er, die komen dan uit:

id=9EbSAAAAMAAJ&pg=PA217&lpg=PA217&dq=abraham+munting+waare+oeffeninge+der+planten&source=bl&ots=YtUV63zMM8&sig=PHcowQAzuLVc0txlVCD9gUNdiCM&hl=nl&sa=X&ei=vNnwTpuMOsOdOpvG6JgB&sqi=2&ved=0CCkQ6AEwAA#v=onepage&q&f=false

ook; http://caliban.mpiz-koeln.mpg.de/munting1/high/IMG_4091.html

 

WAARE OEFFENING

DER PLANTEN,

Beschreeven door

ABRAHAMUS MUNTING. [1]

OP DEN TYTELPRENT.

De Gulle Neerstigheit, door Leersucht aengedreeven,

Smeekt dユ Eedele Natuir, om haer verborgen Schat,

Ons milde Moeder schenkt de Sluetel van het leeven,

En seyt: Leergierige, al wat mijn Rijk omvat.

Van Oosten tot het West, van Zuid tot Noorder Poolen,

Dat leert mijn wakkre Zoon, dユ Heer Munting in dees bln.

Leest ende herleest hem vry, ja gaet by hem ter Schoolen,

Sijn schrandre Geest die leert wat nut is, wat kan schn,

Wat dat de Middel Riem, de Tijden van de Jaaren,

De Groote Lichten doen, Hooft stoffen, Rijm en Mist;

Wat Tijd of Ontijd is tot zaaijen of tot paaren.

Hier in is ユt algezeit, wat ik te zeggen wist.

P. M.

IDEM LATINE.

Candida Sedulitas, Studio comitante, Parentis

Naturセ arcanas Nobilis ambit opes:

Nostra Parens Clavem donat largissima Vitセ,

Et, Studiosa, meus quod capit axis, a付.

Quicquid habet Boreas, quicquid Nothus, Eurus & Auster,

Hisce meus folijs Filius Author habet.

Hunc lege, & hunc relege, & bis perlege, t屍ve, quat屍ve,

Quセ prosint, &  quセ sint nocitura docet.

Quid sit Zodiacus, quid Sol, quid Luna, quid Anni

Tempora, quid Cマli posse Elementa putes,

Tempore quo Semen furgat; quo tempore Messis,

Hac Nuce, ceu puncto singula Mundus habet. [2]

W. G.

[3]

 

Copie van ユt Octroy.

De Staten van Hollandt ende Westvrieslandt. Doen te weeten, Alsoo Ons vertoont is by Ian Rieuwerts Boeckverkooper, woonende tot Amsterdam, hoe dat hy Suppliant op swaere kosten hadde doen drucken seecker Boeck, genaemt, Waere Oeffening der Planten &c. beschreeven door Abraham Munting, der Medicine Doctor ende Professor Botanices in de Academie van Stadt Groeningen ende Ommelanden, ende daer toe laten snijden veertig koopere Plaeten. Ende alsoo hy Suppliant beducht was, dat yemand anders het selve Boeck mochte komen nae te drucken, ende hy daer door groote schade soude lyden. Soo versoght hy Suppliant gansch oodmoedelick, dat het Onse goede geliefte zijn mochte, hem Suppliant, daer over te verleenen Ons Octroy voor den tijd van vijfthien Iaren in communi forma. Soo ist, Dat Wy de saecke ende ユt versoeck voorschreeven overgemerckt hebbende, ende geneegen weesende ter beede van den Suppliant, uyt Onse rechte wetenschap, souveraine maght ende autoriteyt, den Suppliant geautoriseert ende geoctroijeert hebben, autoriseeren en Octroyeren den selven mits desen, ten eynde hy het voorgemelte Boeck geduyrende den tijd van vijfthien eerstkomende Iaeren, in Onsen Lande van Hollandt ende Westvrieslandt alleen sal mogen drucken, doen drucken uytgeeven ende verkoopen. Verbiedende allen ende eenen yegelijcken het selve Boeck naer te drucken, ofte elders naer gedruckt binnen den selven Onsen Lande te brengen, uyt te geeven ofte te verkoopen, op verbeurte van alle de naergedruckte, ingebrachte, ofte verkochte exemplaren, ende een boete van seshondert guldens daerenboven te verbeuren, ユt appliceren, een dardepart voor den Officier die de calangie doen sal, een derdepart voor den Armen der plaetse daer het casus voorvallen sal, ende ユt resterende derdepart voor den Suppliant; Alles indien verstande, dat Wy den Suppliant met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van sijn schaede, door het naedrucken van ユt voorschreeven Boeck, daer door in eenigen deelen verstaen, den inhouden van dien te autoriseren, ofte te advou喪en: Ende veel min het selve onder Onse protectie ende bescherminge eenigh meerder credit, aensien ofte reputatie te geeven; Nemaer den Suppliant in cas daer in yets onbehoorlijcx soude mogen influeren, alle het selve tot sijnen laste sal gehouden wesen te verantwoorden: Tot dien eynde wel expresselijck begeerende, dat by aldien hy desen onsen Octroye voor het selve Boeck sal willen stellen, daer van geene geabbrevierde ofte gecontraheerde mentie sal mogen maecken, nemaer gehouden sal wesen het selve Octroy in ユt geheel ende sonder eenige omisse daer voor te drucken, ofte doen drucken, op poene van het effect van dien te verliesen. Lastende allen ende eenen yegelijcken die het aengaen magh haer daer naer te reguleren. Gedaen in de Hage onder Onsen grooten Zegele hier aen doen hangen den xxxi September in ユt iaer Ons Heeren ende Salighmaeckers, duysent ses hondert een ende seventigh.

Onder stond

JOHAN DE WITT. ut.

1671.

Ter ordonnantie van de Staten

SIMON van BEAUMONT.

 

[4]

WAARE OEFFENING

DER

PLANTEN,

WAAR IN

De rechte Aart, Natuire, en verborgene eigenschappen der BOOMEN, HEESTEREN, KRUIDEN,  ende BLOEMEN, Door een veeljaarig onderzoekinge, zelfs gevonden; Als meede op wat maniere zy, in onze Neder- en Hoog-duitschen Landen, gezaait, geplant, bewaart, ende, door het geheele Jaar, geregeert moeten zijn, kenbaar gemaakt worden.

Beschreeven door

ABRAHAMUS MUNTING,

Der Med: Doctor, ende PROFESSOR BOTANICES in dユ Academie van Stad Groningen en Ommelanden.

Met 40. Kopere Plaaten van de Raarste Planten verciert.

 

Tユ Amsterdam,

Voor JAN RIEUWERTSZ. Boekverkooper, in Dirk van Assensteeg, in ユt Martelaarsboek, in ヤt Jaer 1672.

Met Privilegie.

[5]

Eedele Moogende Hoogwijze Heeren

Borgemeesteren ende Raad der Stad

Groningen.

Borgemeesteren.

Henric Werumeus.         Warmolt Ackema.

Henric Cluvinge.            Arn. van Nijeveen.

Raadsheeren.

Ludolph Conders  Egbert Horenken.

Tiaert Gerlacius.            Warnerus Emmen.

Johan Drews.               Henric Muntingh.

Johan Isbrandts.            Scato Gockingha.

Rud. Christophori.         Johan Verruci.

Andreas Ludolphi. Johan Eeck.

 

Syndicus.            Secretarien.

Reynoudt Clinge.  Henric Swarte.

                          Johan Tammen.

 

Als mede

Eedele Moogende Hoogwijze Heeren

der Ommelanden

Tusschen dユ Eems en Laauwers.

Ende der Zelfde Eedele Hoogwijze Gecomitteerde Raaden.

Bernard Conders van Verwou, Ridder van de Ordre van Sint Michiel, Heer tot Fraem, Huisinga, Startinge, [6]

Claes Sekema, Hovelink tot Oldekerk, Grietman van Westerdeel-langewold, ook van de Ooster en Wester Ruigewaart.

Secretarien

Atho Rhiemersma, Hooftling tot Grijpskerke, Westerdijken, Noordhorn ende Lutkegast.

Johan Ringhels, Hooftling in Westerdeel-langewold, Dorquert ende Leegkerke.

MYN HEEREN

 

 

 

 

Ier komt zich Deze, als een zeer geringe Schat, voor dユ Oogen van Uwe Eedele Moogende dienstwillig presenteeren, waar toe een drijvende lust tot de loflijke, doch werkelijke hanteeringe, en hooggeachte kennisse der Kruiden en Boomen, als ook haar inwendige aangeboorene kracht (twee scherpe spooren) te doorgronden, my aangeprikkelt hebben. Twijfelen Uwe Eedele Moogende wie ユt is? De blanke zuivere Lelie Bloemen, dユ aangenaame couleur der welriekende Roosen, de bevallige geur der schoone Angelieren, de dierbaar geachte Jasmyn, de zienswaerdige wonderverwen der veelvoudige Anemones, en hoog gepreesene Ranunculen, daer zy haar schoot mede gevult heeft, zullen getuigen dat ik de rechte Oeffeninge der Planten, door naerstige onderzoekinge veeler jaaren  zelfs gevonden, Uwe Eedele Moogende voor doe stellen, ende onderdaaniglijk opofferen: Niet twijfelende of zal by Uwe Eedele Moogende een goed gehoor verkrijgen, en aangenoomen worden: Vermits Deze Niemant noodwendiger dan Uwe Eed: Moogende op te draagen toe komt, zijnde daar toe meest alle, als van Natuire, [7] gebooren, jaa zelfs de handen, in dユ oopene Lucht, aan ユt werk te slaan, ende de Land- als Hof-bouwery, te hanteeren gewent; Volgende, met lust, daarin de oude Heldendaden der Voorvaderen, en Machtige Princen, van de welke de Historien overvloedig getuigen: Welke noch moeite, noch onkosten, tot de zelfde aan te wenden zich geschaamt ende ontzien hebben; Vermits men daar in bemerkt, niet alleen de wonderwerken van den Almoogende God, doende voort brengen, na zijn eeuwige wille en Godlijk believen, uit een klein en qualijk zichtbaar Zaadeken, zoo veel schoonen couleuren der welriekende Kruiden en Bloemen, zulke hooge, dikke, en langleevende Boomen, wiens onderscheidelijke veranderinge der welsmaakende Vruchten, de Mensch niet alleen tot onderhoud zijns leevens verstrekt: Maar ook wiens schaaduwe voor der Zonnen warmte, zoo aangenaam is, onder welke men veilig rustende, de versterkende en vermaaklijke groenheit der Kruiden, die met haar veelvoudige schoone couleuren de Aerde zoo heerlijk vercieren, aanschouwen mag.

Geeven ook haare bevallige Bladeren, door een zachte Lucht beweegt wordende, dikwijls zoo een teeder en aangenaam geluit, dat zy daar in het lieflijk gezang der Vogelen voor een kleen gedeelte schijnen na te bootzen; Buigen ook van selfs, de swaar met Vrugt gelaadene Takken, als voor haar Heer en Meester, om hem de zelfde vrywillig te presenteeren, needer, niet tegenstaande door de zelfde Vogelen om haar voedend aas te verkrijgen, al vliegende sweeven, ende op haar Takken rustende, zoo lieflijk queelen, dat zy te zaamen zomtijds over eenstemmende een verwonderens waerdige Musijk te weege brengen; Zoo dat dese oeffeninge der Landbouwery, niet alleen een groot vermaak des Lichaams, maar ook een behoudenisse van de Eedele Ziele des Menschen koomt uit te werken. Want daar is (mijns oordeels) op de Aerden niet vermaaklijker, om ユt Gemoed, van zoo veel moeite en zorgen dikwils afgemat, wederom te verquikken, en in voorige staat te stellen, [8] als zich in dユ Hooven of buiten geleegene bevallige groente (een eerlijk en onberisplijk vermaak, en onwaerdeerlijke lust) in stilheit te beleeven: waar in men het nijdig gewoel der prachtige Steeden, de swaare bekommernisse der lastige Regeeringe, en aller zaaken haastige veranderinge, waar door dユ onsteltenisse des gemoeds zoo vaak gevoelt wordt, vermijden mag. Want hier in houden op, en worden niet gevonden eenige twist van menschelijke swakheit, afgunst der Borgeren, ofte kijvende tweedracht der onrustige Nabuiren: Hier is ユt gemoed als opgetoogen, van alle banden en zorgen vry, genietende een vermaakelijke wooninge van een gewenschte gerustheit, een schouwplaatze der bezaadigde diepzinnge gedachten, ende zoo wel natuirlijke, als Godlijke overpeinzinge. Zoo dat alle die welke deze zuivere, ende van alle bedrog vremt gewordene plaatzen, koomen te genieten, zoo wel Oeffenaars van eerbaarheit, als geruste stilheit gezegt moogen worden, schijnende niet alleeen tot een afgezondert, maar ook tot een Godlijk leeven overgegaen te zijn.

Daarom haar zelfs niet de Koningen, als Hieron, Philometer, Archelaus, Attalus, Gentius, Lysimachus, Mithridates, Telephus, Evax, Massinissa, ende veel meer andere, de zorge des Rijks van haar schouderen werpende, de Aerde om te spitten, en Hooven daar af te maaken ontzien hebben.

Ja men leest van de Machtige Koning Cyrus, dat hy niet alleen overal, door ユt geheele Rijk, daar hy bequaame plaatze gezien hadde, Hooven liet maaken, maar heeft ook zelfs in Lydia, met zijn eigen handen de zelfde bereidt, daar in Boomen gezaait, ge創t, ende in zoo een aanzienlijke order geplant, dat Lysander, Afgezante van Lacedemonien, van den Koning daer in geleidt, de schoone order der Boomen gezien, ende wederom gezien hebbende, met verwonderinge sprak; Deze bevalligheit, Cyre ! doet my vermaaken, maar boven alle verwondere my zeer over de konstige hand des Meesters, die uwe Majesteit dit alzo uitgevonden, ende gestelt heeft. [9]

Waar op de Koning, als in ユt gemoed verheugt, ende op zijn werk glorierende uit riep: Dit alles Lysander, welke gy hier ziet, heb ik zelver gestelt, ende met mijn rechterhandt gezaait. Daar op Lysander om ziende, ende het kostelijk gewaat, waar meede de Koning bekleedt waar, aanmerkende, wederom met verwonderinge antwoorde; wat is het Cyre, dat gy zegt? hebben uwe handen dit alles gedaan? de Kooning met yver zeide, ik sweer u by de Goden, Lysander, dat ik noit een eenige Dag (gezont zijnde geweest) verby heb laaten passeeren, in de welke ik niet iets dat tot den oorlog diende, of eenige Landbouwery volbrogt hebbe: Zoo een groot vermaak nam deze Prins in deze Bouwery, dat hy ook onder de schaaduwe der vruchtbaare Boomen zijn begraavenisse te maaken, ende aldaar gebood na zijn dood te willen rusten, welke de Groote Alexander, uit Judea, tot de Pasagarden wederkeerende te zien begeerde, ende Aristobulum daar in te gaan gebood, als daar van Strabo, en Quintus Curtius verhaalen.

Wat deede niet de Machtige Kaizer Diocletianus, welke de Regeeringe moede wordende, stond op zijn Troon, smeet af de Koninklijke mantel, begaf zich op zijn eigen land, ende volbrogt het overige zijns leevens, in een geduirige oeffeninge der Kruiden gerustiglijk: Welke daar na van Herculio en Galerio he Rijk wederom aan te neemen verzocht wordende, ten antwoordt gaf: Och mogt gy eenmaal zien de Plantasie met mijn eigen handen gestelt, ende daar af de Vruchten proevende genieten, nimmermeer zoudt gy van my, mijn gerustig en zeer vermaaklijk leeven wederom te verlaaten, om in een geduirige ongeruste slaaverny te moeten verblijven, begeeren konnen.

De Groote Koning Alexander, gelijk daar van Plutarchus verhaalt, heeft in de Landbouwery zoo ge匝celleert, dat hy de zelfs de Arachosische Volkeren geleert heeft.

Wat zal ik wijder spreeken van Semiramis der Perziaanen Koningin, die in beleidt van alle zaaken haar verstand gebruikende, [10] meer dan een Man gereekent geweest is, hebbende haar eigen handen niet gespaart in dユ Aerde te steeken, maar ook zoo wel in veel Valleijen, als op het hoog gebergte verwonderenswaerdige Hooven gesticht, waar in zy de schoonste gebouwen des werelds deede voortkoomen, uit de welke zy aan alle kanten het aangenaame Groen aanschouwen, ende van booven in ユt veld haar leeger, welke zy, tot dien einde aldaar dikwils in waapenen deede verschijnen, geoegzaam overzien konde.

Dit loflijk Exempel heeft gevolgt Nebuchodonozar, de Magtige Koning van Babylon, gelijk daar van Eusebius, ende Abydenus verhaaalen. Want hy eenige hangende Hooven met een driedubbelde muire wonderlijk verzien, zoo heerlijk en konstig gesticht heeft, dat Quintus Curtius de zelfde onder de Wonderen der Grieken gestelt heeft.

Wat Hooven heeft Sallustius, ten tijden van Julius Cセsar binnen Romen niet doen maaken? welke zoo treflijk zijn geweest, dat daar in Nerva zijn leeven ge訴ndigt heeft; hebben ook de Kaizeren Vespasianus en Aurelianus in de zelfde, als in haare Koninklijke Paleizen, veel liever haar tijd willen doorbrengen, ende de schoone Gewassen van dien hanteeren.

Naast deze zijn van geen minder aanzien geweest, die van den wijzen Philosooph Seneca, zoo dat hy ook, om de zelfde, het leeven verliezen moste, vermits de Kaizer Nero, om zich daar van Meester te maaken, deze wijze Man om te brengen geboodt. Ook zijn zeer heerlijk geweest die van Mecセnas, waar in hy zoo een hooge Tooren liet bouwen, dat hy daar van de geheele Stad Romen volkoomelijk zien konde, op wiens hoogte Nero zich daar naa, om dien Koninklijke Stad te zien branden, vervoegde, vermits hy de zelfde op verscheidene plaatzen met vier aan te steeken belast hadde.

Daarom ook alle de Vaderen der voorleedene Eeuwen groote eere beweezen hebben, dien, welke van deze konst of weetenschap kennisse droegen, haar noemende Her啼s ofte Goden, [11] welke voor groote Titelen van eere en waerdige achtbaarheit gehouden werde, ja zy hielden de Hooven, Boomen, ende Boskaadien voor heilig, de zelfde aanbiddende, vermits zy daar in de Goden te woonen meinden; zoo dat zy ook met de dood gestraft wierden, alle, welke eene van de zelfde te schenden, ofte daar van iets af te breeken quam; Stichten ook daar naa haare Altaaren en Kerken daar in, ende dienden haar Goden in de zelfde, gelijk daar van Tacitus, Benedictus Curtius, ende meer andere getuigen.

Waarom ook de overste des Heirs, en Magistraaten des Lands, alle weeken niet meer dan een Dag in de rookende Steeden zich ophielden, ende de stoel des Rechts beklommen, besteedende de ooverige Dagen alle in een geduirige Landbouwery of Hoovenierkonst, van de welke zy (des noods zijnde) om den rechtbank te spannen, wederom geroepen wierden, gelijk daar van by Lucius Moderatus Columella genoegzaam te leezen is.

Ja dat meer is, niemant worde tot een Krijgsoverste gestelt, tot een Prセsident verkooren, tot een Borgemeesterampt verheeven, ofte in den Raad gebrogt, of worde daar toe van den Ploeg en Spaade genoomen om alzoo wijslijk ende voorzichtig het Volk, Steeden, en Provincien te regeeren.

Desweegen ook de Romeinen, van de welke de Grooten Pompejus het Opperhooft doen ter tijdt gekent werde, Mithridates Koning van Pontus en Bithynien (waar van de hoog gepreezene Compositie Mithridatium ofte Mithridaat genoemt geworden is, ende zijn Naame verkreegen heeft) geslaagen en geheel overwonnen zijnde, in des Konings Cabinet ofte Secreetkamer een Boek de kennisse der Kruiden en Landbouwery te kennen geevende, gevonden en geleezen weezende, het zelfde alleen hooger, dan de Victorie met alle de verkreegene roof geacht hebben, vermits zy daar uit meerder nuttigheit voor ユt Gemeen, niet alleen tot gezondtheit des lichaams, maar ook des leevens onderhoudinge verkreegen.  [12]

Ende op dat ik veel meer andere exempelen der Vorstelijke Personagien, om kortheits wille, met een stilswijgende bevalligheit voorby gaa, zullen Uwe Eedele Moogende gedenken, dat deze onze tegenwoordige scherpziende Eeuwe niet minder, dan der Voorvaderen neerstigheit en yver in deze konst voor te zetten, te houden is; Vermits men daaglijks, door vlijtig onderzoeken der Natuire, veel verburgene dingen, waar van de Oudvaderen niet geweeten hebben, vindt, ende reeds tot vermaak en voordeel van een jegelijk gevonden heeft: Waar toe de invloeijende kracht der Planeeten zoo veel vermoogens heeft, dat men zonder haar rechte kennisse onmoogelijk iets goeds te weege brengen mag Waar van men tot den Leezer, breeder zien ende daar in genoegzaame weetenschap verkrijgen kan.

Dit dan Eedele Moogende Hoogwijze Heeren, alzoo in ユt korte voorgestelt hebbende, heb ik de stoutmoedigheit gebruikt, ook my hier in niet willen schaamen deze mijn OEFFENINGE DER PLANTEN, door een veeljaarig eervaarentheit, en eigen ondervindinge, zelfs gezogt ende gevonden, Uwe Eedele Moogende tot te eigenen ende onderdaaniglijk op te offeren; op dat zy niet alleen onder de vleugelen van Uwe Eedele Moogende voor de nijdige laster Tongen (ter tijdt iemant beter hier van geschreeven te hebben zal zijn gevonden) goedertierentlijk moogen worden beschermt: Maar dat zy ook tot voordeel ende nuttigheit, van Uwe Eedele Moogende in ユt generaal, een jegelijk in ユt bezondere, ende tot welstand des ganschen Vaderlands te strekken koome.

Hier meede Eedele Moogende Hoogwijze Heeren, wil ik u alle in een eeuwige genaadige bescherminge des Alderhoogsten beveelen, ende hem ootmoedelijk bidden, hy wille Uwe Eedele Moogende in een langduirige gezondheit, voorspoedige en kloekmoedige Regeeringe, tot grootmaakinge zijns heiligen Naams, bekoudenisse uwer aller zielen zaaligheit, ende welvaaren dezer geheele Provincie genaadiglijk bewaaren. [13]

Op dat wy daar door, onder een aangenaame schaaduwe Uwer Eedele Moogende, in een goede en stille vreede gerustelijk leevende, God de Alderhoogste, een Heere en Schepper van Hemel en Aerde (om alzoo in een eeuwige bescherminge zijnes Hoogen Majesteits, voor ons genaade te verkrijgen) mogen dienen, vreezen, loven en danken, niet alleen op dezer Aerden; Maar ook hier namaals in aller Eeuwen eeuwigheit. Datum Groningen den laetsten Julij in ユt jaar onses Heeren Jesu Christi clc* Icc* Lxxi.  (*behoren omgekeerd te worden)

UWE EEDELE MOOGENDE

DIENSTILLIGE DIENAAR

ABRAHAM MUNTING. [14]

 

Tot den goedgunstigen leezer.

Eminde Leezer, zijnde zoo dikwils van veele Curieuse Liefhebbers der Kruiden, en rechte verwonderaars der Natuiren verborgentheit, zoo wel, als aller Boomgewassen, eernstlijk aangeport ende verzogt, (vermits zy haarder aller aart niet kennende, over het verlies van veele der zelfde zoo in Zomer- als Winter-tijden, ook over de onvruchtbaarheit van dien te klaagen quaamen) ik mogte, volgens mijne daar in verkreegene eervaarentheit en kennisse, haar te gevalle een weinig opstellen; op wat maniere zy de zelfde bequaamelijk bewaaren, onderhouden, ende daar van goede Vruchten gewinnen ofte verkrijgen zouden.

Welk verzoek in billijkheit bestaande, ik geerne om het Gemeine en uwer besten wille, ook om mijne overige tijd niet quaalijk te besteeden, hebbe aanneemen ende omhelzen willen, te meer, ik onlangs iets in ユt Nederlandsch uitgekoomen te zijn, gezien heb, in het welke de eedele Hovenierkonst, zeer zoober op het Tonneel gestelt werde, vermits daar in veele uit andere uitgeschrabde oude zaaken, zonder eenige eervaarentheit te kennen gegeeven werden, geenzins in deze onze Neder- of Hoog-duitsche landen, maar wel in heete Gewesten dienstig.

Hebbe daarommr deze, als een waare Culture der Boomen en Planten (vermits ik de zelfde, door een met lust gestaadige arbeidzaame oeffeninge, en eigen veeler jaaren eervaarentheit zelfs gezogt, ende in haare aangeboorne Natuire ondervonden hebbe) na mijn klein vermoogen geerne opstellen, ende opentlijk alhier in ヤt licht doen brengen willen, op dat gy ende een jegelijk leeren mogte, hoe ende op wat manier gy, na onze Nederlandsche en Hoogduitsche Climaat, alle uwe Planten en Boomen regeeren, ook tot eigen voordeel en welvaaren in deze Landen hanteeren zoude. Welke Waare Culture of rechte Oeffeninge, tot noch toe van Niemant beschreeven, ofte (mijns weetens) ooit van iemant uitgegeeven of bekent gemaakt is.

Daarom Goedgunstige Leezer, leest, herleest dit zelfde, ende zoekt daar uit uw profijt, vermits gy mijn zin en meeninge, met weinig woorden in ユt korte klaar genoeg uitgedrukt, ende daar in beschreeven te zijn bekennen zult, hoopende den welgezinden Leezer, hier in vernoegt zal zijn.

Niet tegenstaande, naadien ik, door neerstige arbeidt, daagelijks on- [15] dervindende bevinde, dat noch Kruiden, noch Boomen van iemant te recht tot vermeerdering gehanteert, ende in ユt leeven behouden moogen zijn, zonder goede kennisse der Zeven Planeeten, wanneer ofte op wat Dag, en uire zy door de geheele weeke, ende inzonderheit alle Dagen haar regeerende kracht, van God de Almachtige Heere (na zijn alvermoogende wille) daar in geschaapen, betoonen; om niet allen het Gewas des Aerdrijks, maar ook de Mensch, in een goede en verwonderens waerdige Ordonnantie, tot voortzetting van dien te bewaaren.

Hebbende haare Regeeringe, zoo wel by Dag als Nacht (na mijn klein vermoogen) Goedgunstige Leezer, ten besten hier by willen voegen, op dat een jegelijk weeten mag, dat hy niet op een ongeleegene uire alles zonder vrucht gedaan, gezaait, ofte geplant te hebben bekent, ende voor oogen ziet: Maar op een geleegene, goede en bequaame Tijd, in de welke alles na zijn wensch voorspoedig groeijende voorkoomt.

Zult gy daarom, met een goede zin, op t geen hier volgt voordachtig letten.

REGEERINGE DER ZEVEN PLANETEN.

Welke door de geheele Week, van een jegelijk, zoo wel by Dag als Nacht, op zijn uire geschiedende, te kennen is: Na de welke de zeven Dagen haar Naamen verkreegen hebben.

SONDACH                                    

Neemende zijn aanvanck des Nachts op twaalf uiren, als wanneer de Saturdag zijn natuirlijke loop gedaan heeft, van de welke de Zonne tot een uir regeert.

Venus van een tot twee.

Mercurius van 2 tot 3.

Luna van 3 tot 4.

Saturnus van 4 tot 5.

Jupiter van 5 tot 6.

Mars van 6 tot 7.

Sol van 7 tot 8.

Venus van 9 tot 10.

Luna van 10 tot 11.

Saturnus van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Jupiter van 12 tot een.

Mars van 1 tot 2.

Sol van 2 tot 3.

Venus van 3 tot 4.

Mercurius van 4 tot 5.

Luna van 5 tot 6.

Saturnus van 6 tot 7.

Jupiter van 7 tot 8.

Mars van 8 tot 9.

Sol van 9 tot 10.

Venus van 10 tot 11.

Mercurius van 11 tot 12.

 

MAANDAG.

Waar van de eerste uire (gelijk alle dユ andere) van Midnacht begint.

Luna van 12 tot een. [16]

Saturnus van 1 tot 2.

Jupiter van 2 tot 3.

Mars van 3 tot 4.

Sol van 4 tot 5.

Venus van 5 tot 6.

Mercurius van 6 tot 7.

Luna van 7 tot 8.

Saturnus van 8 tot 9.

Jupiter van 9 tot 10.

Mars van 10 tot 11.

Sol van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Venus van 12 tot een.

Mercurius van 1 tot 2.

Luna van 2 tot 3.

Saturnus van 3 tot 4.

Jupiter van 4 tot 5.

Mars van 5 tot 6.

Sol van 6 tot 7.

Venus van 7 tot 8.

Mercurius van 8 tot 9.

Luna van 9 tot 10.

Saturnus van 10 tot 11.

Jupiter van 11 tot 12.

 

DINGSDAG.

Mars van 12 tot een.

Sol van 1 tot 2.

Venus van 2 tot 3.

Mercurius van 3 tot 4.

Luna van 4 tot 5.

Saturnus van 5 tot 6.

Jupiter van 6 tot 7.

Mars van 7 tot 8.

Sol van 8 tot 9.

Venus van 9 tot 10.

Mercurius van 10 tot 11.

Luna van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Saturnus van 12 tot een.

Jupiter van 1 tot 2.

Mars van 2 tot 3.

Sol van 3 tot 4.

Venus van 4 tot 5.

Mercurius van 5 tot 6.

Luna van 6 tot 7.

Saturnus van 7 tot 8.

Jupiter van 8 tot 9.

Mars van 9 tot 10.

Sol van 10 tot 11.

Venus van 11 tot 12.

 

WOENSDAG.

Mercurius van 12 tot een.

Luna van 1 tot 2.

Saturnus van 2 tot 3.

Jupiter van 3 tot 4.

Mars van 4 tot 5.

Sol van 5 tot 6.

Venus van 6 tot 7.

Mercurius van 7 tot 8.

Luna van 8 tot 9.

Saturnus van 9 tot 0.

Jupiter van 10 tot 11.

Mars van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Sol van 12 tot een.

Venus van 1 tot 2.

Mercurius van 2 tot 3.

Luna van 3 tot 4.

Saturnus van 4 tot 5.

Jupiter van 5 tot 6.

Mars van 6 tot 7.

Sol van 7 tot 8.

Venus van 8 tot 9.

Mercurius van 9 tot 10.

Luna van 10 tot 11.

Saturnus van 11 tot 12.

 

DONDERDAG.

Op 12 uiren beginnende.  [17]

Jupiter van 12 tot een.

Mars van 1 tot 2.

Sol van 2 tot 3.

Venus van 3 tot 4.

Mercurius van 4 tot 5.

Luna van 5 tot 6.

Saturnus van 6 tot 7.

Jupiter van 7 tot 8.

Mars van 8 tot 9.

Sol van 9 tot 10.

Venus van 10 tot 11.

Mercurius van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Luna van 12 tot een.

Saturnus van 1 tot 2.

Jupiter van 2 tot 3.

Mars van 3 tot 4.

Sol van 4 tot 5.

Venus van 5 tot 6.

Mercurius van 6 tot 7.

Luna van 7 tot 8.

Saturnus van 8 tot 9.

Jupiter van 9 tot 10.

Mars van 10 tot 11.

Sol van 11 tot 12.

 

VRYDAG.

Als booven met de uire van 12 zijn aanvank op Midnacht neemende.

Venus van 12 tot een.

Mercurius van 1 tot 2.

Luna van 2 tot 3.

Saturnus van 3 tot 4.

Jupiter van 4 tot 5.

Mars van 5 tot 6.

Sol van 6 tot 7.

Venus van 7 tot 8.

Mercurius van 8 tot 9.

Luna van 9 tot 10.

Saturnus van 10 tot 11.

Jupiter van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Mars van 12 tot een.

Sol van 1 tot 2.

Venus van 2 tot 3.

Mercurius van 3 tot 4.

Luna van 4 tot 5.

Saturnus van 5 tot 6.

Jupiter van 6 tot 7.

Mars van 7 tot 8.

Sol van 8 tot 9.

Venus van 9 tot 10.

Mercurius van 10 tot 11.

Luna van 11 tot 12.

 

SATERDAG. Zijn begin met Midnagt verkrijgende.

Saturnus van 12 tot een.

Jupiter van 1 tot 2.

Mars van 2 tot 3.

Sol van 3 tot 4.

Venus van 4 tot 5.

Mercurius van 5 tot 6.

Luna van 6 tot 7.

Saturnus van 7 tot 8.

Jupiter van 8 tot 9.

Mars van 9 tot 10.

Sol van 10 tot 11.

Venus van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Mercurius van 12 tot een.

Luna van 1 tot 2.

Saturnus van 2 tot 3.

Jupiter van 3 tot 4.

Mars van 4 tot 5.

Sol van 5 tot 6.

Venus van 6 tot 7.

Mercurius van 7 tot 8.

Luna van 8 tot 9. [18]

Saturnus van 9 tot 10.

Jupiter van 10 tot 11.

Mars van 11 tot 12.

Deze genoemde alle, van de welke een jegelijk, door het goedvinden des Almoogenden Werkmeesters, zijn Dag (als hier gestelt) te verzorgen bevoolen is, geeft op de zelfde, en behoorlijke uir zijn meeste kracht, zoo dat nochtans de andere zes op haare uiren, of schoon haare Daagen niet en zijn, niet koomen in haar vermoogen vermindert te worden; Waar in te recht een hooge en verborgene wijsheit van God de Heere aan te merken is. Welke op dat zy meerder tot een jegelijks voordeel in acht genomen zoude worden, heb ik haarder aller Natuire alhier, U Beminde Leezer, gewillig vertoonen willen.

Kracht, Natuire en Eigenschap DER ZEVEN PLANEETEN.

ZONNE ¤ beteikent GOUD.

De Zonne, zijnde goedaardig, maatig warm, en droog van Natuire, is een krachtige, en heerlijke Planeet, zoo dat ook alle Kruiden, van de zelfde geregeert wordende, als dユ andere in kracht, en deugde overtreffen, ende in veelen te booven gaan: wat ook op dien Dag en uire (als wanneer het best is) ofte op een ander Dag, ende de zelfde uire, als deze regeert (gelijk uit het voorgaande genoegzaam gezien, ende bekent wordt) in een vochtige Aerde, ofte ment een donkere Lucht, Regen verwachtende, opgenoomen, geplant ofte gezaait werdt, koomt niet alleen veelvoudig, maar ook manlijk, ende tot een volkoomene perfectie voort; verkrijgt schoone, met een vermaaklijke groenigheit vercierde, en dikwils bonte Bladeren, lange Steelen, een krachtige Wortel, aangenaam van reuk, ende een welriekende gemeinlijk geel gecouleurde Bloem, ofte na den rooden trekkende.

MAANE SILVER.

De Maane, is na de Zonne de grootste, en vermoogenste Planeet; regeert krachtiglijk niet alleen de Zee, de vochtigheits des geheelen Aerdboodems, maar ook de waterachtige humeuren binnen in ユ s menschen lichaam, ende alles wat in de Planten tot haar voetzel, en groeijende kracht van nooden gewonden wordt. Want zy geeft daar in een aanwas, hoogste volkooomentheit, en wederom verminderinge, na haare wonderlijke loop. Het welke van een jegelijk by deze klaarlijk gezien zal konnen worden, indien hy een Boom verzetten, ofte, in het afgaan der Maane, waar in haar vermogen afneemt, van zijn Top of Kroone snoeijen wil; Want hy zal als dan bevinden, dat zy lankzaamlijk wederom voortschieten, een nieuwe Kroon maaken, [19] doch meerder Vruchten geeven zal. Maar zoo hy hem plant ofte snoeit, in het wassen der zelfde, als wanneer haar kracht vermeerdert, zal hy haastig wederom aanwassen, in veel Takken zich verdeelen, ende weinig Vruchten geeven. Doch indien het met haar volheit geschiedt, waar in zijn kracht op ユt hoogste, ende een perfecte volkoomentheit is, zal hy van beide behouden, ende niet alleeen schoone Takken, maar ook daar veel, en goede Vruchten voortbrengen, vermits hy in zijn volkoomen kracht als dan niet vermindert werdt, of hy schoon van zijn Takken berooft is, maar verblijft in zijn dikke stam te meerder, en langer een krachtige vochtigheit, waar door hy geweldig voortgedreeven wordt, ende aan zijne zuivere Takken, het derde en vierde Jaar daar na, wederom Vruchten geeft.

Desgelijks geschiedt het in alle Kruiden en Planten. Want alles wat met deze afgaande verplant, ofte gezaait wordt, inzonderheit dat in der Aerden, ofte booven de zelfde Vruchten brengt, zal in zijn Bladeren vermindert, maar in de Vrucht vermeerdert te wezen bevonden worden. Wat met een wassende Maane gerept, ofte gezaait te werden koomt, geeft kleine en slechte Vrucht, maar overvloedige Bladeren, daarom moet men op deze tijd niet als Medicinale, Bloemdraagende, of andere Planten, daar men noch in, noch booven de Aerde eenige Vruchten, dan alleeen haar Zaad van verwachtende is, gezaait zijn. Want met een volle Maane de Aerde bevoolen wordt, geeft zoo wel goede Vrucht, als Bladeren, ook volkoomener, ende uit enkelde, geheele dubbelde Bloemen, vermits het op een volkoomen tijd en uire, in de welke alles zijne rechte vervullinge gekreegen heeft, in dユ Aerde gelegt wordt.

Waarom ook Christus de Heere, hoewel na zijn Godheit een Schepper van Hemel en Aerde, van zijn Schepzel nochtans, om aller menschen eedele Ziele, die aan hem geloofden, ende noch gelooven zouden, te behouden, op dien volkoomenen uire en Tijd, in de welke niet alleen de Maane, maar ook de Zonne, zijn hoogste vermoogen en kracht gekreegen hadde, uit liefde lijden most; Wat hy hing om te sterven aan den Kruice recht op de Middag, vervullende alzoo door zijn dood, het geen door het woordt zijns Almachtigen Vaders te zullen geschieden, gesprooken was, in de zichtbaare vervullinge des hoogen Hemels Firmament, ende aller Gewassen der Aerden, die zonder malkander niet weezen, ofte bestaan moogen, waarom ook het een om des anders wille van God geschaapen is.

Daar en booven Christus de volheit aller dingen zelver, in de volheit des tijds, in de welke hy ユt alles vervulde, lijden moetende (vermits hy zeide, het is volbrogt) werdt ook de Zonne in zijn hoogste volkoomentheit booven [20] der Aerden, gelijk de Maane onder onze voeten truirende verduistert, waar door alzoo meede alle ユt Gewas der Aerden, zoo wel onder, booven, als ter zijden van haar rondheit, door het derven der krachten van deze twee groote leevendigmaakende, ende alle sin haar leeven behoudende lichtende Planeeten, krachteloos gemaakt werdende, met haar Schepper lijden ende in pijn zijn mosten. Zijnde alzoo met een volheit der Maane, waar in (als gezegt) haar hoogste kracht geleegen is, alles van een Almachtigen Werkmeester genaadig voltrokken: Niet alleen in de Tijd, waar in de ziele des menschen van zijn hooge Godheit vereerbarmt is: Maar ook tot vermaak, en onderhoudt des menschelijken lichaams, in zijn Scheppenisse van Hemel en Aerde; Niet te vooren, maar naa dat alle de Kruiden en Gewassen, der Aerden reeds in haar hoogste volkoomentheit op den derden Dag daar stonden, die zonder de invloeijende krachten der Planeeten niet voortgeteelt hadden konnen worden. Daarom na dat hy haar met alle de lichten des geheelen Firmaments, op den vierden Dag in haar hoogste magt geschaapen had, zag hy dat het alles goed waar, ende sprak daar na (niet te vooren) Wasset ende vermeerdert. Want het en koste voor dien Tijd zoo min geschieden, als alle Gewas der Aerden, niet alleen, maar ook de mensche zelver het leeven had konnen behouden, zoo niet na de dood des Heeren Christi aan den Kruice, de Zon en Maane haar kracht, en behoorlijk lichtende glans (door de goedheit Gods) aan zich genoomen, ende wederom verkreegen hadden.

Daar en boven, wat in het aanwassen dezes Planeets geschiedt (als vooren gezegt) schiet sterk in Loof, ende brengt voort weinig Vruchts, het welke (ユt is waar) voor Vruchtdraagende Gewassen alle ondienstig, maar voor de Huisman dienstig, ende zeer noodwendig is. Want indien hy met een wassende Maane zijn Land maaijen laat, zal daar in de helfte meerder, ofte eens zoo veel Gras, als met een afgaande verkrijgen.

Wijders, alles wat gerept, verzet, geplant ofte van Zaad in dユ Aerde gelegt werdt, als daar zoo wel in de Zon en Maane, een Eclipsis te zijn van ons gezien wordt, dat zelfde verderft, vergaat, versterft gemeinlijk, ende koomt nimmermeer, ofte zelden ten voorschijn. Want het verdooft, verandert, versmoort, ende verkoudt in dユ Aerde, dewijl zy dan als geslooten wordende, in lijden is, ende voor dien Tijd in haar kracht verminderende, geen genoegzaame warmte, aan ユt geene haar in de uire vertrouwt werdt, verleenen mag: Daaromme dien Dag voorbygegaan moet zijn.

Zy is van natuire koud en vochtig, tusschen goed en quaad gestelt. Derhalven alles wat op dien Dag, ofte een ander, doch rechte uire haarer regeeringe gezaait, ofte geplant wordt, koomt niet veel van uit der Aerden voort, blijft leege van Steel, geeft kleine gladde Bladeren, bleek, ofte met [21] witte Aaderen gemeinlijk doorloopen, waterig ende onlieflijk van smaak, ook witachtige Bloemen, zonder eenige reuk, en haast vergaande. Zoo dat ook de Moorsche Heidenen, en wilde Indiaanen, op de loop en krachtig vermogen dezes Planeets, gelet hebbende, daar na haar Planten, Wortelen en Boomen, tot een vermeerderende goedheit, en eigen onderhoudt, in dユ Aerde te brengen, ende te cultiveren geleert hebben.

Jupiter, Tin.

Deze goedaardige Planeet, is maatig warm en vochtig van Natuire. Alles wat op dien dag en uire, zijner reegeringe gezaait ofte geplant werdt, koomt veelvoudig en vigousreuslijk voort, wordt ook daar in een aangenaame Natuire gevonden. Geeft teedere, ende geen breede Bladeren, dikwils na den paerschen trekkende, lieflijk van reuk, niet onaangenaam van smaak, ende met een natuirlijke vochtigheid begaaft, ook Bloemen van een purperachtige couleur, en weinig reuks.

Venus Kooper.

Is van aart vochtig, maatig koud, en van een teedere Natuire. Wat onder haare magt ter Aerden besteedt wordt, koomt niet overvloedig, maar middelmaatig op, is traag in ユt wassen, brengt voort welriekende en zeer teedere Planten,  van een maatige hoogte, en ampere aangenaame smaak, gladde Bladeren, en kleine lieflijke Bloemen van een vermengde couleur.

Mercurius Quiksilver.

Deze Planeet is van een middelbaare aart, maatig warm, droog, en vochtig, ongestaadig, of zeer veranderlijk, met den warmen warm, en kouden koudt, wat op zijn dag en uire, der reegeringe verplant, ofte gezaait zy; Groeit en koomt gewillig voort: geeft een schoon, en taamelijk hoog Gewas, met bleek groene en ruigachtige Bladeren, schoone Bloemen, dikwils met een vermaaklijke blaauwe couleur, en teedere reuk verzien.

Saturnus Loot.

Weezende de quaadaardigste van allen, s van een koude, en drooge Natuire. Alles wat op die uire en tijd zijner regeeringe gehanteert, geplant, ofte van Zaad in dユ Aerde gelegt wordt, verderft, versterft, blijft in den Aerde zonder Vrucht, ende mag niet, ofte zeer weinig daar van in ユt licht voortgekoomen te zijn, gezien werden: Vermits als dan alle Gewassen des Aerdrijks voor die uire in haar drijvende kracht gestuit, ende verdooft wordende, stillestaan, ende niet wijder vermoogen, zoo dat een jegelijk die uire wel waarneemen, ende zich voor deze verdervende Planeet voorzichtig wachten moet. Want het is alles om niet, wat op dien tijd gedaan wordt,  [22] ofte geschiedt: Zijn ook de Kruiden zijne Heerschappy onderworpen, grof van deelen, ruig, doornachtig, graauw van verwe, hebbende gemeinlijk Bloemen van een bruine couleur, een onaangemaame reuk, en bitter ofte zonder eenige smaak.

MARS YZER.

Een krachtige Planeet, is van Natuire zeer heet, en droog. Wil iemant op die uire wanneer hy regeert, iets opneemen, verplanten, ofte zaaijen, zal toezien, dat het niet en geschiede, ten zy de Aerde eerst door de Regen des Hemels vocht nat gemaakt is; ook reede gezaait, ofte geplant zijnde, daar op een haastige Reegen te zullen vallen, gemerkt ende gehoopt werdt; zoude anders, door zijn uitdroogende en verwarmende kragt, het zelfde in korte Tijd, van zijn natuirlijke vochtigheit berooft, vruchteloos gezien worden; Maar als dan gelukkig en haastig voortkoomende weelderig in een vigoureuze staat opschieten, ende zijn perfecte volkoomenheit genieten.

De Kruiden van deze geregeert wordende, brengen voort lange, glinsterende, niet dik, ende gesneedene Blaaderen, weinig ofte slechts maar een steel, houtachtig, ende van een maatige lengte, ook Bloemen van een roodachtige couleur, niet vol van Bladeren, en gemeenlijk van een bittere smaak.

Hierenboven zal den goedgunstigen Leezer gelieven te weeten, dat verscheidene Kruiden gevonden werden, die niet alleen van een dezer Zevene, maar van twee, ofte ook wel drie geregeert worden, vermits Mercurius een vliegende, en onbestendige Planeet zijnde, zich lichtelijk by dユ een, of ander voegt, welke als dan daar van haar kragt ofte vermogen geniet, doch van dユ een gemeinlijk sterker, als dユ ander, gelijk my daar van dユ eervarentheit zelver, door deeze in de natuire verborgene Philosophie, onfeilbaar geleert heeft; Ja heb in ユt zeeker bevonden door haar eigen werkende Natuire, dat de Plante Tabacum ofte Tabak genoemt, van alle zeeven Planeeten geregeert wordt, welke, na een jegelijks vermoogen, haar invloeijende kragt in de zelfde onzichtbaar brengen: Zoo dat zy voor een Koninginne van alle Kruiden gehouden mag zijn, vermits men door, ofte met haar geneezen mag de meeste krankheeden (gelijk de Priester Eleazer, welke alle menschen, met den Duivel bezeeten weezende, door de wortel van een Kruid, van de Koning Salomon te vooren geoopenbaart, geholpen heeft; het welke de Kaizer Titus Vespasianus ende meer andere Romeinen met verwonderinge gezien hebben, als daar van Flavius Josephus lib: 8.cap. 2.getuigt) waar van de menschelijke Natuire in deze gewesten overvallen werdt; (welke ziekten nochtans door de zelfde Planeeten in ユs menschen lichaam heimelijk, zoo swijgende [23] stil aanneemen (gelijk zy ook daar na wederom afneemen) dat zy niet bekent worden, voor dat men daar van onvermoedelijk, en plotzelijk wordt aangetast) zy moogen weezen inwendig, ofte uitwendig, uit hette ofte koude haar oorspronk hebbende, het welke met geen andere Plante, (my tot noch toe bekent) geschieden kan, dewijle haar werkende kragt zoo groot, ofte volkoomen niet en is, ende ook onmoogelijk weezen kan) vermits deze alleen een krachtige werkinge aller Planeeten geniet, door de welke zeven alle menschelijke krankheeden zo wel, als geneesinge ofte gezontheit, het leeven, als de dood, door het believen Godes in den mensch zijn oorspronk neemt.

Waarom men scherp op dese Hemelsche Teekenen acht geeven, ende haar kragt by graaden van tijd tot tijd moet leeren kennen, zonder welkers toedoen niet goeds geschieden, de menschelijke Natuire, noch de krachten der Kruiden in haare rechte grond te kennen zijn; waar door iemant sich groolijks verloopen kan, ja den dood zoo gaauw, als geneesinge, en hulpe toebrengen, ofte veroorzaaken zal.

Want wat dユ eene gezont is, is dユ ander quaad, dユ eene Medecijn, is dユ ander Fenijn, vermits alle menschen van een Natuire geenzins zijnde, ook niet van een Planeet alleen geregeert worden: Waar door ook de Kruiden, niet alleen onder de regeeringe eens goeden Planeets, de Natuire der menschen aangenaam, gezaait, maar ook als dan in haare volkoomene kracht afgesneeden, getempert, ende de kranken om te gebruiken moeten gegeeven zijn, na de ziekte sterk ofte weinig, goed ofte quaad, nieuw ofte oud, heet ofte koud, droog ofte nat is.

Waarnaa nochtans van de Medicijnmeesteren, zoo weinig gevraagt, zoo min om gedocht, ja daar over heene, als de Haan over de heete koolen (gelijk men gemeenlijk zegt) geloopen wordt. Waar van daan dan koomt, dat zy ook zoo min aan de kranke mensch (als men daaglijks ziet) vermoogen, of uitrechten konnen; die nochtans dikwils met een Kruideken te geneezen is.

Zoo dat hier uit dan zeekerlijk koomt, dat de mensch buiten haar zoo min, als het gewas der Aerde bestaan mag. Want hy eerst door Godes hand na zy reeds in haar gegeevene magt verscheenen waaren, voortquam, welke in haar arbeidt, zoo wel buiten, als in hem, in zijn voorteelinge als geboorte, noit mat noch moede worden: Waar uit zonder verwonderinge, zoo een groote veranderinge der menschelijke humeuren, van goed en quaad, deugdig en ondeugdig, wreed en zagtmoedig, verstandig en onverstandig voort te koomen gezien wordt.

Waarom hy ook ten laetsten, op den zesten Dag van God gemaakt werde, als een geheel perfect werk, met de welke het alles voltrokken was, daarom [24] ook over alle voor hem geschaapene werken, een Heere te zijn gestelt, vermits hy na zijn beeld en gelijkenisse verstandig gemaakt, ende als doe noch geen zonde gekent hebbende, door het aanzien aller geschaapene Dingen, een jegelijk terstont zijn Naame (na der zelfder aart ende Natuire) te geeven wiste; Gaande recht op, niet gelijk de andere Creatuiren, om niet alleen, zijn oogen opslaande, het geheele Hemelsche Firmament, waar door hy tユ elkens zijns Scheppers zoude koomen te gedenken; Maar ook de zelfde nederwaarts buigende, aller Planten en Kruiden het hert bevallige, en ユt gezichte versterkende groenigheit, tot geneezinge zijns lichaams aanschouwen zoude: Welke groenigheit alle dユ andere couleuren des Werelds daar in te booven gaat, vermits zy het zelfde dikwils in veelen verswakken, en moeijelijk zijn, zoo dat, ofte, zy schoon alle by malkanderen in een gevoegt waaren, nochtans niet zouden te weege brengen konnen, ユt welke God de Almachtige, in deze verwonderenswaerdige krachtige eeinige couleur geschaapen heeft.

Dit zal u alles niet moogen vremt, ofte onwaarachtig dunken te zijn, Neen, neen! vermits het door dユ invloeijende kracht dezer Hemelsche Lichten, in de Planten werkende van de Natuire zelver, welke noit iets quaads doen, ofte volbrengen mag, geleert wordt; Waar van ik eerst een goed knecht, eer ik my daar van een Meester te zijn beroemen wil, verhoope te worden.

Daarom wil iemant, de Natuire van alle deze geschaapen zichbaarlijke Dingen, in haar verborgene kracht recht leeren kennen, moet na zijn klein en teeder vermoogen, de Schepper en Heere van alles eenvoudig vreezen, ende aan zijn eeuwige Woordt een welbehaagen neemen, zoo zal hy niet alleen al ユt geen in de Natuire verborgen is; Maar ook zijn waarachtig Woordt vatten ende begrijpen moogen.

Maar heeft hy aan zijn Heiligheit, en groot vermoogende genaaden Woordt geen gevallen (waar door nochtans zijn ziele een eeuwige behoudenisse geniet) zal al zijn doen om niet zijn, ende hy zal na het vermoogen der Natuire, om het zelfde te begrijpen willen, gelijk een blinde in ユt duister, na het geene hem voorgestelt wordt, onzeeker tasten, veel min van zijn couleur te spreeken weet.

Daarom wil ik voor ユt laetste gezegt hebben, dat by aldien wy aller Planeeten aart, in een meerder perfectie (als tot noch toe) vlijtig te onderzoeken zochten, wy als dan alle soorten van krankheden, daar de dood niet meede vermengt is, zonder moeite (gelijk de Koning Salomon, welke van alle Gewassen, Dieren, Voogelen en Visschen, haar Natuire ondersocht hebbende, verscheidene Boeken geschreeven heeft, als Flavius Josephus in ユt voorgenoemde Boek, van der Jooden oorlogen spreekende, verhaalt) geneezen [25] zouden, in wat Landt, ofte plaatze wy ook mogten zijn. Want de Almachtige God heeft na zijn alvermoogende goedheit een jegelijk Landschap met zoodanige Kruiden verzien, welke machtig genoeg zijn alle de krankheden daar meede te geneezen, die in de zelfde het menschelijke Geslachte te bejeegenen koomen. Daarom onderzoeke een jegelijk scherpzinnig, leere God ende de Natuire kennen, het welke zonder ons zelfs kennisse onmoogelijk is; Waar toe nochtans indien wy koomen konnen, zulle van hem een meerder Licht verkrijgen, ende de Natuire in haar verborgen kracht begrijpen moogen; Anders nimmermeer.

Doch op dat gy een jegelijk Gewas (voor zoo veel het voor deze maal heeft moogen zijn) op zijn behoorlijke plaatze zult konnen vinden, heb ik dit Boek in drie deelen te verdeelen goed gevonden: Waar van het Eerste alle Boomen in zich begrijpt. Het Tweede alle Heesteren ofte Struwellen. Ende het Derde alle leege Kruiden, Planten en Bollen in haare rechte volkoomen aart, in de welke gy haar onderzoekende, alzoo van Natuire, ende niet anders te zijn zult bevinden, ook op wat maniere gy de zelfde bewaaren, ende door het geheele jaar te onderhouden niet alleen, maar ook te vermeerderen konnen, volkoomelijk leeren zult.

Heb ook een Register der Capittelen achter ieder Boek gezet, ende een Generaal Register u Goedgunstige Lezer te gevalle voor aan daar by doen willen: om alzoo alle ding promptelijk en bequaam te mogen vinden en door te zien. Daarenboven zijn achter zommige Capittelen andere Capittelen aengeroert, die na de zelfde konnen geleezen worden, vermits zy van een maagschap zijnde, daar na gestelt hadden moeten geweest zijn.

De Tijd ofte Maanden in dit Boek genoemt, wanneer men zaaijen, iets verplanten, ofte de Gewassen binnen, of buiten ユs huis brengen zal, zijn na de Oude stijl geset, waarom gy u daar na zult moeten reguleren.

Hebbe my ook voorgenoomen gehadt noch veele meer andere Planten in Plaaten gesneeden, tot noch toe onbekent, hier by te voegen, inden my de Tijd door zijn snelle loop, als andere onverwachte ongelegentheden hier in niet hinderlijk waaren geweest. Vertrouwe niet te min dat deze mijne arbeidt u niet onaangenaam, noch ook van my te vergeefs geschreeven zal zijn; Biddende ondertusschen den Goedertieren lezer, hy wille deze in dank aenneemen. Vaart hier mede wel, en blijft den Almachtigen, goedigen, en alwijzen grooten Heere en God bevoolen, die een jegelijk verstand, wijsheit en kennisse geeft na zijn welbehaagende genaade: Hem zy lof, eere, en dank gezegt in alle eeuwigheit. Amen. [26]

 

ISAACI de SCHEPPER.

ELEGIA

IN

Amplissimi, Doctissimi, Cultissimique Viri.

D. ABRAHAMI MUNTINGH,

M.D. & Botanices in Academia Groningo-Omlandica Professoris Opus,

De Cura & Cultura Plantarum.

 

 

I Latona Parens, & primセ Consitor uvセ

Numen ab inventis obtinuere suis.

Authorumque phalanx, & dives copia Vatum

Nobile plantandi nomen ab arte ferunt.

Quam, Vir magne, tuis non affusura Camセnis

Lucem tam nitidis orbita trita rotis?

Sed quid eat vanos peregre sibi quセrere fumos,

Area cuilaudum panditur ampla domi.

Currat, & herbarum vastos struat alter acervos,

Et compilatum, qua patet orbis, eat.

Illa, tuセ cunセ, Grunici Violaria Pindi.

Sufficient votis plenius omne tuis.

Adde, quod, extremos quisquis ruit erro per axes,

Res tralatiti cognitione notet.

Quisquis at teneris vitam transegit in hortis,

ョquセvumque videt consenuisse nemus. [27]

 

 

 

Clarissimo & Doctissimo Viro

D. Abrahamo Muntingio.

Medicinセ Doctori Exp: & Botanices in Academia

Groningセ & Omlandiセ Professori Eximio,

Collegセ Honorando,

SAMUEL MARESIUS S. & O.

X animo gratulor tibi, Vir Clarissime, hujus Operis Exactissimi Edtionem. Inde & insigne nostro Athenセo accrescet Ornamentum, & tuo Nomini, ingens gloria. Ita scilicet fortes creantur fortibus; ac prout in hoc Belgio nullus extiterat Botanicus ante tuum bonセ memoriセ Parentem, cui ipse Palman non prセripuerit, sic nullus erit post te, qui tibi suos fasces submittere & Herbam porrigere non debeat. Nec enim mer ex aliorum scriptis h把 sapuisti, sed tui ingenij dexteritati & propriセ experientiセ, acceptum ferri debet hoc accuratum Volumen, ex quo constabit posteritati, ad Plantarum Culturam in te uno reperiri, Varrones, Plinios, Dioscoridas, Theophrastos, & cセteros omnes, qui in eo genere olim celebritatis aliquid sunt consequuti. Macte illa tua Virtute & Eruditione, Vir Clarissime, & dum Plantas tui Horti excolis tam sedul, doce nos esse Plantas inversas, quarum flores & fructus honestセ conversationis & bonorum operum ita carpantur in terris, ut earum radices & fibrセ, cマlo altissimo profund inferantur. Vale. Ex meo Musセo xii. Kal: Aprilis MDCLxxi. [28]

Clarissimo, Excellentissimoque Viro.

D. ABRAHAMO MUNTINGH.

M. D. & BOTANICES PROFESSORI,

Sセculi sui & Patriセ nostrセ genuino Varroni,

Quin imo

Romano majori,

 

HORTI-CULTURAM SCRIPTIS ILLUSTRANTI.

Ffluxisse tuos puro sine lumine Soles

Ascra vides ! omnis, nox fuit, acta dies,

Spectasti exiguam per nubila plurima lucem,

Astra nec in tenebras spargere Graia jubar.

Seclorum pulsa radiat caligine Phマbus,

Spargit Hyperboreo clarior axe faces:

Non Oriens nostro dedit incunabula Phマbo,

Grunica cunarum gloria terra fuit:

Luce serenanti loca prisca, recentia Vatum,

Igne velut laudum fervidiore calet.

Muntingi quando mens exspatiatur in hortum,

Avolat ipsa foras, & peregrina domi est.

Fit levis, & levior volucrum pernicibus alis

Complexum terrセ fulminis instar obit.

Lustrat in Europ campos obtutibus Afros,

Africa ceu patrium visa placere solum.

Herbida detegitur tellus detecta Columbo,

Non illi, ast nobis India promit opes.

Apparens viridi Gangetica terra paratu.

In Frisiis Asiセ Flrea regna stupet.

Hortensi totus sese ecxplicat orbis in orbe.

Cuncta micant uno climata fulta toro. [29]

Advena cerne oculis spectator quicquid ubique est !

Quicquid Eos, Boreas, Africus, Auster alunt.

Et natura flo dignosoitur omnis in uno,

Divitias hortus totius unus habet.

Distantes co爽nt stirpis discrimine fructus,

Graminaque oppositis dissociata polis;

Nusquam succrescunt tales in prセmia lauri,

Palmaque Olympiaois comprtior ulla rotis,

Nusquam ulmi & myrti, nusquam cum vite raoemi

Thyrsigero in festis tam placuere Deo.

Indica odoriferis intersita balsama plantis

Effluvijs nusquam nobiliora tument,

Radices, bulbi, caules, calicesque, striセsque,

Artis inexhaustセ munere cuncta vigent:

Flora redintegrat semper spectacula pompセ,

Prセcipites donis non sinit ire dies.

Illius ornatus nunquam discriminat annum,

Bruma vigens Verest, canaqua floret Hyems.

Ornentur florum calathis, folijsque penates !

Hyblセis rubeant atria sparsa rosis !

Fercula mensarum lethi fomenta, calixque,

Et vixtus ratio dant alimenta neci,

Omnibus exoritur medicina salubrior セgris,

Afflictisque salus succus & herba patent.

Unius chartis Medicセ secreta Minervセ

Aspexere diem, quセ latuere prius.

Integra Romanセ legitur sapientia famセ,

Et tota hic Graiセ bibliotheca scholセ.

Dextera si vitam Theophrasto fata novarent,

Hoc mallet calamo scribere, & ore loqui.

Romanusque Cato tali sapuisset alumno,

Damnasset culti ruris amator opus.

Hunc clarum ut studij columen Columella salutat.

Gestit apud Parcas fundere mella colo. [30]

Pinguibus ipse Macer redimitus vivit in oris,

Se lateri socians, Hoc cupit ire minor.

Grandiloqui eruitur scriptis mens alta Maronis,

Agnoscitque intus Pallada Palladius:

Ingenij vincit metas indistria sollers

Sive tuas Varro, sive Colere tuas.

ョtern cedro dignas & marmore chartas

Authorum horticolis tanta caterva sonat.

Exhausere labor vires, sudorque diurnus

Et multa ad Phマbes nox vigilata faces.

Non caret eventu vigil experientia, sinem

Quem statuit, rar non hebaet illa suum.

Successusque novos partis successibus addit,

Que敗 monstrat vulgi se superare fidem.

Non cathedra illustrat talem, magis ille cathedram,

Exornat Spartam, non data Sparta Virum.

Filius est magni rediviva Parentis imago,

Cui plaga nulla dedit, neve datura parem.

Hinc MUNTINGIADUM decus experientia victrix,

Quam celebrat nascens occiduusque dies.

In Nato superest, & adhunc funere vivit,

Mortuus haud mortis victima laude jacet.

Hoc Groninga novo Te major Apolline gaude !

Ille Tibi, qualem spes tua poscet, erit.

Siccine MUNTINGI calamum mentemque difertus

Incluta per Veterum tot monumenta rapis?

Numina Pierides Phマbusque domestica, semper.

Per Te, tot priscis culta, colentur avis.

Quis sis nunc monstras: assurge in vota Parentum !

Majorum titulis trita, terenda via est:

Hos Quoque Victor ova: vinci lセtantur, & una est

Vincere victores laude, corona domus.

J. ALOYSIUS BUCHORST. [31]

 

Op den

NOIT VOLPREESEN HOF

Van de

Heer Abraham Munting.

Ris op TAAL-LEYE, ley mijn rijm-taal, door de paaden,

Die, in den ugtendkriek en dユ aavond-lugt, betraden

Mijn voetten, in het Hof van Munting, daer ik vond,

Al wat het gloeijend Ooft, en wat het laauwe Westen

Aan eenig keurig oog of mondlijn gaf ten besten,

Of wat het barre Noord of zoele Zuyden zond:

Terwijl de Nagtegaal hem, in ユt geboomt, laat hooren,

En, als een Orseus, streelt, met vreugden-zang, onze ooren,

Daer ヤk ben gezeeten in het lusten-hof-prie鼠;

En schouw vast aan, met oog en zin, de wonderheeden

En Heemelpronkjes, die natuyr, alhier, besteede

Aan Flora in eygendoom, voor altijd, in ユt geheel.

Zoo ik ユt gezigt laat gaan op allen slag van Boomen

Op Heester, op Struwel, of laager Kruyd, volkoomen

Voel ik, in allユs, mijn lusts verlustinge voldaan.

Maar wendユ ik ヤt, daar de Bloemgoodesse zelf koomt spreijen

Heur zinnユlijkste tapeet, met dユ allerzoetste reijen

Vol bly-gekleurd cieraad van Bloeme, in overdn,

Doorweeven, ヤ k kan mijn zelf, in geenen wijzユ verzaaden.

En wie zoudユ t koonen doen? die allユ die zoort van blaaden,

Veranderlijk in kleur en geur, of zaffraan geele zitte,

Ofユt zeedig smaltユ, of groenユ of paarzユ of in de witte,

Die zユ elk alleen, of ook wel zaamentlijk aan-b衷n [32]

De vroege Iris praalt, hier, met tallooze verwen;

Fioolen, rijk van reuk, geen goud noch purper derven;

De blanke Leelijen, van achter dユ Amarant,

Vertoone heurユ wittigheid; de loof-smal Roosmareynen

Heurユ eeuwig groen, de Krook zijn geel, de Marjoleynen,

De Anjers, ellik heeft bezondユren swier en stand.

Gins vindme, uyt ユt laauwen bloed van Ajax, bol en bloemen;

Die meede op Hiacint zijn naam en waapen roemen,

Doen dartユler, als de Kars op Amarillis mond,

En rooder, als de Roos op Leonoraas kaaken,

En gl酪nder, als de brand van ユt Tirysche scharlaaken,

Bruneerde, in minzaam bruyn, de Tenareesche grond.

Daar vindme, uit traanen van Narcis, wat heerlijks bloeijen;

En anders yets, uytユ t bloed a van Adon, opwaarts, groeijen,

En ユt geene, uyt de b traan van Helene, quam voort.

En ユt geene, dat de traan a van Ericyn quam brengen,

Als zy de leevens draad van Adon niet kon lengen,

Hier zietme ユt c maagdelyn van Krokus noyt verhoort.

Gins praalt de d Kooningin der Hooven, die te danken

Heur roodheyd heeft aan ユt bloed en Venus jammer-klanken:

Hier, als een daagユraad, vlamt de e bloem van Barbaryn.

Daar smaaktme Kriekjes, bruyn als bruyne Moortjes oogen,

(a)     Dat de Roos uyt het bloed van Adonis zy gesprooten, ende Mankop, uyt de traanen van Venus, getuygt Theokritus, of zoo andユre meenen Bion van Smyrna, in het Grafschrift van Adonis, daar in men vindt: Cypriotte stortte zoo veel traanen, als den jongeling bloed, ユt welk alle de moeder aerde in bloemen vervormt heeft: ユt bloed wordt een Roos, en de traanen Mankop. Of, als andere ユt overzetten, een blinkende Anemone. Doch ziet Ovidius in ユt xi boek zijner verscheppingen.

(b)    De traanen van Helena brachten ユt Helenium, den Alant, voort. ユt Beste vindt me op Helene, Eyland in de Aegeische ze, daar Helena, na ユt uytroeijen van Troijen, aan lande; ziet Pausanias in zijn eerste boek.  Men waant het yets tot de schoonheyd by brengt.

(c)     De maagd Smilax, door te groote liefde tot den jongeling Krokus, veranderde in een plant, die ヤr gebruyk van alle Heyligdoomen en Kranssen geweert wierde, weegens haare droefaardigheid. Crocus vervormde meede in een bloem, die zijnen naem voert.

(d)    De Roos wordt Koningin der Bloemen, by Ahilles Tatius genoemt in die Verssen, die Sappho toege惣gent worden: dat deeze, te voore wit, uyt Venus bloed zy rood geworden, geeft een oud Schrijver te kennen, daar by zeit: Dat, doen Adoon sneuvelde, Venus barrevoets ten boschwaart trad, en, aldaar, gestooken van een doorn, bloed liet. Dat de Roos, te vooren wit, daar van rood, en vervolgens behaaglijker zy geworden.

(e)     Anders genoemt Trachelium Americanum, en Flos Cardinalis, weegens die zeer heerlijke kleur, daar de Kardinalen meede pronken. Wordt Flos Barbarinus genoemt, na den Kardinaal Barbarini, neef van Urbanus VIII, te wiens tijden zy eerst binnen Roomen bekent is geworden. [33]

 

En Abrikok en Pruym, op fris geboomt gezoogen,

En Quee- en Zuyker-peer en watユ er zoets kan zijn.

Hier, kronkユlend, metユer rank, de lattjes vast bevatten

Die Stokken, die der weerユlt voortteele I劃chus schatten;

Daar staat de Haazelaar en purper-roode Kars.

Gins dartelt dユ Okkernoot met zijnユ reuk-rijke blaaden;

Daar is dユ Amandelboom met vrugten overlaaden;

Hier groeyt de Malkoton we甚 by de ruyge Pers.

Slaaユ k ellewaart mijn oog, ik zie f  Myrsine groenen.

En ユt g Nimflijn, dat doen haar de Tuyn-God wilde zoenen

In boom, van eygen naam, vervormde; als ook die h Maagd,

Van Febus vaak belaagt, en van hem na geloopen,

Doch van hem niet gevn, maar uyt zijn hand ontsloopen;

Dies de gedagtenis is daar af hy noch beklaagt.

Maar merk ik innerlijk de bloem van i Kristus lijdden,

Een heylユge schrik doet my, wat dat ik zag, ter zijdden

Afstellen; zie ik ook de Perueesche bloem

Van wonder, dag op dag, heur kleur op kleur, verstelle.

Lijk een Kameleon, ik, binnen my, voel swelle

Die zelfde harts-togt tot die ユt beyder bloemen roem.

ユt ョgiptische Aron, plant van zonderling vermoogen,

Schaft een waarande, vol verwonderinge, aan mijnユ oogen

Wanneer van ユs mergens af tot aan den achter-noen,

De waatユren, sprink-wijs, uyt het spits der blaadユre spuytte

Of drop-wijs, needer-waarts, afvalle op de kluytte;

Zoo dat zich zelf bevogt, als had ユt niet rs van doen.

(f)      Den Myrtenboom heyligen de Grieken aan Minerva, met vercieringe deezes verdigtzels; dat Myrsine een Atheensch juffertje was, uytmuntende in schoonheyd en sterkte, zeer bemint van Pallas; dat deeze zy omgebragt door nijdigheyd en spijt, van een jongeling, die zy in ユt worstelperk ende de loopbaan overwonnen hadde.

(g)    Deeze was Lotos, die, zoo Servius aanteekent op het eerste boek der Landbouwerye van Virgilius, verandert is door ontferminge der Gooden, in een boom, die haar eygen naam draagt, doen Priapus, in ヤr minne brandende, haar om haar te onteeren, vervolgde. Ziet ook Ovidius in zijn neegende boek der verscheppingen.

(h)     Dafne, die in een Laurier veranderde, ユt Verdigtzel is wel bekent, daarom gaan ヤt, ongeraakt, voor by.

(i)    Flos Passionalis Christi; Granadilla. Mexikaansche Wind-rooze: Sandulaca rosea, en Clematidis trifolia flore rosea clavato Bauhini. Van de Indiaanen Maracot genaamt, en van de Neederlanders Rang-appel. [34]

 

ヤK swijg van beydユ dユ Alo壮, twee plantten, zonder gaadde,

Oranjen en Citroen en boomen van Granaade,

En Riet, dat herwaart zond ユt Amerikaansche land.

Drie dubbel-kleurig Riet, een lust-spel der Natuyre,

Ook ユt Veelvoet, k dat, tot ons, Virginia quam stuyre,

ユt Welk sterft, zoo draa ユt geraakt wordt, van een ユs menschen hand

Doorlugte tuyn, bedaauwt met goddelijken zeegen;

Koets vol vermaak, daar staag op druypt een gulden reegen,

Een troon, uyt louter glans van heerlijkheyd, gebouwt,

Pronk-paarl  van Nederland, die, door uw volle luyster,

En bloessem uwer schoont, zet, watユ er is, in duyster,

Gy zijt een kasse van verwondユring vol gestouwt.

Twee paarlen, booven g, bemerk ik aan uwユ ooren,

De een uyt Pragt en dユ r uyt Schoonigheyd gebooren;

Beyd; zijn zy eygen aan uw opper-lust-pri粗l;

Hoe zal, of kan ik dan, naar waardigheyd, vermelden.

Dat rijke Voorhof van de Elizeesche velden

En aller lustigheyds door dierbaarse juweel?

Mijn onmagt is te groot, yets daar van aan te haalen,

Met mond of pen, ヤk Bekent. Dies blijft, hier, binnen paalen,

En draagt aan ユt zoet vernuft van mijnen BUCKHORST op;

Die zijn hoog-eedユle schagt doopt in de zuyvユ re bronnen

Uyt Nektar en Ambroos, in ユt zoetste, zaam-geronnen,

En steygertユ er, ter vlugt met op den eeren-top.

 

SIMON ABBES GABBEMA

Hist. Fr.

(k) Polypodium Virginianum, dat buyten ヤt gezelschap der menschen best wil aarden: want, zoo gy een blad daar af met de hand aanraakt, ユt verwelkt en ユt versterft binnen vier en twintig uyren. [35]

 

Ad Lectorem.

Rboreos quicunque cupis bene noscere cultus,

Advola: Et hセc animo dogmata fige tou;

Quセ Tibi curat ponit MUNTINGIUS Heros,

Et lege, inaccessas quas Tibi promit opes.

Gallia si forsan dicat, se posse triumphum

Ducere, in hoc Operis cardine victa foret.

Dives odorato, felixque Hispania fructu,

Scilicet h営 Eadem victa fovetur humo.

Itala terra silet; palmanque Holsatia sponte

Donat, & ambigu claudicat Afer humo.

Asia quod jactat, Nihil est: quod America jactat,

Aut Nihil, aut Nihili futilis umbra foret.

Hesperij rosea Solis quod crescit in aul,

Quicquid in Aurorセ nascitur axe, docet.

Hセc ea si noscas, atque ordine cuncta rependas,

Crede age; Varronis Filius alter eris.

Herbarum quicunque cupis dignoscere vires,

Advola, & hanc Methodum, candide Lector ama.

Quicquid habent Arabes, quicquid fragravit in hortis

Cecropijs, quicquid meta Orientis habet,

Hoc alimentantur fundo: si singula noscas:

Judice Me, Mundo Judice, Macer eris.

Si Florum curam, si bulbos scire labores,

Hie Tibi Pセstanus unicus Hortus erit.

Ergo age, dum sudant ter culta repagula prセli,

Hunc calami foetum parturientis ama:

Arbore dum vari, dun flore & frutice & herb.

Se probat, & triplici fronte probatus ovat.

Properanter

W. GUTBERLETH. J. C. [36]

Sur la veritable

CULTURE des PLANTES.

Ecrite par Monsieur

Abraham Munting,

Docteur en Medecine,

Et Professeur Herboriste en lユ Accademie de la Ville de Groningue, & dユ Ommelande.

ELEGIE.

Uand le Dieu tout puissant eut construit ce grand Monde

Il placa les Poissons dans lユ mpire de lユ Onde,

Il placa les Oiseaux dans le vague des Airs,

Puis enfin le Bestial au milieu des Desers.

Apres, Il cr斬 lユ Homme sa Sainte Semblance,

Et luy donna sur eux entiere Puissance;

Mais pour de couronner des ses plus grans Bienfaits,

Et pour le prevenir dans ses futurs Souhaits,

Dabord il le placa dans un Lieu delectable,

Di-je dans un Jardin de Structure admirable,

O les Fleurs & les Fruits 春aloient ses Sens,

Ce quユ il pouvoit tirer des charmes innocens:

Ouy sons plus grand Plaisir 春oit en leur Culture,

Et de voir les Secrets de la docte Nature,

Pour, apres en avoir sond la profondeur,

En rendre la Lo歛nge Dieu son Cr斬teur:

Depuis ses Descendans en ont use de m仁e,

Treuvant que ce plaisir alloit jusque lユ extr仁e; [37]

Outre quユ ils y treuvoient avec lユ Utilit

Le moyen de chasser la morne Oisivet.

Aussi le bon N嚴, le fameux Patriarche,

Planta le Sep de Vigne 春ant sorti de lユ Arche.

Et ce fut le metier de ses Fils jusquユ an jour

Que Nembrot fit b液ir son orgueilleuse Tour.

Or i lユ on veut passer des Cayers de la Bible

A lユ Histoire profane, il nユ est que trop visible,

Que mille Senateurs & Patrices Romains

Ont cultiv la Terre avec leurs propres mains.

Cyrus, ce Roy Persan, la Valeur de son Age,

Se r残reoit souvent lユ Art du Jardinage,

Et Diocletian quitta de son bon gr

Ce quユ un Tr冢e pompeus a de plus haut degr,

Pour aller contempler les Couleurs 縦latantes,

Et toutes les Beaut市 qui se treuvent ans Plantes.

On voit que plusieurs Grecs & Romains de renom,

Pour se rendre immortels leur ont donn leur Nom,

Tesmoins le Teucrium, lユ Armoise, lユ Eupatoire,

Et cent Simples connus dans le Champ de lユ Histoire,

Aussi remarque tユ on que plusieurs grans Espris

Ont honor cet Art de leurs doctes Escris,

On en peut mettre cinq dans une Peri妖e,

Hieron, Mago, Caton, Orphe殱, Hesi妖e,

Tous Auteurs quユ aujourdユ buy la Reputation

Asseure quユ on leur a de lユ Obligation.

Es effet, cユ est par eux, & par lユ Experience,

Quユ on voit de beaux Espris dedans cette Science,

Groningue en possede un, qui par ces deus moyens,

Suit, mais surpasse encor ces cinq doctes Payens;

Le Professeur Munting, expert Naturaliste

De la Vegetative est ce grand Herboriste,

Dont lユ excellent Trait va montrer aujourd; huy

Ce que la Terre & lユ Art nユ ont rien fait que ch市 luy; [38]

Par exemple, on y voit quユun Pepin mis en Terre,

Dans une Pepiniere, ou bien dans un Parterre,

Produit un Arbrisseau qui sans quユik soit ent

Peut raporter des Fruis de parfaite bont,

Et cela seulement en coupant la Racine,

Qui croit droite au dessous o le Tronc se termine,

Et couvrant la coup柮e avec un peu de poix

De crainte que le Suc ne sユ eco柩e du bois.

Il est presque rempli de telles D残ouvertes,

Qui sont aux Amateurs 粛egramment offertes,

Et qui meriteroient un beau Nombre de Vers

Coulans, ingenieus, 粛oquens, & disers;

Mais comme leur Auteur les a tres bien decrites,

Et que ce ne seroit que faire des redites,

Il est plus propos dユ examiner soudain

Plusieurs des Raretez qui parent son Jardin,

Et qui requiereroient une pareille Plume

Que celle qui fait voir ses trais dans ce Volume;

On pourroit bien dabord faire icy mention

De la gentille Fleur quユom nomme Passion,

On pourroit bien citer la plante Scabieuse,

Et lユ Arbre de Girofle, & la Pomme epineuse,

Mais comme ce seroit, au lieu dユ 春re Orateur

Par 從 nombre innombrable ennuyer un Lecteur

On peut dire pl柎冲 que ce que lユ Amerique,

Et que ce que lユ Europa, & lユ Asie, & l; Afrique,

Ont de plus precieuz & de plus 春onnant

S;y laisse manier & voir tout Venant;

Si bien que ce Jardin, que tout le Monde admire,

Est le Lieu que Munting sユ en vient de nous decrire,

Lユ Oeil de son Corps le voit, & par son bel Escrit

Un ch営un le peut voir par celuy de lユ Esprit.

Or ne pouvant treuver de Plante en la Nature

Quユ il en donne aujourd dユ huy la corecte Culture, [40]

On nユen treuvera point dans la suite des Temps,

Dans lユ Hiver, dans lユ Et, dans lユ Automne, au Printemps,

Qui ne vienne chez luy se lever sa Ve歹,

Avec le vif email dont le Ciel lユ a pourve歹,

Pour montrer le Prosit, en faisant son devoir,

Que cet ample trait luy fera recevoir.

Si donc lユavenir on peut voir que les Plantes

Sont ce docte Auteur si bien reconnoissantes,

On peut bien asseurer en finissant cecy,

Que tous les Curieuz le luy seront aussi.

 

Par MICHEL  N

Lecteur de lユ Eglisse Francoise de Leuwarde.

 

KLINKDICHT.

Waer Neerstigheit en Kunst met magt te zaamen spannen,

Begunstigt van Natuir, en God zijn Zeegen schenkt

Daar Boom- of Bloem-gewas een ieders oogen wenkt,

Wordt meenig uir de Zorg uit ユ s Menschen hert gebannen;

Die dikwils nedervelt de hard geherte Mannen,

Niet zelden ook te zeer haar Ziel en Zinnen krenkt,

En in een diepen droom van dweeperijen brengt,

Ja derf de Princen zelfs in haar Paleis aanrannen.

ユt Is MUNTING die aldus de groene Planten queekt,

En, in dit deftig boek, met vollen monde spreekt

Zoo als hy werkt en wiest, in ユt schoonste Hof der Hoven;

Doch wie aan dit Bericht het recht geloof ontbreekt,

Ook wat, tot ユs Lichaams nut, noch in zij  Kruiden steekt,

Die vindt zulks by hem Zelfs, en stof om God te looven.

H. R. [41]

 

 

[1] Waare

Oeffeninge

Der Planten,

Beschreven door

ABRAHAM MUNTING,

Der Med: Doctor ende Professor,

Botanices in dユ Academie van Stad

Groningen, en Ommelanden.

 

EERSTE BOEK,

Waar in van de Boomen gehandelt werdt.

Klik hier voor de index.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

 

Het I. Capittel.

Appel boom.

lle, ende een yegelijk wel bekent, wordt in ユt Latijn genoemt MALUS, ofte POMUS. Op Hoogduits OPFFELBAUM. Endユ in ユt Francois POMMIER.

Hier van worden gevonden ontelbare soorten, inzonderheit in deze koude Landen, de heete Gewesten verre daar in te boven gaande; gelijk zy daar en tegen met hare Oranjen, Citroenen, Vijgen, Amandelen, en diergelijke vruchten meer, dユ onze genoegzaam overtreffen, op dat alzo over al die nimmer [2] genoeg geprezen goetheit des Heeren bekent mag worden, die een jegelijk Land na zijnen aart, tot des menschen behoeftigheit overvloedelijk met vrucht verziet, ende begaaft. Zullen daarom, alle zijne verscheidenheit alhier te verhalen, onnodig achten: een nochtans uitneemende die, vermits zijne ongemeenheit, nu vijftien jaren geleden, mijne zorge onderworpen geweest, ende noch is; wordende Malus pumila flore carens, ofte lege Appelboom zonder bloeizel, met recht genoemt. Want zy geeft alle jaren vrucht uit hare knoppe, gelijk de andere, zonder bloeme, die in ユt begin van Augustus zijne volkomene rijpheit geniet, zijnde amper van smaak, ende gemeinlijk zonder enige korlen.

Zy bemint een goede gemeste grond, de welke, indien zy kleijig, of zandig van aart is, moet drie voeten in ユt ronde met oude koijemest, ende goede aerde wel door malkanderen gearbeit zijnde, getempert, ende daar in met een afgaande Maan van November, ofte begin van de Maart voor de Middag geplant, ende dikwijls met water begoten worden; want zy lieft van natuur een vochtige plaatze, veele regens, genoegzame vettigheit, ende wil geerne te mets kamerlooge op zijne wortel genieten, inzonderheit als zy eenige jaaren gestaan heeft, ende wel gewortelt is; Want zy daar door zeer verquikt, ook van Mieren, ende andere ongedierte, die de bloeizel nadelig zijn, bevrijt blijft. Wordt ook niet door sterke winden, ofte strenge vorsten lichtelijk beschadigt in winter tijden, endユ in Februario met een afgaande Maane van zijn doode, en overvloedige takken gesnoeit. Maar indien het vriest, ofte dat men noch voor vorst bevreest is, vermits de zelfde de nieuwsgesnoeide Boomen hinderlijk is, kan men tot in de Maart wachten, oftユ ook wel April; want het schaadt de Boomen niet, al worden zy in haar bloeizel gesnoeit, inzonderheit geschiedende, als de Maane in Capricorno, Virgine, ofte Tauro, dat is, in de Steenbok, Juffrouw, ofte Stier is, vermits deze de bequaamste tekenen des Hemels daar toe bevonden worden. Doch zal men weeten, dat alle Boomen, ofte Heesteren, die men wil datze wel groeijen zullen, afsnijden ofte snoeijen moet met een wassende Maane als zy vol zaps ofte vochtigheid zijn, gelijk zy op dien tijd zijn, ende hoe voller Maane, hoe meerder zap. Maar indien gy wilt dat zy niet haastig, ofte sterk schieten sullen, moet men haar snoeijen met een afgaande Maane als zy geen zap en hebben, maar droog te zijn gezien worden. De beste Appelen, ofte vrucht van dezen Boom koomt voort met een vochtige Somer, en drooge Herfst, ofte met een getempert Saisoen, te weeten, als het niet te veele en regent, ofte niet te zeer droogt. Want indien het een droog jaar is, ofte een al te vochtigen tijd, mogen deze vruchten niet lang duren, maar verrotten haastelijk, vermits zy door beide in hare natuire gekrenkt worden, te veele, ofte al te weinig voetzel genietende. Wil iemant de geheele Winter door de zelfde goed bewaren zonder verrottinge, die plukze af met handen in [3] de Maent van September, ende October met de volle Maane, en droog weder, wrijfze een dag ofte twee daar na wel te deegen af, met een schoone drooge doek, en legze op een drooge luchtige plaatze na ユt Noorden, kan op hout geschieden, is alderbest, niet op malkanderen, roerze zoo weinig als ユt moogelijk zal zijn, en wachtze wel voor de Vorst, zoo zullen zy de geheele Winter goed blijven, ende lange duiren, daar andere haastig van nature vergaan.

De zuire Paradijzen, zijnde een zomervrugt, ende meer andere, zullen op deze maniere tot nieuwe jaar bequaamelijk bewaart moogen worden, doch moeten stille blijven leggen, want haare dunne en teedere schelle, gelijk het vlies van een eye, en lijdet niet dat zy gehanteert worden, of trekken daatelijk vol rimpelen, en verliezen haare aangename couleur. Indien deze kaamer ofte plaatze daar die vruchten dezes Booms gelegt worden vensteren heeft, moogen zy wel een weinig met goed, ende stil weder in het eerste een ure, ofte drie, midden op den dag open gedaan zijn, maar daar na niet meer, ook wederom by tijds tegen den Avont toegeslooten worden.

De Boom zelver mag op drie verscheidene manieren aangeteelt, ende vermeerdert gemaakt zijn. Eerstelijk, door konst van Enten. Ten tweeden, door het zaaijen der korlen. Ten derden, door maniere van Oculeren op volgende wijze.

Neemt Enten van een Appelboom, die reeds vrucht gedraagen heeft, ende nu vol bloeizel zal koomen, het welke men lichtelijk aan haare knoppen zien kan: snijdtze af in Februario, een weinig voor de nieuwe Maane, ende steektze in de grond, ent haar dan in het wassen van de Maane, voor het eerste quartier in de Maart, op een wilde Appel, ende gy zult daar van genieten een altijd voldraagende Boom. Deze Enten moet men neemen van dikke takken uit het boovenste, ofte middenste des Booms, ten Zuiden zittende, die van de Zonne meest bescheenen wordende, vol van kracht zijn, ende meerder warmte by haar hebben als die onder, ofte Noordwaarts zich vertoonen, welke ook gemeinlijk weeke, ende daaromme zoo veele tユ onbequaamer zijn ge創t te worden. Maar indien gy de Entensnijdt van een jonge Boom, die noch geen vruchten gedraagen heeft; ofte van een oude, die op de tijd, als gy de Enten daar af neemt, geen knoppen om te bloeijen en heeft, ende de zelfde ent, zult gy een Boom gewinnen, die noit voldraagen zal. Doch zoo men deze Enten steekt op een Boom, ofte takke van de zelfde, die nu vol bloemen zal koomen, zal zy meerder vruchten geeven, Want de onvruchtbaarheit ofte krachteloosheit daar de Boom in staat, op die tijd als de Enten daar af gesneeden worden, zal verbeetert gemaakt moogen zijn door het drijven der vrugtbaare kracht des Booms, daar zy opgezet wordt.

Wijders, neemt Enten, als vooren gezegt, in Februario afgesneeden, [4] legt die zelfde ongeveer eens hands lenkte diep onder de aerde, ofte een weinig minder, zoo mogen zy lange goed verblijven, daar van zult gy konnen steeken, niet alleene in de Maart ofte April, maar ook in de Maant van May, ende van Junius zelver: Want de Boom als dan in meerder vigeur en kracht zijnde, bewaart door zijn natuurlijk zap dユ Enten bequaamer, en doet haar beter beklijven, als of zy in de Maart daar op gezet waaren geweest.

Men moet ook deze, en alle andere Enten, als zy beginnen te schieten, niet meer als een knoppe laaten behouden, ende de andere met de vinger zoetjes affstooten, zoo schiet zy zoo veele te sterker op, en maakt een beter Boom.

Indien men op een dikke tak, ofte stamme een Ente wil zetten, moet men in de kloove een weinig groen houts van die zelfde Boom, daar die Ente zal opgezet worden, steeken; waar op men goed acht moet geeven: Want van de zelfde aart ofte nature zijnde, loopt of groeit veele beter toe, ende de Ente wordt niet zoo zeer door de kracht des houts gedrukt, waar door zy anders haare zap lichtelijk verliezende sterven zoude.

Het is ook niet ongerijmt, dat men een dikke tak niet en kloove, maar de Ente tusschen het hout ende de bast steeke, vermits zommige het zelfde niet verdraagen moogende daar door versterven. Het welke in April, ofte May door die in dユ aerde gelegte Enten bequaamelijk geschieden kan; want als dan scheidt zich de bast van het hout lichtelijk, en zeer gevoeglijk af.

Ten tweeden, om vruchtbaare boomen aan te teelen door korlen, ofte zaad gezaait.

Neemt eene der schoonste, en grootste Appelen met uw handt geplukt, niet al te rijp, als de Maane vol is, bewaartze tot dat de Maane wederom vol wordt, neemt dan de korlen daar uit, laatze winddrooge worden, ende bewaartze wel voor de Vorst tot de naast koomende Maart, steektze dan een vinger breedt diep, ruim een voet van malkander in een goede grond, een dag ofte zes na de volle Maane. Want alle Boomen, Struvelle, ofte Planten booven de aerde vrucht draagende, moeten met een afgaande Maane gezaait zijn. Maar alle bloemdraagende planten, en die haar vrucht in dユ aerde geeven, als Rapen, Wortelen, ofte Pastinaken &c, met een wassende Maane. Het welk indien het ter contrarie geschiedt, zal men bevinden, dat zy wel veele takken en blaaderen, maar weinig, en kleine vrucht verkrijgen zullen. Opgekoomende zijnde, laatze op die zelfde plaatze staan drie jaaren lange. Neemtze daar na op, ende beneemt haar de geheele recht ne甚schietende hertwortel tot aan de boovenste zijdwortelen toe, legt als dan op ユt afgeneedene Was, ofte een ander pleister, op dat het zap, daar zijn geheele leeven en welvaaren in bestaat, niet uit en vloeije, ende zetze met een afgaande Maane waar gy wilt, zoo zult gy zoo goede [5] Boomen, ende de zelfde vruchten beter, en durabeler verkrijgen, als daar zy van gekomen zijn, ofte door maniere van Enten waaren aangeteelt geweest; dewijle hier in de Konst de Nature blijkelijk te hulpe koomt, vermits haare verhindernisse, en ユt geene zy te veele hadde weg genoomen wordt, waar door haar natuurlijk ingeboorene kracht bequaamer werkende, vermeerdert, zoo dat zy veerdig het geene volbrengt daar zy van den Alderhoogsten toe voort gebrocht is, ende een goede vrucht geeft, die zich anders gelijk een wilde stam, in veelheidt der takken alleene, zonder eenige vrucht verdeelen zoude: Want alle haare onvruchtbaarheit bestaat alleene in deze hartwortel.

Heeft Iemant lust om extraordinarie goede, groote, en schoone vruchten te zien, die zette een goede Ente op deze van zaad voort gekomene, ende van zijne hartwortel beroofde Appel-stammekens, (want een Boom op zijn eigen aart ge創t, ofte gezoogen, is verre wech best) zoo zal hy een ongemeene konst der Naturen, door der menschen traagheit dus lange verborgen, opentlijk moogen bemerken, ende met verwonderinge voor oogen zien.

Ten derden, wordtze vermeerdert door Inoculatie, het welke op jong geschootene takken, eenjaarige looten, ofte gezeide jonge stammekens in het laetste van Julius geschiedt, de welke aangegaan zijnde, het volgende voorjaar, als zy beginnen uit te wassen, een vinger breed booven de hoogste Oculatie, die een handbreed booven malkanderen gemeinlijk gezet worden, afgesneeden, ende geen andere uitloopzelen daar aan gelaaten zijn moeten. Deze Oculatien moeten niet alleene van voldraagende boomen genoomen, maar ook, om niet te konnen uitdroogen, voor de hitte der Zonne gedekt worden.

Eindelijk, wil Iemant deze Boom, ende ook alle andere, als zy bloeijen, voor de swarte Vliegen, ende Rupzen, die door de zelfde in de bloemen koomen, bewaaren, die neeme een hand vol Wijnruite, een hand vol Alssen, ende een hand vol oprechte Virginiaansche Tobak te zaamen, ofte van diezelfde Tobak alleene een ofte twee handen vol, na zijn believen, kooke het met malkanderen, ofte, als gezeit, die Tobak alleeene in een paar emmeren vol regenwaters, ofte een weinig minder, in een ketel, een klein half ure lang, giete het door een doek, ende besprenge daar mede zijn Boom, als zy in ユt bloeijen is, eenmaal ofte drie; zoo zulle alle die Rupzen sterven, ende de swarte Vliegen daar haastig afvallen, niet wederom op koomen, jaa de zelfde vlieden als de pest, ende hy zal op deze maniere veele vruchten konnen gewonnen met weinige moeite, die anders door deze beestkens zeer beschadigt, ende in haare geboortplaatze, ofte bloeizel vermindert, ende verteert worden. [6]

 

Appelboom, in het Latijn Malus of Pomus, in Hoogduits Opffelbaum en in Frans pommier. (Malus sylvestris soorten}

Hiervan worden ontelbare soorten gevonden en vooral in deze koude landen die de hete gewesten daar in ver te boven gaan zoals die met hun sinaasappelen, citroenen, vijgen, amandelen en dergelijke vruchten meer dan voldoende ons overtreffen zodat alzo de nimmer [2] genoeg geprezen goedheid des Heren bekend mag worden die elk land naar zijnen aard tot de mensen behoefte overvloedig met vruchten voorziet en begunstigd. Zullen daarom al zijne verscheidenheid alhier te verhalen onnodig achten en er een uit nemen die vanwege zijn ongewoonheid een vijftien jaren geleden aan mijn zorg onderworpen is geweest ende noch is. Die wordt met recht Malus pumila flore carens of lage appelboom zonder bloemen genoemd. Want ze geeft alle jaren vrucht uit haar knop, zonder te bloeien, gelijk de andere, die in het begin van augustus volkomen rijp wordt, is wrang van smaak ende gewoonlijk zonder zaad.

De appelboom bemint een goede gemeste grond en als dat een klei of zandgrond is moet die 90cm in het ronde moet oude koeienmest en goede aarde goed door elkaar gewerkt worden en daarin met een afgaande maan van november of begin van maart voor de middag geplant en vaak met water begoten worden. Van natuur houdt ze van een vochtige plaats, veel regen en voldoende vettigheid en wil graag af en toe toiletwater op zijn wortel genieten, vooral als ze enige jaren gestaan heeft en goed geworteld is waardoor ze zeer opfrist en ook van mieren en andere ongedierte die voor de bloem nadelig zijn bevrijdt blijft.

Is winterhard. Wordt in februari met een afgaande maan van zijn dode en overvloedige takken gesnoeid. Maar als het vriest of dat men noch voor vorst bang is, omdat het voor net gesnoeide bomen hinderlijk is, kan men tot in maart wachten of ook wel april, want het schaadt de bomen niet al worden ze in bloei gesnoeid, vooral als het gebeurt als de maan in Capricornus, Virgin of Taurus staat, dat is in de steenbok, maagd of stier, omdat de beste tekens van de hemel daar toe bevonden worden. Doch zal men weten dat alle bomen of heesters die men wil dat ze goed groeien zullen afsnijden of snoeien moet met een wassende maan als ze vol sap of vochtigheid zijn zoals ze op die tijd zijn, en hoe voller de Maan is hoe meer sap. Maar indien ge wilt dat ze niet gauw of sterk schieten zullen moet men ze snoeien met een afgaande maan als ze geen sap hebben, maar droog zijn.

De beste appelen of vruchten van deze boom komen voort met een vochtige zomer en droge herfst of met een getemperd seizoen, te weten, als het niet teveel regent of niet te zeer droogt. Want als het een droog jaar is of te veel vochtig is zijn deze vruchten niet lang houdbaar, maar verrotten gauw omdat ze in hun natuur verzwakt worden doordat ze te veel of te weinig voedsel genieten.

Wil iemand de gehele winter door die goed bewaren zonder verrotting, die plukt ze [3] met droog weer  in de volle maan van september en oktober met de handen af, wrijft ze een dag of twee daarna met een schone droge doek terdege af en legt ze op een droge luchtige plaats naar het Noorden, dat kan op hout gelegd worden en het beste is niet op elkaar, raak ze zo weinig mogelijk aan en bescherm ze tegen de vorst, dan zullen ze de gehele winter goed blijven en lang houdbaar zijn waar andere van naturen snel vergaan.

De zure Paradijzen, een zomervrucht, en meer andere zullen op deze manier tot  het nieuwe jaar goed bewaard mogen worden, maar ze moeten stil blijven liggen want hun dunne en zachte schillen lijden, net zoals het vliesje van een ei, niet dat ze gehanteerd worden of trekken dadelijk vol rimpels en verliezen hun aangename kleur. Indien deze kamer of plaats daar deze vruchten gelegd worden vensters heeft mogen ze wel wat met goed en stil weer geopend worden, eerst midden op de dag een uur of drie, maar daarna niet meer, ook op tijd tegen de avond sluiten.

De boom zelf mag op drie verschillende manieren vermeerderd worden. 1. Eerst door de kunst van enten. 2. Ten tweeden door het zaaien van de korrels. 3. Ten derden door het oculeren op de volgende wijze:

1. Neem een ent van een appelboom die al vrucht gedragen heeft en nu vol bloemen zal komen wat men gemakkelijk aan zijn knoppen kan zien: snij ze in februari wat voor de nieuwe maan af en steek ze in de grond, ent die dan in het eerste kwartier met een wassende maan van maart op een wilde appel, je zal dan van een altijd goed dragende boom genieten. Deze enten moet men nemen van dikke takken uit het bovenste of middelste deel van de boom die aan de zuidkant zitten en door de zon het meest beschenen worden die zo vol van kracht en meer warmte bij zich hebben dan die onder of Noordelijk zitten die gewoonlijk week zijn en daarom ongeschikter zijn om ge創t te worden. Maar als je enten snijdt van een jonge boom die noch geen vruchten gedragen heeft of van een oude die op de tijd als je er enten van neemt geen knoppen om te bloeien heeft en die ent zal je een boom winnen die nooit voldragen zal. Doch zo men deze ent steekt op een boom of tak er van die nu vol bloemen zal komen zal ze meer vruchten geven. Want de onvruchtbaarheid of krachteloosheid waar de boom in staat op de tijd als de enten daarvan gesneden worden zal verbeterd worden vanwege de het drijven van de vruchtbare kracht van de boom waar die op gezet wordt.

Verder, neem enten, in februari afgesneden, [4] en leg die ongeveer een hand lang diep onder de aarde of wat minder, dan zullen ze lang goed blijven en daarvan kan je steken en niet alleen in maart of april, maar ook in mei en zelfs in juni. Want de boom is dan in een grotere kracht en bewaart door zijn natuurlijk sap de enten beter en laat ze beter aanslaan  dan dat ze er in maart op gezet waren.

Men moet ook deze en alle andere enten als ze beginnen te schieten niet meer dan een knop laten houden en de andere met de vinger er zachtjes afhalen, dan schieten ze sterker op en maken een betere boom.

Indien men op een dikke tak of stam een ent wil zetten moet men in de kloof wat groen hout van diezelfde boom waar die ent op gezet zal worden steken, waarop men goed moet letten. Want omdat ze van dezelfde aard of natuur is loopt het of groeit het veel beter dicht en de ent wordt niet zo zeer door de kracht van het hout gedrukt waardoor ze anders gemakkelijk haar sap zou verliezen en sterven.

Het is ook niet ongerijmd dat men een dikke tak niet klooft, maar de ent