Abraham Munting, Waare oeffening der planten, 1672.

 

Voorwoord.

   

Abraham Munting (1626-1683) schreef in 1672  Waare Oeffening der planten. In 1682 verscheen hiervan een veel uitgebreidere versie onder de titel Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen.. ., die in 1696, na de dood van de auteur, nog eens werd herdrukt. 

ヤHenricus Munting was niet minder dan de stichter van de Groningse Hortus. Wat er bekend is over zijn leven en werken wordt door Hans Andreas uitvoerig besproken. 
  

Henricus Munting (zijn voor- en achternaam werden al tijdens zijn leven op allerlei verschillende wijzen gespeld) werd geboren in 1583 als zoon van een Groningse zilversmid. Hij werd al op 16-jarige leeftijd door zijn ouders naar Middelburg gezonden om daar bij de destijds bekende apotheker en kruidkundige Willem Jasperduyn opgeleid te worden tot apotheker. Jasperduyn stond in contact met onder meer de beroemde Carolus Clusius, de stichter van de Leidse Hortus. Munting verbleef enkele jaren in Middelburg om vervolgens in 1604 naar Engeland te gaan. Daar ontmoette hij de eveneens vermaarde botanicus Lobelius, een Vlaming van oorsprong. Vandaar trok hij naar Frankrijk, Itali, Duitsland en Tsjechi. Overal trad hij in contact met vooraanstaande geleerden op het gebied van de botanie en de kruidkunde. In Praag was hij drie jaar verbonden aan het hof van graaf Wilhelm von F殲stenberg, die persoonlijk zeer ge貧teresseerd was in botanische en chemische zaken. Na een verblijf van in totaal twaalf jaar in het buitenland kwam hij in 1611 naar Groningen terug, waar hij zich vestigde als apotheker. Het jaar daarop trouwde hij met Hester Reneman. Ze kregen veertien kinderen van wie er evenwel maar vier hun ouders zouden overleven.
   

Het is een interessante tijd in Groningen; er gebeurt veel. In 1614 wordt de universiteit gesticht. In de jaren 1607-1624 vindt de ヤgrote uitlegユ plaats. Daarbij wordt een groot gebied ten noorden en oosten van de oude kern bij de stad getrokken en door wallen en grachten omgeven. In dat gebied koopt Munting in 1626 aan de ヤRoosenstraetユ (thans Grote Rozenstraat) een huis met tuin en daarna vergroot hij zijn terrein in de richting van de ヤKruisstraetユ (thans Grote Kruisstraat) door de huur van aangrenzende percelen en richt het in tot botanische tuin. Later gaat hij er ook wonen. De omvang en indeling van zijn tuin in zes vierkante vakken en daarachter een groot rechthoekig vak zijn te zien op de beroemde stadskaart van Haubois van omstreeks 1643.
Zijn energie en leergierigheid blijken als hij zich in 1633 aan de universiteit laat inschrijven als student in de geneeskunde. In 1637 verwerft hij de doctorstitel. In financieel opzicht heeft hij af en toe echter problemen. Kennelijk besteedt hij teveel geld aan zijn tuin. Hij kweekt vele soorten tulpen en in 1636 is hij een van de slachtoffers van de beruchte windhandel in tulpenbollen. In 1642 verklaart hij zich in een brief aan de Staten bereid om ten dienste van de Academie en de ingezetenen van de provincie een tuin te onderhouden ヤbij aldien hij daertoe en iaerlix subsidie mochte bekomenユ. Bij dit aanbod zullen financi鼠e motieven wel een rol gespeeld hebben. Hij krijgt inderdaad een aanstelling als ヤbotanicus provincialisユ bij de Academie ヤvoor het hebben ende onderhouden van een Hoff van allerhand vremde plantagien ende cruidenユ. Voor het salaris dat hij kreeg moest hij niet alleen de tuin onderhouden, maar ook onderwijs geven aan studenten en belangstellenden, ユs zomers in de tuin in de plant- en kruidkunde, ユs winters binnenshuis onder meer in het maken van chemische, plantaardige en dierlijke preparaten ten behoeve van de geneeskunde. De grondstoffen moest hij op eigen kosten verzamelen. Zijn instructie is bewaard gebleven. Colleges moest hij geven op maandag, woensdag en vrijdag van vier tot zes uur ヤs namiddag. In 1656 besteden de Staten een groot bedrag voor de bouw van een stookkas (ヤreconditorium ter bewaring van alle rare plantenユ).
   

 In 1646 publiceert Munting een catalogus van de planten in zijn tuin en van zijn collectie van delfstoffen en andere materialen ten dienste van de farmacie. Bij de planten zijn natuurlijk een groot aantal soorten uit overzeese gebieden, zoals aardappel, tabak en bamboe, maar toch ook ruim vierhonderd die hij verzameld kan hebben in Groningen en Drenthe, zoals Beenbreek, Goudveil, Heelkruid en Parnassia, alsmede zoutplanten als Schorrenkruid, Zeekraal en Zulte. Zijn belangstelling voor de inheemse flora van de regio doet modern aan. Door problemen met de naamgeving – we zijn nog v覧r de tijd van Linnaeus - is de identificatie van de afzonderlijke soorten en geslachten overigens niet altijd even gemakkelijk. Deze catalogus is de enige publicatie die van Munting bekend is. Ook van zijn reizen zijn helaas geen aantekeningen of brieven bewaard gebleven.
    

De aanstelling bij de Academie in 1642 betekende niet, dat Munting nu meteen de functie van hoogleraar had. Onderwijs in de physica en ook in de botanie gaf destijds Petrus  Mulerius. Een offici鼠e aanstelling tot gewoon hoogleraar in de botanie kreeg Munting pas in 1654, toen hij al bijna 71 jaar oud was. Maar toen werd hem meteen ook een assistent toegewezen, zijn zoon Abraham Munting, die hem na zijn dood in 1658 zou opvolgen. Op zijn beurt werd die na zijn vroege dood in 1683 opgevolgd door zijn zoon Albertus Munting. Geldzorgen maakten dat de tuin, tot dan particulier bezit, in 1691 moest worden verkocht. Koper werd de provincie. Daarmee kwam een einde aan de periode van bijna een halve eeuw waarin drie generaties Munting de tuin hadden verzorgd.       
   

Nu de Hortus aan de Rozenstraat in Groningen naar Haren is verplaatst, is het goed dat daar een straatnaam herinnert aan de ondernemende Groningse stichter van de tuinユ.  (Uit Plantaardigheden)

 

Geschreven en bewerkt doorr Nico Koomen.

De tekst is vrij gemakkelijk te lezen, wel oubollig. Daarom zal ik het in normaal Nederlands beschrijven en wat inkorten met wat aantekeningen voor de duidelijkheid. Dat zoals de beschrijving van de temperaturen omdat die planten nu geheel in een plantenkas gaan. Verder is zijn soortbeschrijving en naamgeving te kort en onduidelijk, vaak met een enkele vreemde naam zodat het moeilijk is om de juiste soort terug te vinden. Verder begint hij altijd met ヤ de aart en Natuireユ de aart is meestal een soort met dan verschillend gekleurde bloem, gevlekte bladeren en dergelijke. De ヤ Natuireユ is veel onduidelijker, dan komen er ook andere soorten bij , zo wordt bij de roos net zo gemakkelijkbij  de roos van Jericho, Anastacia, gezet omdat het een ヤroosユ is. Met die korte omschrijving wordt dat heel moeilijk, vooral omdat er weinig afbeeldingen zijn. Ook zijn de planten vanaf Ravelingen tot Linnaeus weinig bekend hoewel er veel veranderde door nieuwe invoer uit Amerika. Daar heb ik dan ook minder informatie van dan van ヤ de oude plantenユ. En zal ik zeker de plank wat misslaan.

Het bevat de teeltwijze en vermeerdering van vele planten. Zelfs ongedierte bestrijding en bemesting, soorten tuingrond en overpotten zo dat het nu nog in de hortus op biologische manier gebruikt kan worden.

Hij wist toch ook wat van de geschiedenis af zoals je af en toe merkt waar hij er wat uitvoerig op ingaat. Het boek bevat een 40 gedetailleerde kopergravures die soms vervangen worden door de mooiere gekleurde afbeeldingen uit latere uitgaven die afkomstig zijn van http://www.google.nl/search?q=abraham+munting&hl=nl&fhp=1&prmd=imvnso&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ei=__8kT6LYL4WP0AW7iJHOCg&sqi=2&ved=0CGEQsAQ&biw=927&bih=905

De tekst en zwart-witte afbeeldingen komen van http://books.google.nl/books? GEDIGITALISEERD DOOR GOOGLE. Een enkel blad mist er, die komen dan uit:

id=9EbSAAAAMAAJ&pg=PA217&lpg=PA217&dq=abraham+munting+waare+oeffeninge+der+planten&source=bl&ots=YtUV63zMM8&sig=PHcowQAzuLVc0txlVCD9gUNdiCM&hl=nl&sa=X&ei=vNnwTpuMOsOdOpvG6JgB&sqi=2&ved=0CCkQ6AEwAA#v=onepage&q&f=false

 

ook; http://caliban.mpiz-koeln.mpg.de/munting1/high/IMG_4091.html

 

 

WAARE OEFFENING

DER PLANTEN,

Beschreeven door

 

ABRAHAMUS MUNTING. [1]

 

OP DEN TYTELPRENT.

 

De Gulle Neerstigheit, door Leersucht aengedreeven,

Smeekt dユ Eedele Natuir, om haer verborgen Schat,

Ons milde Moeder schenkt de Sluetel van het leeven,

En seyt: Leergierige, al wat mijn Rijk omvat.

Van Oosten tot het West, van Zuid tot Noorder Poolen,

Dat leert mijn wakkre Zoon, dユ Heer Munting in dees bln.

Leest ende herleest hem vry, ja gaet by hem ter Schoolen,

Sijn schrandre Geest die leert wat nut is, wat kan schn,

Wat dat de Middel Riem, de Tijden van de Jaaren,

De Groote Lichten doen, Hooft stoffen, Rijm en Mist;

Wat Tijd of Ontijd is tot zaaijen of tot paaren.

Hier in is ユt algezeit, wat ik te zeggen wist.

                                                                      P. M.

 

IDEM LATINE.

Candida Sedulitas, Studio comitante, Parentis

Naturセ arcanas Nobilis ambit opes:

Nostra Parens Clavem donat largissima Vitセ,

Et, Studiosa, meus quod capit axis, a付.

Quicquid habet Boreas, quicquid Nothus, Eurus & Auster,

Hisce meus folijs Filius Author habet.

Hunc lege, & hunc relege, & bis perlege, t屍ve, quat屍ve,

Quセ prosint, &  quセ sint nocitura docet.

Quid sit Zodiacus, quid Sol, quid Luna, quid Anni

Tempora, quid Cマli posse Elementa putes,

Tempore quo Semen furgat; quo tempore Messis,

Hac Nuce, ceu puncto singula Mundus habet. [2]

                                                          W. G.

 

[3]

 

Copie van ユt Octroy.

De Staten van Hollandt ende Westvrieslandt. Doen te weeten, Alsoo Ons vertoont is by Ian Rieuwerts Boeckverkooper, woonende tot Amsterdam, hoe dat hy Suppliant op swaere kosten hadde doen drucken seecker Boeck, genaemt, Waere Oeffening der Planten &c. beschreeven door Abraham Munting, der Medicine Doctor ende Professor Botanices in de Academie van Stadt Groeningen ende Ommelanden, ende daer toe laten snijden veertig koopere Plaeten. Ende alsoo hy Suppliant beducht was, dat yemand anders het selve Boeck mochte komen nae te drucken, ende hy daer door groote schade soude lyden. Soo versoght hy Suppliant gansch oodmoedelick, dat het Onse goede geliefte zijn mochte, hem Suppliant, daer over te verleenen Ons Octroy voor den tijd van vijfthien Iaren in communi forma. Soo ist, Dat Wy de saecke ende ユt versoeck voorschreeven overgemerckt hebbende, ende geneegen weesende ter beede van den Suppliant, uyt Onse rechte wetenschap, souveraine maght ende autoriteyt, den Suppliant geautoriseert ende geoctroijeert hebben, autoriseeren en Octroyeren den selven mits desen, ten eynde hy het voorgemelte Boeck geduyrende den tijd van vijfthien eerstkomende Iaeren, in Onsen Lande van Hollandt ende Westvrieslandt alleen sal mogen drucken, doen drucken uytgeeven ende verkoopen. Verbiedende allen ende eenen yegelijcken het selve Boeck naer te drucken, ofte elders naer gedruckt binnen den selven Onsen Lande te brengen, uyt te geeven ofte te verkoopen, op verbeurte van alle de naergedruckte, ingebrachte, ofte verkochte exemplaren, ende een boete van seshondert guldens daerenboven te verbeuren, ユt appliceren, een dardepart voor den Officier die de calangie doen sal, een derdepart voor den Armen der plaetse daer het casus voorvallen sal, ende ユt resterende derdepart voor den Suppliant; Alles indien verstande, dat Wy den Suppliant met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van sijn schaede, door het naedrucken van ユt voorschreeven Boeck, daer door in eenigen deelen verstaen, den inhouden van dien te autoriseren, ofte te advou喪en: Ende veel min het selve onder Onse protectie ende bescherminge eenigh meerder credit, aensien ofte reputatie te geeven; Nemaer den Suppliant in cas daer in yets onbehoorlijcx soude mogen influeren, alle het selve tot sijnen laste sal gehouden wesen te verantwoorden: Tot dien eynde wel expresselijck begeerende, dat by aldien hy desen onsen Octroye voor het selve Boeck sal willen stellen, daer van geene geabbrevierde ofte gecontraheerde mentie sal mogen maecken, nemaer gehouden sal wesen het selve Octroy in ユt geheel ende sonder eenige omisse daer voor te drucken, ofte doen drucken, op poene van het effect van dien te verliesen. Lastende allen ende eenen yegelijcken die het aengaen magh haer daer naer te reguleren. Gedaen in de Hage onder Onsen grooten Zegele hier aen doen hangen den xxxi September in ユt iaer Ons Heeren ende Salighmaeckers, duysent ses hondert een ende seventigh.

 

Onder stond

 

JOHAN DE WITT. ut.

1671.

Ter ordonnantie van de Staten

 

SIMON van BEAUMONT.

 

 

[4]

 

WAARE OEFFENING

 

DER

PLANTEN,

 

WAAR IN

De rechte Aart, Natuire, en verborgene eigenschappen der BOOMEN, HEESTEREN, KRUIDEN,  ende BLOEMEN, Door een veeljaarig onderzoekinge, zelfs gevonden; Als meede op wat maniere zy, in onze Neder- en Hoog-duitschen Landen, gezaait, geplant, bewaart, ende, door het geheele Jaar, geregeert moeten zijn, kenbaar gemaakt worden.

 

Beschreeven door

ABRAHAMUS MUNTING,

Der Med: Doctor, ende PROFESSOR BOTANICES in dユ Academie van Stad Groningen en Ommelanden.

Met 40. Kopere Plaaten van de Raarste Planten verciert.

 

Tユ Amsterdam,

Voor JAN RIEUWERTSZ. Boekverkooper, in Dirk van Assensteeg, in ユt Martelaarsboek, in ヤt Jaer 1672.

Met Privilegie.

 

[5]

Eedele Moogende Hoogwijze Heeren

Borgemeesteren ende Raad der Stad

Groningen.

Borgemeesteren.

Henric Werumeus.         Warmolt Ackema.

Henric Cluvinge.            Arn. van Nijeveen.

Raadsheeren.

Ludolph Conders  Egbert Horenken.

Tiaert Gerlacius.            Warnerus Emmen.

Johan Drews.               Henric Muntingh.

Johan Isbrandts.            Scato Gockingha.

Rud. Christophori.         Johan Verruci.

Andreas Ludolphi. Johan Eeck.

 

Syndicus.            Secretarien.

Reynoudt Clinge.  Henric Swarte.

                          Johan Tammen.

 

Als mede

Eedele Moogende Hoogwijze Heeren

der Ommelanden

Tusschen dユ Eems en Laauwers.

Ende der Zelfde Eedele Hoogwijze Gecomitteerde Raaden.

Bernard Conders van Verwou, Ridder van de Ordre van Sint Michiel, Heer tot Fraem, Huisinga, Startinge, [6]

Claes Sekema, Hovelink tot Oldekerk, Grietman van Westerdeel-langewold, ook van de Ooster en Wester Ruigewaart.

 

Secretarien

Atho Rhiemersma, Hooftling tot Grijpskerke, Westerdijken, Noordhorn ende Lutkegast.

Johan Ringhels, Hooftling in Westerdeel-langewold, Dorquert ende Leegkerke.

 

MYN HEEREN

 

 

 

 

Ier komt zich Deze, als een zeer geringe Schat, voor dユ Oogen van Uwe Eedele Moogende dienstwillig presenteeren, waar toe een drijvende lust tot de loflijke, doch werkelijke hanteeringe, en hooggeachte kennisse der Kruiden en Boomen, als ook haar inwendige aangeboorene kracht (twee scherpe spooren) te doorgronden, my aangeprikkelt hebben. Twijfelen Uwe Eedele Moogende wie ユt is? De blanke zuivere Lelie Bloemen, dユ aangenaame couleur der welriekende Roosen, de bevallige geur der schoone Angelieren, de dierbaar geachte Jasmyn, de zienswaerdige wonderverwen der veelvoudige Anemones, en hoog gepreesene Ranunculen, daer zy haar schoot mede gevult heeft, zullen getuigen dat ik de rechte Oeffeninge der Planten, door naerstige onderzoekinge veeler jaaren  zelfs gevonden, Uwe Eedele Moogende voor doe stellen, ende onderdaaniglijk opofferen: Niet twijfelende of zal by Uwe Eedele Moogende een goed gehoor verkrijgen, en aangenoomen worden: Vermits Deze Niemant noodwendiger dan Uwe Eed: Moogende op te draagen toe komt, zijnde daar toe meest alle, als van Natuire, [7] gebooren, jaa zelfs de handen, in dユ oopene Lucht, aan ユt werk te slaan, ende de Land- als Hof-bouwery, te hanteeren gewent; Volgende, met lust, daarin de oude Heldendaden der Voorvaderen, en Machtige Princen, van de welke de Historien overvloedig getuigen: Welke noch moeite, noch onkosten, tot de zelfde aan te wenden zich geschaamt ende ontzien hebben; Vermits men daar in bemerkt, niet alleen de wonderwerken van den Almoogende God, doende voort brengen, na zijn eeuwige wille en Godlijk believen, uit een klein en qualijk zichtbaar Zaadeken, zoo veel schoonen couleuren der welriekende Kruiden en Bloemen, zulke hooge, dikke, en langleevende Boomen, wiens onderscheidelijke veranderinge der welsmaakende Vruchten, de Mensch niet alleen tot onderhoud zijns leevens verstrekt: Maar ook wiens schaaduwe voor der Zonnen warmte, zoo aangenaam is, onder welke men veilig rustende, de versterkende en vermaaklijke groenheit der Kruiden, die met haar veelvoudige schoone couleuren de Aerde zoo heerlijk vercieren, aanschouwen mag.

Geeven ook haare bevallige Bladeren, door een zachte Lucht beweegt wordende, dikwijls zoo een teeder en aangenaam geluit, dat zy daar in het lieflijk gezang der Vogelen voor een kleen gedeelte schijnen na te bootzen; Buigen ook van selfs, de swaar met Vrugt gelaadene Takken, als voor haar Heer en Meester, om hem de zelfde vrywillig te presenteeren, needer, niet tegenstaande door de zelfde Vogelen om haar voedend aas te verkrijgen, al vliegende sweeven, ende op haar Takken rustende, zoo lieflijk queelen, dat zy te zaamen zomtijds over eenstemmende een verwonderens waerdige Musijk te weege brengen; Zoo dat dese oeffeninge der Landbouwery, niet alleen een groot vermaak des Lichaams, maar ook een behoudenisse van de Eedele Ziele des Menschen koomt uit te werken. Want daar is (mijns oordeels) op de Aerden niet vermaaklijker, om ユt Gemoed, van zoo veel moeite en zorgen dikwils afgemat, wederom te verquikken, en in voorige staat te stellen, [8] als zich in dユ Hooven of buiten geleegene bevallige groente (een eerlijk en onberisplijk vermaak, en onwaerdeerlijke lust) in stilheit te beleeven: waar in men het nijdig gewoel der prachtige Steeden, de swaare bekommernisse der lastige Regeeringe, en aller zaaken haastige veranderinge, waar door dユ onsteltenisse des gemoeds zoo vaak gevoelt wordt, vermijden mag. Want hier in houden op, en worden niet gevonden eenige twist van menschelijke swakheit, afgunst der Borgeren, ofte kijvende tweedracht der onrustige Nabuiren: Hier is ユt gemoed als opgetoogen, van alle banden en zorgen vry, genietende een vermaakelijke wooninge van een gewenschte gerustheit, een schouwplaatze der bezaadigde diepzinnge gedachten, ende zoo wel natuirlijke, als Godlijke overpeinzinge. Zoo dat alle die welke deze zuivere, ende van alle bedrog vremt gewordene plaatzen, koomen te genieten, zoo wel Oeffenaars van eerbaarheit, als geruste stilheit gezegt moogen worden, schijnende niet alleeen tot een afgezondert, maar ook tot een Godlijk leeven overgegaen te zijn.

Daarom haar zelfs niet de Koningen, als Hieron, Philometer, Archelaus, Attalus, Gentius, Lysimachus, Mithridates, Telephus, Evax, Massinissa, ende veel meer andere, de zorge des Rijks van haar schouderen werpende, de Aerde om te spitten, en Hooven daar af te maaken ontzien hebben.

Ja men leest van de Machtige Koning Cyrus, dat hy niet alleen overal, door ユt geheele Rijk, daar hy bequaame plaatze gezien hadde, Hooven liet maaken, maar heeft ook zelfs in Lydia, met zijn eigen handen de zelfde bereidt, daar in Boomen gezaait, ge創t, ende in zoo een aanzienlijke order geplant, dat Lysander, Afgezante van Lacedemonien, van den Koning daer in geleidt, de schoone order der Boomen gezien, ende wederom gezien hebbende, met verwonderinge sprak; Deze bevalligheit, Cyre ! doet my vermaaken, maar boven alle verwondere my zeer over de konstige hand des Meesters, die uwe Majesteit dit alzo uitgevonden, ende gestelt heeft. [9]

Waar op de Koning, als in ユt gemoed verheugt, ende op zijn werk glorierende uit riep: Dit alles Lysander, welke gy hier ziet, heb ik zelver gestelt, ende met mijn rechterhandt gezaait. Daar op Lysander om ziende, ende het kostelijk gewaat, waar meede de Koning bekleedt waar, aanmerkende, wederom met verwonderinge antwoorde; wat is het Cyre, dat gy zegt? hebben uwe handen dit alles gedaan? de Kooning met yver zeide, ik sweer u by de Goden, Lysander, dat ik noit een eenige Dag (gezont zijnde geweest) verby heb laaten passeeren, in de welke ik niet iets dat tot den oorlog diende, of eenige Landbouwery volbrogt hebbe: Zoo een groot vermaak nam deze Prins in deze Bouwery, dat hy ook onder de schaaduwe der vruchtbaare Boomen zijn begraavenisse te maaken, ende aldaar gebood na zijn dood te willen rusten, welke de Groote Alexander, uit Judea, tot de Pasagarden wederkeerende te zien begeerde, ende Aristobulum daar in te gaan gebood, als daar van Strabo, en Quintus Curtius verhaalen.

Wat deede niet de Machtige Kaizer Diocletianus, welke de Regeeringe moede wordende, stond op zijn Troon, smeet af de Koninklijke mantel, begaf zich op zijn eigen land, ende volbrogt het overige zijns leevens, in een geduirige oeffeninge der Kruiden gerustiglijk: Welke daar na van Herculio en Galerio he Rijk wederom aan te neemen verzocht wordende, ten antwoordt gaf: Och mogt gy eenmaal zien de Plantasie met mijn eigen handen gestelt, ende daar af de Vruchten proevende genieten, nimmermeer zoudt gy van my, mijn gerustig en zeer vermaaklijk leeven wederom te verlaaten, om in een geduirige ongeruste slaaverny te moeten verblijven, begeeren konnen.

De Groote Koning Alexander, gelijk daar van Plutarchus verhaalt, heeft in de Landbouwery zoo ge匝celleert, dat hy de zelfs de Arachosische Volkeren geleert heeft.

Wat zal ik wijder spreeken van Semiramis der Perziaanen Koningin, die in beleidt van alle zaaken haar verstand gebruikende, [10] meer dan een Man gereekent geweest is, hebbende haar eigen handen niet gespaart in dユ Aerde te steeken, maar ook zoo wel in veel Valleijen, als op het hoog gebergte verwonderenswaerdige Hooven gesticht, waar in zy de schoonste gebouwen des werelds deede voortkoomen, uit de welke zy aan alle kanten het aangenaame Groen aanschouwen, ende van booven in ユt veld haar leeger, welke zy, tot dien einde aldaar dikwils in waapenen deede verschijnen, geoegzaam overzien konde.

Dit loflijk Exempel heeft gevolgt Nebuchodonozar, de Magtige Koning van Babylon, gelijk daar van Eusebius, ende Abydenus verhaaalen. Want hy eenige hangende Hooven met een driedubbelde muire wonderlijk verzien, zoo heerlijk en konstig gesticht heeft, dat Quintus Curtius de zelfde onder de Wonderen der Grieken gestelt heeft.

Wat Hooven heeft Sallustius, ten tijden van Julius Cセsar binnen Romen niet doen maaken? welke zoo treflijk zijn geweest, dat daar in Nerva zijn leeven ge訴ndigt heeft; hebben ook de Kaizeren Vespasianus en Aurelianus in de zelfde, als in haare Koninklijke Paleizen, veel liever haar tijd willen doorbrengen, ende de schoone Gewassen van dien hanteeren.

Naast deze zijn van geen minder aanzien geweest, die van den wijzen Philosooph Seneca, zoo dat hy ook, om de zelfde, het leeven verliezen moste, vermits de Kaizer Nero, om zich daar van Meester te maaken, deze wijze Man om te brengen geboodt. Ook zijn zeer heerlijk geweest die van Mecセnas, waar in hy zoo een hooge Tooren liet bouwen, dat hy daar van de geheele Stad Romen volkoomelijk zien konde, op wiens hoogte Nero zich daar naa, om dien Koninklijke Stad te zien branden, vervoegde, vermits hy de zelfde op verscheidene plaatzen met vier aan te steeken belast hadde.

Daarom ook alle de Vaderen der voorleedene Eeuwen groote eere beweezen hebben, dien, welke van deze konst of weetenschap kennisse droegen, haar noemende Her啼s ofte Goden, [11] welke voor groote Titelen van eere en waerdige achtbaarheit gehouden werde, ja zy hielden de Hooven, Boomen, ende Boskaadien voor heilig, de zelfde aanbiddende, vermits zy daar in de Goden te woonen meinden; zoo dat zy ook met de dood gestraft wierden, alle, welke eene van de zelfde te schenden, ofte daar van iets af te breeken quam; Stichten ook daar naa haare Altaaren en Kerken daar in, ende dienden haar Goden in de zelfde, gelijk daar van Tacitus, Benedictus Curtius, ende meer andere getuigen.

Waarom ook de overste des Heirs, en Magistraaten des Lands, alle weeken niet meer dan een Dag in de rookende Steeden zich ophielden, ende de stoel des Rechts beklommen, besteedende de ooverige Dagen alle in een geduirige Landbouwery of Hoovenierkonst, van de welke zy (des noods zijnde) om den rechtbank te spannen, wederom geroepen wierden, gelijk daar van by Lucius Moderatus Columella genoegzaam te leezen is.

Ja dat meer is, niemant worde tot een Krijgsoverste gestelt, tot een Prセsident verkooren, tot een Borgemeesterampt verheeven, ofte in den Raad gebrogt, of worde daar toe van den Ploeg en Spaade genoomen om alzoo wijslijk ende voorzichtig het Volk, Steeden, en Provincien te regeeren.

Desweegen ook de Romeinen, van de welke de Grooten Pompejus het Opperhooft doen ter tijdt gekent werde, Mithridates Koning van Pontus en Bithynien (waar van de hoog gepreezene Compositie Mithridatium ofte Mithridaat genoemt geworden is, ende zijn Naame verkreegen heeft) geslaagen en geheel overwonnen zijnde, in des Konings Cabinet ofte Secreetkamer een Boek de kennisse der Kruiden en Landbouwery te kennen geevende, gevonden en geleezen weezende, het zelfde alleen hooger, dan de Victorie met alle de verkreegene roof geacht hebben, vermits zy daar uit meerder nuttigheit voor ユt Gemeen, niet alleen tot gezondtheit des lichaams, maar ook des leevens onderhoudinge verkreegen.  [12]

Ende op dat ik veel meer andere exempelen der Vorstelijke Personagien, om kortheits wille, met een stilswijgende bevalligheit voorby gaa, zullen Uwe Eedele Moogende gedenken, dat deze onze tegenwoordige scherpziende Eeuwe niet minder, dan der Voorvaderen neerstigheit en yver in deze konst voor te zetten, te houden is; Vermits men daaglijks, door vlijtig onderzoeken der Natuire, veel verburgene dingen, waar van de Oudvaderen niet geweeten hebben, vindt, ende reeds tot vermaak en voordeel van een jegelijk gevonden heeft: Waar toe de invloeijende kracht der Planeeten zoo veel vermoogens heeft, dat men zonder haar rechte kennisse onmoogelijk iets goeds te weege brengen mag Waar van men tot den Leezer, breeder zien ende daar in genoegzaame weetenschap verkrijgen kan.

Dit dan Eedele Moogende Hoogwijze Heeren, alzoo in ユt korte voorgestelt hebbende, heb ik de stoutmoedigheit gebruikt, ook my hier in niet willen schaamen deze mijn OEFFENINGE DER PLANTEN, door een veeljaarig eervaarentheit, en eigen ondervindinge, zelfs gezogt ende gevonden, Uwe Eedele Moogende tot te eigenen ende onderdaaniglijk op te offeren; op dat zy niet alleen onder de vleugelen van Uwe Eedele Moogende voor de nijdige laster Tongen (ter tijdt iemant beter hier van geschreeven te hebben zal zijn gevonden) goedertierentlijk moogen worden beschermt: Maar dat zy ook tot voordeel ende nuttigheit, van Uwe Eedele Moogende in ユt generaal, een jegelijk in ユt bezondere, ende tot welstand des ganschen Vaderlands te strekken koome.

Hier meede Eedele Moogende Hoogwijze Heeren, wil ik u alle in een eeuwige genaadige bescherminge des Alderhoogsten beveelen, ende hem ootmoedelijk bidden, hy wille Uwe Eedele Moogende in een langduirige gezondheit, voorspoedige en kloekmoedige Regeeringe, tot grootmaakinge zijns heiligen Naams, bekoudenisse uwer aller zielen zaaligheit, ende welvaaren dezer geheele Provincie genaadiglijk bewaaren. [13]

Op dat wy daar door, onder een aangenaame schaaduwe Uwer Eedele Moogende, in een goede en stille vreede gerustelijk leevende, God de Alderhoogste, een Heere en Schepper van Hemel en Aerde (om alzoo in een eeuwige bescherminge zijnes Hoogen Majesteits, voor ons genaade te verkrijgen) mogen dienen, vreezen, loven en danken, niet alleen op dezer Aerden; Maar ook hier namaals in aller Eeuwen eeuwigheit. Datum Groningen den laetsten Julij in ユt jaar onses Heeren Jesu Christi clc* Icc* Lxxi.  (*behoren omgekeerd te worden)

 

                                   UWE EEDELE MOOGENDE

 

                          DIENSTILLIGE DIENAAR

 

                                   ABRAHAM MUNTING. [14]

 

 

Tot den goedgunstigen leezer.

Eminde Leezer, zijnde zoo dikwils van veele Curieuse Liefhebbers der Kruiden, en rechte verwonderaars der Natuiren verborgentheit, zoo wel, als aller Boomgewassen, eernstlijk aangeport ende verzogt, (vermits zy haarder aller aart niet kennende, over het verlies van veele der zelfde zoo in Zomer- als Winter-tijden, ook over de onvruchtbaarheit van dien te klaagen quaamen) ik mogte, volgens mijne daar in verkreegene eervaarentheit en kennisse, haar te gevalle een weinig opstellen; op wat maniere zy de zelfde bequaamelijk bewaaren, onderhouden, ende daar van goede Vruchten gewinnen ofte verkrijgen zouden.

Welk verzoek in billijkheit bestaande, ik geerne om het Gemeine en uwer besten wille, ook om mijne overige tijd niet quaalijk te besteeden, hebbe aanneemen ende omhelzen willen, te meer, ik onlangs iets in ユt Nederlandsch uitgekoomen te zijn, gezien heb, in het welke de eedele Hovenierkonst, zeer zoober op het Tonneel gestelt werde, vermits daar in veele uit andere uitgeschrabde oude zaaken, zonder eenige eervaarentheit te kennen gegeeven werden, geenzins in deze onze Neder- of Hoog-duitsche landen, maar wel in heete Gewesten dienstig.

Hebbe daarommr deze, als een waare Culture der Boomen en Planten (vermits ik de zelfde, door een met lust gestaadige arbeidzaame oeffeninge, en eigen veeler jaaren eervaarentheit zelfs gezogt, ende in haare aangeboorne Natuire ondervonden hebbe) na mijn klein vermoogen geerne opstellen, ende opentlijk alhier in ヤt licht doen brengen willen, op dat gy ende een jegelijk leeren mogte, hoe ende op wat manier gy, na onze Nederlandsche en Hoogduitsche Climaat, alle uwe Planten en Boomen regeeren, ook tot eigen voordeel en welvaaren in deze Landen hanteeren zoude. Welke Waare Culture of rechte Oeffeninge, tot noch toe van Niemant beschreeven, ofte (mijns weetens) ooit van iemant uitgegeeven of bekent gemaakt is.

Daarom Goedgunstige Leezer, leest, herleest dit zelfde, ende zoekt daar uit uw profijt, vermits gy mijn zin en meeninge, met weinig woorden in ユt korte klaar genoeg uitgedrukt, ende daar in beschreeven te zijn bekennen zult, hoopende den welgezinden Leezer, hier in vernoegt zal zijn.

Niet tegenstaande, naadien ik, door neerstige arbeidt, daagelijks on- [15] dervindende bevinde, dat noch Kruiden, noch Boomen van iemant te recht tot vermeerdering gehanteert, ende in ユt leeven behouden moogen zijn, zonder goede kennisse der Zeven Planeeten, wanneer ofte op wat Dag, en uire zy door de geheele weeke, ende inzonderheit alle Dagen haar regeerende kracht, van God de Almachtige Heere (na zijn alvermoogende wille) daar in geschaapen, betoonen; om niet allen het Gewas des Aerdrijks, maar ook de Mensch, in een goede en verwonderens waerdige Ordonnantie, tot voortzetting van dien te bewaaren.

Hebbende haare Regeeringe, zoo wel by Dag als Nacht (na mijn klein vermoogen) Goedgunstige Leezer, ten besten hier by willen voegen, op dat een jegelijk weeten mag, dat hy niet op een ongeleegene uire alles zonder vrucht gedaan, gezaait, ofte geplant te hebben bekent, ende voor oogen ziet: Maar op een geleegene, goede en bequaame Tijd, in de welke alles na zijn wensch voorspoedig groeijende voorkoomt.

Zult gy daarom, met een goede zin, op t geen hier volgt voordachtig letten.

 

REGEERINGE DER ZEVEN PLANETEN.

Welke door de geheele Week, van een jegelijk, zoo wel by Dag als Nacht, op zijn uire geschiedende, te kennen is: Na de welke de zeven Dagen haar Naamen verkreegen hebben.

 

SONDACH                          

Neemende zijn aanvanck des Nachts op twaalf uiren, als wanneer de Saturdag zijn natuirlijke loop gedaan heeft, van de welke de Zonne tot een uir regeert.

Venus van een tot twee.

Mercurius van 2 tot 3.

Luna van 3 tot 4.

Saturnus van 4 tot 5.

Jupiter van 5 tot 6.

Mars van 6 tot 7.

Sol van 7 tot 8.

Venus van 9 tot 10.

Luna van 10 tot 11.

Saturnus van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Jupiter van 12 tot een.

Mars van 1 tot 2.

Sol van 2 tot 3.

Venus van 3 tot 4.

Mercurius van 4 tot 5.

Luna van 5 tot 6.

Saturnus van 6 tot 7.

Jupiter van 7 tot 8.

Mars van 8 tot 9.

Sol van 9 tot 10.

Venus van 10 tot 11.

Mercurius van 11 tot 12.

 

MAANDAG.

Waar van de eerste uire (gelijk alle dユ andere) van Midnacht begint.

Luna van 12 tot een. [16]

Saturnus van 1 tot 2.

Jupiter van 2 tot 3.

Mars van 3 tot 4.

Sol van 4 tot 5.

Venus van 5 tot 6.

Mercurius van 6 tot 7.

Luna van 7 tot 8.

Saturnus van 8 tot 9.

Jupiter van 9 tot 10.

Mars van 10 tot 11.

Sol van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Venus van 12 tot een.

Mercurius van 1 tot 2.

Luna van 2 tot 3.

Saturnus van 3 tot 4.

Jupiter van 4 tot 5.

Mars van 5 tot 6.

Sol van 6 tot 7.

Venus van 7 tot 8.

Mercurius van 8 tot 9.

Luna van 9 tot 10.

Saturnus van 10 tot 11.

Jupiter van 11 tot 12.

 

DINGSDAG.

Mars van 12 tot een.

Sol van 1 tot 2.

Venus van 2 tot 3.

Mercurius van 3 tot 4.

Luna van 4 tot 5.

Saturnus van 5 tot 6.

Jupiter van 6 tot 7.

Mars van 7 tot 8.

Sol van 8 tot 9.

Venus van 9 tot 10.

Mercurius van 10 tot 11.

Luna van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Saturnus van 12 tot een.

Jupiter van 1 tot 2.

Mars van 2 tot 3.

Sol van 3 tot 4.

Venus van 4 tot 5.

Mercurius van 5 tot 6.

Luna van 6 tot 7.

Saturnus van 7 tot 8.

Jupiter van 8 tot 9.

Mars van 9 tot 10.

Sol van 10 tot 11.

Venus van 11 tot 12.

 

WOENSDAG.

Mercurius van 12 tot een.

Luna van 1 tot 2.

Saturnus van 2 tot 3.

Jupiter van 3 tot 4.

Mars van 4 tot 5.

Sol van 5 tot 6.

Venus van 6 tot 7.

Mercurius van 7 tot 8.

Luna van 8 tot 9.

Saturnus van 9 tot 0.

Jupiter van 10 tot 11.

Mars van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Sol van 12 tot een.

Venus van 1 tot 2.

Mercurius van 2 tot 3.

Luna van 3 tot 4.

Saturnus van 4 tot 5.

Jupiter van 5 tot 6.

Mars van 6 tot 7.

Sol van 7 tot 8.

Venus van 8 tot 9.

Mercurius van 9 tot 10.

Luna van 10 tot 11.

Saturnus van 11 tot 12.

 

DONDERDAG.

Op 12 uiren beginnende.  [17]

Jupiter van 12 tot een.

Mars van 1 tot 2.

Sol van 2 tot 3.

Venus van 3 tot 4.

Mercurius van 4 tot 5.

Luna van 5 tot 6.

Saturnus van 6 tot 7.

Jupiter van 7 tot 8.

Mars van 8 tot 9.

Sol van 9 tot 10.

Venus van 10 tot 11.

Mercurius van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Luna van 12 tot een.

Saturnus van 1 tot 2.

Jupiter van 2 tot 3.

Mars van 3 tot 4.

Sol van 4 tot 5.

Venus van 5 tot 6.

Mercurius van 6 tot 7.

Luna van 7 tot 8.

Saturnus van 8 tot 9.

Jupiter van 9 tot 10.

Mars van 10 tot 11.

Sol van 11 tot 12.

 

VRYDAG.

Als booven met de uire van 12 zijn aanvank op Midnacht neemende.

Venus van 12 tot een.

Mercurius van 1 tot 2.

Luna van 2 tot 3.

Saturnus van 3 tot 4.

Jupiter van 4 tot 5.

Mars van 5 tot 6.

Sol van 6 tot 7.

Venus van 7 tot 8.

Mercurius van 8 tot 9.

Luna van 9 tot 10.

Saturnus van 10 tot 11.

Jupiter van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Mars van 12 tot een.

Sol van 1 tot 2.

Venus van 2 tot 3.

Mercurius van 3 tot 4.

Luna van 4 tot 5.

Saturnus van 5 tot 6.

Jupiter van 6 tot 7.

Mars van 7 tot 8.

Sol van 8 tot 9.

Venus van 9 tot 10.

Mercurius van 10 tot 11.

Luna van 11 tot 12.

 

SATERDAG. Zijn begin met Midnagt verkrijgende.

Saturnus van 12 tot een.

Jupiter van 1 tot 2.

Mars van 2 tot 3.

Sol van 3 tot 4.

Venus van 4 tot 5.

Mercurius van 5 tot 6.

Luna van 6 tot 7.

Saturnus van 7 tot 8.

Jupiter van 8 tot 9.

Mars van 9 tot 10.

Sol van 10 tot 11.

Venus van 11 tot 12.

MIDDAGS-UIREN.

Mercurius van 12 tot een.

Luna van 1 tot 2.

Saturnus van 2 tot 3.

Jupiter van 3 tot 4.

Mars van 4 tot 5.

Sol van 5 tot 6.

Venus van 6 tot 7.

Mercurius van 7 tot 8.

Luna van 8 tot 9. [18]

Saturnus van 9 tot 10.

Jupiter van 10 tot 11.

Mars van 11 tot 12.

Deze genoemde alle, van de welke een jegelijk, door het goedvinden des Almoogenden Werkmeesters, zijn Dag (als hier gestelt) te verzorgen bevoolen is, geeft op de zelfde, en behoorlijke uir zijn meeste kracht, zoo dat nochtans de andere zes op haare uiren, of schoon haare Daagen niet en zijn, niet koomen in haar vermoogen vermindert te worden; Waar in te recht een hooge en verborgene wijsheit van God de Heere aan te merken is. Welke op dat zy meerder tot een jegelijks voordeel in acht genomen zoude worden, heb ik haarder aller Natuire alhier, U Beminde Leezer, gewillig vertoonen willen.

 

Kracht, Natuire en Eigenschap DER ZEVEN PLANEETEN.

ZONNE ¤ beteikent GOUD.

De Zonne, zijnde goedaardig, maatig warm, en droog van Natuire, is een krachtige, en heerlijke Planeet, zoo dat ook alle Kruiden, van de zelfde geregeert wordende, als dユ andere in kracht, en deugde overtreffen, ende in veelen te booven gaan: wat ook op dien Dag en uire (als wanneer het best is) ofte op een ander Dag, ende de zelfde uire, als deze regeert (gelijk uit het voorgaande genoegzaam gezien, ende bekent wordt) in een vochtige Aerde, ofte ment een donkere Lucht, Regen verwachtende, opgenoomen, geplant ofte gezaait werdt, koomt niet alleen veelvoudig, maar ook manlijk, ende tot een volkoomene perfectie voort; verkrijgt schoone, met een vermaaklijke groenigheit vercierde, en dikwils bonte Bladeren, lange Steelen, een krachtige Wortel, aangenaam van reuk, ende een welriekende gemeinlijk geel gecouleurde Bloem, ofte na den rooden trekkende.

 

MAANE SILVER.

De Maane, is na de Zonne de grootste, en vermoogenste Planeet; regeert krachtiglijk niet alleen de Zee, de vochtigheits des geheelen Aerdboodems, maar ook de waterachtige humeuren binnen in ユ s menschen lichaam, ende alles wat in de Planten tot haar voetzel, en groeijende kracht van nooden gewonden wordt. Want zy geeft daar in een aanwas, hoogste volkooomentheit, en wederom verminderinge, na haare wonderlijke loop. Het welke van een jegelijk by deze klaarlijk gezien zal konnen worden, indien hy een Boom verzetten, ofte, in het afgaan der Maane, waar in haar vermogen afneemt, van zijn Top of Kroone snoeijen wil; Want hy zal als dan bevinden, dat zy lankzaamlijk wederom voortschieten, een nieuwe Kroon maaken, [19] doch meerder Vruchten geeven zal. Maar zoo hy hem plant ofte snoeit, in het wassen der zelfde, als wanneer haar kracht vermeerdert, zal hy haastig wederom aanwassen, in veel Takken zich verdeelen, ende weinig Vruchten geeven. Doch indien het met haar volheit geschiedt, waar in zijn kracht op ユt hoogste, ende een perfecte volkoomentheit is, zal hy van beide behouden, ende niet alleeen schoone Takken, maar ook daar veel, en goede Vruchten voortbrengen, vermits hy in zijn volkoomen kracht als dan niet vermindert werdt, of hy schoon van zijn Takken berooft is, maar verblijft in zijn dikke stam te meerder, en langer een krachtige vochtigheit, waar door hy geweldig voortgedreeven wordt, ende aan zijne zuivere Takken, het derde en vierde Jaar daar na, wederom Vruchten geeft.

Desgelijks geschiedt het in alle Kruiden en Planten. Want alles wat met deze afgaande verplant, ofte gezaait wordt, inzonderheit dat in der Aerden, ofte booven de zelfde Vruchten brengt, zal in zijn Bladeren vermindert, maar in de Vrucht vermeerdert te wezen bevonden worden. Wat met een wassende Maane gerept, ofte gezaait te werden koomt, geeft kleine en slechte Vrucht, maar overvloedige Bladeren, daarom moet men op deze tijd niet als Medicinale, Bloemdraagende, of andere Planten, daar men noch in, noch booven de Aerde eenige Vruchten, dan alleeen haar Zaad van verwachtende is, gezaait zijn. Want met een volle Maane de Aerde bevoolen wordt, geeft zoo wel goede Vrucht, als Bladeren, ook volkoomener, ende uit enkelde, geheele dubbelde Bloemen, vermits het op een volkoomen tijd en uire, in de welke alles zijne rechte vervullinge gekreegen heeft, in dユ Aerde gelegt wordt.

Waarom ook Christus de Heere, hoewel na zijn Godheit een Schepper van Hemel en Aerde, van zijn Schepzel nochtans, om aller menschen eedele Ziele, die aan hem geloofden, ende noch gelooven zouden, te behouden, op dien volkoomenen uire en Tijd, in de welke niet alleen de Maane, maar ook de Zonne, zijn hoogste vermoogen en kracht gekreegen hadde, uit liefde lijden most; Wat hy hing om te sterven aan den Kruice recht op de Middag, vervullende alzoo door zijn dood, het geen door het woordt zijns Almachtigen Vaders te zullen geschieden, gesprooken was, in de zichtbaare vervullinge des hoogen Hemels Firmament, ende aller Gewassen der Aerden, die zonder malkander niet weezen, ofte bestaan moogen, waarom ook het een om des anders wille van God geschaapen is.

Daar en booven Christus de volheit aller dingen zelver, in de volheit des tijds, in de welke hy ユt alles vervulde, lijden moetende (vermits hy zeide, het is volbrogt) werdt ook de Zonne in zijn hoogste volkoomentheit booven [20] der Aerden, gelijk de Maane onder onze voeten truirende verduistert, waar door alzoo meede alle ユt Gewas der Aerden, zoo wel onder, booven, als ter zijden van haar rondheit, door het derven der krachten van deze twee groote leevendigmaakende, ende alle sin haar leeven behoudende lichtende Planeeten, krachteloos gemaakt werdende, met haar Schepper lijden ende in pijn zijn mosten. Zijnde alzoo met een volheit der Maane, waar in (als gezegt) haar hoogste kracht geleegen is, alles van een Almachtigen Werkmeester genaadig voltrokken: Niet alleen in de Tijd, waar in de ziele des menschen van zijn hooge Godheit vereerbarmt is: Maar ook tot vermaak, en onderhoudt des menschelijken lichaams, in zijn Scheppenisse van Hemel en Aerde; Niet te vooren, maar naa dat alle de Kruiden en Gewassen, der Aerden reeds in haar hoogste volkoomentheit op den derden Dag daar stonden, die zonder de invloeijende krachten der Planeeten niet voortgeteelt hadden konnen worden. Daarom na dat hy haar met alle de lichten des geheelen Firmaments, op den vierden Dag in haar hoogste magt geschaapen had, zag hy dat het alles goed waar, ende sprak daar na (niet te vooren) Wasset ende vermeerdert. Want het en koste voor dien Tijd zoo min geschieden, als alle Gewas der Aerden, niet alleen, maar ook de mensche zelver het leeven had konnen behouden, zoo niet na de dood des Heeren Christi aan den Kruice, de Zon en Maane haar kracht, en behoorlijk lichtende glans (door de goedheit Gods) aan zich genoomen, ende wederom verkreegen hadden.

Daar en boven, wat in het aanwassen dezes Planeets geschiedt (als vooren gezegt) schiet sterk in Loof, ende brengt voort weinig Vruchts, het welke (ユt is waar) voor Vruchtdraagende Gewassen alle ondienstig, maar voor de Huisman dienstig, ende zeer noodwendig is. Want indien hy met een wassende Maane zijn Land maaijen laat, zal daar in de helfte meerder, ofte eens zoo veel Gras, als met een afgaande verkrijgen.

Wijders, alles wat gerept, verzet, geplant ofte van Zaad in dユ Aerde gelegt werdt, als daar zoo wel in de Zon en Maane, een Eclipsis te zijn van ons gezien wordt, dat zelfde verderft, vergaat, versterft gemeinlijk, ende koomt nimmermeer, ofte zelden ten voorschijn. Want het verdooft, verandert, versmoort, ende verkoudt in dユ Aerde, dewijl zy dan als geslooten wordende, in lijden is, ende voor dien Tijd in haar kracht verminderende, geen genoegzaame warmte, aan ユt geene haar in de uire vertrouwt werdt, verleenen mag: Daaromme dien Dag voorbygegaan moet zijn.

Zy is van natuire koud en vochtig, tusschen goed en quaad gestelt. Derhalven alles wat op dien Dag, ofte een ander, doch rechte uire haarer regeeringe gezaait, ofte geplant wordt, koomt niet veel van uit der Aerden voort, blijft leege van Steel, geeft kleine gladde Bladeren, bleek, ofte met [21] witte Aaderen gemeinlijk doorloopen, waterig ende onlieflijk van smaak, ook witachtige Bloemen, zonder eenige reuk, en haast vergaande. Zoo dat ook de Moorsche Heidenen, en wilde Indiaanen, op de loop en krachtig vermogen dezes Planeets, gelet hebbende, daar na haar Planten, Wortelen en Boomen, tot een vermeerderende goedheit, en eigen onderhoudt, in dユ Aerde te brengen, ende te cultiveren geleert hebben.

 

Jupiter, Tin.

Deze goedaardige Planeet, is maatig warm en vochtig van Natuire. Alles wat op dien dag en uire, zijner reegeringe gezaait ofte geplant werdt, koomt veelvoudig en vigousreuslijk voort, wordt ook daar in een aangenaame Natuire gevonden. Geeft teedere, ende geen breede Bladeren, dikwils na den paerschen trekkende, lieflijk van reuk, niet onaangenaam van smaak, ende met een natuirlijke vochtigheid begaaft, ook Bloemen van een purperachtige couleur, en weinig reuks.

 

Venus Kooper.

Is van aart vochtig, maatig koud, en van een teedere Natuire. Wat onder haare magt ter Aerden besteedt wordt, koomt niet overvloedig, maar middelmaatig op, is traag in ユt wassen, brengt voort welriekende en zeer teedere Planten,  van een maatige hoogte, en ampere aangenaame smaak, gladde Bladeren, en kleine lieflijke Bloemen van een vermengde couleur.

 

Mercurius Quiksilver.

Deze Planeet is van een middelbaare aart, maatig warm, droog, en vochtig, ongestaadig, of zeer veranderlijk, met den warmen warm, en kouden koudt, wat op zijn dag en uire, der reegeringe verplant, ofte gezaait zy; Groeit en koomt gewillig voort: geeft een schoon, en taamelijk hoog Gewas, met bleek groene en ruigachtige Bladeren, schoone Bloemen, dikwils met een vermaaklijke blaauwe couleur, en teedere reuk verzien.

 

Saturnus Loot.

Weezende de quaadaardigste van allen, s van een koude, en drooge Natuire. Alles wat op die uire en tijd zijner regeeringe gehanteert, geplant, ofte van Zaad in dユ Aerde gelegt wordt, verderft, versterft, blijft in den Aerde zonder Vrucht, ende mag niet, ofte zeer weinig daar van in ユt licht voortgekoomen te zijn, gezien werden: Vermits als dan alle Gewassen des Aerdrijks voor die uire in haar drijvende kracht gestuit, ende verdooft wordende, stillestaan, ende niet wijder vermoogen, zoo dat een jegelijk die uire wel waarneemen, ende zich voor deze verdervende Planeet voorzichtig wachten moet. Want het is alles om niet, wat op dien tijd gedaan wordt,  [22] ofte geschiedt: Zijn ook de Kruiden zijne Heerschappy onderworpen, grof van deelen, ruig, doornachtig, graauw van verwe, hebbende gemeinlijk Bloemen van een bruine couleur, een onaangemaame reuk, en bitter ofte zonder eenige smaak.

 

MARS YZER.

Een krachtige Planeet, is van Natuire zeer heet, en droog. Wil iemant op die uire wanneer hy regeert, iets opneemen, verplanten, ofte zaaijen, zal toezien, dat het niet en geschiede, ten zy de Aerde eerst door de Regen des Hemels vocht nat gemaakt is; ook reede gezaait, ofte geplant zijnde, daar op een haastige Reegen te zullen vallen, gemerkt ende gehoopt werdt; zoude anders, door zijn uitdroogende en verwarmende kragt, het zelfde in korte Tijd, van zijn natuirlijke vochtigheit berooft, vruchteloos gezien worden; Maar als dan gelukkig en haastig voortkoomende weelderig in een vigoureuze staat opschieten, ende zijn perfecte volkoomenheit genieten.

De Kruiden van deze geregeert wordende, brengen voort lange, glinsterende, niet dik, ende gesneedene Blaaderen, weinig ofte slechts maar een steel, houtachtig, ende van een maatige lengte, ook Bloemen van een roodachtige couleur, niet vol van Bladeren, en gemeenlijk van een bittere smaak.

Hierenboven zal den goedgunstigen Leezer gelieven te weeten, dat verscheidene Kruiden gevonden werden, die niet alleen van een dezer Zevene, maar van twee, ofte ook wel drie geregeert worden, vermits Mercurius een vliegende, en onbestendige Planeet zijnde, zich lichtelijk by dユ een, of ander voegt, welke als dan daar van haar kragt ofte vermogen geniet, doch van dユ een gemeinlijk sterker, als dユ ander, gelijk my daar van dユ eervarentheit zelver, door deeze in de natuire verborgene Philosophie, onfeilbaar geleert heeft; Ja heb in ユt zeeker bevonden door haar eigen werkende Natuire, dat de Plante Tabacum ofte Tabak genoemt, van alle zeeven Planeeten geregeert wordt, welke, na een jegelijks vermoogen, haar invloeijende kragt in de zelfde onzichtbaar brengen: Zoo dat zy voor een Koninginne van alle Kruiden gehouden mag zijn, vermits men door, ofte met haar geneezen mag de meeste krankheeden (gelijk de Priester Eleazer, welke alle menschen, met den Duivel bezeeten weezende, door de wortel van een Kruid, van de Koning Salomon te vooren geoopenbaart, geholpen heeft; het welke de Kaizer Titus Vespasianus ende meer andere Romeinen met verwonderinge gezien hebben, als daar van Flavius Josephus lib: 8.cap. 2.getuigt) waar van de menschelijke Natuire in deze gewesten overvallen werdt; (welke ziekten nochtans door de zelfde Planeeten in ユs menschen lichaam heimelijk, zoo swijgende [23] stil aanneemen (gelijk zy ook daar na wederom afneemen) dat zy niet bekent worden, voor dat men daar van onvermoedelijk, en plotzelijk wordt aangetast) zy moogen weezen inwendig, ofte uitwendig, uit hette ofte koude haar oorspronk hebbende, het welke met geen andere Plante, (my tot noch toe bekent) geschieden kan, dewijle haar werkende kragt zoo groot, ofte volkoomen niet en is, ende ook onmoogelijk weezen kan) vermits deze alleen een krachtige werkinge aller Planeeten geniet, door de welke zeven alle menschelijke krankheeden zo wel, als geneesinge ofte gezontheit, het leeven, als de dood, door het believen Godes in den mensch zijn oorspronk neemt.

Waarom men scherp op dese Hemelsche Teekenen acht geeven, ende haar kragt by graaden van tijd tot tijd moet leeren kennen, zonder welkers toedoen niet goeds geschieden, de menschelijke Natuire, noch de krachten der Kruiden in haare rechte grond te kennen zijn; waar door iemant sich groolijks verloopen kan, ja den dood zoo gaauw, als geneesinge, en hulpe toebrengen, ofte veroorzaaken zal.

Want wat dユ eene gezont is, is dユ ander quaad, dユ eene Medecijn, is dユ ander Fenijn, vermits alle menschen van een Natuire geenzins zijnde, ook niet van een Planeet alleen geregeert worden: Waar door ook de Kruiden, niet alleen onder de regeeringe eens goeden Planeets, de Natuire der menschen aangenaam, gezaait, maar ook als dan in haare volkoomene kracht afgesneeden, getempert, ende de kranken om te gebruiken moeten gegeeven zijn, na de ziekte sterk ofte weinig, goed ofte quaad, nieuw ofte oud, heet ofte koud, droog ofte nat is.

Waarnaa nochtans van de Medicijnmeesteren, zoo weinig gevraagt, zoo min om gedocht, ja daar over heene, als de Haan over de heete koolen (gelijk men gemeenlijk zegt) geloopen wordt. Waar van daan dan koomt, dat zy ook zoo min aan de kranke mensch (als men daaglijks ziet) vermoogen, of uitrechten konnen; die nochtans dikwils met een Kruideken te geneezen is.

Zoo dat hier uit dan zeekerlijk koomt, dat de mensch buiten haar zoo min, als het gewas der Aerde bestaan mag. Want hy eerst door Godes hand na zy reeds in haar gegeevene magt verscheenen waaren, voortquam, welke in haar arbeidt, zoo wel buiten, als in hem, in zijn voorteelinge als geboorte, noit mat noch moede worden: Waar uit zonder verwonderinge, zoo een groote veranderinge der menschelijke humeuren, van goed en quaad, deugdig en ondeugdig, wreed en zagtmoedig, verstandig en onverstandig voort te koomen gezien wordt.

Waarom hy ook ten laetsten, op den zesten Dag van God gemaakt werde, als een geheel perfect werk, met de welke het alles voltrokken was, daarom [24] ook over alle voor hem geschaapene werken, een Heere te zijn gestelt, vermits hy na zijn beeld en gelijkenisse verstandig gemaakt, ende als doe noch geen zonde gekent hebbende, door het aanzien aller geschaapene Dingen, een jegelijk terstont zijn Naame (na der zelfder aart ende Natuire) te geeven wiste; Gaande recht op, niet gelijk de andere Creatuiren, om niet alleen, zijn oogen opslaande, het geheele Hemelsche Firmament, waar door hy tユ elkens zijns Scheppers zoude koomen te gedenken; Maar ook de zelfde nederwaarts buigende, aller Planten en Kruiden het hert bevallige, en ユt gezichte versterkende groenigheit, tot geneezinge zijns lichaams aanschouwen zoude: Welke groenigheit alle dユ andere couleuren des Werelds daar in te booven gaat, vermits zy het zelfde dikwils in veelen verswakken, en moeijelijk zijn, zoo dat, ofte, zy schoon alle by malkanderen in een gevoegt waaren, nochtans niet zouden te weege brengen konnen, ユt welke God de Almachtige, in deze verwonderenswaerdige krachtige eeinige couleur geschaapen heeft.

Dit zal u alles niet moogen vremt, ofte onwaarachtig dunken te zijn, Neen, neen! vermits het door dユ invloeijende kracht dezer Hemelsche Lichten, in de Planten werkende van de Natuire zelver, welke noit iets quaads doen, ofte volbrengen mag, geleert wordt; Waar van ik eerst een goed knecht, eer ik my daar van een Meester te zijn beroemen wil, verhoope te worden.

Daarom wil iemant, de Natuire van alle deze geschaapen zichbaarlijke Dingen, in haar verborgene kracht recht leeren kennen, moet na zijn klein en teeder vermoogen, de Schepper en Heere van alles eenvoudig vreezen, ende aan zijn eeuwige Woordt een welbehaagen neemen, zoo zal hy niet alleen al ユt geen in de Natuire verborgen is; Maar ook zijn waarachtig Woordt vatten ende begrijpen moogen.

Maar heeft hy aan zijn Heiligheit, en groot vermoogende genaaden Woordt geen gevallen (waar door nochtans zijn ziele een eeuwige behoudenisse geniet) zal al zijn doen om niet zijn, ende hy zal na het vermoogen der Natuire, om het zelfde te begrijpen willen, gelijk een blinde in ユt duister, na het geene hem voorgestelt wordt, onzeeker tasten, veel min van zijn couleur te spreeken weet.

Daarom wil ik voor ユt laetste gezegt hebben, dat by aldien wy aller Planeeten aart, in een meerder perfectie (als tot noch toe) vlijtig te onderzoeken zochten, wy als dan alle soorten van krankheden, daar de dood niet meede vermengt is, zonder moeite (gelijk de Koning Salomon, welke van alle Gewassen, Dieren, Voogelen en Visschen, haar Natuire ondersocht hebbende, verscheidene Boeken geschreeven heeft, als Flavius Josephus in ユt voorgenoemde Boek, van der Jooden oorlogen spreekende, verhaalt) geneezen [25] zouden, in wat Landt, ofte plaatze wy ook mogten zijn. Want de Almachtige God heeft na zijn alvermoogende goedheit een jegelijk Landschap met zoodanige Kruiden verzien, welke machtig genoeg zijn alle de krankheden daar meede te geneezen, die in de zelfde het menschelijke Geslachte te bejeegenen koomen. Daarom onderzoeke een jegelijk scherpzinnig, leere God ende de Natuire kennen, het welke zonder ons zelfs kennisse onmoogelijk is; Waar toe nochtans indien wy koomen konnen, zulle van hem een meerder Licht verkrijgen, ende de Natuire in haar verborgen kracht begrijpen moogen; Anders nimmermeer.

Doch op dat gy een jegelijk Gewas (voor zoo veel het voor deze maal heeft moogen zijn) op zijn behoorlijke plaatze zult konnen vinden, heb ik dit Boek in drie deelen te verdeelen goed gevonden: Waar van het Eerste alle Boomen in zich begrijpt. Het Tweede alle Heesteren ofte Struwellen. Ende het Derde alle leege Kruiden, Planten en Bollen in haare rechte volkoomen aart, in de welke gy haar onderzoekende, alzoo van Natuire, ende niet anders te zijn zult bevinden, ook op wat maniere gy de zelfde bewaaren, ende door het geheele jaar te onderhouden niet alleen, maar ook te vermeerderen konnen, volkoomelijk leeren zult.

Heb ook een Register der Capittelen achter ieder Boek gezet, ende een Generaal Register u Goedgunstige Lezer te gevalle voor aan daar by doen willen: om alzoo alle ding promptelijk en bequaam te mogen vinden en door te zien. Daarenboven zijn achter zommige Capittelen andere Capittelen aengeroert, die na de zelfde konnen geleezen worden, vermits zy van een maagschap zijnde, daar na gestelt hadden moeten geweest zijn.

De Tijd ofte Maanden in dit Boek genoemt, wanneer men zaaijen, iets verplanten, ofte de Gewassen binnen, of buiten ユs huis brengen zal, zijn na de Oude stijl geset, waarom gy u daar na zult moeten reguleren.

Hebbe my ook voorgenoomen gehadt noch veele meer andere Planten in Plaaten gesneeden, tot noch toe onbekent, hier by te voegen, inden my de Tijd door zijn snelle loop, als andere onverwachte ongelegentheden hier in niet hinderlijk waaren geweest. Vertrouwe niet te min dat deze mijne arbeidt u niet onaangenaam, noch ook van my te vergeefs geschreeven zal zijn; Biddende ondertusschen den Goedertieren lezer, hy wille deze in dank aenneemen. Vaart hier mede wel, en blijft den Almachtigen, goedigen, en alwijzen grooten Heere en God bevoolen, die een jegelijk verstand, wijsheit en kennisse geeft na zijn welbehaagende genaade: Hem zy lof, eere, en dank gezegt in alle eeuwigheit. Amen. [26]

 

 

ISAACI de SCHEPPER.

ELEGIA

IN

Amplissimi, Doctissimi, Cultissimique Viri.

D. ABRAHAMI MUNTINGH,

M.D. & Botanices in Academia Groningo-Omlandica Professoris Opus,

De Cura & Cultura Plantarum.

 

 

 

I Latona Parens, & primセ Consitor uvセ

Numen ab inventis obtinuere suis.

Authorumque phalanx, & dives copia Vatum

Nobile plantandi nomen ab arte ferunt.

Quam, Vir magne, tuis non affusura Camセnis

Lucem tam nitidis orbita trita rotis?

Sed quid eat vanos peregre sibi quセrere fumos,

Area cuilaudum panditur ampla domi.

Currat, & herbarum vastos struat alter acervos,

Et compilatum, qua patet orbis, eat.

Illa, tuセ cunセ, Grunici Violaria Pindi.

Sufficient votis plenius omne tuis.

Adde, quod, extremos quisquis ruit erro per axes,

Res tralatiti cognitione notet.

Quisquis at teneris vitam transegit in hortis,

ョquセvumque videt consenuisse nemus. [27]

 

 

 

Clarissimo & Doctissimo Viro

 

D. Abrahamo Muntingio.

 

Medicinセ Doctori Exp: & Botanices in Academia

Groningセ & Omlandiセ Professori Eximio,

Collegセ Honorando,

 

SAMUEL MARESIUS S. & O.

X animo gratulor tibi, Vir Clarissime, hujus Operis Exactissimi Edtionem. Inde & insigne nostro Athenセo accrescet Ornamentum, & tuo Nomini, ingens gloria. Ita scilicet fortes creantur fortibus; ac prout in hoc Belgio nullus extiterat Botanicus ante tuum bonセ memoriセ Parentem, cui ipse Palman non prセripuerit, sic nullus erit post te, qui tibi suos fasces submittere & Herbam porrigere non debeat. Nec enim mer ex aliorum scriptis h把 sapuisti, sed tui ingenij dexteritati & propriセ experientiセ, acceptum ferri debet hoc accuratum Volumen, ex quo constabit posteritati, ad Plantarum Culturam in te uno reperiri, Varrones, Plinios, Dioscoridas, Theophrastos, & cセteros omnes, qui in eo genere olim celebritatis aliquid sunt consequuti. Macte illa tua Virtute & Eruditione, Vir Clarissime, & dum Plantas tui Horti excolis tam sedul, doce nos esse Plantas inversas, quarum flores & fructus honestセ conversationis & bonorum operum ita carpantur in terris, ut earum radices & fibrセ, cマlo altissimo profund inferantur. Vale. Ex meo Musセo xii. Kal: Aprilis MDCLxxi. [28]

 

Clarissimo, Excellentissimoque Viro.

D. ABRAHAMO MUNTINGH.

M. D. & BOTANICES PROFESSORI,

Sセculi sui & Patriセ nostrセ genuino Varroni,

Quin imo

Romano majori,

 

HORTI-CULTURAM SCRIPTIS ILLUSTRANTI.

Ffluxisse tuos puro sine lumine Soles

Ascra vides ! omnis, nox fuit, acta dies,

Spectasti exiguam per nubila plurima lucem,

Astra nec in tenebras spargere Graia jubar.

Seclorum pulsa radiat caligine Phマbus,

Spargit Hyperboreo clarior axe faces:

Non Oriens nostro dedit incunabula Phマbo,

Grunica cunarum gloria terra fuit:

Luce serenanti loca prisca, recentia Vatum,

Igne velut laudum fervidiore calet.

Muntingi quando mens exspatiatur in hortum,

Avolat ipsa foras, & peregrina domi est.

Fit levis, & levior volucrum pernicibus alis

Complexum terrセ fulminis instar obit.

Lustrat in Europ campos obtutibus Afros,

Africa ceu patrium visa placere solum.

Herbida detegitur tellus detecta Columbo,

Non illi, ast nobis India promit opes.

Apparens viridi Gangetica terra paratu.

In Frisiis Asiセ Flrea regna stupet.

Hortensi totus sese ecxplicat orbis in orbe.

Cuncta micant uno climata fulta toro. [29]

Advena cerne oculis spectator quicquid ubique est !

Quicquid Eos, Boreas, Africus, Auster alunt.

Et natura flo dignosoitur omnis in uno,

Divitias hortus totius unus habet.

Distantes co爽nt stirpis discrimine fructus,

Graminaque oppositis dissociata polis;

Nusquam succrescunt tales in prセmia lauri,

Palmaque Olympiaois comprtior ulla rotis,

Nusquam ulmi & myrti, nusquam cum vite raoemi

Thyrsigero in festis tam placuere Deo.

Indica odoriferis intersita balsama plantis

Effluvijs nusquam nobiliora tument,

Radices, bulbi, caules, calicesque, striセsque,

Artis inexhaustセ munere cuncta vigent:

Flora redintegrat semper spectacula pompセ,

Prセcipites donis non sinit ire dies.

Illius ornatus nunquam discriminat annum,

Bruma vigens Verest, canaqua floret Hyems.

Ornentur florum calathis, folijsque penates !

Hyblセis rubeant atria sparsa rosis !

Fercula mensarum lethi fomenta, calixque,

Et vixtus ratio dant alimenta neci,

Omnibus exoritur medicina salubrior セgris,

Afflictisque salus succus & herba patent.

Unius chartis Medicセ secreta Minervセ

Aspexere diem, quセ latuere prius.

Integra Romanセ legitur sapientia famセ,

Et tota hic Graiセ bibliotheca scholセ.

Dextera si vitam Theophrasto fata novarent,

Hoc mallet calamo scribere, & ore loqui.

Romanusque Cato tali sapuisset alumno,

Damnasset culti ruris amator opus.

Hunc clarum ut studij columen Columella salutat.

Gestit apud Parcas fundere mella colo. [30]

Pinguibus ipse Macer redimitus vivit in oris,

Se lateri socians, Hoc cupit ire minor.

Grandiloqui eruitur scriptis mens alta Maronis,

Agnoscitque intus Pallada Palladius:

Ingenij vincit metas indistria sollers

Sive tuas Varro, sive Colere tuas.

ョtern cedro dignas & marmore chartas

Authorum horticolis tanta caterva sonat.

Exhausere labor vires, sudorque diurnus

Et multa ad Phマbes nox vigilata faces.

Non caret eventu vigil experientia, sinem

Quem statuit, rar non hebaet illa suum.

Successusque novos partis successibus addit,

Que敗 monstrat vulgi se superare fidem.

Non cathedra illustrat talem, magis ille cathedram,

Exornat Spartam, non data Sparta Virum.

Filius est magni rediviva Parentis imago,

Cui plaga nulla dedit, neve datura parem.

Hinc MUNTINGIADUM decus experientia victrix,

Quam celebrat nascens occiduusque dies.

In Nato superest, & adhunc funere vivit,

Mortuus haud mortis victima laude jacet.

Hoc Groninga novo Te major Apolline gaude !

Ille Tibi, qualem spes tua poscet, erit.

Siccine MUNTINGI calamum mentemque difertus

Incluta per Veterum tot monumenta rapis?

Numina Pierides Phマbusque domestica, semper.

Per Te, tot priscis culta, colentur avis.

Quis sis nunc monstras: assurge in vota Parentum !

Majorum titulis trita, terenda via est:

Hos Quoque Victor ova: vinci lセtantur, & una est

Vincere victores laude, corona domus.

            J. ALOYSIUS BUCHORST. [31]

 

 

Op den

 

NOIT VOLPREESEN HOF

Van de

Heer Abraham Munting.

 

Ris op TAAL-LEYE, ley mijn rijm-taal, door de paaden,

Die, in den ugtendkriek en dユ aavond-lugt, betraden

Mijn voetten, in het Hof van Munting, daer ik vond,

Al wat het gloeijend Ooft, en wat het laauwe Westen

Aan eenig keurig oog of mondlijn gaf ten besten,

Of wat het barre Noord of zoele Zuyden zond:

Terwijl de Nagtegaal hem, in ユt geboomt, laat hooren,

En, als een Orseus, streelt, met vreugden-zang, onze ooren,

Daer ヤk ben gezeeten in het lusten-hof-prie鼠;

En schouw vast aan, met oog en zin, de wonderheeden

En Heemelpronkjes, die natuyr, alhier, besteede

Aan Flora in eygendoom, voor altijd, in ユt geheel.

Zoo ik ユt gezigt laat gaan op allen slag van Boomen

Op Heester, op Struwel, of laager Kruyd, volkoomen

Voel ik, in allユs, mijn lusts verlustinge voldaan.

Maar wendユ ik ヤt, daar de Bloemgoodesse zelf koomt spreijen

Heur zinnユlijkste tapeet, met dユ allerzoetste reijen

Vol bly-gekleurd cieraad van Bloeme, in overdn,

Doorweeven, ヤ k kan mijn zelf, in geenen wijzユ verzaaden.

En wie zoudユ t koonen doen? die allユ die zoort van blaaden,

Veranderlijk in kleur en geur, of zaffraan geele zitte,

Ofユt zeedig smaltユ, of groenユ of paarzユ of in de witte,

Die zユ elk alleen, of ook wel zaamentlijk aan-b衷n [32]

De vroege Iris praalt, hier, met tallooze verwen;

Fioolen, rijk van reuk, geen goud noch purper derven;

De blanke Leelijen, van achter dユ Amarant,

Vertoone heurユ wittigheid; de loof-smal Roosmareynen

Heurユ eeuwig groen, de Krook zijn geel, de Marjoleynen,

De Anjers, ellik heeft bezondユren swier en stand.

Gins vindme, uyt ユt laauwen bloed van Ajax, bol en bloemen;

Die meede op Hiacint zijn naam en waapen roemen,

Doen dartユler, als de Kars op Amarillis mond,

En rooder, als de Roos op Leonoraas kaaken,

En gl酪nder, als de brand van ユt Tirysche scharlaaken,

Bruneerde, in minzaam bruyn, de Tenareesche grond.

Daar vindme, uit traanen van Narcis, wat heerlijks bloeijen;

En anders yets, uytユ t bloed a van Adon, opwaarts, groeijen,

En ユt geene, uyt de b traan van Helene, quam voort.

En ユt geene, dat de traan a van Ericyn quam brengen,

Als zy de leevens draad van Adon niet kon lengen,

Hier zietme ユt c maagdelyn van Krokus noyt verhoort.

Gins praalt de d Kooningin der Hooven, die te danken

Heur roodheyd heeft aan ユt bloed en Venus jammer-klanken:

Hier, als een daagユraad, vlamt de e bloem van Barbaryn.

Daar smaaktme Kriekjes, bruyn als bruyne Moortjes oogen,

 

(a)     Dat de Roos uyt het bloed van Adonis zy gesprooten, ende Mankop, uyt de traanen van Venus, getuygt Theokritus, of zoo andユre meenen Bion van Smyrna, in het Grafschrift van Adonis, daar in men vindt: Cypriotte stortte zoo veel traanen, als den jongeling bloed, ユt welk alle de moeder aerde in bloemen vervormt heeft: ユt bloed wordt een Roos, en de traanen Mankop. Of, als andere ユt overzetten, een blinkende Anemone. Doch ziet Ovidius in ユt xi boek zijner verscheppingen.

(b)    De traanen van Helena brachten ユt Helenium, den Alant, voort. ユt Beste vindt me op Helene, Eyland in de Aegeische ze, daar Helena, na ユt uytroeijen van Troijen, aan lande; ziet Pausanias in zijn eerste boek.  Men waant het yets tot de schoonheyd by brengt.

(c)     De maagd Smilax, door te groote liefde tot den jongeling Krokus, veranderde in een plant, die ヤr gebruyk van alle Heyligdoomen en Kranssen geweert wierde, weegens haare droefaardigheid. Crocus vervormde meede in een bloem, die zijnen naem voert.

(d)    De Roos wordt Koningin der Bloemen, by Ahilles Tatius genoemt in die Verssen, die Sappho toege惣gent worden: dat deeze, te voore wit, uyt Venus bloed zy rood geworden, geeft een oud Schrijver te kennen, daar by zeit: Dat, doen Adoon sneuvelde, Venus barrevoets ten boschwaart trad, en, aldaar, gestooken van een doorn, bloed liet. Dat de Roos, te vooren wit, daar van rood, en vervolgens behaaglijker zy geworden.

(e)     Anders genoemt Trachelium Americanum, en Flos Cardinalis, weegens die zeer heerlijke kleur, daar de Kardinalen meede pronken. Wordt Flos Barbarinus genoemt, na den Kardinaal Barbarini, neef van Urbanus VIII, te wiens tijden zy eerst binnen Roomen bekent is geworden. [33]

 

En Abrikok en Pruym, op fris geboomt gezoogen,

En Quee- en Zuyker-peer en watユ er zoets kan zijn.

Hier, kronkユlend, metユer rank, de lattjes vast bevatten

Die Stokken, die der weerユlt voortteele I劃chus schatten;

Daar staat de Haazelaar en purper-roode Kars.

Gins dartelt dユ Okkernoot met zijnユ reuk-rijke blaaden;

Daar is dユ Amandelboom met vrugten overlaaden;

Hier groeyt de Malkoton we甚 by de ruyge Pers.

Slaaユ k ellewaart mijn oog, ik zie f  Myrsine groenen.

En ユt g Nimflijn, dat doen haar de Tuyn-God wilde zoenen

In boom, van eygen naam, vervormde; als ook die h Maagd,

Van Febus vaak belaagt, en van hem na geloopen,

Doch van hem niet gevn, maar uyt zijn hand ontsloopen;

Dies de gedagtenis is daar af hy noch beklaagt.

Maar merk ik innerlijk de bloem van i Kristus lijdden,

Een heylユge schrik doet my, wat dat ik zag, ter zijdden

Afstellen; zie ik ook de Perueesche bloem

Van wonder, dag op dag, heur kleur op kleur, verstelle.

Lijk een Kameleon, ik, binnen my, voel swelle

Die zelfde harts-togt tot die ユt beyder bloemen roem.

ユt ョgiptische Aron, plant van zonderling vermoogen,

Schaft een waarande, vol verwonderinge, aan mijnユ oogen

Wanneer van ユs mergens af tot aan den achter-noen,

De waatユren, sprink-wijs, uyt het spits der blaadユre spuytte

Of drop-wijs, needer-waarts, afvalle op de kluytte;

Zoo dat zich zelf bevogt, als had ユt niet rs van doen.

 

(f)      Den Myrtenboom heyligen de Grieken aan Minerva, met vercieringe deezes verdigtzels; dat Myrsine een Atheensch juffertje was, uytmuntende in schoonheyd en sterkte, zeer bemint van Pallas; dat deeze zy omgebragt door nijdigheyd en spijt, van een jongeling, die zy in ユt worstelperk ende de loopbaan overwonnen hadde.

(g)    Deeze was Lotos, die, zoo Servius aanteekent op het eerste boek der Landbouwerye van Virgilius, verandert is door ontferminge der Gooden, in een boom, die haar eygen naam draagt, doen Priapus, in ヤr minne brandende, haar om haar te onteeren, vervolgde. Ziet ook Ovidius in zijn neegende boek der verscheppingen.

(h)     Dafne, die in een Laurier veranderde, ユt Verdigtzel is wel bekent, daarom gaan ヤt, ongeraakt, voor by.

(i)    Flos Passionalis Christi; Granadilla. Mexikaansche Wind-rooze: Sandulaca rosea, en Clematidis trifolia flore rosea clavato Bauhini. Van de Indiaanen Maracot genaamt, en van de Neederlanders Rang-appel. [34]

 

ヤK swijg van beydユ dユ Alo壮, twee plantten, zonder gaadde,

Oranjen en Citroen en boomen van Granaade,

En Riet, dat herwaart zond ユt Amerikaansche land.

Drie dubbel-kleurig Riet, een lust-spel der Natuyre,

Ook ユt Veelvoet, k dat, tot ons, Virginia quam stuyre,

ユt Welk sterft, zoo draa ユt geraakt wordt, van een ユs menschen hand

Doorlugte tuyn, bedaauwt met goddelijken zeegen;

Koets vol vermaak, daar staag op druypt een gulden reegen,

Een troon, uyt louter glans van heerlijkheyd, gebouwt,

Pronk-paarl  van Nederland, die, door uw volle luyster,

En bloessem uwer schoont, zet, watユ er is, in duyster,

Gy zijt een kasse van verwondユring vol gestouwt.

Twee paarlen, booven g, bemerk ik aan uwユ ooren,

De een uyt Pragt en dユ r uyt Schoonigheyd gebooren;

Beyd; zijn zy eygen aan uw opper-lust-pri粗l;

Hoe zal, of kan ik dan, naar waardigheyd, vermelden.

Dat rijke Voorhof van de Elizeesche velden

En aller lustigheyds door dierbaarse juweel?

Mijn onmagt is te groot, yets daar van aan te haalen,

Met mond of pen, ヤk Bekent. Dies blijft, hier, binnen paalen,

En draagt aan ユt zoet vernuft van mijnen BUCKHORST op;

Die zijn hoog-eedユle schagt doopt in de zuyvユ re bronnen

Uyt Nektar en Ambroos, in ユt zoetste, zaam-geronnen,

En steygertユ er, ter vlugt met op den eeren-top.

 

            SIMON ABBES GABBEMA

Hist. Fr.

(k) Polypodium Virginianum, dat buyten ヤt gezelschap der menschen best wil aarden: want, zoo gy een blad daar af met de hand aanraakt, ユt verwelkt en ユt versterft binnen vier en twintig uyren. [35]

           

 

Ad Lectorem.

 

Rboreos quicunque cupis bene noscere cultus,

Advola: Et hセc animo dogmata fige tou;

Quセ Tibi curat ponit MUNTINGIUS Heros,

Et lege, inaccessas quas Tibi promit opes.

Gallia si forsan dicat, se posse triumphum

Ducere, in hoc Operis cardine victa foret.

Dives odorato, felixque Hispania fructu,

Scilicet h営 Eadem victa fovetur humo.

Itala terra silet; palmanque Holsatia sponte

Donat, & ambigu claudicat Afer humo.

Asia quod jactat, Nihil est: quod America jactat,

Aut Nihil, aut Nihili futilis umbra foret.

Hesperij rosea Solis quod crescit in aul,

Quicquid in Aurorセ nascitur axe, docet.

Hセc ea si noscas, atque ordine cuncta rependas,

Crede age; Varronis Filius alter eris.

Herbarum quicunque cupis dignoscere vires,

Advola, & hanc Methodum, candide Lector ama.

Quicquid habent Arabes, quicquid fragravit in hortis

Cecropijs, quicquid meta Orientis habet,

Hoc alimentantur fundo: si singula noscas:

Judice Me, Mundo Judice, Macer eris.

Si Florum curam, si bulbos scire labores,

Hie Tibi Pセstanus unicus Hortus erit.

Ergo age, dum sudant ter culta repagula prセli,

Hunc calami foetum parturientis ama:

Arbore dum vari, dun flore & frutice & herb.

Se probat, & triplici fronte probatus ovat.

Properanter

            W. GUTBERLETH. J. C. [36]

 

Sur la veritable

CULTURE des PLANTES.

Ecrite par Monsieur

 

Abraham Munting,

Docteur en Medecine,

Et Professeur Herboriste en lユ Accademie de la Ville de Groningue, & dユ Ommelande.

 

ELEGIE.

Uand le Dieu tout puissant eut construit ce grand Monde

Il placa les Poissons dans lユ mpire de lユ Onde,

Il placa les Oiseaux dans le vague des Airs,

Puis enfin le Bestial au milieu des Desers.

Apres, Il cr斬 lユ Homme sa Sainte Semblance,

Et luy donna sur eux entiere Puissance;

Mais pour de couronner des ses plus grans Bienfaits,

Et pour le prevenir dans ses futurs Souhaits,

Dabord il le placa dans un Lieu delectable,

Di-je dans un Jardin de Structure admirable,

O les Fleurs & les Fruits 春aloient ses Sens,

Ce quユ il pouvoit tirer des charmes innocens:

Ouy sons plus grand Plaisir 春oit en leur Culture,

Et de voir les Secrets de la docte Nature,

Pour, apres en avoir sond la profondeur,

En rendre la Lo歛nge Dieu son Cr斬teur:

Depuis ses Descendans en ont use de m仁e,

Treuvant que ce plaisir alloit jusque lユ extr仁e; [37]

Outre quユ ils y treuvoient avec lユ Utilit

Le moyen de chasser la morne Oisivet.

Aussi le bon N嚴, le fameux Patriarche,

Planta le Sep de Vigne 春ant sorti de lユ Arche.

Et ce fut le metier de ses Fils jusquユ an jour

Que Nembrot fit b液ir son orgueilleuse Tour.

Or i lユ on veut passer des Cayers de la Bible

A lユ Histoire profane, il nユ est que trop visible,

Que mille Senateurs & Patrices Romains

Ont cultiv la Terre avec leurs propres mains.

Cyrus, ce Roy Persan, la Valeur de son Age,

Se r残reoit souvent lユ Art du Jardinage,

Et Diocletian quitta de son bon gr

Ce quユ un Tr冢e pompeus a de plus haut degr,

Pour aller contempler les Couleurs 縦latantes,

Et toutes les Beaut市 qui se treuvent ans Plantes.

On voit que plusieurs Grecs & Romains de renom,

Pour se rendre immortels leur ont donn leur Nom,

Tesmoins le Teucrium, lユ Armoise, lユ Eupatoire,

Et cent Simples connus dans le Champ de lユ Histoire,

Aussi remarque tユ on que plusieurs grans Espris

Ont honor cet Art de leurs doctes Escris,

On en peut mettre cinq dans une Peri妖e,

Hieron, Mago, Caton, Orphe殱, Hesi妖e,

Tous Auteurs quユ aujourdユ buy la Reputation

Asseure quユ on leur a de lユ Obligation.

Es effet, cユ est par eux, & par lユ Experience,

Quユ on voit de beaux Espris dedans cette Science,

Groningue en possede un, qui par ces deus moyens,

Suit, mais surpasse encor ces cinq doctes Payens;

Le Professeur Munting, expert Naturaliste

De la Vegetative est ce grand Herboriste,

Dont lユ excellent Trait va montrer aujourd; huy

Ce que la Terre & lユ Art nユ ont rien fait que ch市 luy; [38]

Par exemple, on y voit quユun Pepin mis en Terre,

Dans une Pepiniere, ou bien dans un Parterre,

Produit un Arbrisseau qui sans quユik soit ent

Peut raporter des Fruis de parfaite bont,

Et cela seulement en coupant la Racine,

Qui croit droite au dessous o le Tronc se termine,

Et couvrant la coup柮e avec un peu de poix

De crainte que le Suc ne sユ eco柩e du bois.

Il est presque rempli de telles D残ouvertes,

Qui sont aux Amateurs 粛egramment offertes,

Et qui meriteroient un beau Nombre de Vers

Coulans, ingenieus, 粛oquens, & disers;

Mais comme leur Auteur les a tres bien decrites,

Et que ce ne seroit que faire des redites,

Il est plus propos dユ examiner soudain

Plusieurs des Raretez qui parent son Jardin,

Et qui requiereroient une pareille Plume

Que celle qui fait voir ses trais dans ce Volume;

On pourroit bien dabord faire icy mention

De la gentille Fleur quユom nomme Passion,

On pourroit bien citer la plante Scabieuse,

Et lユ Arbre de Girofle, & la Pomme epineuse,

Mais comme ce seroit, au lieu dユ 春re Orateur

Par 從 nombre innombrable ennuyer un Lecteur

On peut dire pl柎冲 que ce que lユ Amerique,

Et que ce que lユ Europa, & lユ Asie, & l; Afrique,

Ont de plus precieuz & de plus 春onnant

S;y laisse manier & voir tout Venant;

Si bien que ce Jardin, que tout le Monde admire,

Est le Lieu que Munting sユ en vient de nous decrire,

Lユ Oeil de son Corps le voit, & par son bel Escrit

Un ch営un le peut voir par celuy de lユ Esprit.

Or ne pouvant treuver de Plante en la Nature

Quユ il en donne aujourd dユ huy la corecte Culture, [40]

On nユen treuvera point dans la suite des Temps,

Dans lユ Hiver, dans lユ Et, dans lユ Automne, au Printemps,

Qui ne vienne chez luy se lever sa Ve歹,

Avec le vif email dont le Ciel lユ a pourve歹,

Pour montrer le Prosit, en faisant son devoir,

Que cet ample trait luy fera recevoir.

Si donc lユavenir on peut voir que les Plantes

Sont ce docte Auteur si bien reconnoissantes,

On peut bien asseurer en finissant cecy,

Que tous les Curieuz le luy seront aussi.

 

Par MICHEL  N

Lecteur de lユ Eglisse Francoise de Leuwarde.

 

KLINKDICHT.

Waer Neerstigheit en Kunst met magt te zaamen spannen,

Begunstigt van Natuir, en God zijn Zeegen schenkt

Daar Boom- of Bloem-gewas een ieders oogen wenkt,

Wordt meenig uir de Zorg uit ユ s Menschen hert gebannen;

Die dikwils nedervelt de hard geherte Mannen,

Niet zelden ook te zeer haar Ziel en Zinnen krenkt,

En in een diepen droom van dweeperijen brengt,

Ja derf de Princen zelfs in haar Paleis aanrannen.

ユt Is MUNTING die aldus de groene Planten queekt,

En, in dit deftig boek, met vollen monde spreekt

Zoo als hy werkt en wiest, in ユt schoonste Hof der Hoven;

Doch wie aan dit Bericht het recht geloof ontbreekt,

Ook wat, tot ユs Lichaams nut, noch in zij  Kruiden steekt,

Die vindt zulks by hem Zelfs, en stof om God te looven.

H. R. [41]

 

 

[1] Waare

Oeffeninge

 

Der Planten,

 

Beschreven door

ABRAHAM MUNTING,

Der Med: Doctor ende Professor,

Botanices in dユ Academie van Stad

Groningen, en Ommelanden.

 

EERSTE BOEK,

Waar in van de Boomen gehandelt werdt.

 

Klik hier voor de index.

Geschreven en vertaald door Nico Koomen.

 

 

Het I. Capittel.

Appel boom.

lle, ende een yegelijk wel bekent, wordt in ユt Latijn genoemt MALUS, ofte POMUS. Op Hoogduits OPFFELBAUM. Endユ in ユt Francois POMMIER.

Hier van worden gevonden ontelbare soorten, inzonderheit in deze koude Landen, de heete Gewesten verre daar in te boven gaande; gelijk zy daar en tegen met hare Oranjen, Citroenen, Vijgen, Amandelen, en diergelijke vruchten meer, dユ onze genoegzaam overtreffen, op dat alzo over al die nimmer [2] genoeg geprezen goetheit des Heeren bekent mag worden, die een jegelijk Land na zijnen aart, tot des menschen behoeftigheit overvloedelijk met vrucht verziet, ende begaaft. Zullen daarom, alle zijne verscheidenheit alhier te verhalen, onnodig achten: een nochtans uitneemende die, vermits zijne ongemeenheit, nu vijftien jaren geleden, mijne zorge onderworpen geweest, ende noch is; wordende Malus pumila flore carens, ofte lege Appelboom zonder bloeizel, met recht genoemt. Want zy geeft alle jaren vrucht uit hare knoppe, gelijk de andere, zonder bloeme, die in ユt begin van Augustus zijne volkomene rijpheit geniet, zijnde amper van smaak, ende gemeinlijk zonder enige korlen.

Zy bemint een goede gemeste grond, de welke, indien zy kleijig, of zandig van aart is, moet drie voeten in ユt ronde met oude koijemest, ende goede aerde wel door malkanderen gearbeit zijnde, getempert, ende daar in met een afgaande Maan van November, ofte begin van de Maart voor de Middag geplant, ende dikwijls met water begoten worden; want zy lieft van natuur een vochtige plaatze, veele regens, genoegzame vettigheit, ende wil geerne te mets kamerlooge op zijne wortel genieten, inzonderheit als zy eenige jaaren gestaan heeft, ende wel gewortelt is; Want zy daar door zeer verquikt, ook van Mieren, ende andere ongedierte, die de bloeizel nadelig zijn, bevrijt blijft. Wordt ook niet door sterke winden, ofte strenge vorsten lichtelijk beschadigt in winter tijden, endユ in Februario met een afgaande Maane van zijn doode, en overvloedige takken gesnoeit. Maar indien het vriest, ofte dat men noch voor vorst bevreest is, vermits de zelfde de nieuwsgesnoeide Boomen hinderlijk is, kan men tot in de Maart wachten, oftユ ook wel April; want het schaadt de Boomen niet, al worden zy in haar bloeizel gesnoeit, inzonderheit geschiedende, als de Maane in Capricorno, Virgine, ofte Tauro, dat is, in de Steenbok, Juffrouw, ofte Stier is, vermits deze de bequaamste tekenen des Hemels daar toe bevonden worden. Doch zal men weeten, dat alle Boomen, ofte Heesteren, die men wil datze wel groeijen zullen, afsnijden ofte snoeijen moet met een wassende Maane als zy vol zaps ofte vochtigheid zijn, gelijk zy op dien tijd zijn, ende hoe voller Maane, hoe meerder zap. Maar indien gy wilt dat zy niet haastig, ofte sterk schieten sullen, moet men haar snoeijen met een afgaande Maane als zy geen zap en hebben, maar droog te zijn gezien worden. De beste Appelen, ofte vrucht van dezen Boom koomt voort met een vochtige Somer, en drooge Herfst, ofte met een getempert Saisoen, te weeten, als het niet te veele en regent, ofte niet te zeer droogt. Want indien het een droog jaar is, ofte een al te vochtigen tijd, mogen deze vruchten niet lang duren, maar verrotten haastelijk, vermits zy door beide in hare natuire gekrenkt worden, te veele, ofte al te weinig voetzel genietende. Wil iemant de geheele Winter door de zelfde goed bewaren zonder verrottinge, die plukze af met handen in [3] de Maent van September, ende October met de volle Maane, en droog weder, wrijfze een dag ofte twee daar na wel te deegen af, met een schoone drooge doek, en legze op een drooge luchtige plaatze na ユt Noorden, kan op hout geschieden, is alderbest, niet op malkanderen, roerze zoo weinig als ユt moogelijk zal zijn, en wachtze wel voor de Vorst, zoo zullen zy de geheele Winter goed blijven, ende lange duiren, daar andere haastig van nature vergaan.

De zuire Paradijzen, zijnde een zomervrugt, ende meer andere, zullen op deze maniere tot nieuwe jaar bequaamelijk bewaart moogen worden, doch moeten stille blijven leggen, want haare dunne en teedere schelle, gelijk het vlies van een eye, en lijdet niet dat zy gehanteert worden, of trekken daatelijk vol rimpelen, en verliezen haare aangename couleur. Indien deze kaamer ofte plaatze daar die vruchten dezes Booms gelegt worden vensteren heeft, moogen zy wel een weinig met goed, ende stil weder in het eerste een ure, ofte drie, midden op den dag open gedaan zijn, maar daar na niet meer, ook wederom by tijds tegen den Avont toegeslooten worden.

De Boom zelver mag op drie verscheidene manieren aangeteelt, ende vermeerdert gemaakt zijn. Eerstelijk, door konst van Enten. Ten tweeden, door het zaaijen der korlen. Ten derden, door maniere van Oculeren op volgende wijze.

Neemt Enten van een Appelboom, die reeds vrucht gedraagen heeft, ende nu vol bloeizel zal koomen, het welke men lichtelijk aan haare knoppen zien kan: snijdtze af in Februario, een weinig voor de nieuwe Maane, ende steektze in de grond, ent haar dan in het wassen van de Maane, voor het eerste quartier in de Maart, op een wilde Appel, ende gy zult daar van genieten een altijd voldraagende Boom. Deze Enten moet men neemen van dikke takken uit het boovenste, ofte middenste des Booms, ten Zuiden zittende, die van de Zonne meest bescheenen wordende, vol van kracht zijn, ende meerder warmte by haar hebben als die onder, ofte Noordwaarts zich vertoonen, welke ook gemeinlijk weeke, ende daaromme zoo veele tユ onbequaamer zijn ge創t te worden. Maar indien gy de Entensnijdt van een jonge Boom, die noch geen vruchten gedraagen heeft; ofte van een oude, die op de tijd, als gy de Enten daar af neemt, geen knoppen om te bloeijen en heeft, ende de zelfde ent, zult gy een Boom gewinnen, die noit voldraagen zal. Doch zoo men deze Enten steekt op een Boom, ofte takke van de zelfde, die nu vol bloemen zal koomen, zal zy meerder vruchten geeven, Want de onvruchtbaarheit ofte krachteloosheit daar de Boom in staat, op die tijd als de Enten daar af gesneeden worden, zal verbeetert gemaakt moogen zijn door het drijven der vrugtbaare kracht des Booms, daar zy opgezet wordt.

Wijders, neemt Enten, als vooren gezegt, in Februario afgesneeden, [4] legt die zelfde ongeveer eens hands lenkte diep onder de aerde, ofte een weinig minder, zoo mogen zy lange goed verblijven, daar van zult gy konnen steeken, niet alleene in de Maart ofte April, maar ook in de Maant van May, ende van Junius zelver: Want de Boom als dan in meerder vigeur en kracht zijnde, bewaart door zijn natuurlijk zap dユ Enten bequaamer, en doet haar beter beklijven, als of zy in de Maart daar op gezet waaren geweest.

Men moet ook deze, en alle andere Enten, als zy beginnen te schieten, niet meer als een knoppe laaten behouden, ende de andere met de vinger zoetjes affstooten, zoo schiet zy zoo veele te sterker op, en maakt een beter Boom.

Indien men op een dikke tak, ofte stamme een Ente wil zetten, moet men in de kloove een weinig groen houts van die zelfde Boom, daar die Ente zal opgezet worden, steeken; waar op men goed acht moet geeven: Want van de zelfde aart ofte nature zijnde, loopt of groeit veele beter toe, ende de Ente wordt niet zoo zeer door de kracht des houts gedrukt, waar door zy anders haare zap lichtelijk verliezende sterven zoude.

Het is ook niet ongerijmt, dat men een dikke tak niet en kloove, maar de Ente tusschen het hout ende de bast steeke, vermits zommige het zelfde niet verdraagen moogende daar door versterven. Het welke in April, ofte May door die in dユ aerde gelegte Enten bequaamelijk geschieden kan; want als dan scheidt zich de bast van het hout lichtelijk, en zeer gevoeglijk af.

Ten tweeden, om vruchtbaare boomen aan te teelen door korlen, ofte zaad gezaait.

Neemt eene der schoonste, en grootste Appelen met uw handt geplukt, niet al te rijp, als de Maane vol is, bewaartze tot dat de Maane wederom vol wordt, neemt dan de korlen daar uit, laatze winddrooge worden, ende bewaartze wel voor de Vorst tot de naast koomende Maart, steektze dan een vinger breedt diep, ruim een voet van malkander in een goede grond, een dag ofte zes na de volle Maane. Want alle Boomen, Struvelle, ofte Planten booven de aerde vrucht draagende, moeten met een afgaande Maane gezaait zijn. Maar alle bloemdraagende planten, en die haar vrucht in dユ aerde geeven, als Rapen, Wortelen, ofte Pastinaken &c, met een wassende Maane. Het welk indien het ter contrarie geschiedt, zal men bevinden, dat zy wel veele takken en blaaderen, maar weinig, en kleine vrucht verkrijgen zullen. Opgekoomende zijnde, laatze op die zelfde plaatze staan drie jaaren lange. Neemtze daar na op, ende beneemt haar de geheele recht ne甚schietende hertwortel tot aan de boovenste zijdwortelen toe, legt als dan op ユt afgeneedene Was, ofte een ander pleister, op dat het zap, daar zijn geheele leeven en welvaaren in bestaat, niet uit en vloeije, ende zetze met een afgaande Maane waar gy wilt, zoo zult gy zoo goede [5] Boomen, ende de zelfde vruchten beter, en durabeler verkrijgen, als daar zy van gekomen zijn, ofte door maniere van Enten waaren aangeteelt geweest; dewijle hier in de Konst de Nature blijkelijk te hulpe koomt, vermits haare verhindernisse, en ユt geene zy te veele hadde weg genoomen wordt, waar door haar natuurlijk ingeboorene kracht bequaamer werkende, vermeerdert, zoo dat zy veerdig het geene volbrengt daar zy van den Alderhoogsten toe voort gebrocht is, ende een goede vrucht geeft, die zich anders gelijk een wilde stam, in veelheidt der takken alleene, zonder eenige vrucht verdeelen zoude: Want alle haare onvruchtbaarheit bestaat alleene in deze hartwortel.

Heeft Iemant lust om extraordinarie goede, groote, en schoone vruchten te zien, die zette een goede Ente op deze van zaad voort gekomene, ende van zijne hartwortel beroofde Appel-stammekens, (want een Boom op zijn eigen aart ge創t, ofte gezoogen, is verre wech best) zoo zal hy een ongemeene konst der Naturen, door der menschen traagheit dus lange verborgen, opentlijk moogen bemerken, ende met verwonderinge voor oogen zien.

Ten derden, wordtze vermeerdert door Inoculatie, het welke op jong geschootene takken, eenjaarige looten, ofte gezeide jonge stammekens in het laetste van Julius geschiedt, de welke aangegaan zijnde, het volgende voorjaar, als zy beginnen uit te wassen, een vinger breed booven de hoogste Oculatie, die een handbreed booven malkanderen gemeinlijk gezet worden, afgesneeden, ende geen andere uitloopzelen daar aan gelaaten zijn moeten. Deze Oculatien moeten niet alleene van voldraagende boomen genoomen, maar ook, om niet te konnen uitdroogen, voor de hitte der Zonne gedekt worden.

Eindelijk, wil Iemant deze Boom, ende ook alle andere, als zy bloeijen, voor de swarte Vliegen, ende Rupzen, die door de zelfde in de bloemen koomen, bewaaren, die neeme een hand vol Wijnruite, een hand vol Alssen, ende een hand vol oprechte Virginiaansche Tobak te zaamen, ofte van diezelfde Tobak alleene een ofte twee handen vol, na zijn believen, kooke het met malkanderen, ofte, als gezeit, die Tobak alleeene in een paar emmeren vol regenwaters, ofte een weinig minder, in een ketel, een klein half ure lang, giete het door een doek, ende besprenge daar mede zijn Boom, als zy in ユt bloeijen is, eenmaal ofte drie; zoo zulle alle die Rupzen sterven, ende de swarte Vliegen daar haastig afvallen, niet wederom op koomen, jaa de zelfde vlieden als de pest, ende hy zal op deze maniere veele vruchten konnen gewonnen met weinige moeite, die anders door deze beestkens zeer beschadigt, ende in haare geboortplaatze, ofte bloeizel vermindert, ende verteert worden. [6]

 

Appelboom, in het Latijn Malus of Pomus, in Hoogduits Opffelbaum en in Frans pommier. (Malus sylvestris soorten}

Hiervan worden ontelbare soorten gevonden en vooral in deze koude landen die de hete gewesten daar in ver te boven gaan zoals die met hun sinaasappelen, citroenen, vijgen, amandelen en dergelijke vruchten meer dan voldoende ons overtreffen zodat alzo de nimmer [2] genoeg geprezen goedheid des Heren bekend mag worden die elk land naar zijnen aard tot de mensen behoefte overvloedig met vruchten voorziet en begunstigd. Zullen daarom al zijne verscheidenheid alhier te verhalen onnodig achten en er een uit nemen die vanwege zijn ongewoonheid een vijftien jaren geleden aan mijn zorg onderworpen is geweest ende noch is. Die wordt met recht Malus pumila flore carens of lage appelboom zonder bloemen genoemd. Want ze geeft alle jaren vrucht uit haar knop, zonder te bloeien, gelijk de andere, die in het begin van augustus volkomen rijp wordt, is wrang van smaak ende gewoonlijk zonder zaad.

De appelboom bemint een goede gemeste grond en als dat een klei of zandgrond is moet die 90cm in het ronde moet oude koeienmest en goede aarde goed door elkaar gewerkt worden en daarin met een afgaande maan van november of begin van maart voor de middag geplant en vaak met water begoten worden. Van natuur houdt ze van een vochtige plaats, veel regen en voldoende vettigheid en wil graag af en toe toiletwater op zijn wortel genieten, vooral als ze enige jaren gestaan heeft en goed geworteld is waardoor ze zeer opfrist en ook van mieren en andere ongedierte die voor de bloem nadelig zijn bevrijdt blijft.

Is winterhard. Wordt in februari met een afgaande maan van zijn dode en overvloedige takken gesnoeid. Maar als het vriest of dat men noch voor vorst bang is, omdat het voor net gesnoeide bomen hinderlijk is, kan men tot in maart wachten of ook wel april, want het schaadt de bomen niet al worden ze in bloei gesnoeid, vooral als het gebeurt als de maan in Capricornus, Virgin of Taurus staat, dat is in de steenbok, maagd of stier, omdat de beste tekens van de hemel daar toe bevonden worden. Doch zal men weten dat alle bomen of heesters die men wil dat ze goed groeien zullen afsnijden of snoeien moet met een wassende maan als ze vol sap of vochtigheid zijn zoals ze op die tijd zijn, en hoe voller de Maan is hoe meer sap. Maar indien ge wilt dat ze niet gauw of sterk schieten zullen moet men ze snoeien met een afgaande maan als ze geen sap hebben, maar droog zijn.

De beste appelen of vruchten van deze boom komen voort met een vochtige zomer en droge herfst of met een getemperd seizoen, te weten, als het niet teveel regent of niet te zeer droogt. Want als het een droog jaar is of te veel vochtig is zijn deze vruchten niet lang houdbaar, maar verrotten gauw omdat ze in hun natuur verzwakt worden doordat ze te veel of te weinig voedsel genieten.

Wil iemand de gehele winter door die goed bewaren zonder verrotting, die plukt ze [3] met droog weer  in de volle maan van september en oktober met de handen af, wrijft ze een dag of twee daarna met een schone droge doek terdege af en legt ze op een droge luchtige plaats naar het Noorden, dat kan op hout gelegd worden en het beste is niet op elkaar, raak ze zo weinig mogelijk aan en bescherm ze tegen de vorst, dan zullen ze de gehele winter goed blijven en lang houdbaar zijn waar andere van naturen snel vergaan.

De zure Paradijzen, een zomervrucht, en meer andere zullen op deze manier tot  het nieuwe jaar goed bewaard mogen worden, maar ze moeten stil blijven liggen want hun dunne en zachte schillen lijden, net zoals het vliesje van een ei, niet dat ze gehanteerd worden of trekken dadelijk vol rimpels en verliezen hun aangename kleur. Indien deze kamer of plaats daar deze vruchten gelegd worden vensters heeft mogen ze wel wat met goed en stil weer geopend worden, eerst midden op de dag een uur of drie, maar daarna niet meer, ook op tijd tegen de avond sluiten.

De boom zelf mag op drie verschillende manieren vermeerderd worden. 1. Eerst door de kunst van enten. 2. Ten tweeden door het zaaien van de korrels. 3. Ten derden door het oculeren op de volgende wijze:

1. Neem een ent van een appelboom die al vrucht gedragen heeft en nu vol bloemen zal komen wat men gemakkelijk aan zijn knoppen kan zien: snij ze in februari wat voor de nieuwe maan af en steek ze in de grond, ent die dan in het eerste kwartier met een wassende maan van maart op een wilde appel, je zal dan van een altijd goed dragende boom genieten. Deze enten moet men nemen van dikke takken uit het bovenste of middelste deel van de boom die aan de zuidkant zitten en door de zon het meest beschenen worden die zo vol van kracht en meer warmte bij zich hebben dan die onder of Noordelijk zitten die gewoonlijk week zijn en daarom ongeschikter zijn om ge創t te worden. Maar als je enten snijdt van een jonge boom die noch geen vruchten gedragen heeft of van een oude die op de tijd als je er enten van neemt geen knoppen om te bloeien heeft en die ent zal je een boom winnen die nooit voldragen zal. Doch zo men deze ent steekt op een boom of tak er van die nu vol bloemen zal komen zal ze meer vruchten geven. Want de onvruchtbaarheid of krachteloosheid waar de boom in staat op de tijd als de enten daarvan gesneden worden zal verbeterd worden vanwege de het drijven van de vruchtbare kracht van de boom waar die op gezet wordt.

Verder, neem enten, in februari afgesneden, [4] en leg die ongeveer een hand lang diep onder de aarde of wat minder, dan zullen ze lang goed blijven en daarvan kan je steken en niet alleen in maart of april, maar ook in mei en zelfs in juni. Want de boom is dan in een grotere kracht en bewaart door zijn natuurlijk sap de enten beter en laat ze beter aanslaan  dan dat ze er in maart op gezet waren.

Men moet ook deze en alle andere enten als ze beginnen te schieten niet meer dan een knop laten houden en de andere met de vinger er zachtjes afhalen, dan schieten ze sterker op en maken een betere boom.

Indien men op een dikke tak of stam een ent wil zetten moet men in de kloof wat groen hout van diezelfde boom waar die ent op gezet zal worden steken, waarop men goed moet letten. Want omdat ze van dezelfde aard of natuur is loopt het of groeit het veel beter dicht en de ent wordt niet zo zeer door de kracht van het hout gedrukt waardoor ze anders gemakkelijk haar sap zou verliezen en sterven.

Het is ook niet ongerijmd dat men een dikke tak niet klooft, maar de ent tussen het hout en de bast steekt, omdat sommige er niet tegen kunnen en daardoor sterven. Wat in april of mei door de in de aarde gelegde enten goed kan geschieden, want dan scheidt zich gemakkelijk de bast van het hout.

2. Ten tweeden, om vruchtbare bomen te telen door zaad te zaaien.

Neem een der mooiste en grootste appels met uw hand geplukt, niet al te rijp, als de maan vol is en bewaar die totdat de maan wederom vol wordt, neemt dan de zaden daaruit, laat ze winddroog worden en bewaar ze goed tegen de vorst tot volgende maart, steek ze dan een cm diep en ruim een dertig cm van elkaar in een goede grond, een dag of zes na de volle maan. Want alle bomen, struiken of planten die boven de aarde vrucht dragen moeten met een afgaande maan gezaaid worden. Maar alle bloem dragende planten en die hun vrucht in de aarde geven zoals rapen, wortels of pastinaken etc. met een wassende maan. Als het tegenovergestelde geschiedt zal men bevinden dat ze wel veel takken en bladeren, maar weinig en kleine vruchten zullen krijgen. Opgekomen laat ze op diezelfde plaats drie jaren staan. Neem ze daarna op en beneem de gehele recht neerschietende penwortel tot aan de bovenste zijwortels toe, leg op het afgesneden gedeelte was of een ander pleister zodat het sap, daar zijn gehele leven en welvaren in bestaat, niet wegvloeit ende zet ze met een afgaande maan waar ge wil, dan zal ge zo goede [5] bomen en zijn vruchten beter en duurzamer krijgen als waarvan ze gekomen zijn of door manier van enten waren aangeteeld, omdat de kunst hierin blijkbaar de natuur te hulp komt omdat zijn verhindering door hetgene ze te veel had weggenomen is waardoor haar ingeboren kracht beter werkt en vermeerder wordt zodat ze gauw hetgene volbrengt daar ze van de Allerhoogste toe voort gebracht is en een goede vrucht geeft die zich anders gelijk een wilde stam, in hoeveelheid van takken zonder enige vrucht zou verdelen. Want al zijn onvruchtbaarheid bestaat alleen in deze penwortel.

Heeft iemand lust om buitengewone goede, grote en mooie vruchten te zien, die zet een goede ent op deze van zaad voort gekomene en van zijn penwortel beroofde appelstammetjes, (want een boom op zijn eigen aard ge創t of gezogen, is verre weg het beste) zo zal hij een ongewone kunst der natuur dat door de menselijke traagheid tot nu verborgen was openlijk mogen merken en met verwondering zien.

3. Ten derden, wordt ze vermeerderd door oculatie wat op jong geschoten takken, eenjarige loten of vermelde jonge stammetjes op het eind van juli gebeurt die als ze zich gezet hebben het volgende voorjaar als ze beginnen te groeien een cm boven de hoogste oculatie, die gewoonlijk een handbreed boven elkaar gezet worden, afgesneden en geen andere uitlopers daaraan laten. Deze oculatie moet niet alleen van voldragende bomen genomen, maar ook om niet te kunnen uitdrogen voor de hitte van de zon afgedekt worden.

Ten slotte, wil iemand deze boom en ook alle andere als ze bloeien tegen zwarte vliegen en rupsen beschermen, die neemt een handvol wijnruit, een handvol alsem en een handvol echte Virginaanse tabak tezamen of van die tabak alleen een of twee handen vol, naar zijn believen, kook het met elkaar of, zoals gezegd, de tabak allen in een paar emmers of wat minder vol regenwater in een ketel een klein half uur lang, giet het door een doek en bespreng daarmee zijn boom als ze bloeit een of driemaal, dan zullen alle rupsen sterven en de zwarte vliegen daar gauw afvallen en niet weer er opkomen, ja die vlieden als de pest en hij zal op deze manier veel vruchten kunnen winnen met weinige moeite, die anders door deze beestjes zeer beschadigd en in hun geboorteplaats of bloem verminderd en verteerd worden. [6]

 

Samenvatting.

Je snoeit een appelboom in de winter omdat de sapstroom dan vrijwel stil staat. Dat is in de maanden november tot en met februari. Maar als het vriest snoei je niet, dan heeft de boom te veel te lijden en kan beschadigd worden.

Snoei de eenjarige twijgen (dit jaar gegroeid) terug zodat er nog een 4 a 5 knoppen over blijven. De bovenste knoppen hiervan zullen gaan uitlopen. De onderste knoppen worden de bloemknoppen.

Het volgende jaar snoei je de twijgen die uit de bovenste knoppen zijn uitgelopen op de onderste bloemknoppen. 

Onderhoud snoei is de snoei die er voor moet zorgen dat de boom in een goede vorm blijft. Meestal worden hierbij de dode, zieke en kruisende takken verwijderd.

 

Enten.

Zaaien is mogelijk, maar geeft, door de vele kruisingen, verschillende soorten appels. Je weet nooit wat je krijgt.  Wel kan je er nieuwe soorten van winnen. Heb je zoユ n nieuw esoort kan je die niet zaaien, want je krijgt weer vele andere soorten, je gaat die dus enten of oculeren.

Het oculeren en enten is een verhaal apart, waar Munting nogal gemakkelijk over doet. Je ent eigenlijk van een zeer goede appel de knop om die op een mindere of wilde appel te zetten zodat die de kracht en vorm van die goede appel krijgt. Die wilde snij je dan boven de ent af zodat de goede verder kan groeien. De onderstam groeit meestal sterker en is meestal beter bestand tegen ongedierte en ziektes

Zuigen is eigenlijk een aan een kant wat geschrabde bast tegen een andere aan leggen, met elkaar verbinden en vast laten groeien. Enten is  van de goede boom een stuk af te snijden met enkele knoppen eraan, die schuin af te snijden en te zorgen dat het cambium zoveel mogelijk aan elkaar aansluit op de ook schuin afgesneden onderstam. Het liefste zijn beide kanten even dik.  Oculeren is met een knop (oculus =oog) met een stukje bast in een T snede onder de bast tegen het cambium van de onderstam te leggen wat meestal in de zomer gebeurt.

Nu is de Malus paradisiaca (paradijsachtig) een verzamelnaam voor appelrassen die als onderstam gebruikt worden. De laatste tijd wordt de aandacht meer verlegd naar de onderstam. Die zijn van duidelijke invloed op de grootte en de kwaliteit van de vrucht, maar ook op de boomgrootte en productie.

Het meest geteeld werden de appels in kloostertuinen. Franse monniken waren in Europa waarschijnlijk de eersten die in plaats van de sterk groeiende zaailingonderstam andere en zwakker groeiende onderstammen gebruikten voor het opkweken van vruchtbomen. ヤDe "Doucin"- en "Paradijs"-onderstammen voor appels maakten kleine boomvormen mogelijk.

Doucinユ zijn  zwak groeiende onderstammen. Nog zwakker groeien de ヤParadijsユ.

Doordat de onderstammen onderling nogal verschillend waren en dus de appels die hierop gekweekt waren in opbrengst, groeikracht en dergelijke verschilden, zette prof Springer hier te Arnhem en R. Hatton in 1912 op het proefstation in East Malling, proeven op om hier verbetering in te brengen. Deze proeven waren zeer succesvol zodat elke kweker nu weet of je het over een M 27 of M9 hebt. De M staat voor Malling. Weet je de letter dan kan je de kwaliteit, eigenschappen van de onderstam aanvragen. De een geeft een sterke groei en wordt een hoge boom met een latere productie, een ander nummer geeft weer een zwakke groei die lage struiken vormt en een vroege productie. Met sommige van die nummers kan er het eerste jaar al wat geoogst worden.

Type I, Engelse breedbladige Paradies, groeit tamelijk krachtig, maar niet krachtig genoeg voor hoogstam.

De typen II, Engelse doucin, en IV, de vroege Holsteiner doucin, laten de plant matig groeien, terwijl de typen VII, VIII en IX tot de zwak groeiende onderstammen gerekend worden.

IX, Gele Metzer Paradies, groeit van alle onderstammen het zwakst, geeft wel het beste ooft en draagt al snel. De wortel is nog zwakker dan IV en licht breekbaar zodat je bij een meerjarige boom die zo uit de grond kan trekken. Er moet steeds een paal bij staan. Is weinig vorstgevoelig, zodat deze in Nederland vrijwel overal staat

De typen X tot XVI zijn geschikt voor hoogstam.

XI, Groene Doucin groeit sterk op en kan zonder paal. Kan een kroon halen van 7-8m doorsnede, IX haalt niet eens de helft.

Deze zijn later weer gekruist met bloedluisresistente stammen die bekend zijn onder de nummers MM.

Stekken kan in mei/juni, 1% ibz, winterstek in december met iaz 50mg per liter. Zaad stratificeren vanaf september en in maart/april zaaien.

 

Citrus.

Afbeeldingen uit 1696, Malus auratia striis aureius distincta.

II capittel.

 

ORANJE BOOM.

Deze schoone steeds groenblijvende, en altijd vruchtdraagende Boom, wordt ook wel op Nederlandts ARANIE, ofte ARANTIE-BOOM, na die Grieksche Stad Arantia in Achayen geleegen, genoemt. In ユt Latijn MALUS ARANTIA, ende, om zijne goudgeele gecouleurde vrucht, AURANTIA, Op Hoogduitsch POMERANTZE, ende in ユt Francois ORENGER.

Hier van zijn my in haare aart, ende nature bekend veele schoone veranderlijke zienswaerdige zoorten, alle van een, ende die zelfde Culture: Daaromme deze weinige in ユt generaal den wel gezinden Leezer alhier vertoonen zullen, te weeten: Eerstelijk, deze gezeide ORANJE BOOM. Ten tweeden, de LIMOEN-BOOM,  in ユt Nederlants alzoo gezegt: Op ユt Latijn MALUS LIMONIョ, ユt Hoogduitsch LIMONENBAUM, Ende in ユt Francois LIMONIER. Ten derden, de CITROEN-BOOM op Nederlands, In ユt Latijn MALUS CITRIA, Op ユt Hoogduitsch CITRIN-OPFFELBAUM. Ende in ユt Francois CITRONNIER genoemt. Welke drie alle dユ andere, van wat naame zy ook mogen weezen, ende hoe zeer zy ook in haare aangenaame vruchten koomen te veranderen, met recht onder haare naamen besluiten, dewijle zy van een nature, en eigenschap bevonden worden.

Moeten daaromme alle na deeze onse Nederlandtsche, als ook Hoogduitsche climaet, op volgende maniere het geheele jaar door (wijle zy teder van aart, en in deze koude gewesten naauw te wachten zijn) gecultiveert werden.

 

MAART.

Voor eerst, is van nooden, dat zy alle in deze Maant met een afgaande Maane van haare quaade, verdorvene, en overvloedige takken wel gezuivert, tot op het leeven afgenoomen, met een weinig Was bedekt, luchtig gemaakt, rondsomme booven in de bak, daar de Boom in staat, omtrent een halve voet van den stam, tot op de wortel toe ontbloot, de aerde wechgedaan, ende met nieuwe vrissche alle jaaren, binnen ユs huis staande, wederom wel verzien worden.

Welke aerde bestaan moet uit drie deelen grof zand, zonder eenige zoutigheit daar by te zijn, drie deelen driejaarige Schaapemest, twee deelen tweejaarige paerdemest, twee deelen eenjaarige hoenderdrek, ende zes deelen goede fijne, of klein gewreevene veenaerde in de Herfst bereidt, ende wel door malkanderen gearbeidt: die men de geheele Winter door bevriezen, vier, vijf, ofte zes maal, gedurende dien tijd, omme smijten, ende genoegzaam door werken laat.  [7]

Met deze aerde worden niet alleene jaarlijks deze Boomen vernieuwt, maar ook daar in geplant, vermits zy in de zelfde goede aert hebbende, weelderig, en voorspoedig groejen.

Men geeft haar ook in deze Maant ververzinge van laauw zuiver regenwaater, ofte daar geheele oprechte Virginiaansche Tobaks blaaderen een klein weinig in opgekookt geweest zijn, het welke gansch voetzaam is, ende deze Boomen zeer verquikt, ook haare vruchten een schoonder koleur doet geeven, doch moet niet booven acht dagen oudt werden, of verderft.

Men doet ook wel de vensters in deze by daage oopen, als het Sonneschijn weeder, ende zonder wind niet koud en is, ofte geenige Ooste, ofte Noorde koude winden waaijen, inzonderheit zoo die plaatze, daar zy in staan, warm tegen de Zonne leidt, datze daar in zonder eenig verhindernisse met zijn straalen speelen mag.

 

APRIL.

In deze Maant, met een afneemende Maane, op een voor de Middag worden deze Boomen verplant in voorgezeide aerde, en hoog gezet, op dat de Zonne des te beter haare wortel verwarmen kan, doch moet men eerst onder op de boodem des baks, ofte houten kaste leggen drie vingeren hooge louter tweejaarigen klein gemaakte paerde mest, met een weinig eenjaarige hoenderdrek vermengt.

Men gietze ook wederom wel te degen met gezeide zuiver laauw gemaakt regenwaater, waar in een weinig schaapemest, om te weiken gedaan zijnde, niet dan te beter is. Men doet ook in goed weeder, zoo de plaatze voor het Zuiden oopen legt, gelijk zy behoort, Dag ende Nacht de vensters oopen, op dat de Boomen de lucht, en Zonne te beter gewennen moogen.

 

MAY.

In deze Maant laat men de vensters Dag ende Nacht oopen, brengt ook de Boomen den vierden, vijften, ofte zesten, een dag min ofte meer, na het weder zich bequaam laat aanzien, met een betoogene lucht, of regenig weeder wederom buiten, en steltze op een zeer warme plaatze voor alle koude Noorde winden bewaart, dat zy de Zonne van des morgens vroeg, tot de achter middags om drie uren genieten konnen. Alzoo buiten gebrocht zijnde, moet men haar wachten veertien dagen lange voor de sterke middagze Zon, want zy daar op schijnende, de selfde schaadelijk is. Doch indien zy de lucht gewent zijn, noch binnen ユs huis staande, ende de Zon daar op te mets een weinig door de vensters gescheenen heeft, doet het haar soo veele quaads niet. Indien ook in deze tijd geen regen uit den Hemel quam te vallen, moeten zy met regenwaater, dat een dag in de Zonne gestaan heeft, begooten zijn. [8]

Deze schoone Boomen moogen ook in deze Maant op volgende manere bequaamelijk vermeerdert gemaakt werden, te weeten.

Neemt een aerden pot drie vierendeel voets hooge, ende een halve voet vierkant, met een snee ofte oopening, een vinger breed van onderen tot boven uitloopende, verzien; zet de zelfde vast ofte in de bak ofte kaste daar de Boom in staat ofte buiten de zelfde, neemt dan met een volle Maane een tak, drie, vier, vijf, ofte zes jaaren oudt zijnde, en buiten order groeiende, op dat door die zelfde die kroon ofte rontheit des Booms niet weg genoomen worden, steekt, graaft, ofte boort daar in met de punt van uw mes tot in het hout veele gaatjes in ユt rondom van den tak drie vingeren breed hooge den een boven de ander, ruim een stroo breed ieder gat van malkander, legt die zelfde door gezeide snee ofte oopeninge terstont daar in, vultze dan met goede aerde, geeftze te mets regenwaater, en bindtze vast, op dat zy door geenige Winden gerept ofte bewoogen mag worden, zoo schiet zy uit de geboorde of gegraavene gaatjes overvloedige wortelen in korten tijd, het welke gezien zijnde, snijdt den tak af met een volle Maane van September, ofte Maart binnen ユs huis staande, ende laatze noch een jaar in het zelfde potje verblijven eer zy in een grooter verplant wordt, zoo groeit zy voorspoedig voort, dewijle deze nieuw gemaakte wortel op zijne plaatze ongeroert verblijft.

 

JUNIUS.

In deze Maant, ende voort zoo lange als zy buiten staan, moet men alle veertien daagen de Boomen omme zetten, ofte draajen van het Zuiden tot het Noorden, ende haar begieten met het geene, als volgt.

Neemt een vat, doet daar in Schaapemest, een weinig minder verze Koeijemest, en een goedt deel zeemel van Tarwenmeel, giet daarop regenwaater, laat het in de Zonne staan, ende roert het alle dagen twee ofte driemael om, giet daar meede de Boomen al roerende in een gruppel zes vingeren breedt van den stam, alle weeken twee, drie, ofte viermaal, na geleegentheit des droogen tijts; vermits zy van natuire door het geheele jaar veele vochtigheits begeeren; overlegt dan die gruppel wederom met oude luchtige paerde mest.

Indien men ook alle jaaren in deze Maant twee vingeren breed diep onder dユ aerde Hoonichraat legt, een weinig van den stam, zoo koomt het met der tijd te smelten, ende verstrekt de wortelen van deze tot een aangenaame voedzaamheit.

Daar en booven wil iemant deze Boomen bevrijen van het schaadelijke gedroogte der Mieren, Wandtluizen, ende diergelijk gespuis, die haare bloemen, blaaderen, en jonge scheutekens zeer verderven, die begiete haar van booven geheelijk met regenwaater, daar (als vooren [9] gezeit) Tobak met een weing Alssen, en Wijnruite te zaamen in opgekookt is geweest, ende strooije daar voort over heene het poeder van Tobak, zoo loopen zy haastig daar van, om datze zijne krachtige geur niet verdraagen moogen, worden daar traag, ende gelijk als dronken van, zullen ook noit wederom keeren, by aldien men rondom den stam op de aerde leidt, een rink drie vingeren breed, ende een vinger dik, van het gezeide stof of poeder van Tobak.

Wijders neemt Duivemest, ofte Schaapedrek niet te oudt, zoo veele gy wildt; ofte van beiden eeven veele, doet het in een glas, steldt het in de Zonne, ende giet daar op regenwater, zoo trekt de kracht daar van in het zelfde, giet daar na het water wederom af, ende doet daar by een weinig regenwater, daar vier en twintig uiren lange een beetje Salpeter in geweikt heeft, begiet daar meede te mets de Boomen, zoo zult gy niet alleeene een wonderlijke drijvende kragt in die zelfde, maar ook door voorgenoemde Creaturen niet beschadigt te konnen worden, genoegzaam bevinden.

 

JULIUS.

In deze Maant moet men alle kleine overvloedige vruchten af breeken, ende den Boom niet meer houden laaten, als zy voeden kan, op dat de andere deste bequaamer groeijen, en sterker worden moogen.

Men kan ook deze Boomen in ユt laetste van deze Maant, als ook in die Maant van May (gelijk ik menigmaal gedaan, ende my daar by zoo dikwils wel bevonden hebbe) een dag voor de volle Maane niet alleen Oculeren, maar ook Enten ende Zuigen op wilde stammen, een, twee, ofte meer vingeren dik zijnde, welke door het Zuigen ofte Inleggen gevat hebbende, met genoemde volle Maane van Augustus, ofte September afgesneeden zijn moeten de takke met Was wederom dekkende.

Men snijdt ook wel een tak, die men in te leggen gedenkt, in ユt rondユ om een vinger breed de bast gansch af, op een plaatze nochtans slechts een halve stroobreed van dien aan het hout laatende, die men alzoo in genoemde pot legt, en geduirig vochtig houdt, waar door de natuire in staat voor een tijdt lank verblijvende, zich zelver zoekt te redden, dikwils onder aan de gebleevene bast des boovensten deels wortelen schietende, waardoor de zelfde, een volkoomen voetzel wederom verkrijgende, een nieuwen Boom maakt.

Op welke maniere men niet alleene deze, maar ook andere Boomen, ofte Struvellen, hard hout hebbende, ende noch door afgesneedene, ofte ten halven (op die maniere der Angelieren) ingesneede takken, wortelen verkrijgen willende, zonder moeite aanteelen, ende vermeerderen mag. [10]

 

SEPTEMBER.

In het laetste van deze brengt men alle Boomen wederom binnen ユs huis op een zeer luchtige plaatze, daar zy met haare takken, en blaaderen nergens aan koomen te geraaken, met schoon en droog weeder: Want nat ingebracht zijnde, zouden vruchten en blaaderen afvallen; ofte ook wel ten halven van deze Maant, na de gelegentheit des tijds, dewijle zy geenige koude regens in deze dagen verdraagen konnen.

 

OCTOBER.

Alle de vensters moeten in deze tijd Nacht ende Dag open verblijven, ten zy een sterke Noorde- ofte Ooste-wind waide, of dat het begon te vriezen. Ende zoo het de tijd quam te vereischen, moet menze ook met het genoemde Tobakswater, ofte veel bequaamer met ユt gezeide water daar Duive- en Schaape-mest in de Zonne te weiken gestaan heeft, ende een weinig Zalpeterwater toegekomen is, begieten; zoo zullen zy door dat zeer voedzaam nat veel beter groeijen.

 

NOVEMBER.

In deze tijd moeten de vensters Nacht en Dag worden geslooten, ook niet wederom geopent, ten zy by dage, ende dat met stil, en zeer schoon weder, dat ook de Zonne daar in konde schijnen, anders geenzins. Men geeftze ook in deze dagen noch eens te deegen laauw regenwater, ende dan niet meer, voor ユt laetste van Februarius, ofte het moeste zeer noodig zijn. Ten halven van deze Maant begint men om den anderden dag een klein viertje in de oven van dit ruim te stooken, tot den eersten december, doch kouder wordende, alle dagen.

 

DECEMBER.

In deze Maant, als ook Januarius, moet men alle dagen vier stooken, maar als het sterk begint te vriezen alle daagen tweemaal, te weeten des Morgens, ende tegen den Avondt, ook de vensteren met hiede en stroo wel dicht toe maaken, op dat geen Vorst binnen ユs huis koome door te dringen. Ende indien het zeer fel quam te vriezen, zal men des Morgens om zeven uren eens stooken, des Namiddags om een, ende des Avonds om zes of zeven uren wederom, op dat het daar in de geheele nacht over warm verblijve, ende de Vorst alzoo buiten gekeert worde. Of het nu quam te geschieden, dat het in deze Maant weinig, ofte niet en vroos, zoo is ユt genoeg dat men om de anderde dag vier maake; want veele warmte, ofte groote hitte is deze Boomen niet goed, indien de tijd zulks niet koomt te vereischen, ende alzoo nootwendig geschieden moet.

 

FEBRUARIUS.

By aldien in deze Maant de felste koude over waar, behoeft men niet meer dan eens des daags, ofte, om den tweeden dag te vieren, tot [11] den laetsten van dezen, ofte ten langsten tot den tienden, twaalften, ofte vijftienden Maart, na des tijds gelegentheit. Ook geeft menze wederom tamelijk veel laauw gemaakt regenwater. Ende indien het een zeer goeden dag waar, mag men de vensters by daage wel oopen zetten, op dat de lucht door de kamer een weinig speele.

Alle deze soorten van Boomen, op voorgeschreevene maniere alzoo gecultiveert, brengen voort in deze koude Landen groote, schoone, ende volkoomene vrucht, (doch van binnen niet zoo vol van een verkoelende aangenaame vochtigheit, als die uit Spanjen gebracht worden) inzonderheit als zy in ユt begin van May, ofte het laetste van Julius op een gekopte stam, die in deze landen van zaad (met een afgaande Maane van de May in een pot gezaait zijnde geweest) voortgekoomen is, ofte ge喞uleert, ge創t ofte gezoogen zijn. Want zij worden van jonks op onze lucht gewent, daaromme koomen deze tot meerder perfectie, als die uit heete Quartieren alhier gebracht zijn, die in haare Natuire, vermits de ongewoone koude, en veranderinge des luchts zeer gekrenkt, ende vermindert worden.

Ten laetsten; zal de goedgunstigen Leezer gelieven te weeten, dat deze aart van Boomen (als ook wel andere meer) by gelegentheit flaauw, ofte truirig worden, het welke gemerkt weezende, zal men haar voorzetten een potje met Melk, en met de eene hoek daar in laaten hangen een wollen lankwerpigen Lap, twee, ofte drie vingeren breed, de ander by den stam des Booms neder, zoo druipt de melk zoetjes daar uit, ende trekt na de wortel, waar door zy in korten tijd wederom fris, ende wel te passe worden, dewijle de zelvige haar zeer goed, ende zoo aangenaam te zijn bevonden is, dat al waaren zy, in maniere van spreken, half dood, zullen door een oort, oftユ anderhalf in weinige dagen tot haare voorige kracht en gezondheit geraaken, ende haare truirige blaaderen wederomme opwaarts rechtende, voorspoedig groeijen.

 

 

 

(Citrus aurantium subspecie amara is de oranje, Citrus aurantifolia is de limoen, Citrus medica is de citroen)

Oranje boom, ook aranie of arantieboom genoemd naar de Griekse stad Arantia (nu Aroanie) die in Achaea ligt. In het Latijn Malus arantia en vanwege zijn goudkleurige vrucht aurantia, in Hoogduits Pomerantze en in Frans orenger.

Hiervan zijn me in haar aard en natuur vele mooie veranderlijke en bezienswaardige soorten bekend die alle van een en dezelfde cultuur zijn waarom we die in het algemeen zullen bespreken. Eerst deze genoemde Oranjeboom. Ten tweeden de limoenboom, in Latijn Malus limoniae, in  Hoogduits Limonenbaum en in Frans limonier. Ten derden de citroenboom die in Latijn Malis citria heet, in Hoogduits Citrin Opffelbaum en in Frans citronnier. Welke alle andere van welke naam ze ook zijn en welke aangename vrucht ze hebben onder deze drie besloten worden omdat ze van een natuur en eigenschap zijn.

Ze zijn zacht van aard en moeten daarom alle voor ons klimaat op volgende manier het gehele jaar door geteeld worden.

 

MAART.

Eerst is nodig dat ze allen in deze maand met een afgaande maan van hun kwade, bedorven en overvloedige takken goed gezuiverd en tot op het leven afgenomen worden en met wat was bedekt. De grond alle jaren luchtig maken en rondom boven in de bak daar de boom in staat een 15 cm van de stam tot op de wortel toe schoon maken en de aarde weghalen en van nieuwe verse aarde voorzien.

Die aarde bestaat uit drie delen grof zand, geen zeezand, drie delen driejarige schapenmest, twee delen tweejarige paardenmest, twee delen eenjarige kippenmest en zes delen goede fijne of klein gewreven veenaarde dat in de herfst bereid en goed door elkaar gewerkt is die men de gehele winter door bevriezen laat en vier, vijf of zesmaal in die tijd omwerkt en voldoende doorwerkt.  [7]

Met deze aarde worden niet alleen jaarlijks deze bomen vernieuwd, maar ook daarin geplant en omdat dit goede grond is zullen ze daarom weelderig en voorspoedig groeien.

Men geeft ze ook in deze maand verversing van lauw zuiver regenwater of daar echte Virginiaanse tabaksbladeren wat in gekookt zijn wat zeer voedzaam en de bomen daarvan verkwikken en ook hun vruchten een mooiere kleur geeft. Maar moet niet boven acht dagen oud zijn of het bederft.

Men doet ook wel de vensters in deze dagen open als de zon schijnt en het niet te koud is geen Oosten- en Noordenwinden waaien, vooral als de plaats daar ze staan op een warme zonnige plaats is.

 

APRIL.

In deze maand worden met een afnemende maan voor de middag deze bomen verplant in voor vermelde aarde en hoog gezet zodat de zon des te beter hun wortels verwarmen kan, doch moet men eerst onder op de bodem van de bak of houten kast drie cm zuiver tweejarige klein gemaakte paardenmest leggen dat met wat kippenmest vermengd is.

Men begiet zo ook terdege met genoemde zuiver lauw gemaakt regenwater waarin wat schapenmest om te weken gedaan is, wat te beter is. Men doet ook in goed weer, zo de plaats in het Zuiden open ligt gelijk zoals het behoort, dag en nacht de vensters open zodat de bomen aan de lucht en zon beter mogen wennen.

 

MEI.

In deze maand laat men de vensters dag en nacht open en brengt ook de bomen de vierde, vijfde of zesde, een dag min of meer afhankelijk van het weer, met een betrokken of regenachtig weer naar buiten en zet ze op een zeer warme plaats die voor alle koude Noorden winden beschut is zodat ze de zon van ヤs  morgens vroeg tot in de namiddag tot drie uur genieten kunnen. Alzo buiten gebracht moet men ze veertien dagen lang voor de sterke middagzon beschermen want als die daarop schijnt is het schadelijk. Als ze de lucht binnen huis gewend zijn en de zon daar af en toe op geschenen heeft doet het ze zoveel kwaad niet. Als er in die tijd niet regent moet men ze ook af en toen begieten. [8]

Deze mooie bomen kunnen ook in deze maand op volgende manier goed vermeerderd worden, te weten:

Neem een aarden pot van een 25cm hoog en een 15cm in het vierkant met een snee of opening een cm breed die van onderen tot boven uitloopt. Zet die vast in de bak of kast daar de boom in staat of buiten die, neem dan met een volle maan een tak die drie, vier, vijf of zes jaar oud is en buiten de vorm groeit zodat daardoor de rondheid of kroon van de boom heel gelaten wordt, steek, graaf of boor daarin met de punt van uw mes tot in het hout vele gaatjes rondom de tak een 6 cm hoog, de ene boven de andere, elk gaatje een paar mm breed van elkaar, steek die takjes door vermelde snee of opening direct daarin, vul het dan met goede aarde en geef ze af en toe regenwater en bindt ze vast zodat ze door geen wind verzet of bewogen kunnen worden. Dan schieten ze uit de geboorde of gegraven gaatjes overvloedige wortels in korte tijd. Als je dat ziet snij dan de tak af met een volle maan van september of maart, binnen ユs huis staande, en laat ze noch een jaar in het zelfde potje blijven eer ze in een grotere verplant worden, dan groeien ze voorspoedig voort omdat deze nieuw gemaakte wortel op zijn plaats rustig blijft staan.

 

JUNI.

In deze maand en verder zo lang als ze buiten staan moet men alle veertien dagen de bomen om zetten of draaien van het Zuiden tot het Noorden en ze begieten met hetgeen als volgt.

Neem een vat, doe daarin schapenmest en wat minder verse koeienmest en een goed deel zemelen van tarwemeel, giet daarop regenwater en laat het in de zon staan en roer het alle dagen twee of driemaal om, begiet daarmee de bomen al roerende in een greppel van zes cm breed van de stam, alle weken twee, drie of viermaal, afhankelijk van de droogte van die tijd omdat ze van naturen door het hele jaar veel vochtigheid begeren, bedek dan die greppel wederom met oude luchtige paardenmest.

Indien men ook alle jaren in deze maand twee cm diep onder de aarde honigraat legt, wat van de stam af, dan zal het met de tijd smelten en verstrekt de wortels tot een aangename voedzaamheid.

Daarboven, wil iemand deze bomen bevrijden van de schadelijke droge afzetsels van de mieren, wandluizen en diergelijk gespuis die hun bloemen, bladeren en jonge scheutjes zeer bederven die begiet ze van boven geheel met regenwater, daar (als tevoren [9] gezegd) tabak met wat alsem en wijnruit tezamen in gekookt is, en strooi daar verder overheen het poeder van tabak, dan lopen ze snel daar vandaan omdat ze die krachtige geur niet verdragen mogen, worden daar traag en gelijk als dronken van, zullen ook nooit wederom keren en vooral als men rondom de stam op de aarde een ring van drie cm breed en een cm dik van het gezegde stof of poeder van tabak legt.

Verder, neem duivenmest of niet te oude schapenmest zoveel je wil of van beide even veel, doe het in een glas en zet het in de zon en giet daarop regenwater, dan trekt de kracht daarvan er in, giet daarna het water weer af en doe daarbij wat regenwater waar vier en twintig uren lang een beetje salpeter in geweekt heeft, begiet daarmee af en toe de bomen dan zal je niet alleen een wonderlijke drijvende kracht daarin zien, maar ook dat voorgenoemde creaturen die niet meer beschadigen.

 

JULI.

In deze maand moet men alle kleine overvloedige vruchten afbreken en de boom niet meer behouden laten als ze voeden kan zodat de anderen des te beter groeien en sterker worden mogen.

Men kan ook deze bomen op het eind van deze maan als ook in mei (zoals ik vaak gedaan heb en vaak goed bevonden heb) een dag voor de volle maan niet alleen oculeren, maar ook enten en zuigen op wilde stammen die een, twee of meer cm dik zijn en als die door het zuigen of inleggen gevat hebben met genoemde volle maan van augustus of september afgesneden worden en de snijvlakken met was wederom bedekken.

Men snijdt ook wel een tak die men inleggen wil en haalt de bast rondom er een cm af met een plaats er aan laten van een mm  breed die men alzo in genoemde pot legt en steeds vochtig houdt waardoor de natuur er nog een tijd lang in blijft en zich probeert te redden en vaak onderaan de gebleven bast van het bovenste deel wortel schiet waardoor die doordat ze nieuw voedsel krijgt een nieuwe boom maakt.

Op welke manier men niet alleen deze, maar ook andere bomen of struiken die hard hout hebben en noch door afgesneden of te halve (op de manier van de anjer) ingesneden takken wortels krijgen en zonder moeite aantelen en vermeerderen mag. [10]

 

SEPTEMBER.

Op het eind van deze maand brengt men alle bomen wederom met mooi en droog weer in huis op een zeer luchtige plaats daar ze met hun takken en bladeren nergens aanraken. Want als ze nat ingebracht worden zouden de vruchten en bladeren afvallen. Ook wel halverwege deze maand, afhankelijk van het weer omdat ze geen koude regen in deze dagen verdragen kunnen.

 

OCTOBER.

Alle vensters moeten in deze tijd nacht en dag open blijven, tenzij een sterke Noorden- of Oostenwind waait of dat het begon te vriezen. En als het nodig is moet men ze ook met het genoemde tabakswater of, veel beter, met het genoemde water waar duiven- en schapenmest in de zon te weken gestaan heeft en wat salpeterwater bijgedaan is begieten, dan zullen ze door dat zeer voedzame nat veel beter groeien.

 

NOVEMBER.

In deze tijd moeten de vensters nacht en dag worden gesloten en ook niet wederom geopend, tenzij op de dag en dat met stil en zeer mooi weer zodat ook de zon daarin kan schijnen, anders niet. Men geeft ze ook in deze dagen noch eens ter degen lauw regenwater en dan niet meer tot het eind van februari of het moet zeer nodig zijn. Halverwege deze maand begint men om de andere dag een klein vuurtje in de oven van deze ruimte te stoken tot de eerste december, doch als het kouder word alle dagen.

 

DECEMBER.

In deze maand en ook in januari moet men alle dagen vuur stoken, maar als het sterk begint te vriezen alle dagen tweemaal, te weten ヤs morgens en tegen de avond, ook de vensters met werk en stro goed dicht maken zodat geen vorst binnen huis komt door te dringen. En als het zeer hard gaat vriezen zal men ヤs morgens om zeven uren eens stoken, in de namiddag om een en ヤs avonds om zes of zeven uur wederom zodat het daarin de gehele nacht door warm blijft en de vorst alzo buiten gehouden wordt. Zou het gebeuren dat het in deze maand weinig vroor dan is het genoeg om om de andere dag vuur te maken want vele warmte of grote hitte is voor deze bomen niet goed.

 

FEBRUARI.

Omdat in deze maand de felste koude over is behoeft men niet meer dan eens per dag of om de tweede dag te stoken tot [11] op het eind van deze maan of ten langste tot de tiende, twaalfde of vijftiende maart naar het weer dan is. Ook geeft men ze wederom tamelijk veel lauw gemaakt regenwater. En als het een zeer goede dag is mag men de vensters op de dag wel open zetten zodat de lucht wat door de kamer gaat.

Al deze soorten van bomen die op voorgeschreven manier gecultiveerd zijn brengen in deze koude landen grote, mooie en volkomen vruchten voort, (doch van binnen niet zo vol van een verkoelende aangename vochtigheid zoals die uit Spanje gebracht worden) vooral als ze in het begin van mei of op het eind van juli op een gekopte stam die in deze landen van zaad (met een afgaande maan van mei in een pot gezaaid waren) voortgekomen is of geoculeerd, ge創t ofte gezogen zijn. Want zij worden van jongs af aan onze lucht gewend en komen daarom tot betere perfectie als die uit hete plaatsen hier gebracht zijn die in hun natuur, vanwege de ongewone koude en verandering van de lucht, zeer verzwakt ende verminderd worden.

Ten slotte zal de goedgunstige lezer gelieven te weten dat deze aard van bomen (als ook wel andere meer) soms flauw of treurig worden en als je dat merkt zal men ze een potje met melk geven en in de ene hoek een wollen langwerpige lap daarin laten hangen van twee of drie cm breed, de andere bij de stam van de boom naar beneden, dan druipt de melk zachtjes daaruit en trekt naar de wortel waardoor ze in korte tijd wederom fris en goed te pas wordt omdat dat zeer goed voor haar en zo aangenaam bevonden is dat al waren ze, op manier van spreken, half dood zullen ze door een uur of anderhalf in weinig dagen tot hun vorige kracht en gezondheid raken en hun treurige bladeren wederom opwaarts richten voorspoedig groeien.

 

Samenvatting.

Het stekken doe je nu niet meer door gaatjes te prikken, neem de stompe kant van een mes en ga haaks over de bast zodat die wat beschadigd wordt, kan ook met de vinger, niet tot in het hout, maar tot op het groene cambium, die wordt zo gestimuleerd om wortels te maken.

Neem in juli/augustus 10cm lang topstek van zacht hout, het mag een beetje houtig zijn. Zitten er bloemknoppen in, haal die dan weg. Licht verwonden, dat is ongeveer zoals je met de nagel over het oog van de plant gaat. Gebruik ook gezond blad, zonder schimmeldelen. Bij zacht stek is groeipoeder niet nodig, anders 1% ibz groeistofpoeder. Planten in 4 delen gezeefde turfgrond met 1 deel zand, aangieten, plastic erover heen en elke week even controleren op vochtigheid, droogte, schimmels. Laat het plastic er dan een paar uur af zodat het blad wat opdroogt en bedek het dan weer. Na enkele weken/maand, is het stek geworteld.

Ze groeien goed op lichte gronden met een pH van 6-7 en houden van stikstof

Je ent eigenlijk van een zeer goede Citrus de knop om die op een mindere of wilde stam te zetten zodat die de kracht en vorm van die goede Citrus krijgt. Die wilde snij je dan boven de ent af zodat de goede verder kan groeien. De onderstam groeit meestal sterker en is meestal beter bestand tegen ongedierte en ziektes

Zuigen is eigenlijk een aan een kant wat geschrabde bast tegen een andere aan leggen, met elkaar verbinden en vast laten groeien. Enten is  van de goede boom een stuk af te snijden met enkele knoppen eraan, die schuin af te snijden en te zorgen dat het cambium zoveel mogelijk aan elkaar aansluit op de ook schuin afgesneden onderstam. Het liefste zijn beide kanten even dik.  Oculeren is met een knop (oculus =oog) met een stukje bast in een T snede onder de bast tegen het cambium van de onderstam te leggen wat meestal in de zomer gebeurt.

 

 

Punica, Granaat boom.

Het III. Capittel. 

 

GRANAAT BOOM.

Op Nederlandts alzoo genoemt, wordt in ユt Latijn gezegt MALUS PUNICA, om de bruine couleure wille deze vruchts, die men Puniceus ofte Phマniceus color hiet: Ende MALUS GRANATA, dewijle zoo veele greinen in haare vrucht gezien worden. Waar door de Francoisen bewoogen geworden zijnde, dezen Appel Migraine, als of men Millegraine, oftユ Duizentgrein zeide, uitgesprooken hebben; [12] Op Hoogduitsch GRANATENBAUM, ende in ユt Fransch GRENADIER.

Hier van zijn my in haare aart ende Natuire bekent vier bezondere soorten, te weeten: MALUS PUNICA SATIVA FLORA SIMPLICI Tamme Granaetboom met een enkelde bloeme, die alleene in heete Landen vruchten draagt: MALUS PUNICA SILVESTRIS, ofte BALAUSTIUM FLORE PLENO COCCINEO, FLORE PLENO ALBO, ende BALAUSTIUM FLORE PLENO LUTEO; Wilde GRANAETBOOM, ofte BALAUSTIUM met een dubbelde Schaarlate Bloeme; met een dubbelde Witte Bloemen, ende met een dubbelde Geele Bloeme, de welke alleen in dユ Apoteeken gebruikt werden, ende zonder vrucht na te laaten, nedervallen; wiens schoonheid der verwonderens waerdige couleuren zeer aanzienlijk is.

Zy beminnen alle een goede gemeine aerde, met twee deelen zand, twee deelen Paerdemest, drie deelen oude Koeijmest, drie deelen Veengrond, ende een deel een jaarige Schaapemest wel doormengt; een zeer warme, oopene, luchtige, vrije, en wel ter Zonne geleegene plaatze, voor alle koude Ooste-, en Noorde-winden bewaart; zoo veele waters, dat zy schier alle dagen in de Zomer met regenwater in de Zonne gestaan, en laauw geworden zijnde, ofte door een geduirige lappe in een pot vol waters gehangen, als van de ORANJEBOOM gezegt is, begooten zijn willen.

Zijn tamelijk hard van Natuire, moogen evenwel geenige Vorst ofte veele koude Herfstregene verdraagen, moeten daarom in ユt begin van October binnen ユs huis, op een niet al te warme plaatze gezet, ende met maatige laauwe vochtigheit geduirende deze tijd onderhouden werden, vermits zy van haare blaaderen ontbloot, niet zoo veel voetzel, als in warmer dagen van nooden hebben; Moeten ook niet voor ten halven van April met een zoet regentje wederom in de lucht gebracht, ende voor koude nachten gedekt zijn.

Zy draagen gemeinlijk alle Zomers tweemaal Bloemen, te weeten, in ユt begin van Junio, ende September, het welke zeer schoon om te zien is: Worden ook alleene door haare by de wortel, ofte booven de grond uit schietende jonge looten, twee, ofte drie jaaren oudt zijnde, vermenigvuldigt, die men gelijk de ANGELIEREN, ten halven in snijdt, ende het tweede jaar daar na, wortelen geschooten hebbende, met een afgaande Maane van April in potten verplant. Moeten ook daar en booven nootwendig alle Voorjaren in het laetste van April met een afgaande Maane van haare doode takken gezuivert, ende van het meeste nieuws geschootene hout gesnoeit, ofte met een scheere geschooren zijn, draagen anders weinige, ofte geenige Bloemen, vermits zy het meeste voetzel na haar trekkende, de bloemdraagende knoppen van haare drijvende kracht te zeer ontblooten. [13]

 

Granaatboom, (Punica granatum), in Latijn Malus punica vanwege zijn bruine kleur die men Puniceus of Phoeniceus color noemt, Malus Granata omdat er zoveel greinen of korrels in zijn vrucht gezien worden, waardoor de Fransen het migraine noemen als of men Millegraine of duizend greinen zei,  [12] in Hoogduits Granatenbaum en in Frans grenadier.

Hiervan zijn me in haar aard en natuur vier bijzondere soorten bekend, te weten: Malus punica sativa flore simplici of tamme granaatboom met een enkele bloem die alleen in hete landen vrucht draagt. Malus punica silvestris of Balaustium flore pleno coccineo, flore pleno albo en Balaustium flore pleno luteo, wilde granaatboom of Balaustium met een dubbele scharlaken bloem, met een dubbele witte bloem en met een dubbele gele bloem die alleen in de apotheken gebruikt woerden en zonder vrucht na te laten afvallen, wiens schoonheid van de verwonderen waardige kleuren zeer aanzienlijk is.

Ze beminnen alle een goede gewone aarde met twee delen zand, twee delen paardenmest, drie delen oude koeienmest, drie delen veengrond en een deel eenjarige schapenmest dat goed gemengd is. Een zeer warme, open, luchtige, vrije en zonnige plaats, voor alle koude Oosten-en Noordenwinden beschermd en veel water zodat ze vrijwel alle dagen in de zomer met lauw regenwater in de zon staan of door steeds een lap in een pot vol water te hangen zoals van de oranjeboom net gezegd is.

Ze zijn tamelijk hard van naturen, niet winterhard en moeten daarom in het begin van oktober binnen huis op matige warme plaats gezet worden en met matige lauwe vochtigheid gedurende deze tijd onderhouden worden omdat ze geen bladeren hebben en niet zo veel voedsel als in warme dagen nodig hebben. Moeten ook niet voor half april met zacht weer wederom buiten gebracht en met koude nachten gedekt worden.

Ze dragen gewoonlijk alle zomers tweemaal bloemen, te weten, in het begin van juni en september wat een fraai gezicht oplevert. Worden ook alleen door hun bij de wortel of boven de grond uitschietende jonge loten van twee of drie jaar oud vermenigvuldigd. Je snijdt ze net zoals de anjers ten halve in en als en ze in het tweede jaar daarna geworteld zijn verplant je ze met een afgaande maan van april in potten. Het is ook noodzakelijk dat ze alle voorjaren op eind april met een afgaande maan van hun dode takken zuivert worden en van het meeste deel van het nieuw geschoten hout snoeit of met een schaar scheert, ze dragen anders weinig of geen bloemen omdat die het meeste voedsel naar zich trekken waardoor de bloemdragende knoppen weinig krijgen. [13]

 

Samenvatting.

Er zijn twee soorten, de geteelde en onvruchtbare wilde. De wilde is echter een dubbele die daarom geen vruchten geeft

Het stekken doe je nu niet meer door gaatjes te prikken, neem de stompe kant van een mes en ga haaks over de bast zodat die wat beschadigd wordt, kan ook met de vinger, niet tot in het hout, maar tot op het groene cambium, die wordt zo gestimuleerd om wortels te maken.

Vermeerderen door stekken, maar groeit langzaam.

Neem in juli 10cm lang topstek van zacht hout, het mag een beetje houtig zijn. Zitten er bloemknoppen in, haal die dan weg. Licht verwonden, dat is ongeveer zoals je met de nagel over het oog van de plant gaat. Gebruik ook gezond blad, zonder schimmeldelen. Bij zacht stek is groeipoeder niet nodig, anders 1% ibz groeistofpoeder. Planten in 3 delen gezeefde turfgrond met 1 deel zand, aangieten, plastic erover heen en elke week even controleren op vochtigheid, droogte, schimmels. Laat het plastic er dan een paar uur af zodat het blad wat opdroogt en bedek het dan weer. Na enkele weken is het stek geworteld, oppotten. Of zaaien boven de 24 graden.

 

Moerbei, Morus.

Het IV. Capittel.

 

Deze in ユt wordt, op Latijn MORUS. In ユt Hoogduitsch MAULBEERBAUM, ende in ユt Francois MEURIER genoemt.

Hier van zijn alleen in aart ende natuire kenbaar geworden twee bezondere soorten, te weeten MORUS NIGRA, MOERBESIE, ende MORUS ALBA, ofte Witte MOERBESIEBOOM, zijnde van een en deselve Culture.

 

Ze lieven een zandige, drooge, ende wel gemeste aerde, warme plaatze, een opene vrije lucht, weinig waters, geeven alle jaaren een rijpe, doch ongezonde vrucht in deze Landen, ende moogen de koude des Winters reedelijk verdraagen, hoe wel zy door harde, ende langdurige Vorsten, niet alleen vaak schaade koomen te lijden; maar ook wel geheelelijk versterven, gelijk in het jaar Duizent zes hondert zes-en-veertig, acht en vijftig, zeventig, ende op meer andere tijden geschiedt is. Zy worden op driederleije maniere als volgt vermeerdert.

 

Eerstelijk, door haare de wortel uitwassende jongen, die men in de Maart met een volle Maane insnijdt, ende met aerde aangevult

zijnde, zeer bequamelijk wortelen schieten, welke twee jaaren oudt geworden weezende, niet in de Herfst, maar in de Maart met een afgaande Maane op een Voormiddag verplant zijn moeten.

Zoo men in een der grootste wortelen dezes Booms met de Spaa ten halven steekt, zal zy aldaar een Knobbel maaken ende veelvoudig uitschieten.

Ten tweeden, door jonge takskens die men in April, ofte Maart met een volle Maane afsnijdt, op een donkere plaatze in de aerde steekt, ende dikwils met water begooten zijnde, beklijven, en wortelen vatten.

 

Ten derden, door maniere van Enten, het welke in April met een wassende Maane op een CASTANIEBOOM, WILDE PEERE-, ofte APPEL-BOOM geschiedt, wiens vrucht als dan zijne natuirelijke couleur verliezende, bleek wordt.

 

Die WITTE MOERBESIE is wel zoo hard van natuire als de SWARTE, daarommede koude des Winters bequaamer verdraagen wordt ookveele grooter, maar zijne vrucht blijft kleinder, en koomt in goede warme jaaren tot een volkoomene rijpheitin deze Landen; gelijk ik 1670 binnen Brussel in het Hof van den zeer eervaarenen en beroemden Heer JOHANNES HERMANS Apoteker, zelf gezien, ende daar gegeten hebbe, zijnde de zelfde laf en zeer zoet van smaak. [14]

 

Moerbei boom, Morus alba en Morus nigra, in Latijn Morus, in Hoogduits Maulbeerbaum en in Frans muerier.

Hiervan zijn me in haar aard en natuur bekend geworden twee bijzondere soorten, te weten: Morus nigra, zwarte moerbesie ende Morus alba of witte moerbesieboom. Ze zijn van een en dezelfde cultuur.

 

Ze houden van een gewone zandige, droge en goed gemeste aarde, een warme plaats en een open plek. Ze geven hier alle jaren een rijpe, doch ongezonde vrucht. Zijn redelijk winterhard, hoewel ze door harde en langdurige vorst niet alleen vaak schade komen te lijden, maar ook wel geheel versterven zoals in het jaar 1646, 58, 70 en meer op andere tijden geschied is.

Ze worden op drie manieren als volgt vermeerderd.

 

Eerst door de bij wortel uitgroeiende jongen die men in maart met een volle maan insnijdt en met aarde aanvult die goed wortels maken  en als ze twee jaar oud zijn worden ze niet in de herfst, maar in maart met een afgaande maan voor de middag geplant.

 

Zo men de grootste wortels van deze boom met een spade half insteekt zal ze daar een knobbel maken en veelvoudig uitschieten.

Ten tweeden, door jonge takjes die men in april of maart met een volle maan afsnijdt en op een donkere plaats in de aarde steekt en vaak met water begiet wortels maken.

 

Ten derden, door manier van enten wat in april met een wassende maan op een kastanjeboom, wilde peren- of appelboom gebeurt zodat de vrucht dan zijn natuurlijke kleur verliest en bleek wordt.

 

De witte moerbesie is wel zo hard van natuur als de zwarte en kan daarom de koude van de winters beter verdragen, wordt ook veel groter, maar zijn vrucht blijft kleiner en komt in goede warme jaren tot een volkomen rijpheid in deze landen zoals ik in 670 binnen Brussel in de hof van de zeer ervaren en beroemde heer Johannes Hermans, apotheker, daar zelf gezien en daarvan gegeten heb hoewel die laf en zeer zoet van smaak zijn. [14]

 

Samenvatting.

Groeit op iedere grond, liefst wal kalkrijk, niet op rijke en natte gronden, daar is de afrijping onvoldoende. De uitlopers bij de boom zijn vaak gemakkelijk te stekken.

Je stimuleert de boom door uitlopers te vormen door de wortel te beschadigen.

Het enten is wat vreemd, waarschijnlijk heeft hij dat nooit gedaan, want dit lukt niet. Dat heeft hij wel van Dodonaeus. Je moet een ent nemen en die op zijn soort zetten, dus geen kastanje.

Meestal wordt op Morus alba ge創t.

Andere worden ge創t op de wortelhals van zaailingen van de soort. Als enthout neem je goed uitgerijpt eenjarig, ook wel tweejarig hout waar zo weinig mogelijk merg in voor komt. De gewone vormen worden gezaaid of door afleggen die pas in het tweede of derde jaar goed geworteld zijn.

Er kan ook gestekt worden in augustus met 2% ibz. Zaaien s in maart april nadat de zaden 6 weken zijn voor gekiemd in nat zand.

 

 

Mispel, Mespilus.

 

Het V. Capittel. 

MISPEL BOOM.

 

By veele niet alleene wel bekent, maar ook om zijns vrugts wille zeer begeert; wordt in ユt Latijn genoemt MESPILUS. Op Hoogduitsch MISPEBAUM, ende in ユt Francois NEFFLIER.

Hier van zijn my in haare aart ende Nature bekent drie bezondere soorten, te weeten MESPILUS SATIVA, gemeine tamme MISPELBOOM; MESPILUS SILVESRIS, WILDE MISPELBOOM; wiens vrugten noit ge粗ten, ofte gebruikt worden, ende MESPILUS ARONIA, ofte MISPELBOOM ARONIA van dユ Ouden genoemt; wiens vruchten klein zijn, veele by malkandere hangende, gemeenlijk met drie steenen van binnen verzien, wordende van couleur rood als zy haare rijpheit verkrijgen. Niet alle van een ende de zelfde Culture.

De MESPILUS SATIVUS, ofte gemeene tamme MISPELBOOM, bemint van Natuire een zandige, ofte ook wel een gemeine wel gemeste aerde, een goede luchtige plaatze, veele waters, verdraagt felle koude, ende alle ongeleegentheit des geheelen Winters: heeft ook gemeenlijk in October volkomen rijpe vrugt, die als dan met een volle Maane geplukt, ende week geworden zijnde, voor een delikate spijze, ofte banket, gebruikt wordt.

Zy werdt in deze Quartieren gemeenlijk door konst van Enten alleen aangeteelt ofte vermeerdert gemaakt, het welke meest op Haagedoorn, in de Maart geschiedt, hoe wel het op Queestammen veele bequaamer geoordeelt wordt.

Doch wil Iemant van deeze zeer groote vruchten verkrijgen, die neeme in ユt midden, ofte boven uit een Boom, ten zuiden zittende een Ente, en steekze in de Maart tegen het eerste Quartier der Maane op een bequaame Mispelstamme, die van een Korle in Februario, ofte Maart met een afgaande Maane gezaait is geweest, welke twee jaaren in de aerde verblijft, eer zy opkoomt, ende niet alle jaaren zijne volkomenheit verkreegen te hebben, gezien wordt, zoo zalze MISPELEN ongelooflijk groot gewinnen. Ik hebbe eene op deze maniere gecultiveert gehadt, in wiens vruchts kroone een geheele Rijksdaalder leggen koste, die om zijne grootheids wille, op een ongeleegene plaatze staande, uitgeroeit, ende alzoo verdorven zijn most, dat groot jammer om zien waar.

Daar en boven, indien noch iemant deze jonge geseide Mispelstammekens van Korlen gezaait, drie jaaren stil gestaan hebbende, van haare hertwortel ontbloot (gelijk van de APPELBOOM, ende meer andere gezegt is) met een afgaande Maane verplant, ende een jaar, ofte twee gestaan hebbende, daar op Ent, zal noch veele heerlijker vruchten [15] genieten, ende een wonderlijk vermoogen der Natuire met lust aanschouwen.

De MESPILUS ARONIA, ofte ARONIE MISPELBOOM, is veele tederder van aart, bemint een goede gemeine zandige aerde, met twee jaarige oude Paerdemest tamelijk verzien, een opene luchtige, en wel ter Zonne gelegene plaatze, genoegzaam vochtigheit verdraagt ongeerne de felle koude des Winters, in deze landen: Moet daarom in een pot ofte houten bak met een afgaande Maane van April, ofte Maart geplant, in October binnen ユs huis gestelt, met maatige vochtigheit onderhouden, ende in ユt laetste van April der Zonne straalen wederom voorgezet zijn.

Zy bloeit, en geeft in deze koude gewesten dikwijls vrugt, maar zelden volkoomen rijp. Wordt ook niet alleen vermeerdert door dezelfde, zijn volkoomenheit verkreegen hebbende, en in de Maart (*) October ofte Februarius, met een afgaande Maane, twee vingeren diep in een pot aerde bevoolen zijnde. Maar ook door Zuigen, Enten, ofte maniere van Oculeren, het welke op haare behoorlijke tijd in een gemeine Mispelstamme, Queeboom, ende meer andere bequaamlijk geschieden kan.

 

 

(Mespilus germanica, met een wilde vorm, Crataegus azorolus) Mispelboom, in Latijn Mespilus, in Hoogduits Mispe(l)baum en in Frans nefflier.

Hiervan zijn me in haar aard en natuur drie bijzondere soorten bekend, te weten: Mespilus sativa, gewone tamme mispelboom. Mespilus silvestris, wilde mispelboom wiens vruchten nooit gegeten of gebruikt worden. Mespilus aronia of mispelboom Aronia van de ouden genoemd wiens vruchten klein zijn en veel bij elkaar hangen en gewoonlijk drie stenen bevatten, wordt van kleur rood als ze rijp worden. Niet alle van een en dezelfdecultuur.

Mespilus sativus bemint van naturen een zandige of ook wel een gewone goed gemeste aarde, een goede luchtige plaats en veel water. Is goed winterhard. Geeft gewoonlijk in oktober volkomen rijpe vruchten die dan met een volle maan geplukt worden en als ze week zijn een delicate spijs of banket geven.

Ze wordt hier meest alleen vermeerderd door enten wat meestal op meidoorn in maart gebeurt, hoewel het op kweestammen veel beter geoordeeld wordt.

Doch wil iemand van deze zeer grote vruchten krijgen die neemt in het midden of boven uit een boom en ent die aan de zuidkant zit en steekt die in maart met het eerste kwartier van de maan op een geschikte mispelstam die van zaad in februari of maart met een afgaande maan gezaaid is en die twee jaren in de aarde blijft eer ze opkomt en niet alle jaren zijn volkomenheid krijgt, dan zal men mispels van ongelooflijk grootte winnen. Ik heb er een op deze manier gecultiveerd gehad in wiens vruchtkroon men een gehele rijksdaalder leggen kon die vanwege zijn grootheid op een verkeerde plaats stond uitgeroeid werd wat zeer jammer was.

Daarboven, indien noch iemand deze jonge vermelde misspelstammen van zaad gezaaid en drie stil gestaan hebben van hun penwortel ontdaan (gelijk van de appelboom en meer andere gezegd is) met een afgaande maan verplant en een jaar of twee gestaan hebben en daarop ent zal noch vele heerlijke vruchten [15] genieten en een wonderlijk vermogen der natuur met lust aanschouwen.

De Mespilus aronia is veel zachter van aard, bemint een goede gewone zandige aarde met redelijk tweejarige oude paardenmest verzien, een open, luchtige en zonnige plaats. Voldoende vocht. Is niet winterhard. Moet daarom in een pot of houten bak met een afgaande maan van april of maart geplant en in oktober in huis gezet, met matige vochtigheid onderhouden en op eind april buiten gezet worden.

Ze bloeit en geeft in hier vaak vrucht, maar zelden volkomen rijp. Wordt door zaad vermeerder in oktober of februari met een afgaande maan, door ze twee cm diep in de aarde te zaaien. Ook door zuigen, enten oculeren wat in hun behoorlijke tijd in een gewone mispelstam, kwee en meer andere goed geschieden kan.

 

 

Samenvatting.

Groeit op vochthoudende grond in de volle zon.

Vermeerderen van zaad wat langzaam kiemt of door oculeren op Crataegus monogyna, verder door afleggen.

 

Vijgenboom, Ficus.

 

Het VI. Capittel.

VYGEBOOM. 

 

Op Nederlands alzoo gezegt; wordt in ユt Latijn genoemt FICUS. Op Hoogduitsch FEIGENBAUM. Ende in ユt Francois FIGUIER.

Hier van zijn my in haar aart ende nature kenbaar geworden vier onderscheidelijke soorten, te weeten FICUS FRUCTU ALBICANTE, VYGENBOOM met een witachtige vrucht. FICUS FRUCTU Cホruleo, met een blaauwe vrugt. FICUS HUMILIS, LEEGE VYGEBOOM: ende FICUS SYLVESTRIS, ofte WILDE VYGEBOOM, die ook CAPRIFICUS gezegt wordt. Alle van een, ende de zelfde Culture.

Zy beminnen een goede bequaame grond, bestaande uit vier deelen gemeine aerde, twee deelen twee jaarige oude Paerde-, twee deelen oude Koije-mest, een deel een jaarige Hoenderdrek, ende twee deelen Zand, zonder eenige zoutigheit, wel door malkanderen vermengt, een oopene vrije lucht, een warme of wel ter Zonne geleegene plaatze, en veele waters: verblijven lange jaaren in ユt leeven, mogen in deeze Landen de felle koude des Winters, veele sneeuwwater om zijn scherpheits willen, neevel ofte sterke winden ongeerne verdraagen. Moeten daarom in ユt laetste van October, wat eer, ofte laater, na het weeder zich aanstelt, aan haare wortelen een voet hooge, ende twee in ユt ronde met droog Turfmol ofte Kif wel gedekt, ende zeer [16] dik van onderen tot booven met stroo omgebonden, ook niet voor in ユt begin van April, indien het Saisoen goed is, wederomme oopen gemaakt zijn.

Men kan ook gevoeglijk deze Boomen aan dユ eene zijde des wortels de aerde een weinig wegneemen, alzoo geheelelijk neder buigen, met aerde tユ eenemaal een voet hooge ofte meer bedekken, ende daar over stroo, ofte warme Paerdemest leggen, zoo blijven zy van de Vorst onbeschaadigt, ja behouden dikwijls haar onrijpe, en kleine vruchten ongeschonden.

Dit nochtans alzoo gedaan, bevindt men niet te min, dat zy zomtijds door langdurige Vorsten, Muisen, ofte andere ongelegentheden beschaadigt ende niet alleene van haare bast, en vruchten, maar zelf ook van haare geheele takken ontbloot worden, (inzonderheit met stroo bedekt zijnde) welke afgesneeden wordende, by de wortelen haastig wederom uitloopen, ende niet lichtelijk geheel versterven.

Houde daarom voor best, dat zy in een pot, ofte houten kas of vat, om des Winters binnenユ s huis gebrogt te konnen worden, geplant, ende niet voor den tienden, ofte half April wederom met een zoete regen buiten gestelt worden. Zoo zult gy alle jaaren volkoomen rijpe, ende zeer smaakelijke vruchten genieten. Hoewel aan de CAPRIFICUS, ofte WILDE VYGEBOOM noit eenige vrucht gezien hebben, waar door hy eindelijk met een goede Pascedulle na het al verteerend Element is afgezonden. Doch indien de wortelen van deze Boomen in gezeide vaten ofte bakken te veele worden, dat zy die zelfde aan alle kanten koomen te vullen, moet men alle voorjaaren, in April, daar van rond om de kanten een handt breedt met aerde met al afsteeken, ende daar wederom goed evette grond in de plaatze leggen, zoo groeijen zy zoo veel te beter, schieten daar in nieuwe wortelen, en geeven een aangenaamer vrucht.

Zy worden in deze landen niet, als door haare by de wortelen uitgeloopene jongen, vermeerdert, die zoo haast van zelfs gewortelt, als in het licht gebrocht zijn, ook met een afgaande Maane van April van dユ oude genoomen, ende verplant weezen moeten.

De Romeinsche Vrouwen, met alle Vrije, ende Dienstmaagden, hebben eertijds, gelijk daar van ORPHEUS getuigenisse geeft, de Godinne JUNO onder een VYGBOOM alle jaaren eens offerhande gedaan, tot een onsterfelijke gedachtenisse eenes lofwaerdigen daads, van haare Dienstmaagden trouhertig uitgevoert. Want de Stad van Romen door de Francoizen ingenoomen, ende haare oploopende razernije een weinig gestilt zijnde, verminderde ook met de zelfde de hoogheit dezer Stad, ende lag voor dien tijd de Romeinsche macht ter neder gevelt. Het welke van haare nabuirige vijanden gezien wordende, beelden zich stoutmoedig in, dat zy nu een goede gelegentheit om eens die Stad geheel [17] te verdelgen, gevonden hadden; verkiezen daar op tot haare Veltoverste POSTHUMIUM LIVIUM, die tot den Raadt van Romen gezonden, begeerde: indien zy niet al het geene, ユt welk van de Francoizen in haare Stad noch overig gebleeven waar, geheelijk verlooren zien wouden, als zy dan haare Vrouwen, ende Dochteren, zoo veele binnen de muiren haarder Stad gevonden worden, gewillig in zijne handen overgeeven zouden. Waar door zy, met alle de Vaderen zeer onstelt, niet wisten wat haar in zoo een hoogdringenden nood te doen stonde. Tot dat eindelijk eene der Dienstmaagden TUTELA, ofte, als zommige willen, PHILOSIS genoemt, aan den Raad zich prezenteerde, dat zy met andere haars gelijken, onder haarder Vrouwen, en Dochteren kleederen, tot den Vijant overgaan wouden. By de welke gekoomen zijnde, begosten alle tot een teeken haarder droefheit te weenen. Maar van LIVIO verwelkoomt, ende beschonken, werden door het geheele heir verdeelt, daagden terstondt de Soldaaten om te drinken uit, welke over zoo een aangenaame, en onverwachte buit verblijdt, haastig dronken geworden zijn, waar over zy uit een Vygeboom een vierteeken de Romeine gaaven, die daar op haastig uitvallende, alle de Vijanden van ユt leeven beroofden, ende den vrywilligen roof wederom met zich voerden. Tot welke eeuwigduirende gedachtenisse deze offerhande eenmaal des jaars gehouden geworden is. Hoe wel Plutarchus in Parallelis deze Historie van der Franzen Konink ATEPOMARO schrijft, ende deze Dienstmeid ARETANA geheeten te hebben getuigt.

 

 

(Ficus carica, blauw en wit en lage, met wilde soort als caprificus) Vijgenboom, in Latijn Ficus, Hoogduits Feigenbaum en in Frans figuer. Hiervan zijn me in zijn aard en natuur vier aparte soorten bekend, te weten: Ficus fructu albicante, vijgenboom met een witachtige vrucht. Ficus fructu coeruleo, met een blauwe vrucht, Ficus humilis, lage vijgenboom en Ficus sylvestris of wilde vijgenboom die ook Caprificus heet. Alle van een en dezelfde cultuur.

Ze beminnen een goede grond die bestaat uit vier delen gewone aarde, twee delen tweejarige oude paarden- en twee delen oude koeienmest, een deel eenjarige kippenmest en twee delen zand, geen zeezand, dat goed door elkaar gemengd is. Een open en vrije zonnige plaats en veel water. Blijven lange jaren in het leven, zijn hier niet geheel winterhard en worden de wortels, afhankelijk van het weer, eind oktober een dertig cm met droge turfmolm of kaf bedekt en de struik van onder tot boven zeer dik [16] met stro omwonden wat pas in het begin van april er weer afgedaan wordt.

Men kan ook goed van deze boom aan de ene kant de aarde wat wegnemen en de struik zo naar beneden buigen en met aarde een dertig cm bedekken waarover stro komt of warme paardenmest, dan hebben ze geen last van de vorst en blijven zelfs hun onrijpe kleine vruchten goed. Dan noch kunnen ze soms door langdurige vorst, muizen of andere zaken beschadigd worden en niet allen hun bast en vruchten, maar ook hele takken kwijt raken, vooral als ze met stro bedekt zijn, die snij je er af waardoor ze meestal bij de wortel weer snel uitlopen.

Het beste is dat ze in een pot, houten kast of vat binnen bewaard worden en niet voor de tiende of half april met zacht weer naar buiten brengen. Dan zal je alle jaren volkomen rijpe en zeer smakelijke vruchten hebben. Hoewel ik aan de Caprificus of wilde vijgenboom nooit een vrucht gezien heb waardoor hij eindelijk met een goed afscheid verbrand is. Doch indien de wortels van deze bomen in vermelde vaten of bakken teveel worden zodat die helemaal vol is dan moet men alle voorjaren in april daarvan rondom de kanten een hand breedte met aarde en al afsteken en daar weer goede vette grond in doen, dan groeien ze beter en maken daarin nieuwe wortels en geven een aangenamere vrucht.

Ze worden hier alleen vermeerderd door de bij de wortel uitgelopen jongen die gauw vanzelf wortelen en met een afgaande maan van april van de ouden genomen worden en verplant.

De Romeinse vrouwen met alle vrije en dienstmaagden hebben eertijds, gelijk daar van Orpheus van getuigt, de Godin Juno onder een vijgenboom alle jaren een offerande gedaan tot een onsterfelijke gedachtenis van een lofwaardige daad die door hun dienstmaagden trouwhartig uitgevoerd is. Want de stad Rome was door de Fransen ingenomen en nadat hun razernij wat gestild was, was ook de hoogheid van de stad verminderd en de Romeinse macht geveld. Dat zagen de naburige vijanden die zich inbeelden dat ze nu de gelegenheid hadden om die stad geheel [17] te verdelgen. Ze kozen tot hun veldoverste Posthumium Livium die tot de raad van Rome werd gezonden dat al hun vrouwen en dochters die er nog waren in zijn handen overgegeven zouden worden wilden ze de rest van de stad nog behouden. Waardoor ze in zulke hoge nood niet meer wisten wat te doen. Tot dat eindelijk een van de dienstmaagden, Tutela of zoals sommige willen Philos, zich aan de raad zich presenteerde dat ze met andere dienstmaagden met hun vrouwen en dochters kleren aan naar de vijand wilden gaan. Daar gekomen begonnen ze alle tot een teken van hun droefheid te huilen. Door de dronken Livium verwelkomt werden ze door het gehele leger verdeeld en daagden ze terstond de soldaten om te drinken uit die over zoユ n  aangename en onverwachte buit verblijdt al gauw dronken werden waarna ze vanuit een vijgenboom de Romeinen een vuurteken gaven die daarop snel uitvielen en alle vijanden van het leven beroofden en de vrijwillige roof met zich terug brachten.  Tot welke eeuwigdurende gedachtenis deze offerande eenmaal per jaar gehouden wordt. Hoewel Plutarchus in Parallelis deze historie van de Franse koning Atepomaro beschrijft en de dienstmaagd Aretana noemt.

 

Vermeerderen.

De vijg kan goed gezaaid worden, moet wel warmte hebben, 20 graden.

Vermeerderen door afleggen of scheuren.

Ook is stekken mogelijk. Neem in juni 10cm lang topstek, het mag een beetje houtig zijn. Gebruik ook gezond blad, zonder schimmeldelen. Planten in 2 delen gezeefde turfgrond met 1 deel zand, aangieten, plastic erover heen en elke week even controleren op vochtigheid, droogte, schimmels. Laat het plastic er dan een paar uur af zodat het blad wat opdroogt en bedek het dan weer. Na enkele weken is het stek geworteld, in de winter vorstvrij houden.

 

Egyptische vijgenboom, Ficus sycomorus.

 

Het VII. Capittel.

EGYPTISCHE VYGEBOOM.

 

Deze schoone en steeds groenblijvende Boom, een soorte van Moerbezien schijnende te zijn, indien men op zijne blaaderen acht neemt, die nochtans een weinig dikker, en bleeker van couleur te zijn gezien worden, hoewel na de gedaante des houts, couleur der takken, en inwendige melkachtige substantie meer na den aart eenes VYGEBOOMS strekken, waar door zy SICOMORUS, ofte FICOMORUS, dat is Vygedraagende MOERBESIEBOOM, ende FICUS ョGYPTIACA, EGYPTISCHE VYGEBOOM genoemt is.

Zy bemint een zandige gemeine grond, met een weinig twee jaarige Paerde- en Duive-mest, ende het mol uit vergangene Boomen genoegzaam doormengt, een zeer warme, ende bequaamelijk ter Zonne geleegene plaatze, een oopen vrije lucht, matige vochtigheit, ende mag geenderhande koude ofte Herfstregenen verdraagen. Moet daarom in ユt laetste van September, ofte eerste van October, na het Saisoen des tijds mede brengt, droog zijnde, binnen ユs huis gebrogt, op een warme plaatze, [18] ofte daar veele in gevuirt werdt, gestelt, met zeer weinig laauw gemaakt regenwaters, geduirende de koude tijd, onderhouden, ende niet voor half April met een regenige lucht wederom buiten gezet zijn.

Zy is zoo teder van aart ende Natuire, dat zy in deze Landen niet wel mag aarden, ook gansch geen vruchten geeft, kan evenwel, door ingesteekene takskens met een volle Maane van April afgesneeden, aangeteelt ende vermeerdert worden, als men de zelfde tamelijk diep in potten met voorgenoemde grond gevult, steekt, ende met een maatige vochtigheit op een zeer warme plaatze, zonder voor de Zonne gedekt te zijn, onderhoudt, ook voor koude Nachten, drooge Rijpen, Sneeuwige vochtigheit, ende sterke Winden voorzichtig dekt, ende bewaart.

 

Samenvatting.

(Ficus sycomorus) Egyptische vijgenboom lijkt op een moerbei naar de bladeren, maar naar de takken en hout en inwendige melksap echter op een soort vijgenboom waardoor het Sicomorus of Ficomorus heet wat vijgen dragende moerbeiboom heet, ook Ficus aegyptiaca of Egyptische vijgenboom.

Ze houdt van een gewone zandige grond met wat tweejarige paarden- en duivenmest en molm uit vergane bomen voldoende gemengd. Een zeer warme en goede vrijstaande zonnige plaats. Is niet winterhard en moet daarom eind september of begin van oktober, afhankelijk van het weer, in een warme kas geplaatst worden [18]  en met zeer weinig lauw regenwaters onderhouden en niet voor half april met zacht weer wederom buiten gezet worden.

Ze is zo zacht van aard en natuur dat hier niet goed kan aarden en ook geen vruchten geeft. Kan vermeerderd worden door takken met de volle maan van april te snijden door die in potten met genoemde aarde te steken en met matige vochtigheid op een zeer warme zonnige plaats te zetten en beschermen als er Noordenwinden waaien en er dan nachtvorsten zijn.

 

Perenboom, Pyrus.

Het VIII. Capittel.

 

PEEREBOOM.

 

Op Nederlantsch alzoo genoemt, wordt in ユt Latijn gezegt PYRUS. Hoogduitsch BIRNBAUM. Ende in ユt Francois POYRIER.

Hier van worden over al gevonden zeer veele veranderlijke soorten, hier alle te verhaalen onnoodig, vermits het al te grooten getal, ende om dat ook een PEERE op verscheidene plaatzen met een bezondere naame dikwijls uitgesprooken vernoomen, gehoort, ende gezien wordt.

Zy bemint een gemeine, ende van Natuire een steenachtige grond met oude Koeije- en Paarde-mest, ende Zand wel vermengt, inzonderheit zoo de aerde hard, ofte van kley is, daar zy ingeplant zal zijn: Een oopene luchtige, en vrije plaatze, veele vochtigheits, wil geerne met water dikwils begooten worden, nieuws geplant zijnde, tot dat zy volkoomelijk bekleeven, ende genoeg wortels gevat heeft. Doch zal men gedenken, dat, indien de grond van eigender aart vochtig is, daar in zy geplant wordt, men als niet als oude Paerdemest gebruiken moet; indien zy van Natuire droog is, moet men alleene Koeije- ende Verkens-mest daar toe neemen, vermits de Paerdemest als dan te hitzig zoude zijn, ende de Boom zelver doen sterven; inzonderheit zoo zy op de wortel quame te leggen, waar voor men niet alleene deze, maar ook alle andere Boomen voorzichtig wachten moet.

Zy verdraagt allerleije ongeleegentheit van Koude ende Vorst, brengt voort rijpe vrucht, zoo wel in de Somer, als in de Herfst: wil ook geerne van het mosch, ofte andere ongeleegentheit zijns basts ofte schorze in ユt voorjaar gezuivert, ende in Februari van zijne overvloedige takken (als van de APPELBOOM gezeit is) met een afgaande Maane ontlast, ende gereinigt zijn. [19]

De vrucht ofte Peere van dezen moet in droog weder met handen geplukt zijn, ende zoo het geschieden kan met een volle Maan, inzonderheit de Herfst- ofte Winter-Peeren, die als dan veel durabelder zijn; ook smaakelijker worden, ende eerst haaren rechte aart, en geur verkrijgen, als daar eenige maalen de Neevel, ofte een klein Rijpje is over gekoomen. Moeten ook op een drooge, en luchtige plaatze, gelijk de Appelen bewaart, ende niet op malkanderen gelegt worden; op dat men niet alleene deze, maar ook Somer-Peeren lange bewaaren mag.

Deze Boom wordt vermee(*)dert, ende gecultiveert door drie veranderlijke wegen, te weeten: Eerstelijk, door konst van Enten. Ten tweeden door het zaijen der korlen. Ten derden door maniere van Inoculatie. Het Enten geschiedt aller bequaamste op zijns gelijk, te weeten, op een wilde Peerestam van een korle voort gekoomen, in het Voorjaar met een afgaande Maane van de Maart gezaait zijnde geweest, gelijk hier vooren van de Appelboom gesprooken is: Want hier in een rechte vereninge der beide Natuiren gezien wordende, werdt ook een smaakelijker vrucht voort gebragt; Maar daar in de zelfde een verscheidentheit is, gaat niet alleene de Ente quaalijker aan, maar geeft ook een onaangenaamer vrucht, door des Ents, ende des Booms, daar hy opgezet wordt, strijdende Natuire. Moet ook op de zelfde maniere in het zaaijen der korlen, besnoeijen des bloeizels, tegen de zwarte Vliegen en Rupzen gehanteert ende gecultiveert worden.

Daar en booven zal men ook alhier gedachtig zijn, dat nieuws afgesneedene Enten niet terstont moeten worden ingezet; want zy swellen eer zy gevat hebben, waar door zy haare natuirlijke vochtigheit verliezen, ende mettertijd verdroogen. Men moet ook geen Ent steeken op een jonge Boom, ten zy hy een jaar te vooren gezet is: Want eerst wortelen geschooten hebbende, neemt zy de zelfde beter aan, die ook krachtiger daar naa groeit, en bequaamer vruchten geeft, doch hoe naader aan de grond, of wortel, hoe beter en sterker, hoe hooger, hoe swakker,

Wil Iemant Enten op andere plaatzen verzenden, die steekze in frisse Potaerde, in een Raape, ofte Dooze met nat Zand, zoo verblijven zy lange goed.

De Inoculatie geschiedt in het laetste van Julius, op jonge looten, by de wortel of aan de stam uitgeloopen, een handt breedt de eene booven de ander, ofte op jonge Boomtjes zelver door korlen voort gekoomen, die haare hartwortel noch hebben, ofte reeds benoomen is, het welke verre weg best is, vermits de zelfde grooter en schoonder vruchten geeven; de welke als zy aangegaan zijn, ende het volgende voorjaar beginnen uit te schieten, booven worden afgesneeden tot op een vinger breedt na aan de boovenste Inoculatie, zonder eenige andere uitschietende [20] looten daar aan te laaten verblijven, zouden anders het voetzel na haar trekken, ende dユ Oculatie daar van berooven.

Deze ge貧oculeerde Boomkens moeten niet worden verzet voor het tweede jaar daar na, als zy uitgeschooten hebben, komen anders zeer licht te vergaan, gelijk het zelfde de daagelijksche eervarentheit genoegzaam leert. Ook moet men Oogen nemen van een weldraagende Boom, die men in een ander te zetten gedenkt.

Wil iemant eene dezer Boomen, ofte ook een ander, van wat soorte hy zijn mag, opneemen zonder eenige perijkel, ende met een afgaande Maane verplanten, die knijpe eerst met de naagelen zijnder twee voorste vingeren aan de bast, ende voele ofte zy los, ofte vast zit, is zy los, zoo moet hy in geene manieren worden gerept, of versterft zonder eenige faute, maar is zy vast aan zijn hout, zoo mag het zonder ongeleegentheit geschieden, alwaar het in April, zal ook niet vergaan, noch eenige Boomen alzoo verplant, maar wel ter contrarie des te beter groeijen, vermits hy dan als geen zap en heeft. Dit gebeurt alle Boomen tweemaal in ユt jaar, op welke tijd men goede acht moet geeven, die geen Boomen verliezen, maar dezelfde wel doen voortkoomen wil.

Deze alzoo opgenomen, moet van zijne top meer dan de helfte, ende een weinig aan alle de punten zijner wortelen gesnoeit zijn, moet ook goede zorge worden gedraagen, dat de aerde over al aan de wortelen koomen te geraaken, op dat geen holligheit daar tusschen verblijve, want de wortel schimmelt aldaar, en is den Boom merkelijk schaadelijk. Moet ook wederom geplant zijn, gelijk zy te vooren gestaan heeft, doch een weinig dieper, te weeten, die zijde na de Zonne, die na de zelfde gestaan heeft, met een afgaande Maane voor de Middag, voornamelijk als zy booven de aerde is (zoo het geschieden kan: want zy geeft als dan een meerder en volkoomener kracht aan alle gewassen des aerdrijks, van dat Climaat) in de Maant van November, December, Februarius, ofte Maart, maar niet op dien Dag als daar een eclips is: Want al het geene, welke als dan verzet, geplant ofte gezaait wordt, het zy van Boomen ofte Kruiden, is gemeinlijk des doods eigen, vergaat ende versterft van lankzaamer hand, wordt zelden wederom groen, ofte koomt swaarlijk weer tevoorschijn.

Daar en booven, zoo eene dezer, ofte van andere Boomen geplant zijnde, versterft, moet men op de zelfde plaatze voor het derde jaar daar na geen andere wederom zetten: Ofte indien het alzoo moet geschieden, vermits het een jegelijks geleegentheit niet en prefenteert, zoo lange de plaatze leedig te laaten; zoo zal men die aerde, daar in zy is uitgegaan, gansch wech doen, het gat, ofte kuile veele grooter in ユt ronde uitgraaven, met nieuwe aerde vullen, ook met twee jaarige oude Koeijemest wel doormengen, ende verzien. Indien het alzoo niet en geschiedt, zal men bevinden, dat de Boom, welke in die zelfde plaatze [21] gezet wordt, niet alleen lichtelijk wederom zal koomen te versterven, maar ook de tweede, derde, en vierde daar na; gelijk my op verscheidene tijden, ende meer andere geschiedt en overgekoomen is.

 

 (Pyrus communis cvユs.)Perenboom,  in Latijn Pyrus, op Hoogduits Birnbaum en op Frans poyrier. Hiervan worden overal zeer veel veranderlijke soorten gevonden die hier te alle verhalen vanwege het grote getal onnodig is en ook omdat de peer op verschillende plaatsen andere namen heeft.

Ze houdt van een gewone en van natuur een steenachtige grond die goed met oude koeien- en paardenmest en zand gemengd is vooral als de aarde hard of kleiachtig is. Een open, luchtige en vrije plaats, veel vochtigheid en wil graag vaak met water begoten worden als ze net geplant is totdat ze goed zijn aangeslagen en genoeg wortels hebben. Doch zal men gedenken dat als de grond van zichzelf vochtig is men alleen oude paardenmest gebruiken moet, als ze van natuur droog is moet men alleen koeien- en varkensmest gebruiken omdat de paardenmest dan te heet zou zijn en de boom laten sterven, vooral als er teveel op de wortels komt te leggen waar men niet alleen bij deze boom maar ook bij alle andere bomen op letten moet.

Is winterhard en brengt voort rijpe vrucht zowel in de zomer als in de herfst. Wil ook graag van mos en andere ongerechtigheid van de bast of schors in het voorjaar gezuiverd worden en in februari van zijn overvloedige takken, zoals van de appelboom gezegd is, met een afgaande maan gereinigd worden. [19]

De vrucht of peer hiervan moet met droog weer met handen geplukt worden en zo het geschieden kan met een volle maan, vooral de herfst- of winterperen die dan veel duurzamer zijn en ook smakelijker worden en eerst hun rechte aard en geur krijgen als daar enige malen de nevel of een kleine nachtvorst over gekomen is.

Moeten ook op een droge en luchtige plaats net zoals de appels bewaard en niet op elkaar gelegd worden zodat men niet alleen deze maar ook zomerperen lang bewaren mag.

Deze boom wordt vermeerderd en gecultiveerd door drie verschillende manieren, te weten: Eerst, door de kunst van enten. Ten tweeden door het zaaien van de korrels. Ten derden door manier van oculatie.

Het enten gebeurt het best op een van zijn eigen soort, te weten: op een wilde perenstam van zaad voortgekomen die in het voorjaar met een afgaande maan van maart gezaaid is zoals hiervoor van de appelboom gesproken is. Want hierin is een echte vereniging van beide naturen en krijg je ook een smakelijker vrucht. Maar als daar in een verschil is slaat niet alleen de ent moeilijker aan, maar geeft ook onsmakelijker vruchten vanwege de strijdende naturen van de ent en boom. Moet ook op dezelfde manier in het zaaien van de zaden, snoeien van bloem en tegen de zwarte vliegen en rupsen als de appel geteeld worden.

Daarboven moet men ook bedenken dat de net afgesneden enten niet direct ingezet moeten worden, want ze zwellen op voor ze aanslaan waardoor ze hun natuurlijke vochtigheid verliezen en met de tijd verdrogen. Men moet ook geen ent steken op een jonge boom, tenzij die een jaar tevoren gezet is. Want als die eerst wortels gemaakt heeft zal het die ent beter aannemen en later krachtiger groeien met betere vruchten, maar hoe dichter bij de wortel of grond de ent staat hoe beter en sterker en hoe hoger hoe zwakker.

Wil iemand enten naar andere plaatsen sturen die steekt ze in frisse potgrond, in een raap of een doos met nat zand, dan blijven ze lang goed.

De oculatie gebeurt eind juli op jonge loten die bij de wortel of de stam uitgelopen zijn, een tien cm de ene boven de andere. Of op jonge boompjes die van zaad zijn voortgekomen en hun penwortel noch hebben of al afgesnoeid is, wat verreweg het beste is omdat die grotere en mooiere vruchten geven. Als de enten gezet zijn en het volgende voorjaar beginnen uit te schieten worden ze afgesneden tot een cm boven de hoogste oculatie zodat daar geen oog meer is van de oude boom, [20] ze zouden anders het voedsel naar zich trekken en de oculatie daarvan beroven.

Deze geoculeerde boompjes moeten niet voor het tweede jaar daarna worden verzet als ze uitgeschoten zijn, vergaan anders gemakkelijk zoals de dagelijkse ervaring voldoende leert. Ook moet men ogen nemen van een goede dragende boom die men in een andere zetten wil.

Wil iemand een van deze bomen en van welke soort het is opnemen wil zonder enige moeilijkheid en met een afgaande maan verplanten die knijpt eerst met de nagels van zijn twee voorste vingers aan de bast en voelt of die los of vast zit, is ze los dan moet die niet verzet worden of hij sterft, maar is die vast aan zijn hout dan kan het zonder problemen gebeuren al was het in april en zal daartegen des te beter groeien omdat hij dan geen sap heeft. Dit gebeurt met alle bomen tweemaal in het jaar op welke tijd men goed moet letten die geen bomen wil verliezen maar die goed wil laten groeien.

Deze alzo opgenomen moet van zijn top meer dan de helft en wat aan alle de punten van zijn wortels gesnoeid worden. Er moet ook goed op gelet worden dat de aarde overal tussen de wortels komt zodat er geen holte tussen blijft want de wortel schimmelt daar en is de boom opmerkelijk schadelijk. Moet ook weer geplant worden zoals ze tevoren gestaan heeft, doch wat dieper, te weten, die zijde naar de zon zoals eerst die kant naar de zon gestaan heeft en met een afgaande maan voor de middag en voornamelijk als de maan boven de aarde is (zo het geschieden kan want ze geeft dan meer en volkomener kracht aan alle gewassen van dat aardrijk in dat klimaat) in de maand november, december, februari of maart, maar niet op die dag als daar een eclips is. Want alles wat dan verzet, geplant of gezaaid wordt, hetzij van bomen of kruiden, gaat gewoonlijk dood en vergaat langzamerhand, wordt zelden weer groen of komt moeilijk weer te voorschijn.

Daarboven, zo een van deze of van andere bomen die geplant is dood gaat moet men op dezelfde plaats voor het derde jaar daarna geen andere er weer inzetten. Of indien het alzo moet geschieden omdat iedereen die gelegenheid niet heeft, moet men die plaats die plaats leeg laten en zal men de aarde waar die dode plant uitgegaan is er uit halen en het gat of kuil veel groter rondom uitgraven en met nieuwe gemeste aarde aanvullen. Als dit zo niet gebeurt zal men bevinden dat de boom die in diezelfde plaats [21] gezet wordt niet alleen gauw dood zal gaan, maar ook het tweede, derde en vierde jaar daarna net zoals bij mij op verschillende tijden en meer andere gebeurd is.

 

 

Samenvatting.

Een dode boom kan dood gegaan zijn vanwege een schimmel. Plant je er dan weer een nieuwe boom in, dan krijgt die ook last van die schimmel en sterft. Dus geen bomen planten op plaatsen waar de vorige door zijn gegaan of een zeer grote kuil maken er  frisse grond in doen.

Die holtes tussen de wortels zijn schadelijk, maar vooral omdat de wortels geen contact maken met de grond. Plant de boom dus in de grond en tril en schudt de wortels zodat daartussen die ruimte geheel met grond opgevuld wordt.

De verschillende soorten worden van zaad gekweekt. Zaden stratificeren vanaf september/oktober en in maart zaaien.

Is dit aanwezig dan wordt er ge創t op zaailingen van de wilde peer, Pyrus communis.

Velen van de bekende waardevolle soorten danken we aan de Belgische ooftzoekers. Die hebben door cultuur en meer nog door toevallige kruisingen voor vermeerdering van onze perensoorten bijgedragen. Men neemt zaailingen als men krachtige planten wil enten voor het vormen van hoogstammen en kwee als het in de bedoeling ligt om planten te krijgen, die minder snel moeten groeien en spoedig vruchten moeten voortbrengen. Men beschikt over verschillende kweeonderstammen die zich onderscheiden in groeikracht. Meestal gebruikt men slechts 2 typen, namelijk type A en type C, waarvan C de zwakste is. Die is ook gevoelig voor vorst, maar vroeger vruchtbaar, brengt meer op per ha en is fijner van smaak. Meestal is die ook resistenter tegen schurftziekte. Niet alle var. van peer verenigen zich goed met de kwee. Wenst men nu de goede resultaten van de kwee onderstam te combineren met goede verenigbaarheid dan maakt men gebruik van daarvoor geschikte tussenstammen. Op de kwee ent men dan eerst een andere ent waarop dan weer de te wensen peer ge創t wordt. Slecht op kwee groeit ヤClapps Favouriteユ.

 

Kweeboom, Cydonia.

 

Het IX. Capittel. 

QUEEBOOM.

 

Deze welbekende Boom wordt in ユt Latijn genoemt MALUS CYDONIA, na een oude, en nu vervallene Stad in Candien gelegen, ofte ook wel MALUS COTONEA. Op Hoogduitsch QUITTENBAUM, ofte KITTENBAUM. Ende in ユt Francois COIGNACIER.

Hier van zijn my in haare aart en natuire bekend twee bezondere soorten, te weeten MALUS CYDONIA, QUEEAPPEL, ende PYRUS CYDONIA, ofte QUEEPEERE; Beide van een en de zelfde Culture.

Zy lieven een gemeine vochtige, en wel gemeste grond, een luchtige opene plaatze, en zeer veele waters in warme of drooge tijden, vermits door het zelfde haare vruchten worden groot gemaakt, ende tot een haastiger volkoomenheit gebrocht. Worden daarom van veelen in de Maant van November ofte Maart, met een wassende Maane, aan de waterkanten gestelt; wiens vruchten van een aanzienlijke groote gezien worden, by aldien men den eenen Queeboom, op den ander, van een Korl voort gekoomen, ende van zijne hertwortel ontbloot zijnde (als van de Appel, en andere Boomen gezegt is) doet Enten, het welke met een wassende Maane van de Maart gevoechelijk geschiedt: zy groeijen ook haastig voort, ende verkrijgen eerst haare rechte geur, rijp- ende geel-heit, als de nachten lank, koel, ende neevelig zijn: welke lange goed bewaart moogen worden, indien Iemand dezelfde met de handen (zoo het doenelijk is) in droog weeder met een volle Maane van October afneemt, met een schoone doek alle haare ruigheit ofte wolligheit afwrijft ende in droog Zaagmeel ofte zand, op een drooge plaatze, twee ofte drie daagen daar na nederlegt, dat zy malkanderen nochtans niet en koomen te geraaken, zoo verblijven zy lange goed; steeken anders niet alleeene malkanderen aan, maar ook alle andere vruchten by de welke zy gelegt worden: Zy blijven ook lange goed in Potaerde bewonden weezende.

Heeft Iemand lust om deze gezonde, versterkende endユ aangenaame vruchten een geheele jaar goed ende smaakelijk  te behouden, die doe daar mede als volgt: Neemt goede ongeschonden Queeappelen, ofte Queepeeren, zoo veele gy wilt, schildtze dunnetjes af, snijdtze in het midden door in ユt twee stukken, ende neemt alle de korlen, ende het witte of de huiskens van dien daar zuiver ende wel uit, dat daar [22] van het minste niet en verblijve, legtze dan in een pot met regen water, ende laatze even opwellen, ofte de zoode daar over gaan, neemtze dan daar uit, ende laatze op een houten tafel ofte plank kout worden; neemt dan alle de schillen, ende die uitgenoomene korlen, al waaren daar ook stukken van kleine Queen, die men doch niet gebruiken kan, by, waar ook niet quaad, smijtze al te zaamen in het water, daar de Queen in opgewelt geweest zijn, ende laat het zaamen tot op de helfte zieden, daar na het zelfde gansch koud worden, neemt dan de opgezoodene koude Queen, legtze in een groot glas ofte hartgebakkene steenen pot, ende giet het nat zoo lange gekookt daar over, dat zy daar in bedekt koomen te leggen, zetze dan op een drooge plaatze, ende neemt daar uit, als het u believen en goed dunken zal.

 

(Cydonia vulgaris, kweepeer en kweeappel, zijn naar hun vorm zo genoemd) Kweeboom, in het Latijn Malys cydonia, naar een oude vervallen stad in Kreta gelegen, ook wel Malus Cotonea, in Hoogduits Quittenbaum of Kittenbaum, in Frans Coignacier.

Hiervan zijn me in hun aard en natuur twee bijzondere soorten bekend, te weten: Malus cydonia, kweeappel, en Pyrus cydonua, kweepeer. Beide van een en dezelfde cultuur.

Ze houden van een gewone vochtige en goed gemeste grond, een luchtige en open plaats en zeer veel water in warme of droge tijden omdat daardoor hun vruchten groot en sneller volkomen worden. Worden daarom van velen in de maand november of maart met een wassende maan aan de waterkanten gezet. Ze worden zeer groot gezien als men de ene kweeboom op een andere ent die van zaad is voortgekomen en van zijn penwortel beroofd is. (als van de appel en andere bomen gezegd is) Het enten kan het beste met een wassende maan van maart gebeuren, dan groeien ze snel voort. Ze krijgen eerst hun rechte geur, rijpheid en gele kleur als de nachten lang, koel en nevelig zijn. Ze kunnen lang goed bewaard worden als je ze met de handen (als het kan) in droog weer met een volle maan van oktober er afneemt en met een schone doek al haar ruigte of wolligheid afwrijft en daarna twee of drie dagen daarna in droog zaagsel of zand op een droge plaats neerlegt zodat ze elkaar niet aanraken, dan blijven ze lang goed, anders steken ze niet alleen elkaar aan, maar ook alle andere vruchten die daarbij liggen. Ze blijven ook lang goed geheel in potaarde gedaan.

Heeft iemand lust om deze gezonde, versterkende en aangename vruchten een heel jaar goed en smakelijk  te houden die doet daarmee als volgt: Neem goede ongeschonden kweeappelen of kweeperen zoveel je wil, schil ze dunnetjes af en snij ze midden door in twee stukken en neem alle zaden en het witte of huisje er goed uit zodat daarvan niets overblijft, [22] leg ze dan in een pot met regenwater en laat ze even opwellen of koken, neem ze dan daaruit en laat ze op een houten tafel of plank koud worden. Neem dan alle schillen en de er uitgenomen korrels al waren daar ook stukken van kleine kwee bij die men toch niet gebruiken kan, doe dat alles tezamen in het water waar de kwee in gekookt is of te wellen lagen en laat het tezamen tot op de helft inkoken en als het daarna geheel koud geworden is neem dan alle gekookte kwee創 en leg ze in een groot glas of hard gebakken stenen pot en giet het nat dat zolang gekookt is daarover zodat ze geheel bedekt worden, zet ze dan op een droge plaats en neemt daaruit als het u belieft en goed lijken zal.

 

Samenvatting.

Vermeerderen door winterstek, een nadeel is dat in sommige winters de planten soms tot in de wortel bevriezen. Of oculeren op ヤKwee MAユ, Crataegus of Sorbus.

 

Amandel, Prunus.

 

Het X. Capittel. 

AMANDELBOOM.

 

Op Nederlants alzoo genoemt, wordt in ユt Latijn gezegt AMIGDALUS; Op Hoogduitsch MANDELBAUM; ende in ユt Francois, AMANDIER. Hier van zijn my in haare aart ende natuir bekent vier onderscheidene soorten, te weeten; AMYGDALUS VULGARIS, FRUCTO AMARO, gemeine AMANDELBOOM, met een bittere vrucht: FRUCTU DULCI, met een zoete vrucht: FRUCTU DULCI MOLLIORI PUTAMINE, met een zoete vrucht, en weeke schel; ende AMYGDALUS PUMILA, ofte NANA, kleine ofte leege AMANDELBOOM. Niet alle van een ende de zelfde Natuire. Zy lieven nochtans alle een zandige gemeine drooge grond, met een weinig twee jaarige oude Koeijemest, ende geen andere doormengt; want indien Iemand Paerdemest, oude ofte jonge daar by quam te doen, ofte ten naasten by daar omtrent woude leggen, zouden zy daar na lichtelijk onvruchtbaar worden, ofte ten minsten eenige jaren zonder vrucht verblijven; vermits zy aan die zelfde, een merkelijke afkeer te hebben bevonden werden, inzonderheit alle de groote AMANDELBOOMEN, die ook veele weiniger waters, dan de kleine verdraagen mogen: Zy beminnen ook een opene luchtige, en warme plaatze: bloeijen zeer schoon in ユt voorjaar, ende geeven in de Herfst een volkoomen rijpe vrucht, gemeinlijk alle jaaren; verdraagen taamelijk de koude des Winters, uitgenomen die vruchten met een weeke schelle, ofte Kraakamandelen voort brengt, welke door harde Vorsten in deze landen lichtelijk koomt te versterven; worden ook wel door de zelfde, inzonderheit door veele Nevels, die zy niet lijden konnen, dikwijls aan haare takken beschaadigt, moogen ook niet in deze gewesten, dan door [23]haare voort na de volle Maane gezaaijde vruchten aangeteelt, ende vermeerdert worden, hoewel het ook door Inoculatie geschieden kan.

Doch de AMIGDALUS NANA, ofte KLEINE AMANDELBOOM, ter nauwer nood vier voeten hoog opschietende, wordt door zijne by de wortel uitloopende jonge veelvoudige scheutkens genoegzaam vermenigvuldigt, die men met een afgaande Maane in de Maart, November, ofte Februarius, van zelver gewortelt zijnde, van dユ ouden afneemt, ende verplant; is van natuire harder dan de groote, geeft een zeer schoone bleekroode veelvoudige bloeme, een bittere vrucht, gelijk de geseide, warm geplant zijnde, ende mag ook meerder vettigheit verdraagen.

Die bittere vruchten dezer boomen worden zoeter gemaakt, indien men booven op haare wortelen Verkensmest doet, de zelfde met aerde overstroit, ende met koude Kaamerlooge te mets begiet, waar door zy niet alleene van smaak zoeter, maar ook de boomen zelver weldraagender gemaakt worden, inzonderheit zoo het eenige achter malkander volgende jaaren geschiedt.

 

(Prunus dulcis, er zijn bittere en zoete amandelen. Verder is er de knak- of kraakamandel met een licht breekbare steenschaal. Prunus tenella is de dwergamandel) Amandelboom, in Latijn Amigdalus, in Hoogduits Mandelbaum en in Frans Amandier. Hiervan zijn me in haar aard en natuur vier te onderscheiden soorten bekend, te weten; Amydalus vulgaris, fructo amaro, gewone amandelboom met een bittere vrucht. Fructu dulci, met een zoete vrucht. Fructu dulci molliori putamine, met een zoete vrucht en weke schil. Amydalus pumila of Nana, kleine of lage amandelboom. Niet alle van dezelfde natuur.

Ze houden nochtans alle van een gewone zandige droge grond met wat tweejarige oude koeienmest en geen andere doormengt, want indien iemand er oude of jonge paardenmest bij doet of er dichtbij legt zouden ze daarna gemakkelijk onvruchtbaar worden of tenminste enige jaren zonder vrucht blijven omdat ze daaraan een opmerkelijke afkeer hebben, vooral de grote amandelbomen die ook veel minder water dan de kleine verdragen mogen. Ze beminnen ook een open luchtige en warme plaats. Bloeien in het voorjaar zeer mooi en geven gewoonlijk alle jaren in de herfst een volkomen rijpe vrucht. Zijn redelijk winterhard, uitgezonderd die vruchten met een weke schil of kraakamandelen voortbrengt welke hier door harde vorst makkelijk dood kan gaan, ze worden daardoor vooral door de vele nevel waar ze niet tegen kunnen vaak aan hun takken beschadigd. Ze mogen hier ook niet dan [23]hun na de volle maan gezaaide vruchten vermeerderd worden, hoewel het ook door oculatie geschieden kan.

Doch de Amigdalus nana of kleine Amandelboom die nauwelijks 120cm hoog opschiet wordt door de vele bij de wortel uitlopende scheuten voldoende vermenigvuldigd die vanzelf wortelen en je met een afgaande maan van maart, november of februari van de ouden neemt en verplant. Deze is van naturen harder dan de grote, geeft een zeer vele mooie bleekrode bloemen en een bittere vrucht gelijk de vermelde als ze warm geplant is, kan beter tegen mest.

De bittere vruchten van deze bomen worden zoeter gemaakt als men boven op hun wortels varkensmest doet en daar aarde op strooit en af en toe met toiletwater begiet waardoor ze niet alleen van smaak zoeter, maar ook de bomen meter vrucht geven en vooral als het enige jaren achter elkaar geschiedt.

 

Samenvatting.

De amandel is hier niet geheel winterhard.  Met te veel mest gaan ze meer in blad groeien en minder bloeien dus minder vruchten.

Amandelbomen zijn meestal ge創t op de onderstam St. Julien.

Vermeerderen door winterstek, een nadeel is dat in sommige winters de planten soms tot in de wortel bevriezen.

 

Kersenboom, Prunus.

 

Het XI. Capittel.

KERSEBOOM. 

 

Wordt ook wel op Nederlansch KRIEKEBOOM, ende in ユt Latijn CERASUS, na de stat Cerazus in Asia leggende, daar zy eerst van daan gebragt is, genoemt. Op Hoogduits KIRSCHENBAUM. Ende in ユt Francois CERISIER.

Hier van zijn veele, en zeer veranderlijke soorten door naerstige Culture voort gekomen, te vinden, ende een jegelijk genoegzaam bekent: uitgezondert die met een groene vrucht, in ユt Latijn CERASUS FRUCTU VIRIDI gezegt. Ende CERASUS PUMULA RACEMOSA FLORE ODORATO, ofte LEEGE KARSEBOOM met zeer welriekende Bloem waar van veele troswyze by malkander hangen, beide tot noch toe niet zeer bekend, doch veel geacht.

Zy lieven alle een oopene, vrije, en wel te Zonne geleegene plaatze, een gemeine luchtige, met zand gemengde, ende van natuire een vochtige grond met weinig ofte geen Mest, inzonderheit die versch is, vermengt, vermits zy dezelfde niet moogen verdraagen; veele waters, voornamelijk des Zomers, want zy is op die tijd haar aangenaam, ende zeer vervrissende, geeven alle jaaren volkoomene vrucht, verdraagen sterke koude, ende alle ongeleegentheit des Winters.

Deze soorten van Boomen moogen alle in deze gewesten door vier bezondere weegen aangeteelt, ende vermenigvuldigt worden. Eerstelijk [24] door maniere van Zuigen, het welke in ユt midden van de Maart, met een wassende Maane, in winterstammen, van korlen voort gekoomen zijnde, geschiedt. Ten tweeden, door konst van steeken op de zelfde stammen, moetende in het laetste van Februario met gezeide Mane gedaan zijn, ende niet op Morelle stammen, want zy daar toe veele slimmer, ende ook haastiger te versterven bevonden worden. Ten derden, op volgende wijze.

Plukt met u handt de grootste, en schoonste Kersen niet al te rijp met een volle Maane, legt ze weg op een drooge plaatze, tot dat de Maane wederom vol is, neemt dan de steenen daar uit, laatze een weinig droogen, ende bewaartze wel voor de Vorst, tot de naastkoomende Maart, steekt de zelve dan een vinger breed diep in goede grond een dag ofte vier na de volle Maane. Opgekoomen weezende, laatze op de zelfde plaatze drie jaaren lank verblijven; graaftze als dan op, ende beneemt haar met een mes de geheele recht neerschietende hertwortel, tot aan de boovenste zijdwortelen toe, legt dan op die afgesneedene plaatze Was, op dat het zap, daar zijn behoudenisse in bestaat, niet koome uit te vloeijen, ende zetze met een afgaande Maane van de Maart waar gy wilt, ende niet in de Herfst, om haar tederheits wille, altijd de punten der grootste wortelen een weinig afsnijdende, zoo zult gy daar van zoo goede vruchten gewinnen, als gy zelver begeeren moogt. Ten vierden, door konste van Inoculatie, het welke, indien het met een wassende Maane van May, ofte Junius op deze stammekens van haar hertwortel ontbloot, geschiedt, zal men moogen verkrijgen niet alleen ongemeen groote, maar ook daar van welsmaakende vruchten.

De VOOGEL-KERS in het Latijn CERASUS AVIUM, ofte CERASUS RACEMOSA; ende op Hoogduitsch ELTZENBAUM genoemt: bemint een wel gemeste en vochtige grond, geeft wel alle jaaren Bloeme, maar niet altijd in deze landen, ten zy met goede Zomers, volkomen rijpe vrucht; zy wordt nochtans door zijne by de wortel uitloopende jongen genoegzaam vermeerdert, die ingesneeden, ende gewortelt zijnde met een wassende Maane van de Maart verplant worden.

Zy wassen van natuire zeer hoog met een rechte zuivere stamme opwaarts; geeven nochtans een licht, voos, ende slecht hout.

Wil Iemant KERZEN niet alleen in de Zomer, maar ook door de geheele Winter goed, om in spijze gebruikt te konnen werden, bewaaren, die neeme een hard gebakken Pot, en legge daar in dezelfde niet al te rijp, met een volle Maane, ofte voort daar na, zuiver, zonder eenige kniezinge afgeplukt, ende van de meeste deel zijnes steels met een scheertje ontbloot, giete daar op heete Wijn, tot datze daar in bedooven zijn, bedek dan de zelfde, als zy kout geworden is, met een dunne boom van gesmoltene booter, en bewaartze op een drooge [25] plaatze daar ユt niet en vriest, en gebruike als ユt hem belieft; altijd de uitgenomene booter (op dat geen lucht daar by en koome) wederom gesmolten nieuws over gietende; zoo zullen zy een geheel jaar zomtijts goed verblijven moogen.

 

(Prunus cerasus, de geurende is wel Prunus mahaleb, morel is de cv. メAusteraモ, vogelkers is Prunus avium) Kersenboom of kriekenboom heet in Latijn Cerasus naar de stad Cerasunt die in Azi ligt en vandaar gebracht is, in Hoogduits Kirschenbaum en in Frans cerisier.

Hiervan zijn vele en zeer veranderlijke soorten door vlijtige cultuur voortgekomen en iedereen voldoende bekend, uitgezonderd die met een groene vrucht die in het Latijn Cerasus fructu viridi heet. En Cerasus pumula racemosa flore odorato of lage kersenboom met zeer welriekende bloemen waarvan vele trosvormig bij elkaar hangen, beide tot noch toe niet zeer bekend doch veel geacht.

Ze houden van een open, vrij en zonnige plaats, een gewone luchtige met zand gemengde en van natuur een vochtige grond met weinig of geen mest vermengt, vooral geen verse mest omdat ze die niet verdragen kunnen, veel water en voornamelijk in de zomer want dat is haar in die tijd aangenaam en zeer verfrissend, geven alle jaren volkomen vrucht en zijn winterhard.

Deze soorten van bomen mogen alle hier door vier bijzondere wegen vermenigvuldigd worden. Eerst [24] door manier van zuigen wat in het midden van maart met een wassende maan in winterstammen van zaden voortgekomen geschiedt. Ten tweeden door kunst van steken op dezelfde stammen, dat moet op het eind van februari met gezegde maan gedaan zijn en niet op morellen stammen omdat ze daarop veel eerder sterven zullen. Ten derden, op volgende wijze:

Pluk met hand niet al te rijpe de grootste en mooiste kersen met een volle maan, leg ze weg op een droge plaats totdat de maan wederom vol is, neem dan de stenen daar uit en laat ze wat drogen en bewaar ze goed voor de vorst tot de volgende maart, steek ze dan een cm diep in goede grond een dag of vier na de volle maan. Opgekomen laat ze op dezelfde plaats drie jaren lang blijven, graaf ze als dan op en beneem met een mes de gehele recht neerschietende penwortel tot aan de bovenste zijwortels toe, leg dan op die afgesneden plaats was zodat het sap waar zijn behoudt in bestaat er niet uitvloeit. Zet ze met een afgaande maan van maart waar ge wil en niet in de herfst vanwege haar zachtheid en altijd de punten van de grootste wortels wat afsnijden, dan zal ge daarvan zulke goede vruchten winnen als ge zelf begeert.

Ten vierden door kunst van oculatie welke, indien het met een wassende maan van mei of juni op deze stammetjes waarvan de penwortel afgesneden is, geschiedt zal men niet alleen ongemeen grote maar ook daar van welsmakende vruchten krijgen.

De vogelkers, in het Latijn Cerasus avium of Cerasus racemosa en in Hoogduits Eltzenbaum genoemd bemint een goed gemeste en vochtige grond, geeft wel alle jaren bloemen, maar hier niet altijd en dan alleen in goede zomers volkomen rijpe vruchten. Ze wordt nochtans door zijn bij de wortel uitlopende jongen voldoende vermeerderd die ingesneden en als ze geworteld zijn met een wassende maan van maart verplant worden.

Ze groeien van naturen zeer hoog met een rechte zuivere stam omhoog, geven nochtans een licht, voos en slecht hout.

Wil iemand kersen niet alleen in de zomer, maar ook door de gehele winter goed om in spijzen te gebruiken bewaren die neemt een hard gebakken pot en legt ze niet al te rijp daarin met een volle maan of verder daarna die zuiver zonder enige kneuzingen afgeplukt en van het meeste deel van zijn steel verwijderd is. Giet daarop hete wijn totdat ze daar in bedolven zijn, bedek die dan als ze koud geworden zijn met een dunne laag gesmolten boter en bewaar ze op een droge [25] plaats daar het niet vriest. Gebruik ze als het je belieft, altijd de uitgenomen boter (zodat geen lucht daarbij komt) wederom gesmolten opnieuw overgieten, dan zullen ze soms een geheel jaar goed blijven mogen.

 

 

Samenvatting.

De kersen worden veelal veredeld op zaailingen van de wilde boskriek. Men heeft hiervan een rood en zwart type. De eerste levert de beste onderstammen. Bedenk dat de meeste kersensoorten zelfsteriel zijn, dus gecombineerd moeten worden met typen die stuifmeel leveren met bevruchtende eigenschappen.

Zuigen is eigenlijk een aan een kant wat geschrabde bast tegen een andere aan leggen, met elkaar verbinden en vast laten groeien.

Enten of steken is  van de goede boom een stuk af te snijden met enkele knoppen eraan, die schuin af te snijden en te zorgen dat het cambium zoveel mogelijk aan elkaar aansluit op de ook schuin afgesneden onderstam. Het liefste zijn beide kanten even dik.

De kersen worden meestal door oculatie voort gekweekt. Oculeren is met een knop (oculus =oog) met een stukje bast in een T snede onder de bast tegen het cambium van de onderstam te leggen wat meestal in de zomer gebeurt.

 

Het XII. Capittel.

CORNOELLIE BOOM.  

 

Wordt in ユt Nederlantsch met deze ende geen andere Naame genoemt. Op Latijn CORNUS. In ユt Hoogduitsch CORNELBAUM, ofte WELSCH KIRSEN. Ende op Francois CORNILLIER. Hier van zijn my in haare aart ende Natuire kenbaar geworden drie bezondere soorten, te weeten: CORNUS MAS FRUCTU RUBRO, CORNOELLIEBOOM MANNEKEN met een roode vrucht. CORNUS MAS FRUCTU ALBA, CORNOELLIEBOOM MANNEKEN met een witte vrucht. Ende CORNUS FOEMINA, ofte COERNOELLIEBOOM WYFKEN, die ook van zommige CORNUS SYLVESTRIS ofte WILDE CORNOELLIEBOOM gezegt is. Alle van een, ende de zelfde Culture.

Zy beminnen een gemeine zandige, zoo wel als kleijige, gemeste, als ongemeste, vochtige ofte een tamelijk drooge grond, veele of weinig waters; een oopenen luchtige liever, als een donkere of schaaduachtige plaatze; bloeijen niet alleen alle jaaren vroeg in Maart, maar geeven ook volkomen rijpe vrucht; verdraagen sterke koude, ende alle ongelegentheit des Winters, worden ook van natuire zeer oud.

Zy worden niet alleen door de harde korlen des vruchts, die men met een afgaande Maane van de Maart, op een donkerachtige plaatze, in een gemeste grond zaait, daarze twee jaaren verblijven eerze opkoomen, maar ook door haare by de wortel ofte eeven booven de aerde uitloopende jonge schuetkens, (*)die men ten halven, op de maniere der ANGELIEREN, insnijdt, met aerde aanvult; ende alzoo, oft; ook wel van zelver wortelen vatten, vermenigvuldigt: welke men op gezeide tijd, en Maane, de wortel twee jaarig zijnde, van de ouden afneemt, ende verplant.

De CORNUS FOEMINA, ofte CORNOELLIEBOOM WYFKEN, bloeit wel alle voorjaaren, doch veel laater als de COERNOELLIEBOOM MANNEKEN, geeft nochtans, in deze Landen noit enige vrucht, waar doorze van veelen WILDE CORNOELLIEBOOM gedoopt geworden is, maar niet te min door gezeide uitloopzelen genoegzaam aangeteelt, ende vermeerdert gemaakt zijn. [26]

 

 

(Cornus mas, Cornus sanguinea) Kornoelje, in Latijn Cornus, in Hoogduits Cornelbaum, en in Frans Cornillier. Hiervan zijn me in haar aard en natuur drie bijzondere soorten bekend, te weten: Cornus mas fructu rubro, kornoelje mannetje met een rode vrucht. Cornus mas fructu alba, kornoeljeboom mannetje met een witte vrucht. En Cornus foemina of kornoelje wijfje die ook van sommige Cornus sylvestris of wilde kornoelje heet. Alle van dezelfde cultuur.

Ze houden van zandgrond of kleigrond, gemeste of niet gemeste, vochtige of een tamelijk droge grond, veel of weinig water, liever een open luchtige dan een donkere of schaduwachtige plaats. Bloeien niet alleen alle jaren vroeg in maart maar geven ook volkomen rijpe vruchten, zijn winterhard en worden van naturen zeer oud.

Ze worden vermeerderd door de harde korrels van de vruchten die men met een afgaande maan van maart op een donkerachtige plaats in een gemeste grond zaait waar ze twee jaren blijven eer ze opkomen. Ook door hun bij de wortel of even boven de aarde uitlopende jonge scheuten die men ten halve, op de manier van de anjers, insnijdt en met aarde aanvult die zo of vanzelf wortels maken welke men op vermelde tijd en maan als de wortel tweejarig is van de ouden afneemt en verplant.

De Cornus foemina of kornoeljeboom wijfje bloeit wel alle voorjaren, doch veel later dan het kornoeljeboom mannetje en geeft hier noot een vrucht waarom het door vele wilde kornoelje genoemd word. Wordt evengoed door vermelde uitlopers voldoende vermeerderd. [26]

 

Samenvatting.

De snel groeiende kornoeljeユs zijn via winterstek te vermeerderen. Knip eind februari stengels van snoeischaarlengte, +20cm, onder en boven een knoop. Dan haal je het ondereinde door 1% ibz groeistofpoeder en stek ze ter plaatse 3 bij elkaar en zo diep dat er nog maar een paar cm. van de top te zien is. De bovenste top hoeft alleen maar uit te lopen, de rest verdroogt dan niet en kan overal wortelen. Plaats er een merkteken bij zodat je in mei, dan beginnen ze te groeien, weet waar ze staan.

Ook kan je ze in een diepe pot steken en gewoon buiten neerzetten. Wat plastic eroverheen stimuleert een betere opkomst. Denk dan wel om het verbranden van het stek door de zon. Er moeten altijd waterdruppeltjes op het plastic zitten. Dan worden de zonnestralen tegen gehouden en weet je dat de luchtvochtigheid hoog genoeg is. Met warm weer luchten, halfweg mei kan je het plastic er af halen. Bij sommige planten is het gewenst dat ze een struikvorm hebben of meer vertakt moeten zijn. Top de eerste scheuten dan in mei op een 5-10cm boven de grond. Geef dan ook (kunst)mest.

Cornus mas kan heel goed gezaaid worden, na stratificatie vanaf juli, bedekken, kan na 2 jaar nog opkomen.

Cornus alba ヤSibiricaユ, en de bonte vormen worden meestal afgelegd. Buig de onderste twijgen naar beneden, maak een kuiltje, zorg dat de top rechtop komt, bindt die vast aan een piket. Zorg dat de grond daar voldoende vochtig blijft, na 1 groeiseizoen afsnijden van de ouderplant en oppotten.

Afleggers wortelen vaak pas voldoende het tweede jaar.

 

Het XIII. Capittel.

CASTANIE BOOM.

 

Op Nederlantsch alzo genoemt, wordt in ユt Latijn gezegt CASTANEA: Op Hoogduitsch CASTENBAUM, en in ユt Francois CHASTAIGNIER. Hier van zijn my in haare aart ende natuire bekent twee onderscheidelijke soorten, te weeten: CASTANEA VULGARIS, GEMEINE CASTANIENBOOM, ende CASTANEA EQUINA, ofte PAERDE CASTANIE; in ユt Hoogduitsch ROS KESTEN, ende op Francois CHASTAIGNE DE CHEVAL geheeten. Beide van een en de zelfde Culture.

Zy beminnen een goede luchtige, en wel gemeste grond, een opene vrije plaatze, veel waters, willen daarom geerne aan haare wortelen beschaaduwt zijn, op dat de vochtigheit van de zelfde door der Zonnen-straalen niet haastig weg genoomen, ende zy alzoo droog gelaaten worden; moeten nochtans met haare top en takken geheel voor de Zonne open en zonder enige schaaduw verblijven, vermits zy groote hitte, om des vruchts wille, zeer geerne genieten; verdraagen tamelijk strenge Vorst, ende andere ongeleegentheit des Winters, doch wordt de gemeine CASTANIENBOOM te mets door de zelfde van zommige takken berooft, ende zeer beschaadigt; geeft ook in deze Landen zelden, ten zy met heete Zomers rijpe vrucht.

De PAERDE CATANIE, sterke Vorsten beeter verdraagen moogende, geeft alle voorjaaren in de Maant van May een schoone opstaande, en lankgetroste Bloeme, van een aanzienelijke witte couleur, met eenige roode puntkens, ofte knoppkens inwendig verciert, doch noit in deze Gewesten enige rijpe vruchten: Door de welke zy nochtans zeer gevoeglijk, ende veel bequaamer, als haar uitschietende jonge looten, ingesneeden zijnde, vermeerdert moogen worden; inzonderheit zoo zy met een afgaande Maane van de Maart oftユ April in goede aerde gelegt zijn. Deze opgekoomen weezende, worden tot een zienswaerdige hoogte gebragt, by aldien iemant de zelfde van alle zijne zijdtakken, ende by de wortel uitschietende jonge scheutekens berooft, ende alleene de hertscheute verblijven laat.

Het hout van de Gemeine Castanien Boom, is, om te gebruiken, veel harder en bequaamer, als de Paerde Castanie, hoewel des zelfs blaaderen in verscheidene deelen, op de maniere van Hennep, aardig in ユt ronde verdeelt, die van de Gemeine, verre in schoonheit te booven gaan, ende om onder groove spijze in een schootel gelegt te worden, zeer bequaam gevonden zijn. [27]

 

(Castanea sativa, Aesculus hippocastanum) Kastanjeboom, in Latijn Castanea, in Hoogduits Castenbaum en in Frans Chastaignier. Hiervan zijn me in haar aard en natuur twee te onderscheiden soorten bekend, te weten: Castanea vulgaris, gewone kastanje. Castanea equina of paardenkastanje, in het Hoogduits Ros Kesten en in Frans Chastaigne de cheval. Beide van dezelfde cultuur.

Ze houden van een goede luchtige en goed bemeste grond, een open en vrije plaats, veel water en willen daarom graag aan hun wortels schaduw hebben zodat daar de vochtigheid niet door de zonnestralen weggenomen wordt en zo droog worden. Ze moeten nochtans met hun top en takken geheel in de zon staan omdat ze vanwege hun vruchten graag hitte willen hebben. Zijn  redelijk winterhard, hoewel de gewone kastanje af en toe daardoor beschadigd wordt. Die geeft ook hier alleen met goede hete zomers rijpen vruchten.

De paardenkastanje kan beter tegen de winter en geeft alle voorjaren in mei mooie opstaande lange bloemtrossen  van een aanzienlijke witte kleur met wat rode puntjes of knopjes van binnen versierd, maar hier nooit enige rijpe vruchten. Maar wordt veel  beter door de zaden dan door haar uitschietende jonge loten vermeerderd. Die snij je in en worden met een afgaande maan van maart of april in goede aarde gelegd. Als die opgekomen zijn worden ze tot een aanzienlijke hoogte gebracht als je er alle zijtakken en de bij de wortel uitschietende jonge scheuten er af haalt zodat alleen de hartscheut overblijft.

Het hout van de gewone kastanje is om te gebruiken veel harder en beter dan de paardenkastanje, hoewel diens bladeren in verschillende delen zoals van hennep, aardig in de ronde verdeeld zijn en die van de gewone ver in schoonheid te boven gaan en om onder grove spijzen in een schotel gelegd te worden zeer goed gevonden zijn. [27]

 

Samenvatting.

Opvallend dat de paardenkastanje geen vruchten geeft. Vervolgens zijn ze wel goed door zaad te vermeerderen?

Het zijn vaak grote bomen. Ze wortelen uitgebreid en oppervlakkig tot diep. Toch zijn ze gemakkelijk te verplanten. Ze groeien vrijwel overal en hebben een hekel aan strooizout en luchtverontreiniging. Bij snoeien in het voorjaar kunnen ze bloeden.

Men vermeerdert de soorten door zaaien.

Ook wordt deze plant vermeerderd door afleggers. Een gemakkelijke en simpele manier die vrijwel altijd lukt. Het enigste nadeel is dat de productie niet zo groot is. Buig hiervoor twijgen, in het voorjaar, naar de grond, waar je een kuiltje hebt gemaakt. Leg de twijg erin en zorg dat de top recht omhoog staat. Bindt het desnoods aan. Verwond een oog die in de grond komt, zoals je met je duimnagel zou kunnen doen. Leg er een steen op zodat de twijg niet omhoog komt. Zorg dat het in de zomer voldoende vochtig is. Snijdt ze na een groeiseizoen af van de moedertak en verplant ze.

 

Het XIV. Capittel.

NOOTEBOOM.

 

Wordt niet alleen met deze Naam in ユt Nederlantsch, maar ook van veele WAL-NOOTEN, ende OKER-NOOTENBOOM genoemt. Op ユt Latijn NUX JUGLANS, ofte JOVISGLANS. In ユt Hoogduitsch BAUMNUSZ ofte WELSCHNUSZ.  Ende op Francois NOSIER.

Zy bemint een goede zandige, ende ook een kleijige, wel gemeste grond, een opene luchtige plaatze, veel waters, wordt van eigender aart zeer oudt, geeft alle jaaren volkoomene rijpe vrucht, die liever met een stok afgeslaagen, als met den handen geplukt wil zijn, verdraagt ook felle koude, ende alle ongeleegentheit des tijds: Zy maakt zoo een groote en veelvoudige wortel, dat zy het voetzel van alle kanten alleen na zich trekkende, al het geene daar omtrent geplant staat quijnende versterven doet. Draagt ook zoo een eigen aangeboorne vijantschap tegen den Eikenboom, dat by aldien zy niet verre van malkanderen koomen gezet te worden, eene van beiden zeekerlijk vergaan moet; want haarder beider Natuiren tegen malkanderen strijdende bevonden werden.

Zy wordt niet door enige andere maniere, dan haare eenjaarige Nooten alleeen vermeerdert ende aangeteelt, die men met een volle Maane van de Maart, ofte eenige dagen daar na, het spitze einde neerderwaats, ofte beeter plat, twee vingeren diep, in goede aerde legt.

Deze in ユt licht gekoomen wezende, moeten drie jaaren lang op de zelfde plaatze verblijven, daar na neemtmenze op, snijdt haar af de recht needergaande hertwortel, tot aan de bovenste zijdwortelen toe, ende doet daar op een weinig Was, op dat het zap ofte vochtigheit niet te veel uit en koome te vloeijen, zoo zullen zy voortbrengen niet alleen veelvoudige, maar ook bovenmaaten groote vruchten, in een goede aerde, veertig voeten van malkanderen in de Maart, met een afgaande Maane, ende niet in de Herfst geplant zijnde; dewijle zy lichtelijk door een sterke Vorst daar op volgende, verderven zoude. Heeft Iemant lust om niet alleen deze Walnooten, maar ook Haazenooten, lange goed en fris te bewaaren, die neemt wech haare uitwendige groene schelle, ende legze in een gemeine steenen Pot, stroije daarop een weinig Zouts, maake de zelfde wel toe, ende begraafze een halve voet, ofte wat dieper in de aerde, op de zijde neder leggende, ende neeme daar uit als ユt hem belieft. [28]

 

 

(Juglans regia) Notenboom of walnoten en okernotenboom, in Latijn Nux Juglans of Jovisglans, in Hoogduits Baumnusz of Welschnusz en in Frans nosier.

Ze bemint een goede zandige en ook wel een kleiachtige goed gemeste grond, een open en luchtige plaats, veel water en wordt van zichzelf zeer oud. Geeft alle jaren volkomen rijpe vruchten die liever met een stok afgeslagen dan met de handen geplukt willen worden. Is winterhard. Ze maakt zoユ n grote en veelvoudige wortel dat ze het voedsel van alle kanten naar zich trekt en alles wat daarbij staat al kwijnende laat sterven. Draagt ook zoユn aangeboren vijandschap tegen de eikenboom dat als ze niet ver van elkaar gezet worden een van de twee zeker vergaan moet, want hun beide naturen strijden tegen elkaar.

Ze wordt alleen door haar eenjarige noten vermeerderd die men met een volle maan van maart of enige dagen daarna met het spitse einde naar beneden of beter plat twee cm diep in goede aarde legt. Als die opgekomen zijn moeten ze drie jaren lang op dezelfde plaats blijven, daarna neemt men ze op, snijdt de recht neergaande penwortel tot aan de bovenste zijwortels af en doe daarop wat was zodat het sap of vochtigheid niet teveel wegvloeit. Dan zullen ze niet alleen vele maar ook boven mate grote vruchten geven. Plant ze in goede aarde een 12m uit elkaar in maart met een afgaande maan en niet in de herfst omdat ze dan gemakkelijk door een sterke vorst die daarop volgt sterven zouden.

Heeft iemand lust om niet alleen deze walnoten, maar ook hazelnoten, lang goed en fris te bewaren die doet de groen schil er af en legt ze in een gewone stenen pot en strooit daarop wat zout, maak die goed dicht en begraaf die pot een 15cm diep of wat dieper op de zijkant in de grond en neemt daar uit als het hem belieft. [28]

 

Samenvatting.

Vermeerderen door zaden, stratificeren vanaf oktober, zaaien in maart. Of door veredeling en soms door afleggen. De beste wijze van veredelen is zuigen van moerplanten, enten geeft mindere resultaten.

 

Het XV. Capittel.

 

DENNEBOOM ofte PEKBOOM, ende PYNBOOM &c.

Op Nederlantsch alzoo genoemt; wordt in ユt Latijn ABIES, PICEA, ende PINUS; op ユt Hoogduitsch TANNENBAUM, FICHTENBAUM, ende HARTZBAUM; maar in ユt Francois PESSE, ARBRE DE LA POIX, ende PYN gezegt.

Van deze worden gevonden zeer veel veranderlijke soorten, die wy alhier in ユt bezonder niet zullen verhaalen, vermits zy alle onder een Culture begreepen worden, van een ende de zelfde Natuire zijnde.

Zy beminnen alle een holle, goede, en luchtige grond, met Veen-aerde, twee jaarige Paerde- eenjaarige Koeije-mest, ende grof Zand genoegzaam doormengt, een openen vrije plaatze: brengen ook in deze Gewesten eenige vrucht voort, maar daar in, voor dat zy oudt geworden zijn, geen volkoomen rijp zaad; zijn hart van aart, verdragen felle koude, ende alle ongeleegentheit des tijds.

Deze altijd groenblijvende Boomen moogen in deze Landen door twee verscheidene middelen aangeteelt, ende vermeerdert worden, te weeten.

Eerstelijk, door haar zaad.

Ten tweeden, door afgesneedene takken op volgende maniere.

Neemt het zaad een, twee, ofte drie jaaren oudt zijnde, zaait het in gezeide aerde, elke korle bezonder, een voet ten minsten van malkanderen, voort na de geweezene volle Maane, in de Maant van Maart ofte April. Opgekoomen weezende, laatze in de zelfde plaatze ongerept drie jaaren lang verblijven, daarna neemtze op, ende verplantze met een afgaande Maane van April, in voorgenoemde grond, ten minsten twintig voeten van malkanderen, aan zijne dikste wortelen een weinig gesnoeit wordende, maar aan de takken in geenige manieren, vermits zy hetzelfde niet verdaagen (*) moogen. Want de Natuire dezer schoone Boomen zoodanig is, dat zy zoo wel door niet verzet, als verzet te zijn, haare onmagt ofte swakkigheit gevoelende, zich zelver, door het versterven haarder onderste takken, snoeijen; op dat de boovenste zoo veel meerder voetzel genietende, te kragtiger moogen opschieten. Doch indien het quam te gebeuren, dat het zelfde in een verzette, ofte staangebleevene Boom eeven wel geschieden moste, zal men als dan niet geheel dichte aan den stam zelver, maar tot op een goede hand breed daar van daan, laatende alzoo de knobben ofte het overblijfzel [29[ der groene afgenoomene takken rondom den stam verblijven, die door het uitvloeijen des hars ofte peks, binnen de tijd van een jaar versterven, ende als dan zonder eenig gevaar tot aan den Boom zelver lichtelijk afgesneeden konnen worden.

Doch indien Iemant de takken voorts tot dichte aan zijne stam zelver af te neemen, ende te snoeijen begeerde, zal in weinig tijds bevinden, dat, door het uitvloeijen haarder harzige of pekkige vochtigheit, die daar door veroorzaakt is, de Boom in groote perijkel van te verderven gebragt worde, waar van zoo zy niet met langzaamheit geheel versterven, eevenwel zoo zeer verswakken zal, dat zy in de tijd van vier jaaren ter naauwer nood, ja zommige noit, haare voorige kracht en welstandt wederom verkrijgen konnen.

Ten tweeden, geschiedt de voortteelinge deze door haare takken, als volgt: Neemt ende snijdt alleene dユ eenjarige schueten ofte looten, met een volle Maane in de Maart, af, en zet dezelfde zoo diep in dユ aerde, dat zy maar een halve vinger lank daar boven uit koomen te steeken, op een schaduachtige plaatze daar de Zonne maar een weinig koomt te schijnen, ende begiet haar dikwijls met water, zoo vatten zy in weinig tijds van zelver wortelen, die men met een wassende Maane in de Maart ofte April, drie jaaren gestaan hebbende, verplant, ofte, op de zelfde plaatze, ongeveer twintig voeten verre van malkanderen, staan laat.

Deze groot geworden, ende eenige jaaren gestaan hebbende, schieten ende verspreiden haare menigvuldige wortelen zoo verre en breed uit, dat zy wel tien